Artikel 1. Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 31 maart 2004, 5 maart 2006, 13 juli 2007, 28 september 2008 en 26 januari 2010, wordt aangevuld met de bepalingen onder 9° en 10°, luidende :
"9° arbeidsovereenkomst dienstencheques : de arbeidsovereenkomst zoals bedoeld in artikel 7bis van de wet;
10° leefloon : het leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 AUGUSTUS 2012. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 17-08-2012 en tekstbijwerking tot 31-12-2012)
Titre
3 AOUT 2012. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 17-08-2012 et mise à jour au 31-12-2012)
Informations sur le document
Numac: 2012204397
Datum: 2012-08-03
Info du document
Numac: 2012204397
Date: 2012-08-03
Tekst (9)
Texte (9)
Article 1er. L'article 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, modifié par les arrêtés royaux des 31 mars 2004, 5 mars 2006, 13 juillet 2007, 28 septembre 2008 et 26 janvier 2010, est complété par les 9° et 10° rédigés comme suit :
" 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. ".
" 9° contrat de travail titres-services : le contrat de travail visé à l'article 7bis de la loi;
10° revenu d'intégration : le revenu d'intégration visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale. ".
Art.2. Artikel 2bis van hetzelfde koninklijk besluit, opgeheven bij het koninklijk besluit van 12 juli 2009 wordt hersteld als volgt :
"Art. 2bis. Per kwartaal moet zestig procent van de door elke exploitatiezetel van de erkende onderneming nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques uitkeringsgerechtigde volledig werkloze en/of gerechtigde op een leefloon zijn.
Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder :
1° uitkeringsgerechtigde volledig werkloze : hij die op het ogenblik van de indienstneming op grond van artikel 100 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt als voltijdse werknemer of hij die in de loop van de maand van indienstneming en de 6 kalendermaanden daaraan voorafgaand, gedurende minstens 78 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangen heeft als voltijdse werknemer op grond van artikel 100 van hetzelfde besluit;
2° gerechtigde op een leefloon : hij die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon of hij die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigde was op een leefloon.
De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
Als het aantal van de arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig het eerste lid moet toekennen aan uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon een cijfer na de komma bevat wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, en 0,5 wordt naar boven afgerond.
De exploitatiezetel van de erkende onderneming dient in het bezit te zijn van een attest van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 2°, of van een attest van de RVA waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, 1° en het derde lid. De attesten worden bewaard op de exploitatiezetel.
De aanvraag van het attest bedoeld in het vorige lid moet door de werknemer ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij het bevoegde werkloosheidsbureau of Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De werkgever kan eveneens binnen dezelfde termijn het attest aanvragen.
De directeur van het werkloosheidsbureau van de RVA kan de exploitatiezetel van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een kwartaal gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarom hij op gemotiveerde wijze verzoekt, indien de directeur oordeelt na consultatie van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling dat er zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak onvoldoende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon bedoeld in het tweede lid zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling in de exploitatiezetel van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking.".
"Art. 2bis. Per kwartaal moet zestig procent van de door elke exploitatiezetel van de erkende onderneming nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques uitkeringsgerechtigde volledig werkloze en/of gerechtigde op een leefloon zijn.
Voor de toepassing van dit artikel moet worden verstaan onder :
1° uitkeringsgerechtigde volledig werkloze : hij die op het ogenblik van de indienstneming op grond van artikel 100 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangt als voltijdse werknemer of hij die in de loop van de maand van indienstneming en de 6 kalendermaanden daaraan voorafgaand, gedurende minstens 78 dagen, gerekend in het zesdagenstelsel, werkloosheids- of inschakelingsuitkeringen ontvangen heeft als voltijdse werknemer op grond van artikel 100 van hetzelfde besluit;
2° gerechtigde op een leefloon : hij die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon of hij die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigde was op een leefloon.
De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
Als het aantal van de arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig het eerste lid moet toekennen aan uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon een cijfer na de komma bevat wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, en 0,5 wordt naar boven afgerond.
De exploitatiezetel van de erkende onderneming dient in het bezit te zijn van een attest van het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in het tweede lid, 2°, of van een attest van de RVA waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, 1° en het derde lid. De attesten worden bewaard op de exploitatiezetel.
De aanvraag van het attest bedoeld in het vorige lid moet door de werknemer ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij het bevoegde werkloosheidsbureau of Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn. De werkgever kan eveneens binnen dezelfde termijn het attest aanvragen.
De directeur van het werkloosheidsbureau van de RVA kan de exploitatiezetel van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een kwartaal gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarom hij op gemotiveerde wijze verzoekt, indien de directeur oordeelt na consultatie van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling dat er zowel op kwalitatief als kwantitatief vlak onvoldoende uitkeringsgerechtigde volledig werklozen en/of gerechtigden op een leefloon bedoeld in het tweede lid zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling in de exploitatiezetel van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking.".
Art.2. L'article 2bis du même arrêté, abrogé par l'arrêté royal du 12 juillet 2009, est rétabli dans la rédaction suivante :
" art. 2bis. Par trimestre, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services pour chaque siège d'exploitation de l'entreprise agréée doivent être chômeurs complets indemnisés et/ou bénéficiaires d'un revenu d'intégration.
Pour l'application de cet article, on entend par :
1° chômeur complet indemnisé : celui qui, au moment de l'engagement, perçoit des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage ou celui qui a perçu des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 du même arrêté pendant au moins 78 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 6 mois civils qui précèdent;
2° bénéficiaire d'un revenu d'intégration : celui qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale ou celui qui a eu droit au revenu d'intégration pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.
Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux chômeurs complet indemnisé et/ou aux bénéficiaires d'un revenu d'intégration conformément l'alinéa 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
Le siège d'exploitation de l'entreprise agréée doit être en possession d'une attestation du centre public d'action sociale prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées à l'alinéa 2, 2°, ou d'une attestation de l'ONEm prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées aux alinéas 2, 1° et 3. Les attestations sont conservées au siège d'exploitation.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa précédent doit être introduite par le travailleur au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement au bureau de chômage compétent ou au centre public d'action sociale. L'employeur peut également demander l'attestation dans le même délai.
Le directeur du bureau de chômage de l'ONEm peut dispenser le siège d'exploitation de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour un trimestre, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel il fait une demande motivée, si le directeur estime après consultation du service régional de l'emploi compétent que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de chômeurs complets indemnisés et/ou de bénéficiaires d'un revenu d'intégration sociale visés au alinéa 2 avec le profil exigé pour remplir l'emploi au siège de l'exploitation de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable. ".
" art. 2bis. Par trimestre, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services pour chaque siège d'exploitation de l'entreprise agréée doivent être chômeurs complets indemnisés et/ou bénéficiaires d'un revenu d'intégration.
Pour l'application de cet article, on entend par :
1° chômeur complet indemnisé : celui qui, au moment de l'engagement, perçoit des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage ou celui qui a perçu des allocations de chômage ou d'insertion en tant que travailleur à temps plein en vertu de l'article 100 du même arrêté pendant au moins 78 jours, calculés dans le régime de six jours, au cours de la période du mois de l'engagement et des 6 mois civils qui précèdent;
2° bénéficiaire d'un revenu d'intégration : celui qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale ou celui qui a eu droit au revenu d'intégration pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.
Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux chômeurs complet indemnisé et/ou aux bénéficiaires d'un revenu d'intégration conformément l'alinéa 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
Le siège d'exploitation de l'entreprise agréée doit être en possession d'une attestation du centre public d'action sociale prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées à l'alinéa 2, 2°, ou d'une attestation de l'ONEm prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées aux alinéas 2, 1° et 3. Les attestations sont conservées au siège d'exploitation.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa précédent doit être introduite par le travailleur au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement au bureau de chômage compétent ou au centre public d'action sociale. L'employeur peut également demander l'attestation dans le même délai.
Le directeur du bureau de chômage de l'ONEm peut dispenser le siège d'exploitation de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour un trimestre, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel il fait une demande motivée, si le directeur estime après consultation du service régional de l'emploi compétent que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de chômeurs complets indemnisés et/ou de bénéficiaires d'un revenu d'intégration sociale visés au alinéa 2 avec le profil exigé pour remplir l'emploi au siège de l'exploitation de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable. ".
Art.3. Artikel 2quater, § 2, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004, wordt aangevuld met de bepalingen onder 4°, luidende :
"4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.".
"4° er wordt een aparte boekhouding gevoerd betreffende de dienstencheque-activiteiten.".
Art.3. L'article 2quater, § 2, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 9 janvier 2004, est complété par le 4° rédigé comme suit :
" 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue. ".
" 4° une comptabilité distincte concernant les activités titres-services est tenue. ".
Art.4. In artikel 2sexies, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004 en gewijzigd bij de koninklijke besluiten van 16 januari 2007 en 25 oktober 2011, wordt de bepaling onder 4° vervangen als volgt :
"4° een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.".
"4° een ondernemingsplan dat wordt goedgekeurd door een van de onderstaande personen :
a) een erkend boekhouder of een erkend boekhouder-fiscalist die is ingeschreven op het tableau van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
b) een accountant die is ingeschreven op het tableau van externe accountants van het instituut van de accountants en de belastingconsulenten zoals bedoeld in de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen.
Dit plan bevat inzonderheid de volgende elementen :
a) algemene informatie over het bedrijf;
b) de uit te voeren investeringen;
c) de personeelsbehoefte;
d) de verwachte inkomsten;
e) de vaste en variabele kosten;
f) de raming van de balans voor de eerste drie werkjaren;
g) een financiële planning voor de eerste drie werkjaren.".
Art.4. Dans l'article 2sexies, § 1er, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 9 janvier 2004 et modifié par les arrêtés royaux des 16 janvier 2007 et 25 octobre 2011, le 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités. ".
" 4° un plan d'entreprise, approuvé par une des personnes suivantes :
a) un comptable agréé ou un comptable-fiscaliste agréé inscrit au tableau de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
b) un expert-comptable inscrit au tableau des experts-comptables externes de l'institut des experts-comptables et des conseils fiscaux prévu dans la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales.
Ce plan contient notamment les éléments suivants :
a) les renseignements généraux sur l'entreprise;
b) les investissements à réaliser;
c) le personnel à engager;
d) les recettes attendues;
e) les coûts fixes et variables;
f) les prévisions pour le bilan pour les trois premières années d'activités;
g) le plan de trésorerie pour les trois premières années d'activités. ".
Art.7. Artikel 11ter van hetzelfde besluit, ingevoegd door het koninklijk besluit van 9 januari 2004 en gewijzigd door de koninklijke besluiten van 28 april 2008, 27 oktober 2008 en 11 december 2008, wordt vervangen als volgt :
"In afwijking van artikel 8 is het bedrag van de tegemoetkoming gelijk aan 14,22 EUR voor elke geldige bestelling van een dienstencheque die na 31 januari 2012 en vóór 1 januari 2013 is betaald door de gebruiker. De datum van betaling is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.
In afwijking van artikel 3, § 2, eerste lid, heeft de dienstencheque die aangekocht wordt vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 een geldigheidsduur tot en met 30 april 2013.
In afwijking van artikel 7, eerste lid, maakt de erkende onderneming de dienstencheques bedoeld in het vorige lid over aan het uitgiftebedrijf vóór 1 juni 2013.
In afwijking van artikel 3, § 3, tweede lid, eerste zin, kunnen de dienstencheques die aangekocht worden vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 en die omgeruild worden vóór 1 januari 2013,
omgeruild worden tegen nieuwe cheques met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 30 april 2013 voor de gebruiker en met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 31 mei 2013 voor de erkende onderneming.".
"In afwijking van artikel 8 is het bedrag van de tegemoetkoming gelijk aan 14,22 EUR voor elke geldige bestelling van een dienstencheque die na 31 januari 2012 en vóór 1 januari 2013 is betaald door de gebruiker. De datum van betaling is de datum waarop de rekening van het uitgiftebedrijf gecrediteerd werd.
In afwijking van artikel 3, § 2, eerste lid, heeft de dienstencheque die aangekocht wordt vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 een geldigheidsduur tot en met 30 april 2013.
In afwijking van artikel 7, eerste lid, maakt de erkende onderneming de dienstencheques bedoeld in het vorige lid over aan het uitgiftebedrijf vóór 1 juni 2013.
In afwijking van artikel 3, § 3, tweede lid, eerste zin, kunnen de dienstencheques die aangekocht worden vanaf 1 augustus 2012 tot en met 31 december 2012 en die omgeruild worden vóór 1 januari 2013,
omgeruild worden tegen nieuwe cheques met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 30 april 2013 voor de gebruiker en met een nieuwe geldigheidsduur tot en met 31 mei 2013 voor de erkende onderneming.".
Art.7. L'article 11ter du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 9 janvier 2004 et modifié par les arrêtés royaux des 28 avril 2008, 27 octobre 2008 et 11 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
"Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention est égal à 14,22 EUR pour chaque commande valable d'un titre-service qui a été payé par l'utilisateur après le 31 janvier 2012 et avant le 1er janvier 2013. La date de paiement est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.
Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa 1er, le titre-service acheté à partir du 1er août 2012 jusqu'au 31 décembre 2012 a une durée de validité jusqu'au 30 avril 2013.
Par dérogation à l'article 7, alinéa 1er, l'entreprise agréée transmet les titres-services prévus à l'alinéa précédent à la société émettrice avant le 1er juin 2013.
Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, première phrase, les titres-services achetés à partir du 1er août 2012 jusqu'au 31 décembre 2012 et qui sont échangés avant le 1er janvier 2013, peuvent être échangés contre de nouveaux titres avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 30 avril 2013 pour l'utilisateur et avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 31 mai 2013 pour l'entreprise agréée. ".
"Par dérogation à l'article 8, le montant de l'intervention est égal à 14,22 EUR pour chaque commande valable d'un titre-service qui a été payé par l'utilisateur après le 31 janvier 2012 et avant le 1er janvier 2013. La date de paiement est la date à laquelle le compte de la société émettrice a été crédité.
Par dérogation à l'article 3, § 2, alinéa 1er, le titre-service acheté à partir du 1er août 2012 jusqu'au 31 décembre 2012 a une durée de validité jusqu'au 30 avril 2013.
Par dérogation à l'article 7, alinéa 1er, l'entreprise agréée transmet les titres-services prévus à l'alinéa précédent à la société émettrice avant le 1er juin 2013.
Par dérogation à l'article 3, § 3, alinéa 2, première phrase, les titres-services achetés à partir du 1er août 2012 jusqu'au 31 décembre 2012 et qui sont échangés avant le 1er janvier 2013, peuvent être échangés contre de nouveaux titres avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 30 avril 2013 pour l'utilisateur et avec une nouvelle durée de validité jusqu'au 31 mai 2013 pour l'entreprise agréée. ".
Art.8. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 juli 2012, met uitzondering van :
- de artikelen 5 en 6 van dit besluit die in werking treden op 1 januari 2013;
- artikel 11ter, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001, zoals vervangen bij dit besluit, dat in werking treedt op 1 januari 2013.
Voor de toepassing van artikel 2bis, hersteld bij dit besluit, wordt de erkende onderneming, die na 30 juni 2012 en vóór de datum van de publicatie van dit besluit nieuwe werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques heeft aangeworven, geacht in die periode geen nieuwe werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques te hebben aangeworven.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2013, die in toepassing van artikel 3, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques omgeruild worden na 31 december 2012, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 1 EUR per dienstencheque eisen.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2013, die in toepassing van artikel 3, § 3, derde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 12 december 2001 vervangen worden na 31 december 2012, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 1 EUR per dienstencheque eisen.
- de artikelen 5 en 6 van dit besluit die in werking treden op 1 januari 2013;
- artikel 11ter, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001, zoals vervangen bij dit besluit, dat in werking treedt op 1 januari 2013.
Voor de toepassing van artikel 2bis, hersteld bij dit besluit, wordt de erkende onderneming, die na 30 juni 2012 en vóór de datum van de publicatie van dit besluit nieuwe werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques heeft aangeworven, geacht in die periode geen nieuwe werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques te hebben aangeworven.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2013, die in toepassing van artikel 3, § 3, tweede lid, van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques omgeruild worden na 31 december 2012, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 1 EUR per dienstencheque eisen.
Voor dienstencheques aangekocht vóór 1 januari 2013, die in toepassing van artikel 3, § 3, derde lid, van het voornoemde koninklijk besluit van 12 december 2001 vervangen worden na 31 december 2012, zal het uitgiftebedrijf van de gebruiker een bijkomende tussenkomst van 1 EUR per dienstencheque eisen.
Art.8. Le présent arrêté produit ses effets le 1er juillet 2012, à l'exception de :
les articles 5 et 6 de cet arrêté, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2013;
l'article 11ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001, comme remplacé par le présent arrêté, qui entre en vigueur le 1er janvier 2013.
Pour l'application de l'article 2bis, rétabli par cet arrêté, l'entreprise agréée, qui a engagé des nouveaux travailleurs avec un contrat de travail titres-services après le 30 juin 2012 et avant la date de publication de cet arrêté, est supposée de ne pas avoir engagé des nouveaux travailleurs avec un contrat de travail titres-services pendant cette période.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2013, qui sont échangés après le 31 décembre 2012 en application de l'article 3, § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 1 EUR par titre-service.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2013, qui sont remplacés après le 31 décembre 2012 en application de l'article 3, § 3, alinéa 3, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 précité, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 1 EUR par titre-service.
les articles 5 et 6 de cet arrêté, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2013;
l'article 11ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001, comme remplacé par le présent arrêté, qui entre en vigueur le 1er janvier 2013.
Pour l'application de l'article 2bis, rétabli par cet arrêté, l'entreprise agréée, qui a engagé des nouveaux travailleurs avec un contrat de travail titres-services après le 30 juin 2012 et avant la date de publication de cet arrêté, est supposée de ne pas avoir engagé des nouveaux travailleurs avec un contrat de travail titres-services pendant cette période.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2013, qui sont échangés après le 31 décembre 2012 en application de l'article 3, § 3, alinéa 2, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 1 EUR par titre-service.
Pour des titres-services acquis avant le 1er janvier 2013, qui sont remplacés après le 31 décembre 2012 en application de l'article 3, § 3, alinéa 3, de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 précité, la société émettrice exigera de l'utilisateur une intervention supplémentaire de 1 EUR par titre-service.
Art. 9. De minister bevoegd voor Werk is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Le ministre qui a l'Emploi dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 3 augustus 2012.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Werk,
Mevr. M. DE CONINCK
Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 3 août 2012.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de l'Emploi,
Mme M. DE CONINCK
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de l'Emploi,
Mme M. DE CONINCK