Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1° "het koninklijk besluit nr. 38": het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2° "de programmawet": de programmawet van 26 december 2022;
3° "het koninklijk besluit van 20 juli 1971": het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en van de meewerkende echtgenoten;
4° "de zelfstandige": de zelfstandige bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
5° "de helper": de helper bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
6° "de meewerkende echtgenoot": de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
7° "het overbruggingsrecht": het overbruggingsrecht bedoeld in artikel 189 van de programmawet;
8° "de aanvrager": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van het overbruggingsrecht;
9° "het sociaal verzekeringsfonds": de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, § § 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
10° "de stopzetting": de officiële stopzetting van de zelfstandige activiteit door de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot, zoals geregistreerd door zijn sociaal verzekeringsfonds;
11° "de financiële uitkering": de krachtens artikel 189, 1°, van de programmawet toegekende uitkering;
12° "de sociale rechten": de krachtens artikel 189, 2°, van de programmawet toegekende rechten.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
6 FEBRUARI 2023. - Koninklijk besluit tot uitvoering van hoofdstuk 3 van titel 9 van de programmawet van 26 december 2022 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen
Titre
6 FEVRIER 2023. - Arrêté royal portant exécution du chapitre 3 du titre 9 de la loi-programme du 26 décembre 2022 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants
Informations sur le document
Numac: 2023200869
Datum: 2023-02-06
Info du document
Numac: 2023200869
Date: 2023-02-06
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
HOOFDSTUK 2. - Het overbruggingsrecht in de gev...
HOOFDSTUK 3. - Het overbruggingsrecht in de gev...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen
Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk be...
Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk be...
Afdeling 3. - Koninklijk besluit van 15 januari...
HOOFDSTUK 5. - Overgangs- en inwerkingtredingsb...
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
CHAPITRE 2. - Le droit passerelle dans les cas ...
CHAPITRE 3. - Le droit passerelle dans les cas ...
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
Section 1. - Modifications de l'arrêté royal du...
Section 2. - Modifications de l'arrêté royal du...
Section 3. - Arrêté royal du 15 janvier 2014 re...
CHAPITRE 5. - Dispositions transitoires et d'en...
Tekst (21)
Texte (21)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Article 1er. Pour l'application du présente arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1° " l'arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° " la loi-programme" : la loi-programme du 26 décembre 2022;
3° " l'arrêté royal du 20 juillet 1971 " : l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants;
4° " le travailleur indépendant " : le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
5° " l'aidant " : l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
6° " le conjoint aidant " : le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
7° " le droit passerelle " : le droit passerelle visé à l'article 189 de la loi-programme;
8° " le demandeur " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir le droit passerelle;
9° " la caisse d'assurances sociales " : la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § § 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
10° " la cessation " : la cessation officielle de l'activité indépendante par le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant, telle qu'enregistrée par sa caisse d'assurances sociales;
11° " la prestation financière " : la prestation octroyée en vertu de l'article 189, 1°, de la loi-programme;
12° " les droits sociaux " : les droits octroyés en vertu de l'article 189, 2°, de la loi-programme.
1° " l'arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2° " la loi-programme" : la loi-programme du 26 décembre 2022;
3° " l'arrêté royal du 20 juillet 1971 " : l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants;
4° " le travailleur indépendant " : le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
5° " l'aidant " : l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
6° " le conjoint aidant " : le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
7° " le droit passerelle " : le droit passerelle visé à l'article 189 de la loi-programme;
8° " le demandeur " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir le droit passerelle;
9° " la caisse d'assurances sociales " : la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § § 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
10° " la cessation " : la cessation officielle de l'activité indépendante par le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant, telle qu'enregistrée par sa caisse d'assurances sociales;
11° " la prestation financière " : la prestation octroyée en vertu de l'article 189, 1°, de la loi-programme;
12° " les droits sociaux " : les droits octroyés en vertu de l'article 189, 2°, de la loi-programme.
HOOFDSTUK 2. - Het overbruggingsrecht in de gevallen bedoeld in artikel 190, 1°, van de programmawet
CHAPITRE 2. - Le droit passerelle dans les cas visés à l'article 190, 1°, de la loi-programme
Art.2. Om het overbruggingsrecht in de gevallen bedoeld in artikel 190, 1°, van de programmawet te genieten, moet de aanvrager het slachtoffer zijn van één van de volgende situaties die, onafhankelijk van zijn wil, de uitoefening van elke zelfstandige activiteit tijdelijk of definitief onmogelijk heeft gemaakt:
1° Een natuurramp.
Onder "natuurramp" wordt verstaan:
a) elk natuurverschijnsel met uitzonderlijk karakter in de zin van artikel 2, § 1, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
b) elke natuurramp in de zin van artikel 124 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;
die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager heeft beschadigd.
2° Een brand.
Onder "brand" wordt verstaan: elke gebeurtenis bedoeld in 115 van voornoemde wet van 4 april 2014, die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager heeft beschadigd.
3° Een beschadiging.
Onder "beschadiging" wordt verstaan: elke beschadiging van de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager ten gevolge van een gebeurtenis, anders dan deze bedoeld onder 1° en 2°, die ze onbruikbaar maakt.
4° Een allergie.
Onder "allergie" wordt verstaan: elke allergie waaraan de aanvrager lijdt. De volgende cumulatieve voorwaarden moeten voldaan zijn:
a) de allergie werd erkend door de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling, bedoeld in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971;
b) de allergie is veroorzaakt door de uitoefening van de specifieke zelfstandige activiteit van de aanvrager en
c) de aanvrager wordt, na het uitputten van zijn rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gedurende het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 6, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, op grond van een beslissing van het bevoegde medische orgaan niet erkend tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971.
5° Een beslissing van een derde economische actor of een gebeurtenis die economische impact heeft.
Onder "beslissing van een derde economische actor of een gebeurtenis die economische impact heeft" wordt verstaan: de beslissing van een derde economische actor of de gebeurtenis waarvan de economische impact de activiteit van de onderneming van de aanvrager rechtstreeks en aanzienlijk raakt.
6° Een faillissement van de onderneming van de aanvrager.
1° Een natuurramp.
Onder "natuurramp" wordt verstaan:
a) elk natuurverschijnsel met uitzonderlijk karakter in de zin van artikel 2, § 1, van de wet van 12 juli 1976 betreffende het herstel van zekere schade veroorzaakt aan private goederen door natuurrampen;
b) elke natuurramp in de zin van artikel 124 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen;
die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager heeft beschadigd.
2° Een brand.
Onder "brand" wordt verstaan: elke gebeurtenis bedoeld in 115 van voornoemde wet van 4 april 2014, die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager heeft beschadigd.
3° Een beschadiging.
Onder "beschadiging" wordt verstaan: elke beschadiging van de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager ten gevolge van een gebeurtenis, anders dan deze bedoeld onder 1° en 2°, die ze onbruikbaar maakt.
4° Een allergie.
Onder "allergie" wordt verstaan: elke allergie waaraan de aanvrager lijdt. De volgende cumulatieve voorwaarden moeten voldaan zijn:
a) de allergie werd erkend door de adviserend arts van zijn verzekeringsinstelling, bedoeld in artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971;
b) de allergie is veroorzaakt door de uitoefening van de specifieke zelfstandige activiteit van de aanvrager en
c) de aanvrager wordt, na het uitputten van zijn rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gedurende het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 6, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, op grond van een beslissing van het bevoegde medische orgaan niet erkend tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971.
5° Een beslissing van een derde economische actor of een gebeurtenis die economische impact heeft.
Onder "beslissing van een derde economische actor of een gebeurtenis die economische impact heeft" wordt verstaan: de beslissing van een derde economische actor of de gebeurtenis waarvan de economische impact de activiteit van de onderneming van de aanvrager rechtstreeks en aanzienlijk raakt.
6° Een faillissement van de onderneming van de aanvrager.
Art.2. Pour bénéficier du droit passerelle dans les cas visés à l'article 190, 1°, de la loi-programme, le demandeur doit être victime d'une des situations suivantes qui, indépendamment de sa volonté, a rendu temporairement ou définitivement impossible l'exercice de toute activité indépendante :
1° Une calamité naturelle.
Par " calamité naturelle " on entend :
a) tout phénomène naturel de caractère exceptionnel au sens de l'article 2, § 1er, de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles;
b) toute catastrophe naturelle au sens de l'article 124 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances;
ayant endommagé les bâtiments à usage professionnel ou l'outillage professionnel du demandeur.
2° Un incendie.
Par " incendie " on entend : tout événement visé à l'article 115 de la loi précitée du 4 avril 2014, ayant endommagé les bâtiments à usage professionnel ou l'outillage professionnel du demandeur.
3° Une détérioration.
Par " détérioration " on entend : toute détérioration des bâtiments à usage professionnel ou de l'outillage professionnel du demandeur en raison d'un événement autre que celui visé au 1° et 2°, qui en rend l'usage impossible.
4° Une allergie.
Par " allergie " on entend : toute allergie dont souffre le demandeur. Les conditions cumulatives suivantes doivent être remplies :
a) l'allergie était reconnue par le médecin conseil de son organisme assureur, visé à l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971;
b) l'allergie trouve son origine dans l'exercice de l'activité indépendante spécifique du demandeur et
c) le demandeur n'est pas reconnu, après l'épuisement de ses droits aux indemnités d'incapacité de travail pendant la période d'incapacité de travail primaire visée à l'article 6, 1° et 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971, sur base d'une décision de l'organe médical compétent, pendant la période d'invalidité visée à l'article 6, 3°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971.
5° Une décision d'un acteur économique tiers ou un événement ayant des impacts économiques.
Par "décision d'un acteur économique tiers ou un événement ayant des impacts économiques", on entend: la décision d'un acteur économique tiers ou l'événement dont les impacts économiques touchent directement et significativement l'activité de l'entreprise du demandeur.
6° Une faillite de l'entreprise du demandeur.
1° Une calamité naturelle.
Par " calamité naturelle " on entend :
a) tout phénomène naturel de caractère exceptionnel au sens de l'article 2, § 1er, de la loi du 12 juillet 1976 relative à la réparation de certains dommages causés à des biens privés par des calamités naturelles;
b) toute catastrophe naturelle au sens de l'article 124 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances;
ayant endommagé les bâtiments à usage professionnel ou l'outillage professionnel du demandeur.
2° Un incendie.
Par " incendie " on entend : tout événement visé à l'article 115 de la loi précitée du 4 avril 2014, ayant endommagé les bâtiments à usage professionnel ou l'outillage professionnel du demandeur.
3° Une détérioration.
Par " détérioration " on entend : toute détérioration des bâtiments à usage professionnel ou de l'outillage professionnel du demandeur en raison d'un événement autre que celui visé au 1° et 2°, qui en rend l'usage impossible.
4° Une allergie.
Par " allergie " on entend : toute allergie dont souffre le demandeur. Les conditions cumulatives suivantes doivent être remplies :
a) l'allergie était reconnue par le médecin conseil de son organisme assureur, visé à l'article 4, § 1er, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971;
b) l'allergie trouve son origine dans l'exercice de l'activité indépendante spécifique du demandeur et
c) le demandeur n'est pas reconnu, après l'épuisement de ses droits aux indemnités d'incapacité de travail pendant la période d'incapacité de travail primaire visée à l'article 6, 1° et 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971, sur base d'une décision de l'organe médical compétent, pendant la période d'invalidité visée à l'article 6, 3°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971.
5° Une décision d'un acteur économique tiers ou un événement ayant des impacts économiques.
Par "décision d'un acteur économique tiers ou un événement ayant des impacts économiques", on entend: la décision d'un acteur économique tiers ou l'événement dont les impacts économiques touchent directement et significativement l'activité de l'entreprise du demandeur.
6° Une faillite de l'entreprise du demandeur.
Art.3. § 1. De onderbreking van de zelfstandige activiteit naar aanleiding van de in artikel 2, § 1, 1° tot 3°, bedoelde situaties vangt aan op de datum waarop de desbetreffende situatie zich voordoet.
§ 2. De onderbreking van de zelfstandige activiteit naar aanleiding van de in artikel 2, § 1, 4°, bedoelde situatie wordt geacht aan te vangen op de datum waarop de aanvrager niet erkend wordt tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971.
§ 3. De onderbreking van de zelfstandige activiteit naar aanleiding van de in artikel 2, § 1, 5°, bedoelde situatie, wordt geacht aan te vangen op de door aanvrager verklaarde datum.
§ 4. De onderbreking van de zelfstandige activiteit naar aanleiding van de in artikel 2, § 1, 6°, bedoelde situatie, wordt geacht aan te vangen op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
§ 2. De onderbreking van de zelfstandige activiteit naar aanleiding van de in artikel 2, § 1, 4°, bedoelde situatie wordt geacht aan te vangen op de datum waarop de aanvrager niet erkend wordt tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971.
§ 3. De onderbreking van de zelfstandige activiteit naar aanleiding van de in artikel 2, § 1, 5°, bedoelde situatie, wordt geacht aan te vangen op de door aanvrager verklaarde datum.
§ 4. De onderbreking van de zelfstandige activiteit naar aanleiding van de in artikel 2, § 1, 6°, bedoelde situatie, wordt geacht aan te vangen op de datum van het vonnis van faillietverklaring.
Art.3. § 1er. L'interruption de l'activité indépendante à l'occasion des situations visées à l'article 2, § 1er, 1° à 3°, commence à la date à laquelle la situation concernée survient.
§ 2. L'interruption de l'activité indépendante à l'occasion de la situation visée à l'article 2, § 1er, 4°, est censée commencer à la date à laquelle le demandeur n'est pas reconnu pendant la période d'invalidité visée à l'article 6, 3°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971.
§ 3. L'interruption de l'activité indépendante à l'occasion de la situation visée à l'article 2, § 1er, 5°, est censée commencer à la date déclarée par le demandeur.
§ 4. L'interruption de l'activité indépendante à l'occasion de la situation visée à l'article 2, § 1er, 6°, est censée commencer à la date du jugement déclaratif de faillite.
§ 2. L'interruption de l'activité indépendante à l'occasion de la situation visée à l'article 2, § 1er, 4°, est censée commencer à la date à laquelle le demandeur n'est pas reconnu pendant la période d'invalidité visée à l'article 6, 3°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971.
§ 3. L'interruption de l'activité indépendante à l'occasion de la situation visée à l'article 2, § 1er, 5°, est censée commencer à la date déclarée par le demandeur.
§ 4. L'interruption de l'activité indépendante à l'occasion de la situation visée à l'article 2, § 1er, 6°, est censée commencer à la date du jugement déclaratif de faillite.
Art.4. § 1. Bij de in artikel 194 van de programmawet bedoelde aanvraag voegt de aanvrager een reeks documenten die toelaten de in artikel 2 bedoelde situatie, waarvan hij het slachtoffer is en de gedwongen onderbreking of stopzetting van zijn zelfstandige activiteit die eruit voortvloeit, vast te stellen.
§ 2. De aanvrager bezorgt onmiddellijk elk later verkregen document met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde situatie aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
§ 2. De aanvrager bezorgt onmiddellijk elk later verkregen document met betrekking tot de in artikel 2 bedoelde situatie aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
Art.4. § 1er. Le demandeur joint à la demande, visée à l'article 194 de la loi-programme, une série de documents qui permettent de constater la situation visée à l'article 2, dont il est victime et l'interruption ou la cessation forcée de son activité indépendante qui en découle.
§ 2. Le demandeur fournit immédiatement chaque document obtenu plus tard concernant la situation visée à l'article 2, à sa caisse d'assurances sociales.
§ 2. Le demandeur fournit immédiatement chaque document obtenu plus tard concernant la situation visée à l'article 2, à sa caisse d'assurances sociales.
Art.5. Het sociaal verzekeringsfonds gaat na of de in artikel 2 bedoelde voorwaarden vervuld zijn, op basis van de in artikel 4 bedoelde documenten.
Tot bewijs van het tegendeel worden de voorwaarden geacht vervuld te zijn, wanneer:
1° in geval van de in artikel 2, § 1, 1° tot 3°, bedoelde situaties, afdoende documenten toelaten om vast te stellen dat:
a) de situatie zich heeft voorgedaan op een bepaalde datum en
b) de situatie de oorzaak is van de schade die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager heeft getroffen en
c) de situatie de oorzaak is van de tijdelijke of definitieve onmogelijkheid van de aanvrager om elke zelfstandige activiteit verder te zetten vanaf de onder a) vermelde datum;
2° in geval van een in artikel 2, § 1, 4°, bedoelde situatie, documenten van het bevoegde medische orgaan toelaten om vast te stellen dat:
a) de allergie van de aanvrager veroorzaakt is door de uitoefening van zijn specifieke zelfstandige activiteit en onverenigbaar is met het verder zetten van die specifieke zelfstandige activiteit en
b) de aanvrager, na het uitputten van zijn rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gedurende het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 6, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, niet erkend wordt tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971.
3° in geval van de in artikel 2, § 1, 5°, bedoelde situatie, afdoende documenten toelaten om vast te stellen dat:
a) de beslissing of de gebeurtenis zich heeft voorgedaan op een welbepaalde datum en
b) de beslissing of de gebeurtenis de rechtstreekse oorzaak is van de tijdelijke of definitieve onmogelijkheid van de aanvrager om elke zelfstandige activiteit verder te zetten.
4° in geval van de in artikel 2, § 1, 6°, bedoelde situatie, het vonnis van faillietverklaring.
Tot bewijs van het tegendeel worden de voorwaarden geacht vervuld te zijn, wanneer:
1° in geval van de in artikel 2, § 1, 1° tot 3°, bedoelde situaties, afdoende documenten toelaten om vast te stellen dat:
a) de situatie zich heeft voorgedaan op een bepaalde datum en
b) de situatie de oorzaak is van de schade die de voor professioneel gebruik bedoelde gebouwen of de professionele uitrusting van de aanvrager heeft getroffen en
c) de situatie de oorzaak is van de tijdelijke of definitieve onmogelijkheid van de aanvrager om elke zelfstandige activiteit verder te zetten vanaf de onder a) vermelde datum;
2° in geval van een in artikel 2, § 1, 4°, bedoelde situatie, documenten van het bevoegde medische orgaan toelaten om vast te stellen dat:
a) de allergie van de aanvrager veroorzaakt is door de uitoefening van zijn specifieke zelfstandige activiteit en onverenigbaar is met het verder zetten van die specifieke zelfstandige activiteit en
b) de aanvrager, na het uitputten van zijn rechten op arbeidsongeschiktheidsuitkeringen gedurende het tijdvak van primaire arbeidsongeschiktheid bedoeld in artikel 6, 1° en 2°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971, niet erkend wordt tijdens het tijdvak van invaliditeit bedoeld in artikel 6, 3°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971.
3° in geval van de in artikel 2, § 1, 5°, bedoelde situatie, afdoende documenten toelaten om vast te stellen dat:
a) de beslissing of de gebeurtenis zich heeft voorgedaan op een welbepaalde datum en
b) de beslissing of de gebeurtenis de rechtstreekse oorzaak is van de tijdelijke of definitieve onmogelijkheid van de aanvrager om elke zelfstandige activiteit verder te zetten.
4° in geval van de in artikel 2, § 1, 6°, bedoelde situatie, het vonnis van faillietverklaring.
Art.5. La caisse d'assurances sociales vérifie si les conditions visées à l'article 2 sont remplies, sur base des documents visés à l'article 4.
Jusqu'à la preuve du contraire, les conditions sont présumées avérées lorsque :
1° en cas des situations visées à l'article 2, § 1er, 1° à 3°, des documents probants permettent d'établir que :
a) la situation est survenue à une certaine date et
b) la situation est la cause des dégâts qui ont touché les bâtiments à usage professionnel ou l'outillage professionnel du demandeur et
c) la situation est la cause de l'impossibilité temporaire ou définitive du demandeur à poursuivre toute activité indépendante à compter de la date, visée sous a);
2° en cas d'allergie visée à l'article 2, § 1er, 4°, des documents de l'organe médical compétent, permettent d'établir que :
a) l'allergie du demandeur est causée par l'exercice de son activité indépendante spécifique et est incompatible avec la poursuite de cette activité indépendante spécifique et
b) le demandeur, après l'épuisement de ses droits aux indemnités d'incapacité de travail pendant la période d'incapacité de travail primaire visée à l'article 6, 1° et 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971, n'est pas reconnu pendant la période d'invalidité visée à l'article 6, 3°, de l'arrêté royal précité du 20 juillet 1971.
3° en cas de la situation visée à l'article 2, § 1er, 5°, des documents probants permettent d'établir que:
a) la décision ou l'événement est survenu à une certaine date et
b) la décision ou l' événement est la cause directe de l'impossibilité temporaire ou définitive du demandeur à poursuivre toute activité indépendante.
4° en cas de la situation visée à l'article 2, § 1er, 6°, le jugement déclaratif de faillite.
Jusqu'à la preuve du contraire, les conditions sont présumées avérées lorsque :
1° en cas des situations visées à l'article 2, § 1er, 1° à 3°, des documents probants permettent d'établir que :
a) la situation est survenue à une certaine date et
b) la situation est la cause des dégâts qui ont touché les bâtiments à usage professionnel ou l'outillage professionnel du demandeur et
c) la situation est la cause de l'impossibilité temporaire ou définitive du demandeur à poursuivre toute activité indépendante à compter de la date, visée sous a);
2° en cas d'allergie visée à l'article 2, § 1er, 4°, des documents de l'organe médical compétent, permettent d'établir que :
a) l'allergie du demandeur est causée par l'exercice de son activité indépendante spécifique et est incompatible avec la poursuite de cette activité indépendante spécifique et
b) le demandeur, après l'épuisement de ses droits aux indemnités d'incapacité de travail pendant la période d'incapacité de travail primaire visée à l'article 6, 1° et 2°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971, n'est pas reconnu pendant la période d'invalidité visée à l'article 6, 3°, de l'arrêté royal précité du 20 juillet 1971.
3° en cas de la situation visée à l'article 2, § 1er, 5°, des documents probants permettent d'établir que:
a) la décision ou l'événement est survenu à une certaine date et
b) la décision ou l' événement est la cause directe de l'impossibilité temporaire ou définitive du demandeur à poursuivre toute activité indépendante.
4° en cas de la situation visée à l'article 2, § 1er, 6°, le jugement déclaratif de faillite.
HOOFDSTUK 3. - Het overbruggingsrecht in de gevallen bedoeld in artikel 190, 2°, van de programmawet
CHAPITRE 3. - Le droit passerelle dans les cas visés à l'article 190, 2°, de la loi-programme
Art.6. § 1. Om het overbruggingsrecht in de gevallen bedoeld in artikel 190, 2°, van de programmawet te genieten, moet de aanvrager de volgende cumulatieve voorwaarden vervullen:
1° elke zelfstandige activiteit officieel stopzetten en
2° zich in economische moeilijkheden bevinden.
§ 2. De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot bevindt zich in economische moeilijkheden, indien hij zich in één van de volgende situaties bevindt:
1° hij ontvangt op het ogenblik van de stopzetting van zijn zelfstandige activiteit een leefloon, overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
2° hij heeft in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de maand van de stopzetting, in het kader van een aanvraag voor vrijstelling van bijdragen ingediend bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, een beslissing tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragebetaling bekomen;
3° hij beschikt over een inkomen dat de minimale bijdragedrempel, beoogd in artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 38, niet overschrijdt, zowel tijdens het jaar van de stopzetting, als in het daaraan voorafgaande jaar:
a) voor de zelfstandige en de helper betreft het de minimale bijdragedrempel beoogd in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38;
b) voor de meewerkende echtgenoot betreft het de minimale bijdragedrempel beoogd in artikel 12, § 1ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38.
De helper en de meewerkende echtgenoot komen evenwel slechts in aanmerking om het overbruggingsrecht te genieten in de situatie bedoeld in het eerste lid, 3°, indien ook de geholpen zelfstandige kan aantonen dat zijn inkomen tijdens dezelfde periode de minimale bijdragedrempel beoogd in a) niet overschrijdt.
De aanvrager die op het ogenblik van zijn stopzetting, als zaakvoerder, bestuurder of werkend vennoot verzekeringsplichtig was overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1976 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, komt evenwel slechts in aanmerking om het overbruggingsrecht te genieten in de situatie bedoeld in het eerste lid, 3°, indien hij, onverminderd de toepassing van de overige voorwaarden bepaald in de programmawet en in dit besluit, voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° er moet een procedure tot ontbinding en vereffening van de betrokken vennootschap(en) zijn gestart op het ogenblik van de stopzetting en
2° de vermogensvoordelen die de aanvrager heeft genoten naar aanleiding van de ontbinding en vereffening, andere dan deze bedoeld in het eerste lid, 3°, mogen niet hoger zijn dan het dubbele van het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38.
1° elke zelfstandige activiteit officieel stopzetten en
2° zich in economische moeilijkheden bevinden.
§ 2. De zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot bevindt zich in economische moeilijkheden, indien hij zich in één van de volgende situaties bevindt:
1° hij ontvangt op het ogenblik van de stopzetting van zijn zelfstandige activiteit een leefloon, overeenkomstig de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
2° hij heeft in de periode van twaalf maanden voorafgaand aan de maand van de stopzetting, in het kader van een aanvraag voor vrijstelling van bijdragen ingediend bij het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen, een beslissing tot volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragebetaling bekomen;
3° hij beschikt over een inkomen dat de minimale bijdragedrempel, beoogd in artikel 12 van het koninklijk besluit nr. 38, niet overschrijdt, zowel tijdens het jaar van de stopzetting, als in het daaraan voorafgaande jaar:
a) voor de zelfstandige en de helper betreft het de minimale bijdragedrempel beoogd in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38;
b) voor de meewerkende echtgenoot betreft het de minimale bijdragedrempel beoogd in artikel 12, § 1ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38.
De helper en de meewerkende echtgenoot komen evenwel slechts in aanmerking om het overbruggingsrecht te genieten in de situatie bedoeld in het eerste lid, 3°, indien ook de geholpen zelfstandige kan aantonen dat zijn inkomen tijdens dezelfde periode de minimale bijdragedrempel beoogd in a) niet overschrijdt.
De aanvrager die op het ogenblik van zijn stopzetting, als zaakvoerder, bestuurder of werkend vennoot verzekeringsplichtig was overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1976 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, komt evenwel slechts in aanmerking om het overbruggingsrecht te genieten in de situatie bedoeld in het eerste lid, 3°, indien hij, onverminderd de toepassing van de overige voorwaarden bepaald in de programmawet en in dit besluit, voldoet aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° er moet een procedure tot ontbinding en vereffening van de betrokken vennootschap(en) zijn gestart op het ogenblik van de stopzetting en
2° de vermogensvoordelen die de aanvrager heeft genoten naar aanleiding van de ontbinding en vereffening, andere dan deze bedoeld in het eerste lid, 3°, mogen niet hoger zijn dan het dubbele van het bedrag bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 38.
Art.6. § 1er. Pour bénéficier du droit passerelle dans les cas visés à l'article 190, 2°, de la loi-programme, le demandeur doit remplir les conditions cumulatives suivantes :
1° officiellement cesser toute activité indépendante et
2° se trouver en difficultés économiques.
§ 2. Le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant se trouve en difficultés économiques s'il se trouve dans une des situations suivantes :
1° il reçoit au moment de la cessation de son activité indépendante un revenu d'intégration, conformément à la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
2° il a, pendant la période de douze mois précédant le mois de la cessation, dans le cadre d'une demande de dispense de cotisations introduite auprès de l'Institut National d'Assurances Sociales pour Travailleurs Indépendants, obtenu une décision de dispense partielle ou totale du paiement des cotisations;
3° il dispose d'un revenu qui ne dépasse pas le seuil de cotisation minimal, visé à l'article 12 de l'arrêté royal n° 38, tant pendant l'année de la cessation que pendant l'année précédente :
a) pour le travailleur indépendant et l'aidant, il s'agit du seuil de cotisation minimal visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38;
b) pour le conjoint aidant, il s'agit du seuil de cotisation minimal visé à l'article 12, § 1ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38.
Cependant, l'aidant et le conjoint aidant n'entrent en ligne de compte pour bénéficier du droit passerelle dans la situation visée à l'alinéa 1er, 3° que, si le travailleur indépendant aidé peut également démontrer que son revenu pendant la même période ne dépasse pas le seuil de cotisation minium visé au point a).
Cependant, le demandeur qui était, au moment de sa cessation, assujetti en vertu de l'arrêté royal nr° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, en tant que gérant, administrateur ou associé actif, n'entre en ligne de compte pour bénéficier du droit passerelle dans la situation visée à l'alinéa 1er, 3°, que s'il remplit les conditions cumulatives suivantes, sous réserve de l'application des autres conditions fixées par la loi-programme et par le présent arrêté :
1° une procédure de dissolution et de liquidation de la/des société(s) concernée(s) doit être entamée au moment de la cessation et
2° les avantages patrimoniaux dont le demandeur a bénéficié suite à la dissolution et la liquidation, autres que ceux visés à l'alinéa 1er, 3°, ne peuvent pas excéder le double du montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38.
1° officiellement cesser toute activité indépendante et
2° se trouver en difficultés économiques.
§ 2. Le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant se trouve en difficultés économiques s'il se trouve dans une des situations suivantes :
1° il reçoit au moment de la cessation de son activité indépendante un revenu d'intégration, conformément à la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
2° il a, pendant la période de douze mois précédant le mois de la cessation, dans le cadre d'une demande de dispense de cotisations introduite auprès de l'Institut National d'Assurances Sociales pour Travailleurs Indépendants, obtenu une décision de dispense partielle ou totale du paiement des cotisations;
3° il dispose d'un revenu qui ne dépasse pas le seuil de cotisation minimal, visé à l'article 12 de l'arrêté royal n° 38, tant pendant l'année de la cessation que pendant l'année précédente :
a) pour le travailleur indépendant et l'aidant, il s'agit du seuil de cotisation minimal visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38;
b) pour le conjoint aidant, il s'agit du seuil de cotisation minimal visé à l'article 12, § 1ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38.
Cependant, l'aidant et le conjoint aidant n'entrent en ligne de compte pour bénéficier du droit passerelle dans la situation visée à l'alinéa 1er, 3° que, si le travailleur indépendant aidé peut également démontrer que son revenu pendant la même période ne dépasse pas le seuil de cotisation minium visé au point a).
Cependant, le demandeur qui était, au moment de sa cessation, assujetti en vertu de l'arrêté royal nr° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, en tant que gérant, administrateur ou associé actif, n'entre en ligne de compte pour bénéficier du droit passerelle dans la situation visée à l'alinéa 1er, 3°, que s'il remplit les conditions cumulatives suivantes, sous réserve de l'application des autres conditions fixées par la loi-programme et par le présent arrêté :
1° une procédure de dissolution et de liquidation de la/des société(s) concernée(s) doit être entamée au moment de la cessation et
2° les avantages patrimoniaux dont le demandeur a bénéficié suite à la dissolution et la liquidation, autres que ceux visés à l'alinéa 1er, 3°, ne peuvent pas excéder le double du montant visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 38.
Art.7. § 1. Het sociaal verzekeringsfonds is gehouden de in artikel 6 bedoelde situatie waarin de aanvrager zich bevindt te verifiëren aan de hand van volgende bewijsstukken:
1° in geval van een in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde situatie: een attest van het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
2° in geval van een in artikel 6, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde situatie: de beslissing van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen tot toekenning van een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragebetaling;
3° in geval van een in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, bedoelde situatie: objectieve elementen die aannemelijk maken dat het inkomen van de zelfstandige en, indien van toepassing, van de helper en/of meewerkende echtgenoot zich onder de minimale bijdragedrempel bevindt.
In geval van een in artikel 6, § 2, derde lid, bedoelde situatie moeten bijkomend de volgende voorwaarden worden geverifieerd:
1° de start van de procedure tot ontbinding en vereffening van de vennootschap: aan de hand van de beslissing van het bevoegde orgaan en
2° de omvang van de vermogensvoordelen die de aanvrager geniet naar aanleiding van de ontbinding en vereffening van de vennootschap: aan de hand van de vermenigvuldiging van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar van de vennootschap met het percentage van de aandelen dat de aanvrager in zijn bezit heeft.
Tenzij het tegendeel wordt bewezen, wordt de aanvrager geacht alle aandelen van de vennootschap te bezitten.
Indien de vermogensvoordelen berekend op basis van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar niet overeenstemmen met de vermogensvoordelen die de aanvrager meent daadwerkelijk uit de vereffening te bekomen, heeft de aanvrager de mogelijkheid om op basis van objectieve elementen aan te tonen dat het slechtere resultaat het gevolg is van economische moeilijkheden die zich sinds het voorlaatste afgesloten boekjaar hebben voorgedaan of schulden die het balanstotaal van het lopende boekjaar negatief hebben beïnvloed.
§ 2. Enkel wanneer het sociaal verzekeringsfonds zelf niet over deze informatie beschikt, moet de aanvrager deze bewijsstukken bij zijn in artikel 194 van de programmawet bedoelde aanvraag voegen.
1° in geval van een in artikel 6, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde situatie: een attest van het bevoegde Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn;
2° in geval van een in artikel 6, § 2, eerste lid, 2°, bedoelde situatie: de beslissing van het Rijksinstituut voor de Sociale Verzekeringen der Zelfstandigen tot toekenning van een volledige of gedeeltelijke vrijstelling van bijdragebetaling;
3° in geval van een in artikel 6, § 2, eerste lid, 3°, bedoelde situatie: objectieve elementen die aannemelijk maken dat het inkomen van de zelfstandige en, indien van toepassing, van de helper en/of meewerkende echtgenoot zich onder de minimale bijdragedrempel bevindt.
In geval van een in artikel 6, § 2, derde lid, bedoelde situatie moeten bijkomend de volgende voorwaarden worden geverifieerd:
1° de start van de procedure tot ontbinding en vereffening van de vennootschap: aan de hand van de beslissing van het bevoegde orgaan en
2° de omvang van de vermogensvoordelen die de aanvrager geniet naar aanleiding van de ontbinding en vereffening van de vennootschap: aan de hand van de vermenigvuldiging van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar van de vennootschap met het percentage van de aandelen dat de aanvrager in zijn bezit heeft.
Tenzij het tegendeel wordt bewezen, wordt de aanvrager geacht alle aandelen van de vennootschap te bezitten.
Indien de vermogensvoordelen berekend op basis van het balanstotaal van het voorlaatste afgesloten boekjaar niet overeenstemmen met de vermogensvoordelen die de aanvrager meent daadwerkelijk uit de vereffening te bekomen, heeft de aanvrager de mogelijkheid om op basis van objectieve elementen aan te tonen dat het slechtere resultaat het gevolg is van economische moeilijkheden die zich sinds het voorlaatste afgesloten boekjaar hebben voorgedaan of schulden die het balanstotaal van het lopende boekjaar negatief hebben beïnvloed.
§ 2. Enkel wanneer het sociaal verzekeringsfonds zelf niet over deze informatie beschikt, moet de aanvrager deze bewijsstukken bij zijn in artikel 194 van de programmawet bedoelde aanvraag voegen.
Art.7. § 1er. La caisse d'assurances sociales est tenue de vérifier la situation visée à l'article 6 dans laquelle le demandeur se trouve au moyen des pièces probantes suivantes :
1° en cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°: une attestation du Centre Public d'Action Sociale compétent;
2° en cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 2° : la décision d'octroi d'une dispense totale ou partielle du paiement des cotisations, de l'Institut National d'Assurances Sociales pour Travailleurs Indépendants;
3° en cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3° : des éléments objectifs qui démontrent que le revenu du travailleur indépendant et, le cas échéant, de l'aidant et/ou du conjoint aidant se trouve au-dessous du seuil de cotisation minimal.
En cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 3, les conditions suivantes doivent être vérifiées à titre additionnel :
1° le début de la procédure de dissolution et de liquidation de la société : sur base de la décision de l'organe compétent et
2° la hauteur des avantages patrimoniaux dont le demandeur bénéficie suite à la dissolution et à la liquidation de la société : sur base de la multiplication du total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé de la société par le pourcentage des actions que le demandeur détient.
Jusqu'à preuve du contraire, le demandeur est censé détenir toutes les actions de la société.
Si les avantages patrimoniaux calculés sur base du total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé ne correspondent pas aux avantages patrimoniaux que le demandeur estime obtenir réellement suite à la liquidation, le demandeur a la possibilité de démontrer, sur base d'éléments objectifs, que ce résultat plus mauvais résulte de difficultés économiques qui sont apparues depuis l'avant-dernier exercice comptable clôturé ou de dettes qui ont influencé de manière négative le total du bilan de l'exercice comptable en cours.
§ 2. Uniquement lorsque la caisse d'assurances sociales ne dispose pas elle-même de ces informations, le demandeur doit joindre ces pièces probantes à sa demande, visée à l'article 194 de la loi-programme.
1° en cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 1°: une attestation du Centre Public d'Action Sociale compétent;
2° en cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 2° : la décision d'octroi d'une dispense totale ou partielle du paiement des cotisations, de l'Institut National d'Assurances Sociales pour Travailleurs Indépendants;
3° en cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 1er, 3° : des éléments objectifs qui démontrent que le revenu du travailleur indépendant et, le cas échéant, de l'aidant et/ou du conjoint aidant se trouve au-dessous du seuil de cotisation minimal.
En cas d'une situation visée à l'article 6, § 2, alinéa 3, les conditions suivantes doivent être vérifiées à titre additionnel :
1° le début de la procédure de dissolution et de liquidation de la société : sur base de la décision de l'organe compétent et
2° la hauteur des avantages patrimoniaux dont le demandeur bénéficie suite à la dissolution et à la liquidation de la société : sur base de la multiplication du total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé de la société par le pourcentage des actions que le demandeur détient.
Jusqu'à preuve du contraire, le demandeur est censé détenir toutes les actions de la société.
Si les avantages patrimoniaux calculés sur base du total du bilan de l'avant-dernier exercice comptable clôturé ne correspondent pas aux avantages patrimoniaux que le demandeur estime obtenir réellement suite à la liquidation, le demandeur a la possibilité de démontrer, sur base d'éléments objectifs, que ce résultat plus mauvais résulte de difficultés économiques qui sont apparues depuis l'avant-dernier exercice comptable clôturé ou de dettes qui ont influencé de manière négative le total du bilan de l'exercice comptable en cours.
§ 2. Uniquement lorsque la caisse d'assurances sociales ne dispose pas elle-même de ces informations, le demandeur doit joindre ces pièces probantes à sa demande, visée à l'article 194 de la loi-programme.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen
Section 1. - Modifications de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants
Art.8. Artikel 50, § 4, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, ingevoegd bij het besluit van 13 maart 2013 en gewijzigd bij het besluit van 8 januari 2017 wordt vervangen als volgt:
" § 4. De zelfstandigen zijn geen enkele bijdrage verschuldigd voor de kwartalen waarvoor zij, in geval van gedwongen onderbreking in de gevallen bedoeld in artikel 190, 1°, van de programmawet van 26 december 2022 het behoud van de sociale rechten in het kader van het overbruggingsrecht genieten, bedoeld in artikel 189, 2°, van voornoemde wet."
" § 4. De zelfstandigen zijn geen enkele bijdrage verschuldigd voor de kwartalen waarvoor zij, in geval van gedwongen onderbreking in de gevallen bedoeld in artikel 190, 1°, van de programmawet van 26 december 2022 het behoud van de sociale rechten in het kader van het overbruggingsrecht genieten, bedoeld in artikel 189, 2°, van voornoemde wet."
Art.8. L'article 50, § 4, de l'arrêté royal du 19 décembre 1967 portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, inséré par l'arrêté du 13 mars 2013 et modifié par l'arrêté du 8 janvier 2017, est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Les travailleurs indépendants ne sont redevables d'aucune cotisation pour les trimestres pour lesquels, en cas d'interruption forcée visée à l'article 190, 1° de la loi-programme du 26 décembre 2022, ils bénéficient du maintien des droits sociaux dans le cadre du droit passerelle, visé à l'article 189, 2°, de la loi précitée. ".
" § 4. Les travailleurs indépendants ne sont redevables d'aucune cotisation pour les trimestres pour lesquels, en cas d'interruption forcée visée à l'article 190, 1° de la loi-programme du 26 décembre 2022, ils bénéficient du maintien des droits sociaux dans le cadre du droit passerelle, visé à l'article 189, 2°, de la loi précitée. ".
Afdeling 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en de meewerkende echtgenoten
Section 2. - Modifications de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants
Art.9. In artikel 3, 6°, van het koninklijk besluit van 20 juli 1971 houdende instelling van een uitkeringsverzekering en een moederschapsverzekering ten voordele van de zelfstandigen en de meewerkende echtgenoten, ingevoegd bij het besluit van 8 januari 2017, worden de woorden "bedoeld in artikel 3, 2°, van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 189, 2°, van de programmawet van 26 december 2022".
Art.9. A l'article 3, 6°, de l'arrêté royal du 20 juillet 1971 instituant une assurance indemnités et une assurance maternité en faveur des travailleurs indépendants et des conjoints aidants, inséré par l'arrêté du 8 janvier 2017, les mots " visé à l'article 3, 2°, de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants " sont remplacés par les mots " visé à l'article 189, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022 ".
Afdeling 3. - Koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994
Section 3. - Arrêté royal du 15 janvier 2014 relatif à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994
Art.10. In artikel 18, 9°, van het koninklijk besluit van 15 januari 2014 betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, ingevoegd door het besluit van 15 maart 2022, worden de woorden "bedoeld in artikel 3, 2° van de wet van 22 december 2016 houdende invoering van een overbruggingsrecht ten gunste van zelfstandigen" vervangen door de woorden "bedoeld in artikel 189, 2°, van de programmawet van 26 december 2022".
Art.10. A l'article 18, 9°, de l'arrêté royal du 15 janvier 2014 relatif à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, inséré par l'arrêté du 15 mars 2022, les mots " visé à l'article 3, 2° de la loi du 22 décembre 2016 instaurant un droit passerelle en faveur des travailleurs indépendants " sont remplacés par les mots " visé à l'article 189, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022 ".
HOOFDSTUK 5. - Overgangs- en inwerkingtredingsbepalingen
CHAPITRE 5. - Dispositions transitoires et d'entrée en vigueur
Art.11. Dit besluit is van toepassing op:
1° de in artikel 3 bedoelde onderbrekingen die aanvangen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
2° de in artikel 6, § 1, 1°, bedoelde stopzettingen die plaatsvinden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
1° de in artikel 3 bedoelde onderbrekingen die aanvangen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit;
2° de in artikel 6, § 1, 1°, bedoelde stopzettingen die plaatsvinden vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
Art.11. Le présent arrêté s'applique :
1° aux interruptions visées à l'article 3 qui commencent à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° aux cessations visées à l'article 6, § 1er, 1°, qui ont lieu à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
1° aux interruptions visées à l'article 3 qui commencent à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté;
2° aux cessations visées à l'article 6, § 1er, 1°, qui ont lieu à partir de la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art.12. Dit besluit heeft uitwerking op 1 januari 2023.
Art.12. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2023.
Art. 13. De minister bevoegd voor de Zelfstandigen is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 13. Le ministre qui a les Indépendants dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.