Art.9. Als een persoon, voorafgaand of na het afleveren van zijn vergunning " accijnsinrichting ", een onregelmatigheid of een overtreding andere dan deze bedoeld in artikel 22, § 2, van de wet heeft begaan, kan de directeur het bedrag van de zekerheid, bepaald in artikel 21, § 2, 1°, van de wet, op 50 pct. van het bedrag van de accijnzen met betrekking tot de accijnsproducten die worden vervaardigd of voorhanden zijn in de accijnsinrichting brengen of vaststellen.
§ 2. Het percentage vermeld in paragraaf 1 wordt behouden voor een proefperiode van één jaar te rekenen vanaf de dag van aanvaarding van de zekerheid door het enig kantoor.
§ 3. Indien tijdens de proefperiode geen enkele onregelmatigheid of overtreding van dezelfde aard als deze bedoeld in paragraaf 1 wordt vastgesteld, kan de directeur het bedrag van de zekerheid terugbrengen tot het bedrag bepaald in artikel 21, § 2, 1°, van de wet.
§ 4. Indien tijdens de proefperiode een onregelmatigheid of overtreding van dezelfde aard als deze bedoeld in paragraaf 1 wordt vastgesteld, kan de directeur de zekerheid verhogen tot 100 pct. van het bedrag van de accijnzen met betrekking tot de accijnsproducten die worden vervaardigd of voorhanden zijn in de accijnsinrichting.
Na een dergelijke verhoging kan de directeur het bedrag van de zekerheid slechts terugbrengen tot het bedrag bepaald in artikel 21, § 2, 1°, van de wet, na een proefperiode van twee jaar te rekenen vanaf de datum van aanvaarding door het enig kantoor van de zekerheid die werd vastgesteld overeenkomstig het voorgaande lid en voor zover er geen overtredingen of onregelmatigheden van dezelfde aard als deze bedoeld in paragraaf 1 werden vastgesteld.
§ 5. Elke verhoging van de zekerheid moet worden gesteld binnen de tien dagen na de betekening van de beslissing door de directeur aan de houder van de vergunning " accijnsinrichting ".
Art.9. Lorsqu'une personne a commis, antérieurement ou postérieurement à la délivrance de son autorisation " établissement d'accise ", une irrégularité ou une infraction autre que celles énoncées à l'article 22, § 2, de la loi, le directeur peut porter ou fixer le montant de la garantie prévue à l'article 21, § 2, 1°, de la loi, à 50 p.c. du montant de l'accise afférente aux produits d'accise fabriqués ou détenus dans l'établissement d'accise.
§ 2. Le pourcentage mentionné au paragraphe 1er est maintenu pendant une période probatoire d'un an à compter du jour de l'acceptation de la garantie par le bureau unique.
§ 3. Si aucune irrégularité ou infraction de même nature que celles visées au paragraphe 1er n'est constatée au cours de la période probatoire, le directeur peut ramener le montant de la garantie au montant fixé à l'article 21, § 2, 1°, de la loi.
§ 4. Si une irrégularité ou une infraction de même nature que celles visées au paragraphe 1er est constatée au cours de la période probatoire, le directeur peut augmenter la garantie jusqu'à 100 p.c. du montant de l'accise afférente aux produits d'accise fabriqués ou détenus dans l'établissement d'accise.
Dans cette éventualité, le directeur ne peut ramener le montant de la garantie au montant fixé par l'article 21, § 2, 1°, de la loi, qu'au terme d'une période probatoire de deux ans à compter de la date d'acceptation de la garantie par le bureau unique telle que fixée à l'alinéa précédent et pour autant qu'il ne soit pas constaté d'infraction ou d'irrégularité de même nature que celles visées au paragraphe 1er.
§ 5. Tout supplément de garantie doit être déposé dans les dix jours de la notification de la décision par le directeur au titulaire de l'autorisation " établissement d'accise ".