Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
10 OKTOBER 1967. - GERECHTELIJK WETBOEK - Deel II : RECHTERLIJKE ORGANISATIE. (art. 58 tot 555/16) (NOTA 1 : art. 259bis-15 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W2014-04-04/44, art. 2, zelf gewijzigd bij W2016-05-04/03, art. 139)(NOTA 2 : art. 259bis-18 gewijzigd met ingang op een onbepaalde datum bij W2014-04-04/44, art. 3) NOTA : art. 509 ; 515 ; 555 ; 555/1gewijzigd in de toekomst door W2024-05-15/03, art. 11-14, 262; Inwerkingtreding : 01-06-2026)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-01-1985 en tekstbijwerking tot 01-07-2024)
Titre
10 OCTOBRE 1967. - CODE JUDICIAIRE - Deuxième partie : L'ORGANISATION JUDICIAIRE (article 58 à 555/16)(NOTE 1 : art. 259bis-15 modifiés avec effet à une date indéterminée par L2014-04-04/44, art. 2, modifié lui-même par L2016-05-04/03, art. 139)(NOTE 2 : art. 259bis-18 modifiés avec effet à une date indéterminée par L2014-04-04/44, art. 3) (NOTE : art. 509, 515, 555 et 555/1 modifiés dans le futur par L2024-05-15/03, art. 11-14, 262; En vigueur : 01-06-2026)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-01-1985 et mise à jour au 01-07-2024)
Informations sur le document
Numac: 1967101053
Datum: 1967-10-10
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 1967101053
Date: 1967-10-10
Moniteur: Voir
Table des matières
EERSTE BOEK. - ORGANEN VAN DE RECHTERLIJKE MACHT. EERSTE TITEL. - Hoven en rechtbanken - Leden. EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechter en politierech... Eerste afdeling. - Algemene bepalingen. Afdeling II. _ Dienst. HOOFDSTUK II. _ Arrondissementsrechtbank,rechtb... Eerste afdeling. _ Algemene bepaling. Afdeling II. _ Arrondissementsrechtbank. Afdeling III. _ Rechtbank van eerste aanleg. Afdeling IV. - Arbeidsrechtbank. Afdeling V. - [1 Ondernemingsrechtbank]1. Afdeling VI. _ Bureau voor rechtsbijstand. Afdeling VIbis. [1 - Tijdelijke verplaatsing va... Afdeling VII. - Plaatsvervangende rechters. Afdeling VIII. - Dienst. Afdeling IX. - [1 Opdracht en aanwijzing van re... Afdeling X. - Gelijktijdige benoemingen in vers... HOOFDSTUK III. _ Hof van beroep en arbeidshof. Eerste afdeling. - Hof van beroep. Afdeling 1bis. Plaatsvervangende raadsheren in ... Afdeling 2. - Arbeidshof. Afdeling 3. _ Bureau voor rechtsbijstand. Afdeling 4. _ Dienst. Afdeling V.- (Opdrachten van raadsheren van het... Afdeling VI. [1 - Tijdelijke verplaatsing van d... HOOFDSTUK IV. _ Hof van assisen. Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen. Afdeling II. _ Samenstelling van het hof. Afdeling III. _ Jury. Afdeling IV. _ Verhindering en nietigheid. HOOFDSTUK V. _ Hof van Cassatie. Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen. Afdeling II. - Dienst. Afdeling IIbis. - (De referendarissen). Afdeling III. _ Documentatie en overeenstemming... Afdeling IV. - (Beheer). TITEL II. - Openbaar ministerie. TITEL IIbis. - Plaatsvervangende magistraten a... TITEL IIter. (...). TITEL III. - (Gerechtspersoneel). HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Referendarissen en parketjurist... HOOFDSTUK IIbis. [1 - De criminologen.]1 HOOFDSTUK III. - Leden van de griffie. HOOFDSTUK IV. - Leden van het parketsecretariaat. TITEL IIIbis. (...) HOOFDSTUK V. - Personeel verbonden aan een grif... HOOFDSTUK VI. [1 - Vervanging in overtal van de... TITEL IV. -[1 Beheer van de rechterlijke organi... HOOFDSTUK I. - [1 Algemene beginselen]1 HOOFDSTUK II. - [1 Centraal beheer]1 Afdeling I. [1 Het College van de hoven en rech... Afdeling II [1 Het College van het openbaar min... Afdeling III. [1 Het gemeenschappelijke beheer ... HOOFDSTUK III. - [1 Beheerstructuur in de hoven... HOOFDSTUK IV. - [1 Beheersovereenkomsten en beh... HOOFDSTUK V. - [1 Financieel beheer]1 HOOFDSTUK VI - [1 Evaluatie en controle]1 Afdeling I. - [1 Evaluatie]1 Afdeling II. - [1 Controle]1 HOOFDSTUK VII. - [1 Evaluatie van het beheersmo... TITEL V. - Zetel en personeel van hoven en rech... TITEL VI. - (Benoemingsvoorwaarden en loopbaan ... EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechters en rechters i... HOOFDSTUK II. - Leden van de rechtbank van eers... Eerste afdeling- Rechters en magistraten van he... Afdeling II. - Leden van de rechtbank van eerst... Afdeling III. - Leden van de arbeidsrechtbank. Afdeling IV. - Leden van de [2 ondernemingsrech... Afdeling V. - Bepaling geldend voor de afdeling... HOOFDSTUK IIbis. (...). HOOFDSTUK III. - Leden van het hof van beroep e... Eerste afdeling. - Algemene bepalingen. Afdeling II. - Hof van beroep. Afdeling III. - Arbeidshof. HOOFDSTUK IIIbis. - Bepaling gemeen aan de hoof... HOOFDSTUK IV. _ Juryleden. Eerste afdeling. _ Opmaken van de lijsten van g... Eerste onderafdeling. - Gemeentelijke lijst. Onderafdeling 2. _ Provinciale lijst. Onderafdeling 3. _ Definitieve lijst. Onderafdeling 4. _ Bijzondere lijst voor iedere... Afdeling II. _ Samenstelling van de rechtspreke... HOOFDSTUK V. - Leden van het Hof van Cassatie. HOOFDSTUK Vbis. - Hoge Raad voor de Justitie. Afdeling I. - Samenstelling. Afdeling II. - Aanstelling van de leden. Afdeling III. - Duur van het mandaat en onvere... Afdeling IV. - Werking. Afdeling V. - Algemene vergadering van de Hoge... Afdeling VI. - De benoemings- en aanwijzingsco... Afdeling VII. - De advies- en onderzoekscommis... Afdeling VIII. - Gemeenschappelijke bepalingen. HOOFDSTUK Vter. - Benoemings- en aanwijzingspr... Afdeling I. - Benoemingen. Afdeling II. - Procedure van aanwijzing in man... HOOFDSTUK Vquater. - De gerechtelijke stage. HOOFDSTUK Vquinquies. - De evaluatie van magis... Afdeling I. - Algemene bepalingen. Afdeling II. - De periodieke evaluatie. Afdeling III. - De evaluatie van mandaten. Afdeling IIIbis. [1 - De evaluatie van bijzonde... Afdeling IV. - [1 Beroepscommissie]1 HOOFDSTUK Vsexies. - Referendarissen bij het H... HOOFDSTUK VI. - (Gerechtspersoneel.) Afdeling I. - Selectie- en benoemingsvoorwaarden. Onderafdeling I. [1 - Attachés en adviseurs in ... Onderafdeling II. - Referendarissen en parketju... Onderafdeling IIbis. [1 - Criminologen.]1 Onderafdeling III. - Leden van de griffie. Onderafdeling IV. - Leden van het parketsecreta... Onderafdeling V. - Personeelsleden verbonden aa... HOOFDSTUK VII. - (...). HOOFDSTUK VIIbis. - Bemiddelingsadviseurs en -a... HOOFDSTUK VIII. - (...). Afdeling II. -[1 Selectie.]1 Afdeling III. - Ontwikkeling binnen de loopbaan Onderafdeling I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK VIII. (...). Onderafdeling II. - [1 Bevordering naar niveau A]1 HOOFDSTUK IX. HOOFDSTUK X. Afdeling IV. - Evaluatie. HOOFDSTUK VII. - Bepalingen gemeen aan de hoofd... HOOFDSTUK VIII. [1 Definitieve ambtsneerlegging]1 BOEK II. - GERECHTELIJKE AMBTEN. EERSTE TITEL I. - Voorwaarden voor het uitoefen... HOOFDSTUK I. [1 - Installatie van de magistrate... HOOFDSTUK Ibis. - (Eedaflegging van de secreta... HOOFDSTUK II. - Onverenigbaarheden. Eerste afdeling. - Cumulatie van ambten. Afdeling II. - Bloed- of aanverwantschap. HOOFDSTUK III. [1 - Deontologische regels.]1 HOOFDSTUK IV. - Magistraten gemachtigd om [1 ee... HOOFDSTUK IVbis. [1 - Magistraten gemachtigd om... HOOFDSTUK IVter. [1 - Magistraten gemachtigd om... HOOFDSTUK V. - Magistraten gemachtigd om Belgi... HOOFDSTUK VI. [1 Magistraten gemachtigd om een ... HOOFDSTUK VII. - [1 Parketjurist gemachtigd om ... HOOFDSTUK VIII. - [1 Gerechtspersoneel gemachti... TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten. HOOFDSTUK I. - Rangorde en voorrang. Hoofdstuk Ibis. [1 Elektronische lijst van de l... HOOFDSTUK II. - Dienst der terechtzittingen. HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging. HOOFDSTUK IIIbis. - Mutatie en mobiliteit. HOOFDSTUK IIIter. [1 - Het deconnectierecht]1 HOOFDSTUK IV. [1 Afwezigheden en verloven van m... Afdeling I. [1 Algemene bepalingen]1 Afdeling II. [1 Jaarlijks vakantieverlof, recup... Afdeling III. [1 Omstandigheidsverlof en uitzon... Onderafdeling I [1 Omstandigheidsverlof]1 Onderafdeling II. [1 Uitzonderlijk verlof]1 Afdeling IV. [1 Moederschapsbescherming]1 Afdeling V. [1 Ouderschapsverlof]1 Afdeling VI. [1 Adoptieverlof, opvangverlof, pl... Afdeling VII. [1 Verlof wegens ziekte]1 Onderafdeling I. [1 Algemene bepalingen]1 Onderafdeling II. [1 Verminderde prestaties weg... Onderafdeling III. [1 Het re-integratietraject ... Afdeling VIII. [1 Zorgverloven]1 Afdeling IX. [1 Deeltijds uitoefenen van het am... Hoofdstuk IVbis. [1 Afwezigheden en verloven va... HOOFDSTUK V. - Vakantie en vakantiekamers. HOOFDSTUK VI. - Algemene vergaderingen. HOOFDSTUK VIbis. - De korpsvergadering. HOOFDSTUK VIter. - Registratie van de werklast HOOFDSTUK VIquater. [1 Middelen van identificat... HOOFDSTUK VII. - Ambtskledij. HOOFDSTUK VIIbis. [1 - Bepalingen betreffende d... HOOFDSTUK VIII. - (Gemeenschappelijke bepalinge... HOOFDSTUK VIII. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 - Gemeensch... TITEL III. [1 - Wedden, lonen, werkingskosten e... EERSTE HOOFDSTUK. - Wedden van de magistraten d... HOOFDSTUK Ibis. - (Wedden van de referendarisse... HOOFDSTUK Iter. (...). HOOFDSTUK II. - (Wedden en weddenbijslagen van ... Afdeling I. - Algemene bepalingen. Afdeling II. - Wedden. Onderafdeling I. - Niveau A. Onderafdeling II. - Niveau B (griffiers en secr... Onderafdeling III. [1 Bevordering in weddeschaa... Onderafdeling IV. [1 Weddeschaal in het kader v... Afdeling III. - Toelagen en premies. HOOFDSTUK IIbis. [1 Voordelen]1 HOOFDSTUK III. - (Gemeenschappelijke bepalingen... HOOFDSTUK IV. _ Bepalingen betreffende de plaat... HOOFDSTUK V. [1 - Bepaling geldend voor het per... HOOFDSTUK VI. - Werkingskosten. TITEL IV. - Inruststelling, pensionering en eme... EERSTE HOOFDSTUK. _ Inruststelling. HOOFDSTUK II. - Pensioen en emeritaat. HOOFDSTUK IIbis. - (Pensionering en pensioen va... TITEL V. - Tucht. HOOFDSTUK I. - Bepalingen tot regeling van hiër... HOOFDSTUK II. - Tuchtrechtelijke maatregelen. HOOFDSTUK III. - (Bevoegde overheden.) Afdeling I. - [1 Tuchtrechtcolleges]1 Afdeling II. Afdeling III. Afdeling II. - (vroeger afdeling IV)[1 De tucht... Afdeling V. HOOFDSTUK IV. - (vroeger afdeling VI) [1 Tuchtp... HOOFDSTUK IV. HOOFDSTUK V. BOEK III. - BALIE. EERSTE TITEL. - Algemene Bepalingen. EERSTE HOOFDSTUK. - Advocaten. HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten van de advo... HOOFDSTUK III. _ Stafhouder en Raad van de Orde. HOOFDSTUK IV. - Tucht. Afdeling 1. - Tuchtraden Afdeling 2. - Tuchtraden in beroep Afdeling 3. - Diverse bepalingen HOOFDSTUK V. - Tuchtraden van beroep. (Opgeheven) TITEL 1bis. - Uitoefening in België van het be... HOOFDSTUK I. - Vrij verrichten van diensten. HOOFDSTUK II. - Vrijheid van vestiging. TITEL II. - Advocaten bij het Hof van Cassatie. TITEL III. _ (Orde van Vlaamse Balies en Ordre ... HOOFDSTUK I. - (Algemene bepalingen.) HOOFDSTUK II. - (Organisatie en werking.) HOOFDSTUK III. - (Bevoegdheden.) HOOFDSTUK IV. - (Overgangsbepalingen.) BOEK IIIbis. - (JURIDISCHE EERSTE- EN TWEEDELIJ... HOOFDSTUK I. - (Algemene bepaling). HOOFDSTUK II. - (Commissie voor juridische bijs... HOOFDSTUK III. - (Juridische eerstelijnsbijstand). HOOFDSTUK IV. - (Gedeeltelijk of volledig koste... Afdeling I. - (Organisatie.) Afdeling II. - (Toekenning van de gedeeltelijke... HOOFDSTUK V. - (De vergoeding van de advocaten). HOOFDSTUK Vbis. - Kosten verbonden aan de organ... HOOFDSTUK VI. - [1 Terugvordering van de rijksv... HOOFDSTUK VII. - (De ambtshalve toevoeging van ... HOOFDSTUK VIII. - Grensoverschrijdende geschill... BOEK IV. - [1 Gerechtsdeurwaarders]1 HOOFDSTUK I. - [1 Titel, statuut, benoeming, ee... HOOFDSTUK II. - [1 Taken en bevoegdheden van de... HOOFDSTUK III. - [1 Onverenigbaarheden]1 HOOFDSTUK IV. - [1 Tarief, boekhouding, derdeng... HOOFDSTUK V. - [1 Continuïteit van de openbare ... HOOFDSTUK VI. - [1 Plaatsvervanging]1 HOOFDSTUK VII. - [1 Tucht]1 Afdeling I. - [1 Tuchtstraffen]1 Afdeling II. - [1 Tuchtprocedure voor de tuchtc... Afdeling III. Afdeling IV. HOOFDSTUK VIII. - [1 Arrondissementskamers van ... HOOFDSTUK IX. - [1 Nationale Kamer van Gerechts... HOOFDSTUK X. [1 Algemene bepaling]1 BOEK IVbis. [1 - Tucht voor notarissen en gerec... HOOFDSTUK I. [1 - Tuchtstraffen, bewarende en o... HOOFDSTUK II. [1 - Organen bevoegd voor de tucht]1 HOOFDSTUK III. [1 - De tuchtprocedure]1 BOEK V. [1 Bepaalde bijzondere gerechtelijke ac... HOOFDSTUK I. [1 Gerechtsdeskundigen en de beëdi... HOOFDSTUK II. [1 Professionele bewindvoerders]1 Afdeling I. [1 Nationaal register van professio... Afdeling 2. [1 Opname in het register]1
Table des matières
LIVRE PREMIER. - Organes du pouvoir judiciaire. TITRE PREMIER. - Des cours et tribunaux et de l... CHAPITRE PREMIER. - Le juge de paix et le tribu... Section première. - Dispositions générales. Section II. - Du service. CHAPITRE II. - Le tribunal d'arrondissement, le... Section première. - Disposition générale. Section II. - Le tribunal d'arrondissement. Section III. - Du tribunal de première instance. Section IV. - Du tribunal du travail. Section V. - Du [1 tribunal de l'entreprise]1. Section VI. - Du bureau d'assistance judiciaire. Section VIBIS. [1 - Du déplacement temporaire d... Section VII. - Des juges suppléants. Section VIII. - Du service. Section IX. - [1 Des délégations et désignation... Section X. - [1 Nominations simultanées dans pl... CHAPITRE III. - La cour d'appel et la cour du t... Section première. - La cour d'appel. Section IBIS. - Des conseillers suppléants aux... Section II. - La cour du travail. Section III. - Du bureau d'assistance judiciaire. Section IV. - Du service. Section V. - Des désignations de conseillers d... Section VI. [1 - Du déplacement temporaire du s... CHAPITRE IV. - La cour d'assises. Section première. - Dispositions générales. Section II. - De la composition de la cour. Section III. - Du jury. Section IV. - Des empêchements et nullités. CHAPITRE V. - La Cour de cassation. Section première. - Dispositions générales. Section II. - Du service. Section IIBIS. - Des référendaires. Section III. - De la documentation et de la con... Section IV. - De la gestion. TITRE II. - Du ministère public. TITRE IIbis. - Des magistrats suppléants désig... TITRE IITER. - (...). TITRE III. - (Du personnel judiciaire). CHAPITRE Ier. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Des référendaires et des juriste... CHAPITRE IIbis. [1 - Des criminologues.]1 CHAPITRE III. - Des membres du greffe. CHAPITRE IV. - Des membres du secrétariat de pa... TITRE IIIbis. - (Abrogé). CHAPITRE V. - Des membres du personnel attachés... CHAPITRE VI. [1 - Du remplacement en surnombre ... TITRE IV. - [1 De la gestion de l'organisation ... CHAPITRE I. - [1 Principes généraux]1 CHAPITRE II. - [1 De la gestion centrale]1 Section 1re. [1 Du Collège des cours et tribuna... Section II. [1 Du Collège du ministère public]1 Section III. - [1 De la gestion commune de l'Or... CHAPITRE III. - [1 De la structure de gestion d... CHAPITRE IV. [1 Des contrats de gestion et des ... CHAPITRE V. [1 De la gestion financière]1 CHAPITRE VI. [1 De l'évaluation et du contrôle]1 Section 1re. [1 De l'évaluation]1 Section II. [1 Du contrôle]1 CHAPITRE VII. [1 Evaluation du modèle de gestion]1 TITRE V. - Du siège et du personnel des cours e... TITRE VI. - (Des conditions de nomination et de... CHAPITRE I. - Des juges de paix et des juges au... CHAPITRE II. - Des membres du tribunal de premi... Section I. - Des juges et des magistrats du min... Section II. - Des membres du tribunal de premiè... Section III. - Des membres du tribunal du travail. Section IV. - Des membres [2 du tribunal de l'e... Section V. - Disposition commune aux sections I... CHAPITRE IIBIS. - (...). CHAPITRE III. - Des membres de la cour d'appel ... Section première. - Dispositions générales. Section II. - De la cour d'appel. Section III. - De la cour du travail. CHAPITRE IIIbis. - Disposition commune aux chap... CHAPITRE IV. - Des membres du jury. Section première. - Formation des listes de jurés. Sous-section 1. - De la liste communale. Sous-section 2. - De la liste provinciale. Sous-section 3. - De la liste définitive. Sous-section 4. - De la liste particulière à ch... Section 2. - Formation du jury de jugement. CHAPITRE V. - Des membres de la Cour de cassation. CHAPITRE Vbis. - Du conseil supérieur de la Ju... Section I. - De la composition. Section II. - De la désignation des membres. Section III. - De la durée du mandat et des in... Section IV. - Du fonctionnement. Section V. - De l'assemblée générale du Consei... Section VI. - Des commissions de nomination et... Section VII. - Des commissions d'avis et d'enq... Section VIII. - Dispositions communes. CHAPITRE VTER. - De la procédure de nomination... Section I. - Des nominations. Section II. - De la procédure de désignation a... CHAPITRE VQUATER. - Du stage judiciaire. CHAPITRE VQUINQUIES. - De l'évaluation des mag... Section I. - Dispositions générales. Section II. - De l'évaluation périodique. Section III. - De l'évaluation des mandats. Section IIIbis. [1 - De l'évaluation des missio... Section IV . - [1 De la commission de recours]1 CHAPITRE VSEXIES. - Des référendaires près la ... CHAPITRE VI. - (Du personnel judiciaire). Section première. - Des conditions de sélection... Sous-section première. [1 - Des attachés et des... Sous-section II. - Des référendaires et des jur... Sous-section IIbis. [1 - Des criminologues.]1 Sous-section III. - Des membres du greffe. Sous-section IV. - Des membres du secrétariat d... Sous-section V. - Des membres du personnel atta... CHAPITRE VII. - (...). CHAPITRE VIIBIS. - (Abrogé). CHAPITRE VIII. - (...). Section II. - [1 De la sélection.]1 Section III. - De l'évolution dans la carrière. Sous-section Ire. - Dispositions générales. CHAPITRE VIII. - (...). Sous-section II. - [1 De la promotion vers le n... CHAPITRE IX. CHAPITRE X. Section IV. - De l'évaluation. CHAPITRE VII. - Dispositions communes aux chapi... CHAPITRE VIII. - [1 De la cessation définitive ... LIVRE II. - Des fonctions judiciaires. TITRE PREMIER. - Des conditions requises pour l... CHAPITRE I. [1 - De la réception des magistrats... CHAPITRE IBIS. - (De la prestation de serment d... CHAPITRE II. - Des incompatibilités. Section première. - Du cumul. Section II. - De la parenté ou de l'alliance. CHAPITRE III. [1 - Des règles déontologiques.]1 CHAPITRE IV. - Des magistrats autorisés à accep... CHAPITRE IVbis. [1 - Des magistrats autorisés à... CHAPITRE IVter. [1 - Des magistrats autorisés à... CHAPITRE V. - Des magistrats autorisés à accom... CHAPITRE VI. - [1 Des magistrats mandatés pour ... CHAPITRE VII. [1 Juriste de parquet mandaté pou... CHAPITRE VIII. [1 Du personnel judiciaire autor... TITRE II. - De l'exercice des fonctions judicia... CHAPITRE I. - Du rang et de la préséance. CHAPITRE Ierbis. [1 Liste électronique des memb... CHAPITRE II. - Du service des audiences. CHAPITRE III. - Des empêchements et des remplac... CHAPITRE IIIbis. - Mutation et mobilité. CHAPITRE IIIter. [1 Du droit à la déconnexion]1 CHAPITRE IV. [1 Des absences et des congés des ... Section Ire. [1 Dispositions générales]1 Section II. [1 Congé annuel de vacances, jours ... Section III. [1 Congés de circonstances et cong... Sous-section Ire [1 Congés de circonstances]1 Sous-section II. [1 Congés exceptionnels]1 Section IV. [1 Protection de la maternité]1 Section V. [1 Congé parental]1 Section IV. [1 Congé d'adoption, congé d'accuei... Section VII. [1 Congé de maladie]1 Sous-section Ire. [1 Dispositions générales]1 Sous-section II. [1 Prestations réduites pour r... Sous-section III. [1 Le trajet de réintégration... Section VIII. [1 Congés d'aidant]1 Section IX. [1 Exercice à temps partiel de la f... Chapitre IVbis. [1 Absences et congés des membr... CHAPITRE V. - Des vacances et des chambres des ... CHAPITRE VI. - Des assemblées générales. CHAPITRE VIBIS. - De l'assemblée de corps. CHAPITRE VIter. - De l'enregistrement de la ch... CHAPITRE VIquater. - [1 Moyens d'identification]1 CHAPITRE VII. - Du costume. CHAPITRE VIIBIS. [1 - Dispositions relatives au... CHAPITRE VIII. - (Dispositions communes aux mem... CHAPITRE VIII. DROIT_FUTUR.[1 - Dispositions co... TITRE III. [1 Des traitements, salaires, frais ... CHAPITRE I. - Des traitements des magistrats de... CHAPITRE IBIS. - Des traitements des référenda... CHAPITRE ITER. - (...). CHAPITRE II. - (Des traitements et suppléments ... Section première. - Dispositions générales. Section II. - Des traitements. Sous-section première. - Niveau A. Sous-section II. - Niveau B (greffiers et secré... Sous-section III. - [1 De la promotion barémique]1 Sous-section IV. - [1 De l'échelle de traitemen... Section III. - Des allocations et des primes. CHAPITRE IIbis. [1 Des avantages]1 CHAPITRE III. - (Dispositions communes aux chap... CHAPITRE IV. - Dispositions relatives aux magis... CHAPITRE V. [1 - Disposition commune relative a... CHAPITRE VI. - Des frais de fonctionnement. TITRE IV. - De la mise à la retraite, de la pen... CHAPITRE I. - De la mise à la retraite. CHAPITRE II. - De la pension et de l'éméritat. CHAPITRE IIbis. - (De la mise à la retraite et ... TITRE V. - De la discipline. CHAPITRE I. - Dispositions réglant la hiérarchi... CHAPITRE II. - Mesures disciplinaires. CHAPITRE III. - (Autorités compétentes). Section 1. - [1 Des juridictions disciplinaires]1 Section II. Section III. Section II. - (anc. section IV) [1 Des autorité... Section V. CHAPITRE IV. - (anc. Section VI) [1 De la procé... CHAPITRE IV. CHAPITRE V. LIVRE III. - Du barreau. TITRE PREMIER. - Dispositions générales. CHAPITRE I. - Des avocats. CHAPITRE II. - Prérogatives et devoirs des avoc... CHAPITRE III. - Du bâtonnier et du Conseil de l... CHAPITRE IV. - De la discipline. Section 1re. - Des conseils de discipline Section 2. - Des conseils de discipline d'appel Section 3. - Dispositions diverses CHAPITRE V. - Des conseils de discipline d'appe... TITRE IBIS. - De l'exercice en Belgique de la ... CHAPITRE I. - De la libre prestation de services. CHAPITRE II. - Du libre établissement. TITRE II. - Des avocats à la cour de cassation. TITRE III. - (Ordre des Barreaux francophones e... CHAPITRE I. - (Dispositions générales.) CHAPITRE II. - (Organisation et fonctionnement.) CHAPITRE III. - (Compétences.) CHAPITRE IV. - (Dispositions transitoires.) LIVRE IIIBIS. - De l'aide juridique de première... CHAPITRE I. - Disposition générale. CHAPITRE II. - De la Commission d'aide juridiqu... CHAPITRE III. - De l'aide juridique de première... CHAPITRE IV. - De l'aide juridique de deuxième ... Section I. - De l'organisation. Section II. - Du bénéfice de la gratuité complè... CHAPITRE V. - L'indemnisation des avocats. CHAPITRE Vbis. - Frais liés à l'organisation de... CHAPITRE VI. - [1 De la récupération de l'indem... CHAPITRE VII. - De la commission d'office des a... CHAPITRE VIII. - Des affaires transfrontalières... LIVRE IV. - [1 Des huissiers de justice]1 CHAPITRE Ier. - [1 Du titre, du statut, de la n... CHAPITRE II. - [1 Des missions et des compétenc... CHAPITRE III. - [1 Des incompatibilités]1 CHAPITRE IV. - [1 Du tarif, de la comptabilité,... CHAPITRE V. - [1 De la continuité du service pu... CHAPITRE VI. - [1 De la suppléance]1 CHAPITRE VII. - [1 De la discipline]1 Section Ire. - [1 Des peines disciplinaires]1 Section II. - [1 De la procédure en matière de ... Section III. Section IV. CHAPITRE VIII. - [1 Des chambres d'arrondisseme... CHAPITRE IX. - [1 De la Chambre nationale des h... CHAPITRE X. - [1 Disposition générale]1 LIVRE IVbis. [1 - De la discipline des notaires... CHAPITRE Ier. [1 - Des peines disciplinaires, d... CHAPITRE II. [1 - Les organes compétents pour l... CHAPITRE III. [1 - La procédure disciplinaire]1 LIVRE V. [1 De certains acteurs judiciaires par... CHAPITRE Ier. [1 Des experts judiciaires et des... CHAPITRE II. [1 Des administrateurs professionn... Section 1ère. [1 Du registre national des admin... Section 2. [1 De l'inscription au registre]1
Tekst (1203)
Texte (1203)
EERSTE BOEK. - ORGANEN VAN DE RECHTERLIJKE MACHT.
LIVRE PREMIER. - Organes du pouvoir judiciaire.
Art. 58. Dit wetboek regelt de organisatie van de vredegerechten, de politierechtbanken, de arrondissementsrechtbanken, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de [2 ondernemingsrechtbanken]2, [1 de [2 ondernemingsrechtbanken]2,]1 de hoven van beroep, de arbeidshoven, de hoven van assisen [1 , de tuchtrechtbanken in hoger beroep]1 en van het Hof van Cassatie.
  (lid opgeheven) <W 2003-04-10/59, art. 88, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  
Art. 58. L'organisation de la justice de paix, du tribunal de police, du tribunal d'arrondissement, du tribunal de première instance, du tribunal du travail, du [2 tribunal de l'entreprise]2, [1 du tribunal disciplinaire,]1 de la cour d'appel, de la cour du travail, de la cour d'assises [1 , du tribunal disciplinaire d'appel]1 et de la Cour de cassation est régie par le présent code.
  (alinéa abrogé) <L 2003-04-10/59, art. 88, 107; En vigueur : 01-01-2004>
  
Art. 58bis. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2000> (In dit wetboek, voor wat de magistraten betreft, wordt verstaan onder) : <W 2001-06-21/42, art. 2, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  1° benoemingen : de benoeming tot vrederechter, rechter in de politierechtbank, [2 ...]2, [2 ...]2, plaatsvervangend rechter in een vredegerecht of in een politierechtbank, rechter [2 ...]2 in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en [7 ondernemingsrechtbank]7, [5 rechter gespecialiseerd in strafzaken in fiscale aangelegenheden in de rechtbank van eerste aanleg,]5 [9 milieurechter,]9 plaatsvervangend rechter, substituut-procureur des Konings, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in handelszaken, [9 substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in milieu-aangelegenheden]9 [2 ...]2, substituut-arbeidsauditeur [2 ...]2, (...) raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof, plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep bedoeld in artikel 207bis, § 1, substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep, substituut-generaal bij het arbeidshof, (...) raadsheer in het Hof van Cassatie en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
   2° korpschef : de titularis van de mandaten van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en [7 ondernemingsrechtbank]7, [2 voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank,]2 [8 procureur voor de verkeersveiligheid,]8 procureur des Konings, arbeidsauditeur, (...) eerste voorzitter van het hof van beroep en van het arbeidshof (...), procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, (...) (federale procureur), eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, procureur-generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2001-06-21/42, art. 2, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° adjunct-mandaat : de mandaten van [2 afdelingsvoorzitter of]2 ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en [7 ondernemingsrechtbank]7, [2 ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur,]2 eerste substituut-procureur des Konings, eerste substituut-arbeidsauditeur, (...) [1 eerste substituut-procureur des Konings die de functie van adjunct-procureur des Konings van Brussel uitoefent, eerste substituut-arbeidsauditeur die de functie van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel uitoefent,]1 kamervoorzitter in het hof van beroep en in het arbeidshof, eerste advocaat-generaal en advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, (...) voorzitter en [6 sectievoorzitter in het Hof van Cassatie]6 en eerste advocaat- generaal bij het Hof van Cassatie; <W 2003-04-10/59, art. 89, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  4° (bijzonder mandaat : de mandaten van onderzoeksrechter, rechter in de [4 familie- en jeugdrechtbank]4, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, beslagrechter, [4 familie- en jeugdrechter in hoger beroep]4, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat [8 , substituut-procureur voor de verkeersveiligheid]8 en substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken.) <W 2006-06-13/40, art. 31, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  [3 5° mandaat in de tuchtrechtscolleges : de mandaten van rechter in de tuchtrechtbank en van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep.]3
  (NOTA: artikel 58bis, 4° gewijzigd bij art. 2 van W 2006-05-17/36, treedt in werking op een datum vastgesteld door de Koning en uiterlijk op 01-12-2007 (art. 51), heft zichzelf op bij art. 4, 1° van W 2006-08-05/59, inwerking op 01-02-2007 (art. 5, lid 1))
  
Art. 58bis. (Dans le présent code, en ce qui concerne les magistrats, on entend par : <L 2001-06-21/42, art. 2, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  1° nominations : la nomination de juge de paix, juge au tribunal de police, [2 ...]2 [2 ...]2 juge suppléant à une justice de paix ou à un tribunal de police, juge [2 ...]2 au tribunal de première instance, au tribunal du travail et au [6 tribunal de l'entreprise]6, [5 juge répressif spécialisé en matière fiscale dans le tribunal de première instance,]5 [8 juge de l'environnement,]8 juge suppléant, substitut du procureur du Roi, substitut du procureur du Roi spécialisé en matière fiscale substitut du procureur du Roi spécialisé en matière commerciale, [8 substitut du procureur du Roi spécialisé en matière environnementale,]8 [2 ...]2 substitut de l'auditeur du travail [2 ...]2 (...) conseiller à la cour d'appel et à la cour du travail, conseiller suppléant à la cour d'appel visé à l'article 207bis, § 1er, substitut du procureur général près la cour d'appel, substitut général près la cour du travail, (...) conseiller à la Cour de cassation et avocat général près la Cour de cassation; <L 2003-04-10/59, art. 89, 107; En vigueur : 01-01-2004>
  2° chef de corps : le titulaire des mandats de président du tribunal de première instance, du tribunal du travail et du [6 tribunal de l'entreprise]6, [2 président des juges de paix et des juges au tribunal de police]2, [7 procureur de la sécurité routière,]7 procureur du Roi, auditeur du travail, (...) premier président de la cour d'appel et de la cour du travail (...), procureur général près la cour d'appel et la cour du travail, (...) (procureur fédéral), premier président de la Cour de cassation et procureur général près la Cour de cassation; <L 2001-06-21/42, art. 2, 085; En vigueur : 20-07-2001> <L 2003-04-10/59, art. 89, 107; En vigueur : 01-01-2004>
  3° mandat adjoint : les mandats de [2 président de division ou]2 vice-président au tribunal de première instance, au tribunal du travail et au [6 tribunal de l'entreprise]6,[2 vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, procureur de division, auditeur de division,]2 premier substitut du procureur du Roi, premier substitut de l'auditeur du travail, (...)[1 premier substitut du procureur du Roi exerçant la fonction de procureur du Roi adjoint de Bruxelles, premier substitut de l'auditeur du travail exerçant la fonction d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles]1 président de chambre à la cour d'appel et à la cour du travail, premier avocat général et avocat général près la cour d'appel et la cour du travail, (...) président et président de section à la Cour de cassation et premier avocat général près la Cour de cassation; <L 2003-04-10/59, art. 89, 107; En vigueur : 01-01-2004>
  4° (mandat spécifique : les mandats de juge d'instruction, [4 juge au tribunal de la famille et de la jeunesse]4, juge au tribunal de l'application des peines, juge des saisies, [4 juge d'appel de la famille et de la jeunesse]4, magistrat de liaison en matière de jeunesse, magistrat d'assistance, magistrat fédéral [7 , substitut du procureur de la sécurité routière]7 et substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines.) <L 2006-06-13/40, art. 31, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  [3 5° mandat dans les juridictions disciplinaires : les mandats de juge au tribunal disciplinaire et de conseiller au tribunal disciplinaire d'appel.]3
   (NOTE : l'article 58bis, 4° est modifié par l'art. 2 de la L 2006-05-17/36, en vigueur à une date à fixer par le Roi et au plus tard au 01-12-2007 (art. 51), abrogé lui-même par l'art. 4, 1° de la L 2006-08-05/59, en vigueur au 01-02-2007 (art. 5, al. 1er))
  
Art. 58ter. [1 In dit Wetboek wordt, wanneer het gaat over de rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel, onder procureur des Konings verstaan : de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde bedoeld in artikel 150, § 2, 1°, of de procureur des Konings van Brussel bedoeld in artikel 150, § 2, 2°, naargelang de naar de procureur verwijzende bepaling slaat op de uitoefening van zijn bevoegdheid in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde dan wel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   In dit gerechtelijk arrondissement worden de adviezen van de procureur ingewonnen bij :
   1° de procureur des Konings van Brussel bedoeld in artikel 150, § 2, 2°, wat enerzijds de politierechtbanken en de vredegerechten betreft met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en anderzijds de Franstalige rechtbanken van Brussel;
   2° de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde bedoeld in artikel 150, § 2, 1°, wat de politierechtbanken en de vredegerechten betreft met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde;
   3° de twee procureurs des Konings bedoeld in 1° en 2°, wat de andere Nederlandstalige rechtbanken van Brussel dan de politierechtbanken betreft.]1

  
Art. 58ter. [1 Dans le présent Code, chaque fois qu'il est question du procureur du Roi, ce dernier s'entend, pour ce qui concerne les juridictions de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles : du procureur du Roi de Hal-Vilvorde visé à l'article 150, § 2, 1°, ou du procureur du Roi de Bruxelles visé à l'article 150, § 2, 2°, selon que la disposition qui fait référence au procureur vise l'exercice de sa compétence dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde ou dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   Dans cet arrondissement judiciaire, les avis du procureur sont recueillis auprès :
   1° du procureur du Roi de Bruxelles visé à l'article 150, § 2, 2°, en ce qui concerne, d'une part, les tribunaux de police et les justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et, d'autre part, les tribunaux francophones de Bruxelles;
   2° du procureur du Roi de Hal-Vilvorde visé à l'article 150, § 2, 1°, en ce qui concerne les tribunaux de police et les justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde;
   3° des deux procureurs du Roi visés au 1° et au 2°, en ce qui concerne les tribunaux néerlandophones de Bruxelles autres que les tribunaux de police.]1

  
EERSTE TITEL. - Hoven en rechtbanken - Leden.
TITRE PREMIER. - Des cours et tribunaux et de leurs membres.
EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechter en politierechtbank.
CHAPITRE PREMIER. - Le juge de paix et le tribunal de police.
Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.
Section première. - Dispositions générales.
Art. 59. Er is een vredegerecht in ieder gerechtelijk kanton.
  [1 De vrederechter-titularis benoemd in een kanton wordt in subsidiaire orde benoemd in elk kanton van het gerechtelijk arrondissement waarin hij krachtens de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken kan worden benoemd.
   Naargelang van de behoeften van de dienst wijst de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, en na de betrokken magistraat te hebben gehoord, een of meer vrederechters aan om dit ambt gelijktijdig in een of meer kantons van het gerechtelijk arrondissement uit te oefenen.
   De aanwijzingsbeschikking geeft de redenen van de aanwijzing op en bepaalt de nadere regels ervan.]1

  
Art. 59. Il y a une justice de paix par canton judiciaire.
  [1 Le juge de paix titulaire nommé dans un canton est nommé à titre subsidiaire dans chaque canton de l'arrondissement judiciaire où il peut être nommé en vertu de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire.
   En fonction des nécessités du service le président des juges de paix et des juges au tribunal de police désigne, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire et après avoir entendu le magistrat concerné, un ou plusieurs juges de paix pour exercer simultanément cette fonction dans un ou plusieurs cantons situés dans l'arrondissement judiciaire.
   L'ordonnance de désignation indique les motifs de la désignation et en précise les modalités.]1

  
Art. 60. [1 Er zijn politierechtbanken, bestaande uit één of meer afdelingen. Een of meer rechters oefenen er hun ambt uit in de gebiedsomschrijving bepaald in het bijvoegsel bij dit Wetboek. Een vrederechter kan bovendien tot rechter in de politierechtbank worden benoemd.
   De politierechtbanken en hun afdelingen bestaan uit een of meer kamers.
   In het gerechtelijk arrondissement Brussel worden de rechters in de politierechtbank die worden benoemd in de personeelsformatie van de Nederlandstalige politierechtbank of de politierechtbank [2 te Halle en te Vilvoorde]2, in subsidiaire orde in de andere Nederlandstalige politierechtbanken te Brussel benoemd.]1

  
Art. 60. [1 Il y a des tribunaux de police, composés d'une ou de plusieurs divisions. Un ou plusieurs juges y exercent leurs fonctions dans les limites territoriales indiquées à l'annexe au présent Code. Un juge de paix peut, en outre, être nommé juge au tribunal de police.
   Les tribunaux de police et leurs divisions comprennent une ou plusieurs chambres.
   Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, les juges au tribunal de police nommés dans le cadre du personnel du tribunal de police néerlandophone ou du tribunal de police [2 de Hal et de Vilvorde]2 sont nommés à titre subsidiaire dans les autres tribunaux de police néerlandophones de Bruxelles.]1

  
Art. 60bis. [1 In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad is er een Franstalige politierechtbank en een Nederlandstalige politierechtbank.]1
  
Art. 60bis. [1 Dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, il y a un tribunal de police francophone et un tribunal de police néerlandophone.]1
  
Art. 61. De zetel van de vredegerechten wordt bepaald in artikel 1 van het bijvoegsel bij dit wetboek.
  (De zetel van de politierchtbanken wordt gevestigd in de hoofdplaats van het gerchtelijk arrondissement wanneer niet anders is bepaald in artikel 3 van het bijvoegsel bij dit Wetboek.) <W 1994-07-11/33, art. 21, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01>
Art. 61. Le siège des justices de paix est déterminé à l'article 1er de l'annexe au présent code.
  (Le siège des tribunaux de police est établi au chef-lieu de l'arrondissement judiciaire lorsqu'il n'en est pas disposé autrement par l'article 3 de l'annexe au présent Code.) <L 1994-07-11/33, art. 21, 032; En vigueur : 1995-01-01>
Art. 63. (Lid 1 opgeheven) <W 1999-03-25/50, art. 2, 071; Inwerkingtreding : 01-09-2000>
  De Koning bepaalt jaarlijks de bevolking van ieder kanton op de grondslag van het aantal inwoners op de voorgaande 31e december.
  (Lid 3 opgeheven) <W 2001-06-15/31, art. 2, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
Art. 63. (Alinéa 1er abrogé). <L 1999-03-25/50, art. 2, 071; En vigueur : 01-09-2000>
  Le Roi détermine annuellement la population de chaque canton en prenant pour base le nombre des habitants à la date du 31 décembre précédent.
  (Alinéa 3 abrogé). <L 2001-06-15/31, art. 2, 084; En vigueur : 01-09-2001>
Art. 64. (Plaatsvervangende rechters kunnen worden benoemd in een of meer vredegerechten en in een of meer politierechtbanken.) <W 1998-02-10/32, art. 2, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  Aan een [1 vredegerecht of afdeling van de politierechtbank]1 kunnen ten hoogste zes plaatsvervangende rechters worden verbonden.
  [2 Zij hebben geen permanente functie en worden benoemd om verhinderde rechters tijdelijk te vervangen.
   Zij kunnen niet worden geroepen om zitting te nemen tijdens een terechtzitting in de loop waarvan zij rechtstreeks of via een tussenpersoon optreden als raadsman voor de partijen die betrokken zijn in een geschil.]2

  [3 Zij kunnen niet worden geroepen om zitting te nemen wanneer de vordering gegrond is op de artikelen 488/1 tot 502 van het oud Burgerlijk Wetboek of op de bepalingen van het vierde deel, boek IV, hoofdstuk X, en zij professionele bewindvoerders als bedoeld in artikel 494, c)/2, van het oud Burgerlijk Wetboek zijn.]3
  
Art. 64. (Des juges suppléants peuvent être nommés au siège d'une ou plusieurs justices de paix et d'un ou plusieurs tribunaux de police.) <L 1998-02-10/32, art. 2, 057; En vigueur : 02-03-1998>
  Le nombre des juges suppléants attachés à une [1 justice de paix ou division du tribunal de police]1 est de six au plus.
  [2 Ils n'ont pas de fonctions permanentes et sont nommés pour remplacer momentanément les juges empêchés.
   Ils ne peuvent être appelés à siéger à une audience au cours de laquelle ils interviennent en qualité de conseil de parties en litige soit directement soit par personne interposée.]2

  [3 Ils ne peuvent être appelés à siéger lorsque la demande est fondée sur les articles 488/1 à 502 de l'ancien Code civil ou sur les dispositions de la quatrième partie, livre IV, chapitre X, et qu'ils sont des administrateurs professionnels visés à l'article 494, c)/2, de l'ancien Code civil.]3
  
Art. 65. [1 § 1. Naargelang van de behoeften van de dienst wijst de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, tijdelijk en met zijn of hun instemming, een of meer vrederechters aan om de functie uit te oefenen van rechter in de politierechtbank, of een of meer rechters in de politierechtbank om de functie uit te oefenen van vrederechter in het gerechtelijk arrondissement.
   Naargelang van de behoeften van de dienst in het gerechtelijk arrondissement Brussel wijst de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, tijdelijk een of meer werkende of plaatsvervangende rechters in de politierechtbank aan, zonder dat zijn of hun instemming vereist is maar na hem of hen te hebben gehoord, om tegelijkertijd een ambt uit te oefenen in een andere politierechtbank van het arrondissement.
   Naargelang van de behoeften van de dienst kan met instemming van de betrokkene of betrokkenen de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken en op advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank een of meer rechters in de politierechtbank, of een of meer vrederechters opdragen tegelijkertijd een ambt uit te oefenen in een andere politierechtbank van het rechtsgebied of in een ander vredegerecht van het rechtsgebied gelegen in een ander arrondissement dan dat waarin hij benoemd is.
   § 2. De aanwijzings- of opdrachtbeschikking geeft de redenen van de aanwijzing of opdracht op en bepaalt de nadere regels ervan.
   De aanwijzing of de opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor de zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de aanwijzing of de opdracht echter gelden tot aan het vonnis.]1

  
Art. 65. [1 § 1er. En fonction des nécessités du service, le président des juges de paix et des juges au tribunal de police désigne temporairement, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire et avec son ou leur consentement, un ou plusieurs juges de paix pour exercer les fonctions de juge au tribunal de police ou un ou plusieurs juges au tribunal de police pour exercer les fonctions de juge de paix dans l'arrondissement judiciaire.
   En fonction des nécessités du service dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le président du tribunal de première instance néerlandophone désigne temporairement, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, un ou plusieurs juges au tribunal de police effectifs ou suppléants sans que son ou leur consentement soit requis mais après l'avoir ou les avoir entendu, pour exercer[2 simultanément]2 des fonctions dans un autre tribunal de police de l'arrondissement.
   En fonction des nécessités du service, le premier président de la cour d'appel peut déléguer, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, sur avis du président des juges de paix et des juges au tribunal de police et avec le consentement de l'intéressé ou des intéressés, un ou plusieurs juges au tribunal de police ou un ou plusieurs juges de paix pour exercer [2 simultanément]2 des fonctions dans un autre tribunal de police du ressort ou dans une autre justice de paix du ressort située dans un autre arrondissement que celui dans lequel il est nommé.
   § 2. L'ordonnance de désignation ou de délégation indique les motifs de la désignation ou de la délégation et en précise les modalités.
   La désignation ou la délégation prend fin lorsque cesse la cause qui l'a motivée; toutefois, pour les affaires en cours de débat ou en délibéré, la désignation ou la délégation produit ses effets jusqu'au jugement.]1

  
Art. 65bis. [1 Met uitzondering van de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen is er in elk arrondissement een voorzitter en ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.
   Het voorzitterschap wordt [2 ...]2 waargenomen door een vrederechter [2 of]2 door een rechter in de politierechtbank. De ondervoorzitter is respectievelijk vrederechter of rechter in de politierechtbank, naar gelang de voorzitter rechter in de politierechtbank dan wel vrederechter is.]1

  
Art. 65bis. [1 Dans chaque arrondissement, à l'exception des arrondissements judiciaires de Bruxelles et d'Eupen, il y a un président et un vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police.
   La présidence est assurée [2 ...]2 par un juge de paix [2 ou]2 un juge au tribunal de police. Le vice-président est respectivement juge de paix ou juge au tribunal de police, selon que le président est juge au tribunal de police ou juge de paix.]1

  
Afdeling II. _ Dienst.
Section II. - Du service.
Art. 66. [3 § 1.]3 [1 [3 Onverminderd de toepassing van paragraaf 2, worden de zittingen op de zetel of afdeling van het gerecht gehouden. Het aantal, de dagen en de duur van de gewone zittingen, met inbegrip van de zittingen bedoeld in paragraaf 2, worden in een bijzonder reglement vastgesteld :]3
   1° voor de politierechtbank, door de voorzitter of ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank die de hoedanigheid heeft van politierechter, na advies van de procureur des Konings en van de stafhouder(s) van de Orde of Ordes van Advocaten van het arrondissement;
   2° voor het vredegerecht, door de voorzitter of ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank die de hoedanigheid heeft van vrederechter, na advies van de betrokken vrederechter en van de stafhouder(s) van de Orde of Ordes van Advocaten van het arrondissement.
  [2 In de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen is het advies van de politierechtbank eveneens vereist.]2
   Het bijzonder reglement wordt publiek bekendgemaakt.]1

  Deze vaststelling belet niet dat de rechter, op andere dagen, buitengewone zittingen houdt, zelfs op zon- en feestdagen, zowel 's voormiddags als namiddags, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen. Hij kan te zijnen huize zitting houden met open deuren.
  [3 § 2. De minister van Justitie kan bepalen, na raadpleging van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, het College van de hoven en rechtbanken, de Procureur des Konings, de hoofdgriffier en de stafhouder van de Orde van Advocaten, dat een vrederechter, met overeenkomstige toepassing van de regels betreffende de territoriale bevoegdheid, zittingen houdt in een voormalige, opgeheven zittingsplaats van het kanton of in een opgeheven kanton in een lokaal dat door de betrokken gemeente, krachtens een gebruiksovereenkomst met de minister, kosteloos ter beschikking wordt gesteld en geschikt is om het goede verloop van de terechtzittingen te verzekeren, met inbegrip van de openbaarheid van de terechtzittingen die niet met gesloten deuren plaatsvinden. Het besluit bepaalt tevens de gemeenten of gedeelten van gemeenten die geacht worden het rechtsgebied van die zittingsplaats uit te maken. Het geldt voor de duur van de gebruiksovereenkomst. Het besluit en zijn geldingsduur worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   § 3. Indien over het houden van de in paragraaf 2 bedoelde zittingen vóór ieder ander middel, behalve een exceptie van onbevoegdheid, door de verweerder of bij de opening van de debatten ambtshalve door de vrederechter een incident wordt uitgelokt, kan de eiser vóór de sluiting van de debatten vorderen dat de zaak wordt verwezen naar de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, voor beslissing over het verzoek, bij gebrek waaraan de vrederechter zelf beslist, een en ander onverminderd de regeling van een geschil van bevoegdheid dat, in voorkomend geval, bij voorrang wordt afgewikkeld en, indien daartoe aanleiding bestaat, ook betrekking heeft op de zittingsplaats.
   In voorkomend geval wordt de zaak voor de voorzitter of ondervoorzitter gebracht zonder andere formaliteiten dan de vermelding van de verwijzing op het zittingsblad en de overzending van het dossier van de rechtspleging door toedoen van de griffier. De partijen kunnen hem en de andere partijen schriftelijk opmerkingen bezorgen binnen acht dagen na de verwijzing, tenzij de vrederechter die termijn heeft ingekort. Na het verstrijken van die termijn doet de voorzitter onverwijld uitspraak.
   Bij de in deze paragraaf bedoelde beslissingen kan onmiddellijk een datum worden vastgesteld voor verdere behandeling. Als zij niet staande de zitting en in aanwezigheid van de partijen of hun advocaten worden genomen, worden die partijen of advocaten daarvan bij gewone brief op de hoogte gebracht. Tegen deze beslissingen staat geen enkel rechtsmiddel open. De beslissing is geen eindvonnis in de zin van artikel 1050.]3

  
Art. 66. [3 § 1er.]3 [3 Sans préjudice de l'application du paragraphe 2, les audiences sont tenues au siège ou à la division de la juridiction. Le nombre, les jours et la durée des audiences ordinaires, y compris les audiences visées au paragraphe 2, sont déterminés dans un règlement particulier :]3
   1° pour le tribunal de police, par le président ou le vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police qui a la qualité de juge de police, après avis du procureur du Roi et du ou des bâtonniers de l'Ordre ou des Ordres des avocats de l'arrondissement;
   2° pour la justice de paix, par le président ou le vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police qui a la qualité de juge de paix, après avis du juge de paix concerné et du ou des bâtonniers de l'Ordre ou des Ordres des avocats de l'arrondissement.
  [2 Dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et de Eupen l'avis du tribunal de police est également requis.]2
   Le règlement particulier est rendu public.]1
  Cette détermination ne fait pas obstacle à ce que le juge, si les nécessités du service le justifient, tienne des audiences extraordinaires d'autres jours, même les dimanches et jours fériés, le matin comme l'après-midi, il peut tenir audience chez lui en tenant les portes ouvertes.
  [3 § 2. Le ministre de la Justice peut arrêter, après consultation du président des juges de paix et des juges au tribunal de police, du Collège des cours et tribunaux, du Procureur du Roi, du greffier en chef et du bâtonnier de l'Ordre des avocats, qu'un juge de paix, moyennant application par analogie des règles relatives à la compétence territoriale, peut tenir des audiences dans un ancien lieu d'audience supprimé du canton ou dans un canton supprimé, dans un local qui est mis gratuitement à disposition par la commune concernée, en vertu d'une convention d'occupation conclue avec le ministre, et qui convient au bon déroulement des audiences, en ce compris la publicité des audiences qui n'ont pas lieu à huis-clos. L'arrêté détermine également les communes ou parties de communes qui sont censées constituer le ressort de ces lieux d'audience. Il s'applique pour la durée de la convention d'utilisation. L'arrêté et sa durée d'application sont publiés au Moniteur belge.
   § 3. Lorsqu'au sujet des audiences visées au paragraphe 2 un incident est soulevé avant tout autre moyen, sauf une exception d'incompétence, par le défendeur, ou lorsqu'il est soulevé d'office à l'ouverture des débats par le juge de paix, le demandeur peut requérir, avant la clôture des débats, que la cause soit renvoyée au président des juges de paix et des juges au tribunal de police, pour décision, à défaut de quoi le juge de paix statue lui-même, l'un et l'autre sans préjudice du règlement d'un conflit de compétence qui, le cas échéant, est tranché en priorité et porte également, s'il y a lieu, sur le lieu des audiences.
   Le cas échéant, la cause est portée devant le président ou le vice-président sans autres formalités que la mention du renvoi à la feuille d'audience et la transmission du dossier de la procédure par les soins du greffier. Les parties peuvent lui communiquer ainsi qu'aux autres parties des remarques par écrit dans les huit jours du renvoi, sauf si le juge de paix a réduit ce délai. Après l'expiration de ce délai, le président statue sans délai.
   Dans les décisions visées au présent paragraphe, une date peut être immédiatement fixée pour le traitement ultérieur. Si elles ne sont pas prises sur-le-champ et en présence des parties ou de leurs avocats, ces parties ou leurs avocats en sont informés par simple lettre missive. Ces décisions ne sont susceptibles d'aucun recours. La décision n'est pas un jugement définitif au sens de l'article 1050.]3

  
Art. 67. [2 § 1.]2 [1 De voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank is belast met de algemene leiding en de organisatie van de vredegerechten.]1
  [2 § 2. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen en rekening houdend met de belangen van de rechtzoekenden, kan de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank zaken die bij een vrederechter aanhangig zijn gemaakt, verdelen onder andere territoriaal bevoegde vrederechters die hij aanwijst. Onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen. Tegen de beslissing van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
   Wanneer de verdeling, bedoeld in het eerste lid, aanleiding geeft tot een wijziging van de oorspronkelijke toewijzing, worden de partijen en in voorkomend geval hun advocaten daarvan langs elektronische weg of bij gewone brief op de hoogte gebracht.]2

  
Art. 67. [2 § 1er.]2[1 Le président des juges de paix et des juges au tribunal de police est chargé de la direction générale et de l'organisation des justices de paix.]1
  [2 § 2. Si les nécessités du service le justifient et en tenant compte des intérêts des justiciables, le président des juges de paix et des juges au tribunal de police peut répartir des affaires dont un juge de paix a été saisi entre d'autres juges de paix territorialement compétents qu'il désigne. Par nécessité du service, il y a lieu d'entendre, la répartition de la charge de travail, l'indisponibilité d'un juge, une exigence d'expertise, la bonne administration de la justice ou d'autres raisons objectives comparables. La décision du président des juges de paix et des juges au tribunal de police n'est pas susceptible de recours.
   Si la répartition visée à l'alinéa 1er entraîne une modification de l'attribution initiale, les parties et, le cas échéant, leurs avocats en sont informés par voie électronique ou par lettre ordinaire.]2

  
Art. 68. [1 De voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank is belast met de algemene leiding en de organisatie van de politierechtbank.
   Hij verdeelt de zaken overeenkomstig het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank.
   Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van de afdeling verdelen.
   Onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of andere daarmee vergelijkbare objectieve redenen.
   De voorzitter verdeelt de rechters over de afdelingen. Indien hij een rechter aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken rechter en omkleedt hij zijn beslissing met redenen.]1

  
Art. 68. [1 Le président des juges de paix et des juges au tribunal de police est chargé de la direction générale et de l'organisation du tribunal de police.
   Il répartit les affaires conformément au règlement de répartition des affaires et au règlement particulier du tribunal.
   Lorsque les nécessités du service le justifient, il peut répartir une partie des affaires attribuées à une chambre entre les autres chambres de la division.
   Par nécessité du service, il y a lieu d'entendre, la répartition de la charge de travail, l'indisponibilité d'un juge, une exigence d'expertise, la bonne administration de la justice ou d'autres raisons objectives comparables.
   Le président répartit les juges parmi les divisions. S'il désigne un juge dans une autre division, il entend le juge concerné et motive sa décision.]1

  
Art. 71. [1 Naargelang van de behoeften van de dienst wijst de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank een van de plaatsvervangende rechters aan als vervanger van de vrederechter of van de rechter in de politierechtbank.
  [2 Naargelang van de behoeften van de dienst geeft de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank aan een plaatsvervangend rechter in een vredegerecht die daarmee instemt, opdracht om zijn ambt bijkomend uit te oefenen in een ander kanton van het arrondissement.
   Onverminderd artikel 65, § 1, tweede lid, en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep, naargelang van de behoeften van de dienst, opdracht aan een plaatsvervangende rechter in de politierechtbank die daarmee instemt, in een andere politierechtbank van het rechtsgebied of aan een plaatsvervangend rechter in een vredegerecht die daarmee instemt, in een kanton in een ander arrondissement om er zijn ambt bijkomend uit te oefenen.]2

   In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven.]1

  
Art. 71. [1 En fonction des nécessités du service, le président des juges de paix et des juges au tribunal de police désigne parmi les juges suppléants celui qui remplace le juge de paix ou le juge au tribunal de police.
  [2 En fonction des nécessités du service, le président des juges de paix et des juges au tribunal de police délègue un juge suppléant à une justice de paix qui y consent pour exercer ses fonctions à titre complémentaire dans un autre canton de l'arrondissement.
   Sans préjudice de l'article 65, § 1er, alinéa 2, et dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, en fonction des nécessités du service le premier président de la cour d'appel délègue un juge suppléant au tribunal de police qui y consent dans un autre tribunal de police du ressort ou un juge suppléant à une justice de paix qui y consent dans un canton situé dans un autre arrondissement, pour y exercer ses fonctions à titre complémentaire.]2

   L'ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il s'impose de faire appel à un suppléant et précise les modalités de la désignation.]1

  
Art. 72. [2 Eerste en tweede lid opgeheven.]2
  [2 [4 Met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken kan de Koning, indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen,]4, op advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en van de procureur des Konings, de zetel van het vredegerecht tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het arrondissement.]2
  [5 Indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen, kan de Koning bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, op advies van de betrokken voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, van de betrokken procureurs des Konings, van de betrokken hoofdgriffiers en van de betrokken stafhouder(s) van de Orde of Ordes van Advocaten, de zetel van het vredegerecht tijdelijk verplaatsen naar een nabije gemeente in het rechtsgebied. De wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken is van toepassing op deze tijdelijke zetel zoals ze van toepassing is op de zetel van het betrokken vredegerecht.]5
  [4 De zetel van de politierechtbank of van een afdeling van de politierechtbank kan onder dezelfde voorwaarden tijdelijk verplaatst worden naar een andere gemeente van het arrondissement [5 of naar een nabije gemeente in het rechtsgebied]5.]4
   [2 Vijfde lid opgeheven.]2
  
Art. 72. [2 Alinéas 1er et 2 abrogés.]2
  [2 [4 Dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, en raison de nécessités du service ou si]4 des circonstances de force majeure le justifient, le Roi peut, sur avis du président des juges de paix et des juges au tribunal de police et du procureur du Roi, transférer temporairement le siège du juge de paix dans une autre commune de l'arrondissement.]2
  [5 En raison de nécessités du service ou si des circonstances de force majeure le justifient, le Roi peut, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, sur avis des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police concernés, des procureurs du Roi concernés, des greffiers en chef concernés et des bâtonniers de l'Ordre ou des Ordres des avocats concernés, transférer temporairement le siège du juge de paix dans une commune proche dans le ressort. La loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire s'applique à l'égard de ce siège temporaire telle qu'elle s'applique à l'égard du siège de la justice de paix concernée.]5
  [4 Le siège du tribunal de police ou d'une division du tribunal de police peut dans les mêmes conditions être transféré temporairement dans une autre commune de l'arrondissement [5 ou dans une commune proche dans le ressort]5.]4
  [1 Alinéa 5 abrogé.]1
  
Art. 72bis. [1 Voor de politierechtbanken waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en voor de Nederlandstalige politierechtbank van Brussel, worden de opdrachten van de [2 voorzitter bedoeld in dit hoofdstuk]2, uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg; voor de Franstalige politierechtbank van Brussel worden deze opdrachten uitgeoefend door de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg.
   Voor de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, worden de opdrachten van de [2 voorzitter bedoeld in dit hoofdstuk]2, uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg; de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen in het uitoefenen van deze opdrachten met het oog op een consensus.
   Voor de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, worden deze opdrachten overlegd in consensus door de twee voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg.
   Bij gebrek aan consensus in geval van de toepassing van het tweede en het derde lid, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing.]1

  
Art. 72bis. [1 Pour les tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde et pour le tribunal de police néerlandophone de Bruxelles, [2 les missions du président visé au présent chapitre]2 sont remplies par le président du tribunal de première instance néerlandophone; pour le tribunal de police francophone de Bruxelles, ces missions sont remplies par le président du tribunal de première instance francophone.
   Pour les justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde, [2 les missions du président visé au présent chapitre]2 sont remplies par le président du tribunal de première instance néerlandophone; néanmoins, le président du tribunal de première instance francophone est impliqué dans les décisions prises en exécution de ces missions chaque fois qu'il en fait la demande par simple requête au président du tribunal de première instance néerlandophone en vue d'un consensus.
   Pour les justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, ces missions sont remplies par délibération en consensus par les deux présidents des tribunaux de première instance néerlandophone et francophone.
   A défaut de consensus en cas d'application des alinéas 2 et 3, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles prend la décision.]1

  
Art. 72ter. [1 Voor de politierechtbanken en de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het gerechtelijke arrondissement Eupen, worden de opdrachten van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank bedoeld in dit hoofdstuk, uitgeoefend door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement.]1
  
Art. 72ter. [1 Pour les tribunaux de police et les justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen, les missions du président des juges de paix et des juges au tribunal de police visé au présent chapitre sont remplies par le président du tribunal de première instance de l'arrondissement.]1
  
HOOFDSTUK II. _ Arrondissementsrechtbank,rechtbank van eerste aanleg,arbeidsrechtbank en [1 ondernemingsrechtbank]1.
CHAPITRE II. - Le tribunal d'arrondissement, le tribunal de première instance, le tribunal du travail et le [1 tribunal de l'entreprise]1.
Eerste afdeling. _ Algemene bepaling.
Section première. - Disposition générale.
Art. 73. [2 Er is een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank en een [3 ondernemingsrechtbank]3, waarvan de gebiedsomschrijving is vastgesteld in het bijvoegsel van dit Wetboek.]2
  [1 In afwijking van het eerste lid, zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel een Nederlandstalige arrondissementsrechtbank, rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en [3 ondernemingsrechtbank]3, en een Franstalige arrondissementsrechtbank, rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en [3 ondernemingsrechtbank]3.]1
  
Art. 73. [2 Il y a un tribunal de première instance, un tribunal du travail et un [3 tribunal de l'entreprise]3, dont les limites territoriales sont déterminées à l'annexe du présent Code.]2
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, il y a un tribunal d'arrondissement, un tribunal de première instance, un tribunal du travail et un [3 tribunal de l'entreprise]3 néerlandophones, et un tribunal d'arrondissement, un tribunal de première instance, un tribunal du travail et un [3 tribunal de l'entreprise]3 francophones.]1
  
Art. 73bis. [1 In afwijking van artikel 73 en de gebiedsomschrijving in het bijvoegsel bij dit Wetboek, worden inbreuken op de Verordening (EG) Nr. 725/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de verbetering van de beveiliging van schepen en havenfaciliteiten, de artikelen 2.5.2.1 tot en met 2.5.2.46 van het Belgisch Scheepvaartwetboek en de desbetreffende uitvoeringsbesluiten en artikel 4.1.2.48/1 die gepleegd worden in het deel van het Linkerscheldeoevergebied, bedoeld in artikel 1 van de wet van 19 juni 1978 betreffende het beheer van het Linkerscheldeoevergebied ter hoogte van Antwerpen en houdende maatregelen voor het beheer en de exploitatie van de haven van Antwerpen, vervolgd door de bevoegde rechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Antwerpen.]1
  
Art. 73bis. [1 Par dérogation à l'article 73 et aux limites territoriales à l'annexe du présent Code, les infractions au Règlement (CE) N° 725/2004 du Parlement européen et du Conseil du 31 mars 2004 relatif à l'amélioration de la sûreté des navires et des installations portuaires, aux articles 2.5.2.1 à 2.5.2.46 du Code belge de la Navigation et les arrêtés d'exécution y afférents et à l'article 4.1.2.48/1, commises dans la partie du territoire de la rive gauche de l'Escaut, visé à l'article 1er de la loi du 19 juin 1978 relative à la gestion du territoire de la rive gauche de l'Escaut à hauteur d'Anvers et portant des mesures de gestion et d'exploitation du port d'Anvers, sont poursuivies par les tribunaux compétents de l'arrondissement judiciaire d'Anvers.]1
  
Afdeling II. _ Arrondissementsrechtbank.
Section II. - Le tribunal d'arrondissement.
Art. 74. [2 In ieder arrondissement is er een arrondissementsrechtbank die bestaat uit de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van de arbeidsrechtbank, de voorzitter van de [3 ondernemingsrechtbank]3 en de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank of een door hen aangewezen rechter.
   Bij staking van stemmen, beslist de voorzitter van de arrondissementsrechtbank]2

  [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel, bestaan de Nederlandstalige en de Franstalige arrondissementsrechtbank, naargelang het geval, uit de voorzitters van de respectievelijk Nederlandstalige en Franstalige rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en [3 ondernemingsrechtbank]3 [2 uit een door hen aangewezen rechter]2.]1
  
Art. 74. [2 Chaque arrondissement compte un tribunal d'arrondissement constitué du président du tribunal de première instance, du président du tribunal du travail, du président du [3 tribunal de l'entreprise]3 et du président des juges de paix et des juges au tribunal de police, ou d'un juge qu'ils désignent.
   En cas de parité des voix, la décision appartient au président du tribunal d'arrondissement.]2

  [1 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, les tribunaux d'arrondissement francophone et néerlandophone se composent, selon le cas, respectivement des présidents du tribunal de première instance, du tribunal du travail et du [3 tribunal de l'entreprise]3 francophones et des présidents du tribunal de première instance, du tribunal du travail et du [3 tribunal de l'entreprise]3 néerlandophones, [2 ou d'un juge qu'ils désignent]2.]1
  
Art. 75. <W 15-07-1970, art. 6> De arrondissementsrechtbank wordt, telkens voor een gerechtelijk jaar achtereenvolgens voorgezeten door ieder van de in artikel 74 genoemde magistraten.
Art. 75. <L 15-07-1970, art. 6> Le tribunal d'arrondissement est présidé, successivement et pour une année judiciaire chaque fois, par chacun des magistrats désignés à l'article 74.
Art. 75bis. [1 Wanneer de wet het voorschrijft, zetelen de Franstalig arrondissementsrechtbank van Brussel en de Nederlandstalig arrondissementsrechtbank van Brussel in verenigde vergadering.
   Het voorzitterschap wordt afwisselend per zaak waargenomen door een Franstalige en een Nederlandstalige magistraat in functie van de inschrijving op de rol.
   Bij staking van stemmen, is de stem van de voorzitter doorslaggevend.]1

  
Art. 75bis. [1 Lorsque la loi le prescrit, le tribunal d'arrondissement francophone de Bruxelles et le tribunal d'arrondissement néerlandophone de Bruxelles siègent en assemblée réunie.
   La présidence est assumée alternativement par affaire par un magistrat francophone et par un magistrat néerlandophone en fonction de l'inscription au rôle.
   En cas de parité, la voix du président est prépondérante.]1

  
Afdeling III. _ Rechtbank van eerste aanleg.
Section III. - Du tribunal de première instance.
Art. 76. [1 § 1. [2 De rechtbank van eerste aanleg en, in voorkomend geval, de afdelingen ervan, bestaan uit een of meer kamers voor burgerlijke zaken, uit een of meer kamers voor correctionele zaken, uit een of meer kamers voor familiezaken, uit een of meer jeugdkamers en, voor de afdeling van de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, uit een of meer [3 strafuitvoeringskamers en kamers voor de bescherming van de maatschappij]3.]2
   Die kamers vormen vier [2 secties]2, respectievelijk genaamd : burgerlijke rechtbank, correctionele rechtbank, familie- en jeugdrechtbank en strafuitvoeringsrechtbank.
   [2 De familie- en jeugdrechtbank bestaat uit de familiekamer(s) en de kamer(s) voor minnelijke schikking die de familierechtbank vormen en uit de jeugdkamer(s) die de jeugdrechtbank vormen.]2
  [7 De burgerlijke rechtbank bestaat uit de burgerlijke kamer(s) en een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg is verdeeld in afdelingen, bestaat de burgerlijke rechtbank van een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.]7
   § 2. In de [2 sectie]2 van de correctionele rechtbank worden een of meer kamers onder meer bevoegd voor de procedures van onmiddellijke verschijning en van oproeping bij proces-verbaal.
   Ten minste één correctionele kamer neemt in het bijzonder kennis van de overtredingen van de wetten en verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, en, in geval van samenloop of samenhang, van genoemde overtredingen samen met een of meer overtredingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten.
   § 3. In de [2 sectie]2 van de jeugdrechtbank worden één of meer specifieke kamers, kamers van uithandengeving genaamd, bevoegd voor de berechting van personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad.
   § 4. [2 Behoudens voor de uitspraak van de vonnissen waarvoor zij zitting houden in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, houden de strafuitvoeringskamers zitting in de gevangenis ten aanzien van de veroordeelden die in de gevangenis verblijven. Zij mogen zitting houden in de gevangenis of in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep ten aanzien van de veroordeelden die niet in de gevangenis verblijven. Wanneer [5 de artikelen 37, tweede en derde lid, en 53, achtste en negende lid]5 van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten [5 worden toegepast]5, houden zij zitting in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep.]2.
  [3 Behoudens voor de uitspraak van de vonnissen, waarvoor zij zitting houden in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, mogen de kamers voor de bescherming van de maatschappij zitting houden in elke rechtbank van eerste aanleg gevestigd in het rechtsgebied van het hof van beroep, in de penitentiaire inrichtingen, in de inrichtingen tot bescherming van de maatschappij en in alle inrichtingen waar geïnterneerde personen verblijven.]3
   [2 § 5. De raadkamer kan zitting hebben in de gevangenis voor de behandeling van zaken in toepassing van de artikelen 21, 22 en 22bis van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis [4 , artikel 16 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de artikelen 3 en 5 van de uitleveringswet van 15 maart 1874]4.]2]1

  [4 § 6. In geval van veiligheidsrisico's, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur des Konings, gelasten dat de correctionele rechtbank in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in de zetel van een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.]4
  [6 § 7. Indien buitengewone omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, in samenspraak met de minister bevoegd voor Justitie, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur des Konings of deze magistraat gehoord, en desgevallend in overleg met de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of de eerste voorzitter van het hof van beroep van het betrokken rechtsgebied, gelasten dat de correctionele rechtbank in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in een zittingsplaats die hij daartoe aanwijst en, zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.]6
  
Art. 76. [1 § 1er. [2 Le tribunal de première instance et le cas échéant, ses divisions, comprennent une ou plusieurs chambres civiles, une ou plusieurs chambres correctionnelles, une ou plusieurs chambres de la famille, une ou plusieurs chambres de la jeunesse, et, pour la division du tribunal de première instance du siège de la cour d'appel, une ou plusieurs [3 chambres de l'application des peines et chambres de protection sociale]3.]2
   Ces chambres composent quatre sections dénommées respectivement tribunal civil, tribunal correctionnel, tribunal de la famille et de la jeunesse et tribunal de l'application des peines.
   [2 Le tribunal de la famille et de la jeunesse se compose de la ou des chambres de la famille et de la ou des chambres de règlement à l'amiable, constituant le tribunal de la famille, et de la ou des chambres de la jeunesse constituant le tribunal de la jeunesse.]2
  [7 Le tribunal civil se compose de la ou des chambres civiles et d'une ou plusieurs chambres de règlement à l'amiable. Lorsque le tribunal de première instance est réparti en divisions, le tribunal civil d'une des divisions se compose au moins d'une chambre de règlement à l'amiable.]7
   § 2. Une ou plusieurs chambres du tribunal correctionnel se voient attribuer notamment la compétence relative aux procédures de comparution immédiate et de convocation par procès-verbal.
   Une chambre correctionnelle au moins connaît en particulier des infractions aux lois et règlements relatifs à une des matières qui relèvent de la compétence des juridictions du travail et, en cas de concours ou de connexité, des infractions citées avec une ou plusieurs infractions qui ne sont pas de la compétence des juridictions du travail.
   § 3. Une ou plusieurs chambres spécifiques du tribunal de la jeunesse, dénommées chambres de dessaisissement, se voient attribuer la compétence de juger des personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d'un délit ou crime correctionnalisable.
   § 4. [2 Sauf pour le prononcé des jugements pour lesquelles elles siègent dans tout tribunal de première instance situé dans le ressort de la cour d'appel, les chambres de l'application des peines siègent dans la prison à l'égard des condamnés qui séjournent en prison. Elles peuvent siéger dans la prison ou dans tout tribunal de première instance situé dans le ressort de la cour d'appel à l'égard des condamnés qui ne séjournent pas en prison. Lorsqu'il est fait application [5 des articles 37, alinéas 2 et 3 et 53, alinéas 8 et 9]5 de la loi du 17 mai 2006 relative au statut externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits des victimes dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, elles siègent dans tout tribunal de première instance situé dans le ressort de la cour d'appel.]2
  [3 Sauf pour le prononcé des jugements, pour lesquels elles siègent dans tout tribunal de première instance situé dans le ressort de la cour d'appel, les chambres de protection sociale peuvent siéger dans tout tribunal de première instance établi dans le ressort de la cour d'appel, dans les établissements pénitentiaires, dans les établissements de défense sociale et dans tous les établissements où des personnes internées séjournent.]3
   [2 § 5. La chambre du conseil peut siéger en prison pour traiter des affaires en application des articles 21, 22 et 22bis de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive [4 , de l'article 16 de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen et des articles 3 et 5 de la loi du 15 mars 1874 sur les extraditions]4.]2 ]1

  [4 § 6. En cas de risque pour la sécurité, le président du tribunal de première instance peut, sur réquisition écrite ou orale du procureur du Roi, ordonner que le tribunal correctionnel tienne une ou plusieurs audiences dans une affaire déterminée au siège d'un tribunal de première instance du ressort de la cour d'appel et, s'il échet, que cette affaire y soit jugée.]4
  [6 § 7. Si des circonstances exceptionnelles le justifient, le président du tribunal de première instance peut, en concertation avec le ministre qui a la Justice dans ses attributions, sur réquisition écrite ou orale du procureur du Roi ou ce magistrat entendu, et, le cas échéant, en concertation avec le président du tribunal de première instance ou le premier président de la cour d'appel du ressort concerné, ordonner que le tribunal correctionnel tienne une ou plusieurs audiences dans une affaire déterminée au lieu d'audience qu'il désigne et, s'il échet, que cette affaire y soit jugée.]6
  
Art. 77. De rechtbank van eerste aanleg bestaat uit een voorzitter van de rechtbank (, uit rechters en uit assessoren [2 in de strafuitvoeringsrechtbank]2). <W 2006-05-17/36, art. 4, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [1 In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken bestaat ze daarenboven uit een of meer afdelingsvoorzitters en ondervoorzitters.]1
  
Art. 77. Le tribunal de première instance se compose d'un président du tribunal (, de juges et d'assesseurs [2 au tribunal de l'application des peines]2). <L 2006-05-17/36, art. 4, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  [1 Dans les cas déterminés par la loi établissant le cadre du personnel des cours et tribunaux, il se compose en outre d'un ou de plusieurs présidents de division et vice-présidents.]1
  
Art. 78. De kamers van de rechtbank van eerste aanleg bestaan uit één of uit drie rechters.
  [6 De strafuitvoeringskamers bedoeld in artikel 76, § 1, eerste lid, bestaan uit een rechter, die het voorzitterschap ervan bekleedt, een assessor in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken en een assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie.]6
  [6 De kamers voor de bescherming van de maatschappij bedoeld in artikel 76, § 1, eerste lid, bestaan uit een rechter, die het voorzitterschap ervan bekleedt, een assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en een assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie.]6
  [5 ...]5.
  [4 De kamers voor de bescherming van de maatschappij van de strafuitvoeringsrechtbank bedoeld in artikel 76, laatste lid, bestaan uit een rechter, die het voorzitterschap ervan bekleedt, en twee assessoren [6 in de strafuitvoeringsrechtbank]6 of interneringszaken, de ene gespecialiseerd in sociale integratie en de andere gespecialiseerd in klinische psychologie.]4
  [7 Wanneer de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer bestaat uit drie rechters zoals voorzien in artikel 92, § 1, eerste lid en § 1/1, is zij samengesteld uit twee rechters van de rechtbank van eerste aanleg en een rechter in de arbeidsrechtbank.]7
  [5 De alleenrechtsprekende rechter van de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer ontvangt een gespecialiseerde vorming georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]5
  [5 ...]5.
  [1 De in artikel 92bis bedoelde kamers van de strafuitvoeringsrechtbank bestaan uit een rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, die het voorzitterschap ervan bekleedt, twee rechters in de correctionele rechtbank en twee assessoren [6 strafuitvoeringsrechtbank]6, de ene gespecialiseerd in penitentiaire zaken en de andere in de sociale re-ïntegratie.]1
  [10 Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een alleenrechtsprekende rechter die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd. Een plaatsvervangend rechter kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.]10
  [7 In afwijking van de artikelen 80 en 259sexies en opdat de jeugdkamers die bevoegd zijn voor de in artikel 92, § 1, derde lid, bedoelde aangelegenheden, rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, bedoelde voortgezette vorming van de magistraten, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de familie- en jeugdrechtbank. Het derde lid is een rechter van de correctionele rechtbank.]7
  [8 De rechters die zetelen in de raadkamer, de kamers van de correctionele rechtbank, van de strafuitvoeringsrechtbank en van de familie- en jeugdrechtbank en de onderzoeksrechters volgen binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een grondige opleiding inzake seksueel-en intrafamiliaal geweld [9 met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen,]9 georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]8
  
Art. 78. Les chambres du tribunal de première instance sont composées d'un ou de trois juges.
   [6 Les chambres de l'application des peines visées à l'article 76, § 1er, alinéa 1er, sont composées d'un juge, qui préside, d'un assesseur en application des peines spécialisé en matière pénitentiaire et d'un assesseur en application des peines et internement spécialisé en réinsertion sociale.]6
  [6 Les chambres de protection sociale visées à l'article 76, § 1er, alinéa 1er, sont composées d'un juge, qui les préside, d'un assesseur en application des peines et internement spécialisé en réinsertion sociale et d'un assesseur en internement spécialisé en psychologie clinique.]6
  [5 ...]5.
  [4 Les chambres de protection sociale du tribunal de l'application des peines visées à l'article 76, dernier alinéa, sont composées d'un juge, qui les préside, et de deux assesseurs [6 au tribunal de l'application des peines]6 ou d'internement, dont l'un est spécialisé en matière de réinsertion sociale et l'autre est spécialisé en matière de psychologie clinique.]4
  [7 Lorsque la chambre correctionnelle spécialisée visée à l'article 76, § 2, alinéa 2, se compose de trois juges comme prévu à l'article 92, § 1er, alinéa 1er et § 1er/1, elle est composée de deux juges du tribunal de première instance et d'un juge du tribunal du travail.]7
  [5 Le juge unique de la chambre correctionnelle spécialisée visée à l'article 76, § 2, alinéa 2, reçoit une formation spécialisée organisée par l'Institut de formation judiciaire.]5
  [5 ...]5.
  [1 Les chambres du tribunal de l'application des peines visées à l'article 92bis sont composées d'un juge au tribunal de l'application des peines, qui préside, de deux juges au tribunal correctionnel et de deux assesseurs [6 au tribunal de l'application des peines]6, l'un spécialisé en matière pénitentiaire et l'autre spécialisé en réinsertion sociale.]1
  [10 Chaque chambre de règlement à l'amiable est composée d'un juge unique ayant suivi la formation spécialisée dispensée par l'Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l'amiable à condition d'avoir également suivi une telle formation.]10
  [7 Par dérogation aux articles 80 et 259sexies, pour que les chambres de la jeunesse compétentes pour les matières visées à l'article 92, § 1er, alinéa 3, soient valablement composées, deux de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visée à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l'exercice des fonctions de juge au tribunal de la famille et de la jeunesse. Le troisième membre est un juge au tribunal correctionnel.]7
  [8 Dans l'année de leur première désignation, les juges qui siègent dans la chambre du conseil, les chambres du tribunal correctionnel, du tribunal de l'application des peines, du tribunal de la famille et de la jeunesse et les juges d'instruction suivent une formation approfondie en matière de violences sexuelles et intrafamiliales [9 avec une attention particulière pour les féminicides et les homicides fondés sur le genre,]9 organisée par l'Institut de formation judiciaire.]8
  
Art. 79. <W 1991-07-18/35, art. 1, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> De Koning wijst uit de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, volgens de behoeften van de dienst, een of meer onderzoeksrechters, een of meer beslagrechters en (, een of meer rechters in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2 en één of meer rechters in de strafuitvoeringsrechtbank) aan. <W 2006-05-17/36, art. 6, 1°, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  (In het rechtsgebied van elk hof van beroep wijst de eerste voorzitter, op advies van de federale procureur, onder de onderzoeksrechters één of meerdere onderzoeksrechters aan wier contingent zal worden vastgesteld door de Koning. Deze onderzoeksrechters dienen over een nuttige ervaring te beschikken voor het onderzoek van de bij de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek bepaalde misdrijven. Deze aanwijzing heeft geen enkel gevolg voor hun statuut noch voor hun affectatie. Krachtens deze aanwijzing, behandelen zij bij voorrang de dossiers die bij hen aanhangig zijn gemaakt overeenkomstig artikel 47duodecies, § 3, van het Wetboek van strafvordering.
  De onderzoeksrechter met de meeste dienstjaren die aangewezen is door de Eerste Voorzitter van het hof van beroep te Brussel zorgt, als deken, voor de verdeling van de dossiers die door de federale procureur bij hem aanhangig zijn gemaakt krachtens artikel 47duodecies, § 3, van het Wetboek van strafvordering.
  In geval van wettelijke verhindering van de deken, wijst deze in het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel een andere onderzoeksrechter aan gespecialiseerd om kennis te nemen van de in de artikelen 137 tot 141 van het Strafwetboek bedoelde misdrijven, die hem vervangt.) <W 2005-12-27/34, art. 26, 131 ; Inwerkingtreding : 29-05-2006>
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 3, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [1 Een of meer door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aangewezen onderzoeksrechters behandelen bij voorrang de zaken wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen in fiscale aangelegenheden.]1
  [4 Op advies van de procureur-generaal van het rechtsgebied van het hof van beroep, wijst de eerste voorzitter in het rechtsgebied van de hoven van beroep te Antwerpen, Bergen en Gent onder de onderzoeksrechters één onderzoeksrechter aan, in het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel, één Nederlandstalige en één Franstalige onderzoeksrechter en in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik, één onderzoeksrechter en één onderzoeksrechter die de kennis van de Duitse taal aantoont. Deze onderzoeksrechters dienen over een nuttige ervaring te beschikken voor het onderzoek van de misdrijven waarvoor het Europees Openbaar Ministerie bevoegd is. Deze aanwijzing heeft geen enkel gevolg voor hun statuut noch voor hun affectatie. Krachtens deze aanwijzing, behandelen zij bij voorrang de dossiers die bij hen aanhangig zijn gemaakt door de Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers die worden aangewezen overeenkomstig artikel 309/2.]4
  De onderzoeksrechters (, de beslagrechters en de rechters in de strafuitvoeringsrechtbank) kunnen volgens hun rang zitting blijven nemen voor de berechting van de zaken die aan de rechtbank van eerste aanleg worden voorgelegd. <W 2006-05-17/36, art. 6, 2°, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [5 Onverminderd artikel 734/4, § 4, kunnen de rechters in de familie- en jeugdrechtbank zitting nemen in de burgerlijke kamers van de rechtbank van eerste aanleg.]5
  De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg kan de rechter in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2, bij wijze van uitzondering en op advies van de procureur des Konings verzoeken zitting te nemen in de kamers voor correctionele zaken van de rechtbank van eerste aanleg. Wanneer ze worden verzocht zitting te nemen in de correctionele kamers van de rechtbank van eerste aanleg, worden de rechters in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2 bij voorrang belast met de strafzaken betreffende misdrijven tegen de orde der familie en tegen de openbare zedelijkheid.) <W 1997-01-21/38, art. 2, 042; Inwerkingtreding : 1997-03-25>
  [3 ...]3.
  
Art. 79. <L 1991-07-18/35, art. 1, 023; En vigueur : 28-03-1992> Le Roi désigne parmi les juges au tribunal de première instance, selon les nécessités du service, un ou plusieurs juges d'instruction, un ou plusieurs juges des saisies (, un ou plusieurs juges au [2 tribunal de la famille et de la jeunesse]2 et un ou plusieurs juges au tribunal de l'application des peines). <L 2006-05-17/36, art. 6, 1°, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  (Dans le ressort de chaque cour d'appel, le premier président désigne, sur l'avis du procureur fédéral, parmi les juges d'instruction, un ou plusieurs juges d'instruction dont le quota sera fixé par le Roi. Ces juges d'instruction doivent disposer d'une expérience utile pour l'instruction des infractions visées aux articles 137 à 141 du Code pénal. Cette désignation n'a aucune incidence sur leur statut, ni sur leur affectation. En vertu de cette désignation, ils traitent prioritairement les dossiers dont ils sont saisis sur la base de l'article 47duodecies, § 3, du Code d'instruction criminelle.
  Le juge d'instruction le plus ancien, désigne par le Premier Président de la cour d'appel de Bruxelles, assure, en tant que doyen, la répartition des dossiers dont il est saisi par le procureur fédéral en vertu de l'article 47duodecies, § 3, du Code d'instruction criminelle.
  En cas d'empêchement légal du doyen, celui-ci désigne pour le remplacer, un autre juge d'instruction spécialisé pour connaître des infractions visées aux articles 137 à 141 du Code pénal et appartenant au ressort de la cour d'appel de Bruxelles.) <L 2005-12-27/34, art. 26, 131 ; En vigueur : 29-05-2006>
  (...) <L 1998-12-22/47, art. 3, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  [1 Un ou plusieurs juges d'instruction désignés par le président du tribunal de première instance traitent prioritairement des affaires relatives à une infraction aux lois et aux règlements en matière fiscale.]1
  [4 Sur l'avis du procureur général du ressort de cour d'appel, le premier président désigne, dans le ressort des cours d'appel d'Anvers, de Mons et de Gand, parmi les juges d'instruction, un juge d'instruction, dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, un juge d'instruction francophone et un juge d'instruction néerlandophone et, dans le ressort de la cour d'appel de Liège, un juge d'instruction et un juge d'instruction justifiant de la connaissance de la langue allemande. Ces juges d'instruction doivent disposer d'une expérience utile pour l'instruction des infractions pour lesquelles le Parquet européen est compétent. Cette désignation n'a aucune incidence sur leur statut, ni sur leur affectation. En vertu de cette désignation, ils traitent prioritairement les dossiers dont ils sont saisis par le procureur européen et les procureurs européens délégués désignés conformément à l'article 309/2.]4
  Les juges d'instruction (, les juges des saisies et les juges au tribunal de l'application des peines) peuvent continuer à siéger à leur rang pour le jugement des affaires soumises au tribunal de première instance. <L 2006-05-17/36, art. 6, 2°, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  [5 Sans préjudice de l'article 734/4, § 4, les juges au tribunal de la famille et de la jeunesse peuvent siéger dans les chambres civiles du tribunal de première instance.]5
  Le président du tribunal de première instance peut, à titre exceptionnel et de l'avis du procureur du Roi, demander au juge du tribunal de la [2 famille et de la jeunesse]2 de siéger aux chambres correctionnelles du tribunal de première instance. Lorsqu'ils sont appelés à siéger aux chambres correctionnelles du tribunal de première instance, les juges au tribunal de la [2 famille et de la jeunesse]2 sont prioritairement chargés des affaires pénales touchant l'ordre des familles ou les murs.) <L 1997-01-21/38, art. 2, 042; En vigueur : 1997-03-25>
  [3 ...]3.
  
Art. 80. <W 1998-12-22/47, art. 4, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> [2 Bij verhindering van een onderzoeksrechter, een beslagrechter of een rechter van de familie- en jeugdrechtbank [4 wijst de voorzitter een werkend rechter of een plaatsvervangend magistraat zoals bedoeld in artikel 156bis aan om hem te vervangen]4. De verhinderde rechter van de familie- en jeugdrechtbank wordt bij voorrang vervangen door een andere rechter van de familie- en jeugdrechtbank.]2
  Bovendien kan de voorzitter van de rechtbank, indien de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, bij wijze van uitzondering en na het advies van de procureur des Konings te hebben ingewonnen, een werkend rechter aanwijzen om de voornoemde ambten (gedurende een termijn van ten hoogste twee jaar) waar te nemen, die tweemaal kan worden hernieuwd. Om te kunnen worden aangewezen als onderzoeksrechter (of rechter bij de [2 familie- en jeugdrechtbank]2) , moet de werkende rechter de opleiding hebben gevolgd, bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid. <W 2003-12-22/53, art. 2, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> <W 2006-06-13/40, art. 34, 134; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2009>
   [1 Derde lid opgeheven.]1
  [3 In afwijking van artikel 79, tweede lid, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep, in uitzonderlijke omstandigheden en na het advies van de federale procureur te hebben ingewonnen, uit de onderzoeksrechters van zijn rechtsgebied die over nuttige ervaring beschikken, een of meer aanvullende onderzoeksrechters aan, voor een termijn van ten hoogste twee jaar, die tweemaal kan worden hernieuwd.]3
  De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn bij de rechter in de [2 familie- en jeugdrechtbank]2 of de beslagrechter, blijft de opdracht gelden tot aan het eindvonnis.
  
Art. 80. <L 1998-12-22/47, art. 4, 066; En vigueur : 02-08-2000> [2 En cas d'empêchement d'un juge d'instruction, d'un juge des saisies ou d'un juge au tribunal de la famille et de la jeunesse, [4 le président désigne un juge effectif ou un magistrat suppléant visé à l'article 156bis pour le remplacer]4. Le juge au tribunal de la famille et de la jeunesse empêché est remplacé par priorité par un autre juge au tribunal de la famille et de la jeunesse.]2
   En outre, si les nécessités du service le justifient, le président du tribunal peut, à titre exceptionnel, et après avoir recueilli l'avis du procureur du Roi, désigner un juge effectif pour remplir les fonctions précitées (pour un terme de deux ans au plus), renouvelable deux fois. Pour pouvoir être désigné juge d'instruction (ou juge au tribunal de la [2 famille et de la jeunesse]2), le juge effectif doit avoir suivi la formation prévue à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3. <L 2003-12-22/53, art. 2, 116; En vigueur : 10-01-2004> <L 2006-06-13/40, art. 34, 134; En vigueur : 01-10-2007>
  [1 Alinéa 3 abrogé.]1
  [3 Par dérogation à l'article 79, alinéa 2, en cas de circonstances exceptionnelles, après avoir recueilli l'avis du procureur fédéral, le premier président de la cour d'appel désigne un ou plusieurs juges d'instruction supplémentaires, pour un terme de deux ans au plus, renouvelable deux fois, parmi les juges d'instruction de son ressort qui disposent de l'expérience utile.]3
  La mission s'achève lorsqu'elle n'a plus de raison d'être; concernant les affaires pour lesquelles les débats sont en cours ou qui sont en délibéré auprès du juge du tribunal [2 au tribunal de la famille et de la jeunesse]2 ou du juge des saisies, la mission se poursuit néanmoins jusqu'au jugement définitif.
  
Art. 80bis. <INGEVOEGD bij W 2006-05-17/36, art. 7; Inwerkingtreding : 01-02-2007> (Bij verhindering van een rechter bij de strafuitvoeringsrechtbank, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep een [2 werkend rechter of raadsheer of plaatsvervangend magistraat bedoeld in artikel 156bis]2 van het rechtsgebied van het hof van beroep aan, die ermee instemt, aan om hem te vervangen.) <W 2006-12-27/33, art. 79, 144; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  In uitzonderlijke gevallen, na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, wijst de eerste voorzitter van het hof van beroep, met zijn instemming, een werkend rechter [2 benoemd in het rechtsgebied van het hof van beroep of een raadsheer]2 aan, [1 en die een opleiding gevolgd heeft waarin voorzien wordt in artikel 259sexies, § 1, 4°, vierde lid,]1 om het ambt van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank uit te oefenen voor een termijn van maximum twee jaar.
  De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht niettemin gelden tot het eindvonnis.
  
Art. 80bis. (En cas d'empêchement d'un juge au tribunal de l'application des peines, le premier président de la cour d'appel désigne un [2 juge ou conseiller effectif ou magistrat suppléant visé à l'article 156bis]2 du ressort de la cour d'appel, qui y consent, pour le remplacer.) <L 2006-12-27/33, art. 79, 144; En vigueur : 01-02-2007>
  En cas de circonstances exceptionnelles, après avoir recueilli l'avis du procureur général, le premier président de la cour d'appel désigne un juge effectif [2 nommé dans le ressort de la cour d'appel ou un conseiller]2, qui y consent [1 et qui a suivi la formation prévue à l'article 259sexies, § 1er, 4°, alinéa 4,]1 pour exercer les fonctions de juge au tribunal de l'application des peines pour une période de deux ans au plus.
  La mission s'achève lorsqu'elle n'a plus de raison d'être ; concernant les affaires pour lesquelles les débats sont en cours ou qui sont en délibéré, la mission se poursuit néanmoins jusqu'au jugement définitif.
  
Afdeling IV. - Arbeidsrechtbank.
Section IV. - Du tribunal du travail.
Art. 81. De arbeidsrechtbank bestaat uit ten minste (drie kamers) [2 en uit een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de arbeidsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking]2. <W 2005-12-13/36, art. 2, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  ([2 Minstens een van de drie kamers,]2, die bevoegd is voor de geschillen betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden, bestaat uit een rechter in de arbeidsrechtbank.) <W 2005-12-13/36, art. 2, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  (De andere kamers worden voorgezeten door een rechter in de arbeidsrechtbank en bestaan) daarenboven uit twee rechters in sociale zaken. <W 2005-12-13/36, art. 3, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1° , 2° , 3° en 7° , moet een van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als arbeider of als bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer.
  Indien, vóór ieder ander middel, de hoedanigheid van arbeider of van bediende van een der partijen wordt betwist, doet de kamer uitspraak over de grond van het geschil nadat ze zo is aangevuld dat ze buiten de voorzitter bestaat uit twee rechters in sociale zaken benoemd als werkgever en twee rechters in sociale zaken benoemd respectievelijk als arbeider en als bediende.
  (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 12°, b) , moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als zelfstandige.) <W 2002-12-20/52, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°,10°, 11° en 12°, a) , 579, 580, 582, 3° en 4°, en voor de toepassing op de werkgevers van de administratieve sancties bedoeld in artikel 583, moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als werkgever, de andere als werknemer.) <W 2002-12-20/52, art. 2, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 582, (1° en 2°) , moet één van de rechters in sociale zaken benoemd zijn als zelfstandige, de andere als werknemer <W 30-06-1971, art. 14, § 2>.
  (In de geschillen betreffende de aangelegenheden bedoeld [1 in de artikelen 578bis en 581]1 en voor de toepassing van de in artikel 583 bedoelde administratieve sancties op zelfstandigen, bestaat de Kamer uit één rechter in de arbeidsrechtbank en twee rechters in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen.) <W 1990-07-26/31, art. 1, 016; Inwerkingtreding : 1990-08-17>
  Heeft het geschil betrekking op een mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of een aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid, dan moet de rechter in sociale zaken, in de mate van het mogelijke, behoren of behoord hebben tot dezelfde kategorie als de betrokken werknemer.
  [2 Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en twee rechters in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.]2
  
Art. 81. Le tribunal du travail comprend au moins (trois chambres) [2 et une ou plusieurs chambres de règlement à l'amiable. Lorsque le tribunal du travail est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d'une chambre de règlement à l'amiable]2. <L 2005-12-13/36, art. 2, 128; En vigueur : 01-09-2007>
  ([2 L'une des trois chambres au moins,]2 compétente pour les litiges portant sur la matière visée à l'article 578, 14°, est composée d'un juge au tribunal du travail.) <L 2005-12-13/36, art. 2, 128; En vigueur : 01-09-2007>
  (Les autres chambres sont présidées par un juge au tribunal du travail et se composent) en outre de deux juges sociaux. <L 2005-12-13/36, art. 2, 128; En vigueur : 01-09-2007>
  Dans les litiges portant sur les matières prévues à l'article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, un des juges sociaux doit avoir été nommé au titre d'employeur, l'autre au titre d'ouvrier ou au titre d'employé, selon la qualité du travailleur en cause.
  Si avant tout autre moyen, la qualité d'ouvrier ou d'employé d'une des parties est contestée, la chambre saisie, après avoir été complétée au siège de manière à comprendre outre le président, deux juges sociaux nommés au titre d'employeur et deux juges sociaux nommés respectivement au titre d'ouvrier et d'employé, statue sur le fond du litige.
  (Dans les litiges portant sur les matières prévues à l'article 578, 12°, b) , un des juges sociaux doit être nommé au titre d'employeur, l'autre au titre de travailleur indépendant.) <L 2002-12-20/52, art. 2, 104; En vigueur : 01-02-2003>
  (Dans les litiges portant sur les matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° et 12°, a) , 579, 580, 582, 3° et 4°, et pour l'application aux employeurs des sanctions administratives prévues à l'article 583, un des juges sociaux doit être nommé au titre d'employeur, l'autre au titre de travailleur.) <L 2002-12-20/52, art. 2, 104; En vigueur : 01-02-2003>
  Dans les litiges portant sur les matières prévues à l'article 582, (1° et 2°) un des juges sociaux doit avoir été nommé au titre de travailleur indépendant, l'autre au titre de travailleur salarié. <L 30-06-1971, art. 14, § 2>
  (Dans les litiges portant sur les matières prévues [1 aux articles 578bis et 581]1 et pour l'application aux travailleurs indépendants des sanctions administratives prévues à l'article 583, la Chambre est composée d'un juge au tribunal du travail et deux juges sociaux nommés au titre de travailleur indépendant.) <L 1990-07-26/31, art. 1, 016; En vigueur : 1990-08-17>
  En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur mineur, marin, pêcheur de mer, batelier, travailleur des ports ou affilié à la sécurité sociale d'outre-mer, le juge social doit, dans la mesure du possible, appartenir ou avoir appartenu à la même catégorie que le travailleur en cause.
  [2 Chaque chambre de règlement à l'amiable est composée d'un président, juge au tribunal du travail, et de deux juges sociaux, dont l'un est nommé au titre d'employeur et l'autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation spécialisée dispensée par l'Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant ou un juge social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l'amiable à condition d'avoir également suivi une telle formation.]2
  
Art. 82. De arbeidsrechtbank bestaat uit een voorzitter, rechter in de arbeidsrechtbank, en rechters in sociale zaken.
  [1 In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, bestaat zij bovendien uit een of meer afdelingsvoorzitters, ondervoorzitters en een of meer rechters in de arbeidsrechtbank.]1
  
Art. 82. Le tribunal du travail se compose d'un président, juge au tribunal du travail, et des juges sociaux.
  [1 Dans les cas déterminés par la loi établissant le cadre du personnel des cours et tribunaux, il se compose en outre d'un ou de plusieurs présidents de division et vice-présidents et d'un ou de plusieurs juges au tribunal du travail.]1
  
Art. 83. De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels volgens welke de rechters in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van artikel 81.
Art. 83. Le Roi détermine, sur la proposition du ministre ayant le Travail dans ses attributions, les règles d'après lesquelles les juges sociaux sont appelés à siéger en application de l'article 81.
Afdeling V. - [1 Ondernemingsrechtbank]1.
Section V. - Du [1 tribunal de l'entreprise]1.
Art. 84. De [2 ondernemingsrechtbank]2 bestaat uit een of meer kamers [3 en een of meer kamers voor minnelijke schikking. Wanneer de ondernemingsrechtbank in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking]3.
  [3 Iedere kamer wordt voorgezeten door een rechter in de ondernemingsrechtbank en telt bovendien twee rechters in ondernemingszaken. De rechters die van de kamer voor minnelijke schikking deel uitmaken, moeten allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend rechter of een plaatsvervangend rechter in ondernemingszaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.]3
  (Iedere [2 ondernemingsrechtbank]2 stelt een of meer kamers voor [1 ondernemingen in moeilijkheden]1 in.) <W 1997-07-17/65, art. 48, 055; Inwerkingtreding : 01-01-1998>
  
Art. 84. Le [2 tribunal de l'entreprise]2 comprend une ou plusieurs chambres [3 et une ou plusieurs chambres de règlement à l'amiable. Lorsque le tribunal de l'entreprise est réparti en divisions, une des divisions se compose au moins d'une chambre de règlement à l'amiable]3.
  [3 Chacune d'elles est présidée par un juge au tribunal de l'entreprise et se compose en outre de deux juges consulaires. Les juges composant la chambre de règlement à l'amiable doivent tous avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l'Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un juge suppléant ou un juge consulaire suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l'amiable à condition d'avoir également suivi une telle formation.]3
  (Chaque [2 tribunal de l'entreprise]2 institue une ou plusieurs chambres [1 des entreprises en difficultés]1.) <L 1997-07-17/65, art. 48, 055; En vigueur : 01-01-1998>
  
Art. 85. De [4 ondernemingsrechtbank]4 bestaat uit een voorzitter, rechter in de [4 ondernemingsrechtbank]4, en uit rechters in handelszaken.
  [1 In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken, bestaat zij bovendien uit een of meer afdelingsvoorzitters, ondervoorzitters en een of meer rechters in de [4 ondernemingsrechtbank]4.]1
  [5 De rechters in ondernemingszaken kiezen in hun midden een voorzitter in ondernemingszaken]5 die de voorzitter bij de leiding van de rechtbank kan bijstaan.) [5 De minister bevoegd voor Justitie maakt de naam van de voorzitter in ondernemingszaken bekend in het Belgisch Staatsblad.]5 <W 15-07-1970, art. 7>.
  
Art. 85. Le [3 tribunal de l'entreprise]3 se compose d'un président, juge au [3 tribunal de l'entreprise]3, et de juges consulaires.
  [1 Dans les cas déterminés par la loi établissant le cadre du personnel des cours et tribunaux, il se compose en outre d'un ou de plusieurs présidents de division et vice-présidents et d'un ou de plusieurs juges au [3 tribunal de l'entreprise]3.]1
  [4 Les juges consulaires]4 choisissent en leur sein un président consulaire, qui peut assister le président dans la direction du tribunal. [4 Le ministre qui a la Justice dans ses attributions publie le nom du président consulaire au Moniteur belge.]4 <L 15-07-1970, art. 7>
  
Afdeling VI. _ Bureau voor rechtsbijstand.
Section VI. - Du bureau d'assistance judiciaire.
Art. 86. Er is in iedere rechtbank van eerste aanleg, arbeidsrechtbank en [2 ondernemingsrechtbank]2 een bureau voor rechtsbijstand dat uit een of meer afdelingen bestaat. Iedere [1 kamer]1 bestaat uit een werkend rechter.
  De zaken worden verdeeld over de verscheidene [1 kamers]1 volgens een reglement dat de voorzitter van de rechtbank vaststelt.
  
Art. 86. Il y a dans chaque tribunal de première instance, dans chaque tribunal du travail et dans chaque [2 tribunal de l'entreprise]2 un bureau d'assistance judiciaire qui comprend une ou plusieurs [1 chambre]1. Chaque section est constituée d'un juge effectif.
  Les affaires sont réparties entre les diverses [1 chambres]1, suivant un règlement arrêté par le président du tribunal.
  
Afdeling VIbis. [1 - Tijdelijke verplaatsing van de zetel van een rechtbank of een afdeling van een rechtbank.]1
Section VIBIS. [1 - Du déplacement temporaire du siège d'un tribunal ou d'une division d'un tribunal.]1
Art. 86bis. [1 Indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen, kan de Koning, op voorstel of na advies van de korpschef en, naargelang van het geval, van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, alsmede van de hoofdgriffier en van de stafhouder(s) van de orde of ordes van advocaten, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de zetel van een afdeling tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het arrondissement of het rechtsgebied. In de rechtbanken die slechts een zetel tellen, kan die zetel onder dezelfde voorwaarden worden verplaatst naar een andere gemeente van het arrondissement of het rechtsgebied.]1
  
Art. 86bis. [1 Si les nécessités du service ou des circonstances de force majeure le justifient, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition ou après avis du chef de corps et, selon le cas, du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail ainsi que du greffier en chef et du ou des bâtonniers de l'Ordre ou des Ordres des avocats, transférer temporairement le siège d'une division dans une autre commune de l'arrondissement ou du ressort. Dans les tribunaux ne comportant qu'un siège, ce siège peut dans les mêmes conditions être transféré dans une autre commune de l'arrondissement ou du ressort.]1
  
Afdeling VII. - Plaatsvervangende rechters.
Section VII. - Des juges suppléants.
Art. 87. [1 § 1. Er zijn plaatsvervangende rechters in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de ondernemingsrechtbank. Zij hebben geen permanente functie en worden benoemd om verhinderde rechters tijdelijk te vervangen.
   De plaatsvervangende rechters kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de rechtbank overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.
   Zij kunnen niet worden geroepen om zitting te nemen tijdens een terechtzitting in de loop waarvan zij rechtstreeks of via een tussenpersoon optreden als raadsman voor de partijen die betrokken zijn in een geschil.
   § 2. De plaatsvervangende rechters van de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de ondernemingsrechtbanken worden benoemd in de rechtbank.
   De voorzitter van de rechtbank verdeelt de plaatsvervangende rechters over de afdelingen van de rechtbank. De verdeling van de plaatsvervangende rechters over de afdelingen wordt ter griffie in elke afdeling aangeplakt.
   De voorzitter van de rechtbank kan een plaatsvervangend rechter in een andere afdeling van die rechtbank aanwijzen na de betrokkene te hebben gehoord. Het beroep bedoeld in artikel 330quinquies staat open voor de plaatsvervangende rechters.
   In de aanwijzingsbeschikking van de voorzitter wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en in voorkomend geval op een plaatsvervanger met dienstaanwijzing in een andere afdeling, en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven.
   § 3. Er kunnen plaatsvervangende rechters in sociale zaken [1 ...]1
worden benoemd om verhinderde rechters in sociale zaken [1 ...]1 tijdelijk te vervangen.
   Er kunnen plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank worden benoemd om verhinderde assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank tijdelijk te vervangen.]1
  
Art. 87. [1 § 1er. Il y a des juges suppléants auprès du tribunal de première instance, du tribunal du travail et du tribunal de l'entreprise. Ils n'ont pas de fonctions permanentes et sont nommés pour remplacer momentanément les juges empêchés.
   Les juges suppléants peuvent aussi être appelés à siéger dans les cas où l'effectif est insuffisant pour composer le siège conformément aux dispositions de la loi.
   Ils ne peuvent être appelés à siéger à une audience au cours de laquelle ils interviennent en qualité de conseil de parties en litige soit directement soit par personne interposée.
   § 2. Les juges suppléants des tribunaux de première instance, des tribunaux du travail et des tribunaux de l'entreprise sont nommés dans le tribunal.
   Le président du tribunal répartit les juges suppléants dans les divisions du tribunal. La répartition des juges suppléants entre les divisions est affichée au greffe dans chaque division.
   Le président du tribunal peut désigner un juge suppléant dans une autre division de ce tribunal après avoir entendu l'intéressé. Le recours visé à l'article 330quinquies est ouvert aux juges suppléants.
   L'ordonnance de désignation du président indique les motifs pour lesquels il s'impose de faire appel à un suppléant et le cas échéant à un suppléant affecté dans une autre division et précise les modalités de la désignation.
   § 3. Des juges sociaux suppléants [1 ...]1
peuvent être nommés pour remplacer momentanément les juges sociaux [1 ...]1 empêchés.
   Des assesseurs au tribunal de l'application des peines suppléants peuvent être nommés pour remplacer momentanément les assesseurs au tribunal de l'application des peines empêchés.]1
  
Afdeling VIII. - Dienst.
Section VIII. - Du service.
Art. 88. § 1. [2 § 1. Het bijzonder reglement voor elke rechtbank wordt bij beschikking van de voorzitter van de rechtbank vastgesteld na advies van, naar gelang van het geval, de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof, van de procureur-generaal en, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, van de hoofdgriffier van de rechtbank en van de stafhouders van de Orde of Ordes van advocaten van het arrondissement. [7 Het advies van de voorzitter van de arbeidsrechtbank is eveneens vereist voor de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamers.]7 [5 ...]5.]2
  Dit reglement bepaalt het aantal kamers en hun bevoegdheid, de dagen en de uren van hun zittingen en van de inleiding van de zaken. Het bevat de aanduiding van de kamers die in de rechtbank van eerste aanleg onderscheidenlijk met drie (, met een rechter of met een rechter en twee assessoren [6 in de strafuitvoeringsrechtbank]6) zitting houden. Het bepaalt, zo nodig, ook de verdeling van de zaken onder de onderzoeksrechters. <W 2006-05-17/36, art. 9, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  [1 Om de drie jaar brengt de voorzitter van elke rechtbank met zetel in het gerechtelijk arrondissement Brussel verslag uit bij de minister van Justitie omtrent de behoeften van de dienst, op grond van het aantal zaken die gedurende de laatste drie jaren zijn behandeld.]1
  Het reglement wordt ter griffie van de rechtbank aangeplakt.
  § 2. [5 Incidenten in verband met de verdeling van de zaken onder de afdelingen, secties, kamers of rechters van een zelfde rechtbank zoals vastgelegd in het bijzonder reglement of zaakverdelingsreglement worden op de volgende manier geregeld :
   Indien een zodanig incident vóór ieder ander middel door een van de partijen of bij de opening van de debatten ambtshalve wordt uitgelokt, legt de afdeling, sectie, kamer of rechter het dossier voor aan de voorzitter van de rechtbank, die oordeelt of de zaak anders moet worden toegewezen en het openbaar ministerie wordt tezelfdertijd hiervan op de hoogte gebracht. De partijen die hierom verzoeken, beschikken over een termijn van acht dagen te rekenen vanaf de zitting om conclusies in te dienen. Het openbaar ministerie kan binnen dezelfde termijn een advies uitbrengen.
   De voorzitter doet binnen acht dagen volgend op de zitting uitspraak bij beschikking. Hij kan de zaak onmiddellijk toekennen aan een afdeling, sectie, kamer of rechter en een datum vaststellen voor verdere behandeling. Tegen deze beschikking staat, buiten de voorziening van de procureur-generaal bij het hof van beroep, voor het Hof van Cassatie binnen de termijnen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 642, tweede en derde lid, geen rechtsmiddel open. De griffier van het Hof zendt een afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie aan de voorzitter van de rechtbank en aan de partijen.
   De beslissing bindt de rechter naar wie de vordering wordt verwezen, met dien verstande dat zijn recht om over de rechtsgrond van de zaak te oordelen onverkort blijft.]5

  
Art. 88. [2 Le règlement particulier de chaque tribunal est établi par ordonnance du président du tribunal, après avis, selon le cas, du premier président de la cour d'appel ou du premier président de la cour du travail, du procureur général et, selon le cas, du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, du greffier en chef du tribunal et des bâtonniers de l'Ordre ou des Ordres des avocats de l'arrondissement. [7 L'avis du président du tribunal du travail est également requis pour les chambres correctionnelles spécialisées visées à l'article 76, § 2, alinéa 2.]7 [5 ...]5. Le règlement particulier est rendu public.]2
  Ce règlement détermine le nombre des chambres et leurs attributions, les jours et heures de leurs audiences et de l'introduction des causes. il contient l'indication des chambres qui au tribunal de première instance siègent respectivement au nombre de trois juges (, d'un juge ou d'un juge et de deux assesseurs [6 au tribunal de l'application des peines]6). Il détermine aussi, s'il y a lieu, l'ordre de répartition des affaires entre les juges d'instruction. <L 2006-05-17/36, art. 9, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  [1 Alinéa 3 abrogé.]1
  [1 Tous les trois ans, le président de chaque tribunal dont le siège est établi dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles adresse au ministre de la Justice un rapport sur les besoins du service, en fonction du nombre d'affaires qui ont été traitées au cours des trois dernières années.]1
  Le règlement est affiché au greffe du tribunal.
  § 2. [5 Les incidents qui sont soulevés au sujet de la répartition des affaires entre les divisions, les sections, les chambres ou les juges d'un même tribunal conformément au règlement particulier ou au règlement de répartition des affaires sont réglés de la manière suivante :
   Lorsqu'un tel incident est soulevé avant tout autre moyen, par l'une des parties, ou lorsqu'il est soulevé d'office à l'ouverture des débats, la division, la section, la chambre ou le juge soumet le dossier au président du tribunal aux fins de décider s'il y a lieu de modifier l'attribution de l'affaire et le ministère public en est simultanément informé. Les parties qui en font la demande disposent d'un délai de huit jours à compter de l'audience pour déposer des conclusions. Le ministère public peut rendre un avis dans le même délai.
   Le président statue par ordonnance dans les huit jours suivant l'audience. Il peut attribuer l'affaire immédiatement à une division, à une section, à une chambre ou à un juge et fixer une date pour la poursuite de l'examen. Cette ordonnance n'est susceptible d'aucun recours, à l'exception du recours du procureur général près la cour d'appel, devant la Cour de cassation, dans les délais et suivant les modalités qui sont prévus à l'article 642, alinéas 2 et 3. Copie de l'arrêt de la Cour de cassation est envoyée par le greffier de la Cour au président du tribunal et aux parties.
   La décision lie le juge auquel la demande est renvoyée, tous droits d'appréciation étant saufs sur le fond du litige.]5

  
Art. 89. (LT}W 1997-02-17/50, art. 3, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank of van de [2 ondernemingsrechtbank]2, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de eerste voorzitter van het hof van beroep of, wanneer het gaat om de arbeidsrechtbank, van de eerste voorzitter van het arbeidshof, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, naar gelang van het geval, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de rechters en, in voorkomend geval, de rechters in sociale zaken of de rechters in handelszaken (of de assessoren [1 in de strafuitvoeringsrechtbank]1) die hij aanwijst. <W 2006-05-17/36, art. 10, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  
Art. 89. <L 1997-02-17/50, art. 3, 044; En vigueur : 01-07-1997> Lorsque les nécessités du service le justifient, le président du tribunal de première instance, du tribunal du travail ou du [2 tribunal de l'entreprise]2, soit d'office, soit à la demande du premier président de la cour d'appel, ou, lorsqu'il s'agit du tribunal du travail, du premier président de la cour du travail, après avoir pris l'avis du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, selon le cas, et du greffier en chef, constitue une ou plusieurs chambres temporaires composées des juges, et le cas échéant, des juges sociaux ou consulaires (ou des assesseurs [1 au tribunal de l'application des peines]1 et d'internement) qu'il désigne. <L 2006-05-17/36, art. 10, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  
Art. 90. [1 De voorzitter is belast met de algemene leiding en de organisatie van de rechtbank.
   In de gevallen bepaald in de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken staat een afdelingsvoorzitter de voorzitter bij in de leiding van de rechtbank en haar afdelingen.
   De voorzitter verdeelt de zaken overeenkomstig het zaakverdelingsreglement en het bijzonder reglement van de rechtbank. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van de afdeling verdelen.
   Onder een behoefte van de dienst kan worden begrepen de verdeling van de werklast, de onbeschikbaarheid van een rechter, een vereiste deskundigheid, de goede rechtsbedeling of [2 andere daarmee]2 vergelijkbare objectieve reden.
   De voorzitter verdeelt de rechters over de afdelingen. Indien hij een rechter aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken rechter en omkleedt hij zijn beslissing met redenen.]1

  [3 De voorzitter zorgt er bij de verdeling van de zaken over de familiekamers en de jeugdkamers van de familie- en jeugdrechtbank in de mate van het mogelijke voor dat :
   1° [4 de zaken worden verdeeld volgens de criteria beschreven in artikel 629bis, § 1;]4
   2° een rechter die kennisgenomen heeft van een burgerlijke zaak als bedoeld in artikel 725bis ten aanzien van een minderjarig kind, geen kennis kan nemen van een zaak als bedoeld bij de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade.]3

  
Art. 90. [1 Le président est chargé de la direction générale et de l'organisation du tribunal.
   Dans les cas déterminés par la loi établissant le cadre du personnel des cours et tribunaux, un président de division assiste le président dans la direction du tribunal et de ses divisions.
   Le président répartit les affaires conformément au règlement de répartition des affaires et au règlement particulier du tribunal. Lorsque les nécessités du service le justifient, il peut répartir une partie des affaires attribuées à une chambre, entre les autres chambres de la division.
   Par nécessité du service, il y a lieu d'entendre, la répartition de la charge de travail, l'indisponibilité d'un juge, une exigence d'expertise, la bonne administration de la justice ou d'autres raisons objectives comparables.
   Le président répartit les juges parmi les divisions. S'il désigne un juge dans une autre division, il entend le juge concerné et motive sa décision.]1

  [2 Pour la répartition des affaires entre les chambres de la famille et les chambres de la jeunesse du tribunal de la famille et de la jeunesse, [3 le président veille, dans la mesure du possible à ce que :]3
   1° [3 les affaires sont réparties selon les critères décrits à l'article 629bis, § 1er;]3
   2° un juge ayant connu d'une cause civile visée à l'article 725bis à l'égard d'un enfant mineur ne puisse connaître d'une cause visée par la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait.]2

  
Art. 91. <W 1992-08-03/31, art. 1, 025; Inwerkingtreding : 01-01-1993> In burgerlijke en strafzaken worden de vorderingen toegewezen aan kamers met één rechter, behalve in de gevallen van artikel 92.
  [5 Tweede tot achtste lid opgeheven.]5
  (In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende één of meer vrijheidsstraffen waarvan het uitvoerbare gedeelte drie jaar of minder bedraagt, toegewezen aan de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.) <W 2006-05-17/36, art. 11, 132; Inwerkingtreding : 01-01-2016. (Zie W 2015-08-10/02, art. 2)>
  [3 Het hoger beroep tegen beslissingen van de politierechtbank over burgerlijke rechtsvorderingen die tezelfdertijd en voor dezelfde rechters worden vervolgd als de strafvordering, voor zover dit hoger beroep niet gelijktijdig met het hoger beroep op strafgebied wordt behandeld, wordt toegewezen aan een kamer met één rechter. [5 ...]5.]3
  [2 In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende de invordering van verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten enkel toegewezen aan de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.]2
  [2 De strafuitvoeringsrechter die kennis neemt van de zaak heeft, bij voorkeur, de gespecialiseerde opleiding gevolgd over de tenuitvoerlegging van veroordelingen houdende verbeurdverklaring van geldsommen, van geldboeten en van gerechtskosten, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]2
  [4 ...]4
  [6 In interneringszaken worden de zaken bedoeld in de artikelen 4 en 53 van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering toegewezen aan de voorzitter van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die zitting houdt als alleenrechtsprekend rechter.]6
  
Art. 91. <L 1992-08-03/31, art. 1, 025; En vigueur : 01-01-1993> En matière civile et répressive les demandes sont attribuées à des chambres ne comprenant qu'un juge, hormis les cas prévus à l'article 92.
  [5 Alinéas 2 à 8 abrogés]5.
  (En matière d'application des peines, les affaires relatives à une ou plusieurs peines privatives de liberté dont la partie à exécuter s'élève à trois ans ou moins sont attribuées au juge du tribunal de l'application des peines statuant comme juge unique.) <L 2006-05-17/36, art. 11, 132; En vigueur : indéterminée , au plus tard le 01-01-2016. (Voir <L 2015-08-10/02, art. 1)>
  [3 Les appels des décisions rendues par le tribunal de police concernant des actions civiles qui ont été poursuivies en même temps et devant les mêmes juges que l'action publique, pour autant que ces appels ne soient pas traités simultanément avec les appels au plan pénal, sont attribués à une chambre à un juge. [5 ...]5.]3
  [2 En matière d'application des peines, les affaires relatives au recouvrement de sommes d'argent confisquées, d'amendes et de frais de justice sont uniquement attribuées au juge au tribunal de l'application des peines statuant comme juge unique.]2
  [2 Le juge de l'application des peines qui prend connaissance de la cause a, de préférence, suivi la formation relative à l'exécution des condamnations à des confiscation de sommes d'argent, d'amendes et de frais de justice, organisée par l'Institut de formation judiciaire.]2
  [4 ...]4
  [6 En matière d'internement, les affaires visées aux articles 4 et 53 de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement sont attribuées au président de la chambre de protection sociale, statuant comme juge unique.]6
  
Art. 92. § 1.[7 De strafzaken betreffende misdaden waarop een straf staat van meer dan twintig jaar opsluiting en het hoger beroep tegen vonnissen gewezen in strafzaken door de politierechtbank, worden toegewezen aan een kamer met drie rechters.]7
  [8 In strafuitvoerings- en interneringszaken worden de zaken die niet aan een alleenrechtsprekend rechter worden toegewezen, toegewezen aan de overeenkomstig artikel 78, tweede en derde lid, samengestelde kamers.]8
  [6 ...]6
  [9 De berechting van de personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, wegens een wanbedrijf of correctionaliseerbare misdaad wordt toegewezen aan de overeenkomstig artikel 78, achtste lid, samengestelde kamers.]9
  [7 § 1/1. In afwijking van artikel 91 kan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie rechters toewijzen.]7
  § 2. Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een kamer met drie rechters moet worden aanhangig gemaakt, dan verwijst de voorzitter van de rechtbank al die zaken naar zulke kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen.
  
Art. 92. § 1er. [7 Les affaires en matière répressive relatives aux crimes punissables d'une peine de réclusion de plus de vingt ans et les appels des jugements rendus en matière pénale par le tribunal de police, sont attribués à une chambre composée de trois juges.]7
  [8 En matière d'application des peines et d'internement, les affaires qui ne sont pas attribuées à un juge unique sont attribuées à des chambres composées conformément à l'article 78, alinéas 2 et 3.]8
  [6 ...]6
  [9 Le jugement des personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, en raison d'un délit ou d'un crime correctionnalisable est attribué aux chambres composées conformément à l'article 78, alinéa 8.]9
  [7 § 1/1. Par dérogation à l'article 91, le président du tribunal de première instance peut, lorsque la complexité ou l'intérêt de l'affaire ou des circonstances spécifiques et objectives le requièrent, attribuer d'autorité, au cas par cas, des affaires à une chambre à trois juges.]7
  § 2. Lorsque de plusieurs causes connexes l'une d'elles au moins doit être portée devant une chambre composée de trois juges, le président du tribunal les fixe toutes devant une telle chambre, même s'il y a lieu, à cette fin, de modifier leur distribution antérieure.
  
Art. 92bis. [1 In strafuitvoeringszaken worden de zaken betreffende een veroordeling tot een [3 correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, een opsluiting van dertig jaar of meer]3 of tot een levenslange vrijheidsstraf, met een terbeschikkingstelling van de strafuitvoeringsrechtbank, overeenkomstig de artikelen 34ter of 34quater van het Strafwetboek, toegewezen aan de overeenkomstig [2 artikel 78, vijfde lid]2, samengestelde kamers.]1
  
Art. 92bis. [1 En matière d'application des peines, les affaires relatives aux condamnations à une peine [4 correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus]4 ou à une peine privative de liberté à perpétuité, assortie d'une mise à la disposition du tribunal de l'application des peines, conformément aux articles 34ter ou 34quater du Code pénal, sont attribuées à des chambres composées conformément à l'[2 article [3 78, alinéa 5]3]2.]1
  
Art. 93. Wanneer de rechtbank van eerste aanleg geroepen wordt om burgerlijke zaken die na cassatie verwezen zijn, met verenigde kamers te berechten, bestaat zij uit een kamer met vijf werkende of plaatsvervangende rechters.
  Indien de zaak in de bevoegdheid valt van de arbeidsrechtbank of van de [1 ondernemingsrechtbank]1, bestaat de rechtbank uit drie werkende of plaatsvervangende rechters en uit vier rechters in sociale zaken of in handelszaken, naar gelang van het geval.
   De kamer, de rechters en de rechters in sociale zaken of in handelszaken worden aangewezen door de voorzitter van de rechtbank.
  
Art. 93. Lorsque le tribunal de première instance est appelé à siéger chambres réunies pour le jugement des affaires civiles renvoyées après cassation, la chambre se compose de cinq juges effectifs ou suppléants.
  Si la cause est de la compétence du tribunal du travail ou du [1 tribunal de l'entreprise]1, le tribunal se compose de trois juges effectifs ou suppléants et de quatre juges sociaux ou consulaires, selon le cas.
  La désignation de la chambre, des juges et des juges sociaux ou consulaires est faite par le président du tribunal.
  
Art. 94. De raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg die zitting houdt in correctionele zaken (bestaat) uit één rechter. <W 1998-03-12/39, art. 38, 058; Inwerkingtreding : 1998-10-02>
Art. 94. La chambre du conseil du tribunal de première instance siégeant en matière correctionnelle (est) composée d'un seul juge. <L 1998-03-12/39, art. 38, 058; En vigueur : 1998-10-02>
Art. 95. De voorzitter van iedere rechtbank houdt de zitting in kort geding.
  [1 Onverminderd artikel 584, tweede lid, houdt de familierechtbank de zitting in kort geding voor de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van die rechtbank behoren.]1
  
Art. 95. Le président de chaque tribunal tient l'audience à laquelle sont portés les référés.
  [1 Sans préjudice de l'article 584, alinéa 2, le tribunal de la famille tient l'audience à laquelle sont portés les référés pour les matières qui sont de la compétence de ce tribunal.]1
  
Art. 96. De vorderingen tot tussenkomst worden verdeeld zoals de hoofdvordering.
Art. 96. Les demandes en intervention suivent, pour leur distribution, le sort de la demande principale.
Art. 97. De eed die, vóór de aanvaarding van bij de wet bepaalde ambten, moet worden afgelegd voor de rechtbank van eerste aanleg, wordt afgenomen door de eerste kamer of in voorkomend geval door de vakantiekamer.
Art. 97. Le serment qui doit être prêté devant le tribunal de première instance préalablement à l'exercice des fonctions déterminées par la loi, est reçu à l'audience de la première chambre ou, le cas échéant, à l'audience de la chambre des vacations.
Afdeling IX. - [1 Opdracht en aanwijzing van rechters]1
Section IX. - [1 Des délégations et désignations de juges]1
Art. 98. [1 Wanneer de behoeften van de dienst binnen de rechtbank van eerste aanleg het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, via een beschikking, een rechter in de [3 ondernemingsrechtbank]3 van het rechtsgebied van het hof van beroep, die deze opdracht aanvaardt, opdragen er tijdelijk het ambt van rechter uit te oefenen.
   Wanneer de behoeften van de dienst binnen de [3 ondernemingsrechtbank]3 het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, via een beschikking, een rechter in de rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep, die deze opdracht aanvaardt, opdragen er tijdelijk het ambt van rechter uit te oefenen.
   In dezelfde omstandigheden kan de eerste voorzitter ook een rechter van het rechtsgebied van het hof van beroep die deze opdracht aanvaardt via een beschikking opdragen zijn ambt bijkomend en voor een bepaalde termijn uit te oefenen in een rechtbank van eerste aanleg of een [3 ondernemingsrechtbank]3 die in dat rechtsgebied ligt.
   Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen kunnen, in het rechtsgebied van het hof van beroep te Luik, naargelang het geval, respectievelijk de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof, de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, de rechters in de [3 ondernemingsrechtbank]3 en de rechters in de arbeidsrechtbanken, met hun instemming en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op gebruik der taal in gerechtszaken, opdracht geven, zowel in de rechtbank van eerste aanleg als in de [3 ondernemingsrechtbank]3 of de arbeidsrechtbank van het gerechtelijk arrondissement Eupen. Naargelang van het geval kunnen de eerste voorzitter van het hof van beroep of de eerste voorzitter van het arbeidshof respectievelijk rechters in de [3 ondernemingsrechtbank]3 en in de arbeidsrechtbank van Eupen met hun instemming opdracht geven, hetzij in een [3 ondernemingsrechtbank]3 of in een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied, hetzij in een arbeidsrechtbank van het rechtsgebied.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een rechter van een andere rechtbank van het rechtsgebied en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1

  De opdracht eindigt wanneer de reden ervan vervalt (of de termijn [2 vermeld in de opdrachtbeschikking]2 is verstreken); voor zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het vonnis. <W 1998-02-10/32, art. 5, 2°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  
Art. 98. [1 Lorsque les nécessités du service au sein d'un tribunal de première instance le justifient, le premier président de la cour d'appel peut, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, déléguer par ordonnance un juge au [3 tribunal de l'entreprise]3 du ressort de la cour d'appel, qui accepte cette délégation, pour y exercer temporairement les fonctions de juge.
   Lorsque les nécessités du service au sein d'un [3 tribunal de l'entreprise]3 le justifient, le premier président de la cour d'appel peut, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, déléguer par ordonnance un juge au tribunal de première instance du ressort de la cour d'appel, qui accepte cette délégation, pour y exercer temporairement les fonctions de juge.
   Dans les mêmes circonstances, le premier président peut également charger par ordonnance un juge du ressort de la cour d'appel qui accepte cette délégation, d'exercer ses fonctions, à titre complémentaire et pour un délai déterminé, dans un tribunal de première instance ou un [3 tribunal de l'entreprise]3 situé dans ce ressort.
   Lorsque les nécessités du service le justifient, les juges au tribunal de première instance, les juges au [3 tribunal de l'entreprise]3 et les juges au tribunal du travail peuvent, dans le ressort de la cour d'appel de Liège, selon le cas, être respectivement délégués par le premier président de la cour d'appel ou le premier président de la cour du travail, avec leur consentement et dans le respect de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, tant au tribunal de première instance qu'au [3 tribunal de l'entreprise]3 ou au tribunal du travail de l'arrondissement judiciaire d'Eupen. Les juges au [3 tribunal de l'entreprise]3 et les juges au tribunal du travail de l'arrondissement d'Eupen peuvent, selon le cas, être respectivement délégués par le premier président de la cour d'appel ou le premier président de la cour du travail, avec leur consentement, soit dans un [3 tribunal de l'entreprise]3 ou dans un tribunal de première instance du ressort, soit dans un tribunal du travail du ressort.
   L'ordonnance indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un juge d'une autre juridiction du ressort et précise les modalités de la délégation.]1

  La délégation prend fin avec la cessation de la cause qui l'a motivée (ou à l'expiration du délai [2 mentionné dans l'ordonnance de délégation]2); toutefois pour les affaires en cours de débat ou en délibéré, la délégation produira ses effets jusqu'au jugement. <L 1998-02-10/32, art. 5, 2°, 057; En vigueur : 02-03-1998>
  
Art. 99. Voor de duur van zijn opdracht blijft de aldus aangestelde rechter [1 ...]1 geldig kennis nemen van de zaken waarover de debatten aan gang zijn of die in beraad zijn, en waarin hij zitting had voordat de hem gegeven opdracht gevolg heeft.
  
Art. 99. Pendant la durée de la délégation le juge [1 ...]1 ainsi délégué reste valablement saisi des affaires en cours de débat ou en délibéré, dans lesquelles il a siégé avant que la délégation produise ses effets.
  
Art. 99bis. [1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen kunnen de rechters benoemd in de rechtbank van eerste aanleg, in de [2 ondernemingsrechtbank]2 en in de arbeidsrechtbank, met hun instemming, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg opgedragen worden het ambt van vrederechter of van rechter in de politierechtbank uit te oefenen in een vredegerecht of in de politierechtbank van het arrondissement.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een rechter van een van deze drie rechtbanken van het arrondissement en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1

  
Art. 99bis. [1 Dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen, les juges nommés au tribunal de première instance, au [2 tribunal de l'entreprise]2 et au tribunal du travail peuvent être délégués par le président du tribunal de première instance, avec leur consentement, pour exercer la fonction de juge de paix ou de juge au tribunal de police dans une justice de paix ou le tribunal de police de l'arrondissement.
   L'ordonnance de délégation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un juge de l'un de ces trois tribunaux de l'arrondissement et précise les modalités de la délégation.]1

  
Art. 99ter. [1 Naargelang van de behoeften van de dienst kan de eerste voorzitter van het hof van beroep een rechter in de rechtbank van eerste aanleg of een rechter in de [2 ondernemingsrechtbank]2, benoemd in het rechtsgebied, met zijn instemming opdragen zijn ambt uit te oefenen in het hof van beroep.
   Naargelang van de behoeften van de dienst kan de eerste voorzitter van het arbeidshof een rechter in de arbeidsrechtbank, benoemd in het rechtsgebied, met zijn instemming opdragen zijn ambt uit te oefenen in het arbeidshof.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een rechter en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1

  
Art. 99ter. [1 En fonction des nécessités du service, un juge au tribunal de première instance ou un juge au [2 tribunal de l'entreprise]2, nommé dans le ressort, peut, avec son consentement, être délégué par le premier président de la cour d'appel pour exercer ses fonctions à la cour d'appel.
   En fonction des nécessités du service, un juge au tribunal du travail nommé dans le ressort peut, avec son consentement, être délégué par le premier président de la cour du travail pour exercer ses fonctions à la cour du travail.
   L'ordonnance indique les motifs pour lesquels il s'impose de faire appel à un juge et précise les modalités de la délégation.]1

  
Art. 99quater. [1 Behoudens in het gerechtelijk arrondissement Eupen, geeft de eerste voorzitter van het arbeidshof, via een beschikking, opdracht aan één of meerdere rechters in de arbeidsrechtbank, die de opdracht aanvaarden, om aanvullend zitting te nemen in de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer van één of meerdere rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied.
   Met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geeft de eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, via een beschikking, in elke arbeidsrechtbank opdracht aan een rechter, die de opdracht aanvaardt, om aanvullend zitting te nemen in de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer.
   In het gerechtelijk arrondissement Eupen, neemt de rechter in de arbeidsrechtbank aanvullend zitting in de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer. De instemming van de rechter in de arbeidsrechtbank is vereist wanneer hij niet benoemd is overeenkomstig artikel 100/1. Bij gebreke hieraan, wijst de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg een andere rechter aan die overeenkomstig artikel 100/1 in subsidiaire orde benoemd is in de arbeidsrechtbank.
   De opdracht is een jaar geldig en kan worden verlengd.
   De rechter in de arbeidsrechtbank wiens opdracht bij de gespecialiseerde correctionele kamer eindigt, blijft tot het eindvonnis in deze kamer zitting hebben in de zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn.]1

  
Art. 99quater. [1 Excepté dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen, le premier président de la cour du travail délègue par ordonnance un ou plusieurs juges au tribunal du travail, qui acceptent la délégation pour siéger à titre complémentaire au sein de la chambre correctionnelle spécialisée visée à l'article 76, § 2, alinéa 2, dans un ou plusieurs tribunaux de première instance du ressort.
   Dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, le premier président de la cour du travail de Bruxelles délègue par ordonnance, dans chaque tribunal du travail, un juge qui accepte la délégation pour siéger à titre complémentaire au sein de la chambre correctionnelle spécialisée visée à l'article 76, § 2, alinéa 2.
   Dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen le juge au tribunal du travail siège à titre complémentaire au sein de la chambre correctionnelle spécialisée, visée à l'article 76, § 2, alinéa 2. Le consentement du juge au tribunal du travail est requis lorsqu'il n'est pas nommé conformément à l'article 100/1. A défaut, le président du tribunal de première instance désigne un autre juge nommé à titre subsidiaire juge au tribunal du travail sur la base de l'article 100/1.
   La délégation vaut pour une période d'un an renouvelable.
   Le juge au tribunal du travail dont la délégation auprès de la chambre correctionnelle spécialisée prend fin continue à siéger dans cette chambre dans les affaires en cours de débat ou en délibéré jusqu'au jugement définitif.]1

  
Afdeling X. - Gelijktijdige benoemingen in verscheidene gerechten.
Section X. - [1 Nominations simultanées dans plusieurs tribunaux]1
Art. 100. [1 § 1. De rechters benoemd in een rechtbank van eerste aanleg worden, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in subsidiaire orde benoemd in de andere rechtbanken van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep.
   De substituten benoemd in een parket van de procureur des Konings worden, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in subsidiaire orde benoemd in de andere parketten van de procureur des Konings van het rechtsgebied.
   § 2. De aanwijzing van een magistraat buiten het rechtscollege of het parket in de personeelsformatie waarvan hij in hoofdorde wordt benoemd, wordt in onderling overleg tussen de betrokken korpschefs geregeld nadat de betrokkene werd gehoord. De gemeenschappelijke beslissing bepaalt de nadere regels van de aanwijzing.
   De aanwijzingsbeschikking omschrijft de redenen waarom het noodzakelijk is een beroep te doen op een magistraat benoemd in hoofdorde in de personeelsformatie van een andere rechtbank of parket en omschrijft de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzing geldt voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.
   De instemming van de aangewezen magistraat is niet vereist.
   Ingeval de korpschefs weigeren of bij gebreke van een akkoord over de nadere regels van de aanwijzing, beslist, naar gelang van het geval, de eerste voorzitter van het hof van beroep of de procureur-generaal bij het hof van beroep op grond van een met redenen omkleed advies van de korpschefs die betrokken zijn bij deze aanwijzing.
   § 3. Een magistraat benoemd overeenkomstig § 1 wordt niet benoemd in de personeelsformatie van de rechtscolleges of van de parketten waarin hij in subsidiaire orde wordt benoemd.
   § 4. De rechters benoemd in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Waals-Brabant en de rechters benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel. De rechters benoemd in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Leuven en de rechters benoemd in de rechtbank van eerste aanleg te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel.
   De substituten benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel, daaronder begrepen de substituten bedoeld in artikel 150, § 3, worden, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Waals-Brabant of bij de parketten van de procureur des Konings te Leuven en te Halle-Vilvoorde. De substituten van de procureur des Konings benoemd te Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel [2 , de substituten benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel en te Halle-Vilvoorde en de substituten benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Halle-Vilvoorde worden in subsidiaire orde benoemd bij het parket van de procureur des Konings te Brussel en te Leuven]2.
   De rechters benoemd in de Franstalige [4 ondernemingsrechtbank]4 te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de [4 ondernemingsrechtbank]4 [3 Waals-Brabant]3 en de rechters benoemd in de [4 ondernemingsrechtbank]4 [3 Waals-Brabant]3] worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige [4 ondernemingsrechtbank]4 te Brussel. De rechters benoemd in de Nederlandstalige [4 ondernemingsrechtbank]4 te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de [4 ondernemingsrechtbank]4 te Leuven en de rechters benoemd in de [4 ondernemingsrechtbank]4 te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige [4 ondernemingsrechtbank]4 te Brussel.
   De rechters benoemd in de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de arbeidsrechtbank [3 Waals-Brabant]3] en de rechters benoemd in de arbeidsrechtbank [3 Waals-Brabant]3 worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel. De rechters benoemd in de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de arbeidsrechtbank te Leuven en de rechters benoemd in de arbeidsrechtbank te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel.
   De substituten van de arbeidsauditeur benoemd te Brussel worden met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken respectievelijk in subsidiaire orde benoemd in het arbeidsauditoraat [3 Waals-Brabant]3 of in de arbeidsauditoraten te Leuven en te Halle-Vilvoorde. [2 De substituten van de arbeidsauditeur benoemd te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd bij het arbeidsauditoraat te Brussel en te Halle-Vilvoorde en de substituten van de arbeidsauditeur benoemd bij het arbeidsauditoraat te Halle-Vilvoorde worden in subsidiaire orde benoemd bij het arbeidsauditoraat te Brussel en te Leuven.]2 [5 De substituten van de arbeidsauditeur benoemd bij het arbeidsauditoraat Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd bij het arbeidsauditoraat te Brussel.]5
   § 5. De aanwijzing van een in § 4 bedoelde magistraat buiten het rechtscollege of het parket in de personeelsformatie waarvan hij in hoofdorde wordt benoemd, wordt geregeld overeenkomstig § 2.
   § 6. Een overeenkomstig § 4 benoemde magistraat wordt niet benoemd in de personeelsformatie van het rechtscollege of van het parket waarin hij in subsidiaire orde wordt benoemd.]1

  
Art. 100. [1 § 1er. Les juges nommés dans un tribunal de première instance sont, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, nommés à titre subsidiaire dans les autres tribunaux de première instance du ressort de la cour d'appel.
   Les substituts nommés dans un parquet du procureur du Roi sont, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, nommés à titre subsidiaire dans les autres parquets du procureur du Roi du ressort.
   § 2. La désignation d'un magistrat en dehors de la juridiction ou du parquet dans le cadre du personnel duquel il est nommé à titre principal, est réglée de commun accord entre les chefs de corps concernés, après avoir entendu l'intéressé. La décision commune précise les modalités de la désignation.
   L'ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un magistrat nommé à titre principal dans le cadre du personnel d'un autre tribunal ou parquet et précise les modalités de la désignation. La désignation vaut pour une période maximale d'un an renouvelable.
   Le consentement du magistrat désigné n'est pas requis.
   En cas de refus des chefs de corps ou en l'absence d'accord sur les modalités de la désignation, le premier président de la cour d'appel ou le procureur général près la cour d'appel, selon le cas, décide sur avis motivé des chefs de corps du ressort concernés par la désignation.
   § 3. Un magistrat nommé conformément au § 1er n'est pas nommé dans le cadre du personnel des juridictions ou des parquets dans lesquels il est nommé à titre subsidiaire.
   § 4. Les juges nommés au tribunal de première instance francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de première instance du Brabant wallon et les juges nommés au tribunal de première instance du Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de première instance francophone de Bruxelles. Les juges nommés au tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de première instance de Louvain et les juges nommés au tribunal de première instance de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de première instance néerlandophone de Bruxelles.
   Les substituts nommés au parquet du procureur du Roi de Bruxelles, y compris les substituts visés à l'article 150, § 3, sont, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, nommés à titre subsidiaire, soit au parquet du procureur du Roi du Brabant wallon, soit aux parquets du procureur du Roi de Louvain et de Hal Vilvorde. Les substituts du procureur du Roi nommés dans le Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au parquet du procureur du Roi de Bruxelles [2 , les substituts nommés au parquet du procureur du Roi de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au parquet du procureur du Roi de Bruxelles et de Hal Vilvorde et les substituts nommés au parquet du procureur du Roi de Hal Vilvoorde sont nommés à titre subsidiaire au parquet du procureur du Roi de Bruxelles et de Louvain]2.
   Les juges nommés au [4 tribunal de l'entreprise]4 francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au [4 tribunal de l'entreprise]4 du Brabant wallon et les juges nommés au [4 tribunal de l'entreprise]4 [3 du Brabant Wallon]3 sont nommés à titre subsidiaire au [4 tribunal de l'entreprise]4 francophone de Bruxelles. Les juges nommés au [4 tribunal de l'entreprise]4 néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au [4 tribunal de l'entreprise]4 de Louvain et les juges nommés au [4 tribunal de l'entreprise]4 de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au [4 tribunal de l'entreprise]4 néerlandophone de Bruxelles.
   Les juges nommés au tribunal du travail francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal du travail [3 du Brabant Wallon]3 et les juges nommés au tribunal du travail du Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au tribunal du travail francophone de Bruxelles. Les juges nommés au tribunal du travail néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal du travail de Louvain et les juges nommés au tribunal du travail de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au tribunal du travail néerlandophone de Bruxelles.
   Les substituts de l'auditeur du travail nommés à Bruxelles sont nommés, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire à titre subsidiaire près l'auditorat du travail [3 du Brabant Wallon]3 ou près les auditorats du travail de Louvain et Hal-Vilvorde. [2 Les substituts de l'auditeur du travail nommés à Louvain sont nommés à titre subsidiaire près l'auditorat du travail de Bruxelles et de Hal-Vilvorde et les substituts de l'auditeur du travail nommés près l'auditorat du travail de Hal-Vilvorde sont nommés à titre subsidiaire près l'auditorat du travail de Bruxelles et de Louvain.]2 [5 Les substituts de l'auditeur du travail nommés près l'auditorat du travail du Brabant Wallon sont nommés à titre subsidiaire près l'auditorat du travail de Bruxelles.]5
   § 5. La désignation d'un magistrat visé au paragraphe 4 en dehors de la juridiction ou du parquet dans le cadre du personnel duquel il est nommé à titre principal est réglée conformément au paragraphe 2.
   § 6. Un magistrat nommé conformément au paragraphe 4 n'est pas nommé dans le cadre du personnel de la juridiction ou du parquet dans lequel il est nommé à titre subsidiaire.]1

  
Art. 100/1. [1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen worden de rechters die benoemd zijn in een rechtbank, in subsidiaire orde benoemd in de andere rechtbanken, bedoeld in dit hoofdstuk, van het arrondissement.]1
  
Art. 100/1. [1 Dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen, les juges nommés dans un tribunal sont nommés à titre subsidiaire dans les autres tribunaux de l'arrondissement visés au présent chapitre.]1
  
Art. 100/2. [1 In het arrondissement Eupen wordt een enkele voorzitter aangewezen voor de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de [2 ondernemingsrechtbank]2. Hij oefent binnen deze rechtbanken de bevoegdheden uit die de wet toekent aan de voorzitter van de rechtbank.]1
  
Art. 100/2. [1 Dans l'arrondissement d'Eupen, un seul président est désigné pour le tribunal de première instance, le tribunal du travail et le [2 tribunal de l'entreprise]2. Il exerce au sein de ces tribunaux les compétences que la loi confère au président du tribunal.]1
  
HOOFDSTUK III. _ Hof van beroep en arbeidshof.
CHAPITRE III. - La cour d'appel et la cour du travail.
Eerste afdeling. - Hof van beroep.
Section première. - La cour d'appel.
Art. 101. [1 § 1 Er zijn in het hof van beroep kamers voor burgerlijke zaken, [8 waarvan een of meer kamers voor minnelijke schikking,]8 kamers voor correctionele zaken, [2 jeugdkamers en familiekamers, tot die laatste kamers behoren kamers voor minnelijke schikking-]2.
   Ten minste één correctionele kamer neemt kennis van het hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen gewezen betreffende de in artikel 76, § 2, tweede lid, bedoelde aangelegenheden.
   Ten minste één van de jeugdkamers wordt bevoegd voor de vervolgingen ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uithandengeving is genomen overeenkomstig de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dat feit veroorzaakte schade, in het kader van een wanbedrijf en/of correctionaliseerbare misdaad.
  [3 In het hof van beroep te Brussel zijn er tevens kamers voor marktzaken, wier bevoegdheid wordt bepaald bij de wet. Die kamers vormen een sectie, Marktenhof genoemd.]3
  [4 De Koning kan, na advies van de eerste voorzitter, de procureur-generaal, de hoofdgriffier en de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, bepalen dat een of meer jeugdkamers of familiekamers zitting houden ter zetel van de rechtbank van eerste aanleg of een afdeling van de rechtbank van eerste aanleg in een andere provincie van het rechtsgebied van het hof voor de behandeling van de hogere beroepen tegen de vonnissen van de familie- en jeugdrechtbanken van de betrokken provincie.]4
   § 2. Het hof van beroep bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters en raadsheren in het hof van beroep.
   De kamers van het hof van beroep houden zitting, ofwel met drie raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, ofwel met één lid, kamervoorzitter of raadsheer in het hof.
   De in § 1, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer is samengesteld uit twee raadsheren in het hof van beroep, de voorzitter daaronder begrepen, en uit één raadsheer in het arbeidshof.
   Opdat de in § 1, derde lid, bedoelde jeugdkamers rechtsgeldig zouden zijn samengesteld, moeten ten minste twee leden ervan de opleiding hebben genoten die georganiseerd wordt in het kader van de voortgezette vorming van de magistraten, zoals bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, die vereist is voor de uitoefening van het ambt van rechter in de familie- en jeugdrechtbank.
   [8 Elke kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een raadsheer in het hof die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd]8. Als de dienstbehoeften zulks verantwoorden, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, uitzonderlijk en nadat het advies van de [2 procureur-generaal]2 is ingewonnen, een werkend magistraat aanwijzen om de bovengenoemde functies voor een termijn van ten hoogste een jaar te vervullen, zelfs als die magistraat de [2 gespecialiseerde opleiding]2 niet heeft genoten.
  [3 Het Marktenhof, bedoeld in paragraaf 1, vierde lid, omvat ten minste zes raadsheren, onder wie ten hoogste zes raadsheren [4 kunnen worden benoemd]4 met toepassing van artikel 207, § 3, 4°. Bij de benoeming wordt er rekening gehouden met het taalevenwicht.]3
  [5 De raadsheren die zetelen in de correctionele kamers, de familiekamers en de jeugdkamers, en de kamer van inbeschuldigingstelling volgen binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een grondige opleiding inzake seksueel- en intrafamiliaal geweld [7 met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen,]7 georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]5
   [2 § 3. De kamer van inbeschuldigingstelling kan zitting hebben in de gevangenis voor de behandeling van zaken met toepassing van artikel 30 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis [4 , de artikelen 14 en 17 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de artikelen 3 en 5 van de uitleveringswet van 15 maart 1874]4.]2]1

  [4 § 4. In geval van veiligheidsrisico's, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur-generaal, gelasten dat een correctionele kamer in het hof van beroep in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in de zetel van een rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.]4
  [6 § 5. Indien buitengewone omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, in samenspraak met de minister bevoegd voor Justitie, op schriftelijke of mondelinge vordering van de procureur-generaal of deze magistraat gehoord, en desgevallend in overleg met de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of de eerste voorzitter van het hof van beroep van het betrokken rechtsgebied, gelasten dat een correctionele kamer in het hof van beroep in een bepaalde zaak een of meerdere zittingen houdt in een zittingsplaats die hij daartoe aanwijst en, zo daartoe grond bestaat, dat die zaak aldaar berecht wordt.]6
  
Art. 101. [1 § 1er. Il y a à la cour d'appel des chambres civiles [8 dont une ou plusieurs chambres de règlement à l'amiable]8, des chambres correctionnelles, [2 des chambres de la jeunesse et des chambres de la famille et parmi ces dernières des chambres de règlement à l'amiable]2.
   Une chambre correctionnelle au moins connaît des appels formés contre les jugements rendus dans les matières visées à l'article 76, § 2, alinéa 2.
   Parmi les chambres de la jeunesse, une chambre au moins se voit attribuer la compétence relative aux poursuites engagées contre des personnes à la suite d'une décision de dessaisissement prise en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, dans le cadre d'un délit et/ou d'un crime correctionnalisable.
  [3 A la cour d'appel de Bruxelles il y a également des chambres qui traitent les affaires des marchés, dont la compétence est déterminée par la loi. Ces chambres constituent une section, appelée Cour des marchés.]3
  [4 Le Roi peut, après avis du premier président, du procureur général, du greffier en chef et des bâtonniers des barreaux du ressort de la cour d'appel, déterminer qu'une ou plusieurs chambres de la jeunesse ou chambres de la famille siègent au siège du tribunal de première instance ou d'une division du tribunal de première instance dans une autre province du ressort de la cour pour traiter des appels contre les jugements rendus par les tribunaux de la famille et de la jeunesse de la province en question.]4
   § 2. La cour d'appel se compose d'un premier président, de présidents de chambre et de conseillers à la cour d'appel.
   Les chambres de la cour d'appel siègent soit au nombre de trois conseillers à la cour, y compris le président, soit au nombre d'un seul membre, président de chambre ou conseiller à la cour.
   La chambre correctionnelle spécialisée, visée au § 1er, alinéa 2, est composée de deux conseillers à la cour d'appel, y compris le président, et d'un conseiller à la cour du travail.
   Pour que les chambres de la jeunesse visées au § 1er, alinéa 3, soient constituées valablement, deux au moins de leurs membres doivent avoir suivi la formation organisée dans le cadre de la formation continue des magistrats visées à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, requise pour l'exercice de la fonction de juge au tribunal de la famille et de la jeunesse.
   [8 Chaque chambre de règlement à l'amiable est composée d'un conseiller à la cour ayant suivi la formation spécialisée dispensée par l'Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation.]8 Si les nécessités du service le justifient, le premier président de la cour d'appel peut, à titre exceptionnel, et après avoir recueilli l'avis du [2 procureur général]2, désigner un magistrat effectif pour remplir les fonctions précitées pour un terme d'un an au plus, même s'il n'a pas suivi la [2 formation spécialisée]2.
  [3 La Cour des marchés visée au paragraphe 1er, alinéa 4, est composée d'au moins six conseillers, parmi lesquels six au plus [4 peuvent être nommés]4 en application de l'article 207, § 3, 4°. Lors de la nomination, il est tenu compte de l'équilibre linguistique.]3
  [5 Dans l'année de leur première désignation, les conseillers qui siègent dans les chambres correctionnelles, les chambres de la famille, les chambres de la jeunesse et la chambre des mises en accusation suivent une formation approfondie en matière de violences sexuelles et intrafamiliales [7 avec une attention particulière pour les féminicides et les homicides fondés sur le genre,]7 organisée par l'Institut de formation judiciaire.]5
   [2 § 3. La chambre des mises en accusation peut siéger en prison pour traiter des affaires en application de l'article 30 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive [4 , des articles 14 et 17 de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen et des articles 3 et 5 de la loi du 15 mars 1874 sur les extraditions]4.]2]1

  [4 § 4. En cas de risque pour la sécurité, le premier président de la cour d'appel peut, sur réquisition écrite ou orale du procureur général, ordonner qu'une chambre correctionnelle de la cour d'appel tienne une ou plusieurs audiences dans une affaire déterminée au siège d'un tribunal de première instance du ressort de la cour d'appel et, s'il échet, que cette affaire y soit jugée.]4
  [6 § 5. Si des circonstances exceptionnelles le justifient, le premier président de la cour d'appel peut, en concertation avec le ministre qui a la Justice dans ses attributions, sur réquisition écrite ou orale du procureur général ou ce magistrat entendu, et, le cas échéant, en concertation avec le président du tribunal de première instance ou le premier président de la cour d'appel du ressort concerné, ordonner qu'une chambre correctionnelle de la cour d'appel tienne une ou plusieurs audiences dans une affaire déterminée au lieu d'audience qu'il désigne et, s'il échet, que cette affaire y soit jugée.]6
  
Afdeling 1bis. Plaatsvervangende raadsheren in de hoven van beroep.
Section IBIS. - Des conseillers suppléants aux cours d'appel.
Art. 102. <W 1997-07-09/36, art. 3, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997> § 1. Er zijn plaatsvervangende raadsheren in het hof van beroep; zij worden benoemd ter vervanging van de verhinderde raadsheren.
  De plaatsvervangende raadsheren kunnen geroepen worden zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de zetel overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen.
  [2 In de aanwijzingsbeschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een plaatsvervanger en worden de nadere regels van de aanwijzing omschreven.]2
  (Zij kunnen echter geen zitting nemen in de kamer van inbeschuldigingstelling wanneer deze uitspraak doet met toepassing van de artikelen 235ter en 235quater van het Wetboek van strafvordering.) <W 2005-12-27/34, art. 27, 131 ; Inwerkingtreding : 30-12-2005>
  [4 Een plaatsvervangend raadsheer kan alleen zetelend zitting nemen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling heeft gevolgd.]4
  § 2. [3 De plaatsvervangende raadsheren kunnen niet worden geroepen om zitting te nemen tijdens een terechtzitting in de loop waarvan zij rechtstreeks of via een tussenpersoon optreden als raadsman voor de partijen die betrokken zijn in een geschil.]3
  
Art. 102. <L 1997-07-09/36, art. 3; En vigueur : 13-08-1997> § 1er. Il y a des conseillers suppléants à la cour d'appel; ils sont nommés pour remplacer les conseillers lorsqu'ils sont empêchés.
  Les conseillers suppléants peuvent être appelés à siéger dans les cas où l'effectif est insuffisant pour composer le siège conformément aux dispositions de la loi.
  [2 L'ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un suppléant et précise les modalités de la désignation.]2
  (Ils ne peuvent néanmoins pas siéger à la chambre des mises en accusation lorsque celle-ci statue en application des articles 235ter et 235quater du Code d'instruction criminelle.) <L 2005-12-27/34, art. 27, 131 ; En vigueur : 30-12-2005>
  [4 Un conseiller suppléant peut siéger seul dans la chambre de règlement à l'amiable à condition d'avoir suivi la formation spécialisée dispensée par l'Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation.]4
  § 2. [3 Les conseillers suppléants ne peuvent être appelés à siéger à une audience au cours de laquelle ils interviennent en qualité de conseil de parties en litige soit directement soit par personne interposée.]3
  
Afdeling 2. - Arbeidshof.
Section II. - La cour du travail.
Art. 103. Er is een arbeidshof in ieder rechtsgebied van een hof van beroep.
  Het arbeidshof bestaat uit een eerste voorzitter, kamervoorzitters, raadsheren in het arbeidshof en raadsheren in sociale zaken.
  Er zijn plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken, benoemd om tijdelijk de verhinderde raadsheren in sociale zaken te vervangen.
Art. 103. Il y a une cour du travail dans chaque ressort de cour d'appel.
  La cour du travail se compose d'un premier président, de présidents de chambre, de conseillers à la cour du travail et de conseillers sociaux.
  Il y a des conseillers sociaux suppléants, nommés pour remplacer momentanément les conseillers sociaux empêchés.
Art. 104. Het arbeidshof bestaat uit kamers die zitting houden met een raadsheer in het arbeidshof en, naar gelang het geval, met twee of vier raadsheren in sociale zaken. [3 Elk arbeidshof stelt een of meer kamers voor minnelijke schikking in. Wanneer het arbeidshof in afdelingen is verdeeld, bestaat een van de afdelingen uit ten minste één kamer voor minnelijke schikking.]3
  De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis betreffende de aangelegenheden bedoeld in artikel 578, 1° , 2°, 3° en 7° , bestaan, buiten de voorzitter, uit een raadsheer in sociale zaken benoemd als werkgever en een raadsheer in sociale zaken benoemd als werknemer-arbeider of als werknemer-bediende, naar gelang van de hoedanigheid van de betrokken werknemer.
  Die kamers bestaan evenwel uit twee raadsheren in sociale zaken benoemd als werkgever, en twee raadsheren in sociale zaken respectievelijk benoemd als arbeider en als bediende, wanneer het beroep gericht is tegen een vonnis uitgesproken door een kamer met vier rechters in sociale zaken.
  (De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende de aangelegenheden bedoeld in de artikelen 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10°, 11° en 12°, a) , 579, 580, 582, 3° en 4°, of betreffende de toepassing op werkgevers van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, bestaan, behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en werknemer.) <W 2002-12-20/52, art. 3, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  (De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis, gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid als bedoeld in artikel 578, 12°, b) , bestaan behalve de voorzitters, uit twee raadsheren in sociale zaken, respectievelijk benoemd als werkgever en zelfstandige.) <W 2002-12-20/52, art. 3, 104; Inwerkingtreding : 01-02-2003>
  De kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld in artikel 582, (1° en 2°), bestaan, buiten de voorzitter uit twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als zelfstandige en de andere als werknemer. <W 30-06-1971, art. 15, § 2>
  (De Kamers die kennis nemen van hoger beroep tegen een vonnis gewezen in een geschil betreffende een aangelegenheid bedoeld [2 in de artikelen 578bis en 581]2 of betreffende de toepassing op zelfstandigen van administratieve sancties bedoeld in artikel 583, [1 bestaan buiten de voorzitter, uit twee raadsheren in sociale zaken die benoemd zijn als zelfstandigen]1.) <W 30-06-1971, art. 15, § 3>
  Heeft het geschil betrekking op een werknemer die mijnwerker, zeeman, zeevisser, schipper, havenarbeider of aangeslotene bij de overzeese sociale zekerheid is, dan moet, in de mate van het mogelijke, de raadsheer in sociale zaken die als werknemer benoemd is, bovendien tot dezelfde kategorie behoren of behoord hebben als de betrokken werknemer.
  De Koning stelt, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, de regels vast volgens welke de raadsheren in sociale zaken geroepen worden om zitting te nemen bij toepassing van deze bepaling.
  (In afwijking van het eerste lid bestaan de kamers die kennis nemen van het hoger beroep tegen een vonnis betreffende de in artikel 578, 14°, bedoelde aangelegenheden uit een raadsheer bij het Arbeidshof.) <W 2005-12-13/36, art. 3, 128; Inwerkingtreding : 01-09-2007>
  [3 De kamer voor minnelijke schikking bestaat uit een voorzitter, raadsheer in het arbeidshof, en twee raadsheren in sociale zaken, van wie de ene benoemd is als werkgever en de andere als werknemer, die allemaal de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding inzake verzoening en doorverwijzing naar bemiddeling hebben gevolgd. Een plaatsvervangend raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken kan zetelen in de kamer voor minnelijke schikking op voorwaarde dat hij ook een dergelijke opleiding heeft gevolgd.]3
  
Art. 104. La cour du travail est divisée en chambres qui siègent au nombre d'un conseiller à la cour du travail et, selon le cas, de deux ou quatre conseillers sociaux. [3 Chaque cour du travail institue une ou plusieurs chambres de règlement à l'amiable. Lorsque la cour du travail est répartie en divisions, une des divisions se compose au moins d'une chambre de règlement à l'amiable.]3
  Les chambres qui connaissent de l'appel d'un jugement rendu sur les matières prévues à l'article 578, 1°, 2°, 3° et 7°, sont composées, outre le président, d'un conseiller social nommé au titre d'employeur et d'un conseiller social nommé au titre de travailleur ouvrier ou de travailleur employé, selon la qualité du travailleur en cause.
  Toutefois, ces chambres sont composées de deux conseillers sociaux nommés au titre d'employeur et de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d'ouvrier et d'employé, lorsque l'appel est dirigé contre un jugement prononcé par une chambre comprenant quatre juges sociaux.
  (Les chambres qui connaissent de l'appel d'un jugement rendu dans un litige portant sur les matières prévues aux articles 578, 4°, 5°, 6°, 8°, 10° et 11 °, et 12°, a) , 579, 580, 582, 3° et 4° ou concernant l'application aux employeurs de sanctions administratives prévues à l'article 583, sont composées, outre les présidents, de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d'employeur et au titre de travailleur.) <L 2002-12-20/52, art. 3, 104; En vigueur : 01-02-2003>
  (Les chambres qui connaissent de l'appel d'un jugement rendu dans un litige portant sur la matière prévue à l'article 578, 12°, b) , sont composées, outre les présidents, de deux conseillers sociaux nommés respectivement au titre d'employeur et au titre de travailleur indépendant.) <L 2002-12-20/52, art. 3, 104; En vigueur : 01-02-2003>
  Les chambres qui connaissent de l'appel d'un jugement rendu sur un litige portant sur les matières prévues à l'article 582, (1° et 2°) sont composées, outre le président, de deux conseillers sociaux nommés l'un au titre de travailleur indépendant, l'autre au titre de travailleur salarié. <L 30-06-1971, art. 15, § 2>
  (Les Chambres qui connaissent de l'appel d'un jugement rendu dans un litige portant sur les matières prévues [2 aux articles 578bis et 581]2, ou concernant l'application aux travailleurs indépendants de sanctions administratives prévues à l'article 583 [1 sont composées, outre le président, de deux conseillers sociaux nommés au titre de travailleurs indépendants]1.) <L 30-06-1971, art. 15, § 3>
  En outre, lorsque le litige a trait à un travailleur mineur, marin, pêcheur de mer, batelier, travailleur des ports ou affilié à la sécurité sociale d'outre-mer, le conseiller social doit, dans la mesure du possible, appartenir ou avoir appartenu à la même catégorie que le travailleur en cause.
  Le Roi détermine, sur la proposition du ministre ayant le Travail dans ses attributions, les règles d'après lesquelles les conseillers sociaux sont appelés à siéger en application de la présente disposition.
  (Par dérogation à l'alinéa 1er, les chambres qui connaissent de l'appel d'une décision rendue sur la matière prévue à l'article 578, 14°, sont composées d'un conseiller à la Cour du travail.) <L 2005-12-13/36, art. 3, 128; En vigueur : 01-09-2007>
  [3 La chambre de règlement à l'amiable est composée d'un président, conseiller à la cour du travail, et de deux conseillers sociaux, dont l'un est nommé au titre d'employeur et l'autre au titre de travailleur, ayant tous suivi la formation spécialisée dispensée par l'Institut de formation judiciaire en conciliation et renvoi en médiation. Un conseiller suppléant ou un conseiller social suppléant peut siéger dans la chambre de règlement à l'amiable à condition d'avoir suivi une telle formation.]3
  
Afdeling 3. _ Bureau voor rechtsbijstand.
Section III. - Du bureau d'assistance judiciaire.
Art. 105. Er is in ieder hof van beroep en in ieder arbeidshof een bureau voor rechtsbijstand dat een of meer [1 kamers]1 omvat.
  Iedere [1 kamer]1 bestaat uit een kamervoorzitter of een raadsheer in het hof.
  De zaken worden onder de diverse afdelingen verdeeld volgens een reglement dat de eerste voorzitter van het hof vaststelt.
  
Art. 105. Il y a dans chaque cour d'appel et dans chaque cour du travail un bureau d'assistance judiciaire qui comprend une ou plusieurs [1 chambres]1.
  Chaque [1 chambre]1 est constituée d'un président de chambre ou d'un conseiller à la cour.
  Les affaires sont réparties entre les diverses sections, suivant un règlement arrêté par le premier président de la cour.
  
Afdeling 4. _ Dienst.
Section IV. - Du service.
Art. 106. [1 Het bijzonder reglement van het hof van beroep en dat van het arbeidshof worden door de eerste voorzitter vastgesteld, op advies van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de vergadering van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter van het hof van beroep. De stafhouders kunnen evenwel hun advies schriftelijk aan de eerste voorzitter van het hof van beroep toezenden. Het advies van de eerste voorzitter van het arbeidshof is eveneens vereist voor de in [2 artikel 101, § 1, tweede lid]2, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer.]1
  Dit reglement bepaalt het aantal kamers van het hof, hun bevoegdheid en het aantal raadsheren en in voorkomend geval het aantal werkende of plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken daaraan verbonden. (Het bevat de aanduiding van de kamers die in het hof van beroep onderscheidenlijk met drie raadsheren in het hof of met één enkele zitting houden.) <W 1985-07-19/30, art. 3, 007>
  Het reglement van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Brussel, bepaalt de kamers die kennis nemen van de zaken in het Nederlands, in het Frans of in een van beide.
  (De reglementen van het hof van beroep en van het arbeidshof gevestigd te Luik bepalen welke kamers kennis nemen van zaken in het Duits alsook hun samenstelling.) <W 1998-12-22/47, art. 8, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  Het reglement wordt ter griffie van het hof aangeplakt.
  
Art. 106. [1 Le règlement particulier de la cour d'appel et celui de la cour du travail sont établis par le premier président, sur avis du procureur général, du greffier en chef et de l'assemblée des bâtonniers des barreaux du ressort de la cour d'appel, réunie sous la présidence du premier président de la cour d'appel. Les bâtonniers peuvent cependant adresser leurs avis par écrit au premier président de la cour d'appel. L'avis du premier président de la cour du travail est également requis pour la chambre correctionnelle spécialisée visée à [2 l'article 101, § 1er, alinéa 2]2.]1
  Ce règlement détermine le nombre de chambres de la cour, leurs attributions et le nombre de conseillers et, le cas échéant, de conseillers sociaux effectifs ou suppléants qui y sont attachés. (Il contient l'indication des chambres qui, à la cour d'appel, siègent respectivement au nombre de trois conseillers à la cour ou d'un seul.) <L 1985-07-19/30, art. 3, 007>
  Le règlement de la cour d'appel et celui de la cour du travail dont le siège est établi à Bruxelles, détermine les chambres qui connaissent des affaires en français, en néerlandais ou dans l'une ou l'autre de ces langues.
  (Les règlements de la cour d'appel et de la cour du travail dont le siège est établi à Liège déterminent les chambres qui connaissent des affaires en allemand ainsi que leur composition.) <L 1998-12-22/47, art. 8, 066; En vigueur : 01-03-1999>
  Le règlement est affiché au greffe de la cour.
  
Art. 106bis. <INGEVOEGD bij W 1997-07-09/36, art. 4, Inwerkingtreding : 13-02-1998>
  § 1. [1 Teneinde de gerechtelijke achterstand weg te werken zijn er aanvullende kamers tot 30 juni 2011.]1
  Er wordt voor deze kamers, die uitsluitend in burgerlijke en fiscale zaken en in handelszaken zitting houden, een bijzonder reglement opgesteld overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 106, eerste lid.
  Het reglement bepaalt het aantal aanvullende kamers van het hof van beroep.
  § 2. De aanvullende kamers zijn samengesteld uit ten minste twee plaatsvervangende raadsheren.
  Zij mogen niet worden voorgezeten door een advocaat ingeschreven op het tableau van de Orde van advocaten.
Art. 106bis.
  § 1er. [1 Il y a des chambres supplémentaires jusqu'au 30 juin 2011 pour résorber l'arriéré judiciaire.]1
  Suivant la procédure déterminée à l'article 106, alinéa premier, un règlement particulier est fixé pour ces chambres qui siègent exclusivement en matière civile, fiscale et commerciale.
  Le règlement détermine le nombre de chambres supplémentaires de la cour d'appel.
  § 2. Les chambres supplémentaires sont composées d'au moins deux conseillers suppléants.
  Elles ne peuvent être présidées par un avocat inscrit au tableau de l'Ordre des avocats.
Art. 107. <W 1997-02-17/50, art. 4, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, naar gelang van het geval, hetzij ambtshalve, na het advies van de procureur-generaal en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, hetzij op verzoek van de procureur-generaal en na het advies van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen, bestaande uit de raadsheren en, in voorkomend geval, de raadsheren in sociale zaken die hij aanwijst.
Art. 107. <L 1997-02-17/50, art. 4, 044; En vigueur : 01-07-1997> Lorsque les nécessités du service le justifient, le premier président, selon le cas, de la cour d'appel ou de la cour du travail, soit d'office, après avoir pris l'avis du procureur général et du greffier en chef, soit à la demande du procureur général et après avoir pris l'avis du greffier en chef, constitue une ou plusieurs chambres temporaires composées des conseillers et, le cas échéant, des conseillers sociaux qu'il désigne.
Art. 108. Wanneer het hof van beroep geroepen wordt om zaken die na cassatie verwezen zijn, strafzaken uitgezonderd, met verenigde kamers te berechten, bestaat het uit twee kamers, aangewezen en voorgezeten door de eerste voorzitter, de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt. (Deze kamers zijn uit drie raadsheren samengesteld.) <W 1985-07-19/30, art. 4, 007>
  Indien de zaak in de bevoegdheid valt van het arbeidshof, wordt het hof voorgezeten door de eerste voorzitter, door de kamervoorzitter of door de raadsheer die hem vervangt en bestaat het daarenboven uit twee raadsheren in het arbeidshof en vier raadsheren in sociale zaken.
  De eerste voorzitter wijst de kamer, de raadsheren en de raadsheren-assessoren aan.
Art. 108. Lorsque la cour d'appel est appelée à siéger chambres réunies pour le jugement des affaires autres qu'en matière répressive renvoyées après cassation, elle se compose de deux chambres (qui siègent au nombre de trois conseillers et qui sont) désignées et présidées par le premier président, ou par le président de chambre ou par le conseiller qui le remplace. <L 1985-07-19/30, art. 4, 007>
  Si la cause est de la compétence de la cour du travail, la cour est présidée par le premier président, par le président de chambre ou par le conseiller qui le remplace et se compose en outre de deux conseillers à la cour du travail et de quatre conseillers sociaux.
  La désignation de la chambre, des conseillers et des conseillers sociaux est faite par le premier président.
Art. 109. <W 2007-04-25/64, art. 3, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De eerste voorzitter is belast met de algemene leiding en de organisatie van het hof.
  Hij kan een of meer kamervoorzitters aanwijzen om hem bij te staan.
  Hij verdeelt de zaken overeenkomstig het bijzonder reglement van het hof. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen [1 , zoals de respectieve werklast van de kamers, de onbeschikbaarheid van een of meer raadsheren die daarin gewoonlijk zitting hebben, de bijzondere deskundigheid van sommigen van hen om een of meer zeer technische zaken te behandelen, de mate waarin het onderzoek van een zaak of van zaken die de eerste voorzitter, in afwijking van het voornoemde reglement, aan iemand anders wil toewijzen, gevorderd is en deze zaak of zaken klaar is of zijn voor behandeling, of andere daarmee vergelijkbare objectieve gronden,]1 kan hij een deel van de zaken die aan een kamer zijn toegewezen, onder de andere kamers van het hof verdelen. Ingeval van moeilijkheden in verband met de verdeling van de zaken onder de kamers van eenzelfde hof van beroep is artikel 88, § 2, van toepassing.
  
Art. 109. <L 2007-04-25/64, art. 3, 153; En vigueur : 01-12-2008> Le premier président est chargé de la direction générale et de l'organisation de la cour.
  Il peut désigner un ou plusieurs présidents de chambre pour l'assister.
  Il répartit les affaires conformément au règlement particulier de la cour. Lorsque les nécessités du service le justifient [1 , comme la charge de travail respective des chambres, l'indisponibilité d'un ou plusieurs conseillers normalement appelés à y siéger, l'expertise particulière que présenteraient certains d'entre eux pour le traitement d'une ou plusieurs affaires hautement techniques, le degré d'avancement de l'instruction ou de la mise en état de l'affaire ou des affaires dont le premier président envisage de modifier l'attribution, en dérogation du règlement précité ou d'autres critères objectifs qui leur sont comparables]1, il peut répartir une partie des affaires attribuées à une chambre entre les autres chambres de la cour. En cas de difficultés sur la distribution des affaires entre les chambres d'une même cour d'appel, l'article 88, § 2, est applicable.
  
Art. 109bis. <W 1985-07-19/30, art. 6, 007> § 1. [5 Tenzij het uitsluitend op burgerlijke vorderingen betrekking heeft of enkel nog op dergelijke vorderingen betrekking heeft, wordt het hoger beroep tegen beslissingen in strafzaken toegewezen aan een kamer met drie raadsheren, in voorkomend geval aan de kamer bedoeld in artikel 101, § 1, derde lid.]5
  § 2. [6 Het Marktenhof neemt steeds zitting met drie raadsheren.]6
  § 3. [5 De andere zaken worden toegewezen aan kamers met één raadsheer in het hof. Wanneer de complexiteit of het belang van de zaak of bijzondere, objectieve omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de eerste voorzitter zaken geval per geval ambtshalve aan een kamer met drie raadsheren toewijzen.]5
  § 4. Wanneer er van verscheidene samenhangende zaken ten minste één bij een kamer met drie raadsheren in het hof moet worden aanhangig gemaakt, verwijst de eerste voorzitter al die zaken naar zulk een kamer. Te dien einde kan hij ook hun vroegere verdeling wijzigen.
  
Art. 109bis. § 1er. [5 Sauf s'il porte exclusivement sur des actions civiles ou s'il ne porte plus que sur pareilles actions, l'appel des décisions en matière pénale est attribué à une chambre à trois conseillers, le cas échéant, à la chambre spécifique visée à l'article 101, § 1er, alinéa 3.]5
  § 2. [6 La Cour des marchés siège toujours au nombre de trois conseillers.]6
  § 3. [5 Les autres causes sont attribuées à des chambres à un conseiller à la cour. Lorsque la complexité ou l'intérêt de l'affaire ou des circonstances spécifiques et objectives le requièrent, le premier président peut attribuer, d'autorité, au cas par cas, les affaires à une chambre à trois conseillers.]5
  § 4. Lorsque de plusieurs causes connexes, l'une d'elles au moins doit être portée devant une chambre composée de trois conseillers à la cour, le premier président les fixe toutes devant une telle chambre, même s'il y a lieu, à cette fin, de modifier leur distribution antérieure.
  
Art. 112. <W 1998-12-22/47, art. 11, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> (Eerste lid opgeheven) <W 2003-05-03/45, art. 4, 111; Inwerkingtreding : 31-03-2004, uiterlijk op 02-06-2004>
  Behoudens andersluidende bepalingen zit de eerste voorzitter de verenigde kamers en de plechtige zittingen voor. Hij houdt volgens de behoeften van de dienst zitting in de gewone kamers in welk geval hij deze voorzit.
Art. 112. <L 1998-12-22/47, art. 11, 066; En vigueur : 02-08-2000> (Alinéa 1 abrogé) <L 2003-05-03/45, art. 4, 111; En vigueur : 31-03-2004>
  Sauf dispositions contraires, le premier président préside les chambres réunies et les audiences solennelles. Selon les nécessités du service, il siège dans les chambres ordinaires qu'il préside dans ce cas.
Art. 113. De correctionele zaken bedoeld in artikel 479 van het Wetboek van strafvordering worden toegewezen aan de kamer voor burgerlijke zaken, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de voorzitter of de raadsheer in het hof die hem vervangt.
Art. 113. Les affaires correctionnelles prévues à l'article 479 du Code d'instruction criminelle, sont distribuées à la chambre civile présidée par le premier président ou par le président ou le conseiller à la cour qui le remplace.
Afdeling V.- (Opdrachten van raadsheren van het ene hof tot het andere).
Section V. - Des désignations de conseillers d'une Cour à une autre.
Art. 113bis. <INGEVOEGD bij W 1998-02-10/32, art. 6; Inwerkingtreding : 02-03-1998> Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Koning, hetzij op verzoek van een eerste voorzitter van een hof van beroep, hetzij op vordering van de procureur-generaal, met eerbiediging van de taalwet in gerechtszaken, een raadsheer bij het hof van beroep met diens toestemming aanwijzen om zijn ambt voor een bepaalde termijn waar te nemen in een hof van beroep van een ander rechtsgebied, na vooraf het advies te hebben ingewonnen van, naar gelang van het geval, de betrokken eerste voorzitters en de procureurs-generaal.
  Dezelfde bevoegdheid wordt op overeenkomstige wijze uitgeoefend door de Koning met betrekking tot de arbeidshoven.
  Behoudens verlenging eindigt de opdracht wanneer die termijn is verstreken; voor zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn, blijft de opdracht evenwel geldig tot aan het arrest.
  [1 Naargelang van de behoeften van de dienst kunnen de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, in onderling overleg beslissen respectievelijk een magistraat van een hof van beroep of van een arbeidshof, die daarmee instemt, opdracht te geven in een ander hof van beroep of een ander arbeidshof.
   Naargelang van de behoeften van de dienst kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, een raadsheer bij het hof van beroep met zijn instemming opdragen het ambt van rechter uit te oefenen in een rechtbank van eerste aanleg of in een [2 ondernemingsrechtbank]2 en kan de eerste voorzitter bij het arbeidshof een raadsheer bij dit hof opdragen het ambt van rechter uit te oefenen in een arbeidsrechtbank.
   In de beschikking wordt vermeld waarom een beroep moet worden gedaan op een raadsheer en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1

  
Art. 113bis. Lorsque les nécessités du service le justifient, le Roi peut désigner, à la demande d'un premier président d'une cour d'appel, ou sur réquisition du procureur général, dans le respect de la loi sur l'emploi des langues en matière judiciaire, un conseiller à une cour d'appel pour exercer pendant une période déterminée, avec son accord, ses fonctions auprès d'une cour d'appel d'un autre ressort, après avoir pris préalablement l'avis, selon le cas, des premiers présidents et des procureurs généraux concernés.
  Les mêmes pouvoirs sont exercés par analogie par le Roi en ce qui concerne les cours du travail.
  Sauf prolongation, la désignation prend fin à l'expiration du délai; toutefois pour les affaires en cours de débat ou en délibéré, la désignation produira ses effets jusqu'à l'arrêt.
  [1 En fonction des nécessités du service, les premiers présidents des cours d'appel et des cours du travail peuvent, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, décider de commun accord de déléguer respectivement un magistrat d'une cour d'appel ou d'une cour du travail qui y consent dans une autre cour d'appel ou dans une autre cour du travail.
   En fonction des nécessités du service, un conseiller à la cour d'appel peut, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire et de son consentement, être délégué par le premier président de la cour d'appel pour exercer les fonctions de juge dans un tribunal de première instance [3 ou un tribunal de l'entreprise]3 et un conseiller à la cour du travail peut être délégué par le premier président de cette cour pour exercer les fonctions de juge dans un tribunal du travail.
   L'ordonnance indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un conseiller et précise les modalités de la délégation.]1

  
Art 113ter. <INGEVOEGD bij W 2006-12-03/41, art. 8; Inwerkingtreding : 28-12-2006> De eerste voorzitter van het arbeidshof geeft bij beschikking opdracht aan een raadsheer bij het arbeidshof, die deze opdracht aanvaardt, om aanvullend zitting te nemen in een in [1 artikel 101, § 1, tweede lid]1, bedoelde gespecialiseerde correctionele kamer, na vooraf het advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep te hebben ingewonnen.
  De opdracht is een jaar geldig en kan worden verlengd.
  De verlenging gebeurt op gelijkluidend advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep.
  De raadsheer bij het arbeidshof wiens opdracht bij de gespecialiseerde correctionele kamer eindigt, blijft tot het eindarrest in deze kamer zitting hebben in de zaken waarover de debatten aan de gang zijn of die in beraad zijn.
  
Art 113ter. Le premier président de la cour du travail délègue par ordonnance, après avoir pris préalablement l'avis du premier président de la cour d'appel, un conseiller à la cour du travail qui accepte cette délégation pour siéger à titre complémentaire au sein d'une chambre correctionnelle spécialisée visée à [1 l'article 101, § 1er, alinéa 2]1.
  La délégation vaut pour une période d'un an renouvelable.
  Le renouvellement a lieu sur avis conforme du premier président de la cour d'appel.
  Le conseiller à la cour du travail dont la délégation auprès de la chambre correctionnelle spécialisée prend fin continue à siéger dans cette chambre dans les affaires en cours de débat ou en délibéré jusqu'à l'arrêt définitif.
  
Afdeling VI. [1 - Tijdelijke verplaatsing van de zetel van een hof of een afdeling van een hof.]1
Section VI. [1 - Du déplacement temporaire du siège d'une cour ou d'une division d'une cour.]1
Art 113quater.. . [1 Indien de behoeften van de dienst of gevallen van overmacht het rechtvaardigen, kan de Koning, op voorstel of na advies van de eerste voorzitter van het hof van beroep of het arbeidshof en van de procureur-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof, alsmede van de hoofdgriffier en van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de zetel van een afdeling tijdelijk verplaatsen naar een andere gemeente van het rechtsgebied. In de hoven die slechts één zetel tellen, kan die zetel onder dezelfde voorwaarden worden verplaatst naar een andere gemeente van het rechtsgebied.]1
  
Art. 113quater. [1 Si les nécessités du service ou des circonstances de force majeure le justifient, le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, sur proposition ou après avis du premier président de la cour d'appel ou de la cour du travail et du procureur général près la cour d'appel et la cour du travail ainsi que du greffier en chef et des bâtonniers des barreaux du ressort de la cour, transférer temporairement le siège d'une division dans une autre commune du ressort. Dans les cours ne comportant qu'un siège, ce siège peut dans les mêmes conditions être transféré dans une autre commune du ressort.]1
  
HOOFDSTUK IV. _ Hof van assisen.
CHAPITRE IV. - La cour d'assises.
Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen.
Section première. - Dispositions générales.
Art. 114. In (elke provincie en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad) worden assisen gehouden voor de berechting van de beschuldigden die het hof van beroep daarnaar verwijst. (...) <W 1993-07-16/31, art. 357, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
Art. 114. Il est tenu des assises dans (chaque province et dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale) pour juger les accusés que la cour d'appel y renvoie. (...) <L 1993-07-16/31, art. 357, 028; En vigueur : 01-01-1995>
Art. 115. (Het Hof van Assisen houdt zitting in Aarlen, Antwerpen, Bergen, Brugge, Brussel, Gent, Leuven, Luik, Namen, Nijvel of Tongeren, naar gelang van het geval.) <W 1993-07-16/31, art. 358, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  Indien het aantal of de belangrijkheid van de zaken zulks rechtvaardigt, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, beschikkend op vordering van de procureur-generaal, de vorming van verscheidene hoven van assisen in eenzelfde provincie [1 of in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1 gelasten. [2 In het gerechtelijk arrondissement Brussel houdt het hof van assisen zitting in de zetel van de Franstalige rechtbank wanneer de rechtspleging in het Frans wordt gevoerd en in de zetel van de Nederlandstalige rechtbank wanneer de rechtspleging in het Nederlands wordt gevoerd.]2
  Indien buitengewone omstandigheden zulks rechtvaardigen, kan [3 de eerste voorzitter van het hof van beroep]3, op vordering van de procureur-generaal of deze magistraat gehoord, gelasten dat de zitting van een of meer hoven van assisen gehouden wordt in de zetel van een andere rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied van het hof van beroep en, zo daartoe grond bestaat, dat een bepaalde zaak aldaar zal berecht worden.
  [4 Indien buitengewone omstandigheden zulks rechtvaardigen kan de eerste voorzitter van het hof van beroep in samenspraak met de minister bevoegd voor Justitie, op vordering van de procureur-generaal of deze magistraat gehoord, en desgevallend in overleg met de eerste voorzitter van het hof van beroep van het betrokken rechtsgebied, gelasten dat de terechtzittingen van het hof van assisen worden gehouden in een zittingsplaats die hij daartoe aanwijst en, zo daartoe grond bestaat, dat een bepaalde zaak aldaar zal berecht worden.]4
  
Art. 115. (La Cour d'assises siège à Anvers, Arlon, Bruges, Bruxelles, Gand, Liège, Louvain, Mons, Namur, Nivelles ou Tongres selon le cas.) <L 1993-07-16/31, art. 358, 028; En vigueur : 01-01-1995>
  Si le nombre ou l'importance des affaires le justifie, le premier président de la cour d'appel, statuant sur les réquisitions du procureur général, peut ordonner la constitution de plusieurs cours d'assises dans une même province [1 ou dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.]1 [2 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la cour d'assises siège au siège du tribunal francophone lorsque la procédure est faite en français, et au siège du tribunal néerlandophone lorsque la procédure est faite en néerlandais.]2
  Si des circonstances exceptionnelles le justifient, [3 le premier président de la cour d'appel peut, sur les réquisitions du procureur général ou ce magistrat entendu,]3 ordonner que la session d'une ou plusieurs cours d'assises se tiendra au siège d'un autre tribunal de première instance du ressort de la cour d'appel et, s'il échet, qu'une affaire déterminée y sera jugée.
  [4 Si des circonstances exceptionnelles le justifient, le premier président de la cour d'appel peut, en concertation avec le ministre qui a la Justice dans ses attributions, sur les réquisitions du procureur général ou ce magistrat entendu, et, le cas échéant, en concertation avec le premier président de la cour d'appel du ressort concerné, ordonner que l'audience de la cour d'assises se tiendra au lieu d'audience qu'il désigne et, s'il échet, qu'une affaire déterminée y sera jugée.]4
  
Art. 116. De hoven kunnen tegelijkertijd zitting houden, hetzij in de hoofdplaats van de provincie [1 of van het administratief arrondissement Brussel- Hoofdstad]1, [2 hetzij in een afdeling van een gerechtelijk arrondissement [3 , hetzij in de zittingsplaats overeenkomstig artikel 115, derde of vierde lid, daartoe aangewezen]3]2.
  
Art. 116. Les cours peuvent siéger concurremment soit au chef-lieu de province [1 ou de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale]1, [2 soit dans une division d'un arrondissement judiciaire]2 [3 , soit au lieu d'audience désigné à cet effet conformément à l'article 115, alinéa 3 ou 4]3.
  
Art. 117. (Op advies van de procureur-generaal en na raadpleging van de partijen stelt de eerste voorzitter van het hof van beroep de datum van opening van de zittingen van de hoven van assisen vast, verdeelt hij onder de verschillende hoven van assisen de zaken die ernaar verwezen zijn, en stelt hij voor ieder daarvan de datum van de opening van de debatten vast.) <W 2000-03-28/33, art. 2, 081; Inwerkingtreding : 27-03-2001>
  Hij kan, met instemming van de beschuldigde, er de zaken laten berechten die bij de opening van de zitting niet in staat van wijzen zijn.
  Hij verklaart die zitting voor gesloten waarop alle vastgestelde zaken zijn berecht of het voorwerp zijn geweest van een beslissing tot verwijzing naar een latere zitting.
Art. 117. (Sur avis du procureur général et après consultation des parties, le premier président de la cour d'appel fixe la date d'ouverture des sessions des cours d'assises, fait la distribution entre les diverses cours des affaires qui y sont renvoyées et fixe, pour chacune d'elles, la date d'ouverture des débats.) <L 2000-03-28/33, art. 2, 081; En vigueur : 27-03-2001>
  Il peut, du consentement de l'accusé, y porter les affaires qui ne sont pas en état lors de l'ouverture de la session.
  Il déclare closes les sessions où toutes les affaires fixées ont été jugées ou ont fait l'objet d'une décision de renvoi à une session ultérieure.
Art. 118. De datum en de plaats van opening van de zittingen van het hof van assisen, alsmede de datum en de aanwijzing van de vastgestelde zaken worden ten minste twintig dagen vooraf bekendgemaakt bij middel van een bericht dat wordt aangeplakt in de voor het publiek toegankelijke lokalen van de correctionele griffie.
Art. 118. La date et le lieu d'ouverture des sessions de la cour d'assises ainsi que la date et la désignation des affaires fixées, sont annoncés vingt jours au moins d'avance, par avis affiché dans les locaux du greffe correctionnel accessibles au public.
Afdeling II. _ Samenstelling van het hof.
Section II. - De la composition de la cour.
Art. 119. [1 § 1. Het hof van assisen bestaat uit een voorzitter en twee assessoren. Het hof houdt zitting bijgestaan door een jury. Voor de behandeling en de berechting van burgerlijke rechtsvorderingen houdt het zitting zonder jury.
   § 2. [2 Voor de berechting van]2 ten minste één persoon ten aanzien van wie, met toepassing van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, een beslissing tot uithandengeving is genomen [2 wegens]2 een niet-correctionaliseerbare misdaad, moet het hof van assisen, om rechtsgeldig samengesteld te zijn, bestaan uit minstens twee magistraten die de voortgezette opleiding hebben gevolgd als bedoeld in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, of artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid.]1

  
Art. 119. [1 § 1er. La cour d'assises comprend un président et deux assesseurs. Elle siège avec l'assistance du jury. Pour l'instruction et le jugement des actions civiles, elle siège sans le jury.
   § 2. [2 Pour le jugement d'au moins]2 une personne qui, en application de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, fait l'objet d'une décision de dessaisissement [2 en raison]2 d'un crime non correctionnalisable, la cour d'assises doit, pour être valablement constituée, être composée d'au moins deux magistrats ayant suivi la formation continue visée à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, ou à l'article 259sexies, § 1er, 2°, alinéa 2.]1

  
Art. 120. De voorzitter is [2 een lid van het hof van beroep, een lid van dat hof dat wegens zijn leeftijd tot de inruststelling is toegelaten en nog niet de leeftijd van [3 75]3 jaar heeft bereikt of een lid van dat hof dat op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en dat bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt]2 aan wie de eerste voorzitter van dat hof opdracht geeft voor de gehele zitting of voor bepaalde zaken. [1 Om het ambt van voorzitter in het hof van assisen te kunnen uitoefenen, moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]1 <W 1997-07-09/36, art. 8, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  [1 De Koning bepaalt de voorwaarden waaraan de voorzitter moet voldoen om vrijgesteld te worden van de gespecialiseerde opleiding.]1
  Wanneer wegens verhindering van de voorzitter het hof van assisen niet kan worden samengesteld, geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep opdracht aan een plaatsvervanger [2 onder de leden van dat hof, de leden van dat hof die wegens hun leeftijd tot de inruststelling zijn toegelaten en nog niet de leeftijd van [3 75]3 jaar hebben bereikt of de leden van dat hof die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt]2). <W 1997-07-09/36, art. 9, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  (In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist,) geeft de eerste voorzitter van het hof van beroep op vordering van de procureur-generaal opdracht aan een of meer leden van dat hof, die als plaatsvervangend voorzitter de debatten bijwonen. <W 1987-11-13/30, art. 1, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1988>
  
Art. 120. Le président est [2 un membre de la cour d'appel, un membre de cette cour admis à la retraite en raison de son âge et qui n'a pas encore atteint l'âge de [3 75]3 ans ou un membre de cette cour qui à sa demande est admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre a été autorisé à porter le titre honorifique de ses fonctions]2 délégué par le premier président de cette cour pour toute la session ou pour certaines affaires déterminées. [1 Pour pouvoir exercer les fonctions de président de la cour d'assises, il faut avoir suivi une formation spécialisée, organisée par l'Institut de formation judiciaire.]1
  [1 Le Roi fixe les conditions que le président doit remplir pour être dispensé de la formation spécialisée.]1
  Lorsque, par suite d'empêchement du président, la cour d'assises ne peut se composer, le premier président de la cour d'appel délègue un remplaçant [2 parmi les membres de cette cour, les membres de cette cour admis à la retraite en raison de leur âge et qui n'ont pas encore atteint l'âge de [3 75]3 ans ou les membres de cette cour qui à leur demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leurs fonctions]2.
  (Dans l'intérêt du bon déroulement des débats ou lorsque la nature des affaires l'exige,) le premier président de la cour d'appel, sur réquisition du procureur général, délègue un ou plusieurs membres de cette cour qui assistent aux débats en qualité de président suppléant. <L 1987-11-13/30, art. 1, 012; En vigueur : 10-01-1988>
  
Art. 121. [1 De assessoren worden voor iedere zaak aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep, in overleg met de betrokken voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, onder de oudste ondervoorzitters en rechters in rang van het rechtsgebied van het hof van beroep [5 of in overleg met de betrokken voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank onder de rechters in de politierechtbank van het rechtsgebied van het hof van beroep]5.
  [3 Zij kunnen eveneens aangewezen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep in overleg met de betrokken voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg onder de ondervoorzitters en rechters toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van [4 75]4 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.]3 [5 Zij kunnen evenzeer worden aangewezen door de eerste voorzitter van het hof van beroep in overleg met de betrokken voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank onder de rechters in de politierechtbank toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van 75 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.]5
  [2 In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad heeft het overleg plaats, volgens het geval, met de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg of de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg.]2
   Wanneer het hof van assisen niet kan worden samengesteld wegens verhindering van een assessor of van beide assessoren, voorziet de eerste voorzitter van het hof van beroep onverwijld in hun vervanging.
   Wanneer de rechtspleging voor het hof van assisen van de provincie Luik in het Duits wordt gevoerd, zijn de aangewezen assessoren lid van de rechtbank van eerste aanleg [5 of de politierechtbank]5 te Eupen.]1
[5 Het overleg heeft plaats tussen de eerste voorzitter van het hof van beroep en de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen.]5
  
Art. 121. [1 Les assesseurs sont désignés pour chaque affaire par le premier président de la cour d'appel, en concertation avec les présidents de tribunal de première instance concernés, parmi les vice-présidents et les juges les plus anciens en rang du ressort de la cour d'appel [5 ou en concertation avec les présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police concernés, parmi les juges au tribunal de police du ressort de la cour d'appel]5.
  [3 Ils peuvent également être désignés par le premier président de la cour d'appel en concertation avec les présidents de tribunal de première instance concernés parmi les vice-présidents et les juges admis à la retraite en raison de leur âge et qui n'ont pas atteint l'âge de [4 75]4 ans ou qui à leur demande ont été admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leurs fonctions.]3 [5 Ils peuvent également être désignés par le premier président de la cour d'appel en concertation avec les présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police concernés parmi les juges au tribunal de police admis à la retraite en raison de leur âge et qui n'ont pas atteint l'âge de 75 ans ou qui à leur demande ont été admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leurs fonctions.]5
  [2 Dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, la concertation a lieu, selon le cas, avec le président du tribunal de première instance néerlandophone ou le président du tribunal de première instance francophone.]2
   Lorsque, par suite de l'empêchement d'un ou des deux assesseurs, la cour d'assises ne peut se composer, le premier président de la cour d'appel pourvoit sans délai à leur remplacement.
   Lorsque devant la cour d'assises de la province de Liège, la procédure est faite en allemand, les assesseurs désignés sont membres du tribunal de première instance [5 ou du tribunal de police]5 d'Eupen.]1
[5 La concertation a lieu entre le premier président de la cour d'appel et le président du tribunal de première instance d'Eupen.]5
  
Art. 122. [1 De eerste voorzitter van het hof van beroep kan, in uitzonderlijke omstandigheden die verband houden met de organisatie van de hoven en rechtbanken, op vordering van de procureur-generaal, beslissen dat een of meer leden van het hof die hij aanwijst als assessor of plaatsvervangend assessor zullen optreden in plaats van de leden van de rechtbank van eerste aanleg.]1
  [1 De assessoren en de plaatsvervangende assessoren kunnen eveneens aangewezen worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep onder de leden van dat hof die zijn toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd en die nog niet de leeftijd van [2 75]2 jaar hebben bereikt of die op eigen verzoek voor de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt.]1
  
Art. 122. [1 Le premier président de la cour d'appel peut, dans des circonstances exceptionnelles liées à l'organisation des cours et tribunaux, sur les réquisitions du procureur général, décider qu'un ou plusieurs membres de la cour qu'il désigne rempliront les fonctions d'assesseur ou d'assesseur suppléant au lieu des membres du tribunal de première instance.]1
  [1 Les assesseurs et les assesseurs suppléants peuvent également être désignés par le premier président de la cour d'appel parmi les membres de cette cour admis à la retraite en raison de leur âge et qui n'ont pas encore atteint l'âge de [2 75]2 ans ou qui à leur demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leurs fonctions.]1
  
Afdeling III. _ Jury.
Section III. - Du jury.
Art. 123. De jury houdt zitting met twaalf gezworenen.
Art. 123. Le jury siège au nombre de douze jurés.
Art. 124. <W 1987-11-13/30, art. 2, 012; Inwerkingtreding : 10-01-1988> In het belang van een goed verloop van de debatten of wanneer de aard van de zaken dit vereist, kan het Hof van assisen, ambtshalve of op vordering van de procureur-generaal voor de uitloting bevelen dat buiten de twaalf werkende gezworenen nog één tot [1 vierentwintig plaatsvervangende gezworenen]1 worden uitgeloot die de debatten zullen bijwonen. Het is ertoe gehouden zulks te bevelen wanneer de eerste voorzitter aan een of meer plaatsvervangende voorzitters van het Hof van assisen opdracht heeft gegeven.
  
Art. 124. <L 1987-11-13/30, art. 2, 012; En vigueur : 10-01-1988> Dans l'intérêt du bon déroulement des débats ou lorsque la nature des affaires l'exige, la Cour d'assises peut, d'office ou sur réquisition du procureur général, ordonner, avant le tirage au sort, qu'indépendamment des douze jurés effectifs, il sera tiré au sort de un à [1 vingt-quatre jurés suppléants]1 qui assistent aux débats. Elle est tenue de l'ordonner si le premier président a délégué un ou plusieurs présidents suppléants de la Cour d'assises.
  
Afdeling IV. _ Verhindering en nietigheid.
Section IV. - Des empêchements et nullités.
Art. 125. De voorzitter en de assessoren van het hof van assisen die gedurende de debatten verhinderd zijn hun ambt te vervullen, worden vervangen door hun plaatsvervangers in de volgorde van de aanwijzing. De gezworene die verhinderd is de debatten bij te wonen, wordt vervangen door een plaatsvervangende gezworene volgens de orde van de uitloting, indien de reden van verhindering door het hof is aangenomen.
  De plaatsvervangende voorzitters en assessoren trekken zich eerst terug wanneer het arrest is uitgesproken.
Art. 125. Le président et les assesseurs de la cour d'assises qui, au cours des débats, se trouvent empêchés d'exercer leurs fonctions, sont remplacés par leurs suppléants dans l'ordre de désignation. Le juré qui se trouve empêché de suivre les débats est remplacé par un juré suppléant dans l'ordre du tirage au sort, si la cause de l'empêchement est admise par la cour.
  Les présidents et assesseurs suppléants ne se retirent que lorsque l'arrêt a été rendu.
Art. 126. Het ambt in het hof van assisen heeft voor de magistraten die opdracht hebben ontvangen of die zijn aangewezen, voorrang boven hun andere ambten.
Art. 126. L'exercice de fonctions à la cour d'assises prime pour les magistrats délégués ou désignés, celui de leurs autres fonctions.
Art. 127. Op straffe van nietigheid mogen de magistraten die als onderzoeksrechter of openbaar ministerie zijn opgetreden of uitspraak hebben gedaan over de regeling van het onderzoek, de assisen niet voorzitten noch als assessor optreden, en de personen die in de zaak opdrachten van gerechtelijke politie hebben vervuld of deel hebben genomen aan een daad van ambtelijk onderzoek of van strafonderzoek, en diegenen die getuige, deskundige, tolk, aangever, klager of betrokken partij zijn geweest, mogen geen gezworene zijn.
Art. 127. A peine de nullité, les magistrats qui ont rempli dans l'affaire les fonctions de juge d'instruction et de ministère public ou qui ont statué sur le règlement de l'instruction, ne peuvent ni présider les assises, ni être assesseur et les personnes qui, dans l'affaire ont exercé des fonctions de police judiciaire ou participé à un acte d'enquête ou d'instruction et celles qui ont été témoin, expert, interprète, dénonciateur, plaignant ou partie en cause, ne peuvent être juré.
HOOFDSTUK V. _ Hof van Cassatie.
CHAPITRE V. - La Cour de cassation.
Eerste afdeling. _ Algemene bepalingen.
Section première. - Dispositions générales.
Art. 128. Het Hof van Cassatie omvat drie kamers.
  Iedere kamer van het Hof van Cassatie bestaat uit twee [1 secties]1.
  Iedere [1 sectie]1 bestaat uit vijf raadsheren, de voorzitter daaronder begrepen.
  (De arresten worden gewezen door vijf raadsheren, daaronder begrepen de voorzitter. Zij worden echter gewezen door drie raadsheren in de door de wet bepaalde gevallen.) <W 1997-05-06/38, art. 2, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  
Art. 128. La Cour de cassation comprend trois chambres.
  Chaque chambre de la Cour de cassation comprend deux sections.
  Chaque section est composée de cinq conseillers, y compris le président.
  (Les arrêts sont rendus par cinq conseillers, y compris le président. Ils sont toutefois rendus par trois conseillers dans les cas prévus par la loi.) <L 1997-05-06/38, art. 2, 052; En vigueur : 05-07-1997>
Art. 129. Het Hof van Cassatie bestaat uit een eerste voorzitter, een voorzitter en raadsheren in het Hof van Cassatie.
  (Onder de raadsheren worden (zes) [1 sectievoorzitters]1 aangewezen.) <W 1998-12-22/47, art. 13, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2004-12-27/31, art. 2, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  
Art. 129. La Cour de cassation est composée d'un premier président, d'un président et de conseillers à la Cour de cassation.
  ((Six) présidents de section sont désignés parmi les conseillers.) <L 1998-12-22/47, art. 13, 066; En vigueur : 02-08-2000> <L 2004-12-27/31, art. 2, 121; En vigueur : 01-01-2005>
Art. 130. In het hof wordt een bureau voor rechtsbijstand gevormd. Het bestaat uit één raadsheer.
Art. 130. Un bureau d'assistance judiciaire est constitué au sein de la cour. Il est composé d'un conseiller.
Art. 131. Wanneer de eerste voorzitter, na het advies van de raadsheerverslaggever en van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, oordeelt dat een zaak in voltallige zitting moet worden behandeld, vergadert de kamer met negen raadsheren, de voorzitter daaronder begrepen.
  [1 De procureur-generaal kan aan de eerste voorzitter voorstellen dat een zaak in voltallige zitting wordt behandeld.]1
  In alle gevallen waarin het hof met verenigde kamers moet vergaderen, houdt het zitting in oneven getal en met (ten minste elf leden). <W 1994-12-01/38, art. 1, 036; Inwerkingtreding : 1995-01-10>
  (Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 103 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.) <W 1998-06-25/30, art. 28, 060; Inwerkingtreding : 01-07-1998>
  (Cassatieberoep tegen beslissingen van het hof van beroep, genomen met toepassing van artikel 125 van de Grondwet, wordt behandeld door de verenigde kamers.) <W 1998-06-25/31, art. 28, 061; Inwerkingtreding : 01-07-1998>
  
Art. 131. Lorsque, après avoir pris l'avis du conseiller chargé du rapport, et du procureur général, le premier président estime qu'une affaire doit être traitée en audience plénière, la chambre se réunit au nombre de neuf conseillers, y compris le président.
  [1 Le procureur général peut proposer au premier président qu'une affaire soit traitée en audience plénière.]1
  Dans tous les cas où la cour doit siéger chambres réunies, elle siège en nombre impair et doit être composée de (onze membres au moins). <L 1994-12-01/38, art. 1, 036; En vigueur : 1995-01-10>
  (Tout pourvoi en cassation contre les décisions de la cour d'appel, prises en application de l'article 103 de la Constitution, est examiné par les chambres réunies.) <L 1998-06-25/30, art. 28, 060; En vigueur : 01-07-1998>
  (Tout pourvoi en cassation contre les décisions de la cour d'appel, prises en application de l'article 125 de la Constitution, est examiné par les chambres réunies.) <L 1998-06-25/31, art. 28, 061; En vigueur : 01-07-1998>
  
Afdeling II. - Dienst.
Section II. - Du service.
Art. 132. Het reglement houdende de dienstregeling van het hof wordt [1 door de eerste voorzitter vastgesteld, op advies]1, van de procureur-generaal, van de hoofdgriffier en van de stafhouder van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie.
  Dit reglement bepaalt het aantal raadsheren aan elke kamer verbonden alsook het aantal en de duur van de zittingen.
  Het reglement wordt ter griffie aangeplakt.
  
Art. 132. Le règlement contenant l'ordre de service de la Cour est établi [1 par le premier président sur les avis]1, du procureur général, du greffier en chef et du bâtonnier de l'Ordre des avocats à la Cour de cassation.
  Il détermine le nombre de conseillers attachés à chaque chambre ainsi que le nombre et la durée des audiences.
  Le règlement est affiché au greffe.
  
Art. 133. De eerste kamer neemt kennis van de voorzieningen in burgerlijke zaken en handelszaken, de tweede van de voorzieningen in criminele, correctionele en politiezaken, de derde van de voorzieningen tegen beslissingen in laatste aanleg gewezen door de arbeidshoven en -rechtbanken. De overige zaken die ingevolge de wet ter kennisneming van het Hof van Cassatie staan,worden door de eerste voorzitter verdeeld over de kamers.
  Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, behandelt iedere kamer, na verwijzing bevolen door de eerste voorzitter, de voorzieningen waarvan de andere kamers dienen kennis te nemen.
Art. 133. La première chambre connaît des pourvois en matière civile et commerciale, la deuxième des pourvois en matière criminelle, correctionnelle et de police, la troisième des pourvois contre les décisions rendues en dernier ressort par les cours et tribunaux du travail. Les autres affaires dont la loi attribue la connaissance à la Cour de cassation sont réparties entre les chambres par le premier président.
  Lorsque les besoins du service le justifient, chaque chambre s'occupe, sur le renvoi ordonné par le premier président, des pourvois dont la connaissance est attribuée aux autres chambres.
Art. 134. Het Hof van Cassatie doet in verenigde kamers uitspraak over conflicten van attributie.
Art. 134. La Cour de cassation juge des conflits d'attribution, chambres réunies.
Art. 135. De eerste voorzitter zit de kamer voor waarvan hij deel wil uitmaken; hij zit een van de andere kamers voor indien hij het dienstig acht; hij bekleedt het voorzitterschap van de voltallige zittingen, de verenigde kamers en de plechtige zittingen.
Art. 135. Le premier président préside la chambre à laquelle il veut s'attacher; il préside l'une des autres chambres quand il le juge convenable; il préside les audiences plénières, les chambres réunies et les audiences solennelles.
Afdeling IIbis. - (De referendarissen).
Section IIBIS. - Des référendaires.
Art. 135bis. <INGEVOEGD bij W 1997-05-06/38, art. 3; Inwerkingtreding : 05-07-1997> Het Hof van Cassatie wordt bijgestaan door ten minste vijf en ten hoogste dertig referendarissen. Hun aantal wordt door de minister van Justitie bepaald.
  De eerste voorzitter en de procureur-generaal stellen in onderlinge overeenstemming het aantal referendarissen vast dat onder hun respectief gezag komt te staan.
  De referendarissen bereiden het werk van de raadsheren en de leden van het parket voor; zij dragen bij aan de werkzaamheden in verband met de documentatie en werken mee aan de vertaling en de publicatie van de arresten alsook aan het in overeenstemming brengen van de Franse en Nederlandse tekst.
Art. 135bis. La Cour de cassation est assistée par des référendaires dont le nombre est au minimum de cinq et au maximum de trente, et est déterminé par le ministre de la Justice.
  Le premier président et le procureur général déterminent, de commun accord, le nombre de référendaires places sous leur autorité respective.
  Les référendaires préparent le travail des conseillers et des membres du parquet; ils participent aux tâches de documentation ainsi qu'à celles de traduction et de publication des arrêts et à la mise en concordance des textes français et néerlandais.
Afdeling III. _ Documentatie en overeenstemming der teksten.
Section III. - De la documentation et de la concordance des textes.
Art. 136. Er is bij het Hof van Cassatie een dienst voor documentatie en overeenstemming der Franse en Nederlandse teksten van de arresten.
  Deze dienst staat onder het gezag en de leiding van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, bijgestaan door de procureur-generaal bij dit Hof.
  Hij bestaat uit magistraten die daartoe opdracht krijgen zoals bepaald is in artikel 326, [1 en uit attachés en adviseurs]1. De minister van Justitie bepaalt het getal van die magistraten [1 , van de attachés en van de adviseurs]1.
  
Art. 136. Il y a auprès de la Cour de cassation un service de la documentation et de la concordance des textes français et néerlandais des arrêts.
  Ce service est placé sous l'autorité et la direction du premier président de la Cour de cassation, assisté du procureur général près cette Cour.
  Il est composé de magistrats, délégués ainsi qu'il est dit à l'article 326, [1 d'attachés et de conseillers]1. Le nombre de ces magistrats [1 , des attachés et des conseillers]1 est déterminé par le ministre de la Justice.
  
Afdeling IV. - (Beheer).
Section IV. - De la gestion.
TITEL II. - Openbaar ministerie.
TITRE II. - Du ministère public.
Art. 137. Het openbaar ministerie vervult zijn ambtsplichten in het rechtsgebied van het hof of van de rechtbank waarbij het aangesteld is, behoudens de gevallen waarin de wet anders bepaalt [1 en onverminderd artikel 150, §§ 2 en 3]1.
  
Art. 137. Le ministère public remplit les devoirs de son office dans le ressort territorial de la cour ou du tribunal près desquels il est établi, sauf les cas où la loi en dispose autrement [1 et sans préjudice de l'article 150, §§ 2 et 3]1.
  
Art. 138. <W 2006-12-03/41, art. 9, 143; Inwerkingtreding : 28-12-2006> Onverminderd de bepalingen van artikel 141 vordert het openbaar ministerie de toepassing van de strafwet, overeenkomstig de regels die de wet stelt.
  In het rechtsgebied van elk hof van beroep waken de procureur-generaal, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs in onderling overleg over de coherente en geïntegreerde uitoefening van de strafvordering. Daartoe roept de procureur-generaal ten minste één keer per trimester de procureurs des Konings van zijn rechtsgebied samen. Als er reden toe is, roept hij eveneens de arbeidsauditeurs samen.
  Buiten de gevallen die worden bedoeld in de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers en in de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering, evenals in de artikelen 479 tot 503bis van het Wetboek van strafvordering, kan het ambt van openbaar ministerie bij de correctionele kamers van het hof van beroep, de kamer van inbeschuldigingstelling en het hof van assisen uitgeoefend worden door, naargelang van het geval, een magistraat van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat, mits de procureur-generaal bij het hof van beroep en, naargelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur hiermee instemmen. De magistraat oefent dit ambt uit onder leiding en toezicht van de procureur-generaal.
  Het ambt van openbaar ministerie bij de correctionele rechtbank kan worden uitgeoefend, naargelang van het geval, door een magistraat van het parket-generaal bij het hof van beroep of het arbeidsauditoraat generaal, mits de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, naargelang van het geval, en de procureur-generaal bij het hof van beroep hiermee instemmen. De magistraat oefent dit ambt uit onder leiding en toezicht van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur.
  De bepalingen van het derde en het vierde lid zijn van toepassing op de rechtspleging voor de jeugdrechtbank en voor de jeugdkamer van het hof van beroep ten aanzien van personen die vervolgd worden wegens een als misdrijf omschreven feit dat werd gepleegd voor de volle leeftijd van achttien jaar. [1 De aangewezen magistraat moet de in artikel 143, § 2/1, dan wel in artikel 151, tweede lid, naar gelang van het geval, bedoelde opleiding hebben gevolgd.]1
  
Art. 138. <L 2006-12-03/41, art. 9, 143; En vigueur : 28-12-2006> Sous réserve des dispositions de l'article 141, le ministère public exerce l'action publique selon les modalités déterminées par la loi.
  Dans chaque ressort de cour d'appel, le procureur général, les procureurs du Roi et les auditeurs du travail veillent, de manière concertée à l'exercice cohérent et intégré de l'action publique. A cette fin, le procureur général réunit au moins une fois par trimestre les procureurs du Roi de son ressort. Il réunit également, s'il y a lieu, les auditeurs du travail.
  Hors les cas prévus par la loi du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des ministres et par la loi spéciale du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des membres des gouvernements de communauté et de région, ainsi que par les articles 479 à 503bis du Code d'instruction criminelle, les fonctions du ministère public auprès des chambres correctionnelles de la cour d'appel, de la chambre des mises en accusation et de la cour d'assises peuvent être exercées, selon les cas, par un magistrat du parquet du procureur du Roi ou de l'auditorat du travail, moyennant l'accord du procureur général près la cour d'appel et, selon les cas, du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail. Le magistrat exerce ces fonctions sous la direction et la surveillance du procureur général.
  Les fonctions du ministère public auprès du tribunal correctionnel peuvent être exercées, selon les cas, par un magistrat du parquet général près la cour d'appel ou de l'auditorat général du travail, moyennant l'accord, selon les cas, du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail et du procureur général près la cour d'appel. Le magistrat exerce ces fonctions sous la direction et la surveillance du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail.
  Les dispositions des alinéas 3 et 4 sont applicables aux procédures suivies devant le tribunal de la jeunesse et devant la chambre de la jeunesse de la cour d'appel à l'égard des personnes poursuivies en raison d'un fait qualifié infraction, commis avant l'âge de dix-huit ans accomplis. [1 Le magistrat désigné doit avoir suivi la formation visée à l'article 143, § 2/1, ou à l'article 151, alinéa 2, selon le cas.]1
  
Art. 138bis. <INGEVOEGD bij W 2006-12-03/41, art. 10; Inwerkingtreding : 28-12-2006> § 1. [4 In burgerlijke zaken komt het openbaar ministerie tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of, wanneer het zulks dienstig acht, bij wege van advies.]4 Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt.
  § 1/1.[4 De familierechtbank doet uitspraak na mededeling van de zaak aan het openbaar ministerie met het oog op zijn eventueel advies of vorderingen omtrent:
   1° alle vorderingen met betrekking tot minderjarigen;
   2° alle aangelegenheden waarvoor het krachtens de wet moet optreden.]4

  § 2. Voor overtredingen op de wetten en verordeningen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en die het geheel of een deel van de werknemers van een onderneming betreffen, kan de arbeidsauditeur, ambtshalve, overeenkomstig de vormvoorschriften van dit Wetboek, een rechtsvordering instellen bij de arbeidsrechtbank teneinde de inbreuken op voormelde wetten en verordeningen te laten vaststellen.
  Ingeval van samenloop of samenhang van de genoemde overtredingen met één of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten zendt de arbeidsauditeur een afschrift van het dossier aan de procureur des Konings met het oog op de uitoefening van de strafvordering voor de laatst vermelde overtredingen.
  De in het eerste lid bedoelde rechtsvordering kan niet meer worden aangewend zo de strafvordering werd ingesteld of zo overeenkomstig artikel [1 85 van het Sociaal Strafwetboek]1, de kennisgeving van het bedrag van de administratieve geldboete heeft plaatsgehad.
  [2 § 3. Onverminderd artikel 150, § 3, in geval van verwijzing naar de Franstalige rechtbank, vervult voor de toepassing van dit artikel, het openbaar ministerie bedoeld in artikel 150, § 2, 1°, en in artikel 152, § 2, 1°, zijn ambtsplichten voor de Nederlandstalige rechtbank, indien de zaak voor de rechtbank aanhangig werd gemaakt op grond van een territoriale bevoegdheid bepaald door een plaats welke zich binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde bevindt. Indien de zaak voor de Nederlandstalige rechtbank of de Franstalige rechtbank aanhangig werd gemaakt, op grond van een territoriale bevoegdheid bepaald door een plaats welke zich binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad bevindt, vervult het openbaar ministerie bedoeld in artikel 150, § 2, 2°, of in artikel 152, § 2, 2°, zijn ambtsplichten.]2
  
Art. 138bis. § 1er. [4 Dans les matières civiles, le ministère public intervient par voie d'action, de réquisition ou, lorsqu'il le juge convenable, par voie d'avis.]4 Le ministère public agit d'office dans les cas spécifiés par la loi et en outre chaque fois que l'ordre public exige son intervention.
  § 1er/1. [4 Le tribunal de la famille statue après avoir communiqué la cause au ministère public en vue de ses éventuels avis ou réquisitions sur:
   1° toutes les demandes relatives à des mineurs;
   2° toutes les matières où la loi requiert son intervention.]4

  § 2. Pour les infractions aux lois et règlements qui relèvent de la compétence des juridictions du travail et qui touchent l'ensemble ou une partie des travailleurs d'une entreprise, l'auditeur du travail peut d'office, conformément aux formalités du présent Code, intenter une action auprès du tribunal du travail, afin de faire constater les infractions aux dites lois et aux dits règlements.
  En cas de concours ou de connexité desdites infractions avec une ou plusieurs infractions à d'autres dispositions légales qui ne sont pas de la compétence des juridictions du travail, l'auditeur du travail transmet une copie du dossier au procureur du Roi, en vue de l'exercice de l'action publique pour ces dernières infractions.
  L'action visée à l'alinéa 1er ne peut plus être exercée si l'action publique a été intentée ou si, conformément à l'article [1 85 du Code pénal social]1, la notification du montant de l'amende administrative a eu lieu.
  [2 § 3. Sans préjudice de l'article 150, § 3, en cas de renvoi au tribunal francophone, aux fins de l'application de cet article, le ministère public visé à l'article 150, § 2, 1°, et à l'article 152, § 2, 1°, remplit les devoirs de son office auprès du tribunal néerlandophone si l'affaire a été portée devant le tribunal en vertu d'une compétence territoriale déterminée par un lieu situé sur le territoire de l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde. Si l'affaire a été portée devant le tribunal francophone ou néerlandophone, en vertu d'une compétence territoriale déterminée par un lieu situé sur le territoire de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, le ministère public visé à l'article 150, § 2, 2°, ou à l'article 152, § 2, 2°, remplit les devoirs de son office.]2
  
Art. 138ter. <INGEVOEGD bij W 2006-12-03/41, art. 11; Inwerkingtreding : 28-12-2006> In alle betwistingen die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, kan het openbaar ministerie bij de arbeidsgerechten van de minister of van de bevoegde openbare instellingen of diensten de nodige bestuurlijke inlichtingen vorderen. Daartoe kan het om medewerking verzoeken van de ambtenaren die door de bestuurlijke overheid belast zijn met het toezicht op de toepassing van de in de artikelen 578 tot 583 bedoelde wettelijke en verordeningsbepalingen.
Art. 138ter. Dans toutes les contestations qui relèvent de la compétence des juridictions du travail, le ministère public auprès des juridictions du travail peut requérir du ministre ou des institutions ou services publics compétents les renseignements administratifs nécessaires. Il peut à cet effet requérir le concours des fonctionnaires chargés par l'autorité administrative compétente de contrôler l'application des dispositions légales et réglementaires visées aux articles 578 à 583.
Art. 139. Het openbaar ministerie vervolgt ambtshalve de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen in verband met alle bepalingen die de openbare orde raken ten aanzien van particulieren kan het, op een daartoe gedaan verzoek, hetzij de gerechtsdeurwaarder gelasten op de treden, hetzij de sterke arm vorderen indien dit nodig is.
  Het kan ook de werken vorderen die voor de tenuitvoerlegging van de vonnissen nodig zijn, met last om de gewone prijs ervan aan de aannemer van het werk te doen betalen.
Art. 139. Le ministère public poursuit d'office l'exécution des décisions judiciaires dans toutes les dispositions qui intéressent l'ordre public; et en ce qui concerne les particuliers, il peut sur la demande qui lui en est faite, soit enjoindre aux huissiers de justice de prêter leur ministère, soit requérir main forte lorsqu'elle est nécessaire.
  Il peut aussi requérir les travaux nécessaires pour l'exécution des jugements, a charge d'en faire payer le prix ordinaire à l'entrepreneur de l'ouvrage.
Art. 140. Het openbaar ministerie waakt voor de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken.
Art. 140. Le ministère public veille à la régularité du service des cours et tribunaux.
Art. 141. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie oefent de strafvordering niet uit, tenzij hij een rechtsvordering instelt waarvan de berechting aan het Hof van Cassatie is opgedragen.
Art. 141. Le procureur général près la Cour de cassation n'exerce pas l'action publique, sauf lorsqu'il intente une action dont le jugement est attribué à la Cour de cassation.
Art. 142. Het ambt van openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie wordt onder het gezag van de minister van Justitie uitgeoefend door de procureur-generaal.
  (De procureur-generaal wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal en door advocaten-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen.) <W 1998-12-22/47, art. 15, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 142. Les fonctions du ministère public près la Cour de cassation sont exercées, sous l'autorité du ministre de la Justice, par le procureur général.
  (Le procureur général est assisté par un premier avocat général et des avocats généraux qui exercent leurs fonctions sous sa surveillance et sa direction.) <L 1998-12-22/47, art. 15, 066; En vigueur : 02-08-2000>
Art. 143. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 4, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (§ 1.) Er is een procureur-generaal bij ieder hof van beroep (en een federale procureur die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Rijk.). <W 2001-06-21/42, art. 4, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  (§ 2.) (Onverminderd de bepalingen van artikel 138, derde en vierde lid, voert de procureur-generaal bij het hof van beroep onder het gezag van de Minister van Justitie en door toedoen van de Minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft, voor de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, alle opdrachten van het openbaar ministerie uit bij het hof van beroep, het arbeidshof en de hoven van assisen van zijn rechtsgebied.) <W 2004-04-12/38, art. 3, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  De procureur-generaal voert het woord in de verenigde kamers en op de plechtige zittingen van het hof van beroep en van het arbeidshof; ook op de zittingen van de kamers, wanneer hij het geraden acht.
  [1 § 2/1. De opdrachten van openbaar ministerie bij de familiekamers en de jeugdkamers worden uitgevoerd door een of meer magistraten van het parket-generaal die de in artikel 259sexies, § 1, 2°, tweede lid, bedoelde gespecialiseerde opleiding [2 , dewelke een grondige opleiding met betrekking tot seksueel-en intrafamiliaal geweld bevat,]2 [3 met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen,]3 georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd en die zijn aangewezen door de procureur-generaal.
  [2 De leden van het openbaar ministerie die hun ambt uitoefenen bij de correctionele kamers en de kamer van inbeschuldigingstelling volgen binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een grondige opleiding inzake seksueel- en intrafamiliaal geweld [3 met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen,]3 georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]2
   [2 Met betrekking tot de kamers bedoeld in het eerste en het tweede lid, kan de procureur-generaal in uitzonderlijke omstandigheden en voor een goede rechtsbedeling]2, bij een met redenen omklede beslissing, voor een welbepaalde periode een niet-opgeleide magistraat aanwijzen.]1

  (§ 3. De federale procureur voert, in de gevallen en op de wijze bepaald door de wet, onder het gezag van de Minister van Justitie, alle opdrachten van het openbaar ministerie in strafzaken uit bij de hoven van beroep, de hoven van assisen, de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken.) <W 2001-06-21/42, art. 4, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  
Art. 143. (§ 1er.) Il y a un procureur général près chaque cour d'appel (et un procureur fédéral qui est compétent pour l'ensemble du territoire du Royaume.) <L 2001-06-21/42, art. 4, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  (§ 2.) (Sans préjudice de l'article 138, alinéas 3 et 4, le procureur général près la cour d'appel exerce, sous l'autorité du Ministre de la Justice et à l'intervention du ministre qui a le Travail dans ses attributions, pour les matières qui sont de la compétence des juridictions du travail, toutes les fonctions du ministère public près la cour d'appel, la cour du travail et les cours d'assises de son ressort.) <L 2004-04-12/38, art. 3, 118; En vigueur : 17-05-2004>
  Le procureur général porte la parole aux chambres assemblées et aux audiences solennelles de la cour d'appel et de la cour du travail; aussi aux audiences des chambres, quand il le juge convenable.
  [1 § 2/1. Les fonctions du ministère public près les chambres de la famille et les chambres de la jeunesse sont exercées par un ou plusieurs magistrats du parquet général ayant suivi la formation spécialisée organisée par l'Institut de formation judiciaire visée à l'article 259sexies, § 1er, 2°, alinéa 2, [2 dont une formation approfondie en matière de violences sexuelles et intrafamiliales]2 [3 avec une attention particulière pour les féminicides et les homicides fondés sur le genre,]3 et désignés par le procureur général.
  [2 Dans l'année de leur première désignation, les membres du ministère public qui exercent leurs fonctions près les chambres correctionnelles et la chambre des mises en accusation suivent une formation approfondie en matière de violences sexuelles et intrafamiliales [3 avec une attention particulière pour les féminicides et les homicides fondés sur le genre,]3 organisée par l'Institut de formation judiciaire.]2
   [2 Concernant les chambres visées aux alinéas 1er et 2, dans des circonstances exceptionnelles]2 et pour une bonne administration de la justice, le Procureur général peut, par décision motivée, désigner un magistrat non formé pour une durée déterminée.]1

  (§ 3. Le procureur fédéral exerce, dans les cas et selon les modalités déterminés par la loi, sous l'autorité du Ministre de la Justice, toutes les fonctions du ministère public dans les affaires pénales près les cours d'appel, les cours d'assises, les tribunaux de première instance et les tribunaux de police.) <L 2001-06-21/42, art. 4, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  
Art. 143bis. <INGEVOEGD bij W 1997-03-04/41, art. 2; Inwerkingtreding : 15-05-1997> § 1. <NOTA : §1. werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 5, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> De procureurs-generaal bij de hoven van beroep vormen samen een college, college van de procureurs-generaal genaamd, dat onder het gezag van de minister van Justitie staat. De bevoegdheid van het college strekt zich uit over het gehele grondgebied van het Rijk en zijn beslissingen hebben bindende kracht (voor de procureurs-generaal bij de hoven van beroep, de federale procureur en alle leden van het openbaar ministerie (die onder hun gezag of hun toezicht en leiding staan)). <W 2001-06-21/42, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2004-04-12/38, art. 4, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  § 2. Het college van procureurs-generaal beslist bij consensus over alle maatregelen die nodig zijn voor :
  1° de coherente uitwerking en de coördinatie van het strafrechtelijk beleid vastgelegd door de in [1 artikel 143quater]1 beoogde richtlijnen, en met inachtneming van de finaliteit ervan;
  2° de goede algemene en gecoördineerde werking van het openbaar ministerie.
  Indien het college geen consensus bereikt en indien de uitvoering van de ministeriële richtlijnen van het strafrechtelijk beleid daardoor in het gedrang komt, neemt de minister van Justitie de noodzakelijke maatregelen om de toepassing ervan te waarborgen.
  § 3. Het college van procureurs-generaal heeft daarenboven tot taak de minister van Justitie in te lichten en te adviseren, ambtshalve of op diens verzoek, over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van het openbaar ministerie.
  Bij gebreke van consensus worden de verschillende standpunten in het advies vermeld.
  ([2 Het College van procureurs-generaal evalueert, op basis van onder meer de rapporten van de federale procureur en van de procureur voor de verkeersveiligheid en na deze laatsten te hebben gehoord, de wijze waarop de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid door de federale procureur en door de procureur voor de verkeersveiligheid worden uitgevoerd, de wijze waarop de federale procureur en de procureur voor de verkeersveiligheid hun bevoegdheden uitoefenen en de werking van het federaal parket en het parket voor de verkeersveiligheid.]2 Deze evaluatie wordt opgenomen in het verslag bedoeld in § 7.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald >
  (Het college van procureurs-generaal kan in de aangelegenheden die het bepaalt expertisenetwerken instellen, waarvan magistraten van het federaal parket, de parketten-generaal, [2 het parket voor de verkeersveiligheid,]2 de parketten van de procureur des Konings, de arbeidsauditoraten generaal en de arbeidsauditoraten en, desgevallend, andere deskundigen deel uitmaken.
  Het college van procureurs-generaal legt de nadere regels voor de organisatie en de werking van de expertisenetwerken vast in overleg met de raad van procureurs des Konings of de raad van arbeidsauditeurs.
  De aanwijzing van een magistraat van het openbaar ministerie voor een expertisenetwerk is onderworpen aan de toestemming van de korpschef van het korps waartoe de betrokken magistraat behoort.
  Deze netwerken zorgen ervoor, onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding en het toezicht van de voor de betreffende aangelegenheden speciaal aangewezen procureur-generaal, dat de informatie en documentatiedoorstroming tussen de leden van het openbaar ministerie wordt bevorderd. Bovendien kunnen zij door het college worden belast met elke ondersteuningsopdracht met het oog op de uitoefening van zijn bevoegdheden.) <W 2004-04-12/38, art. 4, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  § 4. (Voor het uitvoeren van zijn opdrachten wordt het college op permanente wijze bijgestaan door bijstandsmagistraten, wier aantal wordt bepaald door de wet.
  Voor de uitvoering van zijn opdrachten kan het college, na advies van de betrokken korpschef, tijdelijk een beroep doen op leden van het openbaar ministerie, met uitzondering van degenen die de opdrachten van het openbaar ministerie bij het Hof van Cassatie uitoefenen.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald >
  § 5. Het college van procureurs-generaal vergadert minstens eenmaal per maand, op eigen initiatief of op verzoek van de minister van Justitie.
  De minister van Justitie of, in geval van verhindering zijn gemachtigde, neemt deel aan de vergaderingen van het college indien bevoegdheden, bedoeld in [1 artikel 143quater]1, worden besproken en wanneer het college op zijn verzoek samenkomt in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in § 2.
  De minister zit de vergaderingen van het college voor waarop hij aanwezig is.
  Met het oog op de uitoefening van de bevoegdheden van het college kan de Koning, na overleg met dat college, specifieke taken opdragen aan elk lid van het college.
  (De federale procureur kan deelnemen aan de vergaderingen van het college, behalve wanneer het college vergadert in het kader van § 3, derde lid.) <W 1998-12-22/48, art. 5, 069; Inwerkingtreding : onbepaald >
  § 6. De Koning regelt de wijze van samenwerking tussen het college en de diensten die onder het gezag van de minister van Justitie staan.
  § 7. Het college brengt jaarlijks verslag uit aan de minister van Justitie. Dit verslag bevat een toelichting over zijn activiteiten, een analyse en een beoordeling van het opsporings- en vervolgingsbeleid in het voorbije jaar, alsook de prioritaire doelstellingen voor het komende jaar.
  Het verslag wordt door de minister van Justitie aan de Kamers medegedeeld en openbaar gemaakt.
  § 8. <NOTA : §8. werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 5, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> Het voorzitterschap wordt voor de duur van een gerechtelijk jaar bij toerbeurt achtereenvolgens waargenomen door de procureurs-generaal bij respectievelijk het hof van beroep te Antwerpen, te Bergen, te Brussel, te Gent en te Luik. Er kan met instemming van alle leden van het college worden afgeweken van deze beurtwisseling tussen procureurs-generaal van een zelfde taalstelsel.
  De procureur-generaal die het voorzitterschap bekleedt, bepaalt de agenda en de organisatie van de vergaderingen. (...). <W 2007-04-25/64, art. 4, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  § 9. (Ingeval een lid van het college van procureurs-generaal afwezig of verhinderd is, wordt het lid vervangen door de overeenkomstig artikel 319 aangewezen vervanger.) <W 2001-06-21/42, art. 5, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  Onverminderd het bepaalde in het vorige lid wordt het voorzitterschap, bij verhindering of afwezigheid van de voorzitter, bekleed door de oudste procureur-generaal in rang van hetzelfde taalstelsel.
  
Art. 143bis. § 1er. Les procureurs généraux près les cours d'appel forment ensemble un collège, appelé collège des procureurs généraux, qui est placé sous l'autorité du ministre de la Justice. La compétence du collège s'étend à l'ensemble du territoire du Royaume et ses décisions engagent (tous les procureurs généraux près les cours d'appel, le procureur fédéral et tous les membres du ministère public placés (sous leur autorité ou sous leur surveillance et direction)). <L 2001-06-21/42, art. 5, 085; En vigueur : 21-05-2002> <L 2004-04-12/38, art. 4, 118; En vigueur : 17-05-2004>
  § 2. Le collège des procureurs généraux décide, par consensus, de toutes les mesures utiles en vue :
  1° de la mise en oeuvre cohérente et de la coordination de la politique criminelle déterminée par les directives visées à l'[1 article 143quater]1, et dans le respect de leur finalité;
  2° du bon fonctionnement général et de la coordination du ministère public.
  Si aucun consensus ne peut être dégagé au sein du collège, et si l'exécution des directives du ministre relatives à la politique criminelle est ainsi mise en péril, le ministre de la Justice prend les mesures nécessaires pour assurer leur application.
   § 3. Le collège des procureurs généraux est en outre chargé d'informer le ministre de la Justice et de lui donner avis, d'initiative ou à sa demande, sur toute question en rapport avec les missions du ministère public.
  A défaut de consensus, les avis expriment les différentes opinions exposées au sein du collège.
  [2 Le Collège des procureurs généraux évalue, notamment sur la base des rapports du procureur fédéral et du procureur de la sécurité routière et après avoir entendu ces derniers, la manière dont le procureur fédéral et le procureur de la sécurité routière mettent en oeuvre les directives de la politique criminelle, la manière dont le procureur fédéral et le procureur de la sécurité routière exercent leurs compétences ainsi que le fonctionnement du parquet fédéral et du parquet de la sécurité routière.]2 Cette évaluation sera intégrée dans le rapport visé au § 7. <L 1998-12-22/48, art. 5, 069; En vigueur : indéterminée >
  (Le collège des procureurs généraux peut instituer, dans les matières qu'il détermine, des réseaux d'expertise constitués de magistrats du parquet fédéral, des parquets généraux, [2 du parquet de la sécurité routière,]2 des parquets du procureur du Roi, des auditorats généraux du travail, des auditorats du travail et, le cas échéant, d'autres experts.
  Les modalités d'organisation et de fonctionnement des réseaux d'expertise sont déterminées par le collège des procureurs généraux en concertation avec le conseil des procureurs du Roi ou le conseil des auditeurs du travail.
  La désignation d'un magistrat du ministère public dans un réseau d'expertise est soumise à l'accord du chef de corps du corps auquel appartient le magistrat concerné.
  Ces réseaux veillent, sous l'autorité du collège des procureurs généraux et sous la direction et la surveillance du procureur général désigné spécialement en cette matière, à promouvoir la circulation de l'information et de la documentation entre les membres du ministère public. Ils peuvent en outre être chargés par le collège de toute mission d'appui en vue de l'exercice des compétences de celui-ci.) <L 2004-04-12/38, art. 4, 118; En vigueur : 17-05-2004>
  § 4. (Pour l'exécution de ses missions, le Collège est assisté de manière permanente par des magistrats d'assistance, dont le nombre est déterminé par la loi.
  Pour l'exécution de ses missions, le Collège peut, âpres avis du chef de corps concerné, faite appel temporairement à des membres du ministère public, à l'exception de ceux qui exercent les fonctions du ministère public près la Cour de cassation.) <L 1998-12-22/48, art. 5, 069; En vigueur : indéterminée >
  § 5. Le collège des procureurs généraux se réunit au moins une fois par mois, de sa propre initiative ou à la demande du ministre de la Justice.
  Le ministre de la Justice, ou en cas d'empêchement, son délégué, assiste aux réunions du collège lorsqu'elles portent sur des compétences visées à l'[1 article 143quater]1 et lorsque le collège se réunit à sa demande dans le cadre de l'exercice des compétences mentionnées au § 2.
  Le ministre préside les réunions du collège auxquelles il assiste.
  Pour l'exercice des compétences du collège, et après concertation avec celui-ci, le Roi peut confier à chacun de ses membres des tâches spécifiques.
  (Sauf si le Collège se réunit dans le cadre du § 3, troisième alinéa, le procureur fédéral peut participer aux réunions du Collège.) <L 1998-12-22/48, art. 5, 069; En vigueur : indéterminée >
  § 6. Le Roi règle les modalités de collaboration entre le collège et les services places sous l'autorité du ministre de la Justice.
  § 7. Le collège fait annuellement rapport au ministre de la Justice. Ce rapport contient la description de ses activités, l'analyse et l'évaluation de la politique des recherches et des poursuites pour l'année écoulée et les priorités pour l'année à venir.
  Le rapport est communique aux Chambres législatives par le ministre de la Justice et est rendu public.
  § 8. La présidence est assurée, à tour de rôle, pour chaque année judiciaire, successivement par les procureurs généraux près les cours d'appel d'Anvers, de Mons, de Bruxelles, de Gand et de Liège. Avec accord de tous les membres du collège, il peut être dérogé à l'alternance entre procureurs généraux appartenant à un même régime linguistique.
  Le procureur général qui assume la présidence fixe l'ordre du jour et l'organisation des réunions. (...). <L 2007-04-25/64, art. 4, 153; En vigueur : 01-12-2008>
  § 9. (En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre du collège des procureurs généraux, il est remplacé par le remplaçant désigné conformément à l'article 319.) <L 2001-06-21/42, art. 5, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  Sans préjudice de l'alinéa précédent, en cas d'absence ou d'empêchement du président, la présidence est assumée par le procureur général le plus ancien en rang du même régime linguistique.
  
Art. 143quater. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/64, art. 6; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De minister van Justitie legt de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid vast, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, nadat hij het advies van het college van procureurs-generaal heeft ingewonnen.
  Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie.
  De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied.
Art. 143quater. Le ministre de la Justice arrête les directives de politique criminelle, y compris en matière de politique de recherche et de poursuite après avoir pris l'avis du collège des procureurs généraux.
  Ces directives sont contraignantes pour tous les membres du ministère public.
  Les procureurs généraux près les cours d'appel veillent à l'exécution de ces directives au sein de leur ressort.
Art. 144. <W 1998-12-22/47, art. 16, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> De procureur-generaal bij het hof van beroep wordt bijgestaan door een eerste advocaat-generaal, advocaten-generaal en substituut-procureurs-generaal, die onder zijn toezicht en leiding hun ambt uitoefenen.
Art. 144. <L 1998-12-22/47, art. 16, 066; En vigueur : 02-08-2000> Le procureur général près la cour d'appel est assisté par un premier avocat général, des avocats généraux et des substituts du procureur général qui exercent leurs fonctions sous sa surveillance et sa direction.
Art. 144bis. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 6, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (§ 1. De federale procureur is belast met de leiding van het federaal parket, dat is samengesteld uit federale magistraten, die onder zijn rechtstreekse leiding en toezicht staan. Hun opdrachten strekken zich uit over het gehele grondgebied van het Rijk.
  [1 De federale procureur kan, met het oog op de goede en efficiënte werking ervan, het federaal parket van een interne organisatiestructuur voorzien, welke hij aan de minister bevoegd voor Justitie en het College van procureurs-generaal ter kennis brengt. Hij kan daartoe, onder meer, adjuncten aanwijzen onder de federale magistraten die deel uitmaken van zijn directiecomité en dit voor de periode gelijk aan deze van zijn mandaat. Bij deze aanwijzingen wordt de taalpariteit verzekerd.]1
  § 2. De federale procureur wordt met de volgende opdrachten belast :
  1° de strafvordering uitoefenen overeenkomstig artikel 144ter;
  2° zorgen voor de coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en het vergemakkelijken van de internationale samenwerking [2 overeenkomstig artikel 144sexies]2;
  3° het toezicht uitoefenen op de algemene en bijzondere werking van de federale politie, zoals bepaald in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus;
  [2 4° de taken die worden bedoeld in artikel 12, 1, a) en b), van Verordening (EU) 2021/784 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2021 inzake het tegengaan van de verspreiding van terroristische online-inhoud, overeenkomstig de richtlijnen die worden vermeld in een omzendbrief van het College van procureurs-generaal uitvoeren.]2
  § 3. In uitzonderlijke gevallen en enkel wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de federale procureur, bij een met redenen omklede beslissing, voor welbepaalde dossiers en na overleg met de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, zijn bevoegdheden tijdelijk geheel of gedeeltelijk opdragen aan een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank, die deze uitoefent vanuit zijn standplaats.
  In uitzonderlijke gevallen en enkel wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de Minister van Justitie, op voorstel van de federale procureur en na overleg met de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank opdracht geven om in het federaal parket de opdrachten van het openbaar ministerie tijdelijk uit te oefenen in het kader van welbepaalde dossiers. Tijdens de uitoefening van zijn opdracht heeft deze magistraat dezelfde bevoegdheden als de federale magistraten.
  De voormelde magistraten oefenen in die gevallen deze taak uit onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de federale procureur. Hun overige taken oefenen zij verder onder de onmiddellijke leiding en toezicht van hun korpschef uit.
  Ingeval omtrent de voormelde opdrachten geen overeenstemming bestaat tussen de federale procureur en de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, beslist de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 6, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  
Art. 144bis. (§ 1er. Le procureur fédéral est chargé de la direction du parquet fédéral, qui est composé de magistrats fédéraux, placés sous sa direction et sa surveillance immédiates. Leurs missions s'étendent à l'ensemble du territoire du Royaume.
  [1 Le procureur fédéral peut, en vue de son fonctionnement adéquat et efficace, doter le parquet fédéral d'une structure d'organisation interne, qu'il porte à la connaissance du ministre qui a la Justice dans ses attributions et du Collège des procureurs généraux. A cette fin, il peut notamment désigner des adjoints parmi les magistrats fédéraux qui font partie de son comité de direction, et ce pour la période équivalente à son mandat. La parité linguistique est garantie lors de ces désignations.]1
  § 2. Le procureur fédéral est chargé des missions suivantes :
  1° exercer l'action publique conformément à l'article 144ter;
  2° assurer la coordination de l'exercice de l'action publique et faciliter la coopération internationale conformément [2 à l'article 144sexies]2;
  3° exercer la surveillance sur le fonctionnement général et particulier de la police fédérale, conformément à la loi du 7 décembre 1998 organisant un service de police intégré, structuré à deux niveaux;
  [2 4° exercer les tâches visées à l'article 12, 1 a) et b) du règlement (UE) 2021/784 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2021 relatif à la lutte contre la diffusion des contenus à caractère terroriste en ligne, conformément aux lignes directrices énoncées dans une circulaire du Collège des procureurs généraux.]2
  § 3. Dans des cas exceptionnels et uniquement si les besoins du service le justifient, le procureur fédéral peut, par décision motivée, déléguer ses compétences, dans des dossiers déterminés, temporairement, en tout ou en partie et après concertation avec le procureur général, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail compétent, à un membre du parquet général, d'un auditorat général près la Cour du travail, d'un parquet du procureur du Roi ou d'un auditorat du travail près le tribunal du travail, qui les exerce à partir de sa résidence.
  Dans des cas exceptionnels et uniquement si les besoins du service le justifient, le Ministre de la Justice peut, sur proposition du procureur fédéral, et après concertation avec le procureur général, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail compétent, déléguer un membre d'un parquet général, d'un auditorat général près la Cour du travail, d'un parquet du procureur du Roi ou d'un auditorat du travail près le tribunal du travail pour exercer temporairement les fonctions du ministère public dans le parquet fédéral dans le cadre de dossiers déterminés. Dans l'exercice de ses fonctions, le magistrat a les mêmes compétences que les magistrats fédéraux.
  Dans ces cas, les magistrats précités exercent cette tâche sous la direction et la surveillance immédiates du procureur fédéral. Ils continuent à exercer leurs autres taches sous la direction et la surveillance immédiates de leur chef de corps.
  Si le procureur fédéral et le procureur général, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail compétent ne sont pas parvenus à un accord sur les missions précitées, le procureur fédéral décide.) <L 2001-06-21/42, art. 6, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  
Art. 144ter. <INGEVOEGD bij W 2001-06-21/42, art. 7, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> § 1. Indien een goede rechtsbedeling het vereist, wordt, behoudens in de gevallen bepaald in de bijzondere wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van leden van een gemeenschaps- of gewestregering en de wet van 25 juni 1998 tot regeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van ministers, de strafvordering uitgeoefend door de federale procureur voor :
  1° de misdrijven welke bedoeld zijn in :
  - de artikelen 101 tot 136 van het Strafwetboek;
  - de artikelen 331bis, 477 tot 477sexies en 488bis [1 tot 488quinquies]1 van het Strafwetboek;
  - (de artikelen 433sexies, 433septies en 433octies van het Strafwetboek en de artikelen 77ter, 77quater en 77quinquies) van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; <W 2005-08-10/61, art. 27, 127; Inwerkingtreding : 12-09-2005>
  - (...) <W 2003-08-05/32, art. 24, 115; Inwerkingtreding : 07-08-2003>
  2° de misdrijven gepleegd met gebruik van geweld tegen personen of materiële belangen om ideologische of politieke redenen met het doel zijn doelstellingen door middel van terreur, intimidatie of bedreigingen te bereiken [2 , en in het bijzonder de in boek II, titel Iter van het Strafwetboek bedoelde misdrijven]2;
  3° de misdrijven die in belangrijke mate verschillende rechtsgebieden betreffen of een internationale dimensie hebben, in het bijzonder die van de georganiseerde criminaliteit;
  4° de misdrijven gepleegd in het kader van de in-, uit- en doorvoer van wapens, munitie en speciaal voor militair gebruik dienstig materiaal en daaraan verbonden technologie in de gevallen waarin de strafvordering wordt uitgeoefend door het openbaar ministerie;
  5° de misdrijven bedoeld in hoofdstuk I van titel VI van boek II van het Strafwetboek;
  6° de misdrijven die samenhangend zijn met die bedoeld in 1°, 2°, 3°, 4° en 5°.
  § 2. De procureur des Konings, of in de gevallen bepaald in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering, de procureur-generaal, licht ambtshalve de federale procureur in wanneer hij kennis neemt van een misdrijf bedoeld in § 1. Hij licht bovendien de federale procureur in, telkens als dit voor de uitoefening van de strafvordering door de federale procureur van belang is.
  § 3. In de gevallen bedoeld in § 1 beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings of in de gevallen bedoeld in de artikelen 479 en volgende van het Wetboek van strafvordering de procureur-generaal, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, genomen na overleg met de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal. Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.
  § 4. De federale procureur licht de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal in, telkens dit voor de uitoefening van de strafvordering door de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, van belang is.
  § 5. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal, en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.
  
Art. 144ter. § 1er. Si une bonne administration de la justice l'exige, sauf dans les cas prévus par la loi spéciale du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des membres des gouvernements de communauté ou de région et la loi du 25 juin 1998 réglant la responsabilité pénale des ministres, le procureur fédéral exerce l'action publique pour :
  1° les infractions visées :
  - aux articles 101 à 136 du Code pénal;
  - aux articles 331bis, 477 à 477sexies et 488bis [1 à 488quinquies]1 du Code pénal;
  - (aux articles 433sexies, 433septies et 433octies du Code pénal et aux articles 77ter, 77quater et 77quinquies) de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers; <L 2005-08-10/61, art. 27, 127; En vigueur : 12-09-2005>
  - (...) <L 2003-08-05/32, art. 24, 115; En vigueur : 07-08-2003>
  2° les infractions commises avec usage de violence à l'encontre de personnes ou d'intérêts matériels, pour des motifs idéologiques ou politiques, dans le but d'atteindre ses objectifs par la terreur, l'intimidation ou les menaces [2 , et spécialement les infractions visées au livre II, titre Iter du Code pénal]2;
  3° les infractions qui, dans une large mesure, concernent plusieurs ressorts ou qui ont une dimension internationale, en particulier celles de la criminalité organisée;
  4° les infractions commises à l'occasion de l'importation, l'exportation et le transit d'armes, de munitions et de matériel devant servir spécialement à un usage militaire et de la technologie y afférente, dans les cas où le ministère public exerce l'action publique;
  5° les infractions visées au chapitre Ier du titre VI du livre II du Code pénal;
  6° les infractions connexes aux infractions visées aux 1°, 2°, 3°, 4° et 5°.
  § 2. Le procureur du Roi ou, dans les cas prévus par les articles 479 et suivants du Code d'instruction criminelle, le procureur général, informe d'office le procureur fédéral lorsqu'il est saisi d'une infraction visée au § 1er. Il informe en outre le procureur fédéral chaque fois que cette information revêt un intérêt pour l'action publique exercée par celui-ci.
  § 3. Dans les cas visés au § 1er, le procureur fédéral détermine qui, du procureur du Roi ou, dans les cas prévus par les articles 479 et suivants du Code d'instruction criminelle, du procureur général ou de lui-même, exerce l'action publique. Sauf en cas d'urgence impérieuse, la décision est prise après concertation respectivement avec le procureur du Roi ou avec le procureur général. La décision n'est susceptible d'aucun recours.
  § 4. Le procureur fédéral informe respectivement le procureur du Roi ou le procureur général chaque fois que cette information revêt un intérêt pour l'action publique exercée respectivement par le procureur du Roi ou par le procureur général.
  § 5. Aucune nullité ne peut être invoquée en ce qui concerne la répartition de compétence, quant à l'exercice de l'action publique, entre le procureur du Roi ou le procureur général, d'une part, et le procureur fédéral, d'autre part.
  
Art. 144quater. <INGEVOEGD bij W 2003-08-05/32, art. 25; Inwerkingtreding : 07-08-2003> Voor de misdrijven bedoeld in boek II, titel Ibis, van het Strafwetboek [1 en in [2 de artikel en 4.5.1.1. en 4.5.2.2. van het Belgisch Scheepvaartwetboek]2]1 wordt de strafvordering uitsluitend uitgeoefend door de federale procureur.
  
Art. 144quater. Pour les infractions visées au livre II, titre Ibis, du Code pénal [1 et [2 les articles 4.5.1.1. et 4.5.2.2. du Code belge de la Navigation]2]1 , seul le procureur fédéral exerce l'action publique.
  
Art. 144quinquies. <INGEVOEGD bij W 2003-04-10/59, art. 90; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In vredestijd wordt de federale procureur ingelicht over de misdrijven die, overeenkomstig [1 artikel 10]1 van de Voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering in België kunnen worden vervolgd. Onverminderd de bepalingen van artikel 29 van het Wetboek van strafvordering, wordt hij rechtstreeks ingelicht hetzij door de commandanten van de militaire eenheden die in het buitenland gestationeerd zijn, hetzij door de leden van de federale politie die, overeenkomstig artikel 112 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, belast zijn met de politie van de militairen.
  Wanneer overeenkomstig artikel 309bis een magistraat van het openbaar ministerie aanwezig is op de plaats van de operaties, wordt de in het vorige lid bedoelde inlichting rechtstreeks aan hem gegeven.
  Onverminderd artikel 144ter beslist de federale procureur of, hetzij de procureur des Konings, hetzij hijzelf de strafvordering uitoefent in de gevallen bedoeld in dit artikel. De beslissing wordt, behoudens dringende en noodzakelijke omstandigheden, genomen na overleg met de procureur des Konings.
  Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de federale procureur betreffende de uitoefening van de strafvordering, kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.
  [2 Bij afwezigheid of verhindering van een magistraat van het Openbaar Ministerie of van een lid van de federale politie op de plaats van de operaties buiten het Belgisch grondgebied, en voor de periode van die afwezigheid of verhindering, kan de federale procureur, in geval van dringendheid, de commandant van het detachement, of de door de commandant aangewezen militairen, bij voorkeur de leden van de militaire politie, ermee belasten om onder de leiding, het gezag en de verantwoordelijkheid van het federaal parket de bewarende en tijdelijke maatregelen te nemen die hij bepaalt.
   Zodra de magistraat van het openbaar ministerie of een lid van de federale politie op de plaats van de operatie aankomt, is de commandant van het detachement of zijn de door de commandant aangewezen militairen definitief ontheven van deze opdracht.]2

  
Art. 144quinquies. En temps de paix, le procureur fédéral est avisé des infractions qui, conformément à l'[1 article 10]1 du titre préliminaire du Code d'instruction criminelle peuvent être poursuivies en Belgique. Avis lui en est donné directement, sans préjudice des dispositions de l'article 29 du Code d'instruction criminelle, soit par les commandants des unités militaires stationnées à l'étranger, soit par les membres de la police fédérale chargés, conformément à l'article 112 de la loi du 7 décembre 1998 organisant un service policier intégré, structuré à deux niveaux, d'assurer la police des militaires.
  Lorsque, conformément à l'article 309bis, un magistrat du ministère public est présent sur le théâtre d'opération, l'avis visé à l'alinéa précédent lui est donné directement.
  Sans préjudice de l'article 144ter, le procureur fédéral décide que soit un procureur du Roi soit lui même exerce l'action publique dans les cas visés au présent article. La décision est, sauf circonstances urgentes et nécessaires, prise après concertation avec le procureur du Roi.
  Aucun recours n'est ouvert contre cette décision. Aucune nullité ne peut être soulevée en matière de partage de compétence entre le procureur du Roi et le procureur fédéral concernant l'exercice de l'action publique.
  [2 En cas d'absence ou d'empêchement d'un magistrat du ministère public ou d'un membre de la police fédérale sur le théâtre d'opération en dehors du territoire belge, et pour la durée de cette absence ou de cet empêchement, le procureur fédéral peut, en cas d'urgence, charger le commandant du détachement, ou les militaires désignés par ce dernier, par préférence les membres de la police militaire, de prendre, sous la direction, l'autorité et la responsabilité du parquet fédéral, des mesures conservatoires et temporaires qu'il détermine.
   Dès l'arrivée du magistrat du ministère public ou d'un membre de la police fédérale sur le théâtre d'opération, le commandant du détachement ou les militaires désignés par ce dernier sont définitivement déchargés de cette mission.]2

  
Art. 144sexies. (oud artikel 144quater) <INGEVOEGD bij W 2001-06-21/42, art. 8, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> De coördinatie van de uitoefening van de strafvordering en het vergemakkelijken van de internationale samenwerking gebeuren in overleg met een of meer procureurs des Konings of arbeidsauditeurs. Indien dit noodzakelijk is, kan de federale procureur daartoe, na de territoriaal bevoegde procureur-generaal te hebben ingelicht en behoudens diens andersluidende beslissing, dwingende onderrichtingen geven aan een of meer procureurs des Konings of arbeidsauditeurs. <W 2003-08-05/32, art. 25, 115; Inwerkingtreding : 07-08-2003>
Art. 144sexies. (ancien art. 144quater) La coordination de l'exercice de l'action publique et la facilitation de la coopération internationale se font en concertation avec un ou plusieurs procureurs du Roi ou auditeurs du travail. Si nécessaire, le procureur fédéral peut à cet effet donner des instructions contraignantes à un ou plusieurs procureurs du Roi ou auditeurs du travail, après en avoir informé le procureur général territorialement compétent et sauf décision contraire de sa part. <L 2003-08-05/32, art. 25, 115; En vigueur : 07-08-2003>
Art. 144septies. <INGEVOEGD bij W 2006-06-13/40, art. 37; Inwerkingtreding : 16-08-2006> Er zijn twee verbindingsmagistraten in jeugdzaken. De eerste oefent zijn functie uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De tweede oefent zijn bevoegdheden uit ten aanzien van de instanties die afhangen van de Franse Gemeenschap, van de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap en van de instanties die afhangen van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zo nodig, wordt een derde verbindingsmagistraat in jeugdzaken aangewezen voor de instanties die afhangen van de Duitstalige Gemeenschap.
  De verbindingsmagistraat in jeugdzaken is belast met de volgende opdrachten :
  1° in geval van gebrek aan beschikbare plaatsen in de openbare gemeenschapsinstellingen voor jeugdbescherming, de inwerkingstelling van de plaatsingsbeslissing optimaliseren voor de personen ten aanzien van wie een rechterlijke beslissing genomen is met toepassing van artikel 36, 4°, en 37 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade;
  2° de eventuele verwijzingen coördineren van veroordeelde personen die zich in een federaal gesloten centrum bevinden, naar een strafinrichting voor volwassenen.
  (3° met inachtneming van de respectieve bevoegdheden, voorzien in permanent contact met de leidende ambtenaren van de diensten van de gemeenschappen belast met de uitvoering van de beslissingen houdende plaatsing.) <W 2006-12-27/33, art. , 1°, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  De verbindingsmagistraat in jeugdzaken vervult zijn opdrachten onder het gezag van het college van procureurs-generaal en onder de leiding van de procureur-generaal die belast is met jeugdzaken.
  Hij oefent zijn ambt uit ten zetel van het college van procureurs-generaal.
Art. 144septies. Il y a deux magistrats de liaison en matière de jeunesse. Le premier exerce ses compétences vis-à-vis des instances relevant de la Communauté flamande et des instances relevant de la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale. Le second exerce ses compétences vis-à-vis des instances relevant de la Communauté française, des instances relevant de la Communauté germanophone et des instances relevant de la Commission communautaire commune de la Région de Bruxelles-Capitale. Si besoin est, un troisième magistrat de liaison en matière de jeunesse est désigné pour les instances relevant de la Communauté germanophone.
  Le magistrat de liaison en matière de jeunesse est chargé des missions suivantes :
  1° optimaliser, en cas de manque de places disponibles dans les institutions communautaires publiques de protection de la jeunesse, la mise en oeuvre de la décision de placement prise à l'égard des personnes faisant l'objet d'une décision judiciaire en application de l'article 36, 4°, et 37 de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait;
  2° coordonner les orientations éventuelles de personnes condamnées se trouvant dans un centre fédéral fermé vers un établissement pénitentiaire pour adultes.
  (3° établir, dans le respect des compétences respectives, des contacts permanents avec les fonctionnaires dirigeants des services des communautés charges de la mise en oeuvre des décisions de placement.) <L 2006-12-27/33, art. 106, 144; En vigueur : 01-01-2007>
  Le magistrat de liaison en matière de jeunesse exerce ses missions sous l'autorité du collège des procureurs généraux et sous la direction du procureur général qui a en charge la protection de la jeunesse.
  Il exerce sa fonction au siège du collège des procureurs généraux.
Art. 145. <W 1998-12-22/47, art. 18, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Er is een arbeidsauditoraat-generaal bij ieder arbeidshof. Dit bestaat uit een eerste advocaat-generaal, een of meer advocaten-generaal en een of meer substituten-generaal die er, onder het toezicht en de leiding van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uitoefenen.
Art. 145. <L 1998-12-22/47, art. 18, 066; En vigueur : 02-08-2000> Il y a un auditorat général du travail au siège de chaque cour du travail. Il est composé d'un premier avocat général, d'un ou plusieurs avocats généraux et d'un ou plusieurs substituts généraux qui y exercent, sous la surveillance et la direction du procureur général, les fonctions du ministère public.
Art. 146. De advocaten-generaal bij het hof van beroep en de advocaten-generaal bij het arbeidshof zijn in het bijzonder ermee belast namens de procureur-generaal het woord te voeren op de zittingen van het hof van beroep en van het arbeidshof.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 1998-12-22/48, art. 7, 069; Inwerkingtreding : onbepaald &gt;</span></span> gewijzigd en deze wijziging wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004&gt;</span></span>)
Art. 146. Les avocats généraux près la cour d'appel et les avocats généraux près la cour du travail sont spécialement chargés de porter la parole au nom du procureur général aux audiences, respectivement de la cour d'appel et de la cour du travail.
  (NOTE : Cet article a été modifié par <L 1998-12-22/48, art. 7, 069; En vigueur : indéterminée >, cette modification a été abrogée par <L 2004-04-12/38, art. 13, 117; En vigueur : 17-05-2004>)
Art. 146bis. <INGEVOEGD bij W 2004-04-12/38, art. 5; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De procureurs-generaal bij de hoven van beroep zorgen in hun rechtsgebied voor de coherente uitvoering en de coördinatie, onder hun leiding, van het strafrechtelijk beleid.
  Zij geven met het oog hierop algemene onderrichtingen die dwingend zijn voor alle leden van het openbaar ministerie van hun rechtsgebied. Zij kunnen eveneens met dezelfde doeleinden onderrichtingen geven met het oog op de uitoefening van de strafvordering in bepaalde zaken. Deze onderrichtingen dienen in overeenstemming te zijn met de richtlijnen die door het college van procureurs-generaal zijn uitgevaardigd met toepassing van artikel 143bis, § 2, eerste lid, en met de in [1 artikel 143quater]1 bedoelde richtlijnen van de Minister van Justitie.
  
Art. 146bis. Les procureurs généraux près les cours d'appel veillent dans leur ressort à la mise en ouvre cohérente et à la coordination, sous leur direction, de la politique criminelle.
  Ils donnent à cette fin des instructions générales qui sont contraignantes pour tous les membres du ministère public de leur ressort. Ils peuvent également donner à cette même fin des instructions concernant l'exercice de l'action publique dans des affaires déterminées. Ces instructions doivent être conformes aux directives prises par le collège des procureurs généraux en application de l'article 143bis, § 2, alinéa 1er, et aux directives du Ministre de la Justice prévues à l'[1 article 143quater]1.
  
Art. 146ter. <INGEVOEGD bij W 2004-04-12/38, art. 6; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De procureurs-generaal, de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs van hun rechtsgebied zorgen, in onderling overleg, voor de kwaliteit van de organisatie en de werking van de parketten van eerste aanleg en de arbeidsauditoraten.
Art. 146ter. Les procureurs généraux, les procureurs du Roi et les auditeurs du travail de leur ressort veillent, en concertation, à la qualité de l'organisation et du fonctionnement des parquets de première instance et des auditorats du travail.
Art. 146quater. <INGEVOEGD bij W 2004-04-12/38, art. 7; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Onverminderd de toepassing van artikel 143bis, verschaffen de procureurs-generaal bij de hoven van beroep aan de parketten van eerste aanleg en aan de arbeidsauditoraten van hun rechtsgebied de nodige ondersteuning voor de uitoefening van de strafvordering.
  Met het oog hierop kan elke procureur-generaal binnen het parket-generaal of het auditoraat-generaal magistraten aanwijzen die in het bijzonder gelast worden met een permanente informatie-, documentatie- en raadgevende opdracht in één of meer bepaalde domeinen.
Art. 146quater. Sans préjudice de l'application de l'article 143bis, les procureurs généraux près les cours d'appel procurent aux parquets de première instance et aux auditorats du travail de leur ressort l'appui nécessaire à l'exercice de l'action publique.
  A cet effet, chaque procureur général peut désigner au sein du parquet général ou de l'auditorat général des magistrats chargés plus particulièrement d'une mission permanente d'information, de documentation et de conseil dans un ou plusieurs domaines déterminés.
Art. 147. De subsituut-procureurs-generaal zijn, onder de leiding van de procureur-generaal, in het bijzonder belast met het onderzoek van en de verslagen over de in beschuldigingstellingen; zij stellen de akten van beschuldiging op en staan de procureur-generaal bij in elk deel van de inwendige dienst van het parket.
  Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal hen gelasten tijdelijk het ambt van advocaat-generaal waar te nemen.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 1998-12-22/48, art. 8, 069; Inwerkingtreding : onbepaald &gt;</span></span> gewijzigd en deze wijziging wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004&gt;</span></span>)
Art. 147. Les substituts du procureur général sont spécialement chargés, sous la direction du procureur général, de l'examen et des rapports sur les mises en accusation; ils rédigent les actes d'accusation et assistent le procureur général dans toutes les parties du service intérieur du parquet.
  Lorsque les nécessités du service le justifient, le procureur général peut les charger d'exercer temporairement les fonctions des avocats généraux.
  (NOTE : Cet article a été modifié par <L 1998-12-22/48, art. 8, 069; En vigueur : indéterminée >, cette modification a été abrogée par <L 2004-04-12/38, art. 13, 117; En vigueur : 17-05-2004>)
Art. 148. <NOTA : Dit artikel werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 9, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42> (De federale procureur oefent, onder het gezag van de Minister van Justitie, toezicht uit op alle officieren van gerechtelijke politie wanneer zij opdrachten uitvoeren overeenkomstig artikel 144bis.
  De procureurs-generaal bij de hoven van beroep oefenen in de overige gevallen, onder het gezag van de Minister van Justitie, toezicht uit op alle officieren van gerechtelijke politie en openbare en ministeriële ambtenaren van hun rechtsgebied.) <W 2001-06-21/42, art. 9, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 148. (Le procureur fédéral exerce, sous l'autorité du Ministre de la Justice, la surveillance sur tous les officiers de police judiciaire lorsqu'ils exécutent des missions conformément à l'article 144bis.
  Dans les autres cas, les procureurs généraux près les cours d'appel exercent, sous l'autorité du Ministre de la Justice, la surveillance sur tous les officiers de police judiciaire et officiers publics et ministériels de leur ressort.) <L 2001-06-21/42, art. 9, 085; En vigueur : 21-05-2002>
Art. 149. Het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen wordt uitgeoefend door de procureur-generaal; hij kan deze bevoegdheid opdragen aan een lid van het parket-generaal of van het parket van de procureur des Konings in wiens zetel de assisen worden gehouden.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 1998-12-22/48, art. 10, 069; Inwerkingtreding : onbepaald &gt;</span></span> gewijzigd en deze wijziging wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004&gt;</span></span>)
Art. 149. Les fonctions du ministère public près la Cour d'assises sont exercées par le procureur général; il peut déléguer un membre du parquet général ou du parquet du procureur du roi au siège duquel les assises sont tenues.
  (NOTE : Cet article a été modifié par <L 1998-12-22/48, art. 10, 069; En vigueur : indéterminée >, cette modification a été abrogée par <L 2004-04-12/38, art. 13, 118; En vigueur : 17-05-2004>)
Art. 150. [1 § 1.]1 Er is een procureur des Konings in de zetel van ieder arrondissement.
  (Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, oefent hij, onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbank, de rechtbank van eerste aanleg, de [3 ondernemingsrechtbank]3 en de politierechtbanken van het arrondissement. Wat de strafvordering betreft, oefent de procureur-generaal zijn gezag uit in de gevallen en op de wijze bepaald in de artikelen 146bis en 146ter.) <W 2004-04-12/38, art. 8, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004>
  [1 § 2. In afwijking van § 1, zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel twee procureurs des Konings, onverminderd § 3, artikel 137 en artikel 138bis, § 3 :
   1° de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde oefent in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde onder het gezag van de procureur-generaal van Brussel het ambt van openbaar ministerie uit bij de Nederlandstalige arrondissementsrechtbank, de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, de Nederlandstalige [3 ondernemingsrechtbank]3 en bij de politierechtbanken. De aan deze procureur verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Nederlandstalige rechtbank met standplaats het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde;
   2° [6 de procureur des Konings te Brussel oefent, in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, onder het gezag van de procureur-generaal te Brussel, het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbanken, de rechtbanken van eerste aanleg, de ondernemingsrechtbanken en de politierechtbanken. Deze procureur des Konings wordt bijgestaan door twee eerste substituten, elk met als titel adjunct-procureur des Konings te Brussel. Een is Franstalig en de tweede behoort luidens zijn diploma tot een verschillende taalrol dan die van de procureur des Konings. De adjunct-procureurs des Konings te Brussel treden op onder het gezag en de leiding van de procureur des Konings te Brussel. Onverminderd de bevoegdheden die zij uitoefenen met het oog op het coördinatiecomité bedoeld in artikel 150ter, staat, wanneer de procureur des Konings te Brussel Franstalig is, een Nederlandstalige adjunct-procureur des Konings de procureur des Konings bij, in het bijzonder voor de relaties met het parket te Halle-Vilvoorde, de goede werking van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, van de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank en van de Nederlandstalige politierechtbank van het administratief arrondissement Brussel en voor de relaties met de Nederlandstalige magistratuur en het Nederlandstalig personeel van het parket te Brussel, en de Franstalige adjunct-procureur des Konings staat hem bij, in het bijzonder voor de relaties met de substituten bedoeld in artikel 43, § 5bis, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de goede werking van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, van de Franstalige ondernemingsrechtbank en van de Franstalige politierechtbank van het administratief arrondissement Brussel en voor de relaties met de Franstalige magistratuur en het Franstalig personeel van het parket te Brussel. De aan de procureur des Konings te Brussel verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Brusselse rechtbanken met als standplaats het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.]6
   § 3. In afwijking van § 2, oefenen substituten bedoeld in artikel 43, § 5bis, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, hun ambt uit bij voorrang ten opzichte van verdachten die een taalwijziging of doorverwijzing hebben gevraagd overeenkomstig artikel 15, § 2, en artikel 16, §§ 2 en 3, van dezelfde wet. Zij vorderen bij de Franstalige rechtbank van Brussel na toepassing van het voornoemde artikel 16, §§ 2 en 3, in voorkomend geval, ingevolge doorverwijzing op basis van deze bepaling, en bij de politierechtbank bedoeld in artikel 15 van dezelfde wet, en na verwijzing van die laatste overeenkomstig het voornoemd artikel 15, § 2, bij de Franstalige politierechtbank van Brussel. Zij blijven onder de hiërarchische leiding van de procureur des Konings van Brussel, maar worden geplaatst onder het gezag van de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde wat betreft de toepassing van de richtlijnen en de instructies inzake het strafrechtelijk beleid.]1

  [2 § 4. Onverminderd artikel 137 zijn er in het gerechtelijk arrondissement Henegouwen twee procureurs des Konings :
   1° de procureur des Konings van Charleroi oefent in de kantons van [4 Chimay]4, Binche, Charleroi, Châtelet, [5 ...]5, Seneffe en Thuin en onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg, de [3 ondernemingsrechtbank]3 en de politierechtbank die gelegen zijn in dat grondgebied;
   2° de procureur des Konings van Bergen oefent in de overige kantons van de provincie Henegouwen en onder het gezag van de procureur-generaal, het ambt van openbaar ministerie uit bij de afdelingen van de rechtbank van eerste aanleg, de [3 ondernemingsrechtbank]3 en de politierechtbank die gelegen zijn in dat grondgebied.
   De procureur des Konings van Bergen oefent het ambt van openbaar ministerie uit bij de arrondissementsrechtbank.
   Binnen het grondgebied dat hem in het eerste lid is toegewezen, oefent elkeen de taken uit die de wetten en besluiten toekennen aan de procureur des Konings van een arrondissement. In de gevallen waarin de wet bepaalt dat de procureur des Konings een advies geeft aan de rechtbanken, geeft elk van beide procureurs een advies.]2

  
Art. 150. [1 § 1er.]1 Il y a un procureur du Roi au siège de chaque arrondissement.
  (Sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 138, alinéas 3 à 5, il exerce sous l'autorité du procureur général, les fonctions du ministère public près le tribunal d'arrondissement, près le tribunal de première instance, près le [3 tribunal de l'entreprise]3 et près les tribunaux de police de l'arrondissement. Pour ce qui concerne l'action publique, l'autorité du procureur général s'exerce dans les cas et selon les modalités prévues aux articles 146bis et 146ter.) <L 2004-04-12/38, art. 8, 118; En vigueur : 17-05-2004>
  [1 § 2. Par dérogation au § 1er, il y a deux procureurs du Roi dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, sans préjudice du § 3, de l'article 137 et de l'article 138bis, § 3 :
   1° le procureur du Roi de Hal-Vilvorde exerce, dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde et sous l'autorité du procureur général de Bruxelles, les fonctions du ministère public près le tribunal d'arrondissement néerlandophone, le tribunal de première instance néerlandophone, le [3 tribunal de l'entreprise]3 néerlandophone et les tribunaux de police. Les officiers du ministère public liés à ce procureur sont nommés près le tribunal néerlandophone avec comme résidence l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde;
   2° [6 le procureur du Roi de Bruxelles exerce, dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et sous l'autorité du procureur général de Bruxelles, les fonctions du ministère public près les tribunaux d'arrondissement, les tribunaux de première instance, les tribunaux de l'entreprise, et les tribunaux de police. Ce procureur du Roi est assisté par deux premiers substituts, portant chacun le titre de procureur du Roi adjoint de Bruxelles. L'un est francophone et le second appartient, selon son diplôme, à un rôle linguistique différent que celui du procureur du Roi. Les procureurs du Roi adjoints de Bruxelles agissent sous l'autorité et la direction du procureur du Roi de Bruxelles. Sans préjudice des compétences qu'ils exercent en vue du comité de coordination visé à l'article 150ter, lorsque le procureur du Roi de Bruxelles est francophone, un procureur du Roi adjoint néerlandophone assiste le procureur du Roi, notamment en ce qui concerne les relations avec le parquet de Hal-Vilvorde, le bon fonctionnement du tribunal de première instance néerlandophone, du tribunal de l'entreprise néerlandophone et du tribunal de police néerlandophone de l'arrondissement administratif de Bruxelles et pour les relations avec la magistrature néerlandophone et le personnel néerlandophone du parquet de Bruxelles, et le procureur du Roi adjoint francophone l'assiste, notamment en ce qui concerne les relations avec les substituts visés à l'article 43, § 5bis, alinéa 1er, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, le bon fonctionnement du tribunal de première instance francophone, du tribunal de l'entreprise francophone et du tribunal de police francophone de l'arrondissement administratif de Bruxelles et pour les relations avec la magistrature francophone et le personnel francophone du parquet de Bruxelles. Les officiers du ministère public liés au procureur du Roi de Bruxelles sont nommés près les tribunaux bruxellois avec comme résidence l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.]6
   § 3. Par dérogation au § 2, des substituts visés à l'article 43, § 5bis, alinéa 1er, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, exercent leur mission par priorité à l'égard des prévenus ayant formulé une demande de changement de langue ou de renvoi en vertu des articles 15, § 2, et 16, §§ 2 et 3, de la même loi. Ils exercent l'action publique près le tribunal francophone de Bruxelles après application de l'article 16, §§ 2 et 3, précité, le cas échéant, après renvoi sur la base de cette disposition, et près le tribunal de police visé à l'article 15 de la même loi et, après renvoi par celui-ci en application de l'article 15, § 2, précité, près le tribunal de police francophone de Bruxelles. Ils restent sous l'autorité hiérarchique du procureur du Roi de Bruxelles mais relèvent de l'autorité du procureur du Roi de Hal-Vilvorde pour ce qui concerne l'application des directives et instructions en matière de politique criminelle.]1

  [2 § 4. Sans préjudice de l'article 137, il y a deux procureurs du Roi dans l'arrondissement judiciaire du Hainaut :
   1° le procureur du Roi de Charleroi exerce, dans les cantons de [4 Chimay]4, de Binche, de Charleroi, de Châtelet, [5 ...]5 de Seneffe et de Thuin et sous l'autorité du procureur général, les fonctions du ministère public près les divisions du tribunal de première instance, du [3 tribunal de l'entreprise]3 et du tribunal de police qui sont situées sur ce territoire;
   2° le procureur du Roi de Mons exerce, dans les autres cantons de la province de Hainaut et sous l'autorité du procureur général, les fonctions du ministère public près les divisions du tribunal de première instance, du [3 tribunal de l'entreprise]3 et du tribunal de police qui sont situées sur ce territoire.
   Le procureur du Roi de Mons exerce les fonctions du ministère public près le tribunal d'arrondissement.
   Au sein du territoire qui lui a été attribué à l'alinéa 1er, chacun exerce les tâches que les lois et arrêtés confèrent au procureur du Roi d'un arrondissement. Dans les cas où la loi prévoit que le procureur du Roi rend un avis aux tribunaux, les deux procureurs rendent chacun un avis.]2

  
Art. 150/1. [1 § 1. Er is een procureur voor de verkeersveiligheid die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Rijk.
   Hij oefent, onverminderd de bevoegdheden van de procureurs des Konings, in de gevallen en volgens de regels bepaald door de wet, onder het gezag van het College van het openbaar ministerie, alle opdrachten uit van het openbaar ministerie bij de hoven van beroep, de rechtbanken van eerste aanleg en de politierechtbanken, in de strafzaken bedoeld in artikel 150/2, § 1.
   § 2. De procureur voor de verkeersveiligheid is belast met de leiding van het parket voor de verkeersveiligheid, dat is samengesteld uit twee substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid, elk behorende tot een verschillende taalrol, die onder zijn rechtstreekse leiding en toezicht staan. Hun opdrachten strekken zich uit over het gehele grondgebied van het Rijk.
   § 3. De procureur voor de verkeersveiligheid wordt met de volgende opdrachten belast:
   1° de strafvordering uitoefenen overeenkomstig artikel 150/2;
   2° de in het kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad van 24 februari 2005 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties en de in de wet van 5 augustus 2006 inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie vermelde beslissingen inzake geldelijke sancties, naar het buitenland toe te zenden en in België uit te voeren.]1

  
Art. 150/1. [1 § 1er. Il y a un procureur de la sécurité routière compétent pour l'ensemble du territoire du Royaume.
   Il exerce, sans préjudice des compétences des procureurs du Roi, dans les cas et selon les modalités déterminées par la loi, sous l'autorité du Collège du ministère public, toutes les fonctions du ministère public près les cours d'appel, les tribunaux de première instance et les tribunaux de police, dans les affaires pénales visées à l'article 150/2, § 1er.
   § 2. Le procureur de la sécurité routière est chargé de la direction du parquet de la sécurité routière, composé de deux substituts du procureur de la sécurité routière, appartenant chacun à un rôle linguistique différent, qui sont sous sa direction et sa supervision directes. Leurs missions s'étendent à l'ensemble du territoire du Royaume.
   § 3. Le procureur de la sécurité routière est chargé des missions suivantes:
   1° l'exercice de l'action publique conformément à l'article 150/2;
   2° la transmission à l'étranger et l'exécution en Belgique des décisions relatives à des sanctions pécuniaires telles que visées par la décision-cadre 2005/214/JAI du Conseil du 24 février 2005 concernant l'application du principe de reconnaissance mutuelle aux sanctions pécuniaires et la loi du 5 août 2006 relative à l'application du principe de reconnaissance mutuelle des décisions judiciaires en matière pénale entre les Etats membres de l'Union européenne.]1

  
Art. 150 //2. [1 § 1. Onverminderd de bevoegdheden van de procureurs des Konings, wordt de strafvordering uitgeoefend door de procureur voor de verkeersveiligheid:
   1° voor de misdrijven waarvoor een voorstel tot inning van een som is gebeurd, overeenkomstig artikel 65 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, ofwel waarvoor een minnelijke schikking is voorgesteld overeenkomstig artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering ofwel waarvoor een bevel tot betalen is opgelegd overeenkomstig artikel 65/1 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en er wordt vastgesteld dat een van deze geldsommen niet is betaald;
   2° onverminderd de toepassing van de bepaling onder 1°, voor de misdrijven welke bedoeld zijn in:
   a) de besluitwet van 30 december 1946 betreffende het bezoldigd vervoer van personen over de weg met autobussen en met autocars;
   b) de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer en de koninklijke besluiten tot uitvoering van deze wet, met name:
   - het koninklijk besluit van 10 oktober 1974 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de bromfietsen, de motorfietsen en hun aanhangwagens moeten voldoen;
   - het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg;
   - het koninklijk besluit van 8 januari 1996 tot regeling van de inschrijving van de commerciële platen en de nationale platen voor motorvoertuigen en aanhangwagens;
   - het koninklijk besluit van 24 maart 1997 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige overtredingen inzake het vervoer over de weg van gevaarlijke goederen, met uitzondering van ontplofbare en radioactieve stoffen;
   - het koninklijk besluit van 28 november 1997 houdende de reglementering van de organisatie van sportwedstrijden of sportcompetities voor auto's die geheel of gedeeltelijk op de openbare weg plaatshebben;
   - het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen;
   - het koninklijk besluit van 30 september 2005 tot aanwijzing van de overtredingen per graad van de algemene reglementen genomen ter uitvoering van de wet betreffende de politie over het wegverkeer;
   - het koninklijk besluit van 2 juni 2010 betreffende het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen;
   - het koninklijk besluit van 27 februari 2013 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer van uitzonderlijke voertuigen en tot wijziging van de koninklijke besluiten van 24 maart 1997, 19 juli 2000, 22 december 2003 en 1 september 2006 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van sommige overtredingen;
   - het koninklijk besluit van 19 april 2014 betreffende de inning en de consignatie van een som bij de vaststelling van overtredingen inzake het wegverkeer;
   c) de wet van 21 juni 1985 betreffende de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen en de uitvoeringsbesluiten, met name:
   - het koninklijk besluit van 1 september 2006 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake de technische eisen waaraan elk voertuig voor vervoer te land, de onderdelen ervan, evenals het veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
   - het besluit van de Waalse regering van 6 juli 2017 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die in België of in het buitenland ingeschreven zijn;
   - het besluit van de Vlaamse regering van 2 maart 2018 betreffende de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen;
   - het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 19 juli 2018 betreffende de invoering van de technische controle langs de weg van bedrijfsvoertuigen die ingeschreven zijn in België of het buitenland;
   d) de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen en de uitvoeringsbesluiten ervan;
   e) het Waals decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterdomein;
   f) de wet van 15 juli 2013 betreffende het reizigersvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te oefenen en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1073/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de internationale markt voor touringcar- en autobusdiensten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan, met name:
   - het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het reizigersvervoer over de weg;
   - het ministerieel besluit van 23 mei 2014 ter uitvoering van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het reizigersvervoer over de weg;
   g) de wet van 15 juli 2013 betreffende het goederenvervoer over de weg en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1071/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels betreffende de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om het beroep van wegvervoerondernemer uit te voeren en tot intrekking van richtlijn 96/26/EG van de Raad en houdende uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1072/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels voor toegang tot de markt voor internationaal goederenvervoer over de weg en de uitvoeringsbesluiten ervan, met name:
   - het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg;
   - het ministerieel besluit van 23 mei 2014 ter uitvoering van het koninklijk besluit van 22 mei 2014 betreffende het goederenvervoer over de weg;
   h) de wet van 27 april 2018 op de politie van de spoorwegen;
   i) het regentsbesluit van 20 september 1947 houdende algemeen reglement betreffende het geregeld vervoer, het geregeld tijdelijke vervoer, de bijzondere vormen van geregeld vervoer en het ongeregeld vervoer;
   j) het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto's, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
   k) het koninklijk besluit van 8 januari 1996 tot regeling van de inschrijving van de commerciële platen en de nationale platen voor motorvoertuigen en aanhangwagens;
   l) het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg;
   m) het koninklijk besluit van 18 september 2016 betreffende het internationaal wegvervoer van aan bederf onderhevige levensmiddelen en het gebruik van speciale vervoermiddelen bij dit vervoer en tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2000 betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg;
   n) het koninklijk besluit van 17 oktober 2016 inzake de tachograaf en de rij- en rusttijden;
   o) het koninklijk besluit van 28 juni 2019 tot reglementering van de wielerwedstrijden en van de alle-terreinwedstrijden.
   § 2. Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings of de arbeidsauditeur respectievelijk de procureur-generaal, en de procureur voor de verkeersveiligheid betreffende de uitoefening van de strafvordering kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.]1

  
Art. 150/2. [1 § 1er. Sans préjudice des compétences des procureurs du Roi, l'action publique est exercée par le procureur de la sécurité routière:
   1° pour les infractions pour lesquelles le paiement d'une somme a été proposé conformément à l'article 65 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, ou pour lesquelles une transaction a été proposée conformément à l'article 216bis du Code d'instruction criminelle ou pour lesquelles un ordre de paiement a été imposé conformément à l'article 65/1 de la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière, et qu'il est constaté que l'une de ces sommes n'a pas été payée;
   2° sans préjudice de l'application du 1°, pour les infractions prévues par:
   a) l'arrêté-loi du 30 décembre 1946 relatif aux transports rémunérés de voyageurs par route effectués par autobus et par autocars;
   b) la loi du 16 mars 1968 relative à la police de la circulation routière et les arrêtés royaux d'exécution de cette loi, notamment:
   - l'arrêté royal du 10 octobre 1974 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les cyclomoteurs et les motocyclettes ainsi que leurs remorques;
   - l'arrêté royal du 1er décembre 1975 portant règlement général sur la police de la circulation routière et de l'usage de la voie publique;
   - l'arrêté royal du 8 janvier 1996 portant réglementation de l'immatriculation des plaques commerciales et des plaques nationales pour véhicules à moteur et remorques;
   - l'arrêté royal du 24 mars 1997 relatif à la perception et à la consignation d'une somme lors de la constatation d'infractions en matière de transport par route de marchandises dangereuses, à l'exception des matières explosibles et radioactives;
   - l'arrêté royal du 28 novembre 1997 portant réglementation de l'organisation d'épreuves ou de compétitions sportives pour véhicules automobiles disputées en totalité ou en partie sur la voie publique;
   - l'arrêté royal du 20 juillet 2001 relatif à l'immatriculation de véhicules;
   - l'arrêté royal du 30 septembre 2005 désignant les infractions par degré aux règlements généraux pris en exécution de la loi relative à la police de la circulation routière;
   - l'arrêté royal du 2 juin 2010 relatif à la circulation routière des véhicules exceptionnels;
   - l'arrêté royal du 27 février 2013 relatif à la perception et à la consignation d'une somme lors de la constatation d'infractions en matière de circulation routière des véhicules exceptionnels et modifiant les arrêtés royaux des 24 mars 1997, 19 juillet 2000, 22 décembre 2003 et 1er septembre 2006 relatifs à la perception et à la consignation d'une somme lors de la constatation de certaines infractions;
   - l'arrêté royal du 19 avril 2014 relatif à la perception et à la consignation d'une somme lors de la constatation d'infractions en matière de circulation routière;
   c) la loi du 21 juin 1985 relative aux conditions techniques auxquelles doivent répondre tout véhicule de transport par terre, ses éléments ainsi que les accessoires de sécurité et ses arrêtés d'exécution, notamment:
   - l'arrêté royal du 1er septembre 2006 relatif à la perception et à la consignation d'une somme lors de la constatation de certaines infractions aux conditions techniques auxquelles doivent répondre tout véhicule de transport par terre, ses éléments ainsi que les accessoires de sécurité;
   - l'arrêté du gouvernement wallon du 6 juillet 2017 relatif au contrôle technique routier des véhicules utilitaires immatriculés en Belgique ou à l'étranger;
   - l'arrêté du gouvernement flamand du 2 mars 2018 relatif au contrôle technique routier des véhicules utilitaires;
   - l'arrêté du gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 19 juillet 2018 relatif au contrôle technique routier des véhicules utilitaires immatriculés en Belgique ou à l'étranger;
   d) la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité civile en matière de véhicules automoteurs et ses arrêtés d'exécution;
   e) le décret wallon du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques;
   f) la loi du 15 juillet 2013 relative au transport de voyageurs par route et portant exécution du Règlement (CE) n° 1071/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles communes sur les conditions à respecter pour exercer la profession de transporteur par route, et abrogeant la directive 96/26/CE du Conseil, et portant exécution du Règlement (CE) n° 1073/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles communes pour l'accès au marché international des services de transport par autocars et autobus, et modifiant le Règlement (CE) n° 561/2006 et ses arrêtés d'exécution, notamment:
   - l'arrêté royal du 22 mai 2014 relatif au transport de voyageurs par route;
   - l'arrêté ministériel du 23 mai 2014 pris en exécution de l'arrêté royal du 22 mai 2014 relatif au transport de voyageurs par route;
   g) la loi du 15 juillet 2013 relative au transport de marchandises par route et portant exécution du Règlement (CE) n° 1071/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles communes sur les conditions à respecter pour exercer la profession de transporteur par route, et abrogeant la directive 96/26/CE du Conseil et portant exécution du Règlement (CE) n° 1072/2009 du Parlement européen et du Conseil du 21 octobre 2009 établissant des règles communes pour l'accès au marché du transport international de marchandises par route et ses arrêtés d'exécution, notamment:
   - l'arrêté royal du 22 mai 2014 relatif au transport de marchandises par route;
   - l'arrêté ministériel du 23 mai 2014 pris en exécution de l'arrêté royal du 22 mai 2014 relatif au transport de marchandises par route;
   h) la loi du 27 avril 2018 sur la police des chemins de fer;
   i) l'arrêté du Régent du 20 septembre 1947 portant le règlement général relatif aux services réguliers, aux services réguliers temporaires, aux services réguliers spécialisés et aux services occasionnels;
   j) l'arrêté royal du 15 mars 1968 portant règlement général sur les conditions techniques auxquelles doivent répondre les véhicules automobiles et leurs remorques, leurs éléments ainsi que les accessoires de sécurité;
   k) l'arrêté royal du 8 janvier 1996 portant réglementation de l'immatriculation des plaques commerciales et des plaques nationales pour véhicules à moteur et remorques;
   l) l'arrêté royal du 19 juillet 2000 relatif à la perception et à la consignation d'une somme lors de la constatation d'infractions en matière de circulation routière;
   m) l'arrêté royal du 18 septembre 2016 relatif au transport routier international de denrées périssables et à l'utilisation de moyens spéciaux pour ce transport et modifiant l'arrêté royal du 19 juillet 2000 relatif à la perception et à la consignation d'une somme lors de la constatation de certaines infractions en matière de transport par route;
   n) l'arrêté royal du 17 octobre 2016 relatif au tachygraphe et aux temps de conduite et de repos;
   o) l'arrêté royal du 28 juin 2019 réglementant les courses cyclistes et les épreuves tout-terrain.
   § 2. Aucune nullité ne peut être invoquée en ce qui concerne la répartition de compétence, quant à l'exercice de l'action publique, entre le procureur du Roi ou l'auditeur du travail ou le procureur général, d'une part, et le procureur de la sécurité routière, d'autre part.]1

  
Art. 150bis. <INGEVOEGD bij <W 1998-12-22/48, art. 12, Inwerkingtreding : 21-05-2002> De procureurs des Konings vormen samen een raad, raad van procureurs des Konings genoemd. [4 De procureur voor de verkeersveiligheid en een adjunct-procureur des Konings te Brussel die luidens zijn diploma tot een verschillende taalrol behoort dan die van de procureur des Konings te Brussel, maken deel uit van deze raad. Wanneer de beide adjunct-procureurs des Konings tot dezelfde taalrol behoren, wijst de procureur des Konings te Brussel de adjunct-procureur des Konings aan die deelneemt aan de raad.]4 De federale procureur kan de vergaderingen van de raad bijwonen.
  De raad van procureurs des Konings heeft tot taak het college van procureurs-generaal ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over de harmonisatie en de uniforme toepassing van de regels en over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van het openbaar ministerie.
  De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een vice-voorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort, die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
  [2 ...]2.
  De raad vergadert op eigen initiatief of op verzoek van het college van procureurs-generaal en minstens eenmaal per trimester.
  (Het laatste lid opgeheven). <W 2007-04-25/64, art. 7, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  
Art. 150bis. Les procureurs du Roi forment ensemble un Conseil, appelé Conseil des procureurs du Roi. [4 Le procureur de la sécurité routière et un procureur du Roi adjoint de Bruxelles qui appartient selon son diplôme à un rôle linguistique différent que celui du procureur du Roi de Bruxelles font partie de ce conseil. Lorsque les deux procureurs du Roi adjoints appartiennent au même rôle linguistique, le procureur du Roi de Bruxelles désigne le procureur du Roi adjoint qui participe au conseil.]4 Le procureur fédéral peut assister aux réunions du Conseil.
  Le Conseil des procureurs du Roi est chargé de donner des avis, d'initiative ou à sa demande, au Collège des procureurs généraux sur l'harmonisation et l'application uniforme des dispositions et sur toute question en rapport avec les missions du ministère public.
  Le Conseil désigne en son sein, à chaque fois pour la dure d'une année judiciaire, un président, et un vice-président appartenant à un autre régime linguistique et qui remplace le président en cas d'absence ou d'empêchement.
  [2 ...]2.
  Le Conseil se réunit, d'initiative ou à la demande du Collège des procureurs généraux, et au moins une fois par trimestre.
  (Dernier alinéa abrogé). <L 2007-04-25/64, art. 7, 153; En vigueur : 01-12-2008>
  
Art. 150ter. [1 [2 Een coördinatiecomité, respectievelijk samengesteld uit de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs van het gerechtelijk arrondissement Brussel, de Franstalige adjunct-procureur des Konings te Brussel en de Franstalige adjunct-arbeidsauditeur te Brussel, wordt opgericht teneinde de coördinatie tussen het parket en het arbeidsauditoraat te Brussel en het parket en het arbeidsauditoraat te Halle-Vilvoorde te verzekeren. Wanneer de beide adjunct-procureurs des Konings of de beide adjunct-arbeidsauditeurs tot dezelfde taalrol behoren, wijst de procureur des Konings te Brussel of de arbeidsauditeur te Brussel de adjunct-procureur des Konings of de adjunct-arbeidsauditeur aan die deelneemt aan het comité. De beslissingen van het coördinatiecomité worden bij consensus genomen.]2
   Volgens nadere regels vastgelegd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad heeft dit comité als opdracht het overleg te verzekeren tussen beide parketten en arbeidsauditoraten op het vlak van opsporing, gerechtelijk onderzoek, uitoefening van de strafvordering en strafuitvoering in het gerechtelijk arrondissement Brussel, in het bijzonder met betrekking tot de rol van de in artikel 150, § 3, bedoelde magistraten.
   Het comité vergadert minstens eenmaal per maand, en kan ook worden samengeroepen op verzoek van de procureur-generaal.
   Het comité kan zich voor de uitvoering van zijn opdrachten laten bijstaan door leden van het openbaar ministerie van Halle-Vilvoorde en Brussel.]1

  [2 Het comité rapporteert jaarlijks aan de wetgevende kamers.]2
  
Art. 150ter. [1 [2 Un comité de coordination, composé respectivement des procureurs du Roi et des auditeurs du travail de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, du procureur du Roi adjoint francophone de Bruxelles et de l'auditeur du travail adjoint francophone de Bruxelles est créé afin d'assurer la coordination entre le parquet et l'auditorat du travail de Bruxelles et le parquet et l'auditorat du travail de Hal-Vilvorde. Lorsque les deux procureurs du Roi adjoints ou les deux auditeurs du travail adjoints appartiennent au même rôle linguistique, le procureur du Roi de Bruxelles ou l'auditeur du travail de Bruxelles désigne le procureur du Roi adjoint ou l'auditeur du travail adjoint qui participe au comité. Les décisions du comité de coordination sont prises par consensus.]2
   Selon des modalités fixées par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres, ce comité a pour mission d'assurer la concertation entre les deux parquets et auditorats du travail en matière d'information, d'instruction judiciaire, d'exercice de l'action publique et d'application des peines dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, en particulier en ce qui concerne le rôle des magistrats visés à l'article 150, § 3.
   Le comité se réunit au moins une fois par mois, et peut également être convoqué à la demande du procureur général.
   Le comité peut se faire assister, dans l'exécution de ses missions, par des membres du ministère public de Hal-Vilvorde et de Bruxelles.]1

  [2 Le comité fait rapport annuellement aux chambres législatives.]2
  
Art. 151. (De procureur des Konings wordt bijgestaan door een of meer substituten waarvan een of meer gespecialiseerd zijn in handelszaken. Hij kan worden bijgestaan door een of meer substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden [1 ...]1 [6 of door een of meer substituten gespecialiseerd zijn in milieu-aangelegenheden]6. Zij staan onder zijn toezicht en leiding.) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [2 Het ambt van openbaar ministerie bij de familie- en jeugdrechtbank wordt uitgeoefend door een of meer parketmagistraten die de in artikel 259sexies, § 1, 1°, derde lid, bedoelde gespecialiseerde opleiding [4 , dewelke een grondige opleiding met betrekking tot seksueel-en intrafamiliaal geweld bevat,]4 [5 met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen,]5 georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd en die zijn aangewezen door de procureur des Konings.
  [4 De leden van het openbaar ministerie die hun ambt uitoefenen bij de correctionele kamers, de raadkamer en bij de strafuitvoeringsrechtbank, volgen binnen het jaar na hun eerste aanwijzing een grondige opleiding inzake seksueel- en intra familiaal geweld [5 met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen,]5 georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]4
   [4 Met betrekking tot de kamers bedoeld in het tweede en het derde lid, kan de procureur des Konings in uitzonderlijke omstandigheden en voor een goed bestuur van het gerecht,]4 bij een met redenen omklede beslissing, voor een welbepaalde periode een niet-opgeleide magistraat aanwijzen.]2

  (De procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, wordt bijgestaan door één of meer substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken. Zij staan onder zijn toezicht en leiding.) <W 2006-05-17/36, art. 13, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  Een of meer eerste substituten kunnen de procureur des Konings bijstaan in de leiding van het parket. [1 In de gevallen bepaald bij de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken staat een afdelingsprocureur de procureur des Konings bij in de leiding van het parket en zijn afdelingen.]1
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  (...) <W 1998-07-20/30, art. 8, 062; Inwerkingtreding : 31-07-1998>
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [1 De procureur des Konings verdeelt de substituten over de afdelingen. Indien de procureur des Konings een substituut aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken substituut en motiveert hij zijn beslissing.]1
  
Art. 151. (Le procureur du Roi est assisté par un ou plusieurs substituts dont un ou plusieurs sont spécialisés en matière commerciale. Il peut être assisté par un ou plusieurs substituts spécialisés en matière fiscale [1 ...]1 [6 ou par un ou plusieurs substituts spécialisés en matière environnementale]6. Ils sont placés sous sa surveillance et sa direction.) <L 1998-12-22/47, art. 19, 066; En vigueur : 02-08-2000> <L 2003-05-03/45, art. 5, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  [2 Les fonctions du ministère public près le tribunal de la famille et de la jeunesse sont exercées par un ou plusieurs magistrats du parquet ayant suivi la formation spécialisée organisée par l'Institut de formation judiciaire visée à l'article 259sexies, § 1er, 1°, alinéa 3, [4 dont une formation approfondie en matière de violence sexuelle et intrafamiliales]4 [5 avec une attention particulière pour les féminicides et les homicides fondés sur le genre,]5 et désignés par le procureur du Roi.
  [4 Dans l'année de leur première désignation, les membres du ministère public qui exercent leurs fonctions près les chambres correctionnelles, la chambre du conseil et le tribunal de l'application des peines suivent une formation approfondie en matière de violences sexuelles et intrafamiliales [5 avec une attention particulière pour les féminicides et les homicides fondés sur le genre,]5 organisée par l'Institut de formation judiciaire.]4
   [4 Concernant les chambres visées aux alinéas 2 et 3, dans des circonstances exceptionnelles]4 et pour une bonne administration de la justice, le procureur du Roi peut, par décision motivée, désigner un magistrat non formé pour une durée déterminée.]2

  (Le procureur du Roi près le tribunal de première instance situé au siège de la cour d'appel est assisté par un ou plusieurs substituts du procureur du Roi spécialisés en application des peines. Ils sont placés sous sa surveillance et sa direction.) <L 2006-05-17/36, art. 13, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  Il peut y avoir un ou plusieurs premiers substituts qui assistent le procureur du Roi dans la direction du parquet. [1 Dans les cas déterminés par la loi établissant le cadre du personnel des cours et tribunaux, un procureur de division assiste le procureur du Roi dans la direction du parquet et de ses divisions.]1
  (...) <L 1998-12-22/47, art. 19, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  (...) <L 1998-07-20/30, art. 8, 062; En vigueur : 31-07-1998>
  (...) <L 1998-12-22/47, art. 19, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  [1 Le procureur du Roi répartit les substituts parmi les divisions. Si le procureur du Roi désigne un substitut dans une autre division, il entend le substitut concerné et motive sa décision.]1
  
Art. 151bis. <W 1986-08-04/38, art. 113, 010> De strafvordering wegens een overtreding van de wetten en verordeningen in fiscale aangelegenheden kan uitgeoefend worden door de substituten gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden voor de rechtbanken van de gerechtelijke arrondissementen gelegen in het rechtsgebied van het Hof van beroep van het arrondissement waar ze benoemd zijn.
  [1 Wanneer zij worden opgeroepen om hun ambt uit te oefenen in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, worden zij onder toezicht en directe leiding van de in artikel 150, § 2, 1°, bedoelde procureur des Konings van Halle-Vilvoorde geplaatst, onverminderd artikel 150, § 3. Wanneer zij worden opgeroepen om hun ambt uit te oefenen in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, worden zij onder toezicht en directe leiding van de in artikel 150, § 2, 2°, bedoelde procureur des Konings van Brussel geplaatst.]1
  Wanneer zij hun ambt moeten uitoefenen in en ander arrondissement dan datgene waarin zij benoemd zijn, worden zij geplaatst onder het toezicht en de rechtstreekse leiding van de procureur des Konings van het arrondissement waar zij dat ambt uitoefenen.
  
Art. 151bis. L'action publique du chef d'une infraction aux lois et règlements en matière fiscale peut être exercée par les substituts spécialisés en matière fiscale devant les tribunaux des arrondissements judiciaires situés dans le ressort de la Cour d'appel de l'arrondissement où ils ont été nommés.
  [1 Lorsqu'ils sont appelés à exercer leurs fonctions dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde, ils sont placés sous la surveillance et la direction immédiate du procureur du Roi de Hal-Vilvorde, visé à l'article 150, § 2, 1°, sans préjudice de l'article 150, § 3. Lorsqu'ils sont appelés à exercer leurs fonctions dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, ils sont placés sous la surveillance et la direction immédiate du procureur du Roi de Bruxelles visé à l'article 150, § 2, 2°.]1
  Lorsqu'ils sont appelés à exercer leurs fonctions dans un arrondissement qui n'est pas celui dans lequel ils ont été nommés, ils sont placés sous la surveillance et la direction immédiate du procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel ils exercent leurs fonctions.
  
Art. 152. [1 § 1.]1 <W 2004-04-12/38, art. 9, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Er is een arbeidsauditeur bij iedere arbeidsrechtbank.
  Onverminderd de toepassing van artikel 138, derde tot vijfde lid, oefent hij onder het gezag van de procureur-generaal het ambt van openbaar ministerie uit. Wat de strafvordering betreft oefent de procureur-generaal zijn gezag uit in de gevallen en op de wijze bepaald in de artikelen 146bis en 146ter.
  [1 § 2. In afwijking van § 1, zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel twee arbeidsauditeurs, onverminderd § 3, artikel 137 en artikel 138bis, § 3 :
   1° de arbeidsauditeur van Halle-Vilvoorde oefent in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde onder het gezag van de procureur-generaal van Brussel het ambt van openbaar ministerie uit bij de Nederlandstalige rechtbanken. De aan deze auditeur verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Nederlandstalige rechtbanken met standplaats het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde;
   2° [2 de arbeidsauditeur te Brussel voert in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad onder het gezag van de procureur-generaal te Brussel de opdrachten van openbaar ministerie uit bij de rechtbanken. Hij wordt bijgestaan door twee eerste substituten, elk met als titel adjunct-arbeidsauditeur te Brussel. Een is Franstalig en de tweede behoort luidens zijn diploma tot een verschillende taalrol dan die van de arbeidsauditeur. De adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel treden op onder het gezag en de leiding van de arbeidsauditeur te Brussel.
   Onverminderd de bevoegdheden die zij uitoefenen met het oog op het coördinatiecomité bedoeld in artikel 150ter, staat, wanneer de arbeidsauditeur te Brussel Franstalig is, de Nederlandstalige adjunct-arbeidsauditeur hem bij, in het bijzonder voor de relaties met het arbeidsauditoraat te Halle-Vilvoorde, de goede werking van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank en voor de relaties met de Nederlandstalige magistratuur en het Nederlandstalig personeel van het arbeidsauditoraat te Brussel, en staat de Franstalige adjunct-arbeidsauditeur hem bij, in het bijzonder voor de relaties met de substituten bedoeld in artikel 43, § 5quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de goede werking van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel en voor de relaties met de Franstalige magistratuur en het Franstalig personeel van het arbeidsauditoraat te Brussel. De aan de arbeidsauditeur te Brussel verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Brusselse rechtbanken met als standplaats het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.]2

   § 3. In afwijking van § 2, oefenen substituten bedoeld in artikel 43, § 5quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, hun ambt uit bij voorrang ten opzichte van verdachten die een taalwijziging of doorverwijzing hebben gevraagd overeenkomstig artikel 16, §§ 2 en 3, van dezelfde wet. Zij oefenen de strafvordering uit bij de Franstalige rechtbank van Brussel na toepassing van het voornoemde artikel 16, §§ 2 en 3, in voorkomend geval na doorverwijzing op grond van deze bepaling. Zij blijven onder de hiërarchische leiding van de arbeidsauditeur van Brussel, maar worden geplaatst onder het gezag van de arbeidsauditeur van Halle-Vilvoorde wat betreft de toepassing van de richtlijnen en de instructies inzake het strafrechtelijk beleid.]1

  
Art. 152. [1 § 1er]1 <L 2004-04-12/38, art. 9, 118; En vigueur : 17-05-2004> Il y a un auditeur du travail au siège de chaque tribunal du travail.
  Sans préjudice de l'application de l'article 138, alinéas 3 à 5, il exerce, sous l'autorité du procureur général, la fonction du ministère public. En ce qui concerne l'exercice de l'action publique, l'autorité du procureur général s'exerce dans les cas et selon les modalités prévus aux articles 146bis et 146ter.
  [1 § 2. Par dérogation au § 1er, il y a deux auditeurs du travail dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, sans préjudice du § 3, de l'article 137 et de l'article 138bis, § 3 :
   1° l'auditeur du travail de Hal-Vilvorde exerce, dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde, sous l'autorité du procureur général de Bruxelles, les fonctions du ministère public près les tribunaux néerlandophones. Les officiers du ministère public liés à cet auditeur sont nommés près les tribunaux néerlandophones avec comme résidence l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde;
   2° [2 l'auditeur du travail de Bruxelles exerce, dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, sous l'autorité du procureur général de Bruxelles, les fonctions du ministère public près les tribunaux. Il est assisté de deux premiers substituts, portant chacun le titre d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles. L'un est francophone et le second appartient, selon son diplôme, à un rôle linguistique différent que celui de l'auditeur du travail. Les auditeurs du travail adjoints de Bruxelles agissent sous l'autorité et la direction de l'auditeur du travail de Bruxelles.
   Sans préjudice des compétences qu'ils exercent en vue du comité de coordination visé à l'article 150ter, lorsque l'auditeur du travail de Bruxelles est francophone, l'auditeur du travail adjoint néerlandophone l'assiste, notamment en ce qui concerne les relations avec l'auditorat du travail de Hal-Vilvorde, le bon fonctionnement du tribunal du travail néerlandophone et pour les relations avec la magistrature néerlandophone et le personnel néerlandophone de l'auditorat du travail de Bruxelles, et l'auditeur du travail adjoint francophone l'assiste, notamment en ce qui concerne les relations avec les substituts visés à l'article 43, § 5quater, alinéa 1er, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, le bon fonctionnement du tribunal du travail francophone de Bruxelles et pour les relations avec la magistrature francophone et le personnel francophone de l'auditorat du travail de Bruxelles. Les officiers du ministère public liés à l'auditeur du travail de Bruxelles sont nommés près les tribunaux bruxellois avec comme résidence l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.]2

   § 3. Par dérogation au § 2, des substituts visés à l'article 43, § 5quater, alinéa 1er, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, exercent leur mission par priorité à l'égard des prévenus ayant formulé une demande de changement de langue ou de renvoi en vertu de l'article 16, §§ 2 et 3, de la même loi. Ils exercent l'action publique près le tribunal francophone de Bruxelles après application de l'article 16, §§ 2 et 3, précité, le cas échéant, après renvoi sur la base de cette disposition. Ils restent sous l'autorité hiérarchique de l'auditeur du travail de Bruxelles mais relèvent de l'autorité de l'auditeur du travail de Hal-Vilvorde pour ce qui concerne l'application des directives et instructions en matière de politique criminelle.]1

  
Art. 152bis. <INGEVOEGD bij W 2004-04-12/38, art. 10; Inwerkingtreding : 17-05-2004> De arbeidsauditeurs vormen samen een raad, die raad van arbeidsauditeurs wordt genoemd. [4 Een adjunct-arbeidsauditeur te Brussel die luidens zijn diploma tot een verschillende taalrol behoort dan die van de arbeidsauditeur te Brussel, maakt deel uit van deze raad. Wanneer de beide adjunct-arbeidsauditeurs tot dezelfde taalrol behoren, wijst de arbeidsauditeur te Brussel de adjunct-arbeidsauditeur aan die deelneemt aan de raad.]4 De federale procureur [3 en de procureur voor de verkeersveiligheid kunnen]3 de vergaderingen van de raad bijwonen.
  De raad van arbeidsauditeurs heeft tot taak het college van procureurs-generaal ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over de harmonisatie en de uniforme toepassing van de bepalingen en over elke zaak die verband houdt met de opdrachten van de arbeidsauditoraten.
  De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort en die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
  [2 ...]2.
  Minstens eenmaal per trimester vergadert de raad ambtshalve of op verzoek van het college van procureurs-generaal.
  (Het laatste lid opgeheven). <W 2007-04-25/64, art. 8, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  
Art. 152bis. Les auditeurs du travail forment ensemble un conseil, appelé conseil des auditeurs du travail. [4 Un auditeur du travail adjoint de Bruxelles qui appartient selon son diplôme à un rôle linguistique différent que celui de l'auditeur du travail de Bruxelles fait partie de ce conseil. Lorsque les deux auditeurs du travail adjoints appartiennent au même rôle linguistique, l'auditeur du travail de Bruxelles désigne l'auditeur du travail adjoint qui participe au conseil.]4 Le procureur fédéral [3 et le procureur de la sécurité routière peuvent]3 assister aux réunions du conseil.
  Le conseil des auditeurs du travail est chargé de donner des avis, d'initiative ou à sa demande, au collège des procureurs généraux sur l'harmonisation et l'application uniforme des dispositions et sur toute question en rapport avec les missions des auditorats du travail.
  Le conseil désigne en son sein, à chaque fois pour la durée d'une année judiciaire, un président, et un vice-président appartenant à un autre régime linguistique et qui remplace le président en cas d'absence ou d'empêchement.
  [2 ...]2.
  Le conseil se réunit au moins une fois par trimestre, d'initiative ou à la demande du collège des procureurs généraux.
  (Dernier alinéa abrogé). <L 2007-04-25/64, art. 8, 153; En vigueur : 01-12-2008>
  
Art. 153. Wanneer de behoeften van de dienst dit vergen, wordt de arbeidsauditeur bijgestaan door een of meer substituut-arbeidsauditeurs die onmiddellijk onder zijn toezicht en leiding staat. [1 ...]1
  Er kunnen een of meer eerste substituut-arbeidsauditeurs zijn die de arbeidsauditeur bijstaan bij de leiding van het auditoraat. [1 In de gevallen bepaald bij de wet tot vaststelling van de personeelsformatie van hoven en rechtbanken staat een afdelingsauditeur de arbeidsauditeur bij in de leiding van het auditoraat en zijn afdelingen.]1
  (...) <W 1998-12-22/47, art. 20, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  [1 De arbeidsauditeur verdeelt de substituten over de afdelingen. Indien de arbeidsauditeur een substituut aan een andere afdeling toewijst, hoort hij de betrokken substituut en motiveert hij zijn beslissing.]1
  
Art. 153. Lorsque les besoins du service l'exigent, l'auditeur du travail est assisté par un ou plusieurs substituts de l'auditeur du travail placés sous sa surveillance et sa direction immédiate. [1 ...]1.
  Il peut y avoir un ou plusieurs premiers substituts de l'auditeur du travail qui assistent celui-ci dans la direction de l'auditorat. [1 Dans les cas déterminés par la loi établissant le cadre du personnel des cours et tribunaux, un auditeur de division assiste l'auditeur de travail dans la direction du parquet et de ses divisions.]1
  (...) <L 1998-12-22/47, art. 20, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  [1 L'auditeur du travail répartit les substituts parmi les divisions. Si l'auditeur de travail désigne un substitut dans une autre division, il entend le substitut concerné et motive sa décision.]1
  
Art. 154. De procureur des Konings en de arbeidsauditeur verdelen de dienst, respectievelijk onder de leden van het parket en de leden van het arbeidsauditoraat. Zij kunnen hieraan wijzigingen aanbrengen of zelf het ambt waarnemen dat zij in het bijzonder aan hun substituten hebben opgedragen.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 1998-12-22/48, art. 15, 069; Inwerkingtreding : onbepaald &gt;</span></span> gewijzigd en deze wijziging wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004&gt;</span></span>)
Art. 154. Le procureur du Roi et l'auditeur du travail distribuent le service respectivement entre les membres du parquet et les membres de l'auditorat du travail. Ils peuvent le modifier ou remplir personnellement des fonctions qu'ils ont spécialement déléguées à leurs substituts.
  (NOTE : Cet article a été modifié par <L 1998-12-22/48, art. 15, 069; En vigueur : indéterminée >, cette modification a été abrogée par <L 2004-04-12/38, art. 13, 118; En vigueur : 17-05-2004>)
Art. 155. <W 2004-04-12/38, art. 11, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> Onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 138, derde tot vijfde lid, wordt de strafvordering wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen over een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten, voor de politierechtbanken en voor de rechtbanken van eerste aanleg uitgeoefend door de leden van het arbeidsauditoraat en voor de hoven van beroep door de leden van het arbeidsauditoraat-generaal.
  In geval van samenloop of samenhang van genoemde overtredingen met een of meer overtredingen van andere wetsbepalingen die niet tot de bevoegdheid behoren van de arbeidsgerechten, wijst de procureur generaal het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aan, en, in voorkomend geval, het parket generaal of het arbeidsauditoraat generaal dat bevoegd is om de strafvordering uit te oefenen, onverminderd de toepassing van artikel 149.
  (NOTA : Dit artikel wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 1998-12-22/48, art. 16, 069; Inwerkingtreding : onbepaald &gt;</span></span> gewijzigd en deze wijziging wordt door <span class="domain-tag domain-w"><span class="domain-tag domain-w">&lt;W 2004-04-12/38, art. 13, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004&gt;</span></span>)
Art. 155. <L 2004-04-12/38, art. 11, 118; En vigueur : 17-05-2004> Sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 138, alinéas 3 à 5, l'action publique du chef d'une infraction aux lois et règlements dans l'une des matières qui sont de la compétence des juridictions du travail, est exercée devant les tribunaux de police et devant les tribunaux de première instance par les membres de l'auditorat du travail, et devant les cours d'appel, par les membres de l'auditorat général du travail.
  En cas de concours ou de connexité desdites infractions avec une ou plusieurs infractions à d'autres dispositions légales qui ne sont pas de la compétence des juridictions de travail, le procureur général désigne le parquet du procureur du Roi ou l'auditorat du travail et, le cas échéant, le parquet général ou l'auditorat général du travail qui est compétent pour exercer l'action publique, sans préjudice de l'application de l'article 149.
  (NOTE : Cet article a été modifie par <L 1998-12-22/48, art. 16, 069; En vigueur : indéterminée >, cette modification a été abrogée par <L 2004-04-12/38, art. 13, 118; En vigueur : 17-05-2004>)
Art. 156. [1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen oefent de procureur des Konings de bevoegdheden uit van arbeidsauditeur. De substituten van de procureur des Konings worden in subsidiaire orde benoemd tot substituut-arbeidsauditeur en de substituut-arbeidsauditeur wordt in subsidiaire orde benoemd tot substituut van de procureur des Konings.]1
  
Art. 156. [1 Dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen, le procureur du Roi exerce les compétences de l'auditeur du travail. Les substituts du procureur du Roi sont nommés à titre subsidiaire substitut de l'auditeur du travail et le substitut de l'auditeur du travail est nommé à titre subsidiaire substitut du procureur du Roi.]1
  
Art. 156/1. [1 § 1. De Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers, die worden aangewezen overeenkomstig artikel 309/2, zijn bevoegd over het gehele grondgebied van het Rijk voor de uitoefening van de strafvordering voor de misdrijven die de financiële belangen van de Europese Unie schaden overeenkomstig de artikelen 4, 22 en 23 van de Verordening (EU) 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie.
   § 2. Wanneer zij hun bevoegdheid uitoefenen in de gevallen en volgens de nadere regels bepaald door de wet en dezelfde Verordening (EU) 2017/1939, voeren de Europese aanklager en de gedelegeerde Europese aanklagers alle opdrachten van het openbaar ministerie in strafzaken uit bij de hoven van beroep, de hoven van assisen en de rechtbanken van eerste aanleg.
   § 3. De procureur des Konings, de procureur-generaal of de federale procureur brengt zonder onnodige vertraging de gedelegeerde Europese aanklagers op de hoogte wanneer een misdrijf bedoeld in paragraaf 1 bij hem aanhangig wordt gemaakt volgens de nadere regels bepaald in een omzendbrief van het College van procureurs-generaal.
   § 4. In de gevallen bedoeld in paragraaf 3 beslissen de gedelegeerde Europese aanklagers of zijzelf de strafvordering uitoefenen.
   Overeenkomstig artikel 25, lid 6, van dezelfde Verordening (EU) 2017/1939 en onverminderd de andere bepalingen van deze verordening, indien de procureur des Konings, de procureur-generaal of de federale procureur de beslissing van de gedelegeerde Europese aanklagers om zelf de strafvordering uit te oefenen wenst te betwisten, wendt hij zich tot het College van procureurs-generaal dat, na overleg met de gedelegeerde Europese aanklagers en de betrokken procureur des Konings of procureur-generaal of de federale procureur, beslist wie er bevoegd is om de zaak te behandelen. Tegen de beslissing van het College van procureurs-generaal staat geen rechtsmiddel open.
   Inzake de bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings, respectievelijk de procureur-generaal of de federale procureur enerzijds en de gedelegeerde Europese aanklagers anderzijds betreffende de uitoefening van de strafvordering kunnen geen nietigheden worden opgeworpen.
   Het College van procureurs-generaal mag een prejudiciële vraag voorleggen aan het Hof van Justitie overeenkomstig artikel 42, lid 2, c), van dezelfde Verordening (EU) 2017/1939.]1

  
Art. 156/1. [1 § 1er. Le procureur européen et les procureurs européens délégués désignés conformément à l'article 309/2 sont compétents sur l'ensemble du territoire du Royaume pour exercer l'action publique pour les infractions portant atteinte aux intérêts financiers de l'Union européenne conformément aux articles 4, 22 et 23 du Règlement (UE) 2017/1939 du Conseil du 12 octobre 2017 mettant en oeuvre une coopération renforcée concernant la création du Parquet européen.
   § 2. Lorsqu'ils exercent leur compétence dans les cas et selon les modalités déterminées par la loi et le même Règlement (UE) 2017/1939, le procureur européen et les procureurs européens délégués exercent toutes les fonctions du ministère public dans les affaires pénales près les cours d'appel, les cours d'assises et les tribunaux de première instance.
   § 3. Le procureur du Roi, le procureur général ou le procureur fédéral informe sans retard indu les procureurs européens délégués lorsqu'il est saisi d'une infraction visée au paragraphe 1er selon les modalités déterminées dans une circulaire du Collège des procureurs généraux.
   § 4. Dans les cas visés au paragraphe 3, les procureurs européens délégués décident s'ils exercent l'action publique eux-mêmes.
   Conformément à l'article 25, paragraphe 6, du même Règlement (UE) 2017/1939 et sans préjudice des autres dispositions de ce règlement, si le procureur du Roi, le procureur général ou le procureur fédéral souhaite contester la décision des procureurs européens délégués d'exercer eux-mêmes l'action publique, il saisit le Collège des procureurs généraux qui décide, après concertation avec les procureurs européens délégués et le procureur du Roi ou le procureur général concerné ou le procureur fédéral, qui est compétent pour instruire l'affaire. La décision du Collège des procureurs généraux n'est susceptible d'aucun recours.
   Aucune nullité ne peut être invoquée en ce qui concerne la répartition de compétence, quant à l'exercice de l'action publique, entre le procureur du Roi ou le procureur général ou le procureur fédéral, d'une part, et les procureurs européens délégués, d'autre part.
   Le Collège des procureurs généraux est admis à saisir la Cour de Justice par question préjudicielle conformément à l'article 42, paragraphe 2, c), du même Règlement (UE) 2017/1939.]1

  
TITEL IIbis. - Plaatsvervangende magistraten aangewezen uit de op rust gestelde magistraten.
TITRE IIbis. - Des magistrats suppléants désignés parmi les magistrats admis à la retraite.
Art. 156bis. <W 17-07-1984, art. 1> Er zijn, in [1 het Hof van Cassatie,]1 de Hoven van beroep, de Arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken (, de [3 ondernemingsrechtbanken]3, de vredegerechten en de politierechtbanken), plaatsvervangende magistraten, aangewezen uit de wegens hun leeftijd (overeenkomstig artikel 383, §1) op rust gestelde magistraten [2 en de magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd worden toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt]2; zij hebben geen [4 permanente functie]4 en worden benoemd overeenkomstig artikel 383, § 2, om verhinderde magistraten of leden van het openbaar ministerie tijdelijk, naargelang van het geval en ieder wat hem betreft, te vervangen. <W 1998-02-10/32, art. 7, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1998-12-22/47, art. 21, 066; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  Deze plaatsvervangende magistraten kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen.
  (De plaatsvervangende magistraten bedoeld in het eerste lid, kunnen geen federaal magistraat [5 of magistraat van het parket voor de verkeersveiligheid]5, noch een lid van het openbaar ministerie vervangen die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht.) <W 2001-06-21/42, art. 10, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  
Art. 156bis. Il y a, auprès [1 de la Cour de cassation,]1 des Cours d'appel, des Cours du travail, des tribunaux de première instance, des tribunaux du travail (des [3 tribunaux de l'entreprise]3, des justices de paix et des tribunaux de police), des magistrats suppléants désignés parmi les magistrats admis à la retraite en raison de leur âge (conformément à l'article 383, § 1er) [2 et des magistrats qui à leur propre demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui en outre ont été autorisés à porter le titre honorifique de leur fonction]2; ils n'ont pas de [4 fonctions permanentes]4 et sont désignés conformément à l'article 383, § 2, pour remplacer momentanément, selon le cas et chacun pour ce qui le concerne, soit les magistrats effectifs, soit les membres du ministère public lorsqu'ils sont empêchés. <L 1998-02-10/32, art. 7, 057; En vigueur : 02-03-1998> <L 1998-12-22/47, art. 21, 066; En vigueur : 01-03-1999>
  Ces magistrats suppléants peuvent aussi être appelés à siéger dans les cas où l'effectif est insuffisant pour traiter les affaires pendantes.
  (Les magistrats suppléants visés à l'alinéa 1er ne peuvent remplacer ni un magistrat fédéral [5 ni un magistrat du parquet de la sécurité routière]5 ni un membre du ministère public chargé d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéas 1er et 2.) <L 2001-06-21/42, art. 10, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  
TITEL IIter. (...).
TITRE IITER. - (...).
TITEL III. - (Gerechtspersoneel).
TITRE III. - (Du personnel judiciaire).
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Art. 157. <W 2007-04-25/64, art. 12, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Aan ieder hof of rechtbank is een griffie verbonden. [1 De Koning kan, op voorstel of na advies van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement verbinden en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt de bevoegdheid van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid.]1
  De griffies zijn open op de dagen en uren bij koninklijk besluit bepaald.
  [2 De Koning kan, op voorstel of na advies van de eerste voorzitter of voorzitter, eenzelfde griffie verbinden aan meerdere afdelingen van hetzelfde hof of dezelfde rechtbank en bepalen waar deze griffie haar zetel houdt.
   Wanneer de Koning eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten of aan meerdere afdelingen van hetzelfde hof of dezelfde rechtbank verbindt, ziet Hij erop toe dat de toegang tot justitie voor de rechtzoekende en de kwaliteit van de dienstverlening gegarandeerd blijven.]2

  Aan ieder parket is een secretariaat verbonden.
  
Art. 157. <L 2007-04-25/64, art. 12, 153; En vigueur : 01-12-2008> Un greffe est attache à chaque cour ou tribunal.[1 Le Roi peut, sur proposition ou après avis du président des juges de paix et des juges au tribunal de police, attacher un même greffe à plusieurs justices de paix au sein d'un même arrondissement et déterminer où ce greffe a son siège. Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la compétence du président des juges de paix et des juges au tribunal de police appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 72bis, alinéas 2 à 4.]1
  Les greffes sont ouverts aux jours et heures fixés par arrêté royal.
  [2 Le Roi peut, sur proposition ou après avis du premier président ou du président, attacher un même greffe à plusieurs divisions de la même cour ou du même tribunal et déterminer où ce greffe a son siège.
   Lorsque le Roi attache un même greffe à plusieurs justices de paix ou à plusieurs divisions de la même cour ou du même tribunal, Il veille à ce que l'accès à la justice pour le justiciable et la qualité du service restent garantis.]2

  Un secrétariat est attaché à chaque parquet.
  
Art. 158. <W 2007-04-25/64, art. 13, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. De Koning kan in een hof, een rechtbank of een parket, op een gemotiveerd verzoek van de korpschef, een steundienst oprichten.
  Deze steundienst is belast met het verlenen van advies aan en ondersteuning van de korpschefs in diverse domeinen, waaronder juridische bijstand, personeelsbeleid, gebouwen en materiële uitrusting, administratief beheer, alsmede informaticabeheer.
  De personeelsleden van de steundienst staan onder gezag en toezicht van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waaraan de steundienst is verbonden.
  De Koning bepaalt, naar gelang van het geval, op advies van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waar een steundienst wordt ingericht, de nadere regels inzake de werking en de organisatie van de steundienst en het aantal betrekkingen.
  § 2. Ingeval, overeenkomstig § 1, geen steundienst is opgericht, kan de korpschef in deze hoven, rechtbanken en parketten, een kabinetssecretariaat oprichten dat onder zijn gezag en toezicht staat. Hij kan een kabinetssecretaris kiezen uit het gerechtspersoneel van, naar gelang van het geval, de griffies of de parketsecretariaten.
Art. 158. <L 2007-04-25/64, art. 13, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Le Roi peut créer un service d'appui au sein d'une cour, d'un tribunal ou d'un parquet, à la demande motivée du chef de corps.
  Ce service d'appui est chargé de rendre des avis et d'apporter un appui aux chefs de corps dans différents domaines, parmi lesquels l'aide juridique, la politique du personnel, les bâtiments et l'équipement matériel, la gestion administrative ainsi que la gestion informatique.
  Les membres du personnel du service d'appui sont placés sous l'autorité et la surveillance du chef de corps de la cour, du tribunal ou du parquet auquel le service d'appui est attaché.
  Le Roi fixe les modalités concernant le fonctionnement et l'organisation du service d'appui ainsi que le nombre d'emplois sur avis du chef de corps, selon le cas, de la cour, du tribunal ou du parquet où un service d'appui est créé.
  § 2. Lorsque aucun service d'appui n'a été créé conformément au § 1er, le chef de corps peut créer, dans ces cours, tribunaux et parquets, un secrétariat de cabinet placé sous son autorité et sa surveillance. Il peut choisir un secrétaire de cabinet parmi le personnel judiciaire, selon le cas, des greffes ou des secrétariats de parquet.
Art. 159. <W 2007-04-25/64, art. 14, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hiërarchische structuur van de griffie, het parketsecretariaat en in voorkomend geval de steundienst wordt in vier niveaus ingedeeld, namelijk niveau A, dat het hoger niveau is, en de niveaus B, C en D.
  Het niveau wordt bepaald volgens de kwalificatie van de opleiding en de geschiktheid waarvan blijk moet worden gegeven om een betrekking te bekleden.
  [1 Onverminderd de artikelen 164 en 173 wordt het gerechtspersoneel van niveau A en B benoemd in een arrondissement. Het gerechtspersoneel van niveau C en D wordt benoemd in het arrondissement, dan wel in een of twee afdelingen indien de rechtbank uit meerdere afdelingen bestaat. In de vredegerechten wordt het gerechtspersoneel van niveau C en D benoemd in [2 een of meerdere griffies van aan elkaar grenzende kantons van eenzelfde arrondissement]2. Door de benoeming in het arrondissement is het gerechtspersoneel van niveau A en B in de vredegerechten van rechtswege benoemd in alle kantons.
  [2 Op het ogenblik dat de Koning bij toepassing van artikel 157, eerste lid, tweede zin, eenzelfde griffie verbindt aan meerdere vredegerechten van eenzelfde arrondissement worden de personeelsleden van niveau C en D die vast benoemd zijn in de betrokken kantons of griffies ambtshalve herbenoemd in deze nieuwe griffie, zonder toepassing van artikel 287sexies en zonder nieuwe eedaflegging.]2 [3 De hoofdgriffier van de vredegerechten en de politierechtbank van het arrondissement kan een personeelslid van het niveau A of B van de vredegerechten van het arrondissement, met zijn instemming, aanwijzen in een politierechtbank van het arrondissement, of een personeelslid van niveau A of B van de politierechtbank aanwijzen in een vredegerecht van het arrondissement. Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.]3
   De hoofdgriffier van de [4 ondernemingsrechtbank]4 en de arbeidsrechtbank kan een personeelslid van niveau A en B met zijn instemming aanwijzen in een ander arrondissement.
   De hoofdgriffier kan een personeelslid van niveau C of D met zijn instemming aanwijzen in een andere afdeling. De hoofdgriffier van de vredegerechten en de politierechtbank van het arrondissement kan een personeelslid van niveau C of D, met zijn instemming, aanwijzen in [2 een griffie]2 van het arrondissement of in een afdeling van de politierechtbank.]1
[2 Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel komt deze bevoegdheid toe aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.]2
  [5 Op het ogenblik dat de Koning bij toepassing van artikel 157, derde lid, eenzelfde griffie verbindt aan meerdere afdelingen van een hof of een rechtbank, worden de personeelsleden van niveau C en D die vast benoemd zijn in de betrokken afdelingen ambtshalve herbenoemd in deze nieuwe griffie, zonder toepassing van artikel 287sexies en zonder nieuwe eedaflegging.]5
  
Art. 159. <L 2007-04-25/64, art. 14, 153; En vigueur : 01-12-2008> La structure hiérarchique du greffe, du secrétariat de parquet et, le cas échéant, du service d'appui est répartie sur quatre niveaux, à savoir le niveau A, qui est le niveau supérieur, et les niveaux B, C et D.
  Le niveau est déterminé selon la qualification de la formation et des aptitudes qui doivent être attestées pour occuper un emploi.
  [1 Sans préjudice des articles 164 et 173, le personnel judiciaire de niveau A et B est nommé dans un arrondissement. Le personnel judiciaire de niveau C et D est nommé dans l'arrondissement, ou dans une ou deux divisions si le tribunal est composé de plusieurs divisions. Dans les justices de paix, le personnel judiciaire de niveau C et D est nommé dans [2 un ou plusieurs greffes des cantons limitrophes d'un même arrondissement]2. De par sa nomination dans un arrondissement, le personnel judiciaire de niveau A et B des justices de paix est nommé d'office dans tous les cantons.
  [2 Dès lors que le Roi, en application de l'article 157, alinéa 1er, deuxième phrase, attache un même greffe à plusieurs justices de paix au sein d'un même arrondissement, les membres du personnel de niveau C et D qui sont nommés dans les cantons ou greffes concernés sont renommés d'office dans ce nouveau greffe, sans application de l'article 287sexies et sans nouvelle prestation de serment.]2 [3 Le greffier en chef des justices de paix et du tribunal de police de l'arrondissement peut désigner un membre du personnel de niveau A ou B des justices de paix de l'arrondissement, qui y consent, dans un tribunal de police de l'arrondissement, ou désigner un membre du personnel de niveau A ou B du tribunal de police, qui y consent, dans une justice de paix de l'arrondissement. Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, cette compétence appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 186bis, alinéas 2 à 7.]3
   Le greffier en chef du [4 tribunal de l'entreprise]4 et du tribunal du travail peut désigner un membre du personnel de niveau A et B, avec son consentement, dans un autre arrondissement.
   Le greffier en chef peut désigner un membre du personnel de niveau C ou D, qui y consent, dans une autre division. Le greffier en chef des justices de paix et du tribunal de police de l'arrondissement peut désigner un membre du personnel de niveau C ou D, qui y consent, dans [2 un greffe]2 de l'arrondissement ou dans une division du tribunal de police.]1
[2 Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, cette compétence appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 186bis, alinéas 2 à 7.]2
  [5 Dès lors que le Roi, en application de l'article 157, alinéa 3, attache un même greffe à plusieurs divisions d'une cour ou d'un tribunal, les membres du personnel de niveau C et D qui sont nommés dans les divisions concernées sont renommés d'office dans ce nouveau greffe, sans application de l'article 287sexies et sans nouvelle prestation de serment.]5
  
Art. 160. <W 2007-04-25/64, art. 15, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5 die de hoogste is.
  Een klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden.
  De functie wijst het geheel van taken en verantwoordelijkheden aan die een personeelslid op zich dient te nemen.
  [2 Vierde lid opgeheven.]2
  [4 ...]4
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. De [2 functies]2 maken het voorwerp uit van een weging, op basis van een wegingsmatrix, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
  De weging van de functies wordt uitgevoerd door een wegingscomité, opgericht door de minister van Justitie [2 ...]2.
  [2 Derde lid opgeheven.]2
  [4 § 3/1. De Koning classificeert de functies van niveau A op basis van hun weging overeenkomstig § 3.
   In afwijking van het eerste lid kan de Koning functies classificeren overeenkomstig de classificatie van toepassing op het personeel van het niveau A bij de federale overheidsdiensten]4

  § 4. Het wegingscomité is, paritair per taalrol voor de vertegenwoordigers in het [4 ...]4 2° en 3° bedoeld, samengesteld uit :
  1° [1 ...]1;
  2° vier vertegenwoordigers van het gerechtspersoneel van niveau A, aangewezen door de minister van Justitie, waarvan twee op voorstel van het [4 College van het openbaar ministerie]4 en twee op [4 voorstel van het College van de hoven en rechtbanken]4;
  3° twee vertegenwoordigers van niveau A van de federale overheidsdienst Justitie, aangewezen door de minister van Justitie, [5 een vertegenwoordiger van niveau A van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, aangewezen door de minister die de ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft en een vertegenwoordiger van niveau A van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, aangewezen door de minister die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft]5;
  4° een externe deskundige aangewezen door de minister van Justitie.
  De plaatsvervangende leden worden op dezelfde manier aangewezen als de vaste leden. Om aangewezen te worden moeten de vaste en de plaatsvervangende leden vooraf een opleiding tot de wegingsmethode met vrucht hebben gevolgd.
  De voorzitter van het wegingscomité wordt onder de leden aangewezen door de minister van Justitie.
  § 5. [2 Gedurende het gehele wegingsproces worden de representatieve vakorganisaties van elke taalrol ingelicht over het gehanteerde wegingssysteem en wordt de transparantie bij de classificatie van de functies gewaarborgd.]2
  § 6. [2 Er wordt een raadgevende commissie voor de weging opgericht, paritair samengesteld uit een vertegenwoordiger per representatieve vakorganisatie [4 ...]4 en een gelijk aantal leden van het wegingscomité aangewezen door de voorzitter.
   Elk effectief lid mag vergezeld zijn van een plaatsvervanger. Deze heeft enkel in afwezigheid van het effectief lid raadgevende stem.
   Het voorzitterschap van de raadgevende commissie voor de weging wordt uitgeoefend door de voorzitter van het wegingscomité.
   Deskundigen kunnen op vraag van een lid uitgenodigd worden door de voorzitter.
   De raadgevende commissie voor de weging wordt op de hoogte gehouden en brengt aan de minister van Justitie adviezen uit, hetzij eenparig, hetzij afwijkend, over elke vraag die betrekking heeft op de weging van de functies en de classificatie van alle functies alsook op de organisatie van de weging en de classificatie.]2

  § 7. De andere functies dan deze bedoeld in § 1 worden door het wegingscomité geclassificeerd op basis van een [2 classificatiematrix]2. Het wegingscomité deelt aan de minister van Justitie een voorstel mee, aangenomen bij meerderheid over de classificatie van elke functie.
  Een [2 classificatiematrix]2 is het geheel van competenties, zoals vermeld in artikel 20ter, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, gemeenschappelijk aan [4 de functie van een klasse]4.
  § 8. Elke functie ingedeeld in niveau A, wordt door de Koning in een [2 klasse]2 ingedeeld.
  Het gerechtspersoneel van niveau A wordt door de Koning in een [2 klasse]2 benoemd [3 of aangewezen]3.
  [3 De hoofdgriffier en de hoofdsecretaris die een griffie of een parketsecretariaat leiden waarvan de personeelsformatie meer dan honderd personeelsleden telt, worden aangewezen voor een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar. De aanwijzing tot deze functie leidt van rechtswege tot de vacature van het ambt uitgeoefend op het tijdstip van de aanwijzing.
   De mandaathouder kan vragen dat een einde wordt gesteld aan zijn aanwijzing, mits een opzeggingstermijn van zes maanden. Indien de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, akkoord gaat, kan deze termijn worden ingekort.
   Op het einde van de periode van aanwijzing wordt de mandaathouder ter beschikking gesteld van zijn gerecht, parket of dienst van oorsprong, in voorkomend geval in overtal. Hij krijgt overeenkomstig artikel 372quinquies de bezoldiging terug die verbonden is aan de laatste functie waarin hij werd benoemd. Indien hij als hoofdgriffier of hoofdsecretaris was benoemd, is hij gemachtigd ten persoonlijken titel de titel verbonden aan die functie te dragen, en dit tot de dag van zijn inrustestelling, zijn ontslag, zijn afzetting of, in voorkomend geval, zijn benoeming in een ander ambt of functie.]3

  
Art. 160. <L 2007-04-25/64, art. 15, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Le niveau A comprend cinq classes numérotées de A1 à A5, qui est la plus élevée.
  Une classe regroupe les fonctions ayant un niveau comparable de complexité, d'expertise technique et de responsabilités.
  La fonction désigne l'ensemble des tâches et des responsabilités qu'un membre du personnel doit assumer.
  [2 ...]2.
  [4 ...]4
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. Les [2 fonctions]2 font l'objet d'une pondération, sur la base d'une matrice de pondération, réalisée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
  La pondération des fonctions est réalisée par un comité de pondération, créé par le ministre de la Justice [2 ...]2.
  [2 Alinéa 3 abrogé.]2
  [4 § 3/1. Le Roi classifie les fonctions de niveau A sur la base de leur pondération conformément au § 3.
   Par dérogation à l'alinéa 1er le Roi peut classifier des fonctions conformément à la classification applicable au personnel de niveau A des services publics fédéraux.]4

  § 4. Le comité de pondération est composé, en nombre égal par rôle linguistique pour les représentants visés aux points [4 ...]4 2° et 3° :
  1° [1 ...]1;
  2° de quatre représentants du personnel judiciaire de niveau A, désignés par le ministre de la Justice, dont deux sur proposition du [4 Collège du ministère public]4 et deux sur [4 proposition du collège des cours et tribunaux]4;
  3° de deux représentants de niveau A du Service public fédéral Justice, désignés par le ministre de la Justice, [5 d'un représentant de niveau A du Service public fédéral Stratégie et Appui désigné par le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions et d'un représentant de niveau A du Service public fédéral Stratégie et Appui désigné par le ministre qui a le budget dans ses attributions]5;
  4° d'un expert externe désigné par le ministre de la Justice.
  Les membres suppléants sont désignés de la même manière que les membres effectifs. Pour être désignés, les membres effectifs et suppléants doivent avoir suivi avec fruit au préalable une formation à la méthode de pondération.
  Le président du comité de pondération est désigné en son sein par le ministre de la Justice.
  § 5. [2 Tout au long du processus de pondération, les organisations syndicales représentatives de chaque rôle linguistique sont informées du système de pondération appliqué et la transparence de la classification des fonctions est garantie.]2.
  § 6. [2 Il est créé une commission consultative de la pondération composée paritairement d'un représentant par organisation syndicale représentative [4 ...]4 et d'un nombre égal de membres du comité de pondération désignés par le président.
   Chaque membre effectif peut être accompagné d'un suppléant. Celui-ci n'a voix délibérative qu'en l'absence du membre effectif.
   La présidence de la commission consultative de la pondération est assurée par le président du comité de pondération.
   Des experts peuvent être invités par le président à la demande d'un membre.
   La commission consultative de la pondération est tenue informée et remet des avis au ministre de la Justice soit unanimes, soit différenciés, sur toute question ayant trait à la pondération des fonctions et à la classification de toutes les fonctions ainsi qu'à l'organisation de la pondération et de la classification.]2

  § 7. Les fonctions autres que celles visées au § 1er sont classifiées sur la base d'[2 une matrice de classification]2 par le comité de pondération. Celui-ci transmet au ministre de la Justice une proposition, adoptée à la majorité, de classification de chaque fonction.
  [2 une matrice de classification]2 est l'ensemble des compétences, telles qu'énoncées à l'article 20ter, § 1er, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, communes aux [4 fonctions d'une classe]4.
  § 8. Chaque fonction relevant du niveau A est rangée par le Roi dans [2 une classe]2.
  Le personnel judiciaire du niveau A est nommé [3 ou désigné]3 par le Roi dans [2 une classe]2.
  [3 Le greffier en chef et le secrétaire en chef, dirigeant un greffe ou un secrétariat de parquet comptant plus de cent membres du personnel au cadre, sont désignés pour un mandat de cinq ans renouvelable. La désignation à cette fonction entraîne de droit la vacance de la fonction exercée au moment de la désignation.
   Le titulaire du mandat peut demander qu'il soit mis fin à sa désignation, moyennant un préavis de six mois. Ce délai peut être réduit moyennant l'accord du chef de corps visé à l'article 58bis, 2°.
   A la fin de la période de désignation, le titulaire du mandat est remis à la disposition de sa juridiction, de son parquet ou de son service d'origine, le cas échéant en surnombre. Il recouvre la rémunération attachée à la dernière fonction à laquelle il a été nommé, conformément à l'article 372quinquies. S'il était nommé en qualité de greffier en chef ou de secrétaire en chef, il est autorisé, à titre personnel, à porter le titre lié à ces fonctions jusqu'au jour de sa mise à la retraite, de sa démission, de sa destitution ou, le cas échéant, de sa nomination à d'autres fonctions.]3

  
Art. 160 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 15, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Niveau A bevat vijf klassen, genummerd van A1 tot A5 die de hoogste is.
  Een klasse groepeert de functies van vergelijkbare complexiteit, technische expertise en verantwoordelijkheden.
  De functie wijst het geheel van taken en verantwoordelijkheden aan die een personeelslid op zich dient te nemen.
  [2 Vierde lid opgeheven.]2
  [4 ...]4
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. De [2 functies]2 maken het voorwerp uit van een weging, op basis van een wegingsmatrix, uitgevoerd overeenkomstig de bepalingen van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel.
  De weging van de functies wordt uitgevoerd door een wegingscomité, opgericht door de minister van Justitie [2 ...]2.
  [2 Derde lid opgeheven.]2
  [4 § 3/1. De Koning classificeert de functies van niveau A op basis van hun weging overeenkomstig § 3.
   In afwijking van het eerste lid kan de Koning functies classificeren overeenkomstig de classificatie van toepassing op het personeel van het niveau A bij de federale overheidsdiensten]4

  § 4. Het wegingscomité is, paritair per taalrol voor de vertegenwoordigers in het [4 ...]4 2° en 3° bedoeld, samengesteld uit :
  1° [1 ...]1;
  2° vier vertegenwoordigers van het gerechtspersoneel van niveau A, aangewezen door de minister van Justitie, waarvan twee op voorstel van het [4 College van het openbaar ministerie]4 en twee op [4 voorstel van het College van de hoven en rechtbanken]4;
  3° twee vertegenwoordigers van niveau A van de federale overheidsdienst Justitie, aangewezen door de minister van Justitie, [5 een vertegenwoordiger van niveau A van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, aangewezen door de minister die de ambtenarenzaken onder zijn bevoegdheid heeft en een vertegenwoordiger van niveau A van de Federale overheidsdienst Beleid en Ondersteuning, aangewezen door de minister die de begroting onder zijn bevoegdheid heeft]5;
  4° een externe deskundige aangewezen door de minister van Justitie.
  De plaatsvervangende leden worden op dezelfde manier aangewezen als de vaste leden. Om aangewezen te worden moeten de vaste en de plaatsvervangende leden vooraf een opleiding tot de wegingsmethode met vrucht hebben gevolgd.
  De voorzitter van het wegingscomité wordt onder de leden aangewezen door de minister van Justitie.
  § 5. [2 Gedurende het gehele wegingsproces worden de representatieve vakorganisaties van elke taalrol ingelicht over het gehanteerde wegingssysteem en wordt de transparantie bij de classificatie van de functies gewaarborgd.]2
  § 6. [2 Er wordt een raadgevende commissie voor de weging opgericht, paritair samengesteld uit een vertegenwoordiger per representatieve vakorganisatie [4 ...]4 en een gelijk aantal leden van het wegingscomité aangewezen door de voorzitter.
   Elk effectief lid mag vergezeld zijn van een plaatsvervanger. Deze heeft enkel in afwezigheid van het effectief lid raadgevende stem.
   Het voorzitterschap van de raadgevende commissie voor de weging wordt uitgeoefend door de voorzitter van het wegingscomité.
   Deskundigen kunnen op vraag van een lid uitgenodigd worden door de voorzitter.
   De raadgevende commissie voor de weging wordt op de hoogte gehouden en brengt aan de minister van Justitie adviezen uit, hetzij eenparig, hetzij afwijkend, over elke vraag die betrekking heeft op de weging van de functies en de classificatie van alle functies alsook op de organisatie van de weging en de classificatie.]2

  § 7. De andere functies dan deze bedoeld in § 1 worden door het wegingscomité geclassificeerd op basis van een [2 classificatiematrix]2. Het wegingscomité deelt aan de minister van Justitie een voorstel mee, aangenomen bij meerderheid over de classificatie van elke functie.
  Een [2 classificatiematrix]2 is het geheel van competenties, zoals vermeld in artikel 20ter, § 1, van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel, gemeenschappelijk aan [4 de functie van een klasse]4.
  § 8. Elke functie ingedeeld in niveau A, wordt door de Koning in een [2 klasse]2 ingedeeld.
  Het gerechtspersoneel van niveau A wordt door de Koning in een [2 klasse]2 benoemd [3 of aangewezen]3.
  [6 De functie en de daarmee overeenstemmende weging die werd bepaald krachtens paragraaf 3 die toegekend wordt aan de titels van hoofdgriffier en hoofdsecretaris wordt bepaald op basis van de personeelsformatie van de griffie of het parketsecretariaat.]6
  [3 De hoofdgriffier en de hoofdsecretaris die een griffie of een parketsecretariaat leiden waarvan de personeelsformatie meer dan honderd personeelsleden telt, worden aangewezen voor een hernieuwbaar mandaat van vijf jaar. De aanwijzing tot deze functie leidt van rechtswege tot de vacature van het ambt uitgeoefend op het tijdstip van de aanwijzing.
   De mandaathouder kan vragen dat een einde wordt gesteld aan zijn aanwijzing, mits een opzeggingstermijn van zes maanden. Indien de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, akkoord gaat, kan deze termijn worden ingekort.
   Op het einde van de periode van aanwijzing wordt de mandaathouder ter beschikking gesteld van zijn gerecht, parket of dienst van oorsprong, in voorkomend geval in overtal. Hij krijgt overeenkomstig artikel 372quinquies de bezoldiging terug die verbonden is aan de laatste functie waarin hij werd benoemd. Indien hij als hoofdgriffier of hoofdsecretaris was benoemd, is hij gemachtigd ten persoonlijken titel de titel verbonden aan die functie te dragen, en dit tot de dag van zijn inrustestelling, zijn ontslag, zijn afzetting of, in voorkomend geval, zijn benoeming in een ander ambt of functie.]3
Art. 160 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 15, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Le niveau A comprend cinq classes numérotées de A1 à A5, qui est la plus élevée.
  Une classe regroupe les fonctions ayant un niveau comparable de complexité, d'expertise technique et de responsabilités.
  La fonction désigne l'ensemble des tâches et des responsabilités qu'un membre du personnel doit assumer.
  [2 ...]2.
  [4 ...]4
  § 2. [2 ...]2.
  § 3. Les [2 fonctions]2 font l'objet d'une pondération, sur la base d'une matrice de pondération, réalisée conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat.
  La pondération des fonctions est réalisée par un comité de pondération, créé par le ministre de la Justice [2 ...]2.
  [2 Alinéa 3 abrogé.]2
  [4 § 3/1. Le Roi classifie les fonctions de niveau A sur la base de leur pondération conformément au § 3.
   Par dérogation à l'alinéa 1er le Roi peut classifier des fonctions conformément à la classification applicable au personnel de niveau A des services publics fédéraux.]4

  § 4. Le comité de pondération est composé, en nombre égal par rôle linguistique pour les représentants visés aux points [4 ...]4 2° et 3° :
  1° [1 ...]1;
  2° de quatre représentants du personnel judiciaire de niveau A, désignés par le ministre de la Justice, dont deux sur proposition du [4 Collège du ministère public]4 et deux sur [4 proposition du collège des cours et tribunaux]4;
  3° de deux représentants de niveau A du Service public fédéral Justice, désignés par le ministre de la Justice, [5 d'un représentant de niveau A du Service public fédéral Stratégie et Appui désigné par le ministre qui a la fonction publique dans ses attributions et d'un représentant de niveau A du Service public fédéral Stratégie et Appui désigné par le ministre qui a le budget dans ses attributions]5;
  4° d'un expert externe désigné par le ministre de la Justice.
  Les membres suppléants sont désignés de la même manière que les membres effectifs. Pour être désignés, les membres effectifs et suppléants doivent avoir suivi avec fruit au préalable une formation à la méthode de pondération.
  Le président du comité de pondération est désigné en son sein par le ministre de la Justice.
  § 5. [2 Tout au long du processus de pondération, les organisations syndicales représentatives de chaque rôle linguistique sont informées du système de pondération appliqué et la transparence de la classification des fonctions est garantie.]2.
  § 6. [2 Il est créé une commission consultative de la pondération composée paritairement d'un représentant par organisation syndicale représentative [4 ...]4 et d'un nombre égal de membres du comité de pondération désignés par le président.
   Chaque membre effectif peut être accompagné d'un suppléant. Celui-ci n'a voix délibérative qu'en l'absence du membre effectif.
   La présidence de la commission consultative de la pondération est assurée par le président du comité de pondération.
   Des experts peuvent être invités par le président à la demande d'un membre.
   La commission consultative de la pondération est tenue informée et remet des avis au ministre de la Justice soit unanimes, soit différenciés, sur toute question ayant trait à la pondération des fonctions et à la classification de toutes les fonctions ainsi qu'à l'organisation de la pondération et de la classification.]2

  § 7. Les fonctions autres que celles visées au § 1er sont classifiées sur la base d'[2 une matrice de classification]2 par le comité de pondération. Celui-ci transmet au ministre de la Justice une proposition, adoptée à la majorité, de classification de chaque fonction.
  [2 une matrice de classification]2 est l'ensemble des compétences, telles qu'énoncées à l'article 20ter, § 1er, de l'arrêté royal du 7 août 1939 organisant l'évaluation et la carrière des agents de l'Etat, communes aux [4 fonctions d'une classe]4.
  § 8. Chaque fonction relevant du niveau A est rangée par le Roi dans [2 une classe]2.
  Le personnel judiciaire du niveau A est nommé [3 ou désigné]3 par le Roi dans [2 une classe]2.
  [6 La fonction et la pondération correspondante déterminée en vertu du paragraphe 3, attribuée aux titres de greffier en chef et de secrétaire en chef, sont définies sur la base du cadre du greffe ou du secrétariat de parquet.]6
  [3 Le greffier en chef et le secrétaire en chef, dirigeant un greffe ou un secrétariat de parquet comptant plus de cent membres du personnel au cadre, sont désignés pour un mandat de cinq ans renouvelable. La désignation à cette fonction entraîne de droit la vacance de la fonction exercée au moment de la désignation.
   Le titulaire du mandat peut demander qu'il soit mis fin à sa désignation, moyennant un préavis de six mois. Ce délai peut être réduit moyennant l'accord du chef de corps visé à l'article 58bis, 2°.
   A la fin de la période de désignation, le titulaire du mandat est remis à la disposition de sa juridiction, de son parquet ou de son service d'origine, le cas échéant en surnombre. Il recouvre la rémunération attachée à la dernière fonction à laquelle il a été nommé, conformément à l'article 372quinquies. S'il était nommé en qualité de greffier en chef ou de secrétaire en chef, il est autorisé, à titre personnel, à porter le titre lié à ces fonctions jusqu'au jour de sa mise à la retraite, de sa démission, de sa destitution ou, le cas échéant, de sa nomination à d'autres fonctions.]3
Art. 160bis. [1 De hoofdgriffiers van de rechtbanken van eerste aanleg en de hoofdsecretarissen van het openbaar ministerie moeten een opleiding inzake budgettair beheer en gerechtskosten volgen binnen de twee jaren die volgen op het jaar van hun benoeming of hun aanwijzing.]1
  
Art. 160bis. [1 Les greffiers en chef des tribunaux de première instance et les secrétaires en chef du ministère public doivent suivre une formation en matière de gestion budgétaire et de frais de justice dans les deux ans qui suivent l'année de leur nomination ou de leur désignation.]1
  
Art. 161. <W 2007-04-25/64, art. 16, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> In de niveaus B, C en D wordt het gerechtspersoneel in graden benoemd. Met uitzondering van de griffiers en secretarissen wordt het gerechtspersoneel benoemd door de minister van Justitie. De griffiers en secretarissen worden door de Koning benoemd.
  De graad is de titel die het personeelslid machtigt tot het bekleden van een van de betrekkingen welke met die graad overeenstemmen.
  [1 ...]1.
  [1 ...]1.
  [2 Naargelang van het geval, kan de minister bevoegd voor Justitie op verzoek van het College van het openbaar ministerie of van het College van de hoven en rechtbanken, aan de wegingscomités bedoeld in artikel 160, § 3, de opdracht geven een functie van het niveau B te wegen.]2
  
Art. 161. <L 2007-04-25/64, art. 16, 153; En vigueur : 01-12-2008> Aux niveaux B, C et D, le personnel judiciaire est nommé dans un grade. A l'exception des greffiers et des secrétaires, le personnel judiciaire est nommé par le ministre de la Justice. Les greffiers et les secrétaires sont nommés par le Roi.
  Le grade est le titre qui habilite le membre du personnel à occuper un des emplois correspondant à ce grade.
  [1 ...]1.
  [1 ...]1.
  [2 Selon le cas, sur la demande du Collège du ministère public ou du Collège des cours et tribunaux, le ministre qui a la Justice dans ses attributions peut charger les comités de pondération visés à l'article 160, § 3, de pondérer une fonction du niveau B.]2
  
HOOFDSTUK II. - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven, en de rechtbanken.
CHAPITRE II. - Des référendaires et des juristes de parquet près les cours d'appel, les cours du travail et les tribunaux.
Art. 162. <W 2007-04-25/64, art. 18, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Er kunnen personeelsleden worden benoemd in niveau A die de titel dragen van referendaris of parketjurist.
  De referendarissen staan de magistraten van de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken bij. De parketjuristen staan de magistraten van het openbaar ministerie bij.
  § 2. Zij bereiden het werk van de magistraten op juridisch vlak voor, onder hun gezag en volgens hun aanwijzingen, met uitsluiting van de aan de griffiers of aan de secretarissen overeenkomstig dit wetboek opgedragen taken.
  Zij staan onder gezag en toezicht van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waaraan zij zijn toegewezen. De korpschef staat in voor de toewijzing van hun opdrachten.
  [2 Bij een met redenen omklede individuele beschikking en na positief advies van de bevoegde procureur-generaal, kan de korpschef de uitoefening van alle bevoegdheden van het openbaar ministerie [3 delen met]3 de bij het parket-generaal, het auditoraat-generaal, het federaal parket [6 , het parket voor de verkeersveiligheid]6, het parket of het arbeidsauditoraat aangewezen vastbenoemde parketjuristen, voor zover deze over een anciënniteit van ten minste twee jaar als jurist binnen de rechterlijke orde beschikken.
   De in het derde lid bedoelde parketjuristen kunnen de strafvordering voor de politierechtbank uitoefenen, behoudens wat inbreuken op artikel 419, tweede lid, van het Strafwetboek betreft.
   Uitgesloten zijn :
   - de bevoegdheid van het uitoefenen van de strafvordering voor de hoven van assisen, voor de kamers voor correctionele zaken van de hoven van beroep en voor de correctionele rechtbanken;
   - de bevoegdheden van het openbaar ministerie in het kader van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis;
   - het vorderingsrecht tot het opleggen van maatregelen op grond van als misdrijf omschreven feiten voor de jeugdkamers van de hoven van beroep of de jeugdrechtbank.
   De bevoegdheden die enkel parketmagistraten die daartoe een bijzondere, door de wet voorgeschreven opleiding hebben gevolgd, kunnen uitoefenen, kunnen de parketjuristen enkel uitoefenen mits eenzelfde opleiding gevolgd te hebben.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel jurist worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste anciënniteit. Deze toekenning van bevoegdheden kan op elk ogenblik door de korpschef worden ingetrokken. De parketjurist staat onder het gezag en toezicht van zijn korpschef en oefent de hem toegekende bevoegdheden uit onder de verantwoordelijkheid van een of meerdere magistraten.]2

  § 3. [4 Zij worden door de Koning benoemd per rechtsgebied van een hof van beroep [6 , bij het federaal parket of bij het parket voor de verkeersveiligheid]6. Met uitzondering van de parketjuristen benoemd bij het federaal parket [6 en het parket voor de verkeersveiligheid]6, worden zij door de minister bevoegd voor Justitie aangewezen om hun ambt, volgens de behoeften van de dienst, uit te oefenen binnen dit rechtsgebied. Die aanwijzing kan ofwel plaatsvinden bij het hof van beroep, het arbeidshof of het parket-generaal, ofwel bij een rechtbank of een parket uit het rechtsgebied van dat hof van beroep.
  [6 Hun aantal wordt bepaald volgens de behoeften van de dienst waarover de minister bevoegd voor Justitie het gemotiveerd advies inwint van het College van de hoven en rechtbanken wat de referendarissen betreft en van het College van het openbaar ministerie wat de parketjuristen betreft.
   Het aantal referendarissen, kan per rechtsgebied van het hof van beroep en het arbeidshof niet meer bedragen dan 45 % van het aantal magistraten van de zetel, Hof van Cassatie uitgezonderd, en op het nationaal niveau niet meer bedragen dan 35 % van het totaal aantal magistraten van de zetel van het Koninkrijk, Hof van Cassatie uitgezonderd. Het aantal parketjuristen, met inbegrip van diegenen die benoemd zijn bij het federaal parket en bij het parket voor de verkeersveiligheid, kan per rechtsgebied van het hof van beroep of het arbeidshof niet meer bedragen dan 50 % van het aantal magistraten van het openbaar ministerie, Hof van Cassatie uitgezonderd, en op het nationaal niveau niet meer bedragen dan 40 % van het totaal aantal magistraten van het openbaar ministerie van het Koninkrijk, Hof van Cassatie uitgezonderd.]6
]4

  [6 § 4. In afwijking van paragraaf 3, tweede lid, wordt het aantal parketjuristen binnen het parket voor de verkeersveiligheid opgenomen in een personeelsplan dat jaarlijks wordt opgesteld door het directiecomité en ter goedkeuring aan het College van het openbaar ministerie wordt voorgelegd.
   Het personeelsplan beschrijft, voor het jaar waarop het betrekking heeft, de gewenste eindprojectie van de personeelsleden uitgedrukt in voltijdse equivalenten en hun budgettaire last uitgaande van de initiële voltijdse equivalenten en hun budgettaire last. Het omvat een synthese van de beoogde evolutie van de human resources, van hun budgettaire lasten alsook een raming van de budgettaire marges.]6

  
Art. 162. <L 2007-04-25/64, art. 18, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Des membres du personnel qui portent le titre de référendaire ou de juriste de parquet peuvent être nommés dans le niveau A.
  Les référendaires assistent les magistrats des cours d'appel, des cours du travail et des tribunaux. Les juristes de parquet assistent les magistrats du ministère public.
  § 2. Ils préparent le travail des magistrats sur le plan juridique, sous leur autorité et selon leurs indications, à l'exclusion des tâches attribuées aux greffiers ou aux secrétaires en vertu du présent Code.
  Ils sont placés sous l'autorité et la surveillance du chef de corps de la cour, du tribunal ou du parquet auquel ils sont attaches. Le chef de corps est chargé de leur attribuer leurs missions.
  [2 Par ordonnance individuelle motivée et après avis positif du procureur général compétent, le chef de corps peut [3 partager l'exercice de toutes les compétences du ministère public avec]3 des juristes de parquet nommés à titre définitif désignés près le parquet général, l'auditorat général, le parquet fédéral [6 , le parquet de la sécurité routière]6, le parquet ou l'auditorat du travail, dans la mesure où ceux-ci justifient d'une ancienneté de deux ans au minimum comme juriste dans l'ordre judiciaire.
   Les juristes de parquet visés à l'alinéa 3 peuvent exercer l'action publique devant le tribunal de police, sauf si elle porte sur les infractions à l'article 419, alinéa 2, du Code pénal.
   Sont exclus :
   - la compétence liée à l'exercice de l'action publique devant les cours d'assises, les chambres correctionnelles des cours d'appel et les tribunaux correctionnels;
   - les compétences du ministère public dans le cadre de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive;
   - le droit d'action visant à imposer des mesures sur la base de faits qualifiés infraction devant les chambres de la jeunesse des cours d'appel ou le tribunal de la jeunesse.
   Les compétences qui ne peuvent être exercées que par les magistrats de parquet qui ont suivi à cet effet la formation particulière prescrite par la loi peuvent être exercées par les juristes de parquet, à condition qu'ils aient suivi une même formation.
   Les services effectivement prestés en qualité de juriste contractuel sont pris en compte pour le calcul de l'ancienneté. Cette attribution de compétences peut être retirée à tout moment par le chef de corps. Le juriste de parquet est placé sous l'autorité et la surveillance de son chef de corps et exerce les compétences qui lui ont été attribuées sous la responsabilité d'un ou de plusieurs magistrats.]2

  § 3. [4 Ils sont nommés par le Roi par ressort d'une cour d'appel [6 , près le parquet fédéral ou près le parquet de la sécurité routière]6. A l'exception des juristes de parquet nommés près le parquet fédéral [6 et le parquet de la sécurité routière]6, ils sont désignés par le ministre qui a la Justice dans ses attributions en vue d'exercer leur fonction au sein de ce ressort en fonction des nécessités du service. Cette désignation peut avoir lieu soit près la cour d'appel, la cour du travail ou le parquet général, soit près un tribunal ou un parquet du ressort de cette cour d'appel.
  [6 Leur nombre est déterminé en fonction des nécessités du service sur lesquelles le ministre qui a la Justice dans ses attributions prend l'avis motivé du Collège des cours et tribunaux en ce qui concerne les référendaires et du Collège du ministère public en ce qui concerne les juristes de parquet.
   Le nombre de référendaires ne peut excéder, par ressort de cour d'appel et de cour du travail, 45 % du nombre des magistrats du siège, hors Cour de Cassation et sur le plan national 35 % du nombre total des magistrats du siège du Royaume, hors Cour de Cassation. Le nombre de juristes de parquet, y compris ceux nommés près le parquet fédéral et près le parquet de la sécurité routière, ne peut excéder par ressort de cour d'appel ou du travail, 50 % du nombre des magistrats du ministère public hors Cour de Cassation et sur le plan national, 40 % du nombre total des magistrats du siège du Royaume, hors Cour de Cassation.]6
]4

  [6 § 4. Par dérogation au paragraphe 3, alinéa 2, le nombre de juristes de parquet au sein du parquet de la sécurité routière est inscrit dans un plan de personnel qui est établi annuellement par le comité de direction et qui est soumis à l'approbation au Collège du ministère public.
   Le plan de personnel décrit, pour l'année sur laquelle il porte, la projection finale souhaitée des membres du personnel, exprimée en équivalents temps plein, et de leur charge budgétaire en se fondant sur le nombre initial d'équivalents temps plein et leur charge budgétaire. Il contient une synthèse de l'évolution visée des ressources humaines, de leurs charges budgétaires ainsi qu'une estimation des marges budgétaires.]6

  
HOOFDSTUK IIbis. [1 - De criminologen.]1
CHAPITRE IIbis. [1 - Des criminologues.]1
Art. 162/1. [1 § 1. Er kunnen personeelsleden worden benoemd in niveau A die de titel dragen van criminoloog.
   De criminologen verlenen bijstand aan de magistraten vanuit een specifieke ondersteuning die gebaseerd is op hun multidisciplinaire opleiding.
   Zij staan onder gezag en toezicht van de korpschef van het hof, de rechtbank of het parket waaraan zij zijn toegewezen. De korpschef staat in voor de toewijzing van hun opdrachten.
   De criminologen verbonden aan het parket van de procureur-generaal die, overeenkomstig artikel 143bis, § 5, vierde lid, binnen het College van procureurs-generaal instaat voor de specifieke taken op het gebied van jeugdbescherming, staan in voor het verzekeren van de coördinatie van het team van criminologen die de magistraten bedoeld in artikel 151, tweede lid, bijstaan.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde personeelsleden worden door de Koning benoemd per rechtsgebied van een hof van beroep, bij het federaal parket of bij het parket voor de verkeersveiligheid. Met uitzondering van de criminologen benoemd bij het federaal parket en het parket voor de verkeersveiligheid, worden zij door de minister bevoegd voor Justitie aangewezen om hun ambt, volgens de behoeften van de dienst, uit te oefenen binnen dit rechtsgebied. Die aanwijzing kan ofwel plaatsvinden bij een hof, een rechtbank of een parket uit het rechtsgebied van dat hof van beroep, het Hof van Cassatie uitgezonderd.
   Binnen de budgettaire mogelijkheden wordt hun aantal bepaald volgens de behoeften van de dienst waarover de minister bevoegd voor Justitie het gemotiveerd advies inwint van het College van de hoven en rechtbanken voor wat de criminologen aangewezen bij de hoven en rechtbanken betreft en van het College van het openbaar ministerie voor wat de criminologen aangewezen bij het openbaar ministerie betreft.
   § 3. In afwijking van paragraaf 2, tweede lid, wordt het aantal criminologen, binnen het parket voor de verkeersveiligheid opgenomen in het personeelsplan bedoeld in artikel 162, § 4.]1

  
Art. 162/1. [1 § 1er. Des membres du personnel qui portent le titre de criminologue peuvent être nommés dans le niveau A.
   Les criminologues assistent les magistrats par un appui spécifique fondé sur leur formation pluridisciplinaire.
   Ils sont placés sous l'autorité et la surveillance du chef de corps de la cour, du tribunal ou du parquet auquel ils sont attachés. Le chef de corps est chargé de leur attribuer leurs missions.
   Les criminologues attachés au parquet du procureur général qui, en application de l'article 143bis, § 5, alinéa 4, est chargé, au sein du Collège des procureurs généraux, des tâches spécifiques en matière de protection de la jeunesse, sont chargés d'assurer la coordination de l'équipe formée par les criminologues qui assistent les magistrats visés à l'article 151, alinéa 2.
   § 2. Les membres du personnel visés au paragraphe 1er sont nommés par le Roi par ressort de cour d'appel, au parquet fédéral ou au parquet de la sécurité routière. A l'exception des criminologues nommés près le parquet fédéral ou près le parquet de la sécurité routière, iIs sont désignés par le ministre qui a la Justice dans ses attributions en vue d'exercer leur fonction au sein de ce ressort en fonction des nécessités du service. Cette désignation peut avoir lieu dans une cour, un tribunal ou un parquet du ressort de cette cour d'appel hors la Cour de Cassation.
   Dans les limites des possibilités budgétaires, leur nombre est déterminé en fonction des nécessités du service, sur lesquelles le ministre qui a la Justice dans ses attributions prend l'avis motivé du Collège des cours et tribunaux pour les criminologues désignés près les cours et tribunaux et du Collège du ministère public pour les criminologues désignés près le ministère public.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 2, alinéa 2, le nombre de criminologues au sein du parquet de la sécurité routière est inscrit dans le plan de personnel visé à l'article 162, § 4.]1

  
HOOFDSTUK III. - Leden van de griffie.
CHAPITRE III. - Des membres du greffe.
Art. 163. <W 2007-04-25/64, art. 20, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Aan de griffie zijn leden verbonden die kunnen worden benoemd [1 of aangewezen]1 in twee niveaus, namelijk de niveaus A of B.
  De leden van de griffie die benoemd -1 of aangewezen]1 worden in het niveau A dragen de titel van hoofdgriffier of griffier-hoofd van dienst.
  De leden van de griffie die worden benoemd in het niveau B dragen de graad van griffier.
  
Art. 163. <L 2007-04-25/64, art. 20, 153; En vigueur : 01-12-2008> Des membres, qui peuvent être nommés [1 ou désignés]1 dans deux niveaux, à savoir les niveaux A ou B, sont attachés au greffe.
  Les membres du greffe nommés [1 ou désignés]1 dans le niveau A portent le titre de greffier en chef ou de greffier-chef de service.
  Les membres du greffe nommés dans le niveau B portent le grade de greffier.
  
Art. 164. <W 2007-04-25/64, art. 21, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [1 Er is een hoofdgriffier in elk hof of elke rechtbank en, met uitzondering in Brussel en Eupen in elk arrondissement voor de politierechtbank en vredegerechten.]1
  Onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 168, is de hoofdgriffier belast met de leiding van de griffie en staat daarbij onder gezag en toezicht van de korpschef, bedoeld in artikel 58bis, 2°, [1 ...]1 waarmede hij regelmatig overleg pleegt. Hij verdeelt de taken onder de leden en het personeel van de griffie en wijst de griffiers aan die de magistraten bijstaan.
  [1 In het arrondissement Brussel is er een hoofdgriffier, in elk vredegerecht en in elke politierechtbank. [2 Wanneer ingevolge artikel 157, eerste lid, door de verbinding van eenzelfde griffie aan meerdere vredegerechten, meerdere hoofdgriffiers titularis worden van deze eenzelfde griffie, dan zijn deze hoofdgriffiers bevoegd voor de volledige rechtsgebieden van de kantons waaraan deze eenzelfde griffie verbonden is. De verdeling van de dienst en de leiding berust bij de hoofdgriffier die daarmee instemt en daartoe werd aangewezen door de overeenkomstig artikel 72bis, tweede tot vierde lid, bevoegde voorzitter of voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg. Wanneer ingevolge ambtsbeëindigingen één hoofdgriffier overblijft wordt deze, zonder dat artikel 287sexies van toepassing is, titularis van deze griffie zonder nieuwe eedaflegging.]2
   In het arrondissement Eupen oefent de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheden uit van hoofdgriffier bij de arbeidsrechtbank, de [3 ondernemingsrechtbank]3, de politierechtbank en de vredegerechten.]1

  
Art. 164. <L 2007-04-25/64, art. 21, 153; En vigueur : 01-12-2008> [1 Il y a un greffier en chef dans chaque cour ou tribunal et, à l'exception de Bruxelles et d'Eupen, dans chaque arrondissement pour le tribunal de police et les justices de paix. ]1
  Sans préjudice des tâches et de l'assistance visées à l'article 168, le greffier en chef est chargé de diriger le greffe, sous l'autorité et la surveillance du chef de corps, visé à l'article 58bis, 2°, [1 ...]1 avec lequel il se concerte régulièrement. Il répartit les tâches entre les membres et le personnel du greffe et désigne les greffiers qui assistent les magistrats.
  [1 Dans l'arrondissement de Bruxelles, il y a un greffier en chef dans chaque justice de paix et dans chaque tribunal de police. [2 Lorsque conformément à l'article 157, alinéa 1er, plusieurs greffiers en chef deviennent titulaires d'un même greffe en raison de l'attachement d'un même greffe à plusieurs justices de paix, ces greffiers en chef sont compétents pour la totalité des territoires des cantons auxquels ce même greffe est attaché. La répartition du service et la direction incombent au greffier en chef qui y consent et qui a été désigné à cet effet par le ou les président(s) compétent(s) du tribunal de première instance conformément à l'article 72bis, alinéas 2 à 4. Lorsque suite à des cessations de fonction, il ne subsiste qu'un seul greffier en chef, il devient, sans que l'article 287sexies soit d'application, titulaire de ce greffe sans devoir prêter serment à nouveau.]2
   Dans l'arrondissement d'Eupen, le greffier en chef du tribunal de première instance exerce les compétences de greffier en chef du tribunal du travail, du [3 tribunal de l'entreprise]3, du tribunal de police et des justices de paix.]1

  
Art. 164/1. [1 De hoofdgriffiers van de hoven en rechtbanken, het Hof van Cassatie uitgezonderd, vormen samen een raad, raad van hoofdgriffiers genaamd.
   De raad van hoofdgriffiers heeft tot taak het College van de hoven en rechtbanken ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over zaken en vragen die betrekking hebben op de organisatie, de werking en het beheer van de griffies alsook op het statuut, de loopbaan, de evaluatie en de bezoldigingsregeling van het gerechtspersoneel.
   De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort, die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
   De raad vergadert op eigen initiatief of op verzoek van het College van de hoven en rechtbanken en minstens eenmaal per trimester.]1

  
Art. 164/1. [1 Les greffiers en chef des cours et tribunaux, à l'exception de la Cour de cassation, forment ensemble un conseil, appelé conseil des greffiers en chef.
   Le conseil des greffiers en chef est chargé de donner des avis, d'initiative ou à sa demande, au Collège des cours et tribunaux sur des sujets et des questions portant sur l'organisation, le fonctionnement et la gestion des greffes ainsi que sur le statut, la carrière, l'évaluation et le statut pécuniaire du personnel judiciaire.
   Le conseil désigne en son sein, à chaque fois pour la durée d'une année judiciaire, un président et un vice-président appartenant à un autre régime linguistique, qui remplace le président en cas d'absence ou d'empêchement.
   Le conseil se réunit d'initiative ou à la demande du Collège des cours et tribunaux, et au moins une fois par trimestre.]1

  
Art. 165. <W 2007-04-25/64, art. 22, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdgriffier staat in voor de voorwerpen onder zijn bewaring of bewaking en is tegenover partijen verantwoordelijk voor de overgelegde stukken.
Art. 165. <L 2007-04-25/64, art. 22, 153; En vigueur : 01-12-2008> Le greffier en chef répond des objets dont il assure la conservation ou la garde et est responsable, à l'égard des parties, des pièces produites.
Art. 166. <W 2007-04-25/64, art. 23, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdgriffier wordt bijgestaan door griffiers-hoofden van dienst en griffiers.
Art. 166. <L 2007-04-25/64, art. 23, 153; En vigueur : 01-12-2008> Le greffier en chef est assisté par des greffiers-chefs de service et des greffiers.
Art. 167. <W 2007-04-25/64, art. 24, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 168 neemt de griffier-hoofd van dienst, onder het gezag en toezicht van de hoofdgriffier, deel aan de leiding van de griffie. [1 De hoofdgriffier kan een of meer griffiers-hoofden van dienst aanwijzen als afdelingsgriffier om hem bij te staan bij de leiding van een afdeling, onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 168.]1
  
Art. 167. <L 2007-04-25/64, art. 24, 153; En vigueur : 01-12-2008> Sans préjudice des tâches et de l'assistance visées à l'article 168, le greffier-chef de service participe, sous l'autorité et la surveillance du greffier en chef, à la direction du greffe. [1 Le greffier en chef peut désigner un ou plusieurs greffiers-chefs de service comme greffier de division pour l'assister dans la direction d'une division, sans préjudice des tâches et de l'assistance visées à l'article 168. ]1
  
Art. 168. <W 2007-04-25/64, art. 25, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De griffier oefent een gerechtelijke functie uit. Hij vervult de griffietaken en staat de magistraat bij als griffier in alle verrichtingen van diens ambt.
  Op deze regel wordt slechts een uitzondering gemaakt wanneer om dringende redenen zijn aanwezigheid niet kon worden gevorderd.
  Tot de taken van de griffier behoren :
  1° hij stelt de griffie voor het publiek toegankelijk;
  2° hij voert de boekhouding van de griffie;
  3° hij verlijdt de akten waarmee hij belast is, bewaart de minuten, registers en alle akten van het gerecht waarbij hij is aangesteld en geeft daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften af;
  4° hij bewaart de rechtsdocumentatie inzake wetgeving, rechtspraak en rechtsleer ten behoeve van de rechters;
  5° hij maakt de tabellen, statistieken en andere documenten op, waarmee hij bij wet of besluit belast is; hij houdt de registers en repertoria bij;
  6° hij zorgt voor de bewaring van de waarden, documenten en voorwerpen die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd;
  7° hij neemt de passende maatregelen om alle archiefbescheiden die hij onder zijn beheer heeft in goede staat te bewaren, om ze te ordenen en te inventariseren, ongeacht hun vorm, structuur en inhoud;
  [1 8° hij antwoordt op alle verzoeken van de rechtszoekenden om hen algemene informatie van louter procedurele aard te verstrekken met betrekking tot hun dossier, onverminderd artikel 297;
   9° hij verleent technische bijstand aan de rechtszoekenden in het gebruik van de hardware en software die voor het publiek ter beschikking staat in de hoven en rechtbanken en in hun griffies.]1

  De griffier verleent bijstand aan de magistraat :
  1° hij bereidt de taken van de magistraat voor;
  2° hij is aanwezig op de terechtzitting;
  3° hij notuleert het verloop van de rechtszaken en de uitspraken;
  4° hij geeft akte van de verschillende formaliteiten waarvan de vervulling moet worden vastgesteld en verleent er authenticiteit aan;
  5° hij stelt de dossiers van de rechtspleging op en ziet, in het kader van zijn bevoegdheid, toe op de naleving van de geldende regelgeving.
  De Koning stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel. Voor de toepassing van het derde lid, 7°, wordt het advies van de Algemeen Rijksarchivaris ingewonnen.
  
Art. 168. <L 2007-04-25/64, art. 25, 153; En vigueur : 01-12-2008> Le greffier exerce une fonction judiciaire, accomplit les tâches du greffe et assiste, en qualité de greffier, le magistrat dans tous les actes de son ministère.
  Cette règle ne reçoit exception que si, en raison de l'urgence, sa présence n'a pu être requise.
  Les tâches du greffier sont les suivantes :
  1° il assure l'accès du greffe au public;
  2° il tient la comptabilité du greffe;
  3° il passe les actes dont il est chargé, garde les minutes, les registres et tous les actes afférents à la juridiction près laquelle il est établi et il en délivre des expéditions, extraits ou copies;
  4° il conserve la documentation législative, jurisprudentielle et doctrinale à l'usage des juges;
  5° il établit les tables, les statistiques et les autres documents dont il a la charge en application de la loi ou des arrêtés; il tient les registres et les répertoires;
  6° il assure la conservation des valeurs, documents et objets déposés au greffe en vertu de la loi;
  7° il prend les mesures appropriées pour assurer la bonne conservation de toutes les archives dont la gestion lui incombe, les classer et les inventorier, ce indépendamment de leur forme, de leur structure et de leur contenu;
  [1 8° il répond à toutes les demandes des justiciables pour leur fournir des informations générales de nature purement procédurale concernant leur dossier, sans préjudice de l'article 297;
   9° il assiste techniquement les justiciables dans l'utilisation du matériel et des logiciels qui sont mis à la disposition du public dans les cours et tribunaux et dans leurs greffes.]1

  Le greffier assiste le magistrat :
  1° il prépare les tâches du magistrat;
  2° il est présent à l'audience;
  3° il dresse le procès-verbal des instances et des décisions;
  4° il donne acte des différentes formalités dont l'accomplissement doit être constaté et leur confère l'authenticité;
  5° il élabore les dossiers de procédure et veille, dans le cadre de ses compétences, au respect des règles en la matière.
  Le Roi détermine les modalités d'application du présent article. Pour l'application de l'alinéa 3, 7°, l'avis de l'Archiviste général du Royaume est recueilli.
  
Art. 169. <W 2007-04-25/64, art. 26, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De griffier houdt een repertorium van de akten van de magistraat en een repertorium van de griffieakten overeenkomstig de verordeningen die de Koning vaststelt.
Art. 169. <L 2007-04-25/64, art. 26, 153; En vigueur : 01-12-2008> Le greffier tient un répertoire des actes du magistrat et un répertoire des actes du greffe, conformément aux dispositions réglementaires établies par le Roi.
Art. 169bis. [...]
Art. 169bis. [...]
(NOTA : ingevoegd door W 2006-08-05/45, art. 10, 138; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 21), gewijzigd door W 2014-05-08/02, art. 138, Inwerkingtreding : 24-05-2014, art. 10 opgeheven zichzelf door art. 177 van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016
(NOTE : inséré par L 2006-08-05/45, art. 10, 138; En vigueur : 01-01-2017 (voir L 2014-12-19/24, art. 21), modifié par L 2014-05-08/02, art. 138, En vigueur : 24-05-2014, art. 10 abrogé lui-même par l'art. 177 de L 2016-12-25/14; En vigueur : 31-12-2016)
Art. 170. <W 2007-04-25/64, art. 27, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg of de door hem aangewezen griffier verricht de dienst in de arrondissementsrechtbank.
Art. 170. <L 2007-04-25/64, art. 27, 153; En vigueur : 01-12-2008> Le greffier en chef du tribunal de première instance ou le greffier désigné par lui assure le service dans le tribunal d'arrondissement.
Art. 171. <W 2007-04-25/64, art. 28, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De functie van griffier van het hof van assisen wordt uitgeoefend door een griffier van de rechtbank van eerste aanleg in wier zetel de assisen worden gehouden. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
  Wanneer de rechtspleging voor het hof van assisen van de provincie Luik in het Duits wordt gevoerd, wordt het ambt van griffier uitgeoefend door de hoofdgriffier van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen of door een door hem aangewezen griffier.
Art. 171. <L 2007-04-25/64, art. 28, 153; En vigueur : 01-12-2008> Les fonctions de greffier de la cour d'assises sont exercées par un greffier du tribunal de première instance au siège duquel les assises sont tenues. Il est désigné par le greffier en chef.
  Lorsque devant la cour d'assises de la province de Liège, la procédure est faite en allemand, les fonctions de greffier sont exercées par le greffier en chef du tribunal de première instance d'Eupen, ou par un greffier désigne par lui.
HOOFDSTUK IV. - Leden van het parketsecretariaat.
CHAPITRE IV. - Des membres du secrétariat de parquet.
Art. 172. <W 2007-04-25/64, art. 30, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Aan het parketsecretariaat zijn leden verbonden die kunnen worden benoemd [1 of aangewezen]1 in twee niveaus, namelijk de niveaus A of B.
  De leden van het parketsecretariaat die worden benoemd [1 of aangewezen]1 in niveau A dragen de titel van hoofdsecretaris of secretaris-hoofd van dienst.
  De leden van het parketsecretariaat die worden benoemd in niveau B dragen de graad van secretaris.
  De Koning bepaalt het aantal betrekkingen.
  [2 In afwijking van het vierde lid wordt het aantal betrekkingen binnen het parket voor de verkeersveiligheid opgenomen in het personeelsplan bedoeld in artikel 162, § 4. Het personeelsplan voorziet minstens in één hoofdsecretaris en twee secretarissen-hoofd van dienst die tot een verschillende taalrol behoren.]2
  
Art. 172. <L 2007-04-25/64, art. 30, 153; En vigueur : 01-12-2008> Des membres, qui peuvent être nommés [1 ou désignés]1 dans deux niveaux, à savoir les niveaux A ou B, sont attachés au secrétariat de parquet.
  Les membres du secrétariat de parquet nommés [1 ou désignés]1 dans le niveau A portent le titre de secrétaire en chef ou de secrétaire-chef de service.
  Les membres du secrétariat de parquet nommés dans le niveau B portent le grade de secrétaire.
  Le Roi détermine le nombre d'emplois.
  [2 Par dérogation à l'alinéa 4, le nombre d'emplois au sein du parquet de la sécurité routière est inscrit dans le plan de personnel visé à l'article 162, § 4. Le plan de personnel prévoit au moins un secrétaire en chef et deux secrétaires-chefs de service qui appartiennent à des rôles linguistiques différents.]2
  
Art. 173. <W 2007-04-25/64, art. 31, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [1 Er is een hoofdsecretaris in elk parketsecretariaat. Onverminderd]1 de taken en de bijstand bedoeld in artikel 176, is de hoofdsecretaris van het parket belast met de leiding van de administratieve diensten en staat daarbij onder gezag en toezicht van de procureur-generaal, van de federale procureur, [2 van de procureur voor de verkeersveiligheid,]2 van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. Hij verdeelt de administratieve taken onder de leden en het personeel van het secretariaat.
  [1 In het arrondissement Eupen oefent de hoofdsecretaris van het parket bij de rechtbank van eerste aanleg de bevoegdheden uit van hoofdsecretaris bij het arbeidsauditoraat.]1
  
Art. 173. <L 2007-04-25/64, art. 31, 153; En vigueur : 01-12-2008> [1 Il y a un secrétaire en chef dans chaque secrétariat de parquet. Sans ]1 préjudice des tâches et de l'assistance visées à l'article 176, le secrétaire en chef du parquet est chargé de diriger les services administratifs, ce sous l'autorité et la surveillance du procureur général, du procureur fédéral, [2 du procureur de la sécurité routière,]2 du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail. Il répartit les tâches administratives entre les membres et le personnel du secrétariat.
  [1 Dans l'arrondissement d'Eupen, le secrétaire en chef du parquet près le tribunal de première instance exerce les compétences de secrétaire en chef de l'auditorat du travail.]1
  
Art. 173/1. [1 De hoofdsecretarissen van de parketten-generaal, het Hof van Cassatie uitgezonderd, van de auditoraten-generaal, van het federaal parket, van het parket voor de verkeersveiligheid, van de parketten van eerste aanleg en van de arbeidsauditoraten vormen samen een raad, raad van hoofdsecretarissen genaamd.
   De raad van hoofdsecretarissen heeft tot taak het College van procureurs-generaal en het College van het openbaar ministerie ambtshalve of op diens verzoek te adviseren over zaken en vragen die betrekking hebben op de organisatie, de werking en het beheer van de parketsecretariaten alsook op het statuut, de loopbaan, de evaluatie en de bezoldigingsregeling van het gerechtspersoneel.
   De raad wijst, telkenmale voor de duur van een gerechtelijk jaar, onder zijn leden een voorzitter en een ondervoorzitter aan die tot een ander taalstelsel behoort, die de voorzitter in geval van afwezigheid of verhindering vervangt.
   De raad vergadert op eigen initiatief of op verzoek van het College van procureurs-generaal of het College van het openbaar ministerie en minstens eenmaal per trimester.]1

  
Art. 173/1. [1 Les secrétaires en chef des parquets généraux, à l'exception de la Cour de cassation, des auditorats généraux, du parquet fédéral, du parquet de la sécurité routière, des parquets de première instance et des auditorats du travail forment ensemble un conseil, appelé conseil des secrétaires en chef.
   Le conseil des secrétaires en chef est chargé de donner des avis, d'initiative ou à leur demande, au Collège des procureurs généraux et au Collège du ministère public sur des sujets et des questions portant sur l'organisation, le fonctionnement et la gestion des secrétariats de parquet ainsi que sur le statut, la carrière, l'évaluation et le statut pécuniaire du personnel judiciaire.
   Le conseil désigne en son sein, à chaque fois pour la durée d'une année judiciaire, un président et un vice-président appartenant à un autre régime linguistique, qui remplace le président en cas d'absence ou d'empêchement.
   Le conseil se réunit d'initiative ou à la demande du Collège des procureurs généraux ou du Collège du ministère public, et au moins une fois par trimestre.]1

  
Art. 174. <W 2007-04-25/64, art. 32, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De hoofdsecretaris kan worden bijgestaan door secretarissen-hoofden van dienst en secretarissen.
Art. 174. <L 2007-04-25/64, art. 32, 153; En vigueur : 01-12-2008> Le secrétaire en chef peut être assisté par des secrétaires-chefs de service et des secrétaires.
Art. 174bis. (NOTA 1 : het artikel 10 van de wet 2006-08-05/45 werd door het artikel 167 van de wet 2007-04-25/64 vervangen. Nu het artikel 10 invoegt het artikel 169bis in plaats van het artikel 174bis, Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 21))
Art. 174bis. (NOTE 1 : l'article 10 de la loi 2006-08-05/45 a été remplacé par l'article 167 de la loi 2007-04-25/64. Désormais l'article 10 insère un article 169bis au lieu de l'article 174bis, En vigueur : indéterminée et au plus tard le 01-01-2017 (voir L 2014-12-19/24, art. 21))
Art. 175. <W 2007-04-25/64, art. 33, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 176, neemt de secretaris-hoofd van dienst, onder het gezag en toezicht van de hoofdsecretaris, deel aan de leiding van het parketsecretariaat. [1 De hoofdsecretaris kan een of meer secretarissen-hoofden van dienst aanwijzen als afdelingssecretaris om hem bij te staan bij de leiding van een afdeling, onverminderd de taken en bijstand bedoeld in artikel 176.]1
  
Art. 175. <L 2007-04-25/64, art. 33, 153; En vigueur : 01-12-2008> Sans préjudice des tâches et de l'assistance visées à l'article 176, le secrétaire-chef de service participe, sous l'autorité et la surveillance du secrétaire en chef, à la direction du secrétariat de parquet. [1 Le secrétaire en chef peut désigner un ou plusieurs secrétaires-chefs de service comme secrétaire de division pour l'assister dans la direction d'une division, sans préjudice des tâches et de l'assistance visées à l'article 176.]1
  
Art. 176. <W 2007-04-25/64, art. 34, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De secretaris staat de procureur-generaal, de federale procureur [1 , de procureur voor de verkeersveiligheid]1, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur bij. Hij ondertekent de documenten die eigen zijn aan zijn functie en die welke hij in opdracht van het hoofd van het parket moet ondertekenen. Hij verleent bijstand aan de magistraten voor documentatie- en opzoekingswerk, voor het samenstellen van de dossiers en voor alle taken, met uitzondering van die welke uitdrukkelijk aan de magistraten zijn voorbehouden.
  De secretaris bewaart alle archiefbescheiden die door het parket worden ontvangen of opgemaakt. Hij neemt de passende maatregelen om alle archiefbescheiden die hij onder zijn beheer heeft in goede staat te bewaren, om ze te ordenen en te inventariseren, ongeacht hun vorm, structuur en inhoud. De Koning stelt, na advies van de Algemeen Rijksarchivaris, nadere regels voor de toepassing van dit lid.
Art. 176. Le secrétaire assiste le procureur général, le procureur fédéral [1 , le procureur de la sécurité routière]1, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail. Il signe les documents inhérents à sa fonction, et ceux que le chef du parquet lui donne mission de signer. Il assiste les magistrats dans des travaux de documentation et de recherche, dans la constitution des dossiers, et dans toutes tâches, à l'exception de celles qui sont expressément réservées aux magistrats.
  Le secrétaire garde tous les documents d'archives reçus ou produits par le parquet. Il prend les mesures appropriées pour assurer la bonne conservation de toutes les archives, dont la gestion lui incombe, de les classer et de les inventorier et ce indépendamment de leur forme, de leur structure et de leur contenu. Le Roi détermine, après avis de l'Archiviste général du Royaume, les modalités d'application du présent alinéa.
(NOTA : ingevoegd door W 2006-08-05/45, art. 11, 138; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 21), gewijzigd door W 2014-05-08/02, art. 138, Inwerkingtreding : 24-05-2014, art. 11 opgeheven zichzelf door art. 177 van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016
  
(NOTE : modifié par L 2006-08-05/45, art. 11, 138; En vigueur : 01-01-2017 (voir L 2014-12-19/24, art. 21), modifié par L 2014-05-08/02, art. 138, En vigueur : 24-05-2014, art. 11 abrogé lui-même par l'art. 177 de L 2016-12-25/14; En vigueur : 31-12-2016)
  
TITEL IIIbis. (...)
TITRE IIIbis. - (Abrogé).
HOOFDSTUK V. - Personeel verbonden aan een griffie, een parketsecretariaat of een steundienst.
CHAPITRE V. - Des membres du personnel attachés à une greffe, à un secrétariat de parquet ou à un service d'appui.
Art. 177. <W 2007-04-25/64, art. 37, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Aan de griffies, de parketsecretariaten en in voorkomend geval de steundiensten, zijn personeelsleden verbonden die door de Koning worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A.
  Onverminderd de [4 artikelen 162, 162/1, 163, tweede lid, en 172, tweede lid,]4 dragen de personeelsleden benoemd in :
  1° de klas A1 of A2 de titel van attaché;
  2° in de klasse A3 de titel van adviseur;
  3° in de klasse A4 of A5 de titel van adviseur-generaal.
  Een bijkomende titel kan door de Koning worden toegevoegd bij de titulatuur bedoeld in het tweede lid.
  De Koning bepaalt het aantal betrekkingen.
  [4 In afwijking van het vierde lid, wordt het aantal betrekkingen binnen het parket voor de verkeersveiligheid opgenomen in het personeelsplan bedoeld in artikel 162, § 4.]4
  § 2. Onverminderd de artikelen 163, derde lid en 172, derde lid, zijn aan de griffies, de parketsecretariaten en, in voorkomend geval, aan de steundiensten personeelsleden verbonden die door de minister van Justitie worden benoemd in het niveau B, C en D. [2 ...]2.
  [1 De hoofdsecretaris kan een personeelslid van niveau C of D, met zijn instemming, aanwijzen in een andere afdeling.]1
  Niveau B omvat de graden van deskundige, administratief deskundige en ICT deskundige.
  Niveau C omvat de graad van assistent.
  Niveau D omvat de graad van medewerker.
  De Koning bepaalt de nadere regels van het statuut van deze personeelsleden, hun wedde en het aantal betrekkingen [5 , alsook de nadere regels van de toekenning van maaltijdcheques aan deze personeelsleden]5.
  [4 In afwijking van het zesde lid, wordt het aantal betrekkingen binnen het parket voor de verkeersveiligheid opgenomen in het personeelsplan bedoeld in artikel 162, § 4.]4
  [1 De hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat kan een personeelslid van niveau A en B met zijn instemming aanwijzen in een ander arrondissement.]1
  
Art. 177. <L 2007-04-25/64, art. 37, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Des membres du personnel nommés par le Roi dans une [3 classe]3 de niveau A sont attachés aux greffes, aux secrétariats de parquet et, le cas échéant, aux services d'appui.
  Sans préjudice [4 des articles 162, 162/1, 163, alinéa 2, et 172, alinéa 2,]4 les membres du personnel nommés :
  1° dans la classe A1 ou A2 portent le titre d'attaché;
  2° dans la classe A 3 portent le titre de conseiller;
  3° dans la classe A4 ou A5, le titre de conseiller général.
  Un titre complémentaire peut être accolé par le Roi aux titres visés à l'alinéa 2.
  Le Roi détermine le nombre d'emplois.
  [4 Par dérogation à l'alinéa 4, le nombre d'emplois au sein du parquet de la sécurité routière est inscrit dans le plan de personnel visé à l'article 162, § 4.]4
  § 2. Sans préjudice des articles 163, alinéa 3, et 172, alinéa 3, des membres du personnel nommés par le ministre de la Justice dans les niveaux B, C et D sont attachés aux greffes, aux secrétariats de parquet et, le cas échéant, aux services d'appui. [2 ...]2.
  [1 Le secrétaire en chef peut désigner un membre du personnel de niveau C ou D, qui y consent, dans une autre division.]1
   Le niveau B contient les grades d'expert, d'expert administratif et d'expert ICT.
  Le niveau C contient le grade d'assistant.
  Le niveau D contient le grade de collaborateur.
  Le Roi détermine les modalités concernant le statut et le traitement de ces membres du personnel ainsi que le nombre d'emplois [5 et les modalités concernant l'octroi de chèques-repas à ces membres du personnel]5.
  [4 Par dérogation à l'alinéa 6, le nombre d'emplois au sein du parquet de la sécurité routière est inscrit dans le plan de personnel visé à l'article 162, § 4.]4
  [1 Le secrétaire en chef de l'auditorat du travail peut désigner un membre du personnel de niveau A et B, avec son consentement, dans un autre arrondissement.]1
  
Art. 178. <W 2007-04-25/64, art. 38, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Om bijzondere redenen kan de minister van Justitie of de overheid aan wie hij die bevoegdheid overdraagt, personeel aanwerven op grond van een arbeidsovereenkomst, teneinde de continuïteit van de diensten te verzekeren. In aanmerking voor deze aanwervingen komen alleen de geslaagden van een vergelijkend examen of een examen voor desbetreffende functie, of bij ontstentenis, de kandidaten die geslaagd zijn voor een specifieke selectie op grond van een functieprofiel, georganiseerd door de minister van Justitie of door een dienst van de Staat. Om bij arbeidsovereenkomst in dienst te worden genomen, moeten de betrokkenen een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking en de burgerlijke en politieke rechten genieten.
Art. 178. <L 2007-04-25/64, art. 38, 153; En vigueur : 01-12-2008> Pour des raisons spécifiques, le ministre de la Justice ou l'autorité à qui il délègue ce pouvoir peut, en vue d'assurer la continuité des services, engager du personnel sous les liens d'un contrat de travail. Seuls entrent en ligne de compte pour ces engagements les lauréats d'un concours ou d'un examen organisé pour la fonction concernée ou, à défaut, les candidats lauréats d'une sélection spécifique sur la base d'un profil de fonction, organisée par le ministre de la Justice ou par un service de l'Etat. Pour être engagés par contrat de travail, les intéressés doivent être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction et jouir des droits civils et politiques.
Art. 178/1. [1 In het gerechtelijk arrondissement Eupen wordt het gerechtspersoneel bedoeld in hoofdstuk III en V, gelijktijdig benoemd in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de [2 ondernemingsrechtbank]2, de politierechtbank en de vredegerechten. De hoofdgriffier wijst het rechtscollege aan waarin die personeelsleden hun ambt vervullen.
   Het in hoofdstuk IV en V bedoelde gerechtspersoneel wordt gelijktijdig benoemd in het parketsecretariaat van de procureur des Konings en dat van de arbeidsauditeur. De hoofdsecretaris wijst het parketsecretariaat aan waarin die personeelsleden hun ambt vervullen.]1

  
Art. 178/1. [1 Dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen, le personnel judiciaire visé aux chapitres III et V est nommé simultanément au tribunal de première instance, au tribunal du travail, au [2 tribunal de l'entreprise]2, au tribunal de police et dans les justices de paix. Le greffier en chef indique dans quelle juridiction ces membres du personnel exercent leurs fonctions.
   Le personnel judiciaire visé aux chapitres IV et V est nommé simultanément au secrétariat du parquet du procureur du Roi et de l'auditeur du travail. Le secrétaire en chef indique dans quel secrétariat de parquet ces membres du personnel exercent leurs fonctions.]1

  
HOOFDSTUK VI. [1 - Vervanging in overtal van de griffiers, secretarissen en assistenten aangewezen om een rechter in de strafuitvoeringsrechtbank of een substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken bij te staan.]1
CHAPITRE VI. [1 - Du remplacement en surnombre des greffiers, secrétaires et assistants désignés pour assister un juge au tribunal de l'application des peines ou un substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines.]1
Art. 179. [1 De griffier, secretaris of assistent aangewezen om een rechter in de strafuitvoeringsrechtbank of een substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken bij te staan kan worden vervangen door middel van een benoeming of een werving in overtal.]1
  
Art. 179. [1 Le greffier, le secrétaire ou l'assistant désigné pour assister un juge au tribunal de l'application des peines ou un substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines peut être remplacé par la voie d'une nomination ou d'un recrutement en surnombre.]1
  
TITEL IV. -[1 Beheer van de rechterlijke organisatie]1
TITRE IV. - [1 De la gestion de l'organisation judiciaire]1
HOOFDSTUK I. - [1 Algemene beginselen]1
CHAPITRE I. - [1 Principes généraux]1
Art. 180. [1 De gerechtelijke entiteiten van de rechterlijke organisatie zijn verantwoordelijk voor het beheer van de algemene werkingsmiddelen die hun ter beschikking worden gesteld.
   De colleges bedoeld in deze titel, bieden steun bij en houden toezicht op het beheer.
   Onder gerechtelijke entiteiten wordt verstaan :
   1° de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken en de vredegerechten wat de zetel betreft;
   2° de parketten-generaal, de parketten van de procureur des Konings, de arbeidsauditoraten [2 , het federaal parket en het parket voor de verkeersveiligheid]2 wat het openbaar ministerie betreft.
   Het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof vormen samen een afzonderlijke gerechtelijke entiteit.]1

  
Art. 180. [1 Les entités judiciaires de l'organisation judiciaire sont responsables de la gestion des moyens de fonctionnement généraux qui leur sont alloués.
   Les collèges visés au présent titre, assurent l'appui à la gestion et la surveillance de celle-ci.
  Par entités judiciaires, on entend :
   1° les cours d'appel, les cours du travail, les tribunaux et les justices de paix en ce qui concerne le siège;
   2° les parquets généraux, les parquets du procureur du Roi, les auditorats du travail [2 , le parquet fédéral et le parquet de la sécurité routière]2 en ce qui concerne le ministère public.
   La Cour de cassation et le parquet près cette Cour constituent ensemble une entité judiciaire séparée.]1

  
HOOFDSTUK II. - [1 Centraal beheer]1
CHAPITRE II. - [1 De la gestion centrale]1
Afdeling I. [1 Het College van de hoven en rechtbanken]1
Section 1re. [1 Du Collège des cours et tribunaux]1
Art. 181. [1 Er wordt een College van de hoven en rechtbanken opgericht dat instaat voor de goede algemene werking van de zetel. Het College, binnen deze bevoegdheid :
   1° neemt maatregelen die een toegankelijke, onafhankelijke, tijdige en kwaliteitsvolle rechtsbedeling verzekeren door het organiseren van onder meer communicatie, kennisbeheer, een kwaliteitsbeleid, werkprocessen, de implementatie van informatisering, het strategisch personeelsbeleid, de statistieken, de werklastmeting en werklastverdeling;
   2° biedt ondersteuning aan het beheer binnen de hoven van beroep en arbeidshoven, rechtbanken en vredegerechten.
   Ter uitvoering van de bij dit artikel bepaalde taken en bevoegdheden geeft het College aanbevelingen en dwingende richtlijnen aan alle directiecomités van respectievelijk de hoven van beroep en arbeidshoven, rechtbanken en vredegerechten. De aanbevelingen en richtlijnen worden aan de minister van Justitie overgezonden.]1

  
Art. 181. [1 Il est créé un Collège des cours et tribunaux qui assure le bon fonctionnement général du siège. Dans la limite de cette compétence, le Collège :
   1° prend des mesures qui garantissent une administration de la justice accessible, indépendante, diligente et de qualité en organisant entre autres la communication, la gestion des connaissances, une politique de qualité, les processus de travail, la mise en oeuvre de l'informatisation, la gestion stratégique des ressources humaines, les statistiques, la mesure et la répartition de la charge de travail;
   2° soutient la gestion au sein des cours d'appel, des cours du travail, des tribunaux et des justices de paix.
   Pour exercer les tâches et compétences prévues au présent article, le Collège adresse des recommandations et des directives contraignantes à tous les comités de direction respectifs des cours d'appel, des cours du travail, des tribunaux et des justices de paix. Les recommandations et les directives sont transmises au ministre de la Justice.]1

  
Art. 182. [1 § 1. Het College bestaat uit twaalf leden, een voorzitter en een ondervoorzitter. De leden tellen drie eerste voorzitters van een hof van beroep, een eerste voorzitter van een arbeidshof, drie voorzitters van een rechtbank van eerste aanleg, een voorzitter van een ondernemingsrechtbank, een voorzitter van een arbeidsrechtbank, een voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en twee leden van de raad van hoofdgriffiers. Het College wordt taalkundig paritair samengesteld. Indien een lid afkomstig is uit het gerechtelijk arrondissement Eupen, wordt het meegeteld bij de taalrol van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten. De leden van de raad van hoofdgriffiers behoren tot een verschillende taalrol.
   § 2. De magistraat - leden van het College worden verkozen door de korpschefs van de hoven van beroep, van de arbeidshoven, van de rechtbanken en van de vredegerechten voor een termijn van vijf jaar.
   Het verlies van het mandaat van korpschef tenzij deze het gevolg is van een tuchtstraf of de toelating tot de inruststelling, maakt geen einde aan het mandaat van lid van het College.
   Een kiescollege van de eerste voorzitters kiest de vier vertegenwoordigers van de hoven, taalparitair verdeeld.
   Een kiescollege van de voorzitters kiest de zes vertegenwoordigers van de rechtbanken en de vredegerechten, taalparitair verdeeld. Eén van de drie voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg behoort tot de andere taalrol dan de twee andere voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg.
   De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing.
   § 3. De leden van de raad van hoofdgriffiers verkiezen hun vertegenwoordigers in het College voor een termijn van drie jaar, die hernieuwbaar is op verzoek van elk van de betrokken vertegenwoordigers. De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing.
  [2 § 3/1. De persoonsgegevens van de kiezers en van de kandidaten die door het College worden ingewonnen in de loop van de verkiezingsprocedure van de leden, worden door het College bewaard voor de duur van het mandaat.
   Het College staat in voor de inrichting en het beheer van de werking van de lijst van kiezers en kandidaten. Hij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijst. Het College wordt met betrekking tot de lijst beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).
   De Koning bepaalt de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
   De lijst en de daarin opgenomen gegevens kunnen, onder toezicht van de beheerder en voor zover noodzakelijk voor het vervullen van hun respectievelijke wettelijke opdrachten, uitsluitend worden geraadpleegd door het College en de steundienst bij het College.]2

   § 4. Het College kiest uit zijn leden bedoeld in paragraaf 2 of uit de erekorpschefs zoals bedoeld in artikel 259quater, § 5/1, een voorzitter en een ondervoorzitter voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar dewelke van rechtswege een einde neemt bij het aflopen van de termijn bedoeld in paragraaf 2, eerste lid. De erekorpschef moet minstens vijf jaar verwijderd zijn van zijn inruststelling. De voorzitter en de ondervoorzitter behoren tot een verschillende taalrol. Na tweeënhalf jaar wordt een beurtwisseling van de mandaten in acht genomen. De Koning stelt de nadere regels vast voor de aanwijzing van de voorzitter en ondervoorzitter op eensluidend voorstel van het College.
   De gekozen voorzitter en ondervoorzitter worden als lid van het College vervangen overeenkomstig paragraaf 5, eerste lid.
   Bij het voortijdig openvallen van het mandaat van voorzitter of ondervoorzitter of bij het oplopen van een tuchtstraf wordt de voorzitter of ondervoorzitter voor de resterende duur vervangen door een ander verkozen lid van het College of door een erekorpschef als bedoeld in artikel 259quater, § 5/1, van dezelfde taalrol.
   De voorzitter en de ondervoorzitter oefenen hun mandaat voltijds uit. Zij ontvangen de wedde die toegekend wordt aan de eerste voorzitter van het hof van beroep. Artikel 323bis is op hen van toepassing.
   § 5. Voor de leden van het College bedoeld in paragraaf 2 wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld, die bestaat uit de niet-verkozen korpschefs in volgorde van het behaalde aantal stemmen. Bij afwezigheid, verhindering of, het voortijdig openvallen van een mandaat van lid in het College, wordt het betrokken lid, al naargelang het geval, voor de duur van de afwezigheid of verhindering dan wel voor de resterende duur van het mandaat, vervangen door de eerst nuttig gerangschikte opvolger uit hetzelfde type rechtscollege en van dezelfde taalrol uit de lijst van opvolgers, uitgezonderd de opvolgers waarvan het mandaat van korpschef een einde nam door toedoen van een tuchtstraf of die werden toegelaten tot de inruststelling. Bij gebrek hieraan, wordt het lid vervangen door de korpschef van hetzelfde type rechtscollege en dezelfde taalrol met het hoogste aantal jaren dienstanciënniteit binnen de zetel.
   Ingeval een lid van het College dat de raad van hoofdgriffiers vertegenwoordigt, afwezig of verhinderd is, wordt het vervangen door een lid van de raad die het vertegenwoordigt en dat tot dezelfde taalgroep behoort. Wanneer een vertegenwoordiger van de raad van hoofdgriffiers in de loop van zijn mandaat zijn hoedanigheid van hoofdgriffier verliest, wordt hij vervangen door een opvolger vermeld in een lijst opgesteld volgens door de Koning bepaalde nadere regels.
   § 6. Het College beslist bij meerderheid van stemmen, waaronder minstens één stem in elke taalgroep. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. De leden van de raad van hoofdgriffiers zetelen met raadgevende stem.
   Het College neemt de beslissingen inzake de bevoegdheden bedoeld in artikel 181, eerste lid. De voorzitter en de ondervoorzitter nemen autonoom en in overleg beslissingen die aan de door het College bepaalde strategie uitvoering geven. Ze geven hiervan rekenschap aan het College. Indien de voorzitter en de ondervoorzitter het niet eens zijn over de te nemen beslissing, leggen zij deze voor aan het College.
   Het College keurt zijn huishoudelijk reglement goed en kan zich voorzien van een taalparitair bureau voor de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen. Indien er een bureau gecreëerd wordt, nemen de voorzitter en de ondervoorzitter van rechtswege deel aan dit bureau.
   Het College vergadert minstens eenmaal per maand. De minister van Justitie of de voorzitter van het College van het openbaar ministerie kan eveneens het College op hun met redenen omklede vraag verzoeken bijeen te komen. Zij kunnen het College verzoeken een aanbeveling of richtlijn uit te vaardigen. Het College zal daarover beslissen. Op eigen initiatief of op vraag van de minister van Justitie vergaderen beide Colleges samen.]1

  
Art. 182. [1 § 1er. Le Collège est composé de douze membres, d'un président et d'un vice-président. Les membres comptent trois premiers présidents de cour d'appel, un premier président de cour du travail, trois présidents de tribunal de première instance, un président de tribunal de l'entreprise, un président de tribunal du travail, un président des juges de paix et des juges au tribunal de police et deux membres du conseil des greffiers en chef. Le Collège est composé paritairement sur le plan linguistique. Si un membre est issu de l'arrondissement judiciaire d'Eupen, il est comptabilisé dans le rôle linguistique de son diplôme de docteur, licencié ou master en droit. Les membres du conseil des greffiers en chef appartiennent à un rôle linguistique différent.
   § 2. Les magistrats membres du Collège sont élus par les chefs de corps des cours d'appel, des cours du travail, des tribunaux et des justices de paix pour un terme de cinq ans.
   La perte du mandat de chef de corps, sauf à la suite d'une peine disciplinaire ou d'une admission à la retraite ne met pas fin au mandat de membre du Collège.
   Un collège électoral des premiers présidents élit les quatre représentants des cours, selon une répartition linguistique paritaire.
   Un collège électoral des présidents élit les six représentants des tribunaux et des justices de paix, selon une répartition linguistique paritaire. Un des trois présidents du tribunal de première instance appartient à l'autre rôle linguistique que celui des deux autres présidents du tribunal de première instance.
   Le Roi fixe les modalités de l'élection.
   § 3. Les membres du conseil des greffiers en chef élisent leurs représentants au sein du Collège pour un terme de trois ans, renouvelable à la demande de chacun des représentants. Le Roi fixe les modalités de l'élection.
  [2 § 3/1. Les données à caractère personnel des électeurs et des candidats recueillies par le Collège au cours de la procédure d'élection des membres sont conservées par le Collège pendant la durée du mandat.
   Le Collège met en place et gère le fonctionnement de la liste des électeurs et des candidats. Il assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de cette liste. Le Collège est considéré, pour ce qui concerne la liste, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données).
   Le Roi détermine les données qui figurent dans la liste.
   La liste et les données qui y figurent peuvent, sous le contrôle du gestionnaire et pour autant que cela est nécessaire pour l'accomplissement de leurs missions légales respectives, être consultées exclusivement par le Collège et le service d'appui près du Collège.]2

   § 4. Le Collège élit parmi ses membres visés au paragraphe 2 ou parmi les chefs de corps honoraires visés à l'article 259quater, § 5/1, un président et un vice-président pour un terme renouvelable de cinq ans, lequel prend fin d'office à l'expiration du terme visé au paragraphe 2, alinéa 1er. Le chef de corps honoraire doit être éloigné d'au moins cinq ans de son admission à la retraite. Le président et le vice-président appartiennent à un rôle linguistique différent. Après deux ans et demi, une alternance des mandats est respectée. Le Roi fixe les modalités de la désignation du président et du vice-président sur proposition conforme du Collège.
   Le président et le vice-président élus sont remplacés en tant que membres du Collège conformément au paragraphe 5, alinéa 1er.
   Le président ou le vice-président dont le mandat devient vacant avant son terme ou qui encourt une sanction disciplinaire est remplacé pour la durée restante par un autre membre élu du Collège ou par un chef de corps honoraire visé à l'article 259quater, § 5/1, du même rôle linguistique.
   Le président et le vice-président exercent leur mandat à temps plein. Ils perçoivent le traitement octroyé au premier président de la cour d'appel. L'article 323bis leur est applicable.
   § 5. Pour la durée du mandat des membres du Collège visés au paragraphe 2, une liste de successeurs est établie, composée des chefs de corps non élus dans l'ordre du nombre de votes reçus. En cas d'absence, d'empêchement, ou d'ouverture prématurée du mandat au sein du Collège, le membre concerné, selon le cas, pour la durée de son absence ou de son empêchement ou pour la durée restante de son mandat, est remplacé par le premier successeur en rang utile issu du même type de juridiction et du même rôle linguistique de la liste des successeurs à l'exception des successeurs dont le mandat de chef de corps a pris fin à la suite d'une peine disciplinaire ou de leur admission à la retraite. A défaut, le membre est remplacé par le chef de corps du même type de juridiction et du même rôle linguistique comptant le plus grand nombre d'années d'ancienneté au siège.
   Dans le cas où un membre du Collège qui représente le conseil des greffiers en chef est absent ou empêché, il est remplacé par un membre du conseil qu'il représente et qui appartient au même rôle linguistique. Lorsqu'un représentant du conseil des greffiers en chef perd sa qualité de greffier en chef au cours de son mandat, il est remplacé par un successeur issu d'une liste établie selon des modalités fixées par le Roi.
   § 6. Le Collège décide à la majorité des voix, dont au moins une voix dans chaque groupe linguistique. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante. Les membres du conseil des greffiers en chef siègent avec voix consultative.
   Le Collège prend les décisions relatives aux compétences visées à l'article 181, alinéa 1er. Le président et le vice-président prennent des décisions autonomes et concertées qui exécutent la stratégie établie par le Collège. Ils en rendent compte au Collège. Si le président et le vice-président ne sont pas d'accord sur la décision à prendre, ils la soumettent au Collège.
   Le Collège approuve son règlement d'ordre intérieur et peut se doter d'un bureau, qui est composé paritairement sur le plan linguistique, pour la préparation et l'exécution des décisions. Si un bureau est créé, le président et le vice-président y participent de plein droit.
   Le Collège se réunit au moins une fois par mois. Il peut également être invité à se réunir par une demande motivée du ministre de la Justice ou du président du Collège du ministère public. Ceux-ci peuvent demander au Collège d'édicter une recommandation ou une directive. Le Collège statue sur ces demandes. Les deux Collèges se réunissent conjointement de leur propre initiative ou à la demande du ministre de la Justice.]1

  
Art. 183. [1 § 1. Bij het College van de hoven en rechtbanken wordt een gemeenschappelijke steundienst ingericht. De steundienst staat onder het gezag van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.
   De steundienst is belast met :
   1° het verlenen van ondersteuning in de domeinen vernoemd in artikel 181;
   2° het verlenen van ondersteuning van de directiecomités, bedoeld in hoofdstuk III;
   3° het organiseren van een interne audit van het College en de gerechtelijke entiteiten.
   Een directeur is belast met de dagelijkse leiding. Hij wordt voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar aangewezen door de Koning op voordracht van het College en op basis van een door de Koning op advies van het College vooraf bepaald profiel. De directeur neemt zitting in het College met raadgevende stem.
   De directeur oefent zijn functie voltijds uit. Hij ontvangt de wedde van kamervoorzitter bij een hof van beroep. De artikelen 323bis, 327 en 330 zijn in voorkomend geval van toepassing. In geval van ongeschiktheid, langdurige ziekte of ernstig plichtsverzuim kan de Koning, op voorstel van het College, het mandaat van de directeur schorsen of vroegtijdig beëindigen.
   § 2. De Koning bepaalt op advies van het College de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de steundienst. Het personeel wordt opgenomen in een personeelsplan, dat jaarlijks wordt opgesteld door het College. Bij de aanwervingen wordt de taalpariteit verzekerd.
   Het binnen de steundienst vastbenoemd personeel is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het in vast verband benoemde personeel van de rechterlijke organisatie.
   Magistraten kunnen een opdracht krijgen in de steundienst overeenkomstig de artikelen 323bis en 327. [2 Op zijn verzoek en op voorstel van de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken, kan een magistraat die overeenkomstig artikel 383, § 1, wegens zijn leeftijd is toegelaten tot de inruststelling of die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt, door de Koning worden gemachtigd om een onbezoldigde opdracht uit te oefenen binnen de steundienst. Daarenboven wordt het akkoord van de korpschef gevraagd wanneer de voorgestelde magistraat een in artikel 383, § 2, bedoelde plaatsvervangende magistraat is.]2
   Ieder personeelslid van de rechterlijke organisatie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College aan de minister van Justitie, in de steundienst van het College een opdracht krijgen overeenkomstig de artikelen 330, 330bis en 330ter.
   Ieder vastbenoemd personeelslid van een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst of van de Hoge Raad voor de Justitie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College, al naargelang van het geval, aan de minister waaronder hij ressorteert of aan de Hoge Raad voor de Justitie, ter beschikking worden gesteld van de steundienst van het College.
  [3 Het College kan een of meerdere opdrachthouders van klasse A3 of A4 aanwijzen voor de uitvoering van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen. De opdrachthouder wordt gedetacheerd voor een maximale periode van drie jaar die eenmaal hernieuwbaar is.
   De opdrachthouder wordt gedetacheerd uit :
   - leden van het gerechtspersoneel;
   - personeelsleden van een federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst.
   Om te kunnen worden gedetacheerd, moet het personeelslid van het federaal openbaar ambt of het lid van het gerechtspersoneel minstens van klasse A2 zijn met 4 jaar klasseanciënniteit of van de klasse A3 voor een opdrachthouder van klasse A3 en minstens van klasse A3 zijn met drie jaar klasseanciënniteit voor een opdrachthouder van klasse A4.
   Tijdens de duur van de detachering, wordt de opdrachthouder ambtshalve met een opdracht van algemeen belang geplaatst in zijn dienst van oorsprong.
   Een oproep tot de kandidaten waarin een functiebeschrijving en competentieprofiel is opgenomen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en staat tegelijk open voor kandidaten uit de diverse wervingsvormen.]3

   § 3. Aan de opdracht [3 , de terbeschikkingstelling of de detachering]3 bedoeld in dit artikel kan een einde worden gemaakt :
   1° op voorstel van het College, na de magistraat, het personeelslid [3 , de ambtenaar of de opdrachthouder]3 vooraf te hebben gehoord;
   2° op verzoek van de betrokken magistraat, het betrokken personeelslid [3 , de betrokken ambtenaar of de betrokken opdrachthouder]3 met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.
   De personeelsleden [3 , magistraten en opdrachthouders]3n bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan het gezag van de directeur.
   De personeelsleden [3 en de opdrachthouders]3 bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan de evaluatieregeling, de tuchtregeling, de verlofregeling en de arbeidstijdregeling die van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in § 2, tweede lid.
   Het personeelsplan kan voorzien in de mogelijkheid om werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen overeenkomstig de bepalingen voorzien in artikel 178.
  [3 In afwijking van het vierde lid kan het College personen in dienst nemen in de hoedanigheid van opdrachthouder, bedoeld in paragraaf 2, zesde lid, onder het stelsel van een arbeidsovereenkomst voor de uitvoering, gedurende een bepaalde periode van maximum drie jaar, eenmaal hernieuwbaar, van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen.]3
   § 4. De wedde van het door het College aangeworven personeel en van het personeel dat met een opdracht belast is of ter beschikking wordt gesteld [3 en van de opdrachthouders]3, is ten laste van de begroting van het College.
   Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt ieder met een opdracht belast of ter beschikking gesteld personeelslid zijn eigen statuut. Ingeval het statuut van het personeel bedoeld in dit artikel voor een vergelijkbare opdracht evenwel voorziet in een hogere bezoldiging of in bijzondere voordelen, wordt ten laste van de begroting van het College een weddensupplement dat de bezoldiging van dat personeelslid op hetzelfde niveau brengt, evenals deze voordelen toegekend.]1

  
Art. 183. [1 § 1er. Un service d'appui commun est institué auprès du Collège des cours et tribunaux. Le service d'appui est placé sous l'autorité du président du Collège des cours et tribunaux.
   Le service d'appui est chargé :
   1° d'apporter un soutien dans les domaines mentionnés à l'article 181;
   2° d'apporter un soutien aux comités de direction visés au chapitre III;
   3° de l'organisation d'un audit interne du Collège et des entités judiciaires.
   Un directeur est chargé de la direction journalière. Il est désigné par le Roi pour un terme renouvelable de cinq ans, sur proposition du Collège et sur la base d'un profil préétabli par le Roi sur avis du Collège. Le directeur siège au Collège avec voix consultative.
   Le directeur exerce sa fonction à temps plein. Il perçoit le traitement d'un président de chambre à la cour d'appel. Les articles 323bis, 327 et 330 sont, le cas échéant, d'application. Le Roi peut, sur proposition du Collège, suspendre le mandat du directeur ou y mettre fin prématurément en cas d'incapacité, de maladie de longue durée ou de manquement grave à ses devoirs.
   § 2. Le Roi détermine, sur avis du Collège, les modalités du fonctionnement et de l'organisation du service d'appui. Le personnel est intégré dans un plan de personnel, établi annuellement par le Collège. Lors des recrutements, la parité linguistique est garantie.
   Le personnel nommé à titre définitif, au sein du service d'appui, est soumis aux dispositions légales et statutaires applicables au personnel de l'organisation judiciaire nommé à titre définitif.
   Les magistrats peuvent être chargés d'une mission ou être délégués au sein du service d'appui conformément aux articles 323bis et 327. [2 A sa demande et sur proposition du président du Collège des cours et tribunaux, un magistrat admis à la retraite en raison de son âge conformément à l'article 383, § 1er, ou qui à sa propre demande est admis à la retraite avant l'âge légal et qui, en outre, a été autorisé à porter le titre honorifique de ses fonctions peut être autorisé par le Roi à exercer une mission non rémunérée au sein du service d'appui. L'accord du chef de corps est, en outre, demandé lorsque le magistrat proposé est un magistrat suppléant visé à l'article 383, § 2.]2
   Tout membre du personnel de l'organisation judiciaire peut, avec son accord et sur demande du Collège adressée au ministre de la Justice, être délégué au sein du service d'appui du Collège conformément aux articles 330, 330bis et 330ter.
   Tout membre du personnel nommé à titre définitif d'un service public fédéral, d'un service public fédéral de programmation ou du Conseil supérieur de la Justice peut être mis à la disposition du service d'appui du Collège, avec son accord et sur demande du Collège adressée, selon le cas, au ministre dont il dépend ou au Conseil supérieur de la Justice.
  [3 Le Collège peut désigner un ou plusieurs chargés de mission de classe A3 ou A4 pour l'exécution de tâches ou de missions qui requièrent une connaissance particulière ou une expérience étendue à un niveau élevé. Le chargé de mission est détaché pour une période maximale de trois ans, renouvelable une fois.
   Le chargé de mission est détaché parmi :
   - les membres du personnel judiciaire;
   - les membres du personnel d'un service public fédéral ou d'un service public fédéral de programmation.
   Pour pouvoir être détaché, le membre du personnel de la fonction publique fédérale ou le membre du personnel judiciaire doit au moins être titulaire de la classe A2 et justifier de quatre ans d'ancienneté de classe ou être titulaire de la classe A3 pour un chargé de mission de classe A3 et au moins être titulaire de la classe A3 et justifier de trois ans d'ancienneté de classe pour un chargé de mission de classe A4.
   Pendant la durée du détachement, le chargé de mission est placé d'office en mission d'intérêt général dans son service d'origine.
   Un appel à candidats comprenant une description de fonction et un profil de compétences est publié au Moniteur belge et est ouvert simultanément aux candidats provenant des différentes formes de recrutement.]3

   § 3. Il peut être mis fin à la mission, à la délégation [3 , à la mise à disposition ou au détachement visés]3 au présent article :
   1° sur proposition du Collège, après avoir entendu préalablement le magistrat, le membre du personnel [3 , l'agent ou le chargé de mission]3;
   2° à la demande du magistrat, du membre du personnel [3 , de l'agent ou du chargé de mission concerné,]3 en respectant un délai de préavis d'un mois.
   Les membres du personnel [3 , les magistrats et les chargés de mission]3 visés au présent article sont soumis à l'autorité du directeur.
   Les membres du personnel [3 et les chargés de mission]3 visés au présent article sont soumis à la réglementation en matière d'évaluation, au régime disciplinaire, au régime des congés et à la réglementation relative aux horaires de travail applicables aux membres du personnel visés au § 2, alinéa 2.
   Le plan de personnel peut prévoir la possibilité d'engager du personnel sur la base d'un contrat de travail conformément aux dispositions prévues à l'article 178.
  [3 Par dérogation à l'alinéa 4, le Collège peut engager des personnes en qualité de chargé de mission, visé au paragraphe 2, alinéa 6, sous le régime du contrat de travail pour l'exécution, pendant une période déterminée de maximum trois ans, renouvelable une fois, de tâches ou de missions qui requièrent des connaissances particulières ou une expérience étendue à un niveau élevé.]3
   § 4. Le traitement du personnel recruté par le Collège et du personnel chargé d'une mission, délégué ou mis à disposition [3 et des chargés de mission]3 est à charge du budget du Collège.
   Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, chaque membre du personnel, chargé d'une mission, délégué ou mis à disposition conserve son statut propre. Toutefois, si le statut du personnel visé au présent article prévoit, à mission équivalente, une rémunération plus élevée ou des avantages particuliers, un supplément de traitement portant la rémunération de ce membre du personnel au même niveau et ces avantages lui sont alloués à charge du budget du Collège.]1

  
Afdeling II [1 Het College van het openbaar ministerie]1
Section II. [1 Du Collège du ministère public]1
Art. 184. [1 § 1. Er wordt een College van het openbaar ministerie opgericht dat binnen zijn bevoegdheden alle maatregelen neemt die nodig zijn voor een goed beheer van het openbaar ministerie :
   1° ondersteuning bieden aan het beheer ter uitvoering van het strafrechtelijk beleid bepaald door het College van procureurs-generaal overeenkomstig artikel 143bis, § 2;
   2° het nastreven van de integrale kwaliteit op het vlak van onder meer communicatie, kennisbeheer, kwaliteitsbeleid, werkprocessen, implementatie van de informatisering, strategisch personeelsbeleid, statistiek, werklastmeting en werklastverdeling, teneinde bij te dragen aan een toegankelijke, onafhankelijke, tijdige en kwaliteitsvolle rechtsbedeling;
   3° ondersteuning bieden aan het beheer binnen de gerechtelijke entiteiten van het openbaar ministerie.
   Ter uitvoering van de taken en bevoegdheden bedoeld in dit artikel kan het College aanbevelingen en dwingende richtlijnen richten aan de directiecomités van de gerechtelijke entiteiten van het openbaar ministerie. De aanbevelingen en richtlijnen worden aan de minister van Justitie overgezonden.
   § 2. In het College van het openbaar ministerie nemen naast de vijf procureurs-generaal bij de hoven van beroep, drie leden van de [3 raad van procureurs des Konings, een lid van de raad van de arbeidsauditeurs, twee leden van de raad van hoofdsecretarissen en de federale procureur plaats. De raad van procureurs des Konings, de raad van arbeidsauditeurs en de raad van hoofdsecretarissen verkiezen hun vertegenwoordigers in het College voor een termijn van drie jaar, die hernieuwbaar is op verzoek van elk van de betrokken vertegenwoordigers en, wat de raad van procureurs des Konings en de raad van arbeidsauditeurs betreft, mits naleving van de alternatie qua taalrol. Voor de toepassing van dit lid wordt de procureur voor de verkeersveiligheid geacht deel uit te maken van de raad van procureurs des Konings.]3 De Koning stelt de nadere regels vast voor de verkiezing. [4 De persoonsgegevens van de kiezers en van de kandidaten die door het College worden ingewonnen in de loop van de verkiezingsprocedure van de leden worden door het College bewaard voor de duur van het mandaat.]4
   Het College van het openbaar ministerie wordt voorgezeten door de voorzitter van het College van procureurs-generaal. Het is taalparitair samengesteld. Indien een lid afkomstig is uit het arrondissement Eupen, wordt het meegeteld bij de taalgroep van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten. [3 De leden van de raad van hoofdsecretarissen behoren tot een verschillende taalrol.]3
   Het College beslist bij meerderheid van stemmen, waaronder minstens een stem in elke taalgroep. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter doorslaggevend. Indien geen beslissing wordt genomen, neemt de minister van Justitie de noodzakelijke beheersmaatregelen.
   Het College keurt zijn huishoudelijk reglement goed en kan zich voorzien van een taalparitair samengesteld bureau voor de voorbereiding en uitvoering van de beslissingen.
   Het College van het openbaar ministerie vergadert minstens eenmaal per maand. De minister van Justitie of de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken kan eveneens het College van het openbaar ministerie verzoeken bijeen te komen op hun gemotiveerde vraag. Zij kunnen het College verzoeken een aanbeveling of richtlijn uit te vaardigen. Het College beslist over dat verzoek. Op eigen initiatief of op vraag van de minister van Justitie vergaderen beide Colleges samen.
  [3 Ingeval een lid van het College dat de raad van procureurs des Konings, de raad van arbeidsauditeurs of de raad van hoofdsecretarissen vertegenwoordigt, afwezig of verhinderd is, wordt het vervangen door een lid van de raad die het vertegenwoordigt en dat tot dezelfde taalgroep behoort.]3
   Ingeval een lid van het College [3 dat niet bedoeld wordt in het zesde lid]3 afwezig of verhinderd is, wordt het lid vervangen door de overeenkomstig artikel 319 aangewezen vervanger.]1

  [2 Wanneer een vertegenwoordiger van de [3 raad van procureurs des Konings of van de raad van arbeidsauditeurs zijn hoedanigheid van magistraat of van korpschef of een vertegenwoordiger van de raad van hoofdsecretarissen zijn hoedanigheid van hoofdsecretaris]3 in de loop van zijn mandaat verliest, wordt hij vervangen door een opvolger vermeld in een lijst opgesteld volgens door de Koning bepaalde nadere regels.]2 [4 De persoonsgegevens van de opvolgers worden door het College bewaard voor een termijn van drie jaar.]4
  [4 § 3. Het College staat in voor de inrichting en het beheer van de werking van de lijst van kiezers en kandidaten. Hij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijst. Het College wordt met betrekking tot de lijst beschouwd als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming).
   De Koning bepaalt de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
   De lijst en de daarin opgenomen gegevens kunnen, onder toezicht van de beheerder en voor zover noodzakelijk voor het vervullen van hun respectievelijke wettelijke opdrachten, uitsluitend worden geraadpleegd door het College en de steundienst bij het College.]4

  
Art. 184. [1 § 1er. Il est créé un Collège du ministère public qui, dans les limites de ses compétences, prend toutes les mesures nécessaires à la bonne gestion du ministère public :
   1° le soutien à la gestion en exécution de la politique criminelle déterminée par le Collège des procureurs généraux conformément à l'article 143bis, § 2;
   2° la recherche de la qualité intégrale, notamment dans le domaine de la communication, de la gestion des connaissances, de la politique de qualité, des processus de travail, de la mise en oeuvre de l'informatisation, de la gestion stratégique des ressources humaines, des statistiques, ainsi que de la mesure et de la répartition de la charge de travail afin de contribuer à une administration de la justice accessible, indépendante, diligente et de qualité;
   3° le soutien à la gestion au sein des entités judiciaires du ministère public.
   Pour exercer les tâches et compétences prévues au présent article, le Collège peut adresser des recommandations et des directives contraignantes aux comités de direction des entités judiciaires du ministère public. Les recommandations et les directives sont transmises au ministre de la Justice.
   § 2. Au Collège du ministère public siègent aux côtés des cinq procureurs généraux près les cours d'appel, trois membres du [3 conseil des procureurs du Roi, un membre du conseil des auditeurs du travail, deux membres du conseil des secrétaires en chef et le procureur fédéral. Le conseil des procureurs du Roi, le conseil des auditeurs du travail et le conseil des secrétaires en chef élisent leurs représentants au sein du Collège pour un terme de trois ans, renouvelable à la demande de chacun des représentants concernés et, en ce qui concerne le conseil des procureurs du Roi et le conseil des auditeurs du travail, moyennant le respect de l'alternance en matière de rôle linguistique. Aux fins du présent alinéa, le procureur de la sécurité routière est réputé faire partie du conseil des procureurs du Roi.]3 Le Roi fixe les modalités de l'élection. [4 Les données à caractère personnel des électeurs et des candidats recueillies par le Collège au cours de la procédure d'élection des membres sont conservées par le Collège pendant la durée du mandat.]4
   Le Collège du ministère public est présidé par le président du Collège des procureurs généraux. Il est composé paritairement sur le plan linguistique. Si un membre est issu de l'arrondissement d'Eupen, il est comptabilisé dans le rôle linguistique de son diplôme de docteur, licencié ou master en droit. [3 Les membres du conseil des secrétaires en chef appartiennent à un rôle linguistique différent.]3
   Le Collège décide à la majorité des voix, dont au moins une voix dans chaque groupe linguistique. En cas de parité des voix, la voix du président est prépondérante. Si aucune décision n'est prise, le ministre de la Justice prend les mesures nécessaires en matière de gestion.
   Le Collège approuve son règlement d'ordre intérieur et peut se doter d'un bureau, qui est composé paritairement sur le plan linguistique, pour la préparation et l'exécution des décisions.
   Le Collège du ministère public se réunit au moins une fois par mois. Il peut également être invité à se réunir par une demande motivée du ministre de la Justice ou du président du Collège des cours et tribunaux. Ils peuvent demander au Collège d'édicter une recommandation ou une directive. Le Collège statuera sur ces demandes. Les deux Collèges se réunissent conjointement de leur propre initiative ou à la demande du ministre de la Justice.
  [3 Si un membre du Collège qui représente le conseil des procureurs du Roi, le conseil des auditeurs du travail ou le conseil des secrétaires en chef est absent ou empêché, il est remplacé par un membre du conseil qu'il représente et qui appartient au même rôle linguistique.]3
   En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre du Collège [3 non visé à l'alinéa 6]3, il est remplacé par le remplaçant désigné conformément à l'article 319.]1

  [2 Lorsqu'un représentant du [3 conseil des procureurs du Roi ou du conseil des auditeurs du travail perd sa qualité de magistrat ou de chef de corps, ou un représentant du conseil des secrétaires en chef sa qualité de secrétaire en chef]3 au cours de son mandat, il est remplacé par un successeur issu d'une liste établie selon des modalités fixées par le Roi.]2 [4 Les données à caractère personnel des électeurs et des candidats recueillies au cours de la procédure d'élection des membres sont conservées par le Collège pendant une période de trois ans.]4
  [4 § 3. Le Collège met en place et gère le fonctionnement de la liste des électeurs et candidats. Il assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de cette liste. Le Collège est considéré, pour ce qui concerne la liste, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données).
   Le Roi détermine les données qui figurent dans la liste.
   La liste et les données qui y figurent peuvent, sous le contrôle du gestionnaire et pour autant que cela est nécessaire pour l'accomplissement de leurs missions légales respectives, être consultées exclusivement par le Collège et le service d'appui près du Collège.]4

  
Art. 185. [1 § 1. Bij het College van procureurs-generaal en het College van het openbaar ministerie wordt een gemeenschappelijke steundienst ingericht. De steundienst staat onder het gezag van de voorzitter van het College van het openbaar ministerie.
   De steundienst is belast met :
   1° het verlenen van ondersteuning bij de uitoefening van de bij de artikelen 143bis, §§ 2, 3, 4, 5 en 7, en 184, § 1, bepaalde opdrachten;
   2° het verlenen van ondersteuning van de directiecomités, bedoeld in hoofdstuk III;
   3° het organiseren van een interne audit van het College van het openbaar ministerie en van de gerechtelijke entiteiten.
   Een directeur is belast met de dagelijkse leiding. Hij wordt voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar aangewezen door de Koning op voordracht van het College van het openbaar ministerie en op basis van een door de Koning op advies van het College vooraf bepaald profiel. De directeur neemt zitting in het College met raadgevende stem.
   De directeur oefent zijn functie voltijds uit. Hij ontvangt de wedde van eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep. De artikelen 323bis, 327 en 330bis zijn in voorkomend geval van toepassing.
   In geval van ongeschiktheid, langdurige ziekte of ernstig plichtsverzuim kan de Koning, op voorstel van het College het mandaat van de directeur en schorsen of vroegtijdig beëindigen.
   § 2. De Koning bepaalt, op advies van het College van het openbaar ministerie, de nadere regels betreffende de werking en de organisatie van de steundienst. Het personeel wordt opgenomen in een personeels plan, dat jaarlijks wordt opgesteld door het College. Bij de aanwervingen wordt de taalpariteit verzekerd.
   Het binnen de steundienst vastbenoemd personeel is onderworpen aan de wettelijke en statutaire regelen die van toepassing zijn op het in vast verband benoemde personeel van de rechterlijke organisatie.
   Magistraten kunnen een opdracht krijgen in de steundienst overeenkomstig de artikelen 323bis en 327. [2 Op zijn verzoek en op voorstel van de voorzitter van het College van het openbaar ministerie, kan een magistraat die overeenkomstig artikel 383, § 1, wegens zijn leeftijd is toegelaten tot de inruststelling of die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werd gemachtigd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt, door de Koning worden gemachtigd om een onbezoldigde opdracht uit te oefenen binnen de steundienst. Daarenboven wordt het akkoord van de korpschef gevraagd wanneer de voorgestelde magistraat een in artikel 383, § 2, bedoelde plaatsvervangende magistraat is.]2
   Ieder personeelslid van de rechterlijke organisatie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College aan de minister van Justitie, een opdracht krijgen in de steundienst van het College overeenkomstig de artikelen 330, 330bis en 330ter.
   Ieder vastbenoemd personeelslid van een federale overheidsdienst, een programmatorische federale overheidsdienst of van de Hoge Raad voor de Justitie kan, met zijn instemming en op verzoek van het College, naargelang van het geval, aan de minister waaronder hij ressorteert of aan de Hoge Raad voor de Justitie, ter beschikking worden gesteld van de steundienst van het College.
  [3 Het College kan een of meerdere opdrachthouders van klasse A3 of A4 aanwijzen voor de uitvoering van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen. De opdrachthouder wordt gedetacheerd voor een maximale periode van drie jaar die eenmaal hernieuwbaar is.
   De opdrachthouder wordt gedetacheerd uit :
   - leden van het gerechtspersoneel;
   - personeelsleden van een federale overheidsdienst of programmatorische federale overheidsdienst.
   Om te kunnen worden gedetacheerd, moet het personeelslid van het federaal openbaar ambt of het lid van het gerechtspersoneel minstens van klasse A2 zijn met 4 jaar klasseanciënniteit of van de klasse A3 voor een opdrachthouder van klasse A3 en minstens van klasse A3 zijn met drie jaar klasseanciënniteit voor een opdrachthouder van klasse A4.
   Tijdens de duur van de detachering, wordt de opdrachthouder ambtshalve met een opdracht van algemeen belang geplaatst in zijn dienst van oorsprong.
   Een oproep tot de kandidaten waarin een functiebeschrijving en competentieprofiel is opgenomen, wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en staat tegelijk open voor kandidaten uit de diverse wervingsvormen.]3

   § 3. Aan de opdracht [3 , de terbeschikkingstelling of de detachering]3 bedoeld in dit artikel kan een einde worden gemaakt :
   1° op voorstel van het College na de magistraat, het personeelslid [3 , de ambtenaar of de opdrachthouder]3 vooraf te hebben gehoord;
   2° op verzoek van de betrokken magistraat, het betrokken personeelslid [3 , de betrokken ambtenaar of de betrokken opdrachthouder]3, met inachtneming van een opzeggingstermijn van een maand.
   De personeelsleden [3 , magistraten en opdrachthouders]3 bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan het gezag van de directeur.
   De personeelsleden [3 en de opdrachthouders]3 bedoeld in dit artikel zijn onderworpen aan de evaluatieregeling, de tuchtregeling, de verlofregeling en de arbeidstijdregeling die van toepassing zijn op de personeelsleden bedoeld in § 2, tweede lid.
   Het personeelsplan kan voorzien in de mogelijkheid om werknemers met een arbeidsovereenkomst in dienst te nemen overeenkomstig de nadere regels bepaald bij artikel 178.
  [3 In afwijking van het vierde lid kan het College personen in dienst nemen in de hoedanigheid van opdrachthouder, bedoeld in paragraaf 2, zesde lid, onder het stelsel van een arbeidsovereenkomst voor de uitvoering, gedurende een bepaalde periode van maximum drie jaar, eenmaal hernieuwbaar, van taken of opdrachten die een bijzondere kennis of ruime ervaring op hoog niveau vereisen.]3
   § 4. De wedde van het door het College aangeworven personeel en van het personeel dat met een opdracht belast is of ter beschikking wordt gesteld [3 en van de opdrachthouders]3, is ten laste van de begroting van het College.
   Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk behoudt ieder met een opdracht belast of ter beschikking gesteld personeelslid zijn eigen statuut. Ingeval het statuut van het personeel bedoeld in dit artikel voor een vergelijkbare opdracht evenwel voorziet in een hogere bezoldiging of in bijzondere voordelen, dan wordt hen ten laste van de begroting van het College een weddensupplement dat de bezoldiging van dat personeelslid op hetzelfde niveau brengt, evenals deze voordelen toegekend.]1

  
Art. 185. [1 § 1er. Un service d'appui commun est institué auprès du Collège des procureurs généraux et auprès du Collège du ministère public. Le service d'appui est placé sous l'autorité du président du Collège du ministère public.
   Le service d'appui est chargé :
   1° d'apporter un soutien pour l'exécution des missions prévues aux articles 143bis, §§ 2, 3, 4, 5 et 7 et 184, § 1er;
   2° d'apporter un soutien aux comités de direction visés au chapitre III;
   3° de l'organisation d'un audit interne du Collège du ministère public et des entités judiciaires.
   Un directeur est chargé de la direction journalière. Il est désigné par le Roi pour un terme renouvelable de cinq ans, sur proposition du Collège du ministère public et sur la base d'un profil préalablement établi par le Roi sur avis du Collège. Le directeur siège au Collège avec voix consultative.
   Le directeur exerce sa fonction à temps plein. Il perçoit le traitement d'un premier avocat général près la cour d'appel. Les articles 323bis, 327 et 330bis sont, le cas échéant, d'application.
   Le Roi peut, sur la proposition du Collège, suspendre le mandat du directeur ou y mettre fin prématurément en cas d'incapacité, de maladie de longue durée de celui-ci ou de manquement grave à ses devoirs.
   § 2. Le Roi fixe, sur avis du Collège du ministère public, les modalités du fonctionnement et de l'organisation du service d'appui. Le personnel est intégré dans un plan de personnel, établi annuellement par le Collège. Lors des recrutements, la parité linguistique est garantie.
   Le personnel nommé à titre définitif au sein du service d'appui est soumis aux dispositions légales et statutaires applicables au personnel de l'organisation judiciaire nommé à titre définitif.
   Les magistrats peuvent être chargés d'une mission ou être délégués au sein du service d'appui conformément aux articles 323bis et 327. [2 A sa demande et sur proposition du président du Collège du ministère public, un magistrat admis à la retraite en raison de son âge conformément à l'article 383, § 1er, ou qui à sa propre demande est admis à la retraite avant l'âge légal et qui, en outre, a été autorisé à porter le titre honorifique de ses fonctions peut être autorisé par le Roi à exercer une mission non rémunérée au sein du service d'appui. L'accord du chef de corps est, en outre, demandé lorsque le magistrat proposé est un magistrat suppléant visé à l'article 383, § 2.]2
   Tout membre du personnel de l'organisation judiciaire peut, avec son accord et sur demande du Collège adressée au ministre de la Justice, être délégué au sein du service d'appui du Collège conformément aux articles 330, 330bis et 330ter.
   Tout membre du personnel nommé à titre définitif d'un service public fédéral, d'un service public fédéral de programmation ou du Conseil supérieur de la Justice peut être mis à la disposition du service d'appui du Collège, avec son accord et sur demande du Collège adressée, selon le cas, au ministre dont il dépend ou au Conseil supérieur de la Justice.
  [3 Le Collège peut désigner un ou plusieurs chargés de mission de classe A3 ou A4 pour l'exécution de tâches ou de missions qui requièrent une connaissance particulière ou une expérience étendue à un niveau élevé. Le chargé de mission est détaché pour une période maximale de trois ans renouvelable une fois.
   Le chargé de mission est détaché parmi :
   - les membres du personnel judiciaire;
   - les membres du personnel d'un service public fédéral ou d'un service public fédéral de programmation.
   Pour pouvoir être détaché, le membre du personnel de la fonction publique fédérale ou le membre du personnel judiciaire doit au moins être titulaire de la classe A2 et justifier de quatre ans d'ancienneté de classe ou être titulaire de la classe A3 pour un chargé de mission de classe A3 et au moins être titulaire de la classe A3 et justifier de trois ans d'ancienneté de classe pour un chargé de mission de classe A4.
   Pendant la durée de son détachement, le chargé de mission est placé d'office en mission d'intérêt général dans son service d'origine.
   Un appel à candidats comprenant une description de fonction et un profil de compétences est publié au Moniteur belge et est ouvert simultanément aux candidats provenant des différentes formes de recrutement.]3

   § 3. Il peut être mis fin à la mission, à la délégation [3 , à la mise à disposition ou au détachement visés]3 au présent article :
   1° sur proposition du Collège, après avoir entendu préalablement le magistrat, le membre du personnel [3 , l'agent ou le chargé de mission]3;
   2° à la demande du magistrat, du membre du personnel [3 , de l'agent ou du chargé de mission concerné,]3 en respectant un délai de préavis d'un mois.
   Les membres du personnel [3 , les magistrats et les chargés de mission]3 visés au présent article sont soumis à l'autorité du directeur.
   Les membres du personnel [3 et les chargés de mission]3 visés au présent article sont soumis à la réglementation en matière d'évaluation, au régime disciplinaire, au régime des congés et à la réglementation relative aux horaires de travail applicables aux membres du personnel visés au § 2, alinéa 2.
   Le plan de personnel peut prévoir la possibilité d'engager du personnel sur la base d'un contrat de travail conformément aux dispositions prévues à l'article 178.
  [3 Par dérogation à l'alinéa 4, le Collège peut engager des personnes en qualité de chargé de mission, visé au paragraphe 2, alinéa 6, sous le régime du contrat de travail pour l'exécution, pendant une période déterminée de maximum trois ans, renouvelable une fois, de tâches ou de missions qui requièrent des connaissances particulières ou une expérience étendue à un niveau élevé.]3
   § 4. Le traitement du personnel recruté par le Collège et du personnel, chargé d'une mission, délégué ou mis à disposition [3 et des chargés de mission]3 est à charge du budget du Collège.
   Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, chaque membre du personnel, chargé d'une mission, délégué ou mis à disposition conserve son statut propre. Toutefois, si le statut du personnel visé au présent article prévoit, à mission équivalente, une rémunération plus élevée ou des avantages particuliers, un supplément de traitement portant la rémunération de ce membre du personnel au même niveau et ces avantages lui sont alloués à charge du budget du Collège.]1

  
Afdeling III. [1 Het gemeenschappelijke beheer voor de Rechterlijke Orde]1
Section III. - [1 De la gestion commune de l'Ordre judiciaire]1
Art. 185/1. [1 Beheersaangelegenheden die als gemeenschappelijk worden aangewezen, worden samen beheerd hetzij door beide Colleges, hetzij door beide Colleges samen met de Federale Overheidsdienst Justitie. In het beheer zijn de Colleges en, in voorkomend geval, de Federale Overheidsdienst Justitie gelijk vertegenwoordigd en beslissen ze bij consensus.
   Onder gemeenschappelijke beheersaangelegenheden wordt verstaan aangelegenheden waarvan de ingezette middelen gemeenschappelijk zijn, aangelegenheden waarin de zetel, het openbaar ministerie en, in de bvoorkomend geval, de Federale overheidsdienst Justitie dermate verbonden zijn dat die niet alleen door de zetel, het openbaar ministerie of de Federale Overheidsdienst Justitie kunnen beheerd worden of aangelegenheden waarover de zetel en het openbaar ministerie en, in voorkomend geval, de Federale Overheidsdienst Justitie van oordeel zijn dat zij deze omwille van de schaalgrootte of efficiëntiewinsten beter samen kunnen beheren.
   De Koning bepaalt in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de Colleges en de Federale Overheidsdienst Justitie, de gemeenschappelijke beheersaangelegenheden en de nadere regels waarop die beheerd worden. Het Hof van Cassatie wordt betrokken voor de aangelegenheden die het aanbelangt.]1

  
Art. 185/1. [1 Les matières de gestion communes sont gérées conjointement soit par les deux Collèges, soit par les deux Collèges avec le Service public fédéral Justice. Dans la gestion, les Collèges et, le cas échéant, le Service public fédéral Justice sont représentés de manière paritaire et décident par consensus.
   On entend par matières de gestion communes, les matières pour lesquelles les moyens utilisés sont communs, les matières dans lesquelles le siège, le ministère public et, le cas échéant, le Service public fédéral Justice sont à ce point liés qu'elles ne peuvent pas être uniquement gérées par le siège, par le ministère public ou par le Service public fédéral Justice, ou les matières pour lesquelles le siège, le ministère public et, le cas échéant, le Service public fédéral Justice prônent une gestion commune compte tenu de leur ampleur ou des gains en efficacité.
   Après avis des Collèges et du Service public fédéral Justice, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les matières de gestion communes ainsi que leurs modalités de gestion. La Cour de cassation est associée aux matières qui les concernent.]1

  
HOOFDSTUK III. - [1 Beheerstructuur in de hoven, de rechtbanken en het openbaar ministerie]1
CHAPITRE III. - [1 De la structure de gestion des cours et tribunaux et du ministère public]1
Art. 185/2. [1 § 1. Elk hof, elke rechtbank en elk parket heeft een directiecomité dat wordt voorgezeten door de korpschef.
   § 2. Het directiecomité van het Hof van Cassatie wordt samengesteld uit de eerste voorzitter, de voorzitter, de procureur-generaal, de eerste advocaat-generaal, de hoofdgriffier en hoofdsecretaris. Het directiecomité wordt bijgestaan door een steundienst bedoeld in artikel 158, die onder het gemeenschappelijk gezag en toezicht staat van de korpschefs.
   In de hoven wordt het directiecomité samengesteld uit de eerste voorzitter, twee kamervoorzitters en de hoofdgriffier, in de parketten-generaal uit de procureur-generaal, de eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep, de eerste advocaat-generaal bij het arbeidshof en de hoofdsecretarissen.
   Het directiecomité van het federaal parket wordt samengesteld uit de federale procureur, een federale magistraat van elke taalrol aangewezen door de federale procureur en de hoofdsecretaris.
   § 3. Het directiecomité van de rechtbank wordt samengesteld uit de voorzitter, de afdelingsvoorzitters en de hoofdgriffier.
  [3 Het directiecomité van het parket voor de verkeersveiligheid wordt samengesteld uit de procureur voor de verkeersveiligheid, beide substituut-procureurs voor verkeersveiligheid en de hoofdsecretaris.]3
   In de parketten van de procureurs des Konings wordt het directiecomité samengesteld uit de procureur des Konings, de afdelingsprocureurs en de hoofdsecretaris, en in de arbeidsauditoraten uit de arbeidsauditeur, afdelingsauditeurs en hoofdsecretaris.
   In de rechtbanken of parketten en arbeidsauditoraten zonder afdelingen wordt het directiecomité respectievelijk samengesteld uit de voorzitter, ten minste twee rechters aangewezen door de voorzitter en de hoofdgriffier, en uit de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, twee substituten aangewezen door de korpschef en de hoofdsecretaris. De rechters en substituten worden gekozen uit die welke door hun kennis of hoedanigheid betrokken worden bij het beheer [2 van de rechtbank, het parket of het arbeidsauditoraat]2.
  [4 Bij het parket van de procureur des Konings te Brussel en bij het arbeidsauditoraat te Brussel maken de adjunct-procureur des Konings en de adjunct-arbeidsauditeur die ingevolge hun diploma tot een verschillende taalrol behoren dan die van de procureur des Konings respectievelijk die van de arbeidsauditeur, deel uit van de directiecomités. Wanneer de beide adjunct-procureurs des Konings of de beide adjunct-arbeidsauditeurs tot dezelfde taalrol behoren, wijst de procureur des Konings te Brussel of de arbeidsauditeur te Brussel de adjunct-procureur des Konings of de adjunct-arbeidsauditeur aan die deelneemt aan het comité.]4
   Voor de vredegerechten en de politierechtbanken wordt het arrondissementeel directiecomité samengesteld uit de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, de ondervoorzitter en de hoofdgriffier.
  [2 De opleiding inzake budgettair beheer en gerechtskosten gegeven door het Instituut voor gerechtelijke opleiding wordt gevolgd door minstens een magistraat van het directiecomité van de rechtbanken van eerste aanleg, van de politierechtbanken, [3 van het parket voor de verkeerveiligheid,]3 van de parketten van de procureurs des Konings en van de arbeidsauditoraten.]2
   § 4. De korpschef kan het directiecomité uitbreiden met maximaal twee personen van zijn gerechtelijke entiteit die hij bekwaam acht wegens hun kennis inzake beheer.
   De korpschef maakt de samenstelling van zijn directiecomité bekend in het werkingsverslag.
   § 5. Het directiecomité staat de korpschef bij in de algemene leiding, de organisatie en het beheer van de gerechtelijke entiteit. Het directiecomité van het Hof van Cassatie vervult dezelfde rol ten aanzien van de eerste voorzitter en de procureur-generaal.
   Het directiecomité stelt het in artikel 185/6 bedoelde beheersplan op en staat in voor zijn uitvoering.
   Het directiecomité beslist bij consensus. Bij gebrek aan consensus beslist de korpschef, behalve wat het directiecomité van het Hof van Cassatie betreft.
   Bij de uitoefening van zijn bevoegdheden treedt het directiecomité niet op in de procesrechtelijke behandeling van de geschillen of individuele zaken.
   § 6. Voor gemeenschappelijke beheersaangelegenheden op lokaal niveau overleggen de directiecomités van de betrokken gerechtelijke entiteiten samen.]1

  
Art. 185/2. [1 § 1er. Chaque cour, tribunal et parquet a un comité de direction présidé par le chef de corps.
   § 2. Le comité de direction de la Cour de Cassation se compose du premier président, du président, du procureur général, du premier avocat général, du greffier en chef et du secrétaire en chef. Le comité de direction est assisté par un service d'appui visé à l'article 158, qui est sous l'autorité et la surveillance communes des chefs de corps.
   Dans les cours, le comité de direction se compose du premier président, de deux présidents de chambre et du greffier en chef, dans les parquets généraux, du procureur général, du premier avocat général près la cour d'appel, du premier avocat général près la cour du travail et des secrétaires en chef.
   Le comité de direction du parquet fédéral se compose du procureur fédéral, d'un magistrat fédéral de chaque rôle linguistique désigné par le procureur fédéral et du secrétaire en chef.
   § 3. Le comité de direction du tribunal se compose du président, des présidents de division et du greffier en chef.
  [3 Le comité de direction du parquet de la sécurité routière est composé du procureur de la sécurité routière, des deux substituts du procureur de la sécurité routière et du secrétaire en chef.]3
   Dans les parquets des procureurs du Roi, le comité de direction se compose du procureur du Roi, des procureurs de division et du secrétaire en chef, et dans les auditorats du travail, de l'auditeur du travail, des auditeurs de division et du secrétaire en chef.
   Dans les tribunaux ou parquets et auditorats du travail sans divisions, le comité de direction se compose respectivement, du président, d'au moins deux juges désignés par le président et du greffier en chef, et du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, de deux substituts désignés par le chef de corps et du secrétaire en chef. Les juges et les substituts sont désignés parmi ceux qui sont associés à la gestion du tribunal [2 , du parquet ou de l'auditorat du travail]2 en raison de leurs connaissances ou de leur qualité.
  [4 Au parquet du procureur du Roi de Bruxelles et à l'auditorat du travail de Bruxelles, le procureur du Roi adjoint et l'auditeur du travail adjoint qui appartiennent selon leur diplôme à un rôle linguistique différent que respectivement celui du procureur du Roi et celui de l'auditeur du travail font partie des comités de direction. Lorsque les deux procureurs du Roi adjoints ou les deux auditeurs du travail adjoints appartiennent au même rôle linguistique, le procureur du Roi de Bruxelles ou l'auditeur du travail de Bruxelles désigne le procureur du Roi adjoint ou l'auditeur du travail adjoint qui participe au comité.]4
   Pour les justices de paix et les tribunaux de police, le comité de direction de l'arrondissement est composé du président des juges de paix et juges du tribunal de police, du vice-président et du greffier en chef.
  [2 La formation en matière de gestion budgétaire et de frais de justice dispensée par l'Institut de formation judiciaire est suivie par au moins un magistrat du comité de direction des tribunaux de première instance, des tribunaux de police, [3 du parquet de la sécurité routière,]3 des parquets du procureurs du Roi et des auditorats du travail.]2
   § 4. Le chef de corps peut élargir son comité de direction de maximum deux personnes de son entité judiciaire qu'il juge compétentes en raison de leur aptitude à la gestion.
   Le chef de corps rend publique la composition de son comité de direction dans le rapport de fonctionnement.
   § 5. Le comité de direction assiste le chef de corps dans la direction générale, l'organisation et la gestion de l'entité judiciaire. Le comité de direction de la Cour de cassation exerce le même rôle à l'égard du premier président et du procureur général.
   Le comité de direction rédige le plan de gestion, visé à l'article 185/6, et assure son exécution.
   Le comité de direction décide par consensus. A défaut d'accord, le chef de corps décide, sauf en ce qui concerne le comité de direction de la Cour de cassation.
   Dans l'exercice de ses compétences, le comité de direction n'intervient pas dans l'examen procédural des litiges ou des affaires individuelles.
   § 6. Au niveau local, les comités de direction des entités judiciaires concernées se concertent sur les matières de gestion communes.]1

  
Art. 185/3. [1 Een College kan een beslissing van een directiecomité behorende tot zijn organisatie vernietigen indien het van oordeel is, na het directiecomité te hebben gehoord, dat deze beslissing strijdig is met een dwingende richtlijn of het in artikel 185/6 bedoelde beheersplan.]1
  
Art. 185/3. [1 Chaque Collège peut annuler une décision d'un comité de direction faisant partie de son organisation, s'il estime, après avoir entendu le comité de direction, que cette décision est contraire à une directive contraignante ou au plan de gestion, visé à l'article 185/6.]1
  
HOOFDSTUK IV. - [1 Beheersovereenkomsten en beheersplannen]1
CHAPITRE IV. [1 Des contrats de gestion et des plans de gestion]1
Art. 185/4. [1 1. De minister van Justitie sluit met elk College een beheersovereenkomst voor het beheer van hun organisatie.
   Een beheersovereenkomst wordt gesloten voor een periode van drie jaar. De beheersovereenkomst bevat afspraken rond doelstellingen voor de rechterlijke organisatie en de middelen die daarvoor door de minister van Justitie aan de rechterlijke organisatie worden ter beschikking gesteld.
   De doelstellingen houden verband met de beheersopdrachten van de Colleges teneinde de goede werking van de rechterlijke organisatie te verzekeren.
   § 2. De beheersovereenkomst tussen de minister van Justitie en elk College regelt de volgende aangelegenheden :
   1° de omschrijving van de activiteiten die het College overeenkomstig artikel 181 of artikel 184, § 1, uitvoert;
   2° de doelstellingen die aan de toegekende middelen kunnen worden verbonden omtrent beheer en organisatie voor het geheel van de hoven en rechtbanken of het openbaar ministerie;
   3° de middelen die de overheid aan het geheel van de hoven en rechtbanken of het openbaar ministerie toekent voor hun werking;
   4° de middelen die aan elk College worden toegekend voor de eigen werking;
   5° de wijze waarop de realisatie van de beheersovereenkomst wordt gemeten en opgevolgd en de indicatoren die daarvoor worden gebruikt.
   § 3. Bij de onderhandelingen van de beheersovereenkomst kan de minister vertegenwoordigd worden door zijn afgevaardigde. De Colleges worden vertegenwoordigd door de voorzitter of zijn afgevaardigde en twee leden die elk van de Colleges onder zijn leden aanwijst.
   § 4. Het directiecomité van het Hof van Cassatie sluit zijn beheersovereenkomst met de minister van Justitie, voor een periode van drie jaar. De overeenkomst omvat de omschrijving van de voorgenomen activiteiten van de gerechtelijke entiteit voor die periode van de overeenkomst en de middelen vereist voor haar werking. Het Hof van Cassatie wordt vertegenwoordigd door de eerste voorzitter en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
   § 5. Drie maanden na het afsluiten van de beheersovereenkomsten worden de beheersovereenkomsten en de in artikel 185/6 bedoelde beheersplannen neergelegd in de Kamer van volksvertegenwoordigers.]1

  
Art. 185/4. [1 § 1er. Le ministre de la Justice conclut avec chacun des Collèges un contrat de gestion pour la gestion de leur organisation respective.
   Un contrat de gestion est conclu pour une période de trois ans. Le contrat de gestion contient des accords relatifs aux objectifs pour l'organisation judiciaire et aux moyens mis à cet effet à la disposition de l'organisation judiciaire par le ministre de la Justice.
   Les objectifs sont liés aux missions de gestion des Collèges afin d'assurer le bon fonctionnement de l'organisation judiciaire.
   § 2. Le contrat de gestion entre le ministre de la Justice et chacun des Collèges règle les matières suivantes :
   1° la description des activités que le Collège exécute conformément à l'article 181 ou l'article 184, § 1er;
   2° les objectifs qui peuvent être liés aux moyens octroyés en matière de gestion et d'organisation pour l'ensemble des cours et tribunaux ou le ministère public;
   3° les moyens que l'autorité octroie à l'ensemble des cours et des tribunaux ou au ministère public pour leur fonctionnement;
   4° les moyens octroyés à chacun des Collèges pour leur fonctionnement propre;
   5° le mode de mesure et de suivi de la réalisation du contrat de gestion et les indicateurs utilisés à cet effet.
   § 3. Le ministre peut être représenté par son délégué lors des négociations relatives au contrat de gestion. Les Collèges sont représentés par leur président ou son délégué et deux membres que chacun des Collèges désigne parmi ses membres.
   § 4. Le comité de direction de la Cour de Cassation conclut son contrat de gestion avec le ministre de la Justice pour une période de trois ans. Le contrat décrit les activités prévues de l'entité judiciaire pour cette période du contrat ainsi que les moyens requis pour son fonctionnement. La Cour de cassation est représentée par le premier président et le procureur général près la Cour de cassation.
   § 5. Trois mois après la conclusion des contrats de gestion, les contrats de gestion et les plans de gestion, visés à l'article 185/6, sont déposés à la Chambre des représentants.]1

  
Art. 185/5. [1 De beheersovereenkomst is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   De Koning bepaalt in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de wijze waarop beheersovereenkomsten worden onderhandeld, afgesloten en zo nodig tussentijds worden aangepast.]1

  
Art. 185/5. [1 Le contrat de gestion ne constitue pas un acte ou un règlement au sens de l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
   Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres les modalités selon lesquelles les contrats de gestion sont négociés, conclus et, si nécessaire, entre-temps adaptés.]1

  
Art. 185/6. [1 De Colleges verdelen de middelen onder de gerechtelijke entiteiten van hun organisatie op basis van de beheersplannen van de gerechtelijke entiteiten.
   Het beheersplan omvat de omschrijving van de voorgenomen activiteiten van de gerechtelijke entiteit voor de komende drie jaar en de middelen vereist voor haar werking. De personele middelen worden bepaald op grond van de resultaten van een uniforme regelmatige uitgevoerde werklastmeting met nationale normtijden zoals voorzien in artikel 352bis, eventueel aangevuld met andere objectieve criteria.
   In het beheersplan worden aan de toegekende middelen doelstellingen verbonden in verband met het beheer en de werking van de gerechtelijke entiteiten.
   Het beheersplan is geen akte of reglement bedoeld in artikel 14 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973.
   Het beheersplan wordt definitief neergelegd na omstandig advies van het College.
   De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de nadere regels waarop de beheersplannen worden opgesteld, neergelegd en zo nodig tussentijds worden aanpast.]1

  
Art. 185/6. [1 Les Collèges répartissent les moyens entre les entités judiciaires de leur organisation sur la base des plans de gestion des entités judiciaires.
   Le plan de gestion décrit les activités prévues de l'entité judiciaire pour les trois années à venir ainsi que les moyens requis pour son fonctionnement. Les moyens en personnel sont fixés sur la base des résultats d'une mesure de la charge de travail uniforme et régulière sur la base de normes de temps nationales, telle que prévue à l'article 352bis, associée éventuellement à d'autres critères objectifs.
   Dans le plan de gestion, des objectifs liés à la gestion et au fonctionnement des entités judiciaires sont associés aux moyens octroyés.
   Le plan de gestion ne constitue pas un acte ou un règlement au sens de l'article 14 des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973.
   Le plan de gestion est définitivement déposé après avis circonstancié du Collège.
   Le Roi détermine par arrêté délibéré en Conseil des Ministres les modalités selon lesquelles les plans de gestion sont rédigés, déposés et si nécessaire, entre-temps adaptés]1

  
Art. 185/7. [1 Indien een beslissing van het College omtrent de verdeling van de middelen kennelijk de rechtsbedeling in een gerechtelijke entiteit in gevaar brengt, kan het betrokken directiecomité een beroep indienen bij de minister van Justitie. De minister beslist na beide partijen gehoord te hebben over de verdeling van de middelen.]1
  
Art. 185/7. [1 Si une décision du Collège concernant la répartition des moyens met manifestement en péril l'administration de la justice dans une entité judiciaire, le comité de direction concerné peut introduire un recours auprès du ministre de la Justice. Le ministre décide de la répartition des moyens après avoir entendu les deux parties]1
  
HOOFDSTUK V. - [1 Financieel beheer]1
CHAPITRE V. [1 De la gestion financière]1
Art. 185/8. [1 De minister van Justitie kan via de beheersovereenkomsten een werkingsenveloppe overdragen aan elk College door middel van kredieten die hiervoor zijn ingeschreven op de administratieve begroting van de Federale Overheidsdienst Justitie voor, enerzijds, de eigen werking en, anderzijds, de werking van de gerechtelijke entiteiten.
   Het Hof van Cassatie ontvangt zijn werkingsenveloppe rechtstreeks van de minister van Justitie.
   Een wet bepaalt de nadere regels voor de financiering van de gerechtelijke entiteiten en de wijze waarop deze geldelijke middelen worden beheerd door de Colleges of door het directiecomité van het Hof van Cassatie.]1

  
Art. 185/8. [1 Le ministre de la Justice peut, par le biais des contrats de gestion, transférer une enveloppe de fonctionnement à chaque Collège au moyen de crédits destinés à cet effet, inscrits au budget administratif du Service public fédéral Justice pour, d'une part, le fonctionnement propre et, d'autre part, le fonctionnement des entités judiciaires.
   La Cour de cassation reçoit directement son enveloppe de fonctionnement du ministre de la Justice.
   Une loi détermine les modalités de financement des entités judiciaires ainsi que la manière dont les moyens pécuniaires sont gérés par les Collèges ou par le comité de direction de la Cour de Cassation.]1

  
HOOFDSTUK VI - [1 Evaluatie en controle]1
CHAPITRE VI. [1 De l'évaluation et du contrôle]1
Afdeling I. - [1 Evaluatie]1
Section 1re. [1 De l'évaluation]1
Art. 185/9. [1 Elke gerechtelijke entiteit, het Hof van Cassatie uitgezonderd, rapporteert in het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3, teneinde de Colleges in staat te stellen het gebruik van de middelen, de werkzaamheden en de realisatie van het beheersplan te evalueren. Het werkingsverslag wordt eveneens overgezonden aan het College van de hoven en rechtbanken of het College van het openbaar ministerie.
   Elk College stelt jaarlijks een werkingsverslag op. In het werkingsverslag vermeldt elke College zijn activiteiten, zijn richtlijnen en aanbevelingen, de beslissingen van de directiecomités die het heeft vernietigd, op welke wijze de middelen die door middel van de beheersovereenkomst werden verleend, zijn gebruikt, de resultaten die elke organisatie op basis van deze middelen heeft behaald, alsook de indicatoren waaruit blijkt of de doelstellingen van de organisatie al dan niet zijn gerealiseerd.
   Het in het tweede lid bedoelde werkingsverslag wordt voor 1 juli overgezonden aan de minister van Justitie en de federale Wetgevende Kamers. De minister van Justitie bepaalt na advies van het College het standaardformulier volgens hetwelk dit werkingsverslag wordt opgesteld.
   Het Hof van Cassatie rapporteert in het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3, over het gebruik van de middelen, de werkzaamheden en de realisatie van het beheersplan. In het werkingsverslag wordt vermeld op welke wijze de middelen die door middel van de beheersovereenkomst werden verleend, zijn gebruikt, de resultaten die op basis van deze middelen zijn behaald, alsook de indicatoren voor de realisatie of de niet realisatie van doelstellingen van de organisatie.]1

  
Art. 185/9. [1 Chaque entité judicaire, à l'exception de la Cour de Cassation, rédige un compte rendu dans le rapport de fonctionnement visé à l'article 340, § 3, afin de permettre aux Collèges d'évaluer les moyens, les activités et la réalisation du plan de gestion. Le rapport de fonctionnement est également communiqué au Collège des cours et tribunaux ou au Collège du ministère public.
   Chaque Collège rédige annuellement un rapport de fonctionnement. Chaque Collège mentionne dans le rapport de fonctionnement ses activités, ses directives et recommandations, les décisions des comités de direction qu'il a annulées, la manière dont sont utilisés les moyens alloués par le biais du contrat de gestion, les résultats obtenus par chaque organisation sur la base de ces moyens ainsi que les indicateurs permettant de constater si les objectifs de l'organisation ont été réalisés.
   Le rapport de fonctionnement visé à l'alinéa 2 est communiqué au ministre de la Justice et aux Chambres législatives fédérales avant le 1er juillet. Après avis du Collège, le ministre de la Justice arrête le formulaire standard selon lequel ce rapport de fonctionnement est établi.
   La Cour de cassation fait rapport dans le rapport de fonctionnement visé à l'article 340, § 3, sur l'utilisation des moyens, les activités et la réalisation du plan de gestion. Le rapport de fonctionnement mentionne la manière dont les moyens alloués sont utilisés par le biais du contrat de gestion, les résultats obtenus sur la base de ces moyens, ainsi que les indicateurs pour la réalisation ou la non-réalisation des objectifs de l'organisation.]1

  
Afdeling II. - [1 Controle]1
Section II. [1 Du contrôle]1
Art. 185/10. [1 De colleges en het directiecomité van het Hof van Cassatie wat zijn rekening betreft, keuren elk jaar voor 1 juni de rekeningen van de gerechtelijke entiteiten goed van het voorbije dienstjaar en zenden ze toe aan de minister van Justitie en aan de minister van Begroting. De minister van Justitie zendt de rekeningen voor nazicht toe aan het Rekenhof.]1
  
Art. 185/10. [1 Chaque année, avant le 1er juin, les collèges et le comité de direction de la Cour de cassation pour ce qui concerne ses comptes, approuvent les comptes des entités judiciaires de l'exercice écoulé et les transmettent au ministre de la Justice et au ministre du Budget. Le ministre de la Justice transmet les comptes à la Cour des Comptes pour vérification.]1
  
Art. 185/11. [1 Het Rekenhof kan een toezicht ter plaatse organiseren op de boekhouding, de verrichtingen en de afsluiting van de rekeningen van de Colleges, van het Hof van Cassatie en de gerechtelijke entiteiten. Het Rekenhof kan de rekeningen van de Colleges en van het Hof van Cassatie in zijn boek met opmerkingen bekendmaken.]1
  
Art. 185/11. [1 La Cour des comptes peut organiser un contrôle sur place de la comptabilité, des opérations et de la clôture des comptes des Collèges, de la Cour de cassation et des entités judiciaires. La Cour des Comptes peut publier les comptes des Collèges et de la Cour de Cassation dans son cahier d'observations.]1
  
Art. 185/12. [1 § 1. De colleges en het directiecomité van het Hof van Cassatie staan onder de controlebevoegdheid van de minister van Justitie en de minister van Begroting.
   Deze controle wordt uitgeoefend door twee afgevaardigden van de minister, de ene aangewezen door de minister van Justitie en de andere door de minister van Begroting. De afgevaardigde van de minister van Begroting wordt gekozen uit de inspecteurs van financiën geaccrediteerd bij de Federale Overheidsdienst Justitie.
   De afgevaardigden van de minister kunnen met raadgevende stem de vergaderingen van de colleges en van het directiecomité van het Hof van Cassatie bijwonen.
   § 2. Iedere afgevaardigde van de minister kan binnen een termijn van tien werkdagen beroep instellen tegen elke beheersbeslissing van het College of van het directiecomité van het Hof van Cassatie die hij met de wet of met de beheersovereenkomst strijdig acht. De afgevaardigde van de minister van Begroting kan dit slechts doen voor zover die beslissing financiële gevolgen heeft. Het beroep heeft schorsende kracht.
   Deze termijn gaat in de dag volgend op de vergadering, waarop de beslissing genomen werd, voor zover de afgevaardigde daarop regelmatig uitgenodigd werd, en, in het tegenovergestelde geval, de dag waarop hij er kennis van heeft gekregen.
   Deze afgevaardigden oefenen hun beroep uit bij de minister die hen heeft aangewezen.
   De afgevaardigde informeert het College of het directiecomité van het Hof van Cassatie ervan. De voorzitter van het College of de eerste voorzitter wordt op zijn verzoek gehoord door de minister bij wie het beroep is ingesteld.
   § 3. De minister, bij wie het beroep werd ingesteld, beslist binnen een termijn van twintig werkdagen, die ingaat dezelfde dag als de in § 2 bedoelde termijn, na het advies van de andere betrokken minister te hebben ingewonnen. Indien de minister binnen die termijn de nietigverklaring niet heeft uitgesproken, wordt de beslissing van het College of het directiecomité definitief.
   Bij een aan het College of aan het directiecomité van het Hof van Cassatie betekende beslissing van de minister, kan die termijn met tien dagen worden verlengd.
   De nietigverklaring van de beslissing wordt aan het College of aan het directiecomité van het Hof van Cassatie meegedeeld door de minister die ze heeft uitgesproken.]1

  
Art. 185/12. [1 § 1er. Les collèges et le comité de direction de la Cour de Cassation sont soumis au pouvoir de contrôle du ministre de la Justice et du ministre du Budget.
   Ce contrôle est exercé par deux délégués du ministre, l'un désigné par le ministre de la Justice, l'autre par le ministre du Budget. Le délégué du ministre du Budget est choisi parmi les inspecteurs des finances accrédités auprès du Service public fédéral Justice.
   Les délégués du ministre peuvent assister avec voix consultative aux réunions des collèges et du comité de direction de la Cour de Cassation.
   § 2. Tout délégué du ministre dispose d'un délai de dix jours ouvrables pour former un recours contre toute décision de gestion du Collège ou du comité de direction de la Cour de Cassation qu'il estime contraire à la loi ou au contrat de gestion. Le délégué du ministre du budget ne peut former un tel recours que si la décision a une portée financière. Le recours est suspensif.
   Ce délai court à partir du jour suivant la réunion au cours de laquelle la décision a été prise, pour autant que le délégué y ait été régulièrement convoqué et, dans le cas contraire, à partir du jour où il en a eu connaissance.
   Ces délégués exercent leurs recours auprès du ministre qui les a désignés.
   Le délégué en informe le Collège ou le comité de direction de la Cour de Cassation. Le président du Collège ou le premier président est entendu à sa demande par le ministre auprès duquel le recours a été formé.
   § 3. Le ministre saisi du recours décide dans un délai de vingt jours ouvrables, prenant cours le même jour que le délai visé au § 2, après avoir demandé l'avis de l'autre ministre concerné. Si le ministre n'a pas prononcé l'annulation dans ce délai, la décision du Collège ou du comité de direction devient définitive.
   Ce délai peut être prolongé de dix jours par une décision du ministre notifiée au Collège ou au comité de direction de la Cour de Cassation.
   L'annulation de la décision est communiquée au Collège ou au comité de direction de la Cour de Cassation par le ministre qui l'a prononcée.]1

  
HOOFDSTUK VII. - [1 Evaluatie van het beheersmodel]1
CHAPITRE VII. [1 Evaluation du modèle de gestion]1
Art. 185/13. [1 Het beheersmodel wordt tweejaarlijks geëvalueerd. Daartoe wordt een evaluatiecollege opgericht. Het College omvat de voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie, de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie, de voorzitters van de Colleges en de minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger. Het College zendt een rapport over aan de Koning, aan de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers.]1
  
Art. 185/13. [1 Le modèle de gestion est évalué tous les deux ans. Un collège d'évaluation est institué à cet effet. Le Collège comprend le président du comité de direction du Service public fédéral Justice, le directeur général de la direction générale de l'Organisation judiciaire, les présidents des Collèges et le ministre de la Justice ou son représentant. Le Collège transmet un rapport au Roi, au Conseil supérieur de la Justice et aux présidents des Chambres législatives fédérales.]1
  
TITEL V. - Zetel en personeel van hoven en rechtbanken Hun rechtsgebied.
TITRE V. - Du siège et du personnel des cours et tribunaux. - Du territoire sur lequel s'exerce leur juridiction.
Art. 186. [1 § 1.]1 De zetel van de hoven en rechtbanken, alsmede hun rechtsgebied zijn vastgesteld in de artikelen 1 tot 6 van het bijvoegsel bij dit wetboek.
  [1 De Koning kan, bij zaakverdelingsreglement in een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de [8 ondernemingsrechtbanken]8 of de politierechtbanken in twee of meer afdelingen verdelen en de plaatsen aanwijzen waar die afdeling zitting en haar griffie houdt.
   In voorkomend geval bepaalt Hij het grondgebied van elke afdeling en voor welke categorieën van zaken [12 , categorieën van procedures of procedurefases]1
2 die afdeling haar rechtsmacht uitoefent. Het zaakverdelingsreglement kan de territoriale bevoegdheid van de afdeling uitbreiden tot een deel of het geheel van het grondgebied van het arrondissement [12 of wat de hoven van beroep en de arbeidshoven betreft, van het rechtsgebied]12. Het kan in geen geval leiden tot de afschaffing van bestaande zittingsplaatsen [12 in de politierechtbanken]12.
   Het zaakverdelingsreglement van het hof wordt op voorstel van de eerste voorzitter vastgesteld na advies van de procureur-generaal, de hoofdgriffier en de vergadering van de stafhouders van de balies van het rechtsgebied van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter. Indien het nodig blijkt, kan het zaakverdelingsreglement eveneens voorzien in de nadere regels om gedecentraliseerde zittingen van het hof te houden in het rechtsgebied.
   Het zaakverdelingsreglement van de rechtbank wordt op voorstel van de voorzitter vastgesteld na advies, naar gelang van het geval, van de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier en de stafhouder(s) van de Orde of Ordes van advocaten.
   Voor de politierechtbank wordt het zaakverdelingsreglement voorgesteld door de ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank indien de voorzitter een vrederechter is.
  [12 Indien de Koning bij een zaakverdelingsreglement één of meerdere afdeling(en) exclusief bevoegd maakt voor bepaalde categorieën van zaken of van procedures of bepaalde procedurefases, waakt Hij er over dat, de toegang tot justitie en de kwaliteit van de dienstverlening gewaarborgd blijven.]12
  [12 ...]12]1
  [10 ...]10
  [3 Een wet stelt de personeelsformatie van de magistraten en de leden van de griffie vast. Het aantal raadsheren in sociale zaken, rechters in sociale zaken en assessoren [4 in de strafuitvoeringsrechtbank]4 en interneringszaken wordt evenwel door de Koning bepaald.]3
  (De zetel van het college van procureurs-generaal [11 , van het federaal parket en het parket voor de verkeersveiligheid]11 bevindt zich te Brussel.) <W 1997-03-04/41, art. 7, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997> <W 1998-12-22/48, art. 18, 069; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  [12 § 1/1. De Koning kan, op grond van een eensluidend advies al naargelang het geval van het College van de hoven en rechtbanken of van het College van het openbaar ministerie, tijdelijk afwijken van de personeelsformaties van de magistraten of griffiers bedoeld in paragraaf 1, achtste lid, de personeelsformaties van het Hof van Cassatie uitgezonderd met een maximumgrens van 20 % of, wanneer de personeelsformatie slechts voorziet in vijf of minder personen, verhoudingsgewijs met een eenheid, en overwegende dat de personeelsformaties die een enkele eenheid bevatten nooit mogen worden opgeheven voor een andere entiteit. Het eensluidend advies moet vaststellen dat de verhoging van de personeelsformatie en de vermindering die daaruit voortvloeit in een andere entiteit, gebaseerd is op de resultaten van de op dat moment meest recente werklastmeting en op gegevens met betrekking tot de stroom van inkomende en uitgaande dossiers van de betrokken entiteiten en dat de tijdelijke afwijking ertoe strekt naar aanleiding van de evolutie van de werklast van de betrokken entiteiten een evenwicht in de verdeling van de menselijke middelen tussen de entiteiten te herstellen. Deze tijdelijke afwijking van de personeelsformaties gebeurt zonder overschrijding van het nationale totaal in de personeelsformatie.
   Het lid van de rechterlijke orde dat op een tijdelijke plaats is benoemd, wordt in overtal benoemd in het rechtscollege, het parket of de griffie dat of die de tijdelijke verhoging van de personeelsformatie geniet.
   Geen enkele persoon benoemd op grond van deze paragraaf kan worden overgeplaatst zonder een nieuwe benoeming en zonder zijn instemming.]12

  [13 In afwijking van het eerste lid mag de personeelsformatie van de magistraten en de griffiers van de hoven en de rechtbanken van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, met uitzondering van het Hof van Cassatie, niet kleiner zijn dan de personeelsformatie bepaald in onderstaande tabel."
Art. 186. [1 § 1er.]1 Le siège des cours et tribunaux ainsi que le territoire sur lequel s'exerce leur juridiction est déterminé ainsi qu'il est dit aux articles de l'annexe au présent code.
  [1 Le Roi peut, par règlement de répartition des affaires dans un arrêté délibéré en Conseil des ministres, répartir en deux ou plusieurs divisions les cours d'appel, les cours du travail, les tribunaux de première instance, les tribunaux du travail, les [8 tribunaux de l'entreprise]8 et les tribunaux de police, et déterminer les lieux où sont établis leur siège et leur greffe.
   Le cas échéant, Il détermine le territoire de chaque division et les catégories d'affaires [12 les catégories ou les phases de procédure]1
2 pour lesquelles cette division exerce sa juridiction. Le règlement de répartition des affaires peut étendre la compétence territoriale de la division à une partie ou à l'ensemble du territoire de l'arrondissement [12 ou, en ce qui concerne les cours d'appel et les cours du travail, du ressort]12. Il ne peut en aucun cas avoir pour effet de supprimer des lieux d'audiences existants [12 dans les tribunaux de police]12.
   Le règlement de répartition des affaires de la cour est établi sur proposition du premier président, après avis du procureur général, du greffier en chef et de l'assemblée des bâtonniers des barreaux du ressort de la cour d'appel, réunie sous la présidence du premier président. Lorsque cela s'avère nécessaire, le règlement de répartition des affaires peut également prévoir les modalités d'organisation d'audiences décentralisées de la cour dans le ressort.
   Le règlement de répartition des affaires du tribunal est établi sur proposition du président, après avis, selon le cas, du procureur du Roi, de l'auditeur du travail, du greffier en chef et du ou des bâtonniers de l'Ordre ou des Ordres des avocats.
   Pour le tribunal de police, le règlement de répartition des affaires est proposé par le vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police si le président est un juge de paix.
   [12 Si le Roi, par règlement de répartition des affaires, rend une ou plusieurs division(s) exclusivement compétente(s) pour certaines catégories d'affaires, catégories ou phases de procédures, Il veille à ce que l'accès à la justice et la qualité du service restent garantis.]12
  [12 ...]12]1
  [10 ...]10
  [3 Une loi détermine le cadre des magistrats et des membres du greffe. Toutefois, le nombre de conseillers sociaux, de juges sociaux, d'assesseurs [4 au tribunal de l'application des peines]4 est déterminé par le Roi.]3
  (Le siège du collège des procureurs généraux [11 , du parquet fédéral et du parquet de la sécurité routière]11 est fixé à Bruxelles.) <L 1997-03-04/41, art. 7, 046; En vigueur : 15-05-1997> <L 1998-12-22/48, art. 18, 069; En vigueur : 21-05-2002>
  [12 § 1/1. Le Roi peut, sur la base d'un avis conforme selon le cas du Collège des cours et tribunaux ou du Collège du ministère public, déroger provisoirement aux cadres des magistrats ou des greffiers visés au paragraphe 1er, alinéa 8, exceptés les cadres de la Cour de cassation, dans une limite de maximum 20 pourcent ou, lorsque le cadre ne prévoit que cinq personnes ou moins, à raison d'une unité, et considérant que les cadres contenant une seule entité ne peuvent jamais être supprimés au profit d'une autre entité. L'avis conforme doit établir que l'augmentation de cadre et la diminution qui en découle dans une autre entité repose sur les résultats de la mesure de la charge de travail la plus récente à ce moment et sur les données concernant les flux de dossiers entrants et sortants des entités concernées et que la dérogation temporaire tend à rétablir un équilibre dans la répartition des moyens humains entre les entités à la suite de l'évolution de la charge de travail des entités concernées. Cette dérogation provisoire aux cadres s'effectue sans dépassement du total national des cadres.
   Le membre de l'ordre judiciaire nommé à une place temporaire est nommé en surnombre dans la juridiction, le parquet ou le greffe qui bénéficie de l'augmentation de cadre temporaire.
   Aucune personne nommée sur la base du présent paragraphe ne peut être déplacée sans une nouvelle nomination et sans son consentement.]12

  [13 Par dérogation à l'alinéa 1er, le cadre des magistrats et des greffiers des cours et tribunaux de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, à l'exception de la Cour de cassation, ne peut pas être inférieur au cadre défini dans le tableau ci-dessous."
Hoven Cours
 Kamer-voor-zitters Raads-heren Advo-caten-gene-raal Substituten procureur- generaal/
   Substituten-
   generaal
Grif-fiers  Présidents de chambre Conseillers Avocats
   généraux
Substituts du procureur général/
   Substituts généraux
Greffiers
Hof van beroep 16 45 13 14 37 Cour d'appel 16 45 13 14 37
Arbeids-
   hof
3 7 3 2 12 Cour du travail 3 7 3 2 12
Hoven Cours Kamer-voor-zitters Raads-heren Advo-caten-gene-raal Substituten procureur- generaal/
   Substituten-
   generaal Grif-fiers Présidents de chambre Conseillers Avocats
   généraux Substituts du procureur général/
   Substituts généraux Greffiers Hof van beroep 16 45 13 14 37 Cour d'appel 16 45 13 14 37 Arbeids-
   hof 3 7 3 2 12 Cour du travail 3 7 3 2 12
Hoven Cours
 Kamer-voor-zitters Raads-heren Advo-caten-gene-raal Substituten procureur- generaal/
   Substituten-
   generaal
Grif-fiers  Présidents de chambre Conseillers Avocats
   généraux
Substituts du procureur général/
   Substituts généraux
Greffiers
Hof van beroep 16 45 13 14 37 Cour d'appel 16 45 13 14 37
Arbeids-
   hof
3 7 3 2 12 Cour du travail 3 7 3 2 12
Hoven Cours Kamer-voor-zitters Raads-heren Advo-caten-gene-raal Substituten procureur- generaal/
   Substituten-
   generaal Grif-fiers Présidents de chambre Conseillers Avocats
   généraux Substituts du procureur général/
   Substituts généraux Greffiers Hof van beroep 16 45 13 14 37 Cour d'appel 16 45 13 14 37 Arbeids-
   hof 3 7 3 2 12 Cour du travail 3 7 3 2 12
Rechtbanken Tribunaux
 Rechters Substituten Griffiers  Juges Substituts Greffiers
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg 41 19 49 Tribunal de première instance néerlandophone 41 19 49
Franstalige rechtbank van eerste aanleg 122 95 134 Tribunal de première instance francophone 122 95 134
Nederlandstalige arbeidsrechtbank 9 3 14 Tribunal du travail néerlandophone 9 3 14
Franstalige arbeidsrechtbank 22 15 30 Tribunal du travail francophone 22 15 30
Nederlandstalige ondernemingsrechtbank 11  13 Tribunal de l'entreprise néerlandophone 11  13
Franstalige ondernemingsrechtbank 14  19 Tribunal de l'entreprise francophone 14  19
Nederlandstalige politierechtbank 3  4 Tribunal de police néerlandophone 3  4
Franstalige politierechtbank 11  15 Tribunal de police francophone 11  15
Rechtbanken Tribunaux Rechters Substituten Griffiers Juges Substituts Greffiers Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg 41 19 49 Tribunal de première instance néerlandophone 41 19 49 Franstalige rechtbank van eerste aanleg 122 95 134 Tribunal de première instance francophone 122 95 134 Nederlandstalige arbeidsrechtbank 9 3 14 Tribunal du travail néerlandophone 9 3 14 Franstalige arbeidsrechtbank 22 15 30 Tribunal du travail francophone 22 15 30 Nederlandstalige ondernemingsrechtbank 11 13 Tribunal de l'entreprise néerlandophone 11 13 Franstalige ondernemingsrechtbank 14 19 Tribunal de l'entreprise francophone 14 19 Nederlandstalige politierechtbank 3 4 Tribunal de police néerlandophone 3 4 Franstalige politierechtbank 11 15 Tribunal de police francophone 11 15
]13
  [1 § 2. [6 De neerlegging van stukken ter griffie met het oog op de aanhangigmaking en behandeling van zaken die, overeenkomstig paragraaf 1, ingevolge een zaakverdelingsreglement zijn toegewezen aan een afdeling, kan gebeuren in elke afdeling van de bevoegde rechtbank.]6 De stukken worden door de griffie overgezonden aan de bevoegde afdeling en de griffie deelt de partijen die de stukken hebben neergelegd mee welke afdeling bevoegd is.
   Geen nietigheid, onregelmatigheid of onontvankelijkheid van de vordering kan met betrekking tot de in dit artikel bedoelde bevoegdheidsverdeling tussen afdelingen of met betrekking tot het zaakverdelingsreglement worden ingeroepen.
   De vorderingen of misdrijven die samenhangen met vorderingen of misdrijven die op grond van dit artikel uitsluitend tot de bevoegdheid van een bepaalde afdeling behoren, worden uitsluitend behandeld door deze afdeling.]1

  
Rechtbanken Tribunaux
 Rechters Substituten Griffiers  Juges Substituts Greffiers
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg 41 19 49 Tribunal de première instance néerlandophone 41 19 49
Franstalige rechtbank van eerste aanleg 122 95 134 Tribunal de première instance francophone 122 95 134
Nederlandstalige arbeidsrechtbank 9 3 14 Tribunal du travail néerlandophone 9 3 14
Franstalige arbeidsrechtbank 22 15 30 Tribunal du travail francophone 22 15 30
Nederlandstalige ondernemingsrechtbank 11  13 Tribunal de l'entreprise néerlandophone 11  13
Franstalige ondernemingsrechtbank 14  19 Tribunal de l'entreprise francophone 14  19
Nederlandstalige politierechtbank 3  4 Tribunal de police néerlandophone 3  4
Franstalige politierechtbank 11  15 Tribunal de police francophone 11  15
Rechtbanken Tribunaux Rechters Substituten Griffiers Juges Substituts Greffiers Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg 41 19 49 Tribunal de première instance néerlandophone 41 19 49 Franstalige rechtbank van eerste aanleg 122 95 134 Tribunal de première instance francophone 122 95 134 Nederlandstalige arbeidsrechtbank 9 3 14 Tribunal du travail néerlandophone 9 3 14 Franstalige arbeidsrechtbank 22 15 30 Tribunal du travail francophone 22 15 30 Nederlandstalige ondernemingsrechtbank 11 13 Tribunal de l'entreprise néerlandophone 11 13 Franstalige ondernemingsrechtbank 14 19 Tribunal de l'entreprise francophone 14 19 Nederlandstalige politierechtbank 3 4 Tribunal de police néerlandophone 3 4 Franstalige politierechtbank 11 15 Tribunal de police francophone 11 15
]13
  [1 § 2. [6 Le dépôt de pièces au greffe en vue de la saisine et du traitement des affaires qui sont attribuées, conformément au paragraphe 1er, à une division en vertu d'un règlement de répartition des affaires, peut avoir lieu dans chaque division du tribunal compétent.]6 Les pièces sont transmises par le greffe à la division compétente et le greffier informe les parties qui ont déposé les pièces de la division qui est compétente.
   Aucune nullité, irrégularité ou irrecevabilité de l'action ne peut être invoquée en ce qui concerne la répartition des compétences entre divisions visée au présent article ou en ce qui concerne le règlement de répartition des affaires.
   Les demandes ou les délits qui sont connexes à des demandes ou des délits qui, en vertu de cet article sont de la compétence exclusive d'une division déterminée, sont traités exclusivement par cette division.]1

  
TITEL VI. - (Benoemingsvoorwaarden en loopbaan van magistraten en het gerechtspersoneel).
TITRE VI. - (Des conditions de nomination et de la carrière des magistrats et du personnel judiciaire).
Art. 186bis. <W 2001-03-13/36, art. 4, 086; Inwerkingtreding : 30-03-2001> [2 Voor de toepassing van deze titel treedt de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank op als korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank van zijn gerechtelijk arrondissement.]2
  [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel treedt de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg op als korpschef [2 van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank]2, de toegevoegde vrederechters [2 ...]2 in de politierechtbank zetelend in de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en van de rechters [2 ...]2 in de Nederlandstalige politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt, met betrekking tot de vrederechters [2 ...]2 met zetel binnen het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen met het oog op een consensus.
   In afwijking van het derde lid, met betrekking tot de vrederechters [2 ...]2 die zetelen in de vredegerechten van het gerechtelijk kanton met zetel in [3 ...]3 Sint-Genesius-Rode en van het gerechtelijk kanton met zetel in Meise, wordt het ambt van korpschef gezamenlijk uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg treedt op als korpschef van de rechters [2 ...]2 in de Franstalige politierechtbank met zetel binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   Voor de vrederechters [2 ...]2 van de vredegerechten met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, wordt het ambt van korpschef gezamenlijk uitgeoefend door de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   Bij gebrek aan consensus in geval van toepassing van het derde, vierde en zesde lid, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing.]1

  [2 In het gerechtelijk arrondissement Eupen treedt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op als korpschef van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank.]2
  Voor de toepassing van deze titel zijn voor de berekening van de termijnen de bepalingen van de artikelen 50, eerste lid, 52, eerste lid, 53 en 54 van toepassing.
  (De termijnen van de procedures met het oog op de benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1°, de aanwijzing bedoeld in artikel 58bis, 2°, evenals de aanwijzing tot federaal magistraat (, [4 substituut-procureur voor de verkeersveiligheid,]4 verbindingsmagistraat in jeugdzaken) en bijstandsmagistraat, worden geschorst van 15 juli tot 15 augustus.) <W 2001-07-20/32, art. 2, 086; Inwerkingtreding : 15-07-2001> <W 2006-06-13/40, art. 38, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  
Art. 186bis. <L 2001-03-13/36, art. 4, 083; En vigueur : 30-03-2001> [2 Pour l'application du présent titre, le président des juges de paix et des juges au tribunal de police agit en qualité de chef de corps des juges de paix et des juges au tribunal de police de son arrondissement judiciaire.]2
  [1 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le président du tribunal de première instance néerlandophone agit en qualité de chef de corps [2 des juges de paix et des juges au tribunal de police]2 [2 ...]2 siégeant dans les justices de paix et les tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde et des juges et des juges de complément dans le tribunal de police néerlandophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   En ce qui concerne les juges de paix [2 ...]2 dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde, le président du tribunal de première instance francophone est impliqué dans les décisions chaque fois qu'il en fait la demande par simple requête au président du tribunal de première instance néerlandophone en vue d'un consensus.
   Par dérogation à l'alinéa 3, en ce qui concerne les juges de paix [2 ...]2 qui siègent dans les justices de paix du canton judiciaire dont le siège est établi à [3 ...]3 Rhode-Saint-Genèse et du canton judiciaire dont le siège est établi à Meise, la fonction de chef de corps est exercée conjointement par le président du tribunal de première instance néerlandophone et le président du tribunal de première instance francophone. Les décisions sont délibérées en consensus.
   Le président du tribunal de première instance francophone agit comme chef de corps des juges [2 ...]2 au tribunal de police francophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   En ce qui concerne les juges de paix [2 ...]2 des justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, la fonction de chef de corps est exercée conjointement par le président du tribunal de première instance néerlandophone et le président du tribunal de première instance francophone. Les décisions sont délibérées en consensus.
   A défaut de consensus en cas d'application des alinéas 3, 4 et 6, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles prend la décision.]1

  [2 Dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen, le président du tribunal de première instance agit en qualité de chef de corps des juges de paix et des juges au tribunal de police.]2
  Pour l'application du présent titre pour le calcul des délais, les dispositions des articles 50, alinéa 1er, 52, alinéa 1er, 53 et 54 sont d'application.
  (Les délais des procédures en vue d'une nomination visée à l'article 58bis, 1°, d'une désignation visée à l'article 58bis, 2°, ainsi que d'une désignation comme magistrat fédéral (, [4 comme substitut du procureur de la sécurité routière,]4 comme magistrat de liaison en matière de jeunesse) ou comme magistrat d'assistance, sont suspendus du 15 juillet au 15 août.) <L 2001-07-20/32, art. 2, 086; En vigueur : 15-07-2001> <L 2006-06-13/40, art. 38, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  
EERSTE HOOFDSTUK. - Vrederechters en rechters in de politierechtbank.
CHAPITRE I. - Des juges de paix et des juges au tribunal de police.
Art. 186ter. [1 Om tot voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank te worden aangewezen, moet de kandidaat :
   1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
   2° hetzij [2 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]2 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
   Om tot ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar vrederechter of rechter in een politierechtbank zijn.]1

  
Art. 186ter. [1 Pour être désigné président des juges de paix et des juges au tribunal de police, le candidat doit :
   1° soit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les cinq dernières en tant que magistrat du siège ou du ministère public;
   2° soit [2 être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies]2 et exercer depuis au moins sept années les fonctions de magistrat du siège ou du ministère public.
   Pour être désigné vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, le candidat doit être depuis trois années au moins juge de paix ou juge au tribunal de police.]1

  
Art. 187. <W 1991-07-18/35, art. 3, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> § 1. Om tot [2 vrederechter of rechter in de politierechtbank]2 [2 ...]2 te worden benoemd, moet de kandidaat ten minste 35 jaar oud zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij (artikel 259bis-9, §1) voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of [3 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]3. <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  § 2. De kandidaat moet bovendien aan een van de volgende voorwaarden voldoen :
  1° ten minste twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of van notaris hebben vervuld (of gedurende twaalf jaar juridische functies hebben uitgeoefend, waarvan ten minste drie jaar in een gerechtelijk ambt.) <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  2° ten minste vijf jaar een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 hebben uitgeoefend; <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  3° (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 23, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van twaalf jaar voorgeschreven in het 1°.
  Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens van het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, wordt de totale duur (bedoeld in het 1° en 2° van deze paragraaf) verminderd met een jaar. <W 1998-12-22/47, art. 19, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  
Art. 187. <L 1991-07-18/35, art. 3, 023; En vigueur : 1993-10-01> § 1er. Pour pouvoir être nommé [2 juge de paix ou juge au tribunal de police]2 [2 ...]2, le candidat doit être âgé d'au moins 35 ans, être docteur ou licencié en droit et avoir réussi l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article (259bis-9, § 1er) ou [3 être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies]3. <L 1998-12-22/47, art. 23, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  § 2. Le candidat doit en outre satisfaire à l'une des conditions suivantes :
  1° avoir, pendant au moins douze années, suivi le barreau, exercé des fonctions de magistrat du ministère public ou de juge ou la profession de notaire; (ou avoir exercé des fonctions juridiques pendant douze années dont au moins trois années dans une fonction judiciaire;) <L 1998-12-22/47, art. 23, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  2° avoir, pendant au moins cinq années, exercé des fonctions de conseiller, d'auditeur, d'auditeur adjoint (, de référendaire près la Cour de cassation), de référendaire, de référendaire adjoint au Conseil d'Etat ou des fonctions de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1; <L 1997-05-06/38, art. 5, 052; En vigueur : 05-07-1997>
  3° (abrogé). <L 1998-12-22/47, art. 23, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  Le cas échéant, la durée d'exercice des fonctions visées au 2° est prise en compte pour le calcul de la période de douze années prévue au 1°.
  Pour le candidat qui prouve sa connaissance de la langue autre que celle dans laquelle il a passé les examens du doctorat ou de la licence en droit en produisant le certificat délivré par le jury d'examen institué par l'article 43quinquies de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, les délais globaux (visés aux 1° et 2° du présent paragraphe), sont réduits d'un an. <L 1998-12-22/47, art. 23, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  
Art. 187bis. <INGEVOEGD bij W 2005-04-07/63, art. 2; Inwerkingtreding : 13-05-2006> Eenieder die gedurende ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of die gedurende ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en gedurende ten minste vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het bij artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een bij artikel 187 bedoelde benoeming, mits aan de bij artikel 191bis, §§ 2 en 3, bepaalde voorwaarden is voldaan.
  [1 De plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren die hun ambt hebben uitgeoefend sinds vijf jaar en die gedurende ten minste vijftien jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat hebben uitgeoefend worden vrijgesteld van het in artikel 259bis-9, § 1, bedoelde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een bij artikel 187 bedoelde benoeming, mits aan de in artikel 191bis, §§ 2 en 3, bedoelde voorwaarden is voldaan.]1
  
Art. 187bis. Toute personne qui a exercé la profession d'avocat à titre d'activité professionnelle principale pendant vingt ans au moins ou qui a exercé pendant quinze ans au moins cette activité à titre d'activité professionnelle principale et exercé pendant cinq ans au moins une fonction dont l'exercice nécessite une bonne connaissance du droit, est dispensée de l'examen d'aptitude professionnelle prévu à l'article 259bis-9, § 1er, en vue d'une nomination visée à l'article 187, pour autant que les conditions prévues à l'article 191bis, §§ 2 et 3, soient respectées.
  [1 Les juges suppléants et conseillers suppléants qui ont exercé ces fonctions depuis cinq ans et qui ont exercé la profession d'avocat à titre principal depuis quinze ans au moins sont dispensés de l'examen d'aptitude professionnelle visé à l'article 259bis-9, § 1er, en vue d'une nomination visée à l'article 187 pour autant que les conditions visées à l'article 191bis, §§ 2 et 3, soient respectées.]1
  
Art. 187ter. [1 Het aantal personen dat op basis van het in artikel 191bis, § 2, bedoelde mondelinge evaluatie-examen wordt benoemd op een van de in artikel 187 bedoelde plaatsen, mag per rechtsgebied niet meer bedragen dan 25 % van het totaal aantal vrederechters en rechters in de politierechtbank van het rechtsgebied van het hof van beroep of van het arbeidshof, zoals bepaald bij de in [2 artikel 186, § 1, achtste lid]2, bedoelde wet en op nationaal niveau niet meer bedragen dan 15 % van het totaal aantal vrederechters en rechters in de politierechtbank van het Koninkrijk zoals bepaald bij de in [2 artikel 186, § 1, achtste lid]2, bedoelde wet.]1
  
Art. 187ter. [1 Le nombre de personnes nommées, sur la base de l'examen oral d'évaluation visé à l'article 191bis, § 2, à des places visées à l'article 187 ne peut excéder, par ressort, 25 % du nombre total, fixé par la loi visée à l'[2 article 186, § 1er, alinéa 8]2, des juges de paix et des juges au tribunal de police du ressort de la cour d'appel et sur le plan national 15 % du nombre total, fixé par la loi visée à l'[2 article 186, § 1er, alinéa 8]2, des juges de paix et des juges au tribunal de police du Royaume.]1
  
Art. 188. <W 1991-07-18/35, art. 4, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> Om tot plaatsvervangend vrederechter (of plaatsvervangend (rechter in de politierechtbank) te worden benoemd, moet de kandidaat ten minste 30 jaar oud zijn, doctor of licentiaat in de rechten zijn [3 geslaagd zijn voor het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer of voor het examen inzake beroepsbekwaamheid of voor het mondelinge evaluatie-examen of houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de in artikel 259octies bedoelde gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]3 en ten minste vijf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, [3 gerechtelijke functies of]3 het notarisambt hebben vervuld, een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-refendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 [2 of een ambt van referendaris of parketjurist bij de hoven en rechtbanken]2 hebben uitgeoefend of een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed. <W 1994-07-11/33, art. 28, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01> <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2001-03-13/36, art. 5, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
  
Art. 188. <L 1991-07-18/35, art. 4, 023; En vigueur : 28-03-1992> Pour pouvoir être nommé juge de paix suppléant (ou le (juge suppléant au tribunal de police)), le candidat doit être âgé d'au moins 30 ans, être docteur ou licencié en droit [3 , avoir réussi l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant ou l'examen d'aptitude professionnelle ou l'examen oral d'évaluation ou être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire visé à l'article 259octies]3 et avoir, pendant au moins cinq ans, suivi le barreau, exercé [3 des fonctions judiciaires ou]3 la profession de notaire, exercé des fonctions de conseiller, d'auditeur, d'auditeur adjoint (, de référendaire près la Cour de cassation), de référendaire, de référendaire adjoint au Conseil d'Etat ou des fonctions de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 [2 ou des fonctions de référendaire ou de juriste de parquet près les cours et tribunaux]2 ou exercé des fonctions académiques ou scientifiques en droit. <L 1994-07-11/33, art. 28, 032; En vigueur : 1995-01-01> <L 1997-05-06/38, art. 5, 052; En vigueur : 05-07-1997> <L 1999-03-24/31, art. 3, 070; En vigueur : 17-04-1999> <L 2001-03-13/36, art. 5, 083; En vigueur : 30-03-2001>
  
HOOFDSTUK II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en van de [2 ondernemingsrechtbank]2 en van het openbaar ministerie.
CHAPITRE II. - Des membres du tribunal de première instance, du tribunal du travail et [2 du tribunal de l'entreprise]2 et des magistrats du ministère public.
Eerste afdeling- Rechters en magistraten van het openbaar ministerie.
Section I. - Des juges et des magistrats du ministère public.
Art. 189. <W 1998-12-22/47, art. 24, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de [2 ondernemingsrechtbank]2 te worden aangewezen moet de kandidaat :
  1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
  2° hetzij [1 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]1 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
  § 2. Om tot ondervoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de [2 ondernemingsrechtbank]2 te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van rechter in hetzelfde rechtscollege uitoefenen.
  
Art. 189. <L 1998-12-22/47, art. 24, 066; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. Pour pouvoir être désigné président du tribunal de première instance, du tribunal du travail ou du [2 tribunal de l'entreprise]2, le candidat doit :
  1° soit, exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les cinq dernières en tant que magistrat du siège ou du ministère public;
  2° soit, [1 être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies]1 et exercer depuis au moins sept années les fonctions de magistrat du siège ou du ministère public.
  § 2. Pour pouvoir être désigné vice-président au tribunal de première instance, au tribunal du travail ou au [2 tribunal de l'entreprise]2, le candidat doit exercer depuis au moins trois années les fonctions de juge dans la même juridiction.
  
Art. 190. (oud 191) <W 1991-07-18/35, art. 7, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot rechter in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de [5 ondernemingsrechtbank]5 [2 ...]2 te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij (artikel 259bis-9, §1) voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of [4 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]4. <W 1998-02-10/32, art. 8, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1994-12-01/30, art. 1, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16> <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  § 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :
  1° hetzij ten minste tien jaar ononderbroken werkzaam zijn geweest aan de balie;
  2° hetzij ten minste vijf jaar (een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter of) een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 (of een ambt van referendaris of parketjurist [3 bij de hoven en rechtbanken]3) hebben uitgeoefend; <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  3° hetzij ten minste twaalf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, het ambt (...) van notaris hebben vervuld of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed, of (juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst). <W 1998-12-22/47, art. 26, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2003-05-03/45, art. 10, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van twaalf jaar voorgeschreven in het 3°.
  (§ 2bis. Bij de bekendmaking van een vacature in de rechtbank van eerste aanleg kan de minister van Justitie bepalen dat het vacante ambt bij voorrang zal worden toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.) <W 1999-03-23/30, art. 3, Inwerkingtreding : 06-04-1999>
  (§ 2ter. [6 Voor de kandidaat-rechter in een fiscale kamer van een rechtbank van eerste aanleg die houder is van een diploma waaruit een gespecialiseerde opleiding in fiscaliteit blijkt, afgegeven door een Belgische universiteit of, voor zover de opleiding in aanmerking wordt genomen door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8, door een niet-universitaire instelling van hoger onderwijs, wordt de duur bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, 3°, verminderd tot tien jaar.]6
  § 3. Voor de kandidaat-rechter in de arbeidsrechtbank die houder is van een diploma van licentiaat in het sociaal recht uitgereikt door een Belgische universiteit, wordt de duur bedoeld in § 2, 3°, verminderd tot tien jaar.
  § 4. Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens in het doctoraat of het licenciaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, 2° en 3° verminderd met een jaar.
  
Art. 190. (ancien art. 191) <L 1991-07-18/35, art. 7, 023; En vigueur : 1993-10-01> <L 1998-12-22/47, art. 26, 066; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. Pour pouvoir être nommé juge [2 ...]2 au tribunal de première instance, au tribunal du travail ou au [5 tribunal de l'entreprise]5, le candidat doit être docteur ou licencié en droit et avoir réussi l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'(article 259bis-9, § 1er) ou [4 être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies]4. <L 1998-02-10/32, art. 8, 057; En vigueur : 02-03-1998> <L 1994-12-01/30, art. 1, 033; En vigueur : 1994-12-16> <L 1998-12-22/47, art. 26, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  § 2. Le candidat qui a réussi l'examen d'aptitude professionnelle doit en outre :
  1° soit, avoir suivi le barreau pendant au moins dix années sans interruption;
  2° soit, avoir, pendant au moins cinq années, exercé (les fonctions de magistrat du ministère public ou celles de juge ou) les fonctions de conseiller, d'auditeur, d'auditeur adjoint (, de référendaire près la Cour de cassation), de référendaire, de référendaire adjoint au Conseil d'Etat ou des fonctions de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 (ou des fonctions de référendaire ou de juriste de parquet [3 près les cours et tribunaux]3); <L 1997-05-06/38, art. 5, 052; En vigueur : 05-07-1997> <L 1999-03-24/31, art. 3, 070; En vigueur : 17-04-1999> <L 2003-05-03/45, art. 10, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  3° soit, avoir, pendant au moins douze années, suivi le barreau, exercé (...) la profession de notaire ou des fonctions académiques ou scientifiques en droit ou exercé des fonctions juridiques dans un service public ou privé. <L 2003-05-03/45, art. 10, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  Le cas échéant, la durée d'exercice de la fonction visée au 2° est prise en compte pour le calcul de la période de douze années prévue au 3°.
  § 2bis. En cas de publication d'une vacance auprès d'un Tribunal de première instance, le Ministre de la Justice peut indiquer que le siège vacant est attribué (en priorité) à un candidat qui justifie d'une connaissance spécialisée par ses titres ou son expérience. Ces titres et expérience sont examinés par la Commission de nomination et de désignation visée à l'article 259bis-8. <L 2001-06-15/34, art. 2, 092; En vigueur : 21-07-2001>
  (§ 2ter. [6 A l'égard du candidat aux fonctions de juge dans une chambre fiscale d'un tribunal de première instance, porteur d'un diplôme attestant d'une formation spécialisée en fiscalité, délivré par une université belge ou, pour autant que la formation soit prise en compte par la Commission de nomination et de désignation visée à l'article 259bis-8, par un établissement d'enseignement supérieur non universitaire, le délai prévu au paragraphe 2, alinéa 1er, 3°, est réduit à dix ans.]6
  § 3. A l'égard du candidat aux fonctions de juge au tribunal du travail, porteur d'un diplôme de licencie en droit social délivré par une université belge, le délai prévu au § 2, 3°, est réduit à dix ans.
  § 4. Pour le candidat qui prouve sa connaissance de la langue autre que celle dans laquelle il a passé les examens du doctorat ou de la licence en droit en produisant le certificat délivré par le jury d'examen institué par l'article 43quinquies de la loi du 15 juin 1935, les délais visés au § 2, 1°, 2° et 3° sont réduits d'un an.
  
Art. 191bis. <INGEVOEGD bij W 2005-04-07/63, art. 4; Inwerkingtreding : 13-05-2006> § 1. Eenieder die gedurende ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of die gedurende ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en gedurende ten minste vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het bij artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een in artikel 190 bedoelde benoeming, mits aan de bij §§ 2 en 3 bepaalde voorwaarden is voldaan.
  [2 De plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren die hun ambt hebben uitgeoefend sinds vijf jaar en die gedurende ten minste vijftien jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat hebben uitgeoefend, worden vrijgesteld van het in artikel 259bis-9, § 1, bedoelde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een in artikel 190 bedoelde benoeming mits aan de in de paragrafen 2 en 3 bedoelde voorwaarden is voldaan.]2
  § 2. Het verzoek daartoe wordt [1 langs elektronische weg ingediend bij]1 de benoemings- en aanwijzingscommissie die bevoegd is naar gelang van de taal van het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
  Het verzoek moet vergezeld zijn van de nodige stavingsstukken waaruit blijkt dat de bij § 1 bepaalde voorwaarden zijn vervuld. [1 De bij een ontvankelijk verklaard verzoek gevoegde stavingsstukken moeten niet meer worden gevraagd wanneer de kandidaat een nieuw verzoek tot deelname aan een mondeling evaluatie-examen indient.]1.
  Binnen veertig dagen na de ontvangst van het verzoek beslist de benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen over de ontvankelijkheid ervan.
  Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek onontvankelijk, dan wordt de verzoeker hiervan [1 langs elektronische weg]1 in kennis gesteld.
  Verklaart de benoemings- en aanwijzingscommissie het verzoek ontvankelijk, dan wordt de verzoeker [1 langs elektronische weg]1 opgeroepen voor een mondeling evaluatie-examen.
  [1 Voorafgaand aan het mondelinge evaluatie-examen verzoekt de benoemings- en aanwijzingscommissie, langs elektronische weg, om een met redenen omkleed schriftelijk advies :
   1° van de vertegenwoordiger van de balie of van de balies van het betrokken gerechtelijk arrondissement aangewezen door de orde of de ordes van advocaten van de balie of de balies van dat arrondissement waar de kandidaat als advocaat werkzaam is of werkzaam geweest is. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft al naargelang de kandidaat ingeschreven is of ingeschreven geweest is op het tableau van de Nederlandstalige of Franstalige orde van advocaten, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies;
   2° in voorkomend geval, van de korpschef van het rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als plaatsvervangend rechter, hetzij als plaatsvervangend raadsheer.
   Het advies heeft met name betrekking op de nuttige beroepservaring die de kandidaat kan doen gelden, met het oog op het uitoefenen van een functie als magistraat.]1

  [1 De in het zesde lid bedoelde personen mogen geen advies verstrekken over bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie zij een feitelijk gezin vormen.]1
  Het advies wordt aan de benoemings- en aanwijzingscommissie en aan de kandidaat overgezonden binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen van het verzoek om advies.
  Zo binnen de gestelde termijn geen advies wordt uitgebracht, wordt [1 aan dat advies voorbijgegaan]1.
  De kandidaat beschikt over een termijn van vijftien dagen vanaf de notificatie van het advies om zijn opmerkingen mee te delen aan de benoemings- en aanwijzingscommissie.
  (De termijnen van de procedure worden geschorst van 15 juli tot 15 augustus.) <W 2006-12-27/33, art. 81, 144; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  De verzoeker ten aanzien van wie de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie met een meerderheid van drie vierde van de stemmen heeft geoordeeld dat hij geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt gemachtigd om zich kandidaat te stellen voor een benoeming.
  § 3. De door de benoemings- en aanwijzingscommissie afgegeven machtiging is geldig [3 gedurende zeven jaar]3, te rekenen van de datum van de afgifte van de machtiging.
  Indien de kandidaat niet geslaagd is voor het mondelinge evaluatie-examen, wordt hij daarvan [1 bij een met redenen omklede en langs elektronische weg overgezonden brief]1 in kennis gesteld. [3 De kandidaten die vijf keer niet geslaagd zijn voor het mondelinge evaluatie-examen worden uitgesloten van elke latere deelname aan dat examen.]3 [3 In geval van een nieuw verzoek wordt in voorkomend geval bij het verzoek een bijgewerkte versie gevoegd van het curriculum vitae.]3
  
Art. 191bis. § 1er. Toute personne qui a exercé la profession d'avocat à titre d'activité professionnelle principale pendant vingt ans au moins ou qui a exercé pendant quinze ans au moins cette activité à titre d'activité professionnelle principale et exercé pendant cinq ans au moins une fonction dont l'exercice nécessite une bonne connaissance du droit, est dispensée de l'examen d'aptitude professionnelle prévu à l'article 259bis-9, § 1er, en vue d'une nomination visée à l'article 190, pour autant que les conditions prévues aux §§ 2 et 3 soient respectées.
  [2 Les juges suppléants et conseillers suppléants qui ont exercé ces fonctions depuis cinq ans et qui ont exercé la profession d'avocat à titre principal depuis quinze ans au moins sont dispensés de l'examen d'aptitude professionnelle visé à l'article 259bis-9, § 1er, en vue d'une nomination visée à l'article 190 pour autant que les conditions visées aux paragraphes 2 et 3 soient respectées.]2
  § 2. A cette fin, une demande est introduite par [1 voie électronique]1 à la commission de nomination et de désignation compétente en fonction de la langue du diplôme de docteur, de licencié ou de master en droit.
  La demande doit être accompagnée des pièces justificatives desquelles il ressort que les conditions prévues au § 1er sont remplies. [1 Les pièces justificatives jointes à une demande déclarée recevable ne doivent plus être réclamées lorsque le candidat introduit une nouvelle demande de participation à un examen oral d'évaluation.]1
  Dans les quarante jours de la réception de la demande, la commission de nomination et de désignation décide de sa recevabilité à la majorité des trois quarts des voix.
  Si la commission de nomination et de désignation déclare la demande irrecevable, le demandeur en est informé [1 par voie électronique]1.
  Si la commission de nomination et de désignation déclare la demande recevable, le demandeur est invité à un examen oral d'évaluation [1 par voie électronique]1.
  [1 Préalablement à l'examen oral d'évaluation, la commission de nomination et de désignation sollicite, par voie électronique, l'avis écrit motivé :
   1° du représentant du barreau ou des barreaux de l'arrondissement judiciaire concerné désigné par l'ordre ou les ordres des avocats du barreau ou des barreaux de cet arrondissement où le candidat exerce ou a exercé des fonctions en tant qu'avocat. Pour l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, l'avis du représentant de l'ordre français ou du représentant de l'ordre néerlandais est recueilli, selon que le candidat est ou a été inscrit au tableau de l'ordre français ou de l'ordre néerlandais des avocats;
   2° le cas échéant, du chef de corps de la juridiction où le candidat exerce des fonctions en tant que juge suppléant ou conseiller suppléant.
   L'avis porte notamment sur l'expérience professionnelle utile dont le candidat peut se prévaloir pour exercer des fonctions en tant que magistrat.]1
.
  [1 Les personnes visées à l'alinéa 6 ne peuvent émettre un avis sur les parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ni sur des personnes avec qui elles constituent un ménage de fait.]1
  L'avis est transmis à la commission de nomination et de désignation et au candidat dans un délai de trente jours à compter de la demande d'avis.
  A défaut d'avis rendu dans le délai prescrit, [1 il est passé outre à cet avis]1.
  Le candidat dispose d'un délai de quinze jours à compter de la notification de l'avis pour communiquer ses observations à la commission de nomination et de désignation.
  (Les délais de procédure sont suspendus du 15 juillet au 15 août.) <L 2006-12-27/33, art. 81, 144; En vigueur : 01-02-2007>
  Le demandeur dont la commission de nomination et de désignation compétente estime, à la majorité des trois quarts des voix, qu'il a réussi l'examen oral d'évaluation est autorisé à se porter candidat à une nomination.
  § 3. L'autorisation délivrée par la commission de nomination et de désignation est valable [3 pendant sept ans]3 à compter de la date de délivrance de l'autorisation.
  Si le candidat n'a pas réussi l'examen oral d'évaluation, il en est averti [1 par écrit motivé transmis par voie électronique]1. [3 Les candidats qui ont échoué cinq fois à l'examen oral d'évaluation sont exclus de toute participation ultérieure à cet examen.]3 [3 En cas de nouvelle demande, une version actualisée du curriculum vitae est le cas échéant jointe à la demande.]3
  
Art. 191ter. [1 Het aantal personen dat op basis van het in artikel 191bis, § 2, bedoelde mondelinge evaluatie-examen wordt benoemd op een van de in artikel 190 bedoelde plaatsen, mag per rechtsgebied niet meer bedragen dan 25 % van het totaal aantal magistraten van de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg, de ondernemingsrechtbanken en de arbeidsrechtbanken gelegen in het rechtsgebied van het hof van beroep of van het arbeidshof, zoals bepaald bij de in [2 artikel 186, § 1, achtste lid]2, bedoelde wet en op nationaal niveau niet meer bedragen dan 15 % van het totaal aantal magistraten van de zetel van de rechtbanken van eerste aanleg, de ondernemingsrechtbanken en de arbeidsrechtbanken van het Koninkrijk zoals bepaald bij de in [2 artikel 186, § 1, achtste lid]2, bedoelde wet.]1
  
Art. 191ter. [1 Le nombre de personnes nommées, sur la base de l'examen oral d'évaluation visé à l'article 191bis, § 2, à des places visées à l'article 190 ne peut excéder, par ressort, 25 % du nombre total, fixé par la loi visée à l'[2 article 186, § 1er, alinéa 8]2, des magistrats du siège des tribunaux de première instance, des tribunaux de l'entreprise et des tribunaux du travail situés dans le ressort de la cour d'appel ou de la cour du travail et sur le plan national 15 % du nombre total, fixé par la loi visée à l'[2 article 186, § 1er, alinéa 8]2, des magistrats du siège des tribunaux de première instance, des tribunaux de l'entreprise et des tribunaux du travail du Royaume.]1
  
Art. 192. <W 1991-07-18/35, art. 8, 023; Inwerkingtreding : 28-03-1992> Om tot plaatsvervangend rechter te worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn [3 , geslaagd zijn voor het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer of voor het examen inzake beroepsbekwaamheid of voor het mondelinge evaluatie-examen of houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de in artikel 259octies bedoelde gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]3 en ten minste vijf jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 (of een ambt van referendaris of parketjurist [2 bij de hoven en rechtbanken]2) hebben uitgeoefend of een academische of rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed. <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
  
Art. 192. <L 1991-07-18/35, art. 8, 023; En vigueur : 28-03-1992> Pour pouvoir être nommé juge suppléant, le candidat doit être docteur ou licencié en droit [3 , avoir réussi l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant ou l'examen d'aptitude professionnelle ou l'examen oral d'évaluation ou être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire visé à l'article 259octies]3 et avoir, pendant au moins cinq ans, suivi le barreau, exercé des fonctions judiciaires ou la profession de notaire ou exercé des fonctions de conseiller, d'auditeur, d'auditeur adjoint (, de référendaire près la Cour de cassation), de référendaire, de référendaire adjoint au Conseil d'Etat ou les fonctions de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 (ou des fonctions de référendaire ou de juriste de parquet [2 près les cours et tribunaux]2) ou exerce des fonctions académiques ou scientifiques en droit. <L 1997-05-06/38, art. 5, 052; En vigueur : 05-07-1997> <L 1999-03-24/31, art. 3, 070; En vigueur : 17-04-1999>
  
Art. 192/1. [1 Om tot procureur voor de verkeersveiligheid te worden aangewezen, moet de kandidaat:
   1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
   2° hetzij houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.]1

  
Art. 192/1. [1 Pour pouvoir être désigné procureur de la sécurité routière, le candidat doit:
   1° soit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les cinq dernières en tant que magistrat du siège ou du ministère public;
   2° soit être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies et exercer depuis au moins sept années les fonctions de magistrat du siège ou du ministère public.]1

  
Art. 193. <W 1998-12-22/47, art. 28, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot procureur des Konings of tot arbeidsauditeur te worden aangewezen, moet de kandidaat :
  1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
  2° hetzij [1 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]1 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie uitoefenen.
  § 2. Om tot eerste substituut-procureur des Konings of eerste substituut-arbeidsauditeur te worden aangewezen moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van substituut-procureur des Konings of substituut-arbeidsauditeur bij hetzelfde rechtscollege uitoefenen.
  
Art. 193. <L 1998-12-22/47, art. 28, 066; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. Pour pouvoir être désigné procureur du Roi ou auditeur du travail, le candidat doit :
  1° soit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les cinq dernières en tant que magistrat du siège ou du ministère public;
  2° soit [1 être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies]1 et exercer depuis au moins sept années les fonctions de magistrat du siège ou du ministère public.
  § 2. Pour pouvoir être désigné premier substitut du procureur du Roi ou premier substitut de l'auditeur du travail, le candidat doit exercer, depuis au moins trois années, les fonctions de substitut du procureur du Roi ou de substitut de l'auditeur du travail près la même juridiction.
  
Art. 194. <W 1991-07-18/35, art. 10, 023; Inwerkingtreding : 1993-10-01> (§ 1. Om tot substituut-procureur des Konings, [2 of substituut-arbeidsauditeur ]2 te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn of [5 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]5.) <W 1998-12-22/47, art. 29, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  § 2. De kandidaat die voor het examen inzake beroepsbekwaamheid is geslaagd, moet bovendien :
  1° hetzij ten minste (vijf) jaar werkzaam zijn geweest aan de balie, een gerechtelijk ambt of het notarisambt hebben vervuld, of een academische of een rechtswetenschappelijke functie hebben bekleed of (juridische functies hebben uitgeoefend in een openbare of private dienst; <W 1994-12-01/30, art. 3, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16> <W 1998-12-22/47, art. 29, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  2° hetzij ten minste (vier) jaar een ambt van staatsraad, auditeur, adjunct-auditeur, (referendaris bij het Hof van Cassatie,) referendaris, adjunct-referendaris bij de Raad van State of een ambt van referendaris bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 (of een ambt van referendaris of parketjurist [4 bij de hoven en rechtbanken]4) hebben uitgeoefend. <W 1997-05-06/38, art. 5, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1999-03-24/31, art. 3, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999>
  In voorkomend geval wordt de duur van het ambt bedoeld in het 2° in aanmerking genomen voor de berekening van de periode van (vijf) jaar voorgeschreven in het 1°. <W 1994-12-01/30, art. 4, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
  § 3. Voor de kandidaat-substituut-arbeidsauditeur die houder is van een diploma van licentiaat in het sociaal recht uitgereikt door een Belgische universiteit, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, verminderd tot (vier) jaar. <W 1994-12-01/30, art. 5, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
  § 4. (Onverminderd de voorwaarden gesteld in § 1 wordt het ambt van de substituut-procureur des Konings, gespecialiseerd in fiscale zaken toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit deze gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels en verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.) <W 2001-06-15/34, art. 4, 092; Inwerkingtreding : 21-07-2001>
  Voor de kandidaten die aan de voorwaarden gesteld in het voorgaande lid voldoen, wordt de duur bedoeld in § 2, 1°, verminderd tot (vier) jaar. <W 1994-12-01/30, art. 6, 033; Inwerkingtreding : 1994-12-16>
  [3 § 4/1. In geval van bekendmaking van een vacature bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, kan de minister van Justitie aangeven dat de vacante betrekking bij voorrang wordt toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels of verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.]3
  § 5. Voor de kandidaat die de kennis van de andere taal dan die waarin hij de examens in het doctoraat of het licentiaat in de rechten heeft afgelegd, bewijst door voorlegging van het getuigschrift afgegeven door de examencommissie ingesteld bij artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935, wordt de duur bedoeld in § 2, 1° en 2°, verminderd met een jaar.
  
Art. 194. <L 1991-07-18/35, art. 10, 023; En vigueur : 1993-10-01> (§ 1er. Pour pouvoir être nommé substitut du procureur du Roi [2 ou substitut de l'auditeur du travail]2, le candidat doit être docteur ou licencié en droit et avoir réussi l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article 259bis-9, § 1er, ou [5 être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies]5.) <L 1998-12-22/47, art. 29, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  § 2. Le candidat qui a réussi l'examen d'aptitude professionnelle doit en outre :
  1° soit, avoir, pendant au moins (cinq) années, suivi le barreau, exercé des fonctions judiciaires ou la profession de notaire, ou des fonctions académiques ou scientifiques en droit, ou exercé des fonctions juridiques dans un service public ou privé; <L 1994-12-01/30, art. 3, 033; En vigueur : 1994-12-16>
  2° soit, avoir, pendant au moins (quatre) années, exercé les fonctions de conseiller, d'auditeur, d'auditeur adjoint (, de référendaire près la Cour de cassation), de référendaire, de référendaire adjoint au Conseil d'Etat ou des fonctions de référendaire à la [1 Cour constitutionnelle]1 (ou des fonctions de référendaire ou de juriste de parquet [4 près les cours et tribunaux]4). <L 1997-05-06/38, art. 5, 052; En vigueur : 05-07-1997> <L 1999-03-24/31, art. 3, 070; En vigueur : 17-04-1999>
  Le cas échéant, la durée d'exercice des fonctions visées au 2° est prise en compte pour le calcul de la période de (cinq) années prévue au 1°. <L 1994-12-01/30, art. 4, 033; En vigueur : 1994-12-16>
  § 3. A l'égard du candidat aux fonctions de substitut de l'auditeur du travail, porteur d'un diplôme de licencié en droit social délivré par une université belge, le délai prévu au § 2, 1°, est réduit à (quatre) ans. <L 1994-12-01/30, art. 5, 033; En vigueur : 1994-12-16>
  § 4. (Sans préjudice des conditions fixées au § 1er, la fonction de substitut du procureur du Roi spécialisé en matière fiscale est attribuée à un candidat qui justifie de cette connaissance spécialisée par ses titres ou son expérience. Ces titres et expérience sont examinés par la commission de nomination et de désignation visée à l'article 259bis-8.) <L 2001-06-15/34, art. 4, 092; En vigueur : 21-07-2001>
  A l'égard des candidats qui remplissent les conditions prévues par l'alinéa précédent, le délai prévu au § 2, 1°, est réduit à (quatre) ans. <L 1994-12-01/30, art. 6, 033; En vigueur : 1994-12-16>
  [3 § 4/1. En cas de publication d'une vacance auprès du parquet du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, le ministre de la Justice peut indiquer que la place vacante est attribuée en priorité à un candidat qui justifie d'une connaissance spécialisée par ses titres ou son expérience. Ces titres et expériences sont examinés par la commission de nomination et de désignation visée à l'article 259bis-8.]3
  § 5. Pour le candidat qui prouve sa connaissance de la langue autre que celle dans laquelle il a passé les examens du doctorat ou de la licence en droit en produisant le certificat délivré par le jury d'examen institué par l'article 43quinquies de la loi du 15 juin 1935, les délais visés au § 2, 1° et 2° sont réduits d'une année.
  
Art. 194bis. <INGEVOEGD bij W 2005-04-07/63, art. 6; Inwerkingtreding : 13-05-2006> Eenieder die gedurende ten minste twintig jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat heeft uitgeoefend of die gedurende ten minste vijftien jaar deze activiteit als voornaamste beroepsactiviteit heeft uitgeoefend en gedurende ten minste vijf jaar een functie heeft uitgeoefend die een gedegen kennis van het recht vereist, wordt vrijgesteld van het bij artikel 259bis-9, § 1, bepaalde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een bij artikel 194 bedoelde benoeming, mits aan de bij artikel 191bis, §§ 2 en 3, bepaalde voorwaarden is voldaan.
  [1 De plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren die hun ambt hebben uitgeoefend sinds vijf jaar en die gedurende ten minste vijftien jaar als voornaamste beroepsactiviteit het beroep van advocaat hebben uitgeoefend, worden vrijgesteld van het in artikel 259bis-9, § 1, bedoelde examen inzake beroepsbekwaamheid met het oog op een in artikel 194 bedoelde benoeming, mits aan de in artikel 191bis, §§ 2 en 3, bedoelde voorwaarden is voldaan.]1
  
Art. 194bis. Toute personne qui a exercé la profession d'avocat à titre d'activité professionnelle principale pendant vingt ans au moins ou qui a exercé pendant quinze ans au moins cette activité à titre d'activité professionnelle principale et exercé pendant cinq ans au moins une fonction dont l'exercice nécessite une bonne connaissance du droit, est dispensée de l'examen d'aptitude professionnelle prévu à l'article 259bis-9, § 1er, en vue d'une nomination visée à l'article 194, pour autant que les conditions prévues à l'article 191bis, §§ 2 et 3, soient respectées.
  [1 Les juges suppléants et conseillers suppléants qui ont exercé ces fonctions depuis cinq ans et qui ont exercé la profession d'avocat à titre principal depuis quinze ans au moins sont dispensés de l'examen d'aptitude professionnelle visé à l'article 259bis-9, § 1er, en vue d'une nomination visée à l'article 194 pour autant que les conditions visées à l'article 191bis, §§ 2 et 3, soient respectées.]1
  
Art. 194ter. [1 Het aantal personen dat op basis van het in artikel 191bis, § 2, bedoelde mondelinge evaluatie-examen wordt benoemd op een van de in artikel 194 bedoelde plaatsen, mag per rechtsgebied niet meer bedragen dan 25 % van het totaal aantal substituut-procureurs des Konings en substituut - arbeidsauditeurs van het rechtsgebied van het hof van beroep of van het arbeidshof, zoals bepaald bij de in [2 artikel 186, § 1, achtste lid]2, bedoelde wet en op nationaal niveau niet meer bedragen dan 15 % van het totaal aantal substituut-procureurs des Konings en substituut - arbeidsauditeurs van het Koninkrijk zoals bepaald bij de in [2 artikel 186, § 1, achtste lid]2, bedoelde wet.]1
  
Art. 194ter. [1 Le nombre de personnes nommées, sur la base de l'examen oral d'évaluation visé à l'article 191bis, § 2, à des places visées à l'article 194 ne peut excéder, par ressort, 25 % du nombre total, fixé par la loi visée à l'[2 article 186, § 1er, alinéa 8]2, des substituts du procureur du Roi et des substituts de l'auditeur du travail du ressort de la cour d'appel ou de la cour du travail et sur le plan national 15 % du nombre total, fixé par la loi visée à l'[2 article 186, § 1er, alinéa 8]2, des substituts du procureur du Roi et des substituts de l'auditeur du travail du Royaume.]1
  
Afdeling II. - Leden van de rechtbank van eerste aanleg.
Section II. - Des membres du tribunal de première instance.
Art. 195. (Alle werkende rechters in de rechtbank van eerste aanleg die gedurende ten minste [1 één]1 jaar het ambt van rechter of van magistraat van het openbaar ministerie [1 hebben uitgeoefend, alsook de plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis,]1, kunnen als enige rechter zitting houden.
  Na het schriftelijk en met redenen omklede advies van de procureur des Konings en van de stafhouder van de Orde van advocaten te hebben gevraagd, kunnen evenwel alle werkende rechters in de rechtbank van eerste aanleg, ongeacht hun anciënniteit, als enige rechter zitting houden, wanneer de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg de noodzaak daarvan aantoont.) (W 1997-01-21/39, art. 2, 043; Inwerkingtreding : 1997-03-25>
  De aangewezen magistraten kunnen ook in de andere kamers van de rechtbank van eerste aanleg zitting nemen naar de rang van hun installatie.
  (Werkende rechters die als enige rechter zitting houden en die door de voorzitter van de rechtbank worden aangewezen om als assessor deel uit te maken van een hof van assisen, mogen voor de duur van de zitting van het hof van assisen worden vervangen door een plaatsvervangend rechter die deze functie al ten minste tien jaar uitoefent en die regelmatig zitting houdt of zitting heeft gehouden in strafzaken in een kamer met drie rechters, [1 ...]1.) <W 2005-04-13/30, art. 4, 123 ; Inwerkingtreding : 13-05-2005>
  
Art. 195. (Tous les juges effectifs auprès du tribunal de première instance qui ont exercé, pendant une période minimale [1 d'un an]1, les fonctions de juge ou de magistrat [1 du ministère public et les magistrats suppléants visés à l'article 156bis,]1 peuvent être appelés à siéger seuls.
  Toutefois, tous les juges effectifs auprès du tribunal de première instance peuvent, après que l'avis écrit et motivé du procureur du Roi et du bâtonnier de l'Ordre des avocats ait été demandé, être appelés a siéger seuls, quelle que soit leur ancienneté, en cas de nécessité constatée par le président du tribunal de première instance.) <L 1997-01-21/39, art. 2, 043; En vigueur : 1997-03-25>
  Les magistrats désignés peuvent aussi siéger, suivant le rang de leur réception, dans les autres chambres du tribunal de première instance.
  (Les juges effectifs appelés à siéger seuls qui sont désignés par le président en qualité d'assesseur pour former le siège d'une cour d'assises peuvent être remplacés, pendant la durée de la session de la cour d'assises, par un juge suppléant exerçant cette fonction depuis dix ans au moins et qui siège ou a siégé régulièrement en matière répressive dans une chambre à trois juges [1 ...]1.) <L 2005-04-13/30, art. 4, 123 ; En vigueur : 13-05-2005>
  
Art. 195bis. [1 De rechters bedoeld in de tabel "Aantal rechters gespecialiseerd in strafzaken in fiscale aangelegenheden in de rechtbank van eerste aanleg", gevoegd bij de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, houden zitting in strafzaken wegens een overtreding van de wetten en de verordeningen in fiscale aangelegenheden.
   De bepalingen van artikel 190, § 2bis en § 2ter zijn op hen van toepassing.]1

  
Art. 195bis. [1 Les juges visés au tableau "Nombre de juges répressifs spécialisés en matière fiscale dans le tribunal de première instance", annexé à la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, siègent en matière répressive dans les affaires relatives à une infraction aux lois et aux règlements en matière fiscale.
   Les dispositions de l'article 190, § 2bis et § 2ter leur sont applicables.]1

  
Art. 196bis. <INGEVOEGD bij W 2006-05-17/36, art. 16, Inwerkingtreding : 31-08-2006> [4 De Koning benoemt de werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken, de werkende en plaatsvervangende assessoren in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en de werkende en plaatsvervangende assessoren in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie.]4
  Zij worden benoemd uit de geslaagden voor een examen georganiseerd door een [3 Nederlandstalig selectiecomité en een Franstalig selectiecomité samengesteld]3 uit :
  - [3 een magistraat van de zetel aangewezen door het College van de hoven en rechtbanken of zijn plaatsvervanger;]3
  - de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie of zijn vertegenwoordiger aangewezen door de minister van Justitie;
  - de directeur-generaal van het directoraat-generaal [2 Penitentiaire Inrichtingen]2 van de federale overheidsdienst Justitie of zijn vertegenwoordiger aangewezen door de minister van Justitie.
  [1 - de leidende ambtenaar van de Justitiehuizen of van de dienst die er de opdrachten van overneemt [3 of hun vertegenwoordiger aangewezen binnen deze diensten]3.]1
  Niemand mag zitting hebben in een comité indien hij geen blijk geeft van de kennis van de taal van de kandidaten. [3 ...]3.
  Het examen, waarvan de regels worden bepaald door de Koning, bestaat uit een schriftelijk gedeelte en een mondeling gedeelte.
  De geldigheidsduur van het examen is vastgesteld op zeven jaar.
  
Art. 196bis. Les assesseurs en application des peines spécialisés en matière pénitentiaire, effectifs et suppléants, les assesseurs en application des peines et internement spécialisés en réinsertion sociale, effectifs et suppléants, et les assesseurs en internement spécialisés en psychologie clinique, effectifs et suppléants, sont nommés par le Roi.]3
  Ils sont nommés parmi les lauréats d'un examen organisé par un [4 comité de sélection francophone et un comité de sélection néerlandophone composés]4 :
  - [4 - un magistrat du siège désigné par le Collège des cours et tribunaux ou son suppléant;]4
  - du directeur du service d'encadrement Personnel et Organisation du service public fédéral Justice ou de son représentant désigné par le ministre de la Justice;
  - du directeur général de la direction générale [2 des Etablissements pénitentiaires]2 du service public fédéral Justice ou de son représentant désigné par le ministre de la Justice.
  [1 - du fonctionnaire dirigeant des Maisons de justice ou du service qui en reprend les missions [4 ou de leur représentant désigné au sein de ces services]4.]1
  Nul ne peut siéger dans un comité s'il ne justifie pas de la connaissance de la langue des candidats. [4 ...]4.
  L'examen, dont les modalités sont fixées par le Roi, comporte une partie écrite et une partie orale.
  La durée de validité de l'examen est fixée à sept ans.
  
Art. 196ter. <INGEVOEGD bij W 2006-05-17/36, art. 17, Inwerkingtreding : 31-08-2006> § 1. Om tot werkend of plaatsvervangend assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken te worden benoemd moet de kandidaat de volgende voorwaarden vervullen :
  1° ten minste vijf jaar nuttige beroepservaring hebben die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake penitentiaire zaken;
  2° houder zijn van een diploma van master;
  3° Belg zijn;
  4° ten minste dertig jaar oud zijn [3 ...]3;
  5° de burgerlijke en politieke rechten genieten.
  Om tot werkend of plaatsvervangend assessor [3 in strafuitvoeringszaken en interneringszaken]3 gespecialiseerd [3 in sociale re-integratie]3 te worden benoemd moet de kandidaat de volgende voorwaarden vervullen :
  1° ten minste vijf jaar nuttige beroepservaring hebben die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake sociale reïntegratie;
  2° houder zijn van een diploma van master;
  3° Belg zijn;
  4° ten minste dertig jaar oud zijn [3 ...]3;
  5° de burgerlijke en politieke rechten genieten.
  [3 Om tot werkend of plaatsvervangend assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie te worden benoemd, moet de kandidaat de volgende voorwaarden vervullen :
   1° ten minste vijf jaar nuttige beroepservaring hebben waaruit praktische kennis blijkt van de aangelegenheden die verband houden met de klinische psychologie;
   2° houder zijn van een diploma van master in de psychologische wetenschappen;
   3° Belg zijn;
   4° ten minste dertig jaar oud zijn;
   5° de burgerlijke en politieke rechten genieten.]3

  § 2. [3 Het ambt van werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt voltijds uitgeoefend.
   De werkende en plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank worden benoemd voor een periode van een jaar, die een eerste maal voor een periode van drie jaar en vervolgens telkens voor een periode van vier jaar kan worden verlengd, na evaluatie.]3

  [4 De benoeming tot werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt, voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming. Voor de berekening van het rustpensioen worden de in die hoedanigheid gepresteerde diensten in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst.]4
  § 3. De [4 werkend]4 assessor die op de dag van zijn benoeming een statutaire band heeft met de Staat of met enige andere van de Staat afhangende publiekrechtelijke rechtspersoon, wordt voor de duur van zijn benoeming ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank.
  Tijdens de hele duur van de benoeming is de [4 werkend]4 assessor met onbetaald verlof. Hij wordt gelijkgesteld met een ambtenaar met opdracht.
  Hij behoudt evenwel zijn recht op bevordering en op verhoging in zijn weddenschaal.
  De [4 werkend]4 assessor die op de dag van zijn benoeming een contractuele band heeft met de Staat of met enige andere van de Staat afhangende publiekrechtelijke rechtspersoon, wordt voor de duur van zijn benoeming ter beschikking gesteld van de strafuitvoeringsrechtbank.
  Tijdens de duur van zijn benoeming wordt de arbeidsovereenkomst geschorst.
  Hij behoudt evenwel het recht op verhoging in zijn weddeschaal.
  De in [4 het eerste en vierde lid]4 bedoelde ambtenaren kunnen vervangen worden in hun oorspronkelijke dienst door een contractueel personeelslid voor de duur van hun terbeschikkingstelling.
  § 4. De assessor die zijn benoeming wenst te beëindigen, moet een opzeggingstermijn van tenminste een maand eerbiedigen. Hij stelt de voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg hiervan in kennis [6 bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG,]6 die deze overzendt aan de minister.
  Wanneer een assessor zich tijdens zijn mandaat niet langer in de wettelijke voorwaarden bevindt om zijn ambt uit te oefenen, vervalt zijn benoeming van rechtswege.
  § 5. [3 De mandaten van assessor in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken, van assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie en van assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie mogen niet worden gecumuleerd.]3
  [5 § 6. De werkende en plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank volgen in de loop van de twee jaren die volgen op hun benoeming een theoretische en een praktische opleiding waarvan de inhoud en de duur worden vastgesteld door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Die verplichte opleiding bevat een opleiding inzake deontologie.]5
  
Art. 196ter. § 1er. Pour pouvoir être nommé assesseur en application des peines spécialisé en matière pénitentiaire effectif ou suppléant, le candidat doit satisfaire aux conditions suivantes :
  1° posséder cinq ans au moins d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance pratique des questions liées à la matière pénitentiaire;
  2° être titulaire d'un master;
  3° être belge;
  4° être âgé d'au moins trente ans [3 ...]3;
  5° jouir des droits civils et politiques.
  Pour pouvoir être nommé assesseur [3 en application des peines et internement]3 spécialisé en réinsertion sociale effectif ou suppléant, le candidat doit satisfaire aux conditions suivantes :
  1° posséder cinq ans au moins d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance pratique des questions liées à la matière de la réinsertion sociale;
  2° être titulaire d'un master;
  3° être belge;
  4° être âgé d'au moins trente ans [3 ...]3;
  5° jouir des droits civils et politiques.
  [3 Pour pouvoir être nommé assesseur en internement spécialisé en psychologie clinique effectif ou suppléant, le candidat doit satisfaire aux conditions suivantes :
   1° posséder au moins cinq ans d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance pratique des questions liées à la psychologie clinique;
   2° être titulaire d'un master en sciences psychologiques;
   3° être Belge;
   4° être âgé d'au moins trente ans;
   5° jouir des droits civils et politiques.]3

  § 2. [3 Les fonctions d'assesseur effectif au tribunal de l'application des peines sont exercées à temps plein.
   Les assesseurs au tribunal de l'application des peines effectifs et suppléants sont nommés pour une période d'un an renouvelable la première fois pour une période de trois ans, puis chaque fois pour une période de quatre ans, après évaluation.]3

  [4 La nomination comme assesseur au tribunal de l'application des peines effectif est, pour l'ouverture du droit et le calcul de la pension, assimilée à une nomination à titre définitif. Pour le calcul de la pension de retraite, les services effectués en cette qualité sont pris en compte à raison de 1/60e par année de service.]4
  § 3. L'assesseur [4 effectif]4 qui, à la date de sa nomination, se trouve dans un lien statutaire avec l'Etat ou tout autre personne morale de droit public relevant de l'Etat, est mis à la disposition du tribunal de l'application des peines pour la durée de sa nomination.
  Pendant toute la durée de la nomination, l'assesseur [4 effectif]4 est en congé sans rémunération. Il est assimilé à un agent en mission.
  Il conserve cependant son droit à faire valoir ses titres à la promotion et à l'avancement dans son échelle de traitement.
  L'assesseur [4 effectif]4 qui, à la date de sa nomination, se trouve dans un lien contractuel avec l'Etat ou toute autre personne morale de droit public relevant de l'Etat, est mis à disposition du tribunal de l'application des peines pour la durée de sa nomination.
  Pendant sa nomination, le contrat de travail est suspendu.
  Il conserve cependant ses titres à l'avancement dans son échelle de traitement.
  Les agents visés [4 aux]4 alinéas 1er et 4, peuvent être remplacés dans leur service d'origine, par un membre du personnel contractuel pour la durée de la mise à disposition.
  § 4. L'assesseur qui désire mettre un terme à sa nomination doit respecter un délai de préavis d'au moins un mois. Il avertit de sa décision, par [6 envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE]6, le président du tribunal de première instance compétent qui la transmet au ministre.
  Lorsqu'un assesseur ne se trouve plus dans les conditions légales pour exercer sa fonction, sa nomination prend fin de plein droit.
  § 5. [3 Les mandats d'assesseur en application des peines spécialisé en matière pénitentiaire, d'assesseur en application des peines et internement spécialisé en réinsertion sociale et d'assesseur en internement spécialisé en psychologie clinique ne peuvent pas être cumulés.]3.
  [5 § 6. Les assesseurs au tribunal de l'application des peines effectifs et suppléants reçoivent au cours des deux années qui suivent leur nomination une formation théorique et pratique dont le contenu et la durée sont fixés par l'Institut de formation judiciaire. Cette formation obligatoire comprend une formation en matière de déontologie.]5
  
Art. 196quater. <INGEVOEGD bij W 2006-05-17/36, art. 18, Inwerkingtreding : 31-08-2006> § 1. [3 De evaluatie van de werkende en plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank geschiedt, na advies van de voorzitter van de kamer van de strafuitvoeringsrechtbank waarin de assessor zitting heeft, door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waarin de assessor zijn ambt uitoefent.]3
   § 2. De werkende of plaatsvervangende assessor in [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3 wordt onderworpen aan een met redenen omklede schriftelijke evaluatie, uiterlijk vier maanden vóór het verstrijken van iedere verlengbare periode waarvoor het mandaat is verleend.
   De evaluatie geschiedt binnen dertig dagen na de termijn bedoeld in het eerste lid.
   De evaluatie van het mandaat kan leiden tot de beoordeling " goed " of " onvoldoende ".
   Het mandaat wordt enkel verlengd als de werkende of plaatsvervangende assessor de beoordeling " goed " krijgt.
   § 3. De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten.
   De Koning bepaalt de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
   De evaluatie wordt voorafgegaan door één of meerdere functioneringsgesprekken tussen de geëvalueerde en ten minste een van zijn beoordelaars.
   [3 De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg]3 zendt bij gedagtekend ontvangstbewijs [3 langs elektronische weg tegen]3 ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
   De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van tien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen bij gedagtekend ontvangstbewijs of [3 langs elektronische weg tegen]3 ontvangstbewijs bezorgen bezorgen [3 zendt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg]3, die het origineel bij het evaluatiedossier voegt. Binnen tien dagen na de ontvangst van de opmerkingen, zendt de eerste voorzitter van het hof van beroep een afschrift van de definitieve beoordeling aan de minister van Justitie en bij gedagtekend ontvangstbewijs of [3 langs elektronische weg tegen]3 ontvangstbewijs aan de betrokkene.
   De evaluatiedossiers worden bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg waar de zetel van het hof van beroep is gevestigd, bewaard. Een afschrift van de definitieve beoordelingen wordt bewaard bij de minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de betrokkenen ingekeken worden.
  [3 § 4. De assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank die een definitieve beoordeling "onvoldoende" hebben gekregen, kunnen binnen dertig dagen na de kennisgeving tegen die beoordeling beroep instellen bij de eerste voorzitter van het hof van beroep.]3
  
Art. 196quater. § 1er.[3 L'évaluation des assesseurs au tribunal de l'application des peines effectifs et suppléants est effectuée, après avis du président de la chambre du tribunal de l'application des peines dans laquelle siège l'assesseur, par le président du tribunal de première instance au sein duquel l'assesseur exerce ses fonctions.]3
  § 2. L'assesseur [3 au tribunal de l'application des peines]3 effectif ou suppléant est soumis à une évaluation écrite motivée au plus tard quatre mois avant la fin de chaque période [3 ...]3 pour laquelle le mandat a été octroyé.
  L'évaluation est effectuée dans les trente jours suivant le délai prévu à l'alinéa 1er.
  L'évaluation du mandat peut donner lieu à la mention " bon " ou " insuffisant ".
  Le mandat n'est renouvelé que si l'assesseur effectif ou suppléant obtient la mention " bon ".
  § 3. L'évaluation porte sur la manière dont les fonctions sont exercées, à l'exception du contenu de toute décision judiciaire, et est effectuée sur la base de critères portant sur la personnalité ainsi que sur les capacités intellectuelles, professionnelles et organisationnelles.
  Le Roi détermine les critères d'évaluation et la pondération de ces critères compte tenu de la spécificité des fonctions, et détermine les modalités d'application de ces dispositions.
  L'évaluation est précédée d'un ou plusieurs entretiens fonctionnels entre la personne évaluée et [3 l'évaluateur]3.
  [3 Le président du tribunal de première instance]3 communique une copie de la mention provisoire à l'intéressé par accusé de réception daté ou par [3 voie électronique contre]3 accusé de réception.
  L'intéressé peut, à peine de déchéance dans un délai de dix jours à compter de la notification de la mention provisoire, adresser ses remarques écrites, contre accusé de réception date ou par [3 voie électronique contre]3 accusé de réception, [3 au président du tribunal de première instance]3, lequel joint l'original au dossier d'évaluation. [3 Le président du tribunal de première instance]3 communique, dans les dix jours de la réception des remarques, une copie de la mention définitive au ministre de la Justice et, contre accusé de réception daté ou par [3 voie électronique contre]3 accusé de réception, à l'intéressé.
  Les dossiers d'évaluation sont conservés par le président du tribunal de première instance du siège de la cour d'appel. Une copie des mentions définitives est conservée par le ministre de la Justice pendant au moins dix ans. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être consultées à tout moment par les intéressés.
  [3 § 4. Les assesseurs au tribunal de l'application des peines qui ont obtenu une mention définitive "insuffisant" peuvent introduire un recours contre cette mention devant le premier président de la cour d'appel dans les trente jours qui suivent la notification.]3
  
Art. 196quinquies. [1 Met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken kan de eerste voorzitter van het hof van beroep, op verzoek van een voorzitter van een rechtbank van eerste aanleg die in een ander rechtsgebied is gelegen, een werkende of plaatsvervangende assessor in de strafuitvoeringsrechtbank die daarmee instemt opdracht geven om zijn ambt bijkomend uit te oefenen in een andere strafuitvoeringsrechtbank.
   In de opdrachtbeschikking van de eerste voorzitter wordt vermeld waarom die opdracht moet worden gegeven aan een werkende of plaatsvervangende assessor en worden de nadere regels van de opdracht omschreven.]1

  
Art. 196quinquies. [1 Dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, le premier président de la cour d'appel peut, à la demande d'un président d'un tribunal de première instance situé dans un autre ressort, déléguer temporairement un assesseur au tribunal de l'application des peines effectif ou suppléant qui y consent pour exercer ses fonctions à titre complémentaire dans un autre tribunal de l'application des peines.
   L'ordonnance de délégation du premier président indique les motifs pour lesquels il s'impose de déléguer un assesseur effectif ou suppléant et précise les modalités de la délégation.]1

  
Afdeling III. - Leden van de arbeidsrechtbank.
Section III. - Des membres du tribunal du travail.
Art. 197. Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden de leden van de arbeidsrechtbank en van het arbeidsauditoraat (, al naar gelang, door de Koning benoemdof aangewezen) op de gezamenlijke voordracht van de ministers die de Arbeid en de Justitie in hun bevoegdheid hebben. <W 1998-12-22/47, art. 31, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
Art. 197. Sous réserve des dispositions relatives à la nomination des juges sociaux, effectifs et suppléants, les membres du tribunal du travail et de l'auditorat du travail (sont, selon le cas, nommés ou désignés par le Roi), sur la proposition conjointe des ministres ayant le Travail et la Justice dans leurs attributions. <L 1998-12-22/47, art. 31, 066; En vigueur : 02-08-2000>
Art. 198. Werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden benoemd door de Koning op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft.
  De werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken, die zijn voorgedragen door organisaties van zelfstandigen, worden evenwel benoemd door de Koning op de voordracht van de minister die de Middenstand in zijn bevoegdheid heeft.
  [1 De werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken worden benoemd per arrondissement.]1
  
Art. 198. Les juges sociaux, effectifs et suppléants, sont nommés par le Roi, sur la proposition du ministre qui a le Travail dans ses attributions.
  Toutefois les juges sociaux effectifs et suppléants, présentés par les organisations de travailleurs indépendants, sont nommés par le Roi sur la proposition du ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
  [1 Les juges sociaux effectifs et suppléants sont nommés par arrondissement.]1
  
Art. 199. Ter voorziening in de vacature van de plaatsen die bezet worden door rechters in sociale zaken benoemd als werkgever, als werknemer-arbeider, als werknemer-bediende of als zelfstandige, worden de kandidaten respectievelijk voorgedragen door de representatieve organisaties van werkgevers, werknemers-arbeiders, werknemers-bedienden en zelfstandigen.
  De wijze van voordracht van de kandidaten wordt geregeld door de Koning.
Art. 199. En vue de pourvoir à la vacance des places occupées par les juges sociaux nommés au titre d'employeur, au titre de travailleur ouvrier, au titre de travailleur employé ou au titre de travailleur indépendant, les candidatures sont présentées respectivement par les organisations représentatives d'employeurs, de travailleurs ouvriers, de travailleurs employés et de travailleurs indépendants.
  Les modalités de présentation des candidats sont réglées par le Roi.
Art. 200. Wanneer openstaande plaatsen van werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken niet tijdig zijn kunnen begeven worden en wanneer de voorzitter van de arbeidsrechtbank vaststelt dat die vertraging de normale loop van het gerecht in het gedrang brengt, dan deelt hij dit mee aan de eerste voorzitter van het arbeidshof die, na het advies van de procureur-generaal te hebben ingewonnen, onder de werkende of plaatsvervangende rechters in sociale zaken die respectievelijk door de representatieve organisaties van werkgevers, van werknemers en van zelfstandigen werden voorgedragen, diegenen aanwijst die voorlopig de openstaande plaatsen zullen bezetten. Die aanwijzing gebeurt zonder inachtneming van de bijzondere samenstelling van de kamers, bedoeld in artikel 81.
Art. 200. Si des sièges vacants de juges sociaux, effectifs ou suppléants, n'ont pu être pourvus en temps utile de titulaires et si le président du tribunal du travail constate que ce retard compromet le cours normal de la justice, il en informe le premier président de la cour du travail qui, après avoir pris l'avis du procureur général, désigne parmi les juges sociaux, effectifs ou suppléants, présentés respectivement par les organisations représentatives d'employeurs, de travailleurs salariés ou de travailleurs indépendants ceux qui siègeront à titre provisoire aux sièges vacants. Cette désignation se fait sans avoir égard à la composition distincte des chambres prévues à l'article 81.
Art. 201. De representatieve organisaties van werkgevers, werknemers en zelfstandigen doen hun voordrachten toekomen binnen de kortst mogelijke tijd en ten laatste binnen drie maanden na het verzoek dat de minister tot hen richt, bij gebreke waarvan de benoemingen ambtshalve gebeuren.
Art. 201. Les organisations représentatives d'employeurs, de travailleurs salariés et de travailleurs indépendants font parvenir leurs propositions dans le plus bref délai et au plus tard dans les trois mois de la demande qui leur en est faite par le Ministre, à défaut de quoi il est procédé d'office aux nominations.
Art. 202. Om benoemd te worden tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn.
  De benoeming heeft plaats voor vijf jaar en kan na iedere termijn voor vijf jaar verlengd worden.) <W 06-05-1982, art. 1>
  (Lid 3 opgeheven) <W 2003-12-22/53, art. 8, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  (De functies van de rechters en raadsheren in sociale zaken, die worden uitgeoefend op het moment van de inwerkingtreding van deze wet, worden met 2 jaar verlengd.) <W 22-10-1982, art. 1>
  De rechter in sociale zaken die wordt benoemd als plaatsvervanger voor een ontslagnemende of overleden rechter in sociale zaken wordt benoemd voor de tijd die het ambt van zijn voorganger nog moest lopen.
Art. 202. Pour pouvoir être nommé juge social, effectif ou suppléant, le candidat doit être âgé de vingt-cinq ans accomplis.
  (Il est nommé pour cinq ans et sa nomination peut être renouvelée pour cinq ans après chaque terme.) <L 06-05-1982, art. 1>
  (Alinéa 3 abrogé) <L 2003-12-22/53, art. 8, 116; En vigueur : 10-01-2004>
  (La durée des fonctions des juges et conseiller sociaux qui sont exercées lors de l'entrée en vigueur de la présente loi, est prolongée de deux ans) <L 22-10-1982, art. 1>
  Le juge social nommé en remplacement d'un juge social démissionnaire ou décédé est nommé pour la durée restant à courir des fonctions de son prédécesseur.
Art. 202bis. [1 De rechters in sociale zaken volgen in de loop van de twee jaren die volgen op hun benoeming een theoretische en een praktische opleiding waarvan de inhoud en de duur worden vastgesteld door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Die verplichte opleiding bevat een opleiding inzake deontologie.]1
  
Art. 202bis. [1 Les juges sociaux reçoivent au cours des deux années qui suivent leur nomination une formation théorique et pratique dont le contenu et la durée sont fixés par l'Institut de formation judiciaire. Cette formation obligatoire comprend une formation en matière de déontologie.]1
  
Afdeling IV. - Leden van de [2 ondernemingsrechtbank]2.
Section IV. - Des membres [2 du tribunal de l'entreprise]2.
Art. 203. [1 Rechters in ondernemingszaken worden door de Koning benoemd op de gezamenlijke voordracht van de ministers die Justitie, Economische Zaken en Middenstand in hun bevoegdheid hebben.
   Zij worden benoemd in een ondernemingsrechtbank voor een eerste termijn van drie jaar die telkens hernieuwbaar is voor vijf jaar.
   Rechters in ondernemingszaken benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Waals-Brabant en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Waals-Brabant worden in subsidiaire orde benoemd in de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De rechters in ondernemingszaken benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel worden in subsidiaire orde benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven en de rechters in ondernemingszaken benoemd in de ondernemingsrechtbank te Leuven worden in subsidiaire orde benoemd in de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel. De aanwijzing van de rechter in ondernemingszaken buiten de ondernemingsrechtbank waarin hij in hoofdorde wordt benoemd, wordt in onderling overleg tussen de betrokken korpschefs geregeld nadat de betrokkene werd gehoord. De gemeenschappelijke beslissing bepaalt de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzingsbeschikking omschrijft de redenen waarom het noodzakelijk is een beroep te doen op een rechter in ondernemingszaken benoemd in hoofdorde in een andere ondernemingsrechtbank en omschrijft de nadere regels van de aanwijzing. De aanwijzing geldt voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar. De instemming van de aangewezen rechter in ondernemingszaken is niet vereist. Ingeval de korpschefs weigeren of bij gebreke van een akkoord over de nadere regels van de aanwijzing, beslist de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel op grond van een met redenen omkleed advies van de korpschefs die betrokken zijn bij deze aanwijzing.
   Om tot rechter in ondernemingszaken te worden benoemd, dient de kandidaat de leeftijd van dertig jaar bereikt te hebben en over ten minste tien jaar nuttige beroepservaring te beschikken die blijk geeft van praktische kennis van aangelegenheden inzake ondernemingszaken.]1

  
Art. 203. [1 Les juges consulaires sont nommés par le Roi sur la proposition conjointe des ministres ayant la Justice, les Affaires économiques et les Classes moyennes dans leurs attributions.
   Ils sont nommés dans un tribunal de l'entreprise pour un premier terme de trois ans renouvelable chaque fois pour cinq ans.
   Les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise du Brabant wallon sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles. Les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise de Louvain et les juges consulaires nommés au tribunal de l'entreprise de Louvain sont nommés à titre subsidiaire au tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles. La désignation d'un juge consulaire en dehors du tribunal de l'entreprise dans lequel il est nommé à titre principal, est réglée de commun accord entre les chefs de corps concernés, après avoir entendu l'intéressé. La décision commune précise les modalités de la désignation. L'ordonnance de désignation indique les motifs pour lesquels il est nécessaire de faire appel à un juge consulaire nommé à titre principal dans un autre tribunal de l'entreprise et précise les modalités de la désignation. La désignation vaut pour une période maximale d'un an renouvelable. Le consentement du juge consulaire désigné n'est pas requis. En cas de refus des chefs de corps ou en l'absence d'accord sur les modalités de la désignation, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles décide sur avis motivé des chefs de corps concernés par la désignation.
   Pour être nommé juge consulaire, le candidat doit être âgé de trente ans accomplis et posséder au moins dix ans d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance pratique des questions en matière d'entreprises.]1

  
Art. 204. [1 § 1. Ter voorziening van de vacatures voor rechters in ondernemingszaken delen de voorzitters van de ondernemingsrechtbanken de minister bevoegd voor justitie vóór 1 oktober van elk jaar het aantal vacante plaatsen mee alsook de profielen aan welke de kandidaat rechters in ondernemingszaken dienen te voldoen. De voorzitters waken over de evenwichtige vertegenwoordiging van de diverse profielen in functie van de behoefte van de rechtbank.
   Uiterlijk zestig dagen na de ontvangst van het aantal vacatures en van de profielen gaat de minister bevoegd voor Justitie over tot een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
   § 2. De kandidaten voor die ambten kunnen zelf hun kandidatuur stellen of worden voorgedragen door representatieve professionele of interprofessionele organisaties of federaties, met inbegrip van een orde, een instituut van beoefenaars van vrije beroepen of een andere representatieve professionele of interprofessionele organisatie in de nijverheids- of de verenigingssector.
   In afwijking van artikel 287sexies moet elke kandidaatstelling of voordracht op straffe van verval aan de minister bevoegd voor Justitie worden gericht binnen een termijn van dertig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. De oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop op straffe van verval de kandidaturen en voordrachten moeten worden ingediend en welke stavingsstukken hierbij moeten worden gevoegd. De stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring moeten evenwel niet meer aan de kandidaat worden gevraagd wanneer zij reeds werden ingediend bij een eerdere kandidaatstelling en de kandidatuur ontvankelijk werd verklaard.
   Binnen de zestig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad vraagt de minister bevoegd voor Justitie voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in het tweede lid, een gemotiveerd schriftelijk advies overeenkomstig een door hem bepaald standaardformulier aan de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de benoeming dient te geschieden en aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
   De procureur-generaal verstrekt de minister bevoegd voor Justitie dit advies langs elektronische weg binnen de dertig dagen te rekenen van het verzoek om advies bedoeld in het derde lid en maakt hiervan tegelijkertijd een afschrift over aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank van de vacature waarvoor gekandideerd wordt. Voor de kandidaturen die een omstandiger onderzoek voor advies lijken te vereisen, wordt de termijn van dertig dagen verlengd tot vijfenveertig dagen op voorwaarde dat de procureur-generaal deze verlenging binnen de dertig dagen te rekenen van het verzoek om advies langs elektronische weg ter kennis brengt aan de minister bevoegd voor Justitie en de voorzitter van de ondernemingsrechtbank. Bij gebrek aan advies binnen de termijn van dertig dagen of de verlengde termijn van vijfenveertig dagen of bij gebrek aan het gebruik van het standaardformulier wordt het advies geacht gunstig te zijn.
   De voorzitters van de ondernemingsrechtbanken bezorgen de minister bevoegd voor Justitie hun advies langs elektronische weg binnen de zestig dagen te rekenen van het verzoek om advies bedoeld in het derde lid.
   De rechters in ondernemingszaken worden benoemd op 1 juni. De benoeming wordt bekend gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   § 3. De rechters in ondernemingszaken kunnen slechts zitting nemen indien zij vooraf de initiële opleiding bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd. Deze opleiding bevat een opleiding inzake deontologie en een opleiding aangaande de procedure. Zij kunnen slechts optreden als rechter-commissaris in een faillissement, als gedelegeerd rechter bij een gerechtelijke reorganisatie of in de Kamer voor ondernemingen in moeilijkheden indien zij hiervoor een bijzondere opleiding bij het Instituut voor gerechtelijke opleiding hebben gevolgd.]1

  
Art. 204. [1 § 1er. En vue de pourvoir à la vacance des postes de juges consulaires les présidents des tribunaux de l'entreprise communiquent au ministre qui a la Justice dans ses attributions, avant le 1er octobre de chaque année, le nombre d'emplois vacants ainsi que les profils auxquels doivent répondre les candidats juges consulaires. Les présidents veillent à une représentation équilibrée des divers profils en fonction des besoins du tribunal.
   Au plus tard dans les soixante jours de la réception du nombre des emplois vacants et des profils, le ministre qui a la Justice dans ses attributions lance un appel aux candidats dans le Moniteur belge.
   § 2. Les candidats à ces fonctions peuvent poser eux-mêmes leur candidature ou être présentés par des organisations ou fédérations professionnelles ou interprofessionnelles représentatives, y inclut un ordre, institut de titulaires de professions libérales ou autre association professionnelle ou interprofessionnelle représentative de l'industrie ou du secteur associatif.
   Par dérogation à l'article 287sexies, chaque candidature ou présentation doit, à peine de déchéance, être adressée au ministre qui la Justice dans ses attributions dans un délai de trente jours à compter de la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge. L'appel aux candidats publié dans le Moniteur belge mentionne, la manière dont les candidatures et les présentations doivent, à peine de déchéance, être introduites ainsi que les pièces justificatives à y joindre. Les pièces justificatives concernant les études et l'expérience professionnelle ne doivent toutefois plus être réclamées au candidat si elles ont déjà été remises à l'occasion d'une candidature antérieure et que cette candidature a été déclarée recevable.
   Dans un délai de soixante jours après la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge, le ministre qui a la Justice dans ses attributions demande, pour les candidatures qu'il a déclarées recevables au regard des conditions visées à l'alinéa 2, un avis écrit motivé au procureur général près le ressort où doit avoir lieu la nomination et au président du tribunal de l'entreprise au moyen d'un formulaire type établi par lui.
   Le procureur général transmet cet avis par voie électronique dans les trente jours à compter de la demande d'avis visée à l'alinéa 3 au ministre qui a la Justice dans ses attributions et en transmet dans le même temps une copie au président du tribunal de l'entreprise de la vacance d'emploi qui fait l'objet de la candidature. Pour les candidatures qui semblent nécessiter une enquête plus circonstanciée, le délai de trente jours est prolongé jusqu'à quarante-cinq jours à condition que le procureur général porte cette prolongation à la connaissance du ministre qui a la Justice dans ses attributions et du président du tribunal de l'entreprise dans les trente jours de la demande d'avis, par voie électronique. En l'absence d'avis dans le délai de trente jours ou dans le délai prolongé de quarante-cinq jours ou à défaut d'utilisation du formulaire type, l'avis est réputé favorable.
   Les présidents des tribunaux de l'entreprise transmettent leur avis par voie électronique dans les soixante jours à compter de la demande d'avis visée à l'alinéa 3 au ministre qui a la Justice dans ses attributions.
   Les juges consulaires sont nommés le 1er juin. La nomination est publiée au Moniteur belge.
   § 3. Les juges consulaires ne peuvent siéger que s'ils ont préalablement suivi la formation initiale à l'Institut de formation judiciaire. Cette formation comprend une formation relative à la déontologie et une formation concernant la procédure. Ils ne peuvent siéger comme juge-commissaire dans une faillite, comme juge délégué dans une réorganisation judiciaire ou dans des chambres des entreprises en difficulté que s'ils ont suivi à cet effet une formation spécialisée à l'Institut de formation judiciaire.]1

  
Art. 205. [1 § 1. De benoeming van rechter in ondernemingszaken kan na iedere termijn voor vijf jaar hernieuwd worden na advies van de voorzitter van de ondernemingsrechtbank en van de procureur-generaal van het rechtsgebied waar de benoeming dient te geschieden.
   Uiterlijk vóór 1 september voorafgaand aan het burgerlijk jaar waarin zijn ambt een einde neemt, richt de rechter in ondernemingszaken langs elektronische weg een verzoek tot hernieuwing van zijn benoeming aan de minister bevoegd voor Justitie en bezorgt hij hiervan tegelijkertijd een afschrift aan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank.
   § 2. Op het ogenblik dat de minister bevoegd voor Justitie overeenkomstig artikel 204, § 2, derde lid, de adviezen vraagt aan de procureur-generaal en de voorzitter van de ondernemingsrechtbank in de benoemingsprocedures, vraagt hij hen een gemotiveerd schriftelijk advies door middel van een door hem bepaald standaardformulier over de verzoeken tot hernieuwing.
   De adviezen worden hem verstrekt binnen de termijnen opgenomen in artikel 204, § 2, vierde en vijfde lid.
   De hernieuwingen van de benoemingen van de rechters in ondernemingszaken worden samen bekend gemaakt met de benoemingen bedoeld in artikel 204, § 2, zesde lid.]1

  
Art. 205. [1 § 1er. La nomination de juge consulaire peut être renouvelée pour cinq ans à l'issue de chaque terme, après avis du président du tribunal de l'entreprise et du procureur général près le ressort où doit avoir lieu la nomination.
   Avant le 1er septembre précédant l'année civile où sa fonction prend fin, le juge consulaire adresse par voie électronique une demande de renouvellement de sa nomination au ministre qui a la Justice dans ses attributions et en transmet en même temps une copie au président du tribunal de l'entreprise.
   § 2. Au moment où, conformément à l'article 204, § 2, alinéa 3, le ministre qui a la Justice dans ses attributions demande leur avis au procureur général et au président du tribunal de l'entreprise dans les procédures de nomination, il leur demande un avis écrit motivé au moyen d'un formulaire type établi par lui relatif aux demandes de renouvellement.
   Les avis lui sont transmis dans les délais figurant à l'article 204, § 2, alinéas 4 et 5.
   Les renouvellements des nominations des juges consulaires sont publiés avec les nominations visées à l'article 204, § 2, alinéa 6.]1

  
Afdeling V. - Bepaling geldend voor de afdelingen III en IV.
Section V. - Disposition commune aux sections III et IV.
Art. 206. Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken [4 of tot rechter in ondernemingszaken]4 te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Nederlandstalige zaken, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands onderwijs.
  Om tot werkend of plaatsvervangend rechter in sociale zaken [4 of tot rechter in ondernemingszaken]4 te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Franstalige zaken, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Frans onderwijs.
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  [2 Derde tot vijfde lid opgeheven.]2
  [3 Om tot rechter of plaatsvervangend rechter in sociale zaken [4 of tot rechter in ondernemingszaken]4 te worden benoemd in rechtbanken welke enkel kennis nemen van Duitstalige zaken, moet de kandidaat ofwel in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Duits onderwijs ofwel geslaagd zijn in het mondeling examen over de kennis van de Duitse taal en het schriftelijk examen over de passieve kennis van de Duitse taal bedoeld in artikel 216, zesde lid.]3
  
Art. 206. Pour être nommé [4 juge social, effectif ou suppléant, ou juge consulaire]4, dans les tribunaux qui connaissent uniquement d'affaires relevant du régime linguistique néerlandais, le candidat doit être porteur d'un certificat d'études ou diplôme faisant foi d'un enseignement suivi en langue néerlandaise.
  Pour être nommé [4 juge social, effectif ou suppléant, ou juge consulaire]4, dans les tribunaux qui connaissent uniquement d'affaires relevant du régime linguistique français, le candidat doit être porteur d'un certificat d'études ou diplôme faisant foi d'un enseignement suivi en langue française.
  [1 Alinéa 3 abrogé.]1
  [2 Alinéas 3 à 5 abrogés.]2
  [3 Pour être nommé [4 juge social, effectif ou suppléant, ou juge consulaire]4, dans les tribunaux qui connaissent uniquement d'affaires relevant du régime linguistique allemand, le candidat doit soit être porteur d'un certificat d'études ou diplôme faisant foi d'un enseignement suivi en langue allemande soit avoir réussi l'épreuve orale portant sur la connaissance de la langue allemande ainsi que l'épreuve écrite portant sur la connaissance passive de la langue allemande visées à l'article 216, alinéa 6.]3
  
HOOFDSTUK IIbis. (...).
CHAPITRE IIBIS. - (...).
HOOFDSTUK III. - Leden van het hof van beroep en van het arbeidshof en magistraten van het openbaar ministerie.
CHAPITRE III. - Des membres de la cour d'appel et de la cour du travail et des magistrats du ministère public.
Eerste afdeling. - Algemene bepalingen.
Section première. - Dispositions générales.
Art. 207. <W 1998-12-22/47, art. 33, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
  § 2. Om tot kamervoorzitter in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in hetzelfde hof uitoefenen.
  § 3. Om tot raadsheer in het hof van beroep of in het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn en :
  1° hetzij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;
  2° (hetzij voor het bij artikel 259bis-9, § 1, voorgeschreven examen inzake beroepsbekwaamheid geslaagd zijn en sedert ten minste vijftien jaar ononderbroken werkzaam zijn als advocaat of een gecumuleerde ervaring van minstens vijftien jaar hebben als advocaat en als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie;) <W 2003-05-03/45, art. 12, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  3° hetzij [2 houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de bij artikel 259octies voorgeschreven gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]2 en sedert ten minste zeven jaar het ambt van lid van de zittende magistratuur of van het openbaar ministerie uitoefenen.
  [1 4° hetzij, wat betreft de raadsheren in het hof van beroep te Brussel die bij voorrang zitting nemen in het Marktenhof, beschikken over ten minste vijftien jaar nuttige beroepservaring die blijk geeft van gespecialiseerde kennis van het economisch, financieel of marktrecht [3 of op het gebied van prudentieel toezicht]3.]1
  
Art. 207. <L 1998-12-22/47, art. 33, 066; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. Pour pouvoir être désigné premier président de la cour d'appel ou de la cour du travail, le candidat doit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les sept dernières en tant que magistrat du siège ou du ministère public.
  § 2. Pour pouvoir être désigné président de chambre à la cour d'appel ou à la cour du travail, le candidat doit exercer, depuis au moins trois années, les fonctions de conseiller à la même cour.
  § 3. Pour pouvoir être nommé conseiller à la cour d'appel ou à la cour du travail, le candidat doit être docteur ou licencié en droit et :
  1° soit, exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les cinq dernières en tant que magistrat du siège ou du ministère public;
  2° (soit, avoir réussi l'examen d'aptitude professionnelle prévu par l'article 259bis-9, § 1er, et exercer la profession d'avocat depuis au moins quinze années sans interruption, ou compter au moins quinze années d'expérience cumulée en qualité d'avocat et de membre de la magistrature assise ou du ministère public;) <L 2003-05-03/45, art. 12, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  3° soit, [2 être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire prévu par l'article 259octies]2 et exercer depuis au moins sept années les fonctions de magistrat du siège ou du ministère public.
  [1 4° soit, concernant les conseillers à la cour d'appel de Bruxelles qui siègent prioritairement à la Cour des marchés, posséder quinze années au moins d'expérience professionnelle utile attestant d'une connaissance spécialisée du droit économique, financier ou des marchés [3 ou du domaine du contrôle prudentiel]3.]1
  
Art. 207bis. <INGEVOEGD bij W 1997-07-09/36, art. 10, Inwerkingtreding : 13-08-1997> § 1. Om tot plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep te kunnen worden benoemd, moet de kandidaat doctor of licentiaat in de rechten zijn [4 , geslaagd zijn voor het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer of voor het examen inzake beroepsbekwaamheid of voor het mondelinge evaluatie-examen of houder zijn van het getuigschrift waaruit blijkt dat hij de in artikel 259octies bedoelde gerechtelijke stage met vrucht heeft voltooid]4 en (...) aan een van de volgende voorwaarden voldoen : <W 2005-12-20/36, art. 9, 129; Inwerkingtreding : 01-01-2006>
  1° ten minste twintig jaar werkzaam zijn geweest aan de balie [1 of het notarisambt hebben vervuld]1;
  2° sedert ten minste tien jaar plaatsvervangend rechter zijn bij een rechtbank van eerste aanleg, een arbeidsrechtbank, een [3 ondernemingsrechtbank]3, een vredegerecht of een politierechtbank;
  3° in rust gesteld magistraat zijn, met uitzondering van de in § 2 bedoelde leden van de hoven van beroep;
  4° hoogleraar zijn die gedurende ten minste twintig jaar het recht aan een rechtsfaculteit onderwezen heeft;
  5° gedurende ten minste twintig jaar de werkzaamheden bedoeld in het 1° en het 4° gecumuleerd of opeenvolgend uitgeoefend hebben.
  § 2. De in rust gestelde leden van de hoven van beroep worden op hun verzoek door de eerste voorzitters van de hoven van beroep aangewezen om het ambt van plaatsvervangend raadsheer uit te oefenen [2 ...]2.
  § 3. (opgeheven) <W 1998-12-22/47, art. 34, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  
Art. 207bis. § 1er. Pour pouvoir être nommé conseiller suppléant à la cour d'appel, le candidat doit être docteur ou licencié en droit [4 , avoir réussi l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant ou l'examen d'aptitude professionnelle ou l'examen oral d'évaluation ou être détenteur du certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire visé à l'article 259octies]4 et remplir (...) l'une des conditions suivantes : <L 2005-12-20/36, art. 9, 129; En vigueur : 01-01-2006>
  1° avoir suivi le barreau [1 ou avoir exercé la profession de notaire]1 au moins pendant vingt ans;
  2° être juge suppléant depuis au moins dix ans dans un tribunal de première instance, un tribunal du travail, un [3 tribunal de l'entreprise]3, une justice de paix ou un tribunal de police;
  3° être magistrat admis à la retraite, à l'exception des membres des cours d'appel visés au § 2;
  4° être professeur d'université et avoir enseigné le droit pendant au moins vingt ans dans une faculté de droit;
  5° avoir cumulé ou exercé successivement pendant au moins vingt ans les activités visées aux points 1° et 4°.
  § 2. Les membres des cours d'appel admis à la retraite sont, à leur demande, désignés par les premiers présidents pour exercer la fonction de conseiller suppléant [2 ...]2.
  § 3. (Abrogé). <L 1998-12-22/47, art. 34, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  
Art. 208. <W 1998-12-22/47, art. 35, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> (Om tot procureur-generaal bij een hof van beroep te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste zeven jaar als magistraat van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
  Om tot federaal procureur bij het federaal parket te worden aangewezen moet de kandidaat magistraat zijn van het openbaar ministerie. Daarenboven dient hij sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uit te oefenen, waarvan de laatste zeven jaar als magistraat van de rechterlijke orde.) <W 2001-06-21/42, art. 13, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Art. 208. <L 1998-12-22/47, art. 35, 066; En vigueur : 02-08-2000> (Pour pouvoir être désigné procureur général près la cour d'appel, le candidat doit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze ans, dont les sept derniers en tant que magistrat du siège ou du ministère public.
  Pour pouvoir être désigné procureur fédéral près le parquet fédéral, le candidat doit être magistrat du ministère public. Il doit en outre exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze ans, dont les sept derniers en tant que magistrat de l'ordre judiciaire.) <L 2001-06-21/42, art. 13, 085; En vigueur : 20-05-2001>
Art. 209. <W 1998-12-22/47, art. 36, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat gedurende ten minste drie jaar de functie van advocaat-generaal respectievelijk bij hetzelfde hof van beroep of bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
  Om tot advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar respectievelijk het ambt van substituut-procureur-generaal bij hetzelfde hof van beroep of substituut-generaal bij hetzelfde arbeidshof hebben uitgeoefend.
  § 2. Om tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of substituut-generaal bij het arbeidshof te worden benoemd moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 207, § 3.
  [1 In geval van bekendmaking van een vacature kan de minister van Justitie aangeven dat de vacante betrekking bij voorrang wordt toegewezen aan een kandidaat die titels of verdiensten voorlegt waaruit een gespecialiseerde kennis blijkt. Deze titels of verdiensten worden onderzocht door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8.]1
  
Art. 209. <L 1998-12-22/47, art. 36, 066; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. Pour pouvoir être désigné premier avocat général près la cour d'appel ou près la cour du travail, le candidat doit avoir exercé, pendant au moins trois années, les fonctions d'avocat général respectivement près la même cour d'appel ou près la même cour du travail.
  Pour pouvoir être désigné avocat général près la cour d'appel ou près la cour du travail, le candidat doit avoir exerce. pendant trois années au moins, respectivement les fonctions de substitut du procureur général près la même cour d'appel ou de substitut général près la même cour du travail.
  § 2. Pour pouvoir être nommé substitut du procureur général près la cour d'appel ou substitut général près la cour du travail, le candidat doit satisfaire aux conditions visées à l'article 207, § 3.
  [1 En cas de publication d'une vacance, le ministre de la Justice peut indiquer que la place vacante est attribuée en priorité à un candidat qui justifie d'une connaissance spécialisée par ses titres ou son expérience. Ces titres et expériences sont examinés par la commission de nomination et de désignation visée à l'article 259bis-8.]1
  
Afdeling II. - Hof van beroep.
Section II. - De la cour d'appel.
Art. 210. [2 De voorzitter en de raadsheren die alleen zitting houden in de gevallen bedoeld in artikel 109bis, § 3, worden door de eerste voorzitter van het hof van beroep, op schriftelijk en met redenen omkleed advies van de procureur-generaal, gekozen uit de raadsheren die sedert ten minste een jaar zijn benoemd [3 of uit de plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis]3.]2
  [3 Na het schriftelijk en met redenen omklede advies van de procureur-generaal en van de stafhouders van de Orde van advocaten te hebben gevraagd, kunnen evenwel alle werkende raadsheren in het hof van beroep, ongeacht hun anciënniteit, als enige raadsheer zitting houden, wanneer de eerste voorzitter van het hof van beroep de noodzaak daarvan aantoont.]3
  De magistraten bedoeld in het [3 eerste]3 lid en de [1 familie- en jeugdrechter]1 in hoger beroep kunnen ook volgens hun rang zitting nemen in de andere kamers van het hof.
  
Art. 210. <L 1998-12-22/47, art. 37, 066; En vigueur : 02-08-2000> [2 Le président et les conseillers siégeant seuls dans les cas visés à l'article 109bis, § 3, sont choisis par le premier président de la cour d'appel, sur l'avis écrit et motivé du procureur général, parmi les conseillers qui sont nommés depuis un an au moins [3 ou parmi les magistrats suppléants visés à l'article 156bis]3.]2
  [3 Toutefois, après avoir demandé l'avis écrit motivé du procureur général et des bâtonniers de l'Ordre des avocats, tous les conseillers effectifs à la cour d'appel peuvent, indépendamment de leur ancienneté, siéger en qualité de conseiller unique, lorsque le premier président de la cour d'appel en démontre la nécessité.]3
  Les magistrats [3 visés à l'alinéa 1er]3 ainsi que le juge d'appel de la [1 famille et de la jeunesse]1 peuvent aussi siéger à leur rang dans les autres chambres de la cour.
  
Art. 211. <W 1998-12-22/47, art. 39, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Voor het hof van beroep te Brussel worden door elke taalgroep van de algemene vergadering evenveel kamervoorzitters aangewezen.
  (Voor het hof van beroep te Brussel worden [2 zevenenveertig raadsheren]2 en zevenentwintig plaatsvervangende raadsheren voorgedragen door de Franstalige benoemingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie en [2 zesendertig raadsheren]2 en zevenentwintig plaatsvervangende raadsheren door de Nederlandstalige benoemingscommissie van dezelfde Raad.) <W 2004-12-14/34, art. 6, 122; Inwerkingtreding : 31-12-2004>
  De voordracht van een openstaande plaats van raadsheer of plaatsvervangend raadsheer geschiedt door de benoemingscommissie die de magistraat heeft voorgedragen ten gevolge van wiens vertrek de plaats is opengevallen.
  
Art. 211. <L 1998-12-22/47, art. 39, 066; En vigueur : 02-08-2000> Pour la cour d'appel de Bruxelles, un nombre égal de présidents de chambre est désigné par chaque groupe linguistique de l'assemblée générale.
  (Pour la cour d'appel de Bruxelles, [2 quarante-sept conseillers]2 et vingt-sept conseillers suppléants sont présentés par la commission de nomination francophone du Conseil supérieur de la Justice et [2 trente-six conseillers]2 et vingt-sept conseillers suppléants sont présentés par la commission de nomination néerlandophone du même Conseil.) <L 2004-12-14/34, art. 6, 122; En vigueur : 31-12-2004>
  La présentation à une place vacante de conseiller ou de conseiller suppléant se fait par la commission de nomination qui a présenté le magistrat dont le départ a entraîné la vacance de la place.
  
Afdeling III. - Arbeidshof.
Section III. - De la cour du travail.
Art. 215. <W 1998-12-22/47, art. 41, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Onverminderd de bepalingen betreffende de benoeming van de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken worden de eerste voorzitter, de kamervoorzitters, de raadsheren in het arbeidshof en de eerste advocaat-generaal, de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij dit hof, al naar gelang, aangewezen of benoemd door de Koning op gezamenlijke voordracht van de ministers tot wier bevoegdheid Arbeid en Justitie behoort.
Art. 215. <L 1998-12-22/47, art. 41, 066; En vigueur : 02-08-2000> Sans préjudice des dispositions concernant la nomination des conseillers sociaux effectifs et suppléants, le premier président, les présidents de chambre, les conseillers à la cour du travail et le premier avocat général, les avocats généraux, et les substituts généraux près cette cour sont, selon le cas, désignés ou nommés par le Roi sur proposition conjointe des ministres ayant le Travail et la Justice dans leurs attributions.
Art. 216. De werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken worden benoemd door de Koning, op voordracht van de minister die de Arbeid in zijn bevoegdheid heeft.
  De werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken die voorgedragen zijn door de organisaties van zelfstandigen, worden evenwel benoemd door de Koning op de voordracht van de minister die de Middenstand in zijn bevoegdheid heeft.
  De artikelen 199, 200, 201, 202 [3 202bis en 206]3 zijn van toepassing op de werkende en de plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken. [1 Om tot werkend of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken te worden benoemd in het arbeidshof met zetel te Brussel, moet men in het bezit zijn van een studiegetuigschrift of diploma van Nederlands of Frans onderwijs. De raadsheer mag slechts zitting houden in zaken van dezelfde taal als het getuigschrift of het diploma dat hij bezit.]1
  In afwijking van artikel 202, moeten de kandidaten evenwel volle dertig jaar oud zijn.
  [2 Om te worden benoemd tot werkend of plaatsvervangend raadsheer in sociale zaken bij het arbeidshof te Luik moet de kandidaat houder zijn van een studiegetuigschrift of diploma dat getuigt van een opleiding gevolgd in het Frans of in het Duits. De raadsheer in sociale zaken mag slechts zitting houden in zaken van dezelfde taal als het getuigschrift of diploma dat hij bezit.
   Hij mag echter zitting houden in zaken van een andere taal dan die van het studiegetuigschrift of diploma dat hij bezit, op voorwaarde dat hij geslaagd is voor een mondeling examen over de kennis van de andere taal alsook voor een schriftelijk examen over de passieve kennis ervan; beide examens worden door de Koning ingericht. De jury's waarvoor de proeven worden afgelegd, zijn samengesteld uit een voorzitter, gekozen uit de werkende leden van het hof van beroep, het arbeidshof, het parket-generaal of het auditoraat-generaal te Luik en uit twee werkende magistraten, die allen aangetoond hebben dat zij kennis hebben van de taal waarop het examen betrekking heeft, alsook uit twee taalprofessoren van het universitair onderwijs.
   Het besluit van benoeming bepaalt het taalstelsel waartoe de betrokkene behoort.]2

  
Art. 216. Les conseillers sociaux, effectifs et suppléants, sont nommés par le roi, sur la proposition du ministre qui a le Travail dans ses attributions.
  Toutefois les conseillers sociaux, effectifs et suppléants présentés par les organisations de travailleurs indépendants, sont nommés par le Roi sur la proposition du ministre qui a les Classes moyennes dans ses attributions.
  Les articles 199, 200, 201, 202 [3 , 202bis et 206]3 sont applicables aux conseillers sociaux, effectifs et suppléants. [1 Pour être nommé conseiller social, effectif ou suppléant, à la cour du travail dont le siège est établi à Bruxelles, il faut être titulaire d'un certificat d'études ou diplôme de l'enseignement néerlandophone ou francophone. Le conseiller ne peut siéger que dans les affaires dont le régime linguistique correspond à la langue du certificat d'études ou diplôme dont il est porteur.]1
  Néanmoins, par dérogation à l'article 202, les candidats doivent être âgés de trente ans accomplis.
  [2 Pour être nommé conseiller social, effectif ou suppléant, à la cour du travail de Liège le candidat doit être porteur d'un certificat d'études ou diplôme faisant foi d'un enseignement suivi en langue française ou en langue allemande. Le conseiller social ne peut siéger que dans les affaires dont le régime linguistique correspond à la langue du certificat ou diplôme dont il est porteur.
   Toutefois, il peut siéger dans les affaires dont le régime linguistique ne correspond pas à la langue du certificat d'études ou diplôme dont il est porteur à condition qu'il ait réussi une épreuve orale portant sur la connaissance de l'autre langue ainsi qu'une épreuve écrite portant sur la connaissance passive de celle-ci; ces deux épreuves sont organisées par le Roi. Les jurys devant lesquels les épreuves sont subies se composent d'un président, choisi parmi les membres effectifs de la cour d'appel, de la cour du travail, du parquet général ou de l'auditorat général de Liège et de deux magistrats effectifs, qui ont tous justifié de la connaissance de la langue sur laquelle porte l'épreuve, ainsi que de deux professeurs de langue de l'enseignement universitaire.
   L'arrêté de nomination détermine le régime linguistique auquel appartient l'intéressé.]2

  
HOOFDSTUK IIIbis. - Bepaling gemeen aan de hoofdstukken I tot III.
CHAPITRE IIIbis. - Disposition commune aux chapitres Ier à III.
Art. 216bis. <INGEVOEGD bij W 2003-05-03/45, art. 13; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Een kandidaat die benoemd wordt tot een ambt bedoeld in artikel 58bis, 1°, kan zich in de loop van de drie jaar die volgen op de bekendmaking van het benoemingsbesluit in het Belgisch Staatsblad, geen kandidaat stellen voor een benoeming tot een ander ambt bedoeld in artikel 58bis, 1°, of voor hetzelfde ambt in of bij een ander rechtscollege.
  Deze bepaling is niet van toepassing op plaatsvervangende magistraten. [1 ...]1
  
Art. 216bis. Un candidat nommé à une fonction visée à l'article 58bis, 1°, ne peut, dans le délai de trois ans suivant la publication de l'arrêté de nomination au Moniteur belge, poser sa candidature pour une nomination à une autre fonction visée à l'article 58bis, 1°, ou à la même fonction dans ou près une autre juridiction.
  La présente disposition ne s'applique pas aux magistrats suppléants. [1 ...]1.
  
HOOFDSTUK IV. _ Juryleden.
CHAPITRE IV. - Des membres du jury.
Eerste afdeling. _ Opmaken van de lijsten van gezworenen.
Section première. - Formation des listes de jurés.
Art. 217. [1 Om op de lijst van gezworenen te worden ingeschreven, moet men voldoen aan de volgende voorwaarden :
   1° ingeschreven zijn in het kiezersregister;
   2° de burgerlijke en politieke rechten genieten;
   3° ten volle achtentwintig jaar en minder dan vijfenzestig jaar zijn;
   4° kunnen lezen en schrijven;
   5° geen strafrechtelijke veroordeling tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2 hebben opgelopen.]1

  
Art. 217. [1 Pour être porté sur la liste des jurés, il faut remplir les conditions suivantes :
   1° être inscrit au registre des électeurs;
   2° jouir de ses droits civils et politiques;
   3° être âgé de vingt-huit ans accomplis et de moins de soixante-cinq ans;
   4° savoir lire et écrire;
   5° n'avoir subi aucune condamnation pénale à une peine d'emprisonnement de plus de quatre mois [2 , à une peine de surveillance électronique de plus de quatre mois, à une peine de travail de plus de soixante heures ou à une peine de probation autonome d'un an ou plus]2.]1

  
Eerste onderafdeling. - Gemeentelijke lijst.
Sous-section 1. - De la liste communale.
Art. 218. <W 05-01-1983, art. 2> Om de vier jaar, in de loop van de maand januari, worden de gezworenen bij loting aangewezen uit de laatste lijst van in het kiezersregister ingeschreven personen, opgemaakt overeenkomstig [1 artikel 10, § 1 ]1, van het kieswetboek.
  <NOTA : Volgens de wet van 20-11-1989 (B.St. 29-11-1989, p. 19507), "in afwijking van artikel 218 ... kunnen in het jaar 1989 de gezworenen bij loting worden aangewezen uit de lijst van de Belgische kiezers die ingeschreven zijn in het bevolkingsregister van een Belgische gemeente, welke lijst door het college van burgemeester en schepenen moet worden opgemaakt met het oog op de Europese verkiezingen van 18 juni 1989.">
  
Art. 218. <L 05-01-1983, art. 2> Tous les quatre ans les jurés sont tirés au sort au cours du mois de janvier, dans la dernière liste des personnes inscrites au registre des électeurs, dressé conformément à l'[1 article 10, § 1er]1, du Code électoral.
  
  
Art. 219. De loting heeft in het openbaar plaats op het gemeentehuis, op de datum en het uur die bij aanplakking worden bekendgemaakt.
Art. 219. Le tirage au sort a lieu publiquement à la maison communale, aux jour et heure annoncés par voie d'affichage.
Art. 220. De burgemeester, _ bijgestaan door twee schepenen, laat tweemaal door het lot een cijfer van 1 tot 0 aanwijzen. Het eerst getrokken cijfer stelt de eenheden voor, het tweede de tientallen. De personen wier rangnummer op de lijst van de parlementskiezers, van de gemeente of van iedere wijk van de gemeente, eindigt op het aldus gevormde getal, worden op de voorbereidende lijst van gezworenen ingeschreven.
Art. 220. Le bourgmestre assisté de deux échevins procède à deux reprises au tirage d'un chiffre de 1 à 0. Le premier chiffre représente les unités, le second représente les dizaines. Les personnes dont le numéro d'ordre sur les listes des électeurs généraux de la commune ou de chaque section de commune, se termine par le nombre ainsi formé, sont inscrites sur une liste préparatoire de jurés.
Art. 221. De minister van Justitie bepaalt alle andere omstandigheden van die loting en inzonderheid in hoeveel malen die loting in iedere provincie [1 en in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1 moet plaatshebben opdat het nodige aantal gezworenen zou bekomen zijn.
  
Art. 221. Le ministre de la Justice détermine toutes autres conditions de ce tirage au sort et spécialement à combien de reprises il doit y être procédé dans chaque province [1 et dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale]1, pour obtenir le nombre de jurés nécessaires.
  
Art. 222. Onmiddellijk na de loting laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen de namen weg van de personen die geen volle [1 achtentwintig]1 jaar oud zijn of die op één januari daarvoor [1 vijfenzestig]1 jaar geworden zijn.
  
Art. 222. Immédiatement après le tirage au sort, le bourgmestre omet de la liste préparatoire des jurés, les noms des personnes qui ne sont pas âgées de [1 vingt-huit]1 ans accomplis ou qui ont atteint [1 soixante-cinq]1 ans au premier janvier précédent.
  
Art. 223. [1 De burgemeester is ertoe gehouden een onderzoek in te stellen bij iedere kiezer die op de voorbereidende lijst is ingeschreven gebleven, teneinde te bepalen :
   1° of hij kan lezen en schrijven;
   2° a) in de provincies Antwerpen, West-Vlaanderen, Oost-Vlaanderen, Limburg en Vlaams-Brabant, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands te volgen;
   b) in de provincies Henegouwen, Luik, Luxemburg, Namen en Waals-Brabant, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Frans te volgen;
   c) in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Nederlands, in het Frans of in de twee talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest;
   d) in [3 het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons [4 Limburg]4, [5 Spa]5 [4 en in de twee kantons Verviers]4]3, of hij ertoe in staat is de debatten van het hof van assisen in het Frans, in het Duits of in beide talen te volgen; in dit laatste geval kan de kiezer aangeven welke taal hij verkiest;
   3° of hij werkelijk een beroep uitoefent en hetwelk;
   4° of hij, al dan niet als hoofdbetrekking, een openbaar ambt bekleedt en hetwelk;
   5° of hij bedienaar is van een door de Staat erkende eredienst of afgevaardigde van een door de wet erkende organisatie die morele diensten verleent op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing;
   6° of hij militair is in actieve dienst;
   7° of hij in het bezit is van een diploma afgeleverd door een universiteit of een daarmee gelijkgestelde instelling, van een diploma van hoger secundair onderwijs, van een diploma of een getuigschrift van technisch onderwijs, ingericht, gesubsidieerd of erkend door de Staat of door een van de Gemeenschappen, of door een examencommissie ingesteld krachtens een wet of een decreet, van een diploma van onderwijzer of onderwijzeres of van een diploma van geaggregeerde van het secundair onderwijs van de lagere graad;
   8° of hij gewezen lid is van het Europees Parlement, van de federale wetgevende Kamers, van de gemeenschaps- en gewestparlementen, van de provincieraden, van de gemeenteraden, van de agglomeratieraden, van de federatieraden, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van de Franse Gemeenschapscommissie, van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, van de federale Regering en van de gemeenschaps -en gewestregeringen of gewezen burgemeester;
   9° of hij lid of gewezen lid is van een raad van advies ingesteld krachtens een wet of een koninklijk besluit;
   10° of er voor hem enig beletsel bestaat waardoor het onmogelijk is het ambt van gezworene te vervullen;
   11° of hij een strafrechtelijke veroordeling heeft opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2.]1

   Die kiezers dienen nauwkeurig een formulier in te vullen waarvan de minister van Justitie het model vaststelt.
  
Art. 223. [1 Le bourgmestre est tenu de procéder à une enquête auprès de chacun des électeurs restés inscrits sur la liste préparatoire, aux fins de déterminer :
   1° s'il sait lire et écrire;
   2° a) dans les provinces d'Anvers, de Flandre occidentale, de Flandre orientale, du Limbourg et du Brabant flamand, s'il est capable de suivre les débats de la cour d'assises en néerlandais;
   b) dans les provinces de Hainaut, de Liège, de Luxembourg, de Namur et du Brabant wallon, s'il est capable de suivre les débats de la cour d'assises en français;
   c) dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, s'il est capable de suivre les débats de la cour d'assises en français, en néerlandais ou dans les deux langues; dans ce dernier cas, l'électeur peut indiquer la langue qu'il choisit;
   d) dans [3 l'arrondissement judiciaire d'Eupen et les cantons de [4 Limbourg]4, de [5 Spa]5 [4 et dans les deux cantons de Verviers]4]3, s'il est capable de suivre les débats de la cour d'assises en français, en allemand ou dans les deux langues; dans ce dernier cas, l'électeur peut indiquer la langue qu'il choisit;
   3° s'il exerce réellement une fonction et laquelle;
   4° s'il exerce, à titre principal ou non, une fonction publique et laquelle;
   5° s'il est ministre d'un culte reconnu par l'Etat ou délégué d'une organisation reconnue par la loi qui offre une assistance morale selon une conception philosophique non confessionnelle;
   6° s'il est militaire en service actif;
   7° s'il est en possession d'un diplôme délivré par une université ou par un établissement assimilé, d'un diplôme de l'enseignement secondaire supérieur, d'un diplôme ou d'un certificat de l'enseignement technique créé, subsidié ou agréé par l'Etat ou par une des Communautés ou par une commission d'examen instituée en vertu d'une loi ou d'un décret, d'un diplôme d'enseignant ou d'enseignante ou d'un diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire de niveau inférieur;
   8° s'il est ancien membre du Parlement européen, des Chambres législatives fédérales, des parlements de Communauté et de Région, des conseils provinciaux, des conseils communaux, des conseils d'agglomération, des conseils de fédération, de la Commission communautaire commune, de la Commission communautaire française, de la Commission communautaire flamande, du Gouvernement fédéral et des gouvernements de Communautés et de Régions ou ancien bourgmestre;
   9° s'il est membre ou ancien membre d'un conseil consultatif institué en vertu d'une loi ou d'un arrêté royal;
   10° s'il existe pour lui des empêchements qui rendent impossible l'exercice des fonctions de juré;
   11° s'il a subi une condamnation pénale à une peine d'emprisonnement de plus de quatre mois [2 , à une peine de surveillance électronique de plus de quatre mois, à une peine de travail de plus de soixante heures ou à une peine de probation autonome d'un an ou plus]2.]1

   Ces électeurs sont tenus de remplir avec exactitude un formulaire dont le modèle est déterminé par le ministre de la Justice.
  
Art. 224. [1 Op grond van de inlichtingen ingewonnen door middel van het onderzoek bedoeld in artikel 223, laat de burgemeester uit de voorbereidende lijst van gezworenen weg :
   1° de personen die niet kunnen lezen of schrijven;
   2° de personen die de taal niet kennen die gebruikt wordt in de rechtspleging ter zitting van het hof van assisen bij hetwelk zij zouden opgeroepen zijn om het ambt van gezworenen te vervullen;
   3° de personen die lid zijn van het Europees Parlement, van de federale wetgevende kamers, van de parlementen van de gemeenschappen en gewesten, van de provincieraden, van de gemeenteraden, van de agglomeratieraden, van de federatieraden, van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, van de Franse Gemeenschapscommissie, van de Vlaamse Gemeenschapscommissie, van de federale regering en van de gemeenschaps- en gewestregeringen en de burgemeesters;
   4° de werkende magistraten van de rechterlijke orde, de raadsheren en de rechters in sociale zaken en in handelszaken, de assessoren [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3, de referendarissen bij het Hof van Cassatie, de griffiers en de leden van de parketsecretariaten;
   5° de leden van de Raad van State, de assessoren van de afdeling Wetgeving, de leden van het auditoraat, van het coördinatiebureau, de leden van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en van de griffie;
   6° de leden van het Grondwettelijk Hof, de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof en de leden van de griffie;
   7° de leden van het Rekenhof;
   8° de provinciegouverneurs, de arrondissementscommissarissen en de provinciale griffiers;
   9° de leden van de Hoge Raad voor de Justitie;
   10° de titularissen van een management- of staffunctie in een ministerieel departement, federale overheidsdienst of programmatorische overheidsdienst, de ambtenaren-generaal en de bestuursdirecteurs bij de ministeriële departementen van de Gemeenschappen en Gewesten;
   11° de militairen in actieve dienst;
   12° de bedienaars van een door de Staat erkende eredienst en de afgevaardigden van door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing;
   13° de personen die een strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2.]1

  
Art. 224. Sur la base des éléments recueillis par l'enquête prévue à l'article 223, le bourgmestre omet de la liste préparatoire des jurés :
   1° les personnes qui ne savent lire ou écrire;
   2° les personnes qui ne connaissent pas la langue dont il est fait usage dans la procédure à l'audience de la cour d'assises près de laquelle elles seraient appelées à exercer les fonctions de juré;
   3° les membres du Parlement européen, des chambres législatives fédérales, des parlements de Communauté et de Région, des conseils provinciaux, des conseils communaux, des conseils d' agglomération, des conseil de fédération, de la Commission communautaire commune, de la Commission communautaire française, de la Commission communautaire flamande, du gouvernement fédéral et des gouvernements de Communautés et de Régions et les bourgmestres;
   4° les magistrats effectifs de l'ordre judiciaire, les conseillers et les juges sociaux et consulaires, les assesseurs [3 au tribunal de l'application des peines]3, les référendaires près la Cour de cassation, les greffiers et les membres des secrétariats de parquet;
   5° les membres du Conseil d'Etat, les assesseurs de la section de législation, les membres de l'auditorat, du bureau de coordination, les membres du Conseil du contentieux des étrangers et du greffe;
   6° les membres de la Cour constitutionnelle, les référendaires près la Cour constitutionnelle et les membres du greffe;
   7° les membres de la Cour des comptes;
   8° les gouverneurs de province, les commissaires d'arrondissement et les greffiers provinciaux;
   9° les membres du Conseil supérieur de la Justice;
   10° les titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement dans un département ministériel, un service public fédéral ou un service public de programmation, les fonctionnaires généraux et les directeurs d'administration des départements ministériels des Communautés et Régions;
   11° les militaires en service actif;
   12° les ministres d'un culte reconnu par l'Etat et les délégués des organisations reconnues par la loi qui offrent une assistance morale selon une conception philosophique non confessionnelle;
   13° les personnes qui ont subi une condamnation pénale à un emprisonnement de plus de quatre mois [2 , à une peine de surveillance électronique de plus de quatre mois, à une peine de travail de plus de soixante heures ou à une peine de probation autonome d'un an ou plus]2.]1
  
Art. 225. Na de weglating wordt de gemeentelijke lijst van gezworenen definitief door de burgemeester afgesloten. Hij is ertoe gehouden er de in aanmerking genomen kiezers in alfabetische orde en volgens een gemeentelijk rangnummer in op te schrijven, zelfs indien er niet is geantwoord bij het onderzoek bedoeld in artikel 223, of er onvolledig of onjuist is geantwoord.
Art. 225. Les omissions faites, la liste communale des jurés est définitivement arrêtée par le bourgmestre. Il est tenu d'y inscrire, dans l'ordre alphabétique et sous un numéro d'ordre communal, les électeurs retenus, même s'il n'a pas été répondu à l'enquête prévue à l'article 223 ou s'il a été répondu de manière incomplète ou inexacte.
Art. 226. (In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad) maakt de burgemeester twee lijsten op : <W 1993-07-16/31, art. 363, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  De ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek, in het Nederlands de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.
  De andere omvat de personen die, volgens hun verklaring naar aanleiding van het onderzoek, in het Frans de debatten kunnen volgen of die taal gekozen hebben.
  ((In [1 het gerechtelijk arrondissement Eupen en de kantons [2 Limburg]2, [3 Spa]3 [2 en in de twee kantons Verviers]2]1) maakt de burgemeester twee lijsten op : de ene omvat de namen van de personen die, volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Frans kunnen volgen of die taal gekozen hebben; de andere omvat de personen die volgens hun verklaringen naar aanleiding van het onderzoek de debatten in het Duits kunnen volgen of die taal gekozen hebben.) <W 24-03-1980, art. 9> <W 1985-09-23/33, art. 43, 008>
  
Art. 226. (Dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale), le bourgmestre établit deux listes : <L 1993-07-16/31, art. 363, 028; En vigueur : 01-01-1995>
  l'une comprend les noms des personnes qui, d'après leur déclaration à l'enquête, sont capables de suivre les débats en néerlandais ou qui ont fait choix de cette langue;
  l'autre comprend les personnes qui, d'après leur déclaration à l'enquête, sont capables de suivre les débats en français ou qui ont fait choix de cette langue.
  (Dans [1 l'arrondissement judiciaire d'Eupen et les cantons de [2 Limbourg]2, de [3 Spa]3 [2 et dans les deux cantons de Verviers]2]1, le bourgmestre établit deux listes : l'une comprend les noms des personnes qui, d'après leur déclaration à l'enquête, sont capables de suivre les débats en français ou qui ont fait choix de cette langue; l'autre comprend les personnes qui, d'après leur déclaration à l'enquête, sont capables de suivre les débats en allemand ou qui ont fait choix de cette langue.) <L 24-03-1980, art. 9> <L 1985-09-23/33, art. 43, 008>
  
Art. 227. De gemeentelijke lijst van gezworenen wordt aan de bestendige deputatie (of de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, naargelang het geval) toegezonden vóór één mei, met de formulieren die bij toepassing van artikel 223 zijn ingezameld. <W 1993-07-16/31, art. 364, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  De minister van Justitie bepaalt de wijze waarop de lijsten worden opgemaakt en de gegevens die er moeten worden op ingeschreven.
Art. 227. La liste communale des jurés est transmise à la députation permanente (ou au gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, selon le cas,) avant le 1er mai, avec les formulaires recueillis par application de l'article 223.
  Le ministre de la Justice détermine le mode d'établissement des listes et les indications qui doivent y être portées.
Onderafdeling 2. _ Provinciale lijst.
Sous-section 2. - De la liste provinciale.
Art. 228. De bestendige deputatie maakt de provinciale lijst van gezworenen op en zendt deze vóór 1 juni met dezelfde formulieren aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats van de provincie. Zij is ertoe gehouden er alle namen op in te schrijven die voorkomen op de gemeentelijke lijsten. Zij volgt de alfabetische orde, neemt alle gegevens over van de gemeentelijke lijsten en geeft aan elke naam een provinciaal rangnummer.
Art. 228. La députation permanente dresse la liste provinciale des jurés et la transmet avec les mêmes formulaires, avant le 1er juin, au président du tribunal de première instance du chef-lieu de la province. Elle est tenue d'y inscrire tous les noms qui figurent sur les listes communales. Elle suit l'ordre alphabétique, reproduit les indications qui figurent sur les listes communales et attribue un numéro d'ordre provincial à chaque nom.
Art. 229. (De Brusselse Hoofdstedelijke Regering maakt twee lijsten van gezworenen op : de ene met de Nederlandstalige gemeentelijke lijsten, de andere met de Franstalige gemeentelijke lijsten.) <W 1993-07-16/31, art. 365, 028; Inwerkingtreding : 01-01-1995>
  [1 Zij bezorgt de lijst van de gezworenen die de Franstalige gemeentelijke lijsten bevat aan de voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg en de lijst van de gezworenen die de Nederlandstalige gemeentelijke lijsten bevat aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg.]1
  [3 De bestendige deputatie van de provincieraad van Luik maakt twee provinciale lijsten van gezworenen op : de ene met de Franstalige gemeentelijke lijsten van het gerechtelijk arrondissement Eupen en van het gerechtelijk arrondissement Luik; de andere met de Duitstalige gemeentelijke lijsten van het gerechtelijk arrondissement Eupen en van de kantons Limburg, Spa en de twee kantons Verviers.]3
  
Art. 229. (Le gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale " dresse deux listes de jurés : l'une contient les listes municipales néerlandophones, l'autre les listes municipales francophones.) <L 1993-07-16/31, art. 365, 028; En vigueur : 01-01-1995>
  [1 Il transmet la liste de jurés qui contient les listes municipales francophones au président du tribunal de première instance francophone et la liste de jurés qui contient les listes municipales néerlandophones au président du tribunal de première instance néerlandophone.]1
  [3 La députation permanente du conseil provincial de Liège dresse deux listes provinciales des jurés : l'une au moyen des listes communales francophones de l'arrondissement judiciaire d'Eupen et de l'arrondissement judiciaire de Liège, l'autre au moyen des listes communales germanophones de l'arrondissement judiciaire d'Eupen et des cantons de Limbourg, de Spa et des deux cantons de Verviers.]3
  
Onderafdeling 3. _ Definitieve lijst.
Sous-section 3. - De la liste définitive.
Art. 230. De voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg belast een van de oudstbenoemde rechters met het opmaken van de definitieve lijst van gezworenen. Hij kan een tweede rechter aanwijzen die de eerste bijstaat in alle verrichtingen. Deze geschieden in raadkamer, in aanwezigheid van het openbaar ministerie en nadat het gehoord is; de griffie maakt er proces-verbaal van op zoals in correctionele zaken. De rechter wint door tussenkomst van het openbaar ministerie de inlichtingen in die nodig zijn voor de toepassing van artikel 231.
Art. 230. Le président du tribunal de première instance charge un juge parmi les plus anciens d'établir la liste définitive des jurés. Il peut désigner un second juge, qui l'assiste dans toutes les opérations. Celles-ci ont lieu en chambre du conseil, le ministère public présent et entendu; procès-verbal en est dressé par le greffier comme en matière correctionnelle. Le juge recueille à l'intervention du ministère public, les renseignements nécessaires à l'application de l'article 231.
Art. 231. De rechter laat uit de provinciale lijst de namen weg van de personen die:
  a) bij vergissing ingeschreven zijn gebleven op de gemeentelijke lijst of (die vermoedelijk afwezig zijn in de zin van artikel 112 van het Burgerlijk Wetboek); <W 2007-05-10/51, art. 2, 150; Inwerkingtreding : 01-07-2007>
  b) die niet of onvolledig hebben geantwoord bij het onderzoek voorgeschreven bij artikel 223, wanneer er voor hen een beletsel bestaat om aanwezig te zijn op de zittingen van het hof van assisen;
  c) wier oorzaken van verhindering, ingeroepen bij het in artikel 223 bedoelde onderzoek, hij aanneemt.
  [1 d) een veroordeling hebben opgelopen tot een gevangenisstraf van meer dan vier maanden [2 , tot een straf onder elektronisch toezicht van meer dan vier maanden, tot een werkstraf van meer dan zestig uur of tot een autonome probatiestraf van een jaar of meer]2.]1
  
Art. 231. Le juge retire de la liste provinciale le nom des personnes :
  a) inscrites par erreur sur la liste communale ou (présumées absentes au sens de l'article 112 du Code civil); <L 2007-05-10/51, art. 2, 150; En vigueur : 01-07-2007>
  b) qui se sont abstenues de répondre ou qui ont répondu incomplètement à l'enquête prescrite par l'article 223 lorsqu'il existe pour elles un empêchement d'être présentes aux sessions de la cour d'assises;
  c) dont il admet la cause d'empêchement indiquée au cours de l'enquête prévue par l'article 223.
  [1 d) qui ont subi une condamnation à un emprisonnement de plus de quatre mois [2 , à une peine de surveillance électronique de plus de quatre mois, à une peine de travail de plus de soixante heures ou à une peine de probation autonome d'un an ou plus]2.]1
  
Art. 232. Nadat hij beslist heeft over de gevallen die in artikel 231 zijn vermeld, sluit de rechter de definitieve in alfabetische orde opgemaakte lijst van gezworenen af. Hij laat elke naam het rangnummer van de provinciale lijst behouden.
  Hij laat er alle personen op ingeschreven staan wier namen hij niet uit de provinciale lijst heeft weggelaten, en die een van de diploma's of getuigschriften bezitten die zijn opgesomd in artikel 223, 7°, die een van de ambten hebben vervuld die zijn aangegeven in artikel 223, 8°, of die een van de in artikel 223, 9°, aangegeven ambten vervullen of hebben vervuld. Hij voegt er een gelijk aantal bij loting uit de provinciale lijst aangewezen personen aan toe, die deze voorwaarden niet vervullen.
Art. 232. Après avoir statué sur les cas indiqués à l'article 231, le juge arrête la liste définitive des jurés dans l'ordre alphabétique. Il conserve à chaque nom le numéro d'ordre de la liste provinciale.
  Il y maintient l'inscription de toutes les personnes dont il n'a pas retiré le nom de la liste provinciale et qui possèdent un des diplômes ou certificats énumérés à l'article 223, 7°, qui ont exercé une des fonctions indiquées à l'article 223, 8°, ou qui exercent une des fonctions indiquées à l'article 223, 9°. Il y ajoute un nombre égal de personnes tirées au sort dans la liste provinciale, qui ne remplissent pas ces conditions.
Art. 234. Tegen de inschrijving van een persoon op de definitieve lijst van gezworenen staat geen voorziening open; ze houdt het vermoeden in dat de gezworene er wettelijk toe in staat is het ambt van gezworene te vervullen in de provincie [1 of in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1, gedurende de geldigheidsduur van de lijst.
  
Art. 234. L'inscription d'une personne sur la liste définitive des jurés est sans recours; elle entraîne la présomption que le juré est légalement habilité à exercer la fonction de juré dans la province [1 ou dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale]1, pendant la durée de validité de la liste.
  
Art. 235. De rechter zendt aan de procureur des Konings de namen van de personen die niet hebben geantwoord of onvolledig of onjuist hebben geantwoord bij de in de artikelen 223 en 230 bedoelde onderzoeken.
Art. 235. Le juge transmet au procureur du Roi le nom des personnes qui se sont abstenues de répondre ou qui ont répondu incomplètement ou inexactement aux enquêtes prévues par les articles 223 et 230.
Art. 236. Vóór 1 november legt hij op de griffie van de rechtbank de definitieve lijst neer van de gezworenen [1 ...]1 waaruit de gezworenen die geroepen worden om zitting te nemen vanaf 1 januari van het volgende jaar, zullen worden uitgeloot.
  
Art. 236. Avant le 1er novembre, il dépose, au greffe du tribunal, la liste définitive des jurés [1 ...]1, [1 dans laquelle]1 les jurés appelés à siéger à partir du 1er janvier de l'année suivante seront tirés au sort.
  
Onderafdeling 4. _ Bijzondere lijst voor iedere zaak..
Sous-section 4. - De la liste particulière à chaque affaire.
Art. 237. Ten minste dertig dagen voor de datum die hij heeft bepaald voor de opening van de zitting, gelast de eerste voorzitter van het hof van beroep, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats der provincie [1 of [2 van de betrokken Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg]2 van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad]1 binnen tien dagen te doen overgaan tot de uitloting van de gezworenen die geroepen worden om mede te werken aan de samenstelling van de jury voor iedere zaak.
  [1 De eerste voorzitter van het hof van beroep meldt, op advies van de procureur-generaal, voor iedere zaak, aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg het aantal namen die in de definitieve lijst van gezworenen zullen worden opgenomen. Dit aantal mag niet lager zijn dan zestig.]1
  [3 Bij toepassing van artikel 115, derde lid, geschiedt de loting van de gezworenen in de definitieve lijst van het gerechtelijk arrondissement waar de zitting van het hof van assisen door die beslissing geopend wordt. In voorkomend geval geschiedt de bijkomende loting bedoeld in artikel 238, tweede lid, in dezelfde definitieve lijst van gezworenen.]3
  
Art. 237. Trente jours au moins avant la date qu'il a fixée pour l'ouverture de la session, le premier président de la cour d'appel charge le président du tribunal de première instance du chef-lieu de la province [2 du tribunal de première instance néerlandophone ou francophone concerné]2 [1 ou de l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale]1 de faire procéder dans les dix jours au tirage au sort des jurés appelés à concourir à la formation du jury de chaque affaire.
  [1 Le premier président de la cour d'appel, sur avis du procureur général, indique, pour chaque affaire, au président du tribunal de première instance le nombre de noms qui seront pris dans la liste définitive des jurés. Ce nombre ne peut être inférieur à soixante.]1
  [3 En application de l'article 115, alinéa 3, le tirage au sort des jurés se fait dans la liste définitive de l'arrondissement judiciaire où s'ouvre la session de la cour d'assises par cette décision. Le cas échéant, le tirage au sort supplémentaire visé à l'article 238, alinéa 2, se fait dans la même liste définitive de jurés.]3
  
Art. 238. De loting geschiedt in openbare zitting in de kamer die de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg aanwijst en in aanwezigheid van het openbaar ministerie. (De voorzitter van die kamer neemt, voor iedere zaak, het aantal namen opgegeven overeenkomstig artikel 237 uit de definitieve lijst van gezworenen [1 ...]1 van het gerechtelijk arrondissement waar een zitting van het hof van assisen geopend wordt [2 of bij toepassing van artikel 115, vierde lid, uit de definitieve lijst van gezworenen van het gerechtelijk arrondissement waar de terechtzitting zou geopend geweest zijn mocht geen toepassing zijn gemaakt van artikel 115, vierde lid]2.) <W 1993-07-15/30, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 24-07-1993>
  [1 In voorkomend geval gelast de voorzitter van het hof van assisen ten minste vijftien dagen vóór de opening van de debatten, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de hoofdplaats der provincie of van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad binnen achtenveertig uur een bijkomend aantal namen te doen uitloten dat hij vaststelt in de definitieve lijst van gezworenen.]1
  
Art. 238. Le tirage au sort se fait en audience publique à la chambre désignée par le président du tribunal de première instance et en présence du ministère public. Le président de cette chambre prend, pour chaque affaire, le nombre de noms indiqué conformément à l'article 237 dans la liste définitive des jurés [1 ...]1 de l'arrondissement judiciaire où s'ouvre une session de cour d'assises [2 ou, en application de l'article 115, alinéa 4, dans la liste définitive des jurés de l'arrondissement judiciaire où se serait ouverte l'audience s'il n'avait pas été fait application de l'article 115, alinéa 4]2. <L 1993-07-15/30, art. 2, 029; En vigueur : 24-07-1993>
  [1 Le cas échéant, quinze jours au moins avant l'ouverture des débats, le président de la cour d'assises, d'office ou sur réquisitions du ministère public, charge le président du tribunal de première instance du chef-lieu de la province ou de l'arrondissement de Bruxelles-Capitale de faire procéder, dans les quarante-huit heures, au tirage au sort d'un nombre supplémentaire de noms qu'il détermine, dans la liste définitive des jurés.]1
  
Art. 239. [1 De loting wordt derwijze verricht dat :
   1° een zelfde gezworene niet kan geroepen worden om zitting te nemen in meer dan een zaak gedurende dezelfde zitting of tegelijkertijd bij twee verschillende hoven van assisen;
   2° de helft van de gezworenen van hetzelfde geslacht zijn.]1

  
Art. 239. [1 Il est procédé aux opérations du tirage au sort de manière que :
   1° un même juré ne puisse être appelé à siéger dans plus d'une affaire au cours de la même session ou en même temps près deux cours d'assises différentes;
   2° la moitié des jurés soit de même sexe.]1

  
Art. 240. Binnen tien dagen na de loting wordt door het openbaar ministerie:
  1° aan iedere gezworene overeenkomstig de artikelen 33 en 35 tot 40 van dit wetboek een dagvaarding betekend om zich aan te melden op de zetel van het hof van assisen [1 of in geval van toepassing van artikel 115, vierde lid, op de plaats waar het hof van assisen zal zetelen]1 op de dag die de eerste voorzitter van het hof van beroep voor de opening van de debatten heeft vastgesteld;
  2° aan de procureur-generaal en aan de voorzitter van het hof van assisen de lijst van gezworenen toegezonden.
  
Art. 240. Dans les dix jours du tirage au sort, le ministère public :
  1° signifie à chaque juré, conformément aux articles 33 et 35 à 40 du présent code, une citation à se présenter au siège de la cour d'assises [1 ou en cas d'application de l'article 115, alinéa 4, au lieu où siègera la cour d'assises]1 au jour fixé par le premier président de la cour d'appel pour l'ouverture des débats;
  2° adresse la liste des jurés au procureur général et au président de la cour d'assises.
  
Art. 240bis. <INGEVOEGD bij W 2000-03-28/33, art. 3; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Ten minste acht dagen vóór de opening van de debatten beslist de voorzitter van het hof van assisen, na kennisneming van de schriftelijke conclusies van de procureur-generaal, bij beschikking over de rechtzetting van de materiële fouten betreffende de identiteit van de gezworenen die voorkomen op de lijst van de gezworenen [1 ...]1.
  
Art. 240bis. Huit jours au moins avant l'ouverture des débats, le président de la cour d'assises statue par ordonnance, au vu des conclusions écrites du procureur général, sur la rectification des erreurs matérielles affectant l'identité des jurés figurant sur la liste des jurés [1 ...]1.
  
Art. 241. Ten minste achtenveertig uren vóór de opening van de debatten wordt de lijst van gezworenen door toedoen van het openbaar ministerie aan iedere beschuldigde ter kennis gebracht en worden de stukken van het onderzoek bedoeld in artikel 223 betreffende de [1 ...]1 gezworenen die geroepen zijn om zitting te nemen, bij het strafdossier gevoegd; zij blijven erin berusten totdat de rechtsprekende jury samengesteld is.
  
Art. 241. Quarante-huit heures au moins avant l'ouverture des débats, la liste des jurés est, à la diligence du ministère public, notifiée à chaque accusé et les documents de l'enquête prévue par l'article 223 qui concernent les jurés [1 ...]1 appelés à siéger, sont annexés au dossier répressif; ils y demeurent jusqu'au moment ou le jury de jugement est formé.
  
Afdeling II. _ Samenstelling van de rechtsprekende jury.
Section 2. - Formation du jury de jugement.
HOOFDSTUK V. - Leden van het Hof van Cassatie.
CHAPITRE V. - Des membres de la Cour de cassation.
Art. 254. <W 1998-12-22/47, art. 42, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie.
  § 2. Om tot voorzitter, in het Hof van Cassatie te worden aangewezen moet de kandidaat sedert tenminste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie.
  Om tot [1 sectievoorzitter]1 in het Hof van Cassatie te worden aangewezen. moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van raadsheer in het Hof van Cassatie hebben uitgeoefend.
  § 3. Om tot raadsheer in het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste tien jaar als lid van de zittende magistratuur of magistraat van het openbaar ministerie.
  
Art. 254. <L 1998-12-22/47, art. 42, 066; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. Pour pouvoir être désigné premier président de la Cour de cassation, le candidat doit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les cinq dernières en qualité de conseiller à la Cour de cassation.
  § 2. Pour pouvoir être désigné président à la Cour de cassation, le candidat doit exercer depuis au moins quinze années des fonctions juridiques, dont les cinq dernières en qualité de conseiller à la Cour de cassation.
  Pour pouvoir être désigné président de section à la Cour de cassation, le candidat doit avoir exercé les fonctions de conseiller à la Cour de cassation pendant au moins trois années.
  § 3. Pour pouvoir être nommé conseiller à la Cour de cassation, le candidat doit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les dix dernières en tant que magistrat du siège ou du ministère public.
Art. 258. <W 1998-12-22/47, art. 44, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Om tot procureur-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste vijftien jaar juridische functies uitoefenen, waarvan de laatste vijf jaar in het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie.
  § 2. Om tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden aangewezen, moet de kandidaat sedert ten minste drie jaar het ambt van advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie uitoefenen.
  § 3. Om tot advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet de kandidaat voldoen aan de voorwaarden bedoeld in artikel 254, § 3.
Art. 258. <L 1998-12-22/47, art. 44, 066; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. Pour pouvoir être désigné procureur général près la Cour de cassation, le candidat doit exercer des fonctions juridiques depuis au moins quinze années, dont les cinq dernières années en qualité d'avocat général près la Cour de cassation.
  § 2. Pour pouvoir être désigné premier avocat général près la Cour de cassation, le candidat doit exercer les fonctions d'avocat général près la Cour de cassation depuis au moins trois années.
  § 3. Pour pouvoir être nommé avocat général près la Cour de cassation, le candidat doit satisfaire aux conditions visées à l'article 254, § 3.
Art. 259. Vijf raadsheren en een advocaat-generaal moeten gedurende ten minste vijf jaar een gerechtelijk ambt hebben uitgeoefend bij een arbeidsrechtbank of een arbeidshof.
Art. 259. Cinq conseillers et un avocat général doivent avoir exercé pendant au moins cinq ans des fonctions judiciaires auprès d'un tribunal du travail ou d'une cour du travail.
HOOFDSTUK Vbis. - Hoge Raad voor de Justitie.
CHAPITRE Vbis. - Du conseil supérieur de la Justice.
Afdeling I. - Samenstelling.
Section I. - De la composition.
Art. 259bis 1.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad voor de Justitie zoals ingesteld door artikel 151 van de Grondwet, hierna te noemen "Hoge Raad", telt vierenveertig leden van Belgische nationaliteit.
  De Hoge Raad bestaat uit een Nederlandstalig en een Franstalig college van elk tweeëntwintig leden. Elk college telt elf magistraten en elf niet-magistraten.
  [1 Alle leden moeten de burgerlijke en politieke rechten genieten. Zij mogen niet veroordeeld zijn door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, tenzij ze in eer en rechten hersteld zijn. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op personen die in het buitenland tot een soortgelijkestraf zijn veroordeeld door een in kracht van gewijsde gegane veroordeling.]1
  § 2. De groep magistraten bestaat per college ten minste uit :
  1° een lid van een hof of van het openbaar ministerie bij een hof;
  2° een lid van de zittende magistratuur;
  3° een lid van het openbaar ministerie;
  4° een lid per rechtsgebied van het hof van beroep.
  De magistraten van het Hof van Cassatie, (...) de bijstandsmagistraten (, de verbindingsmagistraten in jeugdzaken) [2 , de federale magistraten en de magistraten van het parket voor de verkeersveiligheid]2 worden geacht deel uit te maken van het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel. (De magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht, blijven, voor de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis-2, verbonden aan hun rechtscollege.) <W 2001-06-21/42, art. 14, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2003-04-10/59, art. 91, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2006-06-13/40, art. 39, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  § 3. De groep niet-magistraten telt per college ten minste vier leden van elk geslacht en bestaat uit ten minste :
  1° vier advocaten met een beroepservaring van ten minste tien jaar balie;
  2° drie hoogleraren aan een universiteit of een hogeschool in de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar;
  3° vier leden die houder zijn van ten minste een diploma van een hogeschool van de Vlaamse of Franse Gemeenschap met een voor de opdracht van de Hoge Raad relevante beroepservaring van ten minste tien jaar op juridisch, economisch, administratief, sociaal of wetenschappelijk vlak.
  [1 Om te kunnen worden benoemd in de groep niet magistraten mag een kandidaat in de vijf jaar die voorafgaan aan zijn kandidaatstelling geen beroepsmagistraat in actieve dienst zijn geweest.]1
  Ten minste één lid van het Franstalig college moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits.
  
Art. 259bis 1. § 1er. Le Conseil supérieur de la Justice institué par l'article 151 de la Constitution, ci-après dénommé " Conseil supérieur ", est composé de quarante-quatre membres de nationalité belge.
  Le Conseil supérieur se compose d'un collège néerlandophone et d'un collège francophone, composés chacun de vingt-deux membres. Chaque collège compte onze magistrats et onze non-magistrats.
  [1 Tous les membres doivent jouir des droits civils et politiques. Ils ne peuvent pas avoir été condamnés, même avec sursis, par une condamnation coulée en force de chose jugée, à une peine correctionnelle ou criminelle, sauf s'ils ont été réhabilités. Cette disposition s'applique par analogie aux personnes qui ont été condamnées à l'étranger à une peine de même nature par une condamnation coulée en force de chose jugée.]1
  § 2. Le groupe des magistrats compte par collège au moins :
  1° un membre d'une cour ou du ministère public près une cour;
  2° un membre du siège;
  3° un membre du ministère public;
  4° un membre par ressort de cour d'appel.
  Les magistrats de la Cour de cassation, (...) les magistrats d'assistance (, les magistrats de liaison en matière de jeunesse) [2 , les magistrats fédéraux et les magistrats du parquet de la sécurité routière]2 sont réputés faire partie du ressort de la cour d'appel de Bruxelles. (Les magistrats chargés d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéas 1er et 2, restent, pour les élections visées à l'article 259bis-2, attachés à leur juridiction.) <L 2001-06-21/42, art. 14, 085; En vigueur : 21-05-2002> <L 2003-04-10/59, art. 91, 107; En vigueur : 01-01-2004> <L 2006-06-13/40, art. 39, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  § 3. Le groupe des non-magistrats compte, par collège au moins quatre membres de chaque sexe et est compose d'au moins :
  1° quatre avocats possédant une expérience professionnelle d'au moins dix années au barreau;
  2° trois professeurs d'une université ou d'une école supérieure dans la Communauté flamande ou française possédant une expérience professionnelle utile pour la mission du Conseil supérieur d'au moins dix années;
  3° quatre membres, porteurs d'au moins un diplôme d'une école supérieure de la Communauté flamande ou française et possédant une expérience professionnelle utile pour la mission du Conseil supérieur d'au moins dix années dans le domaine juridique, économique, administratif, social ou scientifique.
  [1 Pour pouvoir être nommé dans le groupe des non-magistrats, un candidat ne peut avoir été magistrat de carrière en activité de service dans les cinq ans qui précèdent sa candidature.]1
  Au moins un membre du collège francophone doit justifier de la connaissance de l'allemand.
  
Afdeling II. - Aanstelling van de leden.
Section II. - De la désignation des membres.
Art. 259bis 2.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De magistraten worden verkozen bij rechtstreekse en geheime verkiezing uit de beroepsmagistraten in actieve dienst door een Nederlandstalig en een Franstalig kiescollege dat bestaat uit de beroepsmagistraten van de taalrol die overeenstemt met die van de benoeming.
  De stemming is verplicht en geheim.
  Op straffe van ongeldigheid van het stembiljet brengt elke kiezer drie stemmen uit waarvan, ten minste één voor een kandidaat van de zittende magistratuur, één voor een kandidaat van het openbaar ministerie en één voor een kandidaat van elk geslacht.
  De kandidaten worden per kiescollege gerangschikt in volgorde van het aantal behaalde stemmen.
  In de volgorde van het aantal behaalde stemmen zijn eerst de magistraten verkozen die voldoen aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, in de aldaar bepaalde volgorde.
  Zodra aan de criteria bedoeld in artikel 259bis-1, § 2, is voldaan, zijn de magistraten verkozen in de volgorde van het aantal behaalde stemmen.
  [1 Wanneer verschillende kandidaten een gelijk aantal stemmen behalen, worden zij gerangschikt volgens hun anciënniteit als beroepsmagistraat in aflopende volgorde. Wanneer er dan nog een gelijke rangschikking is, worden ze gerangschikt volgens leeftijd.]1
  De verkiezingsprocedure wordt geregeld bij [1 ...]1 koninklijk besluit.
  [4 De persoonsgegevens van de kiezers en van de kandidaten ingewonnen in de loop van de verkiezingsprocedure van de ledenmagistraten worden bewaard voor de duur van het mandaat.]4
  § 2. De niet-magistraten worden door de Senaat benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.
  Onverminderd het recht om zich individueel kandidaat te stellen, kunnen door elk van de orden van advocaten en door elk van de universiteiten en hogescholen van de Vlaamse en Franse Gemeenschap kandidaten worden voorgedragen. Per college worden ten minste vijf leden uit de voorgedragen kandidaten benoemd.
  § 3. Op het ogenblik van de kandidaatstelling mag de leeftijd van [1 66]1 jaar niet zijn bereikt.
  § 4. Voor de leden van de Hoge Raad wordt voor de duur van het mandaat een lijst met opvolgers opgesteld.
  Voor de magistraten bestaat deze lijst uit de niet-verkozen magistraten in de volgorde van het aantal behaalde stemmen.
  Voor de niet-magistraten wordt deze lijst opgesteld door de Senaat; hij bestaat uit de niet-benoemde kandidaten.
  [2 § 4/1. De kandidaten die zijn opgenomen in de definitieve kandidatenlijsten en die niet werden verkozen, kunnen binnen een termijn van vijf dagen vanaf de verzending van het uittreksel uit het proces-verbaal van de verkiezing per elektronische post ter attentie van de voorzitter van de Hoge Raad, een bezwaar indienen tegen de regelmatigheid van de kiesverrichtingen, de stemopneming, de rangschikking van de kandidaten of de aanwijzing van de verkozenen.
   De kandidaat die het bezwaar indient moet een belang hebben. Het bezwaar dient, op straffe van onontvankelijkheid, met reden omkleed te zijn en vergezeld te zijn van de stavingsstukken die de kandidaat in zijn bezit heeft.
   Het Bureau spreekt zich binnen acht dagen na de ontvangst van het bezwaar uit over de ontvankelijkheid ervan. Het deelt binnen vijf dagen deze beslissing per elektronische post mee aan de indiener en bezorgt per elektronische post een kopie van het ontvankelijk verklaarde bezwaar aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de andere kandidaten.
   De andere kandidaten kunnen binnen vijf dagen vanaf de verzending van de kopie hun opmerkingen per elektronische post overzenden aan de voorzitter van de Hoge Raad.
   Indien het bezwaar ontvankelijk is verklaard, wijst het Bureau één van zijn leden aan of een lid van de Hoge Raad die geen kandidaat is om een onderzoek in te stellen en verslag uit te brengen aan de algemene vergadering. Het aangewezen lid is bevoegd om alle nuttige vaststellingen te doen, alle betrokken personen te horen en alle relevante documenten op te vragen en te onderzoeken. De stembiljetten mogen alleen worden onderzocht in het bijzijn van twee getuigen, leden-magistraten van de Hoge Raad die geen kandidaat zijn. De enveloppen die de stembiljetten bevatten, worden na het onderzoek in hun bijzijn opnieuw verzegeld.
   Binnen veertig dagen na de ontvangst van het bezwaar en na de indiener van het bezwaar te hebben gehoord, doet de algemene vergadering van de Hoge Raad, met uitsluiting van de leden-magistraten die kandidaat zijn, uitspraak, deelt zij deze beslissing per elektronische post mee aan de indiener en bezorgt zij per elektronische post een kopie aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de andere kandidaten.
   Indien het bezwaar gegrond wordt verklaard en de vastgestelde onregelmatigheid een invloed zou kunnen hebben gehad op de rangschikking van de kandidaten, de aanwijzing van de verkozenen of de opstelling van de lijst met opvolgers overeenkomstig paragraaf 4, tweede lid, dan neemt de algemene vergadering de nodige maatregelen om deze onregelmatigheid recht te zetten.]2

  § 5. Ten laatste (acht maanden) voor het verstrijken van het mandaat van de leden van de Hoge Raad wordt een oproep tot de kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. <W 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
  Voor de magistraten moeten de kandidaturen op straffe van verval binnen een termijn van een maand na deze oproep [3 bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG,]3 aan de Hoge Raad worden gericht.
  Voor de niet-magistraten moeten de kandidaturen en de lijsten met voorgedragen kandidaten bedoeld in § 2, tweede lid, op straffe van verval binnen een termijn van drie maanden na deze oproep aan de voorzitter van de Senaat worden gericht [3 bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG]3.
  (De Minister van Justitie maakt de lijst met de aantredende leden van de Hoge Raad voor de Justitie en hun opvolgers bekend in het Belgisch Staatsblad in de derde maand vóór het verstrijken van het mandaat. De Hoge Raad maakt de samenstelling van het bureau en de commissies bekend in het Belgisch Staatsblad en deze bekendmaking geldt als installatie.
  De uittredende leden houden zitting tot het verstrijken van hun mandaat en in ieder geval tot de installatie van de nieuwe leden van het bureau en de commissies overeenkomstig artikel 259bis -4.) <W 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
  
Art. 259bis 2. § 1er. Les magistrats sont élus, par scrutin direct et secret, parmi les magistrats de carrière en activité de service, par un collège électoral néerlandophone et un collège électoral francophone composes des magistrats du rôle linguistique correspondant à celui de la nomination.
  Le vote est obligatoire et secret.
  Sous peine de nullité du bulletin de vote, chaque électeur doit émettre trois suffrages dont, au moins, un pour un candidat du siège, un pour un candidat du ministère public et un pour un candidat de chaque sexe.
  Les candidats sont classés par collège électoral en fonction du nombre de voix obtenues.
  Les magistrats qui satisfont aux critères prévus à l'article 259bis-1, § 2, dans l'ordre qui y est déterminé, sont élus en premier en fonction du nombre de voix obtenues.
  Dès qu'il est satisfait aux critères prévus à l'article 259bis-1, § 2, les magistrats sont élus en fonction du nombre de voix obtenues.
  [1 Lorsque plusieurs candidats obtiennent le même nombre de voix, ils sont classés dans l'ordre décroissant de leur ancienneté en tant que magistrat professionnel. S'il subsiste encore des ex jquo, ils sont classés par ordre d'âge.]1
  La procédure d'élection est réglée par un arrêté royal [1 ...]1.
  [4 Les données à caractère personnel des électeurs et des candidats recueillies au cours de la procédure d'élection des membres magistrats sont conservées pendant la durée du mandat.]4
  § 2. Les non-magistrats sont nommés par le Sénat à la majorité des deux tiers des suffrages émis.
  Sans préjudice du droit de présenter des candidatures individuelles, des candidats peuvent être présentés par chacun des ordres des avocats et par chacune des universités et écoles supérieures de la Communauté française et de la Communauté flamande. Pour chaque collège, au moins cinq membres sont nommés parmi les candidats présentés.
  § 3. On ne peut avoir atteint l'âge de [1 66]1 ans au moment de la candidature.
  § 4. Une liste de membres successeurs du Conseil supérieur est établie pour la durée du mandat.
  La liste des successeurs des magistrats est constituée des magistrats non élus classés en fonction du nombre de suffrages obtenus.
  La liste des suppléants des non-magistrats est établie par le Sénat; elle est constituée des candidats qui ne sont pas nommés.
  [2 § 4/1. Les candidats qui ont été repris dans les listes définitives des candidats et qui n'ont pas été élus peuvent, dans un délai de cinq jours à compter de l'envoi de l'extrait du procès-verbal de l'élection, introduire, par courrier électronique adressé au président du Conseil supérieur, une réclamation concernant la régularité des opérations électorales, le dépouillement, le classement des candidats ou la désignation des élus.
   Le candidat qui introduit la réclamation doit avoir un intérêt. La réclamation doit, sous peine d'irrecevabilité, être motivée et être accompagnée des pièces justificatives en sa possession.
   Le Bureau se prononce, dans les huit jours de la réception de la réclamation, sur sa recevabilité. Il communique la décision par courrier électronique au demandeur dans les cinq jours et une copie de la réclamation déclarée recevable par courrier électronique au ministre qui a la Justice dans ses attributions et aux autres candidats.
   Les autres candidats peuvent, dans les cinq jours à compter de l'envoi de la copie, transmettre leurs observations par courrier électronique au président du Conseil supérieur.
   Lorsque la réclamation est déclarée recevable, le Bureau désigne un de ses membres ou un membre du Conseil supérieur qui n'est pas candidat en vue de procéder à une enquête et d'en faire rapport à l'assemblée générale. Le membre désigné est compétent pour faire toutes les constatations utiles, entendre toute personne concernée, solliciter et examiner tout document pertinent. Les bulletins de vote peuvent seulement être examinés en présence de deux témoins magistrats, membres du Conseil supérieur qui ne sont pas candidats. Les enveloppes qui contiennent les bulletins de vote sont à nouveau scellées en leur présence à l'issue de cet examen.
   Dans les quarante jours de la réception de la réclamation et après avoir entendu l'auteur de la réclamation, l'assemblée générale du Conseil supérieur, à l'exclusion des membres-magistrats qui sont candidats, statue et communique cette décision par courrier électronique à l'auteur de la réclamation et une copie par courrier électronique au ministre qui a la Justice dans ses attributions et aux autres candidats.
   Si la réclamation est déclarée fondée et que l'irrégularité constatée aurait pu avoir une influence sur le classement des candidats, la désignation des élus ou l'établissement de la liste des successeurs conformément au paragraphe 4, alinéa 2, l'assemblée générale prend les mesures nécessaires pour rectifier cette irrégularité.]2

  § 5. Au plus tard (huit mois) avant l'expiration du mandat des membres du Conseil supérieur, un appel aux candidats est publié au Moniteur belge.<L 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
  Les candidatures des magistrats doivent, à peine de déchéance, être adressées au Conseil supérieur par [3 envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE,]3 dans le mois qui suit l'appel aux candidats.
  Pour les non-magistrats, les candidatures et les listes des candidats présentes visées au § 2, alinéa 2, doivent, à peine de déchéance, être adressées au président du Sénat par [3 envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE,]3 dans les trois mois qui suivent l'appel aux candidats.
  (Le Ministre de la Justice publie la liste des membres entrants du Conseil supérieur de la Justice et de leurs successeurs au Moniteur belge au cours du troisième mois précédant l'expiration du mandat. Le Conseil supérieur publie la composition du bureau et des commissions au Moniteur belge et cette publication vaut installation.
  Les membres sortants siègent jusqu'au terme de leur mandat et, dans tous les cas, jusqu'à l'installation des nouveaux membres du bureau et des commissions conformément à l'article 259bis-4.) <L 2002-12-19/59, art. 2, 101; 16-01-2003>
  
Afdeling III. - Duur van het mandaat en onverenigbaarheden.
Section III. - De la durée du mandat et des incompatibilités.
Art. 259bis 3. § 1.[1 De leden nemen in de Hoge Raad zitting voor een periode van vier jaar die ingaat op de dag van de installatie. Niemand mag meer dan twee mandaten vervullen.]1
  § 2. Het lidmaatschap van de Hoge Raad is tijdens de duur van het mandaat onverenigbaar met de uitoefening van :
  1° een ambt van plaatsvervangend magistraat; (NOTA : Bij arrest nr 3/2001 van 25 januari 2001 (B.S. 13-02-2001) heeft het Arbitragehof in dit artikel, het 1° vernietigd en handhaaft de gevolgen van de vernietigde bepaling, wat de samenstelling en de handelingen van de Hoge Raad voor de Justitie betreft, tot aan de volgende benoemingen die zullen worden gedaan door de Senaat met toepassing van artikel 259bis2, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek)
  2° een bij verkiezing verleend openbaar mandaat;
  3° een openbaar ambt van politieke aard;
  4° een mandaat van korpschef.
  § 3. Het mandaat in de Hoge Raad eindigt van rechtswege indien :
  1° het lid er om verzoekt;
  2° een onverenigbaarheid bedoeld in § 2 ontstaat;
  3° een lid de hoedanigheid vereist als voorwaarde om in de Hoge Raad zitting te kunnen nemen, verliest;
  4° een lid kandidaat is voor een benoeming tot magistraat of een aanwijzing tot korpschef, bijstandsmagistraat , verbindingsmagistraat in jeugdzaken [2 , federale magistraat of substituut-procureur voor de verkeersveiligheid]2; <W 2006-06-13/40, art. 40, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  5° [1 een magistraat werd toegelaten tot de inruststelling;]1
  [1 6° een lid niet meer voldoet aan de in artikel 259bis-1, § 1, derde lid, bedoelde voorwaarden.]1
  § 4. Het mandaat van een lid kan om ernstige redenen worden opgeheven door de Hoge Raad die daarover beslist met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen in elke college. [4 ...]4
  Het mandaat kan niet worden opgeheven dan nadat het lid gehoord is over de aangevoerde redenen. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting stelt de Hoge Raad een dossier samen dat alle stukken bevat die betrekking hebben op de aangevoerde redenen.
  Ten minste vijf dagen voor de hoorzitting wordt de betrokkene opgeroepen [3 bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG,]3 met ten minste opgave van :
  1° de aangevoerde ernstige redenen;
  2° het feit dat de opheffing van het mandaat wordt overwogen;
  3° plaats, dag en uur van de hoorzitting;
  4° het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een persoon naar keuze;
  5° de plaats waar en de termijn waarbinnen het dossier kan worden ingezien;
  6° het recht om getuigen te doen oproepen.
  Vanaf de oproeping tot en met de dag voor de hoorzitting kunnen de betrokkene en de persoon die hem bijstaat het dossier inzien.
  Van de hoorzitting wordt proces-verbaal opgesteld.
  
Art. 259bis 3. § 1er. [1 Les membres siègent au Conseil supérieur pour une période de quatre ans, prenant cours le jour de l'installation. Nul ne peut accomplir plus de deux mandats.]1
  § 2. Pendant la durée du mandat, l'appartenance au Conseil supérieur est incompatible avec l'exercice :
  1° d'une fonction de magistrat suppléant; (NOTE : par son arrêt n° 3/2001 du 25 janvier 2001 (M.B. 13-02-2001), la Cour d'arbitrage a annulé, dans cet article, le 1° et a maintenu les effets de la disposition annulée, en ce qui concerne la composition et les actes du Conseil supérieur de la justice, jusqu'aux prochaines nominations qui seront faites par le Sénat, en application de l'article 259bis2, § 2, du Code judiciaire; Abrogé : 01-03-1999)
  2° d'un mandat public conféré par voie d'élection;
  3° d'une charge publique d'ordre politique;
  4° d'un mandat de chef de corps.
  § 3. Il est mis fin de plein droit au mandat au sein du Conseil supérieur :
  1° à la demande du membre lui-même;
  2° dès l'apparition d'une incompatibilité visée au § 2;
  3° en cas de perte de la qualité requise pour pouvoir siéger au Conseil supérieur;
  4° lorsqu'un membre est candidat pour être nommé magistrat ou pour être désigné chef de corps, (magistrat d'assistance, magistrat de liaison en matière de jeunesse) [2 , magistrat fédéral ou substitut du procureur de la sécurité routière]2; <L 2006-06-13/40, art. 40, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  5° [1 lorsqu'un magistrat a été admis à la retraite;]1
  [1 6° lorsqu'un membre ne remplit plus les conditions visées à l'article 259bis-1, § 1er, alinéa 3.]1
  § 4. Lorsque des motifs graves le justifient, il peut être mis fin au mandat d'un membre par le Conseil supérieur, qui en décide à la majorité des deux tiers des suffrages émis dans chaque collège. [4 ...]4
  Il ne peut être mis fin au mandat qu'après avoir entendu le membre à propos des motifs invoqués. Préalablement à cette audition, le Conseil supérieur constitue un dossier qui contient toutes les pièces en rapport avec les motifs invoqués.
  L'intéressé est convoqué au moins cinq jours avant l'audition par [3 un envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE,]3 qui indique au moins :
  1° les motifs graves invoqués;
  2° le fait qu'il est envisagé de mettre fin au mandat;
  3° le lieu, le jour et l'heure de l'audition;
  4° le droit, pour l'intéressé, de se faire assister par une personne de son choix;
  5° l'endroit où le dossier peur être consulté et le délai accordé à cet effet;
  6° le droit de faire appeler des témoins.
  L'intéressé et la personne qui l'assiste, peuvent consulter le dossier à partir du jour de la convocation jusque et y compris la veille de l'audition.
  Il est dressé procès-verbal de l'audition.
  
Afdeling IV. - Werking.
Section IV. - Du fonctionnement.
Art. 259bis 4. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad stelt met een meerderheid van twee derden van zijn leden een bureau samen dat bestaat uit twee magistraten en twee niet-magistraten. Elk college draagt hiertoe een magistraat en een niet-magistraat voor. De Hoge Raad wijst tevens op voorstel van elk college met dezelfde meerderheid de commissies aan waarvan de leden van het bureau het voorzitterschap bekleden.
  De Koning kan op voorstel van de Hoge Raad bij een in Ministerraad overlegd besluit het aantal leden van het bureau verhogen volgens de behoeften van de dienst met inachtneming van de verdeling bedoeld in het eerste lid.
  De leden van het bureau oefenen hun functie voltijds uit en mogen tijdens de duur van hun mandaat geen andere beroepsactiviteit uitoefenen. De Hoge Raad kan afwijkingen op dit verbod toestaan op voorwaarde dat ze de betrokkene niet beletten zijn opdracht naar behoren te vervullen.
  § 2. Het voorzitterschap van de Hoge Raad wordt, in de volgorde bepaald door twee derden van zijn leden, voor een termijn van één jaar beurtelings bekleed door (een lid van het bureau behorend tot een verschillend college en dat nog geen voorzitter van de Hoge Raad is geweest.) <W 2000-07-17/34, art. 2, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
  § 3. Het voorzitterschap van elk college wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissie en de advies- en onderzoekscommissie, te beginnen met de oudste.
  § 4. Elk lid van de Hoge Raad neemt zitting in één van de commissies van de colleges.
  Elk college wijst de leden van zijn commissies aan met een meerderheid van twee derden van zijn leden.
  § 5. Het Nederlandstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands. Het Franstalige college en zijn commissies verrichten hun werkzaamheden in het Frans.
  De algemene vergadering en de verenigde commissies verrichten hun werkzaamheden in het Nederlands en het Frans. De leden gebruiken daarbij de taal van het college waartoe zij behoren.
  De Hoge Raad neemt de nodige maatregelen voor de vertaling.
Art. 259bis 4. § 1er. Le Conseil supérieur constitue, à la majorité de deux tiers de ses membres, un bureau composé de deux magistrats et de deux non-magistrats. A cet effet, chaque collège présente un magistrat et un non-magistrat. Sur proposition de chaque collège, le Conseil supérieur désigne par ailleurs, selon la même majorité, les commissions dont les membres du bureau assurent la présidence.
  Sur proposition du Conseil supérieur, le Roi peut augmenter le nombre de membres du bureau par un arrêté délibéré en Conseil des ministres en fonction des nécessités du service et dans le respect de la répartition visée à l'alinéa premier.
  Les membres du bureau exercent leurs fonctions à temps plein et ne peuvent exercer aucune autre activité professionnelle pendant la durée de leur mandat. Le Conseil supérieur peut accorder des dérogations à cette interdiction à condition qu'elles n'empêchent pas l'intéressé de s'acquitter dûment de sa mission.
  § 2. La présidence du Conseil supérieur est assurée, suivant l'ordre indiqué par deux tiers de ses membres, pour un délai d'un an, et ceci alternativement par (un membre du bureau, appartenant à un collège différent et qui n'a pas encore été président du Conseil supérieur.) <L 2000-07-17/34, art. 2, 080; En vigueur : 01-01-2000>
  § 3. La présidence de chacun des collèges est assurée alternativement pour un délai de deux ans par le président de la commission de nomination et le président de la commission d'avis et d'enquête, à commencer par le plus âgé.
  § 4. Chaque membre du Conseil supérieur siège dans une des commissions des collèges.
  Chaque collège désigne les membres de ses commissions à la majorité des deux tiers de ses membres.
  § 5. Le collège néerlandophone et ses commissions effectuent leurs activités en néerlandais. Le collège francophone et ses commissions effectuent leurs activités en français.
  L'assemblée générale et les commissions réunies effectuent leurs activités en néerlandais et en français. Dans ce contexte, les membres utilisent la langue du collège auquel ils appartiennent.
  Le Conseil supérieur prend les mesures nécessaires en vue de la traduction.
Art. 259bis 5.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Onverminderd andersluidende bepalingen besluiten de Hoge Raad, de colleges, de commissies en het bureau bij volstrekte meerderheid van stemmen op voorwaarde dat ten minste de helft van de leden aanwezig is. Bij staking van stemmen beslist de stem van de voorzitter.
  § 2. Een lid waarvan het mandaat voortijdig openvalt, wordt voor de resterende duur vervangen door een opvolger. Betreft het een magistraat dan wordt hij vervangen door de eerst gerangschikte kandidaat op de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, tweede lid. Betreft het een niet-magistraat, dan wijst de Senaat de opvolger aan uit de lijst bedoeld in artikel 259bis-2, § 4, derde lid.
  [1 De opvolger valt onder de toepassing van artikel 259bis-3, § 1. Indien de resterende duur van het mandaat minder dan een jaar bedraagt, geldt dit niet als een mandaat voor de toepassing van de beperking van het aantal mandaten voorzien in die bepaling.]1
  
Art. 259bis 5. § 1er. Sans préjudice de dispositions contraires, les décisions du Conseil supérieur, des collèges, des commissions et du bureau sont prises à la majorité absolue des suffrages, à la condition qu'au moins la moitié des membres soient présents. En cas de parité des suffrages, la voix du président est prépondérante.
  § 2. Le membre dont le mandat devient prématurément vacant est remplacé par un suppléant pour le reste de son mandat. S'il s'agit d'un magistrat, il est remplacé par le premier candidat classé sur la liste visée à l'article 259bis-2, § 4, alinéa 2. S'il s'agit d'un non-magistrat, le Sénat désigne le suppléant parmi les candidats figurant sur la liste visée à l'article 259bis-2, § 4, alinéa 3.
  [1 Le successeur tombe sous l'application de l'article 259bis-3, § 1er. Si la durée restante du mandat est de moins d'un an, celui-ci n'entre pas en ligne de compte pour l'application de la limitation du nombre de mandats prévue dans cette disposition.]1.
  
Art. 259bis 6.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad, de colleges en de commissies kunnen bij hun werkzaamheden deskundigen raadplegen.
  § 2. (De Hoge Raad beschikt over eigen personeel dat belast is met de ondersteuning van zijn werkzaamheden en de organisatie van de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis -2, § 1. De Hoge Raad stelt de personeelsformatie en de taalkaders vast, met inachtneming van de taalpariteit per niveau. De Hoge Raad bepaalt het statuut van zijn personeel. Hij benoemt en ontslaat zijn personeel.
  De Koning keurt [1 ...]1 de personeelsformatie, de taalkaders en het statuut bedoeld in het vorige lid goed.) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  (Lid 3 opgeheven) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  (Lid 4 opgeheven) <W 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  De Hoge Raad beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel.
  § 3. De Hoge Raad stelt een huishoudelijk reglement op dat de werkwijze van de Hoge Raad en het bureau bepaalt.
  § 4. Het bureau coördineert de werkzaamheden van de Hoge Raad, de colleges en het personeel.
  [1 Het bureau beslist over informatie-uitwisseling tussen de commissies indien een commissie over informatie beschikt die nuttig is voor de opdracht van de andere commissies.]1
  
Art. 259bis 6. § 1er. Dans le cadre de leurs activités, le Conseil supérieur, les collèges et les commissions peuvent consulter des experts.
  § 2. (Le Conseil supérieur dispose d'un personnel propre charge du soutien de ses activités et de l'organisation des élections visées à l'article 259bis -2, § 1er. Le Conseil supérieur fixe le cadre organique et les cadres linguistiques dans le respect de la parité linguistique par niveau. Le Conseil supérieur fixe le statut du personnel. Il nomme et révoque les membres du personnel.
  Le Roi approuve [1 ...]1 les cadres et le statut visés à l'alinéa précédent.) <L 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  (alinéa 3 abrogé) <L 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  (alinéa 4 abrogé) <L 2002-12-19/59, art. 4, 101; 01-04-2003>
  Le Conseil supérieur décide des délégations, des empêchements et des remplacements, des absences, congés et vacances des membres du personnel administratif.
  § 3. Le Conseil supérieur établit un règlement d'ordre intérieur fixant les modalités de fonctionnement du Conseil supérieur et du bureau.
  § 4. Le bureau coordonne les activités du Conseil supérieur, des collèges et du personnel.
  [1 Le bureau décide de l'échange d'informations entre les commissions si une commission dispose d'informations utiles à l'exercice de la mission d'autres commissions.]1
  
Afdeling V. - Algemene vergadering van de Hoge Raad.
Section V. - De l'assemblée générale du Conseil supérieur.
Art. 259bis 7. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad ontvangt rechtstreeks van de bevoegde instanties de door de wet of bij verordening voorgeschreven verslagen die verband houden met de algemene werking van de rechterlijke orde.
  § 2. De algemene vergadering is bevoegd voor :
  1° de goedkeuring van de adviezen, voorstellen, verslagen, richtlijnen, programma's en andere handelingen van de colleges en de commissies in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald in de afdelingen VI en VII;
  2° de vaststelling van de beëindiging van het mandaat van een lid van de Hoge Raad in de gevallen bedoeld in artikel 259bis-3, § 3.
  § 3. De algemene vergadering stelt aan de hand van een analyse en een evaluatie van de vergaarde informatie een jaarlijks verslag op over de algemene werking van de rechterlijke orde, dat wordt bezorgd aan de Minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven. Deze verslagen bevatten geen enkele aanwijzing over de identiteit van personen.
  § 4. De Minister van Justitie of zijn vertegenwoordiger kan op uitnodiging van de Hoge Raad of op eigen verzoek worden gehoord.
Art. 259bis 7. § 1er. Le Conseil supérieur reçoit directement des instances compétentes les rapports prescrits par des dispositions légales ou réglementaires concernant le fonctionnement général de l'ordre judiciaire.
  § 2. L'assemblée générale est compétente pour :
  1° l'approbation des avis, propositions, rapports, directives, programmes et autres actes des collèges et des commissions aux conditions et dans les cas prévus aux sections VI et VII;
  2° la constatation de la fin du mandat d'un membre du Conseil supérieur dans les cas prévus à l'article 259bis-3, § 3.
  § 3. L'assemblée générale rédige annuellement un rapport basé sur une analyse et une évaluation des informations disponibles concernant le fonctionnement général de l'ordre judiciaire. Ce rapport est transmis au ministre de la Justice, à la Chambre des Représentants, au Sénat et aux chefs de corps des cours et du ministère public près de ces cours. Ces rapports ne peuvent comporter aucune indication concernant l'identité de personnes.
  § 4. Le Ministre de la Justice ou son représentant peut être entendu à l'invitation du Conseil supérieur ou à sa propre demande.
Afdeling VI. - De benoemings- en aanwijzingscommissies.
Section VI. - Des commissions de nomination et de désignation.
Art. 259bis 8.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Elk college stelt in zijn midden een benoemings- en aanwijzingscommissie in, hierna "de benoemingscommissie" genoemd, die bestaat uit veertien leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn. Ten minste één lid van de Franstalige benoemingscommissie moet blijk geven van de kennis van het Duits.
  Het voorzitterschap van elke benoemingscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid.
  Elke benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden aanwezig zijn.
  [1 Indien het vereiste quorum niet wordt bereikt omdat teveel leden afwezig of verhinderd zijn, kan de voorzitter, via loting, overgaan tot hun vervanging tot het quorum wordt bereikt. De loting vindt plaats uit de leden van de advies- en onderzoekscommissie van hetzelfde taalcollege en met inachtname van de pariteit tussen magistraten en niet-magistraten. De vervanging geldt voor de duur van de afwezigheid of verhindering.]1
  § 2. De benoemingscommissies vormen samen de verenigde benoemingscommissie.
  Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de benoemingscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort.
  De verenigde benoemingscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste tien leden van elke benoemingscommissie aanwezig zijn.
  
Art. 259bis 8. § 1er. Chaque collège institue en son sein une commission de nomination et de désignation, ci-après dénommée " commission de nomination ", composée de quatorze membres, dont la moitié sont magistrats et la moitié non-magistrats. Au moins un membre de la commission de nomination francophone doit justifier de la connaissance de l'allemand.
  La présidence de chacune des commissions de nomination est exercée par le membre du bureau désigné à cet effet. En son absence, la présidence est assurée par le plus âgé des membres présents.
  Chaque commission de nomination ne peut délibérer valablement que lorsqu'au moins dix membres sont présents.
  [1 Si le quorum requis n'est pas atteint parce que trop de membres sont absents ou empêchés, le président peut, par tirage au sort, procéder à leur remplacement jusqu'à ce que le quorum soit atteint. Le tirage au sort s'effectue parmi les membres de la commission d'avis et d'enquête du même collège linguistique et en tenant compte de la parité entre magistrats et non-magistrats. Le remplacement vaut pour la durée de l'absence ou de l'empêchement.]1
  § 2. Les commissions de nomination forment ensemble la commission de nomination réunie.
  La présidence de la commission de nomination réunie est exercée alternativement pour une durée de deux années par les présidents des commissions de nomination, à commencer par le plus âgé. En cas d'absence du président, la présidence est assurée par le plus âgé des membres présents appartenant à la même commission que le président en exercice.
  La commission de nomination réunie ne peut délibérer valablement que lorsqu'au moins 10 membres de chaque commission de nomination sont présents.
  
Art. 259bis 9.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De verenigde benoemingscommissie bereidt de programma's voor het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage voor (evenals het programma van het mondelinge evaluatie-examen). [4 Zij is eveneens belast met het voorbereiden van het programma van het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer.]4 <W 2005-04-07/63, art. 8, 125; Inwerkingtreding : 13-05-2006>
  (Het examen inzake beroepsbekwaamheid, het vergelijkend examen tot de gerechtelijke stage [4 , het mondelinge evaluatie-examen en het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer]4) zijn bedoeld om de voor de uitoefening van het ambt van magistraat noodzakelijke maturiteit en bekwaamheid te beoordelen en worden afgelegd in de taal van het diploma van doctor of licentiaat in de rechten van de kandidaat. [1 Wanneer evenwel de benoemingscommissie daartoe beslist, kan het schriftelijk gedeelte van het examen inzake beroepsbekwaamheid of van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage door de Duitstalige kandidaten die hierom verzoeken in de Duitse taal worden afgelegd. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder Duitstalige kandidaat iedere persoon verstaan die houder is van een diploma van het secundair onderwijs dat werd behaald in een onderwijsinstelling van het Duitse taalgebied of iedere persoon wiens hoofdverblijfplaats of werkplaats zich sinds ten minste vijf jaar in een gemeente van het Duitse taalgebied bevindt.]1 <W 2005-04-07/63, art. 8, 125; Inwerkingtreding : 13-05-2006>
  [3 De kandidaten die zich voor het examen inzake beroepsbekwaamheid inschrijven moeten, op het ogenblik van hun inschrijving, licentiaat of master in de rechten zijn en tijdens de periode van vijf jaar voorafgaand aan de inschrijving gedurende ten minste vier jaar als houder van het diploma van licentiaat of master in de rechten, als voornaamste beroepsactiviteit juridische functies hebben uitgeoefend.
   De kandidaten die vijf keer niet geslaagd zijn voor het examen inzake beroepsbekwaamheid worden uitgesloten van elke latere deelname aan dat examen.]3

  De geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid [4 en het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer]4 behouden het voordeel van hun uitslag gedurende zeven jaar te rekenen van de datum van het proces-verbaal van het examen.
  [3 § 1/1. Op verzoek van de minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde wordt een vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage georganiseerd. Tijdens hetzelfde gerechtelijk jaar wordt op verzoek van de minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde een tweede vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage georganiseerd.
   De benoemingscommissie zendt het aantal geslaagden van het schriftelijke gedeelte van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage onverwijld over aan de minister bevoegd voor Justitie en zendt de definitieve rangschikking van de geslaagden van het vergelijkend examen onverwijld over aan de minister bevoegd voor Justitie.
   De geslaagden van het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage kunnen uiterlijk vier jaar na de afsluiting van de examens benoemd worden tot [6 magistraat in opleiding]6. Onder de geslaagden van verschillende vergelijkende toelatingsexamens tot de gerechtelijke stage wordt voorrang verleend aan degenen van wie de naam voorkomt op de lijst met de recentste datum van bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
   De kandidaten die vijf keer niet geslaagd zijn voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage worden uitgesloten van elke latere deelname aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage.]3

  § 2. [1 De Duitstalige geslaagden voor het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage moeten de eerste keer solliciteren voor een ambt van magistraat waarvoor de kennis van het Duits is vereist en moeten dit ambt gedurende ten minste drie jaar uitoefenen.]1
  § 3. De examenprogramma's bedoeld in § 1 (...) worden na goedkeuring door de algemene vergadering bekrachtigd door de Minister van Justitie en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. <W 2007-01-31/30, art. 44, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  (§ 4. De magistraten benoemd op grond van het examen inzake beroepsbekwaamheid [4 , het mondelinge evaluatie-examen of het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer]4, volgen [3 in de loop van de twee jaren die volgen op hun benoeming]3 een theoretische en een praktische opleiding waarvan de inhoud en duur worden vastgesteld door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.)[2 De verplichte opleiding van magistraten benoemd op grond van het examen inzake beroepsbekwaamheid of op grond van het mondelinge evaluatie-examen bevat een opleiding inzake budgettair beheer en gerechtskosten]2 <W 2007-01-31/30, art. 44, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  [4 De verplichte opleiding van magistraten benoemd op grond van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het mondelinge evaluatie-examen, van plaatsvervangende rechters en van plaatsvervangende raadsheren bevat een opleiding inzake deontologie.]4
  [5 § 5. Magistraten die benoemd worden als vrederechter, in of bij een politierechtbank, in of bij een rechtbank van eerste aanleg, in of bij een arbeidsrechtbank, in of bij een hof van beroep of in of bij een arbeidshof en die niet eerder deze opleiding hebben gevolgd, volgen in de loop van de twee jaren die volgen op hun benoeming een basisopleiding met betrekking tot seksueel geweld en intrafamiliaal geweld [7 met in het bijzonder aandacht voor feminicides en gendergerelateerde dodingen]7.]5
  
Art. 259bis 9. § 1er. La commission de nomination réunie prépare les programmes de l'examen d'aptitude professionnelle et du concours d'admission au stage judiciaire (ainsi que le programme de l'examen oral d'évaluation.) [4 Elle est également chargée de préparer le programme de l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant.]4 <L 2005-04-07/63, art. 8, 125; En vigueur : 13-05-2006>
  (L'examen d'aptitude professionnelle, le concours d'admission au stage judiciaire [4 , l'examen oral d'évaluation et l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant]4) visent à évaluer la maturité et la capacité nécessaires à l'exercice de la fonction de magistrat et sont effectués dans la langue du diplôme de docteur ou de licencié en droit du candidat. [1 Cependant, si la commission de nomination le décide, la partie écrite de l'examen d'aptitude professionnelle ou du concours d'admission au stage judiciaire pourra être effectuée en langue allemande pour les candidats germanophones qui en font la demande. Au sens du présent article, l'on entend par candidat germanophone, toute personne titulaire d'un diplôme d'études secondaires obtenu dans un établissement scolaire de la région de langue allemande, ou toute personne dont la résidence principale ou le lieu de travail se situe depuis au moins cinq ans dans une commune de la région de langue allemande.]1 <L 2005-04-07/63, art. 8, 125; En vigueur : 13-05-2006>
  [3 Les candidats qui s'inscrivent à l'examen d'aptitude professionnelle doivent, au moment de leur inscription, être licenciés ou détenteurs d'un master en droit et avoir, au cours des cinq années précédant l'inscription et à titre d'activité professionnelle principale, exercé des fonctions juridiques pendant au moins quatre ans en tant que titulaire du diplôme de licencié ou de master en droit.
   Les candidats qui ont échoué cinq fois à l'examen d'aptitude professionnelle sont exclus de toute participation ultérieure à cet examen.]3

  Les lauréats de l'examen d'aptitude professionnelle [4 et de l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant]4 conservent l'avantage de leur réussite pendant sept années à compter de la date du procès-verbal de l'examen.
  [3 § 1er/1. Un concours d'admission au stage judiciaire est organisé à la demande du ministre qui a la Justice dans ses attributions ou de son délégué. A la demande du ministre qui a la Justice dans ses attributions ou de son délégué, un second concours d'admission au stage judiciaire est organisé au cours de la même année judiciaire.
   La commission de nomination transmet sans délai au ministre qui a la Justice dans ses attributions le nombre de lauréats de la partie écrite du concours d'admission au stage judiciaire et transmet sans délai au ministre qui a la Justice dans ses attributions le classement définitif des lauréats du concours.
   Les lauréats du concours d'admission au stage judiciaire peuvent, au plus tard quatre ans après la clôture du concours, être nommés [6 magistrat en formation]6. Parmi les lauréats de plusieurs concours d'admission au stage judiciaire, priorité est donnée à ceux dont le nom figure sur la liste qui porte la date de publication au Moniteur belge la plus récente.
   Les candidats qui ont échoué cinq fois au concours d'admission au stage judiciaire sont exclus de toute participation ultérieure au concours d'admission au stage judiciaire.]3

  § 2. [1 Les lauréats germanophones de l'examen d'aptitude professionnelle et du concours d'admission au stage judiciaire doivent postuler, la première fois, pour un poste de magistrat où la connaissance de l'allemand est exigée et exercer cette fonction pendant une période minimale de trois ans.]1
  § 3. Après approbation par l'assemblée générale, les programmes d'examens visés au § 1er (...) sont ratifiés par le Ministre de la Justice et publiés au Moniteur belge. <L 2007-01-31/30, art. 44, 146; En vigueur : 02-02-2008>
  (§ 4. Les magistrats nommés sur la base de l'examen d'aptitude professionnelle [4 , de l'examen oral d'évaluation ou de l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant]4 reçoivent [3 au cours des deux années qui suivent leur nomination]3 une formation théorique et pratique dont le contenu et la durée sont établis par l'Institut de formation judiciaire. [2 La formation obligatoire des magistrats nommés sur la base de l'examen d'aptitude professionnelle ou de l'examen oral d'évaluation comprend une formation en matière de gestion budgétaire et de frais de justice.]2) <L 2007-01-31/30, art. 44, 146; En vigueur : 02-02-2008>
  [4 La formation obligatoire des magistrats nommés sur la base de l'examen d'aptitude professionnelle et de l'examen oral d'évaluation, des juges suppléants et des conseillers suppléants comprend une formation en matière de déontologie.]4
  [5 § 5. Les magistrats nommés en tant que juge de paix, dans ou près un tribunal de police, dans ou près un tribunal de première instance, dans ou près un tribunal du travail, dans ou près une cour d'appel ou dans ou près une cour du travail et qui n'ont pas suivi cette formation précédemment, reçoivent au cours des deux années qui suivent leur nomination une formation de base en matière de violences sexuelles et intrafamiliales [7 avec une attention particulière pour les féminicides et les homicides fondés sur le genre]7.]5
  
Art. 259bis 10.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De benoemingscommissies zijn bevoegd voor :
  1° de voordracht van kandidaten voor de benoemingen tot magistraat en de aanwijzingen tot korpschef, bijstandsmagistraat (, verbindingsmagistraat in jeugdzaken) [3 , federale magistraat of substituut-procureur voor de verkeersveiligheid]3, (bedoeld in artikel 58bis, 1°, 2° en 4°); <W 2000-07-17/34, art. 3, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2006-06-13/40, art. 41, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  2° de organisatie [1 van het schriftelijke en het mondelinge gedeelte]1 van het examen inzake beroepsbekwaamheid en het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit.
  (3° de organisatie van het mondelinge evaluatie-examen op de wijze en onder de voorwaarden die bij koninklijk besluit bepaald zijn en het verstrekken van de in artikel 191bis, § 2, laatste lid, bedoelde machtiging;)<W 2005-04-07/63, art. 9, 125 ; Inwerkingtreding : 13-05-2006>
  [2 4° de organisatie van het examen dat toegang verleent tot het ambt van plaatsvervangend rechter en van plaatsvervangend raadsheer op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij koninklijk besluit.]2
  § 2. Elke benoemingscommissie kan met een meerderheid van twee derden van haar leden besluiten om voor de uitoefening van de bevoegdheden [4 bedoeld in § 1, 2° en 4° en artikel 259bis-9]4 in haar midden een subcommissie in te stellen die evenveel magistraten als niet-magistraten telt. [4 Iedere benoemingscommissie kan voor de in paragraaf 1 bedoelde bevoegdheden een beroep doen op externe deskundigen die de benoemingscommissie of de subcommissies bijstaan.]4 [1 Deze deskundigen brengen verslag uit van hun werkzaamheden bij de benoemingscommissie die hen heeft aangewezen. De deskundigen die de subcommissies dienen bij te staan in de voorbereiding en de verbetering van de examens bedoeld in § 1, 2°, waarvan het schriftelijke gedeelte in het Duits werd afgenomen, worden aangewezen op grond van hun juridische en taalkundige bekwaamheid. Er zijn vier deskundigen: twee magistraten en twee niet-magistraten. Eén van de niet-magistraten moet licentiaat in de Germaanse filologie zijn en Duits gestudeerd hebben.]1 Deze deskundigen maken in geen geval deel uit van de subcommissies en mogen niet deelnemen aan de beraadslagingen.) <W 2003-05-03/45, art. 15, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  In de gevallen bedoeld in artikel 259bis-9 kan de ene benoemingscommissie of subcommissie niet meer stemmen uitbrengen dan de andere benoemingscommissie of subcommissie.
  § 3. Elke benoemingscommissie doet jaarlijks aan de algemene vergadering verslag over zijn werkzaamheden.
  
Art. 259bis 10. § 1er. Les commissions de nomination sont compétentes pour :
  1° la présentation des candidats en vue d'une nomination comme magistrat et d'une désignation aux fonctions de chef de corps, de (magistrat d'assistance, de magistrat de liaison en matière de jeunesse) [3 , de magistrat fédéral ou de substitut du procureur de la sécurité routière]3, (visées à l'article 58bis, 1°, 2° et 4°); <L 2000-07-17/34, art. 3, 080; En vigueur : 02-08-2000> <L 2006-06-13/40, art. 41, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  2° l'organisation [1 de la partie écrite et de la partie orale]1 de l'examen d'aptitude professionnelle et du concours d'admission au stage judiciaire selon les modalités et les conditions déterminées par arrêté royal;
  (3° l'organisation de l'examen oral d'évaluation selon les modalités et les conditions déterminées par arrêté royal, et l'octroi de l'autorisation visée à l'article 191bis, § 2, dernier alinéa.)<L 2005-04-07/63, art. 9, 125; En vigueur : 13-05-2006>
  [2 4° l'organisation de l'examen donnant accès à la fonction de juge suppléant et de conseiller suppléant selon les modalités et conditions déterminées par arrêté royal.]2
  § 2. Chaque commission de nomination peut, pour l'exercice des compétences visées [4 au § 1er, 2° et 4°, et à l'article 259bis-9]4 décider à la majorité des deux tiers de ses membres, d'instituer en son sein une sous-commission, composée d'un nombre égal de magistrats et de non-magistrats. [4 Chaque commission de nomination peut, pour l'exercice des compétences visées au paragraphe 1er, faire appel à des experts externes pour assister la commission de nomination ou les sous-commissions. ]4 [1 Ces experts font rapport de leurs travaux aux membres de la commission de nomination qui les a désignés. Les experts désignés pour assister les sous-commissions dans la préparation et dans la correction des examens visés au § 1er, 2°, dont la partie écrite a lieu en langue allemande, le sont sur la base de leurs compétences juridiques et linguistiques. Ils doivent être quatre : deux magistrats et deux non-magistrats. Parmi les non-magistrats, un d'entre eux doit être licencié en langues germaniques et avoir étudié l'allemand.]1 Ces experts ne font en aucun cas partie des sous-commissions et ne peuvent participer aux délibérations.) <L 2003-05-03/45, art. 15, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  Dans les cas prévus à l'article 259bis-9 aucune des deux commissions ou sous-commissions de nomination ne peut émettre plus de suffrages que l'autre.
  § 3. Chaque commission de nomination établit un rapport annuel de ses activités à l'intention de l'assemblée générale.
  
Afdeling VII. - De advies- en onderzoekscommissies.
Section VII. - Des commissions d'avis et d'enquête.
Art. 259bis 11.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Elk college stelt in zijn midden een advies- en onderzoekscommissie in die bestaat uit acht leden, waarvan de helft magistraten en de helft niet-magistraten zijn.
  Het voorzitterschap van elke advies- en onderzoekscommissie wordt bekleed door het daartoe aangewezen lid van het bureau. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudste aanwezige lid.
  Elke advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden aanwezig zijn.
  [1 Indien het vereiste quorum niet wordt bereikt omdat teveel leden afwezig of verhinderd zijn, kan de voorzitter, via loting, overgaan tot hun vervanging tot het quorum wordt bereikt. De loting vindt plaats uit de leden van de benoemings- en aanwijzingscommissie van hetzelfde taalcollege en met inachtname van de pariteit tussen magistraten en niet-magistraten. De vervanging geldt voor de duur van de afwezigheid of verhindering.]1
  § 2. De advies- en onderzoekscommissies vormen samen de verenigde advies- en onderzoekscommissie.
  Het voorzitterschap van de verenigde advies- en onderzoekscommissie wordt voor een termijn van twee jaar beurtelings bekleed door de voorzitters van de advies- en onderzoekscommissies, te beginnen met de oudste. Bij diens afwezigheid wordt het voorzitterschap waargenomen door het oudst aanwezige lid van de commissie waartoe de voorzitter in functie behoort.
  De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan slechts geldig beraadslagen wanneer ten minste zes leden van elke commissie aanwezig zijn.
  
Art. 259bis 11. § 1er. Chaque collège institue en son sein une commission d'avis et d'enquête, composée de huit membres, dont la moitié sont magistrats et la moitié non-magistrats.
   La présidence de chacune des commissions d'avis et d'enquête est exercée par le membre du bureau désigné à cet effet. En son d'absence, la présidence est assurée par le plus âgé des membres présents.
  La commission d'avis et d'enquête ne peut délibérer valablement que lorsqu'au moins six membres sont présents.
  [1 Si le quorum requis n'est pas atteint parce que trop de membres sont absents ou empêchés, le président peut, par tirage au sort, procéder à leur remplacement jusqu'à ce que le quorum soit atteint. Le tirage au sort s'effectue parmi les membres de la commission de nomination et de désignation du même collège linguistique et en tenant compte de la parité entre magistrats et non-magistrats. Le remplacement vaut pour la durée de l'absence ou de l'empêchement.]1
  § 2. Les commissions d'avis et d'enquête forment ensemble la commission d'avis et d'enquête réunie.
  La présidence de la commission d'avis et d'enquête réunie est exercée alternativement pour une durée de deux ans par les présidents des commissions d'avis et d'enquête, à commencer par le plus âgé. En cas d'absence du président, la présidence est assurée par le plus âgé des membres présents appartenant à la même commission que le président en exercice.
  La commission d'avis et d'enquête réunie ne peut délibérer valablement que lorsqu'au moins six membres de chaque commission sont présents.
  
Art. 259bis 12. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt, hetzij ambtshalve, hetzij op verzoek van de algemene vergadering, de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat de adviezen en voorstellen voor over :
  1° de algemene werking van de rechterlijke orde;
  2° de wetsvoorstellen en -ontwerpen die een weerslag hebben op de algemene werking van de rechterlijke orde;
  3° de aanwending van de beschikbare middelen.
  § 2. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan alle informatie inwinnen die nuttig is voor de taken vermeld in § 1, onverminderd het bepaalde in artikel 259bis-16.
  Een verzoek tot informatie aan leden van de rechterlijke orde geschiedt na voorafgaande kennisgeving aan hun respectieve korpschefs en hiërarchische meerderen. Is het lid van de rechterlijke orde geen magistraat, dan wordt de informatie meegedeeld na goedkeuring door de korpschef van het betrokken rechtscollege.
  § 3. De adviezen en voorstellen van de verenigde advies- en onderzoekscommissie zijn schriftelijk en hebben bindende, noch schorsende werking.
  (Voorzover er overeenkomstig artikel 259bis -18 meegedeelde adviezen en voorstellen betreffende de wetsontwerpen die een weerslag hebben op de werking van de rechterlijke orde beschikbaar zijn, worden zij aan de ontwerpen van de regering gehecht op het ogenblik waarop zij worden ingediend bij de Kamer van volksvertegenwoordigers of bij de Senaat.) <W 2002-12-19/59, art. 5, 101; 16-01-2003>
Art. 259bis 12. § 1er. La commission d'avis et d'enquête réunie prépare, soit d'office, soit à la demande de l'assemblée générale, du Ministre de la Justice ou de la majorité des membres de la Chambre des représentants ou du Sénat, les avis et les propositions concernant :
  1° le fonctionnement général de l'ordre judiciaire;
  2° les propositions et les projets de loi qui ont une incidence sur le fonctionnement de l'ordre judiciaire;
  3° l'utilisation des moyens disponibles.
  § 2. La commission d'avis et d'enquête réunie peut recueillir toutes les informations utiles en vue de l'exécution des taches mentionnées au § 1er, sans préjudice des dispositions de l'article 259bis-16.
  Toute demande d'information adressée aux membres de l'ordre judiciaire, est notifiée préalablement à leurs chefs de corps et supérieurs hiérarchiques respectifs. Lorsque le membre de l'ordre judiciaire n'a pas la qualité de magistrat, l'information sollicitée ne peut être communiquée qu'après approbation du chef de corps de la juridiction concernée.
  § 3. Les avis et propositions de la commission d'avis et d'enquête réunie sont formulés par écrit et n'ont aucun effet contraignant ou suspensif.
  (Les avis et les propositions relatifs aux projets de loi qui ont une incidence sur le fonctionnement de l'organisation judiciaire, communiqués conformément à l'article 259bis -18 sont annexés aux projets du gouvernement au moment de leur dépôt à la Chambre des représentants ou au Sénat, pour autant qu'ils soient disponibles.) <L 2002-12-19/59, art. 5, 101; 16-01-2003>
Art. 259bis 13. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> De verenigde advies- en onderzoekscommissie bereidt de standaardprofielen voor de functies van korpschef voor op basis van de criteria bepaald door de Hoge Raad.
  De standaardprofielen worden binnen een maand na goedkeuring door de algemene vergadering bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  De Koning kan de verschillende categorieën van profielen vastleggen.
Art. 259bis 13. La commission d'avis et d'enquête réunie prépare les profils généraux des chefs de corps sur la base des critères fixés par le Conseil supérieur.
  Les profils généraux sont publiés au Moniteur belge dans le mois de leur approbation par l'assemblée générale.
  Le Roi peut déterminer les différentes catégories de profils.
Art. 259bis 14.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie is belast met het algemeen toezicht op en de bevordering van het gebruik van de middelen van interne controle binnen de rechterlijke orde, bedoeld in de artikelen 140, 340, 398 tot 400 in fine, 401 tot 414, 651, 652, 838 en 1088 van het Gerechtelijk Wetboek en 441 en 442 van het Wetboek van Strafvordering.
  § 2. De overheden bevoegd voor de toepassing van de wetsbepalingen bedoeld in § 1, brengen hierover jaarlijks verslag uit aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie en aan de Minister van Justitie.
  [1 De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan zich te allen tijde alle documenten en inlichtingen die het nodig acht om haar opdrachten te vervullen, doen verstrekken. De gerechtelijke overheden zijn gehouden op dat verzoek in te gaan.]1 De Minister van Justitie wordt hiervan gelijktijdig in kennis gesteld.
  § 3. De verenigde advies- en onderzoekscommissie brengt jaarlijks verslag uit over de wijze waarop de middelen van interne controle worden aangewend en hun werking kan worden verbeterd.
  
Art. 259bis 14. § 1er. La commission d'avis et d'enquête réunie est chargée de surveiller de manière générale et de promouvoir l'utilisation des mécanismes de contrôle interne au sein de l'ordre judiciaire visés aux articles 140, 340, 398 à 400 in fine, 401 à 414, 651, 652, 838 et 1088 du Code judiciaire ainsi qu'aux articles 441 et 442 du Code d'instruction criminelle.
  § 2. Les autorités compétentes pour l'application des dispositions de loi visées au § 1er, sont tenues d'établir un rapport annuel en la matière à l'attention de la commission d'avis et d'enquête réunie ainsi qu'au Ministre de la Justice.
  [1 La commission d'avis et d'enquête réunie peut, à tout moment, se procurer tous les documents et renseignements qu'elle estime nécessaires en vue d'exercer ses missions. Les autorités judiciaires sont tenues d'accéder à cette demande.]1 Le Ministre de la Justice en est avisé simultanément.
  § 3. La commission d'avis et d'enquête réunie établit un rapport annuel sur la façon dont les moyens de contrôle interne sont employés et leur fonctionnement peut être amélioré.
  
Art. 259bis 15.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Elke advies- en onderzoekscommissie ontvangt de klachten over de werking van de rechterlijke orde en verzekert de opvolging ervan.
  § 2. Om ontvankelijk te zijn moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn en de volledige identiteit van de klager bevatten.
  § 3. Komen niet in aanmerking voor behandeling :
  1° klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;
  2° klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;
  3° klachten waarvan het doel via het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;
  4° klachten die reeds zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;
  5° klachten die kennelijk ongegrond zijn.
  Tot de niet-behandeling van de klacht wordt besloten bij gemotiveerde beslissing waartegen geen enkel beroep openstaat.
  In voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden die gehouden zijn de advies- en onderzoekscommissies op gemotiveerde wijze in te lichten over het gevolg dat aan de klacht werd gegeven.
  § 4. De klachten die de advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen worden, al naar gelang, ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschefs of hiërarchische meerderen van de personen die het voorwerp zijn van de klacht.
  Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de advies- en onderzoekscommissies de klacht op het ogenblik dat dit nuttig wordt geacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is.
  § 5. De personen die in kennis zijn gesteld van de klacht hebben het recht om hierover aan de advies- en onderzoekscommissies mondelinge of schriftelijke verklaringen af te leggen. De advies- en onderzoekscommissie kunnen deze personen om bijkomende inlichtingen verzoeken op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd.
  § 6. De advies- en onderzoekscommissies lichten de klager schriftelijk in over het gevolg dat aan de klacht gegeven werd.
  Bij gegronde klachten kunnen de advies- en onderzoekscommissies aanbevelingen doen ter oplossing van het gestelde probleem en voorstellen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde formuleren ten behoeve van de betrokken instanties en de Minister van Justitie.
  § 7. Elke advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten.
Art. 259bis 15. § 1er. Chaque commission d'avis et d'enquête reçoit et assure le suivi des plaintes concernant le fonctionnement de l'ordre judiciaire.
  § 2. Pour être recevables, les plaintes sont introduites par écrit, doivent être signées et datées et doivent contenir l'identité complète du plaignant.
  § 3. Les commissions d'avis et d'enquête ne traitent aucune plainte :
  1° relevant des compétences d'ordre pénal ou disciplinaire d'autres instances;
  2° portant sur le contenu d'une décision judiciaire;
  3° dont l'objet peut ou pouvait être atteint par l'application de voies de recours ordinaires ou extraordinaires;
  4° lorsque celle-ci a déjà été traitée et ne contient aucun nouvel élément;
  5° manifestement non fondée.
  La décision de ne pas traiter la plainte doit être motivée et n'est susceptible d'aucun recours.
  Le cas échéant, le plaignant est renvoyé vers les instances compétentes qui sont tenues d'informer de façon motivée les commissions d'avis et d'enquête de la suite réservée à la plainte.
  § 4. Les plaintes traitées par les commissions d'avis et d'enquête sont portées à la connaissance du chef de corps de la juridiction et des chefs de corps ou des supérieurs hiérarchiques des personnes qui font l'objet de la plainte.
  Sans préjudice des compétences du chef de corps ou du chef hiérarchique, les commissions d'avis et d'enquête portent, au moment où elles le jugent utile, la plainte à la connaissance de la personne contre qui la plainte est formulée ou pour laquelle la plainte est préjudiciable.
  § 5. Les personnes qui sont avisées de la plainte ont le droit de faire des déclarations verbales ou écrites à cet égard aux commissions d'avis et d'enquête. Les commissions d'avis et d'enquête peuvent demander de plus amples renseignements à ces personnes à condition d'en informer simultanément leur chef de corps ou supérieur hiérarchique.
  § 6. Les commissions d'avis et d'enquête informent par écrit le plaignant de la suite réservée à la plainte.
  Lorsque la plainte est fondée, les commissions d'avis et d'enquête peuvent adresser aux instances concernées et au Ministre de la Justice toute recommandation susceptible d'offrir une solution au problème soulevé ainsi que toute proposition visant à améliorer le fonctionnement général de l'ordre judiciaire.
  § 7. Chaque commission d'avis et d'enquête établit au moins une fois par an un rapport écrit sur le suivi des plaintes reçues.
  TOEKOMSTIG RECHT
  DROIT FUTUR
Art. 259bis 15. [1 § 1. Elke advies- en onderzoekscommissie ontvangt en volgt de klachten op over de werking van de rechterlijke orde, met inbegrip van de klachten over het gedrag van de leden en personeelsleden van de rechterlijke orde alsook van de personen die onder toezicht van die leden een opdracht vervullen, met uitzondering van de leden van de rechterlijke orde die worden bedoeld in het tweede deel, boek I, titel VI, hoofdstuk Vbis.
   Voor behandeling door de advies- en onderzoekscommissies komen niet in aanmerking :
   1° klachten die behoren tot de strafrechtelijke of tuchtrechtelijke bevoegdheid van andere overheden;
   2° klachten met betrekking tot de inhoud van een rechterlijke beslissing;
   3° klachten waarvan het doel door middel van het aanwenden van een gewoon of buitengewoon rechtsmiddel kan of kon worden bereikt;
   4° klachten die al zijn behandeld en geen nieuwe elementen bevatten;
   5° klachten die gelijkstaan met algemene verzoeken om inlichtingen of met vragen over dossiers die in behandeling zijn;
   6° kennelijk ongegronde klachten.
   In die gevallen wordt tot niet-behandeling van de klacht besloten bij een met redenen omklede beslissing waartegen geen enkel beroep open staat.
   § 2. Elke belanghebbende kan kosteloos zijn klacht indienen bij de Hoge Raad voor de Justitie.
   Om ontvankelijk te zijn, moeten de klachten schriftelijk, ondertekend en gedagtekend zijn door de klager of door zijn gemachtigde, en de volledige identiteit bevatten van de klager, alsook een bondige beschrijving van de feiten.
   De klacht kan ook elektronisch worden ingediend. In dat geval kan de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere, een schriftelijke bevestiging van de klacht vragen, die is ondertekend en gedagtekend door de klager of zijn gemachtigde.
   § 3. Elke overheid die een klacht ontvangt zoals bepaald bij § 1, eerste lid, deelt die integraal mee aan de Hoge Raad voor de Justitie.
   § 4. Na de klacht te hebben geregistreerd, zenden de advies- en onderzoekscommissies ze voor behandeling naar de korpschef of diens hiërarchische meerdere, die zij bevoegd acht om ze te behandelen. Tegelijk brengen ze de klager hiervan op de hoogte.
   De registratie van de klacht, alsmede de behandeling ervan en de communicatie tussen de in het eerste lid bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere en de advies- en onderzoekscommissies, geschieden volgens nadere regels welke de Koning bepaalt op voorstel van de advies- en onderzoekscommissies.
   § 5. De in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere bericht onverwijld ontvangst van de klacht en vermeldt hierbij de datum waarop de klacht werd ontvangen. Tegelijk brengt de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere de klager ervan op de hoogte dat de klacht bij hem is aanhangig gemaakt. Op het ogenblik waarop de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere dat nuttig acht, deelt hij de klacht mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of aan de persoon voor wie de klacht bezwarend is.
   De Koning regelt de procedure van interne klachtenbehandeling door de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere, na advies van de Hoge Raad voor de Justitie. Elke beslissing wordt met redenen omkleed en wordt gewezen binnen drie maanden vanaf de ontvangst van de klacht. De in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere kan in voorkomend geval beslissen de klager, de persoon tegen wie de klacht gericht is of de persoon voor wie de klacht bezwarend is te horen en bijkomende inlichtingen te vragen. In dit geval kan de termijn van drie maanden tot vier maanden worden verlengd.
   De in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere licht de advies- en onderzoekscommissies en de klager schriftelijk in over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.
   § 6. Wanneer de advies- en onderzoekscommissies een klacht ontvangen die geen betrekking heeft op de werking van de rechterlijke orde, wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden, die de advies- en onderzoekscommissies op met redenen omklede wijze inlichten over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.
   Wanneer de advies- en onderzoekscommissies een klacht ontvangen als bedoeld in § 1, tweede lid, wordt tot niet-behandeling van de klacht besloten bij een met redenen omklede beslissing waartegen geen enkel beroep open staat. In voorkomend geval wordt de klager doorverwezen naar de bevoegde overheden, die de advies- en onderzoekscommissies op een met redenen omklede wijze inlichten over het gevolg dat aan de klacht is gegeven.
   § 7. De advies- en onderzoekscommissies behandelen zelf de klacht indien ze van mening zijn dat geen andere overheid bevoegd is of dat zij het beste geschikt zijn om ze te behandelen. Zij kunnen eveneens een in § 5 bedoelde klacht zelf onderzoeken wanneer ze niet binnen de vastgestelde termijn is behandeld.
   De klachten die de advies- en onderzoekscommissies zelf behandelen, worden ter kennis gebracht van de korpschef van het rechtscollege en van de korpschef of hiërarchische meerdere van de persoon op wie de klacht betrekking heeft.
   Onverminderd de bevoegdheden van de korpschef of de hiërarchische meerdere, delen de advies- en onderzoekscommissies de klacht, op het ogenblik waarop ze dit nuttig achten, mee aan de persoon tegen wie de klacht gericht is of voor wie de klacht bezwarend is.
   De advies- en onderzoekscommissies kunnen beslissen om de klager, de persoon tegen wie de klacht gericht is of de persoon voor wie de klacht bezwarend is te horen. De advies- en onderzoekscommissies kunnen eveneens deze personen om bijkomende inlichtingen verzoeken, op voorwaarde dat hun korpschef of hiërarchische meerdere gelijktijdig wordt verwittigd.
   De advies- en onderzoekscommissies doen in voorkomend geval aanbevelingen ter oplossing van het gerezen probleem.
   De advies- en onderzoekscommissies brengen de klager schriftelijk op de hoogte van de genomen beslissing.
   § 8. Wanneer de klager na afloop van de in § 5 bedoelde procedure niet tevreden is met het antwoord van de in § 4 bedoelde korpschef of hiërarchische meerdere of wanneer deze zonder rechtvaardiging nalaat om binnen de vastgestelde termijn te antwoorden, kan de klager zich wenden tot de Hoge Raad voor de Justitie.
   Op basis van de analyse van de klacht, doen de advies- en onderzoekscommissies in voorkomend geval aanbevelingen ter oplossing van het gerezen probleem.
   § 9. Op basis van de klachten kan de Verenigde advies- en onderzoekscommissie aanbevelingen ter verbetering van de algemene werking van de rechterlijke orde sturen aan de betrokken overheden, de minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat.
   § 10. De in artikel 259bis-7, § 2, 1°, bedoelde goedkeuring van de algemene vergadering is niet vereist voor de aanbevelingen van de advies- en onderzoekscommissies.
   § 11. De Verenigde advies- en onderzoekscommissie stelt minstens eenmaal per jaar een schriftelijk verslag op over de opvolging van de ontvangen klachten.]1

  
Art. 259bis 15. [1 § 1er. Chaque commission d'avis et d'enquête reçoit et assure le suivi des plaintes concernant le fonctionnement de l'ordre judiciaire, en ce compris le comportement des membres et des membres du personnel de l'ordre judiciaire ainsi que des personnes qui remplissent une mission sous le contrôle de ces membres, à l'exception des membres de l'ordre judiciaire visés dans la deuxième partie, livre Ier, titre VI, chapitre Vbis.
   Les commissions d'avis et d'enquête ne traitent aucune plainte :
   1° relevant des compétences d'ordre pénal ou disciplinaire d'autres autorités;
   2° portant sur le contenu d'une décision judiciaire;
   3° dont l'objectif peut ou pouvait être atteint par l'application d'une voie de recours ordinaire ou extraordinaire;
   4° qui a déjà été traitée et ne contient aucun élément nouveau;
   5° assimilable à une demande générale de renseignements ou relative à des dossiers en cours;
   6° manifestement non fondée.
   Dans ces cas, la décision de ne pas traiter la plainte est motivée et n'est susceptible d'aucun recours.
   § 2. Toute personne intéressée peut introduire, sans frais, sa plainte auprès du Conseil supérieur de la Justice.
   Pour être recevables, les plaintes doivent être introduites par écrit, signées, datées par le plaignant ou son mandataire, et doivent contenir l'identité complète du plaignant, ainsi qu'une description succincte des faits.
   La plainte peut également être introduite par voie électronique. Dans ce cas, le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, peut demander confirmation de la plainte par un écrit, signé et daté par le plaignant ou son mandataire.
   § 3. Toute autorité qui reçoit une plainte telle que définie au § 1er, alinéa 1er, la communique dans son intégralité, au Conseil supérieur de la Justice.
   § 4. Après l'enregistrement de la plainte, les commissions d'avis et d'enquête l'adressent au chef de corps concerné, ou à son supérieur hiérarchique, qu'elles estiment compétent pour la traiter. Elles en informent, dans le même temps, le plaignant.
   L'enregistrement de la plainte, de même que le traitement de celle-ci et les communications entre le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés à l'alinéa 1er, et les commissions d'avis et d'enquête sont effectués selon des modalités arrêtées par le Roi, sur proposition des commissions d'avis et d'enquête.
   § 5. Le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, accuse réception de la plainte sans délai, en mentionnant la date à laquelle la plainte a été reçue. Le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, informe, dans le même temps, le plaignant de sa saisine. Au moment où le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, le juge utile, il porte la plainte à la connaissance de la personne contre laquelle la plainte est formulée ou de la personne à laquelle la plainte est préjudiciable.
   La procédure interne de règlement des plaintes par le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, est réglée par le Roi, sur avis du Conseil supérieur de la Justice. Toute décision est motivée et rendue dans un délai de trois mois à dater de la réception de la plainte. Le cas échéant, le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, peut décider d'entendre le plaignant, la personne contre laquelle la plainte est formulée ou la personne à laquelle la plainte est préjudiciable et demander des compléments d'information. Dans ce cas, le délai de trois mois peut être porté à quatre mois.
   Le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, informe par écrit les commissions d'avis et d'enquête, ainsi que le plaignant, de la suite réservée à la plainte.
   § 6. Lorsque les commissions d'avis et d'enquête reçoivent une plainte qui ne concerne pas le fonctionnement de l'ordre judiciaire, le plaignant est renvoyé vers les autorités compétentes, qui informent de façon motivée les commissions d'avis et d'enquête de la suite réservée à la plainte.
   Lorsque les commissions d'avis et d'enquête reçoivent une plainte visée au § 1er, alinéa 2, la décision de ne pas la traiter n'est susceptible d'aucun recours. Le cas échéant, le plaignant est renvoyé vers les autorités compétentes, qui informent de façon motivée les commissions d'avis et d'enquête de la suite réservée à la plainte.
   § 7. Les commissions d'avis et d'enquête traitent elles-mêmes la plainte si elles estiment qu'aucune autre autorité n'est compétente ou qu'elles sont le plus à même de la traiter. Elles peuvent également se saisir d'une plainte, visée au § 5, qui n'aurait pas été traitée dans le délai requis.
   Les plaintes traitées par les commissions d'avis et d'enquête sont portées à la connaissance du chef de corps de la juridiction et du chef de corps ou du supérieur hiérarchique de la personne qui fait l'objet de la plainte.
   Sans préjudice des compétences du chef de corps ou du supérieur hiérarchique, les commissions d'avis et d'enquête portent, au moment où elles le jugent utile, la plainte à la connaissance de la personne contre laquelle la plainte est formulée ou à laquelle la plainte est préjudiciable.
   Les commissions d'avis et d'enquête peuvent décider d'entendre le plaignant, la personne contre laquelle la plainte est formulée, ou la personne à laquelle la plainte est préjudiciable. Les commissions d'avis et d'enquête peuvent également demander de plus amples renseignements à ces personnes, à condition d'en informer simultanément leur chef de corps ou supérieur hiérarchique.
   Le cas échéant, les commissions d'avis et d'enquête font des recommandations susceptibles d'offrir une solution au problème soulevé.
   Les commissions d'avis et d'enquête informent le plaignant par écrit de la décision prise.
   § 8. Lorsque, à l'issue de la procédure visée au § 5, le plaignant n'est pas satisfait de la réponse formulée par le chef de corps ou le supérieur hiérarchique, visés au § 4, ou, lorsque celui-ci omet de répondre dans le délai requis sans justification, il peut s'adresser au Conseil supérieur de la Justice.
   Sur la base de l'analyse de la plainte, les commissions d'avis et d'enquête font, le cas échéant, des recommandations susceptibles d'offrir une solution au problème soulevé.
   § 9. Sur la base des plaintes, la commission d'avis et d'enquête réunie peut adresser aux autorités concernées, au ministre de la Justice, à la Chambre des représentants et au Sénat toute recommandation visant à améliorer le fonctionnement de l'ordre judiciaire.
   § 10. Les recommandations formulées par les commissions d'avis et d'enquête ne requièrent pas l'approbation de l'assemblée générale, visée à l'article 259bis-7, § 2, 1°.
   § 11. La Commission d'avis et d'enquête réunie établit au moins une fois par an, un rapport écrit sur le suivi des plaintes reçues.]1

  
Art. 259bis 16.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De verenigde advies- en onderzoekscommissie kan met uitsluiting van strafrechtelijke en tuchtrechtelijke bevoegdheden een bijzonder onderzoek instellen naar de werking van de rechterlijke orde.
  Dit onderzoek gebeurt hetzij ambtshalve na voorafgaande goedkeuring door de meerderheid van de leden van de verenigde advies- en onderzoekscommissie, hetzij op verzoek van de Minister van Justitie of de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat.
  § 2. Het onderzoek wordt in opdracht van de verenigde advies- en onderzoekscommissie uitgevoerd door de bevoegde korpschef of hiërarchische meerdere die hierover schriftelijk verslag uitbrengt binnen de door de verenigde advies- en onderzoekscommissie vastgestelde termijn.
  § 3. Het onderzoek wordt uitzonderlijk door de verenigde advies- en onderzoekscommissie zelf uitgevoerd na voorafgaande goedkeuring door twee derden van haar leden wanneer :
  1° de Minister van Justitie dit bij zijn verzoek heeft gevraagd;
  2° het gelet op het onderwerp van het onderzoek niet raadzaam is dit op te dragen aan de korpschef of de hiërarchische meerdere bedoeld in § 2 of het onderzoek door dezen niet naar behoren is of wordt gevoerd.
  De Minister van Justitie wordt hiervan voor aanvang van het onderzoek in kennis gesteld.
  De verenigde advies- en onderzoekscommissie voert het onderzoek onder leiding van een lid-magistraat en kan :
  1° zich ter plaatse begeven teneinde alle nuttige vaststellingen te doen, zonder te kunnen overgaan tot huiszoeking;
  2° [1 ...]1 gerechtelijke dossiers raadplegen en zich deze ter plaatse doen overleggen teneinde er kennis van te nemen alsook uittreksels en kopies ervan nemen of zich deze kosteloos doen bezorgen;
  3° [1 leden van de rechterlijke orde of elke andere persoon waarvan het horen nuttig is bij wijze van inlichting horen, in voorkomend geval, onder ede.]1 In voorkomend geval is het deze [1 personen]1 toegestaan verklaringen af te leggen die gedekt zijn door het beroepsgeheim.
  § 4. De verenigde advies- en onderzoekscommissie stelt over elk onderzoek een verslag op dat wordt goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van haar leden.
  
Art. 259bis 16. § 1er. La commission d'avis et d'enquête réunie peut, à l'exclusion de toute compétence pénale et disciplinaire, engager une enquête particulière sur le fonctionnement de l'ordre judiciaire.
  Cette enquête est engagée, soit d'office, après approbation préalable par la majorité des membres de la commission d'avis et d'enquête réunie, soit à la demande du Ministre de la Justice, soit à la demande de la majorité des membres de la Chambre des représentants ou du Sénat.
  § 2. La commission d'avis et d'enquête réunie ordonne au chef de corps ou au supérieur hiérarchique compétent de mener l'enquête et de remettre un rapport écrit dans le délai fixé par la commission d'avis et d'enquête réunie.
  § 3. La commission d'avis et d'enquête réunie mène exceptionnellement l'enquête elle-même après approbation préalable, par deux tiers de ses membres, lorsque :
  1° le Ministre de la Justice l'a demandé lors de sa requête à la commission;
  2° en raison de l'objet de l'enquête, il n'est pas indiqué de la confier au chef de corps ou au supérieur hiérarchique vise au § 2 ou lorsque ceux-ci n'ont pas mené ou ne mènent pas l'enquête comme il se doit.
  Le Ministre de la Justice est informé de cette décision avant le début de l'enquête.
  La commission d'avis et d'enquête réunie mène l'enquête sous la direction d'un membre magistrat et peut :
  1° descendre sur les lieux afin de faire toutes les constatations utiles, sans toutefois pouvoir procéder à une perquisition;
  2° consulter et se faire produire, sans déplacement, pour en prendre connaissance, des dossiers judiciaires [1 ...]1, en prendre des extraits, des copies ou se faire fournir ceux-ci sans frais;
  3° [1 entendre les membres de l'ordre judiciaire ainsi que toute personne dont l'audition est utile à l'enquête à titre d'information, le cas échéant, sous serment.]1 Dans ce cadre, la personne entendue est autorisée à faire des déclarations, qui sont couvertes par le secret professionnel.
  § 4. Pour chaque enquête, la commission d'avis et d'enquête réunie rédige un rapport qui est approuvé à la majorité des deux tiers de ses membres.
  
Art. 259bis 17.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De betrokken commissie heeft in het kader van de uitoefening van de bevoegdheden bedoeld in de artikelen 259bis-11 tot 259bis-16 tevens het recht de werking van de rechterlijke orde door te lichten, zonder zich te kunnen mengen in de [1 inhoudelijke]1 behandeling van lopende dossiers.
  § 2. (...) <W 2003-05-03/45, art. 16, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  
Art. 259bis 17. § 1er. L'exercice des compétences visées a ux articles 259bis-11 à 259bis-16 comporte également pour la commission concernée le droit de réaliser un audit du fonctionnement de l'ordre judiciaire, sans pour autant pouvoir intervenir dans le traitement [1 de fond]1 des dossiers en cours.
  § 2. (...) <L 2003-05-03/45, art. 16, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  
Art. 259bis 18.<W 2002-12-19/59, art. 6, 101; 16-01-2003> § 1. De adviezen en voorstellen bedoeld in artikel 259bis -12, § 1, en de verslagen bedoeld in de artikelen 259bis -14, § 3, 259bis -15, § 7, en 259bis -16, § 4, worden ter goedkeuring overgezonden aan de algemene vergadering, die ze vervolgens meedeelt aan de Minister van Justitie, aan de Kamer van volksvertegenwoordigers, aan de Senaat, alsook aan de korpschefs van de hoven en van het openbaar ministerie bij deze hoven.
  § 2. Een goedkeuring van de algemene vergadering is niet vereist voor de adviezen met spoedeisend karakter aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie gevraagd door de minister van Justitie of door de meerderheid van de leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers of van de Senaat. Het spoedeisend karakter wordt bepaald door de verzoekende instantie.
  Het spoedeisend karakter moet gemotiveerd worden, met uiteenzetting van de uitzonderlijke omstandigheden.
  In dat geval wordt onverwijld door de verenigde advies- en onderzoekscommissie aan de leden van de algemene vergadering mededeling gedaan van het verzoek om spoedadvies, en de tekst van het voorstel of ontwerp waarover het advies wordt gevraagd op basis van artikel 259bis -12, § 1.
  De termijnen waarbinnen de adviezen moeten worden afgeleverd, maken het voorwerp uit van een protocolakkoord tussen de minister van Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers, de Senaat en de Hoge Raad voor de Justitie.
  De leden van de algemene vergadering kunnen hun opmerkingen schriftelijk en binnen de vooropgestelde termijn overzenden aan de verenigde advies- en onderzoekscommissie, die hierover overlegt. Een samenvatting van de opmerkingen wordt toegevoegd aan het advies.
  Het advies en de samenvatting van de opmerkingen worden overgezonden aan de verzoekende instantie en aan de leden van de algemene vergadering.
Art. 259bis 18.<L 2002-12-19/59, art. 6, 101; 16-01-2003> § 1er. Les avis et propositions visés à l'article 259bis -12, § 1er, et les rapports visés aux articles 259bis -14, § 3, 259bis -15, § 7, et 259bis -16, § 4, sont transmis pour approbation à l'assemblée générale, qui les communique ensuite au Ministre de la Justice, à la Chambre des représentants, au Sénat, ainsi qu'aux chefs de corps des cours et du ministère public près ces cours.
  § 2. L'approbation de l'assemblée générale n'est pas requise pour les avis requis dans l'urgence, auprès de la commission d'avis et d'enquête réunie, par le ministre de la Justice ou par la majorité des membres de la Chambre des représentants ou du Sénat. L'instance qui requiert l'avis définit l'urgence.
  L'urgence doit être motivée, par un exposé des circonstances exceptionnelles.
  Dans ce cas, la commission d'avis et d'enquête réunie communique immédiatement la demande d'avis à caractère urgent, ainsi que le texte de la proposition ou du projet sur lequel un avis est demandé sur la base de l'article 259bis -12, § 1er, aux membres de l'assemblée générale.
  Les délais dans lesquels les avis doivent être rendus font l'objet d'un protocole d'accord entre le ministre de la Justice, la Chambre des représentants, le Sénat et le Conseil supérieur de la Justice.
  Les membres de l'assemblée générale peuvent transmettre leurs observations par écrit et dans le délai prescrit à la commission d'avis et d'enquête réunie qui en débat. Un résumé des remarques est joint à l'avis.
  L'avis et le résumé des remarques sont transmis à l'instance qui requiert et aux membres de l'assemblée générale.
Afdeling VIII. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Section VIII. - Dispositions communes.
Art. 259bis 19.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. Het is de leden van de Hoge Raad verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing over zaken waarbij zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben, waarbij hun bloed- of aanverwanten tot in de vierde graad of de personen met wie zij een feitelijk gezin vormen een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben of waarbij zij in een professionele hoedanigheid betrokken zijn of zijn geweest.
  § 2. Wanneer een lid van de Hoge Raad bij de uitoefening van zijn opdrachten kennis krijgt van een misdaad of een wanbedrijf, moet hij overeenkomstig artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering de bevoegde procureur des Konings onverwijld in kennis stellen.
  (§ 2bis. Wanneer de Hoge Raad bij het uitvoeren van zijn opdrachten van mening is dat een van zijn leden behorend tot de Rechterlijke Orde, een magistraat, een lid van de griffies en parketsecretariaten, een lid van het personeel van de griffies en de parketsecretariaten of een verstrekker van het advies bedoeld in de artikelen 259ter, § 1, en 259quater, § 1, niet voldoet aan de plichten van zijn ambt of weigert zijn medewerking te verlenen, brengt de Hoge Raad dit in voorkomend geval ter kennis van de bevoegde tuchtoverheden met het verzoek te onderzoeken of een tuchtprocedure dient te worden ingesteld. Hij deelt dit terzelfder tijd mee aan de Minister van Justitie.
  Wanneer de Hoge Raad dezelfde vaststelling doet omtrent zijn andere leden, deelt hij dit terzelfder tijd mee aan de voorzitter van de Senaat.
  De tuchtoverheden stellen de Hoge Raad op een met redenen omklede wijze in kennis van het gevolg dat hieraan is gegeven.) <W 2003-05-03/45, art. 17, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  [1 Een in artikel 259bis-5, § 1, bedoeld orgaan dat vaststelt dat een magistraat zijn medewerking weigert te verlenen aan de uitoefening van de in artikelen 259bis-10, 259bis-12, 259bis-14, 259bis-15, 259bis-16 en 259bis-17, bedoelde bevoegdheden van de Hoge Raad kan de zaak doorverwijzen naar de tuchtrechtbank en maakt haar in dat geval de uiteenzetting van de feiten en de middelen over. Het betrokken orgaan brengt de minister bevoegd voor Justitie terzelfder tijd op de hoogte van deze doorverwijzing.]1
  § 3. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de leden van de Hoge Raad, op hun opvolgers, op de deskundigen en op het personeel van de Raad voor alle gegevens waarvan zij kennis nemen in het kader van de uitoefening van hun opdrachten in de Hoge Raad.
  
Art. 259bis 19. § 1er. Il est interdit aux membres du Conseil supérieur d'assister aux délibérations ou à une décision relatives à des matières dans lesquelles ils ont, eux mêmes ou leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré inclus ou les personnes avec lesquelles ils forment un ménage de fait, un intérêt personnel et direct ou dans lesquelles ils interviennent ou sont intervenus dans le cadre de l'exercice de leur profession.
   § 2. Lorsqu'un membre du Conseil supérieur acquiert la connaissance, dans le cadre de l'exercice le ses missions, d'un crime ou d'un délit, il doit en informer immédiatement le procureur du Roi compétent conformément à l'article 29 du Code d'instruction criminelle.
  (§ 2bis. Lorsque, dans le cadre de l'exercice de ses missions, le Conseil supérieur estime qu'un de ses membres appartenant à l'Ordre judiciaire, un magistrat, un membre des greffes et des secrétariats du parquet, un membre du personnel des greffes et des secrétariats du parquet ou un auteur d'avis visé aux articles 259ter, § 1er, et 259quater, § 1er, manque aux devoirs de sa charge ou encore refuse de collaborer, le Conseil supérieur en informe, le cas échéant, les autorités disciplinaires compétentes en leur demandant d'examiner s'il y a lieu d'engager une procédure disciplinaire. Il en informe simultanément le ministre de la Justice.
  Lorsque le Conseil supérieur fait la même constatation à propos de ses autres membres, il en informe simultanément le président du Sénat.
  Les autorités disciplinaires informent le Conseil supérieur de façon motivée des suites qui y sont réservées.) <L 2003-05-03/45, art. 17, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  [1 Un organe visé à l'article 259bis-5, § 1er, qui constate qu'un magistrat refuse d'apporter sa collaboration à l'exercice des compétences du Conseil supérieur visées aux articles 259bis-10, 259bis-12, 259bis-14, 259bis-15, 259bis-16 et 259bis-17, peut s'adresser au tribunal disciplinaire et lui transmet, dans ce cas, un exposé des faits et des moyens. L'organe concerné informe simultanément le ministre qui a la Justice dans ses attributions de cette transmission.]1
  § 3. L'article 458 du Code pénal est applicable aux membres du Conseil supérieur, à leurs successeurs, aux experts et au personnel du Conseil pour toutes les données dont ils connaissent dans le cadre de l'exercice de leurs missions au sein du Conseil supérieur.
  
Art. 259bis 20. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De Hoge Raad moet steeds in kennis worden gesteld van een tuchtprocedure tegen een van zijn leden, alsook van de redenen die aan deze procedure ten grondslag liggen.
  Ingeval de Hoge Raad van oordeel is dat de tuchtprocedure steunt op de activiteiten die betrokkene in de Raad uitoefent, voegt hij zijn advies bij het dossier betreffende de procedure.
  § 2. De bepalingen van § 1 zijn van toepassing op voormalige leden van de Hoge Raad gedurende vier jaren te rekenen van de beëindiging van hun mandaat.
Art. 259bis 20. § 1er. Le Conseil supérieur doit toujours être informé d'une procédure disciplinaire dont un de ses membres fait l'objet ainsi que des raisons qui justifient cette procédure.
  Si le Conseil supérieur estime que l'action disciplinaire est basée sur les activités de l'intéressé au sein de celui-ci, son avis est joint au dossier de la procédure.
  § 2. Les dispositions du § 1er sont applicables aux anciens membres du Conseil supérieur durant les quatre années qui suivent l'expiration de leur mandat.
Art. 259bis 21.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. (De magistraten die lid zijn van het bureau hebben op jaarbasis recht op een toelage van 15.000 EUR. De niet-magistraten die lid zijn van het bureau genieten een wedde die gelijk staat met die van kamervoorzitter in het hof van beroep met eenentwintig jaar nuttige anciënniteit.
  Artikel 362 is van toepassing op het in het vorige lid vermelde bedrag.) <W 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
  § 2. De leden van de Hoge Raad die geen lid zijn van het bureau hebben voor hun werkzaamheden in de Hoge Raad en de commissies recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag niet meer mag bedragen dan 1/30 van de maandelijkse toelage toegekend aan (de leden van het bureau die geen magistraat zijn), dat geen magistraat is. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van bovenvermelde maximumtoelage. <W 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
  § 3. De leden van de Hoge Raad hebben recht op de vergoedingen voor de reis- en verblijfkosten overeenkomstig de bepalingen die van toepassing zijn [1 op het personeel van de federale overheidsdiensten]1. [1 ...]1
  (§ 4. De Hoge Raad kan aan zijn leden een vergoeding per uur toekennen voor de werkzaamheden verricht buiten de lokalen van de Hoge Raad, die betrekking hebben op de verbetering van de examens en de vergelijkende examens alsook voor het onderzoek van klachten voor zover deze prestaties niet worden vergoed op grond van §§ 2 en 3.) <W 2000-07-17/34, art. 4, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  
Art. 259bis 21. § 1er. (Les magistrats qui sont membres du bureau ont, sur une base annuelle, droit à une allocation de 15.000 EUR. Les non-magistrats qui sont membres du bureau bénéficient d'un traitement égal a celui de président de chambre de cour d'appel comptant vingt et un ans d'ancienneté utile.
  L'article 362 est applicable au montant visé dans l'alinéa précédent.) <L 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
  § 2. Les membres du Conseil supérieur qui ne sont pas membres du bureau ont droit, pour leurs activités au sein du Conseil supérieur et des commissions, à des jetons de présence, dont le montant ne peut dépasser, par journée de prestation, 1/30e de l'allocation mensuelle allouée (aux membres non-magistrats du bureau). Les activités inférieures à quatre heures par jour donnent droit à la moitié de l'allocation maximale précitée. <L 2002-12-19/59, art. 7, 101; 16-01-2003>
  § 3. Les membres du Conseil supérieur ont droit aux indemnités pour frais de déplacement et de séjour conformément aux dispositions applicables [1 au personnel des services publics fédéraux]1. [1 ...]1
  (§ 4. Le Conseil supérieur peut octroyer une indemnité horaire à ses membres pour les travaux effectués hors des locaux du Conseil supérieur relatifs à la correction des examens et des concours ainsi que pour l'examen des plaintes, pour autant que ces prestations ne soient pas rémunérées sur base des §§ 2 et 3.) <L 2000-07-17/34, art. 4, 080; En vigueur : 02-08-2000>
  
Art. 259bis 22.<INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 45, Inwerkingtreding : 01-03-1999> § 1. De zetel van de Hoge Raad is gevestigd in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  § 2. [2 Voor de financiering van de werking van de Hoge Raad wordt een dotatie uitgetrokken op de algemene uitgavenbegroting van de Staat.
   De Hoge Raad stelt jaarlijks een ontwerp van begroting op voor zijn werking. Bijgestaan door het Rekenhof, onderzoekt de Kamer van volksvertegenwoordigers de gedetailleerde begrotingsvoorstellen van de Hoge Raad, zij keurt ze goed en zij controleert de uitvoering van zijn begroting. Zij onderzoekt ze en keurt daarenboven de gedetailleerde rekeningen goed.
   De Hoge Raad hanteert voor zijn begroting en rekeningen een schema dat vergelijkbaar is met het schema van de begroting en rekeningen van de Kamer van volksvertegenwoordigers.]2

  
Art. 259bis 22. § 1er. Le siège du Conseil supérieur est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
  § 2. [2 Une dotation est inscrite au budget général des dépenses de l'Etat pour financer le fonctionnement du Conseil supérieur.
   Le Conseil supérieur établit annuellement un projet de budget pour son fonctionnement. Assistée par la Cour des comptes, la Chambre des représentants examine les propositions budgétaires détaillées du Conseil supérieur. Elle les approuve et contrôle l'exécution du budget du Conseil supérieur. Elle examine et approuve en outre les comptes détaillés.
   Pour son budget et ses comptes, le Conseil supérieur utilise un schéma budgétaire et des comptes comparable à celui qui est utilisé par la Chambre des représentants.]2

  
HOOFDSTUK Vter. - Benoemings- en aanwijzingsprocedure.
CHAPITRE VTER. - De la procédure de nomination et de désignation.
Afdeling I. - Benoemingen.
Section I. - Des nominations.
Art. 259ter. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. Vooraleer de Koning tot een benoeming bedoeld in artikel 58bis, 1° overgaat, vraagt de Minister van Justitie binnen [2 vijfendertig]2 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad, [2 voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bedoeld in de artikelen 287sexies en 216bis,]2 een gemotiveerd schriftelijk advies (overeenkomstig een door de Minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier) aan : <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald , uiterlijk op 02-06-2004>
  1° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, behoudens wanneer het een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof betreft;
  2° de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als magistraat, hetzij als plaatsvervangend magistraat (hetzij als referendaris of parketjurist, [4 hetzij als magistraat in opleiding of kandidaat-magistraat]4); <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Voor de magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, belast zijn met een opdracht, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene deze opdracht voltijds uitoefent. Wordt de opdracht niet voltijds uitgeoefend, dan heeft het advies van de federale procureur betrekking op de deeltijds uitgeoefende opdracht en wordt het toegevoegd aan dat van de korpschef.) <W 2001-06-21/42, art. 15, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is, hetzij als advocaat, hetzij als magistraat. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft al naar gelang de kandidaat ingeschreven is op het tableau van de Nederlandstalige of Franstalige orde van advocaten of de magistraat behoort tot de Nederlandstalige of Franstalige taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies.
  De korpschef van een rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege met zetel te Brussel die niet wettelijk tweetalig is, wijst een titularis van een adjunct-mandaat van de andere taalrol aan om hem bij te staan bij het inwinnen van inlichtingen en doornemen van de stukken voor het verstrekken van advies over de kandidaten behorend tot de andere taalrol.
  (Ingeval de in het eerste lid bedoelde korpschefs om welke reden dan ook in de onmogelijkheid zijn om advies te verstrekken, wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in [1 artikel 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]1 bedoelde magistraat.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Is de kandidaat hoogleraar dan vraagt de Minister van Justitie overeenkomstig het bepaalde in § 1, eerste lid, het advies van zijn decaan en van de rector of van een van beiden indien de kandidaat zelf decaan of rector is.
  De personen bedoeld in deze paragraaf dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Zij kunnen inzonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie zij een feitelijk gezin vormen. In die gevallen wordt het advies bedoeld in het eerste lid, 1° en 2°, verstrekt door de in [1 artikel 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]1, bedoelde magistraat. Indien deze laatste omwille van de hiervoor vermelde redenen evenmin advies kan verstrekken, dan wordt het advies verstrekt door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of voor wat het Hof van Cassatie betreft, door de algemene vergadering [1 of de korpsvergadering]1.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 2. De adviezen worden binnen dertig dagen na het verzoek om advies bedoeld in § 1 door de adviesverlenende instanties [2 ...]2 overgezonden aan de Minister van Justitie en in afschrift [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 meegedeeld aan de betrokken kandidaat. [2 ...]2.
  [2 Onverminderd de toepassing van artikel 259bis-19, § 2bis, wordt, bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn of bij gebrek aan gebruik van het standaardformulier, aan dat advies voorbijgegaan, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat.]2
  [4 ...]4
  (Het benoemingsdossier bestaat uitsluitend, al naargelang het geval, uit de volgende stukken :
  a) [2 de kandidatuur met de stavingsstukken bedoeld in artikel 287sexies, derde of achtste lid, met betrekking tot de studies en beroepservaring;]2
  b) het curriculum vitae;
  c) de schriftelijke adviezen bedoeld in § 1 [4 ...]4 [2 , alsmede de stukken waaruit de ontvangst van deze adviezen door de kandidaat blijkt]2;
  d) (het eindverslag van de gerechtelijke stage opgemaakt door de bevoegde evaluatiecommissie) [5 , het getuigschrift waaruit blijkt dat de gerechtelijke stage met vrucht is voltooid]5 [2 en de stageverslagen opgesteld door de stagemeesters]2; <W 2007-01-31/30, art. 45, 146; Inwerkingtreding : onbepaald , ten laatste op 02-02-2008>
  e) de definitieve beoordeling in het evaluatiedossier;
  f) [2 een uittreksel uit het strafregister dat dateert van na de bekendmaking bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.]2
  § 3. Voor een benoeming tot raadsheer in het Hof van Cassatie, raadsheer of plaatsvervangend raadsheer in het hof van beroep of raadsheer in het arbeidshof, zendt de Minister van Justitie binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 aan de algemene vergadering van het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden voor elke kandidaat het benoemingsdossier over [3 met het verzoek een met redenen omkleed schriftelijk advies overeenkomstig een door de minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier uit te brengen over elk van de kandidaten;]3; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.
  De algemene vergadering hoort de kandidaten die haar binnen [2 negentig]2 dagen te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1 daarom [2 langs elektronische weg]2 hebben verzocht.
  Voor het hof van beroep en het arbeidshof te Brussel worden de adviezen goedgekeurd met een meerderheid van twee derden van de leden van de algemene vergadering.
   De algemene vergadering zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de gemotiveerde adviezen [2 ...]2 aan de Minister van Justitie over en deelt een afschrift [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 mee aan de betrokken kandidaten. [2 ...]2.
  [2 Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat of bij gebrek aan gebruik van het standaardformulier, wordt aan dat advies voorbijgegaan, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de minister van Justitie langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.]2
  [4 ...]4
  § 4. Binnen [4 vijfenzeventig dagen]4 te rekenen van de bekendmaking bedoeld in § 1 zendt de Minister van Justitie aan de bevoegde benoemingscommissie voor [2 de kandidaten wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]2 het benoemingsdossier over met het verzoek over te gaan tot een voordracht van een kandidaat. [4 De minister van Justitie stelt de kandidaten tegelijkertijd langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs in kennis van deze toezending. Zij beschikken over een termijn van vijf dagen vanaf die kennisgeving om hun opmerkingen over de hun betreffende adviezen langs elektronische weg toe te zenden aan zowel de minister van Justitie als de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie.]4
  In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (en van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1), wordt [4 de in het eerste lid bedoelde termijn van vijfenzeventig dagen]4 verlengd met [2 vijfenvijftig dagen]2. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Met uitzondering van de [4 magistraten in opleiding]4 moeten de kandidaten, al naar gelang, uiterlijk op het einde van de termijn bedoeld in het eerste en het tweede lid voldoen aan de benoemingsvoorwaarden. De [4 magistraten in opleiding]4 (kunnen zich ten vroegste [5 vijf maanden]5 voor het einde van de gerechtelijke stage kandidaat stellen en ze) moeten aan de benoemingsvoorwaarden voldoen op het ogenblik van de benoeming. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  De benoemingscommissie hoort de kandidaten die binnen [4 vijfenzeventig dagen]4 te rekenen van de bekendmaking van de vacature als bedoeld in § 1, haar daarom [2 langs elektronische weg]2 hebben verzocht. In geval van tussenkomst van de algemene vergadering bedoeld in § 3 (of van het college van procureurs-generaal bedoeld in artikel 259sexies, § 1) wordt deze termijn verlengd met [2 vijfenvijftig dagen]2. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen om alle kandidaten [2 wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]2 te horen.
  De benoemingscommissie nodigt de kandidaten uit [2 langs elektronische weg]2 waarin de plaats en het tijdstip waarop zij zich moeten aanbieden, worden vermeld.
  (Van het onderhoud met de kandidaat wordt een geluidsopname gemaakt. Die opname wordt door de Hoge Raad voor de Justitie samen met het dossier over de voordracht bewaard.
  Het op deze manier opgenomen onderhoud wordt uitgetikt wanneer de kandidaat bij de Raad van State beroep instelt tegen de benoeming voor de functie waarvoor hij zich kandidaat stelde. Op dezelfde wijze wordt het onderhoud van de kandidaat die tot de genoemde functie werd benoemd, uitgetikt. Daartoe zendt de Minister van Justitie een kopie van het bij de Raad van State ingestelde beroep aan de voorzitter van de betrokken benoemingscommissie. De uitgetikte tekst wordt door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie gelijkluidend verklaard en door tussenkomst van de Minister van Justitie overgezonden aan de Raad van State.) <W 2004-07-09/31, art. 6, 119; Inwerkingtreding : 15-07-2004>
  Een kandidaat die niet verschijnt op het door de benoemingscommissie bepaalde tijdstip wordt, behoudens in geval van overmacht, geacht te verzaken aan de mogelijkheid om gehoord te worden. In geval van overmacht, die soeverein door de benoemingscommissie wordt beoordeeld, wordt de kandidaat opnieuw opgeroepen, voor zover daardoor geen afbreuk wordt gedaan aan de termijn waarover de benoemingscommissie beschikt om de voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 111; Inwerkingtreding : onbepaald , uiterlijk op 02-06-2004>
  De voordracht gebeurt bij meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en geschiktheid van de kandidaat.
  In geval van een vacature voor de ambten bedoeld in artikel 43, § 4, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, geschiedt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie bij meerderheid van twee derden van de stemmen uitgebracht binnen elke benoemingscommissie.
  Van de met redenen omklede voordracht wordt een proces-verbaal opgemaakt dat door de voorzitter en een lid van de benoemingscommissie wordt ondertekend.
  Binnen veertig dagen na het verzoek tot voordracht deelt de benoemingscommissie [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 de lijst met de voorgedragen kandidaat en de niet-voorgedragen kandidaten, en het proces-verbaal van voordracht mee aan de Minister van Justitie. Een afschrift van de lijst wordt [2 langs elektronische weg]2 aan de kandidaten meegedeeld (evenals aan de korpschef van de vacature en de korpschef van de voorgedragen kandidaat). <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn, dan kan de Minister van Justitie vanaf de veertigste dag tot de vijfenvijftigste dag na het verzoek tot voordracht, de benoemingscommissie [2 langs elektronische weg]2 aanmanen om een voordracht te doen. De benoemingscommissie beschikt over vijftien dagen vanaf de verzending van de aanmaning om vooralsnog een voordracht te doen.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Wordt geen voordracht meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn (of binnen de ingevolge aanmaning verlengde termijn), dan brengt de Minister van Justitie dit binnen vijftien dagen [2 langs elektronische weg]2 ter kennis van de kandidaten en wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 5. [2 De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de voordracht over vijftig dagen om een beslissing te nemen en deze langs elektronische weg mee te delen aan de benoemingscommissie, aan de kandidaten, aan de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, aan de korpschef van de kandidaat en aan de procureur-generaal van de plaats waar de eed moet worden afgelegd.]2
  In geval van gemotiveerde weigering beschikt de benoemingscommissie vanaf de ontvangst van deze beslissing over vijftien dagen om een nieuwe voordracht te doen overeenkomstig de nadere regels bepaald in § 4. (De gemotiveerde weigeringsbeslissing wordt [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 meegedeeld aan de benoemingscommissie en aan de voorgedragen kandidaat. De korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de benoeming moet geschieden, de korpschef van de voorgedragen kandidaat en andere kandidaten worden [2 langs elektronische weg]2 op de hoogte gebracht van de weigeringsbeslissing.) <W 2003-05-03/45, art. 18, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  [2 Telkens wanneer de Koning niet beslist binnen de termijn van vijftig dagen, beschikken de betrokken benoemingscommissie en de kandidaten vanaf de vijfenvijftigste dag over een termijn van vijftien dagen om langs elektronische weg een aanmaning aan de minister van Justitie te betekenen.]2. Wanneer de Koning binnen vijftien dagen na de betekening geen beslissing treft, wordt zijn stilzwijgen geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep bij de Raad van State kan worden ingesteld. Bij ontstentenis van tijdige aanmaning en zo het een eerste voordracht betreft, doet de benoemingscommissie een nieuwe voordracht, overeenkomstig het bepaalde in het tweede lid; zo het geen eerste voordracht betreft, wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten bekendgemaakt.
  
Art. 259ter. § 1er. Avant que le Roi ne procède à une nomination visée à l'article 58bis, 1°, le Ministre de la Justice demande, dans un délai de [2 trente-cinq]2 jours après la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge, [2 pour les candidatures qu'il a déclarées recevables au regard des conditions visées aux articles 287sexies et 216bis,]2 l'avis écrit motivé (, au moyen d'un formulaire type établi par le Ministre de la Justice, sur proposition du Conseil supérieur de la Justice,) : <L 2003-05-03/45, art. 18, 111; En vigueur : 02-06-2004>
  1° du chef de corps de la juridiction ou du ministère public près la juridiction où doit avoir lieu la nomination, sauf lorsqu'il s'agit d'une nomination à la fonction de conseiller à la Cour de cassation, de conseiller ou conseiller suppléant à la cour d'appel ou de conseiller à la cour du travail;
  2° du chef de corps de la juridiction ou du ministère public près la juridiction où le candidat exerce des fonctions en tant que magistrat ou magistrat suppléant (, référendaire ou juriste de parquet [4 , magistrat en formation ou candidat-magistrat]4;). <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  (Pour les magistrats chargés d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéas 1er et 2, le procureur fédéral émet un avis si l'intéressé exerce cette mission à temps plein. Si la mission n'est pas exercée à temps plein, l'avis du procureur fédéral ne concerne que la mission exercée à temps partiel et est joint à celui du chef de corps;) <L 2001-06-21/42, art. 15, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  3° d'un représentant du barreau désigné par l'ordre des avocats de l'arrondissement judiciaire où le candidat exerce des fonctions, soit en tant qu'avocat, soit en tant que magistrat. Pour une nomination dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, l'avis du représentant de l'ordre français ou du représentant de l'ordre néerlandais est recueilli, selon que le candidat est inscrit au tableau de l'ordre français ou de l'ordre néerlandais des avocats ou que le magistrat appartient au rôle français ou néerlandais.
  Le chef de corps d'une juridiction ou du ministère public près une juridiction ayant son siège à Bruxelles, qui n'est pas bilingue légal, désigne un titulaire d'un mandat adjoint de l'autre rôle linguistique qui l'assistera pour recueillir les informations et étudier les pièces en vue de la formulation des avis au sujet des candidats appartenant à l'autre rôle linguistique.
  (Dans le cas où les chefs de corps visés à l'alinéa 1er se trouvent, pour quelque raison que ce soit, dans l'impossibilité d'émettre un avis, l'avis visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, est donné par le magistrat visé à l'[1 article 319, alinéa 1er, deuxième phrase, ou 319, alinéa 2, deuxième phrase]1.) <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  (Si le candidat est professeur d'université, le Ministre de la Justice demande conformément aux dispositions du § 1er, alinéa 1er, l'avis de son doyen et du recteur ou de l'un d'eux lorsque le candidat est lui-même doyen ou recteur.
  Les personnes visées dans ce paragraphe doivent s'abstenir d'émettre un avis chaque fois qu'il existe un intérêt personnel ou contraire. Elles ne peuvent notamment émettre un avis sur des parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ni sur des personnes avec qui elles constituent un ménage de fait. Dans ces cas, l'avis visé à l'alinéa 1er, 1°, et 2°, est émis par le magistrat visé à l'[1 article 319, alinéa 1er, deuxième phrase, ou 319, alinéa 2, deuxième phrase]1. Si celui-ci, pour les raisons susmentionnées, ne peut non plus émettre un avis, l'avis est émis par le chef de corps de la juridiction immédiatement supérieure ou, pour la Cour de cassation, par l'assemblée générale [1 ou l'assemblée de corps]1.) <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 2. Les avis sont transmis [2 ...]2 au Ministre de la Justice par les instances consultatives dans un délai de trente jours à compter de la demande d'avis visée au § 1er. Une copie est communiquée (dans le même délai) au candidat concerné [2 par voie électronique contre accusé de réception]2. [2 ...]2. <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  [2 Sans préjudice de l'application de l'article 259bis-19, § 2bis, en l'absence d'avis dans le délai prescrit ou à défaut d'utilisation du formulaire type, il est passé outre à cet avis; au plus tard huit jours après le terme de ce délai, le candidat concerné en est informé par le ministre de la Justice par voie électronique contre accusé de réception.]2
  [4 ...]4
  (Le dossier de nomination se compose, selon le cas, exclusivement des documents suivants :
  a) [2 la candidature et les pièces justificatives visées à l'article 287sexies, alinéa 3 ou 8, concernant les études et l'expérience professionnelle;]2;
  b) le curriculum vitae ;
  c) les avis écrits visés au § 1er [4 ...]4 [2 , ainsi que les pièces prouvant la réception de ces avis par le candidat]2;
  d) (le rapport final du stage judiciaire établi par la commission d'évaluation compétente [5 , le certificat attestant que le stage judiciaire a été achevé avec fruit]5 [2 et les rapports de stage établis par les maîtres de stage]2;) <L 2007-01-31/30, art. 45, 146; En vigueur : 02-02-2008>
  e) la mention définitive dans le dossier d'évaluation;
  f) [2 un extrait du casier judiciaire dont la date est postérieure à la publication visée au paragraphe 1er, alinéa 1er.]2
  § 3. Pour une nomination à la fonction de conseiller à la Cour de cassation, de conseiller ou de conseiller suppléant à la cour d'appel ou de conseiller à la cour du travail, le Ministre de la Justice communique dans un délai de [2 nonante]2 jours à compter de la publication visée au § 1er, pour chacun des candidats, un dossier de nomination à l'assemblée générale de la juridiction où la nomination doit intervenir, [3 avec la demande d'émettre un avis écrit motivé au moyen d'un formulaire type établi par le ministre de la Justice sur proposition du Conseil supérieur de la Justice, pour chacun des candidats]3; cet avis sera joint à leur dossier.
  L'assemblée générale entend les candidats qui, dans un délai de [2 nonante]2 jours à compter de la publication de la vacance d'emploi visée au § 1er, en ont fait la demande [2 par voie électronique]2.
  Pour la cour d'appel et la cour du travail de Bruxelles, les avis sont approuvés à la majorité des deux tiers des membres de l'assemblée générale.
  L'assemblée générale fait parvenir au Ministre de la Justice les avis motivés [2 ...]2 dans un délai de trente jours à compter de la demande d'avis et communique au candidat concerné une copie [2 par voie électronique contre accusé de réception]2 daté ou par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception. [2 ...]2.
  [2 En l'absence d'avis dans le délai prescrit pour chaque candidat ou à défaut d'utilisation du formulaire type, il est passé outre à cet avis; au plus tard huit jours après le terme de ce délai, les candidats concernés en sont informés par le ministre de la Justice par voie électronique contre accusé de réception.]2
  [4 ...]4
  § 4. Dans un délai [4 de septante-cinq jours]4 à compter de la publication visée au § 1er, le Ministre de la Justice transmet à la commission de nomination compétente le dossier de nomination de [2 des candidats dont la candidature a été déclarée recevable]2 avec la demande de procéder à la présentation d'un candidat. [4 Le ministre de la Justice avertit dans le même temps, par voie électronique contre accusé de réception, les candidats de cette transmission. Ceux-ci disposent d'un délai de cinq jours à compter de cette notification pour communiquer par voie électronique, tant au ministre de la Justice qu'à la commission de nomination et de désignation compétente, leurs observations sur les avis émis à leur sujet.]4
  En cas d'intervention de l'assemblée générale visée au § 3 (et du collège des procureurs généraux visée à l'article 259sexies, § 1er) [4 le délai de septante-cinq jours visé à l'alinéa 1er]4 est prolongé de [2 cinquante-cinq jours]2. <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  A l'exception des [4 magistrats en formation]4, tous les candidats doivent selon le cas satisfaire aux conditions de nomination au plus tard à la fin du délai visé aux alinéas 1er et 2. Les [4 magistrats en formation]4 (peuvent poser leur candidature au plus tôt [5 cinq mois]5 avant la fin du stage judiciaire et ils) doivent satisfaire aux conditions de nomination au moment de leur nomination. <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  La commission de nomination entend les candidats qui, dans un délai [4 de septante-cinq jours]4 à compter de la publication de la vacance d'emploi visée au § 1er, en ont fait la demande par [2 voie électronique]2. En cas d'intervention de l'assemblée générale visée au § 3 (ou du collège des procureurs généraux visée à l'article 259sexies, § 1er) ce délai est prolongé de [2 cinquante-cinq]2. <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  (La commission de nomination peut décider d'office d'entendre tous les candidats [2 dont la candidature a été déclarée recevable]2.
  La commission de nomination invite les candidats par [2 voie électronique]2 en mentionnant le lieu où ainsi que le jour et l'heure auxquels ils doivent se présenter.
  (L'entretien avec le candidat fait l'objet d'un enregistrement sonore. Cet enregistrement est conservé par le Conseil supérieur de la Justice avec le dossier de présentation.
  L'entretien ainsi enregistré est transcrit lorsque le candidat introduit un recours au Conseil d'Etat contre la nomination à la fonction pour laquelle il s'est porté candidat. Il en est de même de l'entretien du candidat nommé à ladite fonction. A cette fin, le Ministre de la Justice transmet une copie du recours au président de la commission de nomination concernée. La transcription dactylographiée certifiée conforme par le président et par un membre de la commission de nomination, est transmise au Conseil d'Etat par les soins du Ministre de la Justice.) <L 2004-07-09/31, art. 6, 119; En vigueur : 15-07-2004>
  Le candidat qui ne se présente pas au jour et à l'heure indiqués par la commission de nomination est réputé, sauf en cas de force majeure, renoncer à la possibilité d'être entendu. En cas de force majeure, laquelle est appréciée souverainement par la commission de nomination, le candidat est à nouveau convoqué pour autant qu'il ne soit pas porté atteinte au délai dont dispose la commission de nomination pour faire la présentation.) <L 2003-05-03/45, art. 18, 111; En vigueur : 02-06-2004>
  La présentation s'opère à la majorité des deux tiers des suffrages émis sur la base de critères qui portent sur les capacités et l'aptitude du candidat.
  Dans le cas d'un emploi vacant pour les fonctions visées à l'article 43, § 4, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, la présentation s'opère par la commission de nomination réunie à la majorité des deux tiers des suffrages émis au sein de chaque commission de nomination.
  La présentation motivée fait l'objet d'un procès-verbal signé par le président et un membre de la commission de nomination.
  Dans un délai de quarante jours à compter de la demande de présentation, la commission de nomination communique la liste du candidat présenté et des candidats non présentés ainsi que le procès-verbal de la présentation au Ministre de la Justice par [2 voie électronique contre accusé de réception]2. Une copie de [2 la liste est communiquée par voie électronique]2 aux candidats (ainsi qu'au chef de corps de la place vacante et au chef de corps du candidat présenté). <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  (Si aucune présentation n'est communiquée dans le délai prescrit, le Ministre de la Justice peut, à partir du quarantième jour et jusqu'au cinquante-cinquième jour à compter de la demande de présentation, mettre en demeure la commission de nomination par [2 voie électronique]2 de faire une présentation. La commission de nomination dispose d'un délai de quinze jours à compter de l'envoi de la mise en demeure pour faire encore une présentation.) <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  Si aucune présentation n'est communiquée dans le délai prescrit (ou dans le délai prolongé à la suite de la mise en demeure), le Ministre de la Justice en informe les candidats dans les quinze jours par [2 voie électronique]2 à la poste et un nouvel appel aux candidats est publié au Moniteur belge. <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 5. [2 Dès réception de la présentation, le Roi dispose d'un délai de cinquante jours pour prendre une décision et pour communiquer celle-ci par voie électronique à la commission de nomination, aux candidats, au chef de corps de la juridiction ou du ministère public près la juridiction où doit avoir lieu la nomination, au chef de corps du candidat et au procureur général du lieu où le serment doit être prêté.]2
  En cas de refus motivé, la commission de nomination dispose, à compter de la réception de cette décision, d'un délai de quinze jours pour procéder à une nouvelle présentation conformément aux modalités prévues au § 4 (La décision de refus motivée est communiquée par [2 voie électronique contre accusé de réception]2 à la commission de nomination et au candidat présenté. Le chef de corps de la juridiction ou du ministère public près la juridiction où doit avoir lieu la nomination, le chef de corps du candidat présenté et les autres candidats sont informés de la décision de refus par [2 voie électronique]2.). <L 2003-05-03/45, art. 18, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  [2 Chaque fois que le Roi omet de décider dans le délai de cinquante jours, la commission de nomination concernée et les candidats disposent, à partir du cinquante-cinquième jour, d'un délai de quinze jours pour notifier une mise en demeure au ministre de la Justice par voie électronique.]2 Lorsque le Roi ne prend aucune décision dans les quinze jours de cette notification, son silence est réputé être une décision de refus contre laquelle un recours peut être introduit au Conseil d'Etat. En l'absence de mise en demeure dans les délais et s'il s'agit d'une première présentation, la commission de nomination procède à une nouvelle présentation, conformément aux dispositions de l'alinéa 2; s'il ne s'agit pas d'une première présentation, un nouvel appel aux candidats est publié.
  
Afdeling II. - Procedure van aanwijzing in mandaten.
Section II. - De la procédure de désignation aux mandats.
Art. 259quater. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. (De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat niet hernieuwbaar is in hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket.
  De andere korpschefs bedoeld in artikel 58bis, 2°, worden door de Koning aangewezen voor een mandaat van vijf jaar dat onmiddellijk één keer hernieuwbaar is in hetzelfde rechtscollege of hetzelfde parket.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 1°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [16 De in paragraaf 6, derde lid, bedoelde mandaten worden voor een periode van tien jaar uitgeoefend door een magistraat van dezelfde taalrol.]16
  § 2. De Minister van Justitie vraagt binnen [5 vijfendertig]5 dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad [2 door middel van een standaardformulier vastgesteld door de minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie]2, [5 voor de kandidaturen die hij ontvankelijk heeft verklaard overeenkomstig de voorwaarden bepaald in de artikelen 287sexies,]5 een gemotiveerd schriftelijk advies, al naar gelang het geval aan :
  1° (de nog in functie zijnde uittredende korpschef) van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden; <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  2° (de korpschef van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de kandidaat als magistraat werkzaam is. Voor de magistraten die bij toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid, een opdracht krijgen, verstrekt de federale procureur advies indien de betrokkene voltijds voor hem werkt. Zijn de prestaties niet voltijds dan wordt voor het aspect federaal werk, het advies van de federale procureur aan dat van de korpschef toegevoegd.)[1 Voor de magistraten bedoeld in artikel 43, § 5bis, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, verstrekt de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde de nodige inlichtingen aan de procureur des Konings van Brussel, die zijn advies verleent.]1 <W 2006-12-18/37, art. 3, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  3° een vertegenwoordiger van de balie aangewezen door de orde van advocaten van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat werkzaam is als magistraat. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel geeft, al naar gelang de magistraat behoort tot de Nederlandse of Franse taalrol, hetzij de vertegenwoordiger van de Nederlandstalige orde, hetzij de vertegenwoordiger van de Franstalige orde advies.[5 Voor de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dit Hof, geeft de stafhouder van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie advies.]5
  [7 4° de eerste voorzitter van het hof en de algemene vergadering van het hof wanneer de aanwijzing in het mandaat van voorzitter een benoeming tot raadsheer binnen een hof van beroep of een arbeidshof tot gevolg heeft; in dat geval heeft het advies enkel betrekking op de benoeming tot raadsheer;
   5° de procureur-generaal bij het hof van beroep wanneer de aanwijzing in het mandaat van [14 procureur voor de verkeersveiligheid,]14 procureur des Konings of arbeidsauditeur een benoeming tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of tot substituut-generaal bij het arbeidshof tot gevolg heeft; in dat geval heeft het advies enkel betrekking op de benoeming tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep of tot substituut-generaal bij het arbeidshof;
   6° de procureur-generaal bij het hof van beroep wanneer de aanwijzing in het mandaat van federale procureur een benoeming tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep en een ambtshalve aanwijzing als eerste advocaat-generaal tot gevolg heeft; in dat geval heeft het advies enkel betrekking op de benoeming tot substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep en de ambtshalve aanwijzing als eerste advocaat-generaal.]7

  (Ingeval de in het eerste lid, 2°, bedoelde korpschef dezelfde persoon is als de in het eerste lid, 1° bedoelde korpschef, dan wordt het advies verstrekt hetzij door de algemene vergadering [3 of de korpsvergadering]3 wat het Hof van Cassatie betreft, [6 hetzij de eerste voorzitter van het hof van beroep voor de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank,]6 hetzij door de voorzitter van het college van procureurs-generaal wat de federale procureur betreft, [14 hetzij door het College van het openbaar ministerie wat de procureur voor de verkeersveiligheid betreft,]14 hetzij door de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege wat de andere gevallen betreft. Zulks geldt ook ingeval de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde korpschef om enige reden in de onmogelijkheid is om advies te verstrekken of er in zijn hoofde een persoonlijk tegenstrijdig belang bestaat in de zin van artikel 259ter, § 1, vijfde lid. De regels van artikel 259ter, § 1, tweede lid, en § 2, eerste tot derde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 3°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  ([13 Onverminderd de toepassing van artikel 259bis-6, § 4, bestaat het aanwijzingsdossier van een korpschef]13 uitsluitend uit de volgende stukken :
  a) [5 de kandidatuur met de stavingsstukken bedoeld in artikel 287sexies, achtste lid, met betrekking tot de studies en beroepservaring;]5;
  b) het curriculum vitae;
  c) de schriftelijke adviezen bedoeld in het eerste lid [15 ...]15[5 , alsmede de stukken waaruit de ontvangst van deze adviezen door de kandidaat blijkt]5;
  d) het beleidsplan van de kandidaat;
  e) de definitieve beoordeling in het evaluatiedossier;
  f) [5 een uittreksel uit het strafregister dat dateert van na de bekendmaking bedoeld in het eerste lid.]5) <W 2003-05-03/45, art. 19, 111; Inwerkingtreding : 02-06-2004>
  § 3. Voor een aanwijzing tot eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van het hof van beroep of eerste voorzitter van het arbeidshof is artikel 259ter, § 3, van overeenkomstige toepassing. (Indien de algemene vergadering niet het vereiste quorum bereikt, omdat teveel leden van het betrokken hof van beroep of arbeidshof kandidaat zijn voor de functie van korpschef van dat hof, wordt het in artikel 259ter, § 3, bedoelde advies verstrekt door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Voor het overige zijn de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 4 en 5, van overeenkomstige toepassing, behoudens voor wat hierna volgt :
  1° de voordracht geschiedt tevens op basis van het standaardprofiel bedoeld in artikel 259bis-13;
  2° betreft het een aanwijzing tot korpschef bedoeld in de artikelen 43, § 4, [16 43bis, § 3, eerste lid, 43bis, § 4, eerste lid, en § 6, 43ter, § 3, derde lid, 43quater, tweede lid,]16 en 49, § 2, eerste en vierde lid in fine, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, dan gebeurt de voordracht door de verenigde benoemingscommissie met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen binnen elke benoemingscommissie;
  3° (op het ogenblik dat het mandaat daadwerkelijk openvalt moet de kandidaat ten minste (vijf jaar) verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1;) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-12-18/37, art. 3, 4°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (4° de benoemingscommissie hoort alle kandidaten voor een mandaat van korpschef [5 wier kandidatuur ontvankelijk werd verklaard]5.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 111; Inwerkingtreding : 02-06-2004>
  (§ 3bis. Uiterlijk op het einde van de 52e maand van de uitoefening van het mandaat brengt de korpschef bedoeld in § 1, tweede lid, de minister van Justitie ervan op de hoogte of hij al dan niet de verlenging van het mandaat vraagt. Indien hij deze verlenging niet vraagt, valt het mandaat open. [16 Ingeval een in paragraaf 6, derde lid, bedoelde korpschef niet om de verlenging vraagt of deze niet verkrijgt, wordt het mandaat toegewezen aan een magistraat van dezelfde taalrol en is het niet hernieuwbaar.]16
  [6 ...]6
  Indien de betrokkene de verlenging van het mandaat heeft gevraagd, zendt de minister van Justitie [16 , wanneer hij de vraag om verlenging ontvankelijk acht,]16 uiterlijk [16 tachtig dagen]16 voor het verstrijken van het mandaat, het verlengingsdossier dat de stukken bevat bedoeld in artikel 259novies, § 10, veertiende lid, over aan de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie.
  De benoemings- en aanwijzingscommissie hoort de korpschef.
  De voordracht door de benoemings- en aanwijzingscommissie neemt de vorm aan van een met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van de verlenging van het mandaat van korpschef. Zij wordt uiterlijk [16 vijftig dagen]16 voor het verstrijken van het mandaat overgezonden aan de Minister van Justitie. [16 De Koning beschikt vanaf de ontvangst van de met redenen omklede beslissing tot aanvaarding of weigering van de verlenging over vijftien dagen om een beslissing te nemen. In geval van een met redenen omklede weigering van de Koning beschikt de benoemingscommissie vanaf de ontvangst van deze weigering over vijftien dagen om een nieuwe beslissing te nemen.]16
  De verlenging van het mandaat of het openvallen van het mandaat vindt plaats binnen [16 twintig dagen]16 voor het verstrijken van het mandaat.
  In geval van aanwijzing van een korpschef bedoeld in § 6, derde lid, lopen de in deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou geweest zijn op zijn voorganger.
  Indien het mandaat van een korpschef niet wordt verlengd, wordt het mandaat, tot de aanwijzing van de opvolger, uitgeoefend door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een ander magistraat naar orde van dienstanciënniteit.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 5°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 4. [8 Tenzij hij reeds is aangewezen in dat mandaat of is benoemd in dat ambt, heeft de aanwijzing van een magistraat als korpschef van een rechtbank, een hof, de vrederechters en rechters in de politierechtbank, een parket, een arbeidsauditoraat of een parket-generaal een aanwijzing in subsidiaire orde tot gevolg, tijdelijk in overtal, in het adjunct-mandaat of een benoeming in het volgende ambt, dat pas zal worden uitgeoefend na afloop van het tweede mandaat en voor zover de uittredende korpschef een positieve evaluatie heeft verkregen in de loop van het vijfde jaar van het lopende mandaat, tenzij de magistraat de voorkeur eraan geeft zijn vroegere benoeming of zijn vroegere adjunct-mandaat terug op te nemen :
   - de eerste voorzitter van het hof van beroep [11 wordt aangewezen tot kamervoorzitter]11 in het hof van beroep;
   - de eerste voorzitter van het arbeidshof [11 wordt aangewezen tot kamervoorzitter]11 in het arbeidshof;
   - de procureur-generaal bij het hof van beroep wordt aangewezen tot eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep;
   - de federale procureur wordt benoemd tot substituut-procureur-generaal en aangewezen tot eerste advocaat-generaal in het rechtsgebied van het hof van beroep waaruit hij afkomstig is;
   - de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg wordt benoemd tot raadsheer in het hof van beroep;
   - de voorzitter van de [12 ondernemingsrechtbank]12 wordt benoemd tot raadsheer in het hof van beroep;
   - de voorzitter van de arbeidsrechtbank wordt benoemd tot raadsheer in het arbeidshof;
   - de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank wordt benoemd tot raadsheer in het hof van beroep;
  [14 - de procureur voor de verkeersveiligheid wordt benoemd tot substituut-procureur-generaal in het rechtsgebied van het hof van beroep waaruit hij afkomstig is;]14
   - de procureur des Konings [11 wordt benoemd tot substituut-procureur-generaal]11 bij het hof van beroep;
   - de arbeidsauditeur [11 wordt benoemd tot substituut-generaal]11 bij het arbeidshof.
   De uittredende korpschef kan op zijn verzoek door de Koning opnieuw worden benoemd, desgevallend tijdelijk in overtal, in het ambt waarin hij het laatst was benoemd voor zijn aanwijzing tot korpschef. In voorkomend geval neemt hij tevens het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen weer op in de fase waarin hij had opgehouden het uit te oefenen, voor zover het niet gaat om een mandaat bedoeld in § 5, achtste lid, of het bijzonder mandaat waarin hij was aangewezen binnen of buiten het rechtscollege of het parket waarin hij is of was benoemd in de fase waarin hij had opgehouden het uit te oefenen.
   Het tweede lid geldt voor de korpschef die de vermelding "onvoldoende" heeft gekregen bij zijn evaluatie.]8

  § 5. [9 De aanwijzing in de functie van korpschef van een kandidaat van buiten het rechtscollege of parket geeft aanleiding tot een gelijktijdige benoeming, in voorkomend geval tijdelijk in overtal, in dat rechtscollege of parket zonder dat artikel 287sexies van toepassing is, [14 met uitzondering van de federale procureur en de procureur voor de verkeersveiligheid die hun benoemingen behouden]14 en de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank die tegelijkertijd benoemd wordt hetzij als vrederechter in een kanton van het arrondissement, aangewezen door de Koning, hetzij als rechter in de politierechtbank van het arrondissement. In voorkomend geval heeft de aanwijzing in het mandaat van federale procureur bovendien een gelijktijdige aanwijzing in subsidiaire orde, in overtal, als federale magistraat tot gevolg. Wanneer de als voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank aangewezen magistraat geen vrederechter of rechter in de politierechtbank is, wordt hij respectievelijk aangewezen als vrederechter als de ondervoorzitter rechter in de politierechtbank is en als rechter in de politierechtbank als de ondervoorzitter vrederechter is.
   De aanwijzing in het mandaat van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of van procureur des Konings van een kandidaat van buiten het rechtscollege of parket geeft ook aanleiding tot een benoeming in subsidiaire orde, in voorkomend geval tijdelijk in overtal, in de andere rechtbanken van eerste aanleg of parketten van de procureur des Konings van het rechtsgebied van het hof van beroep, overeenkomstig artikel 100 en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
   Het tweede lid is eveneens van toepassing op de aanwijzingen in de [12 ondernemingsrechtbanken]12, de arbeidsrechtbanken en de arbeidsauditoraten in het rechtsgebied van het Hof van beroep te Brussel.
   De korpschefs die op grond van het eerste lid zijn benoemd tot vrederechter in een kanton, worden in subsidiaire orde benoemd in de andere kantons van het gerechtelijk arrondissement.
   De aanwijzing in het mandaat van voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Eupen van een kandidaat van buiten het rechtscollege geeft ook aanleiding tot een benoeming tot rechter in subsidiaire orde, tijdelijk in overtal, in de [12 ondernemingsrechtbank]12 en in de arbeidsrechtbank te Eupen overeenkomstig artikel 100/1. De aanwijzing in het mandaat van procureur des Konings te Eupen, van een kandidaat van buiten het parket geeft ook aanleiding tot een benoeming tot substituut in subsidiaire orde, tijdelijk in overtal, in het arbeidsauditoraat te Eupen overeenkomstig artikel 156.
   De basisbenoemingen en de benoemingen in subsidiaire orde bedoeld in deze paragraaf nemen een einde bij toepassing van paragraaf 4.
   De aanwijzing als korpschef schorst het adjunct-mandaat.
   De aanwijzing als korpschef maakt evenwel een einde aan het mandaat van adjunct-procureur des Konings van Brussel, adjunct-arbeidsauditeur van Brussel, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur en ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.
   De houders van een adjunct-mandaat van wie het mandaat geschorst is, kunnen in voorkomend geval in overtal worden vervangen tijdens de duur van het mandaat van korpschef.
   De korpschef kan in voorkomend geval worden vervangen in overtal.]9

  [6 § 5/1. Behoudens het geval waarin bij hun evaluatie de vermelding "onvoldoende" aan hen werd toegekend, mogen de magistraten die een mandaat van korpschef hebben uitgeoefend, respectievelijk de titel van ereeerste-voorzitter, erevoorzitter, ereprocureur-generaal, erefederale procureur, [14 ereprocureur voor de verkeersveiligheid,]14 ereprocureur des Konings of ere-arbeidsauditeur dragen.]6
  § 6. (Het openvallen van een mandaat van korpschef leidt tot toepassing van [3 artikel 287sexies]3 [16 behalve wanneer, op het ogenblik dat het mandaat bedoeld in het derde lid voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat minder dan twee jaar verwijderd is. Een mandaat dat voortijdig openvalt is een mandaat dat afloopt voor het einde van de lopende periode van vijf jaar. De bepalingen die van toepassing zijn op een mandaat dat voortijdig openvalt zijn van toepassing in geval van niet-verlenging van een mandaat]16.
  Indien het mandaat van eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of van procureur-generaal bij het Hof van Cassatie voortijdig openvalt, wordt [3 artikel 287sexies]3 enkel toegepast voor zover de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is van het tijdstip waarop het mandaat openvalt. Indien deze termijn korter is dan twee jaar, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in [3 artikel 319, tweede lid, tweede zin]3.
  [1 Indien op het tijdstip waarop een mandaat van federale procureur, van eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, van procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel [14 , [16 van eerste voorzitter van het arbeidshof te Brussel, van procureur des Konings te Brussel, van arbeidsauditeur te Brussel]16 of van procureur voor de verkeersveiligheid]14 voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat ten minste twee jaar verwijderd is, wordt artikel 287sexies toegepast.]1
  Indien op het tijdstip waarop een mandaat bedoeld in het derde lid voortijdig openvalt, de normale einddatum van het mandaat minder dan twee jaar verwijderd is, wordt het mandaat voltooid door de vervanger bedoeld in [3 artikel 319, tweede lid, tweede zin]3 [14 en het vierde lid]14.
  Indien de vervanging bedoeld in het vierde lid in de loop van het eerste mandaat gebeurt, wordt [3 artikel 287sexies]3 toegepast voor de toekenning van een mandaat voor de hernieuwingsperiode of voor het resterende deel van deze periode. [16 Dit is ook het geval wanneer het eerste mandaat niet wordt verlengd.]16
  In geval van een oproep tot de kandidaten met toepassing van het tweede, derde en vijfde lid, kunnen op straffe van onontvankelijkheid enkel degenen die voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef wiens mandaat voortijdig afloopt, zich kandidaat stellen.
  De duur van het mandaat van degene die met toepassing van het tweede, derde of vijfde lid, tot korpschef wordt aangewezen, wordt in afwijking van § 1 beperkt tot de resterende duur van het mandaat dat voortijdig afloopt [16 of tot de hernieuwingsperiode of tot het resterende deel van deze periode]16. Indien de aanwijzing in een mandaat bedoeld in het derde lid evenwel gebeurt in de loop van het eerste mandaat, wordt voor de hernieuwingsperiode § 3bis toegepast.) <W 2006-12-18/37, art. 3, 10°, 145; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2008>
  [16 Indien artikel 287sexies van toepassing is bij het voortijdig openvallen van het mandaat bedoeld in het derde lid of bij het niet verlengen van dit mandaat, is de procedure bedoeld in de paragrafen 2, 3, 4 en 5 van toepassing.]16
  (§ 7. De korpschef kan zijn mandaat voortijdig ter beschikking stellen [5 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]5. Het mandaat wordt evenwel slechts beëindigd na negen maanden te rekenen vanaf de ontvangst van de terbeschikkingstelling. Deze termijn kan door de Koning, op gemotiveerd verzoek van de betrokken korpschef, worden ingekort.
  [10 De korpschef die het lopende mandaat niet voleindigt, neemt ambtshalve het ambt waarin hij op het tijdstip van zijn aanwijzing was benoemd weer op of, in voorkomend geval, het adjunct-mandaat waarin hij was aangewezen in de fase waarin hij had opgehouden het uit te oefenen, voor zover het niet gaat om een mandaat van adjunct-procureur des Konings van Brussel, adjunct-arbeidsauditeur van Brussel, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur of ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank of het bijzonder mandaat binnen of buiten het rechtscollege of het parket waarin hij is of was benoemd waarin hij was aangewezen in de fase waarin hij had opgehouden het uit te oefenen.]10
  De korpschef die zijn mandaat voortijdig ter beschikking stelt kan zich gedurende een termijn van twee jaar nadat hij zijn mandaat effectief neerlegde, niet opnieuw kandidaat stellen voor een mandaat van korpschef.) <W 2003-05-03/45, art. 19, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
Art. 259quater. § 1er. (Le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près la Cour de cassation sont désignés par le Roi, pour un mandat de cinq ans non renouvelable au sein de la même juridiction ou du même parquet.
  Les autres chefs de corps visés à l'article 58bis, 2°, sont désignés par le Roi, pour un mandat de cinq ans immédiatement renouvelable une seule fois au sein de la même juridiction ou du même parquet.) <L 2006-12-18/37, art. 3, 1°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  [16 Les mandats visés au paragraphe 6, alinéa 3, sont exercés pendant une période de dix ans par un magistrat du même rôle linguistique.]16
  § 2. Le Ministre de la Justice demande, dans un délai de [5 trente-cinq]5 jours après la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge, [2 au moyen d'un formulaire type établi par le ministre de la Justice, sur proposition du Conseil supérieur de la Justice,]2 [5 pour les candidatures qu'il a déclarées recevables au regard des conditions visées à l'article 287sexies,]5 l'avis écrit motivé, selon le cas :
  1° du chef de corps sortant (, encore en fonction,) de la juridiction ou du ministère public près la juridiction où doit intervenir la désignation; <L 2003-05-03/45, art. 19, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  2° (du chef de corps de la juridiction ou du ministère public près la juridiction où le candidat exerce les fonctions de magistrat. Pour les magistrats chargés d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéas 1er et 2, le procureur fédéral émet un avis si l'intéressé travaille pour lui à temps plein. Si les prestations ne sont pas accomplies à temps plein, l'avis du procureur fédéral sur l'aspect lié au travail fédéral est joint à celui du chef de corps.)[1 Pour les magistrats visés à l'article 43, § 5bis, alinéa 1er, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, le procureur du Roi de Hal-Vilvorde fournit les renseignements nécessaires au procureur du Roi de Bruxelles, qui donne son avis.]1 <L 2006-12-18/37, art. 3, 2°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  3° d'un représentant du barreau désigné par l'ordre des avocats de l'arrondissement judiciaire où le candidat exerce les fonctions de magistrat. Pour l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, l'avis du représentant de l'ordre français ou du représentant de l'ordre néerlandais est recueilli, selon que le magistrat appartient au rôle français ou néerlandais. [5 Pour le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près celle-ci, l'avis est recueilli auprès du bâtonnier de l'Ordre des avocats à la Cour de cassation.]5
  [7 4° du premier président de la cour et de l'assemblée générale de la cour lorsque la désignation dans le mandat de président emporte une nomination de conseiller au sein d'une cour d'appel ou d'une cour du travail; l'avis ne porte dans ce cas que sur la nomination comme conseiller;
   5° du procureur général près la cour d'appel lorsque la désignation dans le mandat [14 de procureur de la sécurité routière,]14 de procureur du Roi ou d'auditeur du travail emporte une nomination de substitut du procureur général près la cour d'appel ou de substitut général près la cour du travail; l'avis ne porte dans ce cas que sur la nomination comme substitut du procureur général près la cour d'appel ou de substitut général près la cour du travail;
   6° du procureur général près la cour d'appel lorsque la désignation dans le mandat de procureur fédéral emporte une nomination de substitut du procureur général près la cour d'appel et une désignation d'office comme 1er avocat général; l'avis ne porte dans ce cas que sur la nomination de substitut du procureur général près la cour d'appel et la désignation d'office comme premier avocat général.]7

  (Lorsque le chef de corps visé à l'alinéa 1er, 2°, est le même que celui visé à l'alinéa 1er, 1°, l'avis est rendu, soit par l'assemblée générale [3 ou l'assemblée de corps]3 pour la Cour de cassation, [6 soit le premier président de la cour d'appel pour le président des juges de paix et des juges au tribunal de police,]6 soit par le président du collège des procureurs généraux pour le procureur fédéral, [14 soit par le Collège du ministère public pour le procureur de la sécurité routière,]14 soit par le chef de corps de la juridiction immédiatement supérieure ou du ministère public près cette juridiction dans les autres cas. Il en est de même lorsque le chef de corps visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, se trouve, pour quelque raison que ce soit, dans l'impossibilité d'émettre un avis ou qu'il existe un intérêt personnel contraire dans son chef au sens de l'article 259ter, § 1er, alinéa 5. Les modalités de l'article 259ter, § 1er, alinéa 2, et § 2, alinéas 1er à 3, sont applicables par analogie. <L 2006-12-18/37, art. 3, 3°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  (Le dossier de désignation d'un chef de corps se compose [13 , sans préjudice de l'application de l'article 259bis-6, § 4,]13 exclusivement des documents suivants :
  a) [5 la candidature et les pièces justificatives visées à l'article 287sexies, alinéa 8, concernant les études et l'expérience professionnelle;]5
  b) le curriculum vitae ;
  c) les avis écrits visés l'alinéa 1er [15 ...]15 [5 , ainsi que les pièces prouvant la réception de ces avis par le candidat]5;
  d) le plan de gestion du candidat;
  e) la mention définitive dans le dossier d'évaluation;
  f) [5 un extrait du casier judiciaire dont la date est postérieure à la publication visée à l'alinéa 1er.]5) <L 2003-05-03/45, art. 19, 111; En vigueur : 02-06-2004>
  § 3. L'article 259ter, § 3, est applicable par analogie pour une désignation à la fonction de premier président de la Cour de cassation, premier président de la cour d'appel ou premier président de la cour du travail (Si l'assemblée générale n'atteint pas le quorum requis parce que trop de membres de la cour d'appel ou de la cour du travail concernée sont candidats à la fonction de chef de corps de cette cour, l'avis visé à l'article 259ter, § 3, est donné par le premier président de la Cour de cassation.). <L 2003-05-03/45, art. 19, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  Pour le reste, les dispositions visées à l'article 259ter, §§ 4 et 5, sont applicables par analogie, exception faite de ce qui suit :
  1° la présentation s'opère aussi sur la base du profil général visé à l'article 259bis-13;
  2° en cas de désignation à la fonction de chef de corps visée aux articles 43, § 4, [16 43bis, § 3, alinéa 1er, 43bis, § 4, alinéa 1er, et § 6, 43ter, § 3, alinéa 3, 43quater, alinéa 2,]16 et 49, § 2, alinéas 1er à 4 in fine, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, la présentation est établie par la commission de nomination réunie à la majorité de deux tiers des suffrages émis dans chaque commission de nomination;
  3° (au moment où le mandat s'ouvre effectivement, le candidat doit être éloigné d'au moins (5 ans) de la limite d'âge visée à l'article 383, § 1er;) <L 2003-05-03/45, art. 19, 110; En vigueur : 02-06-2003> <L 2006-12-18/37, art. 3, 4°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  (4° la commission de nomination entend tous les candidats à un mandat de chef corps [5 dont la candidature a été déclarée recevable]5.) <L 2003-05-03/45, art. 19, 111; En vigueur : 02-06-2004>
  (§ 3bis. Au plus tard à la fin du 52e mois d'exercice du mandat, le chef de corps visé au § 1er, alinéa 2, informe le ministre de la Justice s'il demande ou non le renouvellement du mandat. S'il ne le demande pas, il est procédé à l'ouverture du mandat. [16 Dans le cas où un chef de corps visé au paragraphe 6, alinéa 3, ne demande pas ou n'obtient pas le renouvellement, le mandat est attribué à un magistrat du même rôle linguistique et n'est pas renouvelable.]16
  [6 ...]6
  Si l'intéressé a demandé le renouvellement du mandat, [16 lorsqu'il estime cette demande de renouvellement recevable]16 le ministre de la Justice transmet, au plus tard [16 quatre-vingt jours]16 avant l'expiration du mandat, le dossier de renouvellement comprenant les pièces visées à l'article 259novies, § 10, alinéa 14, à la commission de nomination et de désignation compétente du Conseil supérieur de la justice.
  La commission de nomination et de désignation entend le chef de corps.
  La présentation par la commission de nomination et de désignation prend la forme d'une décision motivée d'acceptation ou de refus du renouvellement du mandat de chef de corps. Elle est transmise au plus tard [16 cinquante jours]16 avant l'expiration du mandat au Ministre de la Justice. [16 Dès réception de la décision motivée d'acceptation ou de refus du renouvellement, le Roi dispose d'un délai de quinze jours pour prendre une décision. En cas de refus motivé du Roi, la commission de nomination dispose, à compter de la réception de ce refus, d'un délai de quinze jours pour prendre une nouvelle décision.]16
  Le renouvellement du mandat ou l'ouverture du mandat a lieu dans les [16 vingt jours]16 avant l'expiration du mandat.
  En cas de désignation d'un chef de corps visé au § 6, alinéa 3, les délais visés au présent paragraphe courent selon le calendrier qui aurait été d'application pour son prédécesseur.
  Lorsque le mandat d'un chef de corps n'est pas renouvelé, le mandat est exercé, jusqu'à désignation du successeur, par un titulaire d'un mandat adjoint dans l'ordre d'ancienneté de service ou, à défaut, par un autre magistrat dans l'ordre d'ancienneté de service.) <L 2006-12-18/37, art. 3, 5°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  § 4. [8 A moins qu'il ne soit déjà désigné dans ce mandat ou nommé dans cette fonction, la désignation d'un magistrat comme chef de corps d'un tribunal, d'une cour, des juges de paix et des juges au tribunal de police, d'un parquet, d'un auditorat du travail ou d'un parquet général emporte une désignation subsidiaire temporairement en surnombre, dans le mandat adjoint ou une nomination dans la fonction suivante qui ne sera exercé qu'à l'expiration du deuxième mandat et pour autant que le chef de corps sortant ait obtenu une évaluation positive au cours de la cinquième année du mandat en cours, sauf si celui-ci préfère réintégrer son ancienne nomination ou son ancien mandat adjoint :
   - le premier président de la cour d'appel [11 est désigné président de chambre]11 à la cour d'appel;
   - le premier président de la cour du travail [11 est désigné président de chambre]11 à la cour du travail;
   - le procureur général près la cour d'appel est désigné premier avocat général près la cour d'appel;
   - le procureur fédéral est nommé substitut du procureur général et désigné premier avocat général dans le ressort de la cour d'appel dont il est issu ;
   - le président du tribunal de première instance est nommé conseiller à la cour d'appel;
   - le président du [12 tribunal de l'entreprise]12 est nommé conseiller à la cour d'appel;
   - le président du tribunal du travail est nommé conseiller à la cour du travail;
   - le président des juges de paix et des juges au tribunal de police est nommé conseiller à la cour d'appel;
  [14 - le procureur de la sécurité routière est nommé substitut du procureur général dans le ressort de la cour d'appel dont il est issu;]14
   - le procureur du Roi [11 est nommé substitut du procureur général]11 près la cour d'appel;
   - l'auditeur du travail [11 est nommé substitut général]11 près la cour du travail.
   Le chef de corps sortant peut à sa demande, être à nouveau nommé par le Roi, au besoin temporairement en surnombre, à la fonction à laquelle il avait été nommé en dernier lieu avant sa désignation à la fonction de chef de corps. Le cas échéant, il réintègre également le mandat adjoint auquel il avait été désigné au stade où il a cessé de l'exercer pour autant qu'il ne s'agisse pas d'un mandat visé au § 5, alinéa 8 ou le mandat spécifique auquel il avait été désigné dans ou en dehors de la juridiction ou du parquet dans lequel il est ou était nommé au stade où il a cessé de l'exercer.
   L'alinéa 2 s'applique au chef de corps qui a obtenu la mention "insuffisant" lors de son évaluation.]8

  § 5. [9 La désignation à la fonction de chef de corps d'un candidat extérieur à la juridiction ou au parquet donne lieu à une nomination simultanée, le cas échéant temporairement en surnombre, à cette juridiction ou ce parquet sans que l'article 287sexies ne soit d'application, [14 à l'exception du procureur fédéral et du procureur de la sécurité routière qui conservent leur nomination]14 et du président des juges de paix et des juges au tribunal de police qui est le cas échéant nommé simultanément soit juge de paix dans un canton de l'arrondissement désigné par le Roi soit juge au tribunal de police de l'arrondissement. Le cas échéant, la désignation au mandat de procureur fédéral donne en outre lieu à une désignation subsidiaire simultanée, en surnombre, comme magistrat fédéral. Lorsque le magistrat désigné président des juges de paix et des juges au tribunal de police n'est ni juge de paix ni juge au tribunal de police, il est respectivement désigné juge de paix si le vice-président est juge au tribunal de police et juge au tribunal de police si le vice-président est juge de paix.
   La désignation au mandat de président du tribunal de première instance ou de procureur du Roi d'un candidat extérieur à la juridiction ou au parquet donne également lieu à une nomination en ordre subsidiaire, le cas échéant temporairement en surnombre, dans les autres tribunaux de première instance ou parquets du procureur du Roi du ressort de la cour d'appel conformément à l'article 100 et dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire.
   L'alinéa 2 est également applicable aux désignations dans les [12 tribunaux de l'entreprise]12, dans les tribunaux du travail et les auditorats du travail du ressort de la Cour d'appel de Bruxelles.
   Les chefs de corps nommés juges de paix dans un canton sur la base de l'alinéa 1er sont nommés à titre subsidiaire dans les autres cantons de l'arrondissement judiciaire.
   La désignation au mandat de président du tribunal de première instance d'Eupen d'un candidat extérieur à la juridiction donne également lieu à une nomination comme juge en ordre subsidiaire temporairement en surnombre, dans le [12 tribunal de l'entreprise]12 et le tribunal du travail d'Eupen conformément à l'article 100/1. La désignation au mandat de procureur du Roi d'Eupen d'un candidat extérieur au parquet donne également lieu à une nomination comme substitut en ordre subsidiaire temporairement en surnombre à l'auditorat du travail d'Eupen conformément à l'article 156.
   Les nominations à la base et les nominations à titre subsidiaire visées au présent paragraphe prennent fin lors de l'application du paragraphe 4.
   La désignation comme chef de corps suspend le mandat adjoint.
   La désignation comme chef de corps met toutefois fin au mandat de procureur du Roi adjoint de Bruxelles, d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles, de président de division, de procureur de division, d'auditeur de division, de vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police.
   Les titulaires de mandat adjoint dont le mandat est suspendu peuvent le cas échéant être remplacés en surnombre pendant la durée de leur mandat de chef de corps.
   Le chef de corps peut le cas échéant être remplacé en surnombre.]9

  [6 § 5/1. Excepté le cas où la mention "insuffisant" leur a été attribuée lors de leur évaluation, les magistrats qui ont exercé un mandat de chef de corps peuvent respectivement porter le titre de premier président honoraire, de président honoraire, de procureur général honoraire, de procureur fédéral honoraire, [14 de procureur de la sécurité routière honoraire,]14 de procureur du Roi honoraire ou d'auditeur du travail honoraire.]6
  § 6. (L'ouverture d'un mandat de chef de corps donne lieu à l'application de l'[3 article 287sexies]3 [16 sauf lorsqu'au moment où le mandat visé à l'alinéa 3 devient prématurément vacant la date d'expiration normale du mandat est éloignée de moins de deux ans. Par mandat prématurément vacant on entend le mandat qui prend fin avant la fin de la période de cinq ans en cours. Les dispositions applicables aux mandats prématurément vacants s'appliquent en cas de non renouvellement d'un mandat]16.
  Si le mandat de premier président de la Cour de cassation ou de procureur général près la Cour de cassation devient prématurément vacant, il n'est fait application de l'[3 article 287sexies]3 que pour autant qu'au moment où le mandat devient vacant, la date d'expiration normale du mandat est éloignée d'au moins deux ans. Si ce délai est inférieur à deux ans, le mandat est achevé par le remplaçant visé à l'[3 article 319, alinéa 2, deuxième phrase]3.
  [1 Si au moment où un mandat de procureur fédéral, de premier président de la cour d'appel de Bruxelles, de procureur général près la cour d'appel de Bruxelles [14 , [16 de premier président de la cour du travail de Bruxelles, de procureur du Roi de Bruxelles, d'auditeur du travail de Bruxelles]16 ou de procureur de la sécurité routière]14 devient prématurément vacant, la date d'expiration normale du mandat est éloignée d'au moins deux ans, il est fait application de l'article 287sexies.]1
  Si au moment où un mandat visé à l'alinéa 3 devient prématurément vacant, la date d'expiration normale du mandat est éloignée de moins de deux ans, le mandat est achevé par le remplaçant visé à l'[3 article 319, alinéa 2, deuxième phrase]3 [14 et alinéa 4]14.
  Si le remplacement visé à l'alinéa 4 a lieu au cours du premier mandat, il est fait application de l'[3 article 287sexies]3 pour l'attribution d'un mandat pour la période de renouvellement ou la partie restante de cette période. [16 Il en est de même dans le cas où le premier mandat n'est pas renouvelé.]16
  Dans le cas d'un appel aux candidats en application des alinéas 2, 3 et 5, peuvent seuls poser leur candidature, sous peine d'irrecevabilité, ceux qui satisfont aux même conditions linguistiques que le chef de corps dont le mandat prend fin prématurément.
  La durée du mandat de celui qui est désigné en qualité de chef de corps en application de l'alinéa 2, 3 ou 5 est, par dérogation au § 1er, limitée a la durée restante du mandat prenant fin prématurément [16 ou à la période de renouvellement ou à la partie restante de cette période]16. Toutefois si la désignation à un mandat visé à l'alinéa 3 intervient au cours du premier mandat, il est fait application du § 3bis, pour la période de renouvellement.)<L 2006-12-18/37, art. 3, 10°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  [16 En cas d'application de l'article 287sexies lorsque le mandat visé à l'alinéa 3 devient prématurément vacant ou lorsque ce mandat n'est pas renouvelé, la procédure visée aux paragraphes 2, 3, 4 et 5 s'applique.]16
  (§ 7. Le chef de corps peut mettre son mandat à disposition anticipativement [5 voie électronique contre accusé de réception]5. Toutefois, le mandat ne prend fin qu'après neuf mois à compter de la réception de la mise à disposition. Sur la demande motivée du chef de corps concerné, le Roi peut réduire ce délai.
  [10 Le chef de corps qui n'achève pas le mandat en cours réintègre d'office la fonction à laquelle il était nommé au moment de sa désignation ou, le cas échéant, le mandat adjoint auquel il avait été désigné au stade où il a cessé de l'exercer pour autant qu'il ne s'agisse pas d'un mandat de procureur du Roi adjoint de Bruxelles, d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles, de président de division, de procureur de division, d'auditeur de division, de vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police ou le mandat spécifique dans ou en dehors de la juridiction ou du parquet dans lequel il est ou était nommé, auquel il avait été désigné au stade où il a cessé de l'exercer.]10
  Le chef de corps qui met anticipativement son mandat à disposition ne peut plus poser sa candidature à un nouveau mandat de chef de corps pendant une période de deux ans à compter du moment où il a cessé effectivement son mandat.) <L 2003-05-03/45, art. 19, 110; En vigueur : 02-06-2003>
(NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden " dat de stukken bevat bedoeld in artikel 259novies, § 10, veertiende lid, " in artikel 259quater, § 3bis, derde lid, vernietigd in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)
  
(NOTE : par son arrêt n° 122/2008 du 01-09-2008 (M.B. 18-09-2008, p. 48636-48642), la Cour Constitutionnelle a annulé les mots " comprenant les pièces visées à l'article 259novies, § 10, alinéa 14, " à l'article 259quater, § 3bis, alinéa 3, en ce qu'ils s'appliquent aux chefs de corps des cours et tribunaux)
  
Art. 259quinquies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De titularissen van de adjunct-mandaten bedoeld in artikel 58bis, 3°, worden aangewezen als volgt :
  1° de voorzitter en de afdelingsvoorzitters in het Hof van Cassatie, de kamervoorzitters in het hof van beroep en [2 in het arbeidshof, de ondervoorzitters van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank en de [4 ondernemingsrechtbank]4 en de ondervoorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.]2 worden door de bevoegde algemene vergaderingen uit hun midden aangewezen, uit twee kandidaten die door de korpschef op gemotiveerde wijze worden voorgedragen voorzover er voldoende leden zijn die in de voorwaarden verkeren en zich kandidaat hebben gesteld. [1 Voor de hoven met zetel te Brussel]1 geschieden de voordrachten en de aanwijzing per taalgroep volgens de taalrol van het mandaat.
  Telt het betrokken rechtscollege minder dan zeven magistraten, dan geschiedt de aanwijzing door de korpschef bij beschikking;
  (Om te kunnen worden aangewezen tot voorzitter van het Hof van Cassatie moet de kandidaat op het tijdstip waarop het mandaat daadwerkelijk openvalt bovendien ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1.) <W 2006-12-18/37, art. 4, 1°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  2° de eerste advocaten-generaal bij de hoven, de advocaten-generaal bij het hof van beroep en het arbeidshof [1 , de eerste substituten, [5 de eerste substituut-procureurs des Konings die de functie van adjunct-procureur des Konings te Brussel uitoefenen en de eerste substituut-arbeidsauditeurs die de functie van adjunct-arbeidsauditeur te Brussel uitoefenen]5]1 worden door de Koning aangewezen op gemotiveerde voordracht door de korpschef van twee kandidaten, indien voorhanden.
  (Om te kunnen worden aangewezen tot eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie moet de kandidaat op het tijdstip waarop het mandaat daadwerkelijk openvalt bovendien ten minste vijf jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1.) <W 2006-12-18/37, art. 4, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [2 3° de afdelingsvoorzitter bij een rechtbank wordt [3 ...]3 aangewezen door de algemene vergadering uit twee kandidaten op een met redenen omklede voordracht van de voorzitter van de rechtbank uit magistraten van de zetel die zich bij hem kandidaat hebben gesteld.
   De Koning wijst een afdelingsprocureur of afdelingsauditeur aan [3 ...]3 op een met redenen omklede voordracht door de korpschef van twee parketmagistraten die zich bij hem kandidaat hebben gesteld.
   De afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, of afdelingsauditeur, kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen, in voorkomend geval in overtal.]2
[3 Naargelang het geval kan de vervanging worden toegestaan in de rechtbank of het parket waarin de aanwijzing heeft plaatsgevonden of, indien de aangewezen persoon magistraat was in een andere rechtbank of in een ander parket dan in de rechtbank of het parket waarin hij wordt aangewezen, in die rechtbank of dat parket.]3
  [3 De aanwijzing in het mandaat van afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur schorst het adjunct-mandaat waarin die magistraat was aangewezen binnen of buiten het rechtscollege of het parket waarin de aanwijzing als afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur heeft plaatsgevonden. De aanwijzing in het adjunct-mandaat van afdelingsprocureur of afdelingsauditeur maakt evenwel een einde aan het adjunct-mandaat van adjunct-procureur des Konings van Brussel of van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel.]3
  (§ 1bis. De aanwijzingen in de adjunct-mandaten van voorzitter van het Hof van Cassatie en van eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie gebeuren voor een niet-hernieuwbare termijn van vijf jaar.
  De voorzitter van het Hof van Cassatie en de eerste advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie worden onderworpen aan een evaluatie in de loop van het vijfde jaar van het mandaat.
  Bij het verstrijken van hun mandaat nemen zij het laatste ambt of het laatste adjunct-mandaat waarin zij werden benoemd of aangewezen, weer op. In voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een mandaat van dezelfde rang.
  De aanwijzing als voorzitter van het Hof van Cassatie schorst het adjunct-mandaat van [3 sectievoorzitter]3 in het Hof van Cassatie.
  In geval van vervroegde beëindiging van het mandaat wordt de in § 1 bedoelde procedure aangevat met het oog op de aanwijzing van een magistraat van dezelfde taalrol die het lopende mandaat beëindigt.) <W 2006-12-18/37, art. 4, 3°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [3 § 1ter. De aanwijzingen als ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank gebeuren voor een termijn van vijf jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie indien de nieuwe voorzitter dezelfde hoedanigheid heeft als de uittredende voorzitter of indien de magistraat die is aangewezen als voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank geen vrederechter of rechter in de politierechtbank is. De vervroegde beëindiging van het mandaat van voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank heeft tot gevolg dat het mandaat van ondervoorzitter wordt beëindigd bij de eedaflegging van de opvolger van de voorzitter, behalve indien de nieuwe voorzitter dezelfde hoedanigheid heeft als de uittredende voorzitter of indien de magistraat die is aangewezen als voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank geen vrederechter of rechter in de politierechtbank is.
   In geval van vervroegde beëindiging van het mandaat van ondervoorzitter, wordt de in paragraaf 1 bedoelde procedure aangevat met het oog op de aanwijzing van de magistraat die het lopende mandaat zal beëindigen. Naargelang de te vervangen ondervoorzitter vrederechter of rechter in de politierechtbank was, zal hij respectievelijk worden vervangen door een vrederechter of een rechter in de politierechtbank.
   Bij niet-hernieuwing van het mandaat van ondervoorzitter wordt de procedure bedoeld in paragraaf 1 aangevat.
   Bij het verstrijken van hun mandaat nemen zij het laatste ambt waarin zij werden benoemd weer op.
   De ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank wordt verondersteld zijn mandaat te hebben aangevat op de datum van de eedaflegging van de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank.]3

  [5 § 1quater. De aanwijzingen als eerste substituut-procureur des Konings die de functie van adjunct-procureur des Konings te Brussel uitoefent en eerste substituut-arbeidsauditeur die de functie van adjunct-arbeidsauditeur te Brussel uitoefent, gebeuren voor een termijn van vijf jaar die een keer kan worden verlengd na evaluatie.
   In geval van vroegtijdige beëindiging van het mandaat van adjunct-procureur des Konings te Brussel of van adjunct-arbeidsauditeur te Brussel, wordt de in paragraaf 1 bedoelde procedure aangevat met het oog op de aanwijzing van de magistraat van dezelfde taalrol die het lopende mandaat zal beëindigen.
   Als de vervanging plaatsvindt tijdens de eerste periode van vijf jaar, kan het mandaat van de vervanger na evaluatie eenmaal worden verlengd. In geval van niet-verlenging of indien de vervanging plaatsvindt tijdens de tweede periode van vijf jaar, kan het mandaat van de vervanger niet worden verlengd.
   Het mandaat van de adjunct loopt af op de datum van de eedaflegging van de nieuwe procureur des Konings te Brussel of van de nieuwe arbeidsauditeur te Brussel die wordt aangewezen na afloop van de periode van tien jaar waarin het mandaat werd uitgeoefend door zijn voorganger of voorgangers van de andere taalrol.]5

  § 2. De aanwijzingen in de (andere) adjunct-mandaten gebeuren voor een termijn van drie jaar die kan worden hernieuwd na evaluatie. Na negen jaar ambtsvervulling woen zij na evaluatie vast aangewezen. [2 De afdelingsvoorzitters, afdelingsprocureurs, [3 en de afdelingsauditeurs]3 worden niet vast aangewezen in hun adjunct-mandaat.]2 <W 2006-12-18/37, art. 4, 4°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Bij niet-hernieuwing van het mandaat wordt de procedure bedoeld in § 1 aangevat. In dit geval neemt de magistraat bij het verstrijken van zijn mandaat het ambt of het adjunct-mandaat waarin hij het laatst werd benoemd of vast aangewezen weer op. In voorkomend geval verdwijnt het overtal bij het openvallen van een mandaat van dezelfde rang. <W 2006-12-18/37, art. 4, 5°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  
Art. 259quinquies. § 1er. Les titulaires des mandats adjoints visés à l'article 58bis, 3°, sont désignes comme suit :
  1° le président et les présidents de section à la Cour de cassation, les présidents de chambre à la cour d'appel et [2 à la cour du travail, les vice-présidents du tribunal de première instance, du tribunal du travail et du [4 tribunal de l'entreprise]4 et les vice-présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police.]2 sont désignés en leur sein par les assemblées générales compétentes parmi deux candidats qui sont présentés de façon motivée par le chef de corps, pour autant qu'un nombre suffisant de membres remplissent les conditions et aient posé leur candidature. [1 Pour les cours ayant leur siège à Bruxelles]1, les présentations et les désignations s'effectuent par groupe linguistique, en fonction du rôle linguistique du mandat.
  Lorsque la juridiction concernée compte moins de sept magistrats, le chef de corps procède à la désignation par ordonnance.
  (Pour pouvoir être désigné président de la Cour de cassation, il faut en outre qu'au moment où le mandat s'ouvre effectivement, le candidat soit éloigné d'au moins cinq ans de la limite d'âge visée à l'article 383, § 1er.) <L 2006-12-18/37, art. 4, 1°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  2° les premiers avocats généraux près des cours, les avocats généraux près la cour d'appel et près la cour du travail [1 , les premiers substituts, [5 les premiers substituts du procureur du Roi exerçant la fonction de procureur du Roi adjoint de Bruxelles et les premiers substituts de l'auditeur du travail exerçant la fonction d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles]5]1 sont désignés par le Roi sur présentation motivée de deux candidats par le chef de corps, si le nombre total le permet.
  (Pour pouvoir être désigné premier avocat général près la Cour de cassation, il faut en outre, qu'au moment où le mandat s'ouvre effectivement le candidat soit éloigné d'au moins cinq ans de la limite d'âge visée à l'article 383,§ 1er.) <L 2006-12-18/37, art. 4, 2°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  [2 3° le président de division près d'un tribunal est désigné [3 ...]3 par l'assemblée générale parmi deux candidats sur présentation motivée du président du tribunal parmi des magistrats du siège qui se sont portés candidats auprès de lui.
   Le Roi désigne un procureur de division ou un auditeur de division [3 ...]3 sur présentation motivée du chef de corps parmi deux magistrats de parquet qui se sont portés candidats auprès de lui.
   Le président de division, le procureur de division ou l'auditeur de division peut pour la durée de son mandat être remplacé, le cas échéant en surnombre.]2
[3 Selon le cas, le remplacement peut être autorisé dans le tribunal ou le parquet dans lequel la désignation a eu lieu ou, si la personne désignée était magistrat dans un tribunal ou un parquet autre que le tribunal ou le parquet où elle est désignée, dans ce tribunal ou ce parquet.]3
  [3 La désignation au mandat de président de division, de procureur de division ou d'auditeur de division suspend le mandat adjoint dans lequel ce magistrat était désigné dans ou en dehors de la juridiction ou du parquet dans lequel la désignation comme président de division, procureur de division ou auditeur de division a eu lieu. Toutefois, la désignation au mandat adjoint de procureur de division ou d'auditeur de division met fin au mandat adjoint de procureur du Roi adjoint de Bruxelles ou d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles.]3
  (§ 1erbis. Les désignations aux mandats adjoints de président de la Cour de cassation et de premier avocat général près la Cour de cassation s'effectuent pour une période de cinq ans non renouvelable.
  Le président de la Cour de cassation et le premier avocat général près la Cour de cassation sont soumis à une évaluation au cours de la cinquième année du mandat.
  A l'expiration de leur mandat, ils réintègrent la dernière fonction à laquelle ou le dernier mandat adjoint auquel ils avaient été nommés ou désignés. Le cas échéant, le surnombre disparaît lorsqu'un mandat du même rang devient vacant.
  La désignation comme président de la Cour de cassation suspend le mandat adjoint de président de section à la Cour de cassation.
  En cas de fin anticipée du mandat, la procédure visée au § 1er est entamée en vue de désigner un magistrat du même rôle linguistique qui termine le mandat en cours.) <L 2006-12-18/37, art. 4, 3°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  [3 § 1erter. Les désignations comme vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police s'effectuent pour une période de cinq ans renouvelable après évaluation si le nouveau président a la même qualité que le président sortant ou que le magistrat désigné président des juges de paix et des juges au tribunal de police n'est ni un juge de paix ni un juge au tribunal de police. La fin anticipée du mandat de président des juges de paix et des juges au tribunal de police emporte la fin du mandat de vice-président à partir de la prestation de serment du successeur du président sauf si le nouveau président a la même qualité que le président sortant ou que le magistrat désigné président des juges de paix et des juges au tribunal de police n'est ni un juge de paix ni un juge au tribunal de police.
   En cas de fin anticipée du mandat du vice-président, la procédure visée au paragraphe 1er est entamée en vue de désigner le magistrat qui terminera le mandat en cours. Selon que le vice-président à remplacer était un juge de paix ou un juge au tribunal de police, il sera remplacé respectivement par un juge de paix ou un juge au tribunal de police.
   En cas de non renouvellement du mandat de vice-président, la procédure visée au paragraphe 1er est entamée.
   A l'expiration de leur mandat, ils réintègrent la dernière fonction à laquelle ils avaient été nommés.
   Le vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police est présumé avoir entamé son mandat à la date de prestation de serment du président des juges de paix et des juges au tribunal de police.]3

  [5 § 1erquater. Les désignations comme premier substitut du procureur du Roi exerçant la fonction de procureur du Roi adjoint de Bruxelles et de premier substitut de l'auditeur du travail exerçant la fonction d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles s'effectuent pour une période de cinq ans renouvelable une fois après évaluation.
   En cas de fin anticipée du mandat de procureur du Roi adjoint de Bruxelles ou d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles, la procédure visée au paragraphe 1er est entamée en vue de désigner le magistrat du même rôle linguistique qui terminera le mandat en cours.
   Si le remplacement a lieu en cours de la première période de cinq ans le mandat du remplaçant peut être renouvelé une fois après évaluation. En cas de non renouvellement ou si le remplacement a lieu en cours de la deuxième période de cinq ans, le mandat du remplaçant ne peut pas être renouvelé.
   Le mandat de l'adjoint s'achève à la date de prestation de serment du nouveau procureur du Roi de Bruxelles ou du nouvel auditeur du travail de Bruxelles qui est désigné à l'expiration de la période de dix ans pendant laquelle le mandat a été exercé par son ou ses prédécesseurs de l'autre rôle linguistique.]5

  § 2. Les désignations aux (autres) mandats adjoints s'effectuent pour une période de trois ans renouvelable après évaluation. Après avoir exercé leurs fonctions pendant neuf années, ils sont, après évaluation, désignés à titre définitif. [2 Les présidents de division, les procureurs de division[3 et les auditeurs de division]3 ne sont pas désignés à titre définitif dans leur mandat adjoint.]2 <L 2006-12-18/37, art. 4, 4° , 145; En vigueur : 01-01-2008>
  Si le mandat n'est pas renouvelé, la procédure visée au § 1er est entamée. Dans ce cas, le magistrat réintègre à l'expiration de son mandat la dernière fonction à laquelle ou le dernier mandat adjoint auquel il avait été nommé ou désigné à titre définitif. Le cas échéant, le surnombre disparaît lorsque (...) un mandat du même rang devient vacant. <L 2006-12-18/37, art. 4, 5°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  
Art. 259sexies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De titularissen van de bijzondere mandaten bedoeld in artikel 58bis, 4°, worden aangewezen als volgt :
  1° de onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters in de [4 familie- en jeugdrechtbank]4 worden door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld.
  Zij worden aangewezen uit de rechters die gedurende ten minste drie jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend en die voornoemde ambten reeds hebben uitgeoefend krachtens artikel 80, tweede lid, tenzij de Koning van de laatste voorwaarde afwijkt en Hij zijn keuze met bijzondere redenen omkleedt.
  (Om het ambt van onderzoeksrechter, beslagrechter of rechter in de [4 familie- en jeugdrechtbank]4 te kunnen uitoefenen moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.
  Bovendien, om het ambt van onderzoeksrechter [4 of van rechter van de familie- en jeugdrechtbank]4 te kunnen uitoefenen, moet men gedurende tenminste een jaar het ambt van rechter in de rechtbank van eerste aanleg hebben uitgeoefend.) <W 2007-01-31/30, art. 46, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  2° de [4 familie- en jeugdrechter]4 in hoger beroep wordt door de Koning aangewezen op voordracht van de bevoegde algemene vergadering uit de kandidaten die op gemotiveerde wijze door de korpschef worden voorgesteld. Hij wordt aangewezen uit de kamervoorzitters en raadsheren;
  (Om het ambt [4 familie- en jeugdrechter]4 in hoger beroep te kunnen uitoefenen moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.) <W 2007-01-31/30, art. 46, 146; Inwerkingtreding : 02-02-2008>
  3° (de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de bijstandsmagistraten) [12 , de federale magistraten en de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid]12 worden aangewezen uit de leden van het openbaar ministerie die gedurende ten minste vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van onderzoeksrechter hebben uiteoefend. <W 2006-06-13/40, art. 42, 2°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  De aanwijzing geschiedt door de Koning op voordracht van de verenigde benoemingscommissie overeenkomstig de bepalingen bedoeld in artikel 259ter, §§ 1, 2, 4 en 5. (Voor de verbindingsmagistraten in jeugdzaken wordt het door artikel 259ter, § 1, 1°, voorgeschreven advies niet ingewonnen.) <W 2006-06-13/40, art. 42, 3°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  (Om het ambt van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat of federaal magistraat te kunnen uitoefenen moet men een gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.) <W 2007-01-31/30, art. 46, 146; Inwerkingtreding : onbepaald , ten laatste op 02-02-2008>
  De Minister van Justitie zendt binnen [7 negentig dagen]7 te rekenen van de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad aan het college van procureurs-generaal voor elke kandidaat het benoemingsdossier over met het verzoek een gemotiveerd advies uit te brengen over elk van de kandidaten; dit advies wordt bij hun dossier gevoegd.
  Het college van procureurs-generaal hoort de kandidaten die haar binnen [7 negentig dagen]7 te rekenen van de bekendmaking van de vacature zoals bedoeld in het vorige lid daarom [7 langs elektronische weg]7 hebben verzocht.
  [7 Het College van procureurs-generaal zendt binnen dertig dagen na het verzoek om advies de met redenen omklede adviezen over aan de minister van Justitie en deelt langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs een afschrift mee aan de betrokken kandidaten.]7
  Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn over elke kandidaat, wordt met deze adviezen geen rekening gehouden, hetgeen uiterlijk acht dagen na het verstrijken van die termijn door de Minister van Justitie [7 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]7 wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaten.
  [12 Wat betreft de kandidaten voor het ambt van substituut-procureur voor de verkeersveiligheid, wordt het College van procureurs-generaal in de zin van het vierde tot het zesde lid gelezen als het College van het openbaar ministerie.]12
  (4° De rechters in de strafuitvoeringsrechtbank worden door de Koning aangewezen op met redenen omklede voordracht van de eerste voorzitter van het hof van beroep (uit de [1 rechters [7 ...]7 of raadsheren [7 ...]7]1) die zich kandidaat hebben gesteld. <W 2006-12-27/33, art. 82, 1°, 144; Inwerkingtreding : 07-01-2007>
  De minister van Justitie stuurt de kandidaturen voor advies aan de korpschef van de kandidaten en aan de korpschef van het rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden. Deze laatsten bezorgen de kandidaturen aan de eerste voorzitter van het betrokken hof van beroep en voegen er hun advies aan toe.
  De eerste voorzitter van het hof van beroep bezorgt de voordracht en de adviezen aan de Minister van Justitie.
  [1 Om te worden aangewezen als rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, moet het bewijs worden geleverd van vijf jaar ervaring als werkend magistraat, waarvan drie jaar als rechter [7 bij het hof van beroep]7 of raadsheer bij het hof van beroep en de voortgezette gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, die georganiseerd wordt [3 door het Instituut voor gerechtelijke opleiding]3.
   De rechter in de strafuitvoeringsrechtbank kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen door middel van een benoeming of, in voorkomend geval, van een aanwijzing in overtal.]1
[7 Naargelang het geval kan de vervanging worden toegestaan in het rechtscollege waarin de aanwijzing heeft plaatsgevonden of, indien hij is benoemd in een ander rechtscollege, in dat rechtscollege.]7
  5° [1 De substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken worden door de Koning aangewezen op met redenen omklede voordracht van de procureur-generaal bij het hof van beroep uit de substituten-procureurs des Konings en de substituten-procureur-generaal [2 en]2 de advocaten-generaal bij het hof van beroep die zich kandidaat hebben gesteld.]1
  De minister van Justitie stuurt de kandidaturen voor advies aan de korpschef van de kandidaten en aan de korpschef van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waar de aanwijzing moet geschieden. Deze laatsten bezorgen de kandidaturen aan de betrokken procureur-generaal en voegen er hun advies aan toe.
  De procureur-generaal bij het hof van beroep bezorgt de voordracht en de adviezen aan de Minister van Justitie.
  [2 De substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken worden aangewezen uit de magistraten bedoeld in het eerste lid die minimum vijf jaar ervaring hebben, waarvan drie jaar als substituut van de procureur des Konings, substituut van de procureur-generaal of advocaat-generaal bij het hof van beroep en die een voortgezette gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd, georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.]2
  [1 De parketmagistraat gespecialiseerd in [5 strafuitvoeringszaken en interneringszaken]5 kan voor de duur van zijn mandaat worden vervangen door middel van een benoeming of, in voorkomend geval, van een aanwijzing in overtal.]1) [7 Naargelang het geval kan de vervanging worden toegestaan in het parket waarin de aanwijzing heeft plaatsgevonden of, indien hij is benoemd in een ander parket, in dat parket]7 <W 2006-05-17/36, art. 19, 2°, 132; Inwerkingtreding : 31-08-2006>
  § 2. De onderzoeksrechters, de beslagrechters en de rechters in de jeugdrechtbank worden aangewezen voor een termijn van een jaar, die na evaluatie een eerste maal voor twee jaar en vervolgens telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd.
  [8 De rechters in de strafuitvoeringsrechtbank en de substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken worden aangewezen voor een periode van een jaar, die een eerste maal voor een periode van drie jaar en vervolgens telkens voor een periode van vier jaar kan worden verlengd, na evaluatie.]8
  De jeugdrechters in hoger beroep worden aangewezen voor een termijn van drie jaar die na evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd.
  [6 De verbindingsmagistraten in jeugdzaken en de bijstandsmagistraten worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar, die na evaluatie tweemaal kan worden hernieuwd. De federale magistraten [12 en de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid]12 worden aangewezen voor een termijn van vijf jaar die na een positieve evaluatie telkens voor vijf jaar kan worden hernieuwd. Na twee hernieuwingen kan het mandaat van federaal magistraat maar hernieuwd worden mits een bijkomende positief advies van het College van procureurs-generaal [12 en het mandaat van substituut-procureur voor de verkeersveiligheid mits een bijkomend positief advies van het College van het openbaar ministerie]12.]6
  (De magistraten van het openbaar ministerie die worden aangewezen tot (verbindingsmagistraat in jeugdzaken [12 , federaal magistraat of substituut-procureur voor de verkeersveiligheid]12) kunnen vervangen worden door een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal.) <W 2003-05-03/45, art. 20, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-06-13/40, art. 42, 5°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  § 3. Ingeval een bijzonder mandaat niet wordt hernieuwd, wordt de procedure bedoeld in § 1 aangevat.
  (De (verbindingsmagistraat in jeugdzaken, de bijstandsmagistraat) [12 , de federale magistraat en de substituut-procureur voor de verkeersveiligheid]12 nemen na het verstrijken van hun mandaat het ambt waarin zij zijn benoemd weer op en in voorkomend geval het adjunct-mandaat waarin zij zijn aangewezen. [9 De aanwijzing in één van de in de eerste zin bedoelde mandaten maakt een einde aan het mandaat van afdelingsprocureur, van afdelingsauditeur, van adjunct-procureur des Konings te Brussel en van adjunct-arbeidsauditeur te Brussel.]9 <W 2006-06-13/40, art. 42, 6°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  [9 Met uitzondering van de adjunct-mandaten bedoeld in het tweede lid, tweede zin, worden de niet vast adjunct-mandaten geschorst voor de duur van de mandaten van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat [12 , federale magistraat en substituut-procureur voor de verkeersveiligheid]12.]9
  Het bijzonder mandaat van (rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat [12 ]12 of substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken) neemt een einde wanneer de betrokkene een opdracht als bedoeld in de artikelen 308, [10 309/1,]10 [11 309/2,]11 323bis, 327 en 327bis aanvaardt.) <W 2001-06-21/42, art. 17, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2006-06-13/40, art. 42, 7°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
Art. 259sexies. § 1er. Les titulaires des mandats spécifiques visés à l'article 58bis, 4°, sont désignés comme suit :
  1° les juges d'instruction, les juges des saisies et les juges [4 au tribunal de la famille et de la jeunesse]4 sont désignés par le Roi sur présentation de l'assemblée générale compétente parmi les candidats qui ont fait l'objet d'une proposition motivée du chef de corps.
  Ils sont désignés parmi les juges qui ont exercé pendant au moins trois années la fonction de magistrat du ministère public ou de juge au tribunal de première instance et qui ont déjà exercé les fonctions précisées conformément à l'article 80, alinéa 2, sauf si le Roi déroge à cette dernière condition par une décision spécialement motivée.
  (Il faut, pour pouvoir exercer la fonction de juge d'instruction, de juge des saisies ou de juge [4 au tribunal de la famille et de la jeunesse]4, avoir suivi une formation spécialisée, organisée par l'Institut de formation judiciaire.
  En outre, pour pouvoir exercer la fonction de juge d'instruction [4 ou de juge au tribunal de la famille et de la jeunesse]4, il faut avoir exercé pendant au moins une année la fonction de juge au tribunal de première instance.) <L 2007-01-31/30, art. 46, 146; En vigueur : 02-02-2008>
  2° le juge d'appel de la [4 famille et de la jeunesse]4 est désigné par le Roi sur présentation de l'assemblée générale compétente parmi les candidats qui ont fait l'objet d'une proposition motivée du chef de corps. Ils sont désignés parmi les présidents de chambre et les conseillers;
  (Il faut, pour pouvoir exercer la fonction de juge d'appel de la [4 famille et de la jeunesse]4 avoir suivi une formation spécialisée, organisée par l'Institut de formation judiciaire.) <L 2007-01-31/30, art. 46, 146; En vigueur : 02-02-2008>
  3° (les magistrats de liaison en matière de jeunesse, les magistrats d'assistance) [12 , les magistrats fédéraux et les substituts du procureur de la sécurité routière]12 sont désignés parmi les membres du ministère public qui ont exercé pendant au moins cinq ans la fonction de magistrat du ministère public ou de juge d'instruction. <L 2006-06-13/40, art. 42, 2°, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  Ils sont désignés par le Roi sur présentation de la commission de nomination réunie conformément aux dispositions visées à l'article 259ter, §§ 1er, 2, 4 et 5. (Pour les magistrats de liaison en matière de jeunesse, l'avis prescrit à l'article 259ter, § 1, 1°, n'est pas recueilli.) <L 2006-06-13/40, art. 42, 3°, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  (Il faut, pour pouvoir exercer les fonctions de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance ou de magistrat fédéral avoir suivi une formation spécialisée, organisée par l'Institut de formation judiciaire.) <L 2007-01-31/30, art. 46, 146; En vigueur : 02-02-2008>
  Le Ministre de la Justice dispose d'un délai de [7 nonante jours]7 à compter de la publication de la vacance d'emploi au Moniteur belge pour communiquer, pour chacun des candidats, le dossier de nomination au collège des procureurs généraux qui sera prié d'émettre un avis motivé pour chacun des candidats; cet avis sera joint à leur dossier.
  Le collège des procureurs généraux entend les candidats qui, dans un délai de [7 nonante jours]7 à compter de la publication de la vacance d'emploi visée à l'alinéa précédent, en ont fait la demande par [7 voie électronique]7.
  [7 Le Collège des procureurs généraux fait parvenir les avis motivés au ministre de la Justice dans un délai de trente jours à compter de la demande et communique une copie aux candidats concernés par voie électronique contre accusé de réception.]7
  En l'absence d'avis dans le délai prescrit pour chaque candidat, il n'est pas tenu compte de ces avis; le cas échéant, le Ministre de la Justice en informe les candidats concernés par [7 voie électronique contre accusé de réception]7 au plus tard dans les huit jours qui suivent l'expiration de ce délai.
  [12 Concernant les candidats à la fonction de substitut du procureur de la sécurité routière, il convient d'entendre par Collège des procureurs généraux au sens des alinéas 4 à 6, le Collège du ministère public.]12
  (4° Le Roi désigne les juges au tribunal de l'application des peines, sur présentation motivée du premier président de la cour d'appel, (parmi les [1 juges [7 ...]7 ou les conseillers [7 ...]7]1) qui se sont portés candidats. <L 2006-12-27/33, art. 81, 1°, 144; En vigueur : 07-01-2007>
  Le ministre de la Justice transmet les candidatures pour avis au chef de corps des candidats et au chef de corps de la juridiction où doit avoir lieu la désignation. Ces derniers transmettent les candidatures au premier président de la cour d'appel concernée en y joignant leur avis.
  Le premier président de la cour d'appel transmet la présentation et les avis au Ministre de la Justice.
  [1 Pour être désigné juge au tribunal de l'application des peines et des affaires d'internement, il faut justifier d'une expérience de cinq années comme magistrat effectif, dont trois comme juge [7 ...]7 ou conseiller [7 ...]7, et avoir suivi une formation continue spécialisée, organisée [3 par l'Institut de formation judiciaire]3.
   Le juge au tribunal de l'application des peines peut être remplacé, pour la durée de son mandat, par voie de nomination ou, le cas échéant, de désignation en surnombre.]1
[7 Selon le cas, le remplacement peut être autorisé dans la juridiction dans laquelle la désignation a eu lieu ou, s'il est nommé dans une autre juridiction, dans cette juridiction.]7
  (5° [1 Le Roi désigne les substituts du procureur du Roi spécialisés en application des peines, sur présentation motivée du procureur général près la cour d'appel, parmi les substituts du procureur du Roi et les substituts du procureur général et avocats généraux près la cour d'appel qui se sont portés candidats.]1
  Le ministre de la Justice transmet les candidatures, pour avis, au chef de corps des candidats et au chef de corps du ministère public près la juridiction où doit avoir lieu la désignation. Ces derniers transmettent les candidatures au procureur général concerné en y joignant leur avis.
  Le procureur général près la cour d'appel transmet la présentation et les avis au Ministre de la Justice.
  [2 Les substituts du procureur du Roi spécialisés [5 en matière d'application des peines et d'internement]5 sont désignés parmi les magistrats visés à l'alinéa 1er qui comptent une expérience minimum de cinq années dont trois comme substitut du procureur du Roi, substitut du Procureur général ou avocat général près la cour d'appel et qui ont suivi une formation continue spécialisée, organisée par l'Institut de formation judiciaire.]2
  [1 Le magistrat de parquet spécialisé [5 en matière d'application des peines et d'internement]5 peut être remplacé, pour la durée de son mandat, par voie de nomination ou, le cas échéant, de désignation en surnombre.]1 [7 Selon le cas, le remplacement peut être autorisé dans le parquet dans lequel la désignation a eu lieu ou, s'il est nommé dans un autre parquet, dans ce parquet.]7) <L 2006-05-17/36, art. 19, 2°, 132; En vigueur : 31-08-2006>
  § 2. Les juges d'instruction, les juges des saisies et les juges de la jeunesse sont désignés pour une période d'un an renouvelable après évaluation, la première fois pour une période de deux ans, puis chaque fois pour une période de cinq ans.
  [8 Les juges au tribunal de l'application des peines et les substituts du procureur du Roi spécialisés en application des peines sont désignés pour une période d'un an, renouvelable la première fois pour une période de trois ans, puis chaque fois pour une période de quatre ans, après évaluation.]8
  Les juges d'appel de la jeunesse sont désignés pour une période de trois ans qui, après évaluation, peut être renouvelée chaque fois pour une période de cinq ans.
  [6 Les magistrats de liaison en matière de jeunesse et les magistrats d'assistance sont désignés pour une période de cinq ans, laquelle peut, après évaluation, être renouvelée deux fois. Les magistrats fédéraux [12 et les substituts du procureur de la sécurité routière]12 sont désignés pour une période de cinq ans, laquelle peut, après une évaluation positive, être renouvelée chaque fois pour cinq ans. Après deux renouvellements, le mandat de magistrat fédéral ne peut être renouvelé qu'après un avis complémentaire positif du Collège des procureurs généraux [12 et le mandat de substitut du procureur de la sécurité routière qu'après un avis complémentaire positif du Collège du ministère public]12.]6
  (Les magistrats du ministère public qui sont désignés (magistrat de liaison en matière de jeunesse [12 , magistrat fédéral ou substitut du procureur de la sécurité routière]12) peuvent être remplacés par voie d'une nomination et, le cas échéant, d'une désignation en surnombre.) <L 2003-05-03/45, art. 20, 110; En vigueur : 02-06-2003> <L 2006-06-13/40, art. 42, 5°, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  § 3. Lorsqu'un mandat spécifique n'est pas renouvelé, la procédure visée au § 1er est entamée.
  (A l'expiration de leur mandat, (le magistrat de liaison en matière de jeunesse, le magistrat d'assistance) [12 , le magistrat fédéral et le substitut du procureur de la sécurité routière]12 réintègrent la fonction à laquelle ils sont nommés et, le cas échéant, le mandat adjoint auquel ils sont désignés. <L 2006-06-13/40, art. 42, 6°, 134; En vigueur : 16-08-2006> [9 La désignation dans un des mandats visés à la première phrase met fin au mandat de procureur de division, d'auditeur de division, de procureur du Roi adjoint de Bruxelles et d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles.]9
  [9 Exceptés les mandats adjoints visés à l'alinéa 2, deuxième phrase, les mandats adjoints non définitifs sont suspendus pour la durée des mandats de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance [12 , de magistrat fédéral et de substitut du procureur de la sécurité routière]12.]9
  Le mandat spécifique (de juge au tribunal de l'application des peines, de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance, de magistrat fédéral [12 , de substitut du procureur de la sécurité routière]12 ou de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines) s'achève lorsque l'intéressé accepte une mission visée aux articles 308, [10 309/1,]10 [11 309/2,]11 323bis, 327 et 327bis.) <L 2001-06-21/42, art. 17, 085; En vigueur : 20-07-2001> <L 2006-06-13/40, art. 42, 7°, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  
Art. 259sexies/1. [1 De rechters in de tuchtrechtbank en de raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep worden [3 aangewezen uit de magistraten van de zetel of uit de plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis]3 die gedurende ten minste tien jaar een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van de zetel hebben uitgeoefend en die nog nooit een tuchtsanctie hebben opgelopen, tenzij deze werd uitgewist.
   De rechters in de tuchtrechtbank worden door de algemene vergaderingen van de rechtbanken van eerste aanleg aangewezen voor een [5 hernieuwbare]5 termijn van zeven jaar uit de kandidaten die op een met redenen omklede wijze door de korpschef worden voorgesteld.
   De raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep worden door de algemene vergaderingen van de hoven van beroep aangewezen voor een [5 hernieuwbare]5 termijn van zeven jaar uit de kandidaten die op een met redenen omklede wijze door de korpschef worden voorgesteld.
   [2 De kandidaturen voor de mandaten van rechter bij de tuchtrechtbank en van raadsheer bij de tuchtrechtbank in hoger beroep worden naar de bevoegde algemene vergadering gestuurd binnen een termijn van een maand vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
   De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en de eerste voorzitters van de hoven van beroep bezorgen de naam van de aangewezen rechters en raadsheren aan de minister van Justitie binnen vijfenzeventig dagen na de oproep tot kandidaten.]2

   De Koning stelt het contingent vast van de rechters die zitting kunnen houden in de tuchtrechtbank en van de raadsheren die zitting kunnen houden in de tuchtrechtbank in hoger beroep.
   [5 De werkende magistraten die een mandaat van korpschef uitoefenen]5 en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie kunnen niet worden aangewezen om zitting te houden in de tuchtrechtscolleges.
   Het mandaat van rechter in de tuchtrechtbank en van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene een in de artikelen 308, [4 309/2,]4 323bis, 327 en 327bis bedoelde opdracht aanvaardt. Het mandaat neemt ambtshalve een einde wanneer hem een tuchtstraf wordt opgelegd.]1

  
Art. 259sexies/1. [1 Les juges au tribunal disciplinaire et les conseillers au tribunal disciplinaire d'appel sont désignés parmi [3 les magistrats du siège ou parmi les magistrats suppléants visés à l'article 156bis]3 qui ont exercé pendant au moins dix ans une fonction de magistrat du ministère public ou du siège et qui n'ont jamais subi de peine disciplinaire, à moins que celle-ci n'ait été effacée.
   Les juges au tribunal disciplinaire sont désignés par les assemblées générales des tribunaux de première instance pour un terme [5 renouvelable]5 de sept ans parmi les candidats qui ont fait l'objet d'une proposition motivée du chef de corps.
   Les conseillers au tribunal disciplinaire d'appel sont désignés par les assemblées générales des cours d'appel pour un terme [5 renouvelable]5 de sept ans parmi les candidats qui ont fait l'objet d'une proposition motivée du chef de corps.
  [2 Les candidatures aux mandats de juge au tribunal disciplinaire et de conseiller au tribunal disciplinaire d'appel sont adressées à l'assemblée générale compétente dans un délai d'un mois à partir de la publication de la vacance au Moniteur belge.
   Les présidents des tribunaux de première instance et les premiers présidents des cours d'appel transmettent le nom des juges et des conseillers désignés au ministre de la Justice dans les septante cinq jours suivant l'appel aux candidats.]2

   Le Roi fixe le quota des juges qui peuvent siéger au tribunal disciplinaire et des conseillers qui peuvent siéger au tribunal disciplinaire d'appel.
   [5 Les magistrats effectifs qui exercent un mandat de chef de corps]5 et les membres du Conseil supérieur de la Justice ne peuvent pas être désignés pour siéger au sein des juridictions disciplinaires.
   Le mandat de juge au tribunal disciplinaire et de conseiller au tribunal disciplinaire d'appel s'achève lorsque l'intéressé accepte une mission visée aux articles 308, [4 309/2,]4 323bis, 327 et 327bis. Le mandat prend fin d'office lorsqu'une sanction disciplinaire lui est infligée.]1

  
Art. 259septies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 46, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De uitoefening van een mandaat van korpschef is onverenigbaar met de uitoefening van een adjunct-mandaat en met de uitoefening van een bijzonder mandaat indien dit laatste buiten het rechtscollege gebeurt.
  De uitoefening van een adjunct-mandaat is verenigbaar met de uitoefening van een bijzonder mandaat voor zover dit binnen hetzelfde rechtscollege gebeurt.
  ([4 Met uitzondering van de mandaten van afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur en afdelingsauditeur [5 [6 en van eerste advocaat-generaal]6 bij het hof van beroep]5 is een aanwijzing in een adjunct-mandaat overeenkomstig artikel 259quinquies]4 uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie wordt aangerekend.
  Met uitzondering van de mandaten (van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, van verbindingsmagistraat in jeugdzaken, van bijstandsmagistraat, van federaal magistraat [7 , van substituut-procureur voor de verkeersveiligheid]7 en van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken) is de aanwijzing in een bijzonder mandaat overeenkomstig artikel 259sexies uitsluitend mogelijk in het rechtscollege waar de magistraat op de personeelsformatie aangerekend wordt.) <W 2000-07-17/34, art. 6, 080; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2006-06-13/40, art. 43, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  (Tijdens de uitoefening van hun mandaat kunnen de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank en de substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken in een adjunct-mandaat worden aangewezen in het rechtscollege van herkomst. Artikel 323bis, § 1, tweede tot vierde lid, is op hen van toepassing.) <W 2006-05-17/36, art. 20, 2°, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [1 In geval van met redenen omklede behoeften kan een onderzoeksrechter, een [2 rechter in de familie- en jeugdrechtbank]2 of een beslagrechter echter met zijn instemming, na gunstig advies van de betrokken korpschefs en met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken bij beschikking van de eerste voorzitter, de opdracht worden gegeven zijn ambt gelijktijdig en voor een beperkte periode uit te oefenen in een andere rechtbank van eerste aanleg van het rechtsgebied. In de beschikking van de eerste voorzitter wordt vermeld waarom deze opdracht [2 onontbeerlijk]2 is en worden de nadere regels van de opdracht bepaald.]1
  
Art. 259septies. L'exercice d'un mandat de chef de corps est incompatible avec l'exercice d'un mandat adjoint et avec l'exercice d'un mandat spécifique si ce dernier est exercé en dehors de la juridiction.
  L'exercice d'un mandat adjoint est compatible avec l'exercice d'un mandat spécifique pour autant que celui-ci soit exercé dans la même juridiction.
  ([4 A l'exception des mandats de président de division, de procureur de division et d'auditeur de division [5 [6 et de premier avocat général]6 près la cour d'appel]5, la désignation à un mandat adjoint conformément à l'article 259quinquies est]4 uniquement possible dans la juridiction sur le cadre de laquelle le magistrat est imputé.
  A l'exception des mandats (de juge au tribunal de l'application des peines, de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance, de magistrat fédéral [7 , de substitut du procureur de la sécurité routière]7 et de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines), la désignation à un mandat spécifique conformément à l'article 259sexies est uniquement possible dans la juridiction sur le cadre de laquelle le magistrat est imputé.) <L 2000-07-17/34, art. 6, 080; En vigueur : 02-08-2000> <L 2006-06-13/40, art. 43, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  (Pendant l'exercice de leur mandat, le juge au tribunal de l'application des peines et le substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines peuvent être désigné à un mandat adjoint dans la juridiction dont ils sont issus. L'article 323bis, § 1er, alinéas 2 à 4, leur est applicable.) <L 2006-05-17/36, art. 20, 2°, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  [1 Toutefois, en cas de besoins motivés, un juge d'instruction, [2 un juge au tribunal de la famille et de la jeunesse]2 ou un juge des saisies peut, de son consentement, être délégué par ordonnance du premier président, après avis favorable des chefs de corps concernés et dans le respect de la loi du 15 juin 1935 sur l'emploi des langues en matière judiciaire, pour exercer ce mandat simultanément et pour une période limitée dans un autre tribunal de première instance du ressort. L'ordonnance du premier président précise les raisons qui rendent cette délégation indispensable et les modalités de la délégation.]1
  
HOOFDSTUK Vquater. - De gerechtelijke stage.
CHAPITRE VQUATER. - Du stage judiciaire.
Art. 259octies. [1 § 1. De kandidaten die zich voor het vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage inschrijven, moeten, op het ogenblik van hun inschrijving, licentiaat in de rechten of houder van een masterdiploma in de rechten en tijdens de periode van vier jaar voorafgaand aan de inschrijving gedurende ten minste twee jaar als houder van het diploma van licentiaat of master in de rechten als voornaamste beroepsactiviteit hetzij een stage bij de balie hebben doorlopen, hetzij andere juridische functies hebben uitgeoefend.
   De kandidaturen voor dit vergelijkend toelatingsexamen tot de gerechtelijke stage moeten worden ingediend binnen een maand na de bekendmaking van de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
   De Koning bepaalt bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, en op advies van het College van het openbaar ministerie en van het College van de hoven en rechtbanken voor elk gerechtelijk jaar vóór 30 april het aantal vacante plaatsen van [3 magistraat in opleiding]3 voor de Nederlandse en voor de Franse taalrol. De Koning houdt rekening met het aantal [3 kandidaat-magistraten]3 bedoeld in § 7.
   De minister bevoegd voor Justitie benoemt de [3 magistraten in opleiding]3 en wijst op gezamenlijk voorstel van het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie het rechtsgebied van het hof van beroep aan waar de stage wordt doorgemaakt. De procureur-generaal verleent, binnen dit rechtsgebied, dienstaanwijzing aan de [3 magistraat in opleiding]3 bij een parket van de procureur des Konings of een arbeidsauditoraat en de eerste voorzitter van het hof van beroep verleent dienstaanwijzing aan de [3 magistraat in opleiding]3 in een rechtbank van eerste aanleg, een [2 ondernemingsrechtbank]2 of een arbeidsrechtbank.
   Bij de benoeming, de aanwijzing in een rechtsgebied van een hof van beroep en de dienstaanwijzing van de [3 magistraten in opleiding]3 wordt rekening gehouden met de voorrang volgens de rangschikking bedoeld in artikel 259bis-9, § 1/1, tweede lid.
   § 2. [3 De stage die toegang geeft tot het ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van de zetel heeft een duur van twee jaar. Zij behelst een opleiding bestaande uit een cyclus van cursussen georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding en een praktische opleiding die verloopt in verschillende opeenvolgende stadia :
   - van de 1ste tot de 3e maand en van de 5e maand tot de 15e dag van de 12e maand, stage bij een parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur;
   - in de 4e maand en vanaf de 16e dag van de 23ste maand tot de 24ste maand een externe stage;
   - vanaf de 16e dag van de 12e maand tot de 15e dag van de 23ste maand, stage bij een of meer kamers van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en/of de ondernemingsrechtbank met inbegrip van een buitenlandse externe stage.]3

   Het programma van de externe stage wordt goedgekeurd door de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage.
   De deelname aan de opleidingssessies georganiseerd door het Instituut voor gerechtelijke opleiding is verplicht voor alle [3 magistraten in opleiding]3.
   § 3. De [3 magistraat in opleiding]3 staat tijdens de hele duur van zijn stage, ook tijdens de externe stage, onder het gezag en toezicht van de korpschef van het parket of de zetel waar hij zijn stage doormaakt.
   Hij staat eveneens onder leiding van twee stagemeesters die met zijn opleiding zijn belast en die bij de opmaak en de follow-up van het stageprogramma worden bijgestaan door het Instituut voor gerechtelijke opleiding. De eerste is magistraat bij het parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. De tweede is magistraat van de zetel in de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de [2 ondernemingsrechtbank]2. Zij worden door hun respectievelijke korpschefs aangewezen onder de magistraten die de door het Instituut voor gerechtelijke opleiding georganiseerde gespecialiseerde opleiding hebben gevolgd. Deze opleiding wordt minstens tweejaarlijks georganiseerd.
   [3 De magistraat in opleiding moet voor het einde van de 2e maand voor wat betreft het eerste gedeelte van de externe stage en voor het einde van de 19stee maand voor wat betreft het laatste gedeelte van de externe stage bedoeld in paragraaf 2, eerste lid, tweede gedachtestreepje,]3 een met redenen omkleed voorstel inzake de externe stage ter goedkeuring voorleggen aan de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage.
   In de loop van de 12e maand van de stage zendt de eerste stagemeester aan de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage een omstandig verslag over omtrent het verloop van het eerste deel van de stage [3 alsook omtrent het verloop van het eerste gedeelte]3 van de externe stage. Hij bezorgt een afschrift van die verslagen aan de procureur des Konings en/of de arbeidsauditeur van het parket of het auditoraat waarin de [3 magistraat in opleiding]3 dienstaanwijzing is verleend, evenals aan de betrokken procureur-generaal.
   [3 In de loop van de 20ste maand zendt de tweede stagemeester aan de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage een omstandig verslag over omtrent het verloop van het tweede deel van de stage en in de loop van de 24e maand van het laatste deel van de stage en bezorgt een afschrift ervan aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank en/of van de ondernemingsrechtbank waarin de magistraat in opleiding dienstaanwijzing is verleend, evenals aan de eerste voorzitter van het betrokken hof van beroep.]3
   Vóór het einde van de 22e stagemaand zendt de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage het omstandig eindverslag en de door de stagemeesters opgestelde verslagen over aan de minister bevoegd voor Justitie en zendt een afschrift van het eindverslag over aan de korpschefs van het parket en van het rechtscollege waarin de [3 magistraat in opleiding]3 dienstaanwijzing is verleend, evenals aan de betrokken procureur-generaal en eerste voorzitter van het hof van beroep.
   De [3 magistraat in opleiding]3 ontvangt binnen dezelfde termijn een afschrift van de stageverslagen. Indien de inhoud van een of meer verslagen ongunstig is, brengt de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage advies uit, na de betrokkene te hebben gehoord. Van de inachtneming van dit voorschrift wordt melding gemaakt in het aan de minister bevoegd voor Justitie toegezonden verslag.
   Indien het eindverslag gunstig is en de [3 magistraat in opleiding]3 alle stageverplichtingen is nagekomen, reikt de directeur van het Instituut voor gerechtelijke opleiding aan de [3 magistraat in opleiding]3 in de loop van de 22e stagemaand een getuigschrift uit waaruit blijkt dat hij met vrucht de gerechtelijke stage heeft voltooid en zendt hij een afschrift ervan aan de minister bevoegd voor Justitie. Het getuigschrift wordt echter ingetrokken indien de [3 magistraat in opleiding]3 een ernstige fout maakt gedurende de laatste twee stagemaanden.
   § 4. De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan de stage, op gemotiveerd advies van de korpschef van het parket of van het rechtscollege waar de [3 magistraat in opleiding]3 zijn stage doormaakt en van de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage, vroegtijdig beëindigen wegens professionele ongeschiktheid na de betrokkene te hebben gehoord en met inachtneming van een opzegtermijn van drie maanden. De opzegtermijn gaat in na het verstrijken van de kalendermaand waarin de opzegging ter kennis wordt gebracht van de betrokkene.
   De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan de stage, op gemotiveerd advies van de korpschef van het parket of van het rechtscollege waar de [3 magistraat in opleiding]3 zijn stage doormaakt en van de bevoegde commissie voor de evaluatie van de gerechtelijke stage, ook vroegtijdig beëindigen wegens een ernstige fout na de betrokkene te hebben gehoord en zonder opzegtermijn.
   In de gevallen bedoeld in het eerste en het tweede lid is de betrokkene onderworpen aan de artikelen 7 tot 13 van de wet van 20 juli 1991 houdende sociale en diverse bepalingen.
   De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan de stage om gegronde redenen schorsen, hetzij ambtshalve na advies van de betrokken korpschef, hetzij op verzoek van de betrokkene.
   In geval van een onafgebroken schorsing of afwezigheid van meer dan een maand wordt de stage van rechtswege met eenzelfde termijn verlengd zonder dat deze verlenging meer dan acht maanden kan bedragen.
   Het vierde en het vijfde lid zijn niet van toepassing op de in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 bedoelde verloven met betrekking tot moederschapsbescherming, die worden gelijkgesteld met stageperiodes.
   § 5. De [3 magistraten in opleiding]3 benoemd overeenkomstig § 1 worden in die hoedanigheid in dienst genomen nadat zij de eed hebben afgelegd die bepaald is in artikel 2 van het decreet van 20 juli 1831 betreffende de eed.
   De [3 magistraat in opleiding]3 heeft niet de hoedanigheid van magistraat.
   De [3 magistraat in opleiding]3 heeft, voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings of voor de duur van de stage bij het parket van de arbeidsauditeur, de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier respectievelijk van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, maar mag in die hoedanigheid niet optreden dan na aanstelling door de procureur-generaal.
   Na zes maanden stage kan hij door de procureur-generaal worden aangesteld om het ambt van openbaar ministerie geheel of ten dele uit te oefenen, enkel voor de duur van de stage bij het parket van de procureur des Konings en/of van de arbeidsauditeur.
   Tijdens de duur van de stage bij de zetel kan de [3 magistraat in opleiding]3 als griffier worden toegevoegd overeenkomstig artikel 329. In die periode staat de [3 magistraat in opleiding]3 de rechter of de rechters bij uit wie de kamer van de rechtbank waarvoor hem dienstaanwijzing is verleend, is samengesteld. Hij woont de beraadslagingen bij, maar kan geen rechter vervangen.
   Die dienstaanwijzingen worden ter kennis gebracht van de in § 3 bedoelde stagemeesters en van de respectieve korpschefs.
   Het ambt van [3 magistraat in opleiding]3 is onverenigbaar met iedere andere bezoldigde betrekking. De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde kan op advies van de betrokken stagemeester aan de belanghebbende evenwel toestemming verlenen tot de uitoefening van de ambten bedoeld in artikel 294, eerste lid.
   § 6. De [3 magistraat in opleiding]3 ontvangt :
   1° een wedde uitbetaald na vervallen termijn, berekend in de weddeschaal NA 11, die aan het personeel van de federale overheidsdiensten wordt toegekend;
   2° de in deze schaal voorziene tussentijdse verhogingen;
   3° de bijslagen, vergoedingen en bijkomende bezoldigingen die aan het personeel van de federale overheidsdiensten worden toegekend, in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor voornoemd personeel;
   4° [5 een forfaitaire toelage van 235,50 euro]5 per daadwerkelijk in een parket van de procureur des Konings geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat. Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. Het maximumbedrag van de [5 toelagen]5 voor de wettelijke stageperiode in het parket mag niet hoger zijn dan [5 4.239 euro]5. [5 De toelage kan niet gecumuleerd worden met de toelage voor onregelmatige prestaties zoals bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]5
   Bij de benoeming tot de stage, wordt de wedde vastgesteld door enkel een periode van twee jaar in aanmerking te nemen die geldt als de ervaring vereist overeenkomstig § 1, eerste lid, als voorwaarde voor deelname aan het vergelijkend toelatingsexamen tot de stage.
   De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedde van het personeel is ook van toepassing op de wedde van de [3 magistraat in opleiding]3 en op [5 de wachttoelage]5. Zij worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.
   De volledige wetgeving betreffende de sociale zekerheid van de stagiairs van het openbaar ambt is op de [3 magistraat in opleiding]3 toepasselijk.
   De Koning regelt de rechtshulp aan de [3 magistraten in opleiding]3 en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade, overeenkomstig de bepalingen die op het rijkspersoneel van toepassing zijn.
   § 7. Indien de stage met vrucht is voltooid en de benoeming van de [3 magistraat in opleiding]3 niet kan plaatshebben op het einde van de 24e maand, benoemt de Koning de [3 magistraat in opleiding]3 ambtshalve tot [3 kandidaat-magistraat]3 bij de hoven en rechtbanken of bij het openbaar ministerie, naargelang van het geval.
   Daartoe stellen de [3 magistraten in opleiding]3 vóór het einde van de 21e maand van hun stage de minister bevoegd voor Justitie elektronisch ervan in kennis of zij eventueel, na afloop van hun stage, bij voorkeur bij het parket dan wel bij de zetel de functie van [3 kandidaat-magistraat]3 willen uitoefenen.
   De minister bevoegd voor Justitie of zijn gemachtigde wijst naargelang van de noodwendigheden van de dienst en, indien mogelijk, op grond van de voorkeur van de [3 kandidaat-magistraat]3, de rechtbank of het parket aan waarin hij zijn ambt zal uitoefenen. De noodwendigheden van de dienst worden opgesteld op advies van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie.
   Het College van hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie brengen elk jaar aan de minister bevoegd voor Justitie verslag uit met betrekking tot de situatie van de [3 kandidaat-magistraten]3 bij de hoven en rechtbanken en het openbaar ministerie, evenals de evaluatie van de overgang naar de magistratuur in de loop van het afgelopen gerechtelijk jaar. Dit verslag wordt overgezonden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers.
   De [3 kandidaat-magistraat]3 heeft bij het parket de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier respectievelijk van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, maar mag in die hoedanigheid niet optreden dan na aanstelling door de procureur-generaal. Hij kan door de procureur-generaal worden aangesteld om het ambt van openbaar ministerie geheel of ten dele uit te oefenen onder toezicht van de korpschef van het parket waaraan hij verbonden is.
   De [3 kandidaat-magistraat]3 bij de hoven en rechtbanken staat onder toezicht van de korpschef van het rechtscollege waaraan hij is verbonden. Hij kan als griffier worden toegevoegd overeenkomstig artikel 329. Hij staat de rechter of de rechters bij uit wie de kamer van de rechtbank waarvoor hem dienstaanwijzing is verleend, is samengesteld. Hij woont de beraadslagingen bij en kan een plaatsvervanging waarnemen.
   § 8. Het statuut van de referendarissen en parketjuristen is van toepassing op de [3 kandidaat-magistraten]3 onder voorbehoud van het volgende :
   1° de [3 kandidaat-magistraat]3 ontvangt een wedde uitbetaald na vervallen termijn, die overeenkomt met een ambt in de klasse A1;
   2° voor de toepassing van artikel 372bis wordt de duur van de gerechtelijke stage als schaalanciënniteit gerekend [4 ...]4;
   3° de [3 kandidaat-magistraat]3 is vrijgesteld van de stageperiode die aan de benoeming voorafgaat;
   4° de [3 kandidaat-magistraat]3 ontvangt [5 een forfaitaire toelage van 235,50 euro]5 per daadwerkelijk in een parket van de procureur des Konings geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat. Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats. Het aantal gepresteerde wachtdiensten per jaar mag niet hoger zijn dan 18. [5 De toelage kan niet gecumuleerd worden met de toelage voor onregelmatige prestaties zoals bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]5
   De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel is ook van toepassing op de wedde van de [3 kandidaat-magistraat]3 en op [5 de wachttoelage]5. Zij worden gekoppeld aan het spilindexcijfer 138,01.]1

  
Art. 259octies. [1 § 1er. Les candidats qui s'inscrivent au concours d'admission au stage judiciaire doivent, au moment de leur inscription, être licenciés ou détenteurs d'un master en droit et avoir, au cours des quatre années précédant l'inscription et à titre d'activité professionnelle principale, soit accompli un stage au barreau, soit exercé d'autres fonctions juridiques pendant au moins deux ans en tant que titulaire du diplôme de licencié ou de master en droit.
   Les candidatures au concours d'admission au stage judiciaire doivent être introduites dans un délai d'un mois après la publication de l'appel aux candidats au Moniteur belge.
   Pour chaque année judiciaire, avant le 30 avril, le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres et sur avis du Collège du ministère public et du Collège des cours et tribunaux, le nombre de places vacantes de [3 magistrats en formation]3 dans les rôles linguistiques français et néerlandais. Le Roi tient compte du nombre [3 de candidats-magistrats]3 visés au § 7.
   Le ministre qui a la Justice dans ses attributions nomme les [3 magistrats en formation]3 et désigne, sur proposition commune du Collège des cours et tribunaux et du Collège du ministère public, le ressort de la cour d'appel dans lequel le stage est accompli. Au sein de ce ressort, le procureur général affecte le [3 magistrat en formation]3 à un parquet du procureur du Roi ou un auditorat du travail et le premier président de la cour d'appel affecte le [3 magistrat en formation]3 à un tribunal de première instance, un [2 tribunal de l'entreprise]2 ou un tribunal du travail.
   Lors de la nomination, de la désignation dans un ressort de cour d'appel et de l'affectation des [3 magistrats en formation]3, il est tenu compte de la priorité attachée au classement visé à l'article 259bis-9, § 1er/1, alinéa 2.
   § 2. [3 Le stage qui donne accès à la fonction de magistrat du ministère public ou du siège a une durée de deux ans. Il comprend une formation consistant en un cycle de cours organisé par l'Institut de formation judiciaire et une formation pratique qui se déroule en plusieurs stades successifs :
   - du 1er au 3e mois et du 5e mois au 15e jour du 12e mois, un stage au sein d'un parquet du procureur du Roi et/ou de l'auditeur du travail;
   - durant le 4e mois et à partir du 16e jour du 23e mois jusqu'au 24e mois, un stage externe;
   - à partir du 16e jour du 12e mois jusqu'au 15e jour du 23e mois, un stage au sein d'une ou de plusieurs chambres du tribunal de première instance, du tribunal du travail et/ou du tribunal de l'entreprise incluant un stage externe à l'étranger.]3

   Le programme du stage externe est approuvé par la commission d'évaluation du stage judiciaire compétente.
   La participation aux sessions de formation organisées par l'Institut de formation judiciaire est obligatoire pour tous les [3 magistrats en formation]3.
   § 3. Pendant toute la durée de son stage, y compris le stage externe, le [3 magistrat en formation]3 est placé sous l'autorité et la surveillance du chef de corps du parquet ou du siège où il effectue son stage.
   Il est également placé sous la direction de deux maîtres de stage chargés de sa formation qui sont assistés par l'Institut de formation judiciaire dans l'élaboration et le suivi du programme de stage. Le premier est magistrat du parquet du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail. Le second est magistrat du siège au tribunal de première instance, tribunal du travail ou [2 tribunal de l'entreprise]2. Ils sont désignés par leur chef de corps respectif parmi les magistrats qui ont suivi la formation spécialisée organisée par l'Institut de formation judiciaire. Cette formation est organisée au moins tous les deux ans.
   [3 Avant la fin du 2e mois pour ce qui concerne la première partie du stage externe et avant la fin du 19e mois pour ce qui concerne la dernière partie du stage externe visé au paragraphe 2, alinéa 1er, deuxième tiret, le magistrat en formation]3 soumet une proposition motivée relative au stage externe à l'approbation de la commission d'évaluation du stage judiciaire compétente.
   Le premier maître de stage transmet à la commission d'évaluation du stage judiciaire compétente, au cours du 12e mois de stage, un rapport circonstancié sur le déroulement de la première partie du stage [3 ainsi que sur le déroulement de la première partie]3 du stage externe. Il communique une copie de ces rapports au procureur du Roi et/ou à l'auditeur du travail du parquet ou de l'auditorat où le [3 magistrat en formation]3 a été affecté, ainsi qu'au procureur général concerné.
  [3 Au cours du 20e mois, le second maître de stage transmet à la commission compétente pour l'évaluation du stage judiciaire un rapport circonstancié sur le déroulement de la deuxième partie du stage et au cours du 24e mois, de la dernière partie de celui-ci et en communique une copie au président du tribunal de première instance, du tribunal du travail et/ou du tribunal de l'entreprise où le magistrat en formation a été affecté, ainsi qu'au premier président de la cour d'appel concernée.]3
   Avant la fin du 22e mois de stage, la commission d'évaluation du stage judiciaire compétente fait parvenir le rapport final circonstancié et les rapports rédigés par les maîtres de stage au ministre qui a la Justice dans ses attributions et communique une copie du rapport final aux chefs de corps du parquet et de la juridiction où le [3 magistrat en formation]3 a été affecté, ainsi qu'au procureur général et au premier président de la cour d'appel concernés.
   Le [3 magistrat en formation]3 reçoit une copie des rapports de stage dans les mêmes délais. Si les informations contenues dans un ou plusieurs rapports sont défavorables, la commission d'évaluation du stage judiciaire compétente rend un avis après avoir entendu l'intéressé. L'accomplissement de cette formalité est mentionné dans le rapport communiqué au ministre qui a la Justice dans ses attributions.
   Si le rapport final est favorable et si le [3 magistrat en formation]3 a accompli toutes les obligations du stage, le directeur de l'Institut de formation judiciaire délivre au [3 magistrat en formation]3, au cours du 22e mois de stage, un certificat attestant qu'il a achevé avec fruit le stage judiciaire et en adresse une copie au ministre qui a la Justice dans ses attributions. Le certificat est, cependant, retiré si le [3 magistrat en formation]3 commet une faute grave durant les deux derniers mois de stage.
   § 4. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions ou son délégué peut, après avoir entendu l'intéressé et sur l'avis motivé du chef de corps du parquet ou de la juridiction où le [3 magistrat en formation]3 effectue son stage et de la commission d'évaluation du stage judiciaire compétente, mettre fin au stage de manière anticipative pour cause d'inaptitude professionnelle moyennant un préavis de trois mois. Le délai de préavis prend cours à l'expiration du mois civil pendant lequel le préavis est notifié à l'intéressé.
   Le ministre qui a la Justice dans ses attributions ou son délégué peut également mettre fin au stage de manière anticipative pour faute grave, sans préavis, après avoir entendu l'intéressé et sur l'avis motivé du chef de corps du parquet ou de la juridiction où le [3 magistrat en formation]3 effectue son stage et de la commission d'évaluation du stage judiciaire compétente.
   Dans les cas visés aux alinéas 1er et 2, l'intéressé est soumis aux articles 7 à 13 de la loi du 20 juillet 1991 portant des dispositions sociales et diverses.
   Le stage peut être suspendu pour des motifs légitimes par le ministre qui a la Justice dans ses attributions ou son délégué, soit d'office après avis du chef de corps concerné, soit à la demande de l'intéressé.
   En cas de suspension ou d'absence ininterrompue pendant plus d'un mois, le stage est prolongé de plein droit de la même durée sans que cette prolongation puisse dépasser huit mois.
   Les alinéas 4 et 5 ne sont pas applicables aux congés liés à la protection de la maternité visés à l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, lesquels sont assimilés à des périodes de stage.
   § 5. Les [3 magistrats en formation]3 nommés conformément au § 1er sont appelés en service en cette qualité après avoir prêté le serment prévu à l'article 2 du décret du 20 juillet 1831 concernant le serment.
   Le [3 magistrat en formation]3 n'a pas la qualité de magistrat.
   Le [3 magistrat en formation]3 a, pour la durée du stage au parquet du procureur du Roi ou pour la durée du stage au parquet de l'auditeur du travail, la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire respectivement du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, mais il ne peut en exercer les fonctions que sur commissionnement par le procureur général.
   Après six mois de stage, il peut être commissionné par le procureur général pour exercer en tout ou en partie les fonctions du ministère public pour la seule durée du stage au parquet du procureur du Roi et/ou de l'auditeur du travail.
   Pendant la durée du stage au siège, le [3 magistrat en formation]3 peut être assumé en qualité de greffier, conformément à l'article 329. Pendant cette même période, le [3 magistrat en formation]3 assiste le ou les juges composant la chambre du tribunal au sein duquel il est affecté. Il assiste au délibéré, mais n'exerce aucune suppléance.
   Ces affectations sont portées à la connaissance des maîtres de stage visés au § 3, ainsi que des chefs de corps respectifs.
   Les fonctions de [3 magistrat en formation]3 sont incompatibles avec toute autre fonction rémunérée. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions ou son délégué peut toutefois, sur avis du maître de stage concerné, autoriser l'intéressé à exercer les fonctions visées à l'article 294, alinéa 1er.
   § 6. Le [3 magistrat en formation]3 perçoit :
   1° une rémunération payée à terme échu, calculée dans l'échelle de traitement NA 11 qui est accordée au personnel de la fonction publique fédérale;
   2° les augmentations intercalaires prévues dans ladite échelle;
   3° les allocations, indemnités et rétributions complémentaires de traitement attribuées au personnel des services publics fédéraux, dans la même mesure et aux mêmes conditions que celles imposées à celui-ci;
   4° [5 une allocation forfaitaire de 235,50 euros]5 par service de garde de nuit, ou pendant les week-ends ou les jours fériés, réellement assumé au sein d'un parquet du procureur du Roi, pour autant qu'il soit inscrit au rôle de garde. Par service de garde, on entend un service continu de douze heures pendant lequel les intéressés sont joignables et disponibles mais peuvent également se déplacer afin d'assurer des prestations sur un lieu de travail. Le montant maximum des [5 allocations]5 pour la période de stage légale au parquet ne peut être supérieur à [5 4.239 euros]5. [5 L'allocation ne peut pas être cumulée avec l'allocation pour prestations irrégulières visée à l'article 47 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale.]5
   Lors de la nomination au stage, le traitement est fixé en prenant uniquement en considération deux années au titre de l'expérience exigée, conformément au § 1er, alinéa 1er, comme condition de participation au concours d'admission au stage.
   Le régime de mobilité applicable aux traitements du personnel s'applique également à la rémunération du [3 magistrat en formation]3 ainsi qu'à [5 l'allocation pour service de garde]5. Elles sont rattachées à l'indice-pivot 138,01.
   Toute la législation concernant la sécurité sociale des stagiaires de la fonction publique est applicable au [3 magistrat en formation]3.
   Le Roi détermine l'assistance en justice des [3 magistrats en formation]3 et l'indemnisation des dommages aux biens, encourus par eux, conformément aux dispositions en vigueur pour les agents de l'Etat.
   § 7. Si le stage est achevé avec fruit, lorsque la nomination du [3 magistrat en formation]3 ne peut avoir lieu à la fin du 24e mois, le Roi nomme d'office le [3 magistrat en formation]3 en qualité [3 de candidat-magistrat]3, selon le cas, auprès des cours et tribunaux ou auprès du ministère public.
   A cette fin, les [3 magistrats en formation]3 font connaître, avant la fin du 21e mois de leur stage, par voie électronique au ministre qui a la Justice dans ses attributions, leur préférence entre le parquet et le siège pour l'exercice éventuel de la fonction [3 de candidat-magistrat]3 à l'issue de leur stage.
   Le ministre qui a la Justice dans ses attributions ou son délégué désigne en fonction des nécessités du service et, si possible, sur la base de la préférence [3 du candidat-magistrat]3, le tribunal ou le parquet dans lequel celui-ci exercera ses fonctions. Les nécessités du service sont établies sur avis du Collège des cours et tribunaux et du Collège du ministère public.
   Chaque année, le Collège des cours et tribunaux et le Collège du ministère public adressent au ministre qui a la Justice dans ses attributions un rapport concernant la situation des [3 candidats-magistrats]3 auprès des cours et tribunaux et auprès du ministère public ainsi que l'évaluation du passage vers la magistrature au cours de l'année judiciaire écoulée. Ce rapport est transmis à la Chambre des représentants.
   [3 Le candidat-magistrat]3 auprès du parquet a la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire respectivement du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, mais il ne peut en exercer les fonctions que sur commissionnement par le procureur général. Il peut être commissionné par le procureur général pour exercer en tout ou en partie les fonctions du ministère public sous la surveillance du chef de corps du parquet auquel il est attaché.
   [3 Le candidat-magistrat]3 auprès des cours et tribunaux est placé sous la surveillance du chef de corps de la juridiction à laquelle il est attaché. Il peut être assumé en qualité de greffier, conformément à l'article 329. Il assiste le ou les juges composant la chambre du tribunal au sein duquel il est affecté. Il assiste au délibéré et peut exercer une suppléance.
   § 8. Le statut des référendaires et juristes de parquet est applicable aux [3 candidats-magistrats]3 sous réserve de ce qui suit :
   1° [3 le candidat-magistrat]3 perçoit une rémunération payée à terme échu qui correspond à une fonction de la classe A1;
   2° pour l'application de l'article 372bis, la durée du stage judiciaire compte comme ancienneté d'échelle [4 ...]4;
   3° [3 le candidat-magistrat]3 est dispensé de la période de stage précédent la nomination;
   4° [3 le candidat-magistrat]3 perçoit [5 une allocation forfaitaire de 235,50 euros]5 par service de garde de nuit, ou pendant les week-ends ou les jours fériés, réellement assumé au sein d'un parquet du procureur du Roi, pour autant qu'il soit inscrit au rôle de garde. Par service de garde, on entend un service continu de douze heures pendant lequel les intéressés sont joignables et disponibles mais peuvent également se déplacer afin d'assurer des prestations sur un lieu de travail. Le nombre de gardes effectuées par an ne peut être supérieur à 18. [5 L'allocation ne peut pas être cumulée avec l'allocation pour prestations irrégulières visée à l'article 47 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale.]5
   Le régime de mobilité applicable aux traitements du personnel s'applique également à la rémunération de [3 le candidat-magistrat]3, ainsi qu'à [5 l'allocation pour service de garde]5. Elles sont rattachées à l'indice-pivot 138,01.]1

  
HOOFDSTUK Vquinquies. - De evaluatie van magistraten.
CHAPITRE VQUINQUIES. - De l'évaluation des magistrats.
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section I. - Dispositions générales.
Art. 259novies. <W 2006-12-18/37, art. 5, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008> § 1. De werkende beroepsmagistraten worden onderworpen aan een met redenen omklede schriftelijke evaluatie, hetzij een periodieke evaluatie wanneer het een benoeming betreft, hetzij een evaluatie van het mandaat wanneer het een mandaat van korpschef, een adjunct-mandaat of een bijzonder mandaat betreft.
  De periodieke evaluaties geschieden binnen dertig dagen na het verstrijken van de termijnen bepaald in dit hoofdstuk. Er kan vervroegd worden overgegaan tot een nieuwe evaluatie wanneer zich sedert de laatste evaluatie bijzondere feiten hebben voorgedaan of bijzondere vaststellingen zijn gedaan.
  De periodieke evaluatie kan leiden tot een beoordeling " zeer goed ", " goed ", " voldoende " of " onvoldoende ". De evaluatie van de houders van mandaten kan leiden tot een beoordeling " goed " of " onvoldoende ".
  De evaluatie slaat op de wijze van ambtsuitoefening, met uitsluiting van de inhoud van een rechterlijke beslissing, en geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de persoonlijkheid en de intellectuele, professionele en organisatorische capaciteiten.
  De evaluatie van de korpschefs heeft tevens betrekking op hun managementcapaciteiten en inzonderheid op het personeelsbeheer en de initiatieven genomen met het oog op de bestrijding van de gerechtelijke achterstand.
  De Koning bepaalt op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de ambten en mandaten, en stelt nadere regels voor de toepassing van deze bepalingen op.
  § 2. Bij de aanvang van de periode waarover de magistraat moet worden geëvalueerd vindt een planningsgesprek plaats tussen de magistraat en zijn beoordelaars of één van hen.
  De plaats en het tijdstip waarop het planningsgesprek zal plaatshebben, worden uiterlijk vijftien dagen vooraf [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat.
  Het planningsgesprek strekt ertoe op grond van de concrete functiebeschrijving van de magistraat en rekening houdend met de organisatorische context de doelstellingen voor de komende evaluatieperiode vast te stellen. Die doelstellingen moeten specifiek, meetbaar, aanvaardbaar en realiseerbaar zijn.
  De beoordelaars, of één van hen, bepalen welke beoordeling aan de magistraat zal worden verleend indien hij de vooropgestelde doelstellingen haalt. Gaat het niet om de hoogste beoordeling dan wordt aan de magistraat meegedeeld welke doelstellingen bereikt zouden moeten worden om een betere beoordeling te behalen.
  De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars of één van hen, een verslag op van het planningsgesprek.
  Dit verslag vermeldt de punten waarover overeenstemming werd bereikt. Voor de punten waarover geen overeenstemming werd bereikt, worden de verschillende standpunten weergegeven.
  Bij gebrek aan overeenstemming wordt het meningsverschil zo nauwkeurig mogelijk omschreven. Indien de beoordelaars, of één van hen, van oordeel zijn dat het verslag geen accurate weergave is van de inhoud van het planningsgesprek, voegen zij hun versie eraan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd.
  Het origineel van het verslag en, in voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard in het evaluatiedossier.
  § 3. In de loop van de evaluatieperiode kan tot een functioneringsgesprek worden overgegaan wanneer aanleiding bestaat om de functiebeschrijving of de doelstellingen aan te passen. Dit gebeurt hetzij op initiatief van de beoordelaars, of van één van hen, hetzij op verzoek van de magistraat.
  De plaats en het tijdstip worden in gemeen overleg bepaald.
  Bij gebrek aan consensus vindt het functioneringsgesprek plaats binnen vijftien dagen na het schriftelijk verzoek van één van de partijen dat aan de andere partij [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis is gebracht.
  De magistraat stelt, ten behoeve van zijn beoordelaars, of één van hen, een verslag op van het functioneringsgesprek, overeenkomstig de procedure bepaald in § 2, zesde tot achtste lid.
  § 4. De plaats en het tijdstip waarop het evaluatiegesprek plaatsheeft, worden uiterlijk 15 dagen voordien [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs ter kennis gebracht van de magistraat.
  In deze kennisgeving wordt de magistraat verzocht het evaluatiegesprek schriftelijk voor te bereiden en deze voorbereiding uiterlijk drie dagen voor het evaluatiegesprek aan de beoordelaars te bezorgen.
  De beoordelaars stellen vervolgens een ontwerp van voorlopige beoordeling op. Dit ontwerp wordt tijdens het evaluatiegesprek aan de magistraat meegedeeld en met hem besproken. Het kan worden aangepast rekening houdend met het onderhoud.
  § 5. De korpschef [1 ...]1 zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
  De betrokkene kan op straffe van verval binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de voorlopige beoordeling, zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen ontvangstbewijs]2 bezorgen aan de korpschef [1 ...]1, [2 die ze]2 bij het evaluatiedossier voegt.
  De voorlopige beoordeling wordt definitief ingeval de magistraat geen schriftelijke opmerkingen formuleert.
  Ingeval de magistraat evenwel schriftelijke opmerkingen met betrekking tot de voorlopige beoordeling formuleert, wordt een definitieve schriftelijke beoordeling opgesteld waarin deze opmerkingen schriftelijk worden beantwoord.
  § 6. Binnen vijftien dagen na de ontvangst van deze opmerkingen, zendt de korpschef [1 ...]1 een afschrift van de definitieve beoordeling aan de minister van Justitie en tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs aan de betrokkene.
  § 7. Het evaluatiegesprek wordt gevolgd door een planningsgesprek voor de volgende periode.
  § 8. De evaluatiedossiers berusten bij de korpschef [1 ...]1. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de Minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluaties zijn vertrouwelijk en kunnen te allen tijde door de geëvalueerde ingekeken worden.
  § 9. De §§ 2 tot 8 zijn niet van toepassing op de korpschefs.
  In de loop van het tweede jaar van uitoefening van het mandaat wordt over de uitvoering van het beheersplan, als bedoeld in artikel 259quater, § 2, derde lid, d, een follow-upgesprek gehouden tussen de korpschef en de leden van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bedoeld in artikel 259undecies, § 3. Dit gesprek heeft betrekking op de genomen maatregelen op managementsvlak en in voorkomend geval op de aanpassingen die de korpschef na zijn indiensttreding in het beheersplan heeft aangebracht. Er is geen follow-upgesprek voor de korpschef bedoeld in artikel 259quater, § 6, derde lid, noch voor deze bedoeld in het vijfde lid wanneer het mandaat voor een duur van minder dan vijf jaar wordt toegewezen.
  Wordt het mandaat verlengd dan gaat het follow-upgesprek over de invoering van het functioneringsplan dat de korpschef heeft opgesteld tijdens het vijfde jaar van zijn eerste mandaat.
  Het follow-upgesprek heeft plaats op zijn vroegst in de achttiende maand van uitoefening van het mandaat.
  De korpschef stelt een verslag op van dit gesprek. Indien de bevoegde kamer van het evaluatiecollege van oordeel is dat het verslag geen accurate weergave vormt van de inhoud van het follow-upgesprek, voegt zij er haar versie aan toe. Een afschrift wordt aan de magistraat bezorgd. Het origineel van het verslag en, in voorkomend geval, de versie van de beoordelaars worden bewaard in het evaluatiedossier.
  De plaats en het tijdstip waarop de follow-upgesprekken tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsvinden, worden door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege ter kennis gebracht van de magistraat uiterlijk tien dagen voordien [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs.
  De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt uiterlijk in de loop van de 24e maand van uitoefening van het mandaat eventuele aanbevelingen op die zijn ingegeven door het follow-upgesprek.
  In voorkomend geval deelt de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege binnen die termijn aan de betrokkene een afschrift van de aanbevelingen mee tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs.
  Een afschrift van de eventuele aanbevelingen berust gedurende ten minste tien jaar bij de minister van Justitie.
  § 10. De korpschefs worden geëvalueerd in de loop van het vijfde jaar van uitoefening van hun mandaat. Voor de evaluatie van de korpschef bedoeld in artikel 259quater, § 6, derde lid, alsook voor deze bedoeld in het vijfde lid ingeval het mandaat wordt toegewezen voor een duur van minder dan vijf jaar, lopen de in deze paragraaf bedoelde termijnen volgens het tijdschema dat van toepassing zou zijn geweest op de voorganger.
  De evaluatie vangt op zijn vroegst aan in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
  Het verslag van het follow-upgesprek en in voorkomend geval de versie van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege als bedoeld in artikel 259undecies, § 3, het functioneringsverslag opgesteld door de korpschef, de verplichte en facultatieve adviezen en de evaluatiegesprekken tussen de korpschef en de bevoegde kamer van het evaluatiecollege vormen de grondslag van de evaluatie.
  De korpschefs bezorgen het functioneringsverslag [2 ...]2 aan de bevoegde kamer van het genoemde college in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
  De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rechterlijke Organisatie van de federale overheidsdienst Justitie en naar gelang van het geval de algemene vergadering of de korpsvergadering zenden [2 ...]2 een met de redenen omkleed advies over aan de bevoegde kamer van het genoemde college in de loop van de vierenvijftigste maand van uitoefening van het mandaat.
  Een afschrift van deze adviezen wordt, binnen dezelfde termijnen, [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs of tegen gedagtekend ontvangstbewijs bezorgd aan de betrokken korpschef, respectievelijk door de algemene vergadering of door de korpsvergadering en door de federale overheidsdienst Justitie.
  [2 Bij gebrek aan adviezen binnen de vastgestelde termijn wordt aan dat advies voorbijgegaan.]2
  De plaats en het tijdstip waarop de evaluatiegesprekken tussen de korpschefs en de bevoegde kamer van het genoemde college plaatsvinden worden aan de magistraat meegedeeld door de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege [2 langs elektronische weg]2 of tegen gedagtekend ontvangstbewijs, uiterlijk tien dagen vóór de datum van het gesprek.
  De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de voorlopige beoordeling op.
  De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs een afschrift van de voorlopige beoordeling aan de betrokkene.
  Op straffe van verval kan de betrokkene binnen een termijn van tien dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van de voorlopige beoordeling zijn schriftelijke opmerkingen tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs meedelen aan de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege, [2 die ze]2 bij het evaluatiedossier voegt.
  De bevoegde kamer van het evaluatiecollege stelt de definitieve beoordeling op uiterlijk zeventig dagen vóór het einde van het mandaat. De definitieve beoordeling wordt met redenen omkleed.
  De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege zendt binnen deze termijn een afschrift van de definitieve met redenen omklede beoordeling tegen gedagtekend ontvangstbewijs of [2 langs elektronische weg tegen]2 ontvangstbewijs over aan de betrokkene.
  De voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege bezorgt tegelijkertijd de volgende stukken aan de minister van Justitie :
  - het verslag van het follow-upgesprek opgesteld door de korpschef en in voorkomend geval aangevuld met de versie van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege;
  - het door de korpschef opgestelde functioneringsverslag;
  - de in het vijfde lid bedoelde verplichte adviezen en de door de kamer gevraagde facultatieve adviezen;
  - de definitieve met redenen omklede evaluatiebeoordeling;
  - [2 de stukken waaruit blijkt dat de kandidaat de adviezen heeft ontvangen.]2.
  De evaluatiedossiers berusten bij de voorzitter van de bevoegde kamer van het evaluatiecollege. Een afschrift van de definitieve beoordelingen berust bij de minister van Justitie gedurende ten minste tien jaar. De evaluatie is vertrouwelijk en kan te allen tijde door de geëvalueerde ingekeken worden. ".
Art. 259novies. <L 2006-12-18/37, art. 5, 145; En vigueur : 01-01-2008> § 1er. Les magistrats professionnels effectifs sont soumis à une évaluation écrite motivée, soit une évaluation périodique lorsqu'il s'agit d'une nomination, soit une évaluation du mandat lorsqu'il s'agit d'un mandat de chef de corps, d'un mandat adjoint ou d'un mandat spécifique.
  Les évaluations périodiques sont effectuées dans les trente jours après l'expiration des délais prévus au présent chapitre. Il peut être procédé anticipativement à une nouvelle évaluation lorsque des faits particuliers se sont produits ou des constatations particulières ont été faites depuis la dernière évaluation.
  L'évaluation périodique peut donner lieu à une mention " très bon ", " bon ", " suffisant ", " insuffisant ". L'évaluation des titulaires des mandats peut donner lieu à une mention " bon " ou " insuffisant ".
  L'évaluation porte sur la manière dont les fonctions sont exercées, à l'exception du contenu de toute décision judiciaire, et est effectuée sur la base de critères portant sur la personnalité ainsi que sur les capacités intellectuelles, professionnelles et organisationnelles.
  L'évaluation des chefs de corps porte également sur leur capacité de management et notamment sur la gestion du personnel et les initiatives prises en vue de lutter contre l'arriéré judiciaire.
  Sur la proposition du Conseil supérieur de la Justice, le Roi détermine les critères d'évaluation et la pondération de ces critères compte tenu de la spécificité des fonctions et des mandats, et détermine les modalités d'application de ces dispositions.
  § 2. Au début de la période sur laquelle porte l'évaluation du magistrat, un entretien de planification a lieu entre le magistrat et ses évaluateurs ou l'un d'entre eux.
  Le lieu et le moment auxquels aura lieu l'entretien de planification sont communiqués au magistrat, par [2 voie électronique]2 ou contre accusé de réception daté, au plus tard quinze jours avant la date de cet entretien.
  L'entretien de planification vise à fixer les objectifs pour la période d'évaluation qui suit, sur la base d'une description concrète de la fonction du magistrat et en tenant compte du contexte organisationnel. Ces objectifs doivent être spécifiques, mesurables, acceptables et réalisables.
  Les évaluateurs, ou l'un d'entre eux, déterminent quelle mention sera attribuée au magistrat s'il atteint les objectifs fixés. Si la mention attribuée n'est pas la plus élevée, l'évaluateur indique au magistrat quels sont les objectifs qui devraient être atteints pour obtenir une mention plus favorable.
  Le magistrat rédige, à l'intention de ses évaluateurs ou de l'un d'entre eux, un rapport de l'entretien de planification.
  Ce rapport mentionne les points sur lesquels un accord a été atteint. Pour les points sur lesquels aucun accord n'a été atteint, les différents points de vue sont exposés.
  A défaut d'accord, la divergence d'opinions est décrite aussi précisément que possible. Si les évaluateurs, ou l'un d'entre eux, estiment que le rapport n'est pas une transcription fidèle du contenu de l'entretien de planification, ils y joignent leur version. Une copie est transmise au magistrat.
  L'original du rapport et, le cas échéant, de la version des évaluateurs sont conservés dans le dossier d'évaluation.
  § 3. Au cours de la période d'évaluation un entretien fonctionnel peut avoir lieu lorsqu'il existe des raisons d'adapter le profil de fonction ou les objectifs. Cet entretien intervient soit à l'initiative des évaluateurs ou de l'un d'entre eux, soit à la demande du magistrat.
  Le lieu et le moment sont déterminés de commun accord.
  A défaut de consensus, l'entretien fonctionnel a lieu au cours des quinze jours suivant la demande écrite d'une des parties, communiquée à l'autre partie par [2 voie électronique]2 ou contre accusé de réception daté.
  Le magistrat rédige un rapport de l'entretien fonctionnel pour ses évaluateurs ou l'un d'entre eux, conformément à la procédure fixée au § 2, alinéas 6 à 8.
  § 4. Le lieu et le moment auxquels aura lieu l'entretien d'évaluation sont communiqués au magistrat, par [2 voie électronique]2 ou contre accusé de réception daté, au plus tard 15 jours avant la date de cet entretien.
  Par le biais de cette notification le magistrat est invité à préparer l'entretien d'évaluation par écrit et à remettre cette préparation aux évaluateurs au plus tard trois jours avant l'entretien d'évaluation.
  Ensuite, les évaluateurs rédigent un projet d'évaluation provisoire. Celui-ci est communiqué au magistrat pendant l'entretien d'évaluation et est examiné avec lui. Le projet peut être adapté en fonction de l'entretien.
  § 5. Le chef de corps [1 ...]1 envoie avec [2 par accusé de réception daté]2 ou par [2 voie électronique contre accusé de réception]2 une copie de l'évaluation provisoire à l'intéressé.
  L'intéressé peut envoyer, sous peine de déchéance, dans un délai de quinze jours à compter de la notification de l'évaluation provisoire, ses observations écrites par accusé de réception daté ou par [2 voie électronique contre accusé de réception]2 au chef de corps [1 ...]1, [2 qui les joint]2 au dossier d'évaluation.
  Si le magistrat ne formule aucune observation écrite sur l'évaluation provisoire, celle-ci devient définitive.
  Toutefois, si le magistrat formule des observations écrites sur l'évaluation provisoire, une évaluation écrite définitive est rédigée dans laquelle il est répondu par écrit à ces observations.
  § 6. Dans les quinze jours suivant la réception de ces observations, le chef de corps [1 ...]1 envoie une copie de la mention définitive au ministre de la Justice et par accusé de réception daté ou par [2 voie électronique contre]2 accusé de réception à l'intéressé.
  § 7. L'entretien d'évaluation est suivi d'un entretien de planification pour la période suivante.
  § 8. Les dossiers d'évaluation sont conservés par le chef de corps [1 ...]1. Une copie des mentions définitives est conservée auprès du Ministre de la Justice pendant au moins dix ans. Les évaluations sont confidentielles et peuvent être en tout temps être consultées par l'évalué.
  § 9. Les §§ 2 à 8 ne sont pas applicables aux chefs de corps.
  Au cours de la deuxième année d'exercice du mandat, la mise en place du plan de gestion visé à l'article 259quater, § 2, alinéa 3, d, fait l'objet d'un entretien de suivi entre le chef de corps et les membres de la chambre compétente du collège d'évaluation visé à l'article 259undecies, § 3. Cet entretien porte sur les mesures managériales adoptées et le cas échéant sur les adaptations apportées au plan de gestion par le chef de corps depuis son entrée en fonction. Le chef de corps visé à l'article 259quater, § 6, alinéa 3, et celui visé à l'alinéa 5 dans le cas où le mandat attribué est d'une durée inférieure à cinq ans, ne sont pas soumis à un entretien de suivi.
  En cas de renouvellement du mandat, l'entretien de suivi porte sur la mise en place du plan de fonctionnement rédigé par le chef de corps au cours de la cinquième année de son premier mandat.
  L'entretien de suivi a lieu au plus tôt au cours du dix-huitième mois d'exercice du mandat.
  Le chef de corps rédige un rapport de cet entretien. Si la chambre compétente du collège d'évaluation estime que le rapport n'est pas une transcription fidèle du contenu de l'entretien de suivi, elle y joint sa version. Une copie est transmise au magistrat. L'original du rapport et, le cas échéant, de la version des évaluateurs sont conservés dans le dossier d'évaluation.
  Le lieu et le moment auxquels auront lieu les entretiens de suivi entre le chef de corps et la chambre compétente dudit collège sont communiqués au magistrat par le président de la chambre compétente du collège d'évaluation, par [2 voie électronique]2 ou contre accusé de réception daté, au plus tard dix jours avant la date de l'entretien.
  La chambre compétente du collège d'évaluation établit les éventuelles recommandations suscitées par l'entretien de suivi au plus tard au cours du 24e mois d'exercice du mandat.
  Le cas échéant, le président de la chambre compétente du collège d'évaluation communique, dans ce délai, une copie des recommandations contre accusé de réception daté ou [2 par voie électronique contre]2 accusé de réception, à l'intéressé.
  Une copie des éventuelles recommandations est conservée par le ministre de la Justice pendant au moins dix ans.
  § 10. Les chefs de corps sont évalués au cours de leur cinquième année d'exercice du mandat. Pour l'évaluation du chef de corps visé à l'article 259quater, § 6, alinéa 3, ainsi que celui visé à l'alinéa 5 dans le cas où le mandat attribué est d'une durée inférieure à cinq ans, les délais visés au présent paragraphe courent selon le calendrier qui aurait été d'application pour le prédécesseur.
  L'évaluation est entamée au plus tôt au cours du cinquante-quatrième mois d'exercice du mandat.
  Le rapport de l'entretien de suivi et le cas échéant la version de la chambre compétente du collège d'évaluation visé à l'article 259undecies, § 3, le rapport de fonctionnement établi par le chef de corps, les avis obligatoires et facultatifs et les entretiens d'évaluation entre le chef de corps et la chambre compétente du collège d'évaluation constituent la base de l'évaluation.
  Les chefs de corps adressent [2 ...]2 le rapport de fonctionnement à la chambre compétente dudit collège au cours du cinquante-quatrième mois d'exercice du mandat.
  Le directeur général de la direction générale de l'organisation judiciaire du Service public fédéral Justice et selon le cas, l'assemblée générale ou l'assemblée de corps transmettent [2 ...]2 un avis motivé à la chambre compétente dudit collège au cours du cinquante-quatrième mois d'exercice du mandat.
  Une copie de ces avis est adressée au chef de corps concerné dans les mêmes délais respectivement par l'assemblée générale ou l'assemblée de corps et par le Service public fédéral Justice par [2 voie électronique contre]2 accusé de réception ou contre accuse de réception daté.
  [2 En l'absence d'avis dans le délai prescrit, il est passé outre à cet avis.]2.
  Le lieu et le moment auxquels auront lieu les entretiens d'évaluation entre le chef de corps et la chambre compétente dudit collège sont communiqués au magistrat par le président de la chambre compétente du collège d'évaluation, par [2 voie électronique]2 ou contre accusé de réception daté, au plus tard dix jours avant la date de l'entretien.
  La chambre compétente du collège d'évaluation établit la mention provisoire.
  Le président de la chambre compétente du collège d'évaluation communique une copie de la mention provisoire à l'intéressé par accusé de réception daté ou par [2 voie électronique contre]2 accusé de réception.
  L'intéressé peut, à peine de déchéance, dans un délai de dix jours à compter de la notification de la mention provisoire, adresser ses observations écrites, contre accusé de réception daté ou par [2 voie électronique contre]2 accusé de réception, au président de la chambre compétente du collège d'évaluation [2 qui les joint]2 au dossier d'évaluation.
  La chambre compétente du collège d'évaluation établit la mention définitive au plus tard septante jours avant la fin du mandat. La mention définitive est accompagnée d'une motivation.
  Le président de la chambre compétente du collège d'évaluation communique, dans ce délai, une copie de la mention définitive motivée contre accusé de réception daté ou par [2 voie électronique contre]2 accusé de réception, à l'intéressé.
  Le président de la chambre compétente du collège d'évaluation communique parallèlement les pièces suivantes au ministre de la Justice :
  - le rapport de l'entretien de suivi rédigé par le chef de corps et le cas échéant complété par la version de la chambre compétente du collège d'évaluation;
  - le rapport de fonctionnement rédigé par le chef de corps;
  - les avis obligatoires visés à l'alinéa 5 et facultatifs demandés par la chambre;
  - la mention d'évaluation définitive motivée;
  - [2 les pièces attestant la réception des avis par le candidat.]2
  Les dossiers d'évaluation sont conservés par le président de la chambre compétente du collège d'évaluation. Une copie des mentions définitives est conservée par le ministre de la Justice pendant au moins dix ans. L'évaluation est confidentielle et peut être consultée à tout moment par l'évalué. " .
(NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof de woorden " de woorden " een mandaat van korpschef, " in artikel 259novies, § 1, eerste lid, vernietigd, in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)
  (NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 259novies, § 1, vijfde lid, § 9, tweede tot en met het negende lid, en § 10, vernietigd, in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)
  
(NOTE : par son arrêt n° 122/2008 du 01-09-2008 (M.B. 18-09-2008, p. 48636-48642), la Cour Constitutionnelle a annulé les mots " d'un mandat de chef de corps, " à l'article 259novies, § 1er, alinéa 1er, en ce qu'ils s'appliquent aux chefs de corps des cours et tribunaux)
  (NOTE : par son arrêt n° 122/2008 du 01-09-2008 (M.B. 18-09-2008, p. 48636-48642), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 259novies, § 1er, alinéa 5, § 9, alinéas 2 à 9, et § 10, en ce qu'ils s'appliquent aux chefs de corps des cours et tribunaux)
  
Afdeling II. - De periodieke evaluatie.
Section II. - De l'évaluation périodique.
Art. 259decies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De periodieke evaluatie van een magistraat vindt de eerste maal plaats een jaar te rekenen van de eedaflegging in het ambt waarin hij moet beoordeeld worden en vervolgens om de drie jaar. (De vervroegde evaluatie bedoeld in (artikel 259novies, § 1, tweede lid), doet geen afbreuk aan het tijdstip waarop de evaluatie gebruikelijk moet geschieden.) <W 2003-05-03/45, art. 23, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-12-18/37, art. 6, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. [3 De evaluatie geschiedt bij volstrekte meerderheid van stemmen door de korpschef en twee magistraten, verkozen door de algemene vergadering, de korpsvergadering of de algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank. De beoordelaars moeten ten minste de beoordeling "goed" hebben. De twee magistraten worden verkozen voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar uit de leden van het rechtscollege of van het openbaar ministerie bij dat rechtscollege of door de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank. Telt het rechtscollege of het openbaar ministerie bij een rechtscollege of de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank minder dan vijf leden in de personeelsformatie, dan geschiedt de evaluatie door de korpschef.]3
  In de rechtscolleges met zetel te Brussel en het openbaar ministerie bij deze [1 hoven]1 worden met het oog op de evaluatie uit en door elke taalgroep van de algemene vergadering of de korpsvergadering twee magistraten gekozen die samen met de korpschef belast zijn met de evaluatie van de magistraten die behoren tot hun taalrol.
  [3 Derde lid opgeheven.]3
  [3 Voor wat het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft worden twee algemene vergaderingen van vrederechters en rechters in de politierechtbank opgericht volgens de taal van het diploma van de betrokken vrederechter of rechter in de politierechtbank.]3
  [2 Vijfde lid opgeheven.]2
  (Heeft de evaluatie betrekking op het ambt van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, dan geschiedt zij door de eerste voorzitter van het hof van beroep, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft en een van de magistraten die door de algemene vergadering aangewezen zijn voor de evaluatie van de rechters in de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft, gekozen door de eerste voorzitter van het hof van beroep.
  Heeft de evaluatie betrekking op het ambt van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken, dan geschiedt zij door de procureur-generaal bij het hof van beroep, de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft en een van de magistraten die door de korpsvergadering aangewezen zijn voor de evaluatie van de substituten in de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar het hof van beroep zijn zetel heeft, gekozen door de procureur-generaal bij het hof van beroep.) <W 2006-05-17/36, art. 21, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  § 3. De beoordeling "onvoldoende" geeft aanleiding tot de toepassing (van artikel 360quater). <W 2002-12-27/30, art. 2, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  
Art. 259decies. § 1er. L'évaluation périodique d'un magistrat a lieu la première fois un an après la prestation de serment dans la fonction où il doit être évalué et ensuite tous les trois ans. (L'évaluation anticipée prévue à l'(article 259novies, § 1er, alinéa 2), ne modifie en rien le moment auquel l'évaluation doit normalement avoir lieu.) <L 2003-05-03/45, art. 23, 110; En vigueur : 02-06-2003> <L 2006-12-18/37, art. 6, 145; En vigueur : indéterminée et au plus tard : 01-01-2008>
  § 2. [3 L'évaluation est effectuée à la majorité absolue des suffrages par le chef de corps et deux magistrats désignés par l'assemblée générale, par l'assemblée de corps ou l'assemblée générale des juges de paix et des juges au tribunal de police. Les évaluateurs doivent au moins avoir reçu la mention "bon". Ces deux magistrats sont désignés parmi les membres de la juridiction ou du ministère public près cette juridiction ou l'assemblée générale des juges de paix et des juges au tribunal de police pour une période de cinq années renouvelable. Si le cadre organique de la juridiction ou du ministère public près cette juridiction ou l'assemblée générale des juges de paix et des juges au tribunal de police compte moins de cinq membres, c'est le chef de corps qui procède à l'évaluation.]3
  Dans les [1 cours]1 dont le siège se trouve à Bruxelles ainsi que dans le ministère public près ces [1 cours]1, chaque groupe linguistique de l'assemblée générale ou de l'assemblée de corps choisit en son sein deux magistrats en vue de l'évaluation. Ceux-ci sont chargés de procéder avec le chef de corps à l'évaluation des magistrats appartenant à leur rôle linguistique.
  [3 Alinéa 3 abrogé.]3
  [3 En ce qui concerne l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, deux assemblées générales des juges de paix et des juges au tribunal de police sont constituées en fonction de la langue du diplôme du juge de paix ou du juge au tribunal de police concerné.]3
  [2 Alinéa 5 abrogé.]2
  (Si l'évaluation porte sur les fonctions de juge au tribunal de l'application des peines, elle est effectuée par le premier président de la cour d'appel, le président du tribunal de première instance du siège de la cour d'appel et un des magistrats désignés par l'assemblée générale pour l'évaluation des juges au tribunal de première instance du siège de la cour d'appel, choisi par le premier président de la cour d'appel.
  Si l'évaluation porte sur les fonctions de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines, elle est effectuée par le procureur général près la cour d'appel, le procureur du Roi près le tribunal de première instance du siège de la cour d'appel et un des magistrats désignés par l'assemblée de corps pour l'évaluation des substituts au tribunal de première instance du siège de la cour d'appel, choisi par le procureur général près la cour d'appel.) <L 2006-05-17/36, art. 21, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  § 3. La mention " insuffisant " donne lieu a l'application (de l'article 360quater). <L 2002-12-27/30, art. 2, 099; En vigueur : 01-10-2002>
  
Afdeling III. - De evaluatie van mandaten.
Section III. - De l'évaluation des mandats.
Art. 259undecies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 48, Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De evaluatie van de titularissen van een adjunct-mandaat en van een bijzonder mandaat vindt plaats op het einde van elke termijn waarvoor het mandaat is verleend en geschiedt uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van de termijn op de wijze bedoeld in artikel 259decies, § 2, met uitzondering van de bijstandsmagistraat (en de verbindingsmagistraat in jeugdzaken) (...) die (worden) onderworpen aan een evaluatie door het college van procureurs-generaal [1 en de substituut-procureur voor de verkeersveiligheid die wordt onderworpen aan een evaluatie door het College van het openbaar ministerie]1. <W 2001-06-21/42, art. 19, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2006-06-13/40, art. 44, 1°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  § 2. Krijgt de titularis van een (ander) adjunct-mandaat (het mandaat van voorzitter van het Hof van Cassatie en van eerste advocaat-generaal van het Hof van Cassatie) of een bijzonder mandaat de beoordeling "goed", dan wordt zijn mandaat hernieuwd. Is de beoordeling "onvoldoende" dan is, al naar gelang het geval, de procedure bedoeld in artikel 259quinquies of 259sexies van toepassing. (De korpschef (of het college van procureurs-generaal) zendt aan de Federale Overheidsdienst Justitie een beschikking over waarin de verlenging of het einde van het mandaat wordt vastgesteld.) <W 2003-05-03/45, art. 24, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-06-13/40, art. 44, 2°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006> <W 2006-12-18/37, art. 7, 1°, 145; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2008>
  De titularissen van een adjunct-mandaat die na negen jaar vast aangewezen zijn, worden onderworpen aan een periodieke evaluatie.
  (§ 3. Er wordt een evaluatiecollege opgericht samengesteld uit een Nederlandstalige kamer en een Franstalige kamer die respectievelijk belast zijn met de evaluatie van de korpschefs van de Nederlandstalige of Franstalige taalgroep.
  Bij gebrek aan een magistraat in de Franstalige kamer die blijk geeft van kennis van de Duitse taal, wordt een beroep gedaan op een tolk.
  De korpschefs worden geëvalueerd door de bevoegde kamer van het evaluatiecollege samengesteld uit twee korpschefs afkomstig uit de zittende magistratuur of het parket naargelang de geëvalueerde behoort tot de zittende magistratuur of het parket, twee magistraten die lid zijn van de advies- en onderzoekscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie, een magistraat van het Rekenhof en een specialist in het beheer van human resources.
  Elk van de kamers wordt voorgezeten door de korpschef met de meeste anciënniteit.
  De leden van het evaluatiecollege zetelen voor een hernieuwbare periode van vier jaar die begint te lopen de dag van de bekendmaking van de samenstelling van de kamers in het Belgisch Staatsblad. De uittredende leden zetelen tot de installatie van de nieuwe leden.
  De aanwijzingsprocedure wordt gestart uiterlijk acht maanden voor het verstrijken van de mandaten.
  De leden die een evaluatie " onvoldoende " hebben gekregen of die de hoedanigheid hebben verloren op grond waarvan zij als lid van het college werden aangewezen, worden ambtshalve door een plaatsvervanger vervangen. De gepensioneerde leden van de evaluatiecolleges kunnen hun mandaat na hun pensionering beëindigen.
  De leden van de kamers van het evaluatiecollege dienen zich ervan te onthouden advies te verstrekken telkens er een persoonlijk of strijdig belang bestaat. Ze kunnen inzonderheid geen advies verstrekken over bloed- en aanverwanten tot in de vierde graad noch over personen met wie ze een feitelijk gezin vormen.
  De beslissingen van de kamers worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de leden. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de kamer beslissend.
  Naargelang de korpschefs hun ambt uitoefenen in de zittende magistratuur of het parket, worden zij respectievelijk verkozen door de korpschefs van de zittende magistratuur of het parket onder alle korpschefs van de zittende magistratuur of het parket van dezelfde taalgroep die ten minste vier jaar verwijderd zijn van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1. De stemming is verplicht.
  De magistraten die lid zijn van de Hoge Raad voor de Justitie worden aangewezen door de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie.
  De raadsheren in het Rekenhof worden aangewezen door de eerste voorzitter van het Rekenhof.
  De specialisten in het beheer van human resources worden aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van de minister van Ambtenarenzaken.
  Het secretariaat van de kamers van het evaluatiecollege wordt waargenomen door de griffie van het Hof van Cassatie.
  De nadere regels inzake de verkiezingen, het aantal plaatsvervangers van iedere categorie van leden van het evaluatiecollege en het aan de magistraten van het Rekenhof en de specialisten in human resources toegekende presentiegeld, worden vastgesteld bij koninklijk besluit.) <W 2006-12-18/37, art. 7, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  (NOTA : bij arrest nr 122/2008 van 01-09-2008 (B.St. 18-09-2008, p. 48642-48649), heeft het Grondwettelijk Hof artikel 259undecies, § 3, vernietigd, in zoverre zij van toepassing zijn op de korpschefs van de hoven en rechtbanken)
  
Art. 259undecies. § 1er. L'évaluation des titulaires des mandats adjoints et des mandats spécifiques a lieu à la fin de chaque période pour laquelle ils ont été octroyés et au plus tard quatre mois avant l'expiration du délai selon les modalités visées à l'article 259decies, § 2, exception faite pour le magistrat d'assistance (et le magistrat de liaison en matière de jeunesse) (...) qui (sont) soumis à l'évaluation du collège des procureurs généraux [1 et pour le substitut du procureur de la sécurité routière qui est soumis à l'évaluation du Collège du ministère public]1. <L 2001-06-21/42, art. 19, 085; En vigueur : 21-05-2002> <L 2006-06-13/40, art. 44, 1°, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  § 2. Si le titulaire d'un mandat adjoint (autre que le mandat de président de la Cour de cassation et de premier avocat général près la Cour de cassation) ou spécifique obtient la mention " bon ", son mandat est renouvelé. Si la mention obtenue est "insuffisant", la procédure suivie est, selon le cas, celle visée à l'article 259quinquies ou à l'article 259sexies. (Le chef de corps (ou le collège des procureurs généraux) transmet au Service public fédéral Justice l'ordonnance établissant la prolongation ou la fin du mandat.) <L 2003-05-03/45, art. 24, 110; En vigueur : 02-06-2003> <L 2006-06-13/40, art. 44, 2°, 134; En vigueur : 16-08-2006> <L 2006-12-18/37, art. 7, 1°, 145; En vigueur : indéterminée et au plus tard : 01-01-2008>
  Les titulaires d'un mandat adjoint qui, après neuf ans, sont désignés à titre définitif, sont soumis à une évaluation périodique.
  (§ 3. Il est créé un collège d'évaluation composé d'une chambre francophone et d'une chambre néerlandophone chargées respectivement d'évaluer les chefs de corps du groupe linguistique francophone ou néerlandophone.
  A défaut de magistrat de la chambre francophone justifiant de la connaissance de la langue allemande, il est fait appel à un interprète.
  L'évaluation des chefs de corps est effectuée par la chambre compétente du collège d'évaluation composée de deux chefs de corps issus du siège ou du parquet selon que l'évalué appartient au siège ou au parquet, de deux magistrats membres de la commission d'avis et d'enquête du Conseil supérieur de la Justice, d'un magistrat de la Cour des comptes et d'un spécialiste en gestion des ressources humaines.
  Les chambres sont chacune présidées par le chef de corps ayant l'ancienneté la plus élevée.
  Les membres du collège d'évaluation siègent pour une période de quatre ans renouvelable, prenant cours le jour de la publication de la composition des chambres au Moniteur belge. Les membres sortants siègent jusqu'à l'installation des nouveaux membres.
  La procédure de désignation est entamée au plus tard huit mois avant l'expiration des mandats.
  Les membres qui ont fait l'objet d'une évaluation " insuffisante " ou qui ont perdu la qualité sur base de laquelle ils ont été désignés membre du collège sont remplacés d'office par un suppléant. Les membres des collèges d'évaluation admis à la retraite peuvent achever leur mandat au-delà de leur mise à la retraite.
  Les membres des chambres du collège d'évaluation doivent s'abstenir d'émettre un avis chaque fois qu'il existe un intérêt personnel ou contraire. Ils ne peuvent notamment émettre un avis sur des parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ni sur des personnes avec qui ils constituent un ménage de fait.
  Les décisions des chambres sont prises à la majorité absolue des membres. En cas d'égalité, la voix du président de la chambre est prépondérante.
  Selon qu'ils exercent leur fonction au siège ou au parquet, les chefs de corps sont élus respectivement par les chefs de corps du siège ou du parquet parmi tous les chefs de corps du siège ou du parquet du même groupe linguistique éloignés d'au moins quatre ans de la limite d'âge visée à l'article 383, § 1er. Le vote est obligatoire.
  Les magistrats membres du Conseil supérieur de la justice sont désignés par l'assemblée générale du Conseil supérieur de la Justice.
  Les conseillers à la Cour des comptes sont désignés par le premier président de la Cour des comptes.
  Les spécialistes en gestion des ressources humaines sont désignés par le ministre de la Justice sur proposition du ministre de la Fonction publique.
  Le secrétariat des chambres du collège d'évaluation est assuré par le greffe de la Cour de cassation.
  Les modalités des élections, le nombre de suppléants de chaque catégorie de membres du collège d'évaluation et le jeton de présence alloué aux magistrats de la Cour des comptes et aux spécialistes en ressources humaines sont fixés par arrêté royal.) <L 2006-12-18/37, art. 7, 2°, 145; En vigueur : indéterminée et au plus tard : 01-01-2008>
  (NOTE : par son arrêt n° 122/2008 du 01-09-2008 (M.B. 18-09-2008, p. 48636-48642), la Cour Constitutionnelle a annulé l'article 259undecies, § 3, en ce qu'ils s'appliquent aux chefs de corps des cours et tribunaux)
  
Afdeling IIIbis. [1 - De evaluatie van bijzondere opdrachten]1
Section IIIbis. [1 - De l'évaluation des missions spéciales]1
Art. 259undecies/1. [1 § 1. De directeur, de adjunct-directeur en de verbindingsmagistraten van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring worden tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden voor het Centraal Orgaan onderworpen aan een met redenen omklede schriftelijke evaluatie.
   Artikel 259novies, §§ 1 tot 8, is op hen van toepassingen met uitzondering van de afwijkingen opgenomen in paragraaf 2.
   § 2. De directeur, de adjunct-directeur en de verbindingsmagistraten van het Centraal Orgaan worden geëvalueerd door het [2 College van het openbaar ministerie]2, dat ook de taken vervult die door de paragrafen 2 tot 8 van artikel 259novies aan de korpschef worden toegekend.
   Voor de evaluatie van de adjunct-directeur en de verbindingsmagistraten geeft de directeur advies. De evaluatie van de directeur en de adjunct-directeur heeft eveneens betrekking op hun managementcapaciteiten.
   De evaluatie vindt éénmaal in de helft en éénmaal op het einde van hun opdracht plaats.
   De evaluatie kan leiden tot een beoordeling "goed" of "onvoldoende". Ingeval de prestaties van de magistraat als "onvoldoende" worden beoordeeld, wordt door de minister bevoegd voor Justitie ambtshalve een einde gemaakt aan de betreffende opdracht.
   De Koning bepaalt op voorstel van het [2 College van het openbaar ministerie]2 de evaluatiecriteria en de weging van deze criteria rekening houdend met de eigenheid van de betrokken opdrachten.]1

  
Art. 259undecies/1. [1 § 1er. Durant l'exercice de leurs activités pour l'Organe central pour la saisie et la confiscation, le directeur, le directeur adjoint et les magistrats de liaison de l'Organe central sont soumis à une évaluation écrite motivée.
   L'article 259novies, §§ 1er à 8, leur est applicable, à l'exception des dérogations prévues au paragraphe 2.
   § 2. Le directeur, le directeur adjoint et les magistrats de liaison de l'Organe central sont évalués par le [2 Collège du ministère public]2, qui exécute également les tâches attribuées au chef de corps par les paragraphes 2 à 8 de l'article 259novies.
   Le directeur rend un avis pour l'évaluation du directeur adjoint et des magistrats de liaison. L'évaluation du directeur et du directeur adjoint porte également sur leurs capacités de management.
   L'évaluation a lieu une fois à la moitié de leur mission et une fois au terme de celle-ci.
   L'évaluation peut donner lieu à une mention "bon" ou "insuffisant". Si les prestations du magistrat sont jugées "insuffisantes", le ministre qui a la Justice dans ses attributions met d'office un terme à la mission en question.
   Sur proposition du [2 Collège du ministère public]2, le Roi fixe les critères d'évaluation et la pondération de ces critères en tenant compte de la spécificité des missions concernées.]1

  
Afdeling IV. - [1 Beroepscommissie]1
Section IV . - [1 De la commission de recours]1
Art. 259undecies/2. [1 De magistraten kunnen tegen de definitieve beoordeling "onvoldoende" die zij hebben gekregen in het kader van hun evaluatie binnen dertig dagen na de kennisgeving van die beoordeling beroep instellen bij een beroepscommissie.
   Het College van de hoven en rechtbanken wijst per taalrol en voor drie jaar zes leden aan uit de rechtscolleges van eerste aanleg en zes leden uit de hoven.
   Het College van het openbaar ministerie wijst per taalrol en voor drie jaar zes leden aan uit de parketten van de procureur des Konings en uit de arbeidsauditoraten en zes leden uit de parketten-generaal en de auditoraten-generaal.
   Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van en bij het Hof van Cassatie respectievelijk gelijkgesteld met leden van de hoven en de parketten-generaal.
   Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal [3 en de leden van het parket voor de verkeersveiligheid gelijkgesteld met de leden van de parketten van de procureur des Konings]3.
   Naargelang de verzoeker tot de zetel of het openbaar ministerie behoort, wordt het beroep respectievelijk gericht aan de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken of aan de voorzitter van het College van het openbaar ministerie die de beroepscommissie binnen vijf dagen samenstelt.
   De beroepscommissie bestaat respectievelijk uit drie magistraten van het openbaar ministerie van dezelfde taalrol als de verzoeker en worden aangewezen door de voorzitter van het College van het openbaar ministerie of uit drie magistraten van de zetel van dezelfde taalrol als de verzoeker en worden aangewezen door de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken.]1

  
Art. 259undecies/2. [1 Les magistrats peuvent introduire un recours devant une commission de recours contre la mention définitive "insuffisant" obtenue dans le cadre de leur évaluation dans les trente jours qui suivent la notification de cette mention.
   Le Collège des cours et tribunaux désigne par rôle linguistique et pour trois ans six membres issus des juridictions de premier degré et six membres issus des cours.
   Le Collège du ministère public désigne par rôle linguistique et pour trois ans six membres issus des parquets du procureur du Roi et des auditorats du travail et six membres issus des parquets généraux et des auditorats généraux.
   Pour l'application du présent article, les membres de et près la Cour de cassation sont respectivement assimilés à des membres des cours et des parquets généraux.
   Pour l'application du présent article les membres du parquet fédéral sont assimilés aux membres des parquets généraux [3 et les membres du parquet de la sécurité routière aux membres des parquets du procureur du Roi]3.
   Selon que le requérant appartient au siège ou au ministère public, le recours est adressé respectivement au président du Collège des cours et tribunaux ou au président du Collège du ministère public qui compose la commission de recours dans les cinq jours.
   La commission de recours est composée respectivement de trois magistrats du ministère public du même rôle linguistique que le requérant désignés par le président du Collège du ministère public ou de trois magistrats du siège du même rôle linguistique que le requérant désignés par le président du Collège des cours et tribunaux.]1

  
HOOFDSTUK Vsexies. - Referendarissen bij het Hof van Cassatie.
CHAPITRE VSEXIES. - Des référendaires près la Cour de cassation.
Art. 259duodecies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Om tot referendaris bij het Hof van Cassatie te worden benoemd, moet men volle vijfentwintig jaar oud zijn en doctor of licentiaat in de rechten zijn.
  De kandidaten worden met het oog op hun benoeming gerangschikt op grond van een vergelijkend examen.
  Het Hof stelt de examenstof vast rekening houdend met de behoeften van de dienst. Het bepaalt de voorwaarden van het vergelijkend examen en stelt de examencommissies aan.
  Met inachtneming van het taalevenwicht bestaat elke examencommissie uit twee leden van het Hof aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, twee leden van het parket aangewezen door de procureur-generaal bij het Hof en vier buiten de instelling staande personen die door de Koning worden aangewezen uit twee lijsten van vier kandidaten, elk met inachtneming van het taalevenwicht, die respectievelijk door de eerste voorzitter en procureur-generaal voorgedragen worden.
  De examenuitslag blijft (zes) jaar geldig. <W 2005-08-10/60, art. 2, 126 ; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
Art. 259duodecies. Pour pouvoir être nommé référendaire près la Cour de cassation, le candidat doit être âgé de vingt-cinq ans accomplis et être docteur ou licencié en droit.
  Les candidats sont classés, en vue de leur nomination, lors de concours.
  La Cour détermine la matière des concours selon les nécessités du service. Elle fixe les conditions des concours et constitue les jurys.
  Chaque jury est composé, en respectant l'équilibre linguistique, de deux membres de la Cour désignés par le premier président de la Cour de cassation, de deux membres du parquet désignés par le procureur général près cette Cour et de quatre personnes extérieures à l'institution désignées par le Roi sur deux listes comprenant quatre candidats chacune, respectant chacune l'équilibre linguistique et proposées respectivement par le premier président et par le procureur général.
  La durée de validité d'un concours est de (six) ans. <L 2005-08-10/60, art. 2, 126 ; En vigueur : 01-01-2004>
Art. 259terdecies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De referendarissen worden door de Koning benoemd voor een stage van drie jaar volgens de rangschikking bedoeld in artikel 259duodecies.
  Na drie jaar wordt de benoeming definitief tenzij de Koning, uitsluitend op voorstel van al naar het geval de eerste voorzitter of de procureur-generaal, anders beslist, ten laatste tijdens het derde kwartaal van het derde stagejaar.
  De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dit Hof wijzen in onderlinge overeenstemming de referendarissen-stagiairs en de definitief benoemde referendarissen aan die onder het gezag van de ene en die onder het gezag van de andere komen te staan.
Art. 259terdecies. Les référendaires sont nommés par le Roi pour un stage de trois ans en fonction du classement visé à l'article 259duodecies.
  Au terme de ces trois ans, la nomination devient définitive sauf décision contraire prise par le Roi, exclusivement sur la proposition, selon le cas, du premier président ou du procureur général, au plus tard durant le troisième trimestre de la troisième année de stage.
  Le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près cette Cour désignent de commun accord les référendaires stagiaires et les référendaires nommés à titre définitif qui sont places sous l'autorité de l'un et ceux qui sont placés sous l'autorité de l'autre.
Art. 259quaterdecies. <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 49, Inwerkingtreding : 02-08-2000> De jaren als referendaris bij het Hof van Cassatie doorgebracht, komen in aanmerking voor de berekening van de anciënniteit in elke administratieve of gerechtelijke functie of in een functie bij het [1 Grondwettelijk Hof]1 of bij de Raad van State, die de referendarissen nadien zouden bekleden.
  
Art. 259quaterdecies. Les années accomplies en tant que référendaire près la Cour de cassation entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté dans une fonction administrative ou judiciaire ou dans une fonction à la [1 Cour constitutionnelle]1 ou au Conseil d'Etat que les référendaires pourraient exercer par la suite.
  
HOOFDSTUK VI. - (Gerechtspersoneel.)
CHAPITRE VI. - (Du personnel judiciaire).
Afdeling I. - Selectie- en benoemingsvoorwaarden.
Section première. - Des conditions de sélection et de nomination.
Onderafdeling I. [1 - Attachés en adviseurs in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie]1
Sous-section première. [1 - Des attachés et des conseillers au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation]1
Art. 260. <W 2007-04-25/64, art. 47, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [2 § 1.]2 [3 Om door middel van werving te worden benoemd in een klasse van het niveau A, met de titel van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie moet de kandidaat :
   1° doctor, licentiaat of master in de rechten zijn, hetzij licentiaat of master in de Romaanse of Germaanse filologie, hetzij licentiaat vertaler;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3

  [2 § 2. Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2

  [3 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 met de titel van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste 2 jaar;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3

  [3 § 4. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van adviseur overeenstemming der teksten, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 of de klasse A2 met de titel van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar in de klasse A1 of ten minste zes jaar in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3

  
Art. 260. <L 2007-04-25/64, art. 47, 153; En vigueur : 01-12-2008> [2 § 1er.]2 [3 Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une classe de niveau A, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation, le candidat doit :
   1° être soit docteur, licencié ou master en droit, soit licencié ou master en philologie romane ou en philologie germanique, soit licencié traducteur;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale. ]3

  [2 § 2. A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.
   Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]2

  [3 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation et compter une ancienneté de classe de 2 ans au moins;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]3

  [3 § 4. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A, avec le titre de conseiller en concordance des textes, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1 ou la classe A2, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation, et compter une ancienneté de classe d'au moins quatre ans dans la classe A2 ou d'au moins six ans dans la classe A1 ou d'au moins six ans dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]3

  
Art. 260 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 47, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [2 § 1.]2 [3 Om door middel van werving te worden benoemd in een klasse van het niveau A, met de titel van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie moet de kandidaat :
   1° doctor, licentiaat of master in de rechten zijn, hetzij licentiaat of master in de Romaanse of Germaanse filologie, hetzij licentiaat vertaler;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3

  [2 § 2. Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [4 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]4 of wanneer de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [4 evaluatiecommissie]4.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2

  [3 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van attaché in de dienst documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 met de titel van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste 2 jaar;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3

  [3 § 4. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van adviseur overeenstemming der teksten, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 of de klasse A2 met de titel van attaché in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar in de klasse A1 of ten minste zes jaar in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3
Art. 260 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 47, 153; En vigueur : 01-12-2008> [2 § 1er.]2 [3 Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une classe de niveau A, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation, le candidat doit :
   1° être soit docteur, licencié ou master en droit, soit licencié ou master en philologie romane ou en philologie germanique, soit licencié traducteur;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale. ]3

  [2 § 2. A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [4 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]4 lorsque la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [4 commission d'évaluation]4.
   Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]2

  [3 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation et compter une ancienneté de classe de 2 ans au moins;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]3

  [3 § 4. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A, avec le titre de conseiller en concordance des textes, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1 ou la classe A2, avec le titre d'attaché au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation, et compter une ancienneté de classe d'au moins quatre ans dans la classe A2 ou d'au moins six ans dans la classe A1 ou d'au moins six ans dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]3
Onderafdeling II. - Referendarissen en parketjuristen bij de hoven van beroep, de arbeidshoven en de rechtbanken.
Sous-section II. - Des référendaires et des juristes de parquet près les cours d'appel, les cours du travail et les tribunaux.
Art. 261. <W 2007-04-25/64, art. 49, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [3 § 1.]3 [3 Om door middel van werving te worden benoemd in een klasse van het niveau A, met de titel van referendaris of parketjurist,]3 moet de kandidaat :
  1° doctor, licentiaat of master in de rechten zijn;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [2 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]2

  [2 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2
  [3 § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van referendaris of parketjurist, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 met de titel van referendaris of parketjurist en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste twee jaar;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3

  
Art. 261. <L 2007-04-25/64, art. 49, 153; En vigueur : 01-12-2008> [3 § 1er.]3 [3 Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une classe de niveau A, avec le titre de référendaire ou de juriste de parquet,]3 le candidat doit :
  1° être docteur, licencié ou master en droit;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [2 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]2

  [2 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]2
  [3 § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre de référendaire ou de juriste de parquet, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre de référendaire ou de juriste de parquet, et compter une ancienneté de classe de deux ans au moins;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]3

  
Art. 261 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 49, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [3 § 1.]3 [3 Om door middel van werving te worden benoemd in een klasse van het niveau A, met de titel van referendaris of parketjurist,]3 moet de kandidaat :
  1° doctor, licentiaat of master in de rechten zijn;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [2 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [4 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]4 of wanneer de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [4 evaluatiecommissie]4.]2

  [2 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2
  [3 § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van referendaris of parketjurist, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 met de titel van referendaris of parketjurist en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste twee jaar;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3
Art. 261 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 49, 153; En vigueur : 01-12-2008> [3 § 1er.]3 [3 Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une classe de niveau A, avec le titre de référendaire ou de juriste de parquet,]3 le candidat doit :
  1° être docteur, licencié ou master en droit;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [2 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [4 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]4 lorsque la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [4 commission d'évaluation]4.]2

  [2 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]2
  [3 § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre de référendaire ou de juriste de parquet, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre de référendaire ou de juriste de parquet, et compter une ancienneté de classe de deux ans au moins;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]3
Onderafdeling IIbis. [1 - Criminologen.]1
Sous-section IIbis. [1 - Des criminologues.]1
Art. 261/1. [1 [2 § 1.]2 Om [2 door middel van werving]2 te worden benoemd in een klasse van het niveau A, met als titel criminoloog, moet de kandidaat:
   1° doctor, licentiaat of master in de criminologische wetenschappen zijn;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
   Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]1

  [2 § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van criminoloog, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 met de titel van criminoloog en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste twee jaar;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]2

  [2 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van criminoloog, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 of de klasse A2 met de titel van criminoloog en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar in de klasse A1 of ten minste zes jaar in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]2

  
Art. 261/1. [1 [2 § 1er.]2 Pour pouvoir être nommé [2 , par recrutement,]2 dans une classe de niveau A, avec le titre de criminologue le candidat doit:
   1° être docteur, licencié ou master en criminologie;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
   A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.
   Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]1

  [2 § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre de criminologue, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre de criminologue, et compter une ancienneté de classe de deux ans au moins;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]2

  [2 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A, avec le titre de criminologue, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1 ou la classe A2, avec le titre de criminologue, et compter une ancienneté de classe d'au moins quatre ans dans la classe A2 ou d'au moins six ans dans la classe A1 ou d'au moins six ans dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]2

  
Art. 261/1 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 [2 § 1.]2 Om [2 door middel van werving]2 te worden benoemd in een klasse van het niveau A, met als titel criminoloog, moet de kandidaat:
   1° doctor, licentiaat of master in de criminologische wetenschappen zijn;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
   Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [3 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]3 of wanneer de [3 evaluatiecommissie]3 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [3 evaluatiecommissie]3.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]1

  [2 § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van criminoloog, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 met de titel van criminoloog en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste twee jaar;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]2

  [2 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van criminoloog, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A1 of de klasse A2 met de titel van criminoloog en beschikken over een klassenanciënniteit van tenminste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar in de klasse A1 of ten minste zes jaar in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]2
Art. 261/1 DROIT FUTUR.    [1 [2 § 1er.]2 Pour pouvoir être nommé [2 , par recrutement,]2 dans une classe de niveau A, avec le titre de criminologue le candidat doit:
   1° être docteur, licencié ou master en criminologie;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
   A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [3 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]3 lorsque la [3 commission d'évaluation]3 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [3 commission d'évaluation]3.
   Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]1

  [2 § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre de criminologue, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1, avec le titre de criminologue, et compter une ancienneté de classe de deux ans au moins;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]2

  [2 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A, avec le titre de criminologue, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A1 ou la classe A2, avec le titre de criminologue, et compter une ancienneté de classe d'au moins quatre ans dans la classe A2 ou d'au moins six ans dans la classe A1 ou d'au moins six ans dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]2
Onderafdeling III. - Leden van de griffie.
Sous-section III. - Des membres du greffe.
Art. 262. <W 2007-04-25/64, art. 51, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A, met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [5 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]5

  [5 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]5
  § 2. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste twee jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste twee jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste vijf jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 2/1. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A, met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 2/2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A4 van het niveau A met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [4 § 3. [6 Om overeenkomstig artikel 160, § 8, vierde lid, aangewezen te worden in een klasse A4 van niveau A met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3 als lid van het gerechtspersoneel. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt georganiseerd door Selor - het Selectiebureau van de federale overheid.]6

   De vergelijkende selectie bestaat uit een onderhoud op grond van een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste niveau-anciënniteit.]4

  
Art. 262. <L 2007-04-25/64, art. 51, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [3 classe]3 de niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [5 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]5

  [5 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]5
  § 2. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade de deux ans au moins dans une fonction de niveau B pour le titulaire d'un diplôme ou certificat visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou une ancienneté de grade de cinq ans au moins pour celui qui n'est pas titulaire de ce diplôme ou certificat;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 2/1. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 2/2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A4 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [4 § 3. [6 Pour pouvoir être désigné dans une classe A4 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, conformément à l'article 160, § 8, alinéa 4, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3 du niveau A en qualité de membre du personnel judiciaire. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° et être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]6

   La sélection comparative consiste en un entretien basé sur un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction.
   Les services effectifs prestés à titre contractuel sont admissibles pour le calcul de l'ancienneté de niveau requise.]4

  
Art. 262 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 51, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A, met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [5 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [7 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]7 of wanneer de [7 evaluatiecommissie]7 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [7 evaluatiecommissie]7.]5

  [5 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]5
  § 2. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste twee jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste twee jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste vijf jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 2/1. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A, met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 2/2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A4 van het niveau A met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [4 § 3. [6 Om overeenkomstig artikel 160, § 8, vierde lid, aangewezen te worden in een klasse A4 van niveau A met de titel van hoofdgriffier, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3 als lid van het gerechtspersoneel. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt georganiseerd door Selor - het Selectiebureau van de federale overheid.]6

   De vergelijkende selectie bestaat uit een onderhoud op grond van een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste niveau-anciënniteit.]4
Art. 262 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 51, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [3 classe]3 de niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [5 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [7 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]7 lorsque la [7 commission d'évaluation]7 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [7 commission d'évaluation]7.]5

  [5 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]5
  § 2. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade de deux ans au moins dans une fonction de niveau B pour le titulaire d'un diplôme ou certificat visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou une ancienneté de grade de cinq ans au moins pour celui qui n'est pas titulaire de ce diplôme ou certificat;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 2/1. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 2/2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A4 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [4 § 3. [6 Pour pouvoir être désigné dans une classe A4 du niveau A, avec le titre de greffier en chef, conformément à l'article 160, § 8, alinéa 4, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3 du niveau A en qualité de membre du personnel judiciaire. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° et être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]6

   La sélection comparative consiste en un entretien basé sur un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction.
   Les services effectifs prestés à titre contractuel sont admissibles pour le calcul de l'ancienneté de niveau requise.]4
Art. 263. <W 2007-04-25/64, art. 52, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A, met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [4 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]4

  [4 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]4
  § 2. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A1 van het niveau A met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in een graad van het niveau B;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste twee jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste twee jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste vijf jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 4. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  
Art. 263. <L 2007-04-25/64, art. 52, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [3 classe]3 de niveau A, avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [4 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]4

  [4 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]4
  § 2. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A1 du niveau A avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans le grade du niveau B;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade de deux ans au moins dans une fonction de niveau B pour le titulaire d'un diplôme ou certificat visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou une ancienneté de grade de cinq ans au moins pour celui qui n'est pas titulaire de ce diplôme ou certificat;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 4. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  
Art. 263 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 52, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [3 klasse]3 van het niveau A, met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [4 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [7 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]7 of wanneer de [7 evaluatiecommissie]7 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [7 evaluatiecommissie]7.]4

  [4 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]4
  § 2. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A1 van het niveau A met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in een graad van het niveau B;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste twee jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste twee jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste vijf jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [6 § 4. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van griffier-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]6
Art. 263 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 52, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [3 classe]3 de niveau A, avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [4 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [7 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]7 lorsque la [7 commission d'évaluation]7 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [7 commission d'évaluation]7.]4

  [4 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]4
  § 2. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A1 du niveau A avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans le grade du niveau B;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade de deux ans au moins dans une fonction de niveau B pour le titulaire d'un diplôme ou certificat visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou une ancienneté de grade de cinq ans au moins pour celui qui n'est pas titulaire de ce diplôme ou certificat;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [6 § 4. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A avec le titre de greffier-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6
Art. 264. <W 2007-04-25/64, art. 53, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot de graad van griffier te worden benoemd in het niveau B moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [2 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]2

  [2 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in het niveau B tot de graad van griffier moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent [3 bij een griffie, een parketsecretariaat, een steundienst of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]3;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. [2 De vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dat geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.]2
  
Art. 264. <L 2007-04-25/64, art. 53, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans le niveau B au grade de greffier, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau B dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [2 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]2

  [2 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]2
  § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans le niveau B au grade de greffier, le candidat doit :
  1° être nommé à titre définitif dans la fonction d'assistant [3 près un greffe, un secrétariat de parquet, un service d'appui ou auprès de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]3;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. [2 La sélection comparative peut comprendre plusieurs modules d'épreuves successives auxquelles le candidat n'est admis que sous réserve de la réussite du module précédent. Dans ce cas, le classement n'est établi que sur la base des résultats du dernier module.]2
  
Art. 264 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 53, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot de graad van griffier te worden benoemd in het niveau B moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [2 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [4 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]4 of wanneer de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [4 evaluatiecommissie]4.]2

  [2 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]2
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in het niveau B tot de graad van griffier moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent [3 bij een griffie, een parketsecretariaat, een steundienst of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]3;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. [2 De vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dat geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.]2
Art. 264 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 53, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans le niveau B au grade de greffier, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau B dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [2 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [4 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]4 lorsque la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [4 commission d'évaluation]4.]2

  [2 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]2
  § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans le niveau B au grade de greffier, le candidat doit :
  1° être nommé à titre définitif dans la fonction d'assistant [3 près un greffe, un secrétariat de parquet, un service d'appui ou auprès de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]3;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. [2 La sélection comparative peut comprendre plusieurs modules d'épreuves successives auxquelles le candidat n'est admis que sous réserve de la réussite du module précédent. Dans ce cas, le classement n'est établi que sur la base des résultats du dernier module.]2
Onderafdeling IV. - Leden van het parketsecretariaat.
Sous-section IV. - Des membres du secrétariat de parquet.
Art. 265. <W 2007-04-25/64, art. 55, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A, met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [4 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]4
.
  [4 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]4
  § 2. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat:
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste twee jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste twee jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste vijf jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [5 § 2/1. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat:
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang van het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]6
]5

  [6 § 2/2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A4 van het niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat:
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [3 § 3. [5 Om overeenkomstig artikel 160, § 8, vierde lid, aangewezen te worden in de klasse A4 van niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3 als lid van het gerechtspersoneel. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt die wordt georganiseerd door Selor - het Selectiebureau van de federale overheid.]5

   De vergelijkende selectie bestaat uit een onderhoud op grond van een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste niveau-anciënniteit.]3

  
Art. 265. <L 2007-04-25/64, art. 55, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [2 classe]2 de niveau A, avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [4 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]4

  [4 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]4
  § 2. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit:
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade de deux ans au moins dans une fonction de niveau B pour le titulaire d'un diplôme ou certificat visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou une ancienneté de grade de cinq ans au moins pour celui qui n'est pas titulaire de ce diplôme ou certificat;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [5 § 2/1. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit:
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6
]5

  [6 § 2/2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A4 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit:
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [3 § 3. [5 Pour pouvoir être désigné dans la classe A4 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, conformément à l'article 160, § 8, alinéa 4, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3 en qualité de membre du personnel judiciaire. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° et être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]5

   La sélection comparative consiste en un entretien basé sur un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction.
   Les services effectifs prestés à titre contractuel sont admissibles pour le calcul de l'ancienneté de niveau requise.]3

  
Art. 265 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 55, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A, met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [4 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [7 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]7 of wanneer de [7 evaluatiecommissie]7 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [7 evaluatiecommissie]7.]4
.
  [4 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]4
  § 2. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat:
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste twee jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste twee jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste vijf jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [5 § 2/1. [6 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat:
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang van het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]6
]5

  [6 § 2/2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A4 van het niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat:
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]6

  [3 § 3. [5 Om overeenkomstig artikel 160, § 8, vierde lid, aangewezen te worden in de klasse A4 van niveau A met de titel van hoofdsecretaris, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in de klasse A2 of A3 als lid van het gerechtspersoneel. Kandidaten benoemd in de klasse A2 moeten beschikken over een anciënniteit van ten minste vier jaar in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt die wordt georganiseerd door Selor - het Selectiebureau van de federale overheid.]5

   De vergelijkende selectie bestaat uit een onderhoud op grond van een praktijkgeval dat verband houdt met de gerechtelijke context van de functie.
   De werkelijk gepresteerde diensten in de hoedanigheid van contractueel personeelslid worden in aanmerking genomen voor de berekening van de vereiste niveau-anciënniteit.]3
Art. 265 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 55, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [2 classe]2 de niveau A, avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [4 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [7 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]7 lorsque la [7 commission d'évaluation]7 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [7 commission d'évaluation]7.]4

  [4 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]4
  § 2. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit:
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade de deux ans au moins dans une fonction de niveau B pour le titulaire d'un diplôme ou certificat visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou une ancienneté de grade de cinq ans au moins pour celui qui n'est pas titulaire de ce diplôme ou certificat;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [5 § 2/1. [6 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit:
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6
]5

  [6 § 2/2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A4 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, le candidat doit:
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]6

  [3 § 3. [5 Pour pouvoir être désigné dans la classe A4 du niveau A avec le titre de secrétaire en chef, conformément à l'article 160, § 8, alinéa 4, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans la classe A2 ou A3 en qualité de membre du personnel judiciaire. Les candidats nommés dans la classe A2 doivent compter au moins quatre ans d'ancienneté dans la classe A2 ou au moins six ans d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° et être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]5

   La sélection comparative consiste en un entretien basé sur un cas pratique lié au contexte judiciaire de la fonction.
   Les services effectifs prestés à titre contractuel sont admissibles pour le calcul de l'ancienneté de niveau requise.]3
Art. 266. <W 2007-04-25/64, art. 56, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A, met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3

  [3 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]3
  § 2. [5 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A1 van het niveau A met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in een graad van het niveau B;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]5

  [5 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste 2 jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste 2 jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste 5 jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]5

  [5 § 4. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang van het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]5

  
Art. 266. <L 2007-04-25/64, art. 56, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [2 classe]2 de niveau A, avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]3

  [3 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]3
  § 2. [5 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A1 du niveau A avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans un grade du niveau B;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]5

  [5 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade d'au moins 2 ans dans une fonction de niveau B s'il est titulaire d'un diplôme ou certificat d'études visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou d'au moins 5 ans s'il n'est pas titulaire d'un tel diplôme ou certificat d'études;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]5

  [5 § 4. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]5

  
Art. 266 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 56, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A, met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [6 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]6 of wanneer de [6 evaluatiecommissie]6 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [6 evaluatiecommissie]6.]3

  [3 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]3
  § 2. [5 Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A1 van het niveau A met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn in een graad van het niveau B;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]5

  [5 § 3. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A2 van het niveau A met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang het geval, een klassenanciënniteit van ten minste 2 jaar in de klasse A1 of graadanciënniteit van ten minste 2 jaar in een ambt van het niveau B indien men beschikt over een diploma of getuigschrift bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, of een graadanciënniteit van ten minste 5 jaar indien men niet beschikt over dit diploma of getuigschrift;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]5

  [5 § 4. Om door middel van bevordering te worden benoemd in de klasse A3 van het niveau A met de titel van secretaris-hoofd van dienst, moet de kandidaat :
   1° vast benoemd zijn en beschikken over, naar gelang van het geval, ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen;
   2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt bedoeld in artikel 279, § 4.]5
Art. 266 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 56, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [2 classe]2 de niveau A, avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [6 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]6 lorsque la [6 commission d'évaluation]6 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [6 commission d'évaluation]6.]3

  [3 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]3
  § 2. [5 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A1 du niveau A avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif dans un grade du niveau B;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]5

  [5 § 3. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A2 du niveau A avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de classe de deux ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de grade d'au moins 2 ans dans une fonction de niveau B s'il est titulaire d'un diplôme ou certificat d'études visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, ou d'au moins 5 ans s'il n'est pas titulaire d'un tel diplôme ou certificat d'études;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]5

  [5 § 4. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans la classe A3 du niveau A avec le titre de secrétaire-chef de service, le candidat doit :
   1° être nommé à titre définitif et compter, selon le cas, une ancienneté de quatre ans au moins dans la classe A2 ou une ancienneté de six ans au moins dans la classe A1 ou une ancienneté de six ans au moins dans les classes A1 et A2 ensemble;
   2° être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]5
Art. 267. <W 2007-04-25/64, art. 57, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in het niveau B tot de graad van secretaris bij een parket moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [1 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]1

  [1 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]1
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in het niveau B met de graad van secretaris moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent [2 bij een griffie, een parketsecretariaat, een steundienst of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]2;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. [1 De vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dat geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.]1
  
Art. 267. <L 2007-04-25/64, art. 57, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans le niveau B au grade de secrétaire à un parquet, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau B dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [1 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]1

  [1 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]1
  § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans le niveau B au grade de secrétaire, le candidat doit :
  1° être nomme à titre définitif dans la fonction d'assistant [2 près un greffe, un secrétariat de parquet, un service d'appui ou auprès de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]2;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. [1 La sélection comparative peut comprendre plusieurs modules d'épreuves successives auxquelles le candidat n'est admis que sous réserve de la réussite du module précédent. Dans ce cas, le classement n'est établi que sur la base des résultats du dernier module]1
  
Art. 267 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 57, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in het niveau B tot de graad van secretaris bij een parket moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [1 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [3 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]3 of wanneer de [3 evaluatiecommissie]3 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [3 evaluatiecommissie]3.]1

  [1 De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]1
  § 2. Om door middel van bevordering te worden benoemd in het niveau B met de graad van secretaris moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent [2 bij een griffie, een parketsecretariaat, een steundienst of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]2;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. [1 De vergelijkende selectie kan meerdere opeenvolgende modules van proeven omvatten waarbij de kandidaat enkel tot de volgende module wordt toegelaten op voorwaarde dat hij geslaagd is voor de vorige. In dat geval wordt de rangschikking enkel vastgelegd op basis van de resultaten van de laatste module.]1
Art. 267 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 57, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans le niveau B au grade de secrétaire à un parquet, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat d'études pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau B dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [1 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [3 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]3 lorsque la [3 commission d'évaluation]3 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [3 commission d'évaluation]3.]1

  [1 Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]1
  § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans le niveau B au grade de secrétaire, le candidat doit :
  1° être nomme à titre définitif dans la fonction d'assistant [2 près un greffe, un secrétariat de parquet, un service d'appui ou auprès de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]2;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. [1 La sélection comparative peut comprendre plusieurs modules d'épreuves successives auxquelles le candidat n'est admis que sous réserve de la réussite du module précédent. Dans ce cas, le classement n'est établi que sur la base des résultats du dernier module]1
Onderafdeling V. - Personeelsleden verbonden aan de griffies, de parketsecretariaten en de steundiensten.
Sous-section V. - Des membres du personnel attaches aux greffes, aux secrétariats de parquet et aux services d'appui.
Art. 268. <W 2007-04-25/64, art. 59, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]3

  § 2. [3 Om door middel van bevordering te worden benoemd in een klasse van het niveau A, moet de kandidaat vast benoemd zijn in het niveau C of B bij een griffie, een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]3
  
Art. 268. <L 2007-04-25/64, art. 59, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [2 classe]2 de niveau A, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.
   Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]3

  § 2. [3 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans une classe de niveau A, le candidat doit être nommé à titre définitif au niveau B ou C dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui et être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]3
  
Art. 268 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 59, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving te worden benoemd in een [2 klasse]2 van het niveau A moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau A bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [4 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]4 of wanneer de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de Koning, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [4 evaluatiecommissie]4.
   De termijn en het statuut die van toepassing zijn op de stagiairs van de niveaus B, C en D bedoeld in artikel 177 worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden op hen toegepast.]3

  § 2. [3 Om door middel van bevordering te worden benoemd in een klasse van het niveau A, moet de kandidaat vast benoemd zijn in het niveau C of B bij een griffie, een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst en geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt als bedoeld in artikel 279, § 4.]3
Art. 268 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 59, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, dans une [2 classe]2 de niveau A, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau A dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [4 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]4 lorsque la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le Roi peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [4 commission d'évaluation]4.
   Le délai et le statut applicables aux stagiaires des niveaux B, C et D, visés à l'article 177, leur sont appliqués dans la même mesure et aux mêmes conditions.]3

  § 2. [3 Pour pouvoir être nommé, par promotion, dans une classe de niveau A, le candidat doit être nommé à titre définitif au niveau B ou C dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui et être lauréat, pour la fonction concernée, d'une sélection comparative visée à l'article 279, § 4.]3
HOOFDSTUK VII. - (...).
CHAPITRE VII. - (...).
Art. 270. <W 2007-04-25/64, art. 64, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot deskundige, administratief deskundige of ICT-deskundige bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3

  § 2. Om door middel van bevordering tot deskundige, administratief deskundige of ICT-deskundige bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent bij een griffie [3 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]3;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage]3.
  
Art. 270. <L 2007-04-25/64, art. 64, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, expert, expert administratif ou expert ICT dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau B dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le ministre de la Justice peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]3

  § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, expert, expert administratif ou expert ICT dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  1° être nommé à titre définitif à la fonction d'assistant dans un greffe [3 , un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui]3;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. Le délai, qui ne peut dépasser un an, et le statut applicables [3 au stage]3 sont fixés par le Roi.
  
Art. 270 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 64, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot deskundige, administratief deskundige of ICT-deskundige bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau B bij de Rijksbesturen;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [4 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]4 of wanneer de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [4 evaluatiecommissie]4.]3

  § 2. Om door middel van bevordering tot deskundige, administratief deskundige of ICT-deskundige bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van assistent bij een griffie [3 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]3;
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage]3.
Art. 270 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 64, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, expert, expert administratif ou expert ICT dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  1° être porteur d'un diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission aux fonctions du niveau B dans les administrations de l'Etat;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [4 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]4 lorsque la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le ministre de la Justice peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [4 commission d'évaluation]4.]3

  § 2. Pour pouvoir être nommé, par promotion, expert, expert administratif ou expert ICT dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  1° être nommé à titre définitif à la fonction d'assistant dans un greffe [3 , un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui]3;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. Le délai, qui ne peut dépasser un an, et le statut applicables [3 au stage]3 sont fixés par le Roi.
Art. 271. <W 2007-04-25/64, art. 65, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot assistent bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  [2 ]2 houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau C bij de Rijksbesturen;
  [2 ]2 geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door het Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3

  § 2. Om door middel van bevordering tot assistent bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van medewerker bij een griffie [3 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]3
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage3.
  
Art. 271. <L 2007-04-25/64, art. 65, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, assistant dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  [2 ]2 être porteur d'un diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission à une fonction du niveau C dans les administrations de l'Etat;
  [2 ]2 être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le ministre de la Justice peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]3

  § 2. Pour pouvoir être nomme, par promotion, assistant dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  1° être nommé à titre définitif à la fonction de collaborateur dans un greffe [3 , un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui]3;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. Le délai, qui ne peut être supérieur à un an, et le statut applicables [3 au stage]3 sont fixés par le Roi.
  
Art. 271 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 65, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Om door middel van werving tot assistent bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  [2 ]2 houder zijn van een diploma of een getuigschrift in aanmerking komend voor de toelating tot een ambt van het niveau C bij de Rijksbesturen;
  [2 ]2 geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door het Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [4 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]4 of wanneer de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [4 evaluatiecommissie]4.]3

  § 2. Om door middel van bevordering tot assistent bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat :
  1° vast benoemd zijn in het ambt van medewerker bij een griffie [3 , een parketsecretariaat of, in voorkomend geval, een steundienst]3
  2° geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  § 3. De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage3.
Art. 271 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 65, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Pour pouvoir être nommé, par recrutement, assistant dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  [2 ]2 être porteur d'un diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission à une fonction du niveau C dans les administrations de l'Etat;
  [2 ]2 être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [4 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]4 lorsque la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le ministre de la Justice peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [4 commission d'évaluation]4.]3

  § 2. Pour pouvoir être nomme, par promotion, assistant dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit :
  1° être nommé à titre définitif à la fonction de collaborateur dans un greffe [3 , un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui]3;
  2° être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  § 3. Le délai, qui ne peut être supérieur à un an, et le statut applicables [3 au stage]3 sont fixés par le Roi.
Art. 272. <W 2007-04-25/64, art. 66, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Om tot medewerker bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair na afloop van zijn evaluatieperiode, de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk" heeft verkregen of wanneer de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde beroepscommissie.]3

  De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage]3.
  
Art. 272. <L 2007-04-25/64, art. 66, 153; En vigueur : 01-12-2008> Pour pouvoir être nommé collaborateur dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire a obtenu, à l'issue de sa période d'évaluation, la mention "répond aux attentes" ou "exceptionnel" ou lorsque la commission de recours visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le ministre de la Justice peut mettre fin au stage sur proposition de ladite commission de recours.]3
.
  Le délai, qui ne peut être supérieur à un an, et le statut applicables [3 au stage]3 sont fixes par le Roi.
  
Art. 272 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 66, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Om tot medewerker bij een griffie, een parketsecretariaat of in voorkomend geval een steundienst te worden benoemd, moet de kandidaat geslaagd zijn voor een vergelijkende selectie voor het desbetreffende ambt, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.
  [3 Na afloop van een stage die moet toelaten om de geschiktheid van de kandidaat voor het ambt te kunnen beoordelen, wordt de benoeming definitief wanneer de stagiair [4 na afloop van zijn stage-evaluatieperiode, geen vermelding "onvoldoende" heeft verkregen]4 of wanneer de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater zijn benoeming heeft voorgesteld.
   Tijdens de stage kan de minister van Justitie, in geval van beroepsongeschiktheid of wegens een zware fout, aan de stage een einde maken op voorstel van de bedoelde [4 evaluatiecommissie]4.]3

  De Koning stelt de termijn, welke niet langer kan zijn dan één jaar, en het statuut vast die van toepassing zijn op de [3 stage]3.
Art. 272 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 66, 153; En vigueur : 01-12-2008> Pour pouvoir être nommé collaborateur dans un greffe, un secrétariat de parquet ou, le cas échéant, un service d'appui, le candidat doit être lauréat d'une sélection comparative pour la fonction concernée, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.
  [3 A l'issue d'un stage qui doit permettre d'évaluer l'aptitude du candidat pour la fonction, la nomination devient définitive lorsque le stagiaire [4 n'a pas obtenu à l'issue de sa période d'évaluation de stage la mention "insuffisant" ou]4 lorsque la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater a proposé sa nomination.
   En cours de stage, en cas d'inaptitude professionnelle ou pour cause de faute grave, le ministre de la Justice peut mettre fin au stage sur proposition de ladite [4 commission d'évaluation]4.]3
.
  Le délai, qui ne peut être supérieur à un an, et le statut applicables [3 au stage]3 sont fixes par le Roi.
HOOFDSTUK VIIbis. - Bemiddelingsadviseurs en -assistenten. (opgeheven)
CHAPITRE VIIBIS. - (Abrogé).
Art. 272bis. [1 fwijking van de in de artikelen 262 tot 268, 270 en 271 bedoelde diplomavoorwaarden wordt toegestaan aan de kandidaten die houder zijn van een attest dat getuigt van generieke competenties die buiten diploma zijn verworven en toegang geeft tot het niveau waarin zich de graad of de klasse bevindt waartoe de functie waarvoor de selectie is georganiseerd, behoort. Dit getuigschrift wordt uitgereikt door het Selectiebureau van de Federale Overheid en de geldigheidsduur ervan wordt bepaald op vijf jaar te rekenen vanaf de datum van aflevering. De beslissing tot het organiseren van een selectie wordt genomen op voorstel van de directeur-generaal van de rechterlijke organisatie na goedkeuring door de onderhandelingsorganen bedoeld in de wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de Rechterlijke Orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen en parketjuristen bij de hoven en rechtbanken en de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.]1
  
Art. 272bis. [1 Dérogation aux conditions de diplôme visées aux articles 262 à 268, 270 et 271 est accordée aux candidats porteurs d'un certificat de compétences génériques acquises hors diplôme donnant accès au niveau où se situe le grade ou la classe à laquelle appartient la fonction pour laquelle la sélection est organisée. Ce certificat est délivré par le bureau de sélection de l'Administration fédérale et sa durée de validité est fixée à cinq ans à dater de sa délivrance. La décision d'organiser une sélection se fait sur proposition du directeur général de l'organisation judiciaire après approbation par les organes de négociations visés par la loi du 25 avril 2007 organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales des greffiers de l'Ordre judiciaire, les référendaires près la Cour de cassation, et les référendaires et juristes de parquet près les cours et tribunaux et la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats relevant de ces autorités.]1
  
Art. 272bis TOEKOMSTIG RECHT. [1 Een afwijking van de in de artikelen 262 tot 268, 270 en 271 bedoelde diplomavoorwaarden wordt toegestaan:
   1° door de Koning op basis van de lijst met knelpuntberoepen die door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning per taalrol werd vastgesteld, gebaseerd op de lijsten opgesteld door de gewestelijke instellingen voor tewerkstelling en beheer van werklozen en na een analyse uitgevoerd door het wetenschappelijk adviescomité bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit van 22 december 2000 betreffende de selectie en de loopbaan van het rijkspersoneel. Deze lijst wordt op regelmatige basis bijgewerkt en gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Voor elk van deze beroepen kan de Federale Overheidsdienst Justitie ambtshalve de voorziene diploma-afwijking toepassen;
   2° ofwel door de Koning na advies van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde voor functies die niet zijn opgenomen in de lijst met knelpuntberoepen bedoeld in de bepaling onder 1° en waarvan binnen de rechtelijke orde de selecties een lage effectiviteit hebben vertoond over een langdurige termijn, op basis van het aantal jaren nuttige beroepservaring bepaald in de onderstaande referentietabel:
   Aantal jaren nuttige ervaring vereist per niveau volgens het diploma of getuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor toelating tot het overeenkomstige niveau zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel
Art. 272bis DROIT FUTUR. [1 Une dérogation aux conditions de diplôme visées aux articles 262 à 268, 270 et 271 est accordée:
   1° par le Roi sur la base de la liste des métiers en pénurie fixée par rôle linguistique par le Directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui, basée sur les listes établies par les institutions régionales en charge de l'emploi et de la gestion des chômeurs et après une analyse réalisée par le comité scientifique de consultation visée à l'article 3 de l'arrêté royal du 22 décembre 2000 concernant la sélection et la carrière des agents de l'Etat. Cette liste est régulièrement mise à jour et publiée au Moniteur belge. Pour chacun de ces métiers, le Service public fédéral Justice peut d'office appliquer la dérogation de diplôme prévue;
   2° soit par le Roi après avis du directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou de son délégué pour des fonctions qui ne figurent pas sur la liste des métiers en pénurie visée au 1° et dont les sélections ont montré une faible efficacité sur le long terme au sein de l'ordre judiciaire, sur la base du nombre d'années d'expérience professionnelle utile déterminée dans le tableau de référence ci-dessous:
   Nombre d'années d'expérience utile requise par niveau selon le diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau correspondant tel que visé à l'annexe 1rede l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat
Aantal jaren nuttige ervaring vereist per niveau volgens het diploma of getuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor toelating tot het overeenkomstige niveau zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel Nombre d'années d'expérience utile requise par niveau selon le diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau correspondant tel que visé à l'annexe 1rede l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat
Nuttige ervaring voor toegang tot niveau Geen ervaring voor toegang tot niveau D Expérience utile pour l'accès au niveau Pas d'expérience pour l'accès au niveau D
A B C D A B C D
Diploma of getuigschrift in aanmerking voor de toelating tot de niveau A / / / / Diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau A / / / /
 B 2 jaar / / /  B 2 ans / / /
  
 C 5 jaar 3 jaar / /  C 5 ans 3 ans / /
  
Geen diploma of getuigschrift D 6 jaar 4 jaar 2 jaar / Pas de diplôme ou de certificat D 6 ans 4 ans 2 ans /
Aantal jaren nuttige ervaring vereist per niveau volgens het diploma of getuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor toelating tot het overeenkomstige niveau zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel Nombre d'années d'expérience utile requise par niveau selon le diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau correspondant tel que visé à l'annexe 1rede l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat Nuttige ervaring voor toegang tot niveau Geen ervaring voor toegang tot niveau D Expérience utile pour l'accès au niveau Pas d'expérience pour l'accès au niveau D A B C D A B C D Diploma of getuigschrift in aanmerking voor de toelating tot de niveau A / / / / Diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau A / / / / B 2 jaar / / / B 2 ans / / /
C 5 jaar 3 jaar / / C 5 ans 3 ans / /
Geen diploma of getuigschrift D 6 jaar 4 jaar 2 jaar / Pas de diplôme ou de certificat D 6 ans 4 ans 2 ans /
De Koning kan echter afwijken van de ervaringsvoorwaarden bepaald in de referentietabel mits bijzondere omkleding met redenen in termen van instroom en doeltreffendheid van de selectie, mits advies van de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning of zijn afgevaardigde, en zonder dat de vereiste ervaring minder dan twee jaar bedraagt;
   3° aan de kandidaten die houder zijn van een attest dat getuigt van generieke competenties die buiten diploma zijn verworven en toegang geeft tot het niveau waarin zich de graad of de klasse bevindt waartoe de functie waarvoor de selectie is georganiseerd, behoort. Dit getuigschrift wordt uitgereikt door de directeur-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning en de geldigheidsduur ervan wordt bepaald op vijf jaar te rekenen vanaf de datum van aflevering. De beslissing tot het organiseren van een selectie wordt genomen op voorstel van de minister van Justitie, of zijn gemachtigde, na goedkeuring door de onderhandelingsorganen bedoeld in de wet van 25 april 2007 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van de griffiers van de rechterlijke orde, de referendarissen bij het Hof van Cassatie, de referendarissen, de parketjuristen en de criminologen bij de hoven en rechtbanken en de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
   In de oproep tot kandidaten wordt elke afwijking vermeld.]1
  
Aantal jaren nuttige ervaring vereist per niveau volgens het diploma of getuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor toelating tot het overeenkomstige niveau zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel Nombre d'années d'expérience utile requise par niveau selon le diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau correspondant tel que visé à l'annexe 1rede l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat
Nuttige ervaring voor toegang tot niveau Geen ervaring voor toegang tot niveau D Expérience utile pour l'accès au niveau Pas d'expérience pour l'accès au niveau D
A B C D A B C D
Diploma of getuigschrift in aanmerking voor de toelating tot de niveau A / / / / Diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau A / / / /
 B 2 jaar / / /  B 2 ans / / /
  
 C 5 jaar 3 jaar / /  C 5 ans 3 ans / /
  
Geen diploma of getuigschrift D 6 jaar 4 jaar 2 jaar / Pas de diplôme ou de certificat D 6 ans 4 ans 2 ans /
Aantal jaren nuttige ervaring vereist per niveau volgens het diploma of getuigschrift dat in aanmerking wordt genomen voor toelating tot het overeenkomstige niveau zoals bedoeld in bijlage 1 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel Nombre d'années d'expérience utile requise par niveau selon le diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau correspondant tel que visé à l'annexe 1rede l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat Nuttige ervaring voor toegang tot niveau Geen ervaring voor toegang tot niveau D Expérience utile pour l'accès au niveau Pas d'expérience pour l'accès au niveau D A B C D A B C D Diploma of getuigschrift in aanmerking voor de toelating tot de niveau A / / / / Diplôme ou certificat pris en considération pour l'admission au niveau A / / / / B 2 jaar / / / B 2 ans / / /
C 5 jaar 3 jaar / / C 5 ans 3 ans / /
Geen diploma of getuigschrift D 6 jaar 4 jaar 2 jaar / Pas de diplôme ou de certificat D 6 ans 4 ans 2 ans /
Toutefois, le Roi peut déroger aux conditions d'expérience utile définies dans le tableau de référence, moyennant motivation spéciale en termes d'afflux et d'effectivité de la sélection, moyennant avis du directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ou de son délégué, et sans que l'expérience requise ne soit inférieure à deux ans;
   3° aux candidats porteurs d'un certificat de compétences génériques acquises hors diplôme donnant accès au niveau où se situe le grade ou la classe à laquelle appartient la fonction pour laquelle la sélection est organisée. Ce certificat est délivré par le directeur général Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui et sa durée de validité est fixée à cinq ans à dater de sa délivrance. La décision d'organiser une sélection se fait sur proposition du ministre de la Justice ou de son délégué après approbation par les organes de négociations visés par la loi du 25 avril 2007 organisant les relations entre les autorités publiques et les organisations syndicales des greffiers de l'ordre judiciaire, des référendaires près la Cour de cassation, des référendaires, des juristes de parquet et des criminologues près les cours et tribunaux et la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
   L'appel aux candidats fait mention de chaque dérogation.]1
  
HOOFDSTUK VIII. - (...).
CHAPITRE VIII. - (...).
Afdeling II. -[1 Selectie.]1
Section II. - [1 De la sélection.]1
Art. 273. [1 De Koning bepaalt de nadere regels voor de vergelijkende selectie bedoeld in [2 de artikelen 260 tot 268]2 en 270 tot 272.]1
  
Art. 273. [1 Le Roi fixe les modalités relatives à la sélection comparative visée [2 aux articles 260 à 268]2 et 270 à 272.]1
  
Art. 274. <W 2007-04-25/64, art. 69, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. [4 In het niveau A en voor een betrekking van griffier of secretaris, kiest het directiecomité of de betrekking moet worden verleend door middel van mutatie, mobiliteit, werving, [6 bevordering of verandering van graad]6.
   Voor de vredegerechten en de politierechtbanken van het gerechtelijk arrondissement Brussel ligt die keuze bij de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg. De voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg wordt bepaald overeenkomstig artikel 186bis, tweede tot zevende lid.]4

  § 2. [4 Voor de benoeming tot hoofdgriffier, griffier-hoofd van dienst, hoofdsecretaris, secretaris-hoofd van dienst of tot functies in de klasse [6 A3, A4 of A5]6 in niveau A kiest het directiecomité of de betrekking moet worden verleend door middel van [7 verandering van titel,]7 mutatie of bevordering.]4
  Wanneer de betrekking niet kan worden toegekend onder deze personeelsleden wordt, bij mobiliteit, een beroep gedaan op de ambtenaren van het federaal administratief openbaar ambt, in de zin van artikel 1 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken, die voldoen aan de reglementaire voorwaarden en die er aanspraak kunnen op maken door bevordering tot de hogere klasse [2 ...]2.
  Wanneer de betrekking niet kan worden toegekend bij mobiliteit, wordt ze toegekend overeenkomstig de regels bepaald inzake aanwerving. Evenwel, wordt van de kandidaten een nuttige ervaring voor de functie van zes jaar voor de klasse A3 en van negen jaar voor de klasse A4 geëist.
  [4 § 2/1. Voor de aanwijzing tot hoofdgriffier of hoofdsecretaris wordt in de vacante betrekking voorzien door een beroep te doen op gerechtspersoneel dat voldoet aan de reglementaire voorwaarden en dat aanspraak kan maken op bevordering.]4
  § 3. Op aanvraag van de minister [4 van Justitie]4 of zijn gemachtigde organiseert Selor een vergelijkende selectie die leidt tot een rangschikking van de geslaagden.
  § 4. Wanneer de aard van de te begeven functie dit vereist kan de minister [4 van Justitie]4 of zijn gemachtigde [4 op verzoek van het directiecomité]4 , onder toezicht van Selor een bijkomende vergelijkende proef organiseren die voor deze functie leidt tot een aparte rangschikking van de geslaagden. [5 De bijkomende vergelijkende proef kan uit meerder opeenvolgende delen bestaan waarbij de kandidaat enkel kan deelnemen aan het volgende deel als deze geslaagd is voor het vorige deel. [6 Het maximum aantal kandidaten, rekening houdende met hun rangschikking, dat toegelaten wordt tot de bijkomende proef kan beperkt worden.]6 In dit geval wordt de rangschikking bepaald op basis van de resultaten van het laatste deel, dat minstens een interview omvat.]5
  De selectiecommissie is samengesteld als volgt :
  1° Als voorzitter, naar gelang van het geval, de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, [1 ...]1 van het hof, de rechtbank of het parket waarin de betrekking is vacant verklaard of zijn aangestelde;
  2° [2 minstens twee leden]2 die door de minister van Justitie zijn aangewezen uit personen die wegens hun bevoegdheid of hun specialisatie, bijzonder geschikt zijn. Deze bijzondere geschiktheid kan worden aangetoond hetzij door een diploma, hetzij door een relevante beroepsbekwaamheid.
  [4 [6 ...]6
   De werfreserve van de bijkomende vergelijkende proef heeft een geldigheidsduur van twee jaar, te rekenen vanaf de datum van het proces-verbaal dat deze afsluit.]4

  De deelname aan de bijkomende vergelijkende proef is niet verplicht. De geslaagden voor deze vergelijkende proef, evenals de kandidaten die niet zijn geslaagd, behouden de rangschikking bedoeld in § 3.
  [4 § 4/1. Het directiecomité kan, zonder toepassing van artikel 287sexies, een beroep doen op de bestaande reserve van een bijkomende vergelijkende proef bedoeld in paragraaf 4, vierde lid.
   § 4/2. De geslaagden voor de bijkomende vergelijkende proef die niet ingaan op een betrekking die hen wordt aangeboden, worden geschrapt uit de werfreserve van de bijkomende vergelijkende proef.]4

  § 5. De Koning benoemt [3 of, in voorkomend geval, wijst aan]3 [4 ...]4 de geslaagde die het hoogst is gerangschikt voor de desbetreffende vergelijkende selectie ofwel de geslaagde die het hoogst is gerangschikt voor de bijkomende vergelijkende proef.
  
Art. 274. <L 2007-04-25/64, art. 68, 153; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. [4 Dans le niveau A et pour un emploi de greffier ou de secrétaire, le comité de direction choisit si l'emploi doit être attribué par voie de mutation, mobilité, recrutement, [6 promotion ou changement de grade]6.
   Pour les justices de paix et les tribunaux de police de l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, ce choix appartient au président du tribunal de première instance. Le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément à l'article 186bis, alinéas 2 à 7.]4

  § 2. [4 Pour la nomination à la fonction de greffier en chef, greffier chef de service, secrétaire en chef, secrétaire chef de service ou à des fonctions dans la classe [6 A3, A4 ou A5]6 du niveau A, le comité de direction choisit si l'emploi doit être attribué par voie [7 de changement de titre,]7 de mutation ou de promotion.]4.
  Si l'emploi ne peut être attribué parmi ces membres du personnel, il est fait appel, par mobilité, aux agents de la fonction publique administrative fédérale, au sens de l'article 1er de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, qui satisfont aux conditions réglementaires et qui peuvent y prétendre par promotion à la classe supérieure [2 ...]2.
  Si l'emploi ne peut être attribué par mobilité, il l'est conformément aux règles prévues en matière de recrutement. Toutefois, une expérience utile pour la fonction de six ans pour la classe A3 et de neuf ans pour la classe A4 est exigée.
  [4 § 2/1. Pour la désignation à la fonction de greffier en chef ou de secrétaire en chef, il est pourvu à l'emploi vacant en faisant appel au personnel judiciaire qui satisfait aux conditions réglementaires et qui peut y prétendre par avancement.]4
  § 3. A la demande du ministre [4 de la Justice]4 ou de son délégué, Selor organise une sélection comparative conduisant à un classement des lauréats.
  § 4. Si la nature de la fonction à pourvoir le requiert, le ministre [4 de la Justice]4 ou son délégué peut, [4 à la demande du comité de direction]4 sous la surveillance de Selor, organiser une épreuve comparative complémentaire conduisant pour cette fonction à un classement distinct des lauréats. [5 L'épreuve comparative complémentaire peut consister en plusieurs parties successives, le candidat ne pouvant prendre part à la partie suivante que s'il a réussi la partie précédente. [6 Le nombre maximum de participants admis à l'épreuve complémentaire, tenant compte de leur classement, peut être limité.]6 Dans ce cas, le classement est établi sur la base des résultats de la dernière partie, qui comprend au moins un entretien.]5
  La commission de sélection est composée comme suit :
  1° En qualité de président, selon le cas, le chef de corps vise à l'article 58bis, 2°, [1 ...]1 de la cour, du tribunal ou du parquet ou l'emploi est déclaré vacant, ou son délégué;
  2° [2 deux membres au moins]2 désignés par le ministre de la Justice parmi les personnes qui, en raison de leur compétence ou de leur spécialisation, sont particulièrement qualifiées. Cette qualification particulière peut être attestée soit par un diplôme, soit par une aptitude professionnelle pertinente.
  [4 [6 ...]6
   La réserve de recrutement de l'épreuve comparative complémentaire a une durée de validité de deux ans, à compter de la date du procès-verbal qui clôt celle-ci.]4

  La participation à l'épreuve comparative complémentaire n'est pas obligatoire. Les lauréats de cette épreuve comparative ainsi que les candidats qui y ont échoué conservent le classement visé au § 3.
  [4 § 4/1. Le comité de direction peut faire appel à la réserve existante d'une épreuve comparative complémentaire visée au paragraphe 4, alinéa 4, sans application de l'article 287sexies.
   § 4/2. Les lauréats de l'épreuve comparative complémentaire qui ne prennent pas un emploi qui leur est proposé sont rayés de la réserve de recrutement de l'épreuve comparative complémentaire.]4

  § 5. Le Roi nomme [3 ou, le cas échéant, désigne]3 [4 ...]4 le lauréat le plus haut classé pour la sélection comparative concernée ou le lauréat le plus haut classé pour l'épreuve comparative complémentaire.
  
Art. 275. <W 2007-04-25/64, art. 70, 153; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onder geslaagden van twee of meer vergelijkende selecties, wordt voorrang verleend aan de geslaagden van de selectie waarvan het proces-verbaal op de verst afgelegen datum is afgesloten.
Art. 275. <L 2007-04-25/64, art. 70, 153; En vigueur : 01-12-2008> Parmi les lauréats de deux ou de plusieurs sélections comparatives, la priorité est donnée aux lauréats de la sélection dont le procès-verbal a été établi à la date la plus éloignée.
Art. 275bis. [1 De geslaagden die een ambt postuleren, verbinden er zich toe in dienst te treden. Zij die [2 na het aanvaarden van het ambt]2 weigeren in dienst te treden, worden uit de reserve van geslaagden geschrapt.
   [2 Met de aanvaarding van het ambt putten de geslaagden de rechten uit verbonden aan hun uitslag. De geslaagden die na het aanvaarden van de functie weigeren in dienst te treden verliezen het voordeel van hun uitslag, zelfs indien de termijn van de betrokken selectie niet is verstreken.]2]1

  
Art. 275bis. [1 Les lauréats postulant à une fonction s'engagent à entrer en service. Ceux qui, [2 après l'acceptation de la fonction]2, refusent d'entrer en service sont rayés de la réserve des lauréats.
   [2 Avec l'acceptation de la fonction, les lauréats épuisent les droits liés à leur résultat. Les lauréats qui, après l'acceptation de la fonction, refusent d'entrer en service, perdent le bénéfice de leur résultat, même si le délai relatif à la sélection concernée n'a pas expiré.]2]1

  
Afdeling III. - Ontwikkeling binnen de loopbaan
Section III. - De l'évolution dans la carrière.
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen.
Sous-section Ire. - Dispositions générales.
Art. 276. <W 2007-04-25/64, art. 73, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Er zijn twee soorten bevorderingen :
  1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van het personeelslid :
  a) tot een graad van een hoger niveau;
  b) tot een klasse van niveau A wanneer hij deel uitmaakt van een lager niveau;
  c) tot de hogere klasse;
  2° [1 wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan het personeelslid in zijn graad of in zijn klasse van de weddeschaal die hoger is dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd;]1
  § 2. [2 Om een bevordering of een bevordering in weddenschaal te verkrijgen, moet het personeelslid zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. Bovendien mag hij geen vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" hebben verkregen op het einde van zijn evaluatie.]2
  
Art. 276. <L 2007-04-25/64, art. 73, 154; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Il existe deux types de promotions :
  1° pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination du membre du personnel :
  a) à un grade d'un niveau supérieur;
  b) à une classe du niveau A lorsqu'il appartient à un niveau inférieur;
  c) à la classe supérieure;
  2° [1 pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution au membre du personnel, dans son grade ou dans sa classe, de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée "promotion barémique";]1
  § 2. [2 Pour obtenir une promotion ou une promotion barémique, le membre du personnel doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion. En outre, il ne peut avoir obtenu la mention "à améliorer" ou "insuffisant" au terme de son évaluation.]2
  
Art. 276 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 73, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Er zijn twee soorten bevorderingen :
  1° wat de administratieve loopbaan betreft, is de bevordering de benoeming van het personeelslid :
  a) tot een graad van een hoger niveau;
  b) tot een klasse van niveau A wanneer hij deel uitmaakt van een lager niveau;
  c) tot de hogere klasse;
  2° [1 wat de geldelijke loopbaan betreft, is de bevordering de toekenning aan het personeelslid in zijn graad of in zijn klasse van de weddeschaal die hoger is dan die welke hij genoot; ze wordt "bevordering in weddeschaal" genoemd;]1
  § 2. [2 Om een bevordering of een bevordering in weddenschaal te verkrijgen, moet het personeelslid zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden. Bovendien mag hij [3 een vermelding "onvoldoende" hebben verkregen]3 op het einde van zijn evaluatie.]2
Art. 276 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 73, 154; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Il existe deux types de promotions :
  1° pour ce qui concerne la carrière administrative, la promotion est la nomination du membre du personnel :
  a) à un grade d'un niveau supérieur;
  b) à une classe du niveau A lorsqu'il appartient à un niveau inférieur;
  c) à la classe supérieure;
  2° [1 pour ce qui concerne la carrière pécuniaire, la promotion est l'attribution au membre du personnel, dans son grade ou dans sa classe, de l'échelle de traitement supérieure à celle dont il bénéficiait; elle est dénommée "promotion barémique";]1
  § 2. [2 Pour obtenir une promotion ou une promotion barémique, le membre du personnel doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion. En outre, il ne peut avoir obtenu [3 la mention "insuffisant" au terme de son évaluation]3.]2
Art. 277. <W 2007-04-25/64, art. 74, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. [2 Om tot de klasse A2 [3 met de titel van attaché]3 te worden bevorderd moet het personeelslid ten minste twee jaar anciënniteit in de klasse A1 hebben.
   Om tot de klasse A3 [3 met de titel van adviseur]3 te worden bevorderd moet het personeelslid ten minste vier jaar anciënniteit in de klasse A2 hebben of ten minste zes jaar anciënniteit in de klasse A1 of ten minste zes jaar anciënniteit in de klassen A1 en A2 samen.
   Om tot de klasse A4 [3 met de titel van adviseur-generaal]3 te worden bevorderd moet het personeelslid met de klasse A3 bekleed zijn.
   Om tot de klasse A5 [3 met de titel van adviseur-generaal]3 te worden bevorderd moet het personeelslid ten minste twee jaar anciënniteit in de klasse A4 hebben.]2

  § 2. [3 ...]3
  § 3. [2 ...]2.
  § 4. [2 ...]2.
  § 5. [3 De bevordering door overgang naar het hogere niveau of een hogere klasse wordt verleend bij wege van een vergelijkende selectie, georganiseerd door Selor - het Selectiebureau voor de federale overheid.]3
  
Art. 277. <L 2007-04-25/64, art. 74, 154; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. [2 Pour être promu à la classe A2 [3 avec le titre d'attaché]3, le membre du personnel doit compter au moins deux années d'ancienneté dans la classe A1.
   Pour être promu à la classe A3 [3 avec le titre de conseiller]3, le membre du personnel doit compter au moins quatre années d'ancienneté dans la classe A2, ou au moins six années d'ancienneté dans la classe A1, ou au moins six années d'ancienneté dans les classes A1 et A2 ensemble.
   Pour être promu à la classe A4 [3 avec le titre de conseiller général]3, le membre du personnel doit être revêtu de la classe A3.
   Pour être promu à la classe A5 [3 avec le titre de conseiller général]3, le membre du personnel doit compter au moins deux années d'ancienneté dans la classe A4.]2

  § 2. [3 ...]3
  § 3. [2 ...]2.
  § 4. [2 ...]2.
  § 5. [3 La promotion par accession au niveau supérieur ou dans une classe supérieure est accordée par le biais d'une sélection comparative, organisée par Selor - le Bureau de sélection de l'Administration fédérale.]3
  
Art. 278. [1 De verandering van graad of titel is de benoeming van het personeelslid tot een graad of titel die gelijkwaardig is met de zijne.
   De benoemingen door verandering van graad van de deskundigen worden door de minister van Justitie gedaan. De andere benoemingen door verandering van graad en de benoemingen door verandering van titel worden door de Koning gedaan.]1

  
Art. 278. [1 Le changement de grade ou de titre est la nomination du membre du personnel à un grade ou un titre équivalent au sien.
   Les nominations par changement de grade des experts sont faites par le ministre de la Justice. Les autres nominations par changement de grade et les nominations par changement de titre sont faites par le Roi.]1

  
Art. 278 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De verandering van graad of titel is de benoeming van het personeelslid tot een graad of titel die gelijkwaardig is met de zijne.
   De benoemingen door verandering van graad van de deskundigen worden door de minister van Justitie gedaan. De andere benoemingen door verandering van graad en de benoemingen door verandering van titel worden door de Koning gedaan.]1

  [2 Om een benoeming door verandering van graad of titel te verkrijgen, mag het personeelslid geen eindvermelding "onvoldoende" hebben verkregen op het einde van zijn evaluatie.]2
Art. 278 DROIT FUTUR.    [1 Le changement de grade ou de titre est la nomination du membre du personnel à un grade ou un titre équivalent au sien.
   Les nominations par changement de grade des experts sont faites par le ministre de la Justice. Les autres nominations par changement de grade et les nominations par changement de titre sont faites par le Roi.]1

  [2 Pour obtenir une nomination par changement de grade ou de titre, le membre du personnel ne peut avoir obtenu la mention "insuffisant" au terme de son évaluation.]2
HOOFDSTUK VIII. (...).
CHAPITRE VIII. - (...).
Onderafdeling II. - [1 Bevordering naar niveau A]1
Sous-section II. - [1 De la promotion vers le niveau A]1
Art. 279. [1 § 1. § 1. Om aan de proeven voor de bevordering naar [2 een klasse van het niveau A]2 deel te nemen moet het personeelslid zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden, en bij zijn laatste evaluatie de vermelding "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachting" hebben gekregen en behouden.
   § 2. De proeven voor de overgang naar het niveau A zijn in drie reeksen ingedeeld :
   De eerste reeks wordt georganiseerd door Selor. De proeven van die reeks beogen een evaluatie van het vermogen van een personeelslid om in niveau A te functioneren. Ze worden afgesloten met een attest van slagen of een verslag van het niet-slagen. Het attest van slagen is onbeperkt in de tijd geldig.
   [2 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 kan een vrijstelling toekennen voor proeven waarvoor men reeds geslaagd is.
   Een personeelslid dat niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van de mogelijkheid van het opnieuw afleggen ervan.
   § 3. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen. Elk van de vier proeven bestaat in het volgen van en slagen voor cursussen van minstens vier ECTS-studiepunten van een masterprogramma van een universiteit of hogeschool van de Europese Economische Ruimte. De tweede reeks proeven is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven.
   Een van die proeven dient gekozen te worden binnen de vakgebieden economie, recht of overheidsfinanciën.
   De drie andere proeven worden gekozen in onderling akkoord tussen de kandidaat en de minister van Justitie of zijn afgevaardigde op advies van het Instituut voor de gerechtelijke opleiding.
   Het Instituut voor gerechtelijke opleiding kan ook zelf de in het derde lid bedoelde proeven organiseren, mits gunstig advies van twee hoogleraren, één van elke taalrol, gespecialiseerd in het vakgebied van die proeven. Het advies zal gunstig zijn indien en alleen indien de proeven tot het niveau van een master behoren en indien elke proef met minstens vier ECTS-studiepunten overeenkomt.
   Kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, die is uitgereikt door een universiteit of hogeschool van de Europese Economische Ruimte, worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks.
   Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
   De inschrijvingskosten voor de proeven van deze reeks worden ten laste genomen door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.
   § 4. De derde reeks is een vergelijkende selectie voor een functie van het niveau A. Ze wordt georganiseerd door Selor. Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste en de tweede reeks proeven [2 alsook voor de titularissen van een ambt in een klasse van het niveau A]2. De vergelijkende selectie kan meerdere proeven omvatten, waarvan de eerste een uitsluitingsproef kan zijn.]1

  
Art. 279. [1 § 1er. Pour participer aux épreuves d'accession [2 à une classe du niveau A]2, le membre du personnel doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et avoir obtenu et conserver la mention "exceptionnel" ou "répond aux attentes" à sa dernière évaluation.
   § 2. Les épreuves d'accession au niveau A se répartissent en trois séries :
   La première série est organisée par le Selor. Les épreuves de cette série visent à évaluer la capacité d'un membre du personnel à fonctionner au niveau A. Elles se concluent par une attestation de réussite ou un constat d'échec. L'attestation de réussite est valable sans limitation de temps.
   [2 Le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 peut accorder une dispense d'épreuves déjà réussies.
   Un membre du personnel qui n'a pas réussi une épreuve est exclu pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de cette épreuve de la possibilité de la présenter à nouveau.
   § 3. La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances. Chacune des quatre épreuves consiste dans le suivi et la réussite des cours d'au moins quatre crédits ECTS figurant au programme des masters d'une université ou d'une haute école de l'Espace Economique Européen. La deuxième série d'épreuves n'est accessible qu'aux lauréats de la première série d'épreuves.
   Une de ces épreuves doit être choisie dans les domaines de l'économie, du droit ou des finances publiques.
   Les trois autres épreuves sont choisies de commun accord par le candidat et le ministre de la Justice ou son délégué sur avis de l'Institut de formation judiciaire.
   L'Institut de formation judiciaire peut également organiser lui-même les épreuves visées à l'alinéa 3 moyennant avis favorable de deux professeurs d'université, un de chaque rôle linguistique, spécialisés dans la matière de ces épreuves. L'avis sera favorable si et seulement si les épreuves sont du niveau d'un master et correspondent chacune à au moins quatre crédits ECTS.
   Les candidats titulaires d'un master ou d'un autre diplôme qui donne accès au niveau A, délivré par une université ou une haute école de l'Espace Economique Européen, sont considérés comme lauréats des épreuves de cette série.
   Pour chaque épreuve de cette série, la réussite est valable sans limitation de temps.
   Les frais d'inscription aux épreuves de la présente série sont pris en charge par l'Institut de formation judiciaire.
   § 4. La troisième série consiste en une sélection comparative par rapport à une fonction de niveau A. Elle est organisée par le Selor. Elle n'est accessible qu'aux lauréats de la première et de la deuxième série d'épreuves [2 ainsi qu'aux titulaires d'une fonction dans une classe de niveau A]2. La sélection comparative peut comprendre plusieurs épreuves, dont la première peut être éliminatoire.]1

  
Art. 279 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 § 1. § 1. Om aan de proeven voor de bevordering naar [2 een klasse van het niveau A]2 deel te nemen moet het personeelslid zich in een administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan laten gelden, [3 en bij zijn laatste evaluatie geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen]3.
   § 2. De proeven voor de overgang naar het niveau A zijn in drie reeksen ingedeeld :
   De eerste reeks wordt georganiseerd door Selor. De proeven van die reeks beogen een evaluatie van het vermogen van een personeelslid om in niveau A te functioneren. Ze worden afgesloten met een attest van slagen of een verslag van het niet-slagen. Het attest van slagen is onbeperkt in de tijd geldig.
   [2 De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning]2 kan een vrijstelling toekennen voor proeven waarvoor men reeds geslaagd is.
   Een personeelslid dat niet geslaagd is voor een proef wordt gedurende een periode van zes maanden, te rekenen vanaf de datum van het afleggen van deze proef, uitgesloten van de mogelijkheid van het opnieuw afleggen ervan.
   § 3. De tweede reeks omvat vier proeven die een evaluatie van de verwerving van kennis beogen. Elk van de vier proeven bestaat in het volgen van en slagen voor cursussen van minstens vier ECTS-studiepunten van een masterprogramma van een universiteit of hogeschool van de Europese Economische Ruimte. De tweede reeks proeven is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste reeks proeven.
   Een van die proeven dient gekozen te worden binnen de vakgebieden economie, recht of overheidsfinanciën.
   De drie andere proeven worden gekozen in onderling akkoord tussen de kandidaat en de minister van Justitie of zijn afgevaardigde op advies van het Instituut voor de gerechtelijke opleiding.
   Het Instituut voor gerechtelijke opleiding kan ook zelf de in het derde lid bedoelde proeven organiseren, mits gunstig advies van twee hoogleraren, één van elke taalrol, gespecialiseerd in het vakgebied van die proeven. Het advies zal gunstig zijn indien en alleen indien de proeven tot het niveau van een master behoren en indien elke proef met minstens vier ECTS-studiepunten overeenkomt.
   Kandidaten die houder zijn van een master of van een ander diploma dat toegang verleent tot het niveau A, die is uitgereikt door een universiteit of hogeschool van de Europese Economische Ruimte, worden beschouwd als geslaagden van de proeven van deze reeks.
   Voor elke proef van deze reeks is het slagen onbeperkt in de tijd geldig.
   De inschrijvingskosten voor de proeven van deze reeks worden ten laste genomen door het Instituut voor gerechtelijke opleiding.
   § 4. De derde reeks is een vergelijkende selectie voor een functie van het niveau A. Ze wordt georganiseerd door Selor. Ze is alleen toegankelijk voor de geslaagden van de eerste en de tweede reeks proeven [2 alsook voor de titularissen van een ambt in een klasse van het niveau A]2. De vergelijkende selectie kan meerdere proeven omvatten, waarvan de eerste een uitsluitingsproef kan zijn.]1
Art. 279 DROIT FUTUR.    [1 § 1er. Pour participer aux épreuves d'accession [2 à une classe du niveau A]2, le membre du personnel doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion [3 et ne pas avoir obtenu la mention "insuffisant" lors de sa dernière évaluation]3.
   § 2. Les épreuves d'accession au niveau A se répartissent en trois séries :
   La première série est organisée par le Selor. Les épreuves de cette série visent à évaluer la capacité d'un membre du personnel à fonctionner au niveau A. Elles se concluent par une attestation de réussite ou un constat d'échec. L'attestation de réussite est valable sans limitation de temps.
   [2 Le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui]2 peut accorder une dispense d'épreuves déjà réussies.
   Un membre du personnel qui n'a pas réussi une épreuve est exclu pendant une durée de six mois à dater du jour de la présentation de cette épreuve de la possibilité de la présenter à nouveau.
   § 3. La deuxième série comprend quatre épreuves qui visent à évaluer l'acquisition de connaissances. Chacune des quatre épreuves consiste dans le suivi et la réussite des cours d'au moins quatre crédits ECTS figurant au programme des masters d'une université ou d'une haute école de l'Espace Economique Européen. La deuxième série d'épreuves n'est accessible qu'aux lauréats de la première série d'épreuves.
   Une de ces épreuves doit être choisie dans les domaines de l'économie, du droit ou des finances publiques.
   Les trois autres épreuves sont choisies de commun accord par le candidat et le ministre de la Justice ou son délégué sur avis de l'Institut de formation judiciaire.
   L'Institut de formation judiciaire peut également organiser lui-même les épreuves visées à l'alinéa 3 moyennant avis favorable de deux professeurs d'université, un de chaque rôle linguistique, spécialisés dans la matière de ces épreuves. L'avis sera favorable si et seulement si les épreuves sont du niveau d'un master et correspondent chacune à au moins quatre crédits ECTS.
   Les candidats titulaires d'un master ou d'un autre diplôme qui donne accès au niveau A, délivré par une université ou une haute école de l'Espace Economique Européen, sont considérés comme lauréats des épreuves de cette série.
   Pour chaque épreuve de cette série, la réussite est valable sans limitation de temps.
   Les frais d'inscription aux épreuves de la présente série sont pris en charge par l'Institut de formation judiciaire.
   § 4. La troisième série consiste en une sélection comparative par rapport à une fonction de niveau A. Elle est organisée par le Selor. Elle n'est accessible qu'aux lauréats de la première et de la deuxième série d'épreuves [2 ainsi qu'aux titulaires d'une fonction dans une classe de niveau A]2. La sélection comparative peut comprendre plusieurs épreuves, dont la première peut être éliminatoire.]1
HOOFDSTUK IX.
CHAPITRE IX.
HOOFDSTUK X.
CHAPITRE X.
Art. 287 TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. Alle personeelsleden van niveau A, B, C en D zijn onderworpen aan een evaluatiecyclus.
   Wat de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen betreft, is de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de evaluator. Wat de andere personeelsleden betreft, is de evaluator de hiërarchische meerdere van het personeelslid of de functionele chef aan wie de hiërarchische meerdere de evaluatietaak heeft gedelegeerd.
   De hiërarchische meerdere is de magistraat die of het vastbenoemd personeelslid dat de verantwoordelijkheid over een dienst of over een team heeft en dat dientengevolge rechtstreeks gezag uitoefent over de personeelsleden van die dienst of van dat team. De functionele chef is de magistraat die of het vastbenoemd of contractueel personeelslid dat, onder de verantwoordelijkheid van de hiërarchische meerdere van een personeelslid, een rechtstreekse gezagsrelatie heeft ten aanzien van laatstgenoemde bij het dagelijks uitoefenen van zijn ambt.
   § 2. De evaluatie is gebaseerd op de volgende elementen:
   1° het bereiken van de prestatiedoelstellingen vastgelegd tijdens het evaluatiecyclusgesprek en in voorkomend geval aangepast gedurende de evaluatie, met name tijdens de functioneringsgesprekken;
   2° de ontwikkeling van de competenties van het personeelslid die nuttig zijn voor zijn functie.
   De evaluatie biedt de mogelijkheid om na te denken over de ontwikkeling van het personeelslid op verschillende sleutelmomenten in zijn loopbaan, met name wanneer hij zich geconfronteerd ziet met een wens of mogelijkheid tot evolutie, loopbaanontwikkeling of beroepsheroriëntering.
   De door het personeelslid uitgedrukte wens of mogelijkheid tot evolutie, loopbaanontwikkeling of beroepsheroriëntering kunnen niet als basis gebruikt worden voor de balans die tijdens het evaluatiecyclusgesprek of enig ander gesprek wordt gemaakt.]1

  
Art. 287 DROIT FUTUR. [1 § 1er. Tous les membres du personnel de niveau A, B, C et D sont soumis à un cycle d'évaluation.
   En ce qui concerne les greffiers en chef et les secrétaires en chef, l'évaluateur est le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°. En ce qui concerne les autres membres du personnel, l'évaluateur est le supérieur hiérarchique du membre du personnel ou le chef fonctionnel auquel le supérieur hiérarchique a délégué la tâche d'évaluation.
   Le supérieur hiérarchique est le magistrat ou le membre du personnel nommé à titre définitif qui a la responsabilité d'un service ou d'une équipe et qui exerce de ce fait l'autorité directe sur les membres du personnel de ce service ou de cette équipe. Le chef fonctionnel est le magistrat ou le membre du personnel statutaire ou contractuel qui, sous la responsabilité du supérieur hiérarchique d'un membre du personnel, a un lien d'autorité directe sur ce dernier dans l'exercice quotidien de ses fonctions.
   § 2. L'évaluation se fonde sur les éléments suivants:
   1° la réalisation des objectifs de prestation fixés lors de l'entretien de cycle d'évaluation, et, le cas échéant, adaptés en cours d'évaluation, notamment lors des entretiens de fonctionnement;
   2° le développement des compétences du membre du personnel utiles à sa fonction.
   L'évaluation permet d'alimenter une réflexion sur le développement du membre du personnel à différents moments-clés de la carrière, notamment lorsque le membre du personnel fait face à un souhait ou une opportunité d'évolution, de développement de carrière ou de réorientation professionnelle.
   Le souhait ou l'opportunité d'évolution, de développement de carrière ou de réorientation professionnelle exprimés par le membre du personnel ne peuvent servir de base au bilan effectué lors de l'entretien de cycle d'évaluation ou de tout autre entretien.]1

  
Art. 287bis TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. De evaluatiecyclus van een personeelslid dat geen stagiair is duurt twaalf maanden.
   De evaluatiecycli volgen elkaar automatisch op behoudens uitzonderingen bepaald door de Koning.
   § 2. Op het einde van de evaluatiecyclus nodigt de evaluator het personeelslid uit voor een evaluatiecyclusgesprek. Een evaluatiecyclusgesprek vindt plaats op het einde van de evaluatiecyclus tussen de evaluator en het personeelslid.
   Het evaluatiecyclusgesprek omvat twee luiken:
   1° het bepalen van de doelstellingen bedoeld in artikel 287, § 2, 1°, die aan het personeelslid moeten worden toegewezen, de zogenaamde planning;
   2° het evalueren van het personeelslid met betrekking tot de doelstellingen die voor hem zijn bepaald in toepassing van artikel 287, § 2, 1°, de zogenaamde balans.
   Onverminderd het tweede lid, 1°, worden de evaluator en het personeelslid het aan het begin van de evaluatiecyclus en voor de planning eens over de functiebeschrijving wanneer het personeelslid vastbenoemd is, in dienst wordt genomen, van functie verandert, wanneer de remediëring wordt afgesloten of nadat de vermelding "onvoldoende" is toegekend. De functiebeschrijving wordt aangepast na belangrijke veranderingen van de functie.
   § 3. Het bereiken van de doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, 1° leidt tot de activering van de volgende evaluatiecyclus van het personeelslid.
   § 4. Het niet bereiken van de doelstellingen bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, 1°, leidt hetzij:
   1° tot de remediëring;
   2° tot de toekenning van de vermelding "onvoldoende".
   § 5. Telkens het nodig is en onverminderd elk informeel gesprek wordt er tijdens de evaluatiecyclus een functioneringsgesprek georganiseerd op vraag van de evaluator of het personeelslid.
   Tijdens het functioneringsgesprek kunnen met name aan bod komen:
   1° oplossingen voor knelpunten in verband met het functioneren van het personeelslid;
   2° oplossingen voor knelpunten die het bereiken van de afgesproken doelstellingen bemoeilijken; deze knelpunten kunnen zowel betrekking hebben op de organisatie en de werking van de dienst en de begeleiding door de evaluator als op externe factoren;
   3° de ontwikkeling van het personeelslid binnen zijn huidige functie;
   4° de loopbaanperspectieven en verwachtingen van het personeelslid en de ontwikkeling van competenties die hiervoor wenselijk zijn.
   Indien het functioneringsgesprek op initiatief van de evaluator wordt georganiseerd kan dit gesprek leiden tot:
   1° de remediëring;
   2° de toekenning van de vermelding "onvoldoende".
   § 6. De remediëring is een begeleiding "op maat" van het personeelslid bij de ontwikkeling van zijn loopbaan.
   Remediëring komt tegemoet aan de behoeften die de hiërarchische meerdere in de situatie van het personeelslid naargelang het geval vaststelt, naar aanleiding van:
   1° het niet bereiken van vastgestelde prestatiedoelstellingen;
   2° de noodzaak om beroepscompetenties te ontwikkelen met het oog op loopbaanontwikkeling of een heroriëntering om de inzetbaarheid van het personeelslid te vergroten.
   De remediëring heeft als doel om snel specifieke begeleidingsmaatregelen ter beschikking te stellen van het personeelslid.
   Behoudens uitzonderingen bepaald door de Koning duurt de remediëring minimaal zes maanden en maximaal twaalf maanden met een minimum van zestig door het personeelslid gepresteerde dagen.
   § 7. De vermelding "onvoldoende" wordt toegekend aan het personeelslid dat manifest ondermaats functioneert in vergelijking met het verwachte niveau en dat, zonder dat dit cumulatief is:
   1° minder dan 50 % van zijn prestatiedoelstellingen heeft gerealiseerd;
   2° de competenties die noodzakelijk zijn om zijn functie uit te oefenen niet heeft ontwikkeld en deze functie niet langer op een bevredigende wijze kan uitoefenen, terwijl het die doelstelling kreeg toegewezen tijdens het evaluatiecyclusgesprek.
   § 8. Het personeelslid kan binnen twintig werkdagen na de notificatie van de eindvermelding een beroep instellen tegen de vermelding "onvoldoende" die hem toegekend is. Het beroep werkt opschortend.
   Wanneer de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 287quater heeft voorgesteld om de vermelding "onvoldoende" niet te behouden, beslist de minister van Justitie of zijn gemachtigde om:
   1° ofwel het advies van de evaluatiecommissie te volgen;
   2° ofwel, indien de evaluatiecommissie geen eenparig advies uitbrengt, de vermelding "onvoldoende" te bevestigen.
   Indien de evaluatiecommissie heeft voorgesteld om de vermelding "onvoldoende" te behouden, wordt deze definitief.
   § 9. Als er binnen vier jaar na de toekenning van de eerste vermelding "onvoldoende" een tweede vermelding "onvoldoende" wordt gegeven, zelfs als ze niet opeenvolgend zijn, leidt dit tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid van het personeelslid. De periode van vier jaar wordt in voorkomend geval verlengd totdat die tweehonderdveertig gewerkte dagen telt.
   Aan het wegens beroepsongeschiktheid ontslagen vastbenoemd personeelslid wordt een ontslagvergoeding toegekend in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als deze die aan het personeel van de federale overheidsdiensten wordt toegekend.
   § 10. Paragraaf 9 is niet van toepassing wanneer de vermelding "onvoldoende" wordt toegekend in het kader van de uitoefening van een hogere functie.
   Deze vermelding stelt ambtshalve een einde aan de aanwijzing in een hogere functie.
   In de functie of het niveau waarin het personeelslid benoemd is of via arbeidsovereenkomst werd aangeworven, wordt de evaluatiecyclus afgesloten overeenkomstig paragraaf 3.
   § 11. De Koning stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de evaluatieprocedure, de duurtijd ervan, de remediëring en de bedoelde personen.]1

  
Art. 287bis DROIT FUTUR. [1 § 1er. Le cycle d'évaluation d'un membre du personnel qui n'est pas stagiaire est de 12 mois.
   Les cycles d'évaluation se succèdent de manière automatique sauf exceptions prévues par le Roi.
   § 2. A la fin du cycle d'évaluation, l'évaluateur invite le membre du personnel à un entretien de cycle d'évaluation. Un entretien de cycle d'évaluation a lieu entre l'évaluateur et le membre du personnel à la fin du cycle d'évaluation.
   L'entretien de cycle d'évaluation comprend deux volets:
   1° la définition des objectifs visés à l'article 287, § 2, 1°, à attribuer au membre du personnel, ci-dénommé la planification;
   2° l'évaluation du membre du personnel au regard des objectifs qui lui ont été fixés en application de l'article 287, § 2, 1°, ci-dénommé le bilan.
   Sans préjudice de l'alinéa 2, 1°, l'évaluateur et le membre du personnel s'accordent sur la description de fonction au début du cycle d'évaluation et avant la planification lorsque le membre du personnel est nommé à titre définitif, est engagé, change de fonction, à la clôture de la remédiation ou après l'attribution de la mention "insuffisant". La description de fonction est adaptée à la suite de changements significatifs de la fonction.
   § 3. La réalisation des objectifs visés au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, conduit à l'activation du cycle d'évaluation suivant du membre du personnel.
   § 4. La non-réalisation des objectifs visés au paragraphe 2, alinéa 2, 1°, conduit à:
   1° la remédiation;
   2° l'attribution de la mention "insuffisant".
   § 5. Pendant le cycle d'évaluation, chaque fois que c'est nécessaire et sans préjudice de tout entretien informel, un entretien de fonctionnement est organisé à la demande de l'évaluateur ou du membre du personnel.
   Durant l'entretien de fonctionnement peuvent notamment être abordés:
   1° des solutions aux problèmes qui concernent le fonctionnement du membre du personnel;
   2° des solutions aux problèmes qui entravent la réalisation des objectifs convenus; ces problèmes peuvent concerner aussi bien l'organisation et le fonctionnement du service et l'accompagnement par l'évaluateur que des facteurs externes;
   3° le développement du membre du personnel au sein de sa fonction actuelle;
   4° les perspectives et aspirations de carrière du membre du personnel et le développement de compétences qui sont souhaitables à cette fin.
   Si l'entretien de fonctionnement est organisé à l'initiative de l'évaluateur, cet entretien peut conduire à:
   1° la remédiation;
   2° l'attribution de la mention "insuffisant".
   § 6. La remédiation est un accompagnement "sur mesure" du membre du personnel dans le développement de sa carrière.
   La remédiation répond aux besoins constatés par le supérieur hiérarchique dans la situation du membre du personnel, selon le cas, suite à:
   1° la non-réalisation d'objectifs de prestation fixés;
   2° la nécessité de développer des compétences professionnelles en vue d'une évolution de la carrière ou d'une réorientation afin d'accroître l'employabilité du membre du personnel.
   La remédiation a pour objectif de permettre un accès rapide à des mesures ponctuelles d'accompagnement pour le membre du personnel.
   Sauf exceptions prévues par le Roi, la remédiation a une durée de minimum six mois et de maximum douze mois et compte au minimum soixante jours prestés par le membre du personnel.
   § 7. La mention "insuffisant" est attribuée au membre du personnel dont le fonctionnement est manifestement inférieur au niveau attendu et qui, sans que cela ne soit cumulatif:
   1° a réalisé moins de 50 % de ses objectifs de prestations;
   2° n'a pas développé les compétences nécessaires à exercer sa fonction et ne peut plus exercer celle-ci de manière satisfaisante alors que cet objectif de développement lui avait été assigné lors de l'entretien de cycle d'évaluation.
   § 8. Dans les vingt jours ouvrables qui suivent la notification de la mention finale, le membre du personnel peut introduire un recours contre la mention "insuffisant" qui lui a été attribuée. Le recours est suspensif.
   Lorsque la commission d'évaluation visée à l'article 287quater a proposé de ne pas maintenir la mention "insuffisant", le ministre de la Justice ou son délégué décide:
   1° soit de suivre l'avis de la commission d'évaluation;
   2° soit, si l'avis de la commission n'est pas rendu à l'unanimité, de confirmer la mention "insuffisant".
   Lorsque la commission d'évaluation a proposé le maintien de la mention "insuffisant", celle-ci devient définitive.
   § 9. Si dans les quatre années qui suivent l'attribution de la première mention "insuffisant", une deuxième mention "insuffisant" est attribuée, même si les deux mentions ne sont pas consécutives, elle conduit au licenciement pour inaptitude professionnelle du membre du personnel. La période de quatre ans est, le cas échéant, prolongée jusqu'au moment où elle compte deux cent quarante jours prestés.
   Une indemnité de départ est accordée au membre du personnel licencié pour inaptitude professionnelle dans la même mesure et dans les mêmes conditions que celle qui est accordée au personnel des services publics fédéraux.
   § 10. Le paragraphe 9 ne s'applique pas lorsque la mention "insuffisant" est attribuée dans le cadre de l'exercice d'une fonction supérieure.
   Cette mention met fin d'office à la désignation à une fonction supérieure.
   Dans la fonction ou dans le niveau où le membre du personnel est nommé ou est engagé par contrat de travail, le cycle d'évaluation est clôturé conformément au paragraphe 3.
   § 11. Le Roi détermine les modalités d'application des dispositions concernant la procédure d'évaluation, sa durée, la remédiation et les personnes visées.]1

  
Afdeling IV. - Evaluatie.
Section IV. - De l'évaluation.
Art. 287ter. [1 § 1. Alle [2 ...]2 personeelsleden van niveau A, B, C en D zijn onderworpen aan een evaluatiecyclus.
   Wat de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen betreft, is de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de evaluator. Wat de andere personeelsleden betreft, is de evaluator de hiërarchische meerdere van het personeelslid of de functionele chef aan wie de hiërarchische meerdere de evaluatietaak heeft gedelegeerd.
   De hiërarchische meerdere is [2 de magistraat die of]2 het vastbenoemd personeelslid dat de verantwoordelijkheid over een dienst of over een team heeft en dat dientengevolge rechtstreeks gezag uitoefent over de personeelsleden van die dienst of van dat team. De functionele chef is [2 de magistraat die of]2 het vastbenoemd of contractueel personeelslid dat, onder de verantwoordelijkheid van de hiërarchische meerdere van een personeelslid, een rechtstreekse gezagsrelatie heeft ten aanzien van laatstgenoemde bij het dagelijks uitoefenen van zijn ambt.
   § 2. [2 De evaluatieperiode duurt een jaar behoudens uitzonderingen bepaald door de Koning. Er vindt een functiegesprek plaats in het begin van de evaluatieperiode wanneer het personeelslid vastbenoemd wordt, in dienst genomen wordt of van functie verandert. Er wordt ook een functiegesprek gehouden wanneer de functie belangrijke veranderingen ondergaat.]2.
   Bij het begin van de [2 ...]2 evaluatieperiode, in voorkomend geval onmiddellijk na het functiegesprek, vindt een planningsgesprek plaats. Tijdens dit planningsgesprek worden de evaluator en het personeelslid het eens over de prestatiedoelstellingen en eventueel over de persoonlijke ontwikkelingsdoelstellingen.
   Tijdens de evaluatieperiode wordt, telkens dat nodig is, een functioneringsgesprek gehouden tussen de evaluator en het personeelslid.
   Op het einde van de evaluatieperiode nodigt de evaluator het personeelslid uit voor een evaluatiegesprek.
   § 3. De evaluatie is hoofdzakelijk gebaseerd op de volgende elementen :
   1° het bereiken van de prestatiedoelstellingen vastgelegd tijdens het planningsgesprek en eventueel aangepast tijdens de functioneringsgesprekken;
   2° de ontwikkeling van de competenties van het personeelslid die nuttig zijn voor zijn functie;
   3° in voorkomend geval, de kwaliteit van de evaluaties die het personeelslid heeft uitgevoerd, als hij daarmee belast is.
   De evaluatie berust eveneens op de volgende elementen :
   - de bijdrage van het personeelslid aan de prestaties van het team waarin hij werkt;
   - de beschikbaarheid van het personeelslid voor de gebruikers van de dienst, zowel interne als externe gebruikers.
   Het evaluatieverslag wordt afgesloten met één van de volgende vermeldingen : uitzonderlijk, voldoet aan de verwachtingen, te verbeteren en onvoldoende.
   Het heeft uitwerking op het einde van de evaluatieperiode.
  [2 § 3bis. De paragrafen 2 en 3 zijn van toepassing op de stage, onder voorbehoud van de volgende specificiteiten :
   1° de stage bestaat minstens uit drie functioneringsgesprekken. Zij zijn evenwichtig verdeeld over de volledige evaluatieperiode en worden elk afgesloten met de toekenning van een vermelding "uitzonderlijk", "voldoet aan de verwachtingen", "te verbeteren" of "onvoldoende";
   2° wanneer ze betrekking hebben op de stage worden de in § 3 bedoelde elementen bepaald om :
   - de optimale integratie van de stagiair in zijn dienst en binnen de rechterlijke orde in het algemeen mogelijk te maken;
   - aan te tonen of de stagiair over de vereiste bekwaamheden beschikt om de taken uit te voeren die verbonden zijn aan de betrekking waarvoor hij aangewezen is.]2

   § 4. Ingeval gedurende de drie jaar na de toekenning van de eerste vermelding "onvoldoende" een tweede vermelding "onvoldoende" wordt gegeven, [2 zelfs als ze niet opeenvolgend zijn";]2, leidt dit tot ontslag wegens beroepsongeschiktheid van het personeelslid.
   Aan het wegens beroepsongeschiktheid ontslagen vastbenoemd personeelslid wordt een ontslagvergoeding toegekend. Deze vergoeding is gelijk aan twaalfmaal de laatste maandbezoldiging indien het personeelslid ten minste twintig jaar dienst heeft, aan achtmaal of zesmaal deze bezoldiging naargelang hij tien jaar dienst of minder dan tien jaar dienst heeft.
  [2 Deze paragraaf is niet van toepassing op de stagiairs.]2
  [2 § 4bis. Indien gedurende de stage een vermelding "onvoldoende" wordt toegekend na afloop van een verplicht functioneringsgesprek, maakt de magistraat-korpschef het dossier over aan de in artikel 287quater bedoelde beroepscommissie die beslist of de stage mag worden verdergezet of die een ontslagvoorstel overmaakt aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
  In afwijking van het eerste lid leidt de aan de stagiair toegekende functioneringsvermelding "onvoldoende" niet tot de aanhangigmaking bij de beroepscommissie indien de stagiair, de evaluator en de magistraat-korpschef akkoord zijn over de verderzetting van de stage.
   § 4ter. Indien na afloop van de stage een vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" wordt toegekend, maakt de magistraat-korpschef het dossier over aan de beroepscommissie.
   In geval van vermelding "onvoldoende", naargelang het geval :
   1° beslist de beroepscommissie of de stage moet worden verlengd;
   2° legt de beroepscommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
   In geval van vermelding "te verbeteren", naar gelang het geval :
   1° beslist de beroepscommissie of de stage moet worden verlengd;
   2° legt de beroepscommissie een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als een periode die afgesloten wordt met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen".
   § 4quater. Na afloop van de stage die werd verlengd overeenkomstig § 4ter, maakt de magistraat-korpsoverste aan de commissie het evaluatiedossier over van de stagiair aan wie de evaluatievermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" werd toegekend.
   De commissie legt, naar gelang het geval :
   1° een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als een periode die afgesloten wordt met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen";
   2° een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.]2

   § 5. De Koning stelt de nadere regels vast voor de toepassing van deze bepalingen met betrekking tot de evaluatieprocedure, de duurtijd ervan en de bedoelde personen]1

  
Art. 287ter. [1 § 1er. Tous les membres du personnel [2 ...]2 de niveau A, B, C et D sont soumis à un cycle d'évaluation.
   En ce qui concerne les greffiers en chef et les secrétaires en chef, l'évaluateur est le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°. En ce qui concerne les autres membres du personnel l'évaluateur est le supérieur hiérarchique du membre du personnel ou le chef fonctionnel auquel le supérieur hiérarchique a délégué la tâche d'évaluation.
   Le supérieur hiérarchique est [2 le magistrat ou]2 le membre du personnel nommé à titre définitif qui a la responsabilité d'un service ou d'une équipe et qui exerce de ce fait l'autorité directe sur les membres du personnel de ce service ou de cette équipe. Le chef fonctionnel est [2 le magistrat ou]2 le membre du personnel statutaire ou contractuel qui, sous la responsabilité du supérieur hiérarchique d'un membre du personnel, a un lien d'autorité directe sur ce dernier dans l'exercice quotidien de ses fonctions.
   § 2. [2 La période d'évaluation a une durée d'un an sauf exceptions prévues par le Roi. Un entretien de fonction est tenu au début de la période d'évaluation lorsque le membre du personnel est nommé à titre définitif, est engagé, ou change de fonction. Un entretien de fonction est aussi tenu lorsque la fonction connaît des changements significatifs.]2
   Un entretien de planification a lieu dès le début de la [2 ...]2 période d'évaluation, le cas échéant immédiatement après l'entretien de fonction. Au cours de cet entretien de planification, l'évaluateur et le membre du personnel conviennent des objectifs de prestations et, éventuellement, de développement personnel.
   Pendant la période d'évaluation, chaque fois que c'est nécessaire, un entretien de fonctionnement est tenu entre l'évaluateur et le membre du personnel.
   A la fin de la période d'évaluation, l'évaluateur invite le membre du personnel à un entretien d'évaluation.
   § 3. L'évaluation se fonde principalement sur les éléments suivants :
   1° la réalisation des objectifs de prestation fixés lors l'entretien de planification et éventuellement adaptés lors des entretiens de fonctionnement;
   2° le développement des compétences du membre du personnel utiles à sa fonction;
   3° le cas échéant, la qualité des évaluations réalisées par le membre du personnel, si celui-ci en est chargé.
   L'évaluation se fonde également sur les éléments suivants :
   - la contribution du membre du personnel aux prestations de l'équipe dans laquelle il fonctionne;
   - la disponibilité du membre du personnel à l'égard des usagers du service, qu'ils soient internes ou externes.
   Le rapport d'évaluation se conclut par une des mentions suivantes : exceptionnel, répond aux attentes, à améliorer, insuffisant.
   Il produit ses effets à la fin de la période d'évaluation.
  [2 § 3bis. Les paragraphes 2 et 3 sont applicables au stage, sous réserve des spécificités suivantes :
   1° le stage doit comporter au moins trois entretiens de fonctionnement. Ils sont répartis de manière équilibrée sur l'ensemble de la période d'évaluation et se clôturent chacun par l'attribution d'une mention "exceptionnel", "répond aux attentes", "à améliorer" ou "insuffisant";
   2° lorsqu'ils concernent le stage, les éléments visés au § 3 sont déterminés de manière à :
   - permettre l'intégration optimale du stagiaire au sein de son service et de l'ordre judiciaire en général;
   - établir si le stagiaire dispose des capacités requises pour exercer les fonctions en lien avec l'emploi pour lequel il est désigné.]2

   § 4. Si dans les trois ans qui suivent l'attribution de la première mention "insuffisant" une seconde mention "insuffisant" est donnée, [2 même si les deux mentions ne sont pas consécutives]2, elle conduit au licenciement pour inaptitude professionnelle du membre du personnel.
   Une indemnité de départ est accordée au membre du personnel licencié pour inaptitude professionnelle. Cette indemnité est équivalente à douze fois la dernière rémunération mensuelle si le membre du personnel compte au moins vingt ans d'ancienneté, à huit fois ou six fois cette rémunération selon qu'il compte dix ans ou moins de dix ans de service.
  [2 Ce paragraphe ne s'applique pas aux stagiaires.]2
  [2 § 4bis. Si pendant le stage une mention "insuffisant" est attribuée à l'issue d'un entretien de fonctionnement obligatoire, le magistrat-chef de corps transfère le dossier à la commission de recours visée à l'article 287quater qui décide si le stage peut être poursuivi ou transmet une proposition de licenciement à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement pendant le stage.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'attribution d'une mention de fonctionnement "insuffisant" au stagiaire ne conduit pas à un renvoi vers ladite commission de recours si le stagiaire, l'évaluateur et le magistrat-chef de corps s'accordent sur la poursuite du stage.
   § 4ter. Si à l'issue du stage, une mention "à améliorer" ou "insuffisant" est attribuée, le magistrat-chef de corps transfère le dossier à la commission de recours.
   En cas de mention "insuffisant", selon le cas :
   1° la commission de recours décide si le stage doit être prolongé;
   2° la commission de recours soumet une proposition de licenciement motivée à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement pendant le stage.
   En cas de mention "à améliorer", selon le cas :
   1° la commission de recours décide si le stage doit être prolongé;
   2° la commission de recours soumet une proposition motivée de nomination à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement pendant le stage. Dans ce cas, la période de stage est considérée comme s'étant achevée sur une mention "répond aux attentes".
   § 4quater. A l'issue du stage prolongé conformément au § 4ter, le magistrat-chef de corps communique à la commission le dossier d'évaluation du stagiaire auquel la mention d'évaluation "à améliorer" ou "insuffisant" a été attribuée.
   La commission, selon le cas :
   1° soumet une proposition motivée de nomination à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement pendant le stage. Dans ce cas, la période de stage est considérée comme se concluant par la mention "répond aux attentes";
   2° soumet une proposition motivée de licenciement à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement pendant le stage.]2

   § 5. Le Roi détermine les modalités d'application de ces dispositions concernant la procédure d'évaluation, sa durée et les personnes visées]1

  
Art. 287ter TOEKOMSTIG RECHT. [1 § 1. De stage duurt een jaar. Ze begint op de datum van de eedaflegging.
   De stage omvat ten minste:
   1° een stageplanningsgesprek;
   2° drie functioneringsgesprekken, die evenwichtig worden verspreid over de hele evaluatieperiode;
   3° een stage-evaluatiegesprek op het einde van de stage.
   § 2. Naar aanleiding van een verplicht functioneringsgesprek kan een vermelding "onvoldoende" door de hiërarchische meerdere toegekend worden op basis van artikel 287bis, § 7, bedoelde criteria.
   Behoudens uitdrukkelijk akkoord tussen de evaluator, de stagiair en de magistraat-korpschef leidt de vermelding "onvoldoende" tot de aanhangigmaking bij de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 287quater.
   Naar gelang het geval:
   1° beslist de evaluatiecommissie of de stage mag worden voortgezet;
   2° legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
   § 3. Op het einde van de stage nodigt de evaluator de stagiair uit voor een stage-evaluatiegesprek. De vermelding "onvoldoende" kan door de hiërarchische meerdere worden toegekend op basis van de in artikel 287bis, § 7, bedoelde criteria. De vermelding "onvoldoende" leidt tot de aanhangigmaking bij de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 287quater.
   Naar gelang het geval:
   1° legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken;
   2° beslist de evaluatiecommissie of de stage moet worden verlengd;
   3° legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als gunstig voor de benoeming.
   § 4. Na afloop van de stage die werd verlengd overeenkomstig paragraaf 3, tweede lid, 2°, maakt de magistraat-korpschef aan de evaluatiecommissie het evaluatiedossier over van de stagiair aan wie de evaluatievermelding of "onvoldoende" werd toegekend.
   Naar gelang het geval:
   1° legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed benoemingsvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken. In dat geval wordt de stageperiode beschouwd als gunstig voor de benoeming;
   2° legt de evaluatiecommissie een met redenen omkleed ontslagvoorstel voor aan de overheid bevoegd om het ontslag tijdens de stage uit te spreken.
   § 5. De Koning stelt de nadere regels vast voor de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de stage-evaluatieprocedure, de duurtijd ervan, en de bedoelde personen.]1

  
Art. 287ter DROIT FUTUR. [1 § 1er. Le stage est d'un an. Il commence à la date de la prestation de serment.
   Le stage comprend au minimum:
   1° un entretien de planification du stage;
   2° trois entretiens de fonctionnement qui sont répartis de manière équilibrée par rapport à l'ensemble de la période d'évaluation;
   3° un entretien d'évaluation de stage à la fin du stage.
   § 2. Suite à un entretien de fonctionnement obligatoire, une mention "insuffisant" peut être attribuée par le supérieur hiérarchique sur base des critères visés à l'article 287bis, § 7.
   Sauf accord explicite entre l'évaluateur, le stagiaire et le magistrat-chef de corps, la mention "insuffisant" entraîne la saisine de la commission d'évaluation visée à l'article 287quater.
   La commission d'évaluation, selon le cas:
   1° décide si le stage peut être poursuivi;
   2° soumet une proposition motivée de licenciement à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement en cours de stage.
   § 3. A la fin du stage, l'évaluateur invite le stagiaire à un entretien d'évaluation de stage. La mention "insuffisant" peut être attribuée par le supérieur hiérarchique sur la base des critères visés à l'article 287bis, § 7. La mention "insuffisant" entraîne la saisine de la commission d'évaluation visée à l'article 287quater.
   La commission d'évaluation, selon le cas:
   1° soumet une proposition motivée de licenciement à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement en cours de stage;
   2° décide si le stage doit être prolongé;
   3° soumet une proposition motivée de nomination à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement en cours de stage. Dans ce cas, la période de stage est considérée comme favorable à la nomination.
   § 4. A l'issue du stage prolongé conformément au paragraphe 3, alinéa 2, 2°, le magistrat-chef de corps transmet à la commission d'évaluation le dossier d'évaluation du stagiaire auquel la mention d'évaluation "insuffisant" a été attribuée.
   La commission d'évaluation, selon le cas:
   1° soumet une proposition motivée de nomination à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement en cours de stage. Dans ce cas, la période de stage est considérée comme favorable à la nomination;
   2° soumet une proposition motivée de licenciement à l'autorité compétente pour prononcer le licenciement en cours de stage.
   § 5. Le Roi détermine les modalités d'application des dispositions concernant la procédure d'évaluation du stage, sa durée et les personnes visées.]1

  
Art. 287ter/1. [1 § 1. In afwijking van artikel 287ter, wordt elke houder van een functie van hoofdgriffier of hoofdsecretaris, bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, tijdens zijn mandaat jaarlijks geëvalueerd door de korpschef, bedoeld in artikel 58bis, 2°. De eerste vier cycli worden met een tussentijdse evaluatie afgesloten. De laatste cyclus eindigt zes maanden voor het verstrijken van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten.
   § 2. De mandaathouder wordt geëvalueerd op de wijze waarop de dienst die hij leidt heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen bepaald in het beheersplan, bedoeld in artikel 185/6, rekening houdend met de resultaatgebieden die in zijn functieprofiel nader worden bepaald.
   Hij wordt bovendien geëvalueerd op de wijze waarop hij zijn taak van evaluator heeft vervuld. De controle op deze taak wordt uitgevoerd volgens de regels die van toepassing zijn op de hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen die geen mandaathouder zijn.
   In voorkomend geval wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins aan de geëvalueerde kan worden toegeschreven. In ieder geval houdt de evaluatie van de eigen bijdrage van de geëvalueerde rekening met wat redelijkerwijze van hem kan worden verwacht.
   § 3. Op het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de mandaathouder uit voor een evaluatiegesprek. [2 Als voorbereiding op dit gesprek maakt de te evalueren persoon een zelfevaluatie op die hij twintig kalenderdagen vóór het gesprek doorstuurt naar de evaluator. Die schriftelijke zelfevaluatie wordt bij het evaluatiedossier gevoegd.]2
   Een personeelslid belast met personeelsaangelegenheden kan dit gesprek als secretaris bijwonen.
   In ieder geval heeft de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, een functioneringsgesprek met de te evalueren mandaathouder met het oog op zijn evaluatie.
   § 4. Na het evaluatiegesprek werkt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, het evaluatieverslag af dat binnen twintig kalenderdagen na het evaluatiegesprek tegen ontvangstbewijs aan de geëvalueerde wordt bezorgd.
  [2 ...]2.
   De houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding "onvoldoende" of wiens eindevaluatie niet resulteert in de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of de vermelding "uitzonderlijk", kan, per aangetekende zending, beroep instellen bij de beroepscommissie bedoeld in artikel 287quater, binnen vijftien kalenderdagen na de betekening van het evaluatieverslag.
   Het beroep is opschortend. In voorkomend geval wordt het mandaat verlengd tot het einde van de beroepsprocedure bedoeld in artikel 287quater.
   § 5. Elke evaluatie wordt afgesloten met een van de volgende vermeldingen : "uitzonderlijk", "voldoet aan de verwachtingen", "te verbeteren", of "onvoldoende".
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "onvoldoende" als eruit blijkt dat de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, klaarblijkelijk niet zijn verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
   De vermelding "onvoldoende" wordt bovendien toegekend als minder dan 70 % van de evaluaties waarmee hij belast is, uitgevoerd zijn binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig artikel 287ter.
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "te verbeteren" als eruit blijkt dat de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, slechts gedeeltelijk zijn verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
   Behalve als de vermelding "onvoldoende" zich opdringt, wordt de vermelding "te verbeteren" bovendien ambtshalve toegekend als minder dan 90 % van de evaluaties waarmee hij belast is uitgevoerd zijn, of als de evaluaties buiten de vastgestelde termijnen of niet overeenkomstig artikel 287ter uitgevoerd zijn.
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" als eruit blijkt dat de meerderheid van de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, werden verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
   De vermelding "voldoet aan de verwachtingen" wordt bovendien pas toegekend als ten minste 90 % van alle evaluaties waarmee hij belast is, uitgevoerd zijn binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig artikel 287ter.
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "uitzonderlijk" als eruit blijkt dat de meerderheid van de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, werden verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode en dat sommige overtroffen werden.
   De toekenning van de vermelding "uitzonderlijk" vereist bovendien dat alle evaluaties waarmee hij belast is, uitgevoerd zijn binnen de vastgestelde termijnen en overeenkomstig artikel 287ter, en dat de mandaathouder een echte leader van zijn team is gebleken, die het team ertoe kan brengen zijn doelstellingen te overtreffen.
   § 6. De eindevaluatie van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, wordt gestaafd met de evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat.
   § 7. Indien een tussentijdse of de eindevaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, leiden tot een vermelding "onvoldoende", komt aan zijn aanwijzing een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de definitieve toekenning van de vermelding.
   De betrokkene wordt ter beschikking van zijn dienst van oorsprong gesteld.
   § 8. Indien de eindevaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, leidt tot een vermelding "voldoet aan de verwachtingen" of "uitzonderlijk", wordt het mandaat van rechtswege verlengd met een nieuwe periode van vijf jaar.
   Indien de eindevaluatie leidt tot een vermelding "te verbeteren", komt aan zijn aanwijzing een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de definitieve toekenning van de vermelding.
   De betrokkene wordt ter beschikking van zijn dienst van oorsprong gesteld.]1

  [2 § 9. Het evaluatiedossier van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, bestaat uit de volgende elementen :
   1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
   2° een gevalideerde functiebeschrijving;
   3° het beheersplan bedoeld in artikel 185/6;
   4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de afspraken, de schikkingen en de aanpassingen aan de te bereiken doelstellingen, die tussen de geëvalueerde mandaathouder en zijn evaluator werden getroffen;
   5° de zelfevaluatie van de mandaathouder;
   6° de evaluatieverslagen;
   7° eventueel dossier van het ingestelde beroep.
   De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
   Het evaluatiedossier wordt bewaard bij de korpschef bedoeld in artikel 58bis.
   Het individuele evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde, voor zijn evaluator en voor de minister van Justitie of zijn gemachtigde.]2

  
Art. 287ter/1. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 287ter, chaque titulaire d'une fonction de greffier en chef ou de secrétaire en chef visée à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, est évalué annuellement pendant la durée de son mandat par le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°. Les quatre premiers cycles sont sanctionnés par une évaluation intermédiaire. Le dernier cycle se clôture [2 six mois]2 avant la fin du mandat et se conclut par une évaluation finale.
   § 2. Le titulaire du mandat est évalué sur la façon dont le service qu'il dirige a contribué à la réalisation des objectifs prévus dans le plan de gestion, visé à l'article 185/6, en tenant compte des domaines de résultats précisés dans son profil de fonction.
   Il est en outre évalué sur la façon dont il s'est acquitté de sa tâche d'évaluateur. Le contrôle sur cette tâche est effectué selon les modalités applicables aux greffiers en chef et secrétaires en chef qui ne sont pas titulaires d'un mandat.
   Le cas échéant, il n'est pas tenu compte des objectifs dont la non réalisation n'a dépendu en rien de la responsabilité de l'évalué. Dans tous les cas, l'évaluation de sa contribution personnelle tient compte de ce qui peut raisonnablement être attendu de l'évalué.
   § 3. A la fin de chaque cycle d'évaluation, le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°, invite le titulaire du mandat à un entretien d'évaluation. [2 Comme préparation à cet entretien, la personne à évaluer établit une auto-évaluation qu'elle transmet à l'évaluateur vingt jours calendriers avant l'entretien. Cette auto-évaluation écrite est jointe au dossier d'évaluation.]2
   Un membre du personnel chargé des ressources humaines peut assister à cet entretien en qualité de secrétaire.
   Dans tous les cas, le chef de corps visé à l'article 58bis, 2,° a un entretien de fonctionnement avec le titulaire du mandat à évaluer en vue de son évaluation.
   § 4. Après l'entretien d'évaluation, le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°, finalise le rapport d'évaluation et le transmet, contre récépissé, à l'évalué dans les vingt jours calendrier qui suivent l'entretien d'évaluation.
  [2 ...]2.
   Le titulaire du mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef dont une évaluation intermédiaire donne lieu à la mention "insuffisant" ou dont l'évaluation finale ne donne pas lieu à la mention "répond aux attentes" ou à la mention "exceptionnel" peut introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès de la commission de recours visée à l'article 287quater dans les quinze jours civils qui suivent la notification du rapport d'évaluation.
   Le recours est suspensif. Le cas échéant, le mandat est prolongé jusqu'au terme de la procédure de recours visée à l'article 287quater.
   § 5. Chaque évaluation se clôture par une des mentions suivantes : "exceptionnel", "répond aux attentes", "à améliorer" ou "insuffisant".
   L'évaluation du titulaire du mandat donne lieu à la mention "insuffisant" lorsqu'il en ressort que les objectifs prévus pour le service qu'il dirige, définis dans le plan de gestion visé à l'article 185/6, et particulièrement dans les domaines de résultats précisés dans le profil de fonction du titulaire de la fonction, n'ont manifestement pas été réalisés pendant la période évaluée.
   En outre, la mention "insuffisant" est attribuée si moins de 70 % des évaluations dont il est chargé ont été réalisées dans les délais impartis et conformément à l'article 287ter.
   L'évaluation du titulaire du mandat donne lieu à la mention "à améliorer" lorsqu'il en ressort que les objectifs prévus pour le service qu'il dirige, définis dans le plan de gestion visé à l'article 185/6, et particulièrement dans les domaines de résultats précisés dans le profil de fonction du titulaire de la fonction, ne sont que partiellement atteints pendant la période évaluée.
   En outre, sauf si la mention "insuffisant" s'impose, la mention "à améliorer" est d'office attribuée si moins de 90 % des évaluations ont été réalisées ou si les évaluations ont été réalisées hors des délais impartis ou de manière non conforme à l'article 287ter.
   L'évaluation du titulaire du mandat donne lieu à la mention "répond aux attentes" lorsqu'il en ressort que la plupart des objectifs prévus pour le service qu'il dirige, définis dans le plan de gestion visé à l'article 185/6, et particulièrement dans les domaines de résultats précisés dans le profil de fonction du titulaire de la fonction, ont été atteints pendant la période évaluée.
   En outre, la mention "répond aux attentes" n'est attribuée que si 90 % au moins des évaluations dont il est chargé ont été réalisées, dans les délais impartis et conformément à l'article 287ter.
   L'évaluation du titulaire du mandat donne lieu à la mention "exceptionnel" lorsqu'il en ressort que la majorité des objectifs prévus pour le service qu'il dirige, définis dans le plan de gestion visé à l'article 185/6, et particulièrement dans les domaines de résultats précisés dans le profil de fonction du titulaire de la fonction, ont été atteints pendant la période évaluée et que certains ont été dépassés.
   En outre, l'attribution de la mention "exceptionnel" exige que la totalité des évaluations ait été réalisée, dans les délais impartis et conformément à l'article 287ter, et que le titulaire du mandat se soit révélé un vrai leader de son équipe, entraînant celle-ci à dépasser ses objectifs.
   § 6. L'évaluation finale du titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, est étayée par les rapports d'évaluation relatifs aux périodes écoulées pour les évaluations intermédiaires et à la période totale du mandat.
   § 7. Si une évaluation intermédiaire ou l'évaluation finale d'un titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, conduisent à une mention "insuffisant", sa désignation prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution définitive de la mention.
   L'intéressé est remis à la disposition de son service d'origine.
   § 8. Si l'évaluation finale d'un titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, conduit à une mention "répond aux attentes" ou " exceptionnel", son mandat est renouvelé de droit pour une nouvelle période de cinq ans.
   Si l'évaluation finale conduit à une mention "à améliorer", la désignation prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution définitive de la mention.
   L'intéressé est remis à la disposition de son service d'origine.]1

  [2 § 9. Le dossier d'évaluation du titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, se compose des éléments suivants :
   1° une fiche d'identification avec les données personnelles et l'arrêté de désignation;
   2° une description de fonction validée;
   3° le plan de gestion visé à l'article 185/6;
   4° le cas échéant, les rapports des entretiens de fonctionnement et/ou tout autre document permettant d'appréhender les accords, les arrangements et les ajustements par rapport aux objectifs à atteindre pris entre le titulaire du mandat évalué et son évaluateur;
   5° l'auto-évaluation du titulaire du mandat;
   6° les rapports d'évaluation;
   7° l'éventuel dossier du recours introduit.
   L'évalué peut faire ajouter des documents dans son dossier d'évaluation.
   Le dossier d'évaluation est conservé auprès du chef de corps visé à l'article 58bis.
   Le dossier d'évaluation individuel est à la disposition de l'évalué, de son évaluateur et du ministre de la Justice ou de son délégué.]2

  
Art. 287ter/1 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 § 1. In afwijking van artikel 287ter, wordt elke houder van een functie van hoofdgriffier of hoofdsecretaris, bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, tijdens zijn mandaat jaarlijks geëvalueerd door de korpschef, bedoeld in artikel 58bis, 2°. De eerste vier cycli worden met een tussentijdse evaluatie afgesloten. De laatste cyclus eindigt zes maanden voor het verstrijken van het mandaat en wordt met een eindevaluatie afgesloten.
   § 2. De mandaathouder wordt geëvalueerd op de wijze waarop de dienst die hij leidt heeft bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen bepaald in het beheersplan, bedoeld in artikel 185/6, rekening houdend met de resultaatgebieden die in zijn functieprofiel nader worden bepaald.
   Hij wordt bovendien geëvalueerd op de wijze waarop hij zijn taak van evaluator heeft vervuld. De controle op deze taak wordt uitgevoerd volgens de regels die van toepassing zijn op de hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen die geen mandaathouder zijn.
   In voorkomend geval wordt geen rekening gehouden met de doelstellingen waarvan het niet bereiken geenszins aan de geëvalueerde kan worden toegeschreven. In ieder geval houdt de evaluatie van de eigen bijdrage van de geëvalueerde rekening met wat redelijkerwijze van hem kan worden verwacht.
   § 3. Op het einde van elke evaluatiecyclus nodigt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, de mandaathouder uit voor een evaluatiegesprek. [2 Als voorbereiding op dit gesprek maakt de te evalueren persoon een zelfevaluatie op die hij twintig kalenderdagen vóór het gesprek doorstuurt naar de evaluator. Die schriftelijke zelfevaluatie wordt bij het evaluatiedossier gevoegd.]2
   Een personeelslid belast met personeelsaangelegenheden kan dit gesprek als secretaris bijwonen.
   In ieder geval heeft de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, een functioneringsgesprek met de te evalueren mandaathouder met het oog op zijn evaluatie.
   § 4. Na het evaluatiegesprek werkt de korpschef bedoeld in artikel 58bis, 2°, het evaluatieverslag af dat binnen twintig kalenderdagen na het evaluatiegesprek tegen ontvangstbewijs aan de geëvalueerde wordt bezorgd.
  [2 ...]2.
   De houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris wiens tussentijdse evaluatie resulteert in de vermelding "onvoldoende" [4 ...]4 kan, per aangetekende zending, beroep instellen bij de [4 evaluatiecommissie]4 bedoeld in artikel 287quater, binnen vijftien kalenderdagen na de betekening van het evaluatieverslag.
   Het beroep is opschortend. In voorkomend geval wordt het mandaat verlengd tot het einde van de beroepsprocedure bedoeld in artikel 287quater.
   § 5. [4 ...]4
   De evaluatie van de mandaathouder wordt afgesloten met de vermelding "onvoldoende" als eruit blijkt dat de doelstellingen voor de dienst die hij leidt, omschreven in het beheersplan bedoeld in artikel 185/6, en in het bijzonder in de resultaatgebieden die in het functieprofiel van de functiehouder nader worden bepaald, klaarblijkelijk niet zijn verwezenlijkt tijdens de geëvalueerde periode.
  [4 ...]4
   § 6. De eindevaluatie van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, wordt gestaafd met de evaluatieverslagen betreffende de verstreken periodes voor de tussentijdse evaluaties en de totale periode van het mandaat.
   § 7. Indien een tussentijdse of de eindevaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, leiden tot een vermelding "onvoldoende", komt aan zijn aanwijzing een einde op de eerste dag van de maand die volgt op de definitieve toekenning van de vermelding.
   De betrokkene wordt ter beschikking van zijn dienst van oorsprong gesteld.
   § 8. [4 Behoudens wanneer de evaluatie van een houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in artikel 160, § 8, vierde lid, leidt tot een vermelding "onvoldoende", wordt het mandaat van rechtswege verlengd met een nieuwe periode van vijf jaar.]4]1

  [2 § 9. Het evaluatiedossier van de houder van een mandaat van hoofdgriffier of hoofdsecretaris bedoeld in [3 artikel 160, § 8, vierde lid]3, bestaat uit de volgende elementen :
   1° een identificatiefiche met de persoonlijke gegevens en het aanstellingsbesluit;
   2° een gevalideerde functiebeschrijving;
   3° het beheersplan bedoeld in artikel 185/6;
   4° in voorkomend geval, de verslagen over de functioneringsgesprekken en/of ieder ander document dat inzicht verschaft in de afspraken, de schikkingen en de aanpassingen aan de te bereiken doelstellingen, die tussen de geëvalueerde mandaathouder en zijn evaluator werden getroffen;
   5° de zelfevaluatie van de mandaathouder;
   6° de evaluatieverslagen;
   7° eventueel dossier van het ingestelde beroep.
   De geëvalueerde kan documenten laten opnemen in zijn evaluatiedossier.
   Het evaluatiedossier wordt bewaard bij de korpschef bedoeld in artikel 58bis.
   Het individuele evaluatiedossier is toegankelijk voor de geëvalueerde, voor zijn evaluator en voor de minister van Justitie of zijn gemachtigde.]2
Art. 287ter/1 DROIT FUTUR.    [1 § 1er. Par dérogation à l'article 287ter, chaque titulaire d'une fonction de greffier en chef ou de secrétaire en chef visée à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, est évalué annuellement pendant la durée de son mandat par le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°. Les quatre premiers cycles sont sanctionnés par une évaluation intermédiaire. Le dernier cycle se clôture [2 six mois]2 avant la fin du mandat et se conclut par une évaluation finale.
   § 2. Le titulaire du mandat est évalué sur la façon dont le service qu'il dirige a contribué à la réalisation des objectifs prévus dans le plan de gestion, visé à l'article 185/6, en tenant compte des domaines de résultats précisés dans son profil de fonction.
   Il est en outre évalué sur la façon dont il s'est acquitté de sa tâche d'évaluateur. Le contrôle sur cette tâche est effectué selon les modalités applicables aux greffiers en chef et secrétaires en chef qui ne sont pas titulaires d'un mandat.
   Le cas échéant, il n'est pas tenu compte des objectifs dont la non réalisation n'a dépendu en rien de la responsabilité de l'évalué. Dans tous les cas, l'évaluation de sa contribution personnelle tient compte de ce qui peut raisonnablement être attendu de l'évalué.
   § 3. A la fin de chaque cycle d'évaluation, le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°, invite le titulaire du mandat à un entretien d'évaluation. [2 Comme préparation à cet entretien, la personne à évaluer établit une auto-évaluation qu'elle transmet à l'évaluateur vingt jours calendriers avant l'entretien. Cette auto-évaluation écrite est jointe au dossier d'évaluation.]2
   Un membre du personnel chargé des ressources humaines peut assister à cet entretien en qualité de secrétaire.
   Dans tous les cas, le chef de corps visé à l'article 58bis, 2,° a un entretien de fonctionnement avec le titulaire du mandat à évaluer en vue de son évaluation.
   § 4. Après l'entretien d'évaluation, le chef de corps visé à l'article 58bis, 2°, finalise le rapport d'évaluation et le transmet, contre récépissé, à l'évalué dans les vingt jours calendrier qui suivent l'entretien d'évaluation.
  [2 ...]2.
   Le titulaire du mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef dont une évaluation intermédiaire donne lieu à la mention "insuffisant" [4 ...]4 peut introduire, par un envoi recommandé, un recours auprès de la [4 commission d'évaluation]4 visée à l'article 287quater dans les quinze jours civils qui suivent la notification du rapport d'évaluation.
   Le recours est suspensif. Le cas échéant, le mandat est prolongé jusqu'au terme de la procédure de recours visée à l'article 287quater.
   § 5. [4 ...]4
   L'évaluation du titulaire du mandat donne lieu à la mention "insuffisant" lorsqu'il en ressort que les objectifs prévus pour le service qu'il dirige, définis dans le plan de gestion visé à l'article 185/6, et particulièrement dans les domaines de résultats précisés dans le profil de fonction du titulaire de la fonction, n'ont manifestement pas été réalisés pendant la période évaluée.
  [4 ...]4
   § 6. L'évaluation finale du titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, est étayée par les rapports d'évaluation relatifs aux périodes écoulées pour les évaluations intermédiaires et à la période totale du mandat.
   § 7. Si une évaluation intermédiaire ou l'évaluation finale d'un titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, conduisent à une mention "insuffisant", sa désignation prend fin le premier jour du mois qui suit celui de l'attribution définitive de la mention.
   L'intéressé est remis à la disposition de son service d'origine.
   § 8. [4 Sauf le cas où l'évaluation finale d'un titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'article 160, § 8, alinéa 4, conduit à une mention "insuffisant", son mandat est renouvelé d'office pour une nouvelle période de cinq ans.]4]1

  [2 § 9. Le dossier d'évaluation du titulaire d'un mandat de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[3 article 160, § 8, alinéa 4]3, se compose des éléments suivants :
   1° une fiche d'identification avec les données personnelles et l'arrêté de désignation;
   2° une description de fonction validée;
   3° le plan de gestion visé à l'article 185/6;
   4° le cas échéant, les rapports des entretiens de fonctionnement et/ou tout autre document permettant d'appréhender les accords, les arrangements et les ajustements par rapport aux objectifs à atteindre pris entre le titulaire du mandat évalué et son évaluateur;
   5° l'auto-évaluation du titulaire du mandat;
   6° les rapports d'évaluation;
   7° l'éventuel dossier du recours introduit.
   L'évalué peut faire ajouter des documents dans son dossier d'évaluation.
   Le dossier d'évaluation est conservé auprès du chef de corps visé à l'article 58bis.
   Le dossier d'évaluation individuel est à la disposition de l'évalué, de son évaluateur et du ministre de la Justice ou de son délégué.]2
Art. 287quater. [1 § 1.[2 Er wordt een beroepscommissie opgericht die bevoegd is voor de beroepen inzake evaluatie en de stage.
   De zetel van deze beroepscommissie is gevestigd te Brussel.
   De beroepscommissie bestaat uit een Nederlandstalige afdeling en een Franstalige afdeling. De taalrol van het personeelslid bepaalt voor welke afdeling hij dient te verschijnen.
   Het Duitstalige personeelslid verschijnt voor de afdeling voorgezeten door de plaatsvervangende voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst.
   De beroepscommissie stelt haar huishoudelijk reglement op.
   De beroepscommissie is samengesteld uit :
   1° twee voorzitters aangewezen door de minister van Justitie : de Nederlandstalige voorzitter zit de Nederlandstalige afdeling voor, de Franstalige voorzitter zit de Franstalige afdeling voor;
   2° per afdeling, vijf leden, van wie er twee zijn aangewezen door de minister van Justitie en drie zijn aangewezen door de representatieve vakorganisaties, naar rato van één per organisatie;
   3° plaatsvervangers, namelijk : drie voorzitters aangewezen door de minister van Justitie, en, per afdeling, vijf leden, van wie er twee worden aangewezen door de minister van Justitie en drie worden aangewezen door de representatieve vakorganisaties.
   De voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters worden aangewezen onder de magistraten van de rechterlijke orde.
   De andere leden en de andere plaatsvervangende leden worden aangewezen uit het gerechtspersoneel van het niveau A of B.
   Met uitzondering van de voorzitters, wordt de ene helft van de leden en de plaatsvervangers aangewezen door de minister van Justitie op voorstel van het College van het openbaar ministerie en de andere helft op voorstel van het College van de hoven en rechtbanken.
   Twee van de plaatsvervangende voorzitters nemen respectievelijk het voorzitterschap waar van de Nederlandstalige afdeling voor de Nederlandstalige voorzitter en van de Franstalige afdeling voor de Franstalige voorzitter. De derde plaatsvervangende voorzitter moet zijn kennis van het Duits bewijzen, evenals van het Nederlands of het Frans. Hij neemt met name het voorzitterschap waar van de afdeling die instaat voor de dossiers van Duitstalige personeelsleden.
   Het beroep is opschortend.]2

   § 2. [2 [3 Onverminderd artikel 287ter, § 4ter dat van toepassing is op de stagiair, bestaat het met redenen omkleed advies van de commissie]3 hetzij uit een voorstel van behoud van de toegekende vermelding, hetzij uit een voorstel van een gunstigere vermelding.]2
   Indien de beroepscommissie heeft voorgesteld de vermelding te behouden, wordt deze definitief. [2 De minister van Justitie of zijn afgevaardigde brengt het personeelslid dat beroep heeft ingesteld onmiddellijk ervan op de hoogte en deelt hem het advies mee.]2
   Indien de beroepscommissie heeft voorgesteld de vermelding te wijzigen, neemt de minister van Justitie of zijn afgevaardigde de beslissing om hetzij de vermelding te wijzigen overeenkomstig het advies van de beroepscommissie, hetzij de oorspronkelijke vermelding te bevestigen, [2 ...]2. Zij deelt haar beslissing mee binnen twintig werkdagen te rekenen vanaf de ontvangst van het advies.
   § 3. De Koning stelt de nadere regels vast voor de organisatie en de werking van de beroepscommissie inzake evaluatie.]1

  
Art. 287quater. [1 § 1er. [2 Il est créé une commission de recours compétente pour les recours concernant l'évaluation et le stage.
   Le siège de cette commission de recours est situé à Bruxelles.
   La commission de recours est composée d'une section francophone et d'une section néerlandophone. Le rôle linguistique du membre du personnel détermine devant quelle section il doit comparaître.
   Le membre du personnel germanophone comparaît devant la section présidée par le président suppléant qui justifie de la connaissance de la langue allemande.
   La commission de recours établit son règlement d'ordre intérieur.
   La commission de recours se compose de :
   1° deux présidents désignés par le ministre de la Justice : le président francophone préside la section francophone, le président néerlandophone préside la section néerlandophone;
   2° par section, cinq membres dont deux sont désignés par le ministre de la Justice et trois sont désignés par les organisations syndicales représentatives, à raison de un par organisation;
   3° suppléants, à savoir : trois présidents désignés par le ministre de la Justice et, par section, cinq membres dont deux sont désignés par le ministre de la Justice et trois sont désignés par les organisations syndicales représentatives.
   Les présidents et présidents suppléants sont désignés parmi les magistrats de l'ordre judiciaire.
   Les autres membres et les autres membres suppléants sont désignés au sein du personnel judiciaire de niveau A ou B.
   A l'exception des présidents, la moitié des membres et des suppléants désignés par le ministre de la Justice l'est sur proposition du Collège du ministère public, l'autre moitié sur proposition du Collège des cours et tribunaux.
   Deux des présidents suppléants assument respectivement la présidence de la section francophone pour le président francophone et de la section néerlandophone pour le président néerlandophone. Le troisième président suppléant doit justifier de sa connaissance de l'allemand, ainsi que du français ou du néerlandais. Il assume notamment la présidence de la section chargée des dossiers des membres du personnel germanophone.
   Le recours est suspensif.]2

   § 2. [2 [3 Sans préjudice de l'article 287ter, § 4ter, applicable au stagiaire, l'avis motivé de la commission]3 consiste soit en une proposition de maintien de la mention attribuée, soit en une proposition d'une mention plus favorable.]2
   Lorsque la commission de recours a proposé le maintien de la mention, celle-ci devient définitive. [2 Le ministre de la Justice ou son délégué en informe immédiatement le membre du personnel requérant et lui communique l'avis.]2
   Lorsque la commission de recours a proposé de modifier la mention, le ministre de la Justice ou son délégué prend la décision soit de modifier la mention conformément à l'avis de la commission de recours, soit de confirmer la mention initiale [2 ]2. Il communique sa décision dans les vingt jours ouvrables qui suivent la réception de l'avis.
   § 3. Le Roi détermine les modalités d'organisation et de fonctionnement de la commission de recours en matière d'évaluation.]1

  
Art. 287quater TOEKOMSTIG RECHT.    [1 § 1.[2 Er wordt een [4 evaluatiecommissie]4 opgericht die bevoegd is voor de beroepen inzake evaluatie en de stage.
   De zetel van deze [4 evaluatiecommissie]4 is gevestigd te Brussel.
   De [4 evaluatiecommissie]4 bestaat uit een Nederlandstalige afdeling en een Franstalige afdeling. De taalrol van het personeelslid bepaalt voor welke afdeling hij dient te verschijnen.
   Het Duitstalige personeelslid verschijnt voor de afdeling voorgezeten door de [4 ...]4 voorzitter die zijn kennis van het Duits bewijst.
   De [4 evaluatiecommissie]4 stelt haar huishoudelijk reglement op.
  [4 ...]4]2

   § 2. [4 De evaluatiecommissie is per afdeling samengesteld uit zes leden:
   1° een voorzitter aangewezen door de minister van Justitie en hernomen op een door hem vastgestelde lijst;
   2° vijf leden hernomen op een lijst vastgesteld door de minister van Justitie, waarvan twee aangewezen door hem en drie aangewezen door de representatieve vakorganisaties, naar rato van één per organisatie.
   De Nederlandstalige voorzitter zit de Nederlandstalige afdeling voor. De Franstalige voorzitter zit de Franstalige afdeling voor. De voorzitter die kennis van het Duits bewijst, zit, voor de dossiers van de personeelsleden van het Duitse taalstelsel, de Nederlandstalige of Franstalige afdeling voor naar gelang hij de Nederlandse of de Franse taal beheerst.
   Voor de samenstelling van de evaluatiecommissie, en voor elk dossier, worden de leden aangewezen onder de personen aangewezen overeenkomstig paragraaf 3.]4

   § 3. [4 Voor de toepassing van paragraaf 2 legt de minister van Justitie per afdeling een lijst vast van:
   a) drie voorzitters, gekozen uit de magistratuur of de personeelsleden benoemd of aangewezen in een mandaat van de klasse A3, A4 of A5. Een van de voorzitters moet de kennis van het Duits bewijzen;
   b) acht leden, van wie er:
   - drie worden voorgedragen door het College van de hoven en rechtbanken;
   - drie worden voorgedragen door het College van het openbaar ministerie;
   - twee worden voorgedragen door het directiecomité van het Hof van Cassatie.]4
]1

  [4 § 4. De representatieve vakorganisaties wijzen per afdeling hun vertegenwoordigers aan, naar rato van drie per organisatie, van wie er ten minste een kennis van het Duits moet bewijzen.
   De minister van Justitie erkent de leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties en neemt deze leden op in de in paragraaf 2 bedoelde lijst.
   § 5. De Koning stelt de nadere regels vast voor de organisatie en de werking van de evaluatiecommissie.]4
Art. 287quater DROIT FUTUR.    [1 § 1er. [2 Il est créé une [4 commission d'évaluation]4 compétente pour les recours concernant l'évaluation et le stage.
   Le siège de cette [4 commission d'évaluation]4 est situé à Bruxelles.
   La [4 commission d'évaluation]4 est composée [4 d'une section d'expression française et d'une section d'expression néerlandaise]4. Le rôle linguistique du membre du personnel détermine devant quelle section il doit comparaître.
   Le membre du personnel germanophone comparaît devant la section présidée par le président [4 ...]4 qui justifie de la connaissance de la langue allemande.
   La [4 commission d'évaluation]4 établit son règlement d'ordre intérieur.
  [4 ...]4]2

   § 2. [4 La commission d'évaluation se compose, par section, de six membres:
   1° un président désigné par le ministre de la Justice et repris sur une liste fixée par lui;
   2° cinq membres repris sur une liste fixée par le ministre de la Justice, dont deux désignés par lui et trois désignés par les organisations syndicales représentatives, à raison de un par organisation.
   Le président francophone préside la section d'expression française. Le président néerlandophone préside la section d'expression néerlandaise. Le président qui justifie de la connaissance de l'allemand préside, pour les dossiers des membres du personnel du régime linguistique germanophone, la section d'expression française ou la section d'expression néerlandaise selon qu'il justifie de la connaissance du français ou du néerlandais.
   Pour la composition de la commission d'évaluation et pour chaque dossier, il est puisé parmi les personnes désignées conformément au paragraphe 3.]4

   § 3. [4 Pour l'application du paragraphe 2, le ministre de la Justice fixe, par section, une liste de:
   a) trois présidents choisis parmi les membres de la magistrature ou les membres du personnel nommés ou désignés dans un mandat de classe A3, A4 ou A5. Un des présidents doit justifier de la connaissance de l'allemand;
   b) huit membres, dont:
   - trois sont proposés par le Collège des cours et tribunaux;
   - trois sont proposés par le Collège du ministère public;
   - deux sont proposés par le comité de direction de la Cour de cassation.]4
]1

  [4 § 4. Les organisations syndicales représentatives désignent par section leurs représentants, à raison de trois par organisation, dont au moins un qui justifie de la connaissance de l'allemand.
   Le ministre de la Justice agrée les membres désignés par les organisations syndicales représentatives et reprend ces membres dans la liste visée par le paragraphe 2.
   § 5. Le Roi détermine les modalités d'organisation et de fonctionnement de la commission d'évaluation.]4
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen gemeen aan de hoofdstukken I tot VI.
CHAPITRE VII. - Dispositions communes aux chapitres Ier à VI.
Art. 287quinquies. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/64, art. 97; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. Voor de ambten, de functies en bedieningen die in deze titel zijn bepaald moet de kandidaat aan de bij de wet gestelde eisen inzake kennis van de landstalen hebben voldaan.
  § 2. Voor de ambten en functies bedoeld in de artikelen 187 tot 194, 207 tot 209 en de artikelen 254 en 258, moeten de kandidaten de voorgeschreven juridische functies als houder van het diploma van master, licentiaat of doctor in de rechten en als voornaamste beroepsactiviteit hebben uitgeoefend.
  § 3. Voor de ambten, de functies en de bedieningen die in deze titel zijn bepaald moeten de betrokkenen een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking en de burgerlijke en politieke rechten genieten. [1 De voorwaarde met betrekking tot het gedrag wordt bewezen door middel van een uittreksel uit het strafregister waaruit blijkt dat de kandidaat niet werd veroordeeld, zelfs niet met uitstel, bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, tot enige correctionele of criminele straf, tenzij hij in eer en rechten hersteld is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de personen die soortgelijke, in kracht van gewijsde gegane veroordelingen hebben ondergaan in het buitenland.]1
  [2 § 4. Voor de ambten, de functies en de bedieningen van het gerechtelijk personeel die in deze titel zijn bepaald, mag de kandidaat niet ontslagen zijn geweest in de rechterlijke orde wegens dringende reden te rekenen vanaf drie jaar na de ontslagbeslissing.]2
  
Art. 287quinquies. § 1er. Pour les nominations ou les désignations prévues par le présent titre, le candidat doit avoir satisfait aux conditions de connaissance des langues nationales prévues par la loi.
  § 2. Pour les nominations et les fonctions visées aux articles 187 à 194, 207 à 209 et 254 et 258, les candidats doivent avoir exercé les fonctions juridiques prescrites en tant que titulaire du diplôme de master, licencié ou docteur en droit et à titre d'activité professionnelle principale.
  § 3. Pour les nominations, fonctions et emplois prévus par le présent titre, les intéressés doivent être d'une conduite répondant aux exigences de la fonction visée et jouir des droits civils et politiques. [1 Le respect de la condition relative à la conduite est prouvé au moyen d'un extrait du casier judiciaire dont il ressort que le candidat n'a pas été condamné, même avec sursis, par une condamnation coulée en force de chose jugée, à une peine correctionnelle ou criminelle sauf s'il a été réhabilité. Cette disposition s'applique par analogie aux personnes qui ont été condamnées à l'étranger à une peine de même nature par un condamnation coulée en force de chose jugée.]1
  [2 § 4. Pour les nominations, fonctions et emplois du personnel judiciaire prévus par le présent titre, le candidat ne peut pas avoir été licencié pour motif grave dans l'ordre judiciaire et ce, à dater de 3 ans après la décision de licenciement.]2
  
Art. 287sexies. <INGEVOEGD bij W 2007-04-25/64, art. 98; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [2 Elke kandidaatstelling voor een benoeming in de rechterlijke orde of voor een aanwijzing als korpschef, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, verbindingsmagistraat in jeugdzaken, bijstandsmagistraat, federaal magistraat, [3 substituut-procureur voor de verkeersveiligheid,]3 substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken [4 of referendaris bij het Hof van Cassatie]4 moet op straffe van verval aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van twintig dagen vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.]2
  De bekendmaking van de vacature vermeldt, in voorkomend geval, binnen welke termijn de kandidaten kunnen vragen gehoord te worden met toepassing van de artikelen 259ter, 259quater en 259sexies, § 1, 3°.
  Elke kandidatuur voor een benoeming of voor een aanwijzing tot korpschef in de magistratuur dient op straffe van verval, vergezeld te zijn van :
  a) alle stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring;
  b) een curriculum vitae overeenkomstig een door de minister van Justitie, op voorstel van de Hoge Raad voor de Justitie, bepaald standaardformulier;
  [2 ...]2.
  Het beleidsplan, bedoeld in artikel 259quater, § 2, derde lid, moet, op straffe van verval [2 ...]2 [2 langs elektronische weg]2 aan de minister van Justitie worden gericht binnen een termijn van zestig dagen na de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
  De bekendmaking kan geschieden op zijn vroegst vijftien maanden vóór het ontstaan van de vacature.
  Geen benoeming noch aanwijzing kan geschieden dan nadat de termijn bepaald in het eerste lid is verlopen.
  [2 De oproep in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop de kandidaturen moeten worden ingediend. [4 ...]4]2
  [2 De [4 ...]4 stavingstukken met betrekking tot de studies en beroepservaring moeten evenwel niet meer aan de kandidaat worden gevraagd wanneer zij reeds werden ingediend bij een eerdere kandidaatstelling of wanneer zij beschikbaar zijn omdat de kandidaat al lid of personeelslid is van de rechterlijke orde.]2
  
Art. 287sexies. [2 Toute candidature à une nomination dans l'ordre judiciaire ou à une désignation de chef de corps, de juge au tribunal de l'application des peines, de magistrat de liaison en matière de jeunesse, de magistrat d'assistance, de magistrat fédéral, [3 de substitut du procureur de la sécurité routière,]3 de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines [4 ou de référendaire près la Cour de cassation]4 doit être adressée, à peine de déchéance, au ministre de la Justice dans un délai de vingt jours à partir de la publication de la vacance au Moniteur belge.]2
  La publication de la vacance précise, le cas échéant, le délai dans lequel les candidats peuvent demander à être entendus en application des articles 259ter, 259quater et 259sexies, § 1er, 3°.
  Toute candidature à une nomination ou à une désignation de chef de corps dans la magistrature doit, à peine de déchéance, être accompagnée :
  a) de toutes les pièces justificatives concernant les études et l'expérience professionnelle;
  b) d'un curriculum vitae rédigé conformément à un formulaire type établi par le ministre de la Justice sur la proposition du Conseil supérieur de la Justice;
  [2 ...]2.
  Le plan de gestion, visé à l'article 259quater, § 2, alinéa 3, doit, sous peine de déchéance, être adressé [2 ...]2,[2 par voie électronique]2, au ministre de la Justice dans un délai de soixante jours à partir de la publication de la vacance au Moniteur belge.
  La publication pourra avoir lieu quinze mois au plus tôt avant la vacance.
  Aucune nomination ni désignation ne peut intervenir avant l'écoulement du délai prévu à l'alinéa 1er.
  [2 L'appel aux candidats au Moniteur belge mentionne la manière dont les candidatures doivent être introduites. [4 ...]4]2
  [2 Les pièces justificatives concernant les études et l'expérience professionnelle [4 ...]4 ne doivent toutefois plus être réclamées au candidat lorsqu'elles ont déjà été remises à l'occasion d'une candidature antérieure ou lorsqu'elles sont disponibles en raison du fait que le candidat a déjà la qualité de membre ou de membre du personnel de l'ordre judiciaire.]2
  
HOOFDSTUK VIII. [1 Definitieve ambtsneerlegging]1
CHAPITRE VIII. - [1 De la cessation définitive des fonctions]1
Art. 287septies. [1 Wordt ambtshalve en zonder opzeggingstermijn uit zijn ambt ontslagen, het personeelslid bedoeld in de hoofdstukken Vsexies en VI :
   1° van wie de benoeming als onregelmatig werd vastgesteld binnen de termijn van het beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State; deze termijn geldt niet in geval van fraude of bedrog vanwege het personeelslid;
   2° die zonder geldige reden zijn post verlaat en gedurende meer dan tien werkdagen afwezig blijft en die behoorlijk en op voorhand verwittigd werd en om opheldering verzocht werd;
   3° die verkeert in een geval waarin toepassing van de strafwetten en de burgerlijke wetten ambtsneerlegging ten gevolge heeft.]1

  
Art. 287septies. [1 Est d'office et sans préavis démis de ses fonctions, le membre du personnel visé aux chapitres Vsexies et VI :
   1° dont la nomination est constatée irrégulière dans le délai de recours en annulation devant le Conseil d'Etat; ce délai ne vaut pas en cas de fraude ou de dol du membre du personnel;
   2° qui, sans motif valable, abandonne son poste et reste absent pendant plus de dix jours ouvrables et qui a été dûment et préalablement averti et interpellé;
   3° qui se trouve dans un cas où l'application des lois civiles et pénales entraîne la cessation des fonctions]1

  
Art. 287octies. [1 Het vrijwillig ontslag geeft aanleiding tot ambtsneerlegging. In dat geval mag het personeelslid bedoeld in de hoofdstukken Vsexies en VI zijn dienst slechts verlaten nadat hij zijn ontslag, [2 bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG]2, ter kennis heeft gebracht aan de minister van Justitie of zijn gemachtigde.
   De in het eerste lid bedoelde kennisgeving gebeurt ten minste dertig dagen voorafgaand aan het ontslag, dat ingaat op de [2 datum van verzending van de aangetekende zending]2. Die termijn kan in onderlinge overeenstemming worden ingekort.]1

  
Art. 287octies. [1 La démission volontaire entraîne la cessation des fonctions. Dans ce cas, le membre du personnel visé aux chapitres Vsexies et VI ne peut abandonner son service qu'après avoir notifié sa démission, par [2 envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE]2, au ministre de la Justice ou à son représentant.
   La notification visée à l'alinéa 1er précède la démission de trente jours au moins, prenant cours [2 à la date d'envoi de l'envoi recommandé]2. Ce délai peut être réduit de commun accord.]1

  
Art. 287novies. [1 De artikelen 287septies en 287octies zijn van toepassing op de stagiairs.]1
  
Art. 287novies. [1 Les articles 287septies et 287octies s'appliquent aux stagiaires.]1
  
BOEK II. - GERECHTELIJKE AMBTEN.
LIVRE II. - Des fonctions judiciaires.
EERSTE TITEL I. - Voorwaarden voor het uitoefenen van gerechtelijke ambten.
TITRE PREMIER. - Des conditions requises pour l'exercice des fonctions judiciaires.
HOOFDSTUK I. [1 - Installatie van de magistraten, de referendarissen, de parketjuristen, de criminologen en de griffiers en hun eedaflegging.]1
CHAPITRE I. [1 - De la réception des magistrats, des référendaires, des juristes de parquet, des criminologues et des greffiers et de leur prestation de serment.]1
Art. 288. (De installatie geschiedt bij elke benoeming, bij elke aanwijzing tot korpschef [6 , bij elke eerste aanwijzing in een adjunct-mandaat en bij de eerste benoeming van rechter in sociale zaken, raadsheer in sociale zaken [7 , rechter in handelszaken of assessor [9 in de strafuitvoeringsrechtbank]9]7]6 .) <W 1998-12-22/47, art. 52, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  De installatie van de eerste voorzitter, de voorzitters, de raadsheren, de procureur-generaal, (de eerste advocaat-generaal,) de advocaten-generaal, de substituut-procureurs-generaal bij het hof van beroep, (de eerste advocaat-generaal,) de advocaten-generaal en de substituten-generaal bij het arbeidshof, alsmede van de hoofdgriffiers, geschiedt in openbare zitting van de verenigde kamers, respectievelijk van het Hof van Cassatie, van het hof van beroep en van het arbeidshof. <W 1998-12-22/47, art. 52, 066; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  (De installatie van de plaatsvervangende raadsheren in de hoven van beroep, zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, geschiedt voor een kamer van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt of voor de vakantiekamer.) <W 1997-07-09/36, art. 15, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  (De installatie van de federale procureur geschiedt voor de eerste kamer van het Hof van beroep te Brussel.) <W 2001-06-21/42, art. 27, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (De installatie van de voorzitters, ondervoorzitters, rechters, [2 ...]2 en plaatsvervangende rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, de [11 ondernemingsrechtbanken]11, [12 en van de rechters in ondernemingszaken]12 [7 de voorzitters en ondervoorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank,]7 de procureurs des Konings, hun eerste substituten en hun substituten, [10 de [15 kandidaat-magistraten]15 bij de rechtbanken van eerste aanleg, de [11 ondernemingsrechtbanken]11 en de parketten van de procureurs des Konings,]10 [14 de referendarissen, de parketjuristen en de criminologen bij de hoven van beroep, en bij de rechtbanken van eerste aanleg en de ondernemingsrechtbanken]14, alsmede van de hoofdgriffiers van voormelde rechtbanken, geschiedt vóór één van de kamers van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer.) [14 De installatie van de procureur voor de verkeersveiligheid geschiedt voor één van de kamers van het hof van beroep te Brussel, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.]14 <W 2007-04-25/64, art. 100, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de voorzitters, ondervoorzitters, rechters, [2 ...]2 en plaatsvervangende rechters, van de arbeidsauditeurs, hun eerste substituten en hun substituten, [10 van de [15 kandidaat-magistraten]15 bij de arbeidsrechtbanken en de parketten van de arbeidsauditeurs,]10 van [14 de referendarissen, de parketjuristen en de criminologen bij de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken]14, evenals van de hoofdgriffiers in de arbeidsrechtbanken geschiedt vóór één van de kamers van het arbeidshof, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.) [14 De installatie van de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid, van de parketjuristen en de criminologen bij het parket voor de verkeersveiligheid geschiedt voor de procureur voor de verkeersveiligheid.]14 <W 2007-04-25/64, art. 100, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de federale magistraten [13 en van [14 de parketjuristen en de criminologen bij het federaal parket]14]13 geschiedt voor de federale procureur.) <W 2001-06-21/42, art. 27, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (De installatie van de werkende en plaatsvervangende assessoren [9 in de strafuitvoeringsrechtbank]9 geschiedt voor een kamer van het hof van beroep, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.) <W 2006-05-17/36, art. 23, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  De installatie van de werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken geschiedt vóór een kamer van het arbeidshof, voorgezeten door de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer.
   (De installatie van de griffiers en personeelsleden van niveau A van de hoven geschiedt vóór de kamer waarin de eerste voorzitter of de raadsheer die hem vervangt zitting heeft, en de installatie van de griffiers en personeelsleden van niveau A van de rechtbanken voor de kamer waarin de voorzitter van de rechtbank waaraan zij verbonden zijn, zitting heeft, of vóór de vakantiekamer.) <W 2007-04-25/64, art. 100, 3°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, hun plaatsvervangers, hun hoofdgriffiers en griffiers, geschiedt voor één van de kamers van de rechtbank van eerste aanleg, voorgezeten door de voorzitter of de rechter die hem vervangt, of vóór de vakantiekamer. De installatie van de referendarissen bij de politierechtbank geschiedt overeenkomstig het vijfde lid. [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel geschiedt de installatie van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, hun plaatsvervangers, hun hoofdgriffiers en griffiers voor een kamer of vakantiekamer van de Franstalige of Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg, naargelang de taal van het diploma van licentiaat, doctor of master in de rechten waarvan zij houders zijn dan wel, wat de hoofdgriffiers en griffiers betreft, naargelang de bewezen taalkennis. ]1 <W 2007-04-25/64, art. 100, 4°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (De installatie van de referendarissen bij het Hof van Cassatie geschiedt voor een kamer van het hof, voorgezeten door de eerste voorzitter, de voorzitter of de afdelingsvoorzitter dan wel door de raadsheer die hem vervangt.) <W 1997-05-06/38, art. 8, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997>
  [3 De installatie van de raadsheren en de raadsheren-assessoren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en van de rechters en rechters-assessoren in de tuchtrechtbank geschiedt [4 respectievelijk]4 voor een van de kamers van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de tuchtrechtbank [4 of de tuchtrechtbank in hoger beroep]4 gevestigd is, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer.]3 [8 De installatie van een assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep geldt als installatie in de tuchtrechtbank in hoger beroep respectievelijk in de tuchtrechtbank.]8
  
Art. 288. (La réception a lieu lors de chaque nomination, lors de chaque désignation comme chef de corps et lors de la première désignation à un mandat adjoint [6 et lors de la première nomination en tant que juge social, conseiller social [7 , juge consulaire ou assesseur [9 au tribunal de l'application des peines]9]7]6 .) <L 1998-12-22/47, art. 52, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  La réception du premier président, des présidents, des conseillers, du procureur général, (du premier avocat général,) des avocats généraux et substituts du procureur général près la cour d'appel, (du premier avocat général,) des avocats généraux et des substituts généraux près la cour du travail ainsi que celle des greffiers en chef, se fait respectivement devant la Cour de cassation, la cour d'appel et la cour du travail, chambres assemblées, en audience publique. < 1998-12-22/47, art. 52, 066; En vigueur : 02-08-2000>
  (La réception des conseillers suppléants près les cours d'appel visés à l'article 207bis, § 1er, se fait devant une des chambres de la cour d'appel présidée par le premier président ou le conseiller qui le remplace, ou devant la chambre des vacations.) <L 1997-07-09/36, art. 15, 054; En vigueur : 13-08-1997>
  (La réception du procureur fédéral se fait devant la première chambre de la Cour d'appel de Bruxelles.) <L 2001-06-21/42, art. 27, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  (La réception des présidents, vice-présidents, juges [2 ...]2 et juges suppléants, des tribunaux de première instance, des [11 tribunaux de l'entreprise]11 [12 et des juges consulaires]12, [7 des présidents et vice-présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police,]7 des procureurs du Roi, de leurs premiers substituts et de leurs substituts, [10 des [15 candidats-magistrats]15 près les tribunaux de première instance, les [11 tribunaux de l'entreprise]11 et les parquets des procureurs du Roi,]10 [14 des référendaires, des juristes de parquet et des criminologues près les cours d'appel et près les tribunaux de première instance et les tribunaux de l'entreprise]14 ainsi que des greffiers en chef des tribunaux précités, se fait devant une des chambres de la cour d'appel présidée par le premier président ou par le conseiller qui le remplace ou devant la chambre des vacations.) [14 La réception du procureur de la sécurité routière se fait devant une des chambres de la cour d'appel de Bruxelles, présidée par le premier président ou le conseiller qui le remplace, ou devant la chambre des vacations.]14 <L 2007-04-25/64, art. 100, 1°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  (La réception des présidents, vice-présidents, juges [2 ...]2 et juges suppléants, des auditeurs du travail, de leurs premiers substituts et de leurs substituts, [10 des [15 candidats-magistrats]15 près les tribunaux du travail et les parquets des auditeurs du travail,]10 [14 des référendaires, des juristes de parquet et des criminologues près les cours du travail et tribunaux du travail]14, ainsi que des greffiers en chef des tribunaux du travail se fait devant une des chambres de la cour du travail, présidée par le premier président ou par le conseiller qui le remplace ou devant la chambre des vacations.) [14 La réception des substituts du procureur de la sécurité routière, des juristes de parquet et des criminologues près le parquet de la sécurité routière se fait devant le procureur de la sécurité routière.]14 <L 2007-04-25/64, art. 100, 2°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  (La réception des magistrats fédéraux [14 des juristes de parquet et des criminologues près le parquet fédéral]14 se fait devant le procureur fédéral.) <L 2001-06-21/42, art. 27, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  (La réception des assesseurs [9 au tribunal de l'application des peines]9, effectifs et suppléants, se fait devant une chambre de la cour d'appel présidée par le premier président ou le conseiller qui le remplace, ou devant la chambre des vacations.) <L 2006-05-17/36, art. 23, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  La réception des conseillers sociaux et des juges sociaux effectifs et suppléants, se fait devant une des chambres de la cour du travail présidée par le premier président ou le conseiller qui le remplace ou devant la chambre des vacations.
  (La réception des greffiers et des membres du personnel du niveau A des cours se fait devant la chambre où siège le premier président ou le conseiller qui le remplace et la réception des greffiers et des membres du personnel du niveau A des tribunaux devant la chambre où siège le président du tribunal auquel ils sont attachés, ou devant la chambre des vacations.) <L 2007-04-25/64, art. 100, 3°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  (La réception des juges de paix et juges au tribunal de police, de leurs suppléants, de leurs greffiers en chef et greffiers se fait devant une des chambres du tribunal de première instance présidée par le président ou par le juge qui le remplace, ou devant la chambre des vacations. L'installation des référendaires près le tribunal de police a lieu conformément à l'alinéa 5.) [1 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la réception des juges de paix et des juges au tribunal de police, de leurs suppléants, de leurs greffiers en chef et greffiers se fait devant une chambre ou la chambre des vacations du tribunal de première instance francophone ou néerlandophone en fonction de la langue du diplôme de licencié, de docteur ou de master en droit dont ils sont porteurs, ou, en ce qui concerne les greffiers en chef et greffiers, en fonction des connaissances linguistiques attestées.]1 <L 2007-04-25/64, art. 100, 4°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  (Le réception des référendaires près la Cour de cassation se fait devant une chambre de la Cour, présidée par le premier président, le président ou le président de section ou le conseiller qui le remplace.) <L 1997-05-06/38, art. 8, 052; En vigueur : 05-07-1997>
  [3 La réception des conseillers et conseillers assesseurs au tribunal disciplinaire d'appel et des juges et juges assesseurs au tribunal disciplinaire se fait [4 respectivement]4 devant une des chambres de la cour d'appel dans le ressort de laquelle est établi le tribunal disciplinaire, [4 ou le tribunal disciplinaire d'appel]3 présidée par le premier président ou par le conseiller qui le remplace, ou devant la chambre des vacations.]4 [8 La réception d'un assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel vaut respectivement pour la réception au tribunal disciplinaire d'appel et au tribunal disciplinaire.]8
  
Art. 289. De eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, van de hoven van beroep en van de arbeidshoven en de procureurs-generaal bij die hoven leggen, persoonlijk of schriftelijk, in handen van de Koning de eed af bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven.
  (De federale procureur legt die eed bij zijn installatie af in handen van de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel, de federale magistraten bij hun installatie in handen van de federale procureur [1 , de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid bij hun installatie in handen van de procureur voor de verkeersveiligheid]1.) <W 2001-06-21/42, art. 28, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  De andere in artikel 288 genoemde personen leggen die eed bij hun installatie af in handen van de eerste voorzitter van het hof of van de voorzitter der rechtbank.
  
Art. 289. Les premiers présidents de la Cour de cassation, des cours d'appel et des cours du travail et les procureurs généraux près ces cours prêtent, entre les mains du Roi, en personne ou par écrit, le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831.
  (Le procureur fédéral prête ce serment, lors de sa réception, entre les mains du premier président de la Cour d'appel de Bruxelles, les magistrats fédéraux lors de leur réception, entre les mains du procureur fédéral [1 , les substituts du procureur de la sécurité routière lors de leur réception, entre les mains du procureur de la sécurité routière]1.) <L 2001-06-21/42, art. 28, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  Les autres personnes dénommées dans l'article 288 prêtent ce serment, lors de leur réception, entre les mains du premier président de la cour ou du président du tribunal.
  
Art. 290. <W 2003-05-03/45, art. 26, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> Is de plaats onbezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of de aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd binnen een maand na die bekendmaking, anders kan de benoeming of de aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
  Is de plaats nog bezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd in de loop van een maand te rekenen vanaf het daadwerkelijk vrij komen van de plaats, anders kan de benoeming of aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
  Vanaf de dag waarop de eed wordt afgelegd, wordt betrokkene bekleed met de overeenstemmende hoedanigheid van magistraat.
Art. 290. <L 2003-05-03/45, art. 26, 110; En vigueur : 02-06-2003> Si au moment de la publication de la nomination ou de la désignation au Moniteur belge la place est inoccupée, la prestation de serment doit intervenir dans le mois qui suit cette publication; au cas contraire, la nomination ou la désignation peut être considérée comme non avenue.
  Si au moment de la publication de la nomination ou de la désignation au Moniteur belge la place est occupée, la prestation de serment doit intervenir dans le délai d'un mois à compter du moment où la place est effectivement libérée; au cas contraire, la nomination ou la désignation peut être considérée comme non avenue.
  A partir du jour de la prestation de serment, l'intéressé est revêtu de la qualité correspondante de magistrat.
Art. 291. [1 Onverminderd artikel 289, eerste lid, en wanneer de installatie of de eedaflegging wegens buitengewone omstandigheden niet overeenkomstig de artikelen 288 en 289, tweede en derde lid, kan geschieden, wordt de bij het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed persoonlijk of schriftelijk afgelegd :
   a)door de voorzitters, de raadsheren, de eerste advocaten-generaal, de advocaten-generaal, de referendarissen, de hoofdgriffier, de griffiers en de personeelsleden van niveau A, van of bij het Hof van Cassatie in handen van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
   b) door de federale procureur en de federale magistraten in handen van de voorzitter van het College van procureurs-generaal;
   c) door de andere in artikel 288 genoemde personen naargelang het geval in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof;
  [2 d) door de procureur voor de verkeersveiligheid en de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid in handen van de voorzitter van het College van het openbaar ministerie.]2
   Wanneer de eed schriftelijk wordt afgelegd, wordt hij gedateerd, ondertekend en, naargelang het geval, meegedeeld aan de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof of aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.]1

  
Art. 291. [1 Sans préjudice de l'article 289, alinéa 1er, et lorsque, par suite d'événements exceptionnels, la réception ou la prestation de serment ne peut être faite conformément aux articles 288 et 289, alinéas 2 et 3, le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831 est prêté en personne ou par écrit :
   a)par les présidents, les conseillers, les premiers avocats généraux, les avocats généraux, les référendaires, le greffier en chef, les greffiers et les membres du personnel de niveau A, de ou près la Cour de cassation, entre les mains du premier président de la Cour de cassation;
   b) par le procureur fédéral et les magistrats fédéraux, entre les mains du président du Collège des procureurs généraux;
   c) par les autres personnes visées à l'article 288, entre les mains, selon le cas, du premier président de la cour d'appel ou du premier président de la cour du travail;
  [2 d) par le procureur de la sécurité routière et les substituts du procureur de la sécurité routière, entre les mains du président du Collège du ministère public.]2
   Lorsque la prestation de serment s'effectue par écrit, elle est datée, signée et, selon le cas, communiquée au premier président de la Cour de cassation, de la cour d'appel ou de la cour du travail ou au président du Collège des procureurs généraux.]1

  
HOOFDSTUK Ibis. - (Eedaflegging van de secretarissen.)
CHAPITRE IBIS. - (De la prestation de serment des secrétaires.)
Art. 291bis. <INGEVOEGD bij W 1997-02-17/50, art. 68; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (...) <W 1999-04-12/38, art. 11, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999>
  De hoofdsecretarissen, secretarissen (...) bij de parketten leggen de in het decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af in handen, naar gelang van het geval, van de procureur-generaal, (van de federale procureur), [2 van de procureur voor de verkeersveiligheid,]2 van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 30; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2007-04-25/64, art. 101, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  [1 Wanneer wegens buitengewone omstandigheden de in het eerste lid bedoelde eed niet persoonlijk kan worden afgelegd, wordt hij schriftelijk afgelegd en gedateerd en ondertekend meegedeeld aan de in het eerste lid bedoelde personen.]1
  (Is de plaats onbezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of de aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd binnen een maand na die bekendmaking, anders kan de benoeming of de aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.
  Is de plaats nog bezet op het ogenblik van de bekendmaking van de benoeming of aanwijzing in het Belgisch Staatsblad, dan moet de eed worden afgelegd in de loop van een maand te rekenen van het daadwerkelijk vrij komen van de plaats, anders kan de benoeming of aanwijzing als niet-bestaande worden beschouwd.) <W 2006-06-10/68, art. 44, 140; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De eed moet worden afgelegd binnen een maand na de kennisgeving van de benoeming; anders mag deze als niet-bestaande worden beschouwd.
  
Art. 291bis. (...) <L 1999-04-12/38, art. 11, 075; En vigueur : 01-07-1999>
  Les secrétaires en chef, (et les secrétaires des parquets) prêtent le serment prescrit par le décret du 20 juillet 1831 entre les mains, selon le cas, du procureur général, du (procureur fédéral), [2 du procureur de la sécurité routière,]2 du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail.) <L 2001-06-21/42, art. 30; En vigueur : 20-07-2001> <L 2007-04-25/64, art. 101, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  [1 Lorsque, par suite d'événements exceptionnels, la prestation de serment visée à l'alinéa 1er ne peut être faite en personne, elle est effectuée par écrit et communiquée, datée et signée, aux personnes visées à l'alinéa 1er.]1
  (Si la place est vacante au moment de la publication de la nomination ou de la désignation au Moniteur belge, la prestation de serment doit avoir lieu dans le mois qui suit la publication; à défaut, la nomination ou la désignation pourra être considérée comme non avenue.
  Si la place est encore occupée au moment de la publication de la nomination ou de la désignation au Moniteur belge, la prestation de serment doit avoir lieu dans un délai d'un mois à compter du moment où la place devient effectivement vacante; à défaut, la nomination ou la désignation pourra être considérée comme non avenue.) <L 2006-06-10/68, art. 44, 140; En vigueur : 01-12-2006>
  La prestation de serment doit avoir lieu dans le mois de la notification de la nomination, à défaut de quoi celle-ci peut être considérée comme non avenue.
  
HOOFDSTUK II. - Onverenigbaarheden.
CHAPITRE II. - Des incompatibilités.
Eerste afdeling. - Cumulatie van ambten.
Section première. - Du cumul.
Art. 292. Cumulatie van rechterlijke ambten is verboden, uitgenomen de gevallen die de wet bepaalt.
  Nietig is het vonnis, gewezen door een rechter die vroeger bij het uitoefenen van een ander rechterlijk ambt kennis genomen heeft van de zaak.
Art. 292. Le cumul des fonctions judiciaires est interdit, sauf les cas prévus par la loi.
  Est nulle la décision rendue par un juge qui a précédemment connu de la cause dans l'exercice d'une autre fonction judiciaire.
Art. 293. De ambten van de rechterlijke orde zijn onverenigbaar met de uitoefening van een bij verkiezing verleend openbaar mandaat, met enige bezoldigde openbare functie of openbaar ambt van politieke of administratieve aard, met het ambt van notaris of van gerechtsdeurwaarder, met het beroep van advokaat, met de militaire stand en met de geestelijke stand.
  Deze ambten zijn, wanneer ze worden uitgeoefend in een arbeidsgerecht, ook onverenigbaar met ieder ambt in een representatieve organisatie van werknemers, zelfstandigen of werkgevers of in een instelling die deelneemt aan de uitvoering van de wetgeving inzake maatschappelijke zekerheid.
  De regel van het tweede lid is niet toepasselijk op de ambten uitgeoefend in de aldaar bedoelde organisaties wanneer zij enkel verband houden met de belangen van de personen die gerechtelijke ambten bekleden.
Art. 293. Les fonctions de l'ordre judiciaire sont incompatibles avec l'exercice d'un mandat public conféré par élection; avec toute fonction ou charge publique rémunérée, d'ordre politique ou administratif, avec les charges de notaire ou d'huissier de justice, avec la profession d'avocat, avec l'état militaire et avec l'état ecclésiastique.
  Ces fonctions sont également incompatibles lorsqu'elles sont exercées dans une juridiction du travail avec toute fonction dans une organisation représentative de travailleurs salariés, de travailleurs indépendants ou d'employeurs ou dans un organisme qui participe à l'exécution de la législation en matière de sécurité sociale.
  La règle énoncée à l'alinéa 2 n'est pas applicable aux fonctions exercées dans les organisations qui y sont prévues lorsque celles-ci ont exclusivement trait aux intérêts des personnes qui exercent des fonctions judiciaires.
Art. 294. Er kan met machtiging van de Koning, op voordracht van de minister van Justitie, afgeweken worden van de regel die in artikel 293 is gesteld, wanneer het gaat om de uitoefening van het ambt van hoogleraar of leraar, docent, assistent in een onderwijsinrichting of lid van een examencommissie.
  Er kan eveneens afgeweken worden van de regel die in het eerste lid van artikel 293 is gesteld, met machtiging van de Koning, op voordracht van de minister van Justitie, wanneer het gaat om de deelneming aan een commissie, een raad of comité van advies of, krachtens een bijzondere opdracht, aan het beheer of het toezicht op een openbare instelling, voor zoveel het aantal bezoldigde opdrachten of ambten beperkt blijft tot twee en het geheel van de bezoldiging niet hoger is dan het tiende deel van de jaarlijkse brutowedde van het hoofdambt in de rechterlijke orde.
  Er kan met machtiging van de Koning, bij een met redenen omkleed besluit, genomen op eensluidend advies van de rechterlijke overheid, afgeweken worden van de bij het tweede lid gestelde beperkingen ten aanzien van het aantal bezoldigde opdrachten of ambten en het bedrag van de bezoldiging.
Art. 294. Il peut être dérogé à la règle énoncée à l'article 293, avec l'autorisation du Roi, sur la proposition du ministre de la Justice, lorsqu'il s'agit de l'exercice de fonctions de professeur, chargé de cours, assistant dans les établissements d'enseignement ou membres d'un jury d'examen.
  Il peut aussi être dérogé à la règle énoncée à l'alinéa premier de l'article 293 moyennant l'autorisation du Roi, sur la proposition du ministre de la Justice, lorsqu'il s'agit de la participation à une commission, un conseil ou comité consultatif ou, en vertu d'un mandat spécial, à la gestion ou au contrôle d'un organisme public, pour autant que le nombre de charges ou fonctions rémunérées soit limité à deux et que l'ensemble de leur rémunération ne soit pas supérieur au dixième du traitement brut annuel de la fonction principale dans l'ordre judiciaire.
  Des dérogations aux limites prévues à l'alinéa 2 quant au nombre de charges ou fonctions rétribuées et quant au montant de la rétribution peuvent être autorisées par le Roi, par arrêté motivé et pris sur avis conforme de l'autorité judiciaire.
Art. 294bis. [1 Wanneer wettelijke of reglementaire bepalingen beroep doen op magistraten voor het bekleden van een in artikel 294, tweede lid, bedoelde functie wordt onder magistraat verstaan de magistraat in functie, de magistraat in ruste gesteld wegens het bereiken van de leeftijd, die bedoeld wordt in artikel 383, § 1, en [2 de magistraat die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd is toegelaten tot de inruststelling]2 en die bovendien gemachtigd werd tot het voeren van de eretitel van zijn ambt.]1
  
Art. 294bis. [1 Lorsque des dispositions légales ou réglementaires font appel à des magistrats pour occuper une fonction visée à l'article 294, alinéa 2, il convient d'entendre par magistrat le magistrat en fonction, le magistrat admis à la retraite pour avoir atteint l'âge de la retraite, tel que visé à l'article 383, § 1er, et [2 le magistrat qui à sa propre demande est admis à la retraite avant l'âge légal]2 et qui a en outre été autorisé à porter le titre honorifique de ses fonctions.]1
  
Art. 295. Geen lid van een hof, rechtbank, parket of griffie kan worden benoemd of aangewezen voor de ambten of bedieningen in artikel 294 bepaald, zonder het advies van de korpschef of van de magistraat die zijn hïerarchische meerdere is.
Art. 295. Aucun membre des cours, tribunaux, parquets et greffes ne peut être nommé ou désigné aux fonctions ou charges prévues à l'article 294 sans l'avis du chef de corps ou du magistrat dont il dépend hiérarchiquement.
Art. 296. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen niet voor enige andere openbare dienst worden opgevorderd, behoudens de gevallen die de wet bepaalt.
Art. 296. Les membres des cours, tribunaux, parquets et greffes ne peuvent être requis pour aucun autre service public, sauf les cas prévus par la loi.
Art. 297. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen mondeling noch schriftelijk de verdediging van de partijen voeren en mogen hun geen consult geven.
Art. 297. Les membres des cours, tribunaux, parquets et greffes ne peuvent, soit verbalement, soit par écrit, assumer la défense des parties, ni donner à celles-ci des consultations.
Art. 298. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen [1 niet tegen bezoldiging optreden in een scheidsgerecht of als bemiddelaar bedoeld in het zevende deel.]1
  [1 In afwijking van het eerste lid, mogen de emeritus magistraten en eremagistraten optreden als bemiddelaar zoals bedoeld in het zevende deel, onder voorbehoud, wat hun erkenning betreft, van de toepassing van artikel 1726.
   De plaatsvervangende magistraten bedoeld in artikel 156bis, de plaatsvervangende rechters, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters in sociale zaken, de raadsheren in sociale zaken en de rechters in ondernemingszaken mogen in een zaak optreden als bemiddelaar zoals bedoeld in het zevende deel voor zover zij er geen enkele kennis van hebben gehad tijdens de uitoefening van hun ambt, onder voorbehoud, wat hun erkenning betreft, van de toepassing van artikel 1726. Zij mogen bovendien hun ambt niet meer uitoefenen in de dossiers waarin zij als bemiddelaar zijn opgetreden.]1

  
Art. 298. Les membres des cours, tribunaux, parquets et greffes ne peuvent faire d'arbitrage rémunéré [1 ou être rémunérés comme médiateur visé dans la septième partie]1.
  [1 Par dérogation à l'alinéa 1er, les magistrats émérites et honoraires peuvent intervenir en tant que médiateur visé dans la septième partie, sous réserve, en ce qui concerne leur agrément, de l'application de l'article 1726.
   Les magistrats suppléants visés à l'article 156bis, les juges suppléants, les conseillers suppléants, les juges sociaux, les conseillers sociaux et les juges consulaires, peuvent intervenir dans une affaire en tant que médiateur visé dans la septième partie pour autant qu'ils n'en aient eu aucune connaissance dans l'exercice de ces fonctions, sous réserve, en ce qui concerne leur agrément, de l'application de l'article 1726. Ils ne pourront par ailleurs plus exercer ces fonctions dans les dossiers où ils sont intervenus comme médiateur.]1

  
Art. 298bis TOEKOMSTIG RECHT. [1 De ambten van de rechterlijke orde zijn onverenigbaar met de uitoefening van een ambt dat het lid van de rechterlijke orde in een toestand van belangenconflict plaatst. Het lid bevindt zich in een toestand van belangenconflict wanneer hij door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel heeft dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of het legitiem vermoeden te doen ontstaan van zulke invloed.]1
  
Art. 298bis DROIT FUTUR. [1 Les fonctions de l'ordre judiciaire sont incompatibles avec l'exercice d'une fonction qui place le membre de l'ordre judiciaire dans une situation de conflit d'intérêt. Le membre se trouve dans une situation de conflit d'intérêt, lorsqu'il a par lui-même ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d'influer sur l'exercice impartial et objectif de sa fonction ou de créer la suspicion légitime d'une telle influence.]1
  
Art. 299. De leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mogen niet, hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige handel drijven, als zaakwaarnemer optreden of deelnemen aan de leiding of het beheer van of aan het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.
Art. 299. Les membres des cours, tribunaux, parquets et greffes ne peuvent, soit personnellement, soit par personne interposée, exercer aucune espèce de commerce, être agent d'affaires, ni participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
Art. 299 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De magistraten van de rechterlijke orde]1 mogen niet, hetzij persoonlijk, hetzij door een tussenpersoon, enige handel drijven, als zaakwaarnemer optreden of deelnemen aan de leiding of het beheer van of aan het toezicht op handelsvennootschappen of nijverheids- of handelsinrichtingen.
  
Art. 299 DROIT FUTUR.    [1 Les magistrats de l'ordre judiciaire]1 ne peuvent, soit personnellement, soit par personne interposée, exercer aucune espèce de commerce, être agent d'affaires, ni participer à la direction, à l'administration ou à la surveillance de sociétés commerciales ou d'établissements industriels ou commerciaux.
  
Art. 299bis. <W 2007-04-25/64, art. 102, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De artikelen 293 tot 299 zijn mede van toepassing op de referendarissen bij het Hof van Cassatie en op het gerechtspersoneel van het niveau A.
Art. 299bis. <L 2007-04-25/64, art. 102, 154; En vigueur : 01-12-2008> Les articles 293 à 299 sont applicables également aux référendaires près la Cour de cassation ainsi qu'au personnel judiciaire de niveau A.
Art. 299bis TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 102, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De artikelen 293 tot 299 zijn mede van toepassing op de referendarissen bij het Hof van Cassatie [1 ...]1. [1 De artikelen 293 tot 298 zijn mede van toepassing op het gerechtspersoneel van het niveau A.]1
  
Art. 299bis DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 102, 154; En vigueur : 01-12-2008> Les articles 293 à 299 sont applicables également aux référendaires près la Cour de cassation [1 ...]1. [1 Les articles 293 à 298 sont également applicables au personnel judiciaire de niveau A.]1
  
Art. 300. De plaatsvervangende (raadsheren zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, 1°, 2°, 4° en 5°, en de plaatsvervangende) rechters zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende rechters, behoudens de uitoefening van het beroep van advocaat en van notaris en de bezigheden die hun daardoor geoorloofd zijn. <W 1997-07-09/36, art. 16, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  De werkende en plaatsvervangende [4 raadsheren in sociale zaken en rechters in sociale zaken]4 zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende rechters [4 ...]4, met uitzondering van:
  1° die welke gesteld zijn in artikel 293, tweede lid;
  2° het drijven van een handel, het beheer of de leiding van of het toezicht op handelsvennootschappen en nijverheids- of handelsinrichtingen;
  3° het aangaan en de uitvoering van een arbeidsovereenkomst of een leerovereenkomst.
  (4° de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor en van accountant en de bezigheden die hen daardoor geoorloofd zijn.) <W 2003-05-03/45, art. 27, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  ([2 De werkende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank]2 zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende magistraten, met uitzondering van de benoeming en de contractuele aanwerving in een bezoldigde openbare functie of ambt van administratieve aard.
  [2 De plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank]2 zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende magistraten, met uitzondering van de uitoefening van beroepswerkzaamheden die voor het opdoen van ervaring toegestaan zijn om benoemd te worden tot assessor.) <W 2006-05-17/36, art. 25, 132; Inwerkingtreding : 31-08-2006>
  [4 De rechters in ondernemingszaken zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid als de werkende magistraten, met uitzondering van de uitoefening van beroepswerkzaamheden die voor het opdoen van ervaring toegestaan zijn om benoemd te worden tot rechter in ondernemingszaken. Niemand mag tegelijk het ambt van rechter in ondernemingszaken en van gerechtsmandataris uitoefenen in het arrondissement of de afdeling van de ondernemingsrechtbank waar hij als gerechtsmandataris werd aangewezen.]4
  
Art. 300. Les (conseillers suppléants visés à l'article 207bis, § 1er, 1°, 2°, 4° et 5°, et les) juges suppléants sont soumis aux mêmes règles d'incompatibilité que les juges effectifs sauf l'exercice des professions d'avocat et de notaire et les activités que celles-ci leur permettent. <L 1997-07-09/36, art. 16, 054; En vigueur : 13-08-1997>
  [4 Les conseillers sociaux et les juges sociaux]4, à titre effectif ou suppléant, sont soumis aux mêmes règles d'incompatibilité que les juges effectifs [4 ...]4, à l'exception :
  1° de celles énoncées à l'article 293, alinéa 2;
  2° de l'exercice d'un commerce, l'administration, la direction ou la surveillance de sociétés commerciales et d'établissements industriels ou commerciaux;
  3° de la conclusion et l'exécution d'un contrat de louage de travail ou d'un contrat d'apprentissage.
  (4° de l'exercice de la profession de réviseur d'entreprise et de comptable et des activités qui leur sont autorisées en cette qualité.) <L 2003-05-03/45, art. 27, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  ([2 Les assesseurs effectifs au tribunal de l'application des peines]2 sont soumis aux mêmes incompatibilités que les magistrats effectifs, à l'exception de la nomination et de l'engagement contractuel dans une fonction ou charge publique rémunérée d'ordre administratif.
  [2 Les assesseurs suppléants au tribunal de l'application des peines]2 sont soumis aux mêmes incompatibilités que les magistrats effectifs, à l'exception de l'exercice des activités professionnelles admises à titre d'expérience pour être nommé assesseur.). <L 2006-05-17/36, art. 25, 132; En vigueur : 31-08-2006>
  [4 Les juges consulaires sont soumis aux mêmes incompatibilités que les magistrats effectifs, à l'exception de l'exercice des activités professionnelles admises à titre d'expérience pour être nommé juge consulaire. Nul ne peut à la fois exercer les fonctions de juge consulaire et de mandataire de justice dans l'arrondissement ou la division du tribunal de l'entreprise dans lequel ou laquelle il est désigné mandataire de justice.]4
  
Afdeling II. - Bloed- of aanverwantschap.
Section II. - De la parenté ou de l'alliance.
Art. 301. <W 2007-04-25/64, art. 103, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Personen met wie ze een feitelijk gezin vormen en bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad mogen behoudens vrijstelling door de Koning, niet gelijktijdig van een zelfde hof of rechtbank deel uitmaken als raadsheren, rechters [1 ...]1, plaatsvervangende raadsheren, plaatsvervangende rechters, rechters in sociale zaken of rechters in handels zaken, ambtenaren van het openbaar ministerie, referendarissen bij het Hof van Cassatie, gerechtspersoneel van niveau A, griffiers en secretarissen.
  
Art. 301. <L 2007-04-25/64, art. 103, 154; En vigueur : 01-12-2008> Les personnes avec lesquelles ils forment un ménage de fait et les parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ne peuvent, sauf dispense du Roi, faire partie simultanément d'une même cour ou d'un même tribunal comme conseillers, juges, [1 ...]1 conseillers suppléants, juges suppléants, juges sociaux ou juges consulaires, officiers du ministère public, référendaires près la Cour de cassation, personnel judiciaire de niveau A, greffiers et secrétaires.
  
Art. 302. <W 2007-04-25/64, art. 104, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Zelfs in geval van vrijstelling als bedoeld in artikel 301 mogen personen met wie ze een feitelijk gezin vormen en bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad geen zitting nemen in een zelfde zaak of er de taken van referendaris bij het Hof van Cassatie vervullen.
Art. 302. <L 2007-04-25/64, art. 104, 154; En vigueur : 01-12-2008> Même s'ils ont obtenu la dispense prévue à l'article 301, les personnes avec qui ils forment un ménage de fait et les parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ne peuvent siéger dans la même cause ou y accomplir les tâches de référendaire près la Cour de cassation.
Art. 303. <W 2007-04-25/64, art. 105, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> In een vredegerecht mogen de rechters, hun plaatsvervangers en de griffiers geen feitelijk gezin vormen of geen bloed- of aanverwanten tot en met de graad van oom of neef zijn.
Art. 303. <L 2007-04-25/64, art. 105, 154; En vigueur : 01-12-2008> Dans une justice de paix, les juges, leurs suppléants et les greffiers ne peuvent être des personnes avec qui ils forment un ménage de fait ou des parents ou alliés jusqu'au degré d'oncle ou de neveu inclusivement.
Art. 304. In alle zaken moet (de rechter, [1 ...]1, de plaatsvervangende rechter, de ambtenaar van het openbaar ministerie) (de griffier) (,de referendaris bij het Hof van Cassatie) (, de rechter in sociale zaken of in handelszaken of de assessor [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3), op straffe van tuchtsanctie als naar recht, zich onthouden, indien hij echtgenoot, bloed- of aanverwant in de rechte lijn of in de tweede graad in de zijlijn is van de advocaat of van de gemachtigde van een der partijen. <W 1998-02-10/32, art. 14, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 1997-05-06/38, art. 13, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 1997-02-17/50, art. 70, 044; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 2006-05-17/36, art. 27, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  
Art. 304. En toutes matières, (le juge, [1 ...]1 le juge suppléant, le magistrat du ministère public) (, le greffier) (, le référendaire près la Cour de cassation) (, le juge social ou consulaire ou l'assesseur [3 au tribunal de l'application des peines]3)) doit s'abstenir, sous telle peine disciplinaire que de droit, s'il est conjoint, parent ou allié en ligne directe ou au second degré en ligne collatérale de l'avocat ou du mandataire de l'une des parties. <L 1998-02-10/32, art. 14, 057; En vigueur : 02-03-1998> <L 1997-05-06/38, art. 13, 052; En vigueur : 05-07-1997> <L 1997-02-17/50, art. 70, 044; En vigueur : 01-07-1997> <L 2006-05-17/36, art. 27, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  
HOOFDSTUK III. [1 - Deontologische regels.]1
CHAPITRE III. [1 - Des règles déontologiques.]1
Art. 305. [1 De algemene beginselen inzake de deontologie van de werkende en de plaatsvervangende magistraten, van de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank, van de rechters en raadsheren in sociale zaken en van de rechters in ondernemingszaken worden vastgelegd door de Hoge Raad voor de Justitie, na advies van de Adviesraad van de magistratuur.]1
  
Art. 305. [1 Les principes généraux relatifs à la déontologie des magistrats effectifs et suppléants, des assesseurs au tribunal de l'application des peines, des juges et conseillers sociaux et des juges consulaires sont établis par le Conseil supérieur de la Justice après avis du Conseil consultatif de la magistrature.]1
  
HOOFDSTUK IV. - Magistraten gemachtigd om [1 een opdracht van algemeen belang]1 te aanvaarden bij een internationale, supranationale of buitenlandse instelling.
CHAPITRE IV. - Des magistrats autorisés à accepter [1 des missions d'intérêt général]1 auprès d'une institution internationale, supranationale ou étrangère.
Art. 308. <W 2003-01-09/30, art. 2, 100; Inwerkingtreding : 13-01-2003> De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis kunnen door de Koning, op advies van de korpschef of de magistraat aan wie zij hiërarchisch ondergeschikt zijn, gemachtigd worden om [1 opdrachten van algemeen belang]1 te vervullen bij supranationale, internationale of buitenlandse instellingen.
  De vergunning geldt voor één jaar. [1 Op verzoek van de internationale, supranationale of buitenlandse instelling en van de magistraat kan deze termijn telkens met ten hoogste een jaar verlengd worden.]1 Heeft de betrokkene na het verstrijken van het verlof zijn ambt in de rechterlijke orde niet weder opgenomen, dan wordt hij als ontslagnemend beschouwd.
  De magistraten met verlof wegens opdracht behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht het ambt waarin ze werden benoemd te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. [1 Indien de opdracht een deeltijdse opdracht betreft waaraan een wedde is verbonden, behouden zij naar rato de aan hun ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.]1
  (De bepalingen van artikel 323bis zijn van overeenkomstige toepassing op de titularissen van een adjunct-mandaat die vast zijn aangewezen, de titularissen van een adjunct-mandaat die niet vast zijn aangewezen, de titularissen van een bijzondere mandaat en de korpschefs.) <W 2003-05-03/45, art. 28, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  
Art. 308. <L 2003-01-09/30, art. 2, 100; En vigueur : 13-01-2003> Les magistrats de l'ordre judiciaire visés à l'article 58bis peuvent être autorisés par le Roi, sur l'avis du chef de corps ou du magistrat dont ils dépendent hiérarchiquement, à accomplir [1 des missions d'intérêt général]1 auprès d'institutions supranationales, internationales ou étrangères.
  L'autorisation vaut pour un an. [1 A la demande de l'organisation internationale, supranationale ou étrangère et du magistrat, ce terme peut être prorogé chaque fois pour des périodes d'un an au plus.]1 Si, à l'expiration du congé, l'intéressé n'a pas repris ses fonctions dans l'ordre judiciaire, il est réputé démissionnaire.
  Les magistrats autorisés à exercer une mission conservent leur place sur la liste de rang et sont censés avoir exercé la fonction à laquelle ils étaient nommés. Ils conservent le traitement lié à cette fonction ainsi que les augmentations et avantages y afférents pour autant qu'aucun traitement ne soit attaché à la mission. [1 Si la mission est une mission à temps partiel à laquelle un traitement est attaché, ils conservent au prorata le traitement lié à leur fonction ainsi que les augmentations et les avantages y afférents.]1
  (Les dispositions de l'article 323bis s'appliquent par analogie aux titulaires d'un mandat adjoint qui sont désignés à titre définitif, aux titulaires d'un mandat adjoint qui ne sont pas désignés à titre définitif, aux titulaires d'un mandat spécifique et aux chefs de corps.) <L 2003-05-03/45, art. 28, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  
Art. 309. <W 2003-01-09/30, art. 3, 100; Inwerkingtreding : 13-01-2003> Is de opdracht bedoeld in artikel 308 voltijds, dan kan in de vervanging van de magistraten worden voorzien door een benoeming, en in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal.
Art. 309. <L 2003-01-09/30, art. 3, 100; En vigueur : 13-01-2003> Si la mission visée à l'article 308 est une mission à temps plein il peut être pourvu au remplacement des magistrats par voie de nomination et le cas échéant de désignation en surnombre.
HOOFDSTUK IVbis. [1 - Magistraten gemachtigd om een opdracht als verbindingsmagistraat in het buitenland te vervullen.]1
CHAPITRE IVbis. [1 - Des magistrats autorisés à accomplir une mission en tant que magistrat de liaison à l'étranger.]1
Art. 309/1. [1 § 1. De minister bevoegd voor Justitie kan, na advies van het College van procureurs-generaal, een magistraat als verbindingsmagistraat in het buitenland aanwijzen.
   Om als verbindingsmagistraat te worden aangewezen, dient de kandidaat op het ogenblik van zijn aanwijzing:
   1° magistraat te zijn van het openbaar ministerie;
   2° ten minste tien jaar juridische functies te hebben uitgeoefend waarvan ten minste zes jaar een ambt van magistraat;
   3° houder te zijn van het getuigschrift bedoeld in artikel 43quinquies, § 1, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de talen in gerechtszaken, waaruit de kennis blijkt van de andere taal dan die van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
   De minister bevoegd voor Justitie bepaalt, op voorstel van het College van procureurs-generaal, de bijzondere voorwaarden waaraan de verbindingsmagistraat moet voldoen. Deze worden in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd in de oproep tot kandidaten.
   § 2. De aanwijzing geldt voor een termijn van twee jaar. De aanwijzing kan, na advies van het College van procureurs-generaal, eenmaal worden hernieuwd.
   Uitzonderlijk kan, op met redenen omkleed voorstel van het College van procureurs-generaal, de aanwijzing nog tweemaal met telkens een periode van een jaar worden verlengd.
   § 3. De verbindingsmagistraat bedoeld in paragraaf 1 behoudt zijn hoedanigheid van magistraat.
   De bepalingen van artikel 323bis zijn van toepassing.
   § 4. In het kader van de uitoefening van zijn opdrachten vertegenwoordigt de verbindingsmagistraat, naargelang van het geval, ofwel de minister bevoegd voor Justitie ofwel de bevoegde Belgische gerechtelijke overheid.
   Wat zijn gerechtelijke opdrachten betreft, oefent de verbindingsmagistraat zijn bevoegdheden uit onder de rechtstreekse leiding en toezicht van het College van procureurs-generaal. Per nieuw dossier bezorgt hij een verslag aan de procureur-generaal die bevoegd is voor internationale betrekkingen.
   Wat zijn opdrachten in rechtstreeks verband met de bevoegdheden van de Federale Overheidsdienst Justitie betreft, oefent hij zijn bevoegdheden uit onder de rechtstreekse leiding en toezicht van de minister bevoegd voor Justitie.
   § 5. De verbindingsmagistraat wordt toegewezen aan een diplomatieke post.
   De verbindingsmagistraat en zijn inwonende gezinsleden die te zijnen laste zijn en de Belgische nationaliteit hebben, genieten voor de duur van de opdracht het diplomatiek statuut.
   De verbindingsmagistraat is aan de diplomatieke gebruiken en regels en aan het diplomatiek gezag van het hoofd van de diplomatieke zending onderworpen.
   § 6. De verbindingsmagistraat bezorgt aan de minister bevoegd voor Justitie, het College van procureurs-generaal en de federale procureur een omstandig jaarlijks activiteitenverslag over zijn werkzaamheden.
   Het College van procureurs-generaal evalueert de verbindingsmagistraat jaarlijks, onder andere op grond van zijn activiteitenverslag en na hem te hebben gehoord, betreffende de wijze waarop hij zijn opdracht en zijn bevoegd-heden uitoefent. Deze evaluatie wordt opgenomen in het in artikel 143bis, § 7, bedoelde verslag.
   Ingeval de prestaties als onvoldoende worden beoordeeld, kan de minister bevoegd voor Justitie, op met redenen omkleed voorstel van het College van procureurs-generaal en na de verbindingsmagistraat gehoord te hebben, een einde stellen aan de aanwijzing van de verbindingsmagistraat.
   § 7. De minister bevoegd voor Justitie kan, na advies van het College van procureurs-generaal, een einde stellen aan de aanwijzing van de verbindingsmagistraat wegens tekortkoming aan zijn verplichtingen.
   Het College van procureurs-generaal kan het advies bedoeld in het eerste lid slechts uitbrengen na de verbindingsmagistraat te hebben gehoord, of minstens behoorlijk daartoe te hebben opgeroepen.]1

  
Art. 309/1. [1 § 1er. Le ministre ayant la Justice dans ses attributions peut, après avis du Collège des procureurs généraux, désigner un magistrat comme magistrat de liaison à l'étranger.
   Pour être désigné comme magistrat de liaison, le candidat doit, au moment de sa désignation:
   1° être magistrat du ministère public;
   2° avoir exercé des fonctions juridiques pendant au moins dix ans, dont six ans au moins en qualité de magistrat;
   3° être porteur du certificat visé à l'article 43quinquies, § 1er, alinéa 3, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, prouvant la connaissance de la langue autre que celle de son doctorat, sa licence ou son master en droit.
   Le ministre qui a la Justice dans ses attributions détermine, sur proposition du Collège des procureurs généraux, les conditions particulières auxquelles le magistrat de liaison doit satisfaire. Ces dernières sont publiées au Moniteur belge, dans l'appel aux candidats.
   § 2. La désignation vaut pour une période de deux ans. La désignation peut être renouvelée une fois, après avis du Collège des procureurs généraux.
   Exceptionnellement, la désignation peut encore être prolongée deux fois pour une période d'un an chaque fois, sur proposition motivée du Collège des procureurs généraux.
   § 3. Le magistrat de liaison visé au paragraphe 1er conserve sa qualité de magistrat.
   Les dispositions de l'article 323bis s'appliquent.
   § 4. Dans le cadre de l'exécution de ses missions, le magistrat de liaison représente, selon le cas, le ministre qui a la Justice dans ses attributions ou l'autorité judiciaire belge compétente.
   En ce qui concerne ses missions judiciaires, le magistrat de liaison exerce ses compétences sous la direction et la supervision directes du Collège des procureurs généraux. Pour chaque nouveau dossier, il transmet un rapport au procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions.
   En ce qui concerne ses missions en lien direct avec les compétences du Service public fédéral Justice, il exerce ses compétences sous la direction et la supervision directes du ministre qui a la Justice dans ses attributions.
   § 5. Le magistrat de liaison est adjoint à un poste diplomatique.
   Pour la durée de sa mission, le magistrat de liaison et les membres de sa famille vivant avec lui qui sont à sa charge et possèdent la nationalité belge bénéficient du statut diplomatique.
   Le magistrat de liaison est soumis aux usages et règles diplomatiques ainsi qu'à l'autorité diplomatique du chef de la mission diplomatique.
   § 6. Le magistrat de liaison transmet au ministre qui a la Justice dans ses attributions, au Collège des procureurs généraux et au procureur fédéral un rapport d'activités annuel circonstancié sur ses activités.
   Le Collège des procureurs généraux évalue le magistrat de liaison chaque année, entre autres sur la base du rapport d'activités de ce dernier et, après l'avoir entendu, concernant la manière dont il exerce sa mission et ses compétences. Cette évaluation est intégrée dans le rapport visé à l'article 143bis, § 7.
   En cas de prestations jugées insuffisantes, le ministre qui a la Justice dans ses attributions peut mettre fin à la désignation du magistrat de liaison sur proposition motivée du Collège des procureurs généraux et après avoir entendu le magistrat de liaison.
   § 7. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions peut, après avis du Collège des procureurs généraux, mettre fin à la désignation du magistrat de liaison pour manquement à ses obligations.
   Le Collège des procureurs généraux ne peut émettre l'avis visé à l'alinéa 1er qu'après avoir entendu le magistrat de liaison ou au moins après l'avoir dûment convoqué à cette fin.]1

  
HOOFDSTUK IVter. [1 - Magistraten gemachtigd om een opdracht in het Europees Openbaar Ministerie te vervullen.]1
CHAPITRE IVter. [1 - Des magistrats autorisés à accomplir une mission auprès du Parquet européen.]1
Art. 309/2. [1 § 1. Magistraten kunnen de opdrachten van Europese hoofdaanklager, Europese aanklager en gedelegeerd Europese aanklager vervullen overeenkomstig en volgens de voorwaarden voorzien in de verordening 2017/1939 van de Raad van 12 oktober 2017 betreffende nauwere samenwerking bij de instelling van het Europees Openbaar Ministerie ("EOM").
   § 2. De minister bevoegd voor Justitie wijst drie magistraten aan die voorgedragen worden om de opdracht van Europese aanklager te vervullen zoals bepaald in artikel 16, lid 1, van de in paragraaf 1 genoemde verordening.
   Om te kunnen worden voorgedragen als Europese aanklager dient de kandidaat op het ogenblik van de aanwijzing :
   1° het ambt van magistraat uit te oefenen waarvan in de laatste vijftien jaar ten minste tien jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie;
   2° houder te zijn van het getuigschrift bedoeld in artikel 43quinquies, § 1, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, waaruit de kennis blijkt van de andere taal dan die van zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten.
   § 3. De minister bevoegd voor Justitie wijst ten minste één magistraat van de Nederlandstalige taalrol en één magistraat van de Franstalige taalrol aan die voorgedragen worden om de opdracht van gedelegeerd Europese aanklager te vervullen zoals bepaald in artikel 17, lid 1, van de in paragraaf 1 genoemde verordening.
   Om te kunnen worden voorgedragen als gedelegeerd Europese aanklager dient de kandidaat op het ogenblik van de aanwijzing het ambt van magistraat uit te oefenen waarvan in de laatste tien jaar ten minste vijf jaar het ambt van magistraat van het openbaar ministerie.
   § 4. De minister bevoegd voor Justitie kan de kandidaten bedoeld in de paragrafen 2 en 3 slechts aanwijzen na gemeenschappelijk advies van het College van procureurs-generaal en de federale procureur. Zij kunnen de kandidaten daartoe horen.
   De oproep in het Belgisch Staatsblad vermeldt de wijze waarop de kandidaturen worden ingediend.
   § 5. De opdrachten worden voltijds uitgeoefend.
   Artikel 323bis is van toepassing.
   Tijdens hun opdracht zijn de magistraten niet onderworpen aan de bepalingen van deel II, boek II, titel V.
   § 6. De gedelegeerd Europese aanklagers beschikken over een secretariaat waarvan de samenstelling [2 , de nadere werkingsregels, het statuut, de rechtspositie en de wedde van de betrokken personeelsleden]2 vastgesteld worden door de Koning.]1

  [3 § 7. De werkings- en huisvestingkosten voor de gedelegeerd Europese aanklagers en hun secretariaat, alsook de kosten die maken dat de rechten van de gedelegeerd Europese aanklagers met betrekking tot de sociale zekerheid, het pensioen en verzekering volgens het nationaal stelsel ononderbroken gehandhaafd blijven, worden gedragen door de kredieten waarover de Federale Overheidsdienst Justitie beschikt.]3
  
Art. 309/2. [1 § 1er. Des magistrats peuvent accomplir les missions de chef du Parquet européen, de procureur européen et de procureur européen délégué conformément aux conditions prévues dans le règlement 2017/1939 du Conseil du 12 octobre 2017 mettant en oeuvre une coopération renforcée concernant la création du Parquet européen.
   § 2. Le ministre ayant la Justice dans ses attributions désigne trois magistrats qui sont présentés en vue d'accomplir la mission de procureur européen, prévue à l'article 16, paragraphe 1er, du règlement cité au paragraphe 1er.
   Pour pouvoir être présenté en qualité de procureur européen, le candidat doit, au moment de la désignation :
   1° exercer les fonctions de magistrat et avoir exercé, au cours des quinze dernières années, pendant au moins dix ans la fonction de magistrat du ministère public;
   2° être porteur d'un certificat visé à l'article 43quinquies, § 1er, alinéa 3, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, prouvant la connaissance de la langue autre que celle de son doctorat, sa licence ou son master en droit.
   § 3. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions désigne au moins un magistrat du rôle linguistique néerlandophone et un magistrat du rôle linguistique francophone qui sont présentés en vue d'accomplir les missions de procureur européen délégué, prévues à l'article 17, paragraphe 1er, du règlement cité au paragraphe 1er.
   Pour pouvoir être présenté en qualité de procureur européen délégué, le candidat doit, au moment de la désignation, exercer les fonctions de magistrat et avoir exercé, au cours des dix dernières années, pendant au moins cinq ans la fonction de magistrat du ministère public.
   § 4. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions ne peut désigner les candidats visés aux paragraphes 2 et 3 qu'après avoir recueilli l'avis commun du Collège des procureurs généraux et du procureur fédéral. Ils peuvent entendre les candidats à cet effet.
   L'appel publié dans le Moniteur belge mentionne la manière dont les candidatures sont introduites.
   § 5. Les missions sont exercées à temps plein.
   L'article 323bis s'applique.
   Pendant leur mission, les magistrats ne sont pas soumis aux dispositions de la partie II, livre II, titre V.
   § 6. Les procureurs européens délégués disposent d'un secrétariat dont la composition [2 , les modalités de fonctionnement, le statut, la situation juridique et le traitement des membres du personnel concernés]2 sont fixées par le Roi.]1

  [3 § 7. Les coûts de fonctionnement et d'hébergement des procureurs européens délégués et de leur secrétariat ainsi que les coûts destinés à préserver sans interruption les droits des procureurs européens délégués liés à la sécurité sociale, à la retraite et à l'assurance en application du régime national sont supportés par les crédits dont le Service Public Fédéral Justice dispose.]3
  
HOOFDSTUK V. - Magistraten gemachtigd om Belgische militaire troepen in het buitenland te vergezellen
CHAPITRE V. - Des magistrats autorisés à accompagner des troupes militaires belges à l'étranger
Art. 309bis. <INGEVOEGD bij W 2003-04-10/59, art. 94; Inwerkingtreding : 01-01-2004> In vredestijd kunnen magistraten van het openbaar ministerie de Belgische troepen vergezellen bij militaire operaties in het buitenland, als de Ministers van Justitie en van Landsverdediging hiertoe in gemeenschappelijk overleg beslissen, na een gemotiveerd verslag van de militaire overheden dat bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen.
  Daartoe wordt door de Koning, na advies van de korpschef en op voordracht van het College van procureurs-generaal, een lijst van magistraten van het openbaar ministerie vastgesteld. Ze worden aangewezen onder de sedert ten minste een jaar benoemde magistraten van het openbaar ministerie die op de oproep tot kandidaten reageren.
  De aanwijzing van de magistraten die op die lijst voorkomen, geldt voor een hernieuwbare periode van [1 vijf]1 jaar.
  Wanneer het zenden van een magistraat om de troepen te vergezellen gerechtvaardigd wordt overeenkomstig het eerste lid, dan wordt deze magistraat door de federale procureur gekozen ofwel uit de federale magistraten ofwel uit de magistraten die voorkomen op de door de Koning vastgestelde lijst. In dit laatste geval wordt aan de magistraat van rechtswege gedurende deze periode een opdracht bij het federaal parket gegeven.
  De magistraat vervult die opdracht onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de federale procureur.
  De magistraat die de troepen vergezelt moet houder zijn van een brevet inzake militaire technieken dat minder dan vijf jaar geleden door het Ministerie van Landsverdediging is uitgereikt.
  Het brevet inzake militaire technieken bewijst dat de magistraat die de troepen vergezelt, een militaire basisopleiding heeft gevolgd, op de wijze bepaald door de Minister van Landsverdediging.
  Het brevet inzake militaire technieken blijft geldig zolang de houder een attest kan voorleggen, uitgereikt door het Ministerie van Landsverdediging aan diegenen die de bijscholingscursussen hebben gevolgd die om de vijf jaar worden georganiseerd.
  De opdracht troepen te vergezellen mag geen negatieve gevolgen hebben op de verloning van de magistraat en heeft, in voorkomend geval, geen weerslag op het mandaat, vermeld in artikel 58bis, dat de betrokkene uitoefent.
  
Art. 309bis. En temps de paix, des magistrats du ministère public peuvent accompagner les troupes belges lors des opérations militaires à l'étranger lorsque les Ministres de la Justice et de la Défense décident en concertation, suite à un rapport motivé des autorités militaires, que des circonstances particulières le justifient.
  A cet effet, une liste de magistrats du ministère public est arrêtée par le Roi après avis du chef de corps et sur proposition du Collège des procureurs généraux. Ils sont choisis parmi les magistrats du ministère public nommés depuis un an au moins qui répondent à l'appel aux candidats.
  Les désignations des magistrats repris dans la liste sont valables pour une période de [1 cinq]1 ans renouvelable.
  Lorsque l'envoi d'un magistrat pour accompagner les troupes est justifié conformément à l'alinéa 1er, ce magistrat est choisi par le procureur fédéral soit parmi les magistrats fédéraux soit parmi les magistrats figurant sur la liste arrêtée par le Roi. Dans ce dernier cas, le magistrat est délégué de plein droit au parquet fédéral pour la durée de sa mission.
  Le magistrat exerce cette mission sous la direction et la surveillance immédiate du procureur fédéral.
  Le magistrat accompagnant les troupes doit être titulaire d'un brevet en techniques militaires délivré par le Ministère de la Défense depuis moins de cinq ans.
  Le brevet en techniques militaires atteste que le magistrat accompagnant les troupes a suivi une formation militaire de base dispensée selon les modalités fixées par le Ministre de la Défense.
  Le brevet en techniques militaires reste valable aussi longtemps que son titulaire peut fournir une attestation délivrée par le Ministère de la Défense à ceux qui auront suivi les cours de recyclage organisés tous les cinq ans.
  L'envoi en mission d'accompagnement des troupes ne peut avoir aucune conséquence négative sur la rémunération du magistrat et ne peut avoir aucune répercussion sur le mandat énuméré à l'article 58bis qu'exerce, le cas échéant, l'intéressé.
  
HOOFDSTUK VI. [1 Magistraten gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust]1
CHAPITRE VI. - [1 Des magistrats mandatés pour remplir une mission dans le cadre d'Eurojust]1
Art. 309ter. [1 § 1. De minister van Justitie wijst na advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen onder de federale magistraten het Belgische lid bij Eurojust en de adjunct van het Belgische lid bij Eurojust aan.
   De aanwijzingen gelden voor een termijn van vijf jaar en kunnen verlengd worden na advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen. Indien het Belgische lid echter de functie van voorzitter of vice-voorzitter van Eurojust bekleedt, geldt zijn aanwijzing ten minste tot het einde van zijn ambtstermijn als voorzitter of vice-voorzitter.
   De adjunct van het Belgische lid bij Eurojust kan hem vervangen.
   Het Belgische lid bij Eurojust oefent zijn functie uit op de zetel van Eurojust.
   De adjunct kan zijn functies op de zetel van Eurojust uitoefenen na een beslissing van de minister van Justitie volgend op een advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.
   De adjunct oefent zijn functies echter uit op de zetel van Eurojust indien het Belgische lid de functie van voorzitter van Eurojust bekleedt.
   § 2. De magistraten bedoeld in paragraaf 1 behouden tijdens hun aanwijzing hun statuut van federaal magistraat en behouden de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen [2 ...]2. [2 Artikel 355bis, § 2, is van toepassing op de adjunct van het Belgisch lid die zijn functie niet uitoefent op de zetel van Eurojust. De uitbetaling van de premie bedoeld in [3 artikel 357, § 4, derde lid,]3 wordt bovendien geschorst zolang de federaal magistraat zijn functie van Belgisch lid of zijn functie van adjunct van het Belgisch lid uitoefent op de zetel van Eurojust.]2
   Zij blijven als federaal magistraat onderworpen aan de evaluatie bedoeld in artikel 259undecies.
   § 3. De magistraten bedoeld in paragraaf 1 oefenen hun bevoegdheden van federaal magistraat uit onder de rechtstreekse leiding en toezicht van de federale procureur.
   Wanneer het Belgische lid evenwel voorzitter of vice-voorzitter van Eurojust is, is in afwijking van het eerste lid, artikel 28, 3, van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken van toepassing.
   § 4. [2 Onverminderd de evaluatie bedoeld in artikel 259undecies, hoort het College van procureurs-generaal de federale procureur in het kader van de evaluatie bedoeld in artikel 143bis § 3, derde lid, over de wijze waarop het Belgisch bureau bij Eurojust de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid heeft uitgevoerd en zijn bevoegdheden heeft uitgeoefend met inachtneming van de taken en doelstellingen van Eurojust. Deze evaluatie wordt opgenomen in het in artikel 143bis, § 7, bedoelde verslag.
   Het Belgisch lid bij Eurojust bezorgt daartoe aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de federale procureur en via deze laatste aan de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen jaarlijks een toelichting over de activiteiten van het Belgisch bureau bij Eurojust, de interne taakverdeling, een analyse en beoordeling van het beleid in het voorbije jaar, alsook de prioritaire doelstellingen voor het komende jaar.
   Om de zes maanden brengt het Belgische lid bij Eurojust over de werking van het Belgisch bureau verslag uit aan de minister bevoegd voor Justitie en aan de federale procureur en via deze laatste aan de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.]2
]1

  
Art. 309ter. [1 § 1er. Le ministre de la Justice désigne sur avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions, parmi les magistrats fédéraux, le membre belge d'Eurojust et l'adjoint du membre belge d'Eurojust.
   Les désignations valent pour une période de cinq ans et peuvent être renouvelées sur avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions. Cependant, si le membre belge occupe la position de président ou de vice-président d'Eurojust, sa désignation vaut au moins jusqu'à la fin de son mandat de président ou de vice-président.
   L'adjoint du membre belge d'Eurojust peut remplacer ce dernier.
   Le membre belge d'Eurojust exerce sa fonction au siège d'Eurojust.
   L'adjoint peut exercer ses fonctions au siège d'Eurojust sur décision du ministre de la Justice après avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions.
   L'adjoint exerce cependant ses fonctions au siège d'Eurojust lorsque le membre belge d'Eurojust occupe la position de président d'Eurojust.
   § 2. Pendant la durée de leur désignation, les magistrats visés au paragraphe 1er conservent leur statut de magistrat fédéral et continuent à jouir du traitement lié à cette fonction ainsi que des augmentations et des avantages y afférents [2 ...]2. [2 L'article 355bis, § 2, est applicable à l'adjoint du membre belge d'Eurojust qui n'exerce pas sa fonction au siège d'Eurojust. Le versement de la prime visée à [3 l'article 357, § 4, alinéa 3,]3 est en outre suspendu aussi longtemps que le magistrat fédéral exerce sa fonction de membre belge d'Eurojust ou sa fonction d'adjoint du membre belge au siège d'Eurojust.]2
   Ils restent en tant que magistrats fédéraux soumis à l'évaluation visée à l'article 259undecies.
   § 3. Les magistrats visés au paragraphe 1er exercent leurs fonctions de magistrat fédéral sous l'autorité et la surveillance immédiates du procureur fédéral.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque le membre belge exerce la présidence ou la vice-présidence d'Eurojust, l'article 28, 3, de la décision du Conseil 2002/187/JAI du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité s'applique.
   § 4. [2 Sans préjudice de l'évaluation visée à l'article 259undecies, le Collège des procureurs généraux entend le procureur fédéral, dans le cadre de l'évaluation visée à l'article 143bis, § 3, alinéa 3, sur la manière dont le bureau belge d'Eurojust a mis en oeuvre les directives de la politique criminelle et a exercé ses compétences en respectant les tâches et objectifs d'Eurojust. Cette évaluation est incluse dans le rapport visé à l'article 143bis, § 7.
   Le membre belge d'Eurojust fournit à cette fin au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au procureur fédéral, et par l'intermédiaire de celui-ci au procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions, une description annuelle des activités du bureau belge d'Eurojust, la répartition des tâches internes, l'analyse et l'évaluation de la politique pour l'année écoulée, ainsi que les priorités pour l'année à venir.
   Tous les six mois le membre belge d' Eurojust fait rapport sur le fonctionnement du bureau belge au ministre qui a la Justice dans ses attributions et au procureur fédéral, et par l'intermédiaire de celui-ci au procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions.]2
]1

  
Art. 309quater. [1 De minister van Justitie wijst op advies van de federale procureur onder de federale magistraten de nationale correspondenten van België bij Eurojust aan.
   Wanneer het Belgische lid bij Eurojust en de adjunct niet beschikbaar zijn, oefent de nationaal correspondent van België bij Eurojust de bevoegdheden van het Belgische lid bij Eurojust uit.]1

  
Art. 309quater. [1 Le ministre de la Justice désigne les correspondants nationaux de la Belgique auprès d'Eurojust parmi les magistrats fédéraux, sur avis du procureur fédéral.
   En cas d'empêchement du membre belge d'Eurojust et de l'adjoint, le correspondant national de la Belgique auprès d'Eurojust exerce les compétences du membre belge d'Eurojust.]1

  
Art. 309quinquies. [1 § 1. De minister van Justitie wijst het Belgische lid van het gemeenschappelijk controleorgaan bedoeld in artikel 23 van het besluit 2002/187/JBZ van de Raad van 28 februari 2002 betreffende de oprichting van Eurojust teneinde de strijd tegen ernstige vormen van criminaliteit te versterken, aan onder de leden van de [2 Gegevensbeschermingsautoriteit]2.
   § 2. De aanwijzing geldt voor een termijn van vijf jaar die tweemaal kan worden verlengd.
   § 3. Het bij het gemeenschappelijk controleorgaan aangewezen lid ontvangt een presentiegeld waarvan het bedrag door de Koning wordt vastgesteld en dat volgens de door Hem bepaalde regels wordt toegekend.]1

  
Art. 309quinquies. [1 § 1er. Le ministre de la Justice désigne le membre belge de l'organe de contrôle commun visé à l'article 23 de la décision du Conseil 2002/187/JAI du 28 février 2002 instituant Eurojust afin de renforcer la lutte contre les formes graves de criminalité, parmi les membres de [2 l'Autorité de protection des données]2.
   § 2. La désignation vaut pour une période de cinq ans qui peut être renouvelée deux fois.
   § 3. Le membre désigné au sein de l'organe de contrôle commun reçoit un jeton de présence dont le montant et les modalités d'octroi sont déterminés par le Roi.]1

  
HOOFDSTUK VII. - [1 Parketjurist gemachtigd om een opdracht te vervullen in het kader van Eurojust]1
CHAPITRE VII. [1 Juriste de parquet mandaté pour remplir une mission dans le cadre d'Eurojust]1
Art. 309sexies. [1 § 1. De minister van Justitie wijst, op advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor internationale betrekkingen, een parketjurist aangewezen bij het federaal parket als medewerker bij Eurojust aan om het Belgische lid en de adjunct bij te staan.
   De medewerker mag noch het lid noch de adjunct vervangen.
   De medewerker kan zijn functies op de zetel van Eurojust uitoefenen na een beslissing van de minister van Justitie volgend op een advies van de federale procureur en van de procureur-generaal die bevoegd is voor de internationale betrekkingen.
   § 2. De parketjurist bedoeld in paragraaf 1 blijft de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen behouden. [2 De taalpremie bedoeld in artikel 373 wordt hem niet toegekend zolang hij zijn functie uitoefent op de zetel van Eurojust.]2
   De Koning stelt de postvergoeding van de medewerker vast.]1

  
Art. 309sexies. [1 § 1er. Le ministre de la Justice désigne comme assistant auprès d'Eurojust, sur avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions, un juriste de parquet désigné auprès du parquet fédéral pour assister le membre belge et l'adjoint.
   L'assistant ne peut remplacer ni le membre ni l'adjoint.
   L'assistant peut exercer ses fonctions au siège d'Eurojust sur décision du ministre de la Justice après avis du procureur fédéral et du procureur général qui a les relations internationales dans ses attributions.
   § 2. Le juriste de parquet visé au paragraphe 1er continue à jouir du traitement lié à cette fonction ainsi que des augmentations et des avantages y afférents. [2 La prime linguistique visée à l'article 373 ne lui est pas allouée aussi longtemps qu'il exerce sa fonction au siège d'Eurojust.]2
   Le Roi fixe l'indemnité de poste de l'assistant.]1

  
HOOFDSTUK VIII. - [1 Gerechtspersoneel gemachtigd om een internationale opdracht uit te oefenen.]1
CHAPITRE VIII. [1 Du personnel judiciaire autorisé à accomplir une mission internationale]1
Art. 309septies. [1 § 1. De leden van het gerechtspersoneel kunnen door de Koning, op advies van de bevoegde korpschef, [3 directeur,]3 hoofdgriffier of hoofdsecretaris gemachtigd worden om een internationale opdracht uit te oefenen die wordt toevertrouwd door een beslissing van de Ministerraad binnen het raam van de ontwikkelingssamenwerking, vredesopdrachten, de wetenschappelijke vorsing of de humanitaire hulp.
   § 2. De Koning kan [2 ...]2 een postvergoeding en de voorwaarden waarbinnen deze internationale opdrachten kunnen uitgeoefend worden, vaststellen.]1

  
Art. 309septies. [1 § 1er. Les membres du personnel judiciaire peuvent être autorisés par le Roi, sur l'avis du chef de corps [3 chef de corps,]3, greffier en chef ou secrétaire en chef compétent, à accomplir une mission internationale confiée par décision du conseil des ministres dans le cadre de la coopération au développement, des missions de paix, de la recherche scientifique ou de l'aide humanitaire.
   § 2. Le Roi peut [2 ...]2 fixer une indemnité de poste ainsi que les conditions dans lesquelles les missions internationales peuvent être exercées.]1

  
Art. 309octies. [1 § 1. De leden van het gerechtspersoneel kunnen door de Koning, op advies van de bevoegde korpschef, directeur, hoofdgriffier of hoofdsecretaris gemachtigd worden om opdrachten van algemeen belang te vervullen bij internationale, supranationale of buitenlandse instellingen.
   § 2. De Koning kan een postvergoeding en de voorwaarden waarbinnen deze opdrachten kunnen uitgeoefend worden, vaststellen.]1

  
Art. 309octies. [1 § 1er. Les membres du personnel judiciaire peuvent, sur avis du chef de corps compétent, du directeur, du greffier en chef ou du secrétaire en chef, être autorisés par le Roi à accomplir des missions d'intérêt général auprès des institutions internationales, supranationales ou étrangères.
   § 2. Le Roi peut fixer une indemnité de poste ainsi que les conditions dans lesquelles ces missions peuvent être exercées.]1

  
Art. 309novies. [1 § 1. De minister bevoegd voor Justitie kan, op verzoek van het College van procureurs-generaal en op advies van de bevoegde korpschef, directeur, hoofdgriffier of hoofdsecretaris een lid van het gerechtspersoneel aanwijzen als medewerker van de verbindingsmagistraat in het buitenland, of die medewerker aanwerven op grond van een arbeidsovereenkomst.
   De medewerker behoudt de aan zijn ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
   De medewerker is onderworpen aan de wettelijke regels die van toepassing zijn op het gerechtspersoneel.
   § 2. De Koning kan een postvergoeding en de voorwaarden waarbinnen deze aanwijzing kan uitgeoefend worden, vaststellen.
   § 3. De verbindingsmagistraat oefent het functioneel gezag uit over de medewerker.
   § 4. De minister bevoegd voor Justitie kan, op met redenen omkleed voorstel van het College van procureurs-generaal en na de medewerker te hebben gehoord, een einde stellen aan de aanwijzing van de medewerker wegens tekortkoming aan zijn verplichtingen.]1

  
Art. 309novies. [1 § 1er. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions peut, sur demande du Collège des procureurs généraux et sur avis du chef de corps, directeur, greffier en chef ou secrétaire en chef compétent, désigner un membre du personnel judiciaire comme collaborateur du magistrat de liaison à l'étranger, ou recruter ce collaborateur sur la base d'un contrat de travail.
   Le collaborateur conserve le traitement lié à sa fonction ainsi que les augmentations et avantages y afférents.
   Le collaborateur est soumis aux règles légales applicables au personnel judiciaire.
   § 2. Le Roi peut fixer une indemnité de poste ainsi que les conditions dans lesquelles cette désignation peut être exercée.
   § 3. Le magistrat de liaison exerce l'autorité fonctionnelle sur le collaborateur.
   § 4. Le ministre qui a la Justice dans ses attributions peut, sur proposition motivée du Collège des procureurs généraux et après avoir entendu le collaborateur, mettre fin à la désignation de ce dernier pour manquement à ses obligations.]1

  
TITEL II. - Uitoefening van gerechtelijke ambten.
TITRE II. - De l'exercice des fonctions judiciaires.
HOOFDSTUK I. - Rangorde en voorrang.
CHAPITRE I. - Du rang et de la préséance.
Art. 310. <W 2007-04-25/64, art. 106, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  In het Hof van Cassatie wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
  Leden van het Hof :
  - De eerste voorzitter;
  - De voorzitter;
  - De raadsheren, naar orde van hun dienstouderdom als raadsheer;
  - De procureur-generaal;
  - De eerste advocaat-generaal;
  - De advocaten-generaal naar orde van hun aanwijzing;
  - De referendarissen bij het Hof van Cassatie.
  Leden van de griffie :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.
  Leden van het parketsecretariaat :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.
Art. 310. <L 2007-04-25/64, art. 106, 154; En vigueur : 01-12-2008>
   A la Cour de cassation, il est tenu une liste de rang. Celle-ci s'établit comme suit :
  Membres de la Cour :
  - le premier président;
  - le président;
  - les conseillers, dans l'ordre de leur ancienneté comme conseiller;
  - le procureur général;
  - le premier avocat général;
  - les avocats généraux dans l'ordre de leur désignation;
  - les référendaires près la Cour de cassation.
  Membres du greffe :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.
  Membres du secrétariat de parquet :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.
Art. 311. In de hoven van beroep en in de arbeidshoven wordt een ranglijst bijgehouden, (vastgesteld als volgt) : <W 1997-02-17/50, art. 72, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  Leden van het hof:
  - De eerste voorzitter;
  - De kamervoorzitters, naar de orde van hun dienstouderdom als voorzitter;
  - De raadsheren, naar orde van hun dienstouderdom als raadsheer; (de plaatsvervangende raadsheren zoals bedoeld in artikel 207bis, § 2, naar orde van hun benoeming, en vervolgens de plaatsvervangende raadsheren zoals bedoeld in artikel 207bis, § 1, 3°, naar orde van hun benoeming en vervolgens de overige plaatsvervangende raadsheren naar orde van hun benoeming); <W 1997-07-09/36, art. 18, 054; Inwerkingtreding : 13-08-1997>
  - De procureur-generaal;
  - De eerste advocaat-generaal bij het hof van beroep of de eerste advocaat-generaal bij het arbeidshof;
  - De advocaten-generaal bij het hof van beroep of de (advocaten-generaal bij het arbeidshof, naar orde van hun aanwijzing); <W 1998-12-22/47, art. 55, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  - De substituut-procureurs-generaal bij het hof van beroep of de (substituten-generaal bij het arbeidshof, naar ordevan hun benoeming); <W 1998-12-22/47, art. 55, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  - De raadsheren in sociale zaken in het arbeidshof, naar orde van hun benoeming.
  - (Het personeel in niveau A, naar orde van de benoeming in hun klasse;) <W 2007-04-25/64, art. 107, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (Leden van de griffie :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.
  Leden van het parketsecretariaat :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.) <W 2007-04-25/64, art. 107, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 311. Dans les cours d'appel et dans les cours du travail, il est tenu une liste de rang. (Celle-ci s'établit comme suit) : <L 1997-02-17/50, art. 73, 045; En vigueur : 01-07-1997>
  membres de la cour :
  - le premier président;
  - les présidents de chambre, dans l'ordre de leur ancienneté comme président;
  - les conseillers, dans l'ordre de leur ancienneté comme conseiller; (les conseillers suppléants qui satisfont aux conditions visées à l'article 207bis, § 2, dans l'ordre de leur nomination, et ensuite les conseillers suppléants qui satisfont aux conditions visées à l'article 207bis, § 1er, 3°, dans l'ordre de leur nomination, et ensuite, dans l'ordre de leur nomination, les autres conseillers suppléants); <L 1997-07-09/39, art. 18, 054; En vigueur : 13-08-1997>
  - le procureur général;
  - le premier avocat général près la cour d'appel ou le premier avocat général près la cour du travail;
  - les avocats généraux près la cour d'appel ou les (avocats généraux près la cour du travail, dans l'ordre de leur désignation); <L 1998-12-22/47, art. 55, 067; En vigueur : 02-08-2000>
  - les substituts du procureur général près la cour d'appel ou les (substituts généraux près la cour du travail, dans l'ordre de leur nomination); <L 1998-12-22/47, art. 55, 067; En vigueur : 02-08-2000>
  - les conseillers sociaux à la cour du travail, dans l'ordre de leur nomination;
  - (Le personnel de niveau A dans l'ordre de nomination dans sa classe;) <L 2007-04-25/64, art. 107, 1°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  (Membres du greffe :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.
  Membres du secrétariat de parquet :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.) <L 2007-04-25/64, art. 107, 2°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
Art. 311bis <INGEVOEGD bij W 2001-06-21/42, art. 32, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> In het federaal parket wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
  Leden van het parket :
  De federale procureur;
  De federale magistraten naar orde van hun aanwijzing.
  (Leden van het parketsecretariaat :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.) <W 2007-04-25/64, art. 108, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 311bis. Dans le parquet fédéral, il est tenu une liste de rang. Celle-ci s'établit comme suit :
  membres du parquet :
  le procureur fédéral;
  les magistrats fédéraux dans l'ordre de leur désignation;
  (Membres du secrétariat de parquet :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.) <L 2007-04-25/64, art. 108, 154; En vigueur : 01-12-2008>
Art. 311ter. [1 In het parket voor de verkeersveiligheid wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt:
   Leden van het parket:
   - de procureur voor de verkeersveiligheid;
   - de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid naar orde van hun aanwijzing.
   Leden van het parketsecretariaat:
   - de hoofdsecretaris;
   - de secretarissen-hoofd van dienst naar orde van benoeming in hun klasse;
   - het gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
   - het gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.]1

  
Art. 311ter. [1 Dans le parquet de la sécurité routière, il est tenu une liste de rang, établie comme suit:
   Membres du parquet:
   - le procureur de la sécurité routière;
   - les substituts du procureur de la sécurité routière dans l'ordre de leur désignation.
   Membres du secrétariat de parquet:
   - le secrétaire en chef;
   - les secrétaires-chefs de service dans l'ordre de nomination dans leur classe;
   - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
   - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.]1

  
Art. 312. In de rechtbanken van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbanken en in de [4 ondernemingsrechtbanken]4 wordt een ranglijst bijgehouden, (vastgesteld als volgt); <W 1997-02-17/50, art. 74, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  Leden van de rechtbank:
  - De voorzitter van de rechtbank;
  [1 -De afdelingsvoorzitters, naar orde van dienstouderdom als afdelingsvoorzitter;]1
  - De ondervoorzitters, naar orde van hun dienstouderdom als ondervoorzitter;
  - (de rechters [1 ...]1, in de volgorde van hun benoeming); <W 1998-12-22/47, art. 56, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  - De plaatsvervangende rechters, naar dezelfde orde;
  - De procureur des Konings of de arbeidsauditeur;
  [1 - De afdelingsprocureurs of afdelingsauditeur, naar orde van hun dienstouderdom als afdelingsprocureur of afdelingsauditeur;]1
  - De eerste substituut-procureurs des Konings of de eerste substituut-arbeidsauditeurs, naar orde van hun dienstouderdom als eerste substituut;
  - (De substituut-procureurs des Konings, de substituut-arbeidsauditeurs, [1 ...]1, naar orde van hun benoeming als substituut [1 ...]1;) <W 1998-12-22/47, art. 56, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  - (, de rechters in sociale zaken, de rechters in handelszaken en de assessoren [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3, naar orde van hun benoeming. <W 2006-05-17/36, art. 28, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  - (De referendarissen en parketjuristen bij de rechtbanken van eerste aanleg in volgorde van hun benoeming;) <W 2007-04-25/64, art. 109, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  (Leden van de griffie :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.
  Leden van het parketsecretariaat :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad. ) <W 2007-04-25/64, art. 109, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  
Art. 312. Dans les tribunaux de première instance, les tribunaux du travail et les [4 tribunaux de l'entreprise]4, il est tenu une liste de rang. (Celle-ci s'établit comme suit) : <L 1997-02-17/50, art. 74, 045; En vigueur : 01-07-1997>
  Membres du tribunal :
  - le président du tribunal;
  [1 - les présidents de division, dans l'ordre de leur ancienneté comme président de division;]1
  - les vice-présidents, dans l'ordre de leur ancienneté comme vice-président;
  - (les juges [1 ...]1, dans l'ordre de leur nomination); <L 1998-12-22/47, art. 56, 067; En vigueur : 01-03-1999>
  - les juges suppléants, dans le même ordre;
  - le procureur du Roi ou l'auditeur du travail;
  [1 - le procureur de division ou l'auditeur de division, dans l'ordre de leur ancienneté comme procureur de division ou auditeur de division;]1
  - les premiers substituts du procureur du Roi ou les premiers substituts de l'auditeur du travail dans l'ordre de leur ancienneté comme premier substitut;
  - (les substituts du procureur du Roi ou les substituts de l'auditeur du travail[1 ...]1, dans l'ordre de leur nomination en qualité de substitut [1 ...]1); <L 1998-12-22/47, art. 56, 067; En vigueur : 01-03-1999>
  - (les juges sociaux, les juges consulaires et les assesseurs [3 au tribunal de l'application des peines]3, dans l'ordre de leur nomination;
  - (Le personnel de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;) <L 2006-05-17/36, art. 28, 132; En vigueur : 01-02-2007> <L 2007-04-25/64, art. 109, 1°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  (Membres du greffe :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.
  Membres du secrétariat de parquet :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.) <L 2007-04-25/64, art. 109, 2°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  
Art. 312bis. <W 2007-04-25/64, art. 110, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> In de vredegerechten wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
  [1 - De voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;
   - De ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;]1

  - De vrederechter;
  - [1 ...]1;
  - De plaatsvervangende vrederechters, in de volgorde van hun benoeming;
  Leden van de griffie :
  - Gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - Gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.
  
Art. 312bis. <L 2007-04-25/64, art. 110, 154; En vigueur : 01-12-2008> Dans les justices de paix, il est tenu une liste de rang. Celle-ci s'établit comme suit :
  [1 - le président des juges de paix et des juges au tribunal de police;
   - le vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police;]1

  - le juge de paix;
  - [1 ...]1;
  - les juges de paix suppléants, dans l'ordre de leur nomination;
  Membres du greffe :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.
  
Art. 312ter. <W 2007-04-25/64, art. 111, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  In de politierechtbanken wordt een ranglijst bijgehouden, vastgesteld als volgt :
  [1 - de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;
   - de ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;]1

  - de rechters, in de volgorde van hun benoeming;
  - [1 ...]1;
  - de plaatsvervangende rechters, in dezelfde volgorde;
  - gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  Leden van de griffie :
  - gerechtspersoneel van niveau A, naar orde van benoeming in hun klasse;
  - gerechtspersoneel van niveau B, naar orde van benoeming in hun graad.
  
Art. 312ter. <L 2007-04-25/64, art. 111, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  Dans les tribunaux de police, il est tenu une liste de rang. Celle-ci s'établit comme suit :
  [1 - le président des juges de paix et des juges au tribunal de police;
   - le vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police;]1

  - les juges, dans l'ordre de leur nomination;
  - [1 ...]1;
  - les juges suppléants, dans le même ordre;
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de leur nomination dans sa classe;
  Membres du greffe :
  - le personnel judiciaire de niveau A, dans l'ordre de nomination dans sa classe;
  - le personnel judiciaire de niveau B, dans l'ordre de nomination dans son grade.
  
Art. 313. (Die lijsten bepalen de rang op openbare plechtigheden, op de vergaderingen van (de hoven het federaal parket [2 , het parket voor de verkeersveiligheid]2 en de rechtbanken), alsmede onverminderd de bepalingen vervat in [1 artikel 383bis, § 3,]1 de rang van de magistraten die in een zelfde kamer zitting hebben.) <W 17-07-1984, art. 2> <W 2001-06-21/42, art. 33, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (Evenwel, wanneer zij zitting nemen in een zelfde kamer, hebben de magistraten rang boven en nemen zitting voor de plaatsvervangende magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, [1 § 2]1.) <W 17-07-1984, art. 3>
  De raadsheren in het hof van beroep aan wie opdracht wordt gegeven een zitting van de assisen voor te zitten en de raadsheren in het hof van beroep of in het arbeidshof, aan wie opdracht wordt gegeven een kamer van het hof voor te zitten, ten zetel van een rechtbank die niet de zetel van het hof van beroep zelf is, hebben rang boven en nemen zitting vóór alle leden van die rechtbank. Dezelfde rangorde wordt ook op openbare plechtigheden in acht genomen.
  
Art. 313. (Ces listes déterminent le rang dans les cérémonies publiques, dans les assemblées (des cours, du parquet fédéral [2 , du parquet de la sécurité routière]2 et des tribunaux) ainsi que, sans préjudice des dispositions contenues à l'article [1 article 383bis, § 3,]1 le rang des magistrats siégeant dans une même chambre.) <L 17-07-1984, art. 2> <L 2001-06-21/42, art. 33, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  (Toutefois, au sein d'une même chambre, le magistrat suppléant désigné conformément à l'article 383, [1 § 2]1, prend rang et séance après les magistrats effectifs.) <L 17-07-1984, art. 3>
  Les conseillers à la cour d'appel délégués pour présider une session des assises et les conseillers à la cour d'appel ou à la cour du travail appelés à présider une chambre de la cour au siège d'un tribunal qui n'est pas le siège de la cour elle même, prendront rang et séance avant tous les membres de ce tribunal. Le même ordre sera observe dans les cérémonies publiques.
  
Art. 314. (De hoven, het federaal parket [5 , het parket voor de verkeersveiligheid]5 en de rechtbanken die een openbare plechtigheid bijwonen, nemen onder elkaar de hiërarchische orde in acht.) <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (De arbeidshoven hebben rang na de hoven van beroep, het federaal parket na de arbeidshoven, [5 het parket voor de verkeersveiligheid na het federaal parket,]5 de arbeidsrechtbanken na de rechtbanken van eerste aanleg en de [4 ondernemingsrechtbanken]4 na de arbeidsrechtbanken.) <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  (In de orde van individuele voorrang hebben de eerste voorzitters van de arbeidshoven rang onmiddellijk na de eerste voorzitters van de hoven van beroep; de procureurs-generaal hebben rang na de eerste voorzitters, (de federale procureur heeft rang na de procureurs-generaal,) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de voorzitter van de arbeidsrechtbank en de voorzitter van de [4 ondernemingsrechtbank]4 hebben rang onmiddellijk na de procureurs-generaal; [5 de procureur voor de verkeersveiligheid,]5 de procureur des Konings en de arbeidsauditeur hebben rang na de voorzitters van de rechtbanken; de kamervoorzitters en de raadsheren in het arbeidshof hebben respectievelijk dezelfde rang als de kamervoorzitters, de raadsheren in het hof van beroep en de leden van het parket-generaal en van het auditoraat-generaal (evenals van het federaal parket) rekening gehouden met hun anciënniteit; de raadsheer in sociale zaken hebben de onmiddellijk lagere rang, maar hebben rang vóór alle andere leden van de gerechten van eerste aanleg); <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001> <W 2001-06-21/42, art. 34, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
  [1 De afdelingsvoorzitters, afdelingsprocureurs en afdelingsauditeur hebben rang voor de ondervoorzitters. De ondervoorzitters]1 (de rechters en de toegevoegde rechters) in de arbeidsrechtbank en in de [4 ondernemingsrechtbank]4 hebben respectievelijk dezelfde rang als (de [1 ondervoorzitters, de rechters]1 [1 ...]1) in de rechtbank van eerste aanleg [5 , de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid]5 en de leden van het parket van de procureur des Konings en van het arbeidsauditoraat rekening gehouden met hun ancïenniteit; (, de rechters in de sociale zaken en in handelszaken en de assessoren [3 in de strafuitvoeringsrechtbank]3 strafuitvoeringszaken) hebben de onmiddellijk lagere rang, vóór de leden van ieder ander gerecht van eerste aanleg.) <W 15-7-1970, art. 22> <W 1998-02-10/32, art. 17, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 2003-05-03/45, art. 29, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003> <W 2006-05-17/36, art. 29, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [1 De voorzitters en ondervoorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank hebben dezelfde rang als respectievelijk de voorzitters en afdelingsvoorzitters van de rechtbanken, rekening gehouden met hun anciënniteit.]1
  De vrederechters en de rechters in de politierechtbank nemen onder elkaar de orde van dienstouderdom in acht.
  
Art. 314. (Les cours, le parquet fédéral [5 , le parquet de la sécurité routière]5 et les tribunaux qui assistent à une cérémonie publique observent entre eux l'ordre hiérarchique.) <L 2001-06-21/42, art. 34, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  (Les cours du travail prennent rang après les cours d'appel, le parquet fédéral après les cours du travail, [5 le parquet de la sécurité routière après le parquet fédéral,]5 les tribunaux du travail après les tribunaux de première instance et les [4 tribunaux de l'entreprise]4 après les tribunaux du travail.) <L 2001-06-21/42, art. 34, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  (Dans l'ordre des préséances individuelles les premiers présidents des cours du travail prennent rang immédiatement après les premiers présidents des cours d'appel; les procureurs généraux prennent rang après les premiers présidents; (le procureur fédéral prend rang après les procureurs généraux;) le président du tribunal de première instance, le président du tribunal du travail et le président du [4 tribunal de l'entreprise]4 prennent rang immédiatement après les procureurs généraux; [5 le procureur de la sécurité routière,]5 le procureur du Roi et l'auditeur du travail prennent rang immédiatement après les présidents des tribunaux; les présidents de chambre et les conseillers à la cour du travail ont respectivement le même rang que les présidents de chambre, les conseillers à la cour d'appel et les membres du parquet général et de l'auditorat général (ainsi que du parquet fédéral) compte tenu de leur ancienneté; les conseillers sociaux ont le rang immédiatement inférieur, mais prennent rang avant tous autres membres des juridictions de première instance. <L 2001-06-21/42, art. 34, 085; En vigueur : 20-07-2001> <L 2001-06-21/42, art. 34, 085; En vigueur : 20-07-2001>
  [1 Les présidents de division, les procureurs de division et l'auditeur de division prennent rang avant les vice-présidents. Les vice-présidents]1 (les juges et les juges de complément) au tribunal du travail et au [4 tribunal de l'entreprise]4 ont respectivement le même rang que (les [1 vice-présidents et les juges]1 [1 ...]1) au tribunal de première instance [5 , les substituts du procureur de la sécurité routière]5 et les membres du parquet du procureur du Roi et de l'auditorat du travail, compte tenu de leur ancienneté ; (les juges sociaux, les juges consulaires et les assesseurs [3 au tribunal de l'application des peines]3 ont le rang immédiatement inférieur, avant les membres de toute autre juridiction de première instance.) <L 15-07-1970, art. 22> <L 1998-02-10/32, art. 17, 057; En vigueur : 02-03-1998> <L 2003-05-03/45, art. 29, 110; En vigueur : 02-06-2003> <L 2006-05-17/36, art. 29, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  [1 Les présidents et les vice-présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police ont le même rang que, respectivement, les présidents et présidents de division des tribunaux, compte tenu de leur ancienneté.]1
  Les juges de paix et les juges au tribunal de police respectent entre eux l'ordre d'ancienneté.
  
Art. 315. Ieder magistraat en ieder griffier van de rechterlijke orde die in zijn ambt wordt hersteld na het te hebben neergelegd, kan door de Koning worden gemachtigd om op de ranglijsten, voorgeschreven bij de artikelen 310, 311 en 312, de plaats in te nemen die hij zou hebben bekleed indien hij zijn ambt niet had neergelegd.
  (Als een militair magistraat wordt benoemd of aangewezen bij het openbaar ministerie van de rechtbank van eerste aanleg of van de arbeidsrechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming of aanwijzing in die hoedanigheid bij de krijgsraad.
  [1 Derde lid opgeheven.]1
  Als een lid van de griffie van een krijgsraad wordt benoemd tot lid van de griffie van de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank, de [3 ondernemingsrechtbank]3, het vredegerecht of de politierechtbank, heeft hij rang vanaf de datum van zijn benoeming in die hoedanigheid bij dezelfde krijgsraad.) <W 1994-12-21/31, art. 143, 037; Inwerkingtreding : 1995-03-01>
  (Het [2 tweede en derde lid]2 gelden niet voor de magistraten van de tijdelijke personeelsformatie van het Militair Gerechtshof, voor de griffiers en het griffiepersoneel van de tijdelijke personeelsformatie van het auditoraat bij de krijgsraad of van het Militair Gerechtshof, voor de secretarissen en het personeel van de tijdelijke personeelsformatie van het parketsecretariaat van het auditoraat-generaal bij het Militair Gerechtshof.) <W 2003-04-10/59, art. 95, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  
Art. 315. Tout magistrat et tout greffier de l'ordre judiciaire qui, après avoir cessé ses fonctions, y est nommé à nouveau, peut être autorisé par le Roi à reprendre sur les listes de rang prévues aux articles 310, 311 et 312, la place qu'il y aurait occupée s'il ne les avait pas quittées.
  (Lorsqu'un magistrat militaire est nommé ou désigné au ministère public du tribunal de première instance ou du tribunal du travail, il prend rang à la date de sa nomination ou de sa désignation en cette qualité au conseil de guerre.
  [1 Alinéa 3 abrogé.]2
  Lorsqu'un membre du greffe d'un conseil de guerre est nommé membre du greffe du tribunal de première instance, du tribunal du travail, du [3 tribunal de l'entreprise]3, de la justice de paix ou du tribunal de police, il prend rang à la date de sa nomination en cette qualité audit conseil de guerre.) <L 1994-12-21/31, art. 143, 037; En vigueur : 1995-03-01>
  (Les [2 alinéas 2 et 3]1
ne sont pas applicables aux magistrats repris dans le cadre temporaire de la Cour militaire, aux greffiers et au personnel des greffes repris dans le cadre temporaire de l'auditorat près le conseil de guerre ou de la Cour militaire, aux secrétaires et au personnel repris dans le cadre temporaire du secrétariat de parquet de l'auditorat général près la Cour militaire.) <L 2003-04-10/59, art. 95, 107; En vigueur : 01-01-2004>
  
Art. 315bis. <INGEVOEGD bij W 2006-06-13/40, art. 46; Inwerkingtreding : 16-08-2006> De verbindingsmagistraten in jeugdzaken behouden hun plaats op de ranglijst in hun oorspronkelijk korps.
Art. 315bis. Les magistrats de liaison en matière de jeunesse conservent leur place sur la liste de rang dans leur corps d'origine.
Hoofdstuk Ibis. [1 Elektronische lijst van de leden van de rechterlijke orde]1
CHAPITRE Ierbis. [1 Liste électronique des membres de l'ordre judiciaire]1
Art. 315ter. [1 § 1. De Federale Overheidsdienst Justitie stelt een elektronische lijst op van de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, en van de [2 [3 magistraten in opleiding]3 bedoeld in]2 artikel 259octies, § 1, vierde lid, hierna "de lijst" genoemd.
   Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op die lijst boven elke andere vermelding.
   § 2. De Federale Overheidsdienst Justitie, hierna "de beheerder" genoemd, staat in voor inrichting en het beheer van de lijst. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijst en ziet erop toe dat deze voortdurend wordt bijgewerkt.
   De Federale Overheidsdienst Justitie wordt met betrekking tot de lijst beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
   § 3. De Koning bepaalt, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
   § 4. De lijst en de daarin opgenomen gegevens zullen, onder toezicht van de beheerder en voor zover noodzakelijk voor het vervullen van hun respectievelijke wettelijke opdrachten, uitsluitend kunnen worden geraadpleegd door :
   1° de Federale Overheidsdienst Justitie;
   2° de personen opgenomen in de lijst bedoeld in paragraaf 1.
   § 5. De gegevens die in de lijst zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop het gerechtelijk ambt zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, of de gerechtelijke stage bedoeld in artikel 259octies eindigt.
   § 6. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in de lijst opgenomen gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet [2 in voorkomend geval]2 het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.
   § 7. Teneinde voor de toepassing van de eerste paragraaf de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in deel II, boek II, eerste titel en de [2 [3 magistraten in opleiding]3 bedoeld in]2 artikel 259octies, § 1, vierde lid, te identificeren, is de beheerder gemachtigd om:
   1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, [2 en van de [3 magistraten in opleiding]3 bedoeld in artikel 259octies, § 1, vierde lid]2 en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
   2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
   a) naam en voornamen;
   b) geboorteplaats en -datum;
   c) datum van overlijden.
   Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.]1

  [2 Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in het eerste lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem van toepassing.]2
  
Art. 315ter. [1 § 1er. Le Service Public Fédéral Justice [2 établit]2 une liste électronique des personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et des [2 [3 magistrats en formation]3 visés]2 à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4, ci-après [2 dénommée]2 "la liste".
   Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions de cette liste l'emportent sur toute autre mention.
   § 2. Le Service Public Fédéral Justice, ci-après dénommé "le gestionnaire", met en place et gère le fonctionnement de la liste. [2 Il]2 assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de cette liste, et veille à la mise à jour permanente de celle-ci.
   Le Service Public Fédéral Justice est considéré, pour ce qui concerne la liste, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7) du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
   § 3. Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans la liste.
   § 4. La liste et les données qui y figurent pourront, sous le contrôle du gestionnaire et [2 pour autant que cela est nécessaire à]2 pour l'accomplissement de leurs mission légales respectives, être consultées exclusivement par:
   1° le Service Public Fédéral Justice;
   2° les personnes [2 reprises]2 dans la liste visée au paragraphe 1er.
   § 5. Les données reprises dans cette liste sont conservées pendant trente ans à compter du jour auquel la fonction judiciaire visée dans la deuxième partie, livre II, titre Ier, ou le stage judiciaire visé à l'article 259octies prend fin.
   § 6. Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données reprises dans la liste ou a connaissance de telles données est tenu [2 , le cas échéant,]2 d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.
   § 7. Afin d'identifier pour l'application du premier paragraphe les personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, et les [2 [3 magistrats en formation]3 visés]2 à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4, le gestionnaire est autorisée à:
   1° utiliser le numéro du Registre national des personnes qui exercent une fonction judiciaire visée à la deuxième partie, livre II, titre 1er, [2 et des [3 magistrats en formation]3 visés à l'article 259octies, § 1er, alinéa 4]2 et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
   2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
   a) nom et prénoms;
   b) lieu et date de naissance;
   c) date de décès.
   Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques [2 visés]2 à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.]1

  [2 Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte ou au traitement des données visées à l'alinéa 1er, ou a connaissance de telles données est, le cas échéant, tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.]2
  
HOOFDSTUK II. - Dienst der terechtzittingen.
CHAPITRE II. - Du service des audiences.
Art. 316. Buiten de ranglijst wordt er in de hoven en rechtbanken een lijst bijgehouden voor regeling van de dienst. De lijst wordt opgemaakt voor de hoven door de eerste voorzitters en voor de rechtbanken door de voorzitters.
  De dienstregeling, wordt ieder jaar, gedurende de acht dagen vóór de vacantie, vernieuwd. (Zij kan worden aangepast als de behoeften van de dienst het rechtvaardigen.) <W 2003-12-22/53, art. 14, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  Voor de samenstelling van de kamers wordt er rekening gehouden met de wettelijke bepalingen tot regeling van het gebruik van de talen in gerechtszaken.
  (Voor de samenstelling van de kamers, houden de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, alsook de voorzitters van de rechtbanken rekening met de rang van de leden geroepen om zitting te nemen.) <W 17-07-1984, art. 4>
Art. 316. Indépendamment de la liste de rang, il est dressé dans les cours et tribunaux une liste pour régler l'ordre de service. Cette liste est établie respectivement pour les cours par leur premier président et pour les tribunaux par leur président.
  L'ordre de service est renouvelé tous les ans, dans la huitaine qui précède les vacances. (Il peut être adapté si les besoins du service le justifient.) <L 2003-12-22/53, art. 14, 116; En vigueur : 10-01-2004>
  Pour la composition des chambres il est tenu compte des dispositions légales réglant l'emploi des langues en matière judiciaire.
  (Pour la composition des chambres, le premier président de la cour d'appel ou de la cour du travail, ainsi que les présidents des tribunaux tiennent en outre compte du rang des membres appelés à siéger.) <L 17-07-1984, art. 4>
Art. 317. Zijn de leden van een kamer talrijker dan vereist is om zitting te houden, dan wordt de dienst der zittingen onder hen verdeeld naar de orde die de kamervoorzitter bepaalt.
Art. 317. Si les membres d'une chambre dépassent le nombre requis pour siéger, le service des audiences est réparti entre eux dans l'ordre déterminé par le président de la chambre.
Art. 318. De dienst der zitting van de leden van het parket wordt voor de hoven van beroep en voor de arbeidshoven geregeld door de procureur-generaal, (voor het federaal parket door de federale procureur,) [3 voor het parket van de verkeersveiligheid door de procureur voor de verkeersveiligheid,]3 voor de rechtbank van eerste aanleg en de [2 ondernemingsrechtbank]2 door de procureur des Konings en voor de arbeidsrechtbank door de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 36, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  [4 De dienst der zitting van de leden van het parket van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de Nederlandstalige ondernemingsrechtbank te Brussel, wordt bepaald door de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde en de procureur des Konings te Brussel of de Nederlandstalige adjunct-procureur des Konings te Brussel. De dienst der zitting van de leden van het parket van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg en de Franstalige ondernemingsrechtbank te Brussel wordt bepaald door de procureur des Konings te Brussel of de Franstalige adjunct-procureur des Konings te Brussel. Wanneer de beide adjunct-procureurs des Konings tot dezelfde taalrol behoren, wijst de procureur des Konings te Brussel diegene aan die de dienst der zitting bepaalt.]4
  [4 De dienst der zitting van de leden van het parket van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank te Brussel wordt bepaald door de arbeidsauditeur van Halle-Vilvoorde en de arbeidsauditeur te Brussel of de Nederlandstalige adjunct-arbeidsauditeur te Brussel. De dienst der zitting van de leden van het parket van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel wordt bepaald door de arbeidsauditeur te Brussel of de Franstalige adjunct arbeidsauditeur te Brussel. Wanneer de beide adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel tot dezelfde taalrol behoren, wijst de arbeidsauditeur te Brussel diegene aan die de dienst der zitting bepaalt.]4]1
  
Art. 318. Le service d'audience des membres du parquet est déterminé, pour les cours d'appel et pour les cours du travail, par le procureur général, (pour le parquet fédéral par le procureur fédéral,) [3 pour le parquet de la sécurité routière par le procureur de la sécurité routière,]3 pour les tribunaux de première instance et pour les [2 tribunaux de l'entreprise]2, par le procureur du Roi et pour les tribunaux du travail, par l'auditeur du travail. <L 2001-06-21/42, art. 36, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  [1 [4 Le service d'audience des membres du parquet pour le tribunal de première instance néerlandophone et le tribunal de l'entreprise néerlandophone de Bruxelles, est déterminé par le procureur du Roi de Hal-Vilvorde et le procureur du Roi de Bruxelles ou le procureur du Roi adjoint néerlandophone de Bruxelles. Le service d'audience des membres du parquet pour le tribunal de première instance francophone et le tribunal de l'entreprise francophone de Bruxelles est déterminé selon le cas par le procureur du Roi de Bruxelles ou le procureur du Roi adjoint francophone de Bruxelles. Lorsque les deux procureurs du Roi adjoints appartiennent au même rôle linguistique, le procureur du Roi de Bruxelles désigne celui qui détermine le service d'audience.]4
   [4 Le service d'audience des membres du parquet pour le tribunal du travail néerlandophone de Bruxelles est déterminé par l'auditeur du travail de Hal-Vilvorde et l'auditeur du travail de Bruxelles ou l'auditeur du travail adjoint néerlandophone de Bruxelles. Le service d'audience des membres du parquet pour le tribunal du travail francophone de Bruxelles est déterminé par l'auditeur du travail de Bruxelles ou l'auditeur du travail adjoint francophone de Bruxelles. Lorsque les deux auditeurs du travail adjoints de Bruxelles appartiennent au même rôle linguistique, l'auditeur du travail de Bruxelles désigne celui qui détermine le service d'audience.]4]1

  
HOOFDSTUK III. - Verhindering en vervanging.
CHAPITRE III. - Des empêchements et des remplacements.
Art. 319. <W 1998-12-22/47, art. 59, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> [1 In de rechtbanken en parketten die zijn samengesteld uit een of meerdere afdelingen, wordt de korpschef vervangen door de afdelingsvoorzitter, de afdelingsprocureur of de afdelingsauditeur die hij aanwijst. Wanneer hij geen vervanger heeft aangewezen, wordt hij vervangen door de afdelingsvoorzitter, de afdelingsprocureur of de afdelingsauditeur met de hoogste dienstanciënniteit.
   In de andere gevallen wordt de korpschef vervangen door de magistraat die hij daartoe heeft aangewezen. Wanneer hij geen vervanger heeft aangewezen, wordt hij vervangen door een adjunct-mandaathouder naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een andere magistraat naar orde van dienstanciënniteit.]1

  (...). <W 2003-05-03/45, art. 30, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (De vervanger bedoeld in de vorige leden moet voldoen aan dezelfde taalvoorwaarden als de korpschef.) <W 2003-05-03/45, art. 30, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  [2 In het parket voor de verkeersveiligheid wordt de procureur voor de verkeersveiligheid vervangen door de substituut-procureur voor de verkeersveiligheid die hij daartoe heeft aangewezen. Wanneer hij geen vervanger heeft aangewezen, wordt hij vervangen door de substituut-procureur voor de verkeersveiligheid naar orde van dienstanciënniteit. Indien de verhindering langer dan drie maanden duurt, wijst het College van het openbaar ministerie onder de leden van de parketten een vervanger aan die voldoet aan dezelfde taalvoorwaarden als de procureur voor de verkeersveiligheid.]2 [3 Indien deze vervanging voltijds is, kan in het oorspronkelijk korps van de vervanger aangewezen door het College van het openbaar ministerie in een vervanging voorzien worden door middel van een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal. Artikel 323bis, § 1, tweede tot vijfde lid, is in voorkomend geval van toepassing.]3
  De vervanging neemt van rechtswege een einde bij het bereiken van de leeftijdsgrens bedoeld in artikel 383, § 1.
  
Art. 319. <L 1998-12-22/47, art. 59, 067; En vigueur : 02-08-2000> [1 Dans les tribunaux et parquets composés d'une ou plusieurs divisions, le chef de corps est remplacé par le président de division, le procureur de division ou l'auditeur de division qu'il désigne. A défaut de désignation d'un remplaçant il est remplacé par le président de division, le procureur de division ou l'auditeur de division ayant l'ancienneté de service la plus élevée.
   Dans les autres cas, le chef de corps est remplacé par le magistrat qu'il désigne à cette fin. A défaut de désignation d'un remplaçant il est remplacé par un titulaire d'un mandat adjoint dans l'ordre d'ancienneté de service ou à défaut par un autre magistrat dans l'ordre d'ancienneté de service.]1

  (...). <L 2003-05-03/45, art. 30, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  (Le remplaçant visé aux alinéas précédents doit satisfaire aux mêmes conditions linguistiques que le chef de corps.) <L 2003-05-03/45, art. 30, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  [2 Au parquet de la sécurité routière, le procureur de la sécurité routière est remplacé par le substitut du procureur de la sécurité routière qu'il désigne à cette fin. A défaut de désignation d'un remplaçant, il est remplacé par le substitut du procureur de la sécurité routière dans l'ordre d'ancienneté de service. Si l'empêchement dure plus de trois mois, le Collège du ministère public désigne un remplaçant parmi les membres des parquets qui remplissent les mêmes exigences linguistiques que le procureur de la sécurité routière.]2 [3 S'il s'agit d'un remplacement à temps plein, il peut être procédé au remplacement au sein du corps d'origine du remplaçant désigné par le Collège du ministère public par une nomination et, le cas échéant, par une désignation en surnombre. L'article 323bis, § 1er, alinéas 2 à 5, est, le cas échéant, d'application.]3
  Le remplacement prend fin de plein droit lorsque la limite d'âge visée à l'article 383, § 1er, est atteinte.
  
Art. 319bis. [1 De afdelingsvoorzitter, de afdelingsprocureur of de afdelingsauditeur die verhinderd is, wordt vervangen door de magistraat die de korpschef daartoe aanwijst. Wanneer hij geen vervanger heeft aangewezen, wordt hij vervangen door een houder van het adjunct-mandaat van ondervoorzitter of eerste substituut naar orde van dienstanciënniteit of bij ontstentenis van deze door een andere magistraat naar orde van dienstanciënniteit.]1
  [2 Naargelang de voorzitter vrederechter of rechter in de politierechtbank is, wordt de verhinderde ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank respectievelijk vervangen door de rechter in de politierechtbank of de vrederechter die de korpschef daartoe aanwijst. Gebeurt die aanwijzing niet, dan wordt hij, naargelang de voorzitter vrederechter of rechter in de politierechtbank is, vervangen door de rechter in de politierechtbank of de vrederechter met de grootste dienstanciënniteit in het arrondissement of bij gebreke daarvan in de volgorde van dienstanciënniteit.]2
  
Art. 319bis. [1 Le président de division, le procureur de division ou l'auditeur de division empêché est remplacé par le magistrat que le chef de corps désigne à cette fin. A défaut de désignation d'un remplaçant il est remplacé par un titulaire d'un mandat adjoint de vice président ou de premier substitut dans l'ordre d'ancienneté de service ou à défaut par un autre magistrat dans l'ordre d'ancienneté de service.]1
  [2 Selon que le président est juge de paix ou juge au tribunal de police, le vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police empêché est respectivement remplacé par le juge au tribunal de police ou le juge de paix que le chef de corps désigne à cette fin. A défaut, selon que le président est juge de paix ou juge au tribunal de police, il est remplacé par un juge au tribunal de police ou un juge de paix ayant l'ancienneté de service la plus élevée dans l'arrondissement ou à défaut dans l'ordre d'ancienneté de service.]2
  
Art. 320. <W 1998-12-22/47, art. 60, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Behoudens andersluidende bepalingen regelen de korpschefs van de hoven en rechtbanken of van het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken voor de dienst van de zitting de vervangingen in geval van verhindering of vacature van adjunct-mandaathouders of bijzondere mandaathouders.
Art. 320. <L 1998-12-22/47, art. 60, 067; En vigueur : 02-08-2000> Sauf dispositions contraires, les chefs de corps des cours et tribunaux ou du ministère public près les cours et tribunaux règlent les remplacements pour le service de l'audience en cas d'empêchement ou de vacance de mandataires adjoints ou de mandataires spécifiques.
Art. 321. In het hof van beroep, in het arbeidshof en in het Hof van Cassatie wordt de verhinderde raadsheer vervangen door een raadsheer van een andere kamer, die de eerste voorzitter van het hof aanwijst.
  (In het hof van beroep kan de verhinderde raadsheer ook vervangen worden door een plaatsvervangend raadsheer, die de eerste voorzitter van het hof aanwijst. [1 Uitgezonderd de plaatsvervangende magistraat bedoeld in artikel 156bis kan de plaatsvervangende raadsheer]1 niet geroepen worden om een aleenzittend raadsheer te vervangen.) <W 1997-07-19/36, art. 19, 054; Inwerkingtreding : 13-02-1997>
  (In het hof van beroep kan de kamervoorzitter, om de kamer voltallig te maken, een sinds ten minste vijftien jaar op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat oproepen om zitting te nemen). <W 17-07-1984, art. 5>
  
Art. 321. A la cour d'appel, à la cour du travail et à la Cour de cassation, le conseiller empêché est remplacé par un conseiller d'une autre chambre désigné par le premier président de la cour.
  (A la cour d'appel, le conseiller empêché peut aussi être remplacé par un conseiller suppléant désigné par le premier président de la cour. [1 A l'exception du magistrat suppléant visé à l'article 156bis, le conseiller suppléant ne peut]1 être appelé à remplacer un conseiller unique.) <L 1997-07-09/36, art. 19, 054; En vigueur : 13-08-1997>
  (A la cour d'appel, le président de la chambre peut, pour compléter le siège, appeler à siéger un avocat inscrit au tableau de l'Ordre depuis quinze ans au moins.) <L 17-07-1984, art. 5>
  
Art. 321bis. <INGEVOEGD bij W 1997-07-09/36, art. 20, Inwerkingtreding : 13-08-1997> Wanneer een plaatsvervangend raadsheer wettig verhinderd is, kan de eerste voorzitter van het hof van beroep bij beschikking een vervanger aanwijzen uit de plaatsvervangende raadsheren zoals bedoeld in artikel 102.
Art. 321bis. En cas d'empêchement légitime d'un conseiller suppléant, le premier président de la cour d'appel peut par ordonnance désigner un remplaçant parmi les conseillers suppléants visés à l'article 102.
Art. 322. In de rechtbanken van eerste aanleg kan de verhinderde rechter vervangen worden door een ander (rechter [1 ...]1 of door een plaatsvervangend rechter). Zijn er niet genoeg plaatsvervangende rechters, dan kan de voorzitter van de kamer, om de rechtbank voltallig te maken, een of twee, op het tableau van de Orde ingeschreven advocaten die ten minste dertig jaar oud zijn, oproepen om zitting te nemen. <W 1998-02-10/32, art. 18, 1°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  In de arbeidsrechtbanken en in de [3 ondernemingsrechtbanken]3 wordt de kamervoorzitter vervangen door de voorzitter van de rechtbank of door (de rechter die hij aanwijst, [1 ...]1 of een plaatsvervangend rechter). <W 1998-02-10/32, art. 18, 2°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  De verhinderde rechter in sociale zaken [4 ...]4 wordt vervangen door een plaatsvervangend rechter in sociale zaken [4 ...]4. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de arbeidsrechtbank een andere rechter in sociale zaken, naar gelang van het geval, werkgever, arbeider, bediende of zelfstandige, (een rechter [1 ...]1 of een plaatsvervangend rechter) of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om (degene die verhinderd is) te vervangen; [4 de verhinderde rechter in ondernemingszaken wordt vervangen door een andere rechter in ondernemingszaken. Bij onvoorziene afwezigheid kan de voorzitter van de ondernemingsrechtbank een rechter of een plaatsvervangend rechter of een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om degene die verhinderd is te vervangen.]4 <W 30-03-1973, art. 1> <W 1998-02-10/32, art. 18, 3°, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998> <W 2006-05-17/36, art. 30, 1°, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [2 De verhinderde assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt vervangen door een plaatsvervangend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank : de verhinderde assessor in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken wordt vervangen door een plaatsvervangend assessor in strafuitvoeringszaken gespecialiseerd in penitentiaire zaken, de verhinderde assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie wordt vervangen door een plaatsvervangend assessor in strafuitvoeringszaken en interneringszaken gespecialiseerd in sociale re-integratie, de verhinderde assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie wordt vervangen door een plaatsvervangend assessor in interneringszaken gespecialiseerd in klinische psychologie. Bij onvoorziene afwezigheid kan de rechter in de strafuitvoeringsrechtbank een andere assessor in de strafuitvoeringsrechtbank van dezelfde categorie of, bij gebrek daaraan, een assessor in de strafuitvoeringsrechtbank van een andere categorie aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen. Bij gebrek daaraan kan hij een rechter of een plaatsvervangend rechter of, bij gebrek daaraan, wanneer de behandeling van de zaak niet kan uitgesteld worden een op het tableau van de Orde ingeschreven advocaat die ten minste dertig jaar oud is, aanwijzen om de verhinderde assessor te vervangen.]2
  
Art. 322. Dans les tribunaux de première instance, le juge empêché peut être remplacé par un autre (juge [1 ...]1 ou par un juge suppléant). A défaut de juges suppléants en nombre suffisant, le président de la chambre peut, pour compléter le tribunal, appeler à siéger un ou deux avocats âgés de trente ans au moins, inscrits au tableau de l'Ordre. <L 1998-02-10/32, art. 18, 1°, 057; En vigueur : 02-03-1998>
  Dans les tribunaux du travail et les [3 tribunaux de l'entreprise]3, le président de chambre est remplacé par le président du tribunal ou par (le juge qu'il désigne [1 ...]1 ou par un juge suppléant). <L 1998-02-10/32, art. 18, 2°, 057; En vigueur : 02-03-1998>
  Le juge social [4 ...]4 empêché est remplacé par un juge social [4 ...]4 suppléant. En cas d'absence inopinée, le président du tribunal du travail peut désigner un autre juge social, selon le cas, employeur, ouvrier, employé ou indépendant, (un juge [1 ...]1 ou un juge suppléant) ou un avocat âgé de trente ans au moins inscrit au tableau de l'Ordre, pour remplacer (celui qui est) empêché [4 le juge consulaire empêché est remplacé par un autre juge consulaire. En cas d'absence inopinée, le président du tribunal de l'entreprise peut désigner un juge ou un juge suppléant ou un avocat âgé de trente ans au moins inscrit au tableau de l'Ordre, pour remplacer celui qui est empêché]4.) <L 30-03-1973, art. 1> <L 1998-02-10/32, art. 18, 3°, 057; En vigueur : 02-03-1998> <L 2006-05-17/36, art. 30, 1°, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  [2 L'assesseur au tribunal de l'application des peines empêché est remplacé par un assesseur au tribunal de l'application des peines suppléant : l'assesseur en application des peines spécialisé en matière pénitentiaire empêché est remplacé par un assesseur en application des peines spécialisé en matière pénitentiaire suppléant, l'assesseur en application des peines et internement spécialisé en réinsertion sociale empêché est remplacé par un assesseur en application des peines et internement spécialisé en réinsertion sociale suppléant, l'assesseur en internement spécialisé en psychologie clinique empêché est remplacé par un assesseur en internement spécialisé en psychologie clinique suppléant. En cas d'absence inopinée, le juge au tribunal de l'application des peines peut désigner un autre assesseur au tribunal de l'application des peines de la même catégorie, ou, à défaut, un assesseur au tribunal de l'application des peines d'une autre catégorie pour remplacer l'assesseur empêché. A défaut, il peut désigner un juge ou un juge suppléant ou, à défaut, lorsque le traitement de l'affaire ne peut être reporté, il peut désigner un avocat âgé de trente ans au moins inscrit au tableau de l'Ordre, pour remplacer l'assesseur empêché.]2
  
Art. 323. <W 1994-07-11/33, art. 32, 032; Inwerkingtreding : 1995-01-01> De verhinderde vrederechter wordt vervangen door [1 een vrederechter of]1 een plaatsvervangende vrederechter.
  De verhinderde rechter in de politierechtbank wordt vervangen door een andere rechter in de politierechtbank of een plaatsvervangend rechter in de politierechtbank.
  
Art. 323. <L 1994-07-11/33, art. 32, 032; En vigueur : 1995-01-01> Le juge de paix empêché est remplacé par [1 , un juge de paix ou]1 un juge de paix suppléant.
  Le juge au tribunal de police empêché est remplacé par un autre juge au tribunal de police ou un juge suppléant au tribunal de police.
  
Art. 323bis. <W 2000-07-17/34, art. 9, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. In de bij de wet bepaalde gevallen kan een lid van de zittende magistratuur een opdracht vervullen. (Is de opdracht voltijds, dan kan [5 ...]5 [1 ...]1, in een vervanging voorzien worden door middel van een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal). <W 2003-05-03/45, art. 31, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  De magistraten die een opdracht vervullen, behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht het ambt waarin ze werden benoemd te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan dit ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. [2 Indien de opdracht een deeltijdse opdracht betreft waaraan een wedde is verbonden, behouden zij naar rata de aan hun ambt verbonden wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.]2
  De titularissen van een adjunct-mandaat die vast zijn aangewezen en die een opdracht vervullen, behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht hun mandaat te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan het adjunct-mandaat verbonden wedde of weddebijslag met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. [2 Indien de opdracht een deeltijdse opdracht betreft waaraan een wedde is verbonden, behouden zij naar rata de aan het adjunct-mandaat verbonden wedde of weddebijslag met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.]2
   [3 De uitoefening van een opdracht maakt een einde aan het adjunct-mandaat van afdelingsvoorzitter, ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur, adjunct-procureur des Konings te Brussel of adjunct-arbeidsauditeur te Brussel. De uitoefening van de andere adjunct-mandaten waarvan de titularissen niet vast zijn aangewezen, wordt geschorst voor de duur van de opdracht. Zij behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht het ambt waarin zij werden benoemd en het adjunct-mandaat waarin zij werden aangewezen, te hebben uitgeoefend. Zij behouden de aan het adjunct-mandaat verbonden wedde of weddebijslag met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. Indien de opdracht een deeltijdse opdracht betreft waaraan een wedde is verbonden, behouden zij naar rato de aan het adjunct-mandaat verbonden wedde of weddebijslag met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen. Zij krijgen ambtshalve de beoordeling "goed" tijdens de duur van hun opdracht.]3
  De bepalingen voor de titularissen van een adjunct-mandaat die niet vast zijn aangewezen zijn van overeenkomstige toepassing op de titularissen van een bijzonder mandaat.) <W 2003-05-03/45, art. 31, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
   De korpschefs die een opdracht vervullen, verliezen hun mandaat van korpschef maar behouden hun plaats op de ranglijst en worden geacht hun mandaat te hebben uitgeoefend. Zij behouden hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen voor zover aan de opdracht geen wedde is verbonden. [2 Indien de opdracht een deeltijdse opdracht betreft waaraan een wedde is verbonden, behouden zij naar rata hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.]2 Op het einde van de opdracht (...), vallen zij onder toepassing van (artikel 259quater, [4 § 7, tweede lid]4). <W 2006-12-18/37, art. 8, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 2. De bepalingen van de eerste paragraaf zijn van overeenkomstige toepassing op de ambtenaren van het openbaar ministerie die een andere opdracht dan die bedoeld in de artikelen 327 en 327bis, vervullen.
  (§ 3. De uitoefening van de functie van directeur of van adjunct-directeur bij het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse wordt beschouwd als een opdracht in de zin van § 1.) <W 2006-07-10/31, art. 32, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  
Art. 323bis. <L 2000-07-17/34, art. 9, 080; En vigueur : 01-01-2000> § 1er. Dans les cas prévus par la loi, un magistrat du siège peut être chargé d'une mission. (En cas de mission à temps plein, il peut être procédé au remplacement [5 ...]5 [1 ...]1, par une nomination et, le cas échéant, par une désignation, en surnombre.) <L 2003-05-03/45, art. 31, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  Les magistrats chargés d'une mission conservent leur place sur la liste de rang et sont censés avoir exercé la fonction à laquelle ils étaient nommés. Ils conservent le traitement lié à cette fonction ainsi que les augmentations et avantages y afférents pour autant qu'aucun traitement soit attaché à la mission. [2 Si la mission est une mission à temps partiel à laquelle un traitement est attaché, ils conservent au prorata le traitement lié à leur fonction ainsi que les augmentations et les avantages y afférents.]2
  Les titulaires d'un mandat adjoint désignés à titre définitif chargés d'une mission conservent leur place sur la liste de rang et sont censés avoir exercé leur mandat. Ils conservent le traitement ou le supplément de traitement afférent au mandat adjoint, ainsi que les augmentations et avantages y afférents pour autant qu'aucun traitement soit attaché à la mission. [2 Si la mission est une mission à temps partiel à laquelle un traitement est attaché, ils conservent au prorata le traitement ou le supplément de traitement afférent au mandat adjoint ainsi que les augmentations et les avantages y afférents.]2
  [3 L'exercice d'une mission met fin au mandat adjoint de président de division, de vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, de procureur de division, d'auditeur de division, de procureur du Roi adjoint de Bruxelles ou d'auditeur du travail adjoint de Bruxelles. L'exercice des autres mandats adjoints dont les titulaires ne sont pas désignés à titre définitif est suspendu pour la durée de la mission. Ils conservent leur place sur la liste de rang et son censés avoir exercé la fonction à laquelle ils étaient nommés et le mandat adjoint pour lequel ils étaient désignés. Ils conservent le traitement ou le supplément de traitement afférent au mandat adjoint, ainsi que les augmentations et avantages y afférents pour autant qu'aucun traitement ne soit attaché à la mission. Si la mission est une mission à temps partiel à laquelle un traitement est attaché, ils conservent au prorata le traitement ou le supplément de traitement afférent au mandat adjoint ainsi que les augmentations et les avantages y afférents. Ils reçoivent d'office la mention "bon" pendant la durée de leur mission.]3
  Les dispositions applicables aux titulaires d'un mandat adjoint qui ne sont pas désignés à titre définitif s'appliquent par analogie aux titulaires d'un mandat spécifique.) <L 2003-05-03/45, art. 31, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  Les chefs de corps chargés d'une mission perdent leur mandat de chef de corps mais conservent leur place sur la liste de rang et sont censés avoir exercé leur mandat. Ils conservent leur traitement ainsi que les augmentations et avantages y afférents pour autant qu'aucun traitement ne soit attaché à la mission. [2 Si la mission est une mission à temps partiel à laquelle est attaché un traitement, ils conservent au prorata leur traitement et les augmentations et avantages y afférents.]2 A la fin de la mission (...), ils tombent sous l'application de (l'article 259quater, [4 § 7, alinéa 2]4). <L 2006-12-18/37, art. 8, 2°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  § 2. Les dispositions du paragraphe premier sont applicables par analogie aux officiers du ministère public chargés d'une mission autre que celle prévue aux articles 327 et 327bis.
  (§ 3. L'exercice de la fonction de directeur ou de directeur-adjoint auprès de l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace est considéré comme une mission au sens du § 1er.) <L 2006-07-10/31, art. 32, 136; En vigueur : 01-12-2006>
  
Art. 323ter. [1 Opdrachten die in het kader van het ministerieel besluit van 16 december 2021 houdende maatregelen van interne organisatie met het oog op de coördinatie, stroomlijning en versnelling van de digitalisering van Justitie worden uitgeoefend door magistraten van de zetel worden beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 1.]1
  
Art. 323ter. [1 Les missions exécutées par des magistrats du siège dans le cadre de l'arrêté ministériel du 16 décembre 2021 portant des mesures d'organisations internes en vue de la coordination, la rationalisation et l'accélération de la digitalisation de la Justice sont considérées comme une mission au sens de l'article 323bis, § 1er.]1
  
Art. 324. <HERSTELD bij W 2006-12-18/37, art. 9, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008> Na afloop van hun mandaat kunnen de korpschefs bedoelt in artikel 58bis, 2°, door de Minister van Justitie met een bijzondere opdracht binnen of buiten de rechterlijke orde worden belast.
Art. 324. Au terme de leur mandat, les chefs de corps, visés à l'article 58bis, 2°, peuvent être chargés d'une mission spéciale par le Ministre de la Justice dans ou hors de l'ordre judiciaire.
Art. 325. (...) <W 1998-12-22/47, art. 63, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000>
  Bij afwezigheid of verhindering van de substituut-procureurs-generaal of van de substituten-generaal wordt de dienst van het parket waargenomen door de advocaten-generaal.
Art. 325. (...) <L 1998-12-22/47, art. 63, 067; En vigueur : 02-08-2000>
  En cas d'absence ou d'empêchement des substituts du procureur général ou des substituts généraux, le service du parquet est fait par les avocats généraux.
Art. 326. <W 2004-04-12/38, art. 12, 118; Inwerkingtreding : 17-05-2004> § 1. [1 ...]1.
  § 2. [1 Onverminderd artikel 100, § 2, eerste lid, wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur- generaal voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar opdracht geven aan :]1
  1° een magistraat van het parket-generaal om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het arbeidsauditoraat-generaal, in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van het rechtsgebied;
  2° een magistraat van het arbeidsauditoraat-generaal om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het parket-generaal, in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van het rechtsgebied;
  3° een magistraat van een parket van de procureur des Konings van zijn rechtsgebied om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het parket-generaal, in het arbeidsauditoraat-generaal, in een ander parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van hetzelfde rechtsgebied;
  4° een magistraat van een arbeidsauditoraat van zijn rechtsgebied om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen in het parket-generaal, in het arbeidsauditoraat-generaal, in een ander arbeids-auditoraat of in een parket van de procureur des Konings van hetzelfde rechtsgebied.
  De opdracht wordt gegeven na [1 ...]1 advies van de betrokken korpschefs.
  § 3. De procureur-generaal bij het hof van beroep kan, binnen zijn rechtsgebied, een of meer magistraten van het parket-generaal, van het arbeidsauditoraat-generaal of, in overleg met de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, van het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat aanwijzen, op wie de federale procureur of de Minister van Justitie bij voorrang een beroep kan doen met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste en tweede lid.
  § 4. Wanneer de noodwendigheden van de dienst het rechtvaardigen, kan de Minister van Justitie opdracht geven aan :
  1° een magistraat van een parket-generaal bij een hof van beroep om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen (in het parket-generaal bij het Hof van Cassatie,) in een parket-generaal bij een ander hof van beroep, in een arbeidsauditoraat-generaal van een ander rechtsgebied, of in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van een ander rechtsgebied; <W 2004-12-27/31, art. 3, 121; Inwerkingtreding : 01-09-2004>
  2° een magistraat van een arbeidsauditoraat-generaal om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen (in het parket-generaal bij het Hof van Cassatie,) in een ander arbeidsauditoraat-generaal, in het parket-generaal bij een hof van beroep van een ander rechtsgebied, of in een arbeidsauditoraat of een parket van de procureur des Konings van een ander rechtsgebied; <W 2004-12-27/31, art. 3, 121; Inwerkingtreding : 01-09-2004>
  3° een magistraat van een parket van de procureur des Konings om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen, hetzij in een parket-generaal bij een hof van beroep of in een arbeidsauditoraat-generaal van een ander rechtsgebied, hetzij in een parket van de procureur des Konings of in een arbeidsauditoraat van een ander rechtsgebied;
  4° een magistraat van een arbeidsauditoraat om het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waar te nemen hetzij in een parket-generaal bij een hof van beroep of in een arbeidsauditoraat-generaal van een ander rechtsgebied, hetzij in een arbeidsauditoraat of in een parket van de procureur des Konings van een ander rechtsgebied.
  In de in deze paragraaf bepaalde gevallen wordt de opdracht gegeven na [1 ...]1 advies van de betrokken korpschefs.
  § 5. De Minister van Justitie kan, op eensluidend voorstel van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en van de procureur-generaal bij dit Hof, opdracht geven aan magistraten van de hoven en rechtbanken om een ambt uit te oefenen in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. De duur van de opdracht is beperkt tot zes jaar.
  § 6. De beslissing tot het geven van een opdracht genomen krachtens de §§ 2 en 4 en de aanwijzingsbeslissing genomen krachtens § 3 geeft de redenen aan die de maatregel onontbeerlijk maakt met het oog op de noodwendigheden van de dienst. De beslissingen bepalen bovendien de nadere regels betreffende de opdracht of de aanwijzing.
  § 7. [1 In de gevallen bedoeld in § 2, kan de magistraat slechts opdracht worden gegeven nadat hij is gehoord. In de gevallen bedoeld in §§ 4 en 5, kan de opdracht aan de magistraat slechts met zijn toestemming gegeven worden. Ingeval de ontstentenis van deze toestemming kennelijk de continuïteit van de dienst in gevaar brengt, kan de minister van Justitie, na eensluidend advies van de procureur- generaal en zonder de toestemming van de betrokken magistraat van het openbaar ministerie tot de opdracht besluiten. Deze laatste wordt echter vooraf gehoord.]1
  
Art. 326. <L 2004-04-12/38, art. 12, 118; En vigueur : 17-05-2004> § 1er. [1 ...]1
  § 2. [1 Sans préjudice de l'article 100, § 2, alinéa 1er, lorsque les nécessités du service le justifient, le procureur général peut déléguer pour une période maximale d'un an renouvelable :]1
  1° un magistrat du parquet général pour exercer temporairement les fonctions du ministère public à l'auditorat général du travail, dans un parquet du procureur du Roi ou dans un auditorat du travail du ressort;
  2° un magistrat de l'auditorat général du travail pour exercer temporairement les fonctions du ministère public au parquet général, dans un parquet du procureur du Roi ou dans un auditorat du travail du ressort;
  3° un magistrat d'un parquet du procureur du Roi de son ressort pour exercer temporairement les fonctions du ministère public au parquet général, à l'auditorat général du travail, dans un autre parquet du procureur du Roi ou dans un auditorat du travail du même ressort;
  4° un magistrat d'un auditorat du travail de son ressort pour exercer temporairement les fonctions du ministère public au parquet général, à l'auditorat général du travail, dans un autre auditorat du travail ou dans un parquet du procureur du Roi du même ressort.
  La délégation est décidée sur avis [1 ...]1 des chefs de corps concernés.
  § 3. Le procureur général près la cour d'appel peut, dans son ressort, désigner un ou plusieurs magistrats du parquet général, de l'auditorat général du travail ou, en concertation avec le procureur du Roi ou l'auditeur du travail, un ou plusieurs magistrats du parquet du procureur du Roi ou de l'auditorat du travail, auxquels le procureur fédéral ou le Ministre de la Justice peuvent faire appel par priorité en application de l'article 144bis, § 3, alinéas 1er et 2.
  § 4. Lorsque les nécessités du service le justifient, le Ministre de la Justice peut déléguer :
  1° un magistrat du parquet général près une cour d'appel pour exercer temporairement les fonctions du ministère public (au parquet général près la Cour de cassation,) au parquet général près d'une autre cour d'appel, à l'auditorat général du travail d'un autre ressort, ou dans un parquet du procureur du Roi ou un auditorat du travail d'un autre ressort; <L 2004-12-27/31, art. 3, 121; En vigueur : 02-06-2003>
  2° un magistrat d'un auditorat général du travail pour exercer temporairement les fonctions du ministère public (au parquet général près la Cour de cassation,) dans un autre auditorat général du travail, au parquet général près une cour d'appel d'un autre ressort, ou dans un auditorat du travail ou un parquet du procureur du Roi d'un autre ressort; <L 2004-12-27/31, art. 3, 121; En vigueur : 02-06-2003>
  3° un magistrat d'un parquet du procureur du Roi pour exercer temporairement les fonctions du ministère public soit au parquet général près une cour d'appel ou à l'auditorat général du travail d'un autre ressort, soit dans un parquet du procureur du Roi ou un auditorat du travail d'un autre ressort;
  4° un magistrat d'un auditorat du travail pour exercer temporairement les fonctions du ministère public, soit au parquet général près une cour d'appel ou à l'auditorat général du travail d'un autre ressort, soit dans un auditorat du travail ou un parquet du procureur du Roi d'un autre ressort.
  Dans les cas prévus au présent paragraphe, la désignation est donnée sur avis [1 ...]1 des chefs de corps concernés.
  § 5. Le Ministre de la Justice peut, sur proposition conforme du premier président de la Cour de cassation et du procureur général près cette Cour, déléguer des magistrats des cours et tribunaux pour exercer des fonctions au sein du service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation. La durée de la délégation ne peut excéder six ans.
  § 6. La décision de délégation prise en vertu des §§ 2 et 4 et la décision de désignation prise en vertu du § 3 indiquent les motifs qui rendent cette mesure indispensable au regard des nécessités du service. Ces décisions précisent en outre les modalités de la délégation ou de la désignation.
  § 7. [1 Dans les cas visés au § 2, le magistrat ne peut pas être délégué sans avoir été préalablement entendu. Dans les cas visés aux §§ 4 et 5, le magistrat ne peut être délégué qu'avec son consentement. Au cas où, par l'omission de ce consentement, la continuité du service public est manifestement en péril, le ministre de la Justice peut décider, sur avis conforme du procureur général, de déléguer un magistrat du ministère public sans son consentement. Ce dernier est toutefois préalablement entendu.]1
  
Art. 326bis. <INGEVOEGD bij W 2006-12-27/33, art. 83; Inwerkingtreding : 01-02-2007> In geval een substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken verhinderd is, wijst de procureur-generaal bij het hof van beroep een magistraat van een parket van de procureur des Konings van zijn rechtsgebied aan om hem te vervangen.
  In uitzonderlijke gevallen wijst de procureur-generaal bij het hof van beroep, na het advies van de betrokken korpschefs te hebben ingewonnen, een magistraat van een parket van de procureur des Konings van zijn rechtsgebied aan [1 de opleiding waarin voorzien wordt in artikel 259sexies, § 1, 5°, vierde lid, heeft gevolgd]1, om het ambt van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken uit te oefenen voor een termijn van ten hoogste twee jaar.
  Indien nodig geeft de Minister van Justitie, met inachtneming van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken en na advies van de betrokken korpschefs en procureurs-generaal, opdracht aan een magistraat van het openbaar ministerie van een ander rechtsgebied [1 de opleiding waarin voorzien wordt in artikel 259sexies, § 1, 5°, vierde lid, heeft gevolgd]1, om het ambt van substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken uit te oefenen.
  De aanwijzingen bedoeld in het eerste en tweede lid en de opdracht bedoeld in het derde lid kunnen slechts met toestemming van de magistraat worden gegeven. In geval de ontstentenis van deze toestemming kennelijk de continuïteit van de dienst in gevaar brengt, kunnen, na eensluidend bijkomend advies van de betrokken korpschefs hieromtrent, de procureur-generaal, voor de in het eerste en tweede lid bedoelde aanwijzingen en de Minister van Justitie, voor de in het derde lid bedoelde opdracht, zonder de toestemming van de betrokken magistraat, tot de aanwijzing of de opdracht besluiten.
  
Art. 326bis. En cas d'empêchement d'un substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines, le procureur général près la cour d'appel désigne un magistrat d'un parquet du procureur du Roi de son ressort pour le remplacer.
  En cas de circonstances exceptionnelles, après avoir recueilli l'avis des chefs de corps concernés, le procureur général près la cour d'appel désigne un magistrat d'un parquet du procureur du Roi de son ressort, qui a suivi [1 la formation prévue à l'article 259sexies, § 1er, 5°, alinéa 4]1, pour exercer les fonctions de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines pour une période de deux ans au plus.
  Au besoin, le Ministre de la Justice délègue, dans le respect de la loi sur l'emploi des langues en matière judiciaire et sur avis des chefs de corps et des procureurs généraux concernés, un magistrat du ministère public d'un autre ressort qui a suivi [1 la formation prévue à l'article 259sexies, § 1er, 5°, alinéa 4]1, pour exercer les fonctions de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines.
  Les désignations visées à l'alinéa 1er et 2 et la délégation visée à l'alinéa 3 ne peuvent avoir lieu qu'avec le consentement du magistrat. Au cas où, par l'omission de ce consentement, la continuité du service public est manifestement en péril, le procureur général, pour les désignations prévues à l'alinéa 1er et 2 et le Ministre de la Justice, pour la délégation prévue à l'alinéa 3, peuvent, sur avis conforme supplémentaire des chefs de corps concernés, décider de la désignation ou de la délégation sans le consentement du magistrat concerné.
  
Art. 326ter. [1 § 1. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan het College van het openbaar ministerie, mits in achtneming van de taalvereisten, een magistraat van een parket van de procureur des Konings opdragen het ambt van substituut-procureur voor de verkeersveiligheid tijdelijk uit te oefenen.
   De opdracht wordt gegeven na advies van de betrokken korpschefs en na de betrokken magistraat te hebben gehoord.
   § 2. Een lid van het parket voor de verkeersveiligheid kan, mits akkoord van de betrokken procureur des Konings of arbeidsauditeur, het ambt van openbaar ministerie tijdelijk waarnemen in het parket van de procureur des Konings of het arbeidsauditoraat.
   § 3. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan het College van het openbaar ministerie, op voorstel van de procureur voor de verkeersveiligheid en na overleg met de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank opdragen om in het parket voor de verkeersveiligheid de opdrachten van het openbaar ministerie tijdelijk uit te oefenen in het kader van welbepaalde dossiers. [2 Deze opdracht kan al dan niet vanuit de standplaats worden uitgeoefend.]2 Tijdens de uitoefening van zijn opdracht heeft deze magistraat dezelfde bevoegdheden als de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid.
   De voormelde magistraten oefenen in die gevallen deze taak uit onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de procureur voor de verkeersveiligheid. Hun overige taken oefenen zij verder onder de onmiddellijke leiding en toezicht van hun korpschef uit.
   Ingeval omtrent de voormelde opdrachten geen overeenstemming bestaat tussen de procureur voor de verkeersveiligheid en de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, beslist het College van het openbaar ministerie.]1

  
Art. 326ter. [1 § 1er. Lorsque les nécessités du service le justifient, le Collège du ministère public peut, dans le respect des exigences en matière linguistique, déléguer un magistrat d'un parquet du procureur du Roi pour exercer temporairement la fonction de substitut du procureur de la sécurité routière.
   La délégation est décidée sur avis des chefs de corps concernés et après avoir entendu le magistrat concerné.
   § 2. Un membre du parquet de la sécurité routière peut, avec l'accord du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail concerné, exercer temporairement les fonctions du ministère public au parquet du procureur du Roi ou à l'auditorat du travail.
   § 3. Si les besoins du service le justifient, le Collège du ministère public peut, sur proposition du procureur de la sécurité routière, et après concertation avec le procureur général, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail compétent, déléguer un membre d'un parquet général, d'un auditorat général près la cour du travail, d'un parquet du procureur du Roi ou d'un auditorat du travail près le tribunal du travail pour exercer temporairement les fonctions du ministère public dans le parquet de la sécurité routière dans le cadre de dossiers déterminés. [2 Ces fonctions peuvent être exercées ou non à partir de sa résidence.]2 Dans l'exercice de ses fonctions, ce magistrat a les mêmes compétences que les substituts du procureur de la sécurité routière.
   Dans ces cas, les magistrats précités exercent cette tâche sous la direction et la surveillance immédiates du procureur de la sécurité routière. Ils continuent à exercer leurs autres tâches sous la direction et la surveillance immédiates de leur chef de corps.
   Si le procureur de la sécurité routière et le procureur général, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail compétent ne sont pas parvenus à un accord sur les missions précitées, le Collège du ministère public décide.]1

  
Art. 327. (lid opgeheven) <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (Onverminderd de toepassing van artikel 326 kan de Minister van Justitie, op gelijkluidend advies van de procureur-generaal onder wie de magistraat ressorteert, aan magistraten van een parket van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur een opdracht geven in dienst van de Koning of voor federale overheidsdiensten (, beleidsorganen en secretariaten,) of bij regeringscommissies, -instellingen of -diensten.) <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 4, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (De Minister van Justitie kan eveneens, op gelijkluidend advies van de bevoegde procureur-generaal aan magistraten van het parket bij een gerecht van hoger beroep opdracht geven in dienst van de Koning of voor federale overheidsdiensten (, beleidsorganen en secretariaten).) <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 4, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (De opdrachten bepaald in het (eerste en tweede) lid mogen niet voor meer dan zes jaar worden gegeven behalve wat betreft de opdracht in dienst van de Koning, die van onbepaalde duur is.) <W 25-07-1974, art. 1> <W 2003-04-10/59, art. 96, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  (De bepalingen van artikel 323bis, § 1, tweede tot vijfde lid, zijn van toepassing op de vorige leden.) <W 2000-07-17/34, art. 10, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 327. (alinéa abrogé) <L 2003-04-10/59, art. 96, 107; En vigueur : 01-01-2004>
  (Sans préjudice de l'application de l'article 326, le Ministre de la Justice peut, de l'avis conforme du procureur général dont relève le magistrat, déléguer des magistrats d'un parquet du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail au service du Roi, ou dans des services publics fédéraux (, organes stratégiques et secrétariats) ou auprès de commissions, d'organismes ou d'offices gouvernementaux.) <L 2003-04-10/59, art. 96, 107; En vigueur : 01-01-2004> <L 2004-12-27/31, art. 4, 121; En vigueur : 02-06-2003>
  (Le Ministre de la Justice peut aussi, de l'avis conforme du procureur général compétent déléguer des magistrats d'un parquet près une juridiction d'appel au service du Roi ou dans des services publics fédéraux (, organes stratégiques et secrétariats).) <L 2003-04-10/59, art. 96, 107; En vigueur : 01-01-2004> <L 2004-12-27/31, art. 4, 121; En vigueur : 02-06-2003>
  (La durée des délégations prévues aux alinéas (1° et 2°) ne peut excéder six ans sauf en ce qui concerne la délégation au service du Roi, qui a une durée illimitée.) <L 25-07-1974, art. 1> <L 2003-04-10/59, art. 96, 107; En vigueur : 01-01-2004>
  (Les dispositions de l'article 323bis, § 1er, alinéas 2 à 5, sont d'application aux alinéas précédents.) <L 2000-07-17/34, art. 10, 080; En vigueur : 01-01-2000>
Art. 327bis. <INGEVOEGD bij W 1993-08-06/30, art. 60; Inwerkingtreding : 19-08-1993> (Onverminderd de toepassing van artikel 327, kan de Minister van Justitie op gelijkluidend advies van de bevoegde procureur-generaal aan magistraten van een parket opdracht geven om bij de Federale Overheidsdienst Justitie (, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse) en bij de Cel voor financiële informatieverwerking een specifieke opdracht te vervullen, omschreven in een wets- of verordeningsbepaling.) <W 2003-04-10/59, art. 97, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2006-07-10/31, art. 32, 136; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  De duur van deze opdracht wordt vastgesteld in voormelde wets- of verordeningsbepaling.
  (De bepalingen van artikel 323bis, § 1, zijn van toepassing op de vorige leden.) <W 2000-07-17/34, art. 11, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 327bis. (Sans préjudice de l'application de l'article 327, le Ministre de la Justice peut, de l'avis conforme du procureur général compétent déléguer au Service public fédéral Justice (l'Organe de coordination pour l'analyse de la menace) et à la Cellule de traitement des informations financières des magistrats d'un parquet pour assumer une mission spécifique déterminée par une disposition légale ou réglementaire.) <L 2003-04-10/59, art. 97, 107; En vigueur : 01-01-2004> <L 2006-07-10/31, art. 33, 136; En vigueur : 01-12-2006>
  La durée de cette délégation est fixée dans ladite disposition légale ou réglementaire.
  (Les dispositions de l'article 323bis, § 1er, sont applicables aux alinéas précédents.) <L 2000-07-17/34, art. 11, 080; En vigueur : 01-01-2000>
Art. 327ter. [1 In uitzonderlijke gevallen kan de minister bevoegd voor Justitie, op gezamenlijk voorstel van de directeur en de bevoegde procureur-generaal, procureur des Konings of arbeidsauditeur, een lid van een parket-generaal, van een auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van een parket van de procureur des Konings of van een arbeidsauditoraat bij de arbeidsrechtbank tijdelijk een opdracht geven binnen het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring.
   De magistraat kan slechts de opdracht worden gegeven nadat hij is gehoord.
   De voormelde magistraten oefenen in die gevallen deze taak uit onder de onmiddellijke leiding en toezicht van de directeur van het Centraal Orgaan. Hun overige taken oefenen zij verder onder de onmiddellijke leiding en toezicht van hun korpschef uit.]1

  
Art. 327ter. [1 Dans des cas exceptionnels, le ministre qui a la Justice dans ses attributions peut, sur proposition conjointe du directeur et du procureur général, du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail concerné, confier à titre temporaire une mission au sein de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation à un membre d'un parquet général, d'un auditorat général près la cour du travail, d'un parquet du procureur du Roi ou d'un auditorat du travail près le tribunal du travail.
   Le magistrat ne peut se voir confier la mission qu'après avoir été entendu.
   Dans ces cas, les magistrats précités exercent cette tâche sous la direction et la surveillance immédiates du directeur de l'Organe central. Ils continuent à exercer leurs autres tâches sous la direction et la surveillance immédiates de leur chef de corps.]1

  
Art. 327quater. [1 Opdrachten die in het kader van het ministerieel besluit van 16 december 2021 houdende maatregelen van interne organisatie met het oog op de coördinatie, stroomlijning en versnelling van de digitalisering van Justitie worden uitgeoefend door magistraten van het openbaar ministerie worden beschouwd als een opdracht in de zin van artikel 323bis, § 2.]1
  
Art. 327quater. [1 Les missions exécutées par des magistrats du ministère public dans le cadre de l'arrêté ministériel du 16 décembre 2021 portant des mesures d'organisations internes en vue de la coordination, la rationalisation et l'accélération de la digitalisation de la Justice sont considérées comme une mission au sens de l'article 323bis, § 2.]1
  
Art. 328. <W 1997-02-17/50, art. 77, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Bij verhindering wordt de hoofdgriffier in de hoven, de rechtbanken en de politierechtbanken vervangen door de griffier-hoofd van dienst of de griffier die hij aanwijst; in de vredegerechten wordt de hoofdgriffier vervangen door de griffier (...) die hij aanwijst. <W 2007-04-25/64, art. 112, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  Wanneer de hoofdgriffier van een hof, van een rechtbank, van een vredegerecht of van een politierechtbank zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing te doen (of wanneer hij overlijdt of zijn ambt neerlegt), wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de eerste voorzitter van het hof, de voorzitter van de rechtbank, [1 of de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank]1. <W 2003-05-03/45, art. 34, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Bij verhindering van een griffier-hoofd van dienst, kan deze worden vervangen door een griffier die de hoofdgriffier hiertoe aanwijst.) <W 2006-06-10/68, art. 45, 1°, 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  [1 Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de eerste voorzitter, op advies van de hoofdgriffier en in voorkomend geval van de voorzitter, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, opdracht geven aan :
   1° een personeelslid van niveau A of B, zonder zijn toestemming, zijn ambt uit te oefenen in een andere griffie van het rechtsgebied voor een periode van ten hoogste een jaar. De opdracht kan worden [2 hernieuwd]2 ingeval de betrokkene daarin toestemt;
   2° een personeelslid van niveau A of B, zonder zijn toestemming, zijn functie uit te oefenen in een andere griffie van het arrondissement voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar;
   3° een personeelslid van niveau C of D, zonder zijn toestemming, zijn functie uit te oefenen in een andere griffie van de afdeling, of in een andere griffie van het arrondissement Brussel, Waals-Brabant of Leuven voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.
   De opdrachtbeschikking geeft de redenen van de opdracht op en bepaalt de nadere regels ervan. Indien de toestemming niet vereist is, wordt de betrokken persoon op voorhand gehoord door de eerste voorzitter.]1

  (Vijfde lid opgeheven). <W 2007-04-25/64, art. 112, 3°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  In alle voormelde gevallen is een nieuwe eedaflegging overbodig.
  (Laatste lid opgeheven) <W 2006-06-10/68, art. 45, 2°, 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  
Art. 328. <L 1997-02-17/50, art. 77, 045; En vigueur : 01-07-1997> En cas d'empêchement dans les cours, les tribunaux et les tribunaux de police, le greffier en chef est remplacé par le greffier-chef de service ou le greffier qu'il désigne; dans les justices de paix, le greffier en chef est remplacé par le greffier (...) qu'il désigne. <L 2007-04-25/64, art. 112, 1°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  Lorsque le greffier en chef d'une cour, d'un tribunal, d'une justice de paix ou d'un tribunal de police est dans l'impossibilité de faire cette désignation (ou s'il vient à décéder ou à cesser ses fonctions), il est pourvu à son remplacement, selon le cas, par le premier président de la cour, le président du tribunal [1 ou le président des juges de paix et des juges au tribunal de police]1. <L 2003-05-03/45, art. 34, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  (En cas d'empêchement d'un greffier-chef de service, celui-ci peut être remplacé par un greffier que le greffier en chef désigne à cet effet.) <L 2006-06-10/68, art. 45, 1°, 141; En vigueur : 01-12-2006>
  [1 Quand les nécessités du service le justifient, le premier président peut, sur avis du greffier en chef et, le cas échéant, du président, déléguer dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire :
   1° un membre du personnel de niveau A ou B, sans son consentement, pour exercer ses fonctions dans un autre greffe du ressort pendant une période maximum d'un an. La délégation peut être renouvelée si l'intéressé y consent;
   2° un membre du personnel de niveau A ou B, sans son consentement, pour exercer ses fonctions dans un autre greffe de l'arrondissement pendant une période maximale d'un an renouvelable;
   3° un membre du personnel de niveau C ou D, sans son consentement, pour exercer ses fonctions dans un autre greffe de la division ou dans un autre greffe de l'arrondissement de Bruxelles, du Brabant wallon ou de Louvain pendant une période maximale d'un an renouvelable.
   L'ordonnance de délégation indique les motifs de la délégation et en précise les modalités. Dans les cas où le consentement n'est pas requis, la personne concernée est préalablement entendue par le premier président.]1

  (Alinéa 5 abrogé). <L 2007-04-25/64, art. 112, 3°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  Dans tous les cas précités, une nouvelle prestation de serment est superflue.
  (Dernier alinéa abrogé) <L 2006-06-10/68, art. 45, 2°, 141; En vigueur : 01-12-2006>
  
Art. 328/1. [1 Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de procureur-generaal, op advies van de hoofdsecretaris en, in voorkomend geval, van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, met inachtneming van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, opdracht geven aan :
   1° een personeelslid van niveau A of B, zonder zijn toestemming, zijn ambt uit te oefenen in een ander parketsecretariaat van het rechtsgebied voor een periode van ten hoogste een jaar. De opdracht kan worden hernieuwd ingeval de betrokkene daarin toestemt;
   2° een personeelslid van niveau A of B, zonder zijn toestemming, zijn ambt uit te oefenen in een ander parketsecretariaat van het arrondissement voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar;
   3° een personeelslid van niveau C of D, zonder zijn toestemming, zijn functie uit te oefenen in een ander parketsecretariaat van de afdeling, of in een ander parketsecretariaat van het arrondissement Brussel, Waals-Brabant of Leuven voor een hernieuwbare periode van ten hoogste een jaar.
   De opdrachtbeschikking geeft de redenen van de opdracht op en bepaalt de nadere regels ervan. Indien de toestemming niet vereist is, wordt de betrokken persoon vooraf gehoord door de procureur-generaal.]1

  
Art. 328/1. [1 Quand les nécessités du service le justifient, le procureur général peut, sur avis du secrétaire en chef et, le cas échéant, du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, déléguer, dans le respect de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire :
   1° un membre du personnel de niveau A ou B, sans son consentement, pour exercer ses fonctions dans un autre secrétariat de parquet du ressort pendant une période maximale d'un an. La délégation peut être renouvelée si l'intéressé y consent;
   2° un membre du personnel de niveau A ou B, sans son consentement, pour exercer ses fonctions dans un autre secrétariat de parquet de l'arrondissement pendant une période maximale d'un an renouvelable;
   3° un membre du personnel de niveau C ou D, sans son consentement, pour exercer ses fonctions dans un autre secrétariat de parquet de la division, ou dans un autre secrétariat de parquet de l'arrondissement de Bruxelles, du Brabant wallon ou de Louvain pendant une période maximale d'un an renouvelable.
   L'ordonnance de délégation indique les motifs de la délégation et en précise les modalités. Dans les cas où le consentement n'est pas requis, la personne concernée est préalablement entendue par le procureur général.]1

  
Art. 329. <W 1997-02-17/50, art. 78, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Wanneer de hoofdgriffier, (en de griffiers) verhinderd zijn of wanneer de zaak geen uitstel gedoogt tot een griffier tegenwoordig is, kan de rechter zich als griffier een (een personeelslid met de graad van deskundige, assistent of medewerker) van de griffie toevoegen. <W 2006-06-10/68, art. 46, 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <W 2007-04-25/64, art. 113, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
Art. 329. <L 1997-02-17/50, art. 78, 045; En vigueur : 01-07-1997> Lorsque le greffier en chef (et les greffiers) se trouvent empêchés ou lorsqu'il y aurait péril à attendre qu'un greffier fût présent, le juge peut assumer, en qualité de greffier, (un membre du personnel revêtu du grade d'expert, d'assistant ou de collaborateur) du greffe. <L 2006-06-10/68, art. 46, 141; En vigueur : 01-12-2006> <L 2007-04-25/64, art. 113, 154; En vigueur : 01-12-2008>
Art. 329bis. <INGEVOEGD bij W 1997-02-17/50, art. 79; Inwerkingtreding : 01-07-1997> Bij verhindering wordt de hoofdsecretaris van het parket vervangen door de secretaris-hoofd van dienst of de secretaris die hij aanwijst. Wanneer hij zich in de onmogelijkheid bevindt om die aanwijzing te doen (of wanneer hij overlijdt of zijn ambt neerlegt), wordt in zijn vervanging voorzien, naar gelang van het geval, door de procureur-generaal, (de federale procureur), [1 de procureur voor de verkeersveiligheid,]1 de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. <W 2001-06-21/42, art. 39, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2006-06-10/68, art. 47, 1°, 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  Een nieuwe eedaflegging is overbodig.
  (Bij verhindering van een secretaris-hoofd van dienst, kan deze worden vervangen door een secretaris die de hoofdsecretaris hiertoe aanwijst.) <W 2006-06-10/68, art. 47, 2°, 141; Inwerkingtreding : 01-12-2006>
  
Art. 329bis. En cas d'empêchement, le secrétaire en chef du parquet est remplacé par le secrétaire-chef de service ou le secrétaire qu'il désigne. Lorsqu'il se trouve dans l'impossibilité de faire cette désignation (ou s'il vient à décéder ou à cesser ses fonctions), il est pourvu à son remplacement, selon le cas, par le procureur général, (le procureur fédéral), [1 le procureur de la sécurité routière,]1 le procureur du Roi ou l'auditeur du travail. <L 2001-06-21/42, art. 39, 085; En vigueur : 21-05-2002> <L 2006-06-10/68, art. 47, 1°, 141; En vigueur : 01-12-2006>
  Une prestation nouvelle de serment est superflue.
  (En cas d'empêchement d'un secrétaire-chef de service, celui-ci peut être remplacé par un secrétaire que le secrétaire en chef désigne à cet effet.) <L 2006-06-10/68, art. 47, 2°, 141; En vigueur : 01-12-2006>
  
Art. 330. <W 1997-02-17/50, art. 80, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> (Onverminderd de toepassing van de artikelen 328 en 329 kan de Minister van Justitie het gerechtspersoneel van het niveau A alsmede de griffiers, een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun griffie, in een andere griffie, een steundienst, in federale overheidsdiensten [1 , beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]1 in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.) <W 2007-04-25/64, art. 114, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  Het bepaalde in het eerste lid is van toepassing op de hoofdgriffiers wat betreft de opdrachten ((in federale overheidsdiensten) (, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten) of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring), in regeringscommissies, -instellingen of -diensten. <W 2003-03-26/63, art. 26, 106; Inwerkingtreding : 02-05-2003> <W 2003-04-10/59, art. 98, 107; Inwerkingtreding : 01-01-2004> <W 2004-12-27/31, art. 5, 121; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  (Onverminderd de toepassing van artikel 375, blijft het gerechtspersoneel van het niveau A alsmede de griffiers, aan wie aldus opdracht is gegeven, hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten.) <W 2007-04-25/64, art. 114, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  
Art. 330. <L 1997-02-17/50, art. 80, 045; En vigueur : 01-07-1997> (Sans préjudice de l'application des articles 328 et 329, le ministre de la Justice peut déléguer à d'autres fonctions égales ou supérieures dans leur greffe, un autre greffe, un service d'appui, des services publics fédéraux [1 , organes stratégiques et secrétariats, dans des cabinets ministériels ou auprès de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]1 ou dans des commissions, organismes ou offices gouvernementaux, le personnel judiciaire de niveau A et des greffiers. L'article 327bis peut leur être appliqué conformément à une disposition légale ou réglementaire particulière.) <L 2007-04-25/64, art. 114, 1°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  La disposition du premier alinéa s'applique aux greffiers en chef en ce qui concerne les délégations (dans des services publics fédéraux) (, organes stratégiques et secrétariats, dans des cabinets ministériels) (ou auprès de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation), des commissions, des organismes ou des offices gouvernementaux. <L 2003-03-26/63, art. 27, 106; En vigueur : 02-05-2003> <L 2003-04-10/59, art. 98, 107; En vigueur : 01-01-2004> <L 2004-12-27/31, art. 53, 121; En vigueur : 02-06-2003>
  (Sans préjudice de l'application de l'article 375, le personnel judiciaire de niveau A ainsi que les greffiers ainsi délégués continuent à jouir de leur traitement et des augmentations et avantages y afférents.) <L 2007-04-25/64, art. 114, 2°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  
Art. 330bis. <W 2007-04-25/64, art. 115, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Onverminderd de toepassing [1 van de artikelen 328/1 en 329bis]1 kan de minister van Justitie aan de leden en de personeelsleden van het niveau A alsmede aan secretarissen, een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun parket, in het federaal parket, [4 in het parket voor de verkeersveiligheid,]4 in een ander parket, in een steundienst, in een in federale overheidsdiensten, [2 , beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring]2 in regeringscommissies, -instellingen of -diensten [3 of in het secretariaat van de gedelegeerd Europese aanklagers]3. Overeenkomstig een bijzondere wets- of verordeningsbepaling kan artikel 327bis op hen worden toegepast.
  Onverminderd de toepassing van artikel 375, blijft het gerechtspersoneel van het niveau A alsmede de secretarissen, aan wie aldus opdracht is gegeven, hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten.
  
Art. 330bis. <L 2007-04-25/64, art. 115, 154; En vigueur : 01-12-2008> Sans préjudice de l'application [1 des articles 328/1 et 329bis]1, le ministre de la Justice peut déléguer à d'autres fonctions égales ou supérieures, dans leur parquet, le parquet fédéral, [4 le parquet de la sécurité routière,]4 un autre parquet, un service d'appui, dans des services publics fédéraux, [2 , organes stratégiques et secrétariats, dans des cabinets ministériels ou auprès de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation]2 des commissions, organismes ou offices gouvernementaux [3 ainsi qu'au secrétariat des procureurs européens délégués]3, des membres et membres du personnel de niveau A ainsi que des secrétaires. L'article 327bis peut leur être applique conformément à une disposition légale ou réglementaire particulière.
  Sans préjudice de l'application de l'article 375, le personnel judiciaire de niveau A ainsi que les secrétaires ainsi délégués continuent à jouir de leur traitement et des augmentations et avantages y afférents.
  
Art. 330ter. <INGEVOEGD bij W 2006-06-10/68, art. 50; Inwerkingtreding : 01-12-2006> § 1. Wanneer de behoeften van de dienst het rechtvaardigen, kan de hoofdgriffier, een personeelslid van zijn griffie dat geslaagd is (in de vergelijkende selectie bedoeld in artikel 264), opdracht geven voor een bepaalde en beperkte tijd het ambt van griffier uit te oefenen. <W 2007-04-25/64, art. 116, 1°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  § 2. De Minister van Justitie kan tevens aan de personeelsleden van een griffie (een parketsecretariaat of een steundienst) een opdracht geven om een gelijk of een hoger ambt te vervullen in hun eigen of in een andere griffie of parketsecretariaat, evenals in federale overheidsdiensten, beleidsorganen en secretariaten, in ministeriële kabinetten, in regeringscommissies, -instellingen of -diensten of bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagname en de Verbeurdverklaring [1 of in het secretariaat van de gedelegeerd Europese aanklagers]1. <W 2007-04-25/64, art. 116, 2°, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  Alleen een personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden om tot de met het hoger ambt overeenstemmende graad te worden benoemd, kan voor het uitoefenen van dat ambt worden aangewezen.
  Enkel bij gebrek aan een personeelslid in de griffie of het parketsecretariaat dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in vorig lid, kan een personeelslid dat niet voldoet aan deze voorwaarden, bij aanstellingsakte, worden aangewezen voor de uitoefening van een hoger ambt.
  § 3. Een opdracht tot het uitoefenen van een hoger ambt bedoeld in § 2, kan slechts worden toegekend in geval een betrekking open staat of tijdelijk niet waargenomen is. In geval van toekenning naar aanleiding van een openstaande betrekking is vereist dat de procedure tot definitieve toekenning van die betrekking wordt ingezet.
  Teneinde de continuïteit van de dienst te verzekeren kan de Minister van Justitie evenwel, in afwijking van het voorgaande lid, opdrachten in bovental toekennen om tegemoet te komen aan bijzondere behoeften of bijstand te leveren aan bijkomende magistraten.
  De toekenning van een opdracht in een hoger ambt geschiedt voor maximum zes maanden. Deze toekenning kan maximaal driemaal worden verlengd met een zelfde termijn van ten hoogste zes maanden.
  In afwijking hiervan kan de toekenning bij het verstrijken van de derde verlenging gehandhaafd worden :
  a) indien de betrekking niet in vast verband kon worden verleend;
  b) bij opdrachten in toepassing van het tweede lid, door de Minister van Justitie in bovental toegekend;
  c) in behoorlijk verantwoorde uitzonderlijke gevallen.
  § 4. De personeelsleden aan wie aldus opdracht is gegeven, blijven hun wedde met de eraan verbonden verhogingen en voordelen genieten. Voor wat betreft de opdrachten bedoeld in § 2, ontvangen de personeelsleden daarenboven een toelage voor het uitoefenen van een hogere functie.
  
Art. 330ter. § 1er. Lorsque les besoins du service le justifient, le greffier en chef peut déléguer, un membre du personnel de son greffe, lauréat de (la sélection comparative visée à l'article 264), à la fonction de greffier pour une période déterminée et limitée. <L 2007-04-25/64, art. 116, 1°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  § 2. La Ministre de la Justice peut également déléguer les membres du personnel d'un greffe ou d'un secrétariat de parquet à une fonction similaire ou supérieure dans leur propre, voire dans un autre, greffe (, un secrétariat de parquet ou un service d'appui), ainsi que dans des services publics fédéraux, organes stratégiques et secrétariats, dans les cabinets ministériels, dans des commissions, organismes ou offices gouvernementaux ou auprès de l'Organe Central pour la Saisie et la Confiscation [1 ou dans le secrétariat des procureurs européens délégués]1. <L 2007-04-25/64, art. 116, 2°, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  Seul un membre du personnel répondant aux conditions de nomination au grade correspondant à la fonction supérieure peut être désigne pour exercer cette fonction.
  Ce n'est qu'en l'absence dans le greffe ou le secrétariat de parquet d'un membre du personnel répondant aux conditions visées à l'alinéa précédent qu'un membre du personnel qui ne répond pas à ces conditions peut être désigné, par un acte de désignation, pour exercer des fonctions supérieures.
  § 3. Un membre du personnel ne peut être chargé d'exercer une fonction supérieure, visée au § 2, que pour un emploi vacant ou temporairement inoccupé. En cas d'octroi pour un emploi vacant, la procédure d'octroi définitive à cet emploi doit être entamée.
  Afin d'assurer la continuité du service, la Ministre de la Justice peut toutefois, par dérogation à l'alinéa précédent, déléguer en surnombre pour répondre à des besoins spécifiques ou prêter assistance à des magistrats supplémentaires.
  La délégation à une fonction supérieure vaut pour six mois maximum. Cette délégation peut être prolongée trois fois au maximum par un terme identique de six mois au plus.
  Par dérogation à ce qui précède, la délégation peut être maintenue à l'expiration de la troisième prolongation :
  a) si l'emploi n'a pu être conféré à titre définitif;
  b) pour les délégations en surnombre faites par la Ministre de la Justice en application de l'alinéa 2;
  c) dans les cas exceptionnels dûment justifiés.
  § 4. Les membres du personnel ainsi délégués conservent leur traitement et les augmentations et avantages y afférents. Les membres du personnel délégués conformément au § 2 perçoivent en outre une allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure.
  
HOOFDSTUK IIIbis. - Mutatie en mobiliteit.
CHAPITRE IIIbis. - Mutation et mobilité.
Art. 330quater <W 2007-04-25/64, art. 117, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. [1 Het gerechtspersoneel bij een hof, een rechtbank, een afdeling, een kanton, een griffie, een parketsecretariaat of een steundienst kan op zijn verzoek, door mutatie in een gelijke [2 klasse]2 of graad, definitief worden overgeplaatst naar een ander hof, een andere rechtbank, een andere afdeling, een ander kanton, een andere griffie, een ander parketsecretariaat of een andere steundienst, voor zover daar een plaats openstaat.]1
  De Koning regelt de mutatie. Deze overplaatsing gebeurt zonder toepassing van artikel [2 287sexies]2 en zonder nieuwe eedaflegging.
  § 2. Het gerechtspersoneel bij een hof, een rechtbank, een griffie, een parketsecretariaat of een steundienst kan op zijn verzoek, door mobiliteit [2 in een gelijke [3 of hogere]3 graad of klasse]2, definitief worden overgeplaatst naar een federale [3 dienst]3.
  Een personeelslid van een federale [3 dienst]3 kan op zijn verzoek, door mobiliteit in een gelijke [3 of hogere klasse]3 of graad, definitief worden overgeplaatst naar [1 een hof, een rechtbank, een griffie, een parketsecretariaat of een steundienst]1.
  De Koning regelt de mobiliteit.
  
Art. 330quater. <L 2007-04-25/64, art. 117, 154; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. [1 Le personnel judiciaire d'une cour, d'un tribunal, d'une division, d'un canton, d'un greffe, d'un secrétariat de parquet ou d'un service d'appui peut, à sa demande, être transféré définitivement, par mutation dans une [2 classe]2 ou un grade similaire, dans une autre cour, un autre tribunal, une autre division, un autre canton, un autre greffe, un autre secrétariat de parquet ou un autre service d'appui, pour autant qu'un emploi y soit vacant.]1
  Le Roi règle la mutation. Ce transfert a lieu sans qu'il soit fait application de l'article [2 287sexies]2 et sans nouvelle prestation de serment.
  § 2. Le personnel judiciaire près une cour, un tribunal, un greffe, un secrétariat de parquet ou un service d'appui peut, à sa demande, être transféré par mobilité, définitivement, [3 dans un grade ou une classe équivalent ou supérieur]3 dans un [3 service]3 fédéral.
  Un membre du personnel d'un [3 service]3 fédéral peut, à sa demande, être transféré par mobilité, définitivement, dans une classe [3 ...]3 ou un grade équivalent [3 ou supérieur]3 [1 dans une cour, un tribunal, un greffe, un secrétariat de parquet ou un service d'appui]1.
  Le Roi règle la mobilité.
  
Art. 330quinquies. [1 Een magistraat die opgedragen wordt zijn ambt uit te oefenen in een andere afdeling of gerechtelijke entiteit en die daarmee niet hoeft in te stemmen, kan tegen die opdracht administratief beroep aantekenen, naargelang van het geval bij het College van de hoven en de rechtbanken of bij het College van het openbaar ministerie.
   Het beroep heeft geen schorsende kracht.
   Het betrokken College beslist binnen een maand bij meerderheid, nadat het de verzoeker heeft gehoord. Het kan de beslissing bevestigen of ongedaan maken. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van het College doorslaggevend.
   Tegen de beslissing van het College kan een beroep tot nietigverklaring worden ingesteld bij de Raad van State met toepassing van artikel 14, § 1, 2°, van de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State. In voorkomend geval wordt het beroep bij de tuchtrechtbank, bedoeld in de artikelen 413, § 5, en 418, § 4, niet toegelaten.]1

  
Art. 330quinquies. [1 Lorsqu'un magistrat est chargé d'exercer ses fonctions dans une autre division ou une autre entité judiciaire, sans que son consentement soit requis, il peut introduire un recours administratif auprès, selon le cas, du Collège des cours et tribunaux ou du Collège du ministère public.
   Le recours n'est pas suspensif.
   Le Collège concerné décide dans le mois à la majorité, après que le requérant ait été entendu. Il peut confirmer ou annuler la décision. En cas de parité des voix, la voix du président du Collège est prépondérante.
   Un recours en annulation peut être introduit contre la décision du Collège devant le Conseil d'Etat en application de l'article 14, § 1er, 2°, des lois sur le Conseil d'Etat, coordonnées le 12 janvier 1973. Le cas échéant, le recours intenté devant le tribunal disciplinaire visé aux articles 413, § 5, et 418, § 4, n'est pas admis.]1

  
Art. 330sexies. [1 Het gerechtspersoneel dat door zijn gerechtelijke autoriteit opgedragen wordt zijn ambt uit te oefenen in een andere afdeling of rechtbank dan die waarin het in hoofdorde was benoemd of aangewezen, kan tegen die aanwijzing of opdracht beroep tot vernietiging aantekenen bij het directiecomité van het hof van beroep of van het arbeidshof wat de personeelsleden van de arbeidsrechtbank betreft, of het parket-generaal wat de personeelsleden van het openbaar ministerie betreft.
   Het beroep heeft geen schorsende kracht.
   Het directiecomité beslist binnen een maand bij meerderheid, nadat het de betrokkene heeft gehoord. Bij staking van stemmen is de stem van de korpschef doorslaggevend.]1

  
Art. 330sexies. [1 Le personnel judiciaire qui est chargé d'exercer ses fonctions dans une autre division ou un autre tribunal que celle ou celui dans lequel il a été nommé ou désigné à titre principal, peut introduire un recours en annulation contre cette délégation, désignation ou mission auprès du comité de direction de la cour d'appel, de la cour du travail en ce qui concerne les membres du personnel des tribunaux du travail, ou du parquet général en ce qui concerne les membres du personnel du ministère public.
   Le recours n'est pas suspensif.
   Le comité de direction prend, dans un délai d'un mois, sa décision à la majorité après avoir entendu la personne concernée. En cas de parité des voix, la voix du chef de corps est prépondérante.]1

  
HOOFDSTUK IIIter. [1 - Het deconnectierecht]1
CHAPITRE IIIter. [1 Du droit à la déconnexion]1
Art. 330septies. [1 § 1. De leden van het gerechtspersoneel kunnen enkel worden gecontacteerd buiten de normale arbeidstijd wanneer het gaat om uitzonderlijke en onvoorziene aangelegenheden waarbij actie vereist is die niet kan wachten tot de volgende arbeidsperiode of indien het personeelslid is aangeduid voor een wachtdienst of een permanentie.
   Onder "normale arbeidstijd" worden alle periodes verstaan tijdens dewelke het personeelslid ter beschikking staat van zijn werkgever.
   De leden van het gerechtspersoneel mogen geen nadelen ondervinden wanneer zij buiten hun normale arbeidstijd hun telefoon niet opnemen of werkgerelateerde berichten niet lezen.
   § 2. Met het oog op het verzekeren van het respect voor de rusttijden, jaarlijkse vakantie en andere verloven van de gerechtspersoneelsleden en het vrijwaren van de balans tussen werk en privéleven, organiseert de voorzitter van het directiecomité van elke entiteit op regelmatige tijdstippen een overleg over deconnectie van het werk en het gebruik van digitale communicatiemiddelen in het bevoegde overlegcomité. Het advies van de preventieadviseur kan worden gevraagd. Dit overleg vindt minstens een maal per jaar plaats.
   § 3. Dit artikel is ook van toepassing op het personeel dat bij arbeidsovereenkomst is in dienst genomen.]1

  
Art. 330septies. [1 § 1er. Les membres du personnel judiciaire ne peuvent être contactés en dehors du temps de travail normal que pour des raisons exceptionnelles et imprévues nécessitant une action qui ne peut attendre la prochaine période de travail ou si le membre du personnel est désigné pour effectuer un service de garde ou une permanence.
   Par "temps de travail normal", on entend toutes les périodes pendant lesquelles le membre du personnel est à la disposition de son employeur.
   Les membres du personnel judiciaire ne peuvent subir aucun préjudice s'ils ne répondent pas au téléphone ou ne lisent pas de messages liés au travail en dehors de leur temps de travail normal.
   § 2. En vue d'assurer le respect des temps de repos, des vacances annuelles et des autres congés des membres du personnel judiciaire et de préserver l'équilibre entre le travail et la vie privée, le président du comité de direction de chaque entité organise une concertation au sein du comité de concertation compétent à des intervalles réguliers au sujet de la déconnexion du travail et de l'utilisation des moyens de communication numériques. L'avis du conseiller en prévention peut être demandé. Cette concertation a lieu au moins une fois par an.
   § 3. Le présent article s'applique également au personnel engagé par contrat de travail.]1

  
HOOFDSTUK IV. [1 Afwezigheden en verloven van magistraten]1
CHAPITRE IV. [1 Des absences et des congés des magistrats]1
Afdeling I. [1 Algemene bepalingen]1
Section Ire. [1 Dispositions générales]1
Art. 331. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de beroepsmagistraten, de magistraten in opleiding en de assessoren in de strafuitvoeringsrechtbanken. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden zij allen begrepen onder de termen "magistraat" en "magistrate".
   Behoudens artikel 331/2, tweede lid, is dit hoofdstuk niet van toepassing op plaatsvervangende magistraten.]1

  
Art. 331. [1 Le présent chapitre s'applique aux magistrats professionnels, aux magistrats en formation ainsi qu'aux assesseurs dans les tribunaux de l'application des peines. Aux fins du présent chapitre, les termes "magistrat" et "magistrate" les recouvrent tous.
   A l'exception de l'article 331/2, alinéa 2, le présent chapitre ne s'applique pas aux magistrats suppléants.]1

  
Art. 331/1. [1 § 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden gelijkgesteld met de korpschef:
   1° op voorwaarde dat zij door de korpschef daartoe worden aangewezen: de afdelingsvoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank en in de ondernemingsrechtbank, de afdelingsprocureur, de afdelingsauditeur of elke andere magistraat;
   2° de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de ondernemingsrechtbanken en ten aanzien van de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank;
   3° de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken;
   4° de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs;
   5° de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de federale procureur;
   6° de procureur-generaal die de verkeersveiligheid onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de procureur voor de verkeersveiligheid;
   7° de procureur-generaal die jeugdzaken onder zijn bevoegdheid heeft ten aanzien van de verbindingsmagistraten in jeugdzaken;
   8° de voorzitter van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de bijstandsmagistraten;
   9° de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie ten aanzien van de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185;
   10° de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel ten aanzien van de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring;
   11° de directeurs van de steundiensten bedoeld in de artikelen 183 en 185 ten aanzien van de magistraten die een voltijdse opdracht uitoefenen in de steundienst;
   12° de directeur van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring ten aanzien van de magistraten die werden aangewezen om een functie uit te oefenen in het Centraal Orgaan;
   13° de magistraat die de korpschef vervangt overeenkomstig artikel 319.
   De minister van Justitie kent het verlof toe van de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, van de hoven van beroep, van de arbeidshoven en van de procureurs-generaal bij die hoven.
   De bepalingen van het tweede lid zijn uitsluitend van toepassing op de verloven bedoeld in afdeling IV, afdeling V, afdeling VI, afdeling VII en afdeling VIII.
   § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder:
   1° werkdagen: de dagen waarop de magistraat verplicht beschikbaar is voor de dienst. Voor de toepassing van de artikelen 331/35, 331/39, derde lid en 331/42, § 1, eerste lid en § 3, eerste en tweede lid, zijn dit alle dagen met uitzondering van de zaterdagen, zondagen en feestdagen bedoeld in artikel 331/10, eerste en tweede lid;
   2° dienstvrijstelling: de toestemming verleend aan de magistraat door zijn korpschef om afwezig te zijn voor een bepaalde duur met behoud van al zijn rechten;
   3° langdurige pleegzorg: pleegzorg zoals omschreven in artikel 30sexies, § 6, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten;
   4° kortdurende pleegzorg: alle vormen van pleegzorg die niet voldoen aan de voorwaarden van langdurige pleegzorg;
   5° pleegkind: het kind waarvoor de magistraat of zijn/haar echtgeno(o)t(e) in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
   6° pleegouder: de pleegouder die in het kader van pleegzorg is aangesteld door de rechtbank, door een door de bevoegde gemeenschap erkende dienst voor pleegzorg, of door de bevoegde gemeenschapsdiensten inzake jeugdbescherming;
   7° de meeouder: de vader of de persoon getrouwd met de moeder of die met haar samenleeft als koppel, op dezelfde woonplaats.
   § 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt gelijkgesteld met:
   1° het huwelijk, het afleggen van een verklaring van wettelijke samenwoning door twee personen van verschillend of gelijk geslacht die samenleven als koppel;
   2° de echtgenoot of echtgenote van de magistraat, de persoon, van verschillend of gelijk geslacht, met wie de magistraat samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats.]1

  
Art. 331/1. [1 § 1. Pour l'application du présent chapitre sont assimilés au chef de corps:
   1° à condition qu'il soit désigné par le chef de corps à cet effet: le président de division au tribunal de première instance, au tribunal du travail et au tribunal de l'entreprise, le procureur de division, l'auditeur de division ou tout autre magistrat;
   2° le premier président de la cour d'appel à l'égard des présidents des tribunaux de première instance et des tribunaux de l'entreprise et à l'égard des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police;
   3° le premier président de la cour du travail à l'égard des présidents des tribunaux du travail;
   4° le procureur général près la cour d'appel à l'égard des procureurs du Roi et des auditeurs du travail;
   5° le président du Collège des procureurs généraux à l'égard du procureur fédéral;
   6° le procureur général qui a la sécurité routière dans ses attributions à l'égard du procureur de la sécurité routière;
   7° le procureur général qui a la jeunesse dans ses attributions à l'égard des magistrats de liaison en matière de jeunesse;
   8° le président du Collège des procureurs généraux à l'égard des magistrats d'assistance;
   9° le président du Collège des cours et tribunaux et du Collège du ministère public à l'égard des directeurs du service d'appui visé aux articles 183 et 185;
   10° le procureur général près la cour d'appel de Bruxelles à l'égard du directeur de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation;
   11° les directeurs des services d'appui visés aux articles 183 et 185 à l'égard des magistrats qui exercent une mission à temps plein dans le service d'appui;
   12° le directeur de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation à l'égard des magistrats qui ont été désignés pour exercer une fonction à l'Organe central;
   13° le magistrat qui remplace le chef de corps conformément à l'article 319.
   Le ministre de la Justice accorde le congé du premier président de la Cour de Cassation, des premiers présidents des cours d'appel, des cours du travail et des procureurs généraux près ces cours.
   Les dispositions de l'alinéa 2 ne s'appliquent qu'aux congés visés à la section IV, section V, section VI, section VII et section VIII.
   § 2. Pour l'application du présent chapitre, l'on entend par:
   1° jours ouvrables: les jours où le magistrat est obligatoirement disponible pour le service. Il s'agit, pour l'application des articles 331/35, 331/39, alinéa 3 et 331/42, § 1er, alinéa 1er, et § 3, alinéas 1er et 2, de tous les jours à l'exception des samedis, dimanches et jours fériés visés à l'article 331/10, alinéas 1er et 2;
   2° dispense de service: l'autorisation accordée au magistrat par le chef de corps de s'absenter pour une durée déterminée avec maintien de tous ses droits;
   3° placement familial de longue durée: le placement décrit à l'article 30sexies, § 6, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail;
   4° placement familial de courte durée: toutes les formes de placement familial qui ne remplissent pas les conditions du placement familial de longue durée;
   5° enfant placé: l'enfant pour lequel le magistrat ou son/sa conjoint(e) a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;
   6° parent d'accueil: le parent d'accueil qui a été désigné dans le cadre du placement familial par le tribunal, par un service de placement familial agréé par la communauté compétente ou par les services communautaires compétents en matière de protection de la jeunesse;
   7° coparent: le père ou la personne mariée à la mère ou vivant en couple avec cette dernière au même domicile.
   § 3. Pour l'application du présent chapitre, sont assimilés:
   1° au mariage, l'enregistrement d'une déclaration de cohabitation légale par deux personnes de sexe différent ou de même sexe qui cohabitent en tant que couple;
   2° au conjoint ou à la conjointe du magistrat, la personne, de sexe différent ou de même sexe, avec qui le magistrat vit en couple au même domicile.]1

  
Art. 331/2. [1 De magistraat mag niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt, tenzij hem hiervoor verlof of dienstvrijstelling werd toegekend overeenkomstig dit hoofdstuk.
   De plaatsvervangende magistraat stelt zijn korpschef onverwijld in kennis van zijn afwezigheden wanneer deze afwezigheden een invloed kunnen hebben op de goede werking van het hof of de rechtbank.]1

  
Art. 331/2. [1 Aucun magistrat ne peut s'absenter si le service doit souffrir de son absence, à moins qu'un congé ou une dispense de service ne lui ait été accordé à cet effet, conformément au présent chapitre.
   Le magistrat suppléant informe immédiatement son chef de corps de ses absences lorsque celles-ci sont de nature à influencer le bon fonctionnement de la cour ou du tribunal.]1

  
Art. 331/3. [1 De verloven worden toegekend door de korpschef.
   Wanneer het verlof geweigerd wordt of bepaalde voorwaarden aan het verlenen van het verlof worden verbonden, maakt de korpschef een met redenen omklede beslissing op die hij onverwijld ter kennis brengt aan de magistraat.]1

  
Art. 331/3. [1 Les congés sont accordés par le chef de corps.
   Lorsque le congé est refusé ou certaines conditions sont liées à l'octroi du congé, le chef de corps prend une décision motivée qu'il porte immédiatement à la connaissance du magistrat.]1

  
Art. 331/4. [1 Onverminderd de eventuele toepassing van een tuchtstraf is de magistraat die zonder toestemming afwezig is of de duur van zijn verlof zonder geldige reden overschrijdt, van rechtswege in non-activiteit.
   De magistraat die zich in de stand non-activiteit bevindt, heeft geen recht op wedde of weddebijslag noch op de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.]1

  
Art. 331/4. [1 Sans préjudice de l'application éventuelle d'une peine disciplinaire, le magistrat qui s'absente sans autorisation ou dépasse sans motif valable le terme de son congé se trouve de plein droit en non-activité.
   Le magistrat qui est dans la position de non-activité n'a pas droit au traitement ou supplément de traitement ni aux augmentations et avantages y afférents.]1

  
Art. 331/5. [1 In afwijking van artikel 331/10, eerste lid, kan de korpschef de magistraat gelasten tijdens deze dagen alsook tijdens de nacht en tijdens de weekends wachtdiensten te leveren, dewelke recht geven op inhaalrust wanneer de magistraat daadwerkelijk prestaties levert.
   De inhaalrust ten gevolge van gepresteerde wachtdiensten wordt in de loop van de veertien volgende dagen opgenomen in onderling overleg met de korpschef]1

  
Art. 331/5. [1 Par dérogation à l'article 331/10, alinéa 1er, le chef de corps peut ordonner au magistrat de fournir des services de garde ces jours ou pendant la nuit ou pendant les weekends, ce qui donne droit à un repos compensatoire lorsque le magistrat accomplit effectivement des prestations.
   Le repos compensatoire à la suite des services de garde effectués est pris au cours des quatorze jours suivants en concertation avec le chef de corps.]1

  
Art. 331/6. [1 § 1. Met uitzondering van de beslissingen van de korpschef met betrekking tot het jaarlijks vakantieverlof en het omstandigheidsverlof, kan tegen de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in het huishoudelijk reglement bedoeld in paragraaf 4, beroep worden aangetekend bij de beroepscommissie bedoeld in paragraaf 2 of paragraaf 3.
   § 2. Bij het College van de hoven en rechtbanken wordt een beroepscommissie ingericht bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling die respectievelijk belast zijn met de behandeling van de beroepen ingesteld door magistraten van de zetel van de Nederlandstalige of Franstalige taalrol. Elke afdeling is samengesteld uit vijf leden van wie er maximaal drie hetzelfde geslacht hebben: twee magistraten die geen korpschef zijn, twee korpschefs en een magistraat van de zetel van het Hof van Cassatie.
   Bij het College van het openbaar ministerie wordt een beroepscommissie ingericht bestaande uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling die respectievelijk belast zijn met de behandeling van de beroepen ingesteld door magistraten van het openbaar ministerie van de Nederlandstalige of Franstalige taalrol. Elke afdeling is samengesteld uit vijf leden van wie er maximaal drie hetzelfde geslacht hebben: twee magistraten die geen korpschef zijn, twee korpschefs en een magistraat van het parket bij het Hof van Cassatie.
   De magistraten niet-korpschefs worden aangewezen door de Adviesraad van de Magistratuur, de korpschefs worden aangewezen door het College van de hoven en rechtbanken, respectievelijk het College van het openbaar ministerie. De korpschefs kunnen erekorpschefs zijn zoals bedoeld in artikel 259quater, § 5/1. Voor elk gekozen lid wordt minstens een vervanger aangewezen. Bij gebrek aan een magistraat in een Franstalige afdeling die blijk geeft van kennis van de Duitse taal wordt een beroep gedaan op een tolk.
   Elke afdeling wordt voorgezeten door de korpschef met de hoogste dienstanciënniteit.
   Een lid van de beroepscommissie kan enkel zetelen indien het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, waartegen beroep werd aangetekend.
   De afdelingen van de beroepscommissie beslissen bij meerderheid van stemmen.
   Wanneer een afdeling van de beroepscommissie de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, vernietigt, kan zij in plaats van de korpschef het verlof of de periode ervan toekennen.
   § 3. Bij het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof wordt een enkele beroepscommissie opgericht. Deze beroepscommissie telt maximaal twee derde leden van hetzelfde geslacht en is taalparitair samengesteld uit drie magistraten van het Hof van Cassatie en drie magistraten van het parket bij het Hof van Cassatie die respectievelijk door de algemene vergadering en de korpsvergadering daartoe worden gekozen. Een van de drie magistraten uit elk korps behoort tot de andere taalrol dan de andere twee magistraten. Voor elk gekozen lid wordt minstens één vervanger aangewezen.
   De magistraten bedoeld in het eerste lid behoren niet tot het directiecomité en beschikken over tenminste vijf jaar anciënniteit binnen hun korps.
   Wanneer het beroep wordt ingesteld door een magistraat van het Hof, zetelt de commissie met drie magistraten van het Hof en twee magistraten van het parket. Wanneer het beroep wordt ingesteld door een magistraat van het parket zetelt de commissie met drie magistraten van het parket en twee magistraten van het Hof. De meerderheid van de leden van de commissie behoort tot dezelfde taalrol als de magistraat die het beroep instelt.
   Een lid van de beroepscommissie kan enkel zetelen indien het op geen enkele wijze heeft deelgenomen aan de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, waartegen beroep werd aangetekend.
   De beroepscommissie beslist bij meerderheid van stemmen.
   Wanneer de beroepscommissie de beslissing bedoeld in artikel 331/3, tweede lid, vernietigt, kan zij in plaats van de korpschef het verlof of de periode ervan toekennen.
   § 4. Het College van de hoven en rechtbanken, het College van het openbaar ministerie en het Hof van Cassatie en het parket bij dit Hof stellen elk bij huishoudelijk reglement de nadere werking van de beroepscommissie vast en de wijze waarop beroep wordt aangetekend.]1

  
Art. 331/6. [1 § 1er. A l'exception des décisions du chef de corps concernant le congé annuel et les congés de circonstances, la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, peut faire l'objet d'un recours auprès de la commission de recours visée au paragraphe 2 ou au paragraphe 3, dans le respect des conditions telles qu'établies dans le règlement d'ordre intérieur visé au paragraphe 4.
   § 2. Il est institué près le Collège des cours et tribunaux une commission de recours, composée d'une division francophone et d'une division néerlandophone chargées respectivement de traiter les recours introduits par les magistrats du siège du rôle linguistique francophone ou néerlandophone. Chaque division est composée de cinq membres dont au maximum trois sont du même sexe: deux magistrats qui ne sont pas chefs de corps, deux chefs de corps et un magistrat du siège de la Cour de Cassation.
   Il est institué près le Collège du ministère public une commission de recours, composée d'une division francophone et d'une division néerlandophone chargées respectivement de traiter les recours introduits par les magistrats du ministère public du rôle linguistique francophone ou néerlandophone. Chaque division est composée de cinq membres dont au maximum trois sont du même sexe: deux magistrats qui ne sont pas chefs de corps, deux chefs de corps et un magistrat du parquet auprès de la Cour de Cassation.
   Les magistrats qui ne sont pas chefs de corps sont désignés par le Conseil consultatif de la magistrature, les chefs de corps sont désignés respectivement par le Collège des cours et tribunaux et par le Collège du ministère public. Ces chefs de corps peuvent être des chefs de corps honoraires tels que visés à l'article 259quater, § 5/1. Pour chaque membre choisi, il est désigné au moins un remplaçant. A défaut de désignation d'un magistrat justifiant de la connaissance de la langue allemande dans une division francophone, il est fait appel à un interprète.
   Chaque division est présidée par le chef de corps ayant la plus grande ancienneté de service.
   Un membre de la commission de recours ne peut siéger que s'il n'a pris part, en aucune manière, à la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, contre laquelle un recours a été introduit.
   Les divisions de la commission de recours statuent à la majorité des voix.
   Lorsqu`une division de la commission de recours annule la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, elle peut accorder le congé ou la période de celui-ci à la place du chef de corps.
   § 3. Il est institué près la Cour de cassation et le parquet près cette Cour une seule commission de recours. Cette commission de recours est composée d'au maximum deux tiers de membres du même sexe et est composée paritairement sur le plan linguistique de trois magistrats de la Cour de cassation et de trois magistrats du parquet près la Cour de cassation élus à cet effet par l'assemblée générale et l'assemblée de corps respectives. L'un des trois magistrats de chaque corps appartient au rôle linguistique différent de celui des deux autres magistrats. Pour chaque membre choisi, il est désigné au moins un remplaçant.
   Les magistrats visés à l'alinéa 1er ne font pas partie du comité de direction et ont au moins cinq ans d'ancienneté au sein de leur corps.
   Lorsque le recours est introduit par un magistrat de la Cour, la commission siège avec trois magistrats de la Cour et deux magistrats du parquet. Lorsque le recours est introduit par un magistrat du parquet, la commission siège avec trois magistrats du parquet et deux magistrats de la Cour. La majorité des membres de la commission appartiennent au même rôle linguistique que le magistrat qui introduit le recours.
   Un membre de la commission de recours ne peut siéger que s'il n'a pris part, en aucune manière, à la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, contre laquelle un recours a été introduit.
   La commission de recours statue à la majorité des voix.
   Lorsque la commission de recours annule la décision visée à l'article 331/3, alinéa 2, elle peut accorder le congé ou la période de celui-ci à la place du chef de corps.
   § 4. Le Collège des cours et tribunaux, le Collège du ministère public et la Cour de cassation et le parquet près cette Cour déterminent chacun, par règlement d'ordre intérieur, les modalités de fonctionnement de la commission de recours et la manière d'introduire le recours.]1

  
Afdeling II. [1 Jaarlijks vakantieverlof, recuperatiedagen en feestdagen]1
Section II. [1 Congé annuel de vacances, jours de récupération et jours fériés]1
Art. 331/7. [1 De magistraat heeft recht op een jaarlijks vakantieverlof waarvan de duur naargelang de leeftijd als volgt is bepaald:
   - minder dan 45 jaar: 26 werkdagen;
   - van 45 tot 49 jaar: 27 werkdagen;
   - van 50 tot 54 jaar: 28 werkdagen;
   - van 55 tot 59 jaar: 29 werkdagen;
   - van 60 tot 61 jaar: 30 werkdagen;
   - op 62 jaar: 31 werkdagen;
   - op 63 jaar: 32 werkdagen;
   - op 64 jaar: 33 werkdagen;
   - op 65 jaar: 34 werkdagen;
   - vanaf 66 jaar: 35 werkdagen.
   De magistraat neemt minstens vijftien dagen van dit jaarlijks vakantieverlof op tijdens de periode van 1 juli tot 31 augustus.]1

  
Art. 331/7. [1 Le magistrat a droit à un congé annuel de vacances dont la durée est déterminée selon l'âge, comme suit:
   - moins de 45 ans: 26 jours ouvrables;
   - de 45 à 49 ans: 27 jours ouvrables;
   - de 50 à 54 ans: 28 jours ouvrables;
   - de 55 à 59 ans: 29 jours ouvrables;
   - de 60 à 61 ans: 30 jours ouvrables;
   - à 62 ans: 31 jours ouvrables;
   - à 63 ans: 32 jours ouvrables;
   - à 64 ans: 33 jours ouvrables;
   - à 65 ans: 34 jours ouvrables;
   - à partir de 66 ans: 35 jours ouvrables.
   Le magistrat prend au moins quinze jours de ce congé annuel de vacances pendant la période du 1er juillet au 31 août.]1

  
Art. 331/8. [1 § 1. Het jaarlijks vakantieverlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld. Het wordt genomen in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   § 2. De magistraat kan maximum tien niet opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof overdragen naar het volgend jaar. Deze overdracht geldt voor maximum één jaar.
   Indien de magistraat zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft kunnen opnemen ten gevolge van een afwezigheid wegens ziekte, wegens een arbeidsongeval, wegens een ongeval op weg van of naar het werk of wegens een beroepsziekte, dan is de overdracht niet beperkt tot een jaar. Bij de terugkeer van de magistraat wordt het jaarlijks vakantieverlof in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst opgenomen.]1

  
Art. 331/8. [1 § 1er. Le congé annuel de vacances est assimilé à une période d'activité de service. Il est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
   § 2. Le magistrat peut reporter au maximum dix jours de congé annuel de vacances non pris à l'année suivante. Ce report est valable un an au maximum.
   Lorsque le magistrat n'a pas pu prendre la totalité ou une partie de son congé annuel de vacances à cause d'une absence pour maladie, d'un accident de travail ou sur le chemin du travail ou d'une maladie professionnelle, le report n'est pas limité à un an. Au retour du magistrat, le congé annuel de vacances est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.]1

  
Art. 331/9. [1 § 1. Elke periode van dienstactiviteit geeft recht op jaarlijks vakantieverlof.
   Het vakantieverlof wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer de magistraat in de loop van het jaar wordt benoemd, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen:
   1° de afwezigheden waarbij de magistraat in de administratieve stand van non-activiteit is geplaatst;
   2° de verminderde prestaties wegens medische redenen;
   3° het ouderschapsverlof;
   4° het deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;
   5° meer dan zes maanden ziekteverlof;
   6° de zorgverloven.
   De vermindering van het jaarlijks vakantieverlof naar aanleiding van het tweede lid, 5°, kan maximaal zes dagen per jaar bedragen.
   Indien het aldus berekende aantal vakantiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid.
   § 2. Indien de magistraat door de behoeften van de dienst zijn volledig jaarlijks vakantieverlof of een deel ervan niet heeft genomen vooraleer hij zijn ambt definitief neerlegt, dan heeft hij recht op een compenserende toelage waarvan het bedrag gelijk is aan de laatste wedde die overeenstemt met het aantal niet genomen verlofdagen, eventueel verminderd overeenkomstig paragraaf 1.
   Bij het overlijden van de magistraat wordt de compenserende toelage voor niet opgenomen dagen jaarlijks vakantieverlof uitbetaald aan de erfgenamen.
   Voor de toepassing van deze paragraaf is de wedde die in aanmerking dient te worden genomen deze voor volledige prestaties, in voorkomend geval aangevuld met de weddebijslagen, en de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
   § 3. Het jaarlijks vakantieverlof wordt opgeschort zodra de magistraat een verlof wegens ziekte bekomt.]1

  
Art. 331/9. [1 § 1er. Toute période d'activité de service donne droit au congé annuel de vacances.
   Le congé de vacances est toutefois réduit à due concurrence, lorsque le magistrat est nommé dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions ou a obtenu au cours de l'année l'un des congés ou l'une des absences mentionnés ci-après:
   1° les absences pendant lesquelles le magistrat est placé dans la position administrative de non-activité;
   2° les prestations réduites pour raisons médicales;
   3° le congé parental;
   4° l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans;
   5° plus de six mois de congé de maladie;
   6° les congés d'aidant.
   La réduction du congé annuel de vacances dans le cadre de l'alinéa 2, 5°, peut s'élever à un maximum de six jours par an.
   Si le nombre de jours de congé ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.
   § 2. Si, par suite des nécessités du service, le magistrat n'a pas pris tout ou partie de son congé annuel de vacances avant la cessation définitive de ses fonctions, il bénéficie d'une allocation compensatoire dont le montant est égal au dernier traitement afférent aux jours de congé non pris, éventuellement réduits conformément au paragraphe 1er.
   En cas de décès du magistrat, l'allocation compensatoire pour les jours de congé annuel de vacances non pris est payée aux héritiers.
   Pour l'application du présent paragraphe, le traitement à prendre en considération est celui qui est dû pour des prestations complètes, complété, le cas échéant, des suppléments de traitement et des majorations et avantages correspondants.
   § 3. Le congé annuel de vacances est suspendu dès que le magistrat obtient un congé de maladie.]1

  
Art. 331/10. [1 De magistraat is met verlof op de feestdagen die zijn opgesomd in artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 april 1974 tot bepaling van de algemene wijze van uitvoering van de wet van 4 januari 1974 betreffende de feestdagen.
   De compensatieverlofdagen voor feestdagen die met een zaterdag of een zondag samenvallen, alsook voor 2 november, 15 november en 26 december waarop de rijksambtenaren met verlof zijn, kunnen door de magistraten genomen worden onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks vakantieverlof.
   De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit. Indien de magistraat echter op een feestdag of een compenserende verlofdag om een andere reden met verlof is, of in non-activiteit is geplaatst, blijft zijn administratieve stand bepaald overeenkomstig de verordeningsbepalingen die op hem van toepassing zijn.
   Indien een vrije dag in het kader van deeltijds werken samenvalt met één van de dagen bedoeld in het eerste lid of met de compensatieverlofdagen voor 2 november, 15 november en 26 december, bekomt de magistraat geen vervangende verlofdag.]1

  
Art. 331/10. [1 Le magistrat est en congé les jours fériés énumérés à l'article 1er de l'arrêté royal du 18 avril 1974 déterminant les modalités générales d'exécution de la loi du 4 janvier 1974 relative aux jours fériés.
   Les jours de congé de compensation pour les jours fériés qui coïncident avec un samedi ou un dimanche, ainsi que pour les 2 novembre, 15 novembre et 26 décembre durant lesquels les agents de l'Etat sont en congé, peuvent être pris par les magistrats aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances.
   Les congés visés au présent article sont assimilés à une période d'activité de service. Toutefois, si le magistrat est en congé le jour férié ou le jour de congé de compensation pour un autre motif ou s'il est en non-activité, sa position administrative reste fixée conformément aux dispositions réglementaires qui s'appliquent à lui.
   Si un jour libre dans le cadre du travail à temps partiel coïncide avec un des jours visés à l'alinéa 1er ou avec les jours de congé de compensation pour les 2 novembre, 15 novembre et 26 décembre, le magistrat n'obtient pas de jour de congé de substitution.]1

  
Art. 331/11. [1 § 1. De magistraat heeft jaarlijks recht op twaalf forfaitaire recuperatiedagen ter compensatie van alle eventuele overschrijdingen van de arbeidsduur zoals omschreven in artikel 8, § 1, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector.
   Deze recuperatiedagen kunnen worden opgenomen onder dezelfde voorwaarden als het jaarlijks verlof. Zij zijn niet overdraagbaar naar het volgende jaar.
   § 2. Het aantal recuperatiedagen wordt echter in evenredige mate verminderd wanneer de magistraat in de loop van het jaar wordt benoemd, zijn ambt definitief neerlegt of tijdens het jaar een van de hierna genoemde verloven of afwezigheden heeft gekregen:
   1° de afwezigheden waarbij de magistraat in de administratieve stand van non-activiteit is geplaatst;
   2° de verminderde prestaties wegens medische redenen;
   3° het ouderschapsverlof;
   4° het deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;
   5° meer dan een maand ziekteverlof;
   6° de zorgverloven.
   Indien het aldus berekende aantal recuperatiedagen geen geheel getal vormt, wordt het afgerond op de onmiddellijke hogere eenheid.]1

  
Art. 331/11. [1 § 1er. Le magistrat a droit chaque année à douze jours de récupération forfaitaires en compensation de tous les dépassements éventuels de la durée de travail visée à l'article 8, § 1er, de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail dans le secteur public.
   Ces jours de récupération peuvent être pris aux mêmes conditions que le congé annuel de vacances. Ils ne peuvent pas être reportés à l'année suivante.
   § 2. Le nombre de jours de récupération est toutefois réduit à due concurrence, lorsque le magistrat est nommé dans le courant de l'année, démissionne de ses fonctions ou a obtenu au cours de l'année l'un des congés ou l'une des absences mentionnés ci-après:
   1° les absences pendant lesquelles le magistrat est placé dans la position administrative de non-activité;
   2° les prestations réduites pour raisons médicales;
   3° le congé parental;
   4° l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans;
   5° plus d'un mois de congé de maladie;
   6° les congés d'aidant.
   Si le nombre de jours de récupération ainsi calculé ne forme pas un nombre entier, il est arrondi à l'unité immédiatement supérieure.]1

  
Afdeling III. [1 Omstandigheidsverlof en uitzonderlijk verlof]1
Section III. [1 Congés de circonstances et congés exceptionnels]1
Onderafdeling I [1 Omstandigheidsverlof]1
Sous-section Ire [1 Congés de circonstances]1
Art. 331/12. [1 Het omstandigheidsverlof wordt toegekend binnen de perken zoals hierna bepaald:
   1° huwelijk van de magistraat: vier werkdagen;
   2° de geboorte van een kind waarvan de afstamming langs de zijde van de magistraat vaststaat. Bij ontstentenis van een persoon die dit verlof opneemt op grond van de afstamming met het kind heeft de magistraat die samenleeft als koppel op dezelfde woonplaats met de moeder van het kind recht op het verlof. Het recht op moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, sluit voor eenzelfde ouder het recht op het omstandigheidsverlof bij de geboorte uit. Het verlof bedraagt twintig werkdagen;
   3° overlijden van de echtgeno(o)t(e) van de magistraat, overlijden van het natuurlijk kind of het adoptiekind van de magistraat, of van diens echtgeno(o)t(e): tien werkdagen, waarbij drie werkdagen door de magistraat te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en zeven werkdagen door de magistraat te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze verlofdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de magistraat mits een akkoord van de korpschef;
   4° overlijden van de ouder, schoonouder, stiefouder, schoondochter, schoonzoon van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): vier werkdagen waarbij drie werkdagen door de magistraat te kiezen tijdens de periode die begint met de dag van het overlijden en eindigt de dag van de begrafenis en één werkdag door de magistraat te kiezen binnen het jaar na de dag van het overlijden. Er kan van de beide perioden waarin deze werkdagen moeten opgenomen worden, afgeweken worden op vraag van de magistraat mits een akkoord van de korpschef;
   5° huwelijk van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): twee werkdagen;
   6° het huwelijk van een broer, een zuster, een schoonbroer, een schoonzuster, de ouder, de schoonouder, de stiefouder, een kleinkind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
   7° overlijden van een bloed- of aanverwant in om het even welke graad van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) maar onder hetzelfde dak wonend als de magistraat: twee werkdagen;
   8° overlijden van een bloed- of aanverwant in de tweede of in de derde graad van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) maar niet onder hetzelfde dak wonend als de magistraat: een werkdag;
   9° overlijden van een pleegkind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) in het kader van kortdurende pleegzorg op het moment van het overlijden: een werkdag;
   10° priesterwijding of intreden in het klooster of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
   11° plechtige communie of elke andere gelijkaardige gebeurtenis van een andere erkende religie van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e): een werkdag;
   12° deelneming van een kind van de magistraat of van zijn/haar echtgeno(o)t(e) aan het feest van de "vrijzinnige jeugd": een werkdag;
   13° oproeping als getuige voor een rechtscollege of persoonlijke verschijning op aanmaning van een rechtscollege: voor de nodige duur.
   De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 3° en 4°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat het overlijden zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.
   De banden die ontstaan ingevolge een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg worden, voor de toepassing van het eerste lid, 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, 11° en 12°, gelijkgesteld met de door die bepalingen geviseerde familiebanden, op voorwaarde dat de gebeurtenis zich voordoet, hetzij tijdens een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg, hetzij na afloop van een plaatsing in het kader van langdurige pleegzorg waarbij het pleegkind gedurende een onafgebroken periode van drie jaar op permanente en affectieve wijze deel heeft uitgemaakt van het pleeggezin. In dat verband wordt het pleegkind gelijkgesteld met het kind, de pleegmoeder met de moeder, de pleegvader met de vader, en zo verder.
   De verloven worden vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   Deze verloven worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.]1

  
Art. 331/12. [1 Des congés de circonstances sont accordés dans les limites fixées ci-après:
   1° le mariage du magistrat: quatre jours ouvrables;
   2° la naissance d'un enfant dont la filiation est établie à l'égard du magistrat. A défaut d'une personne qui prend ce congé sur la base de la filiation avec l'enfant, le magistrat qui vit en couple avec la mère de l'enfant au même domicile a droit au congé. Le droit au congé de maternité visé à l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail exclut pour un même parent le droit au congé de circonstances à la naissance. Le congé s'élève à vingt jours ouvrables;
   3° le décès du/de la conjoint(e) du magistrat, le décès de l'enfant naturel ou de l'enfant adoptif du magistrat ou de son/sa conjoint(e): dix jours ouvrables, dont trois jours ouvrables à choisir par le magistrat pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et sept jours ouvrables à choisir par le magistrat dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande du magistrat et moyennant l'accord du chef de corps, aux deux périodes au cours desquelles ces jours de congé doivent être pris;
   4° le décès du parent, du beau-parent, du beau-parent en cas de remariage, de la belle-fille, du beau-fils du magistrat ou de son/sa conjoint(e): quatre jours ouvrables dont trois jours ouvrables à choisir par le magistrat pendant la période qui prend cours le jour du décès et s'achève le jour des funérailles et un jour ouvrable à choisir par le magistrat dans l'année qui suit le jour du décès. Il peut être dérogé, à la demande du magistrat et moyennant l'accord du chef de corps, aux deux périodes au cours desquelles ces jours ouvrables doivent être pris;
   5° le mariage d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): deux jours ouvrables;
   6° le mariage d'un frère, d'une soeur, d'un beau-frère, d'une belle-soeur, du parent, du beau-parent, du beau-parent en cas de remariage, d'un petit-enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
   7° le décès d'un parent ou allié, à quelque degré que ce soit, du magistrat ou de son/sa conjoint(e), mais habitant sous le même toit que le magistrat: deux jours ouvrables;
   8° le décès d'un parent ou allié au deuxième ou au troisième degré du magistrat ou de son/sa conjoint(e), mais n'habitant pas sous le même toit que le magistrat: un jour ouvrable;
   9° le décès d'un enfant qui était placé auprès du magistrat ou de son/sa conjoint(e) dans le cadre d'un placement familial de courte durée au moment du décès: un jour ouvrable;
   10° l'ordination, l'entrée au couvent ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
   11° la communion solennelle ou tout autre événement similaire d'un culte reconnu d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
   12° la participation à la fête de la jeunesse laïque, d'un enfant du magistrat ou de son/sa conjoint(e): un jour ouvrable;
   13° la convocation comme témoin devant une juridiction ou comparution personnelle ordonnée par une juridiction: pour la durée nécessaire.
   Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 3° et 4°, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que le décès survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, et ainsi de suite.
   Les liens qui découlent d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée sont, pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, 6°, 7°, 8°, 10°, 11° et 12°, assimilés aux liens familiaux consacrés par ces dispositions, à condition que l'événement survienne soit pendant un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée, soit après la fin d'un placement dans le cadre d'un placement familial de longue durée dans lequel l'enfant placé a fait partie de la famille d'accueil de manière permanente et affective pendant une période ininterrompue de trois ans. Dans ce contexte, l'enfant placé est assimilé à l'enfant, la mère d'accueil à la mère, le père d'accueil au père, et ainsi de suite.
   Les congés sont fixés en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
   Ces congés sont assimilés à une période d'activité de service.]1

  
Onderafdeling II. [1 Uitzonderlijk verlof]1
Sous-section II. [1 Congés exceptionnels]1
Art. 331/13. [1 § 1. De magistraat bekomt uitzonderlijk verlof met het oog op het verlenen van persoonlijke zorg of steun aan een gezinslid of een familielid dat om medische redenen behoefte heeft aan zorg of steun.
   Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
   1° gezinslid: elk persoon die samenleeft met de magistraat op dezelfde woonplaats;
   2° familielid: de echtgenoot van de magistraat of de persoon met wie de magistraat wettelijk samenwoont, zoals geregeld door de artikelen 1475 en volgende van het oud Burgerlijk Wetboek, alsook de bloedverwanten in de eerste graad van de magistraat;
   3° een medische reden als gevolg waarvan men behoefte heeft aan zorg of steun: elke gezondheidstoestand, al dan niet het gevolg van een ziekte of medische ingreep, die door de behandelende arts als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de arts oordeelt dat er een behoefte is aan zorg of steun, dit is elke vorm van sociale, familiale of emotionele bijstand of verzorging.
   De magistraat die gebruik wenst te maken van het zorgverlof, deelt dit vooraf mee aan zijn korpschef.
   De magistraat legt zo spoedig mogelijk ter staving een doktersattest voor dat in het jaar waarin het uitzonderlijk verlof wordt opgenomen door de behandelend arts van het betrokken gezinslid of het familielid is afgeleverd en waaruit blijkt dat dit gezinslid of familielid om een medische reden behoefte heeft aan zorg of steun. Dit attest mag noch de medische reden zelf noch de identiteit van het betrokken gezinslid of familielid vermelden.
   § 2. De duur van de verloven bedoeld in paragraaf 1 is beperkt tot vijf werkdagen per jaar. Het verlof wordt genomen per dag, in aaneensluitende dagen of per halve dag.
   De duur van de verloven bedoeld in paragraaf 1 wordt verminderd met het aantal werkdagen zorgverlof dat reeds werd opgenomen in hetzelfde jaar in toepassing van artikel 30bis, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   § 3. De verloven bedoeld in dit artikel worden gelijkgesteld met periodes van dienstactiviteit.]1

  
Art. 331/13. [1 § 1er. Le magistrat obtient les congés exceptionnels dans le but de fournir des soins personnels ou une aide personnelle à un membre du ménage ou à un membre de la famille qui nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale.
   Pour l'application du présent article, l'on entend par:
   1° membre du ménage: toute personne cohabitant avec le magistrat au même domicile;
   2° membre de la famille: le conjoint du magistrat ou la personne avec qui le magistrat cohabite légalement, au sens des articles 1475 et suivants de l'ancien Code civil, de même que les parents du magistrat au premier degré;
   3° une raison médicale rendant nécessaires des soins ou une aide: tout état de santé, consécutif ou non à une maladie ou à une intervention médicale, considéré comme tel par le médecin traitant et pour lequel le médecin estime qu'il nécessite des soins ou une aide, à savoir toute forme d'assistance ou de soin de type social, familial ou émotionnel.
   Le magistrat qui souhaite faire usage du congé d'aidant en informe préalablement son chef de corps.
   Le magistrat fournit aussi vite que possible, à titre de preuve, un certificat médical délivré par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille concerné au cours de l'année où le congé exceptionnel est pris et dont il apparait que le membre du ménage ou de la famille nécessite des soins ou une aide pour une raison médicale. Ce certificat ne peut ni indiquer la raison médicale elle-même ni l'identité du membre du ménage ou de la famille.
   § 2. La durée des congés visés au paragraphe 1er est limitée à cinq jours ouvrables par an. Le congé peut être pris par jour, par jours consécutifs ou par demi-jour.
   La durée des congés visés au paragraphe 1er est réduite du nombre de jours ouvrables de congé d'aidant déjà pris au cours de la même année, en application de l'article 30bis, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
   § 3. Les congés visés dans le présent article sont assimilés à des périodes d'activité de service.]1

  
Afdeling IV. [1 Moederschapsbescherming]1
Section IV. [1 Protection de la maternité]1
Art. 331/14. [1 Het moederschapsverlof bedoeld in artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971 wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.]1
  
Art. 331/14. [1 Le congé de maternité prévu par l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail est assimilé à une période d'activité de service.]1
  
Art. 331/15. [1 Wanneer de magistrate het prenataal verlof heeft opgebruikt en de bevalling na de voorziene datum plaatsvindt, wordt het prenataal verlof verlengd tot de werkelijke datum van de bevalling. Tijdens deze periode bevindt de magistrate zich in moederschapsverlof.]1
  
Art. 331/15. [1 Lorsque la magistrate a épuisé le congé prénatal et que l'accouchement se produit après la date prévue, le congé prénatal est prolongé jusqu'à la date réelle de l'accouchement. Durant cette période, la magistrate se trouve en congé de maternité.]1
  
Art. 331/16. [1 Op verzoek van de magistrate wordt het moederschapsverlof, met toepassing van artikel 39 van de arbeidswet van 16 maart 1971, na de negende week verlengd met een periode waarvan de duur gelijk is aan de duur van de periode waarin zij verder haar ambt heeft uitgeoefend vanaf de zesde week voor de werkelijke datum van de bevalling of vanaf de achtste week wanneer de geboorte van een meerling wordt verwacht. Deze periode wordt, bij vroeggeboorte, verminderd met de dagen waarop het ambt werd uitgeoefend tijdens de periode van zeven dagen die de bevalling voorafgaat.
   Worden gelijkgesteld met werkdagen die tot na het postnataal verlof verschoven kunnen worden:
   1° het jaarlijks vakantieverlof;
   2° de in artikel 331/10 bedoelde feestdagen;
   3° de in de artikelen 331/12 en 331/13 bedoelde verloven;
   4° de afwezigheden wegens ziekte.
   Ingeval van geboorte van een meerling, wordt op verzoek van de magistrate de periode van ambtsonderbreking na de negende week, verlengd met een periode van maximaal twee weken.]1

  
Art. 331/16. [1 A la demande de la magistrate, le congé de maternité est, en application de l'article 39 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, prolongé, après la neuvième semaine, d'une période dont la durée est égale à la durée de la période au cours de laquelle elle a continué à exercer ses fonctions à partir de la sixième semaine avant la date réelle de l'accouchement ou à partir de la huitième semaine lorsqu'une naissance multiple est attendue. En cas de naissance prématurée, cette période est réduite à concurrence des jours pendant lesquels elle a exercé ses fonctions pendant la période de sept jours qui précède l'accouchement.
   Sont assimilés à des jours ouvrables qui peuvent être reportés jusqu'après le congé postnatal:
   1° le congé annuel de vacances;
   2° les jours fériés visés à l'article 331/10;
   3° les congés visés aux articles 331/12 et 331/13;
   4° les absences pour maladie.
   En cas de naissance multiple, à la demande de la magistrate, la période d'interruption des fonctions après la neuvième semaine, est prolongée au maximum d'une période de deux semaines.]1

  
Art. 331/17. [1 Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, kunnen de laatste twee weken van de postnatale rustperiode op verzoek van de magistrate worden omgezet in verlofdagen van postnatale rust, wanneer zij de ambtsonderbreking na de negende week met ten minste twee weken kan verlengen.
   Ten laatste vier weken voor het einde van de verplichte periode van postnatale rust, brengt de magistrate de korpschef schriftelijk op de hoogte van de omzetting en de planning bedoeld in artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971.
   Overeenkomstig artikel 39, derde lid, van de arbeidswet van 16 maart 1971, moeten de verlofdagen van postnatale rust worden opgenomen binnen acht weken te rekenen vanaf het einde van de ononderbroken periode van postnatale rust.
   De verlofdagen van postnatale rust worden gelijkgesteld met dienstactiviteit.]1

  
Art. 331/17. [1 Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail, les deux dernières semaines de la période de repos postnatal peuvent être converties, à la demande de la magistrate, en jours de congé de repos postnatal, lorsqu'elle peut prolonger l'interruption des fonctions d'au moins deux semaines après la neuvième semaine.
   Au plus tard quatre semaines avant la fin de la période obligatoire de repos postnatal, la magistrate informe par écrit le chef de corps de la conversion et du planning visés à l'article 39, alinéa 3, de la loi du 16 mars 1971 sur le travail.
   Conformément à l'article 39, alinéa 3, de la loi sur le travail du 16 mars 1971, les jours de congé de repos postnatal doivent être pris dans les huit semaines à compter de la fin de la période ininterrompue de repos postnatal.
   Les jours de congé de repos postnatal sont assimilés à une activité de service.]1

  
Art. 331/18. [1 De zwangere magistrate kan niet verplicht worden wachtdiensten te presteren gedurende een periode van acht weken voor de vermoedelijke datum van de bevalling.]1
  
Art. 331/18. [1 La magistrate enceinte ne peut pas être contrainte d'effectuer des services de garde pendant une période de huit semaines avant la date probable de l'accouchement.]1
  
Art. 331/19. [1 De magistrate die in dienstactiviteit is, bekomt op haar verzoek het nodig verlof om haar in staat te stellen naar prenatale medische onderzoeken, die niet buiten de diensturen kunnen plaatsvinden, te gaan en deze te ondergaan.
   De aanvraag van de magistrate moet worden gestaafd met een medisch attest of een attest van de inrichting waar de onderzoeken worden verricht.
   Het verlof is met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.]1

  
Art. 331/19. [1 La magistrate qui est en activité de service obtient, à sa demande, le congé nécessaire pour lui permettre de se rendre et de subir les examens médicaux prénatals qui ne peuvent pas avoir lieu en dehors des heures de service.
   La demande de la magistrate doit être appuyée d'une attestation médicale ou d'une attestation d'établissement dans lequel les examens sont effectués.
   Le congé est assimilé à une période d'activité de service.]1

  
Art. 331/20. [1 Artikel 331/14 is niet van toepassing in geval van miskraam voor de 181e dag van de zwangerschap.]1
  
Art. 331/20. [1 L'article 331/14 ne s'applique pas en cas de fausse couche se produisant avant le 181e jour de gestation.]1
  
Art. 331/21. [1 § 1. Als de moeder van het kind overlijdt of in het ziekenhuis wordt opgenomen, verkrijgt de magistraat die meeouder is van het kind op eigen verzoek een meeouderschapsverlof om in de opvang van het kind te voorzien.
   § 2. In geval van overlijden van de moeder is de duur van het meeouderschapsverlof ten hoogste gelijk aan de duur van het moederschapsverlof dat de moeder nog niet opgebruikt had. De magistraat die meeouder van het kind is en die het meeouderschapsverlof wenst te genieten, stelt daar schriftelijk de korpschef van op de hoogte binnen zeven dagen vanaf het overlijden van de moeder. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het meeouderschapsverlof. Hij legt zo spoedig mogelijk een uittreksel uit de overlijdensakte van de moeder voor.
   § 3. In geval van hospitalisatie van de moeder kan de magistraat die meeouder van het kind is een meeouderschapsverlof krijgen onder de volgende voorwaarden:
   1° de pasgeborene moet het ziekenhuis verlaten hebben;
   2° de hospitalisatie van de moeder moet langer dan zeven dagen duren.
   Het meeouderschapsverlof kan niet aanvangen vóór de zevende dag volgend op de dag van de geboorte van het kind en wordt beëindigd op het ogenblik dat de hospitalisatie van de moeder ten einde loopt en uiterlijk op het einde van het gedeelte van het moederschapsverlof dat door de moeder nog niet was opgebruikt.
   De magistraat die de meeouder van het kind is en die het meeouderschapsverlof wenst te genieten, stelt de korpschef daarvan schriftelijk op de hoogte. De brief waarin hij dat doet, vermeldt de begindatum en de vermoedelijke duur van het verlof. De verlofaanvraag wordt gestaafd met een getuigschrift dat de duur van de hospitalisatie van de moeder vermeldt bovenop de zeven dagen volgend op de datum van de bevalling en de datum waarop de pasgeborene het ziekenhuis verlaten heeft.
   § 4. Het meeouderschapsverlof wordt gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]1

  
Art. 331/21. [1 § 1er. Si la mère de l'enfant décède ou est hospitalisée, le magistrat qui est le coparent de l'enfant obtient, à sa demande, un congé coparental en vue d'assurer l'accueil de l'enfant.
   § 2. En cas de décès de la mère, la durée du congé coparental est au maximum égale à la durée du congé de maternité non encore épuisée par la mère. Le magistrat qui est le coparent de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé coparental en informe par écrit le chef de corps dans les sept jours à dater du décès de la mère. Cet écrit mentionne la date du début du congé coparental et sa durée probable. Un extrait de l'acte de décès de la mère est produit dans les meilleurs délais.
   § 3. En cas d'hospitalisation de la mère, le magistrat qui est le coparent de l'enfant peut bénéficier du congé coparental aux conditions suivantes:
   1° le nouveau-né doit avoir quitté l'hôpital;
   2° l'hospitalisation de la mère doit avoir une durée de plus de sept jours.
   Le congé coparental ne peut pas débuter avant le septième jour qui suit le jour de la naissance de l'enfant et se termine au moment où prend fin l'hospitalisation de la mère et au plus tard au terme de la partie du congé de maternité non encore épuisée par la mère.
   Le magistrat qui est le coparent de l'enfant et qui souhaite bénéficier du congé coparental en informe par écrit le chef de corps. Cet écrit mentionne la date du début du congé et sa durée probable. La demande de congé est appuyée par une attestation certifiant la durée de l'hospitalisation de la mère au-delà des sept jours qui suivent la date de l'accouchement et la date à laquelle le nouveau-né est sorti de l'hôpital.
   § 4. Le congé coparental est assimilé à une période d'activité de service.]1

  
Art. 331/22. [1 Wanneer het pasgeboren kind na de eerste zeven dagen te rekenen vanaf zijn geboorte in de verplegingsinrichting moet opgenomen blijven, kan op verzoek van de magistrate de postnatale rustperiode verlengd worden met een duur gelijk aan de periode dat haar kind na die eerste zeven dagen in de verplegingsinrichting opgenomen blijft. De duur van deze verlenging mag vierentwintig weken niet overschrijden. Met dat doel bezorgt de magistrate aan de korpschef:
   1° bij het einde van de postnatale rustperiode, een getuigschrift van de verplegingsinrichting waaruit blijkt dat het pasgeboren kind in de verplegingsinrichting opgenomen blijft na de eerste zeven dagen vanaf zijn geboorte en met vermelding van de duur van de opname;
   2° in voorkomend geval een nieuw getuigschrift van de verplegingsinrichting bij het einde van de verlenging die voortvloeit uit het bepaalde in dit lid waaruit blijkt dat tijdens deze verlenging het pasgeboren kind de verplegingsinrichting nog niet heeft mogen verlaten en met vermelding van de duur van de opname.]1

  
Art. 331/22. [1 Dans le cas où, après les sept premiers jours à compter de sa naissance, le nouveau-né doit rester dans l'établissement hospitalier, le congé de repos postnatal peut, à la demande de la magistrate, être prolongé d'une durée égale à la période pendant laquelle son enfant est resté hospitalisé après les sept premiers jours. La durée de cette prolongation ne peut pas dépasser vingt-quatre semaines. A cet effet, la magistrate remet au chef de corps:
   1° à la fin de la période de repos postnatal, une attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né est resté hospitalisé après les sept premiers jours à dater de sa naissance et mentionnant la durée de l'hospitalisation;
   2° le cas échéant, à la fin de la période de prolongation qui résulte des dispositions prévues dans le présent alinéa, une nouvelle attestation de l'établissement hospitalier certifiant que le nouveau-né n'a pas encore pu quitter l'établissement hospitalier et mentionnant la durée de l'hospitalisation.]1

  
Art. 331/23. [1 § 1. De magistrate heeft recht op een dienstvrijstelling om haar kind met moedermelk te voeden en/of melk af te kolven tot negen maanden na de geboorte van het kind.
   § 2. De borstvoedingspauze duurt een half uur. De magistrate die tijdens een werkdag vier uur of langer haar ambt uitoefent, heeft die dag recht op een pauze. De magistrate die tijdens een werkdag ten minste zeven en een half uur haar ambt uitoefent, heeft die dag recht op twee pauzes. Als de magistrate recht heeft op twee pauzes tijdens een werkdag, kan zij deze opnemen in één keer of twee keer tijdens die dag.
   De magistrate bepaalt in overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst welk(e) moment(en) van de dag zij de borstvoedingspauze(s) kan nemen.
   § 3. De magistrate die wenst de borstvoedingspauzes te genieten, brengt schriftelijk twee weken op voorhand de korpschef hiervan op de hoogte, tenzij deze op verzoek van de magistrate een kortere termijn aanvaardt.
   Het recht op borstvoedingspauzes wordt toegekend mits het bewijs van borstvoeding wordt geleverd. Het bewijs wordt vanaf het begin van de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes, naar keuze van de magistraat, geleverd door een attest van een consultatiebureau voor zuigelingen behorend tot Kind en Gezin, tot het Office de la Naissance et de l'Enfance of tot de Dienst für Kind und Familie of door een medisch getuigschrift.
   Nadien bezorgt de magistrate aan de korpschef elke maand een attest of een medisch getuigschrift, telkens op de datum waarop de uitoefening van het recht op borstvoedingspauzes voor het eerst is ingegaan.]1

  
Art. 331/23. [1 § 1er. La magistrate a droit à une dispense de service afin d'allaiter son enfant au lait maternel et/ou de tirer son lait jusqu'à neuf mois après la naissance de l'enfant.
   § 2. La pause d'allaitement dure une demi-heure. La magistrate qui exerce ses fonctions quatre heures ou plus par journée de travail a droit à une pause à prendre pendant ce même jour. La magistrate qui exerce ses fonctions au moins sept heures et demie par journée de travail a droit à deux pauses à prendre ce même jour. Lorsque la magistrate a droit à deux pauses au cours de la journée de travail, elle peut les prendre en une ou deux fois sur cette même journée.
   Le(s) moment(s) de la journée au(x)quel(s) la magistrate peut prendre la ou les pause(s) d'allaitement est (sont) à convenir entre la magistrate et le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
   § 3. La magistrate qui souhaite obtenir le bénéfice des pauses d'allaitement avertit par écrit deux semaines à l'avance le chef de corps à moins que celui-ci n'accepte de réduire ce délai à la demande de la magistrate.
   Le droit aux pauses d'allaitement est accordé moyennant la preuve de l'allaitement. La preuve de l'allaitement est, à partir du début de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement, apportée, au choix de la magistrate, par une attestation d'un centre de consultation des nourrissons relevant de l'Office de la Naissance et de l'Enfance, de Kind en Gezin ou du Dienst für Kind und Familie, ou par un certificat médical.
   Une attestation ou un certificat médical doit ensuite être remis par la magistrate chaque mois au chef de corps, à la date anniversaire de l'exercice du droit aux pauses d'allaitement.]1

  
Art. 331/24. [1 De zwangere magistrate die meent dat zij tijdens de uitoefening van haar ambt aan een risico wordt blootgesteld, kan de korpschef om een aanpassing van de werkomstandigheden verzoeken.
   De korpschef willigt dit verzoek in op voorlegging van een attest van de behandelende geneesheer.]1

  
Art. 331/24. [1 La magistrate enceinte qui estime être exposée à un risque pendant l'exercice de ses fonctions peut demander un aménagement des conditions de travail au chef de corps.
   Le chef de corps accepte cette demande sur production d'une attestation du médecin traitant.]1

  
Afdeling V. [1 Ouderschapsverlof]1
Section V. [1 Congé parental]1
Art. 331/25. [1 § 1. Aan de magistraat wordt, bij de geboorte of de adoptie van zijn kind een ouderschapsverlof toegekend dat kan genomen worden:
   - hetzij gedurende een periode van vier maanden als voltijds verlof; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in maanden;
   - hetzij gedurende een periode van acht maanden als halftijds verlof; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van twee maanden of een veelvoud hiervan;
   - hetzij gedurende een periode van twintig maanden als verlof van één vijfde; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van vijf maanden of een veelvoud hiervan;
   - hetzij gedurende een periode van veertig maanden als verlof van één tiende; op vraag van de magistraat kan deze periode worden opgesplitst in periodes van tien maanden of een veelvoud hiervan.
   De magistraat heeft de mogelijkheid om bij het opnemen van zijn ouderschapsverlof gebruik te maken van de verschillende modaliteiten vermeld in het eerste lid. Bij een wijziging van opnamevorm moet rekening worden gehouden met het principe dat een maand voltijds verlof gelijk is aan twee maanden halftijds verlof, gelijk is aan vijf maanden verlof van één vijfde en gelijk is aan tien maanden verlof van één tiende.
   § 2. De magistraat heeft recht op ouderschapsverlof:
   - naar aanleiding van de geboorte van zijn kind tot het kind twaalf jaar wordt;
   - in het kader van de adoptie van een kind gedurende een periode die loopt vanaf de inschrijving van het kind als deel uitmakend van zijn gezin in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar de magistraat zijn verblijfplaats heeft, tot het kind twaalf jaar wordt.
   § 3. Wanneer het kind voor ten minste 66 % getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid of een aandoening heeft, die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler I van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten toegekend worden in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal in de zin van de regelgeving betreffende de kinderbijslag, is er geen leeftijdsgrens.
   § 4. Aan de voorwaarde van de twaalfde verjaardag moet voldaan zijn uiterlijk gedurende de periode van het ouderschapsverlof.
   § 5. Het in dit artikel beoogde ouderschapsverlof wordt niet bezoldigd; voor het overige wordt het gelijkgesteld aan een periode van dienstactiviteit.
   § 6. De magistraat die een ouderschapsverlof geniet in toepassing van dit artikel, ontvangt maandelijks van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de uitkering die wordt toegekend aan de personeelsleden van het openbaar ambt.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de aanvraag van de uitkering en de procedure.]1

  
Art. 331/25. [1 § 1er. Le magistrat, au moment de la naissance ou de l'adoption de son enfant, se voit accorder un congé parental qui peut être pris:
   - soit sous la forme d'un congé à temps plein durant une période de quatre mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée par mois;
   - soit sous la forme d'un congé à mi-temps durant une période de huit mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée en périodes de deux mois ou un multiple de ce chiffre;
   - soit sous la forme d'un congé d'un cinquième durant une période de vingt mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée en périodes de cinq mois ou un multiple de ce chiffre;
   - soit sous la forme d'un congé d'un dixième durant une période de quarante mois; à la demande du magistrat, cette période peut être fractionnée en périodes de dix mois ou un multiple de ce chiffre.
   Le magistrat a la possibilité dans le cadre de l'exercice de son droit au congé parental de faire usage des différentes modalités prévues à l'alinéa 1er. Lors d'un changement de forme, il convient de tenir compte du principe qu'un mois de congé à temps plein est équivalent à deux mois de congé à mi-temps, à cinq mois de congé à raison d'un cinquième et à dix mois de congé à raison d'un dixième.
   § 2. Le magistrat a droit au congé parental:
   - en raison de la naissance de son enfant, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire;
   - en raison de l'adoption d'un enfant, pendant une période qui court à partir de l'inscription de l'enfant comme faisant partie de son ménage, au registre de la population ou au registre des étrangers de la commune où le magistrat a sa résidence, jusqu'à ce que l'enfant atteigne son douzième anniversaire.
   § 3. Lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont reconnus dans le pilier I de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou que neuf points au moins sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médicosociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales, il n'y a pas de limite d'âge.
   § 4. La condition du douzième anniversaire doit être satisfaite au plus tard pendant la période de congé parental.
   § 5. Le congé parental visé dans le présent article n'est pas rémunéré; il est assimilé pour le surplus à une période d'activité de service.
   § 6. Le magistrat qui bénéficie d'un congé parental en application du présent article perçoit mensuellement de l'Office national de l'emploi l'allocation qui est accordée aux membres du personnel de la fonction publique.
   Le Roi détermine les modalités de demande de l'allocation et la procédure.]1

  
Art. 331/26. [1 De magistraat die een ouderschapsverlof met toepassing van artikel 331/25 wenst te genieten, deelt aan de korpschef de datum mee waarop hij wenst dat het verlof zal aanvangen en de duur ervan.
   Die mededeling gebeurt schriftelijk en minstens twee maanden vóór de aanvang van het verlof, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt. Voor elke verlenging wordt een aanvraag van de betrokken magistraat vereist. Zij moet ten minste een maand voor het verstrijken van de lopende periode worden ingediend.
   Het verlof wordt vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.]1

  
Art. 331/26. [1 Le magistrat qui désire bénéficier d'un congé parental par application de l'article 331/25 communique au chef de corps la date à laquelle il souhaite que le congé commence et la durée de celui-ci.
   Cette communication se fait par écrit et au moins deux mois avant le début du congé, à moins que le chef de corps n'accepte un délai plus court à la demande du magistrat. Pour chaque prolongation, une demande du magistrat concerné est requise. Elle doit être introduite au moins un mois avant l'expiration de la période en cours.
   Le congé est fixé en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.]1

  
Afdeling VI. [1 Adoptieverlof, opvangverlof, pleegouderverlof en pleegzorgverlof]1
Section IV. [1 Congé d'adoption, congé d'accueil, congé parental d'accueil et congé pour soins d'accueil]1
Art. 331/27. [1 § 1. Een adoptieverlof wordt toegekend gedurende een periode van maximum negen weken aan de magistraat die een minderjarig kind adopteert.
   Het adoptieverlof van negen weken per adoptieouder wordt als volgt opgetrokken voor de adoptieouder of voor beide adoptieouders samen: met een week vanaf 1 januari 2025 en met twee weken vanaf 1 januari 2027.
   In geval van twee adoptieouders worden de bijkomende weken bedoeld in het tweede lid onderling tussen hen verdeeld.
   Het tweede lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het adoptieverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
   Het verlof kan worden gesplitst in weken en dient te worden genomen uiterlijk binnen de zeven maanden na de opname van het kind in het gezin van de magistraat. In het kader van een interlandelijke adoptie kan de magistraat op zijn vraag ten hoogste vier weken van dit verlof opnemen vooraleer het kind effectief in het gezin wordt opgenomen om de daadwerkelijke opvang van kind in zijn gezin voor te bereiden.
   § 2. De magistraat die het verlof wenst te genieten met toepassing van dit artikel deelt aan de korpschef de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens een maand vóór de aanvang van het verlof, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.
   De magistraat dient de volgende documenten voor te leggen:
   1° een attest, uitgereikt door de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap waarin de toewijzing van het kind aan de magistraat wordt bevestigd, om het verlof van ten hoogste vier weken te verkrijgen vooraleer het kind wordt opgenomen in het gezin;
   2° een attest dat de inschrijving van het kind in het bevolkings- of vreemdelingenregister bevestigt, om het resterend verlof te kunnen opnemen;
   3° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling van de bijkomende weken adoptieverlof tussen de twee adoptieouders of de toewijzing van deze weken aan de enige adoptieouder die van dit verlof gebruik maakt, vastlegt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het adoptiegezin bestaat uit twee adoptieouders.
   Het verlof wordt vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   § 3. De maximumduur van het adoptieverlof wordt verdubbeld, wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt met twee weken per adoptieouder verlengd bij de gelijktijdige adoptie van meerdere minderjarige kinderen.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met vier weken, wanneer de magistraat voor hetzelfde kind een omstandigheidsverlof met toepassing van artikel 331/12, eerste lid, 2°, of een geboorteverlof in toepassing van artikel 30, § 2, van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten heeft genoten.
   De maximumduur van het adoptieverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof met toepassing van artikel 331/28 dat de magistraat reeds heeft genoten voor hetzelfde kind.]1

  
Art. 331/27. [1 § 1er. Un congé d'adoption est accordé pendant une période de maximum neuf semaines au magistrat qui adopte un enfant mineur.
   Le congé d'adoption de neuf semaines par parent adoptif est allongé, comme suit, pour le parent adoptif ou pour les deux parents adoptifs ensemble: d'une semaine à partir du 1er janvier 2025 et de deux semaines à partir du 1er janvier 2027.
   S'il y a deux parents adoptifs, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires visées à l'alinéa 2.
   L'alinéa 2 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé d'adoption prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
   Le congé peut être fractionné par semaine et doit être pris au plus tard dans les sept mois qui suivent l'accueil de l'enfant dans la famille du magistrat. Dans le cadre d'une adoption internationale, le magistrat peut, à sa demande, prendre maximum quatre semaines de ce congé avant que l'enfant ne soit effectivement accueilli dans la famille afin de préparer l'accueil effectif de l'enfant dans sa famille.
   § 2. Le magistrat qui souhaite bénéficier du congé par application du présent article communique au chef de corps la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. Cette communication se fait par écrit au moins un mois avant le début du congé, à moins que le chef de corps n'accepte un délai plus court à la demande du magistrat.
   Le magistrat doit présenter les documents suivants:
   1° une attestation, délivrée par l'autorité centrale communautaire compétente, qui confirme l'attribution de l'enfant au magistrat, pour obtenir le congé de quatre semaines au plus avant que l'enfant ne soit accueilli dans la famille;
   2° une attestation qui confirme l'inscription de l'enfant au registre de la population ou au registre des étrangers, pour pouvoir prendre le congé restant;
   3° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé d'adoption entre les deux parents adoptifs ou de l'attribution de ces semaines au seul parent adoptif qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille adoptive se compose de deux parents adoptifs.
   Le congé est fixé en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
   § 3. La durée maximum du congé d'adoption est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou qu'au moins neuf points sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
   La durée maximale du congé d'adoption est allongée de deux semaines par parent adoptif en cas d'adoption simultanée de plusieurs enfants mineurs.
   La durée maximum du congé d'adoption est réduite de quatre semaines, lorsque le magistrat a obtenu pour le même enfant un congé de circonstances en application de l'article 331/12, alinéa 1er, 2°, ou un congé à l'occasion d'une naissance en application de l'article 30, § 2, de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
   La durée maximum du congé d'adoption est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 331/28, que le magistrat a déjà obtenu pour le même enfant.]1

  
Art. 331/28. [1 Een opvangverlof wordt toegekend aan de magistraat die de pleegvoogdij opneemt van een kind beneden de tien jaar.
   Het verlof bedraagt ten hoogste zes weken voor een kind beneden de drie jaar en ten hoogste vier weken in de andere gevallen. Het verlof vangt aan op de dag dat het kind in het gezin wordt opgenomen en kan niet gesplitst worden.
   De maximumduur van het opvangverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten toegekend worden in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regelgeving betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
   Het opvangverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen pleegzorgverlof dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind met toepassing van artikel 331/29 en met toepassing van artikel 30quater van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten.
   Het verlof wordt vastgelegd in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.]1

  
Art. 331/28. [1 Un congé d'accueil est accordé au magistrat qui assure la tutelle officieuse d'un enfant de moins de dix ans.
   Le congé est de six semaines au plus pour un enfant de moins de trois ans et de quatre semaines au plus dans les autres cas. Le congé débute le jour où l'enfant est accueilli dans la famille et ne peut pas être fractionné.
   La durée maximum du congé d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou que neuf points au moins sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médico-sociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
   Le congé d'accueil est réduit du nombre de jours ouvrables de congé pour soins d'accueil qui ont déjà été pris au cours de la même année pour le même enfant en application de l'article 331/29 et en application de l'article 30quater de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail.
   Le congé est fixé en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.]1

  
Art. 331/29. [1 § 1. Een pleegzorgverlof wordt toegekend aan de magistraat die is aangesteld als pleegouder voor de vervulling van de verplichtingen en opdrachten of om het hoofd te bieden aan situaties die voortvloeien uit de plaatsing in zijn gezin van een of meerdere personen die in het kader van die pleegzorg aan hem zijn toevertrouwd.
   De duur van het verlof mag zes werkdagen per jaar niet overschrijden.
   Het pleegzorgverlof wordt verminderd met het aantal werkdagen opvangverlof met toepassing van artikel 331/28 dat reeds opgenomen werd in hetzelfde jaar voor hetzelfde kind.
   § 2. Onder pleeggezin moet worden verstaan, het gezin van de persoon of van de personen die als pleegouder werd(en) aangesteld in de zin van paragraaf 1, eerste lid.
   De plaatsing omvat alle vormen van plaatsing in het gezin waartoe kan worden besloten in het kader van een pleegzorgmaatregel, zowel de plaatsing van minderjarige personen, als de plaatsing van personen met een handicap.
   § 3. De soorten verplichtingen, opdrachten en situaties waarvoor het pleegzorgverlof geldt, hebben betrekking op de volgende gebeurtenissen die specifiek verband houden met de pleegzorgsituatie en waarbij de tussenkomst van de magistraat vereist is, en dit voor zover dit niet kan plaatsvinden buiten de diensturen:
   1° alle soorten van zittingen bij de gerechtelijke en administratieve autoriteiten die bevoegd zijn voor het pleeggezin;
   2° contacten van de pleegouder of het pleeggezin met de ouders of met derden die belangrijk zijn voor het pleegkind of de pleeggast;
   3° contacten met de dienst voor pleegzorg.
   In andere dan de hiervoor vermelde situaties geldt het recht op verlof slechts voor zover de bevoegde plaatsingsdienst een attest aflevert dat verduidelijkt waarom dergelijk verlof noodzakelijk is.
   § 4. De magistraat die gebruik maakt van het verlof met het oog op het verstrekken van pleegzorgen, is ertoe gehouden de korpschef hiervan ten minste twee weken op voorhand te verwittigen. Indien dit niet mogelijk is, moet hij de korpschef zo spoedig mogelijk verwittigen.
   Om het verlof te kunnen genieten moet de magistraat het bewijs leveren dat hij pleegouder is aan de hand van de officiële aanstellingsbeslissing uitgaande van één van de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde instellingen.
   Op verzoek van de korpschef, levert de magistraat aan de hand van de gepaste documenten of bij gebreke hieraan, door ieder ander bewijsmiddel, het bewijs van de gebeurtenissen die zijn afwezigheid rechtvaardigen.
   Het verlof wordt genomen in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.]1

  
Art. 331/29. [1 § 1er. Un congé pour soins d'accueil est accordé au magistrat qui a été désigné comme parent d'accueil pour remplir les obligations et les missions ou pour faire face à des situations qui découlent du placement dans sa famille d'une ou de plusieurs personnes qui lui ont été confiées dans le cadre de ce placement.
   La durée du congé ne peut pas dépasser six jours ouvrables par an.
   Le congé pour soins d'accueil est réduit du nombre de jours ouvrables de congé d'accueil en application de l'article 331/28 qui ont déjà été pris au cours de la même année pour le même enfant.
   § 2. Par famille d'accueil, il faut entendre la famille de la personne ou des personnes désignée(s) comme parent(s) d'accueil au sens du paragraphe 1er, alinéa 1er.
   Le placement comprend toutes les formes de placement dans la famille qui peuvent être décidées dans le cadre d'une mesure de placement, aussi bien le placement de personnes mineures, que le placement de personnes handicapées.
   § 3. Les types d'obligations, de missions et de situations pour lesquels le congé pour soins d'accueil est prévu, concernent les événements suivants qui sont en rapport avec la situation de placement et dans lesquels l'intervention du magistrat est requise, et ce pour autant que cela ne puisse se faire en dehors des heures de service:
   1° tous types d'audience auprès des autorités judiciaires et administratives ayant compétence auprès de la famille d'accueil;
   2° les contacts du parent d'accueil ou de la famille d'accueil avec les parents ou des tiers qui sont importants pour l'enfant placé ou la personne placée;
   3° les contacts avec le service de placement.
   Dans les situations autres que celles mentionnées ci-dessus, le droit au congé ne s'applique que pour autant que le service de placement compétent délivre une attestation qui précise pourquoi un tel congé est nécessaire.
   § 4. Le magistrat qui fait usage du congé dans le but de dispenser des soins d'accueil est tenu d'en informer le chef de corps au moins deux semaines à l'avance. Dans le cas où il n'en a pas la possibilité, il doit avertir le chef de corps le plus vite possible.
   Pour pouvoir bénéficier du congé, le magistrat doit prouver qu'il est parent d'accueil, au moyen d'une décision de désignation officielle émanant d'un des organismes visés au paragraphe 1er, alinéa 1er.
   A la demande du chef de corps, le magistrat apporte la preuve de l'événement qui légitime son absence à l'aide des documents appropriés ou, à défaut, par tout autre moyen de preuve.
   Le congé est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.]1

  
Art. 331/30. [1 § 1. Onverminderd artikel 331/29, heeft de magistraat die is aangesteld als pleegouder en die naar aanleiding van een plaatsing in het kader van een langdurige pleegzorg een minderjarig kind in zijn gezin onthaalt, met het oog op de zorg voor dit kind, eenmalig recht op pleegouderverlof gedurende een aaneengesloten periode van maximum negen weken.
   Indien de magistraat ervoor kiest om niet het toegestane maximum aantal weken pleegouderverlof op te nemen, dient het verlof ten minste een week of een veelvoud van een week te bedragen.
   Het pleegouderverlof van negen weken per ouder wordt als volgt opgetrokken voor de pleegouder of voor beide pleegouders samen: met een week vanaf 1 januari 2025, en met twee weken vanaf 1 januari 2027.
   Het derde lid is enkel van toepassing op aanvragen gebeurd overeenkomstig paragraaf 2 vanaf de inwerkingtreding van de betrokken optrekking en voor zover het pleegouderverlof ten vroegste aanvangt vanaf diezelfde datum van inwerkingtreding.
   Indien het pleeggezin bestaat uit twee personen, die beiden zijn aangesteld als pleegouder van het kind, worden de bijkomende weken bedoeld in het derde lid onderling tussen hen verdeeld.
   § 2. Om het recht op pleegouderverlof te kunnen uitoefenen, moet dit verlof een aanvang nemen binnen twaalf maanden volgend op de inschrijving van het kind als deel uitmakend van het gezin van de magistraat in het bevolkingsregister of in het vreemdelingenregister van de gemeente waar hij zijn verblijfplaats heeft.
   De magistraat die het verlof wenst te genieten deelt aan de korpschef de datum mee waarop het verlof zal aanvangen en de duur ervan. De mededeling gebeurt schriftelijk minstens een maand voor de aanvang van het verlof, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.
   De magistraat dient, ten laatste bij de aanvang van het pleegouderverlof, de volgende documenten voor te leggen:
   1° de documenten ter staving van de gebeurtenis die het recht op pleegouderverlof doet ontstaan;
   2° een verklaring op eer die, al naargelang het geval, de verdeling vastlegt van de bijkomende weken pleegouderverlof tussen de twee pleegouders of de toewijzing van deze weken aan de enige pleegouder die van dit verlof gebruik maakt. Deze verklaring op eer is enkel nodig als het pleeggezin bestaat uit twee pleegouders.
   Het verlof wordt genomen in onderling overleg met de korpschef en met inachtneming van de behoeften van de dienst.
   § 3. De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verdubbeld wanneer het kind getroffen is door een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % of een aandoening heeft die tot gevolg heeft dat ten minste vier punten worden toegekend in pijler 1 van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag of dat ten minste negen punten worden toegekend in alle drie de pijlers samen van de medisch-sociale schaal overeenkomstig de regeling betreffende de kinderbijslag.
   De maximumduur van het pleegouderverlof wordt met twee weken per pleegouder verlengd in het geval van gelijktijdig onthaal van meerdere minderjarige kinderen in het kader van langdurige pleegzorg.
   De maximumduur van het pleegouderverlof wordt verminderd met het aantal weken opvangverlof met toepassing van artikel 331/28 dat de magistraat reeds heeft genoten voor hetzelfde kind.]1

  
Art. 331/30. [1 § 1er. Sans préjudice de l'article 331/29, le magistrat qui est désigné comme parent d'accueil et qui dans le cadre d'un placement familial de longue durée, accueille un enfant mineur dans sa famille, a droit une seule fois, pour prendre soin de cet enfant, à un congé parental d'accueil pendant une période ininterrompue de maximum neuf semaines.
   Dans le cas où le magistrat choisit de ne pas prendre le nombre maximal de semaines prévues dans le cadre du congé parental d'accueil, le congé doit être au moins d'une semaine ou d'un multiple d'une semaine.
   Le congé parental d'accueil de neuf semaines par parent est allongé pour le parent d'accueil ou pour les deux parents d'accueil ensemble d'une semaine à partir du 1er janvier 2025 et de deux semaines à partir du 1er janvier 2027.
   L'alinéa 3 ne s'applique qu'aux demandes introduites conformément au paragraphe 2 à partir de l'entrée en vigueur de l'allongement concerné et pour autant que le congé parental d'accueil prenne cours au plus tôt à partir de la même date d'entrée en vigueur.
   Si la famille d'accueil comprend deux personnes, qui sont désignées ensemble comme parent d'accueil de l'enfant, ceux-ci se répartissent entre eux les semaines supplémentaires visées à l'alinéa 3.
   § 2. Pour pouvoir exercer le droit au congé parental d'accueil, ce congé doit prendre cours dans les douze mois qui suivent l'inscription de l'enfant comme faisant partie du ménage du magistrat dans le registre de la population ou dans le registre des étrangers de sa commune de résidence.
   Le magistrat qui souhaite bénéficier du congé communique au chef de corps la date à laquelle le congé prendra cours et sa durée. La communication se fait par écrit au minimum un mois avant le début du congé, sauf si le chef de corps accepte un délai plus court à la demande du magistrat.
   Le magistrat doit, au plus tard au début du congé parental d'accueil, présenter les documents suivants:
   1° les documents attestant l'événement qui ouvre le droit au congé parental d'accueil;
   2° une déclaration sur l'honneur attestant, selon le cas, de la répartition des semaines supplémentaires de congé parental d'accueil entre les deux parents d'accueil ou de l'attribution de ces semaines au seul parent d'accueil qui utilise ce congé. Cette déclaration sur l'honneur n'est nécessaire que si la famille d'accueil se compose de deux parents d'accueil.
   Le congé est pris en concertation avec le chef de corps et dans le respect des nécessités du service.
   § 3. La durée maximale du congé parental d'accueil est doublée lorsque l'enfant est atteint d'une incapacité physique ou mentale de 66 % au moins ou d'une affection qui a pour conséquence qu'au moins quatre points sont octroyés dans le pilier 1 de l'échelle médico-sociale, au sens de la réglementation relative aux allocations familiales ou qu'au moins neuf points sont reconnus dans l'ensemble des trois piliers de l'échelle médicosociale au sens de la réglementation relative aux allocations familiales.
   La durée maximale du congé parental d'accueil est allongée de deux semaines par parent d'accueil en cas d'accueil simultané de plusieurs enfants mineurs dans le cadre d'un placement familial de longue durée.
   La durée maximum du congé parental d'accueil est réduite du nombre de semaines de congé d'accueil en application de l'article 331/28, que le magistrat a déjà obtenu pour le même enfant.]1

  
Art. 331/31. [1 Het adoptieverlof, het opvangverlof, het pleegzorgverlof en het pleegouderverlof worden gelijkgesteld met een periode van dienstactiviteit.]1
  
Art. 331/31. [1 Le congé d'adoption, le congé d'accueil, le congé pour soins d'accueil et le congé parental d'accueil sont assimilés à une période d'activité de service.]1
  
Afdeling VII. [1 Verlof wegens ziekte]1
Section VII. [1 Congé de maladie]1
Onderafdeling I. [1 Algemene bepalingen]1
Sous-section Ire. [1 Dispositions générales]1
Art. 331/32. [1 § 1. De magistraat, die wegens ziekte of ongeval verhinderd is zijn ambt normaal uit te oefenen, is verplicht de korpschef hiervan onmiddellijk op de hoogte te brengen.
   Voor een afwezigheid wegens ziekte of ongeval die langer duurt dan drie werkdagen, dient de magistraat zo snel mogelijk een geneeskundig getuigschrift in bij het Bestuur van de medische expertise zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 1 december 2013 houdende regeling van het Bestuur voor medische expertise. Het geneeskundig getuigschrift maakt melding van de ziekte, de waarschijnlijke duur ervan, de verblijfplaats van de magistraat en of deze zich met het oog op de controle al dan niet naar een andere plaats mag begeven.
   § 2. De magistraat die wegens ziekte of ongeval afwezig is, staat onder het geneeskundig toezicht van het Bestuur van de medische expertise zoals bedoeld in paragraaf 1, overeenkomstig de artikelen 331/34 tot 331/36.
   Het Bestuur van de medische expertise wordt aangewezen om de controle uit te voeren op de afwezigheden ten gevolge van ziekte of ongeval.]1

  
Art. 331/32. [1 § 1er. Le magistrat qui, par suite de maladie ou d'accident, est empêché d'exercer normalement sa fonction, est tenu d'en informer le chef de corps immédiatement.
   Pour une absence pour maladie ou accident d'une durée supérieure à trois jours ouvrables, le magistrat introduit le plus rapidement possible un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale telle que visée dans l'arrêté royal organique du 1er décembre 2013 de l'Administration de l'expertise médicale. Le certificat médical mentionne la maladie, la durée probable de celle-ci, la résidence du magistrat et si le magistrat peut se déplacer ou non en vue d'un contrôle.
   § 2. Le magistrat absent pour maladie ou accident est sous le contrôle médical de l'Administration de l'expertise médicale telle que visée au paragraphe 1er, conformément aux articles 331/34 à 331/36.
   L'Administration de l'expertise médicale est désignée pour contrôler les absences par suite de maladie ou d'accident.]1

  
Art. 331/33. [1 § 1. De afwezigheid wegens ziekte of ongeval wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
   Indien de magistraat nalaat een geneeskundig getuigschrift in te dienen bij het Bestuur van de medische expertise overeenkomstig artikel 331/32, § 1, tweede lid, dan bevindt hij zich van rechtswege in non-activiteit.
   § 2. Het verlof wegens ziekte maakt geen einde aan de deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar bedoeld in afdeling IX.
   De magistraat blijft de voor zijn verminderde prestaties verschuldigde wedde met toelagen en premies ontvangen.]1

  
Art. 331/33. [1 § 1er. L'absence par suite de maladie ou d'accident est assimilée à une période d'activité de service.
   Si le magistrat omet d'introduire un certificat médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale conformément à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2, il se trouve de plein droit en non-activité.
   § 2. Le congé de maladie ne met pas fin à l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans visé dans la section IX.
   Le magistrat continue à percevoir le traitement dû en raison des prestations réduites avec des allocations et des primes.]1

  
Art. 331/34. [1 § 1. De magistraat is verplicht de arts die aangeduid is door het Bestuur van de medische expertise en die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde, hierna de controlearts genoemd, te ontvangen of in te gaan op de oproep om zich aan te melden bij de controlearts. De magistraat kan het medisch onderzoek niet weigeren.
   De controle van de magistraat kan gebeuren op vraag van de korpschef of op initiatief van het Bestuur van de medische expertise.
   De controle van de magistraat kan gebeuren vanaf de eerste dag van de afwezigheid en tijdens de volledige periode van de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval.
   Het medisch onderzoek vindt plaats in de woon- of verblijfplaats van de magistraat. Wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat hem toelaat zich naar een andere plaats te begeven, dan kan de magistraat ook worden opgeroepen door het Bestuur van de medische expertise om zich voor een onderzoek aan te melden bij de controlearts. Wanneer de controlearts de magistraat niet aantreft op de aangegeven woon- of verblijfplaats, dan laat hij een bericht achter. Behoudens wanneer de arts die het geneeskundig getuigschrift aan de magistraat heeft afgeleverd, oordeelt dat zijn gezondheidstoestand hem niet toelaat zich naar een andere plaats te begeven, moet de magistraat zich op het vermelde uur aanmelden bij de controlearts.
   Wanneer de magistraat zich niet naar een andere plaats mag begeven, maar op het ogenblik van de controle afwezig was, wegens redenen van overmacht, brengt hij de controlearts onmiddellijk hiervan op de hoogte, zodat een nieuwe controle kan plaatshebben.
   De magistraat die het medisch onderzoek weigert of die het de controlearts onmogelijk maakt om het medisch onderzoek uit te voeren, wordt van rechtswege in non-activiteit geplaatst.
   § 2. De controlearts gaat na of de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval gerechtvaardigd is en kan daarbij hoogstens constateren dat:
   1° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is;
   2° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch gerechtvaardigd is voor een kortere periode dan vermeld werd in het geneeskundig getuigschrift;
   3° de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval medisch ongerechtvaardigd is.
   De controlearts oefent zijn opdracht uit overeenkomstig artikel 3 van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde.
   De controlearts overhandigt onmiddellijk, eventueel na raadpleging van diegene die het in artikel 331/32, § 1, tweede lid, bedoelde geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd, zijn bevindingen schriftelijk aan de magistraat. Indien de magistraat op dat ogenblik kenbaar maakt dat hij niet akkoord gaat met de bevindingen van de controlearts, wordt dit door deze laatste vermeld op voornoemd geschrift.
   In het geval bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, gaat de ambtshervatting in respectievelijk op de door de controlearts vastgestelde datum of, onverminderd artikel 331/35, op de eerste dag volgend op het onderzoek.
   Wanneer de magistraat een dag afwezig is ten gevolge van ziekte of ongeval en geen arts heeft geraadpleegd, en de controlearts oordeelt na medisch onderzoek dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval niet gerechtvaardigd is, dan bevindt de magistraat zich van rechtswege in non-activiteit.
   Niettemin kan de magistraat opteren voor het gebruik van een dag jaarlijks vakantieverlof met akkoord van de korpschef, per afwezigheid van een dag waarvoor de magistraat geen arts geraadpleegd heeft wanneer de controlearts geoordeeld heeft dat de afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval ongerechtvaardigd is.]1

  
Art. 331/34. [1 § 1er. Le magistrat est tenu de recevoir le médecin désigné par l'Administration de l'expertise médicale satisfaisant aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle, dénommé ci-après médecin-contrôleur, ou de répondre à la convocation lui demandant de se présenter auprès de ce médecin-contrôleur. Le magistrat ne peut pas refuser l'examen médical.
   Le contrôle du magistrat peut se faire à la demande du chef de corps ou à l'initiative de l'Administration de l'expertise médicale.
   Le contrôle du magistrat peut se faire à partir du premier jour d'absence et pendant la totalité de la période d'absence par suite de maladie ou d'accident.
   L'examen médical a lieu au domicile ou au lieu de résidence du magistrat. Lorsque le médecin qui a délivré le certificat médical estime que l'état de santé du magistrat lui permet de se déplacer, le magistrat peut aussi être convoqué par l'Administration de l'expertise médicale à se présenter chez le médecin-contrôleur pour un examen médical. Lorsque le médecin-contrôleur ne trouve pas le magistrat au domicile ou au lieu de résidence indiqué, il laisse un message. Sauf dans le cas où le médecin qui a délivré le certificat médical au magistrat estime que son état de santé ne lui permet pas de se déplacer, le magistrat doit se rendre chez le médecin-contrôleur à l'heure indiquée.
   Lorsque le magistrat ne peut pas se déplacer, mais était absent lors du contrôle pour cas de force majeure, il en informe immédiatement le médecin-contrôleur, afin qu'un nouveau contrôle puisse avoir lieu.
   Le magistrat qui refuse ou rend impossible l'exécution de l'examen médical par le médecin-contrôleur est placé de plein droit en non-activité.
   § 2. Le médecin-contrôleur vérifie si l'absence par suite de maladie ou d'accident est justifiée et peut constater tout au plus à cet égard que:
   1° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée;
   2° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement justifiée pour une période plus courte que celle mentionnée sur le certificat médical;
   3° l'absence par suite de maladie ou d'accident est médicalement injustifiée.
   Le médecin-contrôleur exerce sa mission conformément à l'article 3 de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle.
   Le médecin-contrôleur remet immédiatement, éventuellement après consultation de celui qui a délivré le certificat médical visé à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2, ses constatations écrites au magistrat. Si le magistrat ne peut pas à ce moment marquer son accord avec les constatations du médecin-contrôleur, ceci sera acté par ce dernier sur l'écrit précité.
   Dans les cas visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, la reprise des fonctions prend respectivement cours à la date fixée par le médecin-contrôleur ou, sans préjudice de l'article 331/35, le premier jour suivant celui de l'examen.
   Lorsque le magistrat est absent un jour par suite de maladie ou d'accident et qu'il ne s'est pas fait examiner par un médecin, et que le médecin-contrôleur estime après examen médical que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée, le magistrat se trouve de plein droit en non-activité.
   Le magistrat peut toutefois opter pour l'utilisation d'un jour de congé annuel de vacances avec l'accord du chef de corps, par absence d'un jour pour laquelle il ne s'est pas fait examiner par un médecin lorsque le médecin-contrôleur a estimé que l'absence par suite de maladie ou d'accident n'est pas justifiée.]1

  
Art. 331/35. [1 Binnen twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen door de controlearts, kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medische geschil en in onderling akkoord een arts-scheidsrechter aanwijzen. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de meest belanghebbende partij met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
   Het Bestuur van de medische expertise kan de controlearts en de magistraat kan diegene die hem het geneeskundig getuigschrift overhandigd heeft, uitdrukkelijk machtiging geven om de arts-scheidsrechter aan te wijzen.
   De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Alle andere vaststellingen blijven onder het beroepsgeheim.
   Indien de arts-scheidsrechter een negatieve beslissing neemt, wordt de periode tussen de datum van ambtshervatting bepaald door de controlearts en de datum van de beslissing van de arts-scheidsrechter, omgezet in non-activiteit.
   De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de magistraat, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
   De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de controlearts op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de magistraat worden schriftelijk verwittigd bij een aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.]1

  
Art. 331/35. [1 Dans les deux jours ouvrables qui suivent la remise des constatations par le médecin-contrôleur, la partie la plus intéressée peut désigner, en vue de régler le litige médical et de commun accord, un médecin-arbitre. Si aucun accord ne peut être conclu dans les deux jours ouvrables, la partie la plus intéressée peut désigner, en vue de régler le litige médical, un médecin-arbitre qui satisfait aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle et figure sur la liste fixée en exécution de la loi précitée.
   L'Administration de l'expertise médicale peut donner au médecin-contrôleur et le magistrat peut donner à celui qui a rédigé le certificat médical, un mandat exprès pour la désignation du médecin-arbitre.
   Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toutes autres constatations demeurent couvertes par le secret professionnel.
   Si le médecin-arbitre prend une décision négative, la période entre la date de reprise des fonctions fixée par le médecin-contrôleur et la date de la décision du médecin-arbitre est convertie en non-activité.
   Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement du magistrat, sont à charge de la partie qui succombe.
   Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin-contrôleur. L'Administration de l'expertise médicale et le magistrat sont avertis par écrit, par envoi recommandé et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.]1

  
Art. 331/36. [1 Wanneer de magistraat tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval in het buitenland wil verblijven, moet hij hiervoor voorafgaand de toestemming krijgen van het Bestuur van de medische expertise. De magistraat dient een met redenen omklede aanbeveling van zijn behandelend arts voor te leggen waaruit blijkt dat het verblijf in het buitenland de genezing en/of de behandeling niet in gevaar brengt. De arts vermeldt eveneens de begin- en einddatum van de aangevraagde verblijfperiode in het buitenland.]1
  
Art. 331/36. [1 Lorsque le magistrat veut séjourner à l'étranger pendant une absence par suite de maladie ou d'accident, il doit recevoir à cet effet l'autorisation préalable de l'Administration de l'expertise médicale. Le magistrat doit soumettre une recommandation motivée de son médecin traitant qui démontre que le séjour à l'étranger ne met pas en danger la guérison et/ou le traitement. Le médecin mentionne également les dates de début et de fin de la période de séjour à l'étranger demandée.]1
  
Art. 331/37. [1 Tijdens een afwezigheid ten gevolge van ziekte of ongeval heeft een magistraat de mogelijkheid met het oog op zijn ambtshervatting om deel te nemen aan opleidingsactiviteiten en aan activiteiten in het kader van terug-naar-werkbegeleiding.]1
  
Art. 331/37. [1 Pendant une absence par suite de maladie ou d'accident, un magistrat a la possibilité, en vue de sa reprise des fonctions, de participer à des activités de formation et à des activités dans le cadre de l'accompagnement retour au travail.]1
  
Art. 331/38. [1 Het Bestuur van de medische expertise wordt belast met de controle van de afwezigheden ten gevolge van een arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.
   De controle gebeurt volgens de nadere regels bepaald in artikel 331/34, § 1 en § 2, eerste tot derde lid.
   Artikel 331/36 is van toepassing.]1

  
Art. 331/38. [1 L'Administration de l'expertise médicale est chargée du contrôle des absences par suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.
   Le contrôle s'effectue selon les modalités fixées à l'article 331/34, § 1er et § 2, alinéas 1er à 3.
   L'article 331/36 s'applique.]1

  
Onderafdeling II. [1 Verminderde prestaties wegens medische redenen]1
Sous-section II. [1 Prestations réduites pour raisons médicales]1
Art. 331/39. [1 De magistraat kan vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen:
   1° om zich opnieuw aan te passen aan het normale arbeidsritme, na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
   2° wanneer hij wegens een langdurige medische ongeschiktheid, verhinderd is zijn ambt voltijds uit te oefenen na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen;
   3° wanneer hij als persoon met een handicap verhinderd is voltijds zijn ambt uit te oefenen als gevolg van zijn handicap; onder "persoon met een handicap" wordt verstaan de persoon bedoeld in artikel 1 van het koninklijk besluit van 6 oktober 2005 houdende diverse maatregelen met betrekking tot de vergelijkende aanwervingsselectie en met betrekking tot de stage.
   De beoordeling van de medische toestand van de magistraat en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen gebeurt door een arts van het Bestuur van de medische expertise bedoeld in artikel 331/32, § 1, tweede lid.
   In afwijking van het eerste lid, 1°, kan de magistraat eveneens vragen om zijn ambt met verminderde prestaties wegens medische redenen uit te oefenen wanneer hij na een ononderbroken afwezigheid wegens ziekte van tenminste dertig dagen zijn ambt minder dan tien werkdagen heeft hervat.]1

  
Art. 331/39. [1 Le magistrat peut demander d'exercer ses fonctions dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales:
   1° en vue de se réadapter au rythme de travail normal, après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
   2° lorsque, à la suite d'une inaptitude médicale de longue durée, il est empêché d'exercer ses fonctions à temps plein après une absence ininterrompue pour maladie d'au moins trente jours;
   3° lorsque, en tant que personne handicapée, il est empêché d'exercer ses fonctions à temps plein en conséquence de son handicap; par "personne handicapée", on entend la personne visée à l'article 1er de l'arrêté royal du 6 octobre 2005 portant diverses mesures en matière de sélection comparative de recrutement et en matière de stage.
   L'appréciation de la situation médicale du magistrat et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales sont assurés par un médecin de l'Administration de l'expertise médicale visé à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, 1°, le magistrat peut également demander d'exercer ses fonctions dans le cadre de prestations réduites pour raisons médicales lorsqu'il a repris ses fonctions pour moins de dix jours ouvrables après une absence ininterrompue pour maladie de minimum trente jours.]1

  
Art. 331/40. [1 § 1. De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 40 %, 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum vier maanden.
   De verminderde prestaties mogen worden toegekend voor een periode van een maand, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise uitdrukkelijk beslist om meerdere aansluitende maanden toe te staan. De verlengingen mogen worden toegekend indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat dit wettigt en op voorwaarde dat de maximumduur van vier maanden nog niet wordt overschreden. Artikel 331/42 is van toepassing.
   § 2. De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 2°, kan zijn ambt opnieuw opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van zijn normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
   Verlengingen mogen worden toegekend voor ten hoogste vierentwintig maanden, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat dit wettigt. Artikel 331/42 is van toepassing.
   § 3. De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 3°, kan zijn ambt opnemen ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van de normale prestaties voor een periode van maximum vierentwintig maanden, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise oordeelt dat het nieuw onderzoek vroeger moet plaatsvinden.
   Verlengingen mogen worden toegekend voor ten hoogste vierentwintig maanden, indien het Bestuur van de medische expertise bij een nieuw onderzoek oordeelt dat de gezondheidstoestand van de magistraat dit wettigt. Artikel 331/42 is van toepassing.
   § 4. Bij elk onderzoek oordeelt de arts van het Bestuur van de medische expertise of de magistraat geschikt is om een bepaald arbeidspercentage van zijn normale prestaties te leveren.
   Tijdens een lopende periode van verminderde prestaties wegens medische redenen kan de magistraat, bedoeld in de paragrafen 2 en 3, een nieuw medisch onderzoek aanvragen bij het Bestuur van de medische expertise met het oog op het aanpassen van zijn arbeidsstelsel.
   § 5. De verminderde prestaties bedoeld in paragraaf 1, worden elke dag verricht, tenzij de arts van het Bestuur van de medische expertise er uitdrukkelijk anders over beslist.
   De verminderde prestaties bedoeld in de paragrafen 2 en 3, worden verricht volgens een verdeling van de prestaties over de week, overeenkomstig het advies van de arts van het Bestuur van de medische expertise en in onderling overleg met de korpschef.]1

  
Art. 331/40. [1 § 1er. Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°, peut reprendre ses fonctions à concurrence de 40 %, 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum quatre mois.
   Les prestations réduites peuvent être accordées pour une période d'un mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décide explicitement d'accorder plusieurs mois consécutifs. Les prolongations peuvent être accordées si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du magistrat le justifie et à condition que la durée maximale de quatre mois ne soit pas encore dépassée. L'article 331/42 s'applique.
   § 2. Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 2°, peut reprendre ses fonctions à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % de ses prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois, à moins que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
   Des prolongations peuvent être accordées pour tout au plus vingt-quatre mois, si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du magistrat le justifie. L'article 331/42 s'applique.
   § 3. Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 3°, peut reprendre ses fonctions à concurrence de 50 %, 60 % ou 80 % des prestations normales pour une période de maximum vingt-quatre mois sauf si le médecin de l'Administration de l'expertise médicale estime que le nouvel examen doit avoir lieu plus tôt.
   Des prolongations peuvent être accordées tout au plus pour vingt-quatre mois si l'Administration de l'expertise médicale estime lors d'un nouvel examen que l'état de santé du magistrat le justifie. L'article 331/42 s'applique.
   § 4. A chaque examen, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale juge si le magistrat est apte à prester un pourcentage de travail de ses prestations normales.
   Au cours d'une période de prestations réduites pour raisons médicales, le magistrat visé aux paragraphes 2 et 3, peut demander un nouvel examen médical auprès de l'Administration de l'expertise médicale en vue d'adapter son régime de travail.
   § 5. Les prestations réduites visées au paragraphe 1er, sont effectuées tous les jours, à moins que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale en décide autrement.
   Les prestations réduites visées aux paragraphes 2 et 3, sont effectuées selon une répartition des prestations sur la semaine, conformément à l'avis du médecin de l'Administration de l'expertise médicale et en concertation avec le chef de corps.]1

  
Art. 331/41. [1 § 1. De afwezigheden van de magistraat tijdens deze periode van verminderde prestaties worden met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
   De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, 2° en 3°, geniet zijn wedde met toelagen en premies.
   § 2. De verminderde prestaties wegens medische redenen, bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 2° en 3°, worden opgeschort door:
   1° de verloven in het kader van de moederschapsbescherming;
   2° het ouderschapsverlof;
   3° de deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar;
   4° de zorgverloven.
   De machtiging om verminderde prestaties wegens medische redenen te verrichten, wordt tijdelijk onderbroken tijdens een afwezigheid wegens ziekte, arbeidsongeval, een ongeval op de weg van en naar het werk en een beroepsziekte.]1

  
Art. 331/41. [1 § 1er. Les absences du magistrat pendant cette période de prestations réduites sont assimilées à une période d'activité de service.
   Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, bénéficie de son traitement majoré des allocations et des primes.
   § 2. Les prestations réduites pour raisons médicales, visées à l'article 331/39, alinéa 1er, 2° et 3°, sont suspendues par:
   1° les congés dans le cadre de la protection de la maternité;
   2° le congé parental;
   3° l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans;
   4° les congés d'aidant.
   L'autorisation d'effectuer des prestations réduites pour raisons médicales est temporairement interrompue lors d'une absence pour maladie, pour un accident du travail, pour un accident survenu sur le chemin du travail et pour une maladie professionnelle.]1

  
Art. 331/42. [1 § 1. De magistraat die verminderde prestaties wegens medische redenen wenst te genieten, dient het advies verkregen te hebben van de arts van het Bestuur van de medische expertise ten minste vijf werkdagen voor de aanvang van de verminderde prestaties.
   De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, dient een voorstel tot planning van de verminderde prestaties wegens medische redenen opgesteld door zijn behandelend arts voor te leggen. In het voorstel vermeldt de behandelend arts de vermoedelijke datum van de volledige ambtshervatting en de progressiviteit van de verminderde prestaties. Bij ontstentenis van het progressief karakter van de verminderde prestaties vermeldt de behandelend arts de medische reden hiervan.
   De magistraat bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 2° en 3°, dient een recent omstandig geneeskundig verslag opgesteld door een arts-specialist voor te leggen. In dit verslag vermeldt de arts-specialist de vermoedelijke aanvangsdatum van de verminderde prestaties en het voorgestelde arbeidspercentage, alsook de medische redenen die dit arbeidspercentage verantwoorden.
   § 2. De arts van het Bestuur van de medische expertise spreekt zich uit over de medische geschiktheid van de magistraat om zijn ambt ten belope van een arbeidspercentage bedoeld in artikel 331/40 van de normale prestaties weer op te nemen. Deze overhandigt zo spoedig mogelijk, eventueel na de behandelend arts bedoeld in paragraaf 1, te hebben geraadpleegd, zijn bevindingen schriftelijk aan de magistraat.
   § 3. Na de overhandiging van de bevindingen door de arts van het Bestuur van de medische expertise in het kader van een aanvraag voor verminderde prestaties wegens medische redenen bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, kan de magistraat, in onderling akkoord met het Bestuur van de medische expertise, een arts-scheidsrechter aanwijzen binnen de twee werkdagen na de overhandiging van de bevindingen met het oog op het beslechten van het medisch geschil. Indien geen akkoord kan worden bereikt binnen de twee werkdagen kan de magistraat met het oog op het beslechten van het medisch geschil een arts-scheidsrechter aanwijzen die voldoet aan de bepalingen van de wet van 13 juni 1999 betreffende de controlegeneeskunde en voorkomt op de lijst die in uitvoering van voornoemde wet werd vastgesteld.
   De arts-scheidsrechter voert het medisch onderzoek uit en beslist in het medisch geschil binnen drie werkdagen na zijn aanwijzing. Elke andere vaststelling blijft onder het beroepsgeheim.
   De kosten van deze procedure, alsmede de eventuele verplaatsingskosten van de magistraat, vallen ten laste van de in het ongelijk gestelde partij.
   De arts-scheidsrechter brengt diegene die het geneeskundig getuigschrift heeft afgeleverd en de arts van het Bestuur van de medische expertise op de hoogte van zijn beslissing. Het Bestuur van de medische expertise en de magistraat worden onmiddellijk verwittigd door de arts-scheidsrechter bij aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.]1

  
Art. 331/42. [1 § 1er. Le magistrat qui désire bénéficier de prestations réduites pour raisons médicales doit avoir obtenu l'avis du médecin de l'Administration de l'expertise médicale au moins cinq jours ouvrables avant le début des prestations réduites.
   Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°, doit produire une proposition de planning de prestations réduites pour raisons médicales établie par son médecin traitant. Dans la proposition, le médecin traitant mentionne la date probable de reprise intégrale des fonctions, ainsi que la progressivité des prestations réduites. A défaut du caractère progressif des prestations réduites, le médecin traitant en indique la raison médicale.
   Le magistrat visé à l'article 331/39, alinéa 1er, 2° et 3°, doit présenter un rapport médical détaillé récent établi par un médecin spécialiste. Dans ce rapport, le médecin spécialiste mentionne la date probable du début des prestations réduites et le pourcentage de travail proposé, ainsi que les raisons médicales justifiant ce pourcentage de travail.
   § 2. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale se prononce sur l'aptitude médicale du magistrat à reprendre ses fonctions à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 331/40 des prestations normales. Celui-ci remet aussi rapidement que possible, le cas échéant, après avoir consulté le médecin traitant visé au paragraphe 1er, ses constatations écrites au magistrat.
   § 3. Après la remise des constatations par le médecin de l'Administration de l'expertise médicale dans le cadre d'une demande de prestations réduites pour raisons médicales visées à l'article 331/39, alinéa 1er, le magistrat peut désigner un médecin-arbitre, de commun accord avec l'Administration de l'expertise médicale, dans les deux jours ouvrables qui suivent la remise des constatations en vue de régler le litige médical. Si aucun accord ne peut être conclu dans les deux jours ouvrables, le magistrat peut désigner, en vue de régler le litige médical, un médecin-arbitre qui satisfait aux dispositions de la loi du 13 juin 1999 relative à la médecine de contrôle et figure sur la liste fixée en exécution de la loi précitée.
   Le médecin-arbitre effectue l'examen médical et statue sur le litige médical dans les trois jours ouvrables qui suivent sa désignation. Toute autre constatation demeure couverte par le secret professionnel.
   Les frais de cette procédure, ainsi que les éventuels frais de déplacement du magistrat, sont à charge de la partie qui succombe.
   Le médecin-arbitre porte sa décision à la connaissance de celui qui a délivré le certificat médical et du médecin de l'Administration de l'expertise médicale. L'Administration de l'expertise médicale et le magistrat en sont immédiatement avertis par le médecin-arbitre par envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE.]1

  
Art. 331/43. [1 Indien het Bestuur van de medische expertise van oordeel is dat een magistraat geschikt is om zijn ambt terug op te nemen ten belope van een arbeidspercentage, bedoeld in artikel 331/40 van zijn normale prestaties dan geeft hij daarvan kennis aan de korpschef.
   De korpschef nodigt de magistraat uit om de uitoefening van zijn ambt terug op te nemen.
   Indien de magistraat geen gevolg geeft aan deze vraag om de uitoefening van zijn ambt terug op te nemen, wordt hij van rechtswege in non-activiteit geplaatst.]1

  
Art. 331/43. [1 Si l'Administration de l'expertise médicale estime qu'un magistrat est apte à reprendre l'exercice de ses fonctions à concurrence d'un pourcentage de travail visé à l'article 331/40 des prestations normales, il en informe le chef de corps.
   Le chef de corps invite le magistrat à reprendre l'exercice de ses fonctions.
   Si le magistrat ne donne pas suite à cette demande de reprendre l'exercice de ses fonctions, il est placé de plein droit en non-activité.]1

  
Onderafdeling III. [1 Het re-integratietraject van een magistraat bij ziekte of ongeval]1
Sous-section III. [1 Le trajet de réintégration d'un magistrat en cas de maladie ou d'accident]1
Art. 331/44. [1 Deze onderafdeling beoogt de re-integratie te bevorderen van de magistraat die afwezig is wegens ziekte en ongeval met uitsluiting van de afwezigheden als gevolg van een arbeidsongeval, een ongeval van en naar het werk en een beroepsziekte.
   Voor de toepassing van boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de Codex over het welzijn op het werk wordt de rol van de arts van het Bestuur van de medische expertise bedoeld in artikel 331/32, § 1, tweede lid, en zoals bepaald in dit hoofdstuk gelijkgesteld met de rol van de adviserend arts.]1

  
Art. 331/44. [1 La présente sous-section vise à promouvoir la réintégration du magistrat qui est absent pour cause de maladie et d'accident, à l'exclusion des absences à la suite d'un accident du travail, d'un accident survenu sur le chemin du travail et d'une maladie professionnelle.
   Pour l'application du livre Ier, titre 4, chapitre VI, du Code du bien-être au travail, le rôle du médecin de l'Administration de l'expertise médicale visé à l'article 331/32, § 1er, alinéa 2, et comme précisé au présent chapitre est assimilé au rôle du médecin-conseil.]1

  
Art. 331/45. [1 § 1. Ten laatste tien weken na de aanvang van de afwezigheidsperiode wegens ziekte of ongeval maakt de arts van het Bestuur van de medische expertise, op basis van het medisch dossier van de magistraat, een eerste inschatting van diens restcapaciteit op.
   § 2. De arts van het Bestuur van de medische expertise plaatst de magistraat op basis van de inschatting in één van de volgende vier categorieën:
   1° categorie 1: er kan redelijkerwijze worden aangenomen dat de magistraat uiterlijk tegen het einde van de zesde maand van de afwezigheid wegens ziekte spontaan zijn ambt opnieuw kan uitoefenen;
   2° categorie 2: een hervatting van de uitoefening van het ambt lijkt om medische redenen niet tot de mogelijkheden te behoren;
   3° categorie 3: een hervatting van de uitoefening van het ambt is voorlopig niet aan de orde, omdat de prioriteit dient uit te gaan naar de medische diagnose of de medische behandeling;
   4° categorie 4: een hervatting van de uitoefening van het ambt lijkt mogelijk te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk.
   § 3. De arts van het Bestuur van de medische expertise gaat niet tot de in de paragraaf 1 bedoelde inschatting over als de magistraat de preventieadviseur-arbeidsarts al verzocht heeft om een re-integratietraject op te starten zoals bedoeld in boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de Codex over het welzijn op het werk.]1

  
Art. 331/45. [1 § 1er. Au plus tard dix semaines après le début de la période d'absence pour cause de maladie ou d'accident, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical du magistrat, une première estimation des capacités restantes du magistrat.
   § 2. Sur la base de l'estimation, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale classe le magistrat dans une des quatre catégories suivantes:
   1° catégorie 1: il peut être présumé raisonnablement qu'au plus tard à la fin du sixième mois de l'absence pour maladie, le magistrat pourra spontanément exercer à nouveau ses fonctions;
   2° catégorie 2: une reprise de l'exercice de ses fonctions ne semble pas possible pour des raisons médicales;
   3° catégorie 3: une reprise de l'exercice de ses fonctions n'est momentanément pas d'actualité parce que la priorité doit être accordée au diagnostic médical ou au traitement médical;
   4° catégorie 4: une reprise de l'exercice de ses fonctions semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail.
   § 3. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne procède pas à l'estimation visée au paragraphe 1er si le magistrat a déjà demandé au conseiller en prévention-médecin du travail de démarrer un trajet de réintégration visé au livre Ier, titre 4, chapitre VI, du Code du bien-être au travail.]1

  
Art. 331/46. [1 § 1. In de volgende gevallen en mits de toestemming van de magistraat verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise de magistraat door naar de preventieadviseur-arbeidsarts met het oog op het onderzoek om een re-integratietraject op te kunnen starten zoals bedoeld in boek I, titel 4, hoofdstuk VI, van de Codex over het welzijn op het werk:
   1° de magistraat is, op het moment van de in artikel 331/45 bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 1. De magistraat is nog altijd afwezig wegens ziekte of ongeval na zes maanden en de arts van het Bestuur van de medische expertise maakt, op basis van het medisch dossier van de magistraat, een nieuwe inschatting dat een ambtshervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
   2° de magistraat is, op het moment van de in artikel 331/45 bedoelde inschatting, geplaatst in categorie 3. De arts van het Bestuur van de medische expertise herevalueert om de twee maanden de situatie van de magistraat. Bij een dergelijke herevaluatie is gebleken dat voor de magistraat een ambtshervatting mogelijk lijkt te zijn door het aanbieden van tijdelijk of definitief aangepast werk of ander werk;
   3° de magistraat wordt overeenkomstig artikel 331/45 in categorie 4 geplaatst.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise consulteert de preventieadviseur-arbeidsarts zes maanden na doorverwijzing om de status te kennen. Indien een re-integratietraject werd opgestart, consulteert de arts van het Bestuur van de medische expertise om de drie maanden de preventieadviseur-arbeidsarts teneinde de actuele status te kennen. Indien op dat moment nog geen re-integratietraject werd opgestart, herevalueert de arts van het Bestuur van de medische expertise de situatie op basis van het dossier en beslist hij welke mogelijke stappen aangewezen zijn.
   § 2. Zodra de arts van het Bestuur van de medische expertise een kopie krijgt van het re-integratieplan overeenkomstig artikel I.4-74. van de Codex over het welzijn op het werk, gaat hij na of het uitvoeren van het re-integratieplan een einde maakt aan de arbeidsongeschiktheid.
   Indien dit re-integratieplan verminderde prestaties wegens medische redenen inhoudt zoals bepaald in artikel 331/39, is de magistraat er niet toe gehouden om de toelating van de arts van het Bestuur van de medische expertise aan te vragen, maar gaat laatstgenoemde zelf na of het re-integratieplan overeenstemt met de voorwaarden voor de verminderde prestaties wegens medische redenen. In voorkomend geval beschrijft de arts van het Bestuur van de medische expertise de modaliteiten van zijn toelating.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise deelt zo spoedig mogelijk zijn bevindingen met betrekking tot de verminderde prestaties wegens medische redenen aan de preventieadviseur-arbeidsarts mee.
   Als de arts van het Bestuur van de medische expertise geen reactie geeft binnen de drie weken na ontvangst van de kopie van het re-integratieplan, wordt er verondersteld dat de beslissing van de arts van het Bestuur van de medische expertise in verband met de verminderde prestaties wegens medische redenen positief is.
   § 3. In afwijking van paragraaf 1, verwijst de arts van het Bestuur van de medische expertise de magistraat niet door naar de preventieadviseur-arbeidsarts wanneer uit de inschatting bedoeld in artikel 331/45 blijkt dat de ambtshervatting mogelijk lijkt te zijn met aangepast werk onder de vorm van verminderde prestaties wegens medische redenen.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise nodigt de magistraat uit om zijn medische toestand en de toekenning van de verminderde prestaties wegens medische redenen zoals bedoeld in artikel 331/39, eerste lid, 1°, te beoordelen. De artikelen 331/40, 331/41, 331/42, §§ 2 en 3, en 331/43 zijn van toepassing.
   De arts van het Bestuur van de medische expertise bepaalt de aanvangsdatum en de duur van de machtiging tot verminderde prestaties wegens medische redenen met toepassing van artikel 331/40, § 1.]1

  
Art. 331/46. [1 § 1er. Dans les cas suivants et moyennant le consentement du magistrat, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale renvoie le magistrat au conseiller en prévention-médecin du travail en vue de l'examen visant à démarrer un trajet de réintégration visé au livre Ier, titre 4, chapitre VI, du Code du bien-être au travail:
   1° le magistrat est classé en catégorie 1 au moment de l'estimation visée à l'article 331/45. Le magistrat est encore absent pour cause de maladie ou d'accident après six mois et le médecin de l'Administration de l'expertise médicale effectue, sur la base du dossier médical du magistrat, une nouvelle estimation selon laquelle une reprise des fonctions semble possible par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail;
   2° le magistrat est classé en catégorie 3 au moment de l'estimation visée à l'article 331/45. Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévalue tous les deux mois la situation du magistrat. Une telle évaluation a laissé apparaître qu'une reprise des fonctions semble possible pour le magistrat par la proposition d'un travail adapté temporairement ou définitivement ou d'un autre travail;
   3° le magistrat est classé en catégorie 4 conformément à l'article 331/45.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consulte le conseiller en prévention-médecin du travail six mois après le renvoi afin de connaître le statut. Si un trajet de réintégration a été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale consulte tous les trois mois le conseiller en prévention-médecin du travail afin de connaître le statut actuel. Si, à ce moment-là, aucun trajet de réintégration n'a encore été démarré, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale réévalue la situation sur la base du dossier et décide des étapes éventuelles appropriées.
   § 2. Dès que le médecin de l'Administration de l'expertise médicale reçoit une copie du plan de réintégration conformément à l'article I.4-74. du Code du bien-être au travail, il vérifie si l'exécution du plan de réintégration met fin à l'état d'incapacité de travail.
   Si ce plan de réintégration comprend des prestations réduites pour raisons médicales comme disposé à l'article 331/39, le magistrat n'est pas obligé de demander l'autorisation du médecin de l'Administration de l'expertise médicale, mais ce dernier vérifie lui-même si le plan de réintégration répond aux conditions posées pour les prestations réduites pour raisons médicales. Le cas échéant, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale décrit les modalités de son autorisation.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale communique le plus rapidement possible au conseiller en prévention-médecin du travail ses conclusions quant aux prestations réduites pour raisons médicales.
   Lorsque le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne réagit pas dans les trois semaines après la réception de la copie du plan de réintégration, il est présumé que la décision du médecin de l'Administration de l'expertise médicale concernant les prestations réduites pour raisons médicales est positive.
   § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, le médecin de l'Administration de l'expertise médicale ne renvoie pas le magistrat au conseiller en prévention-médecin du travail s'il ressort de l'estimation visée à l'article 331/45, que la reprise des fonctions semble être possible avec du travail adapté sous forme de prestations réduites pour raisons médicales.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale invite le magistrat à évaluer sa situation médicale et l'octroi des prestations réduites pour raisons médicales telles que visées à l'article 331/39, alinéa 1er, 1°. Les articles 331/40, 331/41, 331/42, §§ 2 et 3, et 331/43 s'appliquent.
   Le médecin de l'Administration de l'expertise médicale fixe la date de début et la durée de l'autorisation des prestations réduites pour raisons médicales en application de l'article 331/40, § 1er.]1

  
Afdeling VIII. [1 Zorgverloven]1
Section VIII. [1 Congés d'aidant]1
Art. 331/47. [1 § 1. De magistraat heeft recht op verlof voor het verstrekken van palliatieve zorg aan een lid van zijn gezin of aan een familielid tot in de tweede graad.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder palliatieve verzorging verstaan, elke vorm van bijstand en inzonderheid medische, sociale, administratieve en psychologische bijstand aan alsook verzorging van personen die lijden aan een ongeneeslijke ziekte en die zich in een terminale fase bevinden.
   Worden als lid van het gezin beschouwd, elke persoon die met de magistraat samenwoont en als familielid, zowel de bloed- als de aanverwanten.
   § 3. De magistraat legt een attest voor afgeleverd door de behandelende geneesheer van de persoon die palliatieve zorg behoeft en waaruit blijkt dat de magistraat zich bereid heeft verklaard deze palliatieve zorg te verlenen, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
   § 4. Dit verlof geldt voor een periode van een maand en is tweemaal verlengbaar. Het kan voltijds of halftijds opgenomen worden.]1

  
Art. 331/47. [1 § 1er. Le magistrat a droit à un congé pour donner des soins palliatifs à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille jusqu'au deuxième degré.
   § 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par soins palliatifs toute forme d'assistance, notamment médicale, sociale, administrative et psychologique, ainsi que les soins donnés à des personnes souffrant d'une maladie incurable et se trouvant en phase terminale.
   Sont considérés comme membre du ménage, toute personne qui cohabite avec le magistrat et comme membre de la famille, tant les parents que les alliés.
   § 3. Le magistrat produit une attestation délivrée par le médecin traitant de la personne qui nécessite des soins palliatifs et dont il ressort que le magistrat s'est déclaré prêt à donner ces soins palliatifs sans que l'identité du patient soit mentionnée.
   § 4. Ce congé est valable pour une période d'un mois et peut être prolongé deux fois. Il peut être pris à temps plein ou à mi-temps.]1

  
Art. 331/48. [1 § 1. De magistraat heeft recht op verlof voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van zijn gezin of aan een familielid tot in de tweede graad, dat lijdt aan een ernstige ziekte.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt onder ernstige ziekte verstaan, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het ernstig zieke lid van het gezin of familielid als dusdanig wordt beschouwd en waarvoor deze van mening is dat enige vorm van sociale, familiale of geestelijke hulp noodzakelijk is voor het herstel.
   Worden als lid van het gezin beschouwd, elke persoon die met de magistraat samenwoont en als familielid, zowel de bloed- als de aanverwanten.
   § 3. De magistraat legt een attest voor afgeleverd door de behandelende geneesheer van het ernstig zieke lid van het gezin of familielid, en waaruit blijkt dat de magistraat zich bereid heeft verklaard de ernstig zieke persoon bij te staan of hem verzorging te verstrekken, zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
   § 4. Dit verlof kan voltijds of halftijds worden opgenomen met al dan niet opeenvolgende periodes van ten minste een maand en ten hoogste drie maanden. Deze periodes mogen samen niet meer bedragen dan twaalf maanden per patiënt, vierentwintig maanden per patiënt indien ze halftijds worden opgenomen.
   In geval van zware ziekte van een kind dat hoogstens zestien jaar oud is en van wie de magistraat uitsluitend of hoofdzakelijk de last draagt in de zin van artikel 1 van de wet van 20 juli 1971 tot instelling van gewaarborgde gezinsbijslag, wordt, wanneer de magistraat alleenstaand is, de maximumperiode bedoeld in het eerste lid verdubbeld.
   Onder alleenstaande in de zin van dit artikel wordt verstaan de magistraat die uitsluitend en effectief samenwoont met een of meerdere van zijn kinderen. De magistraat levert hiervoor het bewijs van de samenstelling van zijn gezin door middel van een attest dat wordt afgeleverd door de gemeentelijke overheid en waaruit blijkt dat hij op het moment van de aanvraag uitsluitend en effectief samenwoont met één of meerdere van zijn kinderen.]1

  
Art. 331/48. [1 § 1er. Le magistrat a droit à un congé pour l'assistance ou l'octroi de soins à un membre de son ménage ou à un membre de sa famille, jusqu'au deuxième degré, qui souffre d'une maladie grave.
   § 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par maladie grave toute maladie ou intervention médicale qui est considérée comme telle par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille gravement malade et pour laquelle celui-ci est d'avis que toute forme d'assistance sociale, familiale ou mentale est nécessaire pour la convalescence.
   Sont considérés comme membre du ménage, toute personne qui cohabite avec le magistrat et comme membre de la famille, tant les parents que les alliés.
   § 3. Le magistrat produit une attestation délivrée par le médecin traitant du membre du ménage ou de la famille gravement malade, dont il ressort que le magistrat s'est déclaré prêt à assister la personne qui souffre d'une maladie grave ou à lui donner des soins sans que l'identité du patient soit mentionnée.
   § 4. Ce congé peut être pris à temps plein ou à mi-temps par périodes consécutives ou non d'un mois au moins et de trois mois au plus. Ces périodes ne peuvent au total excéder douze mois par patient, vingt-quatre mois par patient si elles sont prises à mi-temps.
   En cas de maladie grave d'un enfant âgé de seize ans au plus dont le magistrat supporte exclusivement ou principalement la charge au sens de l'article 1er de la loi du 20 juillet 1971 instituant des prestations familiales garanties, la période maximale visée à l'alinéa 1er est doublée lorsque le magistrat est isolé.
   Est isolé au sens du présent article, le magistrat qui habite exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants. Le magistrat fournit à cet effet la preuve de la composition de son ménage au moyen d'une attestation délivrée par l'autorité communale et dont il ressort que le magistrat, au moment de la demande, habite exclusivement et effectivement avec un ou plusieurs de ses enfants.]1

  
Art. 331/49. [1 § 1. De magistraat heeft recht op verlof voor de bijstand of de verzorging van een minderjarig kind, tijdens of vlak na de hospitalisatie van het kind als gevolg van een zware ziekte.
   § 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder zware ziekte, elke ziekte of medische ingreep die door de behandelende geneesheer van het zwaar zieke kind als dusdanig wordt beschouwd en waarbij de geneesheer oordeelt dat elke vorm van sociale, familiale of psychologische bijstand of het verstrekken van verzorging noodzakelijk is.
   De door paragraaf 1 geboden mogelijkheid staat open voor:
   - de magistraat die verwant is in de eerste graad van het zwaar zieke kind en ermee samenwoont;
   - de magistraat die samenwoont met het zwaar zieke kind en belast is met de dagelijkse opvoeding.
   § 3. De magistraat legt een attest voor afgeleverd door de behandelende geneesheer van het zwaar ziek kind, en waaruit blijkt dat de magistraat zich bereid heeft verklaard het zwaar ziek kind bij te staan of hem verzorging te verstrekken zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
   Het bewijs van hospitalisatie van het kind wordt geleverd door een attest van het betrokken ziekenhuis zonder dat hierbij de identiteit van de patiënt wordt vermeld.
   § 4. Dit verlof geldt voor een periode van een week en is eenmaal verlengbaar.]1

  
Art. 331/49. [1 § 1er. Le magistrat a droit à un congé pour l'assistance ou les soins à un enfant mineur pendant ou juste après l'hospitalisation de l'enfant des suites d'une maladie grave.
   § 2. Pour l'application du présent article, l'on entend par maladie grave toute maladie ou intervention médicale qui est considérée ainsi par le médecin traitant de l'enfant gravement malade et pour laquelle le médecin est d'avis que toute forme d'assistance sociale, familiale ou psychologique ou l'octroi des soins est nécessaire.
   La possibilité offerte au paragraphe 1er est ouverte pour:
   - le magistrat qui est parent au premier degré de l'enfant gravement malade et qui cohabite avec lui;
   - le magistrat qui cohabite avec l'enfant gravement malade et est chargé de son éducation quotidienne.
   § 3. Le magistrat produit une attestation délivrée par le médecin traitant de l'enfant gravement malade, dont il ressort que le magistrat s'est déclaré prêt à assister l'enfant gravement malade ou à lui donner des soins sans que l'identité du patient soit mentionnée.
   La preuve de l'hospitalisation de l'enfant est apportée à l'aide d'une attestation de l'hôpital concerné sans que l'identité du patient soit mentionnée.
   § 4. Ce congé est valable pour une période d'une semaine et peut être prolongé une seule fois.]1

  
Art. 331/50. [1 De magistraat die een van de verloven bepaald in deze afdeling wenst op te nemen brengt zijn korpschef hiervan minstens zeven dagen op voorhand op de hoogte, tenzij het een onvoorziene gebeurtenis betreft, in welk geval van deze termijn kan worden afgeweken.
   Voor iedere verlenging dient de magistraat dezelfde procedure te volgen en het (de) vereiste attest(en) in te dienen.
   De verloven bepaald in deze afdeling worden met dienstactiviteit gelijkgesteld en zijn onbezoldigd.
   De magistraat die een zorgverlof geniet in toepassing van deze afdeling, ontvangt van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening de uitkering die wordt toegekend aan de personeelsleden van het openbaar ambt.
   De Koning bepaalt de nadere regels betreffende de aanvraag van de uitkering en de procedure.]1

  
Art. 331/50. [1 Le magistrat qui souhaite bénéficier de l'un des congés visés dans la présente section en informe son chef de corps au moins sept jours au préalable, sauf s'il s'agit d'un événement imprévu, auquel cas il peut être dérogé à ce délai.
   Pour chaque prolongation, le magistrat doit suivre la même procédure et introduire l'/les attestation(s) requise(s).
   Les congés visés à la présente section sont assimilés à une activité de service et sont non rémunérés.
   Le magistrat qui bénéficie d'un congé d'aidant en application de la présente section perçoit de l'Office national de l'emploi l'allocation qui est accordée aux membres du personnel de la fonction publique.
   Le Roi détermine les modalités de demande de l'allocation et la procédure.]1

  
Afdeling IX. [1 Deeltijds uitoefenen van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar]1
Section IX. [1 Exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans]1
Art. 331/51. [1 § 1. Het recht om vanaf de leeftijd van zestig jaar deeltijds het ambt uit te oefenen, staat open voor magistraten van of bij het Hof van Cassatie. Het recht om vanaf de leeftijd van zevenenvijftig jaar deeltijds hun ambt deeltijds uit te oefenen, staat open voor magistraten van de andere rechtscolleges en parketten.
   Om gebruik te kunnen maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient de magistraat aan de volgende cumulatieve voorwaarden te voldoen:
   1° geen korpschef, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur of afdelingsauditeur zijn;
   2° beschikken over een beroepsloopbaan waarvan minstens vijftien jaar het ambt van magistraat te hebben uitgeoefend.
   Deze deeltijdse uitoefening van het ambt kan gebeuren ten belope van 50 %, 60 % of 80 % van een voltijdse uitoefening van het ambt.
   § 2. De magistraat die gebruik wenst te maken van het recht op deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar dient daartoe bij de korpschef een aanvraag in.
   Hij doet dit minstens zes maanden voor de aanvang van de periode, tenzij de korpschef op verzoek van de magistraat een kortere termijn aanvaardt.
   De aanvraag van het verlof bevat de wensen van de magistraat rond de dagen waarop hij in verlof is. Onder "deeltijdse uitoefening van het ambt" wordt een arbeidsregeling verstaan waarbij de magistraat in de loop van een maand het gedeelte van de prestaties dient te verrichten die verbonden zijn aan de voltijdse uitoefening van zijn ambt. De verdeling van de prestaties geschiedt in volledige of halve dagen.
   De korpschef kent het verlof toe en bepaalt de werkkalender. Hij kan het begin van het verlof uitstellen met maximum zes maanden omwille van de behoeften van de dienst.
   In functie van de behoeften van de dienst of op vraag van de magistraat kan de werkkalender door de korpschef worden aangepast. Deze laatste brengt de magistraat twee maanden op voorhand op de hoogte van deze aanpassing.
   Een tijdelijke aanpassing van de werkkalender is mogelijk bij onderling akkoord.
   § 3. De onverenigbaarheden bedoeld in de artikelen 292 tot 300 blijven van toepassing tijdens de periode dat de magistraat in het kader van de deeltijdse ambtsuitoefening geen prestaties dient te verrichten.
   § 4. De benoeming of aanwijzing in een andere functie binnen de rechterlijke orde maakt van rechtswege een einde aan de machtiging om zijn ambt deeltijds uit te oefenen.]1

  
Art. 331/51. [1 § 1er. Le droit d'exercer ses fonctions à temps partiel à partir de l'âge de soixante ans est ouvert aux magistrats de ou près la Cour de cassation. Le droit d'exercer ses fonctions à temps partiel à partir de l'âge de cinquante-sept ans est ouvert aux magistrats des autres juridictions et parquets.
   Pour pouvoir faire usage du droit à l'exercice à temps partiel de ses fonctions à partir de cinquante-sept ou soixante ans, le magistrat doit satisfaire aux conditions cumulatives suivantes:
   1° ne pas être chef de corps ni président de division, ni procureur de division ou auditeur de division;
   2° disposer d'une carrière professionnelle comprenant au moins quinze ans d'exercice de la fonction de magistrat.
   Cet exercice à temps partiel de la fonction peut s'effectuer à raison de 50 %, 60 % ou 80 % d'un exercice à temps plein de la fonction.
   § 2. Le magistrat qui désire faire usage du droit à l'exercice à temps partiel de la fonction à partir de cinquante-sept ou soixante ans introduit à cet effet une demande auprès du chef de corps.
   Il le fait au moins six mois avant le début de la période, à moins que le chef de corps accepte un délai plus court à la demande du magistrat.
   La demande du congé précise les souhaits du magistrat concernant les jours auxquels il est en congé. Par "exercice à temps partiel de la fonction", l'on entend un régime de travail dans lequel le magistrat doit, au cours d'un mois, effectuer la partie des prestations qui sont liées à l'exercice à temps plein de ses fonctions. La répartition des prestations se fait en jours entiers ou en demi-jours.
   Le chef de corps accorde le congé et détermine le calendrier de travail. Il peut reporter le début du congé de maximum six mois pour les besoins du service.
   En fonction des besoins du service ou à la demande du magistrat, le calendrier de travail peut être adapté par le chef de corps. Ce dernier informe le magistrat de cette adaptation deux mois à l'avance.
   Une adaptation temporaire du calendrier de travail est possible par accord mutuel.
   § 3. Les incompatibilités visées aux articles 292 à 300 restent d'application pendant la période durant laquelle le magistrat n'a pas de prestations à fournir dans le cadre de l'exercice à temps partiel des fonctions.
   § 4. La nomination ou la désignation dans une autre fonction au sein de l'ordre judiciaire met de plein droit fin à l'autorisation d'exercer ses fonctions à temps partiel.]1

  
Art. 331/52. [1 § 1. De periode van deeltijdse uitoefening van het ambt neemt een aanvang op de eerste dag van een maand.
   De magistraat kan een einde maken aan het verlof of van stelsel bedoeld in artikel 331/51, § 1, derde lid, veranderen, mits hij daarvan de korpschef drie maanden van tevoren op de hoogte van brengt, tenzij de korpschef op verzoek van de belanghebbende een kortere termijn aanvaardt. In dit geval kan de magistraat geen nieuwe aanvraag meer indienen voor het stelsel van deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar of van stelsel bedoeld in artikel 331/51, § 1, derde lid, veranderen.
   § 2. Tijdens de periode van het verlof voor deeltijdse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar kan de magistraat niet worden gemachtigd verminderde prestaties om welke redenen dan ook uit te oefenen.
   Het verlof voor deelse uitoefening van het ambt vanaf zevenenvijftig of zestig jaar wordt van rechtswege opgeschort wanneer de magistraat één van de volgende verloven geniet:
   1° ouderschapsverlof;
   2° adoptieverlof, opvangverlof en pleegouderverlof;
   3° zorgverlof teneinde palliatieve zorg te verstrekken of voor het bijstaan van of voor het verstrekken van verzorging aan een lid van het gezin of aan een familielid.
   § 3. Dit verlof wordt met een periode van dienstactiviteit gelijkgesteld.
   De magistraat ontvangt zijn maandelijkse wedde met toelagen en premies die gelijk is aan 50 %, 60 % of 80 % van zijn voltijdse wedde aangevuld met de premie zoals ze van toepassing is voor de personeelsleden van het openbaar ambt.
   § 4. Voor de magistraten die dit verlof wordt toegekend, kan in een vervanging voorzien worden door middel van een benoeming en, in voorkomend geval, een aanwijzing in overtal telkens de cumulatie van deze verloven leidt tot een voltijdse invulling van het ambt.]1

  
Art. 331/52. [1 § 1er. La période d'exercice à temps partiel des fonctions prend cours le premier jour d'un mois.
   Le magistrat peut mettre fin au congé ou changer de régime visé à l'article 331/51, § 1er, alinéa 3, à condition d'en informer le chef de corps trois mois à l'avance, à moins que ce dernier n'accepte un délai plus court à la demande de l'intéressé. Dans ce cas, le magistrat ne peut plus introduire de nouvelle demande pour le régime d'exercice des fonctions à temps partiel à partir de cinquante-sept ou soixante ans ni changer de régime visé à l'article 331/51, § 1er, alinéa 3.
   § 2. Durant la période de congé pour l'exercice des fonctions à temps partiel à partir de cinquante-sept ou soixante ans, le magistrat ne peut pas être autorisé à exercer des prestations réduites pour quelque raison que ce soit.
   Le congé pour l'exercice des fonctions à temps partiel à partir de cinquante-sept ou soixante ans est suspendu de plein droit lorsque le magistrat bénéficie de l'un des congés suivants:
   1° congé parental;
   2° congé d'adoption, congé d'accueil et congé parental d'accueil;
   3° congé d'aidant pour donner des soins palliatifs ou pour assister ou prodiguer des soins à un membre de son ménage ou de sa famille.
   § 3. Ce congé est assimilé à une période d'activité de service.
   Le magistrat perçoit son traitement mensuel majoré des allocations et des primes, qui correspond à 50 %, 60 % ou 80 % de son traitement à temps plein majoré de la prime, comme cela s'applique aux membres du personnel de la fonction publique.
   § 4. Pour les magistrats auxquels ce congé est accordé, il peut être procédé au remplacement par une nomination et, le cas échéant, par une désignation en surnombre chaque fois que le cumul de ces congés équivaut à une occupation à temps plein de la fonction.]1

  
Hoofdstuk IVbis. [1 Afwezigheden en verloven van het gerechtspersoneel, van de rechters en raadsheren in sociale zaken en de rechters in ondernemingszaken]1
Chapitre IVbis. [1 Absences et congés des membres du personnel judiciaire, des juges et des conseillers sociaux et des juges consulaires]1
Art. 332. [1 Een referendaris, een parketjurist, een criminoloog, een lid van de griffie, een lid van het parketsecretariaat en, in voorkomend geval, het gerechtspersoneel van niveau A van de steundiensten, mag niet afwezig zijn wanneer de dienst eronder lijdt.
   De raadsheer in sociale zaken, de rechter in sociale zaken en de rechter in ondernemingszaken stellen de eerste voorzitter van het arbeidshof, respectievelijk de voorzitter van de arbeidsrechtbank, respectievelijk de voorzitter van de ondernemingsrechtbank onverwijld in kennis van hun afwezigheden wanneer deze afwezigheden een invloed kunnen hebben op de goede werking van het hof of de rechtbank.]1

  
Art. 332. [1 Aucun référendaire ni juriste de parquet ni criminologue ni membre du greffe ni membre du secrétariat de parquet ni, le cas échéant, membre du personnel judiciaire de niveau A des services d'appui ne peut s'absenter si le service doit souffrir de son absence.
   Le conseiller social, le juge social et le juge consulaire informent immédiatement respectivement le premier président de la cour du travail, le président du tribunal du travail ou le président du tribunal de l'entreprise de leurs absences lorsque celles-ci sont de nature à influencer le bon fonctionnement de la cour ou du tribunal.]1

  
HOOFDSTUK V. - Vakantie en vakantiekamers.
CHAPITRE V. - Des vacances et des chambres des vacations.
Art. 334. Het gerechtelijk jaar begint op 1 september en eindigt op 30 juni. Van 1 juli tot 31 augustus houden de hoven en rechtbanken vakantiezittingen.
  De zaken worden opgeroepen en de pleidooien gehoord, tot en met 30 juni, met dien verstande dat, zo nodig, de debatten kunnen voortgezet worden na de hervatting van de werkzaamheden van de hoven en rechtbanken.
  De behandeling en berechting van criminele, correctionele en politiezaken wordt noch vertraagd noch onderbroken.
Art. 334. L'année judiciaire commence le 1er septembre et se termine le 30 juin. Du 1er juillet au 31 août les cours et tribunaux tiennent des audiences de vacation.
  L'appel des causes est fait et les plaidoiries sont entendues jusqu'au 30 juin inclusivement sauf, s'il y a lieu, à continuer les débats après la rentrée des cours et tribunaux.
  L'instruction et le jugement des affaires criminelles, correctionnelles et de police ne sont ni retardés ni interrompus.
Art. 335. Er is in het Hof van Cassatie een vakantiekamer, die opdracht heeft de criminele, de correctionele en de politiezaken, alsook alle spoedeisende zaken af te doen.
  (In de hoven van beroep, in de arbeidshoven, in de rechtbanken van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbanken en in de [1 ondernemingsrechtbanken]1 zijn er één of meer vakantiekamers.
  In het hof van beroep en in de rechtbank van eerste aanleg is er ten minste één kamer met drie magistraten en één kamer met één magistraat.) <W 1985-07-19/30, art. 8, 007>
  Die vakantiekamers zijn belast met de behandeling van de spoedeisende zaken, en bij het hof van beroep en de rechtbank van eerste aanleg met de dienst van de correctionele kamers, de raadkamer en de kamer van inbeschuldigingstelling.
  De vakantiekamers worden ieder jaar derwijze vernieuwd dat alle leden van het hof of de rechtbank er beurtelings dienst doen. Zij worden samengesteld met inachtneming van de bepalingen van de wet op het gebruik van de talen in gerechtszaken.
  De kamervoorzitters, de voorzitters en de ondervoorzitters doen er beurtelings dienst, en in rechtbanken waar geen ondervoorzitter is, de voorzitter en de oudstbenoemde rechter.
  
Art. 335. Il y a à la Cour de cassation une chambre des vacations chargée de l'expédition des affaires criminelles, correctionnelles et de police, ainsi que de toutes affaires qui requièrent célérité.
  (Il y a dans les cours d'appel, dans les cours du travail, dans les tribunaux de première instance, dans les tribunaux du travail et dans les [1 tribunaux de l'entreprise]1 une ou plusieurs chambres des vacations.
  A la cour d'appel et au tribunal de première instance, il y a au moins une chambre composée de trois magistrats et une chambre ne comprenant qu'un magistrat.) <L 1985-07-19/30, art. 8, 007>
  Ces chambres des vacations sont chargées de l'expédition des affaires qui requièrent célérité, et, à la cour d'appel et au tribunal de première instance, du service des chambres correctionnelles, des chambres du conseil et des mises en accusation.
  Les chambres des vacations sont renouvelées chaque année, de manière que tous les membres de la cour ou du tribunal y fassent le service à tour de rôle. Elles sont composées en tenant compte des dispositions de la loi sur l'emploi des langues en matière judiciaire.
  Les présidents de chambre, les présidents et vice-présidents et dans les tribunaux qui n'ont pas de vice-president, le président et le plus ancien juge, y font alternativement le service.
  
Art. 335bis. [1 De voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank organiseert de vakantiezittingen in de vredegerechten en politierechtbanken.]1
  
Art. 335bis. [1 Le président des juges de paix et des juges au tribunal de police organise les audiences de vacation dans les justices de paix et les tribunaux de police.]1
  
Art. 336. De vakantiekamers van de hoven en van de rechtbanken houden ten minste twee zittingen per week, buiten de zittingen van het hof van beroep en de rechtbank van eerste aanleg voor het berechten van de correctionele zaken en van de inbeschuldigingstellingen, waarmede zij mochten belast worden.
Art. 336. Les chambres des vacations des cours et tribunaux tiennent au moins deux audiences par semaine, indépendamment des audiences consacrées, à la cour d'appel et au tribunal de première instance, au jugement des affaires correctionnelles et des mises en accusation, dont elles pourraient être chargées.
Art. 337. Bij gebreke van één of meer rechters wordt er een voldoend aantal opgeroepen uit degenen die geen vakantiedienst hebben.
Art. 337. A défaut d'un ou de plusieurs juges, il en sera appelé en nombre suffisant parmi ceux qui ne sont pas de vacation.
Art. 338. Het ambt van het openbaar ministerie bij de vakantiekamers wordt waargenomen door de magistraten die de procureur-generaal, (de federale procureur,) [1 de procureur voor de verkeersveiligheid,]1 de procureur des Konings of de arbeidsauditeur daartoe aanwijst. <W 2001-06-21/42, art. 43, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  
Art. 338. Les fonctions du ministère public auprès des chambres des vacations sont remplies par les magistrats désignés à cette fin par le procureur général, (le procureur fédéral), [1 le procureur de la sécurité routière,]1 le procureur du Roi ou l'auditeur du travail. <L 2001-06-21/42, art. 43, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  
Art. 339. De hoven en rechtbanken komen zo nodig tijdens de vakantie in om het even welke zaak bijeen om hun beslissingen uit te spreken.
Art. 339. Les cours et tribunaux se réunissent au besoin, en toutes matières, au cours des vacations pour la prononciation de leurs décisions.
HOOFDSTUK VI. - Algemene vergaderingen.
CHAPITRE VI. - Des assemblées générales.
Art. 340. <W 1998-12-22/47, art. 67, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. [2 Bij elk hof, elke rechtbank en in elk arrondissement wat betreft de vrederechters, en de rechters in de politierechtbank, wordt een algemene vergadering opgericht.
   De algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank heeft haar zetel op de politierechtbank.]2

  § 2. De algemene vergadering wordt bijeengeroepen :
  1° (hetzij om te beraadslagen en te beslissen over onderwerpen die voor alle kamers of voor de vrederechters of de rechters in de politierechtbank van belang zijn, hetzij ter behandeling van zaken van openbare orde die tot de bevoegdheid van één van deze rechtscolleges of de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank behoren;) <W 2001-03-13/36, art. 11, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
  2° (voor het opstellen van het werkingsverslag bedoeld in § 3;) <W 2003-05-03/45, art. 38, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  3° voor de verkiezing van de magistraten belast met de evaluatie en hun plaatsvervangers;
  4° voor de aanwijzing in de adjunct-mandaten;
  5° voor de voordrachten bij de aanwijzing in de bijzondere mandaten, (met uitzondering van het mandaat van rechter in de strafuitvoeringsrechtbank); <W 2006-05-17/36, art. 32, 132; Inwerkingtreding : 31-08-2006>
  6° [4 voor de aanwijzing of de selectie van de kandidaten voor een mandaat van rechter, van raadsheer en assessor in de in artikel 58 bedoelde tuchtrechtscolleges;]4
  (7° voor het opstellen van het advies bedoeld in artikel 259novies, § 10, vijfde lid;) <W 2006-12-18/37, art. 10, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [7 8° voor de vaststelling van de lijst van curatoren bepaald in artikel XX.122 van het Wetboek van economisch recht;
   9° voor het schrappen van de lijst van curatoren uitgesproken op grond van artikel XX.125 van het Wetboek van economisch recht.]7

  § 3. (De werkingsverslagen worden opgesteld [3 per elektronische drager]3 en overgezonden voor (1 april) van elk jaar door de rechtbanken en de algemene vergaderingen van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken, voor (31 mei) van elk jaar door de hoven. <W 2003-12-22/53, art. 15, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  [1 ...].1
  De Minister van Justitie bepaalt, [3 na advies van de Hoge Raad voor de Justitie, het College van het openbaar ministerie en het College van de hoven en rechtbanken, elk voor wat hun organisatie betreft,]3, het standaardformulier volgens hetwelk de werkingsverslagen worden opgesteld.
  [3 Ze behandelen met name de volgende punten met betrekking tot het afgelopen kalenderjaar :
   a) de evolutie van de personeelsformaties en de personeelsbezetting;
   b) de logistieke middelen;
   c) de organisatie;
   d) de overlegstructuren;
   e) de statistieken;
   f) de evolutie van de hangende zaken;
   g) de evolutie van de werklast;
   h) de evolutie van de gerechtelijke achterstand;
   i) de achterstand in het beraad;
   j) de evolutie van realisatie van het beheersplan en de doelstellingen;
   k) de wijze waarop de middelen worden ingezet;
   l) het kwaliteitsbeleid;
   m) de werking van de afdelingen;]3

  [8 n) in voorkomend geval, de maatregelen genomen met het oog op de handhaving van de tucht, met inbegrip van de tuchtstraffen, en de initiatieven genomen met het oog op de inachtneming van de algemene beginselen inzake de deontologie.]8
   Desgevallend wijst het werkingsverslag de behoeften aan en bevat het voorstellen om de werking van het rechtscollege verbeteren (de gerechtelijke achterstand weg te werken en de naleving van de termijnen van het beraad te waarborgen). <W 2007-05-09/38, art. 2, 2°, 151; Inwerkingtreding : 22-06-2007>
   De korpschef [2 ...]2 zendt het werkingsverslag en het tussentijds verslag samen met het betrokken proces-verbaal van de verrichtingen van de algemene vergadering over aan de korpschef van het onmiddellijk hogere rechtscollege, de Minister van Justitie, de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers. [8 De Hoge Raad voor de Justitie stelt elk jaar een geconsolideerd verslag op over de maatregelen en initiatieven die werden genomen op grond van het derde lid, n), zulks met inachtneming van de anonimiteit. Dit verslag wordt openbaar gemaakt.]8 <W 2003-05-03/45, art. 38, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 4. (De algemene vergadering van de hoven wordt eveneens bijeengeroepen voor de adviezen bedoeld in artikel 259ter, § 3, en 259quater, § 3.
  De algemene vergadering van de hoven van beroep en de arbeidshoven wordt eveneens bijeengeroepen wanneer de eerste voorzitter na kennisgeving door een lid van het hof dat aangifte wenst te doen in enige tot de bevoegdheid van het hof behorende zaak van openbare orde, de bijeenroeping van het hof dienstig acht. Indien de eerste voorzitter het niet nodig heeft geacht het hof bijeen te roepen, kan diegene die een aangifte wenste te doen zijn kamer inlichten over de zaak welke hij voornemens was aan te geven; indien de kamer, na beraadslaging, om bijeenroeping van de algemene vergadering verzoekt, is de eerste voorzitter gehouden daarop in te gaan.
  Bovendien wordt de algemene vergadering van het hof van beroep bijeengeroepen om een van zijn leden te horen in de aangifte van misdaden en wanbedrijven; het kan de procureur-generaal ontbieden om hem wegens die feiten bevel tot vervolging te geven of hem de reeds ingestelde vervolging te horen verantwoorden.) <W 2003-05-03/45, art. 38, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 5. De algemene vergaderingen worden, al naar gelang, bijeengeroepen :
  1° door de eerste voorzitter of de voorzitter;
  2° wanneer een vierde van de leden er om verzoekt;
  3° op de met redenen omklede vordering van de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur. In dit geval geschiedt de bijeenroeping binnen drie dagen na de vordering.
  (4° in het geval bedoeld in § 2, 7°, door de magistraat bedoeld in artikel [5 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]5.) <W 2006-12-18/37, art. 10, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  [6 ...]6.
  Er wordt over geen andere zaak beraadslaagd dan die waarvoor de bijeenroeping is geschied.
  De algemene vergadering mag de gang van de zittingen in geen geval verhinderen of onderbreken.
  
Art. 340. <L 1998-12-22/47, art. 67, 067; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. [2 Dans chaque cour, chaque tribunal et chaque arrondissement pour ce qui est des juges de paix et des juges au tribunal de police, est instituée une assemblée générale.
   L'assemblée générale des juges de paix et des juges au tribunal de police a son siège au tribunal de police.]2

  § 2. L'assemblée générale est convoquée :
  1° (soit pour délibérer et décider sur des objets qui ont un intérêt pour toutes les chambres ou pour les juges de paix et les juges au tribunal de police, soit pour traiter des matières touchant à l'ordre public qui relèvent de la compétence d'une de ces juridictions ou de l'assemblée générale des juges de paix et des juges au tribunal de police;) <L 2001-03-13/36, art. 11, 083; En vigueur : 30-03-2001>
  2° (pour la rédaction dur apport de fonctionnement visé au § 3;) <L 2003-05-03/45, art. 38, 111; En vigueur : 01-01-2004>
  3° pour l'élection des magistrats chargés de l'évaluation et de leurs suppléants;
  4° pour la désignation aux mandats adjoints;
  5° pour les présentations relatives à la désignation aux mandats spécifiques, (à l'exception du mandat de juge au tribunal de l'application des peines); <L 2006-05-17/36, art. 32, 132; En vigueur : 31-08-2006>
  6° [4 pour la désignation ou la sélection des candidats à un mandat de juge, de conseiller et d'assesseur dans les juridictions disciplinaires visées à l'article 58.]4
  (7° pour la rédaction de l'avis visé à l'article 259novies, § 10, alinéa 5;) <L 2006-12-18/37, art. 10, 1°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  [7 8° pour l'établissement de la liste des curateurs visée à l'article XX.122 du Code de droit économique;
   9° pour l'omission de la liste des curateurs prononcée sur base de l'article XX.125 du Code de droit économique.]7

  § 3. (Les rapports de fonctionnement sont rédigés [3 sur support électronique]3 et transmis par les tribunaux et les assemblées générales des juges de paix et des juges aux tribunaux de police avant le (1er avril) de chaque année et par les cours avant le (31 mai) de chaque année. <L 2003-12-22/53, art. 15, 116; En vigueur : 10-01-2004>
  [1 ...]1.
  Le Ministre de la Justice établit,[3 après avis du Conseil supérieur de la Justice, du Collège du ministère public et du Collège des cours et tribunaux, chacun pour ce qui concerne son organisation]3, le formulaire type à suivre pour la rédaction des rapports de fonctionnement.
  [3 Ils traitent notamment des points suivants se rapportant à l'année civile écoulée :
   a) l'évolution des cadres et des effectifs;
   b) les moyens logistiques;
   c) l'organisation;
   d) les structures de concertation;
   e) les statistiques;
   f) l'évolution des affaires pendantes;
   g) l'évolution de la charge de travail;
   h) l'évolution de l'arriéré judiciaire;
   i) le retard dans le délibéré;
   j) l'évolution de la réalisation du plan de gestion et des objectifs;
   k) les modalités d'utilisation des moyens;
   l) la politique de qualité;
   m) le fonctionnement des divisions;]3

  [8 n) le cas échéant, les mesures prises en vue du maintien de la discipline, y compris les sanctions disciplinaires, et les initiatives prises en vue du respect des principes généraux relatifs à la déontologie.]8
  Le cas échéant, le rapport de fonctionnement indique les besoins et contient des propositions visant à améliorer le fonctionnement de la juridiction (, à résorber l'arriéré judiciaire et à garantir le respect des délais du délibéré). <L 2007-05-09/38, art. 2, 2°, 151; En vigueur : 22-06-2007>
  Le chef de corps [2 ...]2 transmet le rapport de fonctionnement et le rapport intermédiaire, ainsi que le procès-verbal des travaux de l'assemblée générale y afférent, au chef de corps de la juridiction immédiatement supérieure, au Ministre de la Justice, au Conseil supérieur de la Justice et aux présidents des Chambres législatives fédérales.) [8 Le Conseil supérieur de la Justice établit annuellement un rapport consolidé portant sur les mesures et initiatives prises sur base de l'alinéa 3, n), dans le respect de l'anonymat. Ce rapport est rendu public.]8 <L 2003-05-03/45, art. 38, 111; En vigueur : 01-01-2004>
  § 4. (L'assemblée générale des cours est également convoquée pour les avis visés aux articles 259ter, § 3, et 259quater, § 3.
  L'assemblée générale des cours d'appel et des cours du travail est également convoquée lorsque le premier président juge convenable de convoquer la cour, après qu'un membre de la cour lui ait notifié qu'il souhaitait faire une dénonciation sur quelque objet d'ordre public de la compétence de la cour. Si le premier président n'a pas jugé nécessaire de convoquer la cour, celui qui voulait faire une dénonciation peut instruire sa chambre de l'objet qu'il se proposait de dénoncer; si, après en avoir délibéré, la chambre demande la convocation de l'assemblée générale, le premier président est tenu de l'accorder.
  En outre, l'assemblée générale de la cour d'appel est convoquée afin d'entendre les dénonciations de crimes et de délits faites par un de ses membres; elle peut mander le procureur général pour lui enjoindre de poursuivre à raison de ces faits ou pour entendre le compte qu'il rendra des poursuites qui seraient commencées.) <L 2003-05-03/45, art. 38, 111; En vigueur : 01-01-2004>
  § 5. Les assemblées générales sont convoquées, selon les cas :
  1° par le premier président ou le président;
  2° lorsqu'un quart des membres en fait la demande;
  3° sur un réquisitoire motivé du procureur général, du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail. Dans ce cas, la convocation est faite dans les trois jours du réquisitoire.
  (4° dans le cas visé au § 2, 7°, par le magistrat visé à l'article [5 319, alinéa 1er, deuxième phrase, ou 319, alinéa 2, deuxième phrase]5.) <L 2006-12-18/37, art. 10, 2°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  [6 ...]6.
  Il ne peut être délibéré d'aucun autre objet que celui pour lequel la convocation a été faite.
  L'assemblée générale ne peut en aucun cas empêcher ni suspendre le cours des audiences.
  
Art. 341. <W 1998-12-22/47, art. 68, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De algemene vergadering bestaat uit :
  1° de leden bedoeld in artikel 129, eerste lid, voor het Hof van Cassatie;
  2° de leden bedoeld in de artikelen 101, [3 § 2, tweede lid]3, en 102, § 1, voor de hoven van beroep; <W 2006-12-03/41, art. 12, 143; Inwerkingtreding : 28-12-2006>
  3° de leden bedoeld in artikel 103, tweede en derde lid, voor de arbeidshoven;
  4° de leden bedoeld in de artikelen 77, eerste lid, en [9 87, § 1, eerste lid]9, voor de rechtbanken van eerste aanleg;
  5° de leden bedoeld in de artikelen 82 [5 en [9 87, § 1, eerste lid en § 3]9,]5 voor de arbeidsrechtbanken;
  6° de leden bedoeld in de artikelen 85 [5 en [9 87, § 1, eerste lid]9,]5 voor de [8 ondernemingsrechtbanken]8;
  7° de leden bedoeld in de artikelen 59 [1 en 60]1 voor de vredegerechten en de politierechtbanken gelegen binnen hetzelfde [4 arrondissement]4.) <W 2001-03-13/36, art. 12, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001>
  ([1 Rechters]1 benoemd bij toepassing van artikel 100 maken deel uit van de algemene vergadering van de rechtscolleges waar zij daadwerkelijk als rechter werkzaam zijn.
  Magistraten die een opdracht vervullen nemen voor de duur van die opdracht, voor zover dit een voltijdse opdracht buiten een rechtscollege betreft, deel aan de algemene vergadering zonder stemrecht en zonder dat ze worden meegeteld voor het vaststellen van het quorum. Betreft het een opdracht bij een ander rechtscollege dan maken zij zowel deel uit van de algemene vergadering van het rechtscollege waar zij zijn benoemd als van de algemene vergadering van het rechtscollege waar zij een voltijdse opdracht vervullen.) <W 2003-05-03/45, art. 39, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 2. In de gevallen bedoeld in artikel ([5 340, § 2, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° [7 , 7°, 8° en 9°,]7, en § 4, eerste lid]5 maken de plaatsvervangende magistraten (, de assessoren [6 in de strafuitvoeringsrechtbank]6), de rechters in handelszaken en de raadsheren en rechters in sociale zaken geen deel uit van de algemene vergadering. <W 2006-05-17/36, art. 33, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007> <W 2006-12-18/37, art. 11, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  § 3. In de gevallen bedoeld in artikel 340, § 2, 2° en [5 § 4, tweede lid,]5 woont de procureur-generaal of, naar gelang van het geval, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur de algemene vergadering bij. Hij kan zijn vorderingen in de registers laten optekenen.
  § 4. [2 ...]2.
  
Art. 341. <L 1998-12-22/47, art. 68, 067; En vigueur : 02-08-2000> L'assemblée générale est composée :
  1° des membres visés à l'article 129, alinéa 1er, pour ce qui est de la Cour de cassation;
  2° des membres visés aux articles 101, [3 § 2, alinéa 2]3, et 102, § 1er, pour ce qui est des cours d'appel; <L 2006-12-03/41, art. 12, 143; En vigueur : 28-12-2006>
  3° des membres visés à l'article 103, alinéas 2 et 3, pour ce qui est des cours du travail;
  4° des membres visés aux articles 77, alinéa 1er, et [9 87, § 1er, alinéa 1er]9, pour ce qui est des tribunaux de première instance;
  5° des membres visés aux articles 82 et [5 et [9 87, § 1er, alinéa 1er et § 3]9,]5 pour ce qui est des tribunaux du travail;
  6° des membres visés aux articles 85 [5 et [9 87, § 1er, alinéa 1er]9,]5, pour ce qui est des [8 tribunaux de l'entreprise]8;
  (7° des membres visés aux articles 59 [1 et 60]1 pour les justices de paix et les tribunaux de police situés dans le même [4 arrondissement]4.) <L 2001-03-13/36, art. 12, 083; En vigueur : 30-03-2001>
  Les [1 ...]1 juges nommés en application de l'article 100 font partie de l'assemblée générale des juridictions où ils exercent effectivement leurs fonctions de juge.
  Les magistrats qui remplissent une mission participent à l'assemblée générale sans droit de vote et sans être pris en compte pour la fixation du quorum, ce pour la durée de cette mission et pour autant qu'il s'agisse d'une mission à temps plein en dehors d'une juridiction. S'il s'agit d'une mission dans une autre juridiction, ils font partie aussi bien de l'assemblée générale de la juridiction dans laquelle ils ont été nommés que de l'assemblée générale de la juridiction où ils remplissent une mission à temps plein.) <L 2003-05-03/45, art. 39, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 2. Dans les cas visés à l'article ([5 340, § 2, 2°, 3°, 4°, 5°, 6° [7 , 7°, 8° et 9°,]7 et § 4, alinéa 1er]5, les magistrats suppléants (, les assesseurs [6 au tribunal de l'application des peines]6), les juges consulaires, les conseillers et les juges sociaux ne font pas partie de l'assemblée générale. <L 2006-05-17/36, art. 33, 132; En vigueur : 01-02-2007> <L 2006-12-18/37, art. 11, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  § 3. Dans les cas prévus à l'article 340, § 2, 2°, [5 et § 4, alinéa 2]5, le procureur général ou, selon le cas, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail, assiste à l'assemblée générale. Il peut faire inscrire ses réquisitions sur les registres.
  § 4.[2 ...]2.
  
Art. 342. <W 1998-12-22/47, art. 69, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De algemene vergadering kan slechts geldig beraadslagen of stemmen als de meerderheid van de leden aanwezig is.
  (Wanneer het quorum niet bereikt wordt, roept de korpschef op een latere datum een nieuwe algemene vergadering samen met dezelfde agenda, die dan geldig kan beraadslagen of stemmen zonder dat de meerderheid van de leden aanwezig is.) <W 2003-05-03/45, art. 40, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 2. Iedere beslissing wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige leden.
  De verkiezingen, de voordrachten, de aanwijzingen en de adviezen geschieden afzonderlijk en bij geheime stemming; verkrijgt geen kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen, dan wordt herstemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.
  § 3. Bij staking van stemmen beslist al naar gelang, de eerste voorzitter, de voorzitter, de magistraat die hen vervangt of de door de algemene vergadering aangewezen voorzitter (behoudens indien het verkiezingen, voordrachten of aanwijzingen betreft; in dat geval krijgt de persoon met de grootste dienstanciënniteit in het betrokken rechtscollege de voorkeur). <W 2003-05-03/45, art. 40, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 4. Het is de magistraten verboden aan de beraadslaging en de stemming deel te nemen in geval van een persoonlijk of strijdig belang.
Art. 342. <L 1998-12-22/47, art. 69, 067; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. L'assemblée générale peut délibérer ou voter valablement si la majorité des membres sont présents.
  (Lorsque le quorum n'est pas atteint, le chef de corps convoque une nouvelle assemblée générale à une date ultérieure, l'ordre du jour étant maintenu. Cette assemblée générale peut alors délibérer ou voter valablement sans que la majorité des membres soient présents.) <L 2003-05-03/45, art. 40, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 2. Toute décision est prise à la majorité absolue des membres présents.
  Les élections, les présentations, les désignations et les avis se font séparément et par bulletin secret; si aucun des candidats ne réunit la majorité absolue, il est procédé à un scrutin de ballottage entre les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix.
  § 3. En cas de parité des suffrages, la décision incombe, selon le cas, au premier président, au président, au magistrat qui les remplace ou au président désigné par l'assemblée générale, (sauf s'il s'agit d'élections, de présentations ou de désignations. Dans ces cas, la préférence va à la personne ayant la plus grande ancienneté de service dans la juridiction concernée.) <L 2003-05-03/45, art. 40, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 4. Les magistrats ne peuvent participer à la délibération et au vote s'ils ont un intérêt personnel ou contraire.
Art. 343. <W 1998-12-22/47, art. 71, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> In afwijking van artikel 60, § 3, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, worden niet geacht te zijn verhinderd, de raadsheren in het Hof van Cassatie die onbekend zijn met de taal welke op de algemene vergaderingen, de zittingen van de verenigde kamers of op de voltallige zittingen van iedere kamer dient te worden gebruikt.
  Nemen zulke raadsheren zitting, dan wordt simultaanvertaling ingericht opdat zij alle debatten op de openbare zitting kunnen volgen, en voor de raadkamerdebatten of voor het beraad treedt als tolk een magistraat op die van de kennis van beide landstalen heeft doen blijken.
Art. 343. <L 1998-12-22/47, art. 71, 067; En vigueur : 02-08-2000> Par dérogation à l'article 60, § 3, alinéa 1er, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, ne sont pas considérés comme empêchés, les conseillers à la Cour de cassation qui ne connaissent pas la langue à employer aux assemblées générales, aux audiences des chambres réunies ou aux audiences plénières de chacune des chambres.
  S'il en est qui prennent place au siège, une traduction simultanée est organisée afin de leur permettre de suivre tous les débats à l'audience publique, et pour les débats en chambre du conseil ou le délibéré, un magistrat justifiant de la connaissance des deux langues nationales fait office d'interprète.
Art. 344. <W 1998-12-22/47, art. 72, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Op de algemene vergadering van de hoven en rechtbanken wordt dienst gedaan door de hoofdgriffier (en, voor de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank, door de hoofdgriffier aangewezen door de voorzitter van deze vergadering.). (De hoofdgriffier) maakt proces-verbaal van de verrichtingen op. Dat proces-verbaal vermeldt de naam van de leden die van de algemene vergadering deel uitmaakten en eventueel van de magistraat van het openbaar ministerie die erop aanwezig was. Het wordt door de voorzitter en (de hoofdgriffier) ondertekend. <W 2001-03-13/36, art. 13, 083; Inwerkingtreding : 30-03-2001> <W 2001-06-21/42, art. 44, 085; Inwerkingtreding : 20-07-2001>
Art. 344. <L 1998-12-22/47, art. 72, 067; En vigueur : 02-08-2000> Le service des assemblées générales dans les cours et tribunaux est fait par le greffier en chef (et, pour l'assemblée générale des juges de paix et des juges au tribunal de police, par le greffier en chef désigné par le président de cette assemblée). (Le greffier en chef) dresse un procès-verbal des opérations. Ce procès-verbal contient les noms des membres qui ont fait partie de l'assemblée générale ainsi qu'éventuellement celui du magistrat du ministère public qui y a assisté. Il est signé par le président et par (le greffier en chef). <L 2001-03-13/36, art. 13, 083; En vigueur : 30-03-2001> <L 2001-06-21/42, art. 44, 085; En vigueur : 20-07-2001>
Art. 345. <W 1998-12-22/47, art. 73, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Het Hof van Cassatie en de hoven van beroep komen ieder jaar na de vakantie in algemene en openbare vergadering bijeen.
  De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie of een van de advocaten-generaal die hij daarmee belast heeft, houdt een rede over een bij die gelegenheid passend onderwerp.
  De procureur-generaal bij het hof van beroep geeft aan hoe binnen het rechtsgebied recht is gesproken en wijst op de misbruiken die hij heeft vastgesteld. Bovendien kan hij, indien hij zulks nuttig acht, een rede houden over een bij die gelegenheid passend onderwerp. Hij kan een van de advocaten-generaal opdragen deze rede te houden.
  De procureurs-generaal doen aan de Minister van Justitie een afschrift van hun rede toekomen.
Art. 345. <L 1998-12-22/47, art. 73, 067; En vigueur : 02-08-2000> Tous les ans, après les vacances, la Cour de cassation et les cours d'appel se réunissent en assemblée générale et publique.
  Le procureur général près la Cour de cassation ou l'un des avocats généraux qu'il en a chargé, prononce un discours sur un sujet adapté à la circonstance.
  Le procureur général près la cour d'appel signale la manière dont la justice a été rendue dans l'étendue du ressort et indique les abus qu'il aurait remarqués. Il peut en outre, s'il l'estime utile, prononcer un discours sur un sujet adapté à la circonstance. Il peut charger un des avocats généraux de prononcer ce discours.
  Les procureurs généraux envoient au Ministre de la Justice copie de leurs discours.
HOOFDSTUK VIbis. - De korpsvergadering.
CHAPITRE VIBIS. - De l'assemblée de corps.
Art. 346. <W 1998-12-22/47, art. 75, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. (Voor elk parket wordt een korpsvergadering ingesteld.) <W 2001-06-21/42, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  § 2. De korpsvergadering wordt bijeengeroepen :
  1° hetzij om te beraadslagen en te beslissen over onderwerpen die van algemeen belang zijn, hetzij ter behandeling van zaken van openbare orde die tot de bevoegdheid van het hof of de rechtbank behoren.
  2° (voor het opstellen van het werkingsverslag bedoeld in artikel 340, § 3. De werkingsverslagen worden opgesteld en overgezonden voor (1 april) van elk jaar door de parketten en auditoraten en voor (31 mei) van elk jaar door de parketten-generaal en de auditoraten-generaal; de korpschef zendt het werkingsverslag samen met het betrokken proces-verbaal van de verrichtingen van de korpsvergadering over aan de korpschef van het onmiddellijk hogere parket, de Minister van Justitie, het college van procureurs-generaal, de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers.) [2 Het werkingsverslag van het parket voor de verkeersveiligheid wordt voor 1 april van elk jaar opgesteld en wordt samen met het betrokken proces-verbaal van de verrichtingen van de korpsvergadering overgezonden aan de minister van Justitie, het College van het openbaar ministerie, de Hoge Raad voor de Justitie en de voorzitters van de federale Wetgevende Kamers.]2 <W 2003-05-03/45, art. 41, 111; Inwerkingtreding : 01-01-2004, uiterlijk op 02-06-2004> <W 2003-12-22/53, art. 16, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  3° voor de verkiezing van de magistraten belast met de evaluatie en hun plaatsvervangers.
  (4° voor het opstellen van het advies bedoeld in artikel 259novies, § 10, vijfde lid.) <W 2006-12-18/37, art. 12, 1°, 145; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2008>
  § 3. De korpsvergaderingen worden, al naar gelang, bijeengeroepen :
  1° door de procureur-generaal, (de federale procureur,) [2 de procureur voor de verkeersveiligheid,]2 de procureur des Konings of de arbeidsauditeur;
  2° wanneer één vierde van de leden erom verzoekt. <W 2001-06-21/42, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  (3° in het geval bedoeld in § 2, 4°, door de magistraat bedoeld in [1 artikel 319, eerste lid, tweede zin, of 319, tweede lid, tweede zin]1.) <W 2006-12-18/37, art. 12, 2°, 145; Inwerkingtreding : 01-01-2008>
  Telkens wanneer de korpsvergadering wordt bijeengeroepen, geeft de procureur-generaal, (de federale procureur,) [2 de procureur voor de verkeersveiligheid,]2 de procureur des Konings of de arbeidsauditeur daarvan kennis aan de Minister van Justitie onder opgave van de zaak waarover de vergadering zal beraadslagen en beslissen. <W 2001-06-21/42, art. 45, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  § 4. Er wordt over geen andere zaak beraadslaagd dan die waarvoor de bijeenroeping is geschied. De korpsvergadering mag de gang van de zittingen in geen geval verhinderen of onderbreken.
  
Art. 346. <L 1998-12-22/47, art. 75, 067; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. (Il est institué pour chaque parquet une assemblée de corps.) <L 2001-06-21/42, art. 45, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  § 2. L'assemblée de corps est convoquée :
  1° soit pour délibérer et prendre des décisions à propos de sujets d'intérêt général, soit pour traiter des affaires d'ordre public qui relèvent de la compétence de la cour ou du tribunal;
  2° (pour la rédaction du rapport de fonctionnement visé à l'article 340, § 3. Les rapports de fonctionnement sont rédigés et communiqués par les parquets et les auditorats avant le (1er avril) de chaque année et par les parquets généraux et les auditorats généraux avant le (31 mai) de chaque année; le chef de corps transmet la rapport de fonctionnement, ainsi que le procès-verbal des travaux de l'assemblée de corps y afférent, au chef de corps du parquet immédiatement supérieur, au Ministre de la Justice, au Collège des procureurs généraux, au Conseil supérieur de la Justice et aux présidents des Chambres législatives fédérales.) [2 Le rapport de fonctionnement du parquet de la sécurité routière est rédigé avant le 1er avril de chaque année et est transmis, ainsi que le procès-verbal des travaux de l'assemblée de corps y afférent, au ministre de la Justice, au Collège du ministère public, au Conseil supérieur de la Justice et aux présidents des Chambres législatives fédérales;]2 <L 2003-05-03/45, art. 41, 111; En vigueur : 01-01-2004> <L 2003-12-22/53, art. 16, 116; En vigueur : 10-01-2004>
  3° pour l'élection des magistrats chargés de l'évaluation et de leurs suppléants.
  (4° pour la rédaction de l'avis visé à l'article 259novies, § 10, alinéa 5.) <L 2006-12-18/37, art. 12, 1°, 145; En vigueur : indéterminée et au plus tard : 01-01-2008>
  § 3. Les assemblées de corps sont convoquées, selon le cas :
  1° par le procureur général, (le procureur fédéral) [2 le procureur de la sécurité routière,]2 le procureur du Roi ou l'auditeur du travail; <L 2001-06-21/42, art. 45, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  2° lorsqu'un quart des membres en fait la demande.
  (3° dans le cas visé au § 2, 4°, par le magistrat visé à l'[1 article 319, alinéa 1er, deuxième phrase, ou 319, alinéa 2, deuxième phrase]1) <L 2006-12-18/37, art. 12, 2°, 145; En vigueur : 01-01-2008>
  A chaque convocation de l'assemblée de corps, le procureur général, (le procureur fédéral), [2 le procureur de la sécurité routière,]2 le procureur du Roi ou l'auditeur du travail en informe le Ministre de la Justice et lui fait part de l'objet dont l'assemblée délibérera. <L 2001-06-21/42, art. 45, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  § 4. Il ne peut être délibéré d'aucun autre objet que celui pour lequel la convocation a été faite. L'assemblée de corps ne peut en aucun cas empêcher ou suspendre le cours des audiences.
  
Art. 347. <W 1998-12-22/47, art. 76, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> De korpsvergadering bestaat uit :
  1° de leden bedoeld in artikel 142 voor het Hof van Cassatie;
  2° de leden bedoeld in artikel 144 voor het hof van beroep;
  3° de leden bedoeld in artikel 145 voor het arbeidshof;
  4° de leden bedoeld in artikel 151 voor de rechtbank van eerste aanleg;
  5° de leden bedoeld in artikel 153 voor de arbeidsrechtbank.
  (6° de leden bedoeld in artikel 144bis, § 1, eerste lid, voor het federaal parket.)
  [2 7° de leden bedoeld in artikel 150/1, § 2, eerste lid, voor het parket voor de verkeersveiligheid.]2 <W 2001-06-21/42, art. 46 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  (De [1 ...]1 substituut-procureurs des Konings en de substituut-arbeidsauditeurs, benoemd bij toepassing van artikel 100, maken deel uit van de korpsvergadering van het parket bij de rechtscolleges waar zij daadwerkelijk werkzaam zijn.
  Magistraten die een opdracht vervullen nemen voor de duur die opdracht, voor zover dit een voltijdse opdracht buiten een parket bij een rechtscollege betreft, deel aan de korpsvergadering zonder stemrecht en zonder dat ze worden meegeteld voor het vaststellen van het quorum. Betreft het een opdracht bij een ander parket dan maken zij deel uit én van de korpsvergadering van het parket bij het rechtscollege waar zij zijn benoemd en van de korpsvergadering van het parket bij het rechtscollege waar zij een voltijdse opdracht vervullen.) <W 2003-05-03/45, art. 42, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  
Art. 347. <L 1998-12-22/47, art. 76, 067; En vigueur : 02-08-2000> L'assemblée de corps est composée :
  1° des membres visés à l'article 142 pour la Cour de cassation;
  2° des membres visés à l'article 144 pour la cour d'appel;
  3° des membres visés à l'article 145 pour la cour du travail;
  4° des membres visés à l'article 151 pour le tribunal de première instance;
  5° des membres visés à l'article 153 pour le tribunal du travail;
  (6° des membres visés à l'article 144bis, § 1er, alinéa 1er, pour le parquet fédéral;)
  [2 7° des membres visés à l'article 150/1, § 2, alinéa 1er, pour le parquet de la sécurité routière.]2 <L 2001-06-21/42, art. 46, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  (Les [1 ...]1 substituts du procureur du Roi et les substituts de l'auditeur du travail nommés en application de l'article 100 font partie de l'assemblée de corps du parquet près les juridictions où ils exercent effectivement leurs fonctions.
  Les magistrats qui remplissent une mission participent à l'assemblée de corps sans droit de vote et sans être pris en compte pour la fixation du quorum, ce pour la durée de cette mission et pour autant qu'il s'agisse d'une mission à temps plein en dehors d'un parquet près une juridiction. S'il s'agit d'une mission dans un autre parquet, ils font partie aussi bien de l'assemblée de corps du parquet près la juridiction dans laquelle ils ont été nommés que de l'assemblée de corps du parquet près la juridiction où ils remplissent une mission à temps plein.) <L 2003-05-03/45, art. 42, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  
Art. 348. <W 1998-12-22/47, art. 77, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> § 1. De korpsvergadering kan slechts geldig beraadslagen of stemmen als de meerderheid van de leden aanwezig is.
  (Wanneer het quorum niet bereikt wordt, roept de korpschef op een latere datum een nieuwe korpsvergadering samen met dezelfde agenda, die dan geldig kan beraadslagen of stemmen zonder dat de meerderheid van de leden aanwezig is.) <W 2003-05-03/45, art. 43, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 2. Iedere beslissing wordt genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. De verkiezingen geschieden afzonderlijk en bij geheime stemming; verkrijgt geen kandidaat de volstrekte meerderheid van de stemmen, dan wordt herstemd over de twee kandidaten die de meeste stemmen hebben behaald.
  § 3. Bij staking van stemmen beslist al naar gelang, de procureur-generaal, (de federale procureur,) [1 de procureur voor de verkeersveiligheid,]1 de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de magistraat die hen vervangt of de door de korpsvergadering aangewezen voorzitter (behoudens indien het verkiezingen, voordrachten of aanwijzingen betreft; in dat geval krijgt de persoon met de grootste dienstanciënniteit in het betrokken parket de voorkeur). <W 2001-06-21/42, art. 47, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002> <W 2003-05-03/45, art. 43, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 4 Het is de magistraten verboden aan de beraadslaging en de stemming deel te nemen in geval van een persoonlijk of strijdig belang.
  
Art. 348. <L 1998-12-22/47, art. 77, 067; En vigueur : 02-08-2000> § 1er. L'assemblée de corps ne peut délibérer ou voter valablement que si la majorité des membres sont présents.
  (Lorsque le quorum n'est pas atteint, le chef de corps convoque une nouvelle assemblée de corps à une date ultérieure, l'ordre du jour étant maintenu. Cette assemblée de corps peut alors délibérer ou voter valablement sans que la majorité des membres soient présents.) <L 2003-05-03/45, art. 43, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 2. Toute décision est prise à la majorité absolue des membres présents. Les élections se font séparément et au scrutin secret; si aucun des candidats ne réunit la majorité absolue, il est procédé à un scrutin de ballottage entre les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix.
  § 3. En cas de parité des suffrages, la décision incombe, selon le cas, au procureur général, (au procureur fédéral), [1 au procureur de la sécurité routière,]1 au procureur du Roi, à l'auditeur du travail, au magistrat qui les remplace ou au président désigné par l'assemblée de corps, (sauf s'il s'agit d'élections, de présentations ou de désignations. Dans ces cas, la préférence va à la personne ayant la plus grande ancienneté de service dans le parquet concerné.) <L 2001-06-21/42, art. 47, 085; En vigueur : 21-05-2002> <L 2003-05-03/45, art. 43, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 4. Les magistrats ne peuvent participer à la délibération et au vote s'ils ont un intérêt personnel ou contraire.
  
Art. 349. <W 1998-12-22/47, art. 78, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> Op de korpsvergadering (...) wordt dienst gedaan door de hoofdsecretaris.
  De hoofdsecretaris maakt proces-verbaal van de verrichtingen op. Dat proces-verbaal vermeldt de naam van de leden die van de korpsvergadering deel uitmaakten. Het wordt door de voorzitter en de hoofdsecretaris ondertekend. <W 2001-06-21/42, art. 48, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
Art. 349. <L 1998-12-22/47, art. 78, 067; En vigueur : 02-08-2000> Le service des assemblées de corps (...) est fait par le secrétaire en chef. <L 2001-06-21/42, art. 48, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  Le secrétaire en chef dresse un procès-verbal des opérations. Ce procès-verbal contient les noms des membres qui ont fait partie de l'assemblée de corps. Il est signé par le président et par le secrétaire en chef.
HOOFDSTUK VIter. - Registratie van de werklast
CHAPITRE VIter. - De l'enregistrement de la charge de travail
Art. 352bis. <INGEVOEGD bij W 2001-11-29/33, art. 7; Inwerkingtreding : 18-12-2001> De Koning stelt, na advies van [1 het College van de hoven en rechtbanken of het College van het openbaar ministerie]1, de wijze vast waarop de werklast van de rechter en van het openbaar ministerie wordt geregistreerd, alsook de wijze waarop deze geregistreerde gegevens worden geëvalueerd. [1 De werklastmeting gebeurt op basis van nationale normtijden voor elke categorie van rechtscollege en parket.]1
  [1 De werklastmeting wordt om de vijf jaar gehouden voor elk type rechtscollege of parket.]1
  
Art. 352bis. Le Roi détermine, après avis du [1 Collège des cours et tribunaux ou du Collège du ministère public]1, la manière dont est enregistrée la charge de travail du juge et du ministère public ainsi que la manière dont ces données enregistrées sont évaluées. [1 La mesure de la charge de travail se calcule sur la base des normes de temps nationales pour chaque catégorie de juridiction et parquet.]1
  [1 La mesure de la charge de travail est organisée tous les cinq ans pour chaque type de juridiction ou parquet.]1
  
HOOFDSTUK VIquater. [1 Middelen van identificatie]1
CHAPITRE VIquater. - [1 Moyens d'identification]1
Art. 352ter. [1 De Koning bepaalt de legitimatiekaarten en andere middelen van identificatie van de magistraten, van de [2 magistraten in opleiding]2 en van het gerechtspersoneel.]1
  
Art. 352ter. [1 Le Roi détermine les cartes de légitimation et autres moyens d'identification des magistrats, des [2 magistrats en formation]2 et du personnel judiciaire.]1
  
HOOFDSTUK VII. - Ambtskledij.
CHAPITRE VII. - Du costume.
Art. 353. De kledij die de magistraten en de griffiers van de rechterlijke orde bij het uitoefenen van hun ambt en op openbare plechtigheden dragen, wordt bepaald door de Koning.
Art. 353. Les costumes que portent les magistrats et les greffiers de l'ordre judiciaire dans l'exercice de leurs fonctions et dans les cérémonies publiques sont réglés par le Roi.
HOOFDSTUK VIIbis. [1 - Bepalingen betreffende de referendarissen bij het Hof van Cassatie, de referendarissen, de parketjuristen en de criminologen]1
CHAPITRE VIIBIS. [1 - Dispositions relatives aux référendaires près la Cour de cassation, aux référendaires, aux juristes de parquet et aux criminologues]1
Art. 353bis. (oud artikel 353ter.) <W 1999-04-12/38, art. 15, 075; Inwerkingtreding : 01-07-1999> <INGEVOEGD bij W 1997-05-06/38, art. 17; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De Koning bepaalt de verloven, de vakanties en de afwezigheden wegens arbeidsondergeschiktheid van de referendarissen bij het Hof van Cassatie [3 en van de referendarissen, de parketjuristen en de criminologen]3. Hij kan een regeling voor non-activiteit treffen en het daarbij uitgekeerde wachtgeld bepalen. <W 1999-03-24/31, art. 18, 070; Inwerkingtreding : 17-04-1999> <W 2007-04-25/64, art. 121, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  [1 De Koning regelt de rechtshulp aan de referendarissen [2 bij het Hof van Cassatie]2 [3 en aan de referendarissen, de parketjuristen en de criminologen]3 en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade, overeenkomstig de bepalingen die op het rijkspersoneel van toepassing zijn.]1
  
Art. 353bis. (ancien 353ter.) <L 1999-04-12/38, art. 15, 075; En vigueur : 01-07-1999> Le Roi détermine les congés, les vacances et les absences pour cause d'incapacité de travail des référendaires près la Cour de cassation [3 , des référendaires, des juristes de parquet et des criminologues]3. Il peut déterminer une position de disponibilité et fixer le traitement d'attente qui y est attaché. <L 1999-03-24/31, art. 18, 070; En vigueur : 17-04-1999> <L 2007-04-25/64, art. 121, 154; En vigueur : 01-12-2008>
  [1 Le Roi détermine l'assistance en justice des référendaires [2 près la Cour de cassation]2 [3 , des référendaires, des juristes de parquet et des criminologues]3 et l'indemnisation des dommages aux biens, encourus par eux, conformément aux dispositions en vigueur pour les agents de l'Etat.]1
  
HOOFDSTUK VIII. - (Gemeenschappelijke bepalingen geldend voor de leden van de griffies, het personeel van de griffies, de parketten en steundiensten en voor de attaché's in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.)
CHAPITRE VIII. - (Dispositions communes aux membres des greffes, au personnel des greffes, des parquets et des services d'appui et aux attachés du service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation.)
HOOFDSTUK VIII. TOEKOMSTIG_RECHT.[1 - Gemeenschappelijke bepalingen geldend voor de leden van het gerechtspersoneel met uitzondering van de referendarissen bij het Hof van Cassatie]1
CHAPITRE VIII. DROIT_FUTUR.[1 - Dispositions communes relatives aux membres du personnel judiciaire à l'exception des référendaires près la Cour de cassation]1
Art. 353ter. [1 De regels inzake onverenigbaarheid bepaald in de artikelen [2 293 tot 298]2 zijn van toepassing op de leden van het parketsecretariaat en op de attachés [2 en de adviseurs]2 in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
  [2 Onverminderd de artikelen 293 tot 299bis, worden de leden van het gerechtspersoneel gemachtigd om verschillende ambten te cumuleren, voor zover ze zich niet in een toestand van belangenconflicten plaatsen of laten plaatsen, dit wil zeggen in een toestand waarin ze door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel hebben dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of het legitiem vermoeden te doen ontstaan van zulke invloed.
   De Koning stelt de aanvullende regels van onverenigbaarheid inzake cumulatie vast voor de leden van het gerechtspersoneel met uitzondering van de referendarissen bij het Hof van Cassatie.]2
]1

  
Art. 353ter. [1 Les règles d'incompatibilité déterminées aux articles [2 293 à 298]2 sont applicables aux membres du secrétariat du parquet et aux attachés [2 et conseillers]2 au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation.
  [2 Sans préjudice des articles 293 à 299bis, les membres du personnel judiciaire sont autorisés à cumuler plusieurs fonctions pour autant qu'ils ne se placent pas et ne se laissent pas placer dans une situation de conflits d'intérêts, c'est-à-dire une situation dans laquelle ils ont par eux-mêmes ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d'influer sur l'exercice impartial et objectif de leur fonction ou de créer la suspicion légitime d'une telle influence.
   Le Roi détermine les règles d'incompatibilité supplémentaires en matière de cumul pour les membres du personnel judiciaire, à l'exception des référendaires près la Cour de cassation.]2
]1

  
Art. 353ter TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De regels inzake onverenigbaarheid bepaald in de artikelen [2 293 tot 298]2 zijn van toepassing op de leden van het parketsecretariaat en op de attachés [2 en de adviseurs]2 in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie.
  [2 Onverminderd de artikelen 293 tot 299bis, worden de leden van het gerechtspersoneel gemachtigd om verschillende ambten te cumuleren, voor zover ze zich niet in een toestand van belangenconflicten plaatsen of laten plaatsen, dit wil zeggen in een toestand waarin ze door zichzelf of door een tussenpersoon een persoonlijk voordeel hebben dat van die aard is om de onpartijdige en objectieve uitoefening van zijn ambt te beïnvloeden of het legitiem vermoeden te doen ontstaan van zulke invloed.
   De Koning stelt de aanvullende regels van onverenigbaarheid inzake cumulatie vast voor de leden van het gerechtspersoneel met uitzondering van de referendarissen bij het Hof van Cassatie.]2
]1
Art. 353ter DROIT FUTUR.    [1 Les règles d'incompatibilité déterminées aux articles [2 293 à 298]2 sont applicables aux membres du secrétariat du parquet et aux attachés [2 et conseillers]2 au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation.
  [2 Sans préjudice des articles 293 à 299bis, les membres du personnel judiciaire sont autorisés à cumuler plusieurs fonctions pour autant qu'ils ne se placent pas et ne se laissent pas placer dans une situation de conflits d'intérêts, c'est-à-dire une situation dans laquelle ils ont par eux-mêmes ou par personne interposée un intérêt personnel susceptible d'influer sur l'exercice impartial et objectif de leur fonction ou de créer la suspicion légitime d'une telle influence.
   Le Roi détermine les règles d'incompatibilité supplémentaires en matière de cumul pour les membres du personnel judiciaire, à l'exception des référendaires près la Cour de cassation.]2
]1
Art. 354. <W 2007-04-25/64, art. 124, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De Koning regelt de eedaflegging van het personeel van de griffies, de parketsecretariaten en van de steundiensten, alsmede van de attachés [3 en de adviseurs]3 in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie. Hij regelt eveneens de afwezigheid, het verlof en de vakantie van voornoemd personeel,[1 alsmede van de hoofdgriffiers, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de hoofdsecretarissen, de secretarissen-hoofden van dienst en de secretarissen]1.
  De Koning organiseert de beroepsopleiding van het gerechtspersoneel.
  De Koning kan voor de afwezigheden wegens ziekte of gebrekkigheid voor de leden van de griffie en de personeelsleden bedoeld in het eerste lid, de regelingen toepassen die gelden voor het Rijkspersoneel.
  De Koning kan eveneens de stand disponibiliteit en het daaraan verbonden wachtgeld bepalen, overeenkomstig de bepalingen die op het Rijkspersoneel van toepassing zijn
  [1 De Koning regelt de rechtshulp aan de griffiers, de secretarissen, het personeel van de griffies, van de parketsecretariaten en van de steundiensten, alsmede aan de attachés [3 en de adviseurs]3 in de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie en de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade, overeenkomstig de bepalingen die op het rijkspersoneel van toepassing zijn.]1
  [2 De Koning bepaalt de nadere regels van het telewerken van het gerechtspersoneel.]2
  
Art. 354. <L 2007-04-25/64, art. 124, 154; En vigueur : 01-12-2008> Le Roi détermine la prestation de serment du personnel des greffes, des secrétariats de parquet et des services d'appui, ainsi que des attachés [3 et conseillers]3 au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation. Il détermine également les absences, les congés et vacances du personnel précité, [1 ainsi que des greffiers en chef, des greffiers-chef de service, des greffiers, des secrétaires en chef, des secrétaires-chefs de service et des secrétaires]1.
  Le Roi organise la formation professionnelle du personnel judiciaire.
  En ce qui concerne les absences pour cause de maladie ou d'infirmité pour les membres du greffe et les membres du personnel visés à l'alinéa 1er, le Roi peut appliquer la réglementation applicable aux agents de l'Etat.
  Le Roi peut également déterminer la position de disponibilité et fixer le traitement d'attente qui y est attaché, conformément aux dispositions en vigueur pour les agents de l'Etat.
  [1 Le Roi détermine l'assistance en justice des greffiers, des secrétaires, du personnel des greffes, des secrétariats de parquet et des services d'appui, ainsi que des attachés [3 et conseillers]3 au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation, et l'indemnisation des dommages aux biens, encourus par eux, conformément aux dispositions en vigueur pour les agents de l'Etat.]1
  [2 Le Roi détermine les modalités du télétravail des membres du personnel judiciaire.]2
  
TITEL III. [1 - Wedden, lonen, werkingskosten en voordelen]1
TITRE III. [1 Des traitements, salaires, frais de fonctionnement et avantages]1
EERSTE HOOFDSTUK. - Wedden van de magistraten der rechterlijke orde.
CHAPITRE I. - Des traitements des magistrats de l'ordre judiciaire.
Art. 355. <W 2002-12-27/30, art. 3, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002> De wedden van de magistraten van de Rechterlijke Orde worden bepaald als volgt :
Art. 355. <L 2002-12-27/30, art. 3, 099; En vigueur : 01-10-2002> Les traitements des magistrats de l'Ordre judiciaire sont fixés comme suit :
Hof van Cassatie 
Eerste voorzitter en procureur generaal69.696,16 EUR
Voorzitter en eerste advocaat-generaal65.281,40 EUR
[1 Sectievoorzitter en advocaat-generaal]157.776,40 EUR
  
Raadsheer56.451,95 EUR
Hoven van beroep en arbeidshoven : 
Eerste voorzitter en procureur-generaal56.451,95 EUR
Kamervoorzitter en eerste advocaat-generaal50.565,67 EUR
Advocaat-generaal46.960,31 EUR
Raadsheer, substituut-procureur-generaal en45.047,24 EUR
substituut-generaal 
(1)<W 2016-05-04/03, art. 106, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
Hof van CassatieEerste voorzitter en procureur generaal69.696,16 EURVoorzitter en eerste advocaat-generaal65.281,40 EUR[1 Sectievoorzitter en advocaat-generaal]157.776,40 EURRaadsheer56.451,95 EURHoven van beroep en arbeidshoven :Eerste voorzitter en procureur-generaal56.451,95 EURKamervoorzitter en eerste advocaat-generaal50.565,67 EURAdvocaat-generaal46.960,31 EURRaadsheer, substituut-procureur-generaal en45.047,24 EURsubstituut-generaal(1)<W 2016-05-04/03, art. 106, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
Cour de cassation 
Premier président et procureur général69.696,16 EUR
Président et premier avocat général65.281,40 EUR
[Président de section et avocat général]57.776,40 EUR
<L 2004-12-27/31, art. 7, 121; En vigueur : 10-01-2005> 
Conseiller56.451,95 EUR
Cours d`appel et cours du travail : 
Premier président et procureur général56.451,95 EUR
Président de chambre et premier avocat général50.565,67 EUR
Avocat général46.960,31 EUR
Conseiller, substitut du procureur général et45.047,24 EUR
substitut-général
Cour de cassationPremier président et procureur général69.696,16 EURPrésident et premier avocat général65.281,40 EUR[Président de section et avocat général]57.776,40 EUR<L 2004-12-27/31, art. 7, 121; En vigueur : 10-01-2005>Conseiller56.451,95 EURCours d`appel et cours du travail :Premier président et procureur général56.451,95 EURPrésident de chambre et premier avocat général50.565,67 EURAvocat général46.960,31 EURConseiller, substitut du procureur général et45.047,24 EURsubstitut-général
  Rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en [2 ondernemingsrechtbanken]2 waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners telt :
  Tribunaux de première instance, tribunaux du travail et [2 tribunaux de l'entreprise]2, dont le ressort compte au moins 250 000 habitants :
Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en arbeidsauditeur50.565,67 EUR
[1 Afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, en afdelingsauditeur46 .960,31 EUR]1
Ondervoorzitter en eerste substituut44.620,84 EUR
[1 Rechter en substituut]138.793,06 EUR
  
(1)<W 2013-12-01/01, art. 95, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en arbeidsauditeur50.565,67 EUR[1 Afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, en afdelingsauditeur46 .960,31 EUR]1Ondervoorzitter en eerste substituut44.620,84 EUR[1 Rechter en substituut]138.793,06 EUR(1)<W 2013-12-01/01, art. 95, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
Président du tribunal, procureur du Roi et auditeur du travail50.565,67 EUR
[1 Président de division, procureur de division, et auditeur de division46 .960,31 EUR]1
Vice-président et premier substitut44.620,84 EUR
[1 Juge et substitut ]138.793,06 EUR
  
(1)<L 2013-12-01/01, art. 95, 179; En vigueur : 01-04-2014>
Président du tribunal, procureur du Roi et auditeur du travail50.565,67 EUR[1 Président de division, procureur de division, et auditeur de division46 .960,31 EUR]1Vice-président et premier substitut44.620,84 EUR[1 Juge et substitut ]138.793,06 EUR(1)<L 2013-12-01/01, art. 95, 179; En vigueur : 01-04-2014>
  Rechtbanken van eerste aanleg, arbeidsrechtbanken en [2 ondernemingsrechtbanken]2 waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwoners telt :
  Tribunaux de première instance, tribunaux du travail et [2 tribunaux de l'entreprise]2, dont le ressort compte moins de 250 000 habitants :
Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en arbeidsauditeur46.960,31 EUR
Ondervoorzitter en eerste substituut44.620,84 EUR
Rechter, toegevoegd rechter, substituut en toegevoegd substituut38.793,06 EUR
[1 Voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners telt50 .565,67 EUR]1
[1 Voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwoners telt46 .960,31 EUR]1
(1)<W 2013-12-01/01, art. 95, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
Voorzitter van de rechtbank, procureur des Konings en arbeidsauditeur46.960,31 EUROndervoorzitter en eerste substituut44.620,84 EURRechter, toegevoegd rechter, substituut en toegevoegd substituut38.793,06 EUR[1 Voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners telt50 .565,67 EUR]1[1 Voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwoners telt46 .960,31 EUR]1(1)<W 2013-12-01/01, art. 95, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
Président du tribunal, procureur du Roi et auditeur du travail46.960,31 EUR
Vice-président et premier substitut44.620,84 EUR
[1 Juge et substitut ]138.793,06 EUR
[1 Président des juges de paix et des juges au tribunal de police, dont le ressort compte au moins 250 000 habitants50 .565,67 EUR]1
[1 Président des juges de paix et des juges au tribunal de police, dont le ressort compte moins de 250 000 habitants46 .960,31 EUR]1
(1)<L 2013-12-01/01, art. 95, 179; En vigueur : 01-04-2014>
Président du tribunal, procureur du Roi et auditeur du travail46.960,31 EURVice-président et premier substitut44.620,84 EUR[1 Juge et substitut ]138.793,06 EUR[1 Président des juges de paix et des juges au tribunal de police, dont le ressort compte au moins 250 000 habitants50 .565,67 EUR]1[1 Président des juges de paix et des juges au tribunal de police, dont le ressort compte moins de 250 000 habitants46 .960,31 EUR]1(1)<L 2013-12-01/01, art. 95, 179; En vigueur : 01-04-2014>
  Vredegerechten en politierechtbanken bedoeld in artikel 3 van het bijvoegsel bij dit Wetboek :
  Justices de paix et tribunaux de police visés à l'article 3 de l'annexe au présent Code :
[1 Ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, vrederechter en rechter in de politierechtbank]145.047,24 EUR '
  
(1)<W 2013-12-01/01, art. 95, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014, modifié par W 2014-05-08/02, art. 95, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
[1 Ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, vrederechter en rechter in de politierechtbank]145.047,24 EUR '(1)<W 2013-12-01/01, art. 95, 179; Inwerkingtreding : 01-04-2014, modifié par W 2014-05-08/02, art. 95, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014>
[1 Vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, juge de paix et juge au tribunal de police]145.047,24 EUR
  
(1)<L 2013-12-01/01, art. 95, 179; En vigueur : 01-04-2014, modifié par L 2014-05-08/02, art. 95, 185; En vigueur : 01-04-2014>
[1 Vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, juge de paix et juge au tribunal de police]145.047,24 EUR(1)<L 2013-12-01/01, art. 95, 179; En vigueur : 01-04-2014, modifié par L 2014-05-08/02, art. 95, 185; En vigueur : 01-04-2014>
Art. 355bis. <NOTA : Art. 355bis werd gewijzigd bij W 1998-12-22/48, art. 21, 069 en teruggebracht bij art. 67 van de wet van 2001-06-21/42>
  (§ 1. De federale procureur geniet dezelfde wedde als die bepaald voor de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.
  De federale magistraten (, de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken) genieten dezelfde wedde als die bepaald voor de advocaten-generaal bij de hoven van beroep en de arbeidshoven. <W 2006-06-13/40, art. 48, 1°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  § 2. (Artikel 357, § 2, is van toepassing op de federale magistraten en op de verbindingsmagistraten in jeugdzaken.) <W 2006-06-13/40, art. 48, 2°, 134; Inwerkingtreding : 16-08-2006>
  De magistraat die met toepassing van artikel 144bis, § 3, tweede lid, belast wordt met een opdracht die ten minste drie opeenvolgende maanden in beslag neemt, ontvangt een derde van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan de functie van federale magistraat is verbonden.
  De magistraat die met toepassing van artikel 144bis, § 3, eerste lid, belast wordt met een opdracht die ten minste drie opeenvolgende maanden in beslag neemt, ontvangt een vierde van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan de functie van federale magistraat is verbonden.) <W 2001-06-21/42, art. 49, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  [1 § 3. De procureur voor de verkeersveiligheid geniet dezelfde wedde als die bepaald voor de procureurs des Konings waarvan het rechtsgebied ten minste 250.000 inwoners telt.
   De substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid genieten dezelfde wedde als die bepaald voor de afdelingsprocureurs waarvan het rechtsgebied ten minste 250.000 inwoners telt.]1

  
Art. 355bis.
  (§ 1er. Le traitement du procureur fédéral est le même que celui fixé pour les procureurs généraux près les cours d'appel.
  Le traitement des magistrats fédéraux (, des magistrats d'assistance et des magistrats de liaison en matière de jeunesse) est le même que celui fixé pour les avocats généraux près les cours d'appel et les cours du travail. <L 2006-06-13/40, art. 48, 1°, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  § 2. (L'article 357, § 2, s'applique aux magistrats fédéraux et aux magistrats de liaison en matière de jeunesse.) <L 2006-06-13/40, art. 48, 2°, 134; En vigueur : 16-08-2006>
  Le magistrat chargé d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéa 2, qui s'étend au moins sur trois mois successifs perçoit un tiers de la différence entre son traitement et celui lié à la fonction de magistrat fédéral.
  Le magistrat chargé d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéa 1er, qui s'étend au moins sur trois mois successifs perçoit un quart de la différence entre son traitement et celui lié à la fonction de magistrat fédéral.) <L 2001-06-21/42, art. 49, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  [1 § 3. Le traitement du procureur de la sécurité routière est le même que celui fixé pour les procureurs du Roi dont le ressort compte au moins 250.000 habitants.
   Le traitement des substituts du procureur de la sécurité routière est le même que celui fixé pour les procureurs de division dont le ressort compte au moins 250.000 habitants.]1

  
Art. 355ter. <INGEVOEGD bij W 2006-05-17/36, art. 34, 132; Inwerkingtreding : 31-08-2006> De wedde van de [2 werkende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank]2 stemt overeen met de in artikel 355 bepaalde wedde voor de rechters in de rechtbank van eerste aanleg. De artikelen 360, eerste lid, 360ter, derde en vierde lid, 362, 363 en 377 zijn op hen van toepassing.
  De vereiste ervaring als benoemingsvoorwaarde wordt meegerekend voor de berekening van de anciënniteit tot ten hoogste zes jaar. [3 Alle periodes gedurende dewelke het ambt van assessor in de strafuitvoeringsrechtbank werd uitgeoefend worden in aanmerking genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit.]3
  De minister van Justitie bepaalt het bedrag van de vergoeding die toegekend wordt aan de [2 plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank]2.
  
Art. 355ter. Le traitement des [2 assesseurs effectifs au tribunal de l'application des peines]2 est identique au traitement fixé par l'article 355 pour les juges au tribunal de première instance. Les articles 360, alinéa 1er, 360ter, alinéas 3 et 4, 362, 363 et 377 leur sont applicables.
  L'expérience exigée comme condition de nomination entre en compte pour le calcul de l'ancienneté à concurrence d'une durée maximale de six ans. [3 Toutes les périodes durant lesquelles la fonction d'assesseur au tribunal de l'application des peines a été exercée entrent en compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire.]3
  Le ministre de la Justice détermine le montant de l'indemnité allouée aux [2 assesseurs suppléants au tribunal de l'application des peines]2.
  
Art. 356. De Koning bepaalt welke presentiegelden aan de raadsheren in sociale zaken, de rechters in sociale zaken en de rechters in handelszaken kunnen worden toegekend.
Art. 356. Le Roi détermine les jetons de présence qui peuvent être alloués aux conseillers sociaux, aux juges sociaux et aux juges consulaires.
Art. 357. <W 1999-04-29/73, art. 3, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2000> § 1. Toegekend worden :
  1° (...) <W 2004-12-27/31, art. 8, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  2° een weddebijslag van (2 602,89 EUR) aan de [6 rechters van de familie- en jeugdrechtbank tijdens de duur van hun ambtsuitoefening in de jeugdkamers]6; deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste weddebijslag bedoeld in artikel 360bis wordt toegekend; <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  3° een weddebijslag van (4 214,19 EUR) aan de onderzoeksrechters tijdens de duur van hun ambtsuitoefening; deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste weddebijslag bedoeld in artikel 360bis wordt toegekend [5 zonder dat het totale loon lager mag zijn dan datgene dat de titularis van het ambt genoot in zijn vorige anciënniteitstrap]5; <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  4° (een weddenbijslag van (2 602,89 EUR) (NOTA : 105 000 BEF tot 31 december 2001) aan de substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden die effectief het ambt uitoefenen. Na twee jaar ambtsuitoefening bedraagt deze weddenbijslag 6 544,39 EUR (NOTA : 264 000 BEF tot 31 december 2001). De cumulatie van deze weddenbijslag met de wedde en de weddenbijslagen bedoeld in artikel 360bis mag (62.905,54) EUR (NOTA : 2 440 000 BEF tot 31 december 2001) niet overschrijden.) <W 2001-06-15/40, art. 2 en 3, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2001><W 2002-12-27/30, art. 4, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  5° een weddebijslag van (2 602,89 EUR) aan de eerste substituten-procureurs des Konings die de titel van auditeur voeren; deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste weddebijslag bedoeld in artikel 360bis wordt toegekend. <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  6° [2 ...]2.
  (7° een weddebijslag van 4.214,19 euro aan de rechters in de strafuitvoeringsrechtbank en aan de substituten-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken die het ambt daadwerkelijk uitoefenen. Deze weddebijslag wordt gehalveerd wanneer de laatste in artikel 360bis bedoelde weddebijslag wordt toegekend [5 zonder dat het totale loon lager mag zijn dan datgene dat de titularis van het ambt genoot in zijn vorige anciënniteitstrap]5.) <W 2006-05-17/36, art. 35, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  [3 8° een weddebijslag van 2.602,89 EUR aan de rechters bedoeld in de tabel "Aantal rechters gespecialiseerd in strafzaken in fiscale aangelegenheden in de rechtbank van eerste aanleg", gevoegd bij de wet van 3 april 1953 betreffende de rechterlijke inrichting, die effectief het ambt uitoefenen. De cumulatie van deze weddenbijslag met de wedde en de weddenbijslagen bedoeld in artikel 360bis mag 62.905,54 EUR niet overschrijden.]3
  [8 De weddebijslag van 2602,89 euro bedoeld in het eerste lid, 4° en 8°, wordt opgetrokken tot 6544,39 euro indien de aldaar bedoelde substituten en rechters houder zijn van een diploma waaruit een gespecialiseerde opleiding in fiscaliteit blijkt, afgegeven door een Belgische universiteit of, voor zover de opleiding in aanmerking wordt genomen door de benoemings- en aanwijzingscommissie bedoeld in artikel 259bis-8, door een niet-universitaire instelling voor hoger onderwijs.]8 De cumulatie van deze weddenbijslag met de wedde en de weddenbijslagen bedoeld in artikel 360bis mag (62.905,54 EUR) niet overschrijden.) <W 2001-06-15/40, art. 2 en 3, 087; Inwerkingtreding : 01-09-2001> <W 2002-12-27/30, art. 4, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002>
  (De substituut-procureur des Konings, gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden, die aangewezen wordt tot eerste substituut, behoudt onder dezelfde voorwaarden als bepaald in het eerste lid, 4° en het tweede lid, de aldaar bedoelde weddebijslag.) <W 2003-05-03/45, art. 45, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  § 2. ([1 [9 Aan de magistraten van het parket van de procureurs des Konings]9 [2 ...]2 wordt per daadwerkelijk geleverde wachtdienst tijdens de nacht of tijdens de weekends of de feestdagen, voor zover hij op de rol van de wachtprestaties ingeschreven staat, een forfaitaire [9 toelage]9 toegekend van 235,50 euro.]1 [9 ...]9. Deze [9 toelage]9 is betaalbaar twee maal per jaar, op het einde van het eerste en van het derde trimester van het kalenderjaar.
  [1 Onder wachtdienst wordt een doorlopende dienst van twaalf uur verstaan tijdens dewelke betrokkenen bereikbaar en beschikbaar zijn, maar zich ook kunnen verplaatsen om prestaties te verrichten op een werkplaats.]1
  [9 Het maximumbedrag van de toelagen op jaarbasis mag niet hoger zijn dan 4.239 euro. De toelagen kunnen niet gecumuleerd worden met de toelage voor onregelmatige prestaties zoals bedoeld in artikel 47 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.]9
  § 3. Aan de magistraten die worden aangewezen als stagemeester, wordt een premie toegekend van (74,37 EUR) per maand betaalbaar op het einde van het gerechtelijk jaar mits deze functie minimum drie maanden werd uitgeoefend. <KB 2001-07-13/45, art. 1, 088; Inwerkingtreding : 01-01-2002>
  (§ 4. Een premie wordt toegekend aan de magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, voorzover zij benoemd zijn in een rechtscollege waar (ten minste) een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal.
  [8 ...]8
  [8 ...]8
  De premie is uitsluitend verschuldigd wanneer de in het eerste lid bedoelde magistraat zijn ambt daadwerkelijk uitoefent in het rechtscollege waar hij benoemd is of hij een opdracht vervult in een rechtscollege waar (ten minste) een gedeelte van de magistraten krachtens de wetgeving op het gebruik der talen in gerechtszaken het bewijs moet leveren van de kennis van meer dan één landstaal.
  Deze premie wordt eveneens toegekend aan de federale procureur en de federale magistraten die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken. [7 Deze premie wordt eveneens toegekend aan de directeur, aan de adjunct-directeur en aan de verbindingsmagistraten bij het Central Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring die de kennis hebben bewezen van een andere taal dan die waarin zij de examens van het doctoraat of van de licentie in de rechten hebben afgelegd, overeenkomstig artikel 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.]7
  Het maandbedrag van de premie wordt vastgesteld op :
  - 281,98 EUR voor de magistraten die het bewijs geleverd hebben van de actieve en passieve mondelinge en van de actieve en passieve schriftelijke kennis van de andere taal;
  - 216,91 EUR voor de magistraten die het bewijs geleverd hebben van de actieve en passieve mondelinge kennis en van de passieve schriftelijke kennis van de andere taal.
  De premie wordt tegelijk met de wedde vereffend.) <W 2003-04-22/35, art. 2, 109; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
  
Art. 357. <L 1999-04-29/73, art. 3, 072; En vigueur : 01-01-2000> § 1er. Il est alloué :
  1° (...) <L 2004-12-27/31, art. 8, 121; En vigueur : 10-01-2005>
  2° un supplément de traitement de (2 602,89 EUR) aux juges [6 au tribunal de la famille et de la jeunesse pendant la durée de leur fonction au sein des chambres de la jeunesse]6; ce supplément de traitement est réduit de moitié lorsque le dernier supplément de traitement visé à l'article 360bis est alloué; <AR 2001-07-13/45, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-2002>
  3° un supplément de traitement de (4 214,19 EUR) aux juges d'instruction pendant la durée de leurs fonctions en cette qualité; ce supplément de traitement est réduit de moitié lorsque le dernier supplément de traitement visé à l'article 360bis est alloué [5 sans que la rémunération totale puisse être inférieure à celle dont le titulaire de la fonction bénéficiait dans son précédent degré d'ancienneté]5; <AR 2001-07-13/45, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-2002>
  (4° un supplément de traitement de (2 602,89 EUR) aux substituts du procureur du Roi spécialisés en matière fiscale qui exercent réellement les fonctions. Après deux ans d'exercice de ces fonctions, ce supplément de traitement est porté à 6 544,39 EUR. Le cumul de ce supplément de traitement avec le traitement et les suppléments de traitement visés à l'article 360bis ne peuvent excéder (62 905,54 EUR).) <L 2001-06-15/40, art. 2, 087; En vigueur : 01-09-2001> <AR 2001-07-13/45, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-2002> <L 2002-12-27/30, art. 4, 099; En vigueur : 01-10-2002>
  5° un supplément de traitement de (2 602,89 EUR) aux premiers substituts du procureur du Roi portant le titre d'auditeur; ce supplément de traitement est réduit de moitié lorsque le dernier supplément de traitement visé à l'article 360bis est alloué; <AR 2001-07-13/45, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-2002>
  6° [2 ...]2.
  (7° un supplément de traitement de 4.214,19 euros aux juges au tribunal de l'application des peines et aux substituts du procureur du Roi spécialisés en application des peines qui exercent réellement les fonctions. Ce supplément de traitement est réduit de moitié lorsque le dernier supplément de traitement visé à l'article 360bis est alloué [5 sans que la rémunération totale puisse être inférieure à celle dont le titulaire de la fonction bénéficiait dans son précédent degré d'ancienneté]5.) <L 2006-05-17/36, art. 35, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  [3 8° un supplément de traitement de 2.602,89 EUR aux juges visés au tableau "Nombre de juges répressifs spécialisés en matière fiscale dans le tribunal de première instance", annexé à la loi du 3 avril 1953 d'organisation judiciaire, qui exercent réellement les fonctions. Le cumul de ce supplément de traitement avec le traitement et les suppléments de traitement visés à l'article 360bis ne peuvent excéder 62 905,54 EUR.]3
  [8 Le supplément de traitement de 2602,89 euros visé à l'alinéa 1er, 4° et 8°, est porté à 6544,39 euros pour les substituts et les juges y visés qui sont porteurs d'un diplôme attestant une formation spécialisée en fiscalité, délivré par une université belge ou, pour autant que cette formation soit prise en compte par la Commission de nomination et de désignation visée à l'article 259bis-8, par un établissement d'enseignement supérieur non universitaire.]8 Le cumul de ce supplément de traitement avec le traitement et les suppléments de traitement visés à l'article 360bis ne peut excéder 60 486,06 EUR.) <2001-06-15/40, art. 2 et 3, 087; En vigueur : 01-09-2001>
  (Le substitut du procureur du Roi spécialisé en matière fiscale qui est désigné premier substitut conserve le supplément de traitement prévu à l'alinéa 1er, 4°, sous les mêmes conditions que celles qui y sont fixées ainsi qu'à l'alinéa 2.) <L 2003-05-03/45, art. 45, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  § 2. ([1 Une [9 allocation]9 forfaitaire de 235,50 euros par service de garde de nuit, ou pendant les week-ends ou les jours fériés, réellement assumé, est accordée [9 aux magistrats du parquet du procureur du Roi]9 [2 ...]2 pour autant qu'ils soient inscrits au rôle de garde.]1 [9 ...]9. Cette [9 allocation]9 est payable deux fois par an, à la fin du premier et du troisième trimestre de l'année civile.
  [1 Par service de garde, on entend un service continu de douze heures pendant lequel les intéressés sont joignables et disponibles mais peuvent également se déplacer afin d'assurer des prestations sur un lieu de travail.]1
  [9 Le montant maximum des allocations sur une base annuelle ne peut pas être supérieur à 4.239 euros. Les allocations ne peuvent pas être cumulées avec l'allocation pour prestations irrégulières visée à l'article 47 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale.]9
  § 3. Une prime de (74,37 EUR) par mois, payable en fin d'année judiciaire, est accordée aux magistrats désignés comme maître de stage, à condition que cette fonction ait été exercée pendant au moins trois mois. <AR 2001-07-13/45, art. 1, 088; En vigueur : 01-01-2002>
  (§ 4. Une prime est accordée aux magistrats qui ont justifié de la connaissance d'une autre langue que celle dans laquelle ils ont subi les examens du doctorat ou de la licence en droit, conformément à l'article 43quinquies la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, pour autant qu'ils soient nommés dans une juridiction où une partie au moins des magistrats sont, en vertu de la législation sur l'emploi des langues en matière judiciaire, tenus de justifier de la connaissance de plus d'une langue nationale.
  [8 ...]8
  [8 ...]8
  La prime est due pour autant que le magistrat, visé à l'alinéa 1er exerce réellement ses fonctions au sein de la juridiction où il est nommé ou remplit une mission au sein d'une juridiction où une partie au moins des magistrats sont, en vertu de la législation sur l'emploi des langues en matière judiciaire, tenus de justifier de la connaissance de plus d'une langue nationale.
  Cette prime est également allouée au procureur fédéral et aux magistrats fédéraux qui ont justifié de la connaissance d'une autre langue que celle dans laquelle ils ont subi les examens du doctorat ou de la licence en droit, conformément à l'article 43quinquies de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire. [7 La prime sera également accordée au directeur, au directeur adjoint et aux magistrats de liaison de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation qui ont justifié de la connaissance de la langue autre que celle dans laquelle ont été subis les examens du doctorat ou licence en droit en vertu de l'article 43quinquies de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire.]7
  Le montant mensuel de la prime est fixé à :
  - 281,98 EUR pour les magistrats qui ont justifié de la connaissance orale active et passive et de la connaissance écrite active et passive de l'autre langue;
  - 216,91 EUR pour les magistrats qui ont justifié de la connaissance orale active et passive et de la connaissance écrite passive de l'autre langue.
  La prime est liquidée en même temps que le traitement.) <L 2003-04-22/35, art. 2, 109; En vigueur : 01-12-2003>
  
Art. 358. Wanneer de weddebijslag, aan magistraten verleend wegens hun hoedanigheid van (onderzoeksrechter (, [1 rechter in de familie- en jeugdrechtbank tijdens de duur van zijn ambtsuitoefening in de jeugdkamers, rechter in de strafuitvoeringsrechtbank, rechter gespecialiseerd in strafzaken in fiscale aangelegenheden in de rechtbank van eerste aanleg, eerste substituut-procureur des Konings die de titel van auditeur voert, substituut-procureurs des Konings gespecialiseerd in fiscale aangelegenheden en substituut-procureur des Konings gespecialiseerd in strafuitvoeringszaken]1, niet wordt genoten door de titularis, is die bijslag voor de helft verschuldigd aan hem die uit hoofde van zijn ambt de werkzaamheden tijdelijk waarneemt, hetzij wegens openstaan van de plaats, hetzij om een andere reden. <W 1999-04-29/73, art. 4, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2000-07-17/34, art. 12, 080; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2004-12-27/31, art. 9, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005> <W 2006-05-17/36, art. 36, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  
Art. 358. Lorsque le supplément de traitement accordé à des magistrats à raison de leur qualité (de juge d'instruction [1 de juge au tribunal de la famille et de la jeunesse pendant la durée de ses fonctions au sein des chambres de la jeunesse, de juge au tribunal de l'application des peines, de juge répressif spécialisé en matière fiscale au tribunal de première instance, de premier substitut du procureur du Roi portant le titre d'auditeur, de substitut du procureur du Roi spécialisé en matière fiscale et de substitut du procureur du Roi spécialisé en application des peines]1 n'est pas touché par le titulaire, ce supplément est dû pour moitié à celui qui, à titre de son office, en remplit momentanément les fonctions, soit à raison de la vacance de la place, soit pour tout autre motif. <L 1999-04-29/73, art. 4, 072; En vigueur : 01-01-2000> <L 2000-07-17/34, art. 12, 080; En vigueur : 01-01-2000> <L 2004-12-27/31, art. 9, 121; En vigueur : 10-01-2005> <L 2006-05-17/36, art. 36, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  
Art. 359. De magistraat die geroepen wordt om, gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden, een andere magistraat te vervangen die een hogere wedde geniet, ontvangt de helft van het verschil tussen zijn wedde en die welke aan het voorlopig uitgeoefende ambt is verbonden.
  (De in artikel (259quater, § 6, tweede en derde lid), bedoelde vervanger ontvangt het verschil tussen zijn wedde en die welke verbonden is aan het mandaat van korpschef dat hij voorlopig uitoefent tijdens de duur van de vervanging (...).) <W 1998-12-22/47, art. 81, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2006-12-18/37, art. 13, 145; Inwerkingtreding : onbepaald en uiterlijk op : 01-01-2008>
Art. 359. Le magistrat appelé à exercer durant trois mois consécutifs au moins les fonctions d'un autre magistrat qui bénéficie d'un traitement plus élevé, touche la moitié de la différence entre son traitement et celui qui est attaché aux fonctions exercées provisoirement.
  (Le remplaçant visé à l'article (259quater, § 6, alinéas 2 et 3), reçoit la différence entre son traitement et le traitement lié au mandat de chef de corps qu'il exerce provisoirement, pendant la durée du remplacement (...).) <L 1998-12-22/47, art. 81, 067; En vigueur : 02-08-2000> <L 2006-12-18/37, art. 13, 145; En vigueur : indéterminée et au plus tard : 01-01-2008>
Art. 360. <W 2002-12-27/30, art. 5, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002> De wedden [2 van de ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank]2 worden na een periode van drie, zes, negen, twaalf, vijftien en achttien jaren nuttige anciënniteit, verhoogd met een bedrag van 2.283,39 EUR. De wedden van de andere magistraten worden na dezelfde perioden verhoogd met een bedrag van 2.354,45 EUR.
  De verhoging van de wedde toegekend na de periode van vijftien jaren nuttige anciënniteit bedraagt evenwel 3.224,34 EUR voor de rechters in de rechtbank van eerste aanleg, in de arbeidsrechtbank, in de [3 ondernemingsrechtbank]3, [1 ...]1 de substituten-procureur des Konings, de substituten-arbeidsauditeur, [1 ...]1.
  
Art. 360. <L 2002-12-27/30, art. 5, 099; En vigueur : 01-10-2002> Les traitements [2 des vice-présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police, des juges de paix et des juges au tribunal de police]2 sont majorés après une période de trois, six, neuf, douze, quinze et dix-huit années d'ancienneté utile d'un montant de 2.283,39 EUR. Les traitements des autres magistrats sont majorés après les mêmes périodes d'un montant de 2.354,45 EUR.
  La majoration de traitement allouée après la période de quinze années d'ancienneté utile est toutefois portée à 3.224,34 EUR pour les juges au tribunal de première instance, au tribunal du travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, [1 ...]1 les substituts du procureur du Roi, les substituts de l'auditeur du travail [1 ...]1.
  
Art. 360bis. <W 2002-12-27/30, art. 6, 099; Inwerkingtreding : 01-10-2002> Aan de magistraten worden de volgende cumulatieve weddebijslagen toegekend :
Art. 360bis. <L 2002-12-27/30, art. 6, 099; En vigueur : 01-10-2002> Les suppléments de traitements cumulatifs suivants sont accordés aux magistrats :
Aantal jaren nuttige ancienniteitBedrag van de weddebijslag na iedere periode
  
Eenentwintig jaren : 
Advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het1.778,84 EUR
arbeidshof 
[1 Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank, van de [4 ondernemingsrechtbank]4 en voorzitter van de vrederechters en rechters in politierechtbanken waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners telt]12.212,11 EUR
, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die rechtbanken 
[1 Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank, van de [4 ondernemingsrechtbank]4 en voorzitter van vrederechters en rechters in politierechtbanken waarvan het rechtsgebied minder dan 250.000 inwoners telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die rechtbanken, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur]12.146,74 EUR
  
Ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de2.079,00 EUR
arbeidsrechtbank en in de [4 ondernemingsrechtbank]4, 
eerste substituut-procureur des Konings en eerste 
substituut-arbeidsauditeur 
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de3.038,63 EUR
arbeidsrechtbank, in de [4 ondernemingsrechtbank]4, [1 ...]1 
substituut-procureur des Konings, 
substituut-arbeidsauditeur, [1 ...]1 
[1 ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, vrederechter en rechter in de politierechtbank]12.078,98 EUR
De andere magistraten1.765,85 EUR
Vierentwintig jaren : 
Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en procureur-3.423,57 EUR
generaal bij dit Hof 
Voorzitter in het Hof van Cassatie en eerste advocaat-3.246,97 EUR
generaal bij dit Hof 
[3 Sectievoorzitter en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie]32.946,77 EUR
Raadsheer in het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van2.893,81 EUR
het hof van beroep, eerste voorzitter van het arbeidshof 
en procureur-generaal bij het hof van beroep 
Kamervoorzitter in het hof van beroep en in het2.658,37 EUR
arbeidshof, eerste advocaat-generaal bij het hof van 
beroep en bij het arbeidshof 
Advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het2.514,64 EUR
arbeidshof 
Raadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof,4.440,70 EUR
substituut-procureur-generaal bij het hof van beroep en 
substituut-generaal bij het arbeidshof 
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de2.212,11 EUR
arbeidsrechtbank en van de [4 ondernemingsrechtbank]4 
waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners 
telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die 
rechtbanken 
Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de2.146,74 EUR
arbeidsrechtbank en van de [4 ondernemingsrechtbank]4 
waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwoners 
telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die 
rechtbanken 
Ondervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de2.079,00 EUR
arbeidsrechtbank en in de [4 ondernemingsrechtbank]4, 
eerste substituut-procureur des Konings en eerste 
substituut-arbeidsauditeur 
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de3.038,63 EUR
arbeidsrechtbank, in de [4 ondernemingsrechtbank]4, 
[1 ...]1 
substituut-procureur des Konings, 
substituut-arbeidsauditeur, toegevoegd 
substituut-procureur des Konings en toegevoegd 
substituut-arbeidsauditeur 
[1 Ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, vrederechter en rechter in de politierechtbank]12.078,98 EUR
Zevenentwintig jaren : 
Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de3.038,63 EUR
arbeidsrechtbank, in de [4 ondernemingsrechtbank]4, [1 ...]1 
substituut-procureur des Konings, 
substituut-arbeidsauditeur, [1 ...]1 
  
(1)<W 2013-12-01/01, art. 98, 179; Inwerkingtreding :01-04-2014, gewijzigd door W 2014-05-08/02, art. 118, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014 >
(2)<W 2014-04-10/73, art. 41, 187; Inwerkingtreding : 10-01-2005 (zie ook art. 56)>
(3)<W 2016-05-04/03, art. 109, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>
(4)<W 2018-04-15/14, art. 252, 216; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
Aantal jaren nuttige ancienniteitBedrag van de weddebijslag na iedere periodeEenentwintig jaren :Advocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het1.778,84 EURarbeidshof[1 Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank, van de [4 ondernemingsrechtbank]4 en voorzitter van de vrederechters en rechters in politierechtbanken waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwoners telt]12.212,11 EUR, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die rechtbanken[1 Voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de arbeidsrechtbank, van de [4 ondernemingsrechtbank]4 en voorzitter van vrederechters en rechters in politierechtbanken waarvan het rechtsgebied minder dan 250.000 inwoners telt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij die rechtbanken, afdelingsvoorzitter, afdelingsprocureur, afdelingsauditeur]12.146,74 EUROndervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de2.079,00 EURarbeidsrechtbank en in de [4 ondernemingsrechtbank]4,eerste substituut-procureur des Konings en eerstesubstituut-arbeidsauditeurRechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de3.038,63 EURarbeidsrechtbank, in de [4 ondernemingsrechtbank]4, [1 ...]1substituut-procureur des Konings,substituut-arbeidsauditeur, [1 ...]1[1 ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, vrederechter en rechter in de politierechtbank]12.078,98 EURDe andere magistraten1.765,85 EURVierentwintig jaren :Eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en procureur-3.423,57 EURgeneraal bij dit HofVoorzitter in het Hof van Cassatie en eerste advocaat-3.246,97 EURgeneraal bij dit Hof[3 Sectievoorzitter en advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie]32.946,77 EURRaadsheer in het Hof van Cassatie, eerste voorzitter van2.893,81 EURhet hof van beroep, eerste voorzitter van het arbeidshofen procureur-generaal bij het hof van beroepKamervoorzitter in het hof van beroep en in het2.658,37 EURarbeidshof, eerste advocaat-generaal bij het hof vanberoep en bij het arbeidshofAdvocaat-generaal bij het hof van beroep en bij het2.514,64 EURarbeidshofRaadsheer in het hof van beroep en in het arbeidshof,4.440,70 EURsubstituut-procureur-generaal bij het hof van beroep ensubstituut-generaal bij het arbeidshofVoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de2.212,11 EURarbeidsrechtbank en van de [4 ondernemingsrechtbank]4waarvan het rechtsgebied ten minste 250 000 inwonerstelt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij dierechtbankenVoorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, van de2.146,74 EURarbeidsrechtbank en van de [4 ondernemingsrechtbank]4waarvan het rechtsgebied minder dan 250 000 inwonerstelt, procureur des Konings en arbeidsauditeur bij dierechtbankenOndervoorzitter in de rechtbank van eerste aanleg, in de2.079,00 EURarbeidsrechtbank en in de [4 ondernemingsrechtbank]4,eerste substituut-procureur des Konings en eerstesubstituut-arbeidsauditeurRechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de3.038,63 EURarbeidsrechtbank, in de [4 ondernemingsrechtbank]4,[1 ...]1substituut-procureur des Konings,substituut-arbeidsauditeur, toegevoegdsubstituut-procureur des Konings en toegevoegdsubstituut-arbeidsauditeur[1 Ondervoorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, vrederechter en rechter in de politierechtbank]12.078,98 EURZevenentwintig jaren :Rechter in de rechtbank van eerste aanleg, in de3.038,63 EURarbeidsrechtbank, in de [4 ondernemingsrechtbank]4, [1 ...]1substituut-procureur des Konings,substituut-arbeidsauditeur, [1 ...]1(1)<W 2013-12-01/01, art. 98, 179; Inwerkingtreding :01-04-2014, gewijzigd door W 2014-05-08/02, art. 118, 185; Inwerkingtreding : 01-04-2014 >(2)<W 2014-04-10/73, art. 41, 187; Inwerkingtreding : 10-01-2005 (zie ook art. 56)>(3)<W 2016-05-04/03, art. 109, 203; Inwerkingtreding : 23-05-2016>(4)<W 2018-04-15/14, art. 252, 216; Inwerkingtreding : 01-11-2018>
Nombre d'années d'ancienneté utileMontant du supplément de traitement après chaque période
  
Vingt et une années : 
Avocat général près la cour d'appel et près la cour du1.778,84 EUR
travail 
[1 Président du tribunal de première instance, du tribunal du travail, du [3 tribunal de l'entreprise]3 et président des juges de paix et des juges au tribunal de police dont le ressort compte au moins 250 000 habitants]12.212,11 EUR
  
, procureur du Roi et auditeur du travail près ces tribunaux 
[1 Président du tribunal de première instance, du tribunal du travail, du [3 tribunal de l'entreprise]3 et président des juges de paix et des juges au tribunal de police dont le ressort compte moins de 250 000 habitants, procureur du Roi et auditeur du travail près ces tribunaux, président de division, procureur de division et auditeur de division]12.146,74 EUR
  
  
  
Vice-président au tribunal de première instance, au2.079,00 EUR
tribunal du travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, premier 
substitut du procureur du Roi et de l'auditeur du travail 
Juge au tribunal de première instance, au tribunal du3.038,63 EUR
travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, [1 ...]1 
substitut du procureur du Roi, substitut 
de l'auditeur du travail, [1 ...]1 
[1 vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, juge de paix et juge au tribunal de police]12.078,98 EUR
Les autres magistrats1.765,85 EUR
Vingt-quatre années : 
Premier président de la Cour de cassation et procureur3.423,57 EUR
général près cette Cour 
Président à la Cour de cassation et premier avocat général3.246,97 EUR
près cette Cour 
[2 Président de section et avocat général près la Cour de cassation]22.946,77 EUR
Conseiller à la Cour de cassation, premier président de la2.893,81 EUR
cour d'appel, premier président de la cour du travail et 
procureur général près la cour d'appel 
Président de chambre à la cour d'appel et à la cour du2.658,37 EUR
travail, premier avocat général près la cour d'appel et 
près la cour du travail 
Avocat général près la cour d'appel et près la cour du2.514,64 EUR
travail 
Conseiller à la Cour d'appel et à la cour du travail,4.440,70 EUR
substitut du procureur général près la cour d'appel et 
substitut général près la cour du travail 
Président du tribunal de première instance, du tribunal du2.212,11 EUR
travail et du [3 tribunal de l'entreprise]3 dont le ressort compte 
au moins 250 000 habitants, procureur du Roi et auditeur 
du travail près ces tribunaux 
Président du tribunal de première instance, du tribunal du2.146,74 EUR
travail et du [3 tribunal de l'entreprise]3 dont le ressort compte 
moins de 250 000 habitants, procureur du Roi et auditeur 
du travail près ces tribunaux 
Vice-président au tribunal de première instance, au2.079,00 EUR
tribunal du travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, premier 
substitut du procureur du Roi et de l'auditeur du travail 
Juge au tribunal de première instance, au tribunal du3.038,63 EUR
travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, [1 ...]1 
substitut du procureur du Roi, substitut du procureur du Roi, substitut de l'auditeur du travail, 
[1 ...]1 
[1 vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, juge de paix et juge au tribunal de police ]12.078,98 EUR
Vingt sept années : 
Juge au tribunal de première instance, au tribunal du3.038,63 EUR
travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3 [1 ...]1 
, substitut du procureur du Roi, substitut 
de l'auditeur du travail, [1 ...]1 
  
(1)<L 2013-12-01/01, art. 98, 179; En vigueur : 01-04-2014, modifié par L 2014-05-08/02, art. 118, 185; En vigueur : 01-04-2014>
(2)<L 2014-04-10/73, art. 41, 187; En vigueur : 10-01-2005 (voir également l'art. 56)>
(3)<L 2018-04-15/14, art. 252, 216; En vigueur : 01-11-2018>
Nombre d'années d'ancienneté utileMontant du supplément de traitement après chaque périodeVingt et une années :Avocat général près la cour d'appel et près la cour du1.778,84 EURtravail[1 Président du tribunal de première instance, du tribunal du travail, du [3 tribunal de l'entreprise]3 et président des juges de paix et des juges au tribunal de police dont le ressort compte au moins 250 000 habitants]12.212,11 EUR, procureur du Roi et auditeur du travail près ces tribunaux[1 Président du tribunal de première instance, du tribunal du travail, du [3 tribunal de l'entreprise]3 et président des juges de paix et des juges au tribunal de police dont le ressort compte moins de 250 000 habitants, procureur du Roi et auditeur du travail près ces tribunaux, président de division, procureur de division et auditeur de division]12.146,74 EURVice-président au tribunal de première instance, au2.079,00 EURtribunal du travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, premiersubstitut du procureur du Roi et de l'auditeur du travailJuge au tribunal de première instance, au tribunal du3.038,63 EURtravail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, [1 ...]1substitut du procureur du Roi, substitutde l'auditeur du travail, [1 ...]1[1 vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, juge de paix et juge au tribunal de police]12.078,98 EURLes autres magistrats1.765,85 EURVingt-quatre années :Premier président de la Cour de cassation et procureur3.423,57 EURgénéral près cette CourPrésident à la Cour de cassation et premier avocat général3.246,97 EURprès cette Cour[2 Président de section et avocat général près la Cour de cassation]22.946,77 EURConseiller à la Cour de cassation, premier président de la2.893,81 EURcour d'appel, premier président de la cour du travail etprocureur général près la cour d'appelPrésident de chambre à la cour d'appel et à la cour du2.658,37 EURtravail, premier avocat général près la cour d'appel etprès la cour du travailAvocat général près la cour d'appel et près la cour du2.514,64 EURtravailConseiller à la Cour d'appel et à la cour du travail,4.440,70 EURsubstitut du procureur général près la cour d'appel etsubstitut général près la cour du travailPrésident du tribunal de première instance, du tribunal du2.212,11 EURtravail et du [3 tribunal de l'entreprise]3 dont le ressort compteau moins 250 000 habitants, procureur du Roi et auditeurdu travail près ces tribunauxPrésident du tribunal de première instance, du tribunal du2.146,74 EURtravail et du [3 tribunal de l'entreprise]3 dont le ressort comptemoins de 250 000 habitants, procureur du Roi et auditeurdu travail près ces tribunauxVice-président au tribunal de première instance, au2.079,00 EURtribunal du travail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, premiersubstitut du procureur du Roi et de l'auditeur du travailJuge au tribunal de première instance, au tribunal du3.038,63 EURtravail et au [3 tribunal de l'entreprise]3, [1 ...]1substitut du procureur du Roi, substitut du procureur du Roi, substitut de l'auditeur du travail,[1 ...]1[1 vice-président des juges de paix et des juges au tribunal de police, juge de paix et juge au tribunal de police ]12.078,98 EURVingt sept années :Juge au tribunal de première instance, au tribunal du3.038,63 EURtravail et au [3 tribunal de l'entreprise]3 [1 ...]1, substitut du procureur du Roi, substitutde l'auditeur du travail, [1 ...]1(1)<L 2013-12-01/01, art. 98, 179; En vigueur : 01-04-2014, modifié par L 2014-05-08/02, art. 118, 185; En vigueur : 01-04-2014>(2)<L 2014-04-10/73, art. 41, 187; En vigueur : 10-01-2005 (voir également l'art. 56)>(3)<L 2018-04-15/14, art. 252, 216; En vigueur : 01-11-2018>
Art. 360ter. (nieuwe) <INGEVOEGD bij W 2002-12-27/30, art. 7; Inwerkingtreding : 01-10-2002> Voor het vaststellen van de nuttige anciënniteit bedoeld in de artikelen 360 en 360bis, worden in aanmerking genomen :
  1° de periode gedurende dewelke een ambt als werkend magistraat of als magistraat- plaatsvervanger is uitgeoefend en waarvoor een wedde of een vergoeding is toegekend;
  2° de prestaties bedoeld in artikel 365, § 2.
  Bij elke benoeming of aanwijzing, wordt de wedde van de magistraat vastgesteld overenkomstig de geldelijke loopbaan verbonden aan de nieuwe uitgeoefende functies, zoals bepaald door de artikelen 355, 360 en 360bis, in functie van de nuttige anciënniteit bereikt op het ogenblik van die benoeming of die aanwijzing.
  De weddeverhogingen bedoeld in artikel 360 en de weddebijslagen bedoeld in artikel 360bis gaan in op de eerste dag van de maand die volgt op die waarin de nuttige anciënniteit wordt verworven.
  De tijd dat de belanghebbende zijn wedde niet heeft genoten, wordt niet meegerekend.
Art. 360ter. (nouveau) Pour la fixation de l'ancienneté utile visée aux articles 360 et 360bis, sont prises en considération :
  1° la période durant laquelle une fonction de magistrat effectif ou de magistrat suppléant a été exercée et pour laquelle un traitement ou une indemnité a été accordé;
  2° les prestations visées à l'article 365, § 2.
  A chaque nomination ou désignation, le traitement du magistrat est établi conformément à la carrière pécuniaire attachée aux nouvelles fonctions exercées, telle que déterminée par les articles 355, 360 et 360bis, en fonction de l'ancienneté utile atteinte au moment de cette nomination ou de cette désignation.
  Les majorations de traitement visées à l'article 360 et les suppléments de traitement visés à l'article 360bis prennent cours au premier jour du mois qui suit celui durant lequel l'ancienneté utile est atteinte.
  Il n'est pas tenu compte du temps pendant lequel l'intéressé n'a pas joui de son traitement.
Art. 360quater. (oude 360ter) <INGEVOEGD bij W 1998-12-22/47, art. 82, Inwerkingtreding : 02-08-2000> Indien een magistraat bij een periodieke evaluatie de beoordeling "onvoldoende" heeft verkregen, leidt dit gedurende zes maanden tot de inhouding van de laatste driejaarlijkse verhoging bedoeld in de artikelen 360 en 360bis, dit onverminderd de tuchtrechtelijke gevolgen.
  In geval van een beoordeling "onvoldoende" wordt de betrokken magistraat opnieuw geëvalueerd na verloop van zes maanden. Leidt dit niet tot ten minste een beoordeling "goed", dan is het eerste lid opnieuw van toepassing.
Art. 360quater. (anc. 360ter) Si, lors d'une évaluation périodique, un magistrat a obtenu la mention " insuffisant ", celle-ci entraîne la perte pendant six mois, de la dernière majoration triennale visée aux articles 360 et 360bis, sans préjudice des conséquences sur le plan disciplinaire.
  En cas de mention " insuffisant ", le magistrat concerné fait l'objet d'une nouvelle évaluation après un délai de six mois. S'il n'obtient pas au moins la mention " bon ", l'alinéa premier est à nouveau d'application.
Art. 361. Indien een magistraat die opgehouden heeft zijn ambt uit te oefenen, wordt hersteld of opnieuw benoemd in het ambt dat hij niet verder had uitgeoefend en hij overeenkomstig artikel 315 gemachtigd wordt om op de ranglijsten, voorgeschreven bij de artikelen 310, 311 en 312, de plaats in te nemen die hij zou hebben bekleed indien hij zijn ambt niet had neergelegd, worden de anciënniteitsverhogingen berekend alsof hij nooit had opgehouden zijn ambt uit te oefenen.
  Hetzelfde geldt voor de magistraat die, bij zijn terugkeer in de gerechtelijke orde, benoemd wordt tot een gelijk of een hoger ambt.
Art. 361. Lorsqu'un magistrat, après avoir cessé d'exercer ses fonctions, a été soit réintégré, soit nommé à nouveau à la fonction qu'il avait cessé d'exercer et a été autorisé conformément à l'article 315 à reprendre sur les listes de rang prévues aux articles 310, 311 et 312 la place qu'il y aurait occupée s'il ne les avait pas quittées, les majorations d'ancienneté sont calculées comme s'il n'avait jamais cessé d'exercer lesdites fonctions.
  Il en sera de même en faveur du magistrat qui, à son retour dans l'ordre judiciaire, aura été nommé à des fonctions égales ou supérieures.
Art. 362. <W 02-08-1974, art. 4> De wedden, de weddebijslagen en de verhogingen wegens anciënniteit van de magistraten worden gekoppeld aan de mobiliteitsregeling toepasselijk op de bezoldiging van het Rijkspersoneel in actieve dienst.
  (Het eerste lid is eveneens van toepassing op de premies bedoeld in artikel 357, (§§ 2 tot 4).) <W 1999-04-29/73, art. 7, 072; Inwerkingtreding : 01-01-2000> <W 2003-04-22/35, art. 3, 109; Inwerkingtreding : 01-12-2003>
Art. 362. <L 02-08-1974, art. 4> Les traitements, les suppléments de traitements et majorations d'ancienneté des magistrats sont liés au régime de mobilité applicable aux rétributions des agents de l'Etat en activité de service.
  (L'alinéa premier s'applique également aux primes visées à l'article 357, (§§ 2 à 4).) <L 1999-04-29/73, art. 7, 072; En vigueur : 01-01-2000><L 2003-04-22/35, art. 3, 109; En vigueur : 01-12-2003>
Art. 363. De magistraten van de rechterlijke orde komen in aanmerking voor het kraamgeld en de kinderbijslagen, aan de bestuursambtenaren toegekend. De andere bij de wedde komende toelagen, vergoedingen en uitkeringen, aan de bestuursambtenaren toegekend, worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden verleend aan de magistraten van de rechterlijke orde.
  ([1 ...]1. (Magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, tweede lid, belast zijn met een opdracht, behouden hun administratieve standplaats in het rechtscollege waar zij zijn benoemd.)) <W 1998-02-10/32, art. 22, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder ook het voordeel van de bepalingen betreffende de vergoeding van de kosten van dokter, chirurg, apotheker, ziekenhuis, prothese en orthopedie, voortspruitend uit arbeidsongevallen overkomen in dienst of op de weg naar of van het werk, wordt uitgebreid tot de magistraten van de rechterlijke orde.
  [2 De Koning regelt de rechtshulp aan de magistraten van de rechterlijke orde, de [3 de raadsheren in sociale zaken, de rechters in sociale zaken, de rechters in handelszaken en de assessoren [4 in de strafuitvoeringsrechtbank]4]3 alsook de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade.]2
  
Art. 363. Les magistrats de l'ordre judiciaire reçoivent l'indemnité de naissance et les allocations familiales allouées aux fonctionnaires de l'ordre administratif. Les autres allocations, indemnités et rétributions complémentaires de traitement qui sont attribuées aux fonctionnaires de l'ordre administratif, sont accordées dans la même mesure et dans les mêmes conditions aux magistrats de l'ordre judiciaire.
  [1 ...]1 (Les magistrats chargés d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéa 2, conservent leur résidence administrative dans la juridiction où ils sont nommés.) <L 1998-02-10/32, art. 22, 057; En vigueur : 02-03-1998> <L 2001-06-21/42, art. 50, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  Le Roi détermine les conditions dans lesquelles le bénéfice des dispositions relatives à l'indemnisation des frais médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques, hospitaliers, de prothèse et d'orthopédie résultant d'accidents survenus en service ou sur le chemin du travail est étendu aux magistrats de l'ordre judiciaire.
  [2 Le Roi détermine l'assistance en justice des magistrats de l'ordre judiciaire,[3 des conseillers sociaux, des juges sociaux, des juges consulaires et des assesseurs [4 au tribunal de l'application des peines]4]3 ainsi que l'indemnisation des dommages aux biens encourus par eux.]2
  
Art. 363_VLAAMS_GEWEST.    [5 ...]5. De [5 ...]5 bij de wedde komende toelagen, vergoedingen en uitkeringen, aan de bestuursambtenaren toegekend, worden in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden verleend aan de magistraten van de rechterlijke orde.
  ([1 ...]1. (Magistraten die met toepassing van artikel 144bis, § 3, tweede lid, belast zijn met een opdracht, behouden hun administratieve standplaats in het rechtscollege waar zij zijn benoemd.)) <W 1998-02-10/32, art. 22, 057; Inwerkingtreding : 02-03-1998>
  De Koning bepaalt de voorwaarden waaronder ook het voordeel van de bepalingen betreffende de vergoeding van de kosten van dokter, chirurg, apotheker, ziekenhuis, prothese en orthopedie, voortspruitend uit arbeidsongevallen overkomen in dienst of op de weg naar of van het werk, wordt uitgebreid tot de magistraten van de rechterlijke orde.
  [2 De Koning regelt de rechtshulp aan de magistraten van de rechterlijke orde, de [3 de raadsheren in sociale zaken, de rechters in sociale zaken, de rechters in handelszaken en de assessoren [4 in de strafuitvoeringsrechtbank]4]3 alsook de schadeloosstelling van de door hen opgelopen zaakschade.]2
Art. 363 _REGION_FLAMANDE.
   [5 ...]5. Les [5 ...]5 allocations, indemnités et rétributions complémentaires de traitement qui sont attribuées aux fonctionnaires de l'ordre administratif, sont accordées dans la même mesure et dans les mêmes conditions aux magistrats de l'ordre judiciaire.
  [1 ...]1 (Les magistrats chargés d'une mission en application de l'article 144bis, § 3, alinéa 2, conservent leur résidence administrative dans la juridiction où ils sont nommés.) <L 1998-02-10/32, art. 22, 057; En vigueur : 02-03-1998> <L 2001-06-21/42, art. 50, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  Le Roi détermine les conditions dans lesquelles le bénéfice des dispositions relatives à l'indemnisation des frais médicaux, chirurgicaux, pharmaceutiques, hospitaliers, de prothèse et d'orthopédie résultant d'accidents survenus en service ou sur le chemin du travail est étendu aux magistrats de l'ordre judiciaire.
  [2 Le Roi détermine l'assistance en justice des magistrats de l'ordre judiciaire,[3 des conseillers sociaux, des juges sociaux, des juges consulaires et des assesseurs [4 au tribunal de l'application des peines]4]3 ainsi que l'indemnisation des dommages aux biens encourus par eux.]2
Art. 363bis. [1 De Koning kan een vergoeding wegens opdracht, een postvergoeding en de nadere regels van de opdrachten bedoeld in de artikelen 308, [3 309/1,]3 309bis, [2 309ter,]2 323bis en 327 vaststellen.]1
  
Art. 363bis. [1 Le Roi peut fixer une indemnité de mission, une indemnité de poste ainsi que les modalités des missions visées aux articles 308, [3 309/1,]3 309bis, [2 309ter,]2 323bis et 327.]1
  
Art. 364. (Lid 1 opgeheven) <W 2001-06-15/31, art. 7, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
  De magistraten die gelijktijdig bij meer dan een gerecht worden (benoemd of aangewezen), ontvangen de wedde die wordt toegekend aan de magistraten van de rechtbanken waarvan het rechtsgebied meer dan (tweehonderdvijftigduizend inwoners) heeft, voor zover de arrondissementen waarvoor zij dienst doen, samen dat getal inwoners hebben. <W 1998-12-22/47, art. 83, 067; Inwerkingtreding : 02-08-2000> <W 2001-06-15/31, art. 7, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 364. (Abrogé) <L 2001-06-15/31, art. 7, 084; En vigueur : 01-09-2001>
  Les magistrats qui sont (nommés ou désignés) simultanément à plusieurs sièges reçoivent le traitement attribué aux magistrats des tribunaux dont le ressort compte plus de (deux cent cinquante mille habitants), pour autant que le nombre d'habitants des arrondissements réunis qu'ils desservent atteigne ce chiffre. <L 1998-12-22/47, art. 83, 067; En vigueur : 02-08-2000> <L 2001-06-15/31, art. 7, 084; En vigueur : 01-01-2000>
Art. 365. § 1. De wedde van de magistraat die op het tijdstip van zijn eerste benoeming een vast, door de Staat bezoldigd ambt of een vast ambt in een openbare instelling bedoeld in de wet van 16 maart 1954 betreffende het toezicht op sommige instellingen van openbaar nut bekleedt, mag niet lager zijn dan de wedde die hij in dat ambt werkelijk ontving.
  De ontvangen wedde wordt echter afgerond op het bedrag van de wedde die, berekend volgens de voorschriften van de regeling voor de magistraten, onmiddellijk hoger ligt.
  Deze wedde verleent aan de betrokkene, voor de berekening van zijn bezoldigingen, de ancïenniteit die aan de aldus vastgestelde wedde verbonden is.
  § 2. (Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking:
  a) (de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten;) <W 2004-12-27/31, art. 10, 121; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  b) de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit;
  c) de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State als lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau;
  d) onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1, de duur van de diensten die volgens de bezoldigingsregeling van het personeel der ministeries in aanmerking kunnen worden genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van de ambtenaren van niveau 1 en dit volgens dezelfde regels.
  Indien sommige van die ambten gelijktijdig werden uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd.
  Indien sommige van die ambten achtereenvolgens werden uitgeoefend, wordt de duur van die uitoefening samengesteld. De overblijvende diensten worden gevaloriseerd naar het belang dat eraan wordt toegekend in de categorie waartoe zij behoren.) <W 2 augustus 1974, art. 5>
  (Onder voorbehoud van de toepassing van de bepaling van punt a), komt echter de als benoemingsvoorwaarde vereiste ervaring in de privé-sector of als zelfstandige, slechts in aanmerking voor een maximumduur van zes jaar vanaf 1 januari 2003.) <W 2002-12-27/30, art. 8, 099; Inwerkingtreding : 01-05-2001>
  (Bij arrest nr 116/2004 van 30 juni 2004 (B.St. 14.07.2004, p. 55393), heeft het Arbitragehof artikel 365, § 2, eerste lid, littera d, vernietigd (op 01-05-2001), wat de wedden van de magistraten van de Rechterlijke Orde betreft, van het Gerechtelijk Wetboek ", in zoverre met verwijzing naar littera a) de eerste vier jaren van inschrijving bij de balie voor de berekening van de geldelijke anciënniteit van magistraten niet in aanmerking komen.)
Art. 365. § 1er. Le traitement du magistrat qui, au moment de sa première nomination, occupe une fonction permanente dans un service de l'Etat, rétribuée par celui-ci ou dans l'un des organismes prévus par la loi du 16 mars 1954, relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, ne peut être inférieur au traitement dont il bénéficiait dans cette fonction.
  Le traitement perçu est toutefois arrondi au taux de celui qui, calculé selon les prescriptions du régime des magistrats, lui est immédiatement supérieur.
  Ce traitement confère à l'intéresse pour le calcul de ses rétributions l'ancienneté attachée au traitement ainsi fixé.
  § 2. (Entrent en compte pour le calcul de ancienneté :
  a) (le temps de l'inscription au barreau, ainsi que l'exercice de la charge de notaire par un docteur, un licencié ou un master en droit;) <L 2004-12-27/31, art. 10, 121; En vigueur : 01-01-2003>
  b) le temps consacré à l'enseignement du droit dans une université belge;
  c) la durée des fonctions exercées au Conseil d'Etat en qualité de membre du Conseil d'Etat, de l'auditorat ou du bureau de coordination;
  d) sans préjudice de l'application des dispositions du § 1er, la durée des services rendus qui dans le statut pécuniaire du personnel des ministères peuvent entrer en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire des fonctionnaires appartenant au niveau 1 et ce selon les mêmes modalités.
  Au cas où certaines de ces professions auraient été exercées en même temps, le cumul de celles-ci n'est pas autorisé pour le calcul des majorations de traitement.
  Au cas où certaines de ces professions auraient été exercées successivement, les temps d'exercice sont additionnés. Les services restant sont valorisés d'après l'importance qui leur est reconnue pour la catégorie à laquelle ils appartiennent.) <L 02-08-1974, art. 5>
  (Sous réserve de l'application des dispositions du point a), l'expérience dans le secteur privé ou en tant qu'indépendant, exigée comme condition de nomination, n'est toutefois prise en considération que pour un durée maximale de six ans à partir du 1er janvier 2003.) <L 2002-12-27/30, art. 8, 099; En vigueur : 01-05-2001>
  (NOTE : par son arrêt n° 116/2004 du 30-06-2004 (M.B. 14-07-2004, p. 55398),(au : 01-05-2001) la Cour d'Arbitrage a annulé l'article 365, § 2, alinéa 1er, littera d), en ce qui concerne les traitements des magistrats de l'Ordre judiciaire ", en ce que, cet article se référant au littera a), les quatre premières années d'inscription au barreau ne sont pas prises en compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire des magistrats)
HOOFDSTUK Ibis. - (Wedden van de referendarissen bij het Hof van Cassatie).
CHAPITRE IBIS. - Des traitements des référendaires près la Cour de cassation.
Art. 365bis. <INGEVOEGD bij W 1997-05-06/38, art. 18, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De wedden van de referendarissen bij het Hof van Cassatie worden bepaald als volgt :
  - gedurende de stage van drie jaar bedoeld in artikel 259ter is de wedde van de referendaris dezelfde als die van een substituut-procureur des Konings overeenkomstig artikel 355;
  - gedurende de tien daaropvolgende jaren is de wedde van de referendaris dezelfde als de wedde van een substituut-procureur-generaal en een substituut-generaal bij het hof van beroep overeenkomstig artikel 355;
  - na het dertiende jaar is de wedde van de referendaris dezelfde als die van een advocaat-generaal bij het hof van beroep of bij het arbeidshof.
  De artikelen 360, 361, 362, 363, 365 en 377 van dit Wetboek zijn mede van toepassing op de referendarissen.
Art. 365bis. Les traitements des référendaires près la Cour de cassation sont fixés comme suit :
  - pendant la période de stage de trois ans visée à l'article 259ter, le traitement du référendaire est identique au traitement d'un substitut du procureur du Roi conformément à l'article 355;
  - pendant les dix années suivantes le traitement du référendaire est identique au traitement d'un substitut du procureur général et d'un substitut général près la cour d'appel conformément à l'article 355;
  - à l'expiration de la treizième année, son traitement est identique au traitement d'un avocat général près la cour d'appel ou près la cour du travail.
  Les articles 360, 361, 362, 363, 365 et 377 du présent Code sont applicables aux référendaires.
HOOFDSTUK Iter. (...).
CHAPITRE ITER. - (...).
HOOFDSTUK II. - (Wedden en weddenbijslagen van het niveau A, de griffiers en de secretarissen)
CHAPITRE II. - (Des traitements et suppléments de traitement du niveau A, des greffiers et des secrétaires.)
Afdeling I. - Algemene bepalingen.
Section première. - Dispositions générales.
Art. 366. <W 2007-04-25/64, art. 128, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. De [2 artikelen 363 en 365, § 1,]2 zijn van toepassing op de wedden, weddenbijslagen en anciënniteitsverhogingen van het gerechtspersoneel.
  [2 § 1bis. De geldelijke anciënniteit bestaat uit twee componenten :
   1° deze die is erkend als verworven bij de indiensttreding en die wordt berekend overeenkomstig §§ 2, 3 en 4;
   2° deze die wordt verworven als personeelslid na de indiensttreding en die wordt berekend overeenkomstig §§ 2, 5 en 6.
   Elke nieuwe indiensttreding als personeelslid brengt een nieuwe berekening van de eerste component mee. Dit lid is ook van toepassing op het personeelslid dat op grond van een arbeidsovereenkomst is aangeworven en een nieuwe arbeidsovereenkomst krijgt.]2

  § 2. Voor de berekening van de anciënniteit komen in aanmerking :
  1° de periode gedurende dewelke [1 ...]1 een ambt in een hof of een rechtbank is uitgeoefend;
  2° de tijd van inschrijving bij de balie, evenals de uitoefening van het ambt van notaris door een doctor, licentiaat of master in de rechten;
  3° de tijd besteed aan onderwijs van het recht aan een Belgische universiteit;
  4° de tijd van ambtsvervulling bij de Raad van State, als lid van de Raad van State, van het auditoraat of van het coördinatiebureau;
  5° onverminderd de toepassing van de bepalingen van artikel 365, § 1 :
  - de duur van de diensten verricht vanaf de leeftijd van 21 jaar in een Rijksdienst en in een dienst van Afrika.
  - de duur van de werkelijke diensten met volledige prestaties vanaf de leeftijd van 21 jaar verricht in andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika of als titularis van een ambt bezoldigd door middel van een weddetoelage in een gesubsidieerde vrije onderwijsinrichting.
  Ingeval sommige van die ambten gelijktijdig zijn uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddeverhogingen niet geoorloofd.
  De uitdrukking " Rijksdienst " bedoelt elke dienst die afhangt van de wetgevende, de uitvoerende of de rechterlijke macht en die niet de staat van rechtspersoon heeft.
  De uitdrukking " dienst van Afrika " bedoelt elke dienst zonder rechtspersoonlijkheid die afhing van het gouvernement van Belgisch-Kongo of van het gouvernement van Ruanda-Urundi.
  De uitdrukking " andere openbare diensten dan de diensten van de Staat en de diensten van Afrika " bedoelt :
  a) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteert onder de uitvoerende macht;
  b) elke dienst met rechtspersoonlijkheid die ressorteerde onder het gouvernement van Belgisch-Kongo of onder het gouvernement van Ruanda-Urundi;
  c) elke gemeente- of provinciedienst;
  d) elke andere instelling naar Belgisch recht, die voldoet aan collectieve noodwendigheden van lokaal of algemeen belang, en aan welker oprichting of bijzondere leiding de openbare overheid klaarblijkelijk een overwegend aandeel heeft, alsook elke andere instelling van koloniaal recht die beantwoordde aan dezelfde voorwaarden.
  6° [2 Onverminderd de toepassing van de bepalingen van § 1, worden ook in aanmerking genomen voor de berekening van de geldelijke anciënniteit de diensten [3 bedoeld in artikel 12, eerste tot zesde lid, en achtste lid,]3 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. Voor de toepassing van dit artikel, worden de woorden "leidend ambtenaar of zijn afgevaardigde" vervangen door de woorden "voorzitter van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie of zijn afgevaardigde.]2
  Indien sommige van die ambten gelijktijdig werden uitgeoefend, is de samenvoeging daarvan voor de berekening van de weddenverhogingen niet geoorloofd.
  Indien sommige van die ambten achtereenvolgens werden uitgeoefend, wordt de duur van die uitoefening samengeteld. De overblijvende diensten worden gevaloriseerd naar het belang dat eraan wordt toegekend in de categorie waartoe zij behoren.
  [2 § 3. De berekening van diensten die overeenkomstig § 2 in aanmerking worden genomen, gebeurt overeenkomstig artikel 11, §§ 2 tot 7 van het koninklijk besluit van 25 oktober 2013 betreffende de geldelijke loopbaan van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt.
   § 4. Voor de berekening van de anciënniteit van het contractuele personeelslid komen de diensten bedoeld in § 2 in aanmerking. Ze worden berekend overeenkomstig § 3.
   § 5. Indien het personeelslid, zelfs bij verminderde prestaties voor persoonlijke aangelegenheden, in dienstactiviteit of in disponibiliteit is, evolueert de geldelijke anciënniteit per volledige maand.
   De geldelijke anciënniteit verworven na de indiensttreding evolueert per volledige maand. De onvolledige maanden worden niet in aanmerking genomen.
   De geldelijke anciënniteit wordt met een derde verminderd wanneer het personeelslid van niveau B of C tot het niveau A wordt bevorderd. Het resultaat wordt uitgedrukt in maanden en wordt naar boven afgerond naar het hoger geheel getal. In voorkomend geval wordt de geldelijke anciënniteit gecorrigeerd om het effect van een eerdere toepassing van de leeftijdsklassen die gelijk is aan die bepaald in het geldelijke statuut van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt op te heffen.
   De vermindering wordt evenwel tot twee jaar beperkt voor de diensten gepresteerd in een functie van niveau B en tot 5 jaar voor de diensten gepresteerd in een functie van de niveaus C en D. Deze regel kan niet ertoe leiden dat een totale vermindering van meer dan vijf jaar opgelegd wordt.
   De vermindering wordt bovendien beperkt zodat de bevordering tot niveau A een jaarlijkse weddeverhoging waarborgt van ten minste 1.094 euro.
   § 6. Voor het contractuele personeelslid evolueert de geldelijke anciënniteit per volledige maand indien hij daadwerkelijk zijn arbeidsovereenkomst uitvoert.
   De geldelijke anciënniteit verworven na de indiensttreding evolueert per volledige maand. De onvolledige maanden worden niet in aanmerking genomen.
   In afwijking van het eerste lid evolueert de geldelijke anciënniteit, zelfs in geval van schorsing van de arbeidsovereenkomst :
   1° indien het contractuele personeelslid bezoldigd blijft door de Federale Overheidsdienst Justitie;
   2° indien het contractuele personeelslid geniet van moederschapsverlof of loopbaanonderbreking, bedoeld in artikelen 42 en 43 van de arbeidswet van 16 maart 1971 of artikel 18, tweede lid, van de wet van 14 december 2000 tot vaststelling van sommige aspecten van de organisatie van de arbeidstijd in de openbare sector;
   3° indien het contractuele personeelslid onbetaald ouderschapsverlof, toegekend door het koninklijk besluit van 16 maart 2001 betreffende de verloven en de afwezigheden toegestaan aan sommige personeelsleden van de diensten die de rechterlijke macht terzijde staan, alsook onbetaald ouderschapsverlof, toegekend in het kader van de loopbaanonderbreking, geniet;
   4° indien het contractuele personeelslid in georganiseerde werkonderbreking is;
   5° indien het contractuele personeelslid het verlof om dwingende reden geniet dat is ingesteld door het koninklijk besluit van 11 oktober 1991 tot vaststelling van de nadere regelen voor de uitoefening van het recht op een verlof om dwingende reden.]2

  
Art. 366. <L 2007-04-25/64, art. 128, 154; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Les [2 363 et 365, § 1er,]2, s'appliquent aux traitements, suppléments de traitement et majorations d'ancienneté du personnel judiciaire.
  [2 § 1erbis. L'ancienneté pécuniaire est constituée de deux composantes :
   1° celle qui est reconnue comme acquise lors de l'entrée en service et qui est calculée conformément aux §§ 2, 3 et 4;
   2° celle qui est acquise en tant que membre du personnel après l'entrée en service et qui est calculée conformément aux §§ 2, 5 et 6.
   Toute nouvelle entrée en service comme membre du personnel entraîne un nouveau calcul de la première composante. Cet alinéa s'applique aussi au membre du personnel engagé dans les liens d'un contrat de travail qui obtient un nouveau contrat de travail.]2

  § 2. Entrent en compte pour le calcul de l'ancienneté :
  1° la période durant laquelle [1 ...]1 une fonction a été exercée dans une cour ou un tribunal;
  2° le temps de l'inscription au barreau, ainsi que l'exercice de la charge de notaire par un docteur, un licencié ou un master en droit;
  3° le temps consacré à l'enseignement du droit dans une université belge;
  4° la durée des fonctions exercées au Conseil d'Etat en qualité de membre du Conseil d'Etat, de l'auditorat ou du bureau de coordination;
  5° sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 365, § 1er :
  - la durée des services rendus à partir de l'age de 21 ans dans les services de l'Etat et les services d'Afrique;
  - la durée des services effectifs à prestations complètes rendus à partir de l'âge de 21 ans dans les services publics autres que les services de l'Etat et les services d'Afrique ou comme titulaire d'une fonction rémunérée par une subvention-traitement dans un établissement d'enseignement libre subventionné.
  Au cas où certaines de ces professions auraient été exercées en même temps, le cumul de celles-ci n'est pas autorisé pour le calcul des majorations de traitement.
  L'expression " services de l'Etat " désigne tout service relevant du pouvoir législatif, du pouvoir exécutif ou du pouvoir judiciaire et qui n'est pas constitué en personne juridique.
  L'expression " services d'Afrique " désigne tout service qui relevait du gouvernement du Congo belge ou du gouvernement du Ruanda-Urundi et qui n'était pas constitué en personne juridique.
  L'expression " services publics autres que les services de l'Etat et les services d'Afrique " désigne :
  a) tout service relevant du pouvoir exécutif et constitué en personnalité juridique;
  b) tout service qui relevait du gouvernement du Congo belge ou du gouvernement du Ruanda-Urundi et était constitué en personnalité juridique;
  c) tout service communal ou provincial;
  d) toute autre institution de droit belge, qui répond à des besoins collectifs d'intérêt local ou général et dans la création ou la direction particulière de laquelle se constate la prépondérance de l'autorité publique, ainsi que toute autre institution de droit colonial qui répondait aux mêmes conditions.
  6° [2 Sans préjudice de l'application des dispositions du § 1er, entrent également en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté pécuniaire [3 les services visés à l'article 12, alinéas 1 à 6, et 8,]3 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale. Pour l'application de cet article, les mots "fonctionnaire dirigeant ou son délégué" sont remplacés par les mots "président du comité de direction du Service Public Fédéral Justice ou son délégué.]2
  Au cas où certaines de ces professions auraient été exercées en même temps, le cumul de celles-ci n'est pas autorisé pour le calcul des majorations de traitement.
  Au cas où certaines de ces professions auraient été exercées successivement, les temps d'exercice sont additionnés. Les services restants sont valorisés d'après l'importance qui leur est reconnue pour la catégorie à laquelle ils appartiennent.
  [2 § 3. Le calcul des services valorisés conformément au § 2 s'effectue selon l'article 11, §§ 2 à 7 de l'arrêté royal du 25 octobre 2013 relatif à la carrière pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
   § 4. Entrent en ligne de compte pour le calcul de l'ancienneté du membre du personnel contractuel les services visés au § 2. Ils sont calculés conformément au § 3.
   § 5. Pour le membre du personnel, l'ancienneté pécuniaire évolue par mois entier, s'il est en activité de service, même à prestations réduites pour convenances personnelles, ou en disponibilité.
   L'ancienneté pécuniaire acquise après l'entrée en service évolue par mois entier. Les mois incomplets ne sont pas pris en compte.
   L'ancienneté pécuniaire est réduite d'un tiers lorsque le membre du personnel de niveau B ou C est promu au niveau A. Le résultat est exprimé en mois et arrondi au nombre entier supérieur. Le cas échéant, l'ancienneté pécuniaire est rectifiée pour neutraliser l'effet d'une application antérieure des classes d'âge semblables à celles définies dans le statut pécuniaire des membres du personnel de la fonction publique fédérale.
   Toutefois, la réduction est limitée à deux ans, pour les services prestés dans une fonction du niveau B et à 5 ans pour ceux prestés dans une fonction des niveaux C et D. Cette règle ne peut pas avoir pour effet d'imposer une réduction totale de plus de cinq ans.
   La réduction est en outre limitée de manière à ce que la promotion au niveau A garantisse une augmentation de traitement annuelle d'au moins 1.094 euros.
   § 6. Pour le membre du personnel contractuel, l'ancienneté pécuniaire évolue, par mois entier, s'ils exécutent effectivement leur contrat de travail.
   L'ancienneté pécuniaire acquise après l'entrée en service évolue par mois entier. Les mois incomplets ne sont pas pris en compte.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, l'ancienneté pécuniaire évolue même dans les cas de suspension du contrat de travail :
   1° si le membre du personnel contractuel reste rémunéré par le Service public fédéral Justice;
   2° si le membre du personnel contractuel bénéficie du congé de maternité ou de l'interruption de travail visés aux articles 42 et 43 de la loi du 16 mars 1971 sur le travail ou de l'article 18, alinéa 2, de la loi du 14 décembre 2000 fixant certains aspects de l'aménagement du temps de travail;
   3° si le membre du personnel contractuel bénéficie du congé parental non rémunéré octroyé par l'arrêté royal du 16 mars 2001 relatif aux congés et aux absences accordés à certains membres du personnel des services qui assistent le pouvoir judiciaire, de même que celui octroyé dans le cadre de l'interruption de carrière;
   4° si le membre du personnel contractuel est en cessation concertée de travail;
   5° si le membre du personnel contractuel bénéficie du congé pour raisons impérieuses créé par l'arrêté royal du 11 octobre 1991 déterminant les modalités de l'exercice du droit à un congé pour raisons impérieuses.]2

  
Art. 366bis. [1 De schaalanciënniteit is de geldelijke anciënniteit die volgens de nadere bepalingen van artikel 366, §§ 5 en 6, als personeelslid in een bepaalde weddeschaal is verworven. Ze wordt berekend vanaf de eerste dag van de volledige maand waarin het personeelslid deze weddeschaal geniet.
   Het personeelslid dat de laatste trap van zijn weddeschaal geniet, blijft zijn schaalanciënniteit opbouwen.
   Dit artikel is van toepassing op het contractuele personeelslid.]1

  
Art. 366bis. [1 L'ancienneté d'échelle est l'ancienneté pécuniaire acquise, selon les modalités de l'article 366, §§ 5 et 6, en tant que membre du personnel dans une échelle de traitement donnée. Elle se calcule à partir du premier jour du mois complet où le membre du personnel bénéficie de cette échelle de traitement.
   Le membre du personnel qui bénéficie du dernier échelon de son échelle de traitement continue à accroître son ancienneté d'échelle.
   Le présent article s'applique au membre du personnel contractuel.]1

  
Art. 366ter. [1 Het contractuele personeelslid [3 dat op arbeidsovereenkomst in dienst is genomen binnen de rechterlijke orde of binnen een federale overheidsdienst en]3 dat [2 stagiair]2 benoemd wordt in dezelfde graad of dezelfde klasse of een nieuwe arbeidsovereenkomst krijgt, behoudt zijn weddeschaal en zijn schaalanciënniteit.
   Dit artikel is niet van toepassing wanneer de arbeidsovereenkomst sinds meer dan twaalf maanden is beëindigd.]1

  
Art. 366ter. [1 Le membre du personnel contractuel [3 engagé par contrat au sein de l'ordre judiciaire ou au sein d'un service public fédéral]3 qui est nommé [2 stagiaire]2 dans le même grade ou la même classe, ou qui obtient un nouveau contrat de travail, conserve son échelle de traitement et son ancienneté d'échelle.
   Le présent article ne s'applique pas lorsque le contrat de travail a pris fin depuis plus de douze mois.]1

  
Art. 367. <W 2007-04-25/64, art. 129, 154; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Het vakantiegeld dat toegekend wordt aan de personeelsleden van de niveaus B, C en D, bedoeld in artikel 177, § 2, wordt in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden verleend aan de personeelsleden van niveau A, de griffiers en de secretarissen.
Art. 367. <L 2007-04-25/64, art. 129, 154; En vigueur : 01-12-2008> Le pécule de vacances alloué aux membres du personnel des niveaux B, C et D, visé à l'article 177, § 2, est accordé dans la même mesure et dans les mêmes conditions aux membres du personnel de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires.
Art. 367bis. [1 Aan elke graad en elke klasse worden één of meer weddeschalen verbonden.
   Bij ontstentenis van bepalingen die hem een andere weddeschaal toekennen krijgt het personeelslid de eerste weddeschaal van zijn graad of zijn klasse.
   Elke weddeschaal bevat dertig trappen.
   In zijn weddeschaal krijgt het personeelslid de trap die overeenstemt met zijn geldelijke anciënniteit.
   Dit artikel is van toepassing op het contractuele personeelslid.]1

  
Art. 367bis. [1 A chaque grade et à chaque classe sont affectées une ou plusieurs échelles de traitement.
   A défaut de dispositions lui attribuant une autre échelle de traitement, le membre du personnel obtient la première échelle de traitement de son grade ou de sa classe.
   Chaque échelle de traitement comprend trente échelons.
   Dans son échelle de traitement, le membre du personnel occupe l'échelon qui correspond à son ancienneté pécuniaire.
   Le présent article s'applique au membre du personnel contractuel.]1

  
Art. 367ter. [1 Het personeelslid krijgt elke maand één twaalfde van de jaarwedde.
   Voor deze wedde geldt de indexeringsregeling. Ze is gekoppeld aan de spilindex 138,01. Bij de berekening ervan wordt geen rekening gehouden met de derde decimaal in het eindresultaat.
   Dit artikel is van toepassing op het contractuele personeelslid.]1

  
Art. 367ter. [1 Le membre du personnel obtient chaque mois un douzième du traitement annuel.
   Ce traitement bénéficie du régime d'indexation et est rattaché à l'indice-pivot 138,01. Son calcul est réalisé en négligeant la troisième décimale dans le résultat final.
   Le présent article s'applique au membre du personnel contractuel.]1

  
Art. 367quater. [1 Het personeelslid dat deeltijds werkt wordt pro rata betaald.
   Het voltijds of deeltijds werkende personeelslid dat slechts tijdens een gedeelte van de maand heeft gewerkt, wordt op evenredige wijze bezoldigd.
   Dit deel wordt uitgedrukt in een breuk waarvan de teller het aantal daadwerkelijk gewerkte dagen is en de noemer het aantal arbeidsdagen. Indien het aantal uren varieert naargelang van de dagen, zijn de teller en de noemer de overeenstemmende uuraantallen.
   Dit artikel is van toepassing op het contractuele personeelslid.]1

  
Art. 367quater. [1 Le membre du personnel qui preste à temps partiel est payé au prorata.
   Le membre du personnel, qu'il preste à temps plein ou à temps partiel, qui n'a fourni des services que pendant une partie du mois est rémunéré à due concurrence.
   Cette partie s'exprime dans une fraction dont le numérateur est le nombre de jours réellement prestés et le dénominateur le nombre de jours ouvrés. Si le nombre d'heures varie selon les jours, le numérateur et le dénominateur sont les nombres d'heures correspondants.
   Le présent article s'applique au membre du personnel contractuel.]1

  
Art. 367quinquies. [1 Wanneer de bevordering in weddeschaal, de bevordering naar een hoger niveau of naar een hogere klasse niet toegekend wordt op de eerste dag van de maand, heeft ze slechts uitwerking op de eerste dag van de volgende maand.
   De wedde wordt na vervallen termijn betaald.]1

  
Art. 367quinquies. [1 Lorsque la promotion barémique, la promotion à un niveau supérieur ou à une classe supérieure n'est pas octroyée le premier jour du mois, elle ne produit ses effets que le premier jour du mois qui suit.
   Le traitement est payé à terme échu.]1

  
Art. 367sexies. [1 Het personeelslid van het niveau A aangeworven of in dienst genomen bij arbeidsovereenkomst dat beschikt over een beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie, verworven binnen overheidsdiensten of diensten in de privésector of als zelfstandige, en op voorwaarde dat in de oproep tot kandidaten de vereiste van een minimaal identieke beroepservaring wordt vastgesteld, bekomt één van de volgende weddeschalen:
   1° de eerste weddeschaal indien het aantal jaren erkende gepresteerde diensten minder dan drie bedraagt;
   2° de tweede weddeschaal indien het aantal jaren erkende gepresteerde diensten drie tot acht bedraagt;
   3° de derde weddeschaal indien het aantal jaren erkende gepresteerde diensten acht of meer bedraagt.
   De griffier of secretaris van het niveau B aangeworven of in dienst genomen bij arbeidsovereenkomst die beschikt over een beroepservaring die bijzonder nuttig is voor de functie, verworven binnen overheidsdiensten of diensten in de privésector of als zelfstandige, en op voorwaarde dat in de oproep tot kandidaten de vereiste van een minimaal identieke beroepservaring wordt vastgesteld, bekomt één van de volgende weddeschalen:
   1° de eerste weddeschaal indien het aantal jaren erkende gepresteerde diensten minder dan drie bedraagt;
   2° de tweede weddeschaal indien het aantal jaren erkende gepresteerde diensten drie tot negen bedraagt;
   3° de derde weddeschaal indien het aantal jaren erkende gepresteerde diensten negen of meer bedraagt.]1

  
Art. 367sexies. [1 Le membre du personnel de niveau A recruté ou engagé sous contrat de travail qui dispose d'une expérience professionnelle qui est particulièrement utile pour la fonction, acquise dans des services publics ou dans le secteur privé ou à titre d'indépendant, et à condition que l'exigence d'une expérience professionnelle identique minimale ait été fixée dans l'appel à candidatures, obtient l'une des échelles de traitement suivantes:
   1° la première échelle de traitement si le nombre reconnu d'années de services prestés est inférieur à trois;
   2° la deuxième échelle de traitement si le nombre reconnu d'années de services prestés est de trois à huit;
   3° la troisième échelle de traitement si le nombre reconnu d'années de services prestés est égal ou supérieur à huit.
   Le greffier ou secrétaire de niveau B recruté ou engagé sous contrat de travail qui dispose d'une expérience professionnelle qui est particulièrement utile pour la fonction, acquise dans des services publics ou dans le secteur privé ou à titre d'indépendant et à condition que l'exigence d'une expérience professionnelle identique minimale ait été fixée dans l'appel à candidatures, obtient l'une des échelles de traitement suivantes:
   1° la première échelle de traitement si le nombre reconnu d'années de services prestés est inférieur à trois;
   2° la deuxième échelle de traitement si le nombre reconnu d'années de services prestés est de trois à neuf;
   3° la troisième échelle de traitement si le nombre reconnu d'années de services prestés est égal ou supérieur à neuf.]1

  
Afdeling II. - Wedden.
Section II. - Des traitements.
Onderafdeling I. - Niveau A.
Sous-section première. - Niveau A.
Art. 368. [1 De klasse A1 omvat de weddeschalen NA11, NA12, NA13, NA14, NA15 en NA16.
   De klasse A2 omvat de weddeschalen NA21, NA22, NA23, NA24 en NA25.
   De klasse A3 omvat de weddeschalen NA31, NA32, NA33, NA34 en NA35.
   De klasse A4 omvat de weddeschalen NA41, NA42, NA43 en NA44.
   De klasse A5 omvat de weddeschalen NA51, NA52, NA53 en NA54.]1

  
Art. 368. [1 La classe A1 comprend les échelles de traitement NA11, NA12, NA13, NA14, NA15 et NA16.
   La classe A2 comprend les échelles de traitement NA21, NA22, NA23, NA24 et NA25.
   La classe A3 comprend les échelles de traitement NA31, NA32, NA33, NA34 et NA35.
   La classe A4 comprend les échelles de traitement NA41, NA42, NA43 et NA44.
   La classe A5 comprend les échelles de traitement NA51, NA52, NA53 et NA54.]1

  
Art. 369. [1 Gedurende de duur van de aanwijzing als hoofdgriffier of hoofdsecretaris, krijgt de mandaathouder bedoeld in [2 artikel 160, § 8, vierde lid]2, de laatste weddeschaal verbonden aan de klasse waarin de functie waartoe hij aangewezen wordt, wordt ingedeeld.]1
  
Art. 369. [1 Pendant la durée de la désignation comme greffier en chef ou secrétaire en chef, le titulaire du mandat visé à l'[2 article 160, § 8, alinéa 4]2, bénéficie de la dernière échelle de traitement attachée à la classe dans laquelle la fonction à laquelle il est désigné, est rangée.]1
  
Art. 370. [1 § 1. In de klasse A1, worden de weddeschalen als volgt vastgesteld (in euro) :
Art. 370. [1 § 1er. Dans la classe A1, les échelles de traitement sont fixées comme suit (en euros) :
 NA11 NA12 NA13 NA14 NA15 NA16
0 21.880 24.880 27.880 30.880 33.880 36.880
1 22.138 25.138 28.138 31.138 34.138 37.138
2 22.396 25.396 28.396 31.396 34.396 37.396
3 22.654 25.654 28.654 31.654 34.654 37.654
4 22.912 25.912 28.912 31.912 34.912 37.912
5 23.170 26.170 29.170 32.170 35.170 38.170
6 23.428 26.428 29.428 32.428 35.428 38.428
7 23.686 26.686 29.686 32.686 35.686 38.686
8 23.943 26.943 29.943 32.943 35.943 38.943
9 24.201 27.201 30.201 33.201 36.201 39.201
10 24.459 27.459 30.459 33.459 36.459 39.459
11 24.717 27.717 30.717 33.717 36.717 39.717
12 24.975 27.975 30.975 33.975 36.975 39.975
13 25.233 28.233 31.233 34.233 37.233 40.233
14 25.491 28.491 31.491 34.491 37.491 40.491
15 25.749 28.749 31.749 34.749 37.749 40.749
16 26.007 29.007 32.007 35.007 38.007 41.007
17 26.265 29.265 32.265 35.265 38.265 41.265
18 26.523 29.523 32.523 35.523 38.523 41.523
19 26.781 29.781 32.781 35.781 38.781 41.781
20 27.039 30.039 33.039 36.039 39.039 42.039
21 27.297 30.297 33.297 36.297 39.297 42.297
22 27.554 30.554 33.554 36.554 39.554 42.554
23 27.812 30.812 33.812 36.812 39.812 42.812
24 28.070 31.070 34.070 37.070 40.070 43.070
25 28.328 31.328 34.328 37.328 40.328 43.328
26 28.586 31.586 34.586 37.586 40.586 43.586
27 28.844 31.844 34.844 37.844 40.844 43.844
28 29.102 32.102 35.102 38.102 41.102 44.102
29 29.360 32.360 35.360 38.360 41.360 44.360
NA11 NA12 NA13 NA14 NA15 NA16 0 21.880 24.880 27.880 30.880 33.880 36.880 1 22.138 25.138 28.138 31.138 34.138 37.138 2 22.396 25.396 28.396 31.396 34.396 37.396 3 22.654 25.654 28.654 31.654 34.654 37.654 4 22.912 25.912 28.912 31.912 34.912 37.912 5 23.170 26.170 29.170 32.170 35.170 38.170 6 23.428 26.428 29.428 32.428 35.428 38.428 7 23.686 26.686 29.686 32.686 35.686 38.686 8 23.943 26.943 29.943 32.943 35.943 38.943 9 24.201 27.201 30.201 33.201 36.201 39.201 10 24.459 27.459 30.459 33.459 36.459 39.459 11 24.717 27.717 30.717 33.717 36.717 39.717 12 24.975 27.975 30.975 33.975 36.975 39.975 13 25.233 28.233 31.233 34.233 37.233 40.233 14 25.491 28.491 31.491 34.491 37.491 40.491 15 25.749 28.749 31.749 34.749 37.749 40.749 16 26.007 29.007 32.007 35.007 38.007 41.007 17 26.265 29.265 32.265 35.265 38.265 41.265 18 26.523 29.523 32.523 35.523 38.523 41.523 19 26.781 29.781 32.781 35.781 38.781 41.781 20 27.039 30.039 33.039 36.039 39.039 42.039 21 27.297 30.297 33.297 36.297 39.297 42.297 22 27.554 30.554 33.554 36.554 39.554 42.554 23 27.812 30.812 33.812 36.812 39.812 42.812 24 28.070 31.070 34.070 37.070 40.070 43.070 25 28.328 31.328 34.328 37.328 40.328 43.328 26 28.586 31.586 34.586 37.586 40.586 43.586 27 28.844 31.844 34.844 37.844 40.844 43.844 28 29.102 32.102 35.102 38.102 41.102 44.102 29 29.360 32.360 35.360 38.360 41.360 44.360
§ 2. In de klasse A2, worden de weddeschalen als volgt vastgesteld (in euro) :
 NA11 NA12 NA13 NA14 NA15 NA16
0 21.880 24.880 27.880 30.880 33.880 36.880
1 22.138 25.138 28.138 31.138 34.138 37.138
2 22.396 25.396 28.396 31.396 34.396 37.396
3 22.654 25.654 28.654 31.654 34.654 37.654
4 22.912 25.912 28.912 31.912 34.912 37.912
5 23.170 26.170 29.170 32.170 35.170 38.170
6 23.428 26.428 29.428 32.428 35.428 38.428
7 23.686 26.686 29.686 32.686 35.686 38.686
8 23.943 26.943 29.943 32.943 35.943 38.943
9 24.201 27.201 30.201 33.201 36.201 39.201
10 24.459 27.459 30.459 33.459 36.459 39.459
11 24.717 27.717 30.717 33.717 36.717 39.717
12 24.975 27.975 30.975 33.975 36.975 39.975
13 25.233 28.233 31.233 34.233 37.233 40.233
14 25.491 28.491 31.491 34.491 37.491 40.491
15 25.749 28.749 31.749 34.749 37.749 40.749
16 26.007 29.007 32.007 35.007 38.007 41.007
17 26.265 29.265 32.265 35.265 38.265 41.265
18 26.523 29.523 32.523 35.523 38.523 41.523
19 26.781 29.781 32.781 35.781 38.781 41.781
20 27.039 30.039 33.039 36.039 39.039 42.039
21 27.297 30.297 33.297 36.297 39.297 42.297
22 27.554 30.554 33.554 36.554 39.554 42.554
23 27.812 30.812 33.812 36.812 39.812 42.812
24 28.070 31.070 34.070 37.070 40.070 43.070
25 28.328 31.328 34.328 37.328 40.328 43.328
26 28.586 31.586 34.586 37.586 40.586 43.586
27 28.844 31.844 34.844 37.844 40.844 43.844
28 29.102 32.102 35.102 38.102 41.102 44.102
29 29.360 32.360 35.360 38.360 41.360 44.360
NA11 NA12 NA13 NA14 NA15 NA16 0 21.880 24.880 27.880 30.880 33.880 36.880 1 22.138 25.138 28.138 31.138 34.138 37.138 2 22.396 25.396 28.396 31.396 34.396 37.396 3 22.654 25.654 28.654 31.654 34.654 37.654 4 22.912 25.912 28.912 31.912 34.912 37.912 5 23.170 26.170 29.170 32.170 35.170 38.170 6 23.428 26.428 29.428 32.428 35.428 38.428 7 23.686 26.686 29.686 32.686 35.686 38.686 8 23.943 26.943 29.943 32.943 35.943 38.943 9 24.201 27.201 30.201 33.201 36.201 39.201 10 24.459 27.459 30.459 33.459 36.459 39.459 11 24.717 27.717 30.717 33.717 36.717 39.717 12 24.975 27.975 30.975 33.975 36.975 39.975 13 25.233 28.233 31.233 34.233 37.233 40.233 14 25.491 28.491 31.491 34.491 37.491 40.491 15 25.749 28.749 31.749 34.749 37.749 40.749 16 26.007 29.007 32.007 35.007 38.007 41.007 17 26.265 29.265 32.265 35.265 38.265 41.265 18 26.523 29.523 32.523 35.523 38.523 41.523 19 26.781 29.781 32.781 35.781 38.781 41.781 20 27.039 30.039 33.039 36.039 39.039 42.039 21 27.297 30.297 33.297 36.297 39.297 42.297 22 27.554 30.554 33.554 36.554 39.554 42.554 23 27.812 30.812 33.812 36.812 39.812 42.812 24 28.070 31.070 34.070 37.070 40.070 43.070 25 28.328 31.328 34.328 37.328 40.328 43.328 26 28.586 31.586 34.586 37.586 40.586 43.586 27 28.844 31.844 34.844 37.844 40.844 43.844 28 29.102 32.102 35.102 38.102 41.102 44.102 29 29.360 32.360 35.360 38.360 41.360 44.360
§ 2. Dans la classe A2, les échelles de traitement sont fixées comme suit (en euros) :
 NA21 NA22 NA23 NA24 NA25
0 25.880 29.680 32.680 35.680 38.680
1 26.076 29.876 32.876 35.876 38.876
2 26.272 30.072 33.072 36.072 39.072
3 26.468 30.268 33.268 36.268 39.268
4 26.663 30.463 33.463 36.463 39.463
5 26.859 30.659 33.659 36.659 39.659
6 27.055 30.855 33.855 36.855 39.855
7 27.251 31.051 34.051 37.051 40.051
8 27.447 31.247 34.247 37.247 40.247
9 27.643 31.443 34.443 37.443 40.443
10 27.839 31.639 34.639 37.639 40.639
11 28.034 31.834 34.834 37.834 40.834
12 28.230 32.030 35.030 38.030 41.030
13 28.426 32.226 35.226 38.226 41.226
14 28.622 32.422 35.422 38.422 41.422
15 28.818 32.618 35.618 38.618 41.618
16 29.014 32.814 35.814 38.814 41.814
17 29.210 33.010 36.010 39.010 42.010
18 29.406 33.206 36.206 39.206 42.206
19 29.601 33.401 36.401 39.401 42.401
20 29.797 33.597 36.597 39.597 42.597
21 29.993 33.793 36.793 39.793 42.793
22 30.189 33.989 36.989 39.989 42.989
23 30.385 34.185 37.185 40.185 43.185
24 30.581 34.381 37.381 40.381 43.381
25 30.777 34.577 37.577 40.577 43.577
26 30.972 34.772 37.772 40.772 43.772
27 31.168 34.968 37.968 40.968 43.968
28 31.364 35.164 38.164 41.164 44.164
29 31.560 35.360 38.360 41.360 44.360
NA21 NA22 NA23 NA24 NA25 0 25.880 29.680 32.680 35.680 38.680 1 26.076 29.876 32.876 35.876 38.876 2 26.272 30.072 33.072 36.072 39.072 3 26.468 30.268 33.268 36.268 39.268 4 26.663 30.463 33.463 36.463 39.463 5 26.859 30.659 33.659 36.659 39.659 6 27.055 30.855 33.855 36.855 39.855 7 27.251 31.051 34.051 37.051 40.051 8 27.447 31.247 34.247 37.247 40.247 9 27.643 31.443 34.443 37.443 40.443 10 27.839 31.639 34.639 37.639 40.639 11 28.034 31.834 34.834 37.834 40.834 12 28.230 32.030 35.030 38.030 41.030 13 28.426 32.226 35.226 38.226 41.226 14 28.622 32.422 35.422 38.422 41.422 15 28.818 32.618 35.618 38.618 41.618 16 29.014 32.814 35.814 38.814 41.814 17 29.210 33.010 36.010 39.010 42.010 18 29.406 33.206 36.206 39.206 42.206 19 29.601 33.401 36.401 39.401 42.401 20 29.797 33.597 36.597 39.597 42.597 21 29.993 33.793 36.793 39.793 42.793 22 30.189 33.989 36.989 39.989 42.989 23 30.385 34.185 37.185 40.185 43.185 24 30.581 34.381 37.381 40.381 43.381 25 30.777 34.577 37.577 40.577 43.577 26 30.972 34.772 37.772 40.772 43.772 27 31.168 34.968 37.968 40.968 43.968 28 31.364 35.164 38.164 41.164 44.164 29 31.560 35.360 38.360 41.360 44.360
§ 3. In de klasse A3, worden de weddeschalen als volgt vastgesteld (in euro) :
 NA21 NA22 NA23 NA24 NA25
0 25.880 29.680 32.680 35.680 38.680
1 26.076 29.876 32.876 35.876 38.876
2 26.272 30.072 33.072 36.072 39.072
3 26.468 30.268 33.268 36.268 39.268
4 26.663 30.463 33.463 36.463 39.463
5 26.859 30.659 33.659 36.659 39.659
6 27.055 30.855 33.855 36.855 39.855
7 27.251 31.051 34.051 37.051 40.051
8 27.447 31.247 34.247 37.247 40.247
9 27.643 31.443 34.443 37.443 40.443
10 27.839 31.639 34.639 37.639 40.639
11 28.034 31.834 34.834 37.834 40.834
12 28.230 32.030 35.030 38.030 41.030
13 28.426 32.226 35.226 38.226 41.226
14 28.622 32.422 35.422 38.422 41.422
15 28.818 32.618 35.618 38.618 41.618
16 29.014 32.814 35.814 38.814 41.814
17 29.210 33.010 36.010 39.010 42.010
18 29.406 33.206 36.206 39.206 42.206
19 29.601 33.401 36.401 39.401 42.401
20 29.797 33.597 36.597 39.597 42.597
21 29.993 33.793 36.793 39.793 42.793
22 30.189 33.989 36.989 39.989 42.989
23 30.385 34.185 37.185 40.185 43.185
24 30.581 34.381 37.381 40.381 43.381
25 30.777 34.577 37.577 40.577 43.577
26 30.972 34.772 37.772 40.772 43.772
27 31.168 34.968 37.968 40.968 43.968
28 31.364 35.164 38.164 41.164 44.164
29 31.560 35.360 38.360 41.360 44.360
NA21 NA22 NA23 NA24 NA25 0 25.880 29.680 32.680 35.680 38.680 1 26.076 29.876 32.876 35.876 38.876 2 26.272 30.072 33.072 36.072 39.072 3 26.468 30.268 33.268 36.268 39.268 4 26.663 30.463 33.463 36.463 39.463 5 26.859 30.659 33.659 36.659 39.659 6 27.055 30.855 33.855 36.855 39.855 7 27.251 31.051 34.051 37.051 40.051 8 27.447 31.247 34.247 37.247 40.247 9 27.643 31.443 34.443 37.443 40.443 10 27.839 31.639 34.639 37.639 40.639 11 28.034 31.834 34.834 37.834 40.834 12 28.230 32.030 35.030 38.030 41.030 13 28.426 32.226 35.226 38.226 41.226 14 28.622 32.422 35.422 38.422 41.422 15 28.818 32.618 35.618 38.618 41.618 16 29.014 32.814 35.814 38.814 41.814 17 29.210 33.010 36.010 39.010 42.010 18 29.406 33.206 36.206 39.206 42.206 19 29.601 33.401 36.401 39.401 42.401 20 29.797 33.597 36.597 39.597 42.597 21 29.993 33.793 36.793 39.793 42.793 22 30.189 33.989 36.989 39.989 42.989 23 30.385 34.185 37.185 40.185 43.185 24 30.581 34.381 37.381 40.381 43.381 25 30.777 34.577 37.577 40.577 43.577 26 30.972 34.772 37.772 40.772 43.772 27 31.168 34.968 37.968 40.968 43.968 28 31.364 35.164 38.164 41.164 44.164 29 31.560 35.360 38.360 41.360 44.360
§ 3. Dans la classe A3, les échelles de traitement sont fixées comme suit (en euros) :
 NA31 NA32 NA33 NA34 NA35
0 32.380 36.380 39.380 42.380 45.380
1 32.586 36.586 39.586 42.586 45.586
2 32.792 36.792 39.792 42.792 45.792
3 32.999 36.999 39.999 42.999 45.999
4 33.205 37.205 40.205 43.205 46.205
5 33.411 37.411 40.411 43.411 46.411
6 33.617 37.617 40.617 43.617 46.617
7 33.823 37.823 40.823 43.823 46.823
8 34.030 38.030 41.030 44.030 47.030
9 34.236 38.236 41.236 44.236 47.236
10 34.442 38.442 41.442 44.442 47.442
11 34.648 38.648 41.648 44.648 47.648
12 34.854 38.854 41.854 44.854 47.854
13 35.061 39.061 42.061 45.061 48.061
14 35.267 39.267 42.267 45.267 48.267
15 35.473 39.473 42.473 45.473 48.473
16 35.679 39.679 42.679 45.679 48.679
17 35.886 39.886 42.886 45.886 48.886
18 36.092 40.092 43.092 46.092 49.092
19 36.298 40.298 43.298 46.298 49.298
20 36.504 40.504 43.504 46.504 49.504
21 36.710 40.710 43.710 46.710 49.710
22 36.917 40.917 43.917 46.917 49.917
23 37.123 41.123 44.123 47.123 50.123
24 37.329 41.329 44.329 47.329 50.329
25 37.535 41.535 44.535 47.535 50.535
26 37.741 41.741 44.741 47.741 50.741
27 37.948 41.948 44.948 47.948 50.948
28 38.154 42.154 45.154 48.154 51.154
29 38.360 42.360 45.360 48.360 51.360
NA31 NA32 NA33 NA34 NA35 0 32.380 36.380 39.380 42.380 45.380 1 32.586 36.586 39.586 42.586 45.586 2 32.792 36.792 39.792 42.792 45.792 3 32.999 36.999 39.999 42.999 45.999 4 33.205 37.205 40.205 43.205 46.205 5 33.411 37.411 40.411 43.411 46.411 6 33.617 37.617 40.617 43.617 46.617 7 33.823 37.823 40.823 43.823 46.823 8 34.030 38.030 41.030 44.030 47.030 9 34.236 38.236 41.236 44.236 47.236 10 34.442 38.442 41.442 44.442 47.442 11 34.648 38.648 41.648 44.648 47.648 12 34.854 38.854 41.854 44.854 47.854 13 35.061 39.061 42.061 45.061 48.061 14 35.267 39.267 42.267 45.267 48.267 15 35.473 39.473 42.473 45.473 48.473 16 35.679 39.679 42.679 45.679 48.679 17 35.886 39.886 42.886 45.886 48.886 18 36.092 40.092 43.092 46.092 49.092 19 36.298 40.298 43.298 46.298 49.298 20 36.504 40.504 43.504 46.504 49.504 21 36.710 40.710 43.710 46.710 49.710 22 36.917 40.917 43.917 46.917 49.917 23 37.123 41.123 44.123 47.123 50.123 24 37.329 41.329 44.329 47.329 50.329 25 37.535 41.535 44.535 47.535 50.535 26 37.741 41.741 44.741 47.741 50.741 27 37.948 41.948 44.948 47.948 50.948 28 38.154 42.154 45.154 48.154 51.154 29 38.360 42.360 45.360 48.360 51.360
§ 4. In de klasse A4, worden de weddeschalen als volgt vastgesteld (in euro) :
 NA31 NA32 NA33 NA34 NA35
0 32.380 36.380 39.380 42.380 45.380
1 32.586 36.586 39.586 42.586 45.586
2 32.792 36.792 39.792 42.792 45.792
3 32.999 36.999 39.999 42.999 45.999
4 33.205 37.205 40.205 43.205 46.205
5 33.411 37.411 40.411 43.411 46.411
6 33.617 37.617 40.617 43.617 46.617
7 33.823 37.823 40.823 43.823 46.823
8 34.030 38.030 41.030 44.030 47.030
9 34.236 38.236 41.236 44.236 47.236
10 34.442 38.442 41.442 44.442 47.442
11 34.648 38.648 41.648 44.648 47.648
12 34.854 38.854 41.854 44.854 47.854
13 35.061 39.061 42.061 45.061 48.061
14 35.267 39.267 42.267 45.267 48.267
15 35.473 39.473 42.473 45.473 48.473
16 35.679 39.679 42.679 45.679 48.679
17 35.886 39.886 42.886 45.886 48.886
18 36.092 40.092 43.092 46.092 49.092
19 36.298 40.298 43.298 46.298 49.298
20 36.504 40.504 43.504 46.504 49.504
21 36.710 40.710 43.710 46.710 49.710
22 36.917 40.917 43.917 46.917 49.917
23 37.123 41.123 44.123 47.123 50.123
24 37.329 41.329 44.329 47.329 50.329
25 37.535 41.535 44.535 47.535 50.535
26 37.741 41.741 44.741 47.741 50.741
27 37.948 41.948 44.948 47.948 50.948
28 38.154 42.154 45.154 48.154 51.154
29 38.360 42.360 45.360 48.360 51.360
NA31 NA32 NA33 NA34 NA35 0 32.380 36.380 39.380 42.380 45.380 1 32.586 36.586 39.586 42.586 45.586 2 32.792 36.792 39.792 42.792 45.792 3 32.999 36.999 39.999 42.999 45.999 4 33.205 37.205 40.205 43.205 46.205 5 33.411 37.411 40.411 43.411 46.411 6 33.617 37.617 40.617 43.617 46.617 7 33.823 37.823 40.823 43.823 46.823 8 34.030 38.030 41.030 44.030 47.030 9 34.236 38.236 41.236 44.236 47.236 10 34.442 38.442 41.442 44.442 47.442 11 34.648 38.648 41.648 44.648 47.648 12 34.854 38.854 41.854 44.854 47.854 13 35.061 39.061 42.061 45.061 48.061 14 35.267 39.267 42.267 45.267 48.267 15 35.473 39.473 42.473 45.473 48.473 16 35.679 39.679 42.679 45.679 48.679 17 35.886 39.886 42.886 45.886 48.886 18 36.092 40.092 43.092 46.092 49.092 19 36.298 40.298 43.298 46.298 49.298 20 36.504 40.504 43.504 46.504 49.504 21 36.710 40.710 43.710 46.710 49.710 22 36.917 40.917 43.917 46.917 49.917 23 37.123 41.123 44.123 47.123 50.123 24 37.329 41.329 44.329 47.329 50.329 25 37.535 41.535 44.535 47.535 50.535 26 37.741 41.741 44.741 47.741 50.741 27 37.948 41.948 44.948 47.948 50.948 28 38.154 42.154 45.154 48.154 51.154 29 38.360 42.360 45.360 48.360 51.360
§ 4. Dans la classe A4, les échelles de traitement sont fixées comme suit (en euros) :
 NA41 NA42 NA43 NA44
0 39.570 43.570 47.570 51.570
1 39.826 43.826 47.826 51.826
2 40.082 44.082 48.082 52.082
3 40.338 44.338 48.338 52.338
4 40.593 44.593 48.593 52.593
5 40.849 44.849 48.849 52.849
6 41.105 45.105 49.105 53.105
7 41.361 45.361 49.361 53.361
8 41.617 45.617 49.617 53.617
9 41.873 45.873 49.873 53.873
10 42.129 46.129 50.129 54.129
11 42.384 46.384 50.384 54.384
12 42.640 46.640 50.640 54.640
13 42.896 46.896 50.896 54.896
14 43.152 47.152 51.152 55.152
15 43.408 47.408 51.408 55.408
16 43.664 47.664 51.664 55.664
17 43.920 47.920 51.920 55.920
18 44.176 48.176 52.176 56.176
19 44.431 48.431 52.431 56.431
20 44.687 48.687 52.687 56.687
21 44.943 48.943 52.943 56.943
22 45.199 49.199 53.199 57.199
23 45.455 49.455 53.455 57.455
24 45.711 49.711 53.711 57.711
25 45.967 49.967 53.967 57.967
26 46.222 50.222 54.222 58.222
27 46.478 50.478 54.478 58.478
28 46.734 50.734 54.734 58.734
29 46.990 50.990 54.990 58.990
NA41 NA42 NA43 NA44 0 39.570 43.570 47.570 51.570 1 39.826 43.826 47.826 51.826 2 40.082 44.082 48.082 52.082 3 40.338 44.338 48.338 52.338 4 40.593 44.593 48.593 52.593 5 40.849 44.849 48.849 52.849 6 41.105 45.105 49.105 53.105 7 41.361 45.361 49.361 53.361 8 41.617 45.617 49.617 53.617 9 41.873 45.873 49.873 53.873 10 42.129 46.129 50.129 54.129 11 42.384 46.384 50.384 54.384 12 42.640 46.640 50.640 54.640 13 42.896 46.896 50.896 54.896 14 43.152 47.152 51.152 55.152 15 43.408 47.408 51.408 55.408 16 43.664 47.664 51.664 55.664 17 43.920 47.920 51.920 55.920 18 44.176 48.176 52.176 56.176 19 44.431 48.431 52.431 56.431 20 44.687 48.687 52.687 56.687 21 44.943 48.943 52.943 56.943 22 45.199 49.199 53.199 57.199 23 45.455 49.455 53.455 57.455 24 45.711 49.711 53.711 57.711 25 45.967 49.967 53.967 57.967 26 46.222 50.222 54.222 58.222 27 46.478 50.478 54.478 58.478 28 46.734 50.734 54.734 58.734 29 46.990 50.990 54.990 58.990
§ 5. In de klasse A5, worden de weddeschalen als volgt vastgesteld (in euro) :
 NA41 NA42 NA43 NA44
0 39.570 43.570 47.570 51.570
1 39.826 43.826 47.826 51.826
2 40.082 44.082 48.082 52.082
3 40.338 44.338 48.338 52.338
4 40.593 44.593 48.593 52.593
5 40.849 44.849 48.849 52.849
6 41.105 45.105 49.105 53.105
7 41.361 45.361 49.361 53.361
8 41.617 45.617 49.617 53.617
9 41.873 45.873 49.873 53.873
10 42.129 46.129 50.129 54.129
11 42.384 46.384 50.384 54.384
12 42.640 46.640 50.640 54.640
13 42.896 46.896 50.896 54.896
14 43.152 47.152 51.152 55.152
15 43.408 47.408 51.408 55.408
16 43.664 47.664 51.664 55.664
17 43.920 47.920 51.920 55.920
18 44.176 48.176 52.176 56.176
19 44.431 48.431 52.431 56.431
20 44.687 48.687 52.687 56.687
21 44.943 48.943 52.943 56.943
22 45.199 49.199 53.199 57.199
23 45.455 49.455 53.455 57.455
24 45.711 49.711 53.711 57.711
25 45.967 49.967 53.967 57.967
26 46.222 50.222 54.222 58.222
27 46.478 50.478 54.478 58.478
28 46.734 50.734 54.734 58.734
29 46.990 50.990 54.990 58.990
NA41 NA42 NA43 NA44 0 39.570 43.570 47.570 51.570 1 39.826 43.826 47.826 51.826 2 40.082 44.082 48.082 52.082 3 40.338 44.338 48.338 52.338 4 40.593 44.593 48.593 52.593 5 40.849 44.849 48.849 52.849 6 41.105 45.105 49.105 53.105 7 41.361 45.361 49.361 53.361 8 41.617 45.617 49.617 53.617 9 41.873 45.873 49.873 53.873 10 42.129 46.129 50.129 54.129 11 42.384 46.384 50.384 54.384 12 42.640 46.640 50.640 54.640 13 42.896 46.896 50.896 54.896 14 43.152 47.152 51.152 55.152 15 43.408 47.408 51.408 55.408 16 43.664 47.664 51.664 55.664 17 43.920 47.920 51.920 55.920 18 44.176 48.176 52.176 56.176 19 44.431 48.431 52.431 56.431 20 44.687 48.687 52.687 56.687 21 44.943 48.943 52.943 56.943 22 45.199 49.199 53.199 57.199 23 45.455 49.455 53.455 57.455 24 45.711 49.711 53.711 57.711 25 45.967 49.967 53.967 57.967 26 46.222 50.222 54.222 58.222 27 46.478 50.478 54.478 58.478 28 46.734 50.734 54.734 58.734 29 46.990 50.990 54.990 58.990
§ 5. Dans la classe A5, les échelles de traitement sont fixées comme suit (en euros) :
 NA51 NA52 NA53 NA54
0 47.360 51.360 55.360 59.360
1 47.616 51.616 55.616 59.616
2 47.872 51.872 55.872 59.872
3 48.128 52.128 56.128 60.128
4 48.383 52.383 56.383 60.383
5 48.639 52.639 56.639 60.639
6 48.895 52.895 56.895 60.895
7 49.151 53.151 57.151 61.151
8 49.407 53.407 57.407 61.407
9 49.663 53.663 57.663 61.663
10 49.919 53.919 57.919 61.919
11 50.174 54.174 58.174 62.174
12 50.430 54.430 58.430 62.430
13 50.686 54.686 58.686 62.686
14 50.942 54.942 58.942 62.942
15 51.198 55.198 59.198 63.198
16 51.454 55.454 59.454 63.454
17 51.710 55.710 59.710 63.710
18 51.966 55.966 59.966 63.966
19 52.221 56.221 60.221 64.221
20 52.477 56.477 60.477 64.477
21 52.733 56.733 60.733 64.733
22 52.989 56.989 60.989 64.989
23 53.245 57.245 61.245 65.245
24 53.501 57.501 61.501 65.501
25 53.757 57.757 61.757 65.757
26 54.012 58.012 62.012 66.012
27 54.268 58.268 62.268 66.268
28 54.524 58.524 62.524 66.524
29 54.780 58.780 62.780 66.780
NA51 NA52 NA53 NA54 0 47.360 51.360 55.360 59.360 1 47.616 51.616 55.616 59.616 2 47.872 51.872 55.872 59.872 3 48.128 52.128 56.128 60.128 4 48.383 52.383 56.383 60.383 5 48.639 52.639 56.639 60.639 6 48.895 52.895 56.895 60.895 7 49.151 53.151 57.151 61.151 8 49.407 53.407 57.407 61.407 9 49.663 53.663 57.663 61.663 10 49.919 53.919 57.919 61.919 11 50.174 54.174 58.174 62.174 12 50.430 54.430 58.430 62.430 13 50.686 54.686 58.686 62.686 14 50.942 54.942 58.942 62.942 15 51.198 55.198 59.198 63.198 16 51.454 55.454 59.454 63.454 17 51.710 55.710 59.710 63.710 18 51.966 55.966 59.966 63.966 19 52.221 56.221 60.221 64.221 20 52.477 56.477 60.477 64.477 21 52.733 56.733 60.733 64.733 22 52.989 56.989 60.989 64.989 23 53.245 57.245 61.245 65.245 24 53.501 57.501 61.501 65.501 25 53.757 57.757 61.757 65.757 26 54.012 58.012 62.012 66.012 27 54.268 58.268 62.268 66.268 28 54.524 58.524 62.524 66.524 29 54.780 58.780 62.780 66.780
]1
  
 NA51 NA52 NA53 NA54
0 47.360 51.360 55.360 59.360
1 47.616 51.616 55.616 59.616
2 47.872 51.872 55.872 59.872
3 48.128 52.128 56.128 60.128
4 48.383 52.383 56.383 60.383
5 48.639 52.639 56.639 60.639
6 48.895 52.895 56.895 60.895
7 49.151 53.151 57.151 61.151
8 49.407 53.407 57.407 61.407
9 49.663 53.663 57.663 61.663
10 49.919 53.919 57.919 61.919
11 50.174 54.174 58.174 62.174
12 50.430 54.430 58.430 62.430
13 50.686 54.686 58.686 62.686
14 50.942 54.942 58.942 62.942
15 51.198 55.198 59.198 63.198
16 51.454 55.454 59.454 63.454
17 51.710 55.710 59.710 63.710
18 51.966 55.966 59.966 63.966
19 52.221 56.221 60.221 64.221
20 52.477 56.477 60.477 64.477
21 52.733 56.733 60.733 64.733
22 52.989 56.989 60.989 64.989
23 53.245 57.245 61.245 65.245
24 53.501 57.501 61.501 65.501
25 53.757 57.757 61.757 65.757
26 54.012 58.012 62.012 66.012
27 54.268 58.268 62.268 66.268
28 54.524 58.524 62.524 66.524
29 54.780 58.780 62.780 66.780
NA51 NA52 NA53 NA54 0 47.360 51.360 55.360 59.360 1 47.616 51.616 55.616 59.616 2 47.872 51.872 55.872 59.872 3 48.128 52.128 56.128 60.128 4 48.383 52.383 56.383 60.383 5 48.639 52.639 56.639 60.639 6 48.895 52.895 56.895 60.895 7 49.151 53.151 57.151 61.151 8 49.407 53.407 57.407 61.407 9 49.663 53.663 57.663 61.663 10 49.919 53.919 57.919 61.919 11 50.174 54.174 58.174 62.174 12 50.430 54.430 58.430 62.430 13 50.686 54.686 58.686 62.686 14 50.942 54.942 58.942 62.942 15 51.198 55.198 59.198 63.198 16 51.454 55.454 59.454 63.454 17 51.710 55.710 59.710 63.710 18 51.966 55.966 59.966 63.966 19 52.221 56.221 60.221 64.221 20 52.477 56.477 60.477 64.477 21 52.733 56.733 60.733 64.733 22 52.989 56.989 60.989 64.989 23 53.245 57.245 61.245 65.245 24 53.501 57.501 61.501 65.501 25 53.757 57.757 61.757 65.757 26 54.012 58.012 62.012 66.012 27 54.268 58.268 62.268 66.268 28 54.524 58.524 62.524 66.524 29 54.780 58.780 62.780 66.780
]1
  
Onderafdeling II. - Niveau B (griffiers en secretarissen).
Sous-section II. - Niveau B (greffiers et secrétaires).
Art. 371. [1 De graad van griffier en secretaris omvat de weddeschalen NBJ1, NBJ2, NBJ3, NBJ4 en NBJ5. ]1
  
Art. 371. [1 Le grade de greffier et de secrétaire comprend les échelles de traitement NBJ1, NBJ2, NBJ3, NBJ4 et NBJ5.]1
  
Art. 372. [1 De weddeschalen van de griffiers en de secretarissen worden als volgt vastgesteld (in euro) :
Art. 372. [1 Les échelles de traitement des greffiers et des secrétaires sont fixées comme suit (en euros) :
 NBJ1 NBJ2 NBJ3 NBJ4 NBJ5
0 17.274 20.274 22.774 25.274 27.774
1 17.530 20.530 23.030 25.530 28.030
2 17.786 20.786 23.286 25.786 28.286
3 18.042 21.042 23.542 26.042 28.542
4 18.298 21.298 23.798 26.298 28.798
5 18.554 21.554 24.054 26.554 29.054
6 18.810 21.810 24.310 26.810 29.310
7 19.066 22.066 24.566 27.066 29.566
8 19.321 22.321 24.821 27.321 29.821
9 19.577 22.577 25.077 27.577 30.077
10 19.833 22.833 25.333 27.833 30.333
11 20.089 23.089 25.589 28.089 30.589
12 20.345 23.345 25.845 28.345 30.845
13 20.601 23.601 26.101 28.601 31.101
14 20.857 23.857 26.357 28.857 31.357
15 21.113 24.113 26.613 29.113 31.613
16 21.369 24.369 26.869 29.369 31.869
17 21.625 24.625 27.125 29.625 32.125
18 21.881 24.881 27.381 29.881 32.381
19 22.137 25.137 27.637 30.137 32.637
20 22.393 25.393 27.893 30.393 32.893
21 22.649 25.649 28.149 30.649 33.149
22 22.904 25.904 28.404 30.904 33.404
23 23.160 26.160 28.660 31.160 33.660
24 23.416 26.416 28.916 31.416 33.916
25 23.672 26.672 29.172 31.672 34.172
26 23.928 26.928 29.428 31.928 34.428
27 24.184 27.184 29.684 32.184 34.684
28 24.440 27.440 29.940 32.440 34.940
29 24.696 27.696 30.196 32.696 35.196
NBJ1 NBJ2 NBJ3 NBJ4 NBJ5 0 17.274 20.274 22.774 25.274 27.774 1 17.530 20.530 23.030 25.530 28.030 2 17.786 20.786 23.286 25.786 28.286 3 18.042 21.042 23.542 26.042 28.542 4 18.298 21.298 23.798 26.298 28.798 5 18.554 21.554 24.054 26.554 29.054 6 18.810 21.810 24.310 26.810 29.310 7 19.066 22.066 24.566 27.066 29.566 8 19.321 22.321 24.821 27.321 29.821 9 19.577 22.577 25.077 27.577 30.077 10 19.833 22.833 25.333 27.833 30.333 11 20.089 23.089 25.589 28.089 30.589 12 20.345 23.345 25.845 28.345 30.845 13 20.601 23.601 26.101 28.601 31.101 14 20.857 23.857 26.357 28.857 31.357 15 21.113 24.113 26.613 29.113 31.613 16 21.369 24.369 26.869 29.369 31.869 17 21.625 24.625 27.125 29.625 32.125 18 21.881 24.881 27.381 29.881 32.381 19 22.137 25.137 27.637 30.137 32.637 20 22.393 25.393 27.893 30.393 32.893 21 22.649 25.649 28.149 30.649 33.149 22 22.904 25.904 28.404 30.904 33.404 23 23.160 26.160 28.660 31.160 33.660 24 23.416 26.416 28.916 31.416 33.916 25 23.672 26.672 29.172 31.672 34.172 26 23.928 26.928 29.428 31.928 34.428 27 24.184 27.184 29.684 32.184 34.684 28 24.440 27.440 29.940 32.440 34.940 29 24.696 27.696 30.196 32.696 35.196
]1
  
 NBJ1 NBJ2 NBJ3 NBJ4 NBJ5
0 17.274 20.274 22.774 25.274 27.774
1 17.530 20.530 23.030 25.530 28.030
2 17.786 20.786 23.286 25.786 28.286
3 18.042 21.042 23.542 26.042 28.542
4 18.298 21.298 23.798 26.298 28.798
5 18.554 21.554 24.054 26.554 29.054
6 18.810 21.810 24.310 26.810 29.310
7 19.066 22.066 24.566 27.066 29.566
8 19.321 22.321 24.821 27.321 29.821
9 19.577 22.577 25.077 27.577 30.077
10 19.833 22.833 25.333 27.833 30.333
11 20.089 23.089 25.589 28.089 30.589
12 20.345 23.345 25.845 28.345 30.845
13 20.601 23.601 26.101 28.601 31.101
14 20.857 23.857 26.357 28.857 31.357
15 21.113 24.113 26.613 29.113 31.613
16 21.369 24.369 26.869 29.369 31.869
17 21.625 24.625 27.125 29.625 32.125
18 21.881 24.881 27.381 29.881 32.381
19 22.137 25.137 27.637 30.137 32.637
20 22.393 25.393 27.893 30.393 32.893
21 22.649 25.649 28.149 30.649 33.149
22 22.904 25.904 28.404 30.904 33.404
23 23.160 26.160 28.660 31.160 33.660
24 23.416 26.416 28.916 31.416 33.916
25 23.672 26.672 29.172 31.672 34.172
26 23.928 26.928 29.428 31.928 34.428
27 24.184 27.184 29.684 32.184 34.684
28 24.440 27.440 29.940 32.440 34.940
29 24.696 27.696 30.196 32.696 35.196
NBJ1 NBJ2 NBJ3 NBJ4 NBJ5 0 17.274 20.274 22.774 25.274 27.774 1 17.530 20.530 23.030 25.530 28.030 2 17.786 20.786 23.286 25.786 28.286 3 18.042 21.042 23.542 26.042 28.542 4 18.298 21.298 23.798 26.298 28.798 5 18.554 21.554 24.054 26.554 29.054 6 18.810 21.810 24.310 26.810 29.310 7 19.066 22.066 24.566 27.066 29.566 8 19.321 22.321 24.821 27.321 29.821 9 19.577 22.577 25.077 27.577 30.077 10 19.833 22.833 25.333 27.833 30.333 11 20.089 23.089 25.589 28.089 30.589 12 20.345 23.345 25.845 28.345 30.845 13 20.601 23.601 26.101 28.601 31.101 14 20.857 23.857 26.357 28.857 31.357 15 21.113 24.113 26.613 29.113 31.613 16 21.369 24.369 26.869 29.369 31.869 17 21.625 24.625 27.125 29.625 32.125 18 21.881 24.881 27.381 29.881 32.381 19 22.137 25.137 27.637 30.137 32.637 20 22.393 25.393 27.893 30.393 32.893 21 22.649 25.649 28.149 30.649 33.149 22 22.904 25.904 28.404 30.904 33.404 23 23.160 26.160 28.660 31.160 33.660 24 23.416 26.416 28.916 31.416 33.916 25 23.672 26.672 29.172 31.672 34.172 26 23.928 26.928 29.428 31.928 34.428 27 24.184 27.184 29.684 32.184 34.684 28 24.440 27.440 29.940 32.440 34.940 29 24.696 27.696 30.196 32.696 35.196
]1
  
Onderafdeling III. [1 Bevordering in weddeschaal ]1
Sous-section III. - [1 De la promotion barémique]1
Art. 372bis. [1 Het personeelslid wordt van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn graad of van zijn klasse bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
   1° ten minste drie jaar schaalanciënniteit tellen;
   2° in zijn weddeschaal drie keer de vermelding "uitzonderlijk" of de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" hebben behaald. [2 De vermelding behaald na de evaluatieperiode die onmiddellijk volgt op de toekenning van de vermelding "onvoldoende", wordt echter niet in aanmerking genomen voor de beoordeling van deze voorwaarde]2
   In afwijking van het eerste lid wordt het personeelslid van de eerste naar de tweede weddeschaal van zijn graad of van zijn klasse bevorderd op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
   1° ten minste twee jaar schaalanciënniteit tellen;
   2° in zijn weddeschaal twee keer de vermelding "uitzonderlijk" hebben behaald;
   3° de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" in zijn weddeschaal hebben gekregen.]1

  
Art. 372bis. [1 Le membre du personnel est promu de la première à la deuxième échelle de traitement de son grade ou de sa classe le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
   1° compter au moins trois ans d'ancienneté d'échelle;
   2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, trois fois, l'une des mentions suivantes : "exceptionnel" ou "répond aux attentes". [2 La mention obtenue à l'issue de la période d'évaluation qui suit immédiatement l'attribution de la mention "insuffisant" n'entre, toutefois, pas en ligne de compte pour l'appréciation de cette condition.]2
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le membre du personnel est promu de la première à la deuxième échelle de traitement de son grade ou de sa classe le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
   1° compter au moins deux ans d'ancienneté d'échelle;
   2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, deux fois, la mention "exceptionnel";
   3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention "à améliorer", ni la mention "insuffisant.]1

  
Art. 372bis TOEKOMSTIG RECHT. [1 Om een bevordering door verhoging in weddenschaal te verkrijgen moet het personeelslid zich in de administratieve stand bevinden waarin hij zijn aanspraken op bevordering kan doen gelden en mag hij geen vermelding "onvoldoende" hebben gekregen op het einde van zijn evaluatie.
   Onverminderd het eerste lid, wordt het personeelslid dat behoort tot een niveau vermeld in kolom 1 van onderstaande tabel bevorderd naar de hogere weddenschaal van zijn graad of van zijn klasse die in kolom 2 van dezelfde tabel vermeld staat op de 1e dag van de maand die volgt op de maand waarin hij minstens het aantal jaren schaalanciënniteit telt dat ernaast vermeld staat in kolom 3 van dezelfde tabel.
Art. 372bis DROIT FUTUR. [1 Pour être promu par avancement barémique, le membre du personnel doit être dans une position administrative où il peut faire valoir ses titres à la promotion et il ne peut avoir obtenu la mention "insuffisant" au terme de son évaluation.
   Sans préjudice de l'alinéa 1er, le membre du personnel appartenant à un niveau repris dans la colonne 1 du tableau ci-dessous est promu à l'échelle de traitement supérieure de son grade ou de sa classe figurant dans la colonne 2 du même tableau le 1er jour du mois qui suit celui où il compte au moins le nombre d'années d'ancienneté d'échelle figurant dans la colonne 3 du même tableau.
Niveau Bevordering in weddenschaal Schaalanciënniteit minimum Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum
A-B Naar de 2e weddenschaal 3 jaar A-B Vers la 2e échelle de traitement 3 ans
A Vanaf de 3e weddenschaal 5 jaar A A partir de la 3e échelle de traitement 5 ans
A Naar de weddenschaal NA16 3 jaar A Vers l'échelle de traitement NA16 3 ans
B Vanaf de derde weddenschaal 6 jaar B A partir de la 3e échelle de traitement 6 ans
Niveau Bevordering in weddenschaal Schaalanciënniteit minimum Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum A-B Naar de 2e weddenschaal 3 jaar A-B Vers la 2e échelle de traitement 3 ans A Vanaf de 3e weddenschaal 5 jaar A A partir de la 3e échelle de traitement 5 ans A Naar de weddenschaal NA16 3 jaar A Vers l'échelle de traitement NA16 3 ans B Vanaf de derde weddenschaal 6 jaar B A partir de la 3e échelle de traitement 6 ans
]1
  
Niveau Bevordering in weddenschaal Schaalanciënniteit minimum Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum
A-B Naar de 2e weddenschaal 3 jaar A-B Vers la 2e échelle de traitement 3 ans
A Vanaf de 3e weddenschaal 5 jaar A A partir de la 3e échelle de traitement 5 ans
A Naar de weddenschaal NA16 3 jaar A Vers l'échelle de traitement NA16 3 ans
B Vanaf de derde weddenschaal 6 jaar B A partir de la 3e échelle de traitement 6 ans
Niveau Bevordering in weddenschaal Schaalanciënniteit minimum Niveau Promotion dans l'échelle de traitement Ancienneté d'échelle minimum A-B Naar de 2e weddenschaal 3 jaar A-B Vers la 2e échelle de traitement 3 ans A Vanaf de 3e weddenschaal 5 jaar A A partir de la 3e échelle de traitement 5 ans A Naar de weddenschaal NA16 3 jaar A Vers l'échelle de traitement NA16 3 ans B Vanaf de derde weddenschaal 6 jaar B A partir de la 3e échelle de traitement 6 ans
]1
  
Art. 372ter. [1 In niveau B wordt het personeelslid bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn graad is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
   1° ten minste zes jaar schaalanciënniteit tellen;
   2° in zijn weddeschaal zes keer een van de volgende vermeldingen hebben behaald : "uitzonderlijk" of "voldoet aan de verwachtingen". [2 De vermelding behaald na de evaluatieperiode die onmiddellijk volgt op de toekenning van de vermelding "onvoldoende" wordt echter niet in aanmerking genomen voor de beoordeling van deze voorwaarde.]2
   In afwijking van het eerste lid wordt het personeelslid bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn graad is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
   1° ten minste vier jaar schaalanciënniteit tellen;
   2° in zijn weddeschaal vier keer de vermelding "uitzonderlijk" hebben behaald;
   3° in zijn weddeschaal de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" hebben behaald.]1

  
Art. 372ter. [1 Dans le niveau B, le membre du personnel est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de son grade le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
   1° compter au moins six ans d'ancienneté d'échelle;
   2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, six fois, l'une des mentions suivantes : "exceptionnel" ou "répond aux attentes". [2 La mention obtenue à l'issue de la période d'évaluation qui suit immédiatement l'attribution de la mention "insuffisant" n'entre, toutefois, pas en ligne de compte pour l'appréciation de cette condition.]2
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le membre du personnel est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de son grade le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
   1° compter au moins quatre ans d'ancienneté d'échelle;
   2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, quatre fois, la mention "exceptionnel";
   3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention "à améliorer", ni la mention "insuffisant".]1

  
Art. 372ter TOEKOMSTIG RECHT. [1 ...]1
  
Art. 372ter DROIT FUTUR. [1 ...]1
  
Art. 372quater. [1 In niveau A, wordt het personeelslid bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn klasse is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de twee volgende voorwaarden vervult :
   1° ten minste vijf jaar schaalanciënniteit tellen;
   2° in zijn weddeschaal vijf keer ofwel de vermelding "uitzonderlijk" ofwel "voldoet aan de verwachtingen". [2 De vermelding behaald na de evaluatieperiode die onmiddellijk volgt op de toekenning van de vermelding "onvoldoende" wordt echter niet in aanmerking genomen voor de beoordeling van deze voorwaarde.]2
   In afwijking van het eerste lid wordt het personeelslid bevorderd naar de hogere weddeschaal die niet de tweede weddeschaal van zijn klasse is op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin hij de drie volgende voorwaarden vervult :
   1° ten minste vier jaar schaalanciënniteit tellen;
   2° in zijn weddeschaal vier keer de vermelding "uitzonderlijk" hebben behaald;
   3° in zijn weddeschaal de vermelding "te verbeteren" noch de vermelding "onvoldoende" hebben behaald.
   In afwijking van het eerste en het tweede lid, gebeurt de bevordering naar de weddeschaal NA16 overeenkomstig artikel 372bis.]1

  
Art. 372quater. [1 Au niveau A, le membre du personnel est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de sa classe le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les deux conditions suivantes :
   1° compter au moins cinq ans d'ancienneté d'échelle;
   2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, cinq fois soit la mention "exceptionnel", soit la mention "répond aux attentes". [2 La mention obtenue à l'issue de la période d'évaluation qui suit immédiatement l'attribution de la mention "insuffisant" n'entre, toutefois, pas en ligne de compte pour l'appréciation de cette condition.]2
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le membre du personnel est promu à l'échelle de traitement supérieure qui n'est pas la deuxième échelle de traitement de sa classe le premier jour du mois qui suit celui où il remplit les trois conditions suivantes :
   1° compter au moins quatre ans d'ancienneté d'échelle;
   2° avoir obtenu, dans son échelle de traitement, quatre fois, la mention "exceptionnel";
   3° n'avoir pas obtenu, dans son échelle de traitement, la mention "à améliorer", ni la mention "insuffisant".
   Par dérogation aux alinéas 1er et 2, la promotion barémique vers l'échelle de traitement NA16 se fait conformément à l'article 372bis. ]1

  
Art. 372quater TOEKOMSTIG RECHT. [1 ...]1
  
Art. 372quater DROIT FUTUR. [1 ...]1
  
Art. 372quinquies. [1 De functiehouder van hoofdgriffier of van hoofdsecretaris bedoeld in [2 artikel 160, § 8, vierde lid]2, wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal of geniet schaalbonificaties in de klasse waarin hij is benoemd alsof hij jaarlijks de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" heeft behaald.]1
  
Art. 372quinquies. [1 Le titulaire des fonctions de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[2 article 160, § 8, alinéa 4]2, est promu à l'échelle de traitement supérieure ou bénéficie des bonifications d'échelle dans la classe où il est nommé comme s'il y avait obtenu annuellement la mention "répond aux attentes". ]1
  
Art. 372quinquies TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De functiehouder van hoofdgriffier of van hoofdsecretaris bedoeld in [2 artikel 160, § 8, vierde lid]2, wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal of geniet schaalbonificaties in de klasse waarin hij is benoemd [3 ...]3.]1
Art. 372quinquies DROIT FUTUR.    [1 Le titulaire des fonctions de greffier en chef ou de secrétaire en chef visé à l'[2 article 160, § 8, alinéa 4]2, est promu à l'échelle de traitement supérieure ou bénéficie des bonifications d'échelle dans la classe où il est nommé [3 ...]3. ]1
Art. 372sexies. [1 Het contractuele personeelslid geniet de bevorderingen in weddeschaal bedoeld in de artikelen 372bis tot 372quater.
   In afwijking van deze artikelen kan het contractuele personeelslid niet naar een schaal worden bevorderd die hoger is dan de derde schaal van zijn graad of klasse.]1

  
Art. 372sexies. [1 Le membre du personnel contractuel bénéficie des promotions barémiques visées aux articles 372bis à 372quater.
   Par dérogation à ces articles, un membre du personnel contractuel ne peut être promu à une échelle de traitement qui est supérieure à la troisième échelle de son grade ou de sa classe.]1

  
Art. 372sexies TOEKOMSTIG RECHT.    [1 Het contractuele personeelslid geniet de bevorderingen in weddeschaal bedoeld [2 in artikel 372bis]2.
   In afwijking [2 van dit artikel]2 kan het contractuele personeelslid niet naar een schaal worden bevorderd die hoger is dan de derde schaal van zijn graad of klasse.]1
Art. 372sexies DROIT FUTUR.    [1 Le membre du personnel contractuel bénéficie des promotions barémiques visées [2 à l'article 372bis]2.
   Par dérogation [2 à cet article]2, un membre du personnel contractuel ne peut être promu à une échelle de traitement qui est supérieure à la troisième échelle de son grade ou de sa classe.]1
Onderafdeling IV. [1 Weddeschaal in het kader van de bevordering door overgang naar het hogere niveau, de bevordering naar de hogere klasse of de verandering van graad.]1
Sous-section IV. - [1 De l'échelle de traitement dans le cadre de la promotion par accession au niveau supérieur, de la promotion à la classe supérieure ou du changement de grade]1
Art. 372septies. [2 § 1.]2 [1 Het personeelslid dat naar het hogere niveau of klasse is bevorderd, krijgt de eerste weddeschaal van zijn graad of klasse.
   In afwijking van het eerste lid krijgt het personeelslid dat is bevorderd naar het hogere niveau of hogere klasse en bezoldigd in de weddeschaal bedoeld in de eerste kolom van de onderstaande tabel de weddeschaal van zijn graad of klasse vermeld in de tweede kolom :
Art. 372septies. [2 § 1er.]2 [1 Le membre du personnel qui est promu au niveau supérieur ou à la classe supérieure obtient la première échelle de traitement de son grade ou de sa classe.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le membre du personnel promu au niveau supérieur ou à la classe supérieure et rémunéré dans l'échelle de traitement visée dans la première colonne du tableau ci-dessous obtient l'échelle de traitement de son grade ou de sa classe indiquée dans la deuxième colonne :
Kolom 1 Kolom 2  Colonne 1 Colonne 2
C3 NBJ2  C3 NBJ2
C4 NBJ2  C4 NBJ2
C5 NBJ3  C5 NBJ3
B3 NA12  B3 NA12
B4 NA12  B4 NA12
B5 NA13  B5 NA13
NBI3 / NBJ3 NA12  NBI3 / NBJ3 NA12
NBI4 / NBJ4 NA13/NA22  NBI4 / NBJ4 NA13/NA22
NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23  NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23
NA12 NA22  NA12 NA22
NA13 NA23  NA13 NA23
NA14 NA24  NA14 NA24
NA15 NA25  NA15 NA25
NA16 NA25  NA16 NA25
NA23 NA32  NA23 NA32
NA24 NA33  NA24 NA33
NA25 NA34  NA25 NA34
NA34 NA42  NA34 NA42
NA35 NA43  NA35 NA43
NA43 NA52  NA43 NA52
NA44 NA53 ''.  NA44 NA53''.
Kolom 1 Kolom 2 Colonne 1 Colonne 2 C3 NBJ2 C3 NBJ2 C4 NBJ2 C4 NBJ2 C5 NBJ3 C5 NBJ3 B3 NA12 B3 NA12 B4 NA12 B4 NA12 B5 NA13 B5 NA13 NBI3 / NBJ3 NA12 NBI3 / NBJ3 NA12 NBI4 / NBJ4 NA13/NA22 NBI4 / NBJ4 NA13/NA22 NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23 NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23 NA12 NA22 NA12 NA22 NA13 NA23 NA13 NA23 NA14 NA24 NA14 NA24 NA15 NA25 NA15 NA25 NA16 NA25 NA16 NA25 NA23 NA32 NA23 NA32 NA24 NA33 NA24 NA33 NA25 NA34 NA25 NA34 NA34 NA42 NA34 NA42 NA35 NA43 NA35 NA43 NA43 NA52 NA43 NA52 NA44 NA53 ''. NA44 NA53''.
]1
  [2 § 2. In afwijking van paragraaf 1 behoudt het personeelslid dat op basis van artikel 375, § 1, een toelage voor het uitoefenen van een functie in een hoger niveau of een hogere klasse ontvangt, en vervolgens bevorderd wordt in de graad of in de klasse die overeenstemt met de betrekking die hij heeft uitgeoefend, in voorkomend geval zijn oude wedde en zijn toelage als de wedde verkregen in de weddeschaal verbonden aan zijn nieuwe graad of aan zijn nieuwe klasse minder gunstig is dan zijn oude wedde verhoogd met de toelage.
   Het personeelslid behoudt dit voordeel totdat hij in zijn nieuwe weddenschaal een wedde verkrijgt die gelijkwaardig is aan die verbonden aan zijn oude graad of zijn oude klasse, verhoogd met zijn toelage.
   Voor de toepassing van dit artikel moet onder "oude wedde en zijn toelage" worden verstaan, de wedde en de toelage voor het uitoefenen van een hoger ambt, bedoeld in artikel 375, § 1, verschuldigd op de dag voor de datum van de bevordering naar het hogere niveau of naar de hogere klasse.]2

  
Kolom 1 Kolom 2  Colonne 1 Colonne 2
C3 NBJ2  C3 NBJ2
C4 NBJ2  C4 NBJ2
C5 NBJ3  C5 NBJ3
B3 NA12  B3 NA12
B4 NA12  B4 NA12
B5 NA13  B5 NA13
NBI3 / NBJ3 NA12  NBI3 / NBJ3 NA12
NBI4 / NBJ4 NA13/NA22  NBI4 / NBJ4 NA13/NA22
NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23  NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23
NA12 NA22  NA12 NA22
NA13 NA23  NA13 NA23
NA14 NA24  NA14 NA24
NA15 NA25  NA15 NA25
NA16 NA25  NA16 NA25
NA23 NA32  NA23 NA32
NA24 NA33  NA24 NA33
NA25 NA34  NA25 NA34
NA34 NA42  NA34 NA42
NA35 NA43  NA35 NA43
NA43 NA52  NA43 NA52
NA44 NA53 ''.  NA44 NA53''.
Kolom 1 Kolom 2 Colonne 1 Colonne 2 C3 NBJ2 C3 NBJ2 C4 NBJ2 C4 NBJ2 C5 NBJ3 C5 NBJ3 B3 NA12 B3 NA12 B4 NA12 B4 NA12 B5 NA13 B5 NA13 NBI3 / NBJ3 NA12 NBI3 / NBJ3 NA12 NBI4 / NBJ4 NA13/NA22 NBI4 / NBJ4 NA13/NA22 NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23 NBI5 / NBJ5 NA14 / NA23 NA12 NA22 NA12 NA22 NA13 NA23 NA13 NA23 NA14 NA24 NA14 NA24 NA15 NA25 NA15 NA25 NA16 NA25 NA16 NA25 NA23 NA32 NA23 NA32 NA24 NA33 NA24 NA33 NA25 NA34 NA25 NA34 NA34 NA42 NA34 NA42 NA35 NA43 NA35 NA43 NA43 NA52 NA43 NA52 NA44 NA53 ''. NA44 NA53''.
]1
  [2 § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, le membre du personnel qui perçoit une allocation pour l'exercice d'une fonction à un niveau supérieur ou dans une classe supérieure sur la base de l'article 375, § 1er, et ensuite est promu dans le grade ou à la classe correspondant à l'emploi qu'il a exercé, conserve, le cas échéant, son ancien traitement et son allocation si le traitement obtenu dans l'échelle de traitement liée à son nouveau grade ou sa nouvelle classe est moins favorable que son ancien traitement augmenté de son allocation.
   Le membre du personnel conserve cet avantage jusqu'à ce qu'il obtienne dans sa nouvelle échelle de traitement, un traitement équivalent à celui lié à son ancien grade ou son ancienne classe, augmenté de son allocation.
   Pour l'application du présent article, on entend par "ancien traitement et son allocation", le traitement et l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure, visée à l'article 375, § 1er, dus le jour précédant la date de la promotion au niveau supérieur ou à la classe supérieure.]2

  
Art. 372octies. [1 Het personeelslid dat een verandering van graad krijgt naar de graad van griffier of secretaris, geniet de eerste, tweede, derde, vierde of vijfde weddeschaal van zijn nieuwe graad, naargelang hij de eerste, tweede, derde, vierde of vijfde weddeschaal van zijn vroegere graad genoot. Hij neemt zijn schaalanciënniteit mee alsook de vermeldingen die hij in deze weddeschaal heeft behaald.]1
  
Art. 372octies. [1 Le membre du personnel qui obtient un changement de grade vers le grade de greffier ou de secrétaire bénéficie de la première, deuxième, troisième, quatrième ou cinquième échelle de traitement de son nouveau grade selon qu'il bénéficiait de la première, deuxième, troisième, quatrième ou cinquième échelle de traitement de son ancien grade. Il y emporte son ancienneté d'échelle ainsi que les mentions qu'il a reçues dans cette échelle de traitement.]1
  
Afdeling III. - Toelagen en premies.
Section III. - Des allocations et des primes.
Art. 373. <W 2007-04-25/64, art. 141, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008> [4 § 1.]4 Toegekend worden :
  1° een weddenbijslag van 2 221,91 euro aan de griffier die de onderzoeksrechter of [3 bij de jeugdrechtbank aangewezen rechter van de familie- en jeugdrechtbank]3 gedurende minstens een maand bijstaat;
  2° een premie van 123,95 euro [4 per begonnen periode van vijf zittingsdagen]4 per zaak aan de griffier die gedurende de zitting van het hof van assisen het ambt van griffier van het hof van assisen uitoefent;
  3° [1 een maandelijkse toelage van 110 euro aan de leden van de griffies, van de parketsecretariaten en de personeelsleden van niveau A die het bewijs leveren van de grondige kennis van de tweede taal, zoals bepaald in artikel 53, § 6, derde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, op voorwaarde dat zij hun ambt uitoefenen bij een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten of van de leden van de griffie of het parketsecretariaat krachtens de voornoemde wet het bewijs moeten leveren van de kennis van meer dan een landstaal [2 of zij tewerkgesteld zijn bij een federale overheidsdienst, commissie, instelling of dienst waarvan het ambtsgebied het ganse land bestrijkt]2;]1
  4° [1 een maandelijkse toelage van 60 euro aan de leden van de griffies, van de parketsecretariaten en de personeelsleden van niveau A die het bewijs leveren van de functionele kennis van de tweede taal, zoals bepaald in artikel 53, § 6, vierde lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, op voorwaarde dat zij hun ambt uitoefenen bij een rechtscollege waar ten minste een gedeelte van de magistraten of van de leden van de griffie of het parketsecretariaat krachtens de voornoemde wet het bewijs moeten leveren van de kennis van meer dan een landstaal [2 of zij tewerkgesteld zijn bij een federale overheidsdienst, commissie, instelling of dienst waarvan het ambtsgebied het ganse land bestrijkt]2.]1
  [2 5° een jaarlijkse [4 directietoelage]4 van 1 000 euro aan de leden van de griffie en het parketsecretariaat, overeenkomstig de voorwaarden bepaald voor de toekenning ervan aan de personeelsleden van niveau B, bedoeld in artikel 177, § 2.]2
  [4 § 2. Indien het lid van de griffie, van het parketsecretariaat of het personeelslid van niveau A voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van meerdere toelagen voor de kennis van dezelfde taal krijgt hij slechts de hoogste toelage.
   Als hij voldoet aan de toekenningsvoorwaarden van meerdere toelagen voor de kennis van twee talen krijgt hij de twee toelagen. Het totaalbedrag van deze toelagen mag echter niet meer bedragen dan 150 % van de hoogste toelage.
   § 3. De toelage bedoeld in paragraaf 1, 3°, 4° en 5°, wordt enkel toegekend aan de leden van de griffies, van de parketsecretariaten, en de personeelsleden van niveau A die in dienstactiviteit zijn en een wedde genieten. De toelage is niet langer verschuldigd als niet langer aan de voorwaarden wordt voldaan.
   De toelage wordt tegelijk met de wedde vereffend. Bij onvolledige prestaties wordt zij naar rata van de geleverde prestaties uitbetaald.
   § 4. De taaltoelage bedoeld in paragraaf 1, 3° en 4°, is niet verschuldigd in het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening van meer dan dertig opeenvolgende werkdagen. De schorsing van de toelage gebeurt met terugwerkende kracht op de eerste dag van de afwezigheid.
   De volgende afwezigheden worden niet beschouwd als een onderbreking van de ambtsuitoefening :
   1° een ouderschapsverlof, een adoptieverlof, een opvangverlof, een pleegzorgverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap;
   2° het jaarlijks vakantieverlof;
   3° de afwezigheid door een ziekte of disponibiliteit, een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte;
   4° een loopbaanonderbreking om palliatieve zorgen of medische bijstand te verstrekken en loopbaanonderbreking voor erkende mantelzorg.
   In afwijking van paragraaf 3, tweede lid, wordt de toelage niet verminderd bij een verlof wegens verminderde prestaties die gewettigd zijn door een chronische ziekte, een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar en van het werk of een beroepsziekte.
   § 5. De directietoelage bedoeld in paragraaf 1, 5°, is niet verschuldigd in het geval van onderbreking van de ambtsuitoefening van meer dan dertig opeenvolgende werkdagen. De schorsing van de toelage gebeurt met terugwerkende kracht op de eerste dag van de afwezigheid.
   De volgende afwezigheden worden niet beschouwd als een onderbreking van de ambtsuitoefening :
   1° een ouderschapsverlof en een verlof verbonden aan de bescherming van het moederschap;
   2° een jaarlijks vakantieverlof;
   3° een afwezigheid door een arbeidsongeval, een ongeval op de weg naar of van het werk of een beroepsziekte.]4

  
Art. 373. <L 2007-04-25/64, art. 141, 155; En vigueur : 01-12-2008> [4 § 1er.]4 Il est alloue :
  1° un supplément de traitement de 2 221,91 euros au greffier qui assiste le juge d'instruction ou le juge [3 au tribunal de la famille et de la jeunesse désigné auprès du tribunal de la jeunesse]3 pendant un mois au moins;
  2° une prime de 123,95 euros [4 par période entamée de cinq jours d'audience]4 par affaire au greffier qui exerce la fonction de greffier de la cour d'assises durant la session de la cour d'assises;
  3° [1 une allocation mensuelle de 110 euros aux membres des greffes, des secrétariats de parquet, des membres du personnel du niveau A qui justifient de la connaissance approfondie de la deuxième langue, comme déterminé à l'article 53, § 6, alinéa 3, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, à condition qu'ils exercent leurs fonctions auprès d'une juridiction où une partie au moins des magistrats ou des membres du greffe ou du secrétariat de parquet sont, en vertu de la loi précitée, tenus de justifier de la connaissance de plus d'une langue nationale [2 ou aux membres du personnel qui travaillent dans un service public fédéral, une commission fédérale, un organisme ou un service fédéral dont le ressort s'étend à tout le pays]2;]1
  4° [1 une allocation mensuelle de 60 euros aux membres des greffes, des secrétariats de parquet, des membres de personnel du niveau A qui justifient de la connaissance fonctionnelle de la deuxième langue, comme déterminé à l'article 53, § 6, alinéa 4, de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, à condition qu'ils exercent leurs fonctions auprès d'une juridiction où une partie au moins des magistrats ou des membres du greffe ou du secrétariat de parquet sont, en vertu de la loi précitée, tenus de justifier de la connaissance de plus d'une langue nationale [2 ou aux membres du personnel qui travaillent dans un service public fédéral, une commission fédérale, un organisme ou un service fédéral dont le ressort s'étend à tout le pays]2.]1
  [2 5° une [4 allocation de direction]4 annuelle de 1 000 euros aux membres du greffe et du secrétariat de parquet, aux conditions établies pour l'octroi de cette prime aux membres du personnel de niveau B, visés à l'article 177, § 2.]2
  [4 § 2. Si le membre du greffe, du secrétariat de parquet ou le membre du personnel de niveau A satisfait aux conditions d'octroi de plusieurs allocations pour la connaissance de la même langue, il ne reçoit que l'allocation la plus élevée.
   S'il satisfait aux conditions d'octroi de plusieurs allocations pour la connaissance de deux langues, il reçoit les deux allocations. Le montant total de ces allocations ne peut toutefois excéder 150 % de l'allocation la plus élevée.
   § 3. L'allocation visée au paragraphe 1er, 3°, 4° et 5°, est uniquement allouée aux membres des greffes et des secrétariats de parquet et aux membres du personnel de niveau A qui sont en activité de service et qui bénéficient d'un traitement. L'allocation n'est plus due s'il n'est plus satisfait aux conditions.
   L'allocation est liquidée en même temps que le traitement. En cas de prestations incomplètes, elle est payée au prorata des prestations fournies.
   § 4. L'allocation linguistique visée au paragraphe 1er, 3° et 4°, n'est pas due en cas d'interruption de l'exercice de la fonction de plus de trente jours ouvrables successifs. La suspension de l'allocation s'opère avec effet rétroactif au premier jour de l'absence.
   Les absences suivantes ne sont pas considérées comme une interruption de l'exercice de la fonction :
   1° un congé parental, un congé d'adoption, un congé d'accueil, un congé pour soins d'accueil et un congé lié à la protection de la maternité;
   2° le congé annuel de vacances;
   3° l'absence due à une maladie ou à la disponibilité, un accident du travail, un accident sur le chemin du travail ou une maladie professionnelle;
   4° une interruption de carrière pour assurer des soins palliatifs ou une assistance médicale et l'interruption de carrière pour aidants proches reconnus.
   Par dérogation au paragraphe 3, alinéa 2, l'allocation n'est pas réduite en cas de congé pour prestations réduites justifiées par une maladie chronique, un accident du travail, un accident sur le chemin du travail ou une maladie professionnelle.
   § 5. L'allocation de direction visée au paragraphe 1er, 5°, n'est pas due en cas d'interruption de l'exercice de la fonction de plus de trente jours ouvrables successifs. La suspension de l'allocation s'opère avec effet rétroactif au premier jour de l'absence.
   Les absences suivantes ne sont pas considérées comme une interruption de l'exercice de la fonction :
   1° un congé parental et un congé lié à la protection de la maternité;
   2° un congé annuel de vacances;
   3° une absence due à un accident du travail, à un accident sur le chemin du travail ou à une maladie professionnelle.]4

  
Art. 374. <W 2007-04-25/64, art. 144, § 2, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008> De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedde van het personeel van de federale overheidsdiensten, geldt eveneens voor de premies en toelagen bedoeld [1 in artikel 373]1.
  Deze bedragen worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  
Art. 374. <L 2007-04-25/64, art. 144, § 2, 155; En vigueur : 01-12-2008> Le régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des services publics fédéraux s'applique également aux primes et allocations visées [1 à l'article 373]1.
  Ces montants sont rattachés à l'indice pivot 138,01.
  
Art. 375. <W 2007-04-25/64, art. 145, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. De personeelsleden van het niveau A of de leden van een griffie of een parketsecretariaat, die in toepassing van de artikelen 330, en 330bis, gedurende een ononderbroken periode van één maand een hoger ambt uitoefenen, ontvangen een toelage waarvan het bedrag wordt bepaald op het verschil tussen de bezoldiging welke het personeelslid zou genieten in de graad van het voorlopig uitgeoefend ambt en de bezoldiging welke hij geniet in zijn werkelijke graad.
  De bezoldiging bedoeld in het voorgaande lid omvat :
  1° de wedde, in voorkomend geval met inbegrip van de verschuldigde weddenbijslagen [2 en de schaalbonificaties verleend krachtens [3 de artikelen 57 tot 59]3 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het invoeren van een nieuwe geldelijke loopbaan voor het gerechtspersoneel en van een mandatensysteem voor de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen]2;
  2° eventueel de haard- of standplaatstoelage.
  § 2. De leden van een griffie of een parketsecretariaat, die in toepassing van de artikelen 328 of 329bis, geroepen worden om gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden een hoger ambt te vervullen, ontvangen een toelage, waarvan het bedrag wordt bepaald op de helft van het in § 1. bedoelde bedrag.
  § 3. De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten, geldt eveneens voor deze toelage.
  Zij wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  De toelage is onderworpen aan de bijdrage voor het stelsel van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit sector gezondheidszorgen en aan de bijzondere bijdrage voor de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid.
  De toelage is evenwel niet onderworpen aan de inhouding bestemd voor de financiering van het wettelijk pensioen.
  § 4. Deze toelage wordt verleend onder dezelfde voorwaarden als de toelage verleend voor de uitoefening van een hoger ambt, toegekend aan de personeelsleden van het niveau B, C en D, [1 bedoeld in artikel 177]1.
  [4 § 5. Het personeelslid wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal of geniet schaalbonificaties in de graad of de klasse waarin hij is benoemd alsof hij jaarlijks de vermelding "voldoet aan de verwachtingen" heeft behaald, zelfs indien hij in het kader van de uitoefening van een hogere functie de vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" heeft behaald. De vermelding "te verbeteren" of "onvoldoende" stelt echter ambtshalve een einde aan de aanwijzing in een hogere functie.
   In afwijking van het eerste lid behaalt het personeelslid de vermelding "uitzonderlijk" voor de functie van de klasse of het niveau waarin hij is benoemd, wanneer hij de vermelding "uitzonderlijk" behaalt in de functie die verband houdt met de uitoefening van de hogere functie.]4

  
Art. 375. <L 2007-04-25/64, art. 145, 155; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Les membres du personnel de niveau A et les membres d'un greffe ou d'un secrétariat de parquet appelés, en application des articles 330 et 330bis, a remplir une fonction supérieure durant une période ininterrompue d'un mois, perçoivent une allocation dont le montant est fixé sur la base de la différence entre la rémunération dont le membre du personnel bénéficierait dans le grade de la fonction exercée à titre provisoire et la rémunération dont il bénéficie dans son grade effectif.
  La rémunération dont il est question à l'alinéa précédent comprend :
  1° le traitement, y compris, le cas échéant, les suppléments de traitement dus [2 et les bonifications d'échelle octroyées en vertu [3 des articles 57 à 59]3 de la loi du 10 avril 2014 modifiant certaines dispositions du Code judiciaire en vue d'instaurer une nouvelle carrière pécuniaire pour le personnel judiciaire ainsi qu'un système de mandats pour les greffiers en chef et les secrétaires en chef]2;
  2° éventuellement l'allocation de foyer ou de résidence.
  § 2. Les membres d'un greffe ou d'un secrétariat de parquet appelés, en application de l'article 328 ou 329bis à remplir une fonction supérieure pendant une période d'au moins trois mois consécutifs, perçoivent une allocation dont le montant correspond à la moitié de celui visé au § 1er.
  § 3. Le régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des services publics fédéraux s'applique également à cette allocation.
  Elle est liée à l'indice pivot 138,01.
  L'allocation est soumise à la cotisation pour le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité secteur des soins de santé et à la cotisation spéciale pour le financement du régime de la sécurité sociale.
  L'allocation n'est toutefois pas soumise à la retenue destinée au financement de la pension légale.
  § 4. Cette allocation est attribuée dans les mêmes conditions que l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure accordée aux membres du personnel de niveau B, C et D [1 visé à l'article 177]1.
  [4 § 5. Le membre du personnel est promu à l'échelle de traitement supérieure ou bénéficie des bonifications d'échelle dans le grade ou la classe où il est nommé comme s'il y avait obtenu annuellement la mention "répond aux attentes", même s'il a obtenu la mention "à améliorer" ou "insuffisant" dans le cadre de l'exercice d'une fonction supérieure. La mention "à améliorer" ou "insuffisant" met, cependant, fin d'office à la désignation à une fonction supérieure.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, le membre du personnel obtient la mention "exceptionnel" dans la fonction de la classe ou du niveau où il est nommé, lorsqu'il obtient la mention "exceptionnel" dans la fonction liée à l'exercice de la fonction supérieure.]4

  
Art. 375 TOEKOMSTIG RECHT.    <W 2007-04-25/64, art. 145, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008> § 1. De personeelsleden van het niveau A of de leden van een griffie of een parketsecretariaat, die in toepassing van de artikelen 330, en 330bis, gedurende een ononderbroken periode van één maand een hoger ambt uitoefenen, ontvangen een toelage waarvan het bedrag wordt bepaald op het verschil tussen de bezoldiging welke het personeelslid zou genieten in de graad van het voorlopig uitgeoefend ambt en de bezoldiging welke hij geniet in zijn werkelijke graad.
  De bezoldiging bedoeld in het voorgaande lid omvat :
  1° de wedde, in voorkomend geval met inbegrip van de verschuldigde weddenbijslagen [2 en de schaalbonificaties verleend krachtens [3 de artikelen 57 tot 59]3 van de wet van 10 april 2014 tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met het oog op het invoeren van een nieuwe geldelijke loopbaan voor het gerechtspersoneel en van een mandatensysteem voor de hoofdgriffiers en de hoofdsecretarissen]2;
  2° eventueel de haard- of standplaatstoelage.
  § 2. De leden van een griffie of een parketsecretariaat, die in toepassing van de artikelen 328 of 329bis, geroepen worden om gedurende ten minste drie opeenvolgende maanden een hoger ambt te vervullen, ontvangen een toelage, waarvan het bedrag wordt bepaald op de helft van het in § 1. bedoelde bedrag.
  § 3. De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten, geldt eveneens voor deze toelage.
  Zij wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.
  De toelage is onderworpen aan de bijdrage voor het stelsel van de verplichte verzekering tegen ziekte en invaliditeit sector gezondheidszorgen en aan de bijzondere bijdrage voor de financiering van het stelsel van de sociale zekerheid.
  De toelage is evenwel niet onderworpen aan de inhouding bestemd voor de financiering van het wettelijk pensioen.
  § 4. Deze toelage wordt verleend onder dezelfde voorwaarden als de toelage verleend voor de uitoefening van een hoger ambt, toegekend aan de personeelsleden van het niveau B, C en D, [1 bedoeld in artikel 177]1.
  [4 § 5. Het personeelslid wordt bevorderd naar de hogere weddeschaal of geniet schaalbonificaties in de graad of de klasse waarin hij is benoemd [5 ...]5 zelfs indien hij in het kader van de uitoefening van een hogere functie de vermelding [5 ...]5 of "onvoldoende" heeft behaald. De vermelding [5 ...]5 of "onvoldoende" stelt echter ambtshalve een einde aan de aanwijzing in een hogere functie.
  [5 ...]5]4

  [5 § 6. De verlenging van de hogere functie die toegekend werd op basis van de artikelen 328, 329bis, 330 en 330bis leidt niet tot de herberekening van de toelage.]5
Art. 375 DROIT FUTUR.    <L 2007-04-25/64, art. 145, 155; En vigueur : 01-12-2008> § 1er. Les membres du personnel de niveau A et les membres d'un greffe ou d'un secrétariat de parquet appelés, en application des articles 330 et 330bis, a remplir une fonction supérieure durant une période ininterrompue d'un mois, perçoivent une allocation dont le montant est fixé sur la base de la différence entre la rémunération dont le membre du personnel bénéficierait dans le grade de la fonction exercée à titre provisoire et la rémunération dont il bénéficie dans son grade effectif.
  La rémunération dont il est question à l'alinéa précédent comprend :
  1° le traitement, y compris, le cas échéant, les suppléments de traitement dus [2 et les bonifications d'échelle octroyées en vertu [3 des articles 57 à 59]3 de la loi du 10 avril 2014 modifiant certaines dispositions du Code judiciaire en vue d'instaurer une nouvelle carrière pécuniaire pour le personnel judiciaire ainsi qu'un système de mandats pour les greffiers en chef et les secrétaires en chef]2;
  2° éventuellement l'allocation de foyer ou de résidence.
  § 2. Les membres d'un greffe ou d'un secrétariat de parquet appelés, en application de l'article 328 ou 329bis à remplir une fonction supérieure pendant une période d'au moins trois mois consécutifs, perçoivent une allocation dont le montant correspond à la moitié de celui visé au § 1er.
  § 3. Le régime de mobilité applicable aux traitements du personnel des services publics fédéraux s'applique également à cette allocation.
  Elle est liée à l'indice pivot 138,01.
  L'allocation est soumise à la cotisation pour le régime d'assurance obligatoire contre la maladie et l'invalidité secteur des soins de santé et à la cotisation spéciale pour le financement du régime de la sécurité sociale.
  L'allocation n'est toutefois pas soumise à la retenue destinée au financement de la pension légale.
  § 4. Cette allocation est attribuée dans les mêmes conditions que l'allocation pour l'exercice d'une fonction supérieure accordée aux membres du personnel de niveau B, C et D [1 visé à l'article 177]1.
  [4 § 5. Le membre du personnel est promu à l'échelle de traitement supérieure ou bénéficie des bonifications d'échelle dans le grade ou la classe où il est nommé [5 ...]5 même s'il a obtenu la mention [5 ...]5 ou "insuffisant" dans le cadre de l'exercice d'une fonction supérieure. La mention [5 ...]5 ou "insuffisant" met, cependant, fin d'office à la désignation à une fonction supérieure.
  [5 ...]5]4

  [5 § 6. La prolongation des fonctions supérieures octroyées sur la base des articles 328, 329bis, 330 et 330bis n'entraine pas le recalcul de l'allocation.]5
HOOFDSTUK IIbis. [1 Voordelen]1
CHAPITRE IIbis. [1 Des avantages]1
Art. 375/1. [1 De Koning bepaalt de nadere regels van de toekenning van maaltijdcheques aan de leden van het gerechtspersoneel van niveau A, de griffiers en de secretarissen.]1
  
Art. 375/1. [1 Le Roi détermine les modalités concernant l'octroi de chèques-repas aux membres du personnel judiciaire de niveau A, aux greffiers et aux secrétaires.]1
  
HOOFDSTUK III. - (Gemeenschappelijke bepalingen voor de hoofdstukken I, Ibis (...) en II.)
CHAPITRE III. - (Dispositions communes aux chapitres Ier, Ierbis, (...) et II.)
Art. 376. Vermindering van het aantal inwoners van (...) een arrondissement heeft geen invloed op de toestand van reeds benoemde magistraten, griffiers en parketsecretarissen; deze behouden hun titels en wedden onder persoonlijke titel. <W 2001-06-15/31, art. 10, 084; Inwerkingtreding : 01-09-2001>
  (De verhoging van het aantal inwoners van een arrondissement heeft eerst gevolg vanaf de dag waarop het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 63, in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.) <W 2001-06-15/31, art. 9, 084; Inwerkingtreding : 01-01-2000>
Art. 376. La diminution du nombre d'habitants (...) d'un arrondissement n'affecte pas la situation des magistrats, greffiers et secrétaires des parquets déjà nommés; ceux-ci conservent leurs titres et leurs traitements à titre personnel. <L 2001-06-15/31, art. 10, 084; En vigueur : 01-09-2001>
  (L'augmentation du nombre d'habitants d'un arrondissement n'a d'effet qu'à partir de la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal visé à l'article 63.) <L 2001-06-15/31, art. 10, 084; En vigueur : 01-09-2001>
Art. 377. § 1. (De wedde is verschuldigd vanaf de dag van de eedaflegging tot op de dag van de ambtsneerlegging. [2 of wanneer het recht op pensioen wordt geopend]2) <W 2003-05-03/45, art. 46, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  [1 De wedde van de maand waarin een ambtenaar overlijdt, is integraal verschuldigd.]1
  § 2. Bij benoeming in een nieuw ambt, behoudt de belanghebbende zijn vroegere wedde tot het einde van de maand waarin hij de eed aflegt die voor de uitoefening van zijn nieuw ambt is voorgeschreven.
  § 3. (Bij iedere wijziging van het geldelijk statuut van een ambt, wordt iedere wedde die was vastgesteld met inachtneming van dat ambt, opnieuw bepaald alsof het nieuwe geldelijk statuut altijd had bestaan.
  Is de aldus bepaalde wedde lager dan die welke de titularis van het ambt genoot in zijn ambt op het ogenblik van de inwerkingtreding van de nieuwe wet, dan behoudt hij in dat ambt de hoogste wedde totdat hij ten minste een gelijke wedde verkrijgt.) <W 02-08-1974, art. 14.>
  
Art. 377. § 1er. (Le traitement est dû à partir du jour de la prestation de serment jusqu'au jour de la cessation des fonctions [2 ou lorsque le droit à la pension est ouvert]2.) <L 2003-05-03/45, art. 46, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  [1 Le traitement du mois du décès est intégralement dû.]1
  § 2. En cas de nomination à de nouvelles fonctions, l'intéressé conserve le traitement antérieur jusqu'à la fin du mois au cours duquel il prête le serment requis pour l'exercice de ses nouvelles fonctions.
  (§ 3. A chaque modification du statut pécuniaire d'une fonction, tout traitement établi compte tenu de cette fonction, est à nouveau fixé comme si le nouveau statut pécuniaire avait existé de tout temps.) <L 02-08-1974, art. 14>
  Si le traitement ainsi fixé est inférieur à celui dont le titulaire de la fonction bénéficiait dans sa fonction au moment de l'entrée en vigueur de la loi nouvelle, le traitement le plus élevé lui est maintenu dans cette fonction, jusqu'à ce qu'il obtienne un traitement au moins égal.
  
HOOFDSTUK IV. _ Bepalingen betreffende de plaatsvervangende magistraten.
CHAPITRE IV. - Dispositions relatives aux magistrats suppléants.
Art. 378. De helft van de wedde, aan de werkelijke ambtsuitoefening verbonden, komt toe:
  1° Aan de plaatsvervangende rechter die geroepen wordt om tijdelijk het ambt van rechter [2 ...]2 te vervullen ter vervanging van een titularis die tot een ander ambt benoemd, in ruste gesteld, ontslagnemend, ontslagen, afgezet, ontzet, geschorst of overleden is;
  2° Aan de plaatsvervangende vrederechter die geroepen wordt om het ambt van rechter titularis tijdelijk waar te nemen in een kanton dat niet door een titularis of door een rechter van een ander kanton wordt bediend.
  (De betaling is verschuldigd voor de periode dat een [1 plaatsvervangende rechter, een plaatsvervangende vrederechter of een plaatsvervangende rechter in de politierechtbank]1 effectief optreedt om iemand tijdelijk te vervangen.) <W 2003-05-03/45, art. 47, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  
Art. 378. Reçoivent la moitié du traitement affecté aux fonctions effectives :
  1° Le juge suppléant appelé a remplir momentanément les fonctions de juge [2 ...]2, en remplacement d'un titulaire nommé à d'autres fonctions, mis à la retraite, démissionnaire, démis, révoqué, déchu, suspendu ou décédé;
  2° Le juge de paix suppléant appelé à remplir momentanément les fonctions de juge effectif dans un canton qui n'est desservi ni par un titulaire, ni par un juge d'un autre canton.
  (Le paiement est dû pour la période où le [1 juge suppléant, le juge suppléant à une justice de paix ou le juge suppléant à un tribunal de police]1 assure effectivement le remplacement provisoire.) <L 2003-05-03/45, art. 47, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  
Art. 379. De [1 plaatsvervangende rechter, de plaatsvervangende vrederechter of de plaatsvervangende rechter in de politierechtbank]1 heeft aanspraak op een maandelijkse vergoeding onder de hierna gestelde voorwaarden:
  1° wanneer hij een titularis vervangt aan wie opdracht is gegeven voor een ander ambt;
  2° wanneer hij een titularis die werd gemachtigd om een openbaar ambt bij een supranationale, internationale of buitenlandse instelling in België of in het buitenland te aanvaarden, vervangt;
  3° wanneer hij een wegens ziekte of wettig beletsel afwezige rechter, [2 ...]2 vrederechter of rechter in de politierechtbank vervangt.
  De maandelijkse vergoeding is evenredig aan de geleverde prestaties, wanneer de [1 plaatsvervangende rechter, de plaatsvervangende vrederechter of de plaatsvervangende rechter in de politierechtbank]1 ten minste gedurende een maand geregeld het ambt van werkend magistraat vervult.
  De maandelijkse vergoeding is een vaste som, bepaald op de helft van de wedde aan het ambt van de vervangen magistraat verbonden, wanneer de [1 plaatsvervangende rechter, de plaatsvervangende vrederechter of de plaatsvervangende rechter in de politierechtbank]1 ten minste drie maanden achtereen geregeld alle ambtswerkzaamheden van de eerstgenoemde vervult.
  Het bedrag van de evenredige vergoeding mag in geen geval hoger zijn dan dat van de vaste vergoeding.
  De minister van Justitie bepaalt op welke wijze dit artikel wordt toegepast.
  
Art. 379. Le [1 juge suppléant, le juge suppléant à une justice de paix ou le juge suppléant à un tribunal de police]1 a droit, dans les conditions ci-après déterminées, à une indemnité mensuelle :
  1° lorsqu'il remplace un titulaire délégué à d'autres fonctions;
  2° lorsqu'il remplace un titulaire autorisé à accepter des fonctions publiques auprès d'une institution supranationale, internationale ou étrangère en Belgique ou à l'étranger;
  3° lorsqu'il remplace un juge, [2 ...]2 un juge de paix ou un juge au tribunal de police absent pour cause de maladie ou d'empêchement légal.
  L'indemnité mensuelle est proportionnelle aux prestations fournies lorsque le [1 juge suppléant, le juge suppléant à une justice de paix ou le juge suppléant à un tribunal de police]1 remplit régulièrement durant un mois au moins les fonctions de magistrat effectif.
  L'indemnité mensuelle est forfaitaire et fixée à la moitié du traitement affecté à la fonction du magistrat remplacé, lorsque le [1 juge suppléant, le juge suppléant à une justice de paix ou le juge suppléant à un tribunal de police]1, durant trois mois consécutifs au moins, remplit régulièrement toutes les fonctions de celui-ci.
  En aucun cas, le montant de l'indemnité proportionnelle ne peut dépasser celui de l'indemnité forfaitaire.
  Le ministre de la Justice fixe les modalités d'application du présent article.
  
Art. 379bis. <W 17-07-1984, art. 7> De plaatsvervangende magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, § 2, heeft recht op een vergoeding wanneer hij geroepen wordt [1 om zijn ambt uit te oefenen]1.
  Deze vergoeding mag niet uitgaan boven het maximum van de beroepsinkomsten die mogen worden gecumuleerd met het rustpensioen.
  De Minister van Justitie stelt nadere regels voor de toepassing van dit artikel.
  
Art. 379bis. <L 17-07-1984, art. 7> Le magistrat suppléant désigné conformément à l'article 383, § 2, a droit à une indemnité lorsqu'il est appelé [1 à exercer sa fonction]1.
  Cette indemnité ne pourra être supérieure au montant maximum des revenus professionnels qui peuvent être cumulés avec une pension de retraite.
  Le Ministre de la Justice fixe les modalités d'application du présent article.
  
Art. 379ter. <INGEVOEGD bij W 1997-07-09/36, art. 23, Inwerkingtreding : 13-08-1997> § 1. De plaatsvervangend raadsheer die geroepen wordt om zitting te nemen krachtens artikel 102, § 1, heeft recht op een maandelijkse vergoeding zoals bepaald in artikel 379.
  § 2. [1 ...]1
  
Art. 379ter. § 1er. Le conseiller suppléant qui est appelé à siéger selon l'article 102, § 1er, a droit à une indemnité mensuelle, comme prévu à l'article 379.
  § 2. [1 ...]1
  
Art. 379quater. <INGEVOEGD bij W 1997-07-09/36, art. 24, Inwerkingtreding : 13-08-1997> De minister van Justitie bepaalt welke vergoeding kan worden toegekend aan de in rust gestelde leden van [1 de hoven van beroep en de rechtbanken die opdracht hebben te zetelen in het hof van assisen overeenkomstig de artikelen 120, eerste en derde lid, 121, tweede lid en 122, tweede lid]1 [2 en aan de in rust gestelde leden van de parketten bij deze hoven en rechtbanken die overeenkomstig artikel 149 werden opgedragen het ambt van openbaar ministerie bij het hof van assisen uit te oefenen]2.
  
Art. 379quater. Le ministre de la Justice détermine l'indemnité qui peut être allouée aux membres [1 des cours d'appel et des tribunaux admis à la retraite qui sont délégués pour siéger à la cour d'assises, conformément aux articles 120, alinéa 1er et 3, 121, alinéa 2 et 122, alinéa 2]1 [2 et aux membres des parquets près ces cours et tribunaux admis à la retraite qui sont délégués pour exercer les fonctions du ministère public près la cour d'assises conformément à l'article 149]2.
  
HOOFDSTUK V. [1 - Bepaling geldend voor het personeel van de griffies en de parketsecretariaten en voor de attachés en de adviseurs in de Dienst voor Documentatie en Overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie]1
CHAPITRE V. [1 - Disposition commune relative au personnel des greffes et des secrétariats de parquet et aux attachés et conseillers au Service de la Documentation et de la Concordance des textes auprès de la Cour de cassation]1
HOOFDSTUK VI. - Werkingskosten.
CHAPITRE VI. - Des frais de fonctionnement.
Art. 381. <W 25-04-1983, art. 5> De (hoofdgriffier) en de (hoofdsecretaris) van het parket betalen de kantoorbehoeften en kosten, nodig voor de werking van de griffie of van het parketsecretariaat, uit uitsluitend daartoe bestemde vergoedingen, waarvan de Minister van Justitie het bedrag bepaalt en te hunner beschikking stelt. <W 1997-02-17/50, art. 88, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
  Van de besteding van die gelden doen de (hoofdgriffier) en de (hoofdsecretaris), ieder wat hem betreft, rekening en verantwoording aan de Minister van Justitie door overlegging van regelmatig staten. <W 1997-02-17/50, art. 88, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997>
Art. 381. <L 25-04-1983, art. 5> Le (greffier en chef) et le (secrétaire en chef) du parquet paient les fournitures et les frais nécessaires au fonctionnement du greffe ou du secrétariat du parquet, au moyen d'une indemnité exclusivement consacrée à ces paiement, et dont le montant est fixé et mis à leur disposition par le Ministre de la Justice. <L 1997-02-17/50, art. 88, 045; En vigueur : 01-07-1997>
  Le (greffier en chef) et le (secrétaire en chef) rendent compte, chacun en ce qui le concerne, de l'emploi de ces derniers par la production au Ministre de la Justice d'états réguliers. <L 1997-02-17/50, art. 88, 045; En vigueur : 01-07-1997>
Art. 382. De minister van Justitie stelt een door hem te bepalen krediet ter beschikking van de eerste voorzitters en voorzitters van de hoven en rechtbanken, de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken, de procureurs-generaal (, de federale procureur) [1 , de procureur voor de verkeersveiligheid]1 en de procureurs des Konings en arbeidsauditeurs om de kleine onkosten van hun diensten te bestrijden. <W 2001-06-21/42, art. 54, 085; Inwerkingtreding : 21-05-2002>
  Onder kleine onkosten worden verstaan de kosten van het aankopen van registers, het abonneren op de rechtskundige tijdschriften en verzamelwerken, het aankopen van rechtskundige en andere werken nodig voor de dienst; het inbinden; het drukken van geschriften, zoals het reglement van orde, omzendbrieven, openingsredes, enz.; de kosten voor het deelnemen van het korps aan openbare plechtigheden en begrafenisplechtigheden; de kosten voor kantoorbehoeften en alle andere, voor de dienst noodzakelijke kleine voorwerpen van dagelijks verbruik.
  
Art. 382. Le ministre de la Justice met à la disposition des premiers présidents et présidents des cours et tribunaux, des juges de paix et des juges aux tribunaux de police, des procureurs généraux, (du procureur fédéral, [1 du procureur de la sécurité routière,]1 des) procureurs du Roi et auditeurs du travail, un crédit, dont il détermine le montant, destiné à pourvoir aux menues dépenses de leurs services. <L 2001-06-21/42, art. 54, 085; En vigueur : 21-05-2002>
  Par menues dépenses, il faut entendre: les frais d'achat des registres, les abonnements aux journaux et recueils juridiques, l'acquisition de livres de droit et autres, nécessaires au service; les frais de reliure; les frais d'impression des écritures, telles que les règlements d'ordre de service, circulaires, mercuriales; les frais occasionnés par l'assistance en corps aux solennités publiques et convois funèbres; les frais de fournitures de bureau et de tous autres menus objets de consommation journalière, nécessaires au service.
  
TITEL IV. - Inruststelling, pensionering en emeritaat.
TITRE IV. - De la mise à la retraite, de la pension et de l'éméritat.
EERSTE HOOFDSTUK. _ Inruststelling.
CHAPITRE I. - De la mise à la retraite.
Art. 383. <W 17-07-1984, art. 8> § 1. De magistraten van de Rechterlijke Orde houden op hun ambt uit te oefenen en worden in rust gesteld, (op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van) : <W 2003-05-03/45, art. 48, 110; Inwerkingtreding : 02-06-2003>
  Zeventig jaar wat de leden van het Hof van Cassatie betreft;
  Zevenenzestig jaar wat de leden van de andere rechtscolleges betreft.
  of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet langer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen.
  [4 De magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt behouden het statuut van magistraat wanneer zij daar niet uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan, in voorkomend geval op een latere datum dan hun inruststelling.]4
  § 2. Evenwel kunnen, op hun verzoek, magistraten toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd (zoals bedoeld in § 1) [4 en magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt]4 naargelang van het geval door de eerste voorzitters van de hoven van beroep en arbeidshoven, de voorzitters van de rechtbanken [3 , de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank]3 of door de procureurs-generaal bij de hoven van beroep worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt. <W 1998-12-22/47, art. 85, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  [1 De aldus aangewezen magistraten kunnen echter, op hun verzoek, na de leeftijd van zeventig jaar hun ambt van plaatsvervangend magistraat blijven uitoefenen voor een tijdspanne van één jaar die [6 viermaal]6 kan worden hernieuwd, indien de gerechtelijke overheid die ze heeft aangewezen dit nuttig acht wegens de behoeften van de dienst. De voortzetting van het ambt en de hernieuwingen ervan worden beslist bij beschikking die naar gelang van het geval wordt gewezen door de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, de voorzitters van de rechtbanken of de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.]1
  [8 De magistraten van het Hof van Cassatie die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt, kunnen, op hun verzoek, naargelang het geval door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of door de procureur-generaal bij dit Hof worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van zeventig jaar hebben bereikt.
   De magistraten van het Hof van Cassatie toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd, kunnen, op hun verzoek, naargelang het geval door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of door de procureur-generaal bij dit Hof worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen en diegenen bedoeld in het derde lid, kunnen, op hun verzoek, na de leeftijd van zeventig jaar dat ambt blijven uitoefenen indien de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of de procureur-generaal bij dit Hof dit nuttig acht wegens de behoeften van de dienst. De aanwijzing is geldig voor een tijdspanne van één jaar die viermaal kan worden hernieuwd.]8

  § 3. [5 Wat de vrederechters en rechters in de politierechtbank benoemd in het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, gebeurt de aanwijzing door de voorzitter van de Nederlandstalige of Franstalige rechtbank van eerste aanleg naargelang de taal van het diploma van licentiaat, doctor of master in de rechten waarvan zij houder zijn. In het gerechtelijk arrondissement Eupen gebeurt de aanwijzing van de vrederechters en rechters in de politierechtbank door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.]5
  [5 § 4. De vrederechters aangewezen voor de uitoefening van het ambt van plaatsvervangende magistraat, kunnen dat ambt ook uitoefenen in een ander kanton van het gerechtelijk arrondissement.]5
  [7 § 5. Op hun verzoek kunnen de magistraten die werden gemachtigd om hun ambt overeenkomstig artikel 383ter te blijven uitoefenen na het verstrijken van deze machtiging worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen overeenkomstig paragraaf 2.]7
  
Art. 383. <L 17-07-1984, art. 8> § 1er. Les magistrats de l'Ordre judiciaire cessent d'exercer leurs fonctions et sont admis à la retraite [à la fin du mois au cours duquel ils ont atteint l'âge] : <L 2003-05-03/45, art. 48, 110; En vigueur : 02-06-2003>
  de soixante-dix ans s'ils sont membres de la Cour de cassation,
  de soixante-sept ans s'ils sont membres des autres juridictions,
  ou lorsqu'une infirmité grave et permanente ne leur permet plus de remplir convenablement leurs fonctions.
  [4 Les magistrats qui à leur propre demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui, en outre, ont été autorisés à porter le titre honorifique de leur fonction conservent leur statut de magistrat à moins qu'il n'y renoncent explicitement, le cas échéant à une date ultérieure à celle de leur admission à la retraite.]4
  § 2. Toutefois, à leur demande, des magistrats admis à la retraite en raison de leur âge [, comme visé au § 1er] [4 et des magistrats qui à leur propre demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui, en outre, ont été autorisés à porter le titre honorifique de leur fonction]4 peuvent être désignés, selon le cas, par les premiers présidents des cours d'appel et du travail, les présidents des tribunaux [3 , les présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police]3 ou les procureurs généraux près les cours d'appel, pour exercer les fonctions de magistrat suppléant jusqu'à ce qu'ils aient atteint l'âge de 70 ans. <L 1998-12-22/47, art. 85, 067; En vigueur : 01-03-1999>
  [1 Les magistrats ainsi désignés peuvent toutefois, à leur demande, continuer à exercer leur fonction de magistrat suppléant, au-delà de septante ans, pour une période d'un an, renouvelable [6 quatre]6 fois, si l'autorité judiciaire qui les a désignés l'estime utile en raison des nécessités du service. La continuation de la fonction et ses renouvellements seront décidés par ordonnance prononcée, selon le cas, par les premiers présidents des cours d'appel et du travail, les présidents des tribunaux [3 , les présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police]3 ou les procureurs généraux près les cours d'appel.]1
  [8 Les magistrats de la Cour de cassation qui à leur propre demande sont admis à la retraite avant l'âge légal et qui, en outre, ont été autorisés à porter le titre honorifique de leur fonction peuvent à leur demande être désignés selon le cas par le premier président de la Cour de cassation ou le procureur général près cette Cour pour exercer les fonctions de magistrat suppléant jusqu'à ce qu'ils aient atteint l'âge de septante ans.
   Les magistrats de la Cour de cassation admis à la retraite en raison de leur âge peuvent, à leur demande, être désignés selon le cas par le premier président de la Cour de cassation ou par le procureur général près cette Cour pour exercer des fonctions de magistrat suppléant et ceux visés à l'alinéa 3 peuvent, à leur demande, continuer à exercer cette fonction au-delà de septante ans si le premier président de la Cour de cassation ou le procureur général près cette Cour l'estime utile en raison des nécessités du service. La désignation vaut pour une période d'un an et est renouvelable quatre fois.]8

  § 3. [5 En ce qui concerne les juges de paix et les juges au tribunal de police nommés dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la désignation est faite par le président du tribunal de première instance francophone ou néerlandophone en fonction de la langue du diplôme de licencié, de docteur ou de master en droit dont ils sont porteurs. Dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen la désignation des juges de paix et des juges au tribunal de police est faite par le président du tribunal de première instance.]5
  [5 § 4. Les juges de paix désignés pour exercer des fonctions de magistrat suppléant peuvent également exercer cette fonction dans un autre canton de l'arrondissement judiciaire.]5
  [7 § 5. A leur demande, les magistrats qui ont été autorisés à continuer à exercer leur fonction conformément à l'article 383ter peuvent, à l'expiration de cette autorisation, être désignés pour exercer les fonctions de magistrat suppléant conformément au paragraphe 2.]7
  
Art. 383bis. <W 17-07-1984, art. 9> (...) <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999> (§ 1.) Op hun verzoek en op voorstel, wat betreft de zittende magistratuur, van de eerste voorzitter of van de voorzitter van de rechtscollege waartoe zij behoren en, wat betreft de magistraten van het openbaar ministerie, van de procureur-generaal onder wiens gezag zij staan, kunnen de magistraten van de rechterlijke orde tot de inruststelling toegelaten wegens (het bereiken van de leeftijd zoals bedoeld in artikel 383, §1) [4 en, behalve voor de magistraten van het Hof van Cassatie, wegens het bereiken van de leeftijd zoals bedoeld in artikel 383ter, § 1]4, door de Koning gemachtigd worden om hun ambt uit te oefenen tot dat er voorzien is in de plaats die is opengevallen in hun rechtscollege. [2 De vrederechters kunnen onder dezelfde voorwaarden ook worden gemachtigd om hun ambt in een ander kanton van het gerechtelijk arrondissement te blijven uitoefenen.]2 [4 De machtiging geldt voor een periode van maximaal zes maanden die kan worden hernieuwd tot de magistraat de leeftijd van drieënzeventig jaar heeft bereikt.]4 <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  (Het voorstel wordt, wat de vrederechters en de rechters in de politierechtbank betreft, gedaan door [2 de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en in de arrondissementen Brussel en Eupen door]2 de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.)[1 Wat de vrederechters en de rechters in de politierechtbank in het gerechtelijk arrondissement Brussel betreft, wordt het voorstel gedaan door de voorzitter van de Franstalige of Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg naar gelang van de taal van het diploma van licentiaat, doctor of master in de rechten waarvan zij houders zijn.]1 <W 1986-01-31/35, art. 1, 009>
  (§ 2.) De bepalingen van §(...) 1 (...) zijn niet van toepassing op de eerste voorzitters van het Hof van Cassatie, de hoven van beroep en de arbeidshoven, de procureurs-generaal bij het Hof van Cassatie en de hoven van beroep, de voorzitters van de rechtbanken, [2 de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank,]2 [3 de procureur voor de verkeersveiligheid,]3 de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs. <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  (§ 3.) De magistraten die hun ambt uitoefenen krachtens de §(...) 1 (...) behouden ten aanzien van de magistraten die in dezelfde kamer zitting hebben, de rang die zij bekleedden bij hun inruststelling. <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  (§ 4.) De magistraten die hun ambt vervullen krachtens de §(...) 1 (...), genieten hun wedde overeenkomstig de bepalingen van titel III van boek II, en niet hun pensioen. <W 1998-12-22/47, art. 86, 067; Inwerkingtreding : 01-03-1999>
  
Art. 383bis. <L 17-07-1984, art. 9> (...) <L 1998-12-22/47, art. 86, 067; En vigueur : 01-03-1999> (§ 1er.) A leur demande et sur proposition, pour les magistrats du siège, du premier président ou du président de la juridiction à laquelle ils appartiennent et, pour les magistrats du ministère public, du procureur général de l'autorité duquel ils relèvent, les magistrats de l'Ordre judiciaire admis à la retraite (en raison de l'âge visé à l'article 383, § 1er) [4 et, sauf pour les magistrats de la Cour de cassation, en raison de l'âge visé à l'article 383ter, § 1er]4 peuvent être autorisés par le Roi à continuer d'exercer leurs fonctions jusqu'à ce qu'il soit pourvu à la place rendue vacante au sein de leur juridiction [2 Les juges de paix peuvent également être autorisés aux mêmes conditions à continuer à exercer leurs fonctions dans un autre canton de l'arrondissement judiciaire.]2 [4 L'autorisation vaut pour une période de six mois maximum renouvelable jusqu'à ce que le magistrat ait atteint l'âge maximum de septante-trois ans]4. <L 1998-12-22/47, art. 86, 067; En vigueur : 01-03-1999>
  (La proposition est faite par [2 le président des juges de paix et des juges au tribunal de police et dans les arrondissements de Bruxelles et d'Eupen par]2 le président du tribunal de première instance pour les juges de paix et les juges au tribunal de police.) [1 En ce qui concerne les juges de paix et les juges au tribunal de police dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, la proposition est faite par le président du tribunal de première instance francophone ou néerlandophone en fonction de la langue du diplôme de licencié, de docteur ou de master en droit dont ils sont porteurs.]1 <L 1986-01-31/35, art. 1, 009>
  (§ 2.) Les dispositions des §(...) 1er (...) ne sont pas applicables aux premiers présidents de la Cour de cassation, des cours d'appel et du travail, aux procureurs généraux près la Cour de cassation et les cours d'appel, aux présidents des tribunaux, [2 au président des juges de paix et des juges au tribunal de police,]2 [3 au procureur de la sécurité routière,]3 aux procureurs du Roi et aux auditeurs du travail. <L 1998-12-22/47, art. 86, 067; En vigueur : 01-03-1999>
  (§ 3.) Les magistrats qui exercent des fonctions en vertu des §(...) 1er (...) conservent, à l'égard des magistrats siégeant dans la même chambre, le rang qu'ils occupaient lors de leur mise à la retraite. <L 1998-12-22/47, art. 86, 067; En vigueur : 01-03-1999>
  (§ 4.) Les magistrats qui exercent des fonctions en vertu des §(...) 1er (...) bénéficient de leur traitement conformément aux dispositions prévues au titre III du Livre II, et non de leur pension. <L 1998-12-22/47, art. 86, 067; En vigueur : 01-03-1999>
  
Art. 383ter. [1 § 1. In afwijking van artikel 383, § 1, kunnen de magistraten van de rechterlijke orde op hun verzoek en op grond van een met redenen omkleed advies van hun korpschef door de Koning worden gemachtigd om hun ambt te blijven uitoefenen tot zij de leeftijd van zeventig jaar respectievelijk drieënzeventig jaar in het Hof van Cassatie hebben bereikt.
   De machtiging is een jaar geldig en kan worden hernieuwd.
   De korpschefs zijn niet gemachtigd om hun mandaat te blijven uitoefenen op grond van deze bepaling.
   De magistraten titularissen van een adjunct-mandaat of van een bijzonder mandaat blijven dit ambt uitoefenen onder de voorwaarden bepaald in de artikelen 259quinquies of 259sexies.
   § 2. De magistraat die in dienst wenst te blijven na de leeftijd van zevenenzestig jaar te hebben bereikt of de magistraat in het Hof van Cassatie die in dienst wenst te blijven na de leeftijd van zeventig jaar te hebben bereikt, dient daartoe ten vroegste achttien maanden vóór die datum en uiterlijk negen maanden voor die datum een verzoek in bij zijn korpschef door middel van het door de Koning vastgesteld formulier.
   De magistraat die een verzoek om hernieuwing wenst in te dienen na de leeftijd van zevenenzestig jaar te hebben bereikt, of van zeventig jaar in het Hof van Cassatie, dient het in uiterlijk zes maanden voor het verstrijken van de vorige verlenging.
   De magistraat bezorgt tegelijkertijd een kopie van zijn verzoek, of in voorkomend geval van zijn verzoek om hernieuwing, aan de minister van Justitie.
   De korpschef bezorgt het verzoek en zijn met redenen omkleed advies binnen een termijn van een maand aan de minister van Justitie.
   Het met redenen omkleed advies heeft zowel betrekking op de opportuniteit van de indiensthouding voor het rechtscollege of het parket als op de meest opportune duur van die indiensthouding.
   Bij gebreke van advies binnen de vastgestelde termijn wordt de procedure voortgezet op initiatief van de minister van Justitie.
   De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en van de [2 ondernemingsrechtbanken]2 en de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank richten het in § 2, eerste lid, bedoelde verzoek aan de eerste voorzitter van het hof van beroep. De voorzitters van de arbeidsrechtbanken richten dat verzoek aan de eerste voorzitter van het arbeidshof. Naargelang van het geval richt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof dat verzoek en zijn advies aan de minister van Justitie.
  [3 De procureur voor de verkeersveiligheid richt dat verzoek aan het College van het openbaar ministerie die dat verzoek en zijn advies aan de minister van Justitie richt.]3
   De procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs richten dat verzoek aan de procureur-generaal bij het hof van beroep die dat verzoek en zijn advies aan de minister van Justitie richt.
   De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de federale procureur richten dat verzoek aan de minister van Justitie die een advies uitbrengt over dat verzoek.
   De magistraten bedoeld in het zevende tot het [3 tiende]3 lid richten hun verzoek tot hernieuwing aan de korpschef van het rechtscollege of het parket waar zij hun ambt uitoefenen.
   Binnen drie maanden na de ontvangst van het verzoek neemt de Koning een beslissing.
   § 3. Magistraten die hun ambt blijven uitoefenen op grond van paragraaf 1, blijven hun wedde ontvangen overeenkomstig de bepalingen waarin titel III van boek II voorziet en behouden hun rang.]1

  
Art. 383ter. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 383, § 1er, à leur demande et sur avis motivé de leur chef de corps, les magistrats de l'ordre judiciaire peuvent être autorisés par le Roi à continuer d'exercer leurs fonctions jusqu'à ce qu'ils aient atteint l'âge de septante ans ou de septante-trois ans à la Cour de cassation.
   L'autorisation est valable pour un an et est renouvelable.
   Les chefs de corps ne sont pas autorisés à continuer à exercer leur mandat sur la base de la présente disposition.
   Les magistrats titulaires d'un mandat adjoint ou d'un mandat spécifique continuent à exercer ce mandat aux conditions prévues respectivement aux articles 259quinquies ou 259sexies.
   § 2. Le magistrat qui souhaite être maintenu en service après avoir atteint l'âge de soixante-sept ans ou le magistrat à la Cour de cassation qui souhaite être maintenu en service après avoir atteint l'âge de septante ans, introduit à cet effet, au plus tôt dix-huit mois avant cette date et au plus tard neuf mois avant la date de cet anniversaire, une demande, au moyen du formulaire établi par le Roi, auprès de son chef de corps.
   Le magistrat qui souhaite introduire une demande de renouvellement après avoir atteint l'âge de soixante-sept ans ou de septante ans à la Cour de cassation, le fait au plus tard six mois avant l'échéance de la prolongation précédente.
   Le magistrat communique simultanément une copie de sa demande, ou le cas échéant de sa demande de renouvellement, au ministre de la Justice.
   Le chef de corps communique la demande ainsi que son avis motivé, au ministre de la Justice, dans un délai d'un mois.
   L'avis motivé porte à la fois sur l'opportunité pour la juridiction ou le parquet du maintien en service ainsi que sur la durée la plus opportune pour ce maintien.
   En cas d'absence d'avis dans le délai prévu, la procédure est poursuivie à l'initiative du ministre de la Justice.
   Les présidents des tribunaux de première instance et des [2 tribunaux de l'entreprise]2 et les présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police adressent la demande visée au § 2, alinéa 1er, au premier président de la cour d'appel. Les présidents des tribunaux du travail adressent cette demande au premier président de la cour du travail. Selon le cas, le premier président de la cour d'appel ou de la cour du travail adresse cette demande et son avis au ministre de la Justice.
  [3 Le procureur de la sécurité routière adresse cette demande au Collège du ministère public, qui adresse cette demande et son avis au ministre de la Justice.]3
   Les procureurs du Roi et les auditeurs du travail adressent cette demande au procureur général près la cour d'appel qui adresse cette demande et son avis au ministre de la Justice.
   Le premier président de la Cour de cassation, le procureur-général près la Cour de cassation, les premiers présidents des cours d'appel et des cours du travail, les procureurs généraux près les cours d'appel et le procureur fédéral adressent cette demande au ministre de la Justice qui émet un avis sur cette demande.
   Les magistrats visés aux alinéas 7 à [3 10]3 adressent leur demande de renouvellement au chef de corps de la juridiction ou du parquet dans lequel ils exercent leur fonction.
   Le Roi prend une décision dans les trois mois de la réception de la demande.
   § 3. Les magistrats qui continuent à exercer leurs fonctions sur la base du paragraphe 1er continuent à percevoir leur traitement conformément aux dispositions prévues au titre III du Livre II, et conservent leur rang.]1

  
Art. 384. De voorzitters en raadsheren van het Hof van Cassatie en van de hoven van beroep en van de arbeidshoven, die door een ernstige en blijvende gebrekkigheid zijn aangetast en niet om hun inruststelling hebben verzocht, worden bij [2 aangetekende zending en wanneer ze elektronisch gebeurt, via een gekwalificeerde dienst voor elektronisch aangetekende bezorging in de zin van artikel 3.37. van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG,]2 ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie gewaarschuwd door de eerste voorzitter van het hof waartoe zij behoren of door degene die hem vervangt. Betreft het de eerste voorzitter van die hoven, dan waarschuwt het hoofd van het parket.
  In dezelfde gevallen worden de rechters in de rechtbanken van eerste aanleg, in de [1 ondernemingsrechtbanken]1, de vrederechters en de rechters in de politierechtbank op dezelfde wijze gewaarschuwd door de eerste voorzitter van het hof van beroep en de rechters in de arbeidsrechtbank door de eerste voorzitter van het arbeidshof.
  
Art. 384. Les présidents et conseillers à la Cour de cassation, à la cour d'appel et à la cour du travail qui, atteints d'une infirmité grave et permanente, n'auraient pas demandé leur retraite, sont avertis, par [2 envoi recommandé, et s'il est électronique, via un service d'envoi recommandé électronique qualifié au sens de l'article 3.37. du règlement (UE) n° 910/2014 du Parlement européen et du Conseil du 23 juillet 2014 sur l'identification électronique et les services de confiance pour les transactions électroniques au sein du marché intérieur et abrogeant la directive 1999/93/CE]2, soit d'office, soit sur réquisition du ministère public par le premier président de la cour à laquelle ils appartiennent ou par celui qui le remplace. S'il s'agit du premier président de ces cours, l'avertissement est donné par le chef du parquet.
  Dans les mêmes cas, les juges aux tribunaux de première instance et aux [1 tribunaux de l'entreprise]1, les juges de paix et les juges au tribunal de police sont pareillement avertis, par le premier président de la cour d'appel et les juges au tribunal du travail, par le premier président de la cour du travail.
  
Art. 385. Heeft de magistraat binnen een maand na de waarschuwing niet om zijn inruststelling verzocht, dan komen het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof in de raadkamer in algemene vergadering bijeen om, het openbaar ministerie in zijn schriftelijke conclusies gehoord, uitspraak te doen, het eerste over de inruststelling van zijn leden, het tweede over de inruststelling van zijn leden, van de leden der rechtbanken van eerste aanleg en van de [1 ondernemingsrechtbanken]1, van de vrederechters en de rechters in de politierechtbank, en het derde over de inruststelling van zijn leden en die van de arbeidsrechtbanken.
  Ten minste vijftien dagen vóór de datum waarop de vergadering van het hof is vastgesteld, wordt aan de betrokken magistraat kennis gegeven van de dag en het uur van de zitting, en wordt hij tegelijk verzocht zijn opmerkingen schriftelijk naar voren te brengen.
  Die kennisgeving en dat verzoek worden hem toegezonden bij gerechtsbrief.
  
Art. 385. Si, dans le mois de l'avertissement, le magistrat n'a pas demandé sa retraite, la Cour de cassation, la cour d'appel ou la cour du travail se réunissent en assemblée générale en chambre du conseil, pour statuer, après avoir entendu le ministère public en ses conclusions écrites, la première, sur la mise à la retraite de ses membres, la seconde, sur la mise à la retraite de ses membres, de ceux des tribunaux de première instance et des [1 tribunaux de l'entreprise]1, des juges de paix et des juges au tribunal de police, et la troisième, de ses membres et de ceux des tribunaux du travail.
  Quinze jours au moins avant celui qui a été fixé pour la réunion de la cour, le magistrat intéressé est informé du jour et de l'heure de la séance, et reçoit en même temps l'invitation de fournir ses observations par écrit.
  Cette information et cette invitation lui sont adressées sous pli judiciaire.
  
Art. 386. Van de beslissing wordt aan de betrokkene terstond kennis gegeven. Heeft deze zijn opmerkingen niet naar voren gebracht, dan gaat de beslissing eerst in kracht van gewijsde nadat daartegen binnen vijf dagen, te rekenen van de kennisgeving, niet in verzet is gekomen.
Art. 386. La décision est immédiatement notifiée à l'intéressé. Si celui-ci n'avait pas fourni ses observations, la décision n'est passée en force de chose jugée que s'il n'a pas été formé opposition dans les cinq jours, à dater de la notification.
Art. 387. De beslissing gewezen op de opmerkingen van de magistraat of op zijn verzet, is in laatste aanleg.
  Wanneer de vormvoorschriften niet zijn in acht genomen, kunnen evenwel de betrokken magistraat en het openbaar ministerie zich tegen de beslissing van het hof van beroep en van het arbeidshof in cassatie voorzien binnen vijf dagen te rekenen van de dag waarop de beslissing in kracht van gewijsde is gegaan.
  De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie brengt de gronden van de voorziening in cassatie schriftelijk ter kennis van de betrokken magistraat of van de procureur-generaal bij het hof van beroep.
Art. 387. La décision rendue, soit sur les observations du magistrat, soit sur son opposition, est en dernier ressort.
  Le magistrat intéressé et le ministère public peuvent néanmoins, si les formes n'ont pas été observées, se pourvoir en cassation contre les décisions des cours d'appel et des cours du travail, dans les cinq jours, à compter du moment ou la décision est passée en force de chose jugée.
  Le premier président de la Cour de cassation donne, par écrit, connaissance des motifs du pourvoi au magistrat intéressé ou au procureur général près la cour d'appel.
Art. 388. De kennisgevingen worden gedaan door de hoofdgriffier, die daarvan bij proces-verbaal moet doen blijken.
  Woont de magistraat niet in de stad waar het hof zijn zetel heeft, dan doet de griffier de kennisgeving bij gerechtsbrief.
  Verzet en voorziening in cassatie worden ter griffie ontvangen en in een speciaal register ingeschreven.
Art. 388. Les notifications sont faites par le greffier en chef qui est tenu de les constater par un procès-verbal.
  Si le magistrat n'habite pas la ville ou siège la cour, le greffier fait la notification par pli judiciaire.
  Les oppositions et pourvois sont reçus au greffe et consignés sur un registre spécial.
Art. 389. De beslissingen van de hoven, in het geval bedoeld in de artikelen 385 tot 388, worden aan de minister van Justitie toegezonden binnen vijftien dagen nadat zij in kracht van gewijsde zijn gegaan.
Art. 389. Les décisions des cours, dans le cas des articles 385 à 388, lorsqu'elles sont passées en force de chose jugée, sont adressées dans les quinze jours au ministre de la Justice.
Art. 390. [1 De artikelen 383 tot 389 zijn van toepassing op de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren met uitzondering van de artikelen 383bis en 383ter.
   In afwijking van artikel 383, § 1, kunnen de plaatsvervangende raadsheren die werden benoemd onder de magistraten die zijn toegelaten tot de inruststelling wegens hun leeftijd, evenwel zetelen tot de leeftijd van 70 jaar. Zij kunnen door de eerste voorzitter van het hof van beroep aangewezen worden als plaatsvervangend magistraat om te zetelen tot de leeftijd van 73 jaar overeenkomstig de modaliteiten bedoeld in artikel 383, § 2, tweede lid.
   De artikelen 383 tot 389 zijn van toepassing op de werkende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank.
   Met uitzondering van de artikelen 383bis en 383ter, zijn zij ook van toepassing op de werkende en plaatsvervangende raadsheren in sociale zaken, op de werkende en plaatsvervangende rechters in sociale zaken [2 ...]2 en op de plaatsvervangende assessoren in de strafuitvoeringsrechtbank.]1

  [2 Rechters in ondernemingszaken houden op hun ambt uit te oefenen op het einde van de maand in de loop van dewelke zij de leeftijd bereiken van drieënzeventig jaar.]2
  
Art. 390. <L 1998-12-22/47, art. 87, 067; En vigueur : 01-03-1999{GT <span class="reference text-[var(--ref-1)]" data-controller="reference-highlight" data-ref-number="1" data-action="mouseenter->reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight">[1 Les articles 383 à 389 sont applicables aux juges suppléants et aux conseillers suppléants à l'exception des articles 383bis et 383ter.
   Par dérogation à l'article 383, § 1er, les conseillers suppléants nommés parmi les magistrats admis à la retraite en raison de leur âge peuvent toutefois siéger jusqu'à 70 ans. Ils peuvent être désignés magistrat suppléant par le premier président de la cour d'appel pour siéger jusqu'à l'âge de 73 ans selon les modalités visées à l'article 383, § 2, alinéa 2.
   Les articles 383 à 389 s'appliquent aux assesseurs au tribunal de l'application des peines effectifs.
   A l'exception des articles 383bis et 383ter, ils sont également applicables aux conseillers sociaux effectifs et suppléants, aux juges sociaux [2 ...]2 effectifs et suppléants et aux assesseurs au tribunal de l'application des peines suppléants.]1
  [2 Les juges consulaires cessent d'exercer leurs fonctions à la fin du mois au cours duquel ils atteignent l'âge de septante-trois ans.]2
  
HOOFDSTUK II. - Pensioen en emeritaat.
CHAPITRE II. - De la pension et de l'éméritat.
Art. 391. De magistraat die wegens de in artikel 383 bepaalde leeftijd in ruste is gesteld en dertig jaren dienst heeft waarvan ten minste vijftien in de magistratuur, heeft aanspraak op het emeritaat.
  (Het emeritaatspensioen is gelijk aan de referentiewedde bepaald in artikel 8, § 1, van de algemene wet op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen van 21 juli 1844. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° [1 en in de artikelen 33 en 34 van de COIV-wet]1 bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).) <W 1999-01-25/32, art. 234, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2003-05-03/45, art. 50, 110; Inwerkingtreding : 02-08-2000; zie ook art.61>
  Heeft de magistraat geen dertig jaren dienst, dan wordt het pensioen met een dertigste verminderd voor ieder jaar dat hij te kort komt om dat getal te bereiken.
  Bij wijziging van de weddeschalen wordt het bedrag van het pensioen verhoogd of verlaagd met inachtneming van de nieuwe wedde die aan een magistraat in dienst met dezelfde rang en anciënniteit wordt toegekend, met dien verstande dat de in ruste gestelde magistraat geacht wordt die wedde te hebben genoten over de laatste vijf jaren.
  (Het ambt uitgeoefend op grond van artikel 383bis wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van het pensioen.) <W 17-07-1984, art. 10>
  
Art. 391. Le magistrat mis à la retraite à raison de l'âge prévu à l'article 383 et ayant trente années de service, dont quinze au moins dans la magistrature, a droit à l'éméritat.
  (La pension de l'éméritat est égale au traitement de référence défini à l'article 8, § 1er, de la loi générale sur les pensions civiles et ecclésiastiques du 21 juillet 1844. (Pour l'application des alinéas 2 et 4 de cette disposition, les désignations visées à l'article 58bis, 2° à 4°, [1 et aux articles 33 et 34 de la loi OCSC]1 sont assimilées à des nominations à titre définitif).) <L 1999-01-25/32, art. 234, 068; En vigueur : 01-01-1999> <L 2003-05-03/45, art. 50, 110; En vigueur : 02-08-2000; voir aussi art.61>
  Toutefois, si le magistrat n'a pas trente années de service, sa pension sera diminuée d'un trentième pour chaque année qui manquera pour parfaire ce nombre.
  Lorsque des modifications sont apportées au barème des traitements, le montant de la pension est augmenté ou réduit en tenant compte du nouveau traitement attribué au magistrat en fonction de même rang et de même ancienneté, le magistrat mis à la retraite étant censé avoir touché ce traitement pendant les cinq dernières années.
  (Les fonctions exercées en vertu de l'article 383bis ne sont pas prises en considération pour le calcul du montant de la pension.) <L 17-07-1984, art. 10>
  
Art. 391/1. [1 Art. 391/1. In afwijking van artikel 391 kunnen de magistraten die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar niet hebben bereikt geen aanspraak maken op het pensioen berekend op basis van artikel 391. Niettemin behouden zij het voordeel van het tantième 1/30ste voorzien in artikel 391 voor de diensten gepresteerd in de magistratuur tot 31 december 2011. Indien zij ten minste vijftien jaren in de magistratuur hebben, behouden zij bovendien eveneens het voordeel van het tantième 1/30e voor de andere diensten dan deze gepresteerd in de magistratuur.
   Voor de diensten gepresteerd vanaf 1 januari 2012 wordt het tantième 1/30e vervangen door het tantième 1/48e.]1

  
Art. 391/1. [1 Art. 391/1. Par dérogation à l'article 391, les magistrats qui au 1er janvier 2012 n'ont pas atteint l'âge de 55 ans, ne peuvent pas prétendre à la pension calculée sur la base de l'article 391. Ils conservent néanmoins le droit au bénéfice du tantième 1/30e prévu à l'article 391 pour les services prestés dans la magistrature jusqu'au 31 décembre 2011. De plus, s'ils comptent au moins quinze années dans la magistrature, ils conservent également le bénéfice du tantième 1/30e pour les services autres que ceux prestés dans la magistrature.
   Pour les services prestés à partir du 1er janvier 2012, le tantième 1/30e est remplacé par le tantième 1/48e.]1

  
Art. 392. (De magistraat van wie bevonden is dat hij wegens een gebrekkigheid niet meer in staat is zijn ambt te vervullen maar die de voor het emeritaat vereiste leeftijd niet heeft, kan ongeacht zijn leeftijd gepensioneerd worden. Indien zijn ambt echter een bijbetrekking is, kan het pensioen wegens ongeschiktheid slechts worden verleend na vervulling van vijf dienstjaren. De Koning bepaalt wat een bijbetrekking in de zin van dit artikel is.) <W 17-06-1971, art. 9>
  (Het pensioen wordt voor elk van de eerste vijf dienstjaren in de magistratuur uitgekeerd op basis van een dertigste van de in artikel 8, § 1, van voormelde algemene wet van 21 juli 1844 omschreven referentiewedde en voor elk volgend dienstjaar in de magistratuur op basis van een vijfendertigste van dezelfde wedde. (Voor de toepassing van het tweede en het vierde lid van die bepaling worden de in artikel 58bis, 2°, 3° en 4° [1 en in de artikelen 33 en 34 van de COIV-wet]1 bedoelde aanwijzingen gelijkgesteld met vaste benoemingen).) <W 1999-01-25/32, art. 235, 068; Inwerkingtreding : 01-01-1999> <W 2003-05-03/45, art. 51, 110; Inwerkingtreding : 02-08-2000; zie ook art.61>
  Dienstjaren die krachtens de wet op de pensioenregeling van de leden van het burgerlijk rijkspersoneel in aanmerking komen, maar niet in de magistratuur zijn doorgebracht, worden aangerekend naar de grondslagen in de geldende wetten bepaald.
  Bij wijziging van de weddeschalen wordt het bedrag van het pensioen verhoogd of verlaagd volgens de in artikel 391 gestelde regel.
  (Naargelang van het geval maakt de eerste voorzitter van het hof van beroep of van het arbeidshof, de voorzitter van de rechtbank of de procureur-generaal bij het hof van beroep een einde aan het ambt van plaatsvervangend magistraat aangewezen overeenkomstig artikel 383, § 2, hetzij op verzoek van de magistraat, hetzij ambtshalve, hetzij indien de magistraat wegens gebrekkigheid niet meer in staat wordt bevonden zijn ambt te vervullen.) <W 17-07-1984, art. 11>
  
Art. 392. (Le magistrat reconnu hors d'état de continuer ses fonctions par suite d'infirmités, mais n'ayant pas l'âge voulu pour obtenir d'éméritat, pourra être admis à la pension, quel que soit son âge. Toutefois, si sa fonction a un caractère accessoire, la pension pour cause d'inaptitude ne peut être octroyée qu'après l'accomplissement de cinq années de service. Le Roi définit la fonction accessoire au sens du présent article.) <L 17-06-1971, art. 9>
  (La pension est liquidée à raison d'un trentième du traitement de référence défini à l'article 8, § 1er, de la loi générale du 21 juillet 1844 précitée pour chacune des cinq premières années de service dans la magistrature et à raison d'un trente-cinquième de ce même traitement pour chacune des années de service ultérieures dans la magistrature. (Pour l'application des alinéas 2 et 4 de cette disposition, les désignations visées à l'article 58bis, 2° à 4°, [1 et aux articles 33 et 34 de la loi OCSC]1 sont assimilées à des nominations à titre définitif).) <L 1999-01-25/32, art. 235, 068; En vigueur : 01-01-1999> <L 2003-05-03/45, art. 51, 110; En vigueur : 02-08-2000; voir aussi art. 61>
  Toutefois, les années de service admissibles en vertu de la loi sur les pensions des membres du personnel civil de l'Etat, mais étrangères à la magistrature, seront comptées d'après les bases fixées par les lois en vigueur.
  Lorsque des modifications sont apportées au barème des traitements, le montant de la pension est augmenté ou réduit selon la règle énoncée à l'article 391.
  (Selon le cas, le premier président de la cour d'appel ou du travail, le président du tribunal ou le procureur général près la cour d'appel met fin aux fonctions des magistrats suppléants désignés conformément à l'article 383, § 2, soit à la demande du magistrat, soit d'office, soit si le magistrat est reconnu hors d'état de continuer ses fonctions par suite d'infirmités.) <L 17-07-1984, art. 11>
  
Art. 392/1. [1 Art. 392/1. In afwijking van artikel 392 worden voor de magistraat die op 1 januari 2012 de leeftijd van 55 jaar niet heeft bereikt en van wie bevonden is dat hij wegens een gebrekkigheid niet meer in staat is zijn ambt te vervullen, de tantièmes 1/30e en 1/35ste voorzien in artikel 392, tweede lid, vervangen door het tantième 1/48e voor de diensten gepresteerd vanaf 1 januari 2012.]1
  
Art. 392/1. [1 Art. 392/1. Par dérogation à l'article 392, pour le magistrat qui est âgé de moins de 55 ans au 1er janvier 2012 et qui est reconnu hors d'état de continuer ses fonctions par suite d'infirmités, les tantièmes de 1/30e et 1/35e prévus à l'article 392, alinéa 2, sont remplacés par le tantième 1/48e pour les services prestés à partir du 1er janvier 2012.]1
  
Art. 393. (§ 1.) Wegens hun diploma van doctor (of van licentiaat) in de rechten wordt vier jaar werkelijke dienst in de magistratuur aangerekend ten voordele van de magistraten die in ruste worden gesteld wegens een gebrekkigheid of op de in artikel 383 bepaalde leeftijd, maar die niet het vereiste aantal dienstjaren hebben om het bij de wet bepaalde maximumpensioen te verkrijgen. <W 2003-03-09/53, art. 2, 112; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
  (§ 2. De gerechtelijke stage wordt beschouwd als werkelijke diensttijd in de magistratuur. Voor de berekening van het rustpensioen wordt deze diensttijd in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst.) <W 2003-03-09/53, art. 2, 112; Inwerkingtreding : 01-01-2003>
Art. 393. (§ 1.) En considération de leur diplôme de docteur (ou licencié) en droit, il est compté quatre années de service effectif, dans la magistrature, aux magistrats qui seraient mis à la retraite pour cause d'infirmités ou à l'âge prévu à l'article 383 et qui n'auraient pas le nombre d'années de service voulu pour obtenir le maximum de la pension déterminé par la loi. <L 2003-03-09/53, art. 2, 112; En vigueur : 01-01-2003>
  (§ 2. Le stage judiciaire est considéré comme du service effectif dans la magistrature. Pour le calcul de la pension de retraite, ce service est pris en compte à raison de 1/60e par année de service.) <L 2003-03-09/53, art. 2, 112; En vigueur : 01-01-2003>
Art. 393/1. [1 § 1. De vier jaar werkelijke dienst in de magistratuur bedoeld in artikel 393, § 1, wordt, voor de berekening van het bedrag van de pensioenen die ingaan vanaf 1 december 2018, verminderd overeenkomstig deze paragraaf.
   De in het eerste lid bedoelde duur van vier jaar wordt slechts in aanmerking genomen ten belope van de verhouding tussen, enerzijds, de in maanden uitgedrukte duur van de pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden die de magistraat op 1 december 2017 heeft bereikt en, anderzijds, het getal 540. Het resultaat wordt naar beneden toe afgerond tot gehele maanden.
   Onder "pensioenaanspraakverlenende diensten en perioden" moet worden verstaan de dienstjaren vastgesteld overeenkomstig artikel 46, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen, met uitsluiting van elke tijdsbonificatie wegens diploma of voorafgaande studies en van de in het eerste lid bedoelde duur van vier jaar en zonder de toepassing van de verhogingscoëfficiënten bedoeld in artikel 46, § 3/1, van de voormelde wet van 15 mei 1984.
   § 2. In geval van toepassing van paragraaf 1 wordt geen rekening gehouden met de volgende bepalingen :
   - artikel 2, § 1, eerste lid, c), van het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht;
   - artikel 49, § 2, 1°, van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen.
   § 3. Ongeacht de werkelijke ingangsdatum van het pensioen, is de in paragraaf 1 vermelde vermindering niet van toepassing op het rustpensioen van de magistraat die op een bepaald ogenblik de voorwaarden vervulde om uiterlijk op 1 december 2018 een vervroegd rustpensioen te verkrijgen, noch op de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van zijn rechthebbenden.]1

  
Art. 393/1. [1 § 1er. Les quatre années de service effectif dans la magistrature visées à l'article 393, § 1er, sont, pour le calcul du montant des pensions qui prennent cours à partir du 1er décembre 2018, réduites conformément au présent paragraphe.
   La durée de quatre années visée au premier alinéa n'est prise en compte qu'à concurrence du rapport existant entre, d'une part, la durée, exprimée en mois, des services et périodes admissibles pour l'ouverture du droit à la pension que le magistrat totalise au 1er décembre 2017 et, d'autre part, le nombre 540. Le résultat est arrondi vers le bas pour atteindre un nombre de mois entiers.
   Par "services et périodes admissibles pour l'ouverture du droit à la pension", on entend les années de service établies conformément à l'article 46, § 1er, alinéa 1er, 1°, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions, à l'exclusion de toute bonification de temps pour diplôme ou pour études préliminaires et de la durée de quatre années visée au premier alinéa et sans application des coefficients d'augmentation visés à l'article 46, § 3/1, de la loi du 15 mai 1984 précitée.
   § 2. En cas d'application du paragraphe 1er, il n'est pas tenu compte des dispositions suivantes :
   - l'article 2, § 1er, alinéa 1er, c), de l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes;
   - l'article 49, § 2, 1°, de la loi du 15 mai 1984 portant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions.
   § 3. Quelle que soit la date effective de prise de cours de la pension, la réduction visée au paragraphe 1er n'est pas applicable à la pension de retraite du magistrat qui, à un moment donné, remplissait les conditions pour pouvoir prétendre, au plus tard le 1er décembre 2018, à une pension de retraite anticipée, ni à l'allocation de transition ou à la pension de survie de ses ayants droit.]1

  
Art. 393/2. [1 Artikel 393, § 1, is niet meer van toepassing voor de berekening van het bedrag van de rustpensioenen die vanaf 1 december 2018 ingaan van de magistraten die na 1 december 2017 een vaste of daarmee gelijkgestelde benoeming in de magistratuur hebben verkregen of die na die datum als [2 magistraat in opleiding]2 werden aangesteld, noch voor de berekening van het bedrag van de overgangsuitkering en het overlevingspensioen van hun rechthebbenden.]1
  
Art. 393/2. [1 L'article 393, § 1er, n'est plus applicable au calcul du montant des pensions de retraite qui prennent cours à partir du 1er décembre 2018 des magistrats qui ont fait l'objet après le 1er décembre 2017 d'une nomination définitive ou y assimilée dans la magistrature ou qui, après cette même date, ont été désignés comme [2 magistrat en formation]2, ni pour le calcul du montant de l'allocation de transition et de la pension de survie de leurs ayants droit.]1
  
Art. 394. De bepalingen van de artikelen 391 tot 393 zijn van toepassing op de magistraten van het parket.
Art. 394. Les dispositions des articles 391 à 393 sont applicables aux magistrats du parquet.
Art. 395. Wanneer een magistraat die heeft opgehouden zijn ambt uit te oefenen ten einde het in artikel 308 bedoelde ambt te vervullen, na het uitvoeren van zijn opdracht wordt hersteld in het ambt dat hij niet verder had uitgeoefend, dan wel opnieuw wordt benoemd tot dit ambt of tot een ander hiermee gelijkstaand of hoger rechterlijk ambt, wordt het bedrag van zijn pensioen of van zijn emeritaatspensioen berekend alsof hij nooit had opgehouden zijn ambt uit te oefenen.
  Dit geldt mede voor de gevallen van artikel 361.
Art. 395. Lorsqu'un magistrat, après avoir cessé d'exercer ses fonctions pour remplir celles prévues à l'article 308 a été, après l'accomplissement de sa mission, soit réintégré, soit nommé à nouveau à la fonction qu'il avait cessé d'exercer ou à une autre fonction judiciaire égale ou supérieure, le montant de sa pension ou de son éméritat est calculé comme s'il n'avait jamais cessé d'exercer les dites fonctions.
  Il en sera de même dans les cas prévus à l'article 361.
Art. 396. Geen pensioen mag hoger zijn dan de wedde die voor de vereffening als grondslag heeft gediend.
Art. 396. Aucune pension ne pourra être supérieure au traitement qui aura servi de base à la liquidation.
Art. 397. De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het burgerlijk rijkspersoneel en hun rechtverkrijgenden zijn van toepassing op de magistraten die niet voldoen aan de vereisten om voor de bepalingen van dit hoofdstuk in aanmerking te komen.
Art. 397. Les lois sur les pensions des membres du personnel civil de l'Etat et de leurs ayants droit sont applicables aux magistrats qui ne se trouvent pas dans les conditions voulues pour bénéficier des dispositions du présent chapitre.
HOOFDSTUK IIbis. - (Pensionering en pensioen van de referendarissen bij het Hof van Cassatie en van de referendarissen [1 , de parketjuristen en de criminologen]1 bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg.)
CHAPITRE IIbis. - (De la mise à la retraite et de la pension des référendaires près la Cour de cassation ainsi que des référendaires [1 des juristes de parquet et des criminologues]1 près les cours d'appel et près les tribunaux de première instance.)
Art. 397bis. [1 De referendarissen bij het Hof van Cassatie en de referendarissen [2 , parketjuristen en criminologen]2 bij de hoven en rechtbanken houden op hun ambt uit te oefenen en worden gepensioneerd wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt of wanneer zij wegens een ernstige en blijvende gebrekkigheid niet meer in staat zijn hun ambt naar behoren te vervullen.
   De algemene wet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen is van toepassing op de gepensioneerde referendarissen [2 , parketjuristen en criminologen]2.
   Het in activiteit blijven kan, op verzoek van het personeelslid, door de minister van Justitie worden toegestaan tot de leeftijd van zeventig jaar. De periode van het in activiteit blijven wordt vastgelegd voor een maximale duur van een jaar. Zij kan worden verlengd.]1

  
Art. 397bis. [1 Les référendaires près la Cour de cassation ainsi que les référendaires [2 , les juristes de parquet et les criminologues]2 près les cours et tribunaux cessent d'exercer leurs fonctions et sont admis à la retraite lorsqu'ils ont atteint l'âge de soixante-cinq ans ou lorsqu'une infirmité grave et permanente ne leur permet plus de remplir convenablement leurs fonctions.
  La loi générale du 21 juillet 1844 sur les pensions civiles et ecclésiastiques s'applique aux référendaires [2 , juristes de parquet et criminologues]2 mis à la retraite.
  Le maintien en activité peut être autorisé jusqu'à l'âge de septante ans par le ministre de la Justice sur demande du membre du personnel. La période du maintien en activité est fixée pour une durée maximale d'une année. Elle est renouvelable.]1

  
TITEL V. - Tucht.
TITRE V. - De la discipline.
HOOFDSTUK I. - Bepalingen tot regeling van hiërarchie en toezicht.
CHAPITRE I. - Dispositions réglant la hiérarchie et la surveillance.
Art. 398. [3 Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en 143quater heeft het Hof van Cassatie een recht van toezicht op de hoven van beroep en de arbeidshoven, de hoven van beroep hebben een recht van toezicht op de rechtbanken van eerste aanleg, de [4 ondernemingsrechtbanken]4, de vredegerechten en de politierechtbanken van hun rechtsgebied en de arbeidshoven op de arbeidsrechtbanken van hun rechtsgebied.]3
  [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel heeft de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg een recht van toezicht op de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en op de Nederlandstalige politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt, met betrekking tot de vredegerechten, evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken bij de door haar aangeduide beslissingen met het oog op een consensus.
   De Franstalige rechtbank van eerste aanleg heeft een recht van toezicht op de Franstalige politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   De Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en de Franstalige rechtbank van eerste aanleg hebben gezamenlijk een recht van toezicht op de vredegerechten met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   Bij gebrek aan consensus in geval van de toepassing van het tweede en het vierde lid, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing.]1

  
Art. 398. [3 Sans préjudice de l'application des articles 143bis et 143quater, la Cour de cassation a un droit de surveillance sur les cours d'appel et les cours du travail, les cours d'appel ont un droit de surveillance sur les tribunaux de première instance, les [4 tribunaux de l'entreprise]4, les justices de paix et les tribunaux de police de leur ressort, et les cours du travail sur les tribunaux du travail de leur ressort.]3
  [1 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le tribunal de première instance néerlandophone a droit de surveillance sur les justices de paix et les tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde et sur le tribunal de police néerlandophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale. En ce qui concerne les justices de paix, le tribunal de première instance francophone est impliqué dans les décisions chaque fois qu'il en fait la demande par simple requête au tribunal de première instance néerlandophone en vue d'un consensus.
   Le tribunal de première instance francophone a droit de surveillance sur le tribunal de police francophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   Le tribunal de première instance néerlandophone et le tribunal de première instance francophone ont conjointement droit de surveillance sur les justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale. Les décisions sont délibérées en consensus.
   A défaut de consensus en cas d'application des alinéas 2 et 4, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles prend la décision.]1

  
Art. 399. (Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en [1 143quater]1 waakt de procureur-generaal bij het hof van beroep), onder het gezag van de minister van Justitie, voor de handhaving van de orde in de hoven en in de rechtbanken. <W 1997-03-04/41, art. 4, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997>
  (Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en [1 143quater]1 waken de procureur-generaal, de procureur des Konings en de arbeidsauditeurs), onder hetzelfde gezag, voor de handhaving van de tucht, de regelmatige uitoefening van de dienst en de uitvoering van de wetten en verordeningen in de rechtbanken. <W 1997-03-04/41, art. 4, 046; Inwerkingtreding : 15-05-1997>
  Wanneer de procureur-generaal, de procureur des Konings of de arbeidsauditeur dienaangaande opmerkingen heeft te maken, zijn de eerste voorzitter van het hof en de voorzitter van de rechtbank ertoe gehouden op zijn verzoek de algemene vergadering bijeen te roepen.
  
Art. 399. (Sans préjudice de l'application des articles 143bis et [1 143quater]1,) le procureur général près la cour d'appel veille, sous l'autorité du ministre de la Justice, au maintien de l'ordre dans les cours et tribunaux. <L 1997-03-04/41, art. 4, 046; En vigueur : 15-05-1997>
  (Sans préjudice de l'application des articles 143bis et [1 143quater]1,) les procureurs généraux, procureurs du Roi et auditeurs du travail veillent, sous la même autorité, au maintien de la discipline, à la régularité du service et à l'exécution des lois et règlements dans les tribunaux. <L 1997-03-04/41, art. 4, 046; En vigueur : 15-05-1997>
  Lorsque le procureur général, le procureur du Roi ou l'auditeur du travail ont des observations à faire à cet égard, le premier président de la Cour et le président du tribunal sont tenus, à leur demande, de convoquer l'assemblée générale.
  
Art. 400. [Onverminderd de toepassing van de artikelen 143bis en [1 143quater]1] oefent de minister van Justitie]1 zijn toezicht uit over alle ambtenaren van het openbaar ministerie, de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie over de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en de laatstgenoemden over de leden van het parket-generaal en van het auditoraat-generaal, over de procureurs des Konings, de arbeidsauditeurs en hun substituten. <W 1997-03-04/41, art. 22, 069; Inwerkingtreding : 15-05-1997>
  [2 Onverminderd het eerste lid, oefent het College van het openbaar ministerie zijn toezicht uit over de procureur voor de verkeersveiligheid.]2
  
Art. 400. [Sans préjudice de l'application des articles 143bis et [1 143quater]1,] le ministre de la Justice exerce sa surveillance sur tous les officiers du ministère public, le procureur général près la Cour de cassation sur les procureurs généraux près les cours d'appel et ces derniers sur les membres du parquet général et de l'auditorat général, sur les procureurs du Roi, les auditeurs du travail et leurs substituts.<W <L 1997-03-04/41, art. 22, 069; En vigueur : 15-05-1997>
  [2 Sans préjudice de l'alinéa 1er, le Collège du ministère public exerce sa surveillance sur le procureur de la sécurité routière.]2
  
Art. 401. Wanneer een magistraat van het openbaar ministerie op de zitting afwijkt van de plichten van zijn staat, geeft de eerste voorzitter van het hof of de voorzitter van de rechtbank waarbij hij zijn ambt uitoefent, daarvan kennis aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, aan de procureur-generaal bij het hof van beroep, [1 aan de procureur voor de verkeersveiligheid,]1 aan de procureur des Konings, of aan de arbeidsauditeur, al naar gelang onder wiens toezicht de magistraat staat.
  
Art. 401. Quand un magistrat du ministère public s'écarte à l'audience du devoir de son état, le premier président de la cour ou le président du tribunal auprès duquel il exerce ses fonctions en instruit le procureur général près la Cour de cassation ou le procureur général près la cour d'appel [1 ou le procureur de la sécurité routière]1 ou le procureur du Roi ou l'auditeur du travail suivant que le magistrat relève de la surveillance des uns ou des autres.
  
Art. 402. De procureurs des Konings en hun substituten, (...) en de rechters in de politierechtbank oefenen, onder toezicht van de procureur-generaal bij het hof van beroep, de gerechtelijke politie uit. <W 1998-03-12/39, art. 39, 058; Inwerkingtreding : 1998-10-02>
Art. 402. Les procureurs du Roi et leurs substituts, (...) et les juges au tribunal de police exercent la police judiciaire sous la surveillance du procureur général près la cour d'appel. <L 1998-03-12/39, art. 39, 058; En vigueur : 1998-10-02>
Art. 402bis. <INGEVOEGD bij W 1997-05-06/38, art. 21; Inwerkingtreding : 05-07-1997> De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij dat hof oefenen, ieder wat hem betreft, toezicht uit op de referendarissen.
Art. 402bis. Le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près cette Cour exercent, chacun en ce qui le concerne, la surveillance des référendaires.
Art. 403. De procureur-generaal oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, (...), (deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers) van de griffie van de hoven van zijn ambtsgebied; de procureur des Konings oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de rechtbank van eerste aanleg en van de [2 ondernemingsrechtbank]2, de (hoofdgriffiers) en de griffiers van de vredegerechten en van de politierechtbanken, (...), deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers) van de rechtbanken van eerste aanleg, de [2 ondernemingsrechtbanken]2, vredegerechten en politierechtbanken; de arbeidsauditeur oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers en (...), de (deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers) van de arbeidsrechtbank. [1 De procureur des Konings van Halle-Vilvoorde en de procureur des Konings van Brussel oefenen gezamenlijk hun toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg en van de Nederlandstalige [2 ondernemingsrechtbank]2. De beslissingen worden overlegd in consensus. Bij gebrek aan consensus tussen beide procureurs, neemt de procureur-generaal van Brussel de beslissing. De procureur des Konings van Brussel oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst en de griffiers van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg en de Franstalige [2 ondernemingsrechtbank]2, de hoofdgriffiers en de griffiers van de vredegerechten en van de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, de deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg, van de Franstalige [2 ondernemingsrechtbank]2 en van de vredegerechten en de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De procureur des Konings van Halle-Vilvoorde oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffiers, de griffiers, de deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers van de vredegerechten en van de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde. De procureur des Konings van Brussel wordt, wat de vredegerechten betreft, evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen, met het oog op consensus. Bij gebrek aan consensus tussen beide procureurs, neemt de procureur-generaal van Brussel de beslissing. De arbeidsauditeur van Halle-Vilvoorde en de arbeidsauditeur van Brussel oefenen gezamenlijk hun toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers en de deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers van de Nederlandstalige arbeidsrechtbank. De beslissingen worden overlegd in consensus. Bij gebrek aan consensus tussen beide arbeidsauditeurs, neemt de procureur-generaal van Brussel de beslissing. De arbeidsauditeur van Brussel oefent zijn toezicht uit over de hoofdgriffier, de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers en de deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers van de Franstalige arbeidsrechtbank.]1 <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1997-05-20/46, art. 22, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997> <W 2006-06-10/68, art. 57, 142; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <W 2007-04-25/64, art. 148, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal bij de hoven van beroep, [3 de procureur voor de verkeersveiligheid,]3 de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs oefenen hun toezicht uit over de (hoofdsecretarissen), (secretarissen), (...), (deskundigen, administratief deskundigen, ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers) van hun parket. <W 1997-02-17/50, art. 86, 045; Inwerkingtreding : 01-07-1997> <W 1997-05-20/46, art. 22, 053; Inwerkingtreding : 01-09-1997> <W 2006-06-10/68, art. 57, 142; Inwerkingtreding : 01-12-2006> <W 2007-04-25/64, art. 148, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008>
  
Art. 403. Le procureur général exerce sa surveillance sur le greffier en chef, les greffiers-chefs de service, les greffiers, (...), (experts, experts administratifs, experts ICT, assistants et collaborateurs) du greffe des cours de son ressort; le procureur du Roi exerce sa surveillance sur le greffier en chef, les greffiers-chefs de service et les greffiers du tribunal de première instance et du [2 tribunal de l'entreprise]2, les (greffiers en chef) et les greffiers des justices de paix et des tribunaux de police, (...), (experts, experts administratifs, experts ICT, assistants et collaborateurs) des tribunaux de première instance, des [2 tribunaux de l'entreprise]2, des justices de paix et des tribunaux de police; l'auditeur du travail exerce sa surveillance sur le greffier en chef, les greffiers-chefs de service, les greffiers (...), les (experts, experts administratifs, experts ICT, assistants et collaborateurs) du tribunal du travail. [1 Le procureur du Roi de Hal-Vilvorde et le procureur du Roi de Bruxelles exercent conjointement leur surveillance sur le greffier en chef, les greffiers-chefs de service, les greffiers, les experts, les experts administratifs, les experts ICT, les assistants et les collaborateurs du tribunal de première instance et du [2 tribunal de l'entreprise]2 néerlandophones. Les décisions sont délibérées en consensus. A défaut de consensus entre les deux procureurs, le procureur général de Bruxelles prend la décision. Le procureur du Roi de Bruxelles exerce sa surveillance sur le greffier en chef, les greffiers-chefs de service et les greffiers du tribunal de première instance et du [2 tribunal de l'entreprise]2 francophones, sur les greffiers en chef et les greffiers des justices de paix et des tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, sur les experts, les experts administratifs, les experts ICT, les assistants et les collaborateurs du tribunal de première instance francophone, du [2 tribunal de l'entreprise]2 francophone, ainsi que des justices de paix et des tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale. Le procureur du Roi de Hal-Vilvorde exerce sa surveillance sur les greffiers en chef, les greffiers, les experts, les experts administratifs, les experts ICT, les assistants et les collaborateurs des justices de paix et des tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde. En ce qui concerne les justices de paix, le procureur du Roi de Bruxelles est impliqué dans les décisions chaque fois qu'il en fait la demande par simple requête au procureur du Roi de Hal-Vilvorde, en vue d'un consensus. A défaut de consensus entre les deux procureurs, le procureur général de Bruxelles prend la décision. L'auditeur du travail de Hal-Vilvorde et l'auditeur du travail de Bruxelles exercent conjointement leur surveillance sur le greffier en chef, les greffiers-chefs de service, les greffiers, ainsi que sur les experts, les experts administratifs, les experts ICT, les assistants et les collaborateurs du tribunal du travail néerlandophone. Les décisions sont délibérées en consensus. A défaut de consensus entre les deux auditeurs du travail, le procureur général de Bruxelles prend la décision. L'auditeur du travail de Bruxelles exerce sa surveillance sur le greffier en chef, les greffiers-chefs de service, les greffiers, ainsi que sur les experts, les experts administratifs, les experts ICT, les assistants et les collaborateurs du tribunal du travail francophone.]1 <L 1997-02-17/50, art. 86, 045; En vigueur : 01-07-1997> <L 1997-05-20/46, art. 22, 053; En vigueur : 01-09-1997> <L 2006-06-10/68, art. 57, 142; En vigueur : 01-12-2006> <L 2007-04-25/64, art. 148, 155; En vigueur : 01-12-2008>
  Le procureur général près la Cour de cassation, les procureurs généraux près les cours d'appel, [3 le procureur de la sécurité routière,]3 les procureurs du Roi et les auditeurs du travail exercent leur surveillance sur les (secrétaires en chef), (secrétaires), (...), (experts, experts administratifs, experts ICT, assistants et collaborateurs) de leurs parquets. <L 1997-02-17/50, art. 86, 045; En vigueur : 01-07-1997> <L 1997-05-20/46, art. 22, 053; En vigueur : 01-09-1997> <L 2006-06-10/68, art. 57, 142; En vigueur : 01-12-2006> <L 2007-04-25/64, art. 148, 155; En vigueur : 01-12-2008>
  
HOOFDSTUK II. - Tuchtrechtelijke maatregelen.
CHAPITRE II. - Mesures disciplinaires.
Art. 404. Op diegenen die hun ambtsplichten verzuimen of door hun gedrag afbreuk doen aan de waardigheid van hun ambt, kunnen de tuchtstraffen, bepaald in dit hoofdstuk, worden toegepast.
  (De tuchtstraffen bedoeld in dit hoofdstuk kunnen tevens worden opgelegd aan personen die de taken van hun ambt verwaarlozen en zodoende afbreuk doen aan de goede werking van de justitie of aan het vertrouwen in die instelling.) <W 2002-07-07/43, art. 2, 103; Inwerkingtreding : 14-02-2005>
  [1 Wat de in artikel 305 bedoelde leden van de rechterlijke orde betreft, worden hun ambtsplichten, de waardigheid van hun ambt en de taken van hun ambt inzonderheid geïnterpreteerd in het licht van de algemene beginselen inzake de deontologie.]1
  
Art. 404. Ceux qui manquent aux devoirs de leur charge, ou qui par leur conduite portent atteinte à la dignité de son caractère, peuvent faire l'objet des sanctions disciplinaires déterminées au présent chapitre.
  (Les sanctions disciplinaires prévues par le présent chapitre peuvent également être infligées à ceux qui négligent les tâches de leur charge et qui portent ainsi atteinte au bon fonctionnement de la justice ou à la confiance dans l'institution.) <L 2002-07-07/43, art. 2, 103; En vigueur : 14-02-2005>
  [1 En ce qui concerne les membres de l'ordre judiciaire visés à l'article 305, les devoirs de leur charge, la dignité de son caractère, et les tâches de leur charge sont interprétés, notamment, à la lumière des principes généraux relatifs à la déontologie.]1
  
Art. 405. [1 § 1. De lichte tuchtstraffen die van toepassing zijn op de leden en op de personeelsleden van de rechterlijke orde zijn :
   1° terechtwijzing;
   2° blaam.
   De zware tuchtstraffen die van toepassing zijn op de leden en op de personeelsleden van de rechterlijke orde zijn :
   1° inhouding van wedde;
   2° tuchtschorsing;
   3° lagere inschaling of verlies van de laatste weddebijslag;
   4° terugzetting of intrekking van het in artikel 58bis bedoelde mandaat;
   5° ontslag van ambtswege;
   6° ontzetting uit het ambt of afzetting.
   § 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste vijftien dagen en ten hoogste een jaar en mag niet hoger zijn dan die welke wordt bepaald in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
   § 3. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste een jaar.
   De tuchtschorsing heeft zolang zij duurt een verlies van 20 % van de brutowedde tot gevolg.
   Gedurende de tuchtschorsing kan de betrokkene zijn aanspraken op bevordering of verhoging in weddeschaal niet doen gelden.
   § 4. De lagere inschaling bestaat in de toekenning :
   1° van een lagere weddeschaal in dezelfde graad of in dezelfde klasse;
   2° van een graad van hetzelfde niveau met een lagere weddeschaal.
   § 5. De terugzetting bestaat in de toekenning van een graad van een lager niveau of van een lagere klasse.
   Het personeelslid neemt in deze nieuwe graad of in deze nieuwe klasse rang in op de datum waarop de toekenning uitwerking heeft.
   § 6. Naast het verlies van het lopende mandaat heeft de intrekking van het in artikel 58bis bedoelde mandaat tot gevolg dat de betrokken persoon zich niet langer kan kandidaat stellen voor een in dat artikel bedoeld mandaat, behoudens de in de artikelen 421 en 422 bedoelde gevallen van uitwissing of herziening.
   De intrekking van het mandaat van korpschef leidt tot het verlies van het behoud van wedde dat wordt bedoeld in artikel 102, § 1, derde lid, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, alsook bedoeld in artikel 18 van de wet van 18 december 2006 tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
   § 7. Het ontslag van ambtswege heeft het verlies van de hoedanigheid van lid van de rechterlijke orde of van lid van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten tot gevolg.
   § 8. De ontzetting uit het ambt en de afzetting hebben het verlies van de hoedanigheid van lid van de rechterlijke orde of van lid van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en het verlies van het rustpensioen tot gevolg.
   § 9. De ontzetting uit het ambt en de afzetting brengen het verbod op verdere uitoefening van ambten in de Rechterlijke Orde mee.
   De terechtwijzing en de blaam uitgezonderd, brengt een tuchtstraf het verbod mee zich kandidaat te stellen voor de Hoge Raad voor de Justitie, behoudens de in de artikelen 421 en 422 bedoelde gevallen van uitwissing of herziening.
   § 10. Het tuchtrechtscollege kan de uitspraak van de straf opschorten en de uitvoering van de uitgesproken straf uitstellen, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die het bepaalt.]1

  
Art. 405. [1 § 1er. Les peines disciplinaires mineures applicables aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire sont :
   1° le rappel à l'ordre;
   2° le blâme.
   Les peines disciplinaires majeures applicables aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire sont :
   1° la retenue de traitement;
   2° la suspension disciplinaire;
   3° la régression barémique ou la perte du dernier supplément de traitement;
   4° la rétrogradation ou le retrait de mandat visé à l'article 58bis;
   5° la démission d'office;
   6° la destitution ou la révocation.
   § 2. La retenue de traitement s'applique pendant quinze jours au moins et un an au plus et ne peut pas être supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
   § 3. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période d'un mois au moins et d'un an au plus.
   La suspension disciplinaire entraîne pour sa durée une perte de 20 % du traitement brut.
   Durant les périodes de suspension disciplinaire, la personne concernée ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou l'avancement dans son échelle de traitement.
   § 4. La régression barémique consiste en l'attribution :
   1° d'une échelle de traitement inférieure dans le même grade ou dans la même classe;
   2° d'un grade du même niveau doté d'une échelle de traitement inférieure.
   § 5. La rétrogradation consiste en l'attribution d'un grade d'un niveau inférieur ou d'une classe inférieure.
   Le membre du personnel prend rang dans ce nouveau grade ou dans cette nouvelle classe à la date à laquelle l'attribution produit ses effets.
   § 6. Outre la perte du mandat en cours, le retrait du mandat visé à l'article 58bis a pour conséquence que la personne concernée ne peut plus se porter candidate à un mandat visé à cet article sauf les cas d'effacement ou de révision visés aux articles 421 et 422.
   Le retrait du mandat de chef de corps entraîne la perte du maintien du traitement visé à l'article 102, § 1er, alinéa 3, de la loi du 22 décembre 1998 modifiant certaines dispositions de la deuxième partie du Code judiciaire concernant le Conseil supérieur de la Justice, la nomination et la désignation de magistrats et instaurant un système d'évaluation pour les magistrats et à l'article 18 de la loi du 18 décembre 2006 modifiant les articles 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 et 359 du Code judiciaire, rétablissant dans celui-ci l'article 324 et modifiant les articles 43 et 43quater de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire.
   § 7. La démission d'office fait perdre la qualité de membre de l'ordre judiciaire ou de membre du personnel des greffes et des secrétariats de parquet.
   § 8. La destitution et la révocation font perdre la qualité de membre de l'ordre judiciaire ou de membre du personnel des greffes et des secrétariats de parquet et entraînent la perte de la pension de retraite.
   § 9. La destitution et la révocation emportent l'interdiction d'exercer à nouveau des fonctions dans l'Ordre judiciaire.
   Hormis le rappel à l'ordre et le blâme, une sanction disciplinaire emporte l'interdiction de se porter candidat au Conseil supérieur de la Justice, sauf les cas d'effacement ou de révision visés aux articles 421 et 422.
   § 10. La juridiction disciplinaire peut suspendre le prononcé de la sanction et surseoir à l'exécution de la sanction qu'elle prononce, le cas échéant moyennant les conditions particulières qu'elle fixe.]1

  
Art. 405bis. <INGEVOEGD bij W 2002-07-07/43, art. 4; Inwerkingtreding : 14-02-2005> Wanneer de betrokkene verscheidene tuchtrechtelijke tekortkomingen worden toegerekend, wordt tegen hem een enkele tuchtprocedure gevoerd die slechts aanleiding kan geven tot een enkele tuchtstraf.
  Wanneer hem tijdens de tuchtprocedure een nieuwe tekortkoming wordt toegerekend, wordt een nieuwe tuchtprocedure ingeleid evenwel zonder dat de reeds lopende procedure wordt onderbroken.
  In geval van samenhang wordt deze nieuwe tekortkoming evenwel behandeld en berecht tijdens de lopende procedure.
Art. 405bis. Lorsque plusieurs manquements disciplinaires sont imputés à la personne concernée, une seule procédure est engagée à sa charge qui ne peut déboucher que sur une seule peine disciplinaire.
  Si un nouveau manquement lui est imputé au cours de la procédure disciplinaire, une nouvelle procédure est engagée sans que la procédure déjà engagée ne soit interrompue pour autant.
  En cas de connexité ce nouveau manquement est toutefois instruit et jugé lors de la procédure en cours.
Art. 405ter. [1 De in artikel 412, §§ 1 en 2, bedoelde overheid brengt de Koning of de Minister van Justitie onverwijld op de hoogte van de aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank.]1
  
Art. 405ter. [1 L'autorité visée à l'article 412, §§ 1er et 2, avertit immédiatement le Roi ou le Ministre de la Justice de ce que le tribunal disciplinaire a été saisi.]1
  
Art. 405quater. <INGEVOEGD bij W 2002-07-07/43, art. 6; Inwerkingtreding : 14-02-2005> Zodra een tuchtprocedure is ingesteld, [1 kan]1 het onderzoek van het verzoek tot ontslag gericht aan de Koning of aan de Minister van Justitie [1 geschorst worden]1 tot de tuchtprocedure is beëindigd.
  
Art. 405quater. Dès qu'une procédure disciplinaire est initiée, l'examen de la demande de démission adressée au Roi ou au Ministre de la Justice [1 peut être suspendu]1 jusqu'à la fin de la procédure disciplinaire.
  
Art. 406. <W 2002-07-07/43, art. 7, 103; Inwerkingtreding : 14-02-2005> § 1. Ingeval de betrokkene wordt vervolgd wegens een misdaad of een wanbedrijf of tuchtrechtelijk wordt vervolgd, kan hij in het belang van de dienst, op grond van een ordemaatregel uit zijn ambt worden geschorst voor de duur van de vervolging en tot de eindbeslissing is genomen.
  [1 De ordemaatregel wordt uitgesproken door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid voor de duur van hoogstens drie maanden en kan worden verlengd voor periodes van hoogstens drie maanden tot de eindbeslissing. De maatregel kan een inhouding van 20 % van de brutowedde meebrengen. Het openbaar ministerie kan zich wenden of wendt zich op injunctie van de Minister van Justitie tot de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid met een verzoek tot schorsing in het belang van de dienst.]1
  [1 Een ordemaatregel of verlenging kan enkel worden uitgesproken nadat de betrokken persoon is gehoord of behoorlijk opgeroepen of, wanneer zijn verhoor onmogelijk is, nadat hij zijn verweermiddelen schriftelijk heeft kunnen doen gelden of zich heeft kunnen laten vertegenwoordigen.]1
  Evenwel kan bij uiterst dringende noodzakelijkheid of bij betrapping op heterdaad een voorlopige ordemaatregel worden genomen zonder voorafgaand verhoor van de betrokkene. De betrokkene wordt na het toepassen van de voorlopige ordemaatregel onverwijld gehoord. Deze voorlopige ordemaatregel vervalt na tien dagen, tenzij de overheid die de maatregel genomen heeft, hem binnen deze termijn heeft bekrachtigd.
  [1 De oproeping wordt aan de betrokken persoon bezorgd tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending, met vermelding van de ten laste gelegde feiten, de plaats waar en de termijn waarin het dossier kan worden geraadpleegd alsook de plaats en de datum van verschijning.
   Van de beslissing van de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid wordt tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending kennis gegeven aan de betrokken persoon en aan het parket binnen vijf dagen volgend op het verhoor van de betrokken persoon of op de voor dat verhoor vastgestelde datum of op de schriftelijke indiening van de verweermiddelen.
   De kennisgeving maakt melding van het recht om beroep in te stellen, alsook van de geldende vormen en termijn.
   De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar.]1

  § 2. Wanneer een tuchtstraf met inhouding van wedde wordt uitgesproken tegen een persoon die het voorwerp is geweest van een ordemaatregel met vermindering van wedde, heeft de tuchtstraf ten vroegste uitwerking op de dag waarop de ordemaatregel is ingegaan.
  Het tijdens de ordemaatregel ingehouden bedrag van wedde wordt afgetrokken van het bedrag van verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtstraf met inhouding van wedde. Als het bedrag van de ingehouden wedde hoger is dan het bedrag van het verlies van wedde dat voortvloeit uit de tuchtstraf met inhouding van wedde, wordt het verschil aan de betrokkene uitbetaald.
  De ingehouden bedragen worden aan de betrokkene uitbetaald wanneer de ordemaatregel niet gevolgd wordt door een tuchtstraf of een strafrechtelijke veroordeling wegens dezelfde feiten, of wanneer de strafvordering vervallen is, dan wel aanleiding heeft gegeven tot een beschikking van buitenvervolgingstelling of tot een seponering.
  
Art. 406. <L 2002-07-07/43, art. 7, 103; En vigueur : 14-02-2005> § 1er. Lorsqu'elle est poursuivie pour un crime ou un délit ou lorsqu'elle est poursuivie disciplinairement, la personne concernée peut, lorsque l'intérêt du service le requiert, être suspendue de ses fonctions par mesure d'ordre pendant la durée des poursuites et jusqu'à la décision finale.
  [1 La mesure d'ordre est prononcée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, pour trois mois au plus et peut être prorogée pour des périodes de trois mois au plus jusqu'à la décision définitive. Elle peut entraîner une retenue de 20 % du traitement brut. Le ministère public peut saisir ou saisit sur injonction du Ministre de la Justice l'autorité visée à l'article 412, § 1er, d'une demande de suspension dans l'intérêt du service.]1
  [1 Aucune mesure d'ordre ou prorogation ne peut être prononcée sans que la personne concernée ait été entendue ou dûment appelée ou, lorsque son audition est impossible, sans qu'elle ait pu faire valoir ses moyens de défense par écrit ou se faire représenter.]1
  Toutefois, en cas d'extrême urgence ou de flagrance une mesure d'ordre provisoire peut être prise sans audition préalable de la personne concernée. La personne concernée sera entendue immédiatement après l'application de la mesure d'ordre provisoire. Sauf confirmation dans les 10 jours par l'autorité qui l'a prise la mesure d'ordre provisoire cesse de produire ses effets.
  [1 La convocation est remise à la personne concernée contre accusé de réception ou par envoi recommandé contenant un exposé des faits reprochés, le lieu et le délai de consultation du dossier, ainsi que le lieu et la date de comparution.
   La décision de l'autorité visée à l'article 412, § 1er, est notifiée contre accusé de réception ou par envoi recommandé à la personne concernée et au parquet dans les cinq jours suivant l'audition de la personne concernée ou la date fixée pour cette audition ou la remise des moyens de défense par écrit.
   La notification fait mention du droit d'introduire un recours, du délai et des formes à respecter.
   La décision est exécutoire immédiatement.]1

  § 2. Lorsqu'une peine disciplinaire entraînant une retenue de traitement est prise à l'encontre d'une personne qui a fait l'objet d'une mesure d'ordre avec réduction de traitement, la peine disciplinaire produit ses effets au plus tôt le jour où la mesure d'ordre a pris cours.
  Le montant du traitement retenu pendant la mesure d'ordre est déduit du montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire entraînant une retenue de traitement. Si le montant du traitement retenu est plus important que le montant de la perte de traitement liée à la peine disciplinaire entraînant une retenue de traitement, la différence est liquidée à la personne concernée.
  Les sommes retenues sont liquidées à la personne concernée lorsque la mesure d'ordre n'est pas suivie par une peine disciplinaire ou une condamnation pénale pour les mêmes faits ou si l'action pénale est éteinte ou s'il y a eu une ordonnance de non-lieu ou un classement sans suite.
  
Art. 407. <W 2007-04-25/64, art. 149, 155; Inwerkingtreding : 01-12-2008> Aan de leden van de zetel en de leden van het openbaar ministerie, de referendarissen bij het Hof van Cassatie en het gerechtspersoneel van niveau A die zonder verlof afwezig zijn, kan door een beslissing [1 van de tuchtrechtbank]1, voor de duur van die afwezigheid hun wedde worden ontzegd.
  
Art. 407. <L 2007-04-25/64, art. 149, 155; En vigueur : 01-12-2008> Les membres du siège et les membres du ministère public, les référendaires près la Cour de cassation et le personnel judiciaire de niveau A qui s'absentent sans autorisation peuvent, par une décision [1 du tribunal disciplinaire]1, être privés de leur traitement pendant le temps de leur absence.
  
Art. 408. De raadsheren en rechters in sociale zaken (, de rechters in handelszaken en de assessoren [2 in de strafuitvoeringsrechtbank]2) die, ofschoon regelmatig opgeroepen, zonder geldige reden op meer dan drie zittingen over een tijdvak van zes maanden afwezig zijn geweest, worden als ontslagnemer beschouwd en vervangen. <W 2006-05-17/36, art. 38, 132; Inwerkingtreding : 01-02-2007>
  
Art. 408. Les conseillers et juges sociaux (, les juges consulaires, les assesseurs [2 au tribunal de l'application des peines]2) qui, bien que régulièrement convoqués ont été absents sans juste motif à plus de trois audiences au cours d'une période de six mois, seront considérés comme démissionnaires et remplacés. <L 2006-05-17/36, art. 38, 132; En vigueur : 01-02-2007>
  
HOOFDSTUK III. - (Bevoegde overheden.)
CHAPITRE III. - (Autorités compétentes).
Afdeling I. - [1 Tuchtrechtcolleges]1
Section 1. - [1 Des juridictions disciplinaires]1
Art. 409. [1 § 1. Er bestaat voor heel België een niet-permanente Nederlandstalige tuchtrechtbank en een niet-permanente Franstalige tuchtrechtbank bevoegd ten aanzien van de leden en de personeelsleden van de rechterlijke orde.
   Binnen de Franstalige rechtbank neemt een kamer, welke uit minstens één magistraat van de zetel bestaat die het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, kennis van de zaken met betrekking tot de Duitstalige leden en personeelsleden van de rechterlijke orde.
   Als het onmogelijk blijkt in de Franstalige rechtbank een magistraat aan te wijzen die het bewijst levert van de kennis van de Duitse taal, wordt de rechtspleging gevoerd in de Franse taal. Op verzoek van de betrokken persoon kan de rechtbank bevelen dat een beroep wordt gedaan op een vertaler; de vertaalkosten zijn ten laste van de Schatkist. Het vonnis wordt vertaald in het Duits.
   De Franstalige rechtbank heeft haar zetel te Namen. De Nederlandstalige rechtbank heeft haar zetel te Gent. De geïnventariseerde tuchtdossiers en een kopie van het individuele dossier van de betrokkene worden respectievelijk gericht [3 aan de griffie van de afdeling Namen van de rechtbank van eerste aanleg te Namen, of van de afdeling Gent van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen]3.
   Het ambt van openbaar ministerie bij de tuchtrechtbank wordt uitgeoefend door de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg in de zetel waar de tuchtrechtbank haar zittingen houdt.
   Het ambt van griffier bij de tuchtrechtbank wordt uitgeoefend door een griffier van de rechtbank van eerste aanleg in de zetel waar de tuchtrechtbank haar zittingen houdt. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
   § 2. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van de zetel die geen magistraat is van het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als het rechtscollege waarvan de vervolgde persoon afkomstig is. Een stafhouder van een raad van de Orde [5 of zijn plaatsvervanger]5 wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
   Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van het openbaar ministerie die geen magistraat is bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor die wordt aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon. [2 Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal [4 en worden de leden van het parket voor de verkeersveiligheid gelijkgesteld met de leden van het parket van de procureur des Konings te Brussel]4.]2 Een stafhouder van een raad van de Orde [5 of zijn plaatsvervanger]5 wordt telkens met raadgevende stem toegevoegd.
   Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtspersoneel, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor die wordt aangewezen uit de assessoren die zijn aangewezen door de minister van Justitie en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan het niveau van de persoon tegen wie de tuchtprocedure loopt. Een stafhouder van een raad van de Orde [5 of zijn plaatsvervanger]5 wordt telkens met raadgevende stem toegevoegd.
   [5 De stafhouder en zijn plaatsvervanger worden onder hun leden aangewezen]5 door de Orde van Vlaamse Balies of door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, op schriftelijk verzoek van de voorzitter van de tuchtrechtbank.
   § 3. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van of bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en uit een assessor die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 411, § 6.
   Een stafhouder van een raad van de Orde [5 of zijn plaatsvervanger]5 wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd. Hij wordt aangewezen volgens de in § 2, vierde lid, bedoelde procedure.]1

  
Art. 409. [1 § 1er. Il y a pour toute la Belgique un tribunal disciplinaire de langue française et un tribunal disciplinaire de langue néerlandaise non permanents, compétents à l'égard des membres et des membres du personnel de l'ordre judiciaire.
   Au sein du tribunal de langue française une chambre, composée d'au moins un magistrat du siège justifiant de la connaissance de la langue allemande, connaît des affaires relatives aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire de langue allemande.
   En cas d'impossibilité de désigner un magistrat justifiant de la connaissance de la langue allemande dans le tribunal de langue française, la procédure a lieu en langue française. A la demande de la personne concernée, le tribunal peut ordonner qu'il soit fait appel à un traducteur; les frais de traduction sont à charge du Trésor. Le jugement est traduit en allemand.
   Le tribunal de langue française siège à Namur. Le tribunal de langue néerlandaise siège à Gand. Les dossiers disciplinaires inventoriés et une copie du dossier individuel de la personne concernée sont respectivement adressés [3 au greffe de la division de Namur du tribunal de première instance de Namur, ou de la division de Gand du tribunal de première instance de Flandre orientale]3.
   Les fonctions du ministère public près le tribunal disciplinaire sont exercées par le procureur du Roi près le tribunal de première instance au siège duquel le tribunal disciplinaire tient ses audiences.
   Les fonctions de greffier au tribunal disciplinaire sont exercées par un greffier du tribunal de première instance au siège duquel le tribunal disciplinaire tient ses audiences. Il est désigné par le greffier en chef.
   § 2. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du siège autre qu'un magistrat de la Cour de Cassation, les chambres du tribunal disciplinaire sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur issu d'une juridiction du même niveau que celle dont est issue la personne poursuivie. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [5 ou son suppléant]5 est chaque fois adjoint avec voix consultative.
   Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du ministère public autre qu'un magistrat près la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur désigné parmi les magistrats du ministère public de même niveau que la personne poursuivie. [2 Pour l'application du présent article, les membres du parquet fédéral sont assimilés aux membres des parquets généraux [4 et les membres du parquet de la sécurité routière sont assimilés aux membres du parquet du procureur du Roi de Bruxelles]4.]2 Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [5 ou son suppléant]5 est chaque fois adjoint avec voix consultative.
   Lorsque la procédure disciplinaire concerne un membre du personnel judiciaire, elles sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur désigné parmi les assesseurs désignés par le ministre de la Justice et d'un niveau au moins égal à celui de la personne faisant l'objet de la procédure disciplinaire. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [5 ou son suppléant]5 est chaque fois adjoint avec voix consultative.
   [5 Le bâtonnier et son suppléant sont désignés parmi leurs membres]5 par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou par l'Orde van Vlaamse Balies, à la demande écrite du président du tribunal disciplinaire.
   § 3. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat de ou près la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur désigné conformément à l'article 411, § 6.
   Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [5 ou son suppléant]5 est chaque fois adjoint avec voix consultative. Il est désigné selon la procédure visée au § 2, alinéa 4.]1

  
Afdeling II.
Section II.
Art. 410. [1 § 1. Er bestaat voor heel België een niet-permanente Nederlandstalige tuchtrechtbank in hoger beroep en een Franstalige niet-permanente tuchtrechtbank in hoger beroep.
   De Nederlandstalige rechtbank in hoger beroep heeft haar zetel te Brussel. De Franstalige rechtbank in hoger beroep heeft haar zetel te Brussel. De tuchtdossiers worden gericht aan de griffie van het hof van beroep.
   Het ambt van openbaar ministerie bij de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt uitgeoefend door de procureur-generaal bij het hof van beroep in de zetel waar de tuchtrechtbank in hoger beroep haar zittingen houdt.
   Het ambt van griffier in de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt uitgeoefend door een griffier van het hof van beroep in de zetel waar de tuchtrechtbank in hoger beroep haar zittingen houdt. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
   Binnen de Franstalige rechtbank neemt een kamer, welke uit minstens één magistraat van de zetel bestaat die het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, kennis van de zaken met betrekking tot de Duitstalige leden en personeelsleden van de rechterlijke orde.
   Als het onmogelijk blijkt een kamer samen te stellen die bestaat uit een magistraat die het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, wordt de rechtspleging in de Franse taal gevoerd. Op verzoek van de betrokken persoon kan de rechtbank bevelen dat een beroep wordt gedaan op een vertaler; de vertaalkosten zijn ten laste van de Schatkist. Het arrest wordt vertaald in het Duits.
   § 2. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van de zetel die geen magistraat is van het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als het rechtscollege waarvan de vervolgde persoon afkomstig is. Een stafhouder van een raad van de Orde [4 of zijn plaatsvervanger]4 wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
   Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van het openbaar ministerie die geen magistraat is bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor die wordt aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon. [2 Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal [3 en worden de leden van het parket voor de verkeersveiligheid gelijkgesteld met de leden van het parket van de procureur des Konings te Brussel]3.]2 Een stafhouder van een raad van de Orde [4 of zijn plaatsvervanger]4 wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
   Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtspersoneel, zijn de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor die wordt aangewezen uit de assessoren die zijn aangewezen door de minister van Justitie en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan dat van de persoon tegen wie de tuchtprocedure loopt. Een stafhouder van een raad van de Orde [4 of zijn plaatsvervanger]4 wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
   [4 De stafhouder en zijn plaatsvervanger worden onder hun leden aangewezen]4 door de Orde van Vlaamse Balies of door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, op schriftelijk verzoek van de voorzitter van de tuchtrechtbank in hoger beroep.
   § 3. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van of bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en uit een raadsheer-assessor die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 411, § 6, eerste of tweede lid, naar gelang van het geval.
   Een stafhouder van een raad van de Orde [4 of zijn plaatsvervanger]4 wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd. Hij wordt aangewezen volgens de in § 2, vierde lid, bedoelde procedure.]1

  
Art. 410. [1 § 1er. Il y a pour toute la Belgique un tribunal disciplinaire d'appel francophone et un tribunal disciplinaire d'appel néerlandophone non permanents.
   Le tribunal disciplinaire d'appel de langue française siège à Bruxelles. Le tribunal disciplinaire d'appel de langue néerlandaise siège à Bruxelles. Les dossiers disciplinaires sont adressés au greffe de la cour d'appel.
   Les fonctions du ministère public près le tribunal disciplinaire d'appel sont exercées par le procureur général près la cour d'appel au siège de laquelle le tribunal disciplinaire d'appel tient ses audiences.
   Les fonctions de greffier au tribunal disciplinaire d'appel sont exercées par un greffier de la cour d'appel au siège de laquelle le tribunal disciplinaire d'appel tient ses audiences. Il est désigné par le greffier en chef.
   Au sein du tribunal disciplinaire d'appel de langue française, une chambre, composée d'au moins un magistrat du siège justifiant de la connaissance de la langue allemande, connaît des affaires relatives aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire de langue allemande.
   En cas d'impossibilité de constituer une chambre composée d'un magistrat justifiant de la connaissance de la langue allemande, la procédure a lieu en langue française. A la demande de la personne concernée, le tribunal peut ordonner qu'il soit fait appel à un traducteur; les frais de traduction sont à charge du Trésor. L'arrêt est traduit en allemand.
   § 2. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du siège autre qu'un magistrat de la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel et d'un conseiller assesseur issu d'une juridiction du même niveau que celle dont est issue la personne poursuivie. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [4 ou son suppléant]4 est chaque fois adjoint avec voix consultative.
   Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du ministère public autre qu'un magistrat près la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel et d'un conseiller assesseur désigné parmi les magistrats du ministère public de même niveau que la personne poursuivie. [2 Pour l'application du présent article, les membres du parquet fédéral sont assimilés aux membres des parquets généraux [3 et les membres du parquet de la sécurité routière sont assimilés aux membres du parquet du procureur du Roi de Bruxelles]3.]2 Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [4 ou son suppléant]4 est chaque fois adjoint avec voix consultative.
   Lorsque la procédure disciplinaire concerne un membre du personnel judiciaire, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel, et d'un conseiller assesseur désigné parmi les assesseurs désignés par le ministre de la Justice et d'un niveau au moins égal à celui de la personne faisant l'objet de la procédure disciplinaire. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [4 ou son suppléant]4 est chaque fois adjoint avec voix consultative.
   [4 Le bâtonnier et son suppléant sont désignés parmi leurs membres]4 par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou par l'Orde van Vlaamse Balies, à la demande écrite du président du tribunal disciplinaire d'appel.
   § 3. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat de ou près la Cour de Cassation, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel et d'un conseiller assesseur désigné conformément à l'article 411, § 6, alinéa 1er ou 2, selon le cas.
   Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre [4 ou son suppléant]4 est chaque fois adjoint avec voix consultative. Il est désigné selon la procédure visée au § 2, alinéa 4.]1

  
Afdeling III.
Section III.
Art. 411. [1 § 1. De leden-assessoren van de tuchtrechtbank en van de tuchtrechtbank in hoger beroep worden aangewezen voor [9 een hernieuwbare termijn van zeven jaar]9.
   [9 De werkende magistraten die een mandaat van korpschef uitoefenen]9 en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie mogen niet worden aangewezen om zitting te houden in de tuchtrechtscolleges.
   Het ambt van de leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges neemt ambtshalve een einde wanneer hen een tuchtstraf wordt opgelegd.
   Het mandaat van magistraat, aangewezen als assessor bij de tuchtrechtbank of bij de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene een in de artikelen 308, [5 309/1,]5 [7 309/2,]7 [3 309ter,]3 323bis, 327 en 327bis bedoelde opdracht aanvaardt. [3 Het mandaat van niet-magistraat, aangewezen als assessor bij de tuchtrechtbank of bij de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene [5 een in de artikelen 309sexies, 309septies of 309novies]5 bedoelde opdracht aanvaardt.]3
  [4 Gepensioneerde leden van het gerechtspersoneel kunnen hun mandaat van assessor verder blijven uitoefenen tot het einde van hun lopende aanwijzing en ten laatste tot ze de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt.]4
   § 2. De leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges worden aangewezen uit de werkende beroepsmagistraten of op rust gestelde magistraten en uit het gerechtspersoneel van niveau A en B.
   Om als lid-assessor van de tuchtrechtscolleges te worden aangewezen, moet de kandidaat tien ambtsjaren binnen de Rechterlijke Orde vervuld hebben, waarvan vijf jaar respectievelijk in het ambt van magistraat van de zetel, van magistraat van het openbaar ministerie of van personeelslid van niveau A of B, en mag hij geen enkele tuchtstraf hebben ondergaan.
   De kandidaat-assessoren richten hun kandidatuur respectievelijk aan hun algemene vergadering, hun korpsvergadering of aan de minister van Justitie binnen dertig dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
   § 3. De magistraten van de zetel die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtrechtscolleges worden door hun algemene vergadering uitgekozen binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De magistraten van het openbaar ministerie die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtrechtscolleges worden door hun korpsvergadering uitgekozen binnen diezelfde termijn.
   In elk rechtsgebied van het hof van beroep wijzen de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, van de [6 ondernemingsrechtbanken]6 en van de arbeidsrechtbanken alsook de voorzitter [2 van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank]2 gezamenlijk, uit de door de algemene vergaderingen uitgekozen kandidaten, vier leden van die rechtbanken aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden vier Nederlandstalige en vier Franstalige magistraten op dezelfde wijze aangewezen.
   De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
   In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven gezamenlijk, uit de door de algemene vergaderingen uitgekozen kandidaten, drie leden van die hoven aan om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep of als assessor in de tuchtrechtbank.
   In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige raadsheren gezamenlijk aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitter van het hof van beroep en de eerste voorzitter van het arbeidshof.
   De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
   § 4. In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs gezamenlijk, uit de door de korpsvergaderingen uitgekozen kandidaten, drie magistraten van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep [2 ...]2. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige magistraten gezamenlijk aangewezen door de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs. [8 Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het parket voor de verkeersveiligheid gelijkgesteld met de leden van het parket van de procureur des Konings te Brussel.]8
   De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
   De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal en de federale procureur wijzen gezamenlijk uit de door de korpsvergaderingen uitgekozen kandidaten, de zes leden van de Nederlandstalige [2 parketten-generaal en arbeidsauditoraten generaal]2 en de zes leden van de Franstalige [2 parketten-generaal en arbeidsauditoraten generaal]2 aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep [2 ...]2. [2 Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal.]2
   De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
   § 5. Per rechtsgebied van het hof van beroep worden twee personeelsleden van niveau A en twee personeelsleden van niveau B die in aanmerking kunnen komen om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep aangewezen door de Minister van Justitie binnen negentig dagen na de oproep tot kandidaten, op eensluidend advies van hun hiërarchische meerdere. De Minister van Justitie vraagt het advies van de hiërarchische meerdere van de kandidaat binnen tien dagen na de ontvangst van de kandidatuur. De adviezen worden overgezonden aan de Minister van Justitie binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten.
   In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden twee Nederlandstalige personeelsleden van niveau A, twee Franstalige personeelsleden van niveau A, twee Nederlandstalige personeelsleden van niveau B en twee Franstalige personeelsleden van niveau B aangewezen. [8 Voor de toepassing van dit artikel worden de personeelsleden van het parket voor de verkeersveiligheid gelijkgesteld met de personeelsleden van het parket van de procureur des Konings te Brussel.]8
   § 6. [4 De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie wijzen gezamenlijk drie Nederlandstalige en drie Franstalige emeriti of ere-magistraten aan, uit de zetel of het parket die zich kandidaat hebben gesteld om zitting te nemen in de in de artikelen 409, § 3, eerste lid, en 410, § 3, eerste lid, bedoelde gevallen.]4
  [2 De namen van de emeriti magistraten die aldus worden aangewezen, worden overgezonden naar de minister van Justitie binnen vijfenzeventig dagen na de oproep tot kandidaten.]2
   § 7. De lijst met de leden die zijn aangewezen voor de uitoefening van ambten in de tuchtrechtscolleges wordt binnen honderd dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]1

  
Art. 411. [1 § 1er. Les membres assesseurs du tribunal disciplinaire et du tribunal disciplinaire d'appel sont désignés pour [9 une période de sept ans renouvelable]9.
   [9 Les magistrats effectifs qui exercent un mandat de chef de corps]9 et les membres du Conseil supérieur de la Justice ne peuvent pas être désignés pour siéger au sein des juridictions disciplinaires.
   Les fonctions des membres assesseurs des juridictions disciplinaires prennent fin d'office lorsqu'une peine disciplinaire leur est infligée.
   Le mandat d'un magistrat désigné comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel s'achève lorsque l'intéressé accepte une mission visée aux articles 308, [5 309/1,]5 [7 309/2,]7 [3 309ter,]3 323bis, 327 et 327bis. [3 Le mandat d'un non-magistrat désigné comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel s'achève lorsque l'intéressé accepte une mission visée [5 aux articles 309sexies, 309septies et 309novies]5.]3
  [4 Les membres du personnel judiciaire pensionnés peuvent continuer à exercer leur mandat d'assesseur jusqu'à la fin du mandat en cours et au plus tard jusqu'à ce qu'ils aient atteint l'âge de 70 ans.]4
   § 2. Les membres assesseurs des juridictions disciplinaires sont désignés parmi les magistrats de carrière effectifs ou admis à la retraite et le personnel judiciaire de niveau A et B.
   Le candidat doit, pour être désigné membre assesseur des juridictions disciplinaires, compter dix ans de fonction dans l'Ordre judiciaire, dont cinq ans respectivement dans la fonction de magistrat du siège, de magistrat du ministère public ou de membre du personnel de niveau A ou B, et n'avoir subi aucune peine disciplinaire.
   Les candidats assesseurs adressent respectivement leur candidature à leur assemblée générale, leur assemblée de corps ou au ministre de la Justice dans les trente jours suivant l'appel aux candidats publié au Moniteur belge.
   § 3. Les magistrats du siège susceptibles de siéger comme membre assesseur dans les juridictions disciplinaires sont sélectionnés par leur assemblée générale dans les soixante jours suivant l'appel aux candidats publié au Moniteur belge. Les magistrats du ministère public susceptibles de siéger comme assesseur dans les juridictions disciplinaires sont sélectionnés par leur assemblée de corps, dans les mêmes délais.
   Dans chaque ressort de cour d'appel, les présidents des tribunaux de première instance, [6 de l'entreprise]6 et du travail et le président [2 des juges de paix et des juges au tribunal de police]2 désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées générales, quatre membres de ces tribunaux qui pourront siéger comme assesseur dans le tribunal disciplinaire ou comme assesseur dans le tribunal disciplinaire d'appel. Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, quatre magistrats francophones et quatre magistrats néerlandophones sont désignés de la même manière.
   Les désignations sont motivées.
   Dans chaque ressort de cour d'appel, les premiers présidents des cours d'appel et du travail désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées générales, trois membres de ces cours pour siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire d'appel ou comme assesseur au tribunal disciplinaire.
   Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, trois conseillers francophones et trois conseillers néerlandophones sont désignés conjointement par le premier président de la Cour de Cassation, le premier président de la cour d'appel et le premier président de la cour du travail.
   Les désignations sont motivées.
   § 4. Dans chaque ressort de cour d'appel, les procureurs du Roi et les auditeurs du travail désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées de corps, trois magistrats du parquet du procureur du Roi ou de l'auditorat du travail susceptibles de siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel [2 ...]2. Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, trois magistrats francophones et trois magistrats néerlandophones sont désignés conjointement par les procureurs du Roi et les auditeurs du travail. [8 Pour l'application du présent article, les membres du parquet de la sécurité routière sont assimilés aux membres du parquet du procureur du Roi de Bruxelles.]8
   Les désignations sont motivées.
   Le procureur général près la Cour de Cassation, les procureurs généraux et le procureur fédéral désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées de corps, les six membres des [2 parquets généraux et auditorats généraux du travail]2 francophones et les six membres des [2 parquets généraux et auditorats généraux du travail]2 néerlandophones susceptibles de siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel [2 ...]2. [2 Pour l'application du présent article, les membres du parquet fédéral sont assimilés aux membres des parquets généraux.]2
   Les désignations sont motivées.
   § 5. Par ressort de cour d'appel, deux membres du personnel de niveau A et deux membres du personnel de niveau B susceptibles de siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel sont désignés par le Ministre de la Justice dans les nonante jours suivant l'appel aux candidats, sur avis conforme de leur supérieur hiérarchique. Le Ministre de la Justice demande l'avis du supérieur hiérarchique du candidat dans les dix jours de la réception de la candidature. Les avis sont transmis au Ministre de la Justice dans les soixante jours suivant l'appel aux candidats.
   Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles deux membres du personnel de niveau A francophones, deux membres du personnel de niveau A néerlandophones, deux membres du personnel de niveau B francophones et deux membres du personnel de niveau B néerlandophones sont désignés. [8 Pour l'application du présent article, les membres du personnel du parquet de la sécurité routière sont assimilés aux membres du personnel du parquet du procureur du Roi de Bruxelles.]8
   § 6. [4 Le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près la Cour de cassation désignent conjointement trois magistrats francophones et trois magistrats néerlandophones, émérites ou honoraires, issus du siège ou du parquet qui se sont portés candidats pour siéger dans les cas visés aux articles 409, § 3, alinéa 1er, et 410, § 3, alinéa 1er.]4
   [2 Les noms des magistrats émérites ainsi désignés sont transmis au ministre de la Justice dans les septante cinq jours suivants l'appel aux candidats.]2
   § 7. La liste des membres désignés pour exercer des fonctions dans les juridictions disciplinaires est publiée au Moniteur belge dans les cent jours suivant l'appel aux candidats.]1

  
Art. 411/1. [1 De tuchtrechtbank en de tuchtrechtbank in hoger beroep worden respectievelijk voorgezeten door de rechter in de tuchtrechtbank en de raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep met de hoogste anciënniteit die is aangewezen om zitting te hebben in die tuchtrechtscolleges.
   De aanwijzing van de leden die deel uitmaken van die tuchtrechtscolleges, met uitzondering van het lid met raadgevende stem, geschiedt op 1 september van elk jaar bij toerbeurt die wordt bepaald door de in het eerste lid bedoelde rechter of raadsheer.
   Wanneer een dossier wordt verzonden aan de griffie van het tuchtrechtscollege, stelt, naargelang het geval, de rechter of de raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep met de grootste anciënniteit het orgaan samen binnen vijf dagen.
   Met uitzondering van de in artikel 409, § 3, eerste lid, 410, § 3, eerste lid, en 411, § 6, bedoelde gevallen mogen de leden die deel uitmaken van het rechtscollege niet zijn benoemd of opdracht hebben ontvangen in een rechtscollege, parket, griffie, parketsecretariaat of steundienst uit hetzelfde rechtsgebied als de persoon die tuchtrechtelijk wordt vervolgd en mogen ze evenmin een hiërarchische band hebben met de betrokken persoon. [2 In het rechtsgebied Luik mogen de leden die blijk hebben gegeven van de kennis van de Duitse taal niet zijn benoemd, in subsidiaire orde zijn benoemd of opdracht hebben ontvangen in hetzelfde rechtscollege, hetzelfde parket, dezelfde griffie, parketsecretariaat of steundienst als de persoon die tuchtrechtelijk wordt vervolgd.]2]1

  
Art. 411/1. [1 Le tribunal disciplinaire et le tribunal disciplinaire d'appel sont présidés respectivement par le juge et par le conseiller ayant le plus d'ancienneté et désignés pour siéger dans ces juridictions disciplinaires.
   La désignation des membres composant ces juridictions disciplinaires, à l'exception du membre avec voix consultative, a lieu le 1er septembre de chaque année selon un tour de rôle défini par le juge ou le conseiller visés à l'alinéa 1er.
   Lorsqu'un dossier est transmis au greffe de la juridiction disciplinaire, celle-ci est constituée dans les cinq jours par le président du tribunal disciplinaire ou par le président du tribunal disciplinaire d'appel ayant le plus d'ancienneté, selon le cas.
   A l'exception des cas visés aux articles 409, § 3, alinéa 1er, 410, § 3, alinéa 1er, et 411, § 6, les membres qui composent la juridiction ne peuvent être nommés ou délégués dans une juridiction, un parquet, un greffe ou secrétariat de parquet ou service d'appui du même ressort que la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires et ne peuvent pas non plus avoir de lien hiérarchique avec la personne concernée. [2 Dans le ressort de Liège, les membres justifiant de la connaissance de la langue allemande ne peuvent être nommés, nommés à titre subsidiaire ou être délégués dans la même juridiction, le même parquet, le même greffe, secrétariat de parquet ou service d'appui que la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires.]2 ]1

  
Art. 411/2. [1 De Koning bepaalt welke vergoeding aan de rechters, raadsheren en assessoren van de tuchtrechtscolleges kan worden toegekend.]1
  
Art. 411/2. [1 Le Roi détermine l'indemnité qui peut être allouée aux juges, aux conseillers et aux assesseurs des juridictions disciplinaires.]1
  
Afdeling II. - (vroeger afdeling IV)[1 De tuchtoverheden]1
Section II. - (anc. section IV) [1 Des autorités disciplinaires]1
Art. 412. [1 § 1. [2 De overheden die bevoegd zijn om een tuchtprocedure in te stellen zijn :
   1° ten aanzien van de magistraten van de zetel, met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie :
   a) de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de eerste voorzitters van de arbeidshoven;
   b) de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de leden van dat hof, van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, van de voorzitter van de [9 ondernemingsrechtbank]9 of van de voorzitters van de [9 ondernemingsrechtbanken]9 en van de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank van het betrokken rechtsgebied;
   c) de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de leden van dat hof, daaronder begrepen de raadsheren in sociale zaken, en van de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken van het betrokken rechtsgebied;
   d) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de assessoren [5 in de strafuitvoeringsrechtbank]5, en, in de gerechtelijke arrondissementen Eupen en Brussel, van de vrederechters en van de rechters in de politie-rechtbanken.
   In het gerechtelijk arrondissement Brussel is de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg bevoegd ten aanzien van de vrederechters en rechters in de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en ten aanzien van de rechters in de Nederlandstalige politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   Ten aanzien van de vrederechters die zitting hebben in de vredegerechten van het gerechtelijk kanton met zetel te [8 ...]8 Sint-Genesius-Rode en van het gerechtelijk kanton met zetel te Meise, zijn de voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg gezamenlijk bevoegd. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt, met betrekking tot de andere vredegerechten, waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen met het oog op een consensus.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg is bevoegd ten aanzien van de rechters in de Franstalige politierechtbank waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   De voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg zijn gezamenlijk bevoegd ten aanzien van de vrederechters van de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   Bij gebrek aan consensus in geval van toepassing van het derde, vierde en zesde lid, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing;
   e) de voorzitter van de [9 ondernemingsrechtbank]9 ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de rechters in handelszaken;
   f) de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de rechters in sociale zaken;
   g) met uitzondering van de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen, de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank ten aanzien van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbanken;
   2° ten aanzien van de magistraten van het openbaar ministerie, met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie :
   a) de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en van de federale procureur;
   b) de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de leden van het parket-generaal bij het hof van beroep, van de leden van het auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van de procureurs des Konings en van de arbeidsauditeurs;
  [10 b/1) de procureur-generaal die de verkeersveiligheid onder zijn bevoegdheid heeft, ten aanzien van de procureur voor de verkeersveiligheid;]1
0
   c) de procureur des Konings ten aanzien van de leden van het parket van de procureur des Konings, en de arbeidsauditeur ten aanzien van de leden van het arbeidsauditoraat;
   d) de federale procureur ten aanzien van de federale magistraten;
   e) ten aanzien van de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de tuchtoverheid die bevoegd is voor het ambt waarin zij werden benoemd;
  [6 f) de procureur-generaal aangewezen in het rechtsgebied van het hof van beroep waar de in artikel 309/1 bedoelde verbindingsmagistraat is benoemd;]6
  [10 g) de procureur voor de verkeersveiligheid ten aanzien van de substituut-procureurs voor de verkeersveiligheid;]10
   3° ten aanzien van de magistraten van het Hof van Cassatie :
   a) de algemene vergadering van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
   b) de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de zittende magistraten in het Hof van Cassatie;
   c) de minister van Justitie ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;
   d) de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste advocaat-generaal en de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie;
   4° ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie :
   a) de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de raadsheren bijstaan;
   b) de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de leden van het parket bijstaan;
   5° [10 ten aanzien van de referendarissen, van de parketjuristen en de criminologen:
   a) de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de referendarissen en de criminologen bij dat hof;
   b) de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de referendarissen en de criminologen bij dat hof;
   c) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen en de criminologen bij die rechtbank;
   d) de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de referendarissen en de criminologen bij die rechtbank;
   e) de voorzitter van de ondernemingsrechtbank ten aanzien van de referendarissen en de criminologen bij die rechtbank;
   f) de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en in de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen en de criminologen bij de politierechtbank;
   g) de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de parketjuristen en de criminologen bij het parket-generaal en het arbeidsauditoraat-generaal;
   h) de procureur voor de verkeersveiligheid ten aanzien van de parketjuristen en de criminologen bij het parket voor de verkeersveiligheid;
   i) de procureur des Konings ten aanzien van de parketjuristen en de criminologen bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg;
   j) de arbeidsauditeur ten aanzien van de parketjuristen en de criminologen bij het arbeidsauditoraat;
   k) de federale procureur ten aanzien van de parketjuristen en de criminologen bij het federaal parket;]10

   6° ten aanzien van de attachés [11 en de adviseurs]11 van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie : de procureur-generaal bij dat Hof;
   7° ten aanzien van de personeelsleden van niveau A, de griffiers, de secretarissen en het personeel van griffies, parketsecretariaten en steundiensten :
   a) de eerste voorzitter bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie, en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie;
   b) de eerste voorzitter van het hof van beroep en het arbeidshof ten aanzien van de hoofdgriffier van het hof van beroep en van het arbeidshof, en de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, alsook van de personeelsleden van het niveau A bij deze hoven, bij de parketten-generaal en bij de auditoraten-generaal;
   c) de federale procureur ten aanzien van de hoofdsecretaris en van de personeelsleden van niveau A van het federaal parket;
   d) de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank ten aanzien van de hoofdgriffier van de vredegerechten en van de politierechtbank, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de hoofdgriffier van deze rechtbank en in de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen, ten aanzien van de hoofdgriffier van de politierechtbank en van de hoofdgriffier van het vredegerecht;
   In het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt de voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg bepaald overeenkomstig § 1, 1°, d), tweede tot vijfde lid;
  [10 d/1) de procureur voor de verkeersveiligheid ten aanzien van de hoofdsecretaris en de personeelsleden van niveau A van het parket voor de verkeersveiligheid;]10
   e) de procureur des Konings ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings en van de personeelsleden van niveau A van de rechtbanken van eerste aanleg, de vredegerechten, van de politierechtbank, en van de parketten;
   f) de voorzitter van de [9 ondernemingsrechtbank]9 ten aanzien van de hoofdgriffier van de [9 ondernemingsrechtbank]9, en de procureur des Konings ten aanzien van de personeelsleden van niveau A bij de [9 ondernemingsrechtbank]9;
   g) de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank, en de arbeidsauditeur ten aanzien van de hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat en van de personeelsleden van niveau A van deze rechtbanken en parketten;
   h) de magistraat korpschef van het rechtscollege of van het parket ten aanzien van de leden van de steundiensten;
   i) de hoofdgriffier ten aanzien van de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de deskundigen, de administratief deskundigen en ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers bij de griffie;
   j) de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretarissen-hoofden van dienst, de secretarissen, de deskundigen, de administratief deskundigen en ICT deskundigen, assistenten en secretariaatsmedewerkers bij het parket.]2
  [4 8° de voorzitter van het College van de hoven en rechtbanken ten aanzien van de leden en de personeelsleden van de steundienst bij dat College;
   9° de voorzitter van het College van het openbaar ministerie en van het College van procureurs-generaal ten aanzien van de leden en personeelsleden van de steundienst bij die Colleges;]4

  [7 10° de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel ten aanzien van de directeur, de adjunct-directeur en de verbindingsmagistraten bij het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring; de directeur ten aanzien van de personeelsleden van het Centraal Orgaan voor de Inbeslagneming en de Verbeurdverklaring.]7
  De plaatsvervangende magistraten ressorteren onder dezelfde overheid als de werkende magistraten. De leden en personeelsleden met een opdracht binnen een rechtscollege, parket, griffie, parketsecretariaat of steundienst ressorteren onder dezelfde overheid als degenen die er benoemd zijn.
  De leden en personeelsleden met een opdracht buiten de Belgische Rechterlijke Orde ressorteren onder de in het eerste lid bedoelde overheid.
   § 2. Een tuchtprocedure kan steeds ingesteld worden op vordering van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is, of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, door het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen.
   De eerste voorzitter van het hof van beroep en de eerste voorzitter van het arbeidshof kunnen het in het eerste lid bedoelde openbaar ministerie injunctie geven een dossier over een magistraat van het openbaar ministerie aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.]1
  
Art. 412. [1 § 1er. [2 § 1er. Les autorités compétentes pour intenter une procédure disciplinaire sont :
   1° en ce qui concerne les magistrats du siège, à l 'exception des magistrats près la Cour de cassation :
   a) le premier président de la Cour de cassation à l'égard des premiers présidents des cours d'appel et des premiers présidents des cours du travail;
   b) le premier président de la cour d'appel à l'égard des membres de cette cour, des présidents des tribunaux de première instance, du président du [9 tribunal de l'entreprise]9 ou des présidents des [9 tribunaux de l'entreprise]9 et des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police du ressort concerné;
   c) le premier président de la cour du travail à l'égard des membres de cette cour, y compris les conseillers sociaux et du président du tribunal du travail ou des présidents des tribunaux du travail du ressort concerné;
   d) le président du tribunal de première instance à l'égard des membres de ce tribunal, y compris les assesseurs [5 au tribunal de l'application des peines]5 et dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d'Eupen, des juges de paix et des juges au tribunal de police.
   Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le président du tribunal de première instance néerlandophone est compétent à l'égard des juges de paix et des juges aux tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde et à l'égard des juges au tribunal de police néerlandophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   A l'égard des juges de paix qui siègent dans les justices de paix du canton judiciaire dont le siège est établi à [8 ...]8 Rhode-Saint-Genèse et du canton judiciaire dont le siège est établi à Meise, les présidents des tribunaux de première instance néerlandophone et francophone sont conjointement compétents. Les décisions sont délibérées en consensus.
   En ce qui concerne les autres justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde, le président du tribunal de première instance francophone est impliqué dans les décisions chaque fois qu'il en fait la demande par simple requête au président du tribunal de première instance néerlandophone en vue d'un consensus.
   Le président du tribunal de première instance francophone est compétent à l'égard des juges au tribunal de police francophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   Les présidents des tribunaux de première instance néerlandophone et francophone sont conjointement compétents à l'égard des juges de paix des justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale. Les décisions sont délibérées en consensus.
   A défaut de consensus en cas d'application des alinéas 3, 4 et 6, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles prend la décision;
   e) le président du [9 tribunal de l'entreprise]9 à l'égard des membres de ce tribunal, y compris les juges consulaires;
   f) le président du tribunal du travail à l'égard des membres de ce tribunal, y compris les juges sociaux;
   g) sauf dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d'Eupen, le président des juges de paix et des juges au tribunal de police à l'égard des juges de paix et des juges au tribunal de police;
   2° en ce qui concerne les magistrats du ministère public, à l'exception des magistrats près la Cour de cassation :
   a) le procureur général près la Cour de cassation à l'égard des procureurs généraux près les cours d'appel et du procureur fédéral;
   b) le procureur général près la cour d'appel à l'égard des membres du parquet général près la cour d'appel, des membres de l'auditorat général près la cour du travail, des procureurs du Roi et des auditeurs du travail;
  [10 b/1) le procureur général qui a la sécurité routière dans ses attributions, à l'égard du procureur de la sécurité routière;]1
0
   c) le procureur du Roi à l'égard des membres du parquet du procureur du Roi, et l'auditeur du travail à l'égard des membres de l'auditorat du travail;
   d) le procureur fédéral a l'égard des magistrats fédéraux;
   e) à l'égard des magistrats d'assistance et des magistrats de liaison en matière de jeunesse, l'autorité disciplinaire compétente pour la fonction à laquelle ils ont été nommés;
  [6 f) le procureur général désigné dans le ressort de la cour d'appel dans lequel le magistrat de liaison visé à l'article 309/1 est nommé;]6
  [10 g) le procureur de la sécurité routière à l'égard des substituts du procureur de la circulation routière;]10
   3° en ce qui concerne les magistrats de la Cour de cassation :
   a) l'assemblée générale de la Cour de cassation à l'égard du premier président de la Cour de cassation;
   b) le premier président de la Cour de cassation à l'égard des magistrats du siège de la Cour de cassation;
   c) le ministre de la Justice à l'égard du procureur général près la Cour de cassation;
   d) le procureur général près la Cour de Cassation à l'égard du premier avocat général et des avocats généraux près la Cour de cassation;
   4° en ce qui concerne les référendaires près la Cour de cassation :
   a) le premier président de la Cour de cassation à l'égard des référendaires qui assistent les conseillers;
   b) le procureur général près la Cour de cassation à l'égard des référendaires qui assistent les membres du parquet;
   5° [10 en ce qui concerne les référendaires, les juristes de parquet et les criminologues:
   a) le premier président de la cour d'appel à l'égard des référendaires et des criminologues près cette cour;
   b) le premier président de la cour du travail à l'égard des référendaires et des criminologues près cette cour;
   c) le président du tribunal de première instance à l'égard des référendaires et des criminologues près ce tribunal;
   d) le président du tribunal du travail à l'égard des référendaires et des criminologues près ce tribunal;
   e) le président du tribunal de l'entreprise à l'égard des référendaires et des criminologues près ce tribunal;
   f) le président des juges de paix et des juges au tribunal de police et, dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d'Eupen, le président du tribunal de première instance à l'égard des référendaires et des criminologues près le tribunal de police;
   g) le procureur général près la cour d'appel à l'égard des juristes de parquet et des criminologues près le parquet général et l'auditorat général du travail;
   h) le procureur de la sécurité routière à l'égard des juristes de parquet et des criminologues près le parquet de la sécurité routière;
   i) le procureur du Roi à l'égard des juristes de parquet et des criminologues près le parquet du tribunal de première instance;
   j) l'auditeur du travail à l'égard des juristes de parquet et des criminologues près l'auditorat du travail;
   k) le procureur fédéral à l'égard des juristes de parquet et des criminologues près le parquet fédéral;]10

   6° en ce qui concerne les attachés [11 et les conseillers]11 au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation : le procureur général près cette Cour;
   7° en ce qui concerne les membres du personnel de niveau A, les greffiers, les secrétaires et le personnel des greffes, secrétariats de parquet et services d'appui :
   a) le premier président de la Cour de cassation à l'égard du greffier en chef de la Cour de cassation, et le procureur général près la Cour de cassation à l'égard du secrétaire en chef du parquet général près la Cour de cassation;
   b) le premier président de la cour d'appel et de la cour du travail à l'égard du greffier en chef de la cour d'appel et de la cour du travail, et le procureur général près la cour d'appel à l'égard du secrétaire en chef du parquet général près la cour d'appel et près la cour du travail, ainsi que des membres du personnel de niveau A près ces cours, près les parquets généraux et près les auditorats généraux;
   c) le procureur fédéral à l'égard du secrétaire en chef et des membres du personnel de niveau A du parquet fédéral;
   d) le président des juges de paix et des juges au tribunal de police à l'égard du greffier en chef des justices de paix et du tribunal de police, le président du tribunal de première instance à l'égard du greffier en chef de ce tribunal et dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et Eupen, du greffier en chef du tribunal de police et du greffier en chef de la justice de paix.
   Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément au § 1er, 1°, d), alinéas 2 à 5;
  [10 d/1) le procureur de la sécurité routière à l'égard du secrétaire en chef et des membres du personnel de niveau A du parquet de la sécurité routière;]10
   e) le procureur du Roi à l'égard du secrétaire en chef du parquet du procureur du Roi et des membres du personnel de niveau A des tribunaux de première instance, des justices de paix, des tribunaux de police et des parquets;
   f) le président du tribunal du commerce à l'égard du greffier en chef du [9 tribunal de l'entreprise]9, et le procureur du Roi à l'égard du personnel de niveau A près le [9 tribunal de l'entreprise]9;
   g) le président du tribunal du travail à l'égard du greffier en chef du tribunal du travail, et l'auditeur du travail à l'égard du secrétaire en chef de l'auditorat du travail et des membres du personnel de niveau A de ces tribunaux et parquets;
   h) le magistrat chef de corps de la juridiction ou du parquet à l'égard des membres des services d'appui;
   i) le greffier en chef à l'égard des greffiers-chefs de service, des greffiers, des experts, des experts administratifs et des experts ICT, assistants et collaborateurs au greffe;
   j) le secrétaire en chef à l'égard des secrétaires-chefs de service, des secrétaires, des experts, des experts administratifs et des experts ICT, assistants et collaborateurs de secrétariat près le parquet.]2
  [4 8° le président du Collège des cours et tribunaux à l'égard des membres et des membres du personnel du service d'appui auprès de ce Collège;
   9° le président du Collège du ministère public et du Collège des procureurs généraux à l'égard des membres et des membres du personnel du service d'appui auprès de ces Collèges;]4

  [7 10° le procureur général près la Cour d'appel de Bruxelles à l'égard du directeur, du directeur adjoint et des magistrats de liaison auprès de l'Organe central pour la saisie et la confiscation ; le directeur à l'égard des membres du personnel de l'Organe central pour la Saisie et la Confiscation.]7
  Les magistrats suppléants relèvent de la même autorité que les magistrats effectifs. Les membres et les membres du personnel délégués au sein d'une juridiction, d'un parquet, d'un greffe, d'un secrétariat de parquet ou d'un service d'appui relèvent de la même autorité que ceux qui y sont nommés.
  Les membres et les membres du personnel délégués en dehors de l'Ordre judiciaire belge relèvent de l'autorité visée à l'alinéa 1er.
   § 2. Une procédure disciplinaire peut toujours être intentée sur réquisition du ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée, ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, par le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix.
   Le premier président de la cour d'appel et le premier président de la cour du travail peuvent donner injonction au ministère public visé à l'alinéa 1er de saisir le tribunal disciplinaire d'un dossier concernant un magistrat du ministère public.]1
  
Afdeling V.
Section V.
Art. 413. [1 § 1. Naar de in artikel 404 bedoelde feiten wordt een onderzoek gevoerd door een magistraat die is aangewezen door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid.
   Van de opening van een onderzoek wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokken persoon.
   Het onderzoek mag niet meer dan [5 zes maanden]5 in beslag nemen. Indien binnen een termijn van [5 zes maanden]5 te rekenen vanaf de kennisgeving van de opening van een onderzoek daaraan geen enkel gevolg wordt gegeven door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid die het initiatief tot dat onderzoek heeft genomen, kan de betrokken persoon de zaak bij aangetekende zending aanhangig maken bij de tuchtrechtbank, die in de plaats treedt van die overheid. Binnen vijftien dagen nadat de zaak bij haar is aanhangig gemaakt, richt de tuchtrechtbank een verzoek om verslag en conclusies aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid. Het verslag en de conclusies worden binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek overgezonden.
   § 2. De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid die na onderzoek van oordeel is dat de feiten een lichte tuchtstraf rechtvaardigen, is bevoegd om de betrokken persoon die straf op te leggen. De beslissing wordt onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de betrokken persoon, aan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, en aan de minister van Justitie. [2 De in artikel 412, § 1, bedoelde overheden, delen aan de minister van Justitie de tuchtrechtelijke beslissingen mee die zij vanaf de kennisgeving ervan nemen.]2
   De betrokken persoon en het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan die persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, kunnen, overeenkomstig de in artikel 420, § 3, vastgelegde vormvereisten en termijnen, bij de tuchtrechtbank beroep instellen tegen de door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid genomen tuchtbeslissingen.
   § 3. De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid die na onderzoek van oordeel is dat de feiten een zware tuchtstraf rechtvaardigen, maakt de zaak aanhangig bij de tuchtrechtbank en zendt haar het onderzoeksdossier, het verslag en de conclusies met het oog op oproeping. De overheid brengt de betrokken persoon daarvan op de hoogte.
   Het verzoek tot verschijning vermeldt de naam, de hoedanigheid en het adres van de betrokken persoon, bevat de uiteenzetting van de feiten en de middelen, en is ondertekend.
   Tegen de beslissing om de zaak bij de tuchtrechtbank aanhangig te maken, kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
   § 4. Indien de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid van oordeel is dat zij geen straf moet opleggen of indien binnen een termijn van [5 zes maanden]5 te rekenen vanaf de kennisgeving van de opening van een onderzoek door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid daaraan geen enkel gevolg wordt gegeven, kan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, op vordering, de zaak rechtstreeks aanhangig maken bij de tuchtrechtbank, binnen dertig dagen respectievelijk na de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn van [5 zes maanden]5.
   Indien binnen een termijn van [5 zes maanden]5 te rekenen vanaf de kennisgeving van de opening van een onderzoek de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid of het openbaar ministerie daaraan geen enkel gevolg geeft, kan, naargelang het geval, de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of de procureur-generaal bij dit Hof, het in het eerste lid, bedoelde openbaar ministerie binnen dezelfde termijnen injunctie geven een dossier betreffende een lid of een personeelslid van de rechterlijke orde aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.
   § 5. Bij de tuchtrechtbank kan ook het beroep aanhangig gemaakt worden dat door de betrokken magistraten ingesteld is tegen de verhulde tuchtstraffen waarvan zij zich het slachtoffer achten. [3 Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraten vooraf het administratief beroep bedoeld in artikel 330quinquies hebben ingesteld en daarover uitspraak is gedaan.]3
   § 6. Wanneer een in artikel 406 bedoelde ordemaatregel wordt genomen, maakt de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid onverwijld een verzoek tot verschijning aanhangig bij de tuchtrechtbank door haar een kopie van de beslissing en van het dossier over te zenden.
   Uiterlijk vijftien dagen voor de datum waarop de in artikel 406 bedoelde schorsing een einde neemt, [4 brengt de tuchtrechtbank de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid]4 op de hoogte van de stand van de tuchtprocedure en brengt zij advies uit over de eventuele verlenging van de ordemaatregel]1

  
Art. 413. [1 § 1er. Les faits visés à l'article 404 font l'objet d'une enquête effectuée par un magistrat désigné par l'autorité visée à l'article 412, § 1er.
   L'ouverture d'une enquête est notifiée sans délai à la personne concernée.
   L'enquête ne peut pas durer plus de [4 six mois]4s. Si, dans un délai de [4 six mois]4 à dater de la notification de l'ouverture d'une enquête, aucune suite n'y est donnée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, qui a pris l'initiative de cette enquête, la personne concernée peut saisir le tribunal disciplinaire par envoi recommandé, lequel se substitue à cette autorité. Dans les quinze jours de sa saisine, le tribunal disciplinaire adresse à l'autorité visée à l'article 412, § 1er, une demande de rapport et de conclusions. Le rapport et les conclusions sont transmis dans les trente jours de la réception de la demande.
   § 2. L'autorité visée à l'article 412, § 1er, qui estime, après enquête, que les faits sont de nature à justifier une peine disciplinaire mineure, est compétente pour l'infliger à la personne concernée. La décision est notifiée sans délai contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé à la personne concernée, au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix et au ministre de la Justice. [2 Les autorités visées à l'article 412, § 1er, communiquent au ministre de la Justice les décisions disciplinaires qu'elles rendent dès leur notification.]2
   La personne concernée et le ministère public près la juridiction dont est issue cette personne ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, peuvent introduire, dans les formes et délais prévus à l'article 420, § 3, un recours devant le tribunal disciplinaire contre les décisions disciplinaires prises par l'autorité visée à l'article 412, § 1er.
   § 3. L'autorité visée à l'article 412, § 1er, qui estime, après enquête, que les faits sont de nature à justifier une peine disciplinaire majeure, saisit le tribunal disciplinaire et lui transmet, aux fins de convocation, le dossier d'enquête, le rapport et les conclusions. Elle en informe la personne concernée.
   La demande de comparution mentionne le nom, la qualité et l'adresse de la personne concernée, contient l'exposé des faits et des moyens, et est signée.
   La décision de saisir le tribunal disciplinaire n'est pas susceptible de recours.
   § 4. Si l'autorité visée à l'article 412, § 1er, estime ne pas devoir infliger de peine, ou si, dans un délai de [4 six mois]4 à dater de la notification de l'ouverture d'une enquête aucune suite n'y est donnée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, le ministère public près la juridiction dont est issu la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, peut, sur réquisition, saisir directement le tribunal disciplinaire dans les trente jours suivant respectivement la notification de la décision ou l'écoulement du délai de [4 six mois]4.
   Si, dans un délai de [4 six mois]4 à dater de la notification de l'ouverture d'une enquête, l'autorité visée à l'article 412, § 1er, ou le ministère public n'y donne aucune suite, le premier président de la Cour de Cassation ou le procureur général près cette Cour, selon le cas, peut, dans les mêmes délais, donner injonction au ministère public visé à l'alinéa 1er de saisir le tribunal disciplinaire d'un dossier concernant un membre ou un membre du personnel de l'ordre judiciaire.
   § 5. Le tribunal disciplinaire peut également être saisi des recours introduits par les magistrats concernés contre les sanctions disciplinaires déguisées dont ils s'estiment victimes. [3 Ces recours ne sont admis que si les magistrats concernés ont introduit préalablement le recours administratif visé à l'article 330quinquies et qu'il a été statué sur celui-ci.]3
   § 6. Lorsqu'une mesure d'ordre visée à l'article 406 est prise, l'autorité visée à l'article 412, § 1er, saisit sans délai le tribunal disciplinaire d'une demande de comparution en lui transmettant une copie de la décision et du dossier.
   Au plus tard quinze jours avant la date à laquelle prend fin la suspension visée à l'article 406, le tribunal disciplinaire informe l'autorité visée à l'article 412, § 1er, de l'état de la procédure disciplinaire et rend un avis sur l'éventuelle prorogation de la mesure d'ordre.]1

  
Art. 414. [1 De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid ontvangt en onderzoekt de tuchtrechtelijke klachten die rechtstreeks overgezonden zijn door particulieren of door de Hoge Raad voor de Justitie. [2 Voor alle tuchtrechterlijke klachten ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie wordt in dit artikel met de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid, de voorzitter en twee sectievoorzitters van het Hof van Cassatie bedoeld die door de algemene vergadering daartoe werden aangewezen.]2
   Om ontvankelijk te zijn, moeten de klachten van particulieren schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gedagtekend. Ze bevatten de volledige identiteit van de klager. Deze laatste voegt er de bewijsstukken bij waarover hij beschikt.
  [2 Wanneer de klacht ontvankelijk en niet kennelijk ongegrond is, wordt een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig artikel 413, § 1, eerste en tweede lid. De klager wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek of op met redenen omklede wijze van de beslissing om de klacht niet te behandelen.]2
   De klager, de persoon tegen wie het onderzoek loopt en getuigen kunnen gehoord worden tijdens het onderzoek.
   De verklaringen van de klager, van de persoon tegen wie het onderzoek loopt en van de getuigen worden opgetekend in een proces-verbaal. De gehoorde personen ontvangen op eigen verzoek een kopie van het proces-verbaal van hun verklaringen.
   De persoon tegen wie een klacht is ingediend, kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een persoon van zijn keuze, maar mag zich niet laten vertegenwoordigen.
   De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid licht de klager en de betrokken persoon in over het gevolg dat aan de klacht wordt gegeven.
   De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid licht op een met redenen omklede wijze de advies- en onderzoekscommissies in over het gevolg dat gegeven wordt aan de tuchtrechtelijke klachten die overgezonden zijn door de Hoge Raad voor de Justitie.
   De beslissing van de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid is definitief voor de klager.
   Indien de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid geen beslissing aan de klager of de betrokken persoon heeft overgezonden, of de Hoge Raad voor de Justitie niet heeft ingelicht binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de indiening van de klacht, kunnen zij zich rechtstreeks wenden tot het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is teneinde de zaak in voorkomend geval aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.
   Binnen vijftien dagen nadat de zaak erbij is aanhangig gemaakt, richt het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is een verzoek om conclusies aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid. De conclusies worden binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek overgezonden.
   Het openbaar ministerie neemt op basis van de elementen die eraan zijn meegedeeld een met redenen omklede beslissing binnen een maand na die mededeling.]1

  
Art. 414. [1 L'autorité visée à l'article 412, § 1er, reçoit et examine les plaintes à caractère disciplinaire transmises directement par des particuliers ou par le Conseil supérieur de la Justice. [2 Pour toutes les plaintes à caractère disciplinaire à l'égard du premier président de la Cour de cassation, il convient d'entendre dans cet article par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, le président et deux présidents de section de la Cour de cassation désignés à cette fin par l'assemblée générale.]2
   Pour être recevables, les plaintes des particuliers doivent être introduites par écrit, signées et datées. Elles contiennent l'identité complète du plaignant. Celui-ci joint les pièces probantes dont il dispose.
  [2 Lorsque la plainte est recevable et non manifestement infondée, une enquête est effectuée conformément à l'article 413, § 1er, alinéas 1er et 2. Le plaignant est informé par écrit de l'ouverture de l'enquête ou, de manière motivée, de la décision de ne pas traiter la plainte.]2
   Le plaignant, la personne faisant l'objet de l'enquête et des témoins peuvent être entendus au cours de l'enquête.
   Les déclarations du plaignant, de la personne qui fait l'objet de l'enquête et des témoins sont consignées dans un procès-verbal. Les personnes entendues reçoivent, à leur demande, une copie du procès-verbal de leurs déclarations.
   La personne qui fait l'objet d'une plainte peut se faire assister de la personne de son choix lors de l'audition, mais ne peut pas se faire représenter.
   L'autorité visée à l'article 412, § 1er, informe le plaignant et la personne concernée des suites réservées à la plainte.
   L'autorité visée à l'article 412, § 1er, informe de façon motivée les commissions d'avis et d'enquête de la suite réservée aux plaintes à caractère disciplinaire transmises par le Conseil supérieur de la Justice.
   La décision de l'autorité visée à l'article 412, § 1er, est définitive pour le plaignant.
   Si l'autorité visée à l'article 412, § 1er, n'a pas transmis de décision au plaignant ou à la personne concernée ou informé le Conseil supérieur de la Justice dans un délai de trois mois à dater du dépôt de la plainte, ceux-ci peuvent s'adresser directement au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée aux fins de saisir le tribunal disciplinaire s'il y a lieu.
   Dans les quinze jours de sa saisine, le ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée adresse une demande de conclusions à l'autorité visée à l'article 412, § 1er. Les conclusions sont transmises dans les trente jours de la réception de la demande.
   Le ministère public prend une décision motivée sur la base des éléments qui lui ont été communiqués dans le mois de cette communication.]1

  
HOOFDSTUK IV. - (vroeger afdeling VI) [1 Tuchtprocedure]1
CHAPITRE IV. - (anc. Section VI) [1 De la procédure disciplinaire]1
Art. 415. [1 Een zaak wordt bij de tuchtrechtbank aanhangig [2 gemaakt binnen twaalf maanden]2 nadat de overheid die bevoegd is om de tuchtprocedure in te stellen, kennis heeft genomen van de feiten [2 en uiterlijk binnen de vijf jaar na de feiten]2.
  [2 Indien binnen de termijn van twaalf maanden nieuwe elementen naar boven komen betreffende de reeds gekende feiten, waardoor die feiten zwaarwegender worden, wordt de termijn van twaalf maanden verlengd met zes maanden.]2
   De tuchtvordering staat los van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. Wanneer dezelfde feiten aanleiding geven tot een strafvordering, [2 worden de termijnen bedoeld in het eerste en tweede lid geschorst]2 tot de kennisgeving van de definitieve rechterlijke beslissing.]1
Art. 415. [1 Le tribunal disciplinaire est saisi dans les [2 douze mois]2 de la connaissance des faits par l'autorité compétente pour intenter une procédure disciplinaire [2 et au plus tard dans les cinq ans après les faits]2.
  [2 Si, dans le délai de douze mois, de nouveaux éléments apparaissent concernant les faits déjà connus et rendent ces faits plus graves, le délai de douze mois est prolongé de six mois.]2
   L'action disciplinaire est indépendante de l'action publique et de l'action civile. Lorsque les mêmes faits donnent lieu à une action publique, [2 les délais visés aux alinéas 1er et 2 sont suspendus]2 jusqu'à la notification de la décision judiciaire définitive.]1
Art. 416. [1 De tuchtrechtbanken behandelen de zaak in openbare terechtzitting.
   De betrokkene kan de tuchtrechtbank reeds voor de eerste terechtzitting verzoeken om de zaak met gesloten deuren te behandelen. De rechtbank gaat in op dit verzoek, tenzij zij dit strijdig acht met het algemeen belang.
   Tegen de beslissing van de tuchtrechtbank om al dan niet het sluiten der deuren uit te spreken, staat geen rechtsmiddel open.
   De tuchtrechtbank kan tevens achter gesloten deuren zitting houden gedurende de hele procedure of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de persoon tegen wie vervolging is ingesteld zulks vereisen, of, in de mate dat dit door de tuchtrechtbank strikt noodzakelijk wordt geacht, wanneer in bepaalde omstandigheden de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.]1

  
Art. 416. [1 Les tribunaux disciplinaires instruisent l'affaire en audience publique.
   L'intéressé peut demander, et ce, dès avant la première audience, au tribunal disciplinaire d'instruire l'affaire à huis clos. Le tribunal fait droit à cette demande, à moins qu'il n'estime que l'intérêt général s'y oppose.
   La décision du tribunal disciplinaire de prononcer ou non le huis clos n'est susceptible d'aucun recours.
   Le tribunal disciplinaire peut également siéger à huis clos pendant la totalité ou une partie de la procédure dans l'intérêt de la moralité ou de l'ordre public, lorsque les intérêts des mineurs ou la protection de la vie privée de la personne poursuivie l'exigent, ou dans la mesure jugée strictement nécessaire par le tribunal disciplinaire, lorsque dans des circonstances spéciales, la publicité serait de nature à porter atteinte aux intérêts de l'administration de la justice.]1

  
HOOFDSTUK IV.
CHAPITRE IV.
Art. 417. [1 § 1. De tuchtrechtbank spreekt zich uit over de ontvankelijkheid van het verzoek en over de noodzaak om een onderzoeksmagistraat aan te wijzen binnen een maand nadat de zaak bij haar aanhangig gemaakt is door de in artikel [2 259bis-19, § 2bis, vierde lid, of in artikel]2 412, § 1, bedoelde overheid of door het openbaar ministerie, of, in het in artikel 413, § 1, derde lid, bedoelde geval, binnen een maand na de verzending van het verslag en van de conclusies.
   § 2. De voorzitter van de tuchtrechtbank wijst een onderzoeksmagistraat aan uit de rechters in de tuchtrechtbank die zijn aangewezen volgens de in artikel 259sexies/1 bedoelde procedure.
   Bij gewettigde verdenking kan de onderzoeksmagistraat gewraakt worden middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie binnen acht dagen na de kennisname van de aanwijzing van de onderzoeksmagistraat. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door de tuchtrechtbank in hoger beroep.
   § 3. De onderzoeksmagistraat neemt alle nodige maatregelen van tuchtonderzoek, afgezien van strafrechtelijke onderzoekshandelingen en dwangmaatregelen. Hij kan getuigen horen, overgaan tot confrontaties of expertises laten uitvoeren.
   De betrokken persoon kan middels een met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt aan de griffie verzoeken dat hem toegang wordt verleend tot het tuchtdossier en dat bijkomende handelingen van tuchtonderzoek worden verricht. De onderzoeksmagistraat neemt binnen vijftien dagen een beslissing omtrent deze verzoeken.
   De betrokken persoon kan de zaak bij de tuchtrechtbank in hoger beroep aanhangig maken in geval van beslissing van de onderzoeksmagistraat waarbij de toegang tot het dossier of de uitvoering van bijkomende handelingen van tuchtonderzoek wordt geweigerd, of bij gebrek aan een beslissing binnen de in het tweede lid bepaalde termijn. Dit beroep wordt ingesteld in de vormen en binnen de termijnen die worden bepaald in artikel 420, § 2.
   De onderzoeksmagistraat kan de procureur-generaal bij het hof van beroep om toegang tot het strafdossier verzoeken.
   De betrokken persoon wordt gehoord tijdens het onderzoek. Hij kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door de persoon van zijn keuze.
   De overheid die belast is met het onderzoek kan de persoonlijke verschijning van de betrokken persoon bevelen.
   Van elke terechtzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De processen-verbaal worden ondertekend door de gehoorde persoon.
   Het onderzoeksdossier wordt ten minste tien dagen voor de verschijning ter beschikking gesteld van de betrokken persoon en van de persoon die hem bijstaat.
   Het persoonlijk dossier met de evaluaties, de adviezen die zijn verstrekt in het kader van voorgaande bevorderingen of sollicitaties, de klachten alsook voorgaande beslissingen en tuchtstraffen wordt bij het onderzoeksdossier gevoegd.
   Wanneer de onderzoeksmagistraat oordeelt dat zijn onderzoek voltooid is, zendt hij uiterlijk binnen vier maanden na zijn aanwijzing het onderzoeksrapport over aan de leden van de kamer.]1

  
Art. 417. [1 § 1er. Le tribunal disciplinaire se prononce sur la recevabilité de la demande et sur la nécessité de désigner un magistrat instructeur dans le mois de sa saisine par l'autorité visée à l'article [2 259bis-19, § 2bis, alinéa 4, ou à l'article]2 412, § 1er, ou par le ministère public, ou, dans le cas visé à l'article 413, § 1er, alinéa 3, dans le mois suivant la transmission du rapport et des conclusions.
   § 2. Le président du tribunal disciplinaire désigne un magistrat instructeur parmi les juges au tribunal disciplinaire désignés selon la procédure visée à l'article 259sexies/1.
   En cas de suspicion légitime, le magistrat instructeur peut être récusé par un acte transmis au greffe dans les huit jours suivant la prise de connaissance de la désignation du magistrat instructeur. La récusation est jugée en dernier ressort par le tribunal disciplinaire d'appel.
   § 3. Le magistrat instructeur procède à toute mesure d'instruction disciplinaire nécessaire, hormis les actes d'investigation pénale et les mesures de contrainte. Il peut entendre des témoins, procéder à des confrontations ou faire procéder à des expertises.
   La personne concernée peut demander, par requête motivée adressée au greffe, l'accès au dossier disciplinaire et l'accomplissement d'actes d'instruction disciplinaire complémentaires. Le magistrat instructeur statue dans les quinze jours sur ces demandes.
   La personne concernée peut saisir le tribunal disciplinaire d'appel en cas de décision du magistrat instructeur refusant l'accès au dossier ou l'accomplissement d'actes d'instruction disciplinaire complémentaires, ou en l'absence de décision dans le délai prévu à l'alinéa 2. Ce recours est introduit dans les formes et délais prévus à l'article 420, § 2.
   Le magistrat instructeur peut demander l'accès au dossier pénal au procureur général près la cour d'appel.
   La personne concernée est entendue pendant l'instruction. Elle peut se faire assister ou représenter par la personne de son choix.
   La comparution personnelle de la personne concernée peut être ordonnée par l'autorité chargée de l'instruction.
   Il est dressé procès-verbal de toute audition. Les procès-verbaux sont signés par la personne entendue.
   Le dossier d'instruction est mis à la disposition de la personne concernée et de la personne qui l'assiste au moins dix jours avant la comparution.
   Le dossier personnel, comprenant les évaluations, les avis émis dans le cadre des promotions ou postulations antérieures, les plaintes ainsi que les décisions et sanctions disciplinaires antérieures, est joint au dossier de l'instruction.
   Lorsque le magistrat instructeur juge que son instruction est achevée, il transmet le rapport d'instruction aux membres de la chambre, au plus tard dans les quatre mois suivant sa désignation.]1

  
Art. 418. [1 § 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen onderzoeksmagistraat dient te worden aangewezen, wordt de persoon tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, ter terechtzitting voor de kamer opgeroepen binnen drie maanden na de aanhangigmaking bij de rechtbank.
   Als een magistraat belast werd met het onderzoek naar de feiten, wordt de betrokkene opgeroepen om te verschijnen voor de tuchtrechtbank binnen twee maanden na de verzending van het onderzoeksrapport aan de leden van de kamer.
   § 2. De oproepingsbrief van de betrokkene vermeldt de ten laste gelegde feiten, de plaats, de datum en het uur van de zitting, alsook de samenstelling van de kamer.
   Bij gewettigde verdenking kan de persoon tegen wie tuchtvervolging is ingesteld de leden van de kamer wraken middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door de tuchtrechtbank in hoger beroep.
   Het onderzoeksrapport wordt bij het tuchtdossier gevoegd. Het onderzoeksdossier wordt gedurende vijftien dagen voor de verschijning ter beschikking gesteld van de betrokken persoon en van de persoon die hem bijstaat.
   Het lid of het personeelslid van de rechterlijke orde verschijnt in persoon. Hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze.
   De tuchtrechtbank deelt de zaak mee aan het openbaar ministerie op het tijdstip waarop zij de sluiting van de debatten uitspreekt. Het advies van het openbaar ministerie wordt schriftelijk gegeven, tenzij het wegens de omstandigheden van de zaak terstond op de zitting mondeling wordt uitgebracht.
   § 3. Wanneer een magistraat belast werd met het onderzoek naar de feiten, doet de tuchtrechtbank uitspraak op verslag van de onderzoeksmagistraat.
   Het vonnis wordt uitgesproken binnen twee maanden na de eerste zitting en ter kennis gebracht van de korpschef en van het openbaar ministerie bij het rechtscollege vanwaar de betrokken persoon afkomstig is, alsook van de betrokkene zelf.
   Bij strafrechtelijke vervolging kan de kamer haar beslissing echter opschorten tot de definitieve rechterlijke beslissing.
   Indien de kamer van oordeel is dat een magistraat van het openbaar ministerie moet worden afgezet, verzendt de tuchtrechtbank een met redenen omkleed voorstel tot afzetting aan de Koning.
   De Koning kan afwijken van de beslissing inzake het met redenen omkleed voorstel tot afzetting en kan in de plaats van de bevoegde overheid enige andere in artikel 405, § 1, bedoelde tuchtstraf opleggen.
   Van de beslissing van de Koning wordt kennis gegeven aan de betrokkene binnen zestig dagen na de ontvangst van het voorstel tot afzetting.
   § 4. De magistraat die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel betwist die ten aanzien van hem is genomen door een korpschef, kan tegen die maatregel beroep instellen bij de tuchtrechtbank binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de korpschef. Dat beroep heeft geen schorsende werking. [2 Dit beroep wordt alleen toegelaten indien de betrokken magistraat vooraf het administratief beroep bedoeld bij artikel 330quinquies heeft ingesteld en daarover uitspraak is gedaan. Het instellen van het administratief beroep stuit de termijn bedoeld in de eerste zin.]2
   Naast de identiteit en hoedanigheid van de verzoeker en een kopie van de bestreden beslissing bevat het ondertekende verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen.
   Binnen tien dagen nadat de zaak bij de kamer is aanhangig gemaakt, verzendt deze laatste een kopie van het verzoekschrift aan de korpschef, met het verzoek haar binnen dertig dagen het administratief dossier en zijn conclusies te bezorgen.
   Een kopie van het dossier en van de conclusies van de korpschef wordt verzonden aan de verzoeker, die binnen een termijn van dertig dagen aanvullende conclusies kan toezenden. Een kopie van de aanvullende conclusies wordt verzonden aan de korpschef.
   De korpschef en de verzoeker worden voor de kamer opgeroepen binnen zestig dagen na afloop van de voor de neerlegging van de aanvullende conclusies vastgestelde termijn.
   De kamer kan de korpschef, de verzoeker en getuigen horen.
   De kamer doet uitspraak binnen dertig dagen na de dag van verschijning voor de rechtbank.]1

  
Art. 418. [1 § 1er. Si le tribunal estime qu'il n'y a pas lieu de désigner un magistrat instructeur, la personne faisant l'objet d'une poursuite disciplinaire est convoquée pour l'audience devant la chambre dans les trois mois de la saisine du tribunal.
   Lorsqu'un magistrat a été chargé d'instruire les faits, l'intéressé est appelé à comparaître devant le tribunal disciplinaire dans les deux mois suivant la transmission du rapport d'instruction aux membres de la chambre.
   § 2. La convocation de l'intéressé mentionne les faits reprochés, le lieu, la date et l'heure de l'audience, ainsi que la composition de la chambre.
   En cas de suspicion légitime, la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires peut récuser les membres de la chambre par un acte transmis au greffe dans les huit jours suivant la notification prévue à l'alinéa 1er. La récusation est jugée en dernier ressort par le tribunal disciplinaire d'appel.
   Le rapport d'instruction est joint au dossier disciplinaire. Le dossier d'instruction est mis à disposition de la personne concernée et de la personne qui l'assiste pendant les quinze jours précédant la comparution.
   Le membre ou le membre du personnel de l'ordre judiciaire comparaît en personne. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
   Le tribunal disciplinaire communique la cause au ministère public au moment où il prononce la clôture des débats. L'avis du ministère public est donné par écrit, à moins qu'en raison des circonstances de la cause, il ne soit émis oralement sur-le-champ à l'audience.
   § 3. Lorsqu'un magistrat a été chargé d'instruire les faits, le tribunal disciplinaire statue sur rapport du magistrat instructeur.
   Le jugement est rendu dans les deux mois suivant la première audience et notifié au chef de corps et au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée, ainsi qu'à l'intéressé lui-même.
   En cas de poursuite pénale, la chambre peut toutefois surscoir à statuer jusqu'à la décision judiciaire définitive.
   Si la chambre estime qu'il y a lieu à révoquer un magistrat du ministère public, le tribunal disciplinaire transmet une proposition motivée de révocation au Roi.
   Le Roi peut s'écarter de la décision de proposition motivée de révocation et infliger, en lieu et place de l'autorité compétente, toute autre peine disciplinaire visée à l'article 405, § 1er.
   La décision du Roi est notifiée à l'intéressé dans les soixante jours suivant la réception de la proposition de révocation.
   § 4. Le magistrat qui conteste une mesure disciplinaire déguisée en mesure d'ordre prise à son égard par un chef de corps peut introduire un recours contre cette mesure auprès du tribunal disciplinaire dans les trente jours suivant la notification de la décision du chef de corps. Ce recours n'est pas suspensif. [2 Ce recours n'est admis que si le magistrat concerné a introduit préalablement le recours administratif visé à l'article 330quinquies et qu'il a été statué sur celui-ci. L'introduction du recours administratif interrompt le délai visé à la première phrase.]2
   Outre l'identité et la qualité du requérant et une copie de la décision attaquée, la requête signée contient un exposé des faits et des moyens et est signée.
   Dans les dix jours suivant sa saisine, la chambre adresse copie de la requête au chef de corps avec demande de lui transmettre dans les trente jours le dossier administratif et ses conclusions.
   Copie du dossier et des conclusions du chef de corps est transmise au requérant, qui peut transmettre des conclusions complémentaires dans les trente jours. Copie des conclusions complémentaires est transmise au chef de corps.
   Le chef de corps et le requérant sont convoqués devant la chambre dans les soixante jours suivant la fin du délai prévu pour le dépôt des conclusions complémentaires.
   La chambre peut entendre le chef de corps, le requérant et des témoins.
   La chambre rend son jugement dans les trente jours suivant la date de comparution devant le tribunal.]1

  
Art. 419. [1 In de gevallen waarin een zaak bij de tuchtrechtbank aanhangig is gemaakt door het openbaar ministerie wanneer de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid geen beslissing heeft verzonden aan de klager of de betrokken persoon, of de Hoge Raad voor de Justitie niet ingelicht heeft binnen een termijn van vier maanden na de indiening van de klacht, kan de tuchtrechtbank hetzij :
   a) indien zij vaststelt dat het onderzoek door de korpschef nog niet geopend is, nog lopende is of nog niet volledig is, de korpschef verzoeken dat onderzoek te voltooien binnen een termijn die zij bepaalt, of de aanwijzing vragen van een magistraat die de klacht moet onderzoeken;
   b) weigeren, in voorkomend geval na onderzoek, gevolg te geven aan een klacht;
   c) in voorkomend geval na onderzoek, de betrokken persoon oproepen om te verschijnen op een datum die zij bepaalt.
   Het vonnis van de tuchtrechtbank is definitief voor de klager.]1

  
Art. 419. [1 Dans les cas où le tribunal disciplinaire a été saisi par le ministère public lorsque l'autorité visée à l'article 412, § 1er, n'a pas transmis de décision au plaignant ou à l'intéressé ou n'a pas informé le Conseil supérieur de la Justice dans un délai de quatre mois à dater du dépôt de la plainte, le tribunal disciplinaire peut soit :
   a) s'il constate que l'enquête du chef de corps n'est pas encore ouverte, est encore en cours ou n'est pas complète, inviter le chef de corps à terminer cette enquête dans un délai qu'il détermine, ou demander la désignation d'un magistrat chargé d'instruire la plainte;
   b) refuser, le cas échéant après instruction, de donner suite à une plainte;
   c) le cas échéant après instruction, appeler la personne concernée à comparaître à la date qu'il fixe.
   Le jugement du tribunal disciplinaire est définitif pour le plaignant]1

  
Art. 420. [1 § 1. Behoudens de afzetting van de magistraten van het openbaar ministerie, wordt het hoger beroep tegen de in artikel 405 bedoelde zware tuchtstraffen en tegen de in de artikelen 407 en 408 bedoelde maatregelen ingesteld voor de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen dertig dagen na de kennisgeving van het vonnis bij een ondertekend en met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt aan de griffie.
   Het hoger beroep schorst de onmiddellijke uitvoering van de tuchtstraf.
   De eiser in hoger beroep wordt opgeroepen te verschijnen binnen dertig dagen na de aantekening van het hoger beroep bij de griffie.
   De oproepingsbrief van de betrokkene vermeldt de plaats, de datum en het uur van de terechtzitting, alsook de samenstelling van de kamer.
   Bij gewettigde verdenking kan de persoon tegen wie tuchtvervolging is ingesteld de leden van de kamer wraken middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie binnen acht dagen na de in het vierde lid bedoelde kennisgeving. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door het Hof van Cassatie.
   Het openbaar ministerie bij de tuchtrechtbank, de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid en het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is, kunnen eveneens hoger beroep aantekenen tegen de straf of tegen het gebrek aan straf waartoe de tuchtrechtbank besloten heeft.
   Van het arrest van de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt binnen zestig dagen na de indiening van het hoger beroepschrift kennis gegeven aan de betrokkene, aan de korpschef, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, aan de minister van Justitie en aan de tuchtrechtbank.
   § 2. Beroep tegen een in artikel 406 bedoelde maatregel of tegen het gebrek aan zulke maatregel wordt bij de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing ingesteld door de geschorste persoon of door het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is.
   Het beroep dat ingesteld wordt tegen een maatregel of tegen het gebrek aan een maatregel bedoeld in artikel 406 heeft geen schorsende werking.
   De eiser in hoger beroep wordt opgeroepen te verschijnen voor de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen vijftien dagen na de indiening van het hoger beroepschrift bij de griffie.
   Hoger beroep kan binnen een maand worden aangetekend door de korpschef tegen het vonnis van de tuchtrechtbank die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel vernietigt.
   Van het arrest van de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt kennis gegeven aan de betrokkene, aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, aan de Minister van Justitie en aan de tuchtrechtbank, zulks binnen zeven dagen na de sluiting van de debatten.
   § 3. Het beroep van de betrokken persoon of het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, van het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, tegen een tuchtrechtelijke beslissing die uitgesproken is door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid, wordt bij de tuchtrechtbank in hoger beroep ingesteld binnen tien dagen na de in artikel 413, § 2, eerste lid, bedoelde kennisgeving, door middel van een ondertekend en met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt aan de griffie.
   Het beroep heeft geen schorsende werking.
   De betrokken persoon wordt opgeroepen te verschijnen voor de tuchtrechtbank binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift bij de griffie.
   Het vonnis wordt in laatste aanleg gewezen door de tuchtrechtbank binnen zeven dagen na de sluiting van de debatten. Tegen dit vonnis staat geen rechtsmiddel open.
   Van het vonnis van de tuchtrechtbank wordt kennis gegeven aan de betrokkene, aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid en aan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, alsook aan de Minister van Justitie.]1

  
Art. 420. [1 § 1er. A l'exception de la révocation des magistrats du ministère public, l'appel contre les peines disciplinaires majeures visées à l'article 405 et contre les mesures visées aux articles 407 et 408 est introduit devant le tribunal disciplinaire d'appel dans les trente jours de la notification du jugement par requête signée et motivée adressée au greffe.
   L'appel suspend l'exécution immédiate de la sanction disciplinaire.
   L'appelant est appelé à comparaître dans les trente jours suivant le dépôt de l'appel au greffe.
   La convocation de l'intéressé mentionne le lieu, la date et l'heure de l'audience, ainsi que la composition de la chambre.
   En cas de suspicion légitime, la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires peut récuser les membres de la chambre par un acte transmis au greffe dans les huit jours suivant la notification prévue à l'alinéa 4. La récusation est jugée en dernier ressort par la Cour de Cassation.
   Le ministère public près le tribunal disciplinaire, l'autorité visée à l'article 412, § 1er, et le ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée peuvent également introduire un appel contre la sanction ou l'absence de sanction décidée par le tribunal disciplinaire.
   L'arrêt du tribunal disciplinaire d'appel est notifié à l'intéressé, au chef de corps, au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, au ministre de la Justice et au tribunal disciplinaire dans les soixante jours suivant le dépôt de la requête d'appel.
   § 2. Le recours contre une mesure visée à l'article 406 ou l'absence d'une telle mesure est introduit devant le tribunal disciplinaire d'appel, dans les dix jours de la notification de la décision, par la personne suspendue ou le ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée.
   Le recours introduit contre une mesure ou l'absence de mesure visée à l'article 406 n'est pas suspensif.
   L'appelant est convoqué devant le tribunal disciplinaire d'appel dans les quinze jours suivant le dépôt de la requête d'appel au greffe.
   Un appel peut être interjeté dans le mois par le chef de corps contre le jugement du tribunal disciplinaire qui annule une mesure disciplinaire déguisée en mesure d'ordre.
   L'arrêt du tribunal disciplinaire d'appel est notifié à l'intéressé, à l'autorité visée à l'article 412, § 1er, au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, au Ministre de la Justice et au tribunal disciplinaire dans les sept jours suivant la clôture des débats.
   § 3. Le recours de la personne concernée ou du ministère public près la juridiction dont elle est issue ou, lorsque la personne concernée est un membre d'une justice de paix ou de son personnel, le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, contre une décision disciplinaire prononcée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, est introduit devant le tribunal disciplinaire d'appel dans les dix jours suivant la notification visée à l'article 413, § 2, alinéa 1er, par requête signée et motivée adressée au greffe.
   Le recours n'est pas suspensif.
   La personne concernée est convoquée devant le tribunal disciplinaire dans les quinze jours suivant le dépôt de la requête d'appel au greffe.
   Le jugement est rendu en dernier ressort par le tribunal disciplinaire dans les sept jours suivant la clôture des débats. Il n'est susceptible d'aucun recours.
   Le jugement du tribunal disciplinaire est notifié à l'intéressé, à l'autorité visée à l'article 412, § 1er, et au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, ainsi qu'au Ministre de la Justice.]1

  
Art. 421. [1 Met uitzondering van de in artikel 405, § 1, 5° en 6°, bepaalde straffen, worden de tuchtstraffen ambtshalve uitgewist na :
   1° drie jaar voor de lichte straffen;
   2° zes jaar voor de zware straffen.
   De uitwissing geldt voor de toekomst.]1

  
Art. 421. [1 A l'exception des peines prévues à l'article 405, § 1er, 5° et 6°, l'effacement des peines disciplinaires se fait d'office après :
   1° trois ans pour les peines mineures;
   2° six ans pour les peines majeures.
   L'effacement vaut pour l'avenir.]1

  
Art. 422. [1 Degene die een tuchtstraf heeft gekregen, kan een verzoek tot herziening richten aan de tuchtrechtbank voor zover hij aantoont over een nieuw element te beschikken.
   De betrokken persoon voegt bij zijn verzoek een volledig verslag over de redenen en de bewijzen die hij kan aanvoeren om de herziening van het vonnis of het arrest te verkrijgen. De tuchtrechtbank kan het verzoek van de betrokken persoon onontvankelijk verklaren bij gebrek aan redenen of bewijzen, zonder de betrokken persoon vooraf te hebben gehoord.
   In geval van afzetting zendt de tuchtrechtbank een advies aan de Koning.]1

  
Art. 422. [1 Celui qui a été sanctionné par une peine disciplinaire peut adresser une demande en révision au tribunal disciplinaire, pour autant qu'il justifie d'un élément nouveau.
   La personne concernée joint à sa demande un rapport complet concernant les motifs et preuves qu'elle peut faire valoir pour obtenir une révision du jugement ou de l'arrêt. Le tribunal disciplinaire peut déclarer la demande de la personne concernée irrecevable pour manque de motifs ou de preuves sans audition préalable de la personne concernée.
   En cas de révocation, le tribunal disciplinaire transmet un avis au Roi.]1

  
Art. 423. [1 De tuchtrechtscolleges stellen jaarlijks een activiteitenverslag op met inachtneming van de anonimiteit van de betrokken personen. Het verslag wordt [2 voor 1 april van elk jaar overgezonden aan de Hoge Raad voor de Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de minister bevoegd voor Justitie]2. De door de tuchtrechtscolleges gewezen beslissingen worden aan de Minister van Justitie meegedeeld zodra ervan kennis is gegeven.]1
  [3 De minister bevoegd voor Justitie stelt, na advies van de Hoge Raad voor de Justitie, van het College van het openbaar ministerie en van het College van de hoven en rechtbanken het standaardformulier op dat moet worden gevolgd voor het opstellen van het activiteitenverslag.
   Ieder jaar informeren de korpschefs de voorzitter van de bevoegde tuchtrechtbank over de lichte tuchtstraffen die zij hebben uitgesproken ten aanzien van de magistraten van dezelfde taalrol. Die informatie wordt opgenomen in het jaarverslag van de tuchtrechtbank, met inachtneming van de anonimiteit van de bestrafte magistraten.]3

  
Art. 423. [1 Les juridictions disciplinaires rédigent chaque année un rapport d'activités respectant l'anonymat des personnes concernées. Le rapport est transmis [2 avant le 1er avril de chaque année au Conseil supérieur de la Justice, à la Chambre des représentants et au ministre qui a la Justice dans ses attributions]2. Les décisions rendues par les juridictions disciplinaires sont communiquées au Ministre de la Justice dès leur notification.]1
  [3 Le ministre qui a la Justice dans ses attributions établit, après avis du Conseil supérieur de la Justice, du Collège du ministère public et du Collège des cours et tribunaux, le formulaire type à suivre pour la rédaction du rapport d'activités.
   Chaque année, les chefs de corps informent le président du tribunal disciplinaire compétent des peines disciplinaires mineures qu'ils ont prononcées à l'égard des magistrats du même rôle linguistique. Ces informations sont insérées dans le rapport annuel du tribunal disciplinaire dans le respect de l'anonymat des magistrats sanctionnés.]3

  
HOOFDSTUK V.
CHAPITRE V.
BOEK III. - BALIE.
LIVRE III. - Du barreau.
EERSTE TITEL. - Algemene Bepalingen.
TITRE PREMIER. - Dispositions générales.
EERSTE HOOFDSTUK. - Advocaten.
CHAPITRE I. - Des avocats.
Art. 428. <W 02-07-1975, art. 2> [1 Niemand kan de titel van advocaat voeren of het beroep van advocaat uitoefenen indien hij:
   1° niet in het bezit is van het Belgische diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten;
   2° niet de eed heeft afgelegd bedoeld in artikel 429 en;
   3° niet is ingeschreven op het tableau van de Orde of op de lijst van de stagiairs.]1

  [1 De Koning kan, op advies van de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, de in het eerste lid, 1°, bedoelde voorwaarde tot andere Belgische of buitenlandse diploma's uitbreiden, op voorwaarde dat deze diploma's een voldoende kennis van het Belgisch recht garanderen.]1
  Behoudens de afwijkingen die de wet vaststelt, mag geen nadere bepaling aan de titel van advocaat worden toegevoegd.
  
Art. 428. <L 02-07-1975, art. 2> [1 Nul ne peut porter le titre d'avocat ni en exercer la profession :
   1° s'il n'est porteur du diplôme belge de docteur, de licencié ou de master en droit ;
   2° s'il n'a prêté le serment visé à l'article 429 et ;
   3° s'il n'est inscrit au tableau de l'Ordre ou sur la liste des stagiaires.]1

  [1 Le Roi peut, sur l'avis de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de l'Orde van Vlaamse Balies, étendre la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, à d'autres diplômes, belges ou étrangers, pour autant que ces diplômes garantissent une connaissance suffisante du droit belge.]1
  Sauf les dérogations prévues par la loi, aucune qualification complémentaire ne peut être ajoutée au titre d'avocat.
  
Art. 428bis. <INGEVOEGD bij KB 1996-05-02/43, art. 1, Inwerkingtreding : 01-08-1996> Kunnen bovendien de titel van advocaat voeren en het beroep uitoefenen, de onderdanen van een Lid-Staat van de Europese Unie die voldoen aan de hiernavolgende voorwaarden :
  1° houder zijn van een diploma, getuigschrift of andere titel [1 bedoeld in de Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties]1, en waaruit blijkt dat de houder de vereiste kwalificaties bezit om in een Lid-Staat van de Europese Unie tot het beroep van advocaat te worden toegelaten;
  2° de overlegging van :
  a) een bewijs van goed zedelijk gedrag;
  b) en een getuigschrift waaruit blijkt dat gegadigde nooit failliet is gegaan;
  c) alsmede een getuigschrift waaruit blijkt dat de gegadigde nooit handelingen heeft verricht die aanleiding kunnen geven tot opschorting of verbod van de uitoefening van het beroep van advocaat, zijnde een ernstige fout bij de uitoefening van het beroep van advocaat of een misdrijf;
  d) (de lijst van de onderwerpen waarover de gegadigde is ondervraagd teneinde zijn diploma, getuigschrift of een andere in 1° bedoelde titel te behalen, evenals het bewijs van eventuele beroepservaring;) <W 2004-12-27/31, art. 11, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  3° voldaan hebben aan een bekwaamheidsproef, georganiseerd door (de Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone, naargelang de balie waar zij om hun inschriving verzoeken), wanneer de ontvangen opleiding verband houdt met vakgebieden welke wezenlijk verschillen van die waarop het Belgische diploma van licentiaat in de rechten betrekking heeft (, tenzij de kennis die de betrokkene heeft verworven tijdens zijn beroepservaring van dien aard is dat ze deze wezenlijke verschillen geheel of gedeeltelijk ondervangen). <W 2001-07-04/41, art. 3, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002> <W 2004-12-27/31, art. 11, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  (Onverminderd artikel 428nonies zijn de gegadigden die aan de voorafgaande voorwaarden hebben voldaan, gemachtigd de eed van advocaat af te leggen. Zij worden vrijgesteld van de stageverplichtingen die door het Belgisch recht worden opgelegd en kunnen om hun inschrijving op het tableau van de Orde verzoeken op voorwaarde dat zij in een Lidstaat van de Europese Unie een stage hebben volbracht die de inschrijving aan een balie van die Staat mogelijk maakt. Zij worden eveneens van de stageverplichtingen vrijgesteld indien het recht van de Staat waar het diploma is behaald of de Staat waarvan de gegadigde onderdaan is, deze verplichtingen niet oplegt. In de andere gevallen wordt aan de gegadigden die aan genoemde voorwaarden hebben voldaan toegelaten de eed van advocaat af te leggen en om hun inschrijving op de lijst van de stagiairs te verzoeken, onverminderd artikel 428nonies. Zij zijn onderworpen aan alle stageverplichtingen, zoals die voortvloeien uit de wet, uit de reglementen van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Orde des barreaux francophones et germanophone, naargelang de balie waar zij om hun inschrijving verzoeken) en uit het huishoudelijk reglement van de balie waar zij om hun inschrijving verzoeken.) <KB 1998-03-27/46, art. 1, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 3, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  
Art. 428bis. Peuvent en outre porter le titre d'avocat et en exercer la profession, les ressortissants d'un Etat membre de l'Union européenne qui satisfont aux conditions suivantes :
  1° être titulaire d'un diplôme, certificat ou autre titre [1 visé dans la Directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles]1, et dont il résulte que le titulaire possède les qualifications professionnelles pour accéder à la profession d'avocat dans un Etat membre de l'Union européenne;
  2° présenter :
  a) une preuve relative à l'honorabilité et à la moralité;
  b) et une preuve relative à l'absence de faillite;
  c) ainsi qu'une preuve relative à l'absence de faute grave commise dans l'exercice de la profession d'avocat ou d'une infraction pénale susceptibles d'entraîner une suspension ou une interdiction de la profession d'avocat;
  d) (le relevé des matières sur lesquelles le candidat a été interrogé pour obtenir son diplôme, certificat ou autre titre mentionné au 1°, ainsi que la preuve d'une expérience professionnelle éventuelle;) <L 2004-12-27/31, art. 11, 121; En vigueur : 10-01-2005>
  3° avoir satisfait à une épreuve d'aptitude, organisée par (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou par l'Orde van Vlaamse balies, selon le barreau auquel il sollicite son inscription,) lorsque la formation qu'il a reçue porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le diplôme belge de licencié en droit (, à moins que les connaissances que l'intéressé a acquises pendant son expérience professionnelle ne soient de nature à pallier, en tout ou partie, ces différences substantielles). <L 2001-07-04/41, art. 3, 090; En vigueur : 01-05-2002> <L 2004-12-27/31, art. 11, 121; En vigueur : 10-01-2005>
  (Sans préjudice de l'article 428nonies, les candidats ayant satisfait aux conditions qui précèdent sont autorisés à prêter le serment d'avocat. Ils sont dispensés des obligations du stage imposées par le droit belge et peuvent solliciter leur inscription au tableau de l'Ordre à condition d'avoir accompli dans un Etat membre de l'Union européenne un stage permettant l'inscription à un barreau de cet Etat. Ils sont également dispensés des obligations du stage si le droit de l'Etat dans lequel le diplôme a été obtenu ou de l'Etat dont le candidat est ressortissant ne les impose pas. Dans les autres cas, les candidats ayant satisfait aux conditions qui précèdent sont autorises à prêter le serment d'avocat et a solliciter leur inscription à la liste des stagiaires, sans préjudice de l'article 428nonies. Ils sont soumis à toutes les obligations du stage telles qu'elles résultent de la loi, des règlements de (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies, selon le barreau auquel il sollicite son inscription) et du règlement d'ordre intérieur du barreau auquel ils sollicitent leur admission.) <AR 1998-03-27/46, art. 1, 059; En vigueur : 12-05-1998> <L 2001-07-04/41, art. 3, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  
Art. 428ter. <INGEVOEGD bij KB 1996-05-02/43, art. 2, Inwerkingtreding : 01-08-1996> § 1. De (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone, naargelang van de balie waar om inschrijving wordt verzocht, zijn de autoriteiten) bevoegd om : <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  1° de aanvragen te ontvangen;
  2° te onderzoeken of de gegadigde beantwoordt aan de voorwaarden om tot de bekwaamheidsproef te worden toegelaten gesteld in artikel 428bis, eerste lid, 1° en 2°;
  3° (op grond van de lijst bedoeld in artikel 428bis, eerste lid, 2°, d), en de lijst vermeld in artikel 428quater, § 2, te besluiten of de opleiding die de gegadigde heeft genoten of zijn beroepservaring betrekking heeft op vakgebieden die wezenlijk verschillen van die waarop het Belgische diploma van licentiaat of master in de rechten betrekking heeft;) <W 2004-12-27/31, art. 12, 121; Inwerkingtreding : 10-01-2005>
  4° kennis te geven aan de gegadigde van de beslissing over de ontvankelijkheid van zijn verzoek, en wanneer het ontvankelijk is, de gegadigde in voorkomend geval ervan kennis te geven dat hij de bekwaamheidsproef moet afleggen.
  § 2. De documenten die de gegadigde aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) toezendt moeten : <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  1° zijn afgegeven door de in de Lid-Staat van hun oorsprong of herkomst bevoegde autoriteiten, namelijk de openbare overheid, de onderwijsinstellingen en de met de Belgische instellingen vergelijkbare beroepsorganisaties;
  2° worden overgelegd in de vorm van hetzij het origineel, hetzij een voor eensluidend verklaard afschrift uitgereikt door deze autoriteiten.
  Ingeval voornoemde documenten of een aantal ervan niet worden afgegeven in de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst, worden zij vervangen door een attest uitgaande van deze laatste Lid-Staat waaruit blijkt dat betrokkene ter vervanging van de in het vorige lid omschreven documenten een verklaring onder ede of een plechtige verklaring heeft afgelegd. Deze eed of verklaring moet zijn afgelegd ten overstaan van een bevoegde rechterlijke of administratieve instantie of, in voorkomend geval, van een notaris of een bevoegde beroepsorganisatie van de Lid-Staat van oorsprong of van herkomst.
  § 3. Het verzoek en de documenten moeten opgesteld zijn in het Nederlands, het Frans of het Duits, of vergezeld zijn van een voor eensluidend verklaarde vertaling in één van die talen.
  (Lid 2 opgeheven) <KB 1998-03-27/46, art. 2, b), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  § 4. (Bij de indiening van het verzoek kan van de gegadigde een inschrijvingsgeld worden gevraagd. Dit bedrag wordt betaald aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone). Het bedrag wordt door de Minister van Justitie vastgesteld. Het mag de gemiddelde kost van de behandeling van de verzoeken niet overschrijden.) <KB 1998-03-27/46, art. 2, c), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  § 5. Wanneer het dossier onvolledig is, verwittigt de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) de gegadigde binnen vijftien dagen na de ontvangst van de stukken en deelt hem mede welke documenten ontbreken. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  Wanneer het dossier volledig is samengesteld verwittigt de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) de gegadigde binnen vijftien dagen na de ontvangst van het laatste document. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  Vervolgens gaat de Orde over tot het onderzoek van de documenten, waarbij zij nagaat of aan de vereisten bedoeld in artikel 428bis, eerste lid, 1° en 2° is voldaan.
  Binnen vier maanden na overlegging van het volledige dossier geeft de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) aan de gegadigde kennis van haar met redenen omklede beslissing. Wanneer de gegadigde de bekwaamheidsproef moet afleggen deelt de Orde hem mede welke van de vakken bedoeld (in artikel 428quater, § 2), in aanmerking komen. <KB 1998-03-27/46, art. 2, d), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  De afwezigheid van beslissing geldt als toelating tot de bekwaamheidsproef. In dit geval bepaalt de gegadigde zelf welke vakken hij aflegt en geeft daarvan mededeling aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone). (...). (...). (...). <KB 1998-03-27/46, art. 2, e), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  § 6. (De gegadigde kan hoger beroep instellen bij de commissie van beroep tegen een beslissing van onontvankelijkheid van zijn verzoek, tegen de beslissing die hem toelaat tot een bekwaamheidsproef met vakken die niet wezenlijk verschillen van de vakgebieden van zijn opleiding, of tegen een weigering van vrijstelling van de bekwaamheidsproef.) <KB 1998-03-27/46, art. 2, f), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  Het hoger beroep wordt bij ter post aangetekende brief ingesteld en wordt aan de (Orde van Vlaamse balies of de Ordre des barreaux francophones et germanophone) toegezonden binnen dertig dagen na de mededeling van de beslissing. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  § 7. (Er zijn twee commissies van beroep), een Franstalige en een Nederlandstalige. <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  Iedere (commissie van beroep) bestaat uit: <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  1° (een raadsheer of emeritus-raadsheer in het Hof van beroep. Hij is voorzitter van de commissie); <KB 1998-03-27/46, art. 2, g), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  2° een stafhouder of voormalig stafhouder. Hij is secretaris van de commissie;
  3° een hoogleraar of een hoogleraar-emeritus in het recht aan een Belgische universiteit, die geen advocaat mag zijn.
  § 8. Wordt de gegadigde toelating tot de Duitstalige bekwaamheidsproef geweigerd, dan kan hij in het Duits hoger beroep instellen.
  De voorzitter kan vorderen dat alle stukken of een gedeelte ervan worden vertaald. De kosten hiervan komen voor rekening van de gegadigde.
  § 9. (De magistraten en de hoogleraren die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden door de Minister van Justitie aangewezen. De stafhouders of voormalig stafhouders die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden door de Minister van Justitie aangewezen op voordracht van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone).) <KB 1998-03-27/46, art. 2, h), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 4, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  Ingeval het hoger beroep in het Duits wordt ingesteld, moet de stafhouder of voormalig stafhouder afkomstig zijn van de balie van Eupen.
  De leden hebben elk twee plaatsvervangers die op dezelfde wijze worden aangewezen.
  § 10. [1 Tegen de beslissingen gewezen door de in § 6 bedoelde commissies van beroep kan cassatieberoep worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van het vierde deel, boek III, titel IVbis, van dit Wetboek.]1
  
Art. 428ter. § 1er. (Selon le barreau auquel l'inscription est demandée, l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies est l'autorité habilitée à) : <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  1° recevoir les demandes;
  2° vérifier si le candidat, pour être admis à l'épreuve d'aptitude, satisfait aux conditions de l'article 428bis, alinéa 1er, 1° et 2°;
  3° (décider, à la lumière des documents visés à l'article 428bis, alinéa 1er, 2°, d), et de la liste figurant à l'article 428quater, § 2, si la formation que le candidat a reçue ou son expérience professionnelle porte sur des matières substantiellement différentes de celles couvertes par le diplôme belge de licencié ou de master en droit;) <L 2004-12-27/31, art. 12, 121; En vigueur : 10-01-2005>
  4° notifier au candidat la décision relative à la recevabilité de sa requête, et, lorsque celle-ci est jugée recevable, notifier au candidat, le cas échéant, qu'il est tenu de présenter l'épreuve d'aptitude.
  § 2. Les documents adressés par le candidat (à l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou à l'Orde van Vlaamse balies) doivent : <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  1° être délivrés par les autorités compétentes de l'Etat membre d'origine ou de provenance, à savoir, les pouvoirs publics, les établissements d'enseignement et les organisations professionnelles comparables aux institutions belges;
  2° être produits en original ou en copie certifiée conforme émanant de ces autorités.
  Pour le cas où ces documents, ou certains d'entre eux, ne sont pas délivrés dans l'Etat membre d'origine ou de provenance, il sont remplacés par une attestation délivrée par l'Etat membre d'origine ou de provenance, faisant foi que l'intéressé a prêté serment ou fait une déclaration solennelle pour remplacer les documents mentionnés à l'alinéa précédent. Ce serment ou cette déclaration doit avoir été fait devant une autorité judiciaire ou administrative compétente ou, le cas échéant, devant un notaire ou un organisme professionnel qualifié de l'Etat membre d'origine ou de provenance.
  § 3. La requête et les documents doivent être rédigés en langue française, en langue néerlandaise ou en langue allemande, ou être accompagnés d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
  (Abrogé). <AR 1998-03-27/46, art. 2, b), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  § 4. (Lors de l'introduction de la requête, un droit d'inscription peut être demandé au candidat. Ce droit est payable (à l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou à l'Orde van Vlaamse balies). Son montant est fixé par le Ministre de la Justice. Il ne peut excéder le coût moyen du traitement des demandes.) <AR 1998-03-27/46, art. 2, c), 059; En vigueur : 12-05-1998> <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  § 5. Lorsque le dossier reçu est incomplet, (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) en avise le candidat, dans les quinze jours de la réception des pièces, et lui mentionne les documents qui font défaut. <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Lorsqu'un dossier complet est constitué, (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) en avise le candidat dans les quinze jours de la réception du dernier document. <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Ensuite, l'Ordre procède à l'examen des documents et vérifie s'ils sont conformes aux conditions énumérées dans l'article 428bis, alinéa 1er, 1° et 2°.
  Dans les quatre mois qui suivent la production du dossier complet, (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) notifie sa décision motivée au candidat. Lorsque le candidat doit présenter l'épreuve d'aptitude, l'Ordre lui fait savoir quelles sont les matières parmi celles énumérées (à l'article 428quater, § 2), qu'il est tenu à présenter. <AR 1998-03-27/46, art. 2, d), 059; En vigueur : 12-05-1998> <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  L'absence de décision vaut admission à l'épreuve d'aptitude. Dans ce cas le candidat détermine lui-même les matières qu'il présentera et en avise (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies). (...). (...). (...). <AR 1998-03-27/46, art. 2, e), 059; En vigueur : 12-05-1998> <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  § 6. (Le candidat peut introduire, devant la commission de recours, un recours contre la décision d'irrecevabilité de sa requête, contre la décision d'admission à une épreuve d'aptitude portant sur des matières qui ne sont pas substantiellement différentes de celles couvertes par sa formation ou contre le refus de dispense de l'épreuve d'aptitude.) <AR 1998-03-27/46, art. 2, f), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  Ce recours est introduit par lettre recommandée à la poste, adressée à (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) dans les trente jours qui suivent la notification de la décision. <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  § 7. (Il y a deux commissions de recours), l'une de langue française, et l'autre de langue néerlandaise. <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Chaque (commission de recours) est composée : <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  1° (d'un conseiller ou conseiller émérite à une cour d'appel. Il est président de la commission); <AR 1998-03-27/46, art. 2, g), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  2° d'un bâtonnier ou ancien bâtonnier. Il est secrétaire de la commission;
  3° d'un professeur actif ou émérite enseignant le droit dans une université belge, qui ne peut être avocat.
  § 8. En cas de refus du candidat à l'admission à l'épreuve d'aptitude en langue allemande, le candidat peut introduire un recours en langue allemande.
  Le président peut ordonner la traduction de tout ou partie des pièces. Ces frais sont à charge du candidat.
  § 9. (Les membres magistrats et les membres professeurs sont désignés par le Ministre de la Justice. Les membres bâtonniers ou anciens bâtonniers sont désignés par le Ministre de la Justice sur proposition de (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies).) <AR 1998-03-27/46, art. 2, h), 059; En vigueur : 12-05-1998> <L 2001-07-04/41, art. 4, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Dans le cas où le recours est introduit en langue allemande, le membre bâtonnier ou ancien bâtonnier doit provenir du barreau d'Eupen.
  Les membres ont chacun deux suppléants désignés de la même façon.
  § 10. [1 Les décisions prononcées par les commissions de recours visées au paragraphe 6 peuvent faire l'objet d'un pourvoi en cassation conformément aux dispositions de la quatrième partie, livre III, titre IVbis, du présent Code.]1
  
Art. 428quater. <INGEVOEGD bij KB 1996-05-02/43, art. 3, Inwerkingtreding : 01-08-1996> § 1. (De Orde van Vlaamse Balies organiseert ten behoeve van de onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Unie de bekwaamheidsproef, ingesteld bij artikel 428bis, eerste lid, 3°, in het Nederlands.) <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  (De Ordre des Barreaux francophones et germanophone organiseert ten behoeve van de onderdanen van de Lid-Staten van de Europese Unie de bekwaamheidsproef, ingesteld bij artikel 428bis, eerste lid, 3°, in het Frans of in het Duits.) <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  De bekwaamheidsproef betreft uitsluitend de vakkennis van de gegadigde en strekt ertoe na te gaan of hij de nodige bekwaamheid bezit om in België het beroep van advocaat uit te oefenen.
  (Het examen bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte.
  De gegadigde is geslaagd voor een vak wanneer hij 60 % van de punten heeft behaald.
  Niet-geslaagde gegadigden kunnen de vakken waarvoor geen 60 % van de punten is behaald, ten hoogste driemaal opnieuw afleggen, en wel tijdens de volgende drie zittijden.) <KB 1998-03-27/46, art. 3, a), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  § 2. (De bekwaamheidsproef heeft betrekking op de volgende vakken :
  1° schriftelijk examengedeelte :
  - burgerlijk recht, daarbij inbegrepen burgerlijke rechtsvordering;
  - strafrecht, daarbij inbegrepen strafvordering;
  - naar keuze van de gegadigde, een van de volgende vakken : publiekrecht, administratief recht, fiscaal recht, handelsrecht of sociaal recht.
  2° mondeling examengedeelte :
  plichtenleer en de vakken waarvoor de gegadigde in het schriftelijk examengedeelte niet is geslaagd.) <KB 1998-03-27/46, art. 3, b), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  § 3. (Er worden twee examencommissies ingesteld, een Franstalige en een Nederlandstalige, die de gegadigden ondervragen en vaststellen of zij voor de bekwaamheidsproef zijn geslaagd. Elke examencommissie bestaat uit : ) <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  1° (een rechter of emeritus-rechter in een rechtbank van eerste aanleg. Hij is voorzitter van de examencommissie); <KB 1998-03-27/46, art. 3, c), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  2° twee advocaten ingeschreven op het tableau. De laatst ingeschreven advocaat is secretaris van de examencommissie;
  3° een hoogleraar of docent in het recht aan een Belgische universiteit, die geen advocaat mag zijn.
  (Lid 4 opgeheven) <KB 1998-03-27/46, art. 3, d), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  § 4. De Duitstalige bekwaamheidsproef wordt afgenomen door de Franstalige (...) examencommissie. <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  In dat geval bestaat de examencommissie als volgt :
  1° (een rechter of emeritus-rechter bij de rechtbank van eerste aanleg te Eupen. Hij is voorzitter van de examencommissie); <KB 1998-03-27/46, art. 3, e), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  2° twee advocaten ingeschreven op het tableau, van wie één op het tableau van de Orde van Advocaten van het rechtsgebied Eupen. Laatstgenoemde is secretaris van de examencommissie;
  3° een hoogleraar of docent in het recht aan een Belgische universiteit, die geen advocaat mag zijn.
  (Lid 4 opgeheven) <KB 1998-03-27/46, art. 3, f), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998>
  § 5. (De magistraten en de hoogleraren of docenten die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden aangewezen door de Minister van Justitie. De advocaten die lid van (de hoger vermelde commissies) zijn worden door de Minister van Justitie aangewezen op voordracht van (de Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone naargelang van de commissie waarvoor zij dienen te worden aangewezen).) <KB 1998-03-27/46, art. 3, g), 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> <W 2001-07-04/41, art. 5, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  De leden hebben elk twee plaatsvervangers die op dezelfde wijze worden aangewezen.
Art. 428quater. § 1er. (L'Ordre des Barreaux francophones et germanophone organise, soit en langue française, soit en langue allemande, l'épreuve d'aptitude destinée aux ressortissants des Etats, membres de l'Union européenne, instituée par l'article 428bis, alinéa 1er, 3°.) <L 2001-07-04/41, art. 5, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  (L'Orde van Vlaamse Balies organise, en langue néerlandaise, l'épreuve d'aptitude destinée aux ressortissants des Etats, membres de l'Union européenne, instituée par l'article 428bis, alinéa 1er, 3°.) <L 2001-07-04/41, art. 5, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  L'épreuve d'aptitude concerne exclusivement les connaissances professionnelles du candidat, dans le but d'apprécier son aptitude à exercer la profession d'avocat en Belgique.
  (L'épreuve comporte une partie écrite et une partie orale.
  Le candidat réussit dans une matière lorsqu'il obtient 60 % des points.
  En cas d'échec, les matières pour lesquelles le candidat n'a pas obtenu 60 % des points ne peuvent être représentées qu'à trois reprises et durant les trois sessions suivantes.) <AR 1998-03-27/46, art. 3, a), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  § 2. (L'épreuve d'aptitude porte sur les matières suivantes :
  1° épreuve écrite :
  - le droit civil, y compris la procédure civile;
  - le droit pénal, y compris la procédure pénale;
  - au choix du candidat, une des matières suivantes : le droit public, le droit administratif, le droit fiscal, le droit commercial ou le droit social;
  2° épreuve orale :
  la déontologie et les matières dans lesquelles le candidat n'a pas réussi l'épreuve écrite.) <AR 1998-03-27/46, art. 3, b), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  § 3. (Il est institué deux jurys, un de langue française et un de langue néerlandaise, chargés d'interroger les candidats et de constater s'ils ont réussi l'épreuve d'aptitude. Chaque jury est composé : ) <L 2001-07-04/41, art. 5, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  1° (d'un juge ou juge émérite à un tribunal de première instance. Il est président du jury); <AR 1998-03-27/46, art. 3, c), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  2° de deux avocats inscrits au tableau. L'avocat le plus récemment inscrit au tableau est secrétaire du jury;
  3° d'un professeur ou chargé de cours enseignant le droit dans une université belge, qui ne peut être avocat.
  (Abrogé) <AR 1998-03-27/46, art. 3, d), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  § 4. L'épreuve d'aptitude en langue allemande est présentée (devant le jury) de langue française. <L 2001-07-04/41, art. 5, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Dans ce cas, le jury est composé comme suit :
  1° (un juge ou juge émérite au tribunal de première instance d'Eupen. Il est président du jury); <AR 1998-03-27/46, art. 3, e), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  2° deux avocats inscrits au tableau, dont un au tableau de l'Ordre des avocats de l'arrondissement judiciaire d'Eupen. Ce dernier est secrétaire du jury;
  3° un professeur ou chargé de cours enseignant le droit dans une université belge, qui ne peut être avocat.
  (Abrogé) <AR 1998-03-27/46, art. 3, f), 059; En vigueur : 12-05-1998>
  § 5. (Les membres magistrats et les membres professeurs ou chargés de cours sont désignés par le Ministre de la Justice. Les membres avocats sont désignés par le Ministre de la Justice sur proposition de (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies, en fonction de la commission pour laquelle ils doivent être désignés).) <AR 1998-03-27/46, art. 3, g), 059; En vigueur : 12-05-1998> <L 2001-07-04/41, art. 5, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Les membres ont chacun deux suppléants désignés de la même façon.
Art. 428quinquies. <KB 1998-03-27/46, art. 4, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> De (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) stelt het personeel, het secretariaat, de lokalen, de documentatie en het materiaal ter beschikking van de commissie van beroep en de examencommissie, zoals nodig voor het vervullen van hun opdracht. <W 2001-07-04/41, art. 6, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
Art. 428quinquies. <AR 1998-03-27/46, art. 4, 059; En vigueur : 12-05-1998> (L'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) met à la disposition de la commission de recours et du jury le personnel, le secrétariat, les locaux, la documentation et le matériel nécessaires pour l'accomplissement de leur mission. <L 2001-07-04/41, art. 6, 090; En vigueur : 01-05-2002>
Art. 428sexies. <KB 1998-03-27/46, art. 5, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> (De commissies van beroep komen) ten minste tweemaal per jaar bijeen om kennis te nemen van de hogere beroepen ingesteld op grond van de artikelen 428ter en 428septies. De voorzitter bepaalt frequentie en datum van die vergaderingen. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  De commissie van beroep vergadert op de zetel van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) of op een andere door de voorzitter bepaalde plaats. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  De verzoeker wordt ten minste vijftien dagen voor de vergadering opgeroepen. Gedurende dezelfde termijn ligt het dossier te zijner beschikking op de zetel van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone). <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  De verzoeker kan zich laten bijstaan door een advocaat en ter staving van zijn beroep een memorie indienen alsmede alle stukken die hij nuttig acht. Ingeval het beroep betrekking heeft op vakken die in de bekwaamheidsproef moeten worden afgelegd, doet de verzoeker de documenten betreffende het te raadplegen buitenlandse recht toekomen die nodig zijn om over het bestaan van substantiële verschillen te oordelen. Wanneer de commissie van oordeel is dat de neergelegde documenten niet volstaan, nodigt zij de verzoeker uit bijkomende documenten neer te leggen bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
  De wrakingsgronden bedoeld in de artikelen 828 tot 830 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de commissie van beroep. Leden die weten dat redenen van wraking tegen hen bestaan, moeten zich onthouden. De verzoeker die een lid van de commissie van beroep wil wraken, moet zulks doen voor de beraadslaging. De akte van wraking wordt voor het Hof van Cassatie gebracht.
  De debatten voor de kamer van beroep vinden in openbare zitting plaats, tenzij de verzoeker een zitting met gesloten deuren vraagt.
  De commissie van beroep kan alleen geldig beraadslagen indien alle leden of plaatsvervangers van de verhinderde leden aanwezig zijn. De commissie van beroep beraadslaagt met gesloten deuren. Beslissingen worden bij meerderheid van stemmen genomen.
  De beslissing wordt met redenen omkleed en in het openbaar bekendgemaakt, tenzij de verzoeker daaraan uitdrukkelijk verzaakt. Van iedere beraadslaging van de commissie van beroep wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de voorzitter en de secretaris van de commissie wordt ondertekend. In het proces-verbaal wordt opgave gedaan van de beslissing en van de redenen die daaraan ten grondslag liggen.
  De voorzitter of de secretaris van de commissie van beroep stelt de gegadigde binnen vijftien dagen in kennis van de beslissing.
  Binnen één maand na haar kennisgeving kan de gegadigde de beslissing van de commissie van beroep voor het Hof van Cassatie brengen in de vormen van de voorzieningen voor burgerlijke zaken. Wordt de beslissing vernietigd, dan verwijst het Hof van Cassatie de zaak naar de commissie van beroep, anders samengesteld.
  Wanneer de beslissing van de commissie van beroep een beslissing van niet-ontvankelijkheid teniet doet, verklaart de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk Ordre des barreaux francophones et germanophone) het verzoek ontvankelijk en laat zij de verzoeker toe tot de volgende bekwaamheidsproef. Bovendien deelt de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk Ordre des barreaux francophones et germanophone) aan de verzoeker mee welke vakken van die bedoeld in artikel 428quater, § 2, 1°, hij moet afleggen. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  Wanneer de beslissing van de commissie van beroep een beslissing om de verzoeker toe te laten tot een bekwaamheidsproef hervormt door een of meer aan betrokkene opgelegde vakken te schrappen, laat de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk Ordre des barreaux francophones et germanophone) de verzoeker toe tot de volgende bekwaamheidsproef voor de vakken bepaald door de commissie van beroep. <W 2001-07-04/41, art. 7, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
Art. 428sexies. <AR 1998-03-27/46, art. 5, 059; En vigueur : 12-05-1998> (Les commissions de recours se réunissent) au moins deux fois par an pour connaître des recours prévus aux articles 428ter et 428septies. (Leur président) détermine le nombre et la date de ces réunions. <L 2001-07-04/41, art. 7, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  La commission de recours tient ses réunions au siège (de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies) ou à tout autre endroit fixé par son président. <L 2001-07-04/41, art. 7, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Le requérant est convoqué dans un délai de quinze jours au moins avant la réunion. Le dossier est mis à sa disposition, dans le même délai, au siège (de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies). <L 2001-07-04/41, art. 7, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Le requérant peut se faire assister d'un avocat et déposer un mémoire à l'appui de son recours, ainsi que toutes pièces qu'il juge utiles. Dans le cas où le recours porte sur les matières retenues pour l'épreuve d'aptitude, le requérant verse aux débats les pièces utiles concernant le droit étranger à consulter pour décider de l'existence de différences substantielles. Si la commission estime que les pièces déposées ne suffisent pas, elle invite le requérant à en déposer d'autres par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
  Les causes de récusation prévues aux articles 828 à 830 du Code judiciaire s'appliquent aux membres de la commission de recours. Tout membre qui sait cause de récusation en sa personne est tenu de s'abstenir. Le requérant qui veut récuser un membre de la commission de recours doit le faire avant la délibération. L'acte de récusation est porté devant la Cour de cassation.
  Les débats devant la commission de recours ont lieu en audience publique, à moins que le requérant ne demande le huis clos.
  La commission de recours ne peut valablement délibérer que si tous les membres ou un des suppléants des membres empêchés sont présents. La commission de recours délibère à huis clos. La décision se prend à la majorité des voix.
  La décision est motivée, et prononcée publiquement à moins que le requérant n'y ait expressément renoncé. A l'issue de chaque délibération de la commission de recours, il est dressé un procès-verbal qui est signé par le président et le secrétaire de la commission. Le procès-verbal mentionne la décision rendue et ses motifs.
  Dans les quinze jours de la décision rendue par la commission de recours, celle-ci est notifiée au candidat par le président ou le secrétaire de la commission.
  Dans le mois qui suit sa notification, le candidat peut déférer la décision de la commission de recours à la Cour de cassation selon les formes des pourvois en matière civile. Si la décision est annulée, la Cour de cassation renvoie la cause devant la commission de recours autrement composée.
  Si la décision de la commission de recours annule une décision d'irrecevabilité de la requête, (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) déclare cette requête recevable et admet le requérant à la prochaine épreuve d'aptitude. En outre, (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) fait savoir au requérant quelles sont les matières parmi celles énumérées à l'article 428quater, § 2, 1°, qu'il est tenu de présenter. <L 2001-07-04/41, art. 7, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Si la décision de la commission de recours réforme une décision d'admission du requérant à une épreuve d'aptitude en supprimant une ou plusieurs matières imposées au requérant par cette décision, (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) admet le requérant à la prochaine épreuve d'aptitude pour les matières fixées par la commission de recours. <L 2001-07-04/41, art. 7, 090; En vigueur : 01-05-2002>
Art. 428septies. <KB 1998-03-27/46, art. 6, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> De examencommissie vergadert op de zetel van de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) of op een andere door de voorzitter bepaalde plaats. Hij bepaalt frequentie en datum van de vergaderingen. <W 2001-07-04/41, art. 8, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  De wrakingsgronden bedoeld in de artikelen 828 tot 830 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing op de leden van de examencommissie. Leden die weten dat redenen van wraking tegen hen bestaan, moeten zich onthouden. De verzoeker die een lid van de examencommissie wil wraken, moet zulks doen voor de beraadslaging. De akte van wraking wordt voor de commissie van beroep gebracht.
  De examencommissie kan alleen geldig beraadslagen indien alle leden of plaatsvervangers van de verhinderde leden aanwezig zijn. De examencommissie beraadslaagt met gesloten deuren. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend. De beraadslaging sluit het examen af.
  Van iedere beraadslaging over de bekwaamheidsproef wordt een proces-verbaal opgemaakt, dat door de voorzitter en de secretaris van de examencommissie wordt ondertekend en waarin de resultaten behaald door de gegadigden zijn vermeld.
  De voorzitter van de examencommissie deelt de resultaten mee aan de (voorzitter van de Orde van Vlaamse balies of de voorzitter van de Ordre des barreaux francophones et germanophone), die ze binnen een maand na afsluiting van het examen ter kennis brengt van de gegadigden. <W 2001-07-04/41, art. 8, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
  Tegen de beslissingen van de examencommissie kan binnen een maand na de kennisgeving ervan beroep tot vernietiging worden ingesteld bij de commissie van beroep. Dit beroep mag enkel de wettelijkheid van de beslissing van de examencommissie betreffen. Wordt de beslissing vernietigd, dan verwijst de commissie van beroep de zaak naar de examencommissie, anders samengesteld, voor welke de gegadigde het examen kan afleggen.
Art. 428septies. <AR 1998-03-27/46, art. 6, 059; En vigueur : 12-05-1998> Le jury tient ses réunions au siège (de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies) ou à tout autre endroit fixé par son président. Ce dernier détermine le nombre et la date de ces réunions. <L 2001-07-04/41, art. 8, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  Les causes de récusation prévues aux articles 828 à 830 du Code judiciaire s'appliquent aux membres du jury. Tout membre qui sait cause de récusation en sa personne est tenu de s'abstenir. Le requérant qui veut récuser un membre du jury doit le faire avant la délibération. L'acte de récusation est porté devant la commission de recours.
  Le jury ne peut valablement délibérer que si tous les membres sont présents ou un des suppléants des membres empêchés. Le jury délibère à huis clos. En cas de parité, la voix du président est prépondérante. La délibération vaut clôture de l'épreuve.
  A l'issue de la délibération relative à l'épreuve d'aptitude, il est dressé un procès-verbal, qui est signé par le président et le secrétaire du jury et qui mentionne les résultats obtenus par chacun des candidats.
  Le président du jury communique les résultats (au président de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou au président de l'Orde van Vlaamse balies. Le président concerné) notifie ces résultats au candidat dans le mois qui suit la clôture de l'épreuve. <L 2001-07-04/41, art. 8, 090; En vigueur : 01-05-2002>
  La décision du jury est susceptible d'un recours en annulation devant la commission de recours dans le mois qui suit la notification de la décision. Ce recours a pour seul objet la légalité de la décision prise par le jury. Si la décision est annulée, la commission de recours renvoie la cause devant le jury autrement compose, devant lequel le candidat peut représenter l'examen.
Art. 428octies. (ingevoegd bij KB 1996-05-02/43, art. 7, Inwerkingtreding : 01-08-1996) Het is niet toegelaten tegelijk lid te zijn van de examencommissie en van de commissie van beroep.
  De advocaten die deel uitmaken van de examencommissie en de stafhouders die zitting hebben in de commissie van beroep en tevens lid zijn van de raad van de Orde van Advocaten, welke beslist over de inschrijving van de gegadigde op het tableau of op de lijst van deze Orde, of van de raad van beroep, die het hoger beroep tegen de beslissing van de raad van de Orde behandelt, moeten zich onthouden wanneer deze raden hun bevoegdheid uitoefenen.
Art. 428octies. Nul ne peut être à la fois, membre du jury et de la commission de recours.
  Les membres avocats du jury ou bâtonniers de la commission de recours qui sont membres du conseil de l'Ordre des avocats ou du conseil d'appel, qui décident de l'inscription du candidat au tableau ou à la liste de cet Ordre des avocats ou qui connaissent de l'appel de cette décision prise par le conseil de l'Ordre, sont tenus de s'abstenir lorsque ces conseils exercent leur compétence.
Art. 428nonies. <INGEVOEGD bij KB 1996-05-02/43, art. 8, Inwerkingtreding : 01-08-1996> Ten aanzien van de gegadigden aan wie de (Orde van Vlaamse balies respectievelijk de Ordre des barreaux francophones et germanophone) ter kennis heeft gegeven dat zij van de bekwaamheidsproef zijn vrijgesteld of dat zij voor die proef zijn geslaagd, is artikel 432 van toepassing. <W 2001-07-04/41, art. 9, 090; Inwerkingtreding : 01-05-2002>
Art. 428nonies. Les candidats auxquels (l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou l'Orde van Vlaamse balies) a notifié qu'ils sont dispensés de présenter l'épreuve d'aptitude ou qu'ils ont réussi l'épreuve d'aptitude sont soumis à l'article 432. <L 2001-07-04/41, art. 9, 090; En vigueur : 01-05-2002>
Art. 428decies. <KB 1998-03-27/46, art. 7, 059; Inwerkingtreding : 12-05-1998> De kennisgevingen en mededelingen bedoeld in de artikelen 428bis tot 428nonies worden aan de gegadigden op het door hen opgegeven adres toegezonden bij ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs.
Art. 428decies. <AR 1998-03-27/46, art. 7, 059; En vigueur : 12-05-1998> Les notifications et les avis visés par les articles 428bis à 428nonies sont transmis au candidat, à l'adresse indiquée par celui-ci, par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception.
Art. 429. De aanneming (van de eedaflegging van de advocaat) heeft plaats in openbare zitting van het hof van beroep, op de voordracht van een advocaat die sedert ten minste tien jaar op het tableau van een balie van het rechtsgebied is ingeschreven, in tegenwoordigheid van de stafhouder der Orde van advocaten in de zetel van het hof van beroep en op vordering van het openbaar ministerie. <W 2001-11-22/39, art. 3, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
  De recipïendus legt de eed af in de volgende bewoordingen:
  "Ik zweer getrouwheid aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, dat ik niet zal afwijken van de eerbied aan het gerecht en de openbare overheid verschuldigd, en geen zaak zal aanraden of verdedigen die ik naar eer en geweten niet geloof rechtvaardig te zijn."
  De griffier maakt van dat alles proces-verbaal op en bevestigt op de keerzijde van het diploma dat de formaliteiten vervuld zijn.
Art. 429. La réception (du serment de l'avocat) a lieu à l'audience publique de la cour d'appel, sur la présentation d'un avocat inscrit au tableau d'un barreau du ressort depuis dix ans au moins en présence du bâtonnier de l'Ordre des avocats au siège de la cour d'appel et sur les réquisitions du ministère public. <L 2001-11-22/39, art. 3, 096; En vigueur : 30-12-2001>
  Le récipiendaire prête serment en ces termes :
  " Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, de ne point m'écarter du respect dû aux tribunaux et aux autorités publiques, de ne conseiller ou défendre aucune cause que je ne croirai pas juste en mon âme et conscience ".
  Le greffier dresse du tout, procès-verbal et il certifie, au dos du diplôme, l'accomplissement des formalités.
Art. 430. <W 2001-11-22/39, art. 4, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> 1. [1 Elke balie of orde organiseert zich bij een afdeling van de rechtbank of bij de rechtbank van het gerechtelijk arrondissement. Uiterlijk op 1 december van elk jaar wordt een tableau opgemaakt van de Orde van advocaten, een lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en een lijst van de stagiairs, die hun kantoor in het werkingsgebied van de Orde hebben.]1
  Het tableau en de lijsten worden aangeplakt of bekendgemaakt door toedoen van de stafhouder, die ervoor zorgt dat zij worden bijgewerkt
  2. Evenwel zijn er in het gerechtelijk arrondissement Brussel twee Orden : de Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel en de Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel.
  De Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel bestaat uit de advocaten die hun kantoor hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en die zijn ingeschreven op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van de stagiairs.
  De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel bestaat uit de advocaten die hun kantoor hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en die zijn ingeschreven op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of op de lijst van de stagiairs.
  De Franse Orde van advocaten bij de balie te Brussel maakt de lijst op van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, alsook de lijst van de stagiairs die hun kantoor gevestigd hebben in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
  De Nederlandse Orde van advocaten bij de balie te Brussel maakt de lijst op van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, alsook de lijst van de stagiairs die hun kantoor gevestigd hebben in de administratieve arrondissementen Brussel-Hoofdstad en Halle-Vilvoorde.
  3. In het gerechtelijk arrondissement Brussel worden de adviezen bedoeld in de artikelen 66, 88, § 1, [3 195 en 210]3 gegeven door de stafhouder van elk van de twee ordes van advocaten.
  [2 In de arrondissementen waar de balies georganiseerd zijn per afdeling van de rechtbank worden alle in dit Wetboek bedoelde adviezen, gegeven in een gemeenschappelijk advies, naar gelang het geval, van alle stafhouders of van de vertegenwoordigers van de balies van het arrondissement.]2
Art. 430. <L 2001-11-22/39, art. 4, 096; En vigueur : 30-12-2001> 1. I, [1 Chaque barreau ou ordre s'organise auprès d'une division du tribunal ou près du tribunal de l'arrondissement. Il est dressé, au plus tard le 1er décembre de chaque année, un tableau de l'Ordre des avocats, une liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne et une liste des stagiaires ayant leur cabinet sur le territoire d'activité de l'Ordre.]1
  Le tableau et les listes sont affichés ou publiés par les soins du bâtonnier, qui veille à leur mise à jour.
  2. Toutefois, dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, il existe deux Ordres : l'Ordre français des avocats du barreau de Bruxelles et l'Ordre néerlandais des avocats du barreau de Bruxelles.
  L'Ordre français des avocats du barreau de Bruxelles est composé des avocats ayant leur cabinet dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et qui ont obtenu leur inscription au tableau, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne ou à la liste des stagiaires.
  L'Ordre néerlandais des avocats du barreau de Bruxelles est composé des avocats ayant leur cabinet dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale et dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde et qui ont obtenu leur inscription au tableau, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne ou à la liste des stagiaires.
  L'Ordre français des avocats du barreau de Bruxelles dresse la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne et la liste des stagiaires, qui ont installé leur cabinet dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
  L'Ordre néerlandais des avocats du barreau de Bruxelles dresse la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne et la liste des stagiaires, qui ont installé leur cabinet dans les arrondissements administratifs de Bruxelles-Capitale et de Hal-Vilvorde.
  3. Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, les avis visés aux articles 66, 88, § 1, [3 195 et 210]3 sont donnés par le bâtonnier de chacun des deux ordres des avocats.
  [2 Dans les arrondissements où les barreaux s'organisent auprès d'une division du tribunal, les avis visés dans le présent Code sont rendus sous forme d'un avis commun selon le cas de tous les bâtonniers ou des représentants des barreaux de l'arrondissement.]2
(NOTA : aangevuld door W 2006-08-05/45, art. 13, 138; Inwerkingtreding : 01-01-2017 (zie W 2014-12-19/24, art. 21), gewijzigd door W 2013-12-01/01, art. 129, 179; En vigueur : 01-04-2014 en door W 2014-05-08/02, art. 138, Inwerkingtreding : 24-05-2014, art. 13 opgeheven zichzelf door art. 177 van W 2016-12-25/14; Inwerkingtreding : 31-12-2016
  
(NOTE : complété par L 2006-08-05/45, art. 13, 138; En vigueur : 01-01-2017 (voir L 2014-12-19/24, art. 21), modifié par L 2013-12-01/01, art. 129, 179; En vigueur : 01-04-2014, L 2014-05-08/02, art. 138, En vigueur : 24-05-2014, art. 13 abrogé lui-même par l'art. 177 de L 2016-12-25/14; En vigueur : 31-12-2016)
  
Art. 431. <W 2001-07-04/41, art. 11, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De Orde van Advocaten bestaat uit de advocaten die op het tableau (, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of op de lijst van de stagiairs zijn ingeschreven. Zij bezit rechtspersoonlijkheid. <W 2001-11-22/39, art. 5, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
Art. 431. <L 2001-07-04/41, art. 11, 089; En vigueur : 25-07-2001> L'Ordre des Avocats est composé des avocats inscrits au tableau (, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne) ou à la liste des stagiaires. Il a la personnalité juridique. <L 2001-11-22/39, art. 5, 096; En vigueur : 30-12-2001>
Art. 432. <W 1992-11-19/34, art. 1, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28> (Over de inschrijving op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en voor de stage beslist de raad van de Orde, die meester is over het tableau, over voornoemde lijst en over de lijst van de stagiairs.) <W 2001-11-22/39, art. 6, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
  De weigering van inschrijving moet met redenen worden omkleed.
Art. 432. <L 1992-11-19/34, art. 1, 026; En vigueur : 1992-12-28> (Les inscriptions au tableau, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne et au stage sont décidées par le conseil de l'Ordre, maître du tableau, de la liste précitée et de la liste des stagiaires.) <L 2001-11-22/39, art. 6, 096; En vigueur : 30-12-2001>
  Le refus d'inscription doit être motivé.
Art. 432bis. <INGEVOEGD bij W 2006-06-21/36, art. 2; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De persoon die om inschrijving verzoekt of die het voorwerp is van een weglating [1 of van een maatregel bedoeld in artikel 508/8, tweede lid,]1 kan tegen de beslissingen genomen door de raad van de Orde hoger beroep instellen bij de tuchtraad van beroep.
  Het hoger beroep wordt aan de voorzitter van de tuchtraad van beroep ter kennis gebracht bij een ter post aangetekende brief gericht binnen vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing.
  
Art. 432bis. La personne qui sollicite une inscription ou qui est l'objet d'une omission [1 ou d'une mesure prévue à l'article 508/8, alinéa 2,]1 peut faire appel des décisions prises par le conseil de l'Ordre auprès du conseil de discipline d'appel.
  L'appel est notifié par lettre recommandée à la poste adressée au président du conseil de discipline d'appel, dans les quinze jours de la notification de la décision.
  
Art. 432bis _FRANSE_GEMEENSCHAP.
   <INGEVOEGD bij W 2006-06-21/36, art. 2; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De persoon die om inschrijving verzoekt of die het voorwerp is van een weglating [1 of van een maatregel bedoeld in artikel 508/8, tweede lid,]1 [2 of in artikel 508/5, § 4, tweede lid]2 kan tegen de beslissingen genomen door de raad van de Orde hoger beroep instellen bij de tuchtraad van beroep.
  Het hoger beroep wordt aan de voorzitter van de tuchtraad van beroep ter kennis gebracht bij een ter post aangetekende brief gericht binnen vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing
  
Art. 432bis _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
   La personne qui sollicite une inscription ou qui est l'objet d'une omission [1 ou d'une mesure prévue à l'article 508/8, alinéa 2,]1 [2 ou à l'article 508/5, § 4, alinéa 2,]2 peut faire appel des décisions prises par le conseil de l'Ordre auprès du conseil de discipline d'appel.
  L'appel est notifié par lettre recommandée à la poste adressée au président du conseil de discipline d'appel, dans les quinze jours de la notification de la décision.
Art. 433. <W 04-05-1984, art. 2> (De advocaten die ingeschreven zijn geweest op het tableau van de Orde en die, overeenkomstig artikel 432, hun wederinschrijving verkrijgen op dat tableau of hun inschrijving op het tableau van een andere balie, kunnen er ingeschreven worden met de rang van hun eerste inschrijving.) <W 1992-11-19/34, art. 2, 026; Inwerkingtreding : 1992-12-28>
  Hetzelfde geldt voor de advocaten van de balie te Brussel, ook voor hen die, vóór de oprichting van twee afzonderlijke Orden in het gerechtelijk arrondissement Brussel, reeds ingeschreven waren op het tableau van de Orde van advocaten te Brussel.
Art. 433. <L 04-05-1984, art. 2> (les avocats ayant été inscrits au tableau de l'Ordre et qui, conformément à l'article 432, obtiennent leur réinscription à ce tableau ou leur inscription au tableau d'un autre barreau, peuvent y être inscrits au rang de leur première inscription.) <L 1992-11-19/34, art. 2, 026; En vigueur : 1992-12-28>
  Il en est de même pour les avocats du barreau de Bruxelles, y compris pour ceux qui, avant la création de deux Ordres distincts dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, étaient déjà inscrits au tableau de l'Ordre des avocats de Bruxelles.
Art. 434. <W 2001-11-22/39, art. 7, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> Om op het tableau van de Orde te worden ingeschreven moeten, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 428bis, tweede lid, drie jaar stage worden verricht of voor personen ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, moet voldaan zijn aan de voorwaarden gesteld in artikel 477nonies.
Art. 434. <L 2001-11-22/39, art. 7, 096; En vigueur : 30-12-2001> Pour être inscrit au tableau de l'Ordre, il est nécessaire, sous réserve de l'application de l'article 428bis, alinéa 2, d'avoir accompli trois ans de stage ou, pour les personnes inscrites à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne, de remplir les conditions fixées à l'article 477nonies.
Art. 434/1. [1 § 1. De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" maken de volgende gezamenlijke elektronische lijsten op :
   1° een gezamenlijke elektronisch tableau van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde tableaus van de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld;
   2° een gezamenlijke elektronische lijst van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde lijsten van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, bijgehouden door de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld;
   3° een gezamenlijke elektronische lijst van de advocaten ingeschreven op de in artikel 430, 1 bedoelde lijsten van de stagiairs, bijgehouden door de verschillende ordes van advocaten waaruit zij zijn samengesteld.
   Deze drie gezamenlijke elektronische lijsten worden hierna "de lijsten" genoemd.
   Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op deze lijsten boven elke andere vermelding.
   § 2. De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone", hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van de lijsten. Zij staan gezamenlijk in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijsten en zien er gezamenlijk op toe dat deze voortdurend worden bijgewerkt.
   De "Orde van Vlaamse balies" en de "Ordre des barreaux francophones et germanophone" worden met betrekking tot de lijsten gezamenlijk beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van de artikelen 4, 7) en 26 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
   § 3. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijst zijn opgenomen.
   § 4. De lijsten en de daarin opgenomen gegevens zijn publiek.
   § 5. De gegevens die in de lijst zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop de advocaat of stagiair wordt geschrapt van het tableau of de lijst bedoeld in artikel 430, 1, al naargelang het geval.
   § 6. Teneinde voor de toepassing van de eerste paragraaf de personen die het beroep van advocaat uitoefenen, te identificeren, is de beheerder gemachtigd om :
   1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de advocaten en de stagiairs, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
   2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
   d) naam en voornamen;
   e) geboorteplaats en -datum;
   f) datum van overlijden.
   Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
   Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in het tweede lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.]1

  
Art. 434/1. [1 § 1er. L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone" établissent les listes électroniques communes suivantes :
   1° un tableau électronique commun des avocats inscrits aux tableaux, visés dans l'article 430, 1, des différents ordres des avocats qui les composent;
   2° une liste électronique commune des avocats inscrits aux listes visées dans l'article 430, 1 des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne, tenues par les différents ordres des avocats qui les composent;
   3° une liste électronique commune des avocats inscrits aux listes de stagiaires, visées dans l'article 430, 1, tenues par les différents ordres des avocats qui les composent.
   Ces trois listes électroniques communes sont dénommées ci-après "les listes".
   Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions de ces listes l'emportent sur toute autre mention.
   § 2. L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone", ci-après dénommé "le gestionnaire", mettent en place et gèrent conjointement le fonctionnement des listes. Ils assurent conjointement le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de ces listes, et veillent conjointement à la mise à jour permanente de celles-ci.
   L'"Orde van Vlaamse balies" et l'"Ordre des barreaux francophones et germanophone" sont considérés conjointement, pour ce qui concerne les listes, comme le responsable du traitement, au sens des articles 4, 7) et 26 du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
   § 3. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans la liste.
   § 4. Les listes et les données qui y figurent sont publiques.
   § 5. Les données reprises dans ces listes sont conservées pendant trente ans à compter du jour de la radiation de l'avocat ou du stagiaire du tableau ou de la liste visés dans l'article 430, 1, selon le cas.
   § 6. Afin d'identifier pour l'application du premier paragraphe les personnes qui exercent la profession d'avocat, le gestionnaire est autorisé à :
   1° utiliser le numéro du Registre national des avocats et des stagiaires, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
   2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
   d) nom et prénoms;
   e) lieu et date de naissance;
   f) date de décès.
   Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
   Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte ou au traitement des données visées à l'alinéa 2, ou a connaissance de telles données est, le cas échéant, tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.]1

  
Art. 435. <W 2006-06-21/36, art. 3, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De raad van de Orde stelt de stageverplichtingen vast, onverminderd de bevoegdheid verleend aan de Orde van Vlaamse balies en aan de Ordre des barreaux francophones et germanophone krachtens artikel 495.
  Behoudens vrijstelling verleend door de overheid van de Orde, mag de stage niet worden onderbroken of geschorst.
  De raad van de Orde richt de opleiding met het oog op de vorming van de advocaten-stagiairs in. Hij waakt over het nakomen van alle verplichtingen van de stage, waarvan hij de duur eventueel kan verlengen, onverminderd het recht om de inschrijving op het tableau te weigeren.
  Iedere stagiair die uiterlijk vijf jaar na zijn inschrijving op de lijst van de stagiairs niet doet blijken dat hij alle door zijn balie gestelde verplichtingen is nagekomen, kan uit de lijst worden weggelaten.
Art. 435. <L 2006-06-21/36, art. 3, 135; En vigueur : 01-11-2006> Les obligations du stage sont déterminées par le conseil de l'Ordre, sans préjudice des pouvoirs attribués à l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et à l'Orde van Vlaamse balies en vertu de l'article 495.
  Sauf dispense des autorités de l'Ordre, le stage ne peut être interrompu ou suspendu.
  Le conseil de l'Ordre organise les cours en vue de la formation des avocats stagiaires. Il veille à l'accomplissement de toutes les obligations du stage, dont il peut, le cas échéant, prolonger la durée, sans préjudice du droit de refuser l'inscription au tableau.
  Tout stagiaire qui ne justifie pas, au plus tard cinq ans après son inscription sur la liste des stagiaires, avoir accompli toutes les obligations établies par son barreau, peut être omis de la liste.
Art. 436. De raad van de Orde kan doctors in de rechten die ten minste tien jaar op het tableau van de Orde ingeschreven zijn geweest en het beroep van advocaat niet meer uitoefenen, machtigen om de titel van ere-advocaat te voeren.
  In uitzonderlijke omstandigheden kan hij de voorgeschreven termijn inkorten.
  Alleen de raad van de Orde in wiens gebied de betrokkene het laatst het beroep van advocaat heeft uitgeoefend, kan deze machtiging verlenen onder de voorwaarden in zijn reglement bepaald.
  De lijst van de ere-advocaten wordt achteraan op het tableau van de Orde geplaatst.
  Bij niet-nakoming van de regels van rechtschapenheid en kiesheid, of bij niet-voldoening aan de voorwaarden voor toekenning van de titel, kan de raad van de Orde die machtiging tot het voeren van de titel van ere-advocaat heeft verleend, ze te allen tijde intrekken, de betrokkene opgeroepen of gehoord; deze kan zich doen bijstaan door een raadsman. Tegen de beslissing staat geen verzet open.
Art. 436. Le conseil de l'Ordre peut accorder l'autorisation de porter le titre d'avocat honoraire aux docteurs en droit qui, ayant été inscrits au tableau de l'Ordre durant dix ans au moins, n'exercent plus la profession d'avocat.
  Il peut, dans des circonstances exceptionnelle, réduire le délai prévu.
  Cette autorisation n'est accordée, aux conditions fixées par son règlement, que par le conseil de l'Ordre dans le ressort duquel l'intéressé a exercé en dernier lieu la profession d'avocat.
  La liste des avocats honoraires est insérée à la suite du tableau de l'Ordre.
  En cas de manquement aux règles de probité et de délicatesse ou aux conditions de l'octroi du titre, l'autorisation de porter le titre d'avocat honoraire peut être retirée en tout temps par le conseil de l'Ordre qui l'a accordée, l'intéressé appelé ou entendu; celui-ci a la faculté de se faire assister d'un conseil. La décision n'est pas susceptible d'opposition.
Art. 437. Het beroep van advocaat is onverenigbaar:
  1° met het beroep van werkend magistraat, van griffier en van staatsambtenaar;
  2° met de ambten van notaris en van gerechtsdeurwaarder;
  3° met het drijven van handel of nijverheid;
  4° met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.
  Indien er een reden van onverenigbaarheid bestaat, wordt de weglating van het tableau (, van de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of van de lijst van stagiairs uitgesproken door de raad van de Orde, hetzij op het verzoek van de betrokken advocaat, hetzij ambtshalve, en in dit laatste geval volgens de rechtspleging in tuchtzaken. <W 2001-11-22/39, art. 8, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
  [1 Het beroep van advocaat is verenigbaar met het ambt van rechter in ondernemingszaken.]1
  
Art. 437. La profession d'avocat est incompatible :
  1° avec la profession de magistrat effectif, de greffier et d'agent de l'Etat;
  2° avec les fonctions de notaire et d'huissier de justice;
  3° avec l'exercice d'une industrie ou d'un négoce;
  4° avec les emplois et activités rémunérés, publics ou privés, à moins qu'ils ne mettent en péril ni l'indépendance de l'avocat ni la dignité du barreau.
  S'il existe une cause d'incompatibilité, l'omission du tableau (, de la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne) ou de la liste des stagiaires est prononcée par le conseil de l'Ordre, soit à la demande de l'avocat intéressé, soit d'office, et en ce dernier cas, selon la procédure prévue en matière disciplinaire. <L 2001-11-22/39, art. 8, 096; En vigueur : 30-12-2001>
  [1 La profession d'avocat est compatible avec la fonction de juge consulaire.]1
  
Art. 438. Advocaten die lid zijn van een der Wetgevende Kamers, mogen niet worden aangesteld als vast advocaat van openbare besturen, noch in enige zaak in geschil pleiten of optreden in het belang van de Staat of van een van de instellingen bedoeld in artikel 1, littera A en B, van de wet van 16 maart 1954 betreffende het toezicht op sommige instellingen van openbaar nut, noch hun in zodanige zaak van advies of van raad dienen, behalve onbezoldigd.
  Hetzelfde verbod geldt voor de provincieraadsleden en de gemeenteraadsleden met betrekking tot zaken ingeleid voor de provincie of voor of tegen de gemeente waar zij verkozen zijn.
Art. 438. Les avocats, membres de l'une ou de l'autre des deux Chambres législatives, ne peuvent être désignés comme avocat en titre des administrations publiques, ni plaider, ni suivre aucune affaire litigieuse dans l'intérêt de l'Etat ou de l'un des organismes prévus à l'article premier, littéra A et B, de la loi du 16 mars 1954 relative au contrôle de certains organismes d'intérêt public, ni leur donner avis ou consultation en pareille affaire, si ce n'est gratuitement.
  La même interdiction s'applique aux conseillers provinciaux et aux conseillers communaux en ce qui concerne les affaires introduites pour la province ou pour ou contre la commune ou ils ont été élus.
HOOFDSTUK II. - Rechten en plichten van de advocaten.
CHAPITRE II. - Prérogatives et devoirs des avocats.
Art. 439. Advocaten, ingeschreven op het tableau van de Orde (, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) of op de lijst van stagiairs, mogen pleiten voor alle gerechten van het Rijk, onverminderd de bijzondere bepalingen betreffende het Hof van Cassatie (...). <W 1999-05-25/44, art. 30, 074; Inwerkingtreding : 02-07-1999>
Art. 439. Les avocats inscrits au tableau de l'Ordre (, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne) ou à la liste des stagiaires peuvent plaider devant toutes les juridictions du Royaume sans préjudice des dispositions particulières relatives à la Cour de cassation (...). <L 1999-05-25/44, art. 30, 074; En vigueur : 02-07-1999> <L 2001-11-22/39, art. 2, 096; En vigueur : 30-12-2001>
Art. 440. Vóór alle gerechten, behoudens de uitzonderingen bij de wet bepaald, hebben alleen de advocaten het recht te pleiten.
  De advocaat verschijnt als gevolmachtigde van de partij zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken, behalve indien de wet een bijzondere lastgeving eist.
Art. 440. Devant toutes les juridictions, sauf les exceptions prévues par la loi, seuls les avocats ont le droit de plaider.
  L'avocat comparaît comme fondé de pouvoirs sans avoir à justifier d'aucune procuration, sauf lorsque la loi exige un mandat spécial.
Art. 441. In hun ambtsverrichtingen dragen de advocaten de kledij die de Koning voorschrijft.
Art. 441. Les avocats portent dans leurs fonctions le costume prescrit par le Roi.
Art. 442. In de gevallen bij de wet bepaald, worden zij geroepen om rechters en ambtenaren van het openbaar ministerie te vervangen; zij mogen niet weigeren zonder reden van verschoning of van verhindering.
Art. 442. Ils sont appelés dans les cas déterminés par la loi, à suppléer les juges et officiers du ministère public et ne peuvent s'y refuser sans motif d'excuse ou d'empêchement.
Art. 443. De raad van de Orde kan de op het tableau ingeschreven advocaten, (de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) de advocaten-stagiairs en de ereadvocaten verplichten tot het betalen van de bijdragen die hij bepaalt. <W 2001-11-22/39, art. 10, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
  Hij waakt voor het nakomen van de wetten en verordeningen betreffende de betaling van de bijdragen aan de voorzorgsinstellingen van de balie.
Art. 443. Le conseil de l'Ordre peut imposer aux avocats inscrits au tableau, (aux avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne,) aux avocats stagiaires et aux avocats honoraires, le paiement des cotisations fixées par lui. <L 2001-11-22/39, art. 10, 096; En vigueur : 30-12-2001>
  Il veille au respect des lois et règlements concernant le paiement des cotisations aux institutions de prévoyance du barreau.
Art. 444. De advocaten oefenen vrij hun ambt uit ter verdediging van het recht en van de waarheid.
  [1 Zij informeren de rechtszoekende over de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen. Indien zij van mening zijn dat een minnelijke oplossing van het geschil overwogen kan worden, trachten zij die in de mate van het mogelijke te bevorderen.]1
  Zij moeten er zich van onthouden enig ernstig feit tegen de eer en de faam van personen aan te voeren, tenzij dit voor de zaak volstrekt noodzakelijk is, onder het voorbehoud van tuchtrechtelijke vervolgingen en toepassing van artikel 445 indien daartoe grond bestaat.
  
Art. 444. Les avocats exercent librement leur ministère pour la défense de la justice et de la vérité.
  [1 Ils informent le justiciable de la possibilité de médiation, de conciliation et de tout autre mode de résolution amiable des litiges. S'ils estiment qu'une résolution amiable du litige est envisageable, ils tentent dans la mesure du possible de la favoriser.]1
  Ils doivent s'abstenir d'avancer aucun fait grave contre l'honneur et la réputation des personnes à moins que la nécessité de la cause ne l'exige et sous la réserve des poursuites disciplinaires et de l'application de l'article 445, s'il y a lieu.
  
Art. 445. Indien een advocaat in zijn pleidooien of in zijn geschriften kwaadwillig de Monarchie, de Grondwet, de wetten van het Belgische volk of het gevestigd gezag aanvalt, kan de rechtbank of het hof waarvoor de zaak aanhangig is, door de griffier proces-verbaal doen opmaken en het incident brengen voor de raad van de Orde waaronder de betrokkene ressorteert.
Art. 445. Si un avocat, dans ses plaidoiries ou dans ses écrits, attaquait méchamment la Monarchie, la Constitution, les lois du peuple belge ou les autorités établies, le tribunal ou la cour qui connaît de l'affaire pourrait faire dresser procès-verbal par le greffier et saisir de l'incident le conseil de l'Ordre dont relève l'intéressé.
Art. 446. De ambtshalve aangewezen advocaat mag zijn ambtelijke tussenkomst niet weigeren, zonder zijn redenen van verschoning of van verhindering te doen goedkeuren door de overheid die hem heeft aangewezen.
  Indien een partij niet de bijstand van een advocaat verkrijgt in burgerlijke zaken, stelt het hoofd van de Orde ambtshalve een advocaat aan, indien daartoe grond bestaat.
Art. 446. L'avocat désigné d'office ne peut refuser son ministère sans faire approuver ses motifs d'excuse ou d'empêchement par l'autorité qui l'a désigné.
  Si, en matière civile, une partie n'obtient pas l'assistance d'un avocat, le chef de l'Ordre procède à une commission d'office, s'il y a lieu.
Art. 446bis. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 2; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De advocaten verlenen de juridische eerstelijnsbijstand op de in artikel 508/5 bedoelde zitdagen.
  Zij verlenen de in artikel 508/7 bedoelde juridische tweedelijnsbijstand.
  Onder de in artikel 508/19 bedoelde voorwaarden, kent het Rijk vergoedingen toe aan de advocaten voor hun prestaties inzake juridische bijstand.
Art. 446bis. Les avocats assurent l'aide juridique de première ligne dans les permanences visées à l'article 508/5.
  Ils assurent l'aide juridique de deuxième ligne visée à l'article 508/7.
  L'Etat alloue, aux conditions visées à l'article 508/19, des indemnités aux avocats en raison des prestations accomplies au titre de l'aide juridique.
Art. 446ter. <INGEVOEGD bij W 2006-06-21/36, art. 4; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De advocaten begroten hun ereloon met de bescheidenheid die van hun functie moet worden verwacht. Een beding daaromtrent dat uitsluitend verbonden is aan de uitslag van het geschil, is verboden.
  Ingeval het ereloon niet met een billijke gematigdheid is vastgesteld, wordt het door de raad van de Orde verminderd, met inachtneming onder meer van de belangrijkheid van de zaak en van de aard van het werk, onder voorbehoud van de teruggave die hij beveelt, indien daartoe grond bestaat, dit alles onverminderd het recht van de partij om zich tot het gerecht te wenden indien de zaak niet aan een scheidsgerecht is onderworpen.
  Wordt de zaak voor de rechtbank gebracht, dan wordt zij in openbare zitting behandeld, tenzij de partijen eenstemmig vragen dat zij in raadkamer wordt behandeld.
  De rechtbank mag daarenboven, op verzoek van de meest gerede partij, bij een met redenen omklede beslissing gelasten dat de zaak in raadkamer wordt behandeld, gedurende de gehele rechtspleging of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van partijen bij het proces dit vereisen of, in de mate dat dit door de rechtbank onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
  [1 Ter wille van de vrijheid van de bepaling van het ereloon, moeten de raad van de Orde en de rechtbank bij de uitoefening van de bevoegdheid die hen door deze bepaling wordt verleend, de barema's die werden vastgesteld op grond van de wetgeving inzake juridische tweedelijnsbijstand of inzake de rechtsbijstandverzekering buiten beschouwing laten.]1
  
Art. 446ter. Les avocats taxent leurs honoraires avec la discrétion qu'on doit attendre d'eux dans l'exercice de leur fonction. Tout pacte sur les honoraires exclusivement lié au résultat de la contestation leur est interdit.
  Dans le cas où la fixation excède les bornes d'une juste modération, le conseil de l'Ordre la réduit, en ayant égard notamment à l'importance de la cause et à la nature du travail, sous réserve des restitutions qu'il ordonne, s'il y a lieu, le tout sans préjudice du droit de la partie de se pourvoir en justice si la cause n'est pas soumise à arbitrage.
  Si l'affaire est portée devant le tribunal, elle est traitée en audience publique, à moins que les parties ne demandent de commun accord qu'elle soit traitée en chambre du conseil.
  En outre, le tribunal peut, à la requête de la partie la plus diligente, ordonner par décision motivée que l'affaire soit traitée en chambre du conseil pendant la totalité ou une partie de la procédure, dans l'intérêt de la moralité ou de l'ordre public, lorsque les intérêts des mineurs ou la protection de la vie privée des parties au procès l'exigent, ou dans la mesure jugée strictement nécessaire par le tribunal, lorsque, dans des circonstances spéciales, la publicité serait de nature à porter atteinte aux intérêts de l'administration de la justice.
  [1 Conformément à liberté donnée par la disposition relative aux honoraires, le conseil de l'Ordre et le tribunal doivent, dans l'exercice de la compétence qui leur est attribuée par cette disposition, écarter les barèmes qui ont été fixés sur la base de la législation relative à l'aide juridique de deuxième ligne ou celle relative à l'assurance protection juridique.]1
  
Art. 446quater. [1 § 1. Elke advocaat maakt een onderscheid tussen zijn eigen gelden en derdengelden.
   De gelden die advocaten in de uitoefening van hun beroep ontvangen ten behoeve van cliënten of derden worden gestort op een of meer rekeningen geopend op hun naam of op naam van hun advocatenvennootschap met vermelding van hun of haar hoedanigheid. Deze rekening of rekeningen worden geopend overeenkomstig de door de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone vast te stellen regels.
   De advocaat verhandelt gelden van cliënten of derden via deze rekening. Hij verzoekt cliënten en derden steeds om uitsluitend op deze rekening te betalen.
   Het beheer van deze rekening berust uitsluitend bij de advocaat, onverminderd de aanvullende regels inzake verhandeling van gelden van cliënten of derden vastgesteld door de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone.
   § 2. De in § 1 bedoelde rekeningen omvatten de derdenrekeningen en de rubriekrekeningen.
   De derdenrekening is een globale rekening waarop gelden worden ontvangen of beheerd die naar cliënten of derden moeten worden doorgestort.
   De rubriekrekening is een geïndividualiseerde rekening geopend met betrekking tot een bepaald dossier of voor een bepaalde cliënt.
   § 3. De derdenrekening en de rubriekrekening zijn rekeningen die zijn geopend bij een door de Nationale Bank van België op grond van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen vergunde instelling of de Deposito- en Consignatiekas en die minstens voldoen aan volgende eisen:
   1° de derdenrekening en de rubriekrekening mogen nooit een debetsaldo vertonen;
   2° op een derdenrekening of een rubriekrekening mag geen krediet in welke vorm ook, worden toegestaan; die rekeningen kunnen nooit tot zekerheid dienen;
   3° elke schuldvergelijking, fusie of bepaling van eenheid van rekening tussen de derdenrekening, de rubriekrekening en andere bankrekeningen is uitgesloten; nettingovereenkomsten kunnen op deze rekeningen geen toepassing vinden.
   De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone kunnen aanvullende regels inzake de verhandeling van gelden van cliënten of derden vaststellen.
   § 4. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden stort de advocaat de op zijn derdenrekening ontvangen gelden zo vlug mogelijk door aan de bestemmeling.
   Ingeval de advocaat om gegronde redenen de gelden niet binnen de bij het reglement van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone bepaalde termijn en uiterlijk binnen twee maanden na de ontvangst ervan aan de bestemmeling kan overmaken, stort hij ze op een rubriekrekening.
   Onverminderd de toepassing van dwingende rechtsregels is het tweede lid niet van toepassing indien het totaal van de bedragen ontvangen voor rekening van eenzelfde persoon of bij gelegenheid van eenzelfde verrichting of per dossier, 2.500 euro niet te boven gaat. De Koning kan dit bedrag om de twee jaar aan de economische toestand aanpassen. Deze aanpassing geldt vanaf 1 januari van het jaar volgend op de bekendmaking van het aanpassingsbesluit.
   § 5. [3 De Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone analyseren, op automatische geïnformatiseerde wijze, de transacties op de derdenrekeningen en rubriekrekeningen bedoeld in paragraaf 2, met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat, teneinde verdachte en onrechtmatige transacties op te sporen en te documenteren, de processen ter opsporing van dergelijke transacties te optimaliseren, en, in voorkomend geval, alle gegevens ter identificatie van verdachte en onrechtmatige transacties door te geven aan de stafhouder van de Orde waarbij de houder van de rekening is ingeschreven.
   Daartoe ontvangen de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, van de vergunde instellingen bedoeld in paragraaf 3, eerste lid, voor de in het eerste lid bedoelde rekeningen de gegevens met betrekking tot de transacties die in het bezit zijn van de financiële instelling, zoals het type transactie, het bedrag, de munteenheid, de uitvoeringsdatum van de transactie, alsook de naam en het adres van de rekeninghouder, van de opdrachtgever en van de begunstigde, het rekeningnummer van de opdrachtgever en van de begunstigde en de vrije of gestructureerde mededeling.
   De identificatiegegevens van de houder van de rekening, van de opdrachtgever en van de begunstigde van de transactie worden bewaard gedurende tien jaar te rekenen vanaf de datum van de transactie. In geval van een gerechtelijk onderzoek of gerechtelijke procedure dan wel een tuchtonderzoek of tuchtprocedure worden deze gegevens bewaard tot op het moment dat alle rechtsmiddelen tegen de beslissingen die hieruit voortkomen, zijn uitgeput.
   Eenieder die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de in het derde lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, nemen het vertrouwelijk karakter ervan in acht en houden ze geheim. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.]3

   Door de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone wordt een toezichtregeling ingevoerd en georganiseerd, waarin minstens wordt bepaald wie, waarop, wanneer en op welke wijze toezicht wordt gehouden op de naleving van de bepalingen bedoeld in de §§ 1 tot 4. [2 , met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat.]2 Deze toezichtregeling bepaalt in het bijzonder de sancties en maatregelen die in geval van overtreding kunnen worden genomen. Ze doet geen afbreuk aan andere wettelijke bepalingen die voorzien in een toezicht op de gelden ontvangen op de in § 2 bedoelde rekeningen.
   § 6. Alle sommen, ongeacht het bedrag ervan die door de gerechtigde niet zijn teruggevorderd, noch aan hem zijn overgemaakt twee jaar na de afsluiting van het dossier naar aanleiding waarvan zij door de advocaat werden ontvangen, worden door deze laatste in de Deposito- en Consignatiekas gestort. De termijn wordt geschorst tot zolang deze sommen het voorwerp uitmaken van een rechtsgeding.
   Die deposito's worden ingeschreven op naam van de gerechtigde, die door de advocaat wordt aangewezen. Ze worden door de Deposito- en Consignatiekas ter beschikking van de gerechtigde gehouden tot het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling van de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en Consignatiekas en tot aanbrenging van wijzigingen daarin krachtens de wet van 31 juli 1934.]1

  [3 § 7. [2 De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.]2]3
  
Art. 446quater. [1 § 1er. Tout avocat établit une distinction entre ses fonds propres et les fonds de tiers.
   Les fonds reçus par les avocats dans l'exercice de leur profession au profit de clients ou de tiers sont versés sur un ou plusieurs comptes ouverts à leur nom ou au nom de leur société d'avocats avec mention de leur ou sa qualité. Ce ou ces comptes sont ouverts conformément aux règles à fixer par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies.
   L'avocat manie les fonds de clients ou de tiers par l'intermédiaire de ce compte. Il demande toujours aux clients et aux tiers de payer exclusivement sur ce compte.
   Ce compte est géré exclusivement par l'avocat, sans préjudice des règles complémentaires concernant le maniement de fonds de clients ou de tiers fixées par l'Orde des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies.
   § 2. Les comptes visés au § 1er comprennent les comptes de tiers et les comptes rubriqués.
   Le compte de tiers est un compte global sur lequel sont reçus ou gérés des fonds qui doivent être transférés à des clients ou à des tiers.
   Le compte rubriqué est un compte individualisé ouvert dans le cadre d'un dossier déterminé ou pour un client déterminé.
   § 3. Le compte de tiers et le compte rubriqué sont des comptes qui sont ouverts auprès d'une institution agréée par la Banque Nationale de Belgique sur la base de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ou auprès de la Caisse des dépôts et consignations et qui répondent au moins aux conditions suivantes:
   1° le compte de tiers et le compte rubriqué ne peuvent jamais être en débit;
   2° aucun crédit, sous quelque forme que ce soit, ne peut être consenti sur un compte de tiers ou sur un compte rubriqué; ceux-ci ne peuvent jamais servir de sûreté;
   3° toute compensation, fusion, ou stipulation d'unicité de compte entre le compte de tiers, le compte rubriqué et d'autres comptes en banque est exclue; aucune convention de netting ne peut s'appliquer à ces comptes.
   L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies peuvent fixer des règles complémentaires concernant le maniement de fonds de clients ou de tiers.
   § 4. Sauf circonstances exceptionnelles, l'avocat transfère au destinataire dans les plus brefs délais les fonds reçus sur son compte de tiers.
   Si, pour des motifs fondés, l'avocat ne peut transférer les fonds au destinataire dans le délai prévu par les règlements de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de l'Orde van Vlaamse Balies et, au plus tard, dans les deux mois de leur réception, il les verse sur un compte rubriqué.
   Sans préjudice de l'application de règles juridiques impératives, l'alinéa 2 n'est pas d'application lorsque le total des fonds reçus soit pour le compte d'une même personne, soit à l'occasion d'une même opération, soit par dossier, n'excède pas 2.500 euros. Le Roi peut adapter ce montant tous les deux ans, en tenant compte de la situation économique. Cette adaptation entre en vigueur le 1er janvier de l'année suivant la publication de l'arrêté d'adaptation.
   § 5. L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies instaurent et organisent un régime de contrôle déterminant au moins par qui, sur quoi, quand et comment un contrôle est exercé en ce qui concerne le respect des dispositions des §§ 1er à 4 [2 , à l'exception des comptes gérés dans le cadre d'un mandat judiciaire]2. Ce régime de contrôle détermine en particulier les sanctions et mesures pouvant être prises en cas d'infraction. Il ne porte pas préjudice à d'autres dispositions légales qui prévoient un contrôle des fonds reçus sur les comptes visés au § 2.
  [3 L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse balies analysent de manière informatique automatisée les transactions sur les comptes de tiers et les comptes rubriqués visés au paragraphe 2, à l'exception des comptes gérés dans le cadre d'un mandat judiciaire, afin de détecter les transactions suspectes et illicites, de les documenter, d'optimiser les processus de détection de ces transactions et, le cas échéant, de communiquer au bâtonnier de l'Ordre auquel est inscrit le titulaire du compte toutes les données d'identification des transactions suspectes et illicites.
   A cette fin, l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse balies, en tant que responsables conjoints du traitement, reçoivent des institutions agréées visées au paragraphe 3, alinéa 1er, les données pour les comptes visés à l'alinéa 1er concernant les transactions détenus par l'institution financière, telles que le type de transaction, le montant, l'unité monétaire, la date d'exécution de la transaction ainsi que le nom et l'adresse du titulaire du compte, du donneur d'ordre et du bénéficiaire, le numéro de compte du donneur d'ordre et du bénéficiaire et la communication libre ou structurée.
   Les données d'identification concernant le titulaire du compte, le donneur d'ordre et le bénéficiaire de la transaction sont conservées durant dix ans à compter de la date de la transaction. Dans le cas d'une instruction ou d'une procédure judiciaire ou dans le cas d'une enquête disciplinaire ou d'une procédure disciplinaire, ces données sont conservées jusqu'au moment où tous les recours contre les décisions qui en découlent sont épuisés.
   Toute personne participant, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données visées à l'alinéa 3, ou ayant connaissance de ces données en respecte le caractère confidentiel et les garde secrètes. L'article 458 du Code pénal leur est applicable.]3

   § 6. L'avocat verse à la Caisse des dépôts et consignations l'intégralité des sommes, quel qu'en soit le montant, qui n'ont pas été réclamées par l'ayant droit ou ne lui ont pas été versées dans les deux ans suivant la clôture du dossier dans le cadre duquel elles ont été reçues par l'avocat. Le délai est suspendu tant que ces sommes font l'objet d'une procédure judiciaire.
   Ces dépôts sont immatriculés au nom de l'ayant droit qui est désigné par l'avocat. La Caisse des dépôts et consignations les tient à la disposition de l'ayant droit jusqu'à l'expiration du délai visé à l'article 25 de l'arrêté royal n° 150 du 18 mars 1935 coordonnant les lois relatives à l'organisation et au fonctionnement de la Caisse des dépôts et consignations et y apportant des modifications en vertu de la loi du 31 juillet 1934.]1

  [3 § 7. [2 Le Roi peut fixer les modalités relatives à la gestion, à l'accès, au contrôle et à la surveillance des comptes visés au § 2.]2]3
  
Art. 446quinquies. [1 § 1. De effecten en geldswaardige papieren aan toonder die aan de advocaat zijn toevertrouwd naar aanleiding van een bepaald dossier, worden binnen de bij het reglement van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone bepaalde termijn en uiterlijk binnen drie maanden, onder een afzonderlijke rubriek geopend bij een door de Nationale Bank van België op grond van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen vergunde instelling in open bewaring gegeven voor rekening van de eigenaar en op naam van de advocaat of van de advocatenvennootschap.
   § 2. Alle effecten en geldswaardige papieren aan toonder die door de gerechtigde niet zijn teruggevorderd noch aan hem zijn overgemaakt twee jaar na de afsluiting van het dossier naar aanleiding waarvan ze door de advocaat werden ontvangen worden door deze laatste overgemaakt aan de Deposito- en Consignatiekas overeenkomstig artikel 5 van het ministerieel besluit van 27 maart 1935 tot uitvoering van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling van de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en Consignatiekas en tot aanbrenging van wijzigingen daarin krachtens de wet van 31 juli 1934.
   Die deposito's worden ingeschreven op naam van de gerechtigde die door de advocaat wordt aangewezen. Onverminderd artikel 4, eerste lid, van de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder, worden ze door de Deposito- en Consignatiekas ter beschikking van de gerechtigde gehouden tot het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 26 van het in het eerste lid bedoelde koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935.]1

  
Art. 446quinquies. [1 § 1er. Les titres et valeurs au porteur confiés à l'avocat à l'occasion d'un dossier particulier sont, dans le délai prévu par les règlements de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de l'Orde van Vlaamse Balies et, au plus tard, dans les trois mois, déposés à découvert, sous une rubrique distincte ouverte auprès d'une institution agréée par la Banque Nationale de Belgique sur la base de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, pour le compte du propriétaire et au nom de l'avocat ou de la société d'avocats.
   § 2. Sont transmis à la Caisse des dépôts et consignations par l'avocat conformément à l'article 5 de l'arrêté ministériel du 27 mars 1935 d'exécution de l'arrêté royal n° 150 du 18 mars 1935 coordonnant les lois relatives à l'organisation et au fonctionnement de la Caisse des dépôts et consignations et y apportant des modifications en vertu de la loi du 31 juillet 1934, tous les titres et valeurs au porteur qui ne sont ni réclamés par l'ayant droit, ni remis à celui-ci, deux ans après la clôture du dossier à l'occasion duquel ils ont été reçus par l'avocat.
   Ces dépôts sont immatriculés au nom de l'ayant droit qui est désigné par l'avocat. Sans préjudice de l'article 4, alinéa 1er, de la loi du 14 décembre 2005 portant suppression des titres au porteur, la Caisse des dépôts et consignations met ces dépôts à la disposition de l'ayant droit jusqu'à l'expiration du délai prévu à l'article 26 de l'arrêté royal n° 150 du 18 mars 1935 visé à l'alinéa 1er.]1

  
HOOFDSTUK III. _ Stafhouder en Raad van de Orde.
CHAPITRE III. - Du bâtonnier et du Conseil de l'Ordre.
Art. 447. De stafhouder is het hoofd van de Orde.
  Hij roept de algemene vergadering van de advocaten en de raad van de Orde bijeen en zit deze voor.
  Bij overlijden of verhindering van de stafhouder wordt hij voorlopig vervangen zoals bepaald is in het reglement van de raad van de Orde; anders door de oudstbenoemde stafhouder die lid is van de raad of bij gebreke daarvan door het oudste aanwezige lid van de raad.
Art. 447. Le bâtonnier est le chef de l'Ordre.
  Il convoque et préside l'assemblée générale des avocats et le conseil de l'Ordre.
  En cas de décès ou d'empêchement du bâtonnier, il est remplacé provisoirement, comme il est prévu au règlement du conseil de l'Ordre, sinon par le plus ancien bâtonnier, membre du conseil ou à défaut par le plus ancien membre présent du conseil.
Art. 448. (Voor elke balie wordt een Raad van de Orde gevormd. Evenwel voor de Balie te Brussel hebben de beide bij artikel 430, 2°, bedoelde orden ieder hun eigen Raad.) <W 04-05-1984, art. 3>
  Is de raad van de Orde bij de heropening van de hoven en de rechtbanken niet wettelijk gevormd of vernieuwd, dan worden zijn werkzaamheden voorlopig verricht door de aftredende raad van de Orde.
Art. 448. (Pour chacun des barreaux, il est formé un conseil de l'Ordre. Toutefois, pour le barreau de Bruxelles, chacun des deux Ordres visés par l'article 430, 2°, a son propre Conseil.) <L 04-05-1984, art. 3>
  Si, lors de la rentrée des cours et tribunaux, le conseil de l'Ordre n'est pas légalement formé ou renouvelé, les fonctions en sont provisoirement remplies par le conseil de l'Ordre sortant.
Art. 449. De raad van de Orde bestaat uit de stafhouder en :
  (uit zestien leden, indien vijfhonderd of meer advocaten ingeschreven zijn op het tableau, op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en op de lijst van de stagiairs;) <W 2001-11-22/39, art. 11, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
  uit veertien leden, indien dit aantal honderd of meer bedraagt;
  uit acht leden, indien dit aantal vijftig of meer bedraagt;
  uit zes leden, indien het dertig of meer bedraagt;
  uit vier leden, indien het vijftien of meer bedraagt;
  uit twee leden, indien het minder is dan vijftien.
Art. 449. Le conseil de l'Ordre se compose du bâtonnier et :
  (de seize membres si le nombre des avocats inscrits au tableau, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne et à la liste des stagiaires est de cinq cents ou au-dessus;) <L 2001-11-22/39, art. 11, 096; En vigueur : 30-12-2001>
  de quatorze membres, s'il est de cent ou au-dessus;
  de huit membres s'il est de cinquante ou au-dessus;
  de six membres s'il est de trente ou au-dessus;
  de quatre membres s'il est de quinze ou au-dessus;
  de deux membres si leur nombre est au-dessous de quinze.
Art. 450. (De raadsleden worden rechtstreeks gekozen door de vergadering van de Orde, waarvoor alle op het tableau ingeschreven advocaten (, alle advocaten ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie) en alle (...) op de lijst van de stagiairs ingeschreven advocaten, worden opgeroepen.) <W 1985-02-07/33,art.2,1°, 003> <W 2001-07-04/41, art. 12, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> <W 2001-11-22/39, art. 12, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
  (De stafhouder en de leden van de raad van de Orde worden gekozen uit de leden van de balie ingeschreven op het tableau of op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie.) <W 2001-11-22/39, art. 12, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001>
  De stafhouder en de raadsleden worden gekozen bij gelijktijdige, maar afzonderlijke lijststemming, de stafhouder bij volstrekte meerderheid van stemmen en de raadsleden bij betrekkelijke meerderheid, op dag en uur bepaald door de raad van de Orde en met inachtneming van de regels die deze vaststelt.
  Nadat de stemming gesloten is verklaard, wordt de uitslag ervan in de algemene vergadering door haar voorzitter afgekondigd.
  Is een lid van de balie tegelijk tot stafhouder en tot lid van de raad der Orde gekozen, dan wordt deze laatste verkiezing als onbestaande beschouwd en de advocaat die na hem de meeste stemmen heeft behaald, wordt in zijn plaats verkozen verklaard.
  De uitslag van de raadsverkiezing wordt afgekondigd na de verkiezing van de stafhouder.
  Indien bij de stemming voor de verkiezing van de stafhouder geen volstrekte meerderheid wordt bereikt, heeft dadelijk of in een latere vergadering een herstemming plaats over de twee kandidaten op wie het grootste aantal stemmen is uitgebracht.
  Indien de kandidaten bij de herstemming een gelijk aantal stemmen behalen, is de op het tableau oudstingeschreven kandidaat gekozen.
  Indien bij de verkiezingen voor de raad van de Orde de stemmen staken voor het laatste te begeven mandaat, is de oudste naar rangorde op het tableau gekozen.
  Van de verrichtingen wordt proces-verbaal opgemaakt.
  (Kan een lid van de Raad van de Orde zijn mandaat niet voleindigen dan wordt het vervangen door een advocaat die na de verkozen leden de meeste stemmen heeft behaald bij de jongste verkiezing.) <W 24-05-1978, art. 1>
Art. 450. (Les membres du conseil sont élus directement par l'assemblée de l'Ordre, à laquelle sont convoqués tous les avocats inscrits au tableau (, à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne) ou (...) à la liste des stagiaires.) <L 1985-02-07/33, art. 2, 1°, 003> <L 2001-07-04/41, art. 12, 089; En vigueur : 25-07-2001> <L 2001-11-22/39, art. 12, 096; En vigueur : 30-12-2001>
  (Le bâtonnier et les membres du conseil de l'Ordre sont élus parmi les membres du barreau inscrits au tableau (ou à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne).) <L 1985-02-07/33, art. 2, 2°, 003> <L 2001-11-22/39, art. 12, 096; En vigueur : 30-12-2001>
  Le bâtonnier et les membres du conseil sont élus par scrutins de listes simultanés mais séparés, le bâtonnier à la majorité absolue et les membres du conseil à la majorité relative des suffrages, aux jour et heure fixés par le conseil de l'Ordre et selon la procédure qu'il arrête.
  Le scrutin étant déclaré clos, le résultat en est proclamé devant l'assemblée générale par le président de celle-ci.
  Si un membre du barreau est élu en même temps bâtonnier et membre du conseil de l'Ordre, cette dernière élection est non avenue et l'avocat qui a obtenu le plus de suffrages après lui est déclaré élu à sa place.
  Le résultat de l'élection au conseil est proclame après l'élection du bâtonnier.
  Si le scrutin pour l'élection du bâtonnier ne produit pas la majorité absolue, il est procédé immédiatement ou lors d'une assemblée ultérieure, à un scrutin de ballottage entre les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix.
  Si, au second tour de scrutin, les candidats obtiennent le même nombre de voix, le plus ancien d'entre eux inscrit au tableau est élu.
  Au cas où, pour les élections du conseil de l'Ordre, il y a parité de voix pour le dernier mandat à conférer, le plus ancien d'après le rang au tableau est élu.
  Il est dressé procès-verbal des opérations.
  (Si un membre du Conseil de l'Ordre ne peut achever son mandat, il est remplacé par l'avocat qui, lors des dernières élections, a obtenu le plus de suffrages après les membres élus.) <L 24-05-1978, art. 1>
Art. 451. (....) De raad van de Orde kan bepalen op welke wijze en onder welke voorwaarden de kandidaten voor het stafhouderschap en voor de raad worden voorgedragen. <W 04-05-1984, art. 4, 1>
  [1 Hij kan beslissen dat een of meerdere van de plaatsen in de raad worden toegekend volgens de regels die inzake voordracht en stemming voor de aanwijzing van de stafhouder zijn voorgeschreven, en waarbij de kandidaten dienen te voldoen aan bijzondere voorwaarden.]1
  De stemmen die worden uitgebracht voor die plaats, mogen niet aangerekend worden voor de verkiezing in een andere [1 plaatsen]1 in de raad van de Orde.
  § 2. (.....) <W 04-05-1984, art. 4, 2>
  
Art. 451. (...) Le conseil de l'Ordre peut déterminer le mode et les conditions de présentation des candidatures au bâtonnat et au conseil. <L 04-05-1984, art. 4, 1>
  [1 Il peut décider qu'il sera pourvu à l'attribution d'un ou de plusieurs des sièges du conseil selon les règles de présentation et de scrutin prévues pour la désignation du bâtonnier et moyennant le respect par les candidats de conditions particulières.]1
  Les suffrages émis pour l'élection à [1 ces sièges]1 ne peuvent être comptés pour l'élection à un autre siège au conseil de l'Ordre.
  (...) <L 04-05-1984, art. 4, 2>
  
Art. 452. De secretaris van de raad vervult ook het ambt van secretaris van de Orde.
Art. 452. Le secrétaire du conseil remplit également les fonctions de secrétaire de l'Ordre.
Art. 453. De raad van de Orde kan alleen dan beraadslagen en besluiten wanneer de meerderheid van zijn leden aanwezig is.
Art. 453. Le conseil de l'Ordre ne peut délibérer si la majorité des membres qui le composent n'est présente.
Art. 454. De raden van de Orde worden vóór het einde van ieder gerechtelijk jaar vernieuwd, om hun ambt te vervullen dadelijk na het begin van het nieuw gerechtelijk jaar.
  De lijst van de leden waaruit de raad van de Orde bestaat, wordt binnen acht dagen na de verkiezing gezonden aan de procureur-generaal bij het hof van beroep van het rechtsgebied.
Art. 454. Les conseils de l'Ordre sont renouvelés avant la fin de chaque année judiciaire, pour exercer leurs fonctions dès la rentrée des cours et tribunaux.
  La liste des membres composant le conseil de l'Ordre est transmise dans la huitaine de l'élection au procureur général près la cour d'appel du ressort.
Art. 455. <HERSTELD bij W 2006-06-21/36, art. 5, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De raad van de Orde heeft de opdracht om de eer van de Orde van advocaten op te houden en de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, te handhaven.
Art. 455. Le conseil de l'Ordre est chargé de sauvegarder l'honneur de l'Ordre des avocats et de maintenir les principes de dignité, de probité et de délicatesse qui font la base de leur profession et doivent garantir un exercice adéquat de la profession.
HOOFDSTUK IV. - Tucht.
CHAPITRE IV. - De la discipline.
Afdeling 1. - Tuchtraden
Section 1re. - Des conseils de discipline
Art. 456. <W 2006-06-21/36, art. 7, 135; Inwerkingtreding : 20-07-2006> Bij de zetel van ieder hof van beroep wordt een tuchtraad ingesteld, die tot taak heeft de inbreuken op de eer van de Orde en op de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid, die aan het beroep ten grondslag liggen en een behoorlijke beroepsuitoefening moeten waarborgen, alsook de inbreuken op de reglementen [1 , met inbegrip van de overtredingen van de regels van de deontologische code die eigen is aan de professionele bewindvoerders voor de advocaten die deze functie uitoefenen,]1 te bestraffen, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbanken, indien daartoe grond bestaat. "
  In het rechtsgebied van het hof van beroep van Brussel worden twee tuchtraden ingesteld, één voor de Nederlandstalige Ordes en één voor de Franstalige Ordes.
  Deze tuchtraden zijn bevoegd voor de advocaten behorend tot de Ordes van het rechtsgebied van het betrokken hof van beroep.
  Ten aanzien van de voorzitter, de kamervoorzitters, de assessoren en de plaatsvervangende assessoren, de secretarissen en de plaatsvervangende secretarissen van de tuchtraad en de advocaten die lid zijn van de tuchtraad van beroep, en ten aanzien van de stafhouders en de leden van de raden van de Orde, behoort de tuchtrechtelijke procedure in eerste aanleg tot de bevoegdheid van de tuchtraad van een ander rechtsgebied, dat wordt aangewezen door de voorzitter van de tuchtraad van beroep. In dat geval wordt het tuchtrechtelijk onderzoek gevoerd door de stafhouder, of in voorkomend geval door de voorzitter van de tuchtraad van bedoeld rechtsgebied.
  
Art. 456. <L 2006-06-21/36, art. 7, 135; En vigueur : 20-07-2006> Il est institué, au siège de chaque cour d'appel, un conseil de discipline, qui est chargé de sanctionner les atteintes à l'honneur de l'Ordre et aux principes de dignité, de probité et de délicatesse qui font la base de la profession et doivent garantir un exercice adéquat de celle-ci, ainsi que les infractions aux règlements, [1 en ce compris les manquements aux règles du code de déontologie propre aux administrateurs professionnels pour les avocats qui exercent cette fonction,]1 sans préjudice de la compétence des tribunaux, s'il y a lieu. "
  Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, il est institué deux conseils de discipline, un pour les Ordres francophones et un pour les Ordres néerlandophones.
  Ces conseils de discipline sont compétents pour les avocats appartenant aux Ordres du ressort de la cour d'appel concernée.
  A l'égard du président, des présidents de chambre, des assesseurs et assesseurs suppléants, secrétaires et secrétaires suppléants du conseil de discipline et des avocats membres du conseil de discipline d'appel, et à l'égard des bâtonniers et membres des conseils de l'Ordre, la procédure disciplinaire en première instance est de la compétence du conseil de discipline d'un autre ressort, désigné par le président du conseil de discipline d'appel. L'enquête disciplinaire est faite en ces cas par le bâtonnier ou, le cas échéant, par le président du conseil de discipline du ressort en question.
  
Art. 457. <W 2006-06-21/36, art. 8, 135; Inwerkingtreding : 20-07-2006> § 1. De tuchtraad is samengesteld uit één of meer kamers.
  § 2. De tuchtraad heeft een voorzitter, die tot taak heeft de zaak bij de tuchtraad aanhangig te maken. De voorzitter heeft geen zitting in de tuchtraad.
  De voorzitter van de tuchtraad wordt verkozen voor een periode van drie jaar door de stafhouders die lid zijn van de Orde van Vlaamse balies respectievelijk van de Ordre des barreaux francophones et germanophone.
  § 3. De tuchtraad heeft een secretaris en twee plaatsvervangende secretarissen.
  § 4. De raden van de Orde van elke balie die deel uitmaakt van het betrokken rechtsgebied, wijzen elk minstens twee effectieve leden en twee plaatsvervangers aan om in de tuchtraad zitting te hebben.
  De voorzitter en de kamervoorzitters worden gekozen uit de gewezen stafhouders.
  De assessoren worden gekozen uit de gewezen leden van de raden van de Orde.
  Om de drie jaar, bij de aanvang van het gerechtelijk jaar, stellen de stafhouders van het rechtsgebied van het hof van beroep de lijst op van de effectieve en de plaatsvervangende kamervoorzitters en assessoren. Ze wijzen eveneens de secretaris en de secretarissen-plaatsvervangers aan.
  De rang van de op de lijsten ingeschreven voorzitters en assessoren wordt bepaald met inachtneming van een billijk evenwicht tussen de balies van het rechtsgebied en van het aantal van hun leden.
  De mandaten van voorzitter, kamervoorzitter, assessor en secretaris, evenals van hun plaatsvervangers, zijn hernieuwbaar.
  § 5. De tuchtraad houdt zitting met een kamervoorzitter, vier assessoren en een secretaris, die niet deelneemt aan de beraadslaging. De tuchtraad bevat ten minste één lid van de balie waartoe de advocaat tegen wie de tuchtrechtelijke vervolging is ingesteld, behoort.
  De tuchtraad bij het hof van beroep te Luik heeft een kamer die is samengesteld uit ten minste twee leden die de Duitse en de Franse taal kennen en die geen deel uitmaken van de balie van Eupen.
  § 6. De secretaris stelt de kamers samen. De voorzitter en de assessoren worden, buiten beletsel, in de orde van hun rang geroepen.
Art. 457. <L 2006-06-21/36, art. 8, 135; En vigueur : 20-07-2006> § 1er. Le conseil de discipline est composé d'une ou de plusieurs chambres.
  § 2. Le conseil de discipline comprend un président, qui est chargé de la saisine du conseil de discipline. Le président ne siège pas au conseil de discipline.
  Le président du conseil de discipline est élu pour une période de trois ans par les bâtonniers des Ordres appartenant à l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, d'une part, et à l'Orde van Vlaamse Balies, d'autre part.
  § 3. Le conseil de discipline comprend un secrétaire et deux secrétaires suppléants.
  § 4. Les conseils de l'Ordre de chaque barreau faisant partie du ressort concerné désignent chacun au moins deux membres effectifs et deux membres suppléants pour faire partie du conseil de discipline.
  Le président et les présidents de chambres sont choisis parmi les anciens bâtonniers.
  Les assesseurs sont choisis parmi les anciens membres des conseils de l'Ordre.
  Tous les trois ans, au début de l'année judiciaire, les bâtonniers du ressort de la cour d'appel établissent la liste des présidents de chambre et des assesseurs effectifs et suppléants. Ils désignent également le secrétaire et les secrétaires suppléants.
  Le rang des présidents et assesseurs inscrits sur les listes est déterminé en tenant compte d'un juste équilibre entre les barreaux qui composent le ressort et du nombre de leurs membres.
  Les mandats de président, président de chambre, assesseur et secrétaire, ainsi que de leurs suppléants, sont renouvelables.
  § 5. Le conseil de discipline siège au nombre d'un président de chambre, de quatre assesseurs et d'un secrétaire qui ne prend pas part à la délibération. Le conseil de discipline comprend au moins un membre du barreau de l'avocat contre qui la procédure disciplinaire est poursuivie.
  Le conseil de discipline au siège de la cour d'appel de Liège comprend une chambre composée d'au moins deux membres connaissant la langue allemande et la langue française et ne faisant pas partie du barreau d'Eupen.
  § 6. Le secrétaire compose les chambres. Le président et les assesseurs sont appelés, sauf empêchement, dans l'ordre de leur rang.
Art. 457bis. <INGEVOEGD bij W 2006-06-21/36, art. 9; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De rechtspleging voor de tuchtraad wordt gevoerd in de taal van de Orde waartoe de vervolgde advocaat behoort.
  Onverminderd de toepassing van artikel 457, § 5, tweede lid, moeten alle leden van de zetel de taal van de rechtspleging kennen.
  Wanneer de tuchtrechtelijke rechtspleging echter een Duitstalige advocaat betreft, mag deze zich in het Duits uitdrukken.
Art. 457bis. La procédure devant le conseil de discipline est suivie dans la langue de l'Ordre dont dépend l'avocat poursuivi.
  Sans préjudice de l'article 457, § 5, alinéa 2, tous les membres du siège doivent connaître la langue de la procédure.
  Toutefois, lorsque la procédure disciplinaire concerne un avocat germanophone, celui-ci est autorisé à s'exprimer en allemand.
Art. 458. <W 2006-06-21/36, art. 10, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> § 1. De stafhouder ontvangt en onderzoekt de klachten tegen de advocaten van zijn Orde. Om ontvankelijk te zijn, moeten klachten schriftelijk worden ingediend, moeten ze ondertekend en gedateerd zijn, en moeten ze de volledige identiteit van de klager bevatten. De stafhouder kan eveneens ambtshalve of op schriftelijke aangifte door de procureur-generaal een onderzoek instellen.
  De stafhouder leidt het onderzoek of stelt een onderzoeker aan, wiens taken en bevoegdheden hij omschrijft. De klager en de advocaat die het voorwerp uitmaakt van het onderzoek, worden van de instelling van het onderzoek schriftelijk op de hoogte gebracht.
  De klager heeft het recht om tijdens het onderzoek gehoord te worden en kan, in voorkomend geval, bijkomende informatie en bewijsstukken verschaffen.
  De verklaringen van de klager, van de advocaat en van de getuigen worden opgetekend in een proces-verbaal. De gehoorde personen ontvangen op hun verzoek een afschrift van het proces-verbaal van hun verklaringen.
  De advocaat die het voorwerp uitmaakt van een tuchtonderzoek, kan zich tijdens het onderzoek laten bijstaan door de advocaat van zijn keuze, maar kan zich niet laten vertegenwoordigen.
  § 2. De stafhouder die na het onderzoek oordeelt dat er redenen bestaan om de advocaat te laten verschijnen voor de tuchtraad, zendt het dossier samen met zijn met redenen omklede beslissing over aan de voorzitter van de tuchtraad, zodat deze de tuchtraad kan samenroepen overeenkomstig de bepalingen van artikel 459. Hij brengt de advocaat en de klager hiervan op de hoogte.
  Is de stafhouder van mening dat de klacht onontvankelijk, ongegrond of van onvoldoende gewicht is, dan brengt hij de klager en de advocaat hiervan schriftelijk op de hoogte. De klager kan de beslissing binnen drie maanden betwisten bij een ter post aangetekende brief gericht aan de voorzitter van de tuchtraad.
  De advocaat of de klager kan zich eveneens tot laatstgenoemde richten binnen dezelfde termijn en op dezelfde wijze indien de stafhouder binnen een termijn van zes maanden na het indienen van de klacht geen beslissing tot buitenvervolgingstelling of tot vervolging heeft genomen.
  § 3. De voorzitter van de tuchtraad bij wie de zaak door de advocaat of de klager aanhangig wordt gemaakt, kan het volgende doen binnen een termijn van drie maanden te rekenen van die aanhangigmaking :
  1 indien hij vaststelt dat het onderzoek van de stafhouder nog niet ingesteld is, nog loopt of niet volledig is, kan hij hetzij de stafhouder ertoe uitnodigen dit onderzoek te beëindigen binnen een door hem te bepalen termijn, hetzij de klacht zelf onderzoeken of een onderzoeker aanstellen wiens taken en bevoegdheden hij omschrijft. De stafhouder geeft in laatstgenoemd geval de zaak uit handen en zendt het dossier ervan dadelijk over aan de voorzitter van de tuchtraad;
  2 hij kan bij een met redenen omklede en een schriftelijke beslissing, desgevallend na een onderzoek, weigeren gevolg te geven aan onontvankelijke klachten, ongegronde klachten of klachten van onvoldoende gewicht;
  3 hij kan, in voorkomend geval na een onderzoek, beslissen dat de advocaat dient te verschijnen voor de tuchtraad, in welk geval artikel 459 toegepast wordt.
  De stafhouder, de advocaat en de klager ontvangen in elk geval een afschrift van deze beslissing, waartegen geen rechtsmiddel openstaat.
Art. 458. <L 2006-06-21/36, art. 9, 135; En vigueur : 01-11-2006> § 1er. Le bâtonnier reçoit et examine les plaintes qui concernent les avocats de son Ordre. Pour être recevables, les plaintes sont introduites par écrit, doivent être signées et datées et doivent contenir l'identité complète du plaignant. Le bâtonnier peut également procéder à une enquête d'office ou sur les dénonciations écrites du procureur général.
  Le bâtonnier mène l'enquête ou désigne un enquêteur, dont il définit la mission et les compétences. Le plaignant et l'avocat qui fait l'objet de l'enquête sont informés par écrit de l'ouverture de l'enquête.
  Le plaignant a le droit d'être entendu pendant l'enquête et peut, le cas échéant, fournir des informations et pièces probantes complémentaires.
  Les déclarations du plaignant, de l'avocat et des témoins sont consignées dans un procès-verbal. Les personnes entendues reçoivent, à leur demande, une copie du procès-verbal de leurs déclarations.
  L'avocat qui fait l'objet d'une enquête disciplinaire peut, au cours de celle-ci, se faire assister de l'avocat de son choix, mais ne peut pas se faire représenter.
  § 2. Le bâtonnier qui estime, après enquête, qu'il y a lieu de faire comparaître l'avocat devant le conseil de discipline, transmet le dossier ainsi que sa décision motivée au président du conseil de discipline aux fins de convocation selon les termes de l'article 459. Il en informe l'avocat et le plaignant.
  Si le bâtonnier estime que la plainte est non recevable, est non fondée ou présente un caractère véniel, il en informe le plaignant et l'avocat par écrit. Le plaignant peut contester la décision dans un délai de trois mois, par lettre recommandée à la poste adressée au président du conseil de discipline.
  L'avocat ou le plaignant peut également s'adresser à ce dernier dans le même délai et dans la même forme si le bâtonnier n'a pas pris de décision de non-lieu ou de poursuite dans un délai de six mois à dater du dépôt de la plainte.
  § 3. Le président du conseil de discipline qui est saisi du dossier par l'avocat ou le plaignant peut agir comme suit dans un délai de trois mois à compter de sa saisine :
  1 s'il constate que l'enquête du bâtonnier n'est pas encore ouverte, est encore en cours ou n'est pas complète, il peut ou bien inviter le bâtonnier à terminer cette enquête dans un délai qu'il détermine, ou bien instruire lui-même la plainte ou désigner un enquêteur, dont il définit la mission et les compétences. Dans ce dernier cas, le bâtonnier se dessaisit de l'affaire et transmet son dossier immédiatement au président du conseil de discipline;
  2 il peut refuser par une décision motivée et écrite, le cas échéant après une enquête, de donner suite à une plainte non recevable, non fondée ou présentant un caractère véniel;
  3 le cas échéant après enquête, il peut décider que l'avocat doit comparaître devant le conseil de discipline, auquel cas l'article 459 est appliqué.
  Le bâtonnier, l'avocat et le plaignant reçoivent dans tous les cas une copie de cette décision, qui n'est susceptible d'aucun recours.
Art. 459. <W 2006-06-21/36, art. 11, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> § 1. De tuchtraad neemt kennis van de tuchtzaken door toedoen van de stafhouder van de betrokken advocaat of, in het geval bedoeld in artikel 458, § 3, eerste lid, 3, van de voorzitter van de tuchtraad.
  De voorzitter van de tuchtraad roept, ambtshalve of op verzoek van de stafhouder, de advocaat bij een ter post aangetekende brief op om voor de tuchtraad te verschijnen. De oproeping vermeldt de feiten die de advocaat ten laste worden gelegd. Op straffe van nietigheid bedraagt de oproepingstermijn minstens vijftien dagen.
  De voorzitter brengt de klager op de hoogte van de datum en de plaats van de zitting.
  § 2. De tuchtraad behandelt de zaak in openbare zitting, tenzij de betrokken advocaat de behandeling met gesloten deuren vraagt.
  De tuchtraad kan eveneens met gesloten deuren zitting houden, gedurende de gehele rechtspleging of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé-leven van de vervolgde advocaat dit vereisen, of in de mate dat dit door de tuchtraad onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden.
  De klager wordt op zijn verzoek gehoord op de zitting en in voorkomend geval geconfronteerd met de betrokken advocaat.
  De onderzoeker wordt ter zitting gehoord in zijn verslag.
Art. 459. <L 2006-06-21/36, art. 11, 135; En vigueur : 01-11-2006> § 1er. Le conseil de discipline connaît des affaires disciplinaires, à l'initiative du bâtonnier de l'avocat concerné ou, dans le cas visé à l'article 458, § 3, alinéa 1er, 3, du président du conseil de discipline.
  Le président du conseil de discipline convoque l'avocat, d'office ou à la demande du bâtonnier, par lettre recommandée à la poste à comparaître devant le conseil de discipline. La convocation mentionne les faits qui lui sont reprochés. A peine de nullité, le délai de convocation est de quinze jours au moins.
  Le président informe le plaignant de la date et du lieu de l'audience.
  § 2. Le conseil de discipline traite l'affaire en audience publique, à moins que l'avocat concerné ne demande le huis clos.
  Le conseil de discipline peut également siéger à huis clos pendant la totalité ou une partie de la procédure dans l'intérêt de la moralité ou de l'ordre public, lorsque les intérêts des mineurs ou la protection de la vie privée de l'avocat poursuivi l'exigent, ou dans la mesure jugée strictement nécessaire par le conseil de discipline, lorsque dans des circonstances spéciales, la publicité serait de nature à porter atteinte aux intérêts de l'administration de la justice.
  Le plaignant est, à sa demande, entendu à l'audience et éventuellement confronté avec l'avocat concerne.
  L'enquêteur est entendu à l'audience en son rapport.
Art. 460. <W 2006-06-21/36, art. 12, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De tuchtraad kan bij een met redenen omklede beslissing, naar gelang van het geval, waarschuwen, berispen, schorsen voor een termijn van ten hoogste één jaar, schrappen van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs [1 Hij kan ook, autonoom of in combinatie met een andere tuchtstraf, schorsen voor een duur die niet langer mag zijn dan een jaar of schrappen uit het nationaal register van professionele bewindvoerders. De schorsing of schrapping van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs leiden van rechtswege tot respectievelijk de schorsing of de schrapping uit het nationaal register van professionele bewindvoerders. Zodra de beslissing definitief is geworden, wordt de beslissing die de schorsing of de schrapping uit het nationaal register van professionele bewindvoerders bevat of met zich meebrengt, aan de minister van Justitie of aan de door hem gemachtigde ambtenaar meegedeeld door de secretaris van de tuchtraad.]1
  Iedere advocaat die voor de tweede maal geschorst wordt, kan krachtens dezelfde beslissing worden geschrapt van het tableau, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de lijst van stagiairs.
  De tuchtraad kan bij de berisping of de schorsing bovendien het verbod opleggen om gedurende ten hoogste drie jaar in geval van berisping, en ten hoogste vijf jaar in geval van schorsing, deel te nemen aan de in artikel 450 bedoelde stemming, alsmede het verbod opleggen om gedurende deze periode te worden verkozen tot stafhouder of tot lid van de raad van de Orde of tot lid van de algemene vergadering of het bestuur van de Orde van Vlaamse balies of van de Ordre des barreaux francophones et germanophone.
  De tuchtraad besluit, met opgave van redenen, of hij het dienstig acht om de schorsing of de schrapping bekend te maken en, in voorkomend geval, op welke wijze dit dient te gebeuren.
  De tuchtraad kan, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die hij bepaalt, de uitspraak van de veroordeling opschorten of de uitvoering van de tuchtsanctie uitstellen. Bij niet-naleving van de bepaalde voorwaarden, roept de voorzitter, ambtshalve of op verzoek van de stafhouder, de advocaat overeenkomstig artikel 459 op om op een zitting van de tuchtraad te verschijnen, met het oog op het horen uitspreken van een tuchtstraf of het horen opheffen van de opschorting.
  De tuchtraad kan in zijn beslissing de kosten die voor het onderzoek en voor het onderzoek ter terechtzitting werden gemaakt ten laste leggen van de betrokken advocaat.
  
Art. 460. <L 2006-06-21/36, art. 12, 135; En vigueur : 01-11-2006> Le conseil de discipline peut, par décision motivée, suivant le cas, avertir, réprimander, suspendre pendant un temps qui ne peut excéder une année, rayer du tableau, de la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou de la liste des stagiaires.
  Tout avocat qui encourt pour la seconde fois une peine de suspension peut, en vertu de la même décision, être rayé du tableau, de la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou de la liste des stagiaires.
  Le conseil de discipline peut ajouter aux peines de réprimande ou de suspension, l'interdiction de prendre part au vote prévu à l'article 450 pendant un temps qui ne pourra excéder trois ans, en cas de réprimande, et cinq ans, en cas de suspension, ainsi que l'inéligibilité durant le même temps à la fonction de bâtonnier ou de membre du conseil de l'Ordre, de membre du conseil général ou du conseil d'administration de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies.
  Le conseil de discipline décide, de manière motivée, s'il y a lieu de rendre publiques les peines de suspension et de radiation et, le cas échéant, sous quelle forme.
  Le conseil de discipline peut suspendre le prononcé de la condamnation ou surseoir à l'exécution de la sanction disciplinaire, le cas échéant moyennant les conditions particulières qu'il fixe. En cas de non-respect des conditions, le président convoque l'avocat, conformément à l'article 459, d'office ou à la demande du bâtonnier, à une audience du conseil de discipline en vue soit de prononcer une peine, soit de révoquer le sursis.
  Le conseil de discipline peut, dans sa sentence, mettre à charge de l'avocat concerné les frais qui ont été occasionnés par l'enquête et l'instruction d'audience.
  [1 Il peut également, de manière autonome ou en combinaison avec une autre sanction disciplinaire, suspendre pour une durée qui ne peut excéder une année, ou radier du registre national des administrateurs professionnels. La suspension ou la radiation du tableau, de la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou de la liste des stagiaires emportent de plein droit respectivement la suspension ou la radiation du registre national des administrateurs professionnels. Une fois la sentence devenue définitive, la décision contenant ou emportant la suspension ou la radiation du registre national des administrateurs professionnels est communiquée par le secrétaire du conseil de discipline au ministre de la Justice ou au fonctionnaire délégué par lui.]1
  
Art. 461. <W 2006-06-21/36, art. 13, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> § 1. De schorsing of de schrapping wordt naast de naam van de betrokkene vermeld in een op het secretariaat van de balie en van de Orde van Vlaamse balies of van de Ordre des barreaux francophones et germanophone gehouden register, dat de advocaten kunnen inzien.
  § 2. Binnen acht dagen na de uitspraak ervan geeft de secretaris van de tuchtraad van iedere beslissing in tuchtzaken bij een ter post aangetekende brief kennis aan de advocaat, aan zijn stafhouder en aan de procureur-generaal.
  De stafhouder of, in voorkomend geval wanneer hij de zaak aanhangig heeft gemaakt bij de tuchtraad, de voorzitter van deze raad, kan aan de klager, indien hij erom verzoekt, mondeling of schriftelijk de inlichtingen verschaffen die hij gepast acht betreffende de genomen beslissing en betreffende de rechtsmiddelen die ertegen worden aangewend.
  Een afschrift van alle beslissingen wordt overgezonden aan de Orde van Vlaamse balies, of aan de Ordre des barreaux francophones et germanophone.
  Zij kunnen, indien zij dit dienstig achten, de beslissingen geheel of gedeeltelijk bekendmaken, zonder vermelding van de naam van de betrokken advocaat.
Art. 461. <L 2006-06-21/36, art. 13, 135; En vigueur : 01-11-2006> § 1er. Les peines de suspension ou de radiation sont mentionnées, en regard des noms de ceux qui en sont l'objet, dans un registre qui est tenu au secrétariat du barreau et de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies et que les avocats peuvent consulter.
  § 2. Dans les huit jours de sa prononciation, toute sentence rendue en matière disciplinaire est notifiée par le secrétaire du conseil de discipline à l'avocat, à son bâtonnier et au procureur général, par lettre recommandée à la poste.
  Le bâtonnier ou, le cas échéant, lorsque celui-ci a saisi le conseil de discipline, le président de ce dernier, peut, si le plaignant le demande, lui fournir oralement ou par écrit les renseignements qu'il estime appropriés concernant la décision intervenue, ainsi que les recours dont elle fait l'objet.
  Une copie de toutes les sentences est envoyée à l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou à l'Orde van Vlaamse Balies.
  Ils peuvent, s'ils l'estiment utile, publier intégralement ou partiellement les sentences sans que le nom de l'avocat concerné puisse y être mentionné.
Art. 462. <W 2006-06-21/36, art. 14, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> Is de beslissing bij verstek gewezen, dan kan de advocaat ertegen verzet aantekenen binnen vijftien dagen, te rekenen van de kennisgeving.
  Laattijdig verzet wordt niet ontvankelijk verklaard, tenzij de tuchtraad de verzetdoende advocaat van het verval ontheft, een beslissing waarover de tuchtraad soeverein oordeelt en waartegen geen rechtsmiddel openstaat.
  Het verzet wordt bij een ter post aangetekende brief gezonden aan de voorzitter van de tuchtraad.
  De voorzitter roept, in de vorm en binnen de termijn van de oorspronkelijke oproeping, de verzetdoende advocaat op om voor de tuchtraad te verschijnen. De tuchtraad doet uitspraak, zelfs in diens afwezigheid. De beslissing geldt in ieder geval als op tegenspraak gewezen.
Art. 462. <L 2006-06-21/36, art. 14, 135; En vigueur : 01-11-2006> Si la sentence est rendue par défaut, opposition peut y être formée par l'avocat, dans un délai de quinze jours à partir de la notification.
  L'opposition formée tardivement est déclarée irrecevable, à moins que le conseil n'ait relevé l'opposant de la forclusion, ce qu'il apprécie souverainement et sans recours.
  L'opposition est adressée, par lettre recommandée à la poste, au président du conseil de discipline.
  Le président convoque l'opposant devant le conseil de discipline dans les formes et délais de la convocation initiale. Le conseil de discipline statue même en son absence. La sentence est en tout état de cause réputée contradictoire.
Art. 463. <W 2006-06-21/36, art. 15, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> Tegen de beslissingen gewezen door de tuchtraad kunnen de betrokken advocaat, de stafhouder van de balie van de betrokken advocaat of de procureur-generaal hoger beroep instellen.
  Het hoger beroep wordt aan de voorzitter van de tuchtraad van beroep ter kennis gebracht bij een ter post aangetekende brief binnen vijftien dagen te rekenen van de kennisgeving van de beslissing.
  De voorzitter van de tuchtraad van beroep geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van het beroep aan de voorzitter van de tuchtraad en, naar gelang van het geval, aan de betrokken advocaat, aan de stafhouder van de Orde waartoe hij behoort of aan de procureur-generaal.
  De procureur-generaal, de stafhouder en de advocaat kunnen bij een ter post aangetekende brief tegenberoep instellen binnen een termijn van één maand te rekenen van het hoofdberoep.
Art. 463. <L 2006-06-21/36, art. 15, 135; En vigueur : 01-11-2006> Les sentences rendues par le conseil de discipline sont susceptibles d'être frappées d'appel par l'avocat concerne, par le bâtonnier du barreau de l'avocat concerné ou par le procureur général.
  L'appel est notifié par lettre recommandée à la poste au président du conseil de discipline d'appel, dans les quinze jours de la notification de la sentence.
  Le président du conseil de discipline d'appel dénonce l'appel, par lettre recommandée, au président du conseil de discipline et, selon le cas, à l'avocat concerné, au bâtonnier de l'Ordre auquel il appartient ou au procureur général.
  Le procureur général, le bâtonnier et l'avocat peuvent introduire, par lettre recommandée à la poste, un appel incident dans un délai d'un mois à partir de la notification de l'appel principal.
Afdeling 2. - Tuchtraden in beroep
Section 2. - Des conseils de discipline d'appel
Art. 464. <W 2006-06-21/36, art. 17, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> Het hoger beroep tegen de beslissingen van de Nederlandstalige tuchtraden wordt gebracht voor de Nederlandstalige tuchtraad van beroep.
  Het hoger beroep tegen de beslissingen van de Franstalige en Duitstalige tuchtraden wordt gebracht voor de Franstalige en Duitstalige tuchtraad van beroep.
  De zetel van de tuchtraden van beroep is gevestigd te Brussel.
Art. 464. <L 2006-06-21/36, art. 17, 135; En vigueur : 01-11-2006> L'appel des sentences des conseils de discipline néerlandophones est porté devant le conseil de discipline d'appel néerlandophone.
  L'appel des sentences des conseils de discipline francophones et germanophone est porté devant le conseil de discipline d'appel francophone et germanophone.
  Le siège des conseils de discipline d'appel est établi à Bruxelles.
Art. 465. <W 2006-06-21/36, art. 18, 135; Inwerkingtreding : 20-07-2006> § 1. Elke tuchtraad van beroep is samengesteld uit één of meer kamers. Hij wordt voorgezeten door een eerste voorzitter van het hof van beroep.
  § 2. Iedere kamer houdt zitting met een voorzitter, vier assessoren-advocaten en een secretaris-advocaat. Het voorzitterschap wordt beurtelings waargenomen door de eerste voorzitters van de hoven van beroep of door de kamervoorzitter aangewezen door de eerste voorzitter. De eerste voorzitters van de hoven van beroep van Antwerpen, Brussel en Gent hebben zitting in de Nederlandstalige tuchtraad van beroep; de eerste voorzitters van de hoven van beroep van Brussel, Bergen en Luik hebben zitting in de Franstalige en Duitstalige tuchtraad van beroep.
  Wanneer de tuchtprocedure een advocaat bij de balie van Eupen betreft, bestaat de beroepskamer van de tuchtraad uit ten minste twee leden die Duits en Frans kennen, en die geen lid zijn van de balie van Eupen.
  § 3. De procureur-generaal bij het hof van beroep van Brussel of een advocaat-generaal die hij aanwijst, oefent het ambt van het openbaar ministerie uit.
  § 4. Iedere Orde die deel uitmaakt van de Orde van Vlaamse balies of van de Ordre des barreaux francophones et germanophone duidt, uit de gewezen leden van de raad van de Orde, minimum twee assessoren en twee plaatsvervangende assessoren aan. De assessoren worden voorgedragen onder de gewezen leden van de raden van de Orde door de betrokken raden van de Orde.
  § 5. Om de drie jaar, bij de aanvang van het gerechtelijk jaar, stellen de bestuurders van de Orde van Vlaamse balies respectievelijk van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, telkens onder het voorzitterschap van de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel, de lijst op van de effectieve assessoren en de plaatsvervangende assessoren. Ze stellen eveneens de secretarissen en de plaatsvervangende secretarissen aan.
  De rang van de op de lijsten ingeschreven advocaten wordt bepaald met inachtneming van een billijk evenwicht tussen de balies die de Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone vormen en van het aantal van hun leden.
  § 6. Het mandaat geldt voor drie jaar en is hernieuwbaar.
  § 7. De secretaris stelt de kamers samen, buiten beletsel, in de orde van voorrang die op de lijsten is vermeld.
Art. 465. <L 2006-06-21/36, art. 18, 135; En vigueur : 20-07-2006> § 1er. Chaque conseil de discipline d'appel est composé d'une ou de plusieurs chambres. Il est présidé par un premier président de cour d'appel.
  § 2. Chaque chambre siège au nombre d'un président, de quatre assesseurs avocats et d'un secrétaire avocat. La présidence est assumée, à tour de rôle, par les premiers présidents des cours d'appel ou par le président de chambre désigné par le premier président. Les premiers présidents des cours d'appel de Bruxelles, de Mons et de Liège siègent dans le conseil de discipline d'appel francophone et germanophone; les premiers présidents des cours d'appel d'Anvers, de Bruxelles et de Gand siègent dans le conseil de discipline d'appel néerlandophone.
  Lorsque la procédure disciplinaire concerne un avocat du barreau d'Eupen, la chambre du conseil de discipline d'appel sera composée au moins de deux membres connaissant la langue allemande et la langue française et ne faisant pas partie du barreau d'Eupen.
  § 3. Le procureur général près la cour d'appel de Bruxelles ou l'avocat général qu'il désigne, exerce les fonctions du ministère public.
  § 4. Chaque Ordre faisant partie de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou de l'Orde van Vlaamse balies désigne parmi les anciens membres du conseil de l'Ordre au moins deux assesseurs et deux assesseurs suppléants. Les assesseurs sont proposés parmi les anciens membres des conseils de l'Ordre par les conseils de l'Ordre concernés.
  § 5. Tous les trois ans, au début de l'année judiciaire, les administrateurs respectivement de l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et de l'Orde van Vlaamse Balies, établissent chaque fois sous la présidence du premier président près la cour d'appel de Bruxelles, la liste des assesseurs effectifs et des assesseurs suppléants. Ils désignent également les secrétaires et les secrétaires suppléants.
  Le rang des avocats inscrits sur ces listes est déterminé en tenant compte d'un juste équilibre entre les barreaux qui composent l'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse balies et du nombre de leurs membres.
  § 6. Le mandat est valable trois ans et est renouvelable.
  § 7. Sauf empêchement, le secrétaire compose les chambres dans l'ordre du rang qui figure sur les listes.
Art. 466. <W 2006-06-21/36, art. 19, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De rechtspleging voor de tuchtraad van beroep wordt gevoerd in de taal van de beslissing waartegen hoger beroep werd ingesteld. Onverminderd de toepassing van artikel 457, § 5, tweede lid, moeten alle leden van de zetel de taal van de rechtspleging kennen.
  Wanneer de tuchtprocedure evenwel een Duitstalige advocaat betreft, mag laatstgenoemde Duits spreken.
Art. 466. <L 2006-06-21/36, art. 19, 135; En vigueur : 01-11-2006> La procédure devant le conseil de discipline d'appel est suivie dans la langue de la sentence dont appel. Sauf préjudice de l'application de l'article 457, § 5, alinéa 2, tous les membres du siège doivent connaître la langue de la procédure.
  Toutefois, lorsque la procédure disciplinaire concerne un avocat germanophone, celui-ci est autorisé à s'exprimer en allemand.
Art. 467. <W 2006-06-21/36, art. 20, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De debatten voor de tuchtraad van beroep worden gehouden zoals voorgeschreven door artikel 459, § 2.
Art. 467. <L 2006-06-21/36, art. 20, 135; En vigueur : 01-11-2006> Les débats devant le conseil de discipline d'appel ont lieu conformément aux prescriptions de l'article 459, § 2.
Art. 468. <W 2006-06-21/36, art. 21, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> § 1. De secretaris geeft bij een ter post aangetekende brief kennis van de beslissing van de tuchtraad van beroep aan de betrokken advocaat, aan de stafhouder van de Orde waartoe hij behoort en aan de procureur-generaal. Hij stuurt een afschrift van de uitspraak naar de Orde van Vlaamse balies of naar de Ordre des barreaux francophones et germanophone.
  § 2. Het verzet van de advocaat tegen de bij verstek gewezen beslissingen van de tuchtraad van beroep gebeurt in dezelfde vorm en binnen dezelfde termijn als de akte van beroep. Het verzet wordt behandeld en berecht met inachtneming van de regels die in eerste aanleg zijn toegepast.
  § 3. [1 ...]1.
  Tenzij de beslissing anders luidt, heeft de voorziening schorsende kracht.
  Wordt de beslissing vernietigd, dan verwijst het Hof van Cassatie de zaak naar de tuchtraad van beroep, anders samengesteld.
  
Art. 468. <L 2006-06-21/36, art. 21, 135; En vigueur : 01-11-2006> § 1er. La sentence du conseil de discipline d'appel est, par les soins de son secrétaire, notifiées à l'avocat, au bâtonnier de l'Ordre auquel appartient l'avocat concerné et au procureur général, par lettre recommandée à la poste. Il envoie copie de la sentence à l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou à l'Orde van Vlaamse balies.
  § 2. L'opposition de l'avocat aux sentences rendues par défaut par le conseil de discipline d'appel est faite dans les mêmes formes et délais que l'acte d'appel. Elle est instruite et jugée suivant les règles appliquées en première instance.
  § 3. [1 ...]1
  A moins que la sentence n'en décide autrement, le pourvoi est suspensif.
  Si la sentence est annulée, la Cour de cassation renvoie la cause devant le conseil de discipline d'appel autrement composé.
  
Afdeling 3. - Diverse bepalingen
Section 3. - Dispositions diverses
Art. 469. <W 2006-06-21/36, art. 23, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De tuchtraad is bevoegd om uitspraak te doen over tuchtrechtelijke vervolgingen die ingesteld zijn wegens feiten gepleegd vóór de beslissing waarbij de advocaat van het tableau van de Orde, van de lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie of de lijst van stagiairs is weggelaten, indien het onderzoek uiterlijk één jaar na die beslissing is ingesteld.
  Indien een advocaat zijn inschrijving bij een andere Orde vraagt en bekomt, en deze inschrijving gepaard gaat met de weglating van de advocaat uit het eerste tableau of de lijst, dan wordt het onderzoek waarvan sprake is in artikel 458, § 1, geleid door de stafhouder van de Orde waar de advocaat laatst is ingeschreven, zonder dat met de datum of de lokalisatie van de aan de advocaat verweten feiten rekening wordt gehouden.
  In dezelfde omstandigheden geeft de stafhouder, indien hij reeds een onderzoek leidt, de zaak uit handen en zendt het dossier over aan de stafhouder van de Orde waar de advocaat laatst is ingeschreven.
  Indien de wijziging van Orde een wijziging van het rechtsgebied van het hof van beroep meebrengt, zijn dezelfde regels als hierboven van toepassing op de voorzitter van de tuchtraad.
  Indien nochtans op het ogenblik van de wijziging van Orde, de advocaat reeds is opgeroepen overeenkomstig artikel 459, § 1, blijft de geadieerde tuchtraad bevoegd.
  De tuchtraad die bevoegd is om kennis te nemen van de tuchtrechtelijke vordering tegen een advocaat die ingeschreven is bij een andere Orde dan die waartoe hij behoorde op het ogenblik dat de feiten die hem worden verweten, werden gepleegd, is deze waartoe de advocaat behoort op het ogenblik dat de beslissing wordt genomen om hem te verwijzen naar de tuchtraad.
Art. 469. <L 2006-06-21/36, art. 23, 135; En vigueur : 01-11-2006> Le conseil de discipline est compétent pour statuer sur des poursuites disciplinaires intentées en raison de faits commis avant la décision qui a omis l'avocat du tableau de l'Ordre, de la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou de la liste des stagiaires, si l'enquête a été ouverte au plus tard un an après cette décision.
  Lorsqu'un avocat demande et obtient son inscription auprès d'un autre Ordre et que cette inscription s'accompagne de l'omission de l'avocat du tableau précédent ou de la liste, l'enquête dont question à l'article 458, § 1er, est menée par le bâtonnier de l'Ordre où l'avocat est nouvellement inscrit, sans égard à la date ou à la localisation des faits reprochés à l'avocat.
  Dans les mêmes circonstances, si le bâtonnier mène déjà une enquête, il s'en dessaisit et communique le dossier au bâtonnier de l'Ordre où l'avocat est nouvellement inscrit.
  Si le changement d'Ordre implique un changement de ressort de cour d'appel, les mêmes règles que ci-dessus s'appliquent au président du conseil de discipline.
  Cependant, si au moment du changement d'Ordre, l'avocat est déjà convoqué conformément à l'article 459, § 1er, le conseil de discipline saisi reste compétent.
  Le conseil de discipline compétent pour connaître des actions disciplinaires contre un avocat qui s'est inscrit auprès d'un autre Ordre que celui auquel il appartenait lorsque les faits qui lui sont reprochés ont été commis, est déterminé par l'Ordre auquel l'avocat appartient au moment où la décision de le renvoyer devant le conseil de discipline est prise.
Art. 470. De procureur-generaal zorgt voor de tenuitvoerlegging van de beslissingen tot schorsing en tot schrapping.
Art. 470. Le procureur général assure l'exécution des sentences de suspension et de radiation.
Art. 471. <W 2006-06-21/36, art. 25, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> De geschorste advocaat moet zich tijdens de duur van zijn straf van iedere beroepswerkzaamheid onthouden.
Art. 471. <L 2006-06-21/36, art. 25, 135; En vigueur : 01-11-2006> L'avocat suspendu doit s'abstenir de toute activité professionnelle pendant la durée de sa peine.
HOOFDSTUK V. - Tuchtraden van beroep. (Opgeheven)
CHAPITRE V. - Des conseils de discipline d'appel. (Abrogé)
Art. 472. <W 2006-06-21/36, art. 27, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> § 1. Een geschrapte advocaat kan niet worden ingeschreven op een tableau van de Orde, of op een lijst van advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, of op een lijst van stagiairs dan na het verstrijken van een termijn van tien jaar nadat de beslissing tot schrapping in kracht van gewijsde is gegaan en indien buitengewone omstandigheden het wettigen.
  De inschrijving is niet geoorloofd dan na een met redenen omkleed advies van de raad van de Orde van de balie waartoe de advocaat behoorde.
  De weigering tot inschrijving wordt met redenen omkleed.
  § 2. Een geschorste advocaat kan aan de tuchtraad of aan de tuchtraad van beroep die de schorsing heeft uitgesproken eerherstel vragen na een termijn van zes jaar te rekenen van de uitspraak. De weigering tot eerherstel moet met redenen worden omkleed. De beslissing is niet vatbaar voor hoger beroep. De aanvraag tot eerherstel kan om de zes jaar opnieuw worden ingediend.
  § 3. De lichtere tuchtstraffen worden van rechtswege uitgewist na een periode van zes jaar te rekenen van de uitspraak.
  § 4. De herinschrijving, het eerherstel of de uitwissing van de straf brengen de doorhaling van de vermeldingen bepaald in artikel 461, § 1, met zich.
Art. 472. <L 2006-06-21/36, art. 27, 135; En vigueur : 01-11-2006> § 1er. Un avocat radié ne peut être inscrit à un tableau de l'Ordre ou porté sur une liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou sur une liste de stagiaires, qu'après l'expiration d'un délai de dix ans depuis la date où la décision de radiation est passée en force de chose jugée et si des circonstances exceptionnelles le justifient.
  L'inscription n'est permise qu'après avis motivé du conseil de l'Ordre du barreau auquel l'avocat appartenait.
  Le refus d'inscription est motivé.
  § 2. Un avocat suspendu peut, après un délai de six ans à compter de la décision, demander sa réhabilitation au conseil de discipline ou au conseil de discipline d'appel qui a prononcé la suspension. Le refus de réhabilitation est motivé. La décision n'est pas susceptible d'appel. La demande de réhabilitation peut être réintroduite tous les six ans.
  § 3. Les sanctions disciplinaires mineures sont effacées de plein droit après une période de six ans à compter du moment où elles ont été prononcées.
  § 4. La réinscription, la réhabilitation ou l'effacement de peine entraînent le retrait des mentions visées à l'article 461, § 1er.
Art. 473. <W 2006-06-21/36, art. 28, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> Wanneer het wegens de aan een advocaat ten laste gelegde feiten te vrezen is dat zijn latere beroepswerkzaamheid nadeel kan toebrengen aan derden of aan de eer van de Orde, kan de stafhouder de bewarende maatregelen nemen die de voorzichtigheid eist en met name aan de advocaat verbieden het gerechtsgebouw te betreden gedurende ten hoogste drie maanden.
  Deze termijn kan op verzoek van de stafhouder worden verlengd bij een met redenen omklede beslissing van de raad van de Orde, nadat de betrokken advocaat werd gehoord.
  De betrokken advocaat kan tegen het verbod het gerechtsgebouw te betreden en tegen de verlenging van de termijn ervan, beslissingen die bij voorraad uitvoerbaar zijn, beroep aantekenen bij de tuchtraad van beroep.
  Dit beroep wordt bij een ter post aangetekende brief ter kennis gebracht van de voorzitter van deze raad, die de raad onmiddellijk bijeenroept.
  De tuchtraad van beroep neemt een beslissing na de stafhouder en de betrokken advocaat te hebben gehoord.
Art. 473. <L 2006-06-21/36, art. 28, 135; En vigueur : 01-11-2006> Lorsque les faits reprochés à un avocat font craindre que l'exercice ultérieur de son activité professionnelle ne soit de nature à causer préjudice à des tiers ou à l'honneur de l'Ordre, le bâtonnier peut prendre les mesures conservatoires que la prudence exige et notamment faire défense à l'avocat de fréquenter le palais de Justice pendant une période n'excédant pas trois mois.
  A la demande du bâtonnier, ce délai peut être prorogé par sentence motivée du conseil de l'Ordre, après audition de l'avocat concerné.
  L'avocat concerné peut faire appel de l'interdiction de fréquenter le palais de justice et de la prorogation du délai, exécutoires par provision, auprès du conseil de discipline d'appel.
  Cet appel est notifié par lettre recommandée à la poste au président de ce conseil qui convoque sans délai le conseil.
  Celui-ci prend une décision après avoir entendu le bâtonnier et l'avocat concerné.
Art. 474. <W 2006-06-21/36, art. 29, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> Op straffe van verjaring wordt de tuchtprocedure ingesteld binnen twaalf maanden te rekenen van de kennisneming van de feiten door de tuchtrechtelijke autoriteit die bevoegd is om die procedure op gang te brengen.
Art. 474. <L 2006-06-21/36, art. 29, 135; En vigueur : 01-11-2006> La procédure disciplinaire est, sous peine de prescription, ouverte dans les douze mois de la connaissance des faits par l'autorité disciplinaire compétente pour initier cette procédure.
Art. 475. <W 2006-06-21/36, art. 30, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> Alle oproepingen en kennisgevingen als bedoeld in deze titel worden geldig gedaan aan het kantoor van de advocaat of aan zijn woonplaats.
Art. 475. <L 2006-06-21/36, art. 30, 135; En vigueur : 01-11-2006> Toutes les convocations et notifications visées au présent titre sont valablement faites au cabinet de l'avocat ou à son domicile.
Art. 477. <W 2006-06-21/36, art. 32, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006> In een strafrechtelijke, burgerrechtelijke of administratieve procedure mag geen melding worden gemaakt van een tuchtprocedure, noch van elementen daarvan.
Art. 477. <L 2006-06-21/36, art. 32, 135; En vigueur : 01-11-2006> Il ne peut être fait état, dans une procédure pénale, civile ou administrative, de l'existence ou d'éléments d'une procédure disciplinaire.
TITEL 1bis. - Uitoefening in België van het beroep van advocaat door advocaten die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie.
TITRE IBIS. - De l'exercice en Belgique de la profession d'avocat par des avocats ressortissants d'un Etat membre de l'Union européenne.
HOOFDSTUK I. - Vrij verrichten van diensten.
CHAPITRE I. - De la libre prestation de services.
Art. 477bis. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Personen die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie en aldaar overeenkomstig richtlijn 77/249/EEG van de Raad van 22 maart 1977 tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening door advocaten van het vrij verrichten van diensten gerechtigd zijn een titel te voeren welke overeenstemt met die van advocaat, kunnen in België van die titel gebruik maken.
  De persoon bedoeld in het eerste lid is diegene die, in de lidstaat van herkomst gerechtigd is door de bevoegde overheid van deze lidstaat er zijn beroep uit te oefenen onder de titel die overeenstemt met die van advocaat, na een opleiding te hebben genoten of alle formaliteiten met een gelijkwaardig effect te hebben vervuld die door de wetgeving van deze lidstaat kunnen worden opgelegd.
  § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde personen moeten bij het verrichten van een dienst in België gebruik maken van hun titel uitgedrukt in de taal of in een van de talen van de lidstaat waar zij gevestigd zijn, alsook melding maken van de beroepsorganisatie waarvan zij afhangen of van het gerecht waarbij zij volgens de wettelijke regeling van die Staat zijn toegelaten.
  Bij die dienstverlening kan hen worden gevraagd van hun hoedanigheid van advocaat te doen blijken.
Art. 477bis. <L 2001-11-22/39, art. 18, 096; En vigueur : 30-12-2001> § 1. Toute personne, ressortissant d'un état membre de l'Union européenne et y habilitée à porter le titre correspondant à celui d'avocat, conformément à la directive 77/249/CEE du Conseil du 22 mars 1977 tendant à faciliter l'exercice effectif de la libre prestation de services par les avocats, peut faire usage de ce titre en Belgique.
  La personne visée à l'alinéa 1, est celle qui, dans l'état membre de provenance, est habilitée par l'autorité compétente de cet état membre à y exercer la profession sous le titre correspondant au titre d'avocat, après avoir reçu la formation ou accompli toutes les formalités d'effet équivalent, telles que celles-ci peuvent être imposées par la législation de cet état membre.
  § 2. La personne visée au § 1, doit, lors d'une prestation de service en Belgique, faire usage de son titre exprimé dans la ou l'une des langues de l'état membre dans lequel elle est établie, avec l'indication de l'organisation professionnelle dont elle relève ou de la juridiction auprès de laquelle elle est admise en application de la législation de cet Etat.
  Il peut lui être demandé, lors de cette prestation, d'établir sa qualité d'avocat.
Art. 477ter. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. De in artikel 477bis bedoelde personen kunnen in België dezelfde beroepswerkzaamheden uitoefenen als leden van Belgische balies.
  Voor handelingen van vertegenwoordiging en verdediging in rechte moeten zij evenwel :
  1° handelen in samenwerking met een advocaat die ingeschreven is op het tableau;
  2° voor de terechtzitting door die advocaat worden voorgesteld :
  a) aan de stafhouder van de balie bij het betrokken gerecht;
  b) aan de voorzitter van het gerecht waarbij hij optreedt.
  § 2. Onverminderd de verplichtingen die hen worden opgelegd in de lidstaat van herkomst, worden de beroepswerkzaamheden van de in artikel 477bis bedoelde personen uitgeoefend met inachtneming van de regels, van welke oorsprong ook, die in België op het beroep van toepassing zijn, met uitzondering van elke voorwaarde van verblijf of inschrijving.
  Ten aanzien van andere werkzaamheden dan vertegenwoordiging en verdediging in rechte zijn die personen, onverminderd de beroepsvoorwaarden en -regels van de lidstaat van herkomst, onderworpen aan de in het eerste lid bedoelde regels op voorwaarde dat :
  1° een niet in België gevestigd advocaat hen kan naleven;
  2° zulks objectief gerechtvaardigd is als waarborg voor de correcte uitoefening van de beroepswerkzaamheden van een advocaat, voor de waardigheid van het beroep en voor de inachtneming van de regels inzake onverenigbaarheid.
  § 3. De uitoefening van het beroep van advocaat bij de in artikel 477bis bedoelde personen, is onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.
Art. 477ter. <L 2001-11-22/39, art. 18, 096; En vigueur : 30-12-2001> § 1. Toute personne visée à l'article 477bis peut accomplir en Belgique les mêmes activités professionnelles que les membres des barreaux belges.
  Pour les actes de représentation et de défense en justice, celle-ci est cependant tenue :
  1° d'agir de concert avec un avocat inscrit au tableau;
  2° d'être introduite avant l'audience par cet avocat :
  a) auprès du bâtonnier du barreau dans lequel la juridiction à son ressort;
  b) auprès du président de la juridiction devant laquelle elle se présente.
  § 2. Sans préjudice des obligations qui leur incombent dans l'état membre de provenance, les activités professionnelles des personnes visées à l'article 477bis sont exercées selon les règles, quelle qu'en soit la source, qui régissent la profession en Belgique, à l'exclusion de toute condition de résidence ou d'inscription.
  Pour les activités étrangères à la représentation et à la défense en justice, ces personnes sont, sans préjudice des conditions et règles professionnelles de l'état membre de provenance, soumises aux règles visées à l'alinéa 1, pour autant que :
  1° celles-ci puissent être observées par un avocat non établi en Belgique;
  2° leur observation se justifie objectivement pour assurer l'exercice correct des activités d'avocat, la dignité de la profession et le respect des incompatibilités.
  § 3. L'exercice de la profession d'avocat par les personnes visées à l'article 477bis est incompatible avec les emplois et activités rémunérés, publics ou privés, à moins qu'ils ne mettent en péril ni l'indépendance de l'avocat ni la dignité du barreau.
Art. 477quater. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. De artikelen 437, eerste lid, 445 en 761 alsook de bepalingen van hoofdstuk IV, (behalve artikel 472, § 1) van titel I van Boek III zijn van toepassing op de in artikel 477bis bedoelde personen, zulks onverminderd de beroeps- en gedragsregels waaraan zij in de lidstaat van herkomst zijn onderworpen. <W 2006-06-21/36, art. 33, a, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  De in artikel 477bis bedoelde personen die, bij de uitoefening van hun werkzaamheid in een gerechtelijk arrondissement, de tuchtregels niet in acht nemen, kan verbod worden opgelegd de partijen bij te staan en te pleiten voor de gerechten waarvan de zetel aldaar gevestigd is. Dit verbod, dat niet langer dan drie jaar mag duren, wordt uitgesproken, de betrokken persoon vooraf opgeroepen. Tegen de beslissing staat verzet en hoger beroep open.
  Ten aanzien van die personen wordt de schrapping vervangen door het verbod om in België de beroepswerkzaamheden van een advocaat uit te oefenen. Na het verstrijken van een termijn van tien jaar te rekenen van de dag waarop de beslissing houdende verbod in kracht van gewijsde is gegaan kunnen zij erom verzoeken het op te heffen.
  § 2. Terzake bevoegd is de (tuchtraad) van het rechtsgebied waar de feiten zijn gepleegd die strafbaar zijn met een tuchtstraf. <W 2006-06-21/36, art. 33, b, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  De raad kan aan de autoriteit van de Staat waar de persoon die een tuchtstraf kan oplopen gevestigd is, rechtstreeks alle professionele inlichtingen betreffende die persoon vragen. Hij stelt die autoriteit in kennis van iedere beslissing. Die kennisgevingen zijn vertrouwelijk.
Art. 477quater. <L 2001-11-22/39, art. 18, 096; En vigueur : 30-12-2001> § 1. Les articles 437, alinéa 1, 445 et 761 ainsi que les dispositions du chapitre IV, (hormis l'article 472, § 1er) du titre I du Livre III sont applicables aux personnes visées à l'article 477bis, sans préjudice des règles professionnelles et déontologiques auxquelles elles sont soumises dans l'état membre de provenance. <L 2006-06-21/36, art. 33, a, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  Les personnes visées à l'article 477bis qui, à l'occasion de l'exercice de leur activité dans un arrondissement judiciaire, y contreviennent à la discipline, peuvent s'entendre faire défense d'assister les parties et de plaider devant les juridictions qui y ont leur siège. Cette défense, dont la durée ne peut excéder trois ans, est prononcée, la personne intéressée préalablement appelée. La décision est susceptible d'opposition et d'appel.
  La peine de radiation est, pour ces personnes, remplacée par l'interdiction d'exercer en Belgique l'activité d'avocat. Toutefois à l'expiration d'un délai de dix ans à compter de la date où la décision d'interdiction est passée en force de chose jugée, la levée de celle-ci peut être demandée.
  § 2. (Le conseil de discipline compétent est celui) dans le ressort duquel ont été commis les faits de nature à donner lieu à une sanction disciplinaire. <L 2006-06-21/36, art. 33, b, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  Le conseil peut demander directement à l'autorité de l'Etat dans lequel la personne susceptible d'encourir une sanction disciplinaire est établie, tous renseignements d'ordre professionnel concernant cette personne. Il informe cette autorité de toute décision prise. Ces informations sont confidentielles.
HOOFDSTUK II. - Vrijheid van vestiging.
CHAPITRE II. - Du libre établissement.
Art. 477quinquies. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Personen die onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie en aldaar overeenkomstig richtlijn 98/5/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 ter vergemakkelijking van de permanente uitoefening van het beroep van advocaat in een andere lidstaat dan die waar de beroepskwalificatie is verworven gerechtigd zijn een titel te voeren welke overeenstemt met die van advocaat, kunnen dit beroep in België onder hun oorspronkelijke beroepstitel permanent uitoefenen.
  De persoon bedoeld in het eerste lid is diegene die, in de lidstaat van herkomst, gerechtigd is door de bevoegde overheid van deze lidstaat er het beroep uit te oefenen onder de titel die overeenstemt met die van advocaat, na een opleiding te hebben genoten of alle formaliteiten met een gelijkaardig effect te hebben vervuld die door de wetgeving van deze lidstaat kunnen worden opgelegd.
  § 2. De in de eerste paragraaf bedoelde personen moeten :
  1° zich inschrijven overeenkomstig artikel 432 en aan de raad van de Orde het bewijs van hun inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst overleggen;
  2° hun inschrijving bij de bevoegde autoriteit van die laatste Staat handhaven;
  3° het beroep onder hun oorspronkelijke beroepstitel uitoefenen.
  Het bewijs bedoeld in het eerste lid, 1°, mag niet meer dan drie maanden voor de overlegging ervan zijn opgesteld en maakt melding van de tuchtprocedures ingesteld in de lidstaat van herkomst.
  De raad van de Orde stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst in kennis van de inschrijving.
  § 3. In alle documenten en stukken, daaronder begrepen die op elektronische dragers, die betrokkene in het kader van zijn beroepswerkzaamheden aanwendt, moeten volgende gegevens worden vermeld :
  a) de balie waarbij hij is ingeschreven;
  b) zijn oorspronkelijke beroepstitel;
  c) de beroepsorganisatie waartoe hij in de lidstaat van herkomst behoort of het gerecht waarbij hij overeenkomstig de wettelijke regeling van de lidstaat van herkomst is toegelaten.
  De oorspronkelijke beroepstitel en de vermeldingen bedoeld in het eerste lid zijn opgesteld in de officiële taal of in een van de officiële talen van de lidstaat van herkomst en ten minste in de taal of in de talen van het gerechtelijk arrondissement waar de balie gevestigd is waarbij de advocaat ingeschreven is.
Art. 477quinquies. <L 2001-11-22/39, art. 18, 096; En vigueur : 30-12-2001> § 1. Toute personne, ressortissant d'un état membre de l'Union européenne et y habilitée à porter le titre correspondant à celui d'avocat, conformément à la directive 98/5/CE du Parlement européen et du Conseil du 16 février 1998 visant à faciliter l'exercice permanent de la profession d'avocat dans un état membre autre que celui où la qualification a été acquise, peut exercer cette profession en Belgique à titre permanent et sous son titre professionnel d'origine.
  La personne visée à l'alinéa 1, est celle qui, dans l'état membre d'origine, est habilitée par l'autorité compétente de cet état membre à y exercer la profession sous le titre correspondant au titre d'avocat, après avoir reçu la formation ou accompli toutes les formalités d'effet équivalent, telles que celles-ci peuvent être imposées par la législation de cet Etat membre.
  § 2. La personne visée au § 1, est tenue :
  1° de s'inscrire conformément à l'article 432 et de fournir au conseil de l'Ordre l'attestation de son inscription auprès de l'autorité compétente de l'état membre d'origine;
  2° de maintenir son inscription auprès de l'autorité compétente de cet Etat;
  3° d'exercer la profession sous son titre professionnel d'origine.
  L'attestation visée à l'alinéa 1, 1°, ne peut avoir été établie plus de trois mois avant sa production. Elle contient la mention des procédures disciplinaires intentées dans l'état membre d'origine.
  Le conseil de l'Ordre informe l'autorité compétente de l'état membre d'origine de l'inscription.
  § 3. Dans tous les documents et pièces, y compris sur supports électroniques, utilisés dans le cadre de son activité professionnelle, l'intéressé mentionne :
  a) le barreau auquel il est inscrit;
  b) son titre professionnel d'origine;
  c) l'organisation professionnelle dont il relève dans l'état membre d'origine ou la juridiction auprès de laquelle il est admis en application de la législation de l'état membre d'origine.
  Le titre professionnel d'origine et les mentions visées à l'alinéa 1, sont indiques dans la ou l'une des langues officielles de l'état membre d'origine et au moins dans la ou les langues de l'arrondissement judiciaire dans lequel est établi le barreau auprès duquel il est inscrit.
Art. 477sexies. <W 2001-11-22/39, art. 18, 096; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. De in artikel 477quinquies bedoelde personen kunnen in België dezelfde beroepswerkzaamheden uitoefenen als leden van Belgische balies.
  Voor handelingen van vertegenwoordiging en verdediging in rechte moeten zij evenwel optreden in samenwerking met een advocaat die is ingeschreven op het tableau. Voor de terechtzitting wordt hij door die advocaat voorgesteld aan de voorzitter van het gerecht waarbij hij optreedt.
  § 2. De beroepswerkzaamheden van de in artikel 477quinquies bedoelde personen worden uitgeoefend met inachtneming van de beroepsregels, van welke oorsprong ook, die in België van toepassing zijn, zulks onverminderd de beroeps- en gedragsregels waaraan zij in de lidstaat van herkomst zijn onderworpen.
  § 3. De raad van de Orde kan onder de voorwaarden die hij stelt de in artikel 477quinquies bedoelde personen verplichten hun beroepsaansprakelijkheid te dekken door een beroepsaansprakelijkheidsverzekering.
  In voorkomend geval wordt met het bestaan van een verzekering of van een garantie overeenkomstig de regels van de lidstaat van herkomst rekening gehouden indien zij een gelijkwaardige dekking biedt als die bedoeld in het eerste lid.
  Indien de dekking slechts gedeeltelijk gelijkwaardig is, kan de raad van de Orde met betrekking tot de elementen die niet zijn gedekt door een verzekering of garantie aangegaan in de lidstaat van herkomst, een verzekering of, indien de persoon het vraagt, een aanvullende garantie eisen.
  § 4. De uitoefening van het beroep van advocaat bij de in artikel 477quinquies bedoelde personen, is onverenigbaar met alle bezoldigde betrekkingen of werkzaamheden, openbare of particuliere, tenzij ze noch de onafhankelijkheid van de advocaat, noch de waardigheid van de balie in gevaar brengen.
Art. 477sexies. <L 2001-11-22/39, art. 18, 096; En vigueur : 30-12-2001> § 1. Toute personne visée à l'article 477quinquies peut accomplir en Belgique les mêmes activités professionnelles que les membres des barreaux belges.
  Pour les actes de représentation et de défense en justice, celle-ci est cependant tenue d'agir de concert avec un avocat inscrit au tableau. Celui-ci l'introduit, avant l'audience, auprès du président de la juridiction devant laquelle elle se présente.
  § 2. Les activités professionnelles des personnes visées à l'article 477quinquies sont exercées selon les règles, quelle qu'en soit la source, qui régissent la profession en Belgique, sans préjudice des règles professionnelles et déontologiques auxquelles elles sont soumises dans l'état membre d'origine.
  § 3. Le conseil de l'Ordre peut imposer aux personnes visées à l'article 477quinquies que leur responsabilité professionnelle en Belgique soit couverte par une assurance, aux conditions qu'il fixe.
  Il est tenu compte, le cas échéant, de l'existence d'une assurance ou d'une garantie souscrite selon les règles de l'état membre d'origine, dans la mesure où elle offre une couverture équivalente à celle visée à l'alinéa 1.
  Lorsque l'équivalence de la couverture n'est que partielle, le conseil de l'Ordre peut exiger la souscription d'une assurance ou, si la personne le demande, d'une garantie complémentaire pour couvrir les éléments qui ne sont pas déjà couverts par l'assurance ou la garantie souscrite dans l'état membre d'origine.
  § 4. L'exercice de la profession d'avocat par les personnes visées à l'article 477quinquies est incompatible avec les emplois et activités rémunérés, publics ou privés, à moins qu'ils ne mettent en péril ni l'indépendance de l'avocat ni la dignité du barreau.
Art. 477septies. <INGEVOEGD bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> De bepalingen van de hoofdstukken IV en V van Titel I van Boek III zijn van toepassing op de personen bedoeld in artikel 477quinquies, zulks onverminderd de beroeps- en gedragsregels waaraan zij in de lidstaat van herkomst zijn onderworpen.
  Alvorens een tuchtprocedure ten aanzien van voornoemde personen in te stellen, geeft (de stafhouder van de Orde waarbij zij zijn ingeschreven, of de voorzitter van de tuchtraad,), daarvan zo spoedig mogelijk kennis aan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst, verstrekt deze staat schriftelijk alle dienstige inlichtingen, inzonderheid over het betrokken tuchtdossier, de toepasselijke procedureregels en de termijnen om beroep in te stellen, en treft de nodige schikkingen om die autoriteit de mogelijkheid te bieden haar opmerkingen kenbaar te maken voor de beroepsinstanties. Hij geeft haar schriftelijk kennis van iedere beslissing. <W 2006-06-21/36, art. 34, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  Het tijdelijke of het definitieve verbod om het beroep van advocaat in de lidstaat van herkomst uit te oefenen heeft van rechtswege het tijdelijke of het definitieve verbod dat beroep in België uit te oefenen tot gevolg.
Art. 477septies. Les dispositions des chapitres IV et V du Titre I du Livre III sont applicables aux personnes visées à l'article 477quinquies, sans préjudice des règles professionnelles et déontologiques auxquelles elles sont soumises dans l'état membre d'origine.
  Préalablement à l'ouverture d'une procédure disciplinaire à l'encontre de ces personnes, (le bâtonnier de l'Ordre auprès duquel elles sont inscrites, ou le président du conseil de discipline,) en informe dans les plus brefs délais l'autorité compétente de l'état membre d'origine, lui donne par écrit toutes informations utiles, notamment sur le dossier disciplinaire en cause, les règles de procédure applicables ainsi que les délais de recours, et prend les dispositions nécessaires afin que cette autorité soit en mesure de faire des observations devant les instances de recours. Il lui communique, par écrit, toute décision prise. <L 2006-06-21/36, art. 34, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  L'interdiction temporaire ou définitive d'exercer la profession d'avocat dans l'état membre d'origine entraîne de plein droit l'interdiction temporaire ou définitive de l'exercer en Belgique.
Art. 477octies. <INGEVOEGD bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Eén of meer personen ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie en leden van éénzelfde groep in de lidstaat van herkomst mogen hun beroepswerkzaamheden in België uitoefenen in het kader van een filiaal of een bijkantoor. Indien de basisregels die op deze groep in de lidstaat van herkomst van toepassing zijn evenwel onverenigbaar zijn met de basisregels die voortvloeien uit de wettelijke of reglementaire Belgische bepalingen, zijn laatstgenoemde bepalingen van toepassing voor zover de naleving ervan door het algemeen belang dat met de bescherming van de cliënt en van derden is gemoeid, wordt gerechtvaardigd.
  § 2. Twee of meer personen afkomstig uit éénzelfde groep of éénzelfde lidstaat van herkomst en die ingeschreven zijn op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie kunnen hun beroep in groepsverband uitoefenen onder de voorwaarden bepaald voor de advocaten ingeschreven op het tableau van een Belgische Orde.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn eveneens van toepassing op de beroepsuitoefening in groepsverband in België :
  a) van meerdere personen die hun beroep uitoefenen onder hun oorspronkelijke beroepstitel en uit verschillende lidstaten komen;
  b) van één of meer personen bedoeld onder a) hierboven en één of meer advocaten ingeschreven op het tableau van een Belgische Orde.
  § 4. De persoon die onder zijn oorspronkelijke beroepstitel werkzaam wenst te zijn stelt de Orde waar hij zijn inschrijving vraagt overeenkomstig artikel 477quinquies in kennis van het feit dat hij in de lidstaat van herkomst deel uitmaakt van een groep en verstrekt over die groep alle dienstige inlichtingen.
  § 5. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 4 kan de raad van de Orde waar de persoon is ingeschreven of zijn inschrijving vraagt op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie, hem het recht ontzeggen in België, het beroep van advocaat uit te oefenen in hoedanigheid van lid van een groep waarvan buiten het beroep staande personen deel uitmaken.
  De groep bedoeld in het eerste lid bestaat uit buiten het beroep staande personen indien ten minste aan één van de volgende voorwaarden is voldaan :
  1° het geheel of een deel van het kapitaal van de groep is in handen van personen die niet de hoedanigheid van advocaat bezitten in de zin van de bepalingen van dit Wetboek;
  2° de benaming waaronder de groep werkzaam is wordt gebruikt door de personen bedoeld in 1°;
  3° de zeggenschap binnen de groep wordt feitelijk of rechtens uitgeoefend door de personen bedoeld in 1°.
  De raad van Orde van elk arrondissement kan zich eveneens verzetten tegen de opening van een filiaal of een bijkantoor of een agentschap van een groep van advocaten die zich wensen in te schrijven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie indien blijkt dat deze groep van advocaten buiten het beroep staande personen omvat in de zin van het lid hierboven.
  § 6. De personen ingeschreven op de lijst van de advocaten die hun beroep uitoefenen onder de beroepstitel van een andere lidstaat van de Europese Unie die lid zijn van een groep kunnen, in alle documenten en stukken, daaronder begrepen die op elektronische dragers, die betrokkene in het kader van zijn beroepswerkzaamheden aanwendt, de benaming van de groep waartoe zij behoren in de lidstaat van herkomst vermelden. In dat geval vermelden zij de rechtsvorm van de groep in de lidstaat van herkomst alsook, in voorkomend geval, de namen van de leden van de groep die het beroep van advocaat in België uitoefenen.
Art. 477octies. § 1. Une ou plusieurs personnes inscrites à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne et membres d'un même groupe dans l'état membre d'origine, peuvent pratiquer leur activité professionnelle en Belgique dans le cadre d'une succursale ou d'un cabinet secondaire. Toutefois, si les règles fondamentales qui régissent ce groupe dans l'état membre d'origine sont incompatibles avec les règles fondamentales découlant des dispositions législatives ou réglementaires belges, ces dernières dispositions s'appliquent dans la mesure où leur respect est justifié par l'intérêt général consistant en la protection du client et des tiers.
  § 2. Deux ou plusieurs personnes provenant d'un même groupe ou d'un même état membre d'origine et inscrites à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne peuvent exercer leur profession en groupe, aux conditions fixées pour les avocats inscrits au tableau d'un Ordre belge.
  § 3. Les §§ 1 et 2 sont également applicables à l'exercice en commun de la profession en Belgique :
  a) entre plusieurs personnes exerçant sous leur titre professionnel d'origine et provenant d'états membres différents;
  b) entre une ou plusieurs personnes visées au point a) et un ou plusieurs avocats inscrits au tableau d'un Ordre belge.
  § 4. La personne voulant exercer sous son titre professionnel d'origine informe le barreau auprès duquel elle sollicite son inscription, conformément à l'article 477quinquies, du fait qu'elle est membre d'un groupe dans un état membre d'origine et donne toutes les informations utiles relatives à ce groupe.
  § 5. Par dérogation aux §§ 1 à 4, le conseil de l'Ordre auprès duquel une personne est inscrite ou sollicite son inscription à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne, peut lui refuser d'exercer la profession en Belgique en qualité de membre d'un groupe comportant des personnes extérieures à la profession
  Le groupe visé à l'alinéa 1, comporte des personnes extérieures à la profession si au moins une des conditions suivantes est remplie :
  1° le capital de celui-ci est détenu en tout ou en partie par des personnes n'ayant pas la qualité d'avocat au sens des dispositions du présent Code;
  2° la dénomination sous laquelle il exerce est utilisée par des personnes visées au 1°;
  3° le pouvoir de décision y est exercé, en fait ou en droit, par des personnes visées au 1°.
  Le conseil de l'Ordre de chaque arrondissement peut également s'opposer à l'ouverture d'une succursale ou d'un cabinet secondaire d'avocats désireux de s'inscrire à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne s'il apparaît que ce groupe d'avocats comporte des personnes extérieures à la profession, au sens de l'alinéa précédent.
  § 6. Les personnes inscrites à la liste des avocats qui exercent leur profession sous le titre professionnel d'un autre état membre de l'Union européenne qui sont membres d'un groupe peuvent, dans tous les documents et pièces, y compris sur support électronique, utilisés dans le cadre de leur activité professionnelle, faire mention de la dénomination du groupe dont elles sont membres dans l'état membre d'origine. Dans ce cas, elles indiquent la forme juridique du groupe dans l'état membre d'origine ainsi que, le cas échéant, les noms des membres du groupe exerçant la profession d'avocat en Belgique.
Art. 477nonies. <INGEVOEGD bij W 2001-11-22/39, art. 18; Inwerkingtreding : 30-12-2001> § 1. Benevens de personen bedoeld in de artikelen 428bis en volgende, kunnen de personen bedoeld in artikel 477quinquies die aan de raad van de Orde bewijzen dat zij in België gedurende ten minste drie jaar werkelijk en regelmatig een werkzaamheid op het stuk van het Belgisch recht, met inbegrip van het gemeenschapsrecht, hebben verricht, de titel van advocaat voeren, dat beroep uitoefenen en met het oog daarop om hun inschrijving op het tableau verzoeken overeenkomstig artikel 432 en de eed afleggen bedoeld in artikel 429. Daartoe bezorgen zij de raad van de Orde alle nodige inlichtingen en stukken betreffende het aantal en de aard van de behandelde dossiers.
  De raad van de Orde gaat na of de kandidaten bedoeld in het eerste lid de werkzaamheid werkelijk en regelmatig hebben uitgeoefend en verzoekt hen, indien nodig, mondeling of schriftelijk nadere gegevens te verstrekken.
  Onder de werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid wordt de werkelijke uitoefening verstaan van de werkzaamheid zonder andere onderbrekingen dan die voortvloeiend uit de gebeurtenissen van het dagelijkse leven.
  § 2. Benevens de personen bedoeld in de artikelen 428bis en volgende, kunnen de personen bedoeld in artikel 477quinquies die bewijzen dat zij in België gedurende ten minste drie jaar werkelijk en regelmatig een werkzaamheid hebben verricht, maar voor een kortere duur met betrekking tot het Belgisch recht, eveneens de titel van advocaat voeren, dat beroep uitoefenen en met het oog daarop om hun inschrijving op het tableau verzoeken overeenkomstig artikel 432 en de eed afleggen bedoeld in artikel 429, op voorwaarde dat de raad van de Orde terzake gunstig oordeelt.
  Daartoe bezorgen zij de raad van de Orde alle nodige inlichtingen en stukken, onder meer die betreffende de behandelde dossiers.
  De raad van de Orde houdt rekening met de werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid gedurende de periode bedoeld in het eerste lid, met de kennis en de beroepservaring op het stuk van het Belgisch recht, alsook met de deelname aan cursussen of studiedagen over het Belgisch recht, daaronder begrepen de beroeps- en gedragsregels.
  De in België werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid en de bekwaamheid om haar voort te zetten worden beoordeeld tijdens een gesprek met de stafhouder van de Orde. Deze laatste brengt daarover verslag uit bij de raad.
  Onder de werkelijk en regelmatig uitgeoefende werkzaamheid wordt de werkelijke uitoefening verstaan van de werkzaamheid zonder andere onderbrekingen dan die voortvloeiend uit de gebeurtenissen van het dagelijkse leven.
  § 3. De raad van de Orde is de autoriteit bevoegd om de verzoeken van de kandidaten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 in ontvangst te nemen.
  De verzoeken en documenten bedoeld in de paragrafen 1 en 2 moeten worden gesteld in de taal of een van de talen van het gerechtelijk arrondissement waar de Orde gevestigd is waaraan de kandidaten hun verzoek richten of gaan vergezeld van een eensluidend verklaarde vertaling in die taal.
  § 4. De inschrijving op het tableau kan slechts worden geweigerd indien het bewijs van de gestelde voorwaarden niet is geleverd of indien blijkt dat afbreuk wordt gedaan aan de openbare orde, onder meer wegens een tuchtprocedure, klachten of incidenten.
  § 5. De personen bedoeld in de §§ 1 en 2 die hun inschrijving hebben verkregen, kunnen naast de titel van advocaat gebruik maken van hun oorspronkelijke beroepstitel indien zij hun inschrijving bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst handhaven. Deze titel wordt vermeld in de officiële taal of in een van de officiële talen van die laatste staat.
Art. 477nonies. § 1. Outre les personnes visées aux articles 428bis et suivants, peuvent porter le titre d'avocat, en exercer la profession et dans ce but solliciter leur inscription au tableau, conformément à l'article 432, et prêter le serment visé à l'article 429, les personnes visées à l'article 477quinquies qui justifient d'une activité effective et régulière d'une durée minimale de trois ans en Belgique et dans le domaine du droit belge, y compris le droit communautaire, à la condition de fournir au conseil de l'Ordre la preuve de cette activité. A cet effet, elles lui présentent toutes informations et tous documents utiles, notamment, concernant le nombre et la nature des dossiers traités.
  Le conseil de l'Ordre vérifie le caractère effectif et régulier de l'activité exercée par les candidats visés à l'alinéa 1 et, en cas de besoin, les invite à fournir des précisions oralement ou par écrit.
  L'activité effective et régulière est l'exercice réel de l'activité, sans interruption autre que celles résultant des événements de la vie courante.
  § 2. Outre les personnes visées aux articles 428bis et suivants, peuvent également porter le titre d'avocat, en exercer la profession et dans ce but solliciter leur inscription au tableau, conformément à l'article 432, et prêter le serment visé à l'article 429, les personnes visées à l'article 477quinquies qui justifient d'une activité effective et régulière d'une durée minimale de trois ans en Belgique mais d'une durée moindre dans le domaine du droit belge, à la condition d'obtenir une appréciation favorable du conseil de l'Ordre.
  Elles présentent au conseil de l'Ordre toutes informations et tous documents utiles, notamment concernant les dossiers traités.
  Le conseil de l'Ordre prend en considération l'activité effective et régulière pendant la période visée à l'alinéa 1 ainsi que toute connaissance et toute expérience professionnelle en droit belge et toute participation à des cours ou séminaires portant sur le droit belge, y compris le droit professionnel et la déontologie.
  L'activité effective et régulière développée en Belgique et la capacité à poursuivre l'activité exercée sont appréciées lors d'un entretien avec le bâtonnier de l'Ordre. Celui-ci en fait rapport au conseil.
  L'activité effective et régulière est l'exercice réel de l'activité, sans interruption autre que celles résultant des événements de la vie courante.
  § 3. Le conseil de l'Ordre est l'autorité habilitée à recevoir les demandes des candidats visés aux §§ 1 et 2.
  Les demandes et documents visés aux §§ 1 et 2 sont rédigés dans la langue ou l'une des langues de l'arrondissement judiciaire dans lequel est établi l'Ordre auquel les candidats adressent leur demande, ou accompagnés d'une traduction certifiée conforme dans cette langue.
  § 4. L'inscription au tableau ne peut être refusée que si la preuve des conditions requises n'est pas rapportée ou s'il apparaît que l'ordre public serait atteint en raison, notamment, de poursuites disciplinaires, plaintes ou incidents.
  § 5. Les personnes visées aux §§ 1 et 2, qui ont obtenu leur inscription peuvent, outre le titre d'avocat, faire usage de leur titre professionnel d'origine si elles maintiennent leur inscription auprès de l'autorité compétente de cet Etat. Ce titre est indiqué dans la ou l'une des langues officielles de l'état membre d'origine.
TITEL II. - Advocaten bij het Hof van Cassatie.
TITRE II. - Des avocats à la cour de cassation.
Art. 478. (Voor het Hof van Cassatie kunnen in burgerlijke zaken alleen advocaten optreden en conclusies nemen, die de titel van advocaat bij het Hof van Cassatie voeren. De voorgaande bepaling geldt niet voor de burgerlijke partij in strafzaken. Het aantal advocaten wordt, na advies van het Hof van Cassatie, bepaald door de Koning, die hen benoemt uit een lijst van drie kandidaten, (voorgesteld door de commissie bedoeld bij artikel 478bis)). <W 1997-05-06/38, art. 23, 052; Inwerkingtreding : 05-07-1997> <W 2005-12-27/34, art. 2, 130 ; Inwerkingtreding : onbepaald en ten laatste : 16-01-2007>
  (De kandidaten moeten ten minste tien jaar bij de balie (ingeschreven geweest zijn) en geslaagd zijn in het examen georganiseerd door de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie). <W 2005-12-27/34, art. 2, 130 ; Inwerkingtreding : 16-01-2007> <L 2006-12-27/33, art. 85, 144; Inwerkingtreding : 01-01-2007>
  Alvorens de advocaten bij het Hof van Cassatie hun ambt aanvaarden, leggen zij vóór het hof de in artikel 429 voorgeschreven eed af.
Art. 478. (Le droit de postuler et de conclure devant la Cour de cassation appartient exclusivement, en matière civile, à des avocats qui portent le titre d'avocats à la Cour de cassation. La disposition qui précède ne s'applique pas à la partie civile en matière pénale. Le nombre des avocats, après avis de la Cour de cassation, est fixé par le Roi qui les nomme sur une liste de trois candidats (proposée par la commission visée à l'article 478bis)). <L 1997-05-06/38, art. 23, 052; En vigueur : 05-07-1997> <L 2005-12-27/34, art. 2, 130 ; En vigueur : indéterminée et au plus tard : 16-01-2007>
  (Pour être candidat, il faut avoir été inscrit au barreau pendant dix ans au moins et avoir réussi l'examen organisé par l'Ordre des avocats à la Cour de cassation). <L 2005-12-27/34, art. 2, 130 ; En vigueur : 16-01-2007>
  Avant d'entrer en fonction, les avocats à la Cour de cassation prêtent, devant la Cour, le serment prescrit à l'article 429.
Art. 478bis. <INGEVOEGD bij W 2005-12-06/57, art. 3; Inwerkingtreding : 26-01-2006> § 1. Er wordt een adviescommissie opgericht voor de benoemingen van de advocaten bij het Hof van Cassatie, in deze titel " de commissie " genoemd.
  § 2. De commissie wordt samengesteld als volgt :
  1° een advocaat, aangewezen door de " Ordre des barreaux francophones et germanophone ";
  2° een advocaat, aangewezen door de Orde van Vlaamse balies;
  3° een magistraat van de zetel van het Hof van Cassatie, aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
  4° een magistraat van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie, aangewezen door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;
  5° twee advocaten, ingeschreven bij de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie, aangewezen door de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie;
  6° een houder van een leeropdracht of een hoogleraar rechten, benoemd in een universiteit die afhangt van de Franse Gemeenschap, door de Koning aangewezen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad;
  7° een houder van een leeropdracht of een hoogleraar rechten, benoemd in een universiteit die afhangt van de Vlaamse Gemeenschap, door de Koning aangewezen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De Koning legt de nadere regels vast voor de toepassing van deze paragraaf.
  § 3. De commissie telt evenveel Franstalige als Nederlandstalige leden.
  Voor elk gewoon lid wordt er een plaatsvervangend lid aangewezen [1 dat dezelfde taal spreekt]1.
  Het mandaat van de gewone en plaatsvervangende leden bedraagt vier jaar en is hernieuwbaar.
  § 4. De commissie wijst in haar midden en voor een periode van twee jaar haar voorzitter en haar ondervoorzitter aan, die de voorzitter in voorkomend geval vervangt, evenals een secretaris, met respect voor een Nederlandstalige en een Franstalige alternatie.
  Ze stelt haar huishoudelijk reglement op.
  § 5. De opdracht van de commissie bestaat uit het voorstellen van kandidaten voor de functie van advocaat bij het Hof van Cassatie.
  § 6. Om rechtsgeldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van de commissie aanwezig zijn. Indien een gewoon lid afwezig of verhinderd is, vervangt zijn plaatsvervanger hem. De beslissingen worden bij drievierde meerderheid van stemmen genomen.
  § 7. Het is de leden van de commissie verboden om een advies te uiten tijdens een beraadslaging waarbij zij persoonlijk of rechtstreeks belang hebben, of :
  1° indien ze een advies moeten uitbrengen over een kandidaat waarmee ze een familiale of verwantschapsband hebben;
  2° indien een lid de hoedanigheid heeft of had van werkgever, stagemeester of medewerker van een kandidaat of indien hij op deze beroepsmatig gezag uitoefent of heeft uitgeoefend.
  § 8. De Koning bepaalt de administratieve en financiële middelen die worden toegekend aan de commissie.
  
Art. 478bis. § 1er. Il est institué une commission d'avis pour les nominations des avocats à la Cour de cassation, dénommée dans ce titre " la commission ".
  § 2. La commission est composée comme suit :
  1° un avocat désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone;
  2° un avocat désigné par l' " Orde van Vlaamse balies ";
  3° un magistrat du siège de la Cour de cassation désigné par le premier président de la Cour de cassation;
  4° un magistrat du parquet général près la Cour de cassation désigné par le procureur général près la Cour de cassation;
  5° deux avocats inscrits à l'Ordre des avocats à la Cour de cassation, désignés par l'Ordre des avocats à la Cour de cassation;
  6° un chargé de cours ou un professeur d'université de droit nommé dans une université dépendant de la Communauté française, désigné par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres;
  7° un chargé de cours ou un professeur d'université de droit nommé dans une université dépendant de la Communauté flamande, désigné par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
  Le Roi fixe les modalités d'application du présent paragraphe.
  § 3. La commission comporte autant de membres d'expression française que d'expression néerlandaise.
  Pour chaque membre effectif il est désigné un membre suppléant [1 de même expression]1.
  Le mandat des membres effectifs et suppléants à une durée de 4 ans et est renouvelable.
  § 4. La commission désigne en son sein et pour une période de deux ans son président et son vice-président, qui remplace le président le cas échéant, ainsi qu'un secrétaire, en respectant une alternance néerlandophone et francophone.
  Elle établit son règlement d'ordre intérieur.
  § 5. La mission de la commission est de proposer des candidats à la fonction d'avocat à la Cour de cassation.
  § 6. Pour délibérer et prendre des décisions valablement, la majorité des membres de la commission doit être présente. En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace. Les décisions sont prises à la majorité des trois quarts des voix.
  § 7. Il est interdit aux membres de la commission d'émettre un avis lors d'une délibération dans laquelle ils ont un intérêt personnel ou direct, ou :
  1° s'ils ont à émettre un avis sur un candidat avec lequel ils ont un lien de parenté ou d'alliance;
  2° si un membre a ou a eu la qualité d'employeur, de maître de stage ou de collaborateur d'un candidat ou s'il exerce ou a exercé une autorité sur celui-ci sur le plan professionnel.
  § 8. Le Roi fixe les moyens administratifs et financiers alloués à la commission.
  
Art. 478ter. <INGEVOEGD bij W 2005-12-27/34, art. 4 ; Inwerkingtreding : 16-01-2007> § 1. Uiterlijk dertig dagen nadat een plaats van advocaat bij het Hof van Cassatie vrijkomt, informeert de stafhouder van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie de minister van Justitie, de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie hiervan.
  § 2. Binnen 30 dagen na deze mededeling maakt de minister van Justitie deze vacature bekend in het Belgisch Staatsblad.
  § 3. De kandidaturen worden aan de minister van Justitie gericht binnen negentig dagen vanaf de datum van bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
  Na advies van de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie, worden de vorm van de kandidaatstelling, de inhoud, de bijlagen en de nadere regels voor de neerlegging door de Koning vastgelegd.
  § 4. Na het verstrijken van de termijn bedoeld bij de vorige paragraaf, zendt de minister van Justitie de kandidaturen door naar de commissie.
  § 5. De commissie beschikt over een termijn van zestig dagen vanaf de verzending van de kandidaturen door de minister van Justitie om een lijst van drie kandidaten per openstaande plaats voor te stellen.
  Wordt geen voorstel meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn, dan kan de minister van Justitie vanaf de zestigste dag tot de vijfenzeventigste dag na de verzending van de kandidaturen, de commissie bij ter post aangetekende brief aanmanen een voorstel te doen. De commissie beschikt over vijftien dagen vanaf de verzending van de aanmaning om vooralsnog een voorstel te doen.
  Wordt geen voorstel meegedeeld binnen de voorgeschreven termijn of binnen de ingevolge aanmaning verlengde termijn, dan brengt de minister van Justitie dit binnen vijftien dagen bij een ter post aangetekende brief ter kennis van de kandidaten en wordt een nieuwe oproep tot de kandidaten in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
Art. 478ter. § 1er. Au plus tard trente jours après qu'un poste d'avocat à la Cour de cassation soit vacant, le bâtonnier de l'Ordre des avocats à la Cour de cassation en informe le ministre de la Justice, le premier président de la Cour de cassation et le procureur général près la Cour de cassation.
  § 2. Dans les trente jours qui suivent cette communication, le ministre de la Justice publie la vacance au Moniteur belge.
  § 3. Les candidatures sont adressées au ministre de la Justice dans les nonante jours à dater de la publication de la vacance au Moniteur belge.
  La forme de l'acte de candidature, son contenu, ses annexes et les modalités de son dépôt sont établis par le Roi après avis de l'Ordre des avocats à la Cour de cassation.
  § 4. A la fin du délai visé au paragraphe précédent, le ministre de la Justice transmet les candidatures à la commission.
  § 5. La commission dispose d'un délai de soixante jours à compter de l'envoi des candidatures par le ministre de la Justice pour proposer une liste de trois candidats par poste vacant.
  Si aucune proposition n'est communiquée dans le délai prescrit, le ministre de la Justice peut, à compter du soixantième jour et jusqu'au septante-cinquième jour de l'envoi des candidatures, enjoindre à la commission par lettre recommandée à la poste de faire une proposition. La commission dispose de quinze jours à compter de l'envoi de l'injonction pour faire une proposition.
  Si aucune proposition n'est communiquée dans le délai prescrit ou dans le délai prolongé à la suite de l'injonction, le ministre de la Justice en informe dans les quinze jours les candidats par lettre recommandée à la poste et un nouvel appel aux candidats est publié au Moniteur belge.
Art. 479. In alle zaken die aan het hof worden onderworpen, vertegenwoordigt de advocaat bij het Hof van Cassatie de partij op geldige wijze zonder dat hij van enige volmacht moet doen blijken.
  De advocaten bij het Hof van Cassatie hebben het recht te pleiten vóór alle gerechten van het Rijk.
Art. 479. En toutes matières soumises à la cour, l'avocat à la Cour de cassation représente valablement la partie sans avoir à justifier d'une procuration.
  Les avocats à la Cour de cassation ont le droit de plaider devant toutes les juridictions du Royaume.
Art. 480. Indien een partij in burgerlijke zaken geen bijstand van een advocaat bij het Hof van Cassatie verkrijgt, stelt de stafhouder van de Orde ambtshalve een advocaat aan, indien daartoe grond bestaat, een en ander onverminderd de bepalingen inzake rechtsbijstand.
Art. 480. Si, en matière civile, une partie n'obtient pas l'assistance d'un avocat à la Cour de cassation, le bâtonnier de l'Ordre commet un avocat d'office, s'il y a lieu, le tout sans préjudice des dispositions en matière d'assistance judiciaire.
Art. 481. De advocaten bij het Hof van Cassatie vormen de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie; de leiding berust bij het hoofd van de Orde, dat de titel van stafhouder voert; er is in de Orde een tuchtraad, bestaande uit vijf leden, de stafhouder daaronder begrepen. De algemene vergaderingen worden bijeengeroepen hetzij door de stafhouder, hetzij door de procureur-generaal.
Art. 481. Les avocats à la Cour de cassation forment l'Ordre des avocats à la Cour de cassation; à sa tête se trouve le chef de l'Ordre qui porte le titre de bâtonnier; l'Ordre comprend un conseil de discipline composé de cinq membres dont le bâtonnier. Les assemblées générales sont convoquées soit par le bâtonnier, soit par le procureur général.
Art. 482. Ieder jaar tijdens de laatste maand van het gerechtelijk jaar komen de advocaten bij het Hof van Cassatie in algemene vergadering bijeen om bij afzonderlijke stemmingen eerst de stafhouder, bij volstrekte meerderheid, en vervolgens de leden van de raad van de Orde, bij betrekkelijke meerderheid, te verkiezen.
  Deze vergadering wordt voorgezeten door de oudste advocaat in jaren, bijgestaan als secretaris door de jongste advocaat in jaren.
  Indien bij de stemming voor de verkiezing van de stafhouder geen volstrekte meerderheid wordt bereikt, heeft in een latere vergadering een herstemming plaats over de twee kandidaten op wie het grootste aantal stemmen is uitgebracht.
  Indien bij de herstemming de stemmen staken, is de kandidaat verkozen die het eerst voorkomt in de orde van de lijst.
  Voor een geldige beslissing van de algemene vergadering en van de tuchtraad moet de meerderheid van de leden tegenwoordig zijn.
Art. 482. Les avocats à la Cour de cassation se réunissent tous les ans en assemblée générale, au cours du dernier mois de l'année judiciaire, pour élire par scrutins séparés, d'abord le bâtonnier, à la majorité absolue, et ensuite les membres du conseil de l'Ordre à la majorité relative.
  Cette assemblée est présidée par l'avocat le plus âgé, assisté en qualité de secrétaire du plus jeune des avocats.
  Si le scrutin pour l'élection du bâtonnier ne produit pas la majorité absolue, il est procédé, lors d'une assemblée ultérieure de l'Ordre, à un scrutin de ballottage entre les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix.
  Si, au second tour de scrutin, des candidats obtiennent le même nombre de voix, le plus ancien dans l'ordre du tableau est élu.
  Pour délibérer valablement, l'assemblée générale et le conseil de discipline doivent réunir la majorité de leurs membres.
Art. 483. Behoudens het bepaalde in artikel 482, zit de stafhouder de algemene vergadering van de advocaten en de raad van de Orde voor.
  Is de stafhouder overleden of verhinderd, dan wordt hij voorlopig vervangen door het op het tableau oudstingeschreven lid van de raad van de Orde.
Art. 483. Sauf ce qui est dit à l'article 482, le bâtonnier préside l'assemblée générale des avocats et le conseil de l'Ordre.
  En cas de décès ou d'empêchement du bâtonnier, il est remplacé provisoirement par le membre du conseil de l'Ordre le plus ancien dans l'ordre du tableau.
Art. 484. Het tableau waarop de advocaten bij het Hof van Cassatie zijn ingeschreven volgens de orde van hun eedaflegging wordt ieder jaar aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie gezonden.
Art. 484. Le tableau sur lequel les avocats à la Cour de cassation sont inscrits selon l'ordre de leur prestation de serment, est envoyé chaque année au procureur général près la Cour de cassation.
Art. 484bis. <INGEVOEGD bij W 2001-07-04/41, art. 13; Inwerkingtreding : 25-07-2001> In de betrekkingen tussen de advocaten bij het Hof van Cassatie en de leden van de onderscheiden balies, moeten de voor deze laatsten toepasselijke reglementen, als bedoeld in artikel 496, in acht worden genomen.
  In de betrekkingen tussen de advocaten bij het Hof van Cassatie onderling, gelden de door de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie vastgestelde regels en reglementen.
Art. 484bis. Les relations entre les avocats à la Cour de cassation et les membres des différents barreaux sont régies par les règlements visés à l'article 496, applicables à ces derniers.
  Les relations entre les avocats à la Cour de cassation sont régies par les règles et règlements arrêtés par l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation.
Art. 485. In tuchtzaken kan de raad van de Orde, naar gelang van het geval, waarschuwen, censureren of berispen.
  De procureur-generaal kan zich een uitgifte van alle beraadslagingen der algemene vergadering en van alle beslissingen van de raad van de Orde doen afgeven.
  Het recht tot schorsing of schrapping komt toe aan de Koning.
Art. 485. En matière disciplinaire, le conseil de l'Ordre peut, suivant l'exigence des cas, avertir, censurer ou réprimander.
  Le procureur général peut se faire délivrer expédition de toutes les délibérations de l'assemblée générale et de toutes les décisions du conseil de l'Ordre.
  Le droit de suspension ou de radiation appartient au Roi.
Art. 486. De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en de betrokken advocaat hebben beiden het recht tegen een beslissing van de raad van de Orde hoger beroep in te stellen binnen vijftien dagen na de dag waarop van de beslissing kennis is gegeven.
  Het hoger beroep wordt voor het Hof van Cassatie gebracht; het wordt ingesteld bij verzoekschrift gericht aan de eerste voorzitter; een afschrift van dat verzoekschrift wordt binnen acht dagen aan de stafhouder gestuurd; de betrokken partijen worden door de griffier opgeroepen om in raadkamer te worden gehoord; zij kunnen ter griffie inzage nemen van het in hoger beroep gewezen arrest.
Art. 486. Le procureur général à la Cour de cassation et l'avocat intéressé ont, l'un et l'autre, le droit d'interjeter appel d'une sentence du conseil de l'Ordre dans le délai de quinze jours suivant celui de la notification de la sentence.
  L'appel est porté devant la Cour de cassation; il est formé par voie de requête adressée au premier président; une copie de cette requête est envoyée dans le délai de huit jours au bâtonnier; les parties intéressées sont, par les soins du greffier, convoquées pour être entendues en chambre du conseil; elles peuvent prendre connaissance au greffe de l'arrêt rendu sur l'appel.
Art. 487. De regels van titel I, voor zover deze titel er niet van afwijkt, zijn van toepassing op de Orde van advocaten bij het Hof van Cassatie.
Art. 487. Les règles prévues au titre I et auxquelles il n'est pas dérogé par le présent titre s'appliquent à l'Ordre des avocats à la Cour de cassation.
TITEL III. _ (Orde van Vlaamse Balies en Ordre des Barreaux francophones et germanophone.)
TITRE III. - (Ordre des Barreaux francophones et germanophone et Orde van Vlaamse Balies.)
HOOFDSTUK I. - (Algemene bepalingen.)
CHAPITRE I. - (Dispositions générales.)
Art. 488. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> [1 De Orde van advocaten te Waals-Brabant, Charleroi, Dinant, Luik-Hoei, Luxemburg, Bergen, Namen, Doornik, Verviers en Eupen vormen samen met de Franse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel de Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
   De Orde van advocaten te Antwerpen, Oudenaarde, West-Vlaanderen, Gent, Limburg, Leuven en Dendermonde vormen samen met de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel de Orde van Vlaamse Balies.]1

  De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone bezitten rechtspersoonlijkheid en zijn gevestigd te Brussel.
  
Art. 488. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> [1 L'Ordre des Avocats du Brabant Wallon, Charleroi, Dinant, Liège-Huy, Luxembourg, Mons, Namur, Tournai, Verviers et Eupen forment, avec l'Ordre français des Avocats du barreau de Bruxelles, l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
   L'Ordre des Avocats d'Anvers, Audenarde, Flandre occidentale, Gand, Limbourg, Louvain, et Termonde forment, avec l'Ordre néerlandais des Avocats du barreau de Bruxelles, l'Orde van Vlaamse Balies.]1

  L'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies ont la personnalité juridique et ont leur siège à Bruxelles.
  
Art. 489. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De organen van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone zijn :
  1° de algemene vergadering;
  2° de Raad van bestuur.
Art. 489. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Les organes de l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et de l'Orde van Vlaamse Balies sont :
  1° l'assemblée générale;
  2° le Conseil d'administration.
Art. 490. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De stafhouder van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie of zijn vertegenwoordiger, lid van de raad van zijn orde, heeft zitting met raadgevende stem in de algemene vergaderingen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
Art. 490. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Le bâtonnier de l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation ou son représentant, membre du conseil de son ordre, siège aux assemblées générales de l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et de l'Orde van Vlaamse Balies avec voix consultative.
HOOFDSTUK II. - (Organisatie en werking.)
CHAPITRE II. - (Organisation et fonctionnement.)
Art. 491. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De organisatie en de werking van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanaphone worden vastgesteld in een reglement van orde, dat wordt besproken door de balies die er deel van uitmaken, en goedgekeurd door de bevoegde organen bedoeld in artikel 489, en, na advies van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, bekrachtigd door de Koning binnen 30 dagen.
  Het reglement van orde bepaalt minstens :
  1° de samenstelling, de wijze van verkiezing, aanwijzing of benoeming van de leden van de organen bedoeld in artikel 489 en de duur van de mandaten;
  2° de werking en de wijze van beraadslagen met eerbiediging van de vertegenwoordiging van de advocaten van de onderscheiden balies;
  3° de wijze waarop de reglementen aangenomen worden;
  4° de wijze waarop de bijdrage, die de balies jaarlijks dienen te betalen, vastgesteld wordt;
  5° de regels voor het opstellen en aanwenden van de jaarlijkse begroting;
  6° de algemene organisatie van het secretariaat;
  7° de wijze van aanwijzing van de vertegenwoordigers in de wettelijk opgerichte organen.
Art. 491. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Les modalités de l'organisation et du fonctionnement de l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et de l'Orde van Vlaamse Balies sont déterminées dans un règlement d'ordre intérieur, qui est examiné par les barreaux qui en font partie, approuvé par les organes compétents vises à l'article 489, et ratifié par le Roi dans les trente jours, après avis du procureur général près la Cour de cassation.
  Le règlement d'ordre intérieur détermine au moins :
  1° la composition, le mode d'élection, de désignation ou de nomination des membres des organes visés à l'article 489, ainsi que la durée des mandats;
  2° le fonctionnement et le mode de délibération dans le respect de la représentation des avocats des différents barreaux;
  3° le mode d'adoption des règlements;
  4° les modalités de la fixation de la cotisation annuellement due par les barreaux;
  5° les règles régissant l'établissement et l'affectation du budget annuel;
  6° l'organisation générale du secrétariat;
  7° le mode de désignation des représentants au sein des organes crées en vertu de la loi.
Art. 492. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Het reglement van orde bepaalt op welke wijze en met welke meerderheden het kan worden gewijzigd.
Art. 492. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Le règlement d'ordre intérieur détermine les modalités et les majorités requises pour sa modification.
Art. 493. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De Raad van bestuur vertegenwoordigt de orde waartoe hij behoort bij alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen, door toedoen van de voorzitter. Alle gerechtelijke en buitengerechtelijke handelingen worden in naam van de orde verricht.
Art. 493. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Dans tous les actes judiciaires et extrajudiciaires, le Conseil d'administration représente l'ordre auquel il appartient, à la diligence du président. Tous les actes judiciaires et extrajudiciaires sont accomplis au nom de l'ordre.
Art. 494. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De voorzitters van de raden van bestuur vertegenwoordigen de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone in hun betrekkingen met de overheid en de balies.
Art. 494. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Les présidents des conseils d'administration représentent l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies dans leurs rapports avec les pouvoirs publics et les barreaux.
HOOFDSTUK III. - (Bevoegdheden.)
CHAPITRE III. - (Compétences.)
Art. 495. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone hebben, elk voor de balies die er deel van uitmaken, de taak te waken over de eer, de rechten en de gemeenschappelijke beroepsbelangen van hun leden en zijn bevoegd voor de juridische bijstand, de stage, de beroepsopleiding van de advocaten-stagiairs en de vorming van alle advocaten behorende tot de balies die er deel van uitmaken.
  Ze nemen initiatieven en maatregelen die nuttig zijn voor de opleiding, de tuchtrechtelijke regels en de loyauteit in het beroep en voor de behartiging van de belangen van de advocaat en van de rechtzoekende.
  [1 Zij organiseren de permanentiedienst bedoeld in de artikelen 2bis, § 2, en 24bis/1 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis op een wijze die het mogelijk maakt op een zo snel mogelijke manier een advocaat te contacteren, gebruik makend van de moderne communicatiemiddelen, waarbij de verschillende contacten van de gebruikers worden bijgehouden. Een jaarlijkse toelage ten laste van het algemeen budget van de uitgaven van sectie 12 wordt voorzien voor de exploitatiekosten die nodig zijn voor de uitvoering van deze opdracht. De Koning bepaalt de verdere uitvoeringsmodaliteiten hiervan.]1
  Elk van beide kan betreffende die aangelegenheden voorstellen doen aan de bevoegde overheden.
  [2 Indien de wet bepaalt dat de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone gezamenlijk handelen, dan stellen zij daartoe zelf de nadere regels vast.]2
  
Art. 495. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> L'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies ont, chacune en ce qui concerne les barreaux qui en font partie, pour mission de veiller à l'honneur, aux droits et aux intérêts professionnels communs de leurs membres et sont compétentes en ce qui concerne l'aide juridique, le stage, la formation professionnelle des avocats-stagiaires et la formation de tous les avocats appartenant aux barreaux qui en font partie.
  Elles prennent les initiatives et les mesures utiles en matière de formation, de règles disciplinaires et de loyauté professionnelle, ainsi que pour la défense des intérêts de l'avocat et du justiciable.
  [1 Ils organisent la permanence visée aux articles 2bis, § 2, et 24bis/1 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive selon des modalités permettant de contacter un avocat de la façon la plus rapide possible, en faisant usage des moyens de communication modernes, les différents contacts pris par les utilisateurs étant conservés. Une allocation annuelle à charge de la section 12 du budget général des dépenses est prévue pour les coûts d'exploitation nécessaires à l'exécution de cette mission. Le Roi en détermine les autres modalités d'exécution.]1
  Chacune d'elles peut faire, en ces matières, des propositions aux autorités compétentes.
  [2 Lorsque la loi prévoit que l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies agissent conjointement, ils collaborent selon les modalités qu'ils déterminent.]2
  
Art. 496. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Met betrekking tot de bevoegdheden bepaald in artikel 495, stellen de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone passende reglementen vast.
   Met het oog op de betrekkingen tussen de leden van de onderscheiden balies die er deel van uitmaken, bepalen zij de regels en gebruiken van het beroep van advocaat en brengen er eenheid in. Te dien einde, stellen zij passende reglementen vast.
Art. 496. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> L'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies arrêtent des règlements appropriés en ce qui concerne les compétences visées à l'article 495.
  Elles fixent, pour les relations entre les membres des différents barreaux qui en font partie, les règles et usages de la profession d'avocat et les unifient. A cette fin, elles arrêtent des règlements appropriés.
Art. 497. <W 2003-12-22/53, art. 18, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> De reglementen bedoeld in artikel 496 worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt zodra ze volgens de geldende regels zijn aangenomen.
Art. 497. <L 2003-12-22/53, art. 18, 116; En vigueur : 10-01-2004> Les règlements visés à l'article 496 sont publiés au Moniteur belge dès qu'ils ont été adoptés conformément aux règles en vigueur.
Art. 498. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De reglementen, die, overeenkomstig artikel 496, aangenomen zijn, (zijn van toepassing op) alle advocaten van de balies, die ofwel van de Orde van Vlaamse Balies, ofwel van de Ordre des Barreaux francophones et germanophone deel uitmaken, al naar gelang voornoemde reglementen door de ene dan wel door de andere orde werden aangenomen. <W 2003-12-22/53, art. 19, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
Art. 498. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Les règlements, adoptés conformément à l'article 496, (s'appliquent) à tous les avocats des barreaux faisant partie soit de l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone, soit de l'Orde van Vlaamse Balies, suivant que lesdits règlements ont été adoptés par l'une ou par l'autre ordre. <L 2003-12-22/53, art. 19, 116; En vigueur : 10-01-2004>
Art. 499. <W 2001-07-04/41, art. , 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De raden van de Orde van Advocaten van de balies waken over de toepassing van de in voorgaande artikelen bedoelde reglementen. (...). <W 2006-06-21/36, art. 35, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
Art. 499. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Les conseils de l'Ordre des Avocats des barreaux assurent l'application des règlements visés aux articles précédents. (...). <L 2006-06-21/36, art. 35, 135; En vigueur : 01-11-2006>
Art. 500. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Indien op door het reglement van orde bedoeld in artikel 491 bepaalde wijze reglementen worden vastgesteld, zijn deze dwingend voor de balies die tot de betrokken orde behoren, welke voor die aangelegenheden alleen aanvullende reglementen kunnen uitvaardigen.
Art. 500. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Si des règlements sont arrêtés selon les modalités prévues par le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 491, ils s'imposent aux barreaux qui font partie de l'ordre concerné, lesquels ne peuvent, dans ces matières, adopter que des règlements complémentaires.
Art. 501. <W 2003-12-22/53, art. 20, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. De in artikel 611 bedoelde vordering wordt binnen drie maanden na de in artikel 497 bedoelde bekendmaking ingesteld door de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
  Zij wordt ter kennis gebracht aan de Orde van Vlaamse Balies en aan de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone ".
  Dezelfde vordering kan eveneens worden ingesteld, binnen de termijn voorzien in het eerste lid, door een advocaat van de Orde van Vlaamse Balies of van de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " of door iedere persoon die de hoedanigheid en het belang heeft om te vorderen in de zin van de artikelen 17 en 18. In dit geval wordt de vordering ingeleid bij verzoekschrift bij ter post aangetekende brief aan de griffie van het Hof van Cassatie of neergelegd ter griffie. Op straffe van nietigheid bevat het verzoekschrift de middelen en is het ondertekend door een advocaat bij het Hof van Cassatie. De vordering wordt vooraf bij ter post aangetekende brief ter kennis gebracht aan de Orde van Vlaamse Balies en aan de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone ". Het bewijs van deze kennisgeving wordt op straffe van nietigheid aan het verzoekschrift toegevoegd.
  § 2. Tijdens de in § 1 bedoelde termijn en, indien de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie de vordering instelt bedoeld in artikel 611, tot de uitspraak van het arrest worden de toepassing van een reglement en van de in artikel 502, § 1, eerste lid, bedoelde termijn voor het instellen van de vordering geschorst.
  § 3. Wanneer de in § 1 bedoelde vordering is ingesteld, kunnen de Orde van Vlaamse Balies en de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " in de procedure tussenkomen door middel van een verzoekschrift, overeenkomstig artikel 813. Deze tussenkomst moet binnen twee maanden na de in § 1, tweede of derde lid, bedoelde kennisgeving plaatsvinden.
  In dat geval, kunnen de Orde van Vlaamse Balies en de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " nieuwe middelen aanvoeren gegrond op een bevoegdheidsoverschrijding, de strijdigheid met de wetten of de onregelmatige aanneming van het bestreden reglement.
Art. 501. <L 2003-12-22/53, art. 20, 116; En vigueur : 10-01-2004> § 1er. Le recours prévu à l'article 611 est introduit dans les trois mois de la publication visée à l'article 497 par le procureur général près la Cour de cassation.
  Il est notifié à l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et à l'" Orde van Vlaamse Balies ".
  Ce même recours peut également être formé, dans le délai prévu à l'alinéa 1er, par un avocat de l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone ou de l'" Orde van Vlaamse Balies " ou par toute personne ayant qualité et intérêt pour agir au sens des articles 17 et 18. Dans ce cas, le recours est introduit par requête, adressée par pli recommande à la poste au greffe de la Cour de cassation ou déposée au greffe. A peine de nullité, la requête contient l'exposé des moyens et est signée par un avocat à la Cour de cassation. Le recours est préalablement notifié par pli recommandé à la poste à l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et à l'" Orde van Vlaamse Balies ". La preuve de cette notification est, à peine de nullité, jointe à la requête.
  § 2. Durant le délai prévu au § 1er et, si le procureur général près la Cour de cassation introduit le recours prévu à l'article 611, jusqu'au prononcé de l'arrêt, l'application d'un règlement et le délai d'introduction du recours, visé à l'article 502, § 1er, alinéa 1er, sont suspendus.
  § 3. Lorsque le recours, visé au § 1er, est introduit, l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'" Orde van Vlaamse Balies " peuvent intervenir à la procédure par requête, conformément à l'article 813. Cette intervention doit se faire dans les deux mois de la notification visée au § 1er, alinéa 2 ou 3.
  Dans ce cas, l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'" Orde van Vlaamse Balies " peuvent soulever de nouveaux moyens pris du chef d'excès de pouvoir, de la contrariété aux lois ou de l'adoption irrégulière du règlement litigieux.
(NOTA : bij arrest nr 99/2005 van 01-06-2005 (B.St. 21-06-2005, p. 28384-28386), heeft het Arbitragehof in artikel 501, § 1, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de woorden " door een advocaat bij het Hof van Cassatie " vernietigd)
(NOTE : par son arrêt n° 99/2005 du 01-06-2005 (M.B. 21-06-2005, p. 28381-28383), la Cour d'Arbitrage annule, à l'article 501, § 1er, alinéa 3, du Code judiciaire, les mots " par un avocat à la Cour de cassation ")
Art. 502. <W 2003-12-22/53, art. 21, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004> § 1. Onverminderd het bij artikel 505 verplicht gestelde voorafgaande overleg, kunnen de Orde van Vlaamse Balies en de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone " een vordering tot nietigverklaring instellen tegen alle reglementen die, overeenkomstig artikel 496, werden aangenomen. Die vordering wordt ingesteld bij een scheidsgerecht samengesteld uit zeven leden van wie er drie voor een duur van twee jaar worden aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies, en drie, voor een duur van twee jaar, door de " Ordre des Barreaux francophones et germanophone ". Zij wijzen in onderlinge overeenstemming een zevende lid aan, dat het voorzitterschap zal waarnemen. Indien er geen overeenstemming wordt bereikt, wordt het scheidsgerecht voorgezeten door de pro-stafhouder van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie of, zo die verhinderd is, door diens voorganger.
  Als een arbiter dient te worden vervangen, wordt zijn opvolger slechts aangewezen om het oorspronkelijke mandaat te voltooien.
  Het mandaat van arbiter staat open voor advocaten die sedert ten minste vijftien jaar lid zijn van de balie of die gedurende ten minste drie jaar stafhouder of lid zijn geweest van de Raad van de orde van een balie, of die lid zijn geweest van de Raad van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie. De arbiters mogen niet betrokken zijn geweest bij de totstandkoming van de betwiste beslissing.
  § 2. De in § 1 bedoelde vordering kan worden ingesteld tegen alle reglementen die :
  - zouden neerkomen op een bevoegdheidsoverschrijding, strijdig zouden zijn met de wetten of op onregelmatige wijze zouden zijn aangenomen;
  - een gevaar zouden betekenen voor de eer van de Orde van Advocaten en voor de handhaving van de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die aan het beroep van advocaat ten grondslag liggen, zoals omschreven in (artikel 455), eerste lid, en in de internationale deontologische voorschriften. <W 2006-06-21/36, art. 36, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  Als de in artikel 611 bedoelde vordering wordt ingesteld, mag het scheidsgerecht zich niet uitspreken over middelen geput uit een bevoegdheidsoverschrijding, de niet-naleving van de wetten of het onregelmatige aannemen van het aangevochten reglement.
  § 3. Het scheidsgerecht doet uitspraak in eerste en in laatste aanleg. Het kan een aangevochten reglement slechts geheel of gedeeltelijk vernietigen voor zover vijf leden zich voor de vernietiging uitspreken; bij de arbitrale uitspraak kan een minderheidsnota worden gevoegd.
  § 4. Voor alles wat niet uitdrukkelijk wordt geregeld door dit boek, zijn de bepalingen van het zesde deel van dit Wetboek van overeenkomstige toepassing op de procedure.
  § 5. De vordering wordt betekend aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en aan de andere Orde.
Art. 502. <L 2003-12-22/53, art. 21, 116; En vigueur : 10-01-2004> § 1er. Sans préjudice de la concertation préalable obligatoire prévue à l'article 505, l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'" Orde van Vlaamse Balies " peuvent former un recours en annulation contre tous les règlements adoptés en vertu de l'article 496, devant un tribunal arbitral composé de sept membres, dont trois membres sont désignés, pour une durée de deux ans, par l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone, et trois membres, pour une durée de deux ans, par l'" Orde van Vlaamse Balies ". Ils désignent, d'un commun accord, un septième membre qui assure la présidence. En l'absence d'accord, le tribunal arbitral est présidé par le précédent bâtonnier de l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation ou par son prédécesseur, lorsqu'il est empêché.
  Si un arbitre doit être remplacé, son successeur n'est désigné que pour achever le mandat initial.
  Peut être arbitre, l'avocat qui compte au moins quinze années de barreau, ou qui a été bâtonnier ou membre pendant trois ans au moins du Conseil de l'ordre d'un barreau, ou membre du Conseil de l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation. Les arbitres ne peuvent pas avoir participé à l'élaboration de la décision contestée.
  § 2. Le recours, prévu au § 1er, peut être formé contre tout règlement qui :
  - serait entaché d'excès de pouvoir, serait contraire aux lois ou aurait été irrégulièrement adopte;
  - mettrait en péril la sauvegarde de l'honneur de l'Ordre des Avocats et le maintien des principes de dignité, de probité et de délicatesse qui font la base de la profession d'avocat, tels que définis par (l'article 455), alinéa 1er, et les règles internationales de déontologie.
  Si le recours prévu à l'article 611 est exercé, le tribunal arbitral ne peut connaître des moyens pris du chef d'excès de pouvoir, de contrariété aux lois ou d'adoption irrégulière du règlement litigieux. <L 2006-06-21/36, art. 36, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  § 3. Le tribunal arbitral statue en premier et dernier ressort. Il ne peut annuler, en tout ou en partie, un règlement contesté que pour autant que cinq membres se prononcent en faveur de l'annulation; une note minoritaire peut être jointe à la sentence arbitrale.
  § 4. Pour tout ce qui n'est pas expressément réglé par le présent livre, les dispositions de la sixième partie du présent Code sont d'application par analogie à la procédure.
  § 5. Le recours est signifié au procureur général près la Cour de cassation et à l'autre Ordre.
Art. 503. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De federale Raad van de balies bestaat uit tien leden van wie er telkens vijf respectievelijk, voor een termijn van twee jaar, éénmaal hernieuwbaar, afgevaardigd worden door de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone. De raad wordt voorgezeten door de stafhouder van de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie.
  De zetel is gevestigd bij de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie en het secretariaat wordt waargenomen door haar diensten, behoudens andersluidend akkoord tussen de respectieve ordes.
  Indien een afgevaardigd lid dient te worden vervangen, wordt zijn opvolger slechts aangewezen om het oorspronkelijke mandaat te voltooien.
Art. 503. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Le Conseil fédéral des barreaux se compose de dix membres, dont cinq sont mandatés par l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et cinq par l'Orde van Vlaamse Balies et ce, pour un terme de deux ans renouvelable une seule fois. Le conseil est présidé par le bâtonnier de l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation.
  Le conseil a son siège à l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation et son secrétariat est assuré par les services de cet ordre, sauf accord contraire entre les ordres.
  Si un membre mandaté doit être remplacé, son successeur n'est désigné que pour achever le mandat initial.
Art. 504. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> § 1. Elke orde, alsook elke balie die van die orde deel uitmaakt, en de Orde van Advocaten bij het Hof van Cassatie kunnen bij de federale Raad van de balies aangelegenheden aanhangig maken met betrekking tot de balie in het algemeen en de goede rechtsbedeling.
  De procedure voor de federale Raad van de balies is een procedure op tegenspraak.
  De Federale Raad brengt adviezen uit die worden aangenomen met ten minste drie vijfde van de stemmen in elke taalgroep.
  § 2. De vertegenwoordiging bij de Raad van de balies van de Europese Unie wordt waargenomen door een commissie van vier leden, van wie er twee door de Orde van Vlaamse Balies worden aangewezen en twee door de Ordre des Barreaux francophones et germanophone.
  Die commissie voert de opdrachten uit die de federale Raad van de balies haar toevertrouwt, krachtens een beslissing die werd genomen met een meerderheid van ten minste drie vijfde van de stemmen in elke taalgroep.
Art. 504. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> § 1er. Chaque ordre, chaque barreau faisant partie de cet ordre et l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation peuvent saisir le Conseil fédéral des barreaux de questions concernant le barreau en général et la bonne administration de la justice.
  La procédure devant le Conseil fédéral des barreaux est contradictoire.
  Le conseil fédéral rend des avis adoptés aux trois cinquièmes des voix au moins dans chaque groupe linguistique.
  § 2. La représentation auprès du Conseil des barreaux européens est assurée par une commission de quatre membres, dont deux sont désignés par l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et deux par l'Orde van Vlaamse Balies.
  Cette commission exécute les mandats lui conférés par le Conseil fédéral des barreaux, en vertu d'une décision adoptée aux trois cinquièmes des voix au moins dans chaque groupe linguistique.
Art. 505. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> Voor zij de vordering tot nietigverklaring als bedoeld in artikel 502 instellen, moeten de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone de zaak (binnen drie maanden vanaf de in artikel 497 bedoelde bekendmaking) aanhangig maken bij de federale Raad van de balies. <W 2003-12-22/53, art. 22, 116; Inwerkingtreding : 10-01-2004>
  De Federale Raad van de balies brengt zijn advies ter kennis binnen een maand na de aanhangigmaking. De in artikel 502 bedoelde vordering moet binnen twee maanden na voornoemde kennisgeving worden ingesteld, dan wel, bij gebrek aan een kennisgeving, binnen drie maanden na de aanhangigmaking bij de federale Raad van balies en onverminderd artikel 501, §§ 2 en 3.
Art. 505. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Avant de former le recours en annulation visé à l'article 502, l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse Balies doivent saisir le Conseil fédéral des barreaux (dans un délai de trois mois à compter de la publication prévue à l'article 497). <L 2003-12-22/53, art. 22, 116; En vigueur : 10-01-2004>
  Le Conseil fédéral des barreaux notifie son avis dans le mois de sa saisine. Le recours, prévu à l'article 502, doit être introduit dans les deux mois de ladite notification et, en l'absence de celle-ci, dans les trois mois de la saisine du Conseil fédéral des barreaux, sans préjudice de l'article 501, §§ 2 et 3.
HOOFDSTUK IV. - (Overgangsbepalingen.)
CHAPITRE IV. - (Dispositions transitoires.)
Art. 506.   De baten of passiva worden evenredig verdeeld over de balies in verhouding tot het aantal aangesloten advocaten.
Art. 506. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 01-05-2002 (voir AR 2002-02-17/41 et AR 2002-02-17/42)> L'Ordre national des Avocats de Belgique est dissous. Les derniers doyen et vice-doyen élus sont chargés conjointement de la liquidation de cette institution.
  Les actifs ou passifs sont répartis, proportionnellement, entre les barreaux en fonction du nombre d'avocats affiliés.
Art. 507. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De door de Belgische nationale Orde van Advocaten regelmatig aangenomen reglementen blijven bindend voor alle advocaten tot de bevoegde instellingen, overeenkomstig artikel 496, nieuwe reglementen vaststellen, onverminderd overleg en instemming van de Orde der Advocaten bij het Hof van Cassatie met betrekking tot het wijzigen van de reglementen die haar aanbelangen.
Art. 507. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Les règlements, régulièrement adoptés par l'Ordre national des Avocats de Belgique, restent d'application pour tous les avocats jusqu'à ce que les institutions compétentes édictent de nouveaux règlements, conformément à l'article 496, sous réserve d'une concertation avec l'Ordre des Avocats à la Cour de cassation et de l'accord de celui-ci concernant les modifications des règlements qui le concernent.
Art. 508. <W 2001-07-04/41, art. 14, 089; Inwerkingtreding : 25-07-2001> De door de Belgische nationale Orde van Advocaten toegekende mandaten in bij wet opgerichte commissies en instellingen blijven geldig en worden geacht gezamenlijke mandaten te zijn van de Orde van Vlaamse Balies en de Ordre des Barreaux francophones et germanophone totdat zij, overeenkomstig hun eigen reglementen en overeenkomstig de wettelijke bepalingen, hun eigen vertegenwoordigers aanwijzen.
Art. 508. <L 2001-07-04/41, art. 14, 089; En vigueur : 25-07-2001> Les mandats, accordés par l'Ordre national des Avocats de Belgique dans des commissions et associations créées par la loi, sont maintenus et sont censés être des mandats communs à l'Ordre des Barreaux francophones et germanophone et à l'Orde van Vlaamse Balies jusqu'à ce qu'elles désignent leurs propres représentants, conformément à leurs propres règlements et aux dispositions légales.
BOEK IIIbis. - (JURIDISCHE EERSTE- EN TWEEDELIJNSBIJSTAND).
LIVRE IIIBIS. - De l'aide juridique de première et de deuxième ligne.&lt; Inséré par L 1998-11-23/34, art. 4; En vigueur : 01-09-1999&gt;
HOOFDSTUK I. - (Algemene bepaling).
CHAPITRE I. - Disposition générale.
Art. 508/1. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder :
  1° juridische eerstelijnsbijstand : de juridische bijstand die verleend wordt in de vorm van praktische inlichtingen, juridische informatie, een eerste juridisch advies of de verwijzing naar een gespecialiseerde instantie of organisatie;
  2° juridische tweedelijnsbijstand : de juridische bijstand die wordt verleend aan een natuurlijke persoon in de vorm van een omstandig juridisch advies, bijstand al dan niet in het kader van een procedure of bijstand bij een geding met inbegrip van de vertegenwoordiging in de zin van artikel 728;
  3° commissie voor juridische bijstand : de commissie bedoeld in artikel 508/2;
  4° bureau voor juridische bijstand : het bureau bedoeld in artikel 508/7;
  5° organisatie voor juridische bijstand : elke organisatie die in een gerechtelijk arrondissement juridische eerstelijnsbijstand verleent.
Art. 508/1. Pour l'application du présent livre, il faut entendre par :
  1° aide juridique de première ligne : l'aide juridique accordée sous la forme de renseignements pratiques, d'information juridique, d'un premier avis juridique ou d'un renvoi vers une instance ou une organisation spécialisées;
  2° aide juridique de deuxième ligne : l'aide juridique accordée à une personne physique sous la forme d'un avis juridique circonstancié ou l'assistance juridique dans le cadre ou non d'une procédure ou l'assistance dans le cadre d'un procès y compris la représentation au sens de l'article 728;
  3° Commission d'aide juridique : la Commission visée à l'article 508/2;
  4° Bureau d'aide juridique : le bureau visé à l'article 508/7;
  5° organisation d'aide juridique : toute organisation assurant une aide juridique de première ligne dans un arrondissement judiciaire.
Art. 508/1 _VLAAMSE_GEMEENSCHAP.
   <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Voor de toepassing van dit boek wordt verstaan onder :
  1° [1 ...]1
  2° juridische tweedelijnsbijstand : de juridische bijstand die wordt verleend aan een natuurlijke persoon in de vorm van een omstandig juridisch advies, bijstand al dan niet in het kader van een procedure of bijstand bij een geding met inbegrip van de vertegenwoordiging in de zin van artikel 728;
  3° [1 ...]1
  4° bureau voor juridische bijstand : het bureau bedoeld in artikel 508/7;
  5° [1 ...]1
  
Art. 508/1 _COMMUNAUTE_FLAMANDE.
   Pour l'application du présent livre, il faut entendre par :
  1° [1 ...]1
  2° aide juridique de deuxième ligne : l'aide juridique accordée à une personne physique sous la forme d'un avis juridique circonstancié ou l'assistance juridique dans le cadre ou non d'une procédure ou l'assistance dans le cadre d'un procès y compris la représentation au sens de l'article 728;
  3° [1 ...]1
  4° Bureau d'aide juridique : le bureau visé à l'article 508/7;
  5° [1 ...]1
  
HOOFDSTUK II. - (Commissie voor juridische bijstand).
CHAPITRE II. - De la Commission d'aide juridique.&lt; Inséré par L 1998-11-23/34, art. 4; En vigueur : 01-09-1999&gt;
Art. 508/2. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. In elk gerechtelijk arrondissement is er een commissie voor juridische bijstand. In het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn er twee commissies : de Nederlandse commissie voor juridische bijstand en de Franse commissie voor juridische bijstand.
  De commissie voor juridische bijstand heeft rechtspersoonlijkheid en stelt haar huishoudelijk reglement op.
  § 2. De commissie heeft haar zetel in de hoofdplaats van het arrondissement of in enige andere plaats die zij aanwijst.
  § 3. De commissie is paritair samengesteld uit eensdeels vertegenwoordigers van de balie die worden aangewezen door de Orde van Advocaten van het betrokken gerechtelijk arrondissement en anderdeels vertegenwoordigers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en erkende organisaties voor juridische bijstand.
  De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regels van erkenning van de organisaties voor juridische bijstand, de samenstelling en de werking van de commissie.
Art. 508/2. § 1er. Il y a dans chaque arrondissement judiciaire une Commission d'aide juridique. Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, il en existe deux : la Commission d'aide juridique française et la Commission d'aide juridique néerlandaise.
  La Commission d'aide juridique a la personnalité juridique et détermine son règlement d'ordre intérieur.
  § 2. La Commission a son siège au chef-lieu de l'arrondissement ou en tout autre lieu désigné par elle.
  § 3. La Commission est composée paritairement, d'une part, de représentants du barreau désignés par l'Ordre des Avocats de l'arrondissement judiciaire concerne, et, d'autre part, de représentants des centres publics d'aide sociale et d'organisations d'aide juridique agréées.
  Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les modalités relatives à l'agrément des organisations d'aide juridique ainsi qu'à la composition et au fonctionnement de la Commission.
Art. 508/2 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
   <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. In elk gerechtelijk arrondissement is er een commissie voor juridische bijstand. In het gerechtelijk arrondissement Brussel zijn er twee commissies : de Nederlandse commissie voor juridische bijstand en de Franse commissie voor juridische bijstand.
  De commissie voor juridische bijstand heeft rechtspersoonlijkheid en stelt haar huishoudelijk reglement op.
  § 2. De commissie heeft haar zetel in de hoofdplaats van het arrondissement of in enige andere plaats die zij aanwijst.
  § 3. [1 De Commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de balies van het betrokken gerechtelijk arrondissement.
   De Regering stelt de nadere regels voor de werking van de commissie vast.]1

  
Art. 508/2 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
   § 1er. Il y a dans chaque arrondissement judiciaire une Commission d'aide juridique. Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, il en existe deux : la Commission d'aide juridique française et la Commission d'aide juridique néerlandaise.
  La Commission d'aide juridique a la personnalité juridique et détermine son règlement d'ordre intérieur.
  § 2. La Commission a son siège au chef-lieu de l'arrondissement ou en tout autre lieu désigné par elle.
  § 3.[1 La Commission est composée de représentants des barreaux de l'arrondissement judiciaire concerné.
   Le Gouvernement arrête les modalités de fonctionnement de la Commission.]1

  
Art. 508/3. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De commissie voor juridische bijstand heeft tot taak :
  1° de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand van advocaten te organiseren en ervoor te zorgen dat die diensten indien nodig worden gedecentraliseerd;
  2° het overleg en de coördinatie te bevorderen tussen de organisaties voor juridische bijstand, en de doorverwijzing naar gespecialiseerde organisaties te vergemakkelijken, zulks onder meer door het sluiten van overeenkomsten in de hand te werken;
  3° te zorgen voor de verspreiding van informatie over het bestaan van en de toegangsvoorwaarden tot de juridische bijstand, in het bijzonder bij de sociaal meest kwetsbare groepen.
  Die verspreiding geschiedt op de plaatsen waar de juridische bijstand wordt verleend evenals onder meer in de griffies, bij de parketten, de gerechtsdeurwaarders, in de gemeentebesturen en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn van het gerechtelijk arrondissement;
  4° de aanbevelingen te doen die zij nodig acht rekening houdend met de verslagen die bedoeld zijn in de artikelen 508/6 en 508/11, en die aanbevelingen en verslagen over te zenden aan de Minister van Justitie.
Art. 508/3. La Commission d'aide juridique a pour mission :
  1° d'organiser les permanences d'aide juridique de première ligne assurées par des avocats et de veiller à leur décentralisation si nécessaire;
  2° de promouvoir la concertation et la coordination entre les organisations d'aide juridique et de faciliter le renvoi vers des organisations spécialisées entre autres en favorisant la conclusion de conventions;
  3° de veiller à la diffusion, spécialement auprès des groupes sociaux les plus vulnérables, d'informations relatives à l'existence et aux conditions d'accès à l'aide juridique.
  Cette diffusion a lieu là où l'aide juridique est assurée ainsi que, notamment, dans les greffes, les parquets, chez les huissiers de justice, dans les administrations communales et les centres publics d'aide sociale de l'arrondissement judiciaire;
  4° de formuler les recommandations qu'elle juge utiles sur la base des rapports visés aux articles 508/6 et 508/11 et transmettre ces recommandations et rapports au Ministre de la Justice.
Art. 508/3 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
   <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De commissie voor juridische bijstand heeft tot taak :
  1° de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand van advocaten te organiseren en ervoor te zorgen dat die diensten indien nodig worden gedecentraliseerd;
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 2° de Regering de aanbevelingen te doen die zij nodig acht rekening houdend met de verslagen die bedoeld zijn in de artikelen 508/6 en 508/11.]1
  
Art. 508/3 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
   La Commission d'aide juridique a pour mission :
  1° d'organiser les permanences d'aide juridique de première ligne assurées par des avocats et de veiller à leur décentralisation si nécessaire;
  [1 ...]1
  [1 ...]1
  [1 2° de formuler au Gouvernement les recommandations qu'elle juge utiles sur la base des rapports visés aux articles 508 /6 et 508 /11.]1
  
Art. 508/4. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Het Rijk kent een subsidie toe aan de commissies voor juridische bijstand op basis van objectieve criteria, vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.
Art. 508/4. L'Etat alloue un subside aux commissions d'aide juridique sur la base de critères objectifs fixés par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres.
HOOFDSTUK III. - (Juridische eerstelijnsbijstand).
CHAPITRE III. - De l'aide juridique de première ligne.
Art. 508/5. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. Onverminderd de door andere organisaties voor juridische bijstand verleende juridische eerstelijnsbijstand worden de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand gehouden door advocaten.
  De Orde van Advocaten stelt jaarlijks een lijst op met de advocaten die prestaties wensen te verrichten in het raam van de juridische eerstelijnsbijstand.
  De lijst vermeldt de voorkeurmateries die de advocaten opgeven en die zij staven of waarvoor zij zich ertoe verbinden een opleiding te volgen die door de Raad van de Orde of de in artikel 488 bedoelde overheden wordt georganiseerd.
  Tegen de weigering tot inschrijving op de lijst kan beroep worden ingesteld overeenkomstig (artikel 432bis). <W 2006-06-21/36, art. 37, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  De Orde zendt de lijst van de advocaten over naar de commissie voor juridische bijstand.
  (§ 2. Onverminderd de door andere organisaties voor juridische bijstand verleende juridische bijstand, worden geen kosten of erelonen aangerekend door de advocaten aan de rechthebbende van de juridische bijstand.) <W 2003-12-22/42, art. 373, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 3. Indien de doorverwijzing naar een organisatie voor juridische bijstand of naar de juridische tweedelijnsbijstand aangewezen lijkt, wordt zulks onmiddellijk medegedeeld aan de aanvrager. De organisatie of het bureau voor juridische bijstand worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.
  § 4. De Orde van Advocaten ziet toe op de kwaliteit van de prestaties die door de advocaten worden verstrekt in het kader van de juridische eerstelijnsbijstand.
  In geval van tekortkoming kan de Raad van de Orde met een met redenen omklede beslissing een advocaat schrappen van de in § 1 bedoelde lijst, volgens de bij (de artikelen 458 tot 463) bepaalde procedure. <W 2006-06-21/36, art. 38, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
Art. 508/5. § 1er. Sans préjudice de l'aide juridique de première ligne assurée par d'autres organisations d'aide juridique, les permanences d'aide juridique de première ligne sont assurées par des avocats.
  L'Ordre des Avocats inscrit une fois l'an sur une liste les avocats désireux d'accomplir des prestations au titre de l'aide juridique de première ligne.
  La liste mentionne les orientations que les avocats déclarent et qu'ils justifient ou pour lesquelles ils s'engagent à suivre une formation organisée par le Conseil de l'Ordre ou les autorités visées à l'article 488.
  Le refus d'inscription sur la liste est susceptible d'appel conformément à (l'article 432bis). <L 2006-06-21/36, art. 37, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  L'Ordre transmet la liste des avocats à la Commission d'aide juridique.
  (§ 2. Sans préjudice de l'aide juridique de première ligne assurée par d'autres organisations d'aide juridique, aucuns frais ni honoraires ne sont réclamés par les avocats au bénéficiaire de l'aide juridique.) <L 2003-12-22/42, art. 373, 117; En vigueur : 01-01-2004>
  § 3. Lorsque le renvoi vers une organisation d'aide juridique ou vers l'aide juridique de deuxième ligne s'avère indiqué, le demandeur en est immédiatement informé. L'organisation ou le Bureau d'aide juridique en est informé sans délai.
  § 4. L'Ordre des Avocats contrôle la qualité des prestations effectuées par les avocats au titre de l'aide juridique de première ligne.
  En cas de manquement, le Conseil de l'Ordre peut, par décision motivée, radier un avocat de la liste visée au § 1er, selon la procédure prévue aux (articles 458 à 463). <L 2006-06-21/36, art. 38, 135; En vigueur : 01-11-2006>
Art. 508/5 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
   <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. Onverminderd de door andere organisaties voor juridische bijstand verleende juridische eerstelijnsbijstand worden de zitdagen voor juridische eerstelijnsbijstand gehouden door advocaten.
  De Orde van Advocaten stelt jaarlijks een lijst op met de advocaten die prestaties wensen te verrichten in het raam van de juridische eerstelijnsbijstand.
  De lijst vermeldt de voorkeurmateries die de advocaten opgeven en die zij staven of waarvoor zij zich ertoe verbinden een opleiding te volgen die door de Raad van de Orde of de in artikel 488 bedoelde overheden wordt georganiseerd.
  Tegen de weigering tot inschrijving op de lijst kan beroep worden ingesteld overeenkomstig (artikel 432bis). <W 2006-06-21/36, art. 37, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  De Orde zendt de lijst van de advocaten over naar de commissie voor juridische bijstand.
  (§ 2. Onverminderd de door andere organisaties voor juridische bijstand verleende juridische bijstand, worden geen kosten of erelonen aangerekend door de advocaten aan de rechthebbende van de juridische bijstand.) <W 2003-12-22/42, art. 373, 117; Inwerkingtreding : 01-01-2004>
  § 3. Indien de doorverwijzing naar een organisatie voor juridische bijstand of naar de juridische tweedelijnsbijstand aangewezen lijkt, wordt zulks onmiddellijk medegedeeld aan de aanvrager. De organisatie of het bureau voor juridische bijstand worden hiervan onverwijld in kennis gesteld.
  § 4. De Orde van Advocaten ziet toe op de kwaliteit van de prestaties die door de advocaten worden verstrekt in het kader van de juridische eerstelijnsbijstand.
  [1 Onverminderd de tuchtprocedures, kan de Raad van de Orde, in geval van tekortkoming en volgens de in de artikelen 458 tot 463 bepaalde procedure, het behoud van de advocaat op de in § 1 bedoelde lijst afhankelijk maken van de naleving van de door hem bepaalde voorwaarden, zijn inschrijving op die lijst schorsen voor een periode van acht dagen tot drie jaar, of die eruit weglaten.
   In geval van niet naleving van de door de Raad van de Orde bepaalde voorwaarden met toepassing van het tweede lid, roept de stafhouder de advocaat voor de Raad van de Orde op om een andere in hetzelfde lid bepaalde maatregel uit te spreken.
   Als de advocaat uit de lijst wordt weggelaten, kan hij zijn wederinschrijving op de in § 1 bedoelde lijst aanvragen bij een met redenen omklede aanvraag die niet vóór een termijn van vijf jaar na de weglating kan worden ingediend.
   De in het tweede lid en in het vierde lid bedoelde beslissingen worden met redenen omkleed. Tegen die kan een hoger beroep worden ingesteld overeenkomstig artikel 432 bis.]1

  
Art. 508/5 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
   § 1er. Sans préjudice de l'aide juridique de première ligne assurée par d'autres organisations d'aide juridique, les permanences d'aide juridique de première ligne sont assurées par des avocats.
  L'Ordre des Avocats inscrit une fois l'an sur une liste les avocats désireux d'accomplir des prestations au titre de l'aide juridique de première ligne.
  La liste mentionne les orientations que les avocats déclarent et qu'ils justifient ou pour lesquelles ils s'engagent à suivre une formation organisée par le Conseil de l'Ordre ou les autorités visées à l'article 488.
  Le refus d'inscription sur la liste est susceptible d'appel conformément à (l'article 432bis). <L 2006-06-21/36, art. 37, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  L'Ordre transmet la liste des avocats à la Commission d'aide juridique.
  (§ 2. Sans préjudice de l'aide juridique de première ligne assurée par d'autres organisations d'aide juridique, aucuns frais ni honoraires ne sont réclamés par les avocats au bénéficiaire de l'aide juridique.) <L 2003-12-22/42, art. 373, 117; En vigueur : 01-01-2004>
  § 3. Lorsque le renvoi vers une organisation d'aide juridique ou vers l'aide juridique de deuxième ligne s'avère indiqué, le demandeur en est immédiatement informé. L'organisation ou le Bureau d'aide juridique en est informé sans délai.
  § 4. L'Ordre des Avocats contrôle la qualité des prestations effectuées par les avocats au titre de l'aide juridique de première ligne.
  [1 Sans préjudice des poursuites disciplinaires, le Conseil de l'Ordre peut en cas de manquement et selon la procédure déterminée aux articles 458 à 463, subordonner au respect des conditions qu'il détermine le maintien de l'avocat sur la liste visée au § 1er, suspendre son inscription sur cette liste pour une période de huit jours à trois ans ou l'en omettre.
   En cas de non-respect des conditions déterminées par le Conseil de l'Ordre en application de l'alinéa 2, le bâtonnier convoque l'avocat devant le Conseil de l'Ordre en vue de prononcer une autre mesure prévue au même alinéa.
   En cas d'omission, l'avocat peut solliciter sa réinscription sur la liste visée au § 1er, par une demande motivée qui ne peut être introduite avant un terme de cinq ans après son omission.
   Les décisions visées aux alinéas 2 et 4 sont motivées. Elles sont susceptibles de recours conformément à l'article 432bis.]1

  
Art. 508/6. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Onverminderd de regels inzake beroepsgeheim, zijn de advocaten die juridische eerstelijnsbijstand verlenen ertoe gehouden om, volgens de nadere regels die door de Minister van Justitie worden vastgesteld in overleg met de in artikel 488 bedoelde overheden, aan de commissie voor juridische bijstand een jaarverslag over te zenden over hun prestaties in dat verband.
  Zij doen aan het bureau beknopt verslag over de consulten die zij hebben gegeven.
Art. 508/6. Sans préjudice des règles relatives au secret professionnel, les avocats assurant l'aide juridique de première ligne sont tenus d'adresser à la Commission d'aide juridique un rapport annuel portant sur les prestations accomplies à ce titre selon les modalités établies par le Ministre de la Justice en concertation avec les autorités visées à l'article 488.
  Ils font un rapport succinct au Bureau des consultations qu'ils ont données.
Art. 508/6 _FRANSE_GEMEENSCHAP.
   <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Onverminderd de regels inzake beroepsgeheim, zijn de advocaten die juridische eerstelijnsbijstand verlenen ertoe gehouden om, [1 volgens de nadere regels die door de Regering worden vastgesteld in overleg met de Orde van Franstalige en Duitstalige balies]1, aan de commissie voor juridische bijstand een jaarverslag over te zenden over hun prestaties in dat verband.
  Zij doen aan het bureau beknopt verslag over de consulten die zij hebben gegeven.
  
Art. 508/6 _COMMUNAUTE_FRANCAISE.
   Sans préjudice des règles relatives au secret professionnel, les avocats assurant l'aide juridique de première ligne sont tenus d'adresser à la Commission d'aide juridique un rapport annuel portant sur les prestations accomplies à ce titre [1 selon les modalités arrêtées par le Gouvernement en concertation avec l'Ordre des barreaux francophones et germanophone]1.
  Ils font un rapport succinct au Bureau des consultations qu'ils ont données.
  
HOOFDSTUK IV. - (Gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand.)
CHAPITRE IV. - De l'aide juridique de deuxième ligne partiellement ou entièrement gratuite.
Afdeling I. - (Organisatie.)
Section I. - De l'organisation.
Art. 508/7. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Bij elke balie stelt de Raad van de Orde van Advocaten een bureau voor juridische bijstand in volgens de nadere regels en de voorwaarden die hij bepaalt.
  Het bureau heeft onder meer tot taak om wachtdiensten te organiseren.
  [1 De Orde van Advocaten stelt, volgens de nadere regels en de voorwaarden die zij bepaalt, een lijst op met de advocaten die in hoofdorde of in bijkomende orde prestaties wensen te verrichten in het kader van de door het bureau voor juridische bijstand georganiseerde juridische tweedelijnsbijstand en ze houdt deze lijst bij. De Orde kan in de verplichte inschrijving van advocaten voorzien voor zover noodzakelijk voor de doeltreffendheid van de juridische bijstand.]1
  De lijst vermeldt de voorkeurmateries die de advocaten opgeven en die zij staven of waarvoor zij zich ertoe verbinden een opleiding te volgen die door de Raad van de Orde of de in de artikel 488 bedoelde overheden wordt georganiseerd.
  Tegen de weigering tot inschrijving op de lijst kan beroep worden ingesteld overeenkomstig (artikel 432bis). <W 2006-06-21/36, art. 39, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  Het bureau zendt de lijst van de advocaten over aan de commissie voor juridische bijstand.
  
Art. 508/7. Au sein de chaque barreau, le Conseil de l'Ordre des Avocats établit un Bureau d'aide juridique selon les modalités et les conditions qu'il détermine.
  Le bureau a notamment pour mission d'organiser des services de garde.
  [1 L'Ordre des avocats établit, selon les modalités et conditions qu'il détermine, une liste des avocats désireux d'accomplir à titre principal ou à titre accessoire des prestations au titre de l'aide juridique de deuxième ligne organisée par le bureau d'aide juridique et tient cette liste à jour. L'Ordre peut prévoir l'inscription obligatoire d'avocats pour autant que ce soit nécessaire pour l'effectivité de l'aide juridique.]1
  La liste mentionne les orientations que les avocats déclarent et qu'ils justifient ou pour lesquelles ils s'engagent à suivre une formation organisée par le Conseil de l'Ordre ou les autorités visées à l'article 488.
  Le refus d'inscription sur la liste est susceptible d'appel conformément à (l'article 432 bis). <L 2006-06-21/36, art. 39, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  Le bureau transmet la liste des avocats à la Commission d'aide juridique.
  
Art. 508/8. [1 De Orde van Advocaten ziet toe op de doeltreffendheid en de kwaliteit van de prestaties verricht door de advocaten in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand, alsook op de regelmatigheid van de stappen ondernomen op grond van de artikelen 508/9, 508/14, eerste en derde lid, en 508/19, § 2.
   Onverminderd de tuchtrechtelijke vervolgingen kan de raad van de Orde in geval van tekortkoming en volgens de bij de artikelen 458 tot 463 bepaalde procedure, de handhaving van de advocaat op de in artikel 508/7 bedoelde lijst afhankelijk stellen van de naleving van de voorwaarden die hij bepaalt, diens inschrijving op die lijst schorsen gedurende een periode van acht dagen tot drie jaar of hem eruit weglaten.
   Bij niet-naleving van de voorwaarden bepaald door de raad van de Orde overeenkomstig het tweede lid, roept de stafhouder de advocaat voor de raad van de Orde op om een andere maatregel waarin is voorzien in hetzelfde lid, te doen uitspreken.
   Behoudens andersluidende beslissing van de raad van de Orde, heeft de in het tweede lid bedoelde maatregel van schorsing geen gevolgen voor de aanstellingen die werden verricht bij het bureau voor juridische bijstand vóór zijn inwerkingtreding.
   In geval van weglating, wordt de advocaat van de behandeling van zijn dossiers in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand ontlast, behoudens andersluidende beslissing van de raad van de Orde. Het bureau voor juridische bijstand wijst een nieuwe advocaat aan. De advocaat kan vragen om zijn wederinschrijving op de in artikel 508/7 bedoelde lijst middels een met redenen omkleed verzoek, dat niet mag worden ingediend voordat een termijn van vijf jaar verstreken is sinds zijn weglating.
   De beslissingen bedoeld in het tweede, vierde en vijfde lid worden met redenen omkleed. Zij zijn vatbaar voor beroep overeenkomstig artikel 432bis.]1

  
Art. 508/8. [1 L'Ordre des avocats contrôle l'effectivité et la qualité des prestations effectuées par les avocats au titre de l'aide juridique de deuxième ligne, ainsi que la régularité des démarches effectuées en vertu des articles 508/9, 508/14, alinéas 1er et 3 et 508/19, § 2.
   Sans préjudice des poursuites disciplinaires, le conseil de l'Ordre peut en cas de manquement et selon la procédure déterminée aux articles 458 à 463, subordonner au respect des conditions qu'il détermine le maintien de l'avocat sur la liste visée à l'article 508/7, suspendre son inscription sur cette liste pour une période de huit jours à trois ans ou l'en omettre.
   En cas de non-respect des conditions déterminées par le conseil de l'Ordre en application de l'alinéa 2, le bâtonnier convoque l'avocat devant le conseil de l'Ordre en vue de prononcer une autre mesure prévue au même alinéa.
   Sauf décision contraire du conseil de l'Ordre, la mesure de suspension visée à l'alinéa 2 est sans effet sur les désignations opérées par le bureau d'aide juridique avant son entrée en vigueur.
   En cas d'omission, l'avocat est, sauf décision contraire du conseil de l'Ordre, déchargé de tous ses dossiers au titre de l'aide juridique de deuxième ligne. Le bureau d'aide juridique procède à la désignation d'un nouvel avocat. L'avocat peut solliciter sa réinscription sur la liste visée à l'article 508/7, par une demande motivée qui ne peut être introduite avant un terme de cinq ans après son omission.
   Les décisions visées aux alinéas 2, 4 et 5 sont motivées. Elles sont susceptibles de recours conformément à l'article 432bis.]1

  
Art. 508/9. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. Voor het verkrijgen van gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand verwijzen de personen die de juridische eerstelijnsbijstand verlenen de aanvrager door naar het bureau.
  Het bureau wijst een advocaat aan, die de aanvrager heeft gekozen op de in artikel 508/7 bedoelde lijst. Het bureau stelt de advocaat in kennis van zijn aanwijzing.
  De advocaat wiens naam op de lijst voorkomt en tot wie een rechtzoekende zich heeft gewend zonder zich eerst bij het bureau aan te melden, vraagt aan het bureau de toestemming om aan zijn cliënt de juridische tweedelijnsbijstand te verlenen, indien hij van oordeel is dat deze aanspraak kan maken op gedeeltelijke of volledige kosteloosheid. De advocaat zendt de in artikel 508/13 bedoelde stukken over aan het bureau.
  In spoedeisende gevallen mag de persoon die geen advocaat heeft zich rechtstreeks tot de advocaat van de wachtdienst wenden. Die advocaat verleent hem juridische bijstand en vraagt aan het bureau bevestiging van zijn aanwijzing.
  § 2. Een advocaat die optreedt met toepassing van dit hoofdstuk, mag zich in geen geval rechtstreeks tot de rechthebbende richten met het oog op de betaling van de honoraria en kosten, tenzij het bureau hem in spoedeisende gevallen toestemming verleent om voorschotten te innen.
Art. 508/9. § 1er. Pour l'obtention d'une aide juridique de deuxième ligne partiellement ou entièrement gratuite, les personnes accordant l'aide juridique de première ligne renvoient le demandeur vers le bureau.
  Le bureau désigne un avocat que le demandeur aura choisi sur la liste visée à l'article 508/7. Le bureau informe l'avocat de sa désignation.
  L'avocat dont le nom figure sur la liste et auquel un justiciable se sera adressé directement sans passer par le bureau demande au bureau l'autorisation d'accorder l'aide juridique de deuxième ligne à son client lorsqu'il estime que celui-ci peut bénéficier de la gratuité complète ou partielle. L'avocat fait parvenir au bureau les pièces visées à l'article 508/13.
  En cas d'urgence, la personne qui n'a pas d'avocat peut s'adresser directement à l'avocat du service de garde. Cet avocat lui assure l'aide juridique et demande au bureau la confirmation de sa désignation.
  § 2. Un avocat qui intervient en application du présent chapitre ne peut en aucun cas s'adresser directement au bénéficiaire en vue du paiement des frais et honoraires, à moins que le bureau ne l'autorise à percevoir des provisions en cas d'urgence.
Art. 508/10. <W 2006-06-15/53, art. 2, 137; Inwerkingtreding : 10-08-2006> Wanneer de begunstigde de taal van de rechtspleging niet spreekt, stelt het bureau hem voor zover mogelijk een advocaat voor die zijn taal spreekt of een andere taal die hij begrijpt en bij ontstentenis hiervan een tolk. De kostenvergoeding voor de tolk komt ten laste van het Rijk. Zij wordt vastgesteld op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
Art. 508/10. <L 2006-06-15/53, art. 2, 137; En vigueur : 10-08-2006> Lorsque le bénéficiaire ne parle pas la langue de la procédure, le bureau lui propose dans la mesure du possible un avocat parlant sa langue ou une autre langue qu'il comprend et à défaut, un interprète. Les frais d'interprète sont à charge de l'Etat. Ils sont réglés selon la procédure prévue au règlement général sur les frais de justice en matière répressive.
Art. 508/11. [1 De in artikel 488 bedoelde overheden bezorgen jaarlijks een verslag over de werking van de juridische tweedelijnsbijstand aan de minister van Justitie volgens de door de Koning bepaalde nadere regels.]1
  
Art. 508/11. [1 Les autorités visées à l'article 488 transmettent annuellement un rapport sur le fonctionnement de l'aide juridique de deuxième ligne au ministre de la Justice selon les modalités établies par le Roi.]1
  
Art. 508/12. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Behalve in spoedeisende gevallen of wanneer het bureau er uitdrukkelijk mee heeft ingestemd, is het de advocaten verboden juridische tweedelijnsbijstand te verlenen voor de zaken waarin ze zijn opgetreden in het raam van de in artikel 508/4 bedoelde juridische eerstelijnsbijstand.
Art. 508/12. Sauf en cas d'urgence ou d'accord exprès du bureau, il est interdit aux avocats d'accorder une aide juridique de deuxième ligne dans les affaires pour lesquelles ils sont intervenus au titre de l'aide juridique de première ligne visée à l'article 508/4.
Afdeling II. - (Toekenning van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid.)
Section II. - Du bénéfice de la gratuité complète ou partielle.
Art. 508/13. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De juridische tweedelijnsbijstand kan gedeeltelijk of volledig kosteloos zijn voor wie over [1 ontoereikende bestaansmiddelen]1 beschikt en voor de met hen gelijkgestelde personen. [1 De juridische tweedelijnsbijstand wordt niet toegekend als en in de mate dat de begunstigde een beroep kan doen op de tussenkomst van een derde betaler.]1
  [3 ...]3
  [4 Voor de uitoefening van hun taken zoals bepaald in dit Hoofdstuk, zijn het bureau en de overheden zoals bepaald door artikel 488 gemachtigd om de rechtszoekenden, hun gemandateerden, derden en/of de advocaat te identificeren. Het bureau is gemachtigd om de in het derde lid vermelde bewijsstukken op te vragen, en/of deze informatie rechtstreeks op te vragen bij derden die over deze informatie beschikken. Hiervoor zijn het bureau en de overheden zoals bepaald in artikel 488 gemachtigd om:
   1° gebruik te maken van het uniek identificatienummer (zoals het rijksregisternummer, het identificatienummer in het bisregister, OV-nummer of EU-nummer) van de rechtszoekenden, hun advocaat en/of gemandateerden die de aanvraag in hun naam indienen, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
   2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid:
   a) naam en voornamen;
   b) geboorteplaats en -datum;
   c) datum van overlijden;
   d) het adres.]4

  Het bureau gaat na of voldaan is aan de voorwaarden inzake kosteloosheid. [4 ...]4
  Het bureau bewaart een afschrift van de stukken.
  [1 Indien de voorwaarden die de begunstigde hebben toegestaan een beroep te doen op gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand wijzigen, meldt de begunstigde dit onmiddellijk aan zijn advocaat.]1
  
Art. 508/13. L'aide juridique de deuxième ligne peut être partiellement ou entièrement gratuite pour les personnes dont les [1 moyens d'existence sont insuffisants]1 ou pour les personnes y assimilées. [1 L'aide juridique de deuxième ligne n'est pas accordée si et dans la mesure où le bénéficiaire peut faire appel à l'intervention d'un tiers payant.]1
  [3 ...]3
  [4 Pour l'exercice de leurs fonctions prévues au présent chapitre, le bureau et les autorités visées à l'article 488 sont autorisés à identifier les justiciables, leurs mandataires, les tiers et/ou l'avocat. Le Bureau est autorisé à demander les pièces justificatives mentionnées à l'alinéa 3, et/ou à demander ces informations directement aux tiers qui en disposent. A cette fin, le Bureau et les autorités visées à l'article 488 sont autorisés à:
   1° faire usage du numéro d'identification unique (tel que le numéro de registre national, le numéro d'identification dans le registre bis, le numéro SP ou le numéro UE) des justiciables, de leur avocat et/ou de leurs mandataires qui introduisent la demande en leur nom, et avoir accès aux données visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 8°, 9°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
   2° avoir accès aux données suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-Carrefour de la Sécurité Sociale:
   a) le nom de famille et les prénoms;
   b) le lieu et la date de naissance;
   c) la date du décès;
   d) l'adresse.]4

  Le bureau vérifie si les conditions de gratuité sont remplies. [4 ...]4
  Le bureau conserve une copie des pièces.
  [1 Si les conditions ayant permis au bénéficiaire de se voir accorder le bénéfice de l'aide juridique de deuxième ligne partiellement ou entièrement gratuite se modifient, le bénéficiaire en avise immédiatement son avocat.]1
  
Art. 508/13/1. [1 § 1. Behoudens internationale of nationale bepalingen op grond waarvan voor sommige personen wordt voorzien in de toekenning zonder voorwaarden van volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand beschikken de hierna vermelde personen over ontoereikende bestaansmiddelen als bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en genieten zij de volledige kosteloosheid van de juridische bijstand :
   1° de alleenstaande persoon die, aan de hand van om het even welk document dat te beoordelen is door het bureau voor juridische bijstand bewijst dat zijn maandelijks netto-inkomen lager dan 1 226 euro is;
   2° de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin lager is dan 1 517 euro.
   Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.
   Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.
   Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.
   Wanneer de belangen van de persoon bedoeld in het eerste lid, 2°, strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of met die van een persoon met wie hij samenwoont, wordt met het inkomen van deze laatste geen rekening gehouden.
   § 2. Behoudens tegenbewijs wordt beschouwd als een persoon wiens bestaansmiddelen onvoldoende zijn in de zin van artikel 508/13, eerste lid :
   1° degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als leefloon of als maatschappelijke bijstand, minstens op overlegging van de geldige beslissing van het betrokken openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
   2° degene die bedragen ontvangt die worden uitgekeerd als gewaarborgd inkomen voor bejaarden, minstens op overlegging van het jaarlijks attest van de Rijksdienst voor Pensioenen;
   3° degene die een inkomensvervangende tegemoetkoming voor gehandicapten ontvangt, minstens op overlegging van de beslissing van de minister tot wiens bevoegdheid de sociale zekerheid behoort of van de door hem afgevaardigde ambtenaar;
   4° de persoon die een kind ten laste heeft dat gewaarborgde kinderbijslag ontvangt, minstens op overlegging van het attest van het gewestelijk organisme voor de kinderbijslag;
   5° de huurder van een sociale woning die in het Vlaams Gewest en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een huur betaalt die overeenkomt met de helft van de basishuurprijs of die in het Waals Gewest een minimumhuur betaalt, minstens op overlegging van de laatste huurberekeningsfiche;
   6° de gedetineerde, op overlegging van bewijsstukken met betrekking tot het statuut van gedetineerde;
   7° de beklaagde bedoeld in de artikelen 216quinquies tot 216septies van het Wetboek van Strafvordering;
   8° [2 de persoon met een psychiatrische aandoening, wat de toepassing van de wet van 26 juni 1990 inzake de bescherming opgelegd aan een persoon met een psychiatrische aandoening]2, op overlegging van bewijsstukken;
   9° de vreemdeling, wat de indiening van het verzoek tot machtiging van verblijf betreft, of van een administratief of rechterlijk beroep tegen een beslissing die werd genomen met toepassing van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, op overlegging van bewijsstukken;
   10° de asielaanvrager of de persoon die een aanvraag indient tot verkrijgen van het statuut van ontheemde, op overlegging van bewijsstukken;
   11° de persoon belast met overmatige schulden, op overlegging van een verklaring van hem waaruit blijkt dat de toekenning van de juridische tweedelijnsbijstand wordt aangevraagd met het oog op de inleiding van een procedure van collectieve schuldenregeling.
   § 3. Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.
   § 4. Voor de minderjarige geldt volledige kosteloosheid, op voorlegging van zijn identiteitskaart of van enig ander document waaruit zijn staat blijkt.]1

  
Art. 508/13/1. [1 § 1er . Sous réserve de dispositions internationales ou nationales prévoyant l'octroi pour certaines personnes de l'aide juridique de deuxième ligne totalement gratuite sans conditions, disposent de moyens d'existence insuffisants au sens de l'article 508/13, alinéa 1er, et peuvent bénéficier de l'aide juridique entièrement gratuite, les personnes énumérées ci-après :
   1° la personne isolée qui justifie, par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que son revenu mensuel net est inférieur à 1 226 euros ;
   2° la personne isolée avec personne à charge ou la personne cohabitant avec un conjoint ou avec toute autre personne avec laquelle elle forme un ménage, si elle justifie par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que le revenu mensuel net du ménage est inférieur à 1 517 euros.
   Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 2°, il est tenu compte d'une déduction de 20 % du revenu d'intégration par personne à charge.
   Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, il est tenu compte des charges résultant d'un endettement exceptionnel ainsi que de tout autre moyen d'existence, et notamment, des revenus professionnels, des revenus des biens immobiliers, des revenus des biens mobiliers et divers, des capitaux, des avantages, ainsi que des signes et indices qui laissent apparaître une aisance supérieure aux moyens d'existence déclarés, à l'exception des allocations familiales et de son habitation unique et propre.
   La cohabitation visée à l'alinéa 1er, 2°, est le fait pour deux ou plusieurs personnes, de vivre ensemble sous le même toit et de régler principalement en commun les questions ménagères.
   Lorsque les intérêts de la personne visée à l'alinéa 1er, 2°, sont opposés à ceux de son conjoint ou cohabitant, il ne sera pas tenu compte des revenus de ce dernier.
   § 2. Sauf preuve contraire, est présumée être une personne ne bénéficiant pas de moyens d'existence suffisants au sens de l'article 508/13, alinéa 1er :
   1° le bénéficiaire de sommes payées à titre de revenu d'intégration ou à titre d'aide sociale, sur présentation d'au moins la décision valide du centre public d'action sociale concerné;
   2° le bénéficiaire de sommes payées à titre de revenu garanti aux personnes âgées, sur présentation d'au moins l'attestation annuelle de l'Office national des pensions;
   3° le bénéficiaire d'allocations de remplacement de revenus aux handicapés, sur présentation d'au moins la décision du ministre qui a la sécurité sociale dans ses attributions ou du fonctionnaire délégué par lui;
   4° la personne qui a à sa charge un enfant bénéficiant de prestations familiales garanties, sur présentation d'au moins l'attestation de l'organisme régional d'allocations familiales;
   5° le locataire social qui, dans les Régions flamande et de Bruxelles-Capitale paie un loyer égal à la moitié du loyer de base ou, qui en Région Wallonne, paie un loyer minimum, sur présentation d'au moins la dernière fiche de calcul du loyer ;
   6° la personne en détention, sur présentation des documents probants liés au statut de détenu ;
   7° le prévenu visé par les articles 216quinquies à 216septies du Code d'instruction criminelle ;
   8° [2 la personne atteinte d'un trouble psychiatrique en ce qui concerne l'application de la loi du 26 juin 1990 relative à la protection imposée à une personne atteinte d'un trouble psychiatrique]2, sur présentation des documents probants ;
   9° l'étranger, pour l'introduction d'une demande d'autorisation de séjour ou d'un recours administratif ou juridictionnel contre une décision prise en application de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, sur présentation des documents probants ;
   10° le demandeur d'asile ou la personne qui introduit une demande de statut de personne déplacée, sur présentation des documents probants ;
   11° la personne surendettée, sur présentation d'une déclaration de sa part selon laquelle le bénéfice de l'aide juridique de deuxième ligne est sollicité en vue de l'introduction d'une procédure de règlement collectif de dettes.
   § 3. Le bureau d'aide juridique peut demander soit au justiciable soit à des tiers, y compris des instances publiques, toutes les informations jugées utiles, entre autres le dernier avertissement-extrait de rôle, afin de vérifier que les conditions d'accès à l'aide juridique de deuxième ligne sont remplies.
   § 4. Le mineur bénéficie de la gratuité totale sur présentation de la carte d'identité ou de tout autre document établissant son état.]1

  
Art. 508/13/2. [1 De hierna vermelde personen beschikken over ontoereikende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 508/13, eerste lid, en kunnen aanspraak maken op de gedeeltelijke kosteloosheid :
   1° de alleenstaande persoon die bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat zijn maandelijks netto-inkomen tussen 1 226 euro en 1 517 euro ligt;
   2° de alleenstaande persoon met iemand ten laste of de samenwonende met zijn echtgenoot of met iedere andere persoon met wie hij een feitelijk gezin vormt, indien hij bewijst, aan de hand van om het even welk document te beoordelen door het bureau voor juridische bijstand dat het maandelijks netto-inkomen van het gezin tussen 1 517 euro en 1 807 euro ligt.
   Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met een aftrek van 20 % van het leefloon per persoon ten laste.
   Voor de vaststelling van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde inkomsten wordt rekening gehouden met de lasten die voortvloeien uit een buitengewone schuldenlast, alsook met elk ander bestaansmiddel, met name beroepsinkomsten, inkomsten uit onroerende goederen, inkomsten uit roerende goederen en diverse inkomsten, kapitalen, voordelen, alsmede tekenen en aanwijzingen waaruit een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, behoudens de kinderbijslag en de enige en eigen woning.
   Onder de samenwoning bedoeld in het eerste lid, 2°, wordt verstaan het feit dat twee of meer personen samen onder hetzelfde dak wonen en de huishoudelijke aangelegenheden hoofdzakelijk gezamenlijk regelen.
   De in het eerste lid, 2°, bedoelde persoon die de juridische bijstand vraagt teneinde zijn belangen te verdedigen, valt onder de toepassing van het eerste lid, 1°, wanneer die belangen strijdig zijn met die van zijn echtgenoot of van de persoon met wie hij samenwoont.
   De persoon die de gedeeltelijke kosteloosheid geniet, betaalt aan de advocaat een eigen bijdrage in de kosten van de juridische bijstand per aanstelling door het bureau van juridische bijstand.
   Het bedrag van de door de begunstigde van de gedeeltelijk kosteloze tweedelijnsbijstand verschuldigde bijdrage is gelijk aan het verschil tussen zijn inkomsten uit de bestaansmiddelen en de bedragen van de inkomstengrenzen voor de toegang tot de volledig kosteloze juridische bijstand, zonder dat dit bedrag hoger mag liggen dan 125 euro noch lager dan 25 euro. De advocaat voegt het ontvangstbewijs van deze betaling bij het dossier.
   Het bureau voor juridische bijstand kan hetzij aan de rechtzoekende hetzij aan derden, inclusief overheidsinstanties, alle informatie opvragen die nuttig wordt geacht, waaronder het laatste aanslagbiljet, om zich ervan te vergewissen dat de voorwaarden van de juridische tweedelijnsbijstand zijn vervuld.]1

  
Art. 508/13/2. [1 Disposent de moyens d'existence insuffisants au sens de l'article 508/13, alinéa 1er, et peuvent bénéficier de la gratuité partielle, les personnes énumérées ci-après :
   1° la personne isolée qui justifie, par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que son revenu mensuel net se situe entre 1 226 euros et 1 517 euros ;
   2° la personne isolée avec personne à charge, ou la personne cohabitant avec un conjoint ou avec tout autre personne avec laquelle elle forme un ménage, si elle justifie par tout document à apprécier par le bureau d'aide juridique que le revenu mensuel net du ménage se situe entre 1 517 euros et 1 807 euros.
   Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 2°, il est tenu compte d'une déduction de 20 % du revenu d'intégration par personne à charge.
   Pour la détermination du revenu visé à l'alinéa 1er, 1° et 2°, il est tenu compte des charges résultant d'un endettement exceptionnel ainsi que de tout autre moyen d'existence, et notamment, des revenus professionnels, des revenus des biens immobiliers, des revenus des biens mobiliers et divers, des capitaux, des avantages, ainsi que des signes et indices qui laissent apparaître une aisance supérieure aux moyens d'existence déclarés, à l'exception des allocations familiales et de son habitation unique et propre.
   La cohabitation visée à l'alinéa 1er, 2°, est le fait pour deux ou plusieurs personnes, de vivre ensemble sous le même toit et de régler principalement en commun les questions ménagères.
   La personne visée à l'alinéa 1er, 2°, qui sollicite le bénéfice de l'aide juridique afin de défendre ses intérêts qui l'opposent à son conjoint ou au cohabitant est soumise à l'alinéa 1er, 1°.
   La personne qui bénéficie de la gratuité partielle paie à l'avocat une contribution propre dans les frais d'aide juridique par désignation par le bureau d'aide juridique.
   Le montant de la contribution dû par le bénéficiaire de l'aide juridique de deuxième ligne partiellement gratuite équivaut à la différence entre ses revenus issus des moyens d'existence et les montants des seuils de revenus pour l'accès à l'aide juridique totalement gratuite, sans que ce montant puisse être supérieur à 125 euros et inférieur à 25 euros. L'avocat verse le reçu de ce paiement au dossier.
   Le bureau d'aide juridique peut demander soit au justiciable soit à des tiers, y compris des instances publiques, toutes les informations jugées utiles, entre autres le dernier avertissement-extrait de rôle, afin de vérifier que les conditions d'accès à l'aide juridique de deuxième ligne sont remplies.]1

  
Art. 508/13/3. [1 Onverminderd de artikelen 508/13/1 en 508/13/2 wordt de kosteloze juridische bijstand geweigerd indien blijkt dat de rechtzoekende beschikt over kapitalen of voordelen, alsook indien uit tekenen en aanwijzingen een hogere graad van gegoedheid blijkt dan uit de aangegeven bestaansmiddelen, waaruit kan worden besloten dat hij in de mogelijkheid is zelf zijn advocaat te betalen.]1
  
Art. 508/13/3. [1 Sans préjudice des articles 508/13/1 et 508/13/2, l'aide juridique gratuite est refusée s'il apparaît que le justiciable dispose de capitaux ou d'avantages et si des signes et indices laissent apparaître une aisance supérieure aux moyens d'existence déclarés, qui permettent de conclure qu'il est en mesure de payer son avocat lui-même.]1
  
Art. 508/13/4. [1 § 1. De bedragen vastgesteld in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, worden op 1 september 2021, 2022 en 2023 telkens verhoogd met een vast bedrag van 100 euro.
   § 2. Vanaf 1 september 2024, worden de in artikel 508/13/1, eerste lid, 1° en 2°, en in artikel 508/13/2, eerste lid, 1° en 2°, bepaalde bedragen telkens op 1 september aangepast, rekening houdend met de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen van de maand juli van elk jaar, daartoe berekend en benoemd zoals geregeld in het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van `s lands concurrentievermogen.
   Het aanvangsindexcijfer is dat van de maand juli 2023.
   Elke verhoging of verlaging van het indexcijfer leidt tot een verhoging of een verlaging van de bedragen overeenkomstig de volgende formule : het nieuwe bedrag is gelijk aan het basisbedrag, vermenigvuldigd met het nieuwe indexcijfer en gedeeld door het aanvangsindexcijfer.
   Het resultaat wordt tot op een euro en naar boven afgerond.
   § 3. De nieuwe bedragen worden jaarlijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze treden in werking op 1 september van het jaar van de aanpassing.]1

  
Art. 508/13/4. [1 § 1er. Les montants fixés à l'article 508/13/1, alinéa 1er, 1° et 2°, et à l'article 508/13/2, alinéa 1er, 1° et 2°, sont au 1er septembre 2021, 2022 et 2023, chaque fois majoré d'un montant forfaitaire de 100 euros.
   § 2. A partir du 1er septembre 2024, les montants fixés à l'article 508/13/1, alinéa 1er, 1° et 2°, et à l'article 508/13/2, alinéa 1er, 1° et 2°, sont adaptés, à chaque 1er septembre, compte tenu de l'évolution de l'indice des prix à la consommation calculé et nommé à cet effet, tel que prévu dans l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays, du mois de juillet de chaque année.
   L'indice de départ est celui du mois de juillet 2023.
   Chaque augmentation ou diminution de l'indice entraîne une augmentation ou une diminution des montants conformément à la formule suivante : le nouveau montant est égal au montant de base, multiplié par le nouvel indice et divisé par l'indice de départ.
   Le résultat est arrondi à l'euro supérieur.
   § 3. Les nouveaux montants sont publiés annuellement par avis au Moniteur belge. Ils entrent en vigueur le 1er septembre de l'année de leur adaptation.]1

  
Art. 508/13/5. [1 § 1. De Orde van Vlaamse balies en de Ordre des barreaux francophones et germanophone, hierna "de beheerder" genoemd, staan gezamenlijk in voor de inrichting en het beheer van het centraal register van de gegevens van de juridische tweedelijnsbijstand in het grondgebied België hierna "register tweedelijnsbijstand".
   § 2. Het register tweedelijnsbijstand is de geïnformatiseerde gegevensbank voor het beheer, de opvolging en de behandeling van de dossiers van juridische tweedelijnsbijstand.
   § 3. In dit register worden alle stukken en gegevens betreffende een aanvraag tot toekenning van tweedelijnsbijstand opgenomen, voor de volgende doeleinden:
   a) beheer en opslag van aanvragen van de aanstelling van de advocaat, controle in lijn met de nomenclatuur op prestaties geleverd door de advocaat door het bureau voor juridische bijstand;
   b) rapportering van tweedelijnsbijstand dossiers, ten behoeve van de vergoeding van de geleverde prestaties en de werkingskosten van het register en de bureaus voor juridische bijstand;
   c) opstellen van geanonimiseerde statistieken inzake juridische tweedelijnsbijstand;
   d) beheer en opslag van aanvragen inzake juridische tweedelijnsbijstand van de rechtzoekende of van derden of een bevoegde autoriteit in de zin van Richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003, die optreden in naam van de rechtzoekende, bij het bureau voor juridische bijstand. Het register bevat de dossiers en beslissingen van het bureau voor juridische bijstand inzake toekenning van juridische tweedelijnsbijstand, alsook de ingediende bewijsgegevens daartoe overeenkomstig de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2 in het kader van de controle van de toegangsvoorwaarden;
   e) beheer van de contactgegevens van de advocaten, rechtzoekenden en derden;
   f) beheer van de prestatiegegevens van derden, in die mate dat zij in het dossier tussenkomen;
   g) audit in het kader van de toekenning van de tweedelijnsbijstand.
   § 4. De gegevens bedoeld in paragraaf 3 worden bewaard gedurende de zeven jaren die volgen na uitbetaling van de vergoeding die aan advocaten wordt toegekend in het kader van de juridische tweedelijnsbijstand.]1

  
Art. 508/13/5. [1 § 1er. L'Ordre des barreaux francophones et germanophone et l'Orde van Vlaamse balies, ci-après dénommé "le gestionnaire", mettent en place et gèrent conjointement le registre central des données d'aide juridique de deuxième ligne sur le territoire de la Belgique, ci-après dénommé "registre de l'aide juridique de deuxième ligne".
   § 2. Le registre de l'aide juridique de deuxième ligne est la banque de données informatisée qui permet la gestion, le suivi et le traitement des dossiers d'aide juridique de deuxième ligne.
   § 3. Ce registre rassemble toutes les pièces et toutes les données relatives à une demande d'octroi d'une aide de deuxième ligne, pour les finalités suivantes:
   a) gestion et stockage des demandes de désignation de l'avocat, contrôle de la conformité à la nomenclature des prestations de l'avocat par le Bureau d'aide juridique;
   b) rapportage des dossiers d'aide juridique de deuxième ligne pour l'indemnisation des prestations fournies et les frais de fonctionnement du registre et des Bureaux d'aide juridique;
   c) établissement de statistiques anonymisées sur l'aide juridique de deuxième ligne;
   d) gestion et stockage des demandes d'aide juridique de deuxième ligne émanant du justiciable ou de tiers ou d'une autorité compétente au sens de la directive 2003/8/CE du Conseil du 27 janvier 2003, qui agissent pour le compte du justiciable, auprès du Bureau d'aide juridique. Le registre contient les dossiers et les décisions du Bureau d'aide juridique sur l'octroi de l'aide juridique de deuxième ligne, ainsi que les preuves présentées à cette fin conformément aux articles 508/13, 508/13/1 et 508/13/2 dans le cadre du contrôle des conditions d'accès;
   e) gestion des coordonnées des avocats, des justiciables et des tiers;
   f) gestion des données de prestations de tiers, dans la mesure où ils interviennent dans le dossier;
   g) audit dans le cadre de l'octroi d'une aide de deuxième ligne.
   § 4. Les données visées au paragraphe 3 sont conservées pendant les sept années qui suivent le paiement de l'indemnisation octroyée aux avocats dans le cadre de l'aide juridique de deuxième ligne.]1

  
Art. 508/13/6. [1 § 1. De bureaus voor juridische bijstand maken voor de uitvoering van hun taken zoals bepaald in dit Hoofdstuk gebruik van het register tweedelijnsbijstand.
   § 2. De beheerder van het register tweedelijnsbijstand heeft de volgende taken:
   1° instaan voor de inrichting en het beheer van het register en erop toezien dat deze voortdurend wordt bijgewerkt met de gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de doelstelling zoals bepaald in artikel 508/13/5, § 3. Het register bevat:
   a) de gegevens van de rechtzoekende die nodig zijn voor zijn aanvraag;
   b) de aanvragen tot juridische tweedelijnsbijstand;
   c) het onderzoek van de aanvraag tot juridische tweedelijnsbijstand inzake de vervulling van de toegangsvereisten;
   d) de benoeming van de advocaat die juridische tweedelijnsbijstand verleent;
   e) de controle van de toe te kennen punten, de betaling van de vergoeding aan de aangestelde advocaat voor zijn prestaties in het dossier alsook de voor hetzelfde doel uitgevoerde audits;
   f) de verzoeken tot ontheffing;
   g) de rapportering en controle van de door de advocaat verleende diensten overeenkomstig de nomenclatuur met inbegrip van eventuele aanpassingen van de punten;
   h) de verdeling onder de lokale balies van de vergoedingen die verschuldigd zijn aan de aangestelde advocaten;
   i) rapportering van tweedelijnsbijstand dossiers;
   j) in voorkomend geval de dienstroosters van de permanenties;
   2° beheer van de toegangen tot het register, aan de hand van elektronische identificatie, authenticatie, verificatie van hoedanigheden en autorisatie van de verschillende betrokkenen bij hun uitoefening van hun taken als advocaat of als medewerker van het bureau voor juridische bijstand of de overheden zoals bedoeld in artikel 488, telkens in hun hoedanigheid van medewerker van justitie;
   3° controle op het gebruik en de raadplegingen van het register, met inbegrip van het vermijden van eventueel misbruik ervan, o.m. aan de hand van logging, monitoring en datamining;
   4° publicatie van openbare informatie inzake juridische tweedelijnsbijstand: op verzoek van de minister van Justitie, de wetgevende kamers en het Planbureau en na advies van de functionaris voor gegevensbescherming, verlenen de beheerders toegang tot anonieme gegevens die nuttig zijn voor de opstelling van statistieken over de juridische tweedelijnsbijstand. Gecodeerde gegevens mogen alleen worden meegedeeld in overeenstemming met de geldende regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens en met het beroepsgeheim zoals bedoeld in artikel 458bis van het Strafwetboek;
   5° publicatie van de lijst van advocaten die inzetbaar zijn voor het verlenen van juridische bijstand zoals bepaald in artikel 508/7, opgesteld door de verschillende bureaus voor juridische bijstand;
   6° toegangsbeheer van de medewerkers en advocaten die gemachtigd zijn om voor het bureau op te treden bij de uitvoering van hun taken als medewerker van het gerecht;
   7° beheer van de aanvragen van rechtzoekenden tot inzage van of kopie van hun dossier in overeenstemming met de geldende regels inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij de verwerking van persoonsgegevens.
   § 3. De beheerder en de Ordes van advocaten worden voor de uitvoering van deze taken gezamenlijk beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van de artikelen 4, 7) en 26 van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG.
   § 4. De beheerder en de Ordes van advocaten stellen een gemeenschappelijke aangestelde voor de gegevensbescherming van de gegevens van het register aan. Deze is meer bepaald belast met:
   1° het verstrekken van deskundige adviezen inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging van persoonsgegevens en informatie en inzake hun verwerking;
   2° het informeren en adviseren van de beheerder en de Ordes van advocaten over hun verplichtingen krachtens deze wet en het algemeen kader van de bescherming van de gegevens en de persoonlijke levenssfeer;
   3° het opstellen, het toepassen, het bijwerken en het controleren van een beleid inzake de beveiliging en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer;
   4° het functioneren als contactpunt voor de Gegevens- beschermingsautoriteit;
   5° de uitvoering van de andere opdrachten inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de beveiliging die door de Koning worden bepaald, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit. Bij het uitoefenen van zijn opdrachten handelt de aangestelde voor de gegevensbescherming volledig onafhankelijk en brengt rechtstreeks verslag uit aan de beheerder. De Koning bepaalt, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels volgens dewelke de aangestelde voor de gegevensbescherming zijn opdrachten uitvoert.
   § 5. De rechtszoekenden, de derden die namens hen optreden alsook de advocaten, in het kader van de vervulling van hun taken als medewerker van het gerecht, hebben toegang tot de voor hen relevante gegevens van het register, voor zover de mededeling van deze informatie geen inbreuk betekent op het beroepsgeheim van de advocaat en/of de privacy van derden.
   § 6. Het rijksregisternummer, het identificatienummer in het bisregister, de geboorteplaats en -datum, het geslacht, de nationaliteit, de hoofdverblijfplaats, de datum van overlijden, de burgerlijke staat en de samenstelling van het gezin van de in het artikel 508/13/2 bedoelde fysieke personen mogen niet worden publiek gemaakt, maar worden wel meegedeeld aan de rechtzoekende zelf, zijn advocaat, alsook aan zijn gemandateerden bij de uitoefening van hun taak als medewerkers van het gerecht, en aan het bureau voor juridische bijstand en hun beheerder, voor de uitoefening van hun wettelijke taken.
   § 7. Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in dit Hoofdstuk bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Bij een inbreuk zijn de straffen van artikel 458 van het Strafwetboek op hem toepasselijk.]1

  
Art. 508/13/6. [1 § 1er. Les bureaux d'aide juridique utilisent le registre de l'aide juridique de deuxième ligne pour l'accomplissement de leurs missions prévues par le présent chapitre.
   § 2. Le gestionnaire du registre de l'aide juridique de deuxième ligne a les tâches suivantes:
   1° assurer la mise en place et la gestion du registre et veiller à ce qu'il soit constamment mis à jour avec les données qui sont nécessaires pour la réalisation de la finalité visée à l'article 508/13/5, § 3. Ce registre contient:
   a) les données du justiciable, nécessaires à sa demande;
   b) les demandes d'aide juridique de deuxième ligne;
   c) l'examen de la demande d'aide juridique de deuxième ligne, en vue de déterminer si les conditions d'accès sont réunies;
   d) la désignation de l'avocat pratiquant l'aide juridique de deuxième ligne;
   e) la vérification des points à attribuer, le paiement des indemnités de l'avocat désigné pour ses prestations dans le dossier ainsi que la réalisation d'audits également à ces mêmes fins;
   f) les demandes de retrait;
   g) le rapportage et le contrôle des prestations fournies par l'avocat conformément à la nomenclature, en y incluant les éventuelles adaptations des points;
   h) la distribution aux ordres locaux des indemnités revenant aux avocats désignés;
   i) le rapportage des affaires d'aide juridique de deuxième ligne;
   j) le cas échéant, les calendriers des permanences;
   2° la gestion des accès au registre, par voie électronique, de l'identification, de l'authentification, de la vérification des qualités et de l'autorisation des différentes personnes concernées dans l'exercice de leurs missions en tant qu'avocat ou collaborateur du bureau d'aide juridique ou des autorités visées à l'article 488, chaque fois en leur qualité d'acteur de la justice;
   3° le contrôle de l'utilisation et de la consultation du registre, y compris la prévention d'une éventuelle utilisation abusive, entre autres au moyen de la tenue d'un journal des logs, d'un monitoring et de datamining;
   4° la publication d'informations publiques sur l'aide juridique de deuxième ligne: à la demande du ministre de la Justice, des chambres législatives et du Bureau du Plan et après avis du délégué à la protection des données, les gestionnaires accordent l'accès aux données anonymes utiles à l'établissement de statistiques sur l'aide juridique de deuxième ligne. Les données cryptées ne peuvent être communiquées que dans le respect des règles applicables en matière de protection de la vie privée dans le traitement des données à caractère personnel et du secret professionnel en vertu de l'article 458bis du Code pénal;
   5° la publication de la liste des avocats disposés à fournir l'aide juridique prévue à l'article 508/7, établie par les différents bureaux d'aide juridique;
   6° la gestion de l'accès des collaborateurs et des avocats autorisés à agir pour le bureau dans l'exercice de leurs missions en tant qu'acteurs de la justice;
   7° la gestion des demandes d'accès ou de copie des dossiers des justiciables dans le respect des règles applicables en matière de protection de la vie privée lors du traitement des données à caractère personnel.
   § 3. Pour l'exécution de ces tâches, le gestionnaire et les Ordres d'avocats sont considérés conjointement comme le responsable du traitement au sens des articles 4, 7) et 26 du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, abrogeant la directive 95/46/CE.
   § 4. Le gestionnaire et les Ordres d'avocats désignent un préposé commun chargé de la protection des données du registre. Celui-ci est plus particulièrement chargé:
   1° de la remise d'avis qualifiés en matière de protection de la vie privée et de sécurisation des données à caractère personnel et des informations et de leur traitement;
   2° d'informer et conseiller le gestionnaire et les Ordres d'avocats de leurs obligations en vertu de la présente loi et du cadre général de la protection des données et de la vie privée;
   3° de l'établissement, de la mise en oeuvre, de la mise à jour et du contrôle d'une politique de sécurisation et de protection de la vie privée;
   4° d'être le point de contact pour l'Autorité de protection des données;
   5° de l'exécution des autres missions relatives à la protection de la vie privée et à la sécurisation qui sont déterminées par le Roi, après avis de l'Autorité de protection des données. Dans l'exercice de ses missions, le préposé à la protection des données agit en toute indépendance et rend compte directement au gestionnaire. Le Roi détermine, après avis de l'Autorité de protection des données, les règles selon lesquelles le préposé à la protection des données exerce ses missions.
   § 5. Les justiciables, les tiers agissant pour leur compte ainsi que les avocats, dans l'exercice de leurs missions en tant qu'acteurs de la justice, ont accès aux données du registre pertinentes pour eux, dans la mesure où la communication de ces informations ne porte pas atteinte au secret professionnel de l'avocat et/ou à la vie privée de tiers.
   § 6. Le numéro de registre national, le numéro d'identification dans le registre bis, le lieu et la date de naissance, le sexe, la nationalité, la résidence principale, la date de décès, l'état civil et la composition de ménage des personnes physiques visées à l'article 508/13/2 ne peuvent être rendus publics, mais sont communiqués au justiciable lui-même, à son avocat, ainsi qu'à ses mandataires dans l'exercice de leurs missions en tant qu'acteurs de la justice, et au bureau d'aide juridique et leur gestionnaire, pour l'exercice de leurs missions légales.
   § 7. Celui qui, à un titre quelconque, participe à la collecte ou au traitement des données visées au présent chapitre ou a connaissance de ces données, est tenu, le cas échéant, d'en respecter la confidentialité. En cas d'infraction, les peines de l'article 458 du Code pénal lui sont applicables.]1

  
Art. 508/14. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid wordt mondeling of schriftelijk gedaan door de aanvrager of zijn advocaat wiens naam voorkomt op de lijst bedoeld in artikel 508/7.
  (Onverminderd het bepaalde in het vorige lid, mag de aanvraag eveneens ingediend worden via de bevoegde autoriteiten, in de zin van richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen.) <W 2006-06-15/53, art. 3, 137; Inwerkingtreding : 10-08-2006>
  [3 Bij iedere aanvraag verifieert het bureau voor juridische bijstand, de identiteit van de aanvrager en desgevallend de advocaat of persoon die namens hem de aanvraag indient mits voorlegging van zijn identiteitskaart of, indien niet mogelijk, van enig ander document of feitelijke elementen waaruit zijn identiteit blijkt.]3
  Behalve in spoedeisende gevallen worden alle [2 in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid, bedoelde bewijsstukken]2 bij de aanvraag gevoegd.
  [1 In spoedeisende gevallen kan door het bureau voor juridische bijstand het voordeel van de gedeeltelijke of volledige kosteloosheid voorlopig worden toegekend aan de aanvrager zonder overlegging van alle of een deel van [2 de bewijsstukken bedoeld in de artikelen 508/13, 508/13/1 en 508/13/2, eerste en achtste lid]2. In dat geval moet de aanvrager de bewijsstukken overleggen binnen een termijn bepaald door het bureau voor juridische bijstand die niet meer bedraagt dan vijftien dagen te rekenen vanaf de dag van de beslissing. Indien de bewijsstukken niet worden ingediend binnen die termijn, wordt de juridische bijstand van rechtswege beëindigd.]1
  Het bureau oordeelt op stukken bij zijn beslissing over de aanvraag tot gedeeltelijke of volledige kosteloosheid. De aanvrager of, in voorkomend geval, zijn advocaat, wordt gehoord op zijn verzoek of indien het bureau dat nodig acht.
  [1 De aanvragen betreffende zaken die kennelijk onontvankelijk of kennelijk ongegrond lijken, worden geweigerd.]1
  [1 Ingeval meerdere advocaten tegelijk worden aangesteld voor eenzelfde persoon in het kader van eenzelfde procedure, wordt de vergoeding verdeeld zonder dat de totale vergoeding hoger kan zijn dan deze die zou zijn toegekend bij de aanstelling van één enkele advocaat.]1
  
Art. 508/14. La demande tendant au bénéfice de la gratuité complète ou partielle est introduite verbalement ou par écrit par le demandeur ou son avocat figurant sur la liste visée à l'article 508/7.
  (Sans préjudice de l'alinéa précédent, la demande peut également être introduite par le biais des autorités compétentes, au sens de la directive 2003/8/CE du Conseil du 27 janvier 2003 visant à améliorer l'accès à la justice dans les affaires transfrontalières par l'établissement de règles minimales communes relatives à l'aide judiciaire accordée dans le cadre de telles affaires.) <L 2006-06-15/53, art. 3, 137; En vigueur : 10-08-2006>
  [3 Lors de chaque demande, le bureau d'aide juridique vérifie l'identité du demandeur et, le cas échéant, de l'avocat ou de la personne qui fait la demande en son nom, au moyen de la présentation de sa carte d'identité ou, à défaut, de tout autre document ou élément factuel prouvant son identité.]3
  Sauf en cas d'urgence, toutes les [2 pièces justificatives visées aux articles 508/13, 508/13/1, et 508/13/2, alinéas 1er et 8]2 sont jointes à la demande.
  [1 En cas d'urgence, le bénéfice de la gratuité partielle ou complète peut être accordé provisoirement au demandeur par le bureau d'aide juridique sans production de tout ou partie des [2 pièces justificatives visées aux articles 508/13, 508/13/1, et 508/13/2, alinéas 1er et 8]2. Dans ce cas, le demandeur doit produire les pièces justificatives dans un délai à fixer par le bureau d'aide juridique qui ne dépasse pas quinze jours à compter de la décision. Si les pièces justificatives ne sont pas produites dans ce délai, l'aide juridique prend fin de plein droit.]1
  Pour statuer sur la demande de la gratuité complète ou partielle, le bureau se prononce sur pièces. Le demandeur ou, le cas échéant, son avocat, est entendu à sa demande ou lorsque le bureau l'estime nécessaire.
  [1 Les demandes relatives à des causes paraissant manifestement irrecevables ou manifestement mal fondées sont rejetées.]1
  [1 Lorsque plusieurs avocats sont désignés simultanément pour une même personne dans le cadre d'une même procédure, l'indemnisation est divisée sans que l'indemnisation totale ne puisse être supérieure à celle qui aurait été accordée pour la désignation d'un seul avocat.]1
  
Art. 508/15. <W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Behoudens in spoedeisende gevallen wordt aan de aanvrager en, in voorkomend geval, aan zijn advocaat kennis gegeven van de beslissing binnen vijftien dagen na de aanvraag.
  Elke beslissing tot weigering wordt met redenen omkleed.
  De kennisgeving ervan moet nuttige informatie bevatten om het beroep bepaald bij artikel 508/16 in te stellen.
Art. 508/15. Sauf en cas d'urgence, le demandeur et, le cas échéant, son avocat, est informe de la décision du bureau dans les quinze jours de la demande.
  Toute décision de refus est motivée.
  Sa notification doit contenir les informations utiles pour introduire le recours prévu à l'article 508/16.
Art. 508/16. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> De aanvrager kan binnen een maand na de in artikel 508/15 bedoelde kennisgeving beroep instellen bij de arbeidsrechtbank tegen een beslissing tot weigering.
Art. 508/16. Le demandeur peut, dans le mois de la notification prévue à l'article 508/15, former un recours auprès du tribunal du travail contre une décision de refus.
Art. 508/17. [1 § 1. Wanneer de aanvrager voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand, stelt het bureau voor juridische bijstand een advocaat aan die voorkomt op de in artikel 508/7 bedoelde lijst.
Behoudens in geval van opvolging van advocaten, geeft elke aanstelling aanleiding tot de inning door de advocaat van een forfaitaire bijdrage ten laste van de begunstigde.
   De begunstigde is er bovendien toe gehouden om, ten behoeve van zijn advocaat, een forfaitaire bijdrage te betalen per aanleg voor elke gerechtelijke procedure waarin hij door die laatste wordt vertegenwoordigd of bijgestaan.
   De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag van de in het tweede en derde lid bedoelde bijdragen, zonder dat het lager kan zijn dan 10 euro en hoger dan 50 euro.
   § 2. De persoon die de gedeeltelijk kosteloze juridische tweedelijnsbijstand geniet, betaalt naast de bijdragen bedoeld in paragraaf 1 een bijdrage die afhankelijk is van zijn bestaansmiddelen, behoudens in geval van opvolging van advocaten. De Koning bepaalt het bedrag van de bijdrage die afhankelijk is van de bestaansmiddelen.
   § 3. De advocaat treedt slechts op vanaf het ogenblik van ontvangst van de in de paragrafen 1 en 2 bedoelde bijdragen, tenzij in geval van vrijstelling van bijdragebetaling voorzien in de paragrafen 4 of 5, of tenzij ingeval de advocaat afziet van de inning van de bijdragebetaling of een betalingstermijn toestaat.
§ 4. Geen enkele in paragraaf 1 bedoelde bijdrage is verschuldigd :
   1° wanneer de persoon de leeftijd van achttien jaar niet heeft bereikt;
   2° in hoofde van de persoon van de geesteszieke voor wat betreft de toepassing van de wet van 26 juni 1990 betreffende de bescherming van de persoon van de geesteszieke en in hoofde van de geïnterneerde voor wat betreft de toepassing van de wet van 5 mei 2014 betreffende de internering;
   3° in strafzaken in hoofde van personen die volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand genieten;
   4° wanneer het een persoon betreft die een procedure instelt tot erkenning als staatloze;
   5° wanneer het een persoon betreft die een asielaanvraag indient;
   6° wanneer het een persoon betreft die een procedure instelt tegen een terugkeerbeslissing of een inreisverbod;
   7° wanneer het een persoon betreft die een aanvraag indient om een collectieve schuldenregeling te verkrijgen;
   8° wanneer het een persoon betreft die niet over enig bestaansmiddel beschikt.
   De Koning kan bijkomende vrijstellingen van de betaling van de in paragraaf 1 bedoelde bijdragen bepalen.
   § 5. Onverminderd paragraaf 4, beslist het bureau voor juridische bijstand bij een met redenen omklede beslissing en op verzoek van de aanvrager of van de begunstigde van de juridische bijstand, tot de gehele of gedeeltelijke vrijstelling van betaling van de in paragraaf 1 bedoelde bijdragen, indien het van mening is :
   1° dat de opeenstapeling van de procedures waarvoor een bijdrage verschuldigd is, de toegang tot de rechter voor de aanvrager of voor de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand ernstig zou belemmeren, of zijn proces oneerlijk zou maken, of
   2° dat de betaling van de bijdragen de toegang tot de rechter voor de aanvrager of voor de begunstigde van de juridische tweedelijnsbijstand ernstig zou belemmeren, of zijn proces oneerlijk zou maken.
   Het bureau voor juridische bijstand houdt een lijst bij met een beschrijving van de gevallen waarin een vrijstelling zoals bedoeld in het eerste lid werd verleend, het totale aantal verleende vrijstellingen en het totaalbedrag van deze vrijstellingen.
   Het bureau voor de juridische bijstand zendt deze lijst over aan de stafhouder. De stafhouder deelt de lijst mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden, die op hun beurt eenmaal per jaar de lijsten van alle balies meedelen aan de minister van Justitie op hetzelfde moment dat zij het totaal van de punten meedelen in toepassing van artikel 508/19, § 2, derde lid.
   § 6. Wanneer de begunstigde zich in een van de gevallen van vrijstelling van betaling van de bijdragen bedoeld in de paragrafen 4 en 5 bevindt, verstrekt het bureau voor juridische bijstand zowel aan de begunstigde als aan de advocaat een document waarin vastgesteld wordt dat er geen enkele bijdrage is verschuldigd voor die procedure en die aanstelling.]1

  
Art. 508/17. [1 § 1er. Lorsque le demandeur se trouve dans les conditions pour bénéficier de l'aide juridique de deuxième ligne partiellement ou entièrement gratuite, le bureau d'aide juridique désigne un avocat figurant sur la liste visée à l'article 508/7.
Sauf en cas de succession d'avocats, toute désignation donne lieu à la perception par l'avocat d'une contribution forfaitaire à charge du bénéficiaire.
   Celui-ci est en outre tenu de s'acquitter, en faveur de son avocat, d'une contribution forfaitaire par instance pour chaque procédure contentieuse dans laquelle ce dernier l'assiste ou le représente.
   Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant des contributions visées aux alinéas 2 et 3, sans qu'il puisse être inférieur à 10 euros et supérieur à 50 euros.
   § 2. La personne qui bénéficie de l'aide juridique de deuxième ligne partiellement gratuite s'acquitte d'une contribution dont le montant est fixé en fonction de ses moyens d'existence, en plus de celles visées au paragraphe 1er, excepté dans le cas d'une succession d'avocats. Le Roi fixe le montant de la contribution en fonction des moyens d'existence.
   § 3. L'avocat n'entame sa mission qu'à partir du moment où il reçoit le paiement des contributions visées aux paragraphes 1 et 2 sauf en cas d'exemption prévue par les paragraphes 4 ou 5, ou sauf dans le cas où l'avocat renonce à la perception du paiement des contributions ou accorde un délai de paiement.
§ 4. Aucune des contributions visées au paragraphe 1er n'est due :
   1° lorsque la personne n'a pas atteint l'âge de dix-huit ans;
   2° dans le chef de la personne du malade mental, en ce qui concerne la procédure dans le cadre de la loi du 26 juin 1990 sur la protection de la personne des malades mentaux et dans le chef de la personne internée en ce qui concerne la procédure dans le cadre de la loi du 5 mai 2014 relative à l'internement;
   3° en matière pénale, dans le chef de personnes bénéficiant de l'aide juridique de deuxième ligne entièrement gratuite;
   4° lorsque la personne introduit une procédure de reconnaissance de la qualité d'apatride;
   5° lorsque la personne introduit une demande d'asile;
   6° lorsque la personne introduit une procédure contre une décision de retour ou une interdiction d'entrée;
   7° lorsque la personne introduit une procédure en règlement collectif de dettes;
   8° lorsque la personne ne dispose d'aucuns moyens d'existence.
   Le Roi peut déterminer des exemptions additionnelles au paiement des contributions visées au paragraphe 1er.
   § 5. Sans préjudice du paragraphe 4, le bureau d'aide juridique décide, par une décision motivée, et sur demande du demandeur ou du bénéficiaire de l'aide juridique, de dispenser du paiement de tout ou partie des contributions visées au paragraphe 1er lorsqu'il estime :
   1° que la multiplication des procédures pour lesquelles une contribution est due entraverait gravement l'accès à la justice du demandeur ou du bénéficiaire de l'aide juridique de deuxième ligne ou rendrait leur procès inéquitable, ou
   2° que le paiement des contributions entraverait gravement l'accès à la justice du demandeur ou du bénéficiaire de l'aide juridique de deuxième ligne ou rendrait leur procès inéquitable.
   Le bureau d'aide juridique tient une liste, comprenant une description des cas dans lesquels une exemption visée à l'alinéa 1er a été accordée, le nombre total d'exemptions accordées et le montant total que représentent ces exemptions.
   Le bureau d'aide juridique transmet cette liste au bâtonnier. Le bâtonnier communique la liste aux autorités visées à l'article 488, lesquelles communiquent une fois par an les listes de tous les barreaux au ministre de la Justice en même temps qu'elles communiquent le total des points en application de l'article 508/19, § 2, alinéa 3.
   § 6. Lorsque le bénéficiaire se trouve dans un des cas d'exemption du paiement des contributions visées aux paragraphes 4 et 5, le bureau d'aide juridique délivre au bénéficiaire ainsi qu'à l'avocat un document stipulant qu'aucune contribution n'est due pour cette instance et cette désignation.]1

  
Art. 508/18. [1 Het bureau voor juridische bijstand kan, ambtshalve of op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat, een einde stellen aan de juridische tweedelijnsbijstand indien het vaststelt dat de begunstigde niet voldeed of niet langer voldoet aan de voorwaarden bepaald bij artikel 508/13 of wanneer de begunstigde kennelijk geen medewerking verleent bij de verdediging van zijn belangen. Het bureau brengt de advocaat daarvan op de hoogte.
   Het bureau voor juridische bijstand kan tevens een einde stellen aan de juridische tweedelijnsbijstand op een met redenen omkleed verzoek van de advocaat als deze meent dat zijn interventie geen enkele meerwaarde biedt. Het bureau brengt de advocaat daarvan op de hoogte.
   Wanneer het bureau voor juridische bijstand een verzoek ontvangt van de advocaat of de in het eerste lid bedoelde vaststelling doet, stelt het de begunstigde daarvan in kennis, met het verzoek zijn opmerkingen te formuleren binnen de twintig dagen.
   Elke beslissing tot beëindiging van de toegekende bijstand wordt bij een aangetekende zending ter kennis van de begunstigde gebracht. Tegen die beslissing kan beroep worden ingesteld.
   De artikelen 508/15 en 508/16 zijn van toepassing.]1

  
Art. 508/18. [1 Le bureau d'aide juridique peut, d'office ou sur requête motivée de l'avocat, mettre fin à l'aide juridique de deuxième ligne s'il constate que le bénéficiaire ne satisfaisait pas ou ne satisfait plus aux conditions prévues à l'article 508/13 ou lorsque le bénéficiaire ne collabore manifestement pas à la défense de ses intérêts. Le bureau en informe l'avocat.
   Le bureau d'aide juridique peut également mettre fin à l'aide juridique de deuxième ligne sur requête motivée de l'avocat lorsque ce dernier constate que son intervention n'ajouterait aucune plus-value. Le bureau en informe l'avocat.
   Lorsque le bureau d'aide juridique est saisi d'une requête de l'avocat ou constate l'une des hypothèses visées à l'alinéa 1er, il en informe le bénéficiaire et l'invite à formuler ses observations dans un délai de vingt jours.
   Toute décision de mettre fin à l'aide octroyée est communiquée par envoi recommandé au bénéficiaire. Cette décision est susceptible de recours.
   Les articles 508/15 et 508/16 sont d'application.]1

  
HOOFDSTUK V. - (De vergoeding van de advocaten).
CHAPITRE V. - L'indemnisation des avocats.
Art. 508/19. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> (§ 1. De advocaat int de aan de begunstigde toegekende rechtsplegingsvergoeding [1 en betaalt de eigen bijdrage bedoeld in artikel 508/17, [3 ...]3 § 2 terug aan de rechtzoekende voor zover de rechtsplegingsvergoeding de vergoeding berekend op basis van punten bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid, overtreft]1.) <W 2007-04-21/85, art. 2, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
  (§ 2.) De advocaten belast met de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische tweedelijnsbijstand doen verslag aan het bureau over elke behandelde zaak waarvoor zij in dit raam prestaties hebben verricht. (Dit verslag vermeldt eveneens de door de advocaat geïnde rechtsplegingsvergoeding [1 en de vergoedingen geïnd overeenkomstig artikel 508/19ter alsook de bijdragen bedoeld in artikel 508/17, [3 ...]3 § 2]1.) <W 2007-04-21/85, art. 2, 2° en 3°, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
  [1 Het bureau voor juridische bijstand kent voor die prestaties [2 op grond van een lijst met de punten die voor bepaalde uurprestaties worden aangerekend, waarvan de nadere regels worden bepaald door de Koning,]2 aan de advocaten punten toe en doet hierover verslag aan de stafhouder. Het bureau voor juridische bijstand kent geen punten toe of vermindert de punten, in voorkomend geval, voor de prestaties waarvoor geldsommen werden geïnd op grond van de artikelen 508/17, [3 ...]3 § 2, 508/19, § 1, en 508/19ter of voor de prestaties voor dewelke de advocaat afziet van de inning van geldsommen op grond van artikel 508/17, § 3.]1
  [4 De controle en toekenning van de punten voor de prestaties verricht door de advocaten zoals bepaald in het tweede lid en in artikel 508/8 worden uitgevoerd door de bureaus voor juridische bijstand en gecoördineerd door de overheden bedoeld in artikel 488 op de wijze die door de Koning wordt bepaald.]4
  [4 § 2/1. Het bureau voor juridische bijstand groepeert alle goedgekeurde eindverslagen per materie overeenkomstig paragraaf 2. Enkele ervan worden nadien onderworpen aan een audit om de correctheid van de aanstellingen, de kwaliteit van de prestaties verricht door de advocaat, de realiteit van de prestaties verricht door de advocaten overeenkomstig de in paragraaf 2, tweede lid, bedoelde lijst, en de uitvoering van deze controles door het bureau voor juridische bijstand te verifiëren. Deze audit wordt door de in artikel 488 bedoelde overheden uitgevoerd overeenkomstig de door de Koning bepaalde nadere regels. De conclusies van deze audit worden toegezonden aan de betrokken bureaus voor juridische bijstand, dat er rekening mee houdt. Een vereenvoudigd verslag van deze conclusies, waarvan de inhoud door de Koning wordt bepaald, wordt door de in artikel 488 bedoelde overheden opgesteld en aan de minister van Justitie meegedeeld.
   De stafhouder deelt het totaal van de punten van de balie mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden die overeenkomstig de in het eerste lid en paragraaf 2 bedoelde controles het totaal van de punten van alle balies meedelen aan de minister van Justitie.]4

  (§ 3.) [4 Zodra hij de mededeling heeft ontvangen van de informatie bedoeld in paragraaf 2/1, tweede lid, kan de minister van Justitie, indien hij dit noodzakelijk acht, een aanvullende controle laten uitvoeren volgens de nadere regels die hij bepaalt na raadpleging van de in artikel 488 bedoelde overheden.
   Hij gelast de betaling van de vergoeding aan die overheden die, in voorkomend geval, via de Ordes van Advocaten voor de verdeling ervan zorgen. De betaling wordt uitgevoerd overeenkomstig de door de Koning vastgestelde voorwaarden.]4

  [2 § 4. De Koning bepaalt de uitvoeringsbepalingen van dit artikel, inzonderheid de criteria inzake toekenning, niet-toekenning of vermindering van de punten, [4 ...]4 de waarde van het punt, de voorwaarden inzake indiening van de aanvraag tot vergoeding en de nadere regels en voorwaarden inzake betaling van de vergoeding.]2
  
Art. 508/19. (§ 1er. L'avocat perçoit l'indemnité de procédure accordée au bénéficiaire [1 et rembourse au justiciable les contributions propres visées à l'article 508/17, [3 ...]3 § 2 pour autant que l'indemnité de procédure dépasse l'indemnité calculée sur la base des points visés à l'article 508/19, § 2, alinéa 2]1.) <L 2007-04-21/85, art. 2, 1°, 147; En vigueur : 01-01-2008 ; voir également l'art. 13>>
  (§ 2.) Les avocats chargés de l'aide juridique de deuxième ligne partiellement ou complètement gratuite font rapport au bureau sur chaque affaire pour laquelle ils ont accompli des prestations à ce titre. (Ce rapport mentionne également l'indemnité de procédure perçue par l'avocat [1 et les indemnités perçues en vertu de l'article 508/19ter ainsi que les contributions visées à l'article 508/17, [3 ...]3 § 2]1.) <L 2007-04-21/85, art. 2, 2° et 3°, 147; En vigueur : 01-01-2008 ; voir également l'art. 13>
  [1 Le bureau d'aide juridique attribue des points aux avocats pour ces prestations [2 sur la base d'une liste mentionnant les points correspondants à des prestations horaires déterminées, dont les modalités sont fixées par le Roi,]2 et en fait un rapport au bâtonnier. Le bureau d'aide juridique n'attribue pas de points ou diminue les points, le cas échéant, pour des prestations pour lesquelles des sommes ont été perçues sur la base des articles 508/17, [3 ...]3 § 2, 508/19, § 1er, et 508/19ter ou pour des prestations pour lesquelles l'avocat a renoncé à la perception de sommes sur la base de l'article 508/17, § 3.]1
  [4 Le contrôle et l'attribution des points pour les prestations accomplies par les avocats en vertu de l'alinéa 2 et de l'article 508/8 sont effectués par les bureaux d'aide juridique et coordonnés par les autorités visées à l'article 488 selon les modalités déterminées par le Roi.]4
  [4 § 2/1. Le bureau d'aide juridique regroupe par matière tous les rapports de clôture approuvés en vertu du paragraphe 2. Certains d'entre eux sont alors soumis à un audit consistant à vérifier l'exactitude des désignations, la qualité des prestations effectuées par l'avocat, la réalité des prestations accomplies par les avocats conformément à la liste visée au paragraphe 2, alinéa 2, et l'exercice de ces vérifications par le bureau d'aide juridique. Cet audit est organisé par les autorités visées à l'article 488 selon les modalités déterminées par le Roi. Les conclusions résultant de cet audit sont transmises, afin qu'il en soit tenu compte, aux bureaux d'aide juridique concernés. Un rapport simplifié de ces conclusions dont le contenu est déterminé par le Roi est préparé par les autorités visées à l'article 488 et envoyé au ministre de la Justice.
   Le bâtonnier communique le total des points de son barreau aux autorités visées à l'article 488, lesquelles communiquent, conformément aux contrôles visés à l'alinéa 1er et au paragraphe 2, le total des points de tous les barreaux au ministre de la Justice.]4

  (§ 3.) [4 Dès réception de l'information visée au paragraphe 2/1, alinéa 2, le ministre de la Justice peut, s'il l'estime nécessaire, faire effectuer un contrôle supplémentaire selon les modalités qu'il détermine après consultation des autorités visées à l'article 488.
   Il ordonne le paiement de l'indemnité à ces autorités qui en assurent la répartition, le cas échéant, par le biais des Ordres des avocats. Le paiement est effectué selon les conditions déterminées par le Roi.]4

  [2 § 4. Le Roi détermine les modalités d'exécution de cet article, et notamment les critères d'attribution, de non attribution ou de diminution des points, [4 ...]4 la valeur du point, les conditions d'introduction de la demande d'indemnité, les modalités et conditions de paiement de l'indemnité.]2
  
HOOFDSTUK Vbis. - Kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand.
CHAPITRE Vbis. - Frais liés à l'organisation des bureaux d'aide juridique.
Art. 508/19bis. [1 Er wordt in een jaarlijkse subsidie voorzien voor de kosten verbonden aan de organisatie van de bureaus voor juridische bijstand, ten laste van de begroting van de FOD Justitie.
   Het bedrag van de subsidie wordt vastgesteld op basis van de door de bureaus voor juridische bijstand aangegeven werkelijke kosten en goedgekeurd door de minister van Justitie. Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 7 % van de vergoeding bedoeld in artikel 508/19, § 3.
   De Koning bepaalt de nadere regels voor de uitvoering van dit artikel en kan, in bijzondere gevallen, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad afwijken van het voormelde percentage van 7 % op gemotiveerde vraag van de in artikel 488 bedoelde overheden op basis van aangetoonde kosten.]1

  
Art. 508/19bis. [1 Une subvention annuelle est prévue pour les frais liés à l'organisation des bureaux d'aide juridique, à charge du budget du SPF Justice.
   Le montant de la subvention est déterminé selon les frais réels exposés par les bureaux d'aide juridique et approuvés par le ministre de la Justice. Ce montant ne peut pas excéder 7 % de l'indemnité visée à l'article 508/19, § 3.
   Le Roi détermine les modalités d'exécution du présent article et peut, dans des cas spécifiques, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, s'écarter du taux de 7 % précité à la demande motivée des autorités visées à l'article 488 sur la base de frais démontrés.]1

  
HOOFDSTUK VI. - [1 Terugvordering van de rijksvergoeding - Recht van de advocaat op de betaling van vergoedingen]1
CHAPITRE VI. - [1 De la récupération de l'indemnité de l'Etat - Du droit de l'avocat au paiement d'indemnités.]1
Art. 508/19ter. [1 § 1. De advocaat die vaststelt dat zijn optreden de begunstigde in staat heeft gesteld om geldsommen te ontvangen, waardoor hij een vergoeding kan betalen, stelt de begunstigde en het bureau voor juridische bijstand daarvan in kennis.
   De geldsommen die in aanmerking kunnen worden genomen zijn deze die, mochten zij bestaan hebben op de dag van de aanvraag, de begunstigde niet hadden toegestaan te voldoen aan de voorwaarden om te genieten van juridische tweedelijnsbijstand.
   Het bureau voor juridische bijstand houdt rekening met de verrichte prestaties en stelt het bedrag vast van de vergoeding die de advocaat inhoudt van of oplegt aan de begunstigde.
   § 2. De in paragraaf 1 bedoelde vergoeding kan niet tot gevolg hebben dat :
   1° een bedrag wordt ingehouden of opgelegd dat hoger is dan 150 % van de vergoeding die de advocaat zou hebben ontvangen in toepassing van artikel 508/19, § 2, tweede lid;
   2° een bedrag wordt ingehouden of geheven op het totaal van de door de begunstigde of voor zijn rekening ontvangen geldsommen waardoor het saldo lager is dan 250 euro;
   3° een bedrag wordt ingehouden of geheven dat hoger is dan 50 % van het totaal van de ontvangen geldsommen.
   Het bureau voor juridische bijstand kan, in uitzonderlijke gevallen, bij een met redenen omklede beslissing beslissen dat de in het eerste lid, 1°, bedoelde maximale percentages niet toepasselijk zijn.
   De berekening van de voor juridische bijstand toegekende vergoeding gebeurt op basis van de meest recente gekende waarde van het punt.
   In het geval dat de dankzij het optreden van de advocaat geïnde bedragen maandelijkse sommen zijn, worden de in te houden of te heffen bedragen bedoeld in het eerste lid, 2° en 3°, berekend op basis van de sommen die de inkomensdrempels vastgesteld krachtens artikel 508/13 overschrijden.
   § 3. Wanneer de advocaat vergoedingen heeft ontvangen in toepassing van artikel 508/17, [2 ...]2 § 2, of een rechtsplegingsvergoeding in toepassing van artikel 508/19, § 1, trekt het bureau voor juridische bijstand die bedragen af van de geldsommen die de advocaat mag inhouden van of opleggen aan de begunstigde.
   § 4. Het bureau voor juridische bijstand deelt zijn beslissing mee aan de begunstigde en aan de advocaat volgens de vormen voorgeschreven bij artikel 508/15. De beslissing is vatbaar voor beroep overeenkomstig artikel 508/16.
   § 5. Wanneer de advocaat in de onmogelijkheid verkeert om de geldsommen bestemd voor de begunstigde in te houden, of zijn vergoeding onbetaald blijft ondanks twee opeenvolgende aanmaningen, brengt hij het bureau voor juridische bijstand daarvan op de hoogte ten vroegste twee maanden na de mededeling bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, en vraagt hij om de betaling van de vergoeding berekend op basis van de punten bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid.
   Wanneer de advocaat slechts een gedeelte van de vergoeding die hem verschuldigd is kan inhouden of opleggen of een gedeelte van zijn vergoeding onbetaald blijft, brengt hij het bureau voor juridische bijstand hiervan op de hoogte binnen dezelfde termijn en onder dezelfde voorwaarden als in het eerste lid en verzoekt hij de betaling van het saldo van de vergoeding berekend op basis van de punten bedoeld in artikel 508/19, § 2, tweede lid.
   Voor de prestaties waarvoor een voor de juridische bijstand toegekende vergoeding werd ingehouden of opgelegd, overeenkomstig paragraaf 1, tweede lid, worden geen punten toegekend overeenkomstig artikel 508/19, § 2, tweede lid.
   § 6. Het bureau voor juridische bijstand doet verslag aan de stafhouder van de bedragen waarvoor het toestemming tot inhouding of oplegging heeft gegeven evenals van de opgelegde bedragen die onbetaald zijn gebleven.
   De stafhouder deelt die bedragen mee aan de in artikel 488 bedoelde overheden, die op hun beurt eenmaal per jaar het totaal van die bedragen van alle balies meedelen aan de minister van Justitie op hetzelfde moment dat zij het totaal van de punten meedelen in toepassing van artikel 508/19, § 2, derde lid.]1

  
Art. 508/19ter. [1 § 1er. L'avocat qui constate que son intervention a permis au bénéficiaire de percevoir des sommes d'argent, lui permettant de payer une indemnité, en informe le bénéficiaire et le bureau d'aide juridique.
   Les sommes d'argent pouvant être prises en considération sont celles qui, si elles avaient existé au jour de la demande d'aide juridique, n'auraient pas permis au bénéficiaire de satisfaire aux conditions pour bénéficier de l'aide juridique de deuxième ligne.
   Le bureau d'aide juridique tient compte des prestations accomplies et fixe le montant de l'indemnité que l'avocat retient du ou taxe au bénéficiaire.
   § 2. L'indemnité visée au paragraphe 1er ne peut avoir pour conséquence :
   1° de retenir ou de taxer un montant supérieur à 150 % de ce que l'avocat aurait obtenu comme indemnité en application de l'article 508/19, § 2, alinéa 2;
   2° de retenir ou de taxer un montant qui, une fois déduit du total des sommes perçues par le bénéficiaire ou pour son compte, rendraient ces sommes inférieures à 250 euros;
   3° de retenir ou de taxer un montant supérieur à 50 % du total des sommes perçues.
   En cas de circonstances exceptionnelles, le bureau d'aide juridique peut, par une décision motivée, décider que les pourcentages maximaux prévus à l'alinéa 1er, 1°, ne s'appliquent pas.
   Le calcul de l'indemnité allouée pour l'aide juridique se fait sur la base de la valeur du point connue la plus récente.
   Dans le cas où les sommes perçues grâce à l'intervention de l'avocat sont des sommes mensuelles, les montants à retenir ou taxer visés à l'alinéa 1er, 2° et 3°, sont calculés sur la base des sommes excédant les seuils de revenus déterminés en vertu de l'article 508/13.
   § 3. Lorsque l'avocat a perçu des contributions en application de l'article 508/17, [2 ...]2 § 2, ou l'indemnité de procédure en application de l'article 508/19, § 1er, le bureau d'aide juridique soustrait ces montants des sommes que l'avocat peut retenir du ou taxer au bénéficiaire.
   § 4. Le bureau d'aide juridique communique sa décision au bénéficiaire et à l'avocat dans les formes prévues à l'article 508/15. Elle est susceptible de recours conformément à l'article 508/16.
   § 5. Lorsque l'avocat se trouve dans l'impossibilité de retenir les sommes destinées au bénéficiaire ou que son indemnité reste impayée malgré deux rappels successifs, il en informe le bureau d'aide juridique au plus tôt deux mois après la communication visée au paragraphe 1er, alinéa 1er et sollicite le paiement de l'indemnité calculée sur la base des points visés à l'article 508/19, § 2, alinéa 2.
   Lorsque l'avocat n'a pu retenir ou taxer qu'une partie de l'indemnité qui lui est due ou que son indemnité reste partiellement impayée, il en informe le bureau d'aide juridique dans les mêmes délais et dans les mêmes conditions qu'à l'alinéa 1er et sollicite le paiement du solde de l'indemnité calculée sur la base des points visés à l'article 508/19, § 2, alinéa 2.
   Pour les prestations pour lesquelles une indemnité allouée pour l'aide juridique est retenue ou taxée en vertu du paragraphe 1er, alinéa 2, aucun point ne sera attribué conformément à l'article 508/19, § 2, alinéa 2.
   § 6. Le bureau d'aide juridique fait rapport au bâtonnier des montants qu'il autorise à retenir ou taxer ainsi que des montants taxés mais impayés.
   Le bâtonnier communique ces montants aux autorités visées à l'article 488, lesquelles communiquent le total de ces montants de tous les barreaux au ministre de la Justice une fois par an, en même temps qu'elles communiquent le total des points conformément à l'article 508/19, § 2, alinéa 3.]1

  
Art. 508/20. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> § 1. Onverminderd strafrechtelijke sancties kan de vergoeding verleend voor de juridische tweedelijnsbijstand door de Schatkist van de bijgestane persoon worden teruggevorderd :
  1° indien blijkt dat zich een wijziging heeft voorgedaan in zijn vermogen, inkomsten of lasten en hij derhalve in staat is te betalen;
  2° wanneer de rechtzoekende voordeel heeft gehaald uit het optreden van de advocaat, zodanig dat, mocht dat voordeel hebben bestaan op de dag van de aanvraag, die bijstand hem niet zou zijn toegekend [1 , voor zover die bedragen niet door de advocaat geïnd werden overeenkomstig artikel 508/19ter]1;
  3° indien de bijstand is verleend op grond van valse verklaringen of door andere bedrieglijke middelen is verkregen.
  [1 ...]1
  § 2. Ingeval de begunstigde recht heeft op een tegemoetkoming binnen het raam van een rechtsbijstandverzekering, stelt de aangewezen advocaat het bureau hiervan in kennis en treedt de Schatkist in de rechten van de begunstigde ten belope van het door haar gedragen bedrag van de verleende juridische bijstand.
  Ingeval de begunstigde voornoemde tegemoetkoming heeft ontvangen, vordert de Schatkist op hem het bedrag van de verleende juridische bijstand terug.
  (Hetzelfde geldt ingeval de begunstigde recht heeft op een rechtsplegingvergoeding, en hij deze ontvangt nadat de advocaat zijn verslag heeft ingediend bij het bureau overeenkomstig artikel 508/19, § 2.) <W 2007-04-21/85, art. 4, 1°, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
  Ingeval de advocaat van de begunstigde (de tegemoetkoming van een rechtsbijstandsverzekering) heeft ontvangen, vordert de Schatkist op hem het bedrag van de verleende juridische bijstand terug. <W 2007-04-21/85, art. 4, 2°, 147; Inwerkingtreding : 01-01-2008 ; zie ook art. 13>
  § 3. De terugvordering bedoeld in § 1 van dit artikel verjaart na een termijn van vijf jaar te rekenen van de beslissing tot verlening van de gedeeltelijk of volledig kosteloze juridische bijstand, zonder dat de verjaringstermijn korter kan zijn dan één jaar, te rekenen van de ontvangst van de vergoeding door de advocaat.".
  
Art. 508/20. § 1er. Sans préjudice de sanctions pénales, l'indemnité allouée pour l'aide juridique de deuxième ligne peut être récupérée par le Trésor auprès du bénéficiaire de cette aide :
  1° s'il est établi qu'est intervenue une modification du patrimoine, des revenus ou des charges du bénéficiaire et que celui-ci est par conséquent en mesure de payer;
  2° lorsque le justiciable a tiré profit de l'intervention de l'avocat de manière telle que si ce profit avait existé au jour de la demande, cette aide ne lui aurait pas été accordée [1 , pour autant que ces montants n'aient pas été perçus par l'avocat en application de l'article 508/19ter]1;
  3° si l'aide a été accordée à la suite de fausses déclarations ou a été obtenue par d'autres moyens frauduleux.
  [1 ...]1
  § 2. Si le bénéficiaire a droit à l'intervention d'une assurance de protection juridique, l'avocat désigné en informe le bureau et le Trésor est subrogé aux droits du bénéficiaire à concurrence du montant de l'aide juridique consentie qu'il a pris en charge.
  Si le bénéficiaire a obtenu ladite intervention, le Trésor lui réclame le montant de l'aide juridique consentie.
  (Il en va de même si le bénéficiaire a droit à une indemnité de procédure et la perçoit après que l'avocat a fait rapport au bureau conformément à l'article 508/19, § 2.) <L 2007-04-21/85, art. 4, 1°, 147; En vigueur : 01-01-2008 ; voir également l'art. 13>
  Si l'avocat du bénéficiaire a obtenu (l'intervention d'une assurance protection juridique), le Trésor lui réclame le montant de l'aide juridique consentie. <L 2007-04-21/85, art. 4, 2°, 147; En vigueur : 01-01-2008 ; voir également l'art. 13>
  § 3. La récupération visée au § 1er du présent article se prescrit par cinq ans à compter de la décision d'octroi de l'aide juridique partiellement ou entièrement gratuite, sans que le délai de prescription puisse être inférieur à un an à compter de la perception de l'indemnité par l'avocat.
  
HOOFDSTUK VII. - (De ambtshalve toevoeging van advocaten).
CHAPITRE VII. - De la commission d'office des avocats.
Art. 508/21. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Telkens wanneer krachtens de wet een advocaat ambtshalve moet worden toegevoegd, gebeurt de aanwijzing door de stafhouder of door het bureau, behoudens de uitzonderingen waarin de wet voorziet.
Art. 508/21. Dans tous les cas où en vertu de la loi un avocat doit être commis d'office, il est désigné par le bâtonnier ou par le bureau, sauf les exceptions prévues par la loi.
Art. 508/22. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Wanneer de persoon die moet worden bijgestaan niet voldoet aan de in artikel 508/13 bedoelde [1 voorwaarden betreffende de bestaansmiddelen]1, wijst de stafhouder naar keuze van die persoon een advocaat aan. In de gevallen die hij spoedeisend acht, wijst de stafhouder een advocaat aan. die deelneemt aan de in artikel 508/7 bedoelde wachtdiensten.
  (Artikel 446ter) is van toepassing op de honoraria van deze advocaat. <W 2006-06-21/36, art. 41, 135; Inwerkingtreding : 01-11-2006>
  Ingeval de bijgestane persoon nalaat of weigert te betalen, wordt aan de ambtshalve toegevoegde advocaat een rijksvergoeding toegekend wegens de werkzaamheden waarvoor de toevoeging heeft plaatsgehad.
  In geval van gedeeltelijke betaling van de honoraria door de bijgestane persoon wordt de vergoeding verminderd met het betaalde bedrag.
  Wanneer een vergoeding wordt toegekend, zijn de hoofdstukken V en VI van toepassing.
  
Art. 508/22. Lorsque la personne qui doit être assistée n'est pas dans les conditions [1 des moyens d'existence visés]1 à l'article 508/13, le bâtonnier désigne l'avocat qui aura été choisi par cette personne. Dans les cas qu'il juge urgents, le bâtonnier désigne un avocat qui participe aux services de garde visés à l'article 508/7.
  (L'article 446ter) est applicable en ce qui concerne les honoraires de cet avocat.
  Si la personne assistée omet ou refuse de payer, l'Etat alloue une indemnité à l'avocat commis d'office pour l'accomplissement des prestations pour lesquelles la Commission a eu lieu. <L 2006-06-21/36, art. 41, 135; En vigueur : 01-11-2006>
  En cas de paiement partiel des honoraires par la personne assistée, l'indemnité est diminuée du montant payé.
  Lorsqu'une indemnité est octroyée, les chapitres V et VI sont d'application.
  
Art. 508/23. <INGEVOEGD bij W 1998-11-23/34, art. 4; Inwerkingtreding : 01-09-1999> Wanneer de bijgestane persoon voldoet aan de bij artikel 508/13 bepaalde [1 voorwaarden betreffende de bestaansmiddelen]1, wijst het bureau een advocaat aan uit de in artikel 508/7 bedoelde lijst.
  In de gevallen die hij spoedeisend acht, wijst de stafhouder een advocaat aan die is ingeschreven op de in artikel 508/7 bedoelde lijst en geeft hij hiervan kennis aan het bureau.
  Voor het overige zijn de hoofdstukken IV tot VI van toepassing.
  
Art. 508/23. Lorsque la personne assistée est dans les conditions [1 des moyens d'existence visés]1 à l'article 508/13, le bureau désigne un avocat dans la liste visée à l'article 508/7.
  Dans les cas qu'il juge urgents, le bâtonnier désigne un avocat qui est inscrit sur la liste visée à l'article 508/7 et en informe le bureau.
  Pour le surplus, les dispositions des chapitres IV à VI sont d'application.
  
HOOFDSTUK VIII. - Grensoverschrijdende geschillen bedoeld in richtlijn 2003/8/EG.
CHAPITRE VIII. - Des affaires transfrontalières visées par la directive 2003/8/CE.
Art. 508/24. <INGEVOEGD bij W 2006-06-15/53, art. 6; Inwerkingtreding : 10-08-2006> § 1. De Federale Overheidsdienst Justitie is de bevoegde autoriteit belast met de verzending en de ontvangst van het verzoek met betrekking tot de grensoverschrijdende geschillen in de zin van richtlijn 2003/8/EG van de Raad van 27 januari 2003 tot verbetering van de toegang tot de rechter bij grensoverschrijdende geschillen, door middel van gemeenschappelijke minimumvoorschriften betreffende rechtsbijstand bij die geschillen.
  § 2. Het bureau voor juridische bijstand is eveneens bevoegd om de verzoeken om juridische bijstand of rechtsbijstand op het grondgebied van een andere Lidstaat van de Europese Unie, in ontvangst te nemen.
  (In dat geval stuurt het dit verzoek dadelijk door naar de Federale Overheidsdienst Justitie die het, na vertaling in een taal erkend door de Staat van bestemming, binnen de vijftien dagen ter kennis brengt van de bevoegde autoriteit van dat land.) .
  § 3. Om de verzending van de verzoeken te vergemakkelijken wordt gebruik gemaakt van de modelformulieren voor de verzoeken en voor de verzending ervan, bedoeld in artikel 16 van de in § 1 bedoelde richtlijn.
  § 4. Wanneer het verzoek via de in § 1 bedoelde autoriteit wordt ingediend, komen de kosten voor de vertaling van dat verzoek en van de vereiste begeleidende stukken ten laste van het Rijk. Zij worden vastgesteld op de wijze bepaald in het algemeen reglement op de gerechtskosten in strafzaken.
  § 5. Ingeval een persoon juridische bijstand heeft genoten in een lidstaat van de Europese Unie, waarvan de rechter de beslissing heeft gewezen, geniet hij juridische bijstand wanneer de beslissing in België moet worden erkend, uitvoerbaar verklaard of ten uitvoer gelegd.
  § 6. De in § 1 bedoelde overheid weigert het verzoek te verzenden indien het kennelijk ongegrond is of indien het kennelijk buiten het toepassingsgebied van de in § 1 bedoelde richtlijn valt. Bij het nemen van een besluit over de gegrondheid van een verzoek wordt het belang van de betrokken zaak voor de verzoeker in overweging genomen. De beslissing tot weigering wordt met redenen omkleed en bij gewone brief ter kennis gebracht van de verzoeker.
Art. 508/24. § 1er. Pour ce qui concerne les affaires transfrontalières au sens de la directive 2003/ 8/CE du Conseil du 27 janvier 2003 visant à améliorer l'accès à la justice dans les affaires transfrontalières par l'établissement de règles minimales communes relatives à l'aide judiciaire accordée dans le cadre de telles affaires, l'autorité compétente pour l'expédition et la réception de la demande est le Service public fédéral Justice.
  § 2. Le bureau d'aide juridique est également compétent pour recevoir les demandes visant au bénéfice de l'aide juridique ou de l'assistance judiciaire sur le territoire d'un autre Etat membre de l'Union européenne.
  Dans ce cas, il transmet sans délai cette demande au Service public fédéral Justice qui, après en avoir assuré la traduction dans une langue reconnue par l'Etat destinataire, la communique dans les quinze jours à l'autorité compétente de ce pays.
  § 3. Afin de faciliter la transmission des demandes, les formulaires standard relatifs aux demandes et à la transmission de celles-ci, visés à l'article 16 de la directive visée au § 1er, sont utilisés.
  § 4. Lorsque la demande est introduite par l'intermédiaire de l'autorité visée au § 1er, les frais de traduction de cette demande et des documents connexes exigés sont à la charge de l'Etat. Ils sont réglés selon la procédure prévue au règlement général sur les frais de justice en matière répressive.
  § 5. Lorsqu'une personne a obtenu le bénéfice de l'aide juridique dans un Etat membre de l'Union européenne, dont un juge a rendu la décision, elle bénéficie de l'aide juridique lorsque la décision doit être reconnue, déclarée exécutoire ou exécutée en Belgique.
  § 6. L'autorité visée au § 1er refuse de transmettre la demande si celle-ci est manifestement non fondée ou se situe manifestement hors du champ d'application de la directive visée au § 1er. En statuant sur le bien-fondé d'une demande, il est tenu compte de l'importance de l'affaire en cause pour le demandeur. La décision de refus est motivée et notifiée par simple lettre au demandeur.
Art. 508/25. <INGEVOEGD bij W 2006-06-15/53, art. 7; Inwerkingtreding : 10-08-2006> De persoon die niet over onvoldoende [1 bestaansmiddelen]1 beschikt in de zin van artikel 508/13, kan evenwel juridische bijstand genieten indien hij het bewijs levert dat hij de kosten niet kan dragen als gevolg van de verschillen in de kosten van levensonderhoud tussen de lidstaat waar hij zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft en België.
  
Art. 508/25. La personne qui ne bénéficie pas de [1 moyens d'existence insuffisants]1 au sens de l'article 508/13, peut néanmoins bénéficier de l'aide juridique si elle apporte la preuve qu'elle ne peut pas faire face aux frais en raison de la différence du coût de la vie entre l'Etat membre dans lequel elle a son domicile ou sa résidence habituelle et la Belgique.
  
BOEK IV. - [1 Gerechtsdeurwaarders]1
LIVRE IV. - [1 Des huissiers de justice]1
HOOFDSTUK I. - [1 Titel, statuut, benoeming, eed en vestiging]1
CHAPITRE Ier. - [1 Du titre, du statut, de la nomination, du serment et de l'établissement]1
Art. 509. [1 § 1. Gerechtsdeurwaarders zijn openbare ambtenaren en ministeriële officieren in de uitoefening van de ambtelijke taken die door een wet, decreet, ordonnantie of koninklijk besluit aan hen zijn opgedragen of voorbehouden.
  Zij verlenen authenticiteit aan hun akten overeenkomstig artikel [3 8.1, 5°]3 van het Burgerlijk Wetboek.
  In elk gerechtelijk arrondissement zijn er gerechtsdeurwaarders. [4 Zij worden door de Koning benoemd uit de kandidaten voorgedragen overeenkomstig de in artikel 515 bedoelde regels. Ze worden tot de leeftijd van zeventig jaar benoemd. Wanneer er, op de leeftijd van zeventig jaar, nog geen dertig jaar is verstreken sinds hun benoeming, blijven zij benoemd tot na het verstrijken van deze termijn en uiterlijk tot de leeftijd van vijfenzeventig jaar. Twee jaar voor het bereiken van de door dit lid vastgestelde grens worden zij als ontslagnemend beschouwd.]4
  § 2. Een gerechtsdeurwaarder die eervol ontslag genomen heeft, mag de titel voeren van ere-gerechtsdeurwaarder, indien die hem door de Koning werd verleend.]1

  [2 § 3. De gerechtsdeurwaarder is persoonlijk aansprakelijk voor de fouten die hij begaat in de uitoefening van zijn ambt, ongeacht of hij dat ambt al dan niet binnen een onderneming uitoefent. Hij is verplicht die aansprakelijkheid te verzekeren ten belope van vijf miljoen euro. Hij kan echter slechts aansprakelijk worden gesteld ten belope van maximum 5 miljoen euro per schadegeval.]2
  
Art. 509. [1 § 1er. Les huissiers de justice sont des fonctionnaires publics et des officiers ministériels dans l'exercice des fonctions officielles qui leur sont assignées ou réservées par une loi, un décret, une ordonnance ou un arrêté royal.
  Ils confèrent l'authenticité à leurs actes conformément à l'article [3 8.1, 5°]3 du Code civil.
  Il y a des huissiers de justice dans chaque arrondissement judiciaire. [4 Ils sont nommés par le Roi parmi les candidats présentés conformément aux règles visées à l'article 515. Ils sont nommés jusqu'à l'âge de septante ans. Si, à l'âge de septante ans, il ne s'est pas encore écoulé trente ans depuis le moment de leur nomination, ils restent nommés jusqu'à l'expiration de ce délai et au plus tard jusqu'à l'âge de septante-cinq ans. Deux ans avant d'atteindre la limite prévue dans le présent alinéa, ils sont considérés comme démissionnaires.]4
  § 2. Un huissier de justice qui a démissionné honorablement peut porter le titre d'huissier de justice honoraire, s'il lui a été conféré par le Roi.]1

  [2 § 3. L'huissier de justice est personnellement responsable des fautes qu'il commet dans l'exercice de son ministère, qu'il l'exerce au sein d'une société ou non. Il a l'obligation d'assurer cette responsabilité à concurrence de cinq millions d'euros. Toutefois, il ne pourra être tenu responsable qu'à concurrence de maximum cinq millions d'euros par sinistre.]2
  
Art. 509 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 § 1. Gerechtsdeurwaarders zijn openbare ambtenaren en ministeriële officieren in de uitoefening van de ambtelijke taken die door een wet, decreet, ordonnantie of koninklijk besluit aan hen zijn opgedragen of voorbehouden.
  Zij verlenen authenticiteit aan hun akten overeenkomstig artikel [3 8.1, 5°]3 van het Burgerlijk Wetboek.
  In elk gerechtelijk arrondissement zijn er gerechtsdeurwaarders. [4 Zij worden door de Koning benoemd uit de kandidaten voorgedragen overeenkomstig de in artikel 515 bedoelde regels. Ze worden tot de leeftijd van zeventig jaar benoemd. Wanneer er, op de leeftijd van zeventig jaar, nog geen dertig jaar is verstreken sinds hun benoeming, blijven zij benoemd tot na het verstrijken van deze termijn en uiterlijk tot de leeftijd van vijfenzeventig jaar. Twee jaar voor het bereiken van de door dit lid vastgestelde grens worden zij als ontslagnemend beschouwd.]4
  [5 Tijdens het burgerlijk jaar waarin zij als ontslagnemend worden beschouwd, wordt met de procedure om te voorzien in hun vervanging een aanvang genomen. Zij kunnen het ambt verder uitoefenen als ontslagnemend gerechtsdeurwaarder binnen de in het derde lid vastgestelde grenzen. Zodra zij hun activiteiten effectief hebben gestaakt, is de procedure bedoeld in artikel 523, § 1, van toepassing.]5
  § 2. Een gerechtsdeurwaarder die eervol ontslag genomen heeft, mag de titel voeren van ere-gerechtsdeurwaarder, indien die hem door de Koning werd verleend.]1

  [2 § 3. De gerechtsdeurwaarder is persoonlijk aansprakelijk voor de fouten die hij begaat in de uitoefening van zijn ambt, ongeacht of hij dat ambt al dan niet binnen een onderneming uitoefent. Hij is verplicht die aansprakelijkheid te verzekeren ten belope van vijf miljoen euro. Hij kan echter slechts aansprakelijk worden gesteld ten belope van maximum 5 miljoen euro per schadegeval.]2
Art. 509 DROIT FUTUR.    [1 § 1er. Les huissiers de justice sont des fonctionnaires publics et des officiers ministériels dans l'exercice des fonctions officielles qui leur sont assignées ou réservées par une loi, un décret, une ordonnance ou un arrêté royal.
  Ils confèrent l'authenticité à leurs actes conformément à l'article [3 8.1, 5°]3 du Code civil.
  Il y a des huissiers de justice dans chaque arrondissement judiciaire. [4 Ils sont nommés par le Roi parmi les candidats présentés conformément aux règles visées à l'article 515. Ils sont nommés jusqu'à l'âge de septante ans. Si, à l'âge de septante ans, il ne s'est pas encore écoulé trente ans depuis le moment de leur nomination, ils restent nommés jusqu'à l'expiration de ce délai et au plus tard jusqu'à l'âge de septante-cinq ans. Deux ans avant d'atteindre la limite prévue dans le présent alinéa, ils sont considérés comme démissionnaires.]4
  [5 La procédure en vue de leur remplacement est engagée au cours de l'année civile pendant laquelle ils sont considérés comme démissionnaires. Ils peuvent continuer à exercer leur fonction en tant qu'huissier de justice démissionnaire dans les limites fixées à l'alinéa 3. Une fois qu'ils ont effectivement cessé d'exercer leur activité la procédure visée à l'article 523, § 1er, s'applique.]5
  § 2. Un huissier de justice qui a démissionné honorablement peut porter le titre d'huissier de justice honoraire, s'il lui a été conféré par le Roi.]1

  [2 § 3. L'huissier de justice est personnellement responsable des fautes qu'il commet dans l'exercice de son ministère, qu'il l'exerce au sein d'une société ou non. Il a l'obligation d'assurer cette responsabilité à concurrence de cinq millions d'euros. Toutefois, il ne pourra être tenu responsable qu'à concurrence de maximum cinq millions d'euros par sinistre.]2
Art. 510. [1 § 1. Ieder jaar benoemt de Koning een bepaald aantal kandidaat-gerechtsdeurwaarders.
  [2 Zij worden benoemd tot de leeftijd van zeventig jaar.]2
  § 2. Na het advies van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders ingewonnen te hebben, stelt de Koning ieder jaar het aantal te benoemen kandidaat-gerechtsdeurwaarders, per taalrol, vast. Dit aantal wordt vastgesteld door de Koning op basis van het aantal te benoemen gerechtsdeurwaarders-titularis, van het aantal laureaten van vroegere sessies die nog niet benoemd zijn en van de behoefte aan bijkomende kandidaat-gerechtsdeurwaarders. De taalrol wordt bepaald door de taal van het diploma.
  Het krachtens het eerste lid genomen koninklijk besluit, alsook een oproep tot kandidaatstelling worden jaarlijks bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  § 3. Om tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder te kunnen worden benoemd, moet de betrokkene :
  1° houder zijn van het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten;
  2° [2 een gedrag hebben dat in overeenstemming is met de eisen van de beoogde betrekking. Het vervullen van deze voorwaarde wordt bewezen door middel van een uittreksel uit het strafregister dat dateert van na de bekendmaking van de oproep tot kandidaatstelling bedoeld in paragraaf 2, tweede lid, waaruit blijkt dat de kandidaat-gerechtsdeurwaarder niet werd veroordeeld, zelfs niet met uitstel, bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, tot enige correctionele of criminele straf, tenzij hij in eer en rechten hersteld is. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op de personen die in het buitenland werden veroordeeld tot soortgelijke, in kracht van gewijsde gegane veroordelingen;]2
  3° Belg zijn en de burgerlijke en politieke rechten genieten;
  4° houder zijn van het in artikel 511 bedoelde stagecertificaat;
  5° voorkomen op de in artikel 513, § 5, bedoelde definitieve lijst.]1

  
Art. 510. [1 § 1er. Chaque année, le Roi nomme un nombre déterminé de candidats-huissiers de justice.
  [2 Ils sont nommés jusqu'à l'âge de septante ans.]2
  § 2. Après avoir recueilli l'avis de la Chambre nationale des huissiers de justice, le Roi arrête chaque année le nombre, par rôle linguistique, de candidats-huissiers de justice à nommer. Ce nombre est fixé par le Roi en fonction du nombre d'huissiers de justice titulaires à nommer, du nombre de lauréats de sessions précédentes qui n'ont pas encore été nommés et du besoin en candidats-huissiers de justice supplémentaires. Le rôle linguistique est déterminé par la langue du diplôme.
  L'arrêté royal pris en vertu de l'alinéa 1er ainsi qu'un appel aux candidats sont publiés chaque année au Moniteur belge.
  § 3. Pour pouvoir être nommé candidat-huissier de justice, l'intéressé doit :
  1° être porteur d'un diplôme de docteur, de licencié ou de master en droit;
  2° [2 avoir une conduite répondant aux exigences de la fonction visée. Le respect de cette condition est prouvé au moyen d'un extrait du casier judiciaire fourni dont la date est postérieure à la publication de l'appel aux candidats visé au paragraphe 2, alinéa 2, dont il ressort que le candidat-huissier de justice n'a pas été condamné, même avec sursis, par une condamnation coulée en force de chose jugée, à une peine correctionnelle ou criminelle sauf s'il a été réhabilité. Cette disposition s'applique par analogie aux personnes qui ont été condamnées à l'étranger à une peine de même nature par une condamnation coulée en force de chose jugée;]2
  3° être Belge et jouir des droits civils et politiques;
  4° être porteur du certificat de stage prévu à l'article 511;
  5° figurer sur la liste définitive visée à l'article 513, § 5.]1

  
Art. 511. [1 § 1. Om een stagecertificaat te verkrijgen, moet de betrokkene een effectieve stage hebben volbracht van twee volle jaren zonder onderbreking in een of meer kantoren van een gerechtsdeurwaarder stagemeester. [3 De stagemeester is reeds 7 jaar ingeschreven op de lijst bedoeld in artikel 555/1, § 1, 15°, waarvan minstens 3 volle jaren als gerechtsdeurwaarder en heeft geen tuchtrechtelijke geldboete van meer dan 5.000 euro of een tuchtstraf zoals omschreven in artikel 555/3, derde lid, vierde tot zesde streepje, opgelopen, en voldoet aan de voorwaarden vastgelegd in het stagereglement goedgekeurd door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.]3
  § 2. De stage kan pas ingaan nadat de betrokkene het diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten heeft behaald.
  § 3. Gelden niet als onderbreking, maar slechts als schorsing van de stage :
  1° een jaarlijkse vakantie van maximum dertig kalenderdagen;
  2° afwezigheden wegens ziekte die gestaafd worden door medische getuigschriften, welke in totaal maximum zes maanden van de stageperiode in beslag mogen nemen;
  3° ouderschapsverlof;
  4° afwezigheden te wijten aan door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders aanvaarde omstandigheden van overmacht.
  § 4. De Koning bepaalt de inhoud van de stage en de wijze waarop deze wordt georganiseerd en het aantal uren permanente vorming, relevant voor de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder, dat gevolgd dient te worden. De voorwaarden waaraan deze vorming dient te voldoen, worden bepaald door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
  De duur en de inhoud van de doorlopen stage moeten blijken uit het stageboekje dat wordt opgesteld door de stagemeester(s). [2 De vorm, de wijze van afgifte alsook de voorwaarden voor het bijhouden van dit stageboekje worden vastgesteld door de Koning.]2
  Na ontvangst van het stageboekje en controle van de overeenstemming ervan met de in dit artikel vermelde voorwaarden, reikt de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders aan de stagiair het stagecertificaat uit.]1

  
Art. 511. [1 § 1er. Pour obtenir un certificat de stage, l'intéressé doit avoir accompli un stage effectif de deux années complètes non interrompues dans une ou plusieurs études d'huissier de justice-maître de stage. [3 Le maître de stage est inscrit sur la liste visée à l'article 555/1, § 1er, 15°, depuis 7 ans, dont au moins 3 années complètes en tant qu'huissier de justice et il n'a pas fait l'objet d'une amende disciplinaire supérieure à 5.000 euros ou d'une sanction disciplinaire telle que définie à l'article 555/3, alinéa 3, quatrième à sixième tirets, et satisfait aux conditions fixées dans le règlement de stage approuvé par la Chambre nationale des huissiers de justice.]3
  § 2. La période de stage ne peut commencer à courir qu'à partir du moment où l'intéressé a obtenu le diplôme de docteur, de licencié ou de master en droit.
  § 3. Ne constituent pas une cause d'interruption, mais uniquement une cause de suspension du stage :
  1° les vacances annuelles de trente jours civils au maximum;
  2° les absences pour cause de maladie justifiées par des certificats médicaux et d'une durée totale ne pouvant pas excéder six mois pendant la période du stage;
  3° le congé parental;
  4° les absences dues à des circonstances de force majeure admises par la Chambre nationale des huissiers de justice.
  § 4. Le Roi fixe le contenu et les modalités d'organisation du stage et le nombre d'heures de formation permanente, pertinente pour l'exercice de la profession d'huissier de justice, à suivre. Les conditions que doit remplir cette formation sont fixées par la Chambre nationale des huissiers de justice.
  La durée et le contenu du stage effectué doivent ressortir du carnet de stage établi par le(s) maître(s) de stage. [2 La forme, les modalités de délivrance ainsi que les conditions de tenue de ce carnet de stage sont fixées par le Roi.]2
  Après réception du carnet de stage et vérification de sa conformité avec les conditions fixées par le présent article, la Chambre nationale des huissiers de justice délivre le certificat de stage au stagiaire.]1
Art. 512. [1 § 1. Er wordt een Nederlandstalige en een Franstalige benoemingscommissie voor gerechtsdeurwaarders opgericht. Beide commissies vormen samen de verenigde benoemingscommissies voor gerechtsdeurwaarders.
  De Nederlandstalige benoemingscommissie is bevoegd voor :
  - de rangschikking van de meest geschikte kandidaten voor een benoeming tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder, van wie de in artikel 510, § 3, 1°, bedoelde taal van het diploma het Nederlands is;
  - de rangschikking van de kandidaten voor een benoeming tot gerechtsdeurwaarder-titularis in de gerechtelijke arrondissementen waar noch de Franstalige, noch de verenigde benoemingscommissies bevoegd voor zijn.
  De Franstalige benoemingscommissie is bevoegd voor :
  - de rangschikking van de meest geschikte kandidaten voor een benoeming tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder, van wie de in artikel 510, § 3, 1°, bedoelde taal van het diploma het Frans is;
  - de rangschikking van de kandidaten voor een benoeming tot gerechtsdeurwaarder-titularis in de in het Waalse Gewest gelegen gerechtelijke arrondissementen.
  De verenigde benoemingscommissies zijn bevoegd voor :
  - de rangschikking van de kandidaten voor een benoeming tot gerechtsdeurwaarder-titularis in het gerechtelijk arrondissement Brussel;
  - het opstellen van het programma van de in artikel 513 bedoelde vergelijkende toelatingsproef.
  § 2. Elke benoemingscommissies is samengesteld als volgt :
  1° een magistraat in functie die wordt gekozen uit de zittende magistraten van de hoven en rechtbanken en de magistraten van het openbaar ministerie;
  2° drie gerechtsdeurwaarders [3 die ten minste uit twee verschillende gerechtelijke arrondissementen afkomstig zijn en, wanneer zij uit hetzelfde gerechtelijke arrondissement afkomstig zijn, die afkomstig zijn uit twee verschillende gerechtelijke kantons]3, onder wie een gerechtsdeurwaarder die op het ogenblik van zijn aanstelling minder dan [3 vijf jaren]3 anciënniteit heeft;
  3° een hoogleraar of docent aan een faculteit voor rechtsgeleerdheid van een Belgische universiteit, die geen gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder is;
  4° een extern lid met een voor de opdracht relevante beroepservaring.
  § 3. De minister van Justitie benoemt de leden van de benoemingscommissies. [3 Geen enkel lid mag de leeftijd van zesenzestig jaar bereikt hebben op het ogenblik van het indienen van zijn kandidatuur tenzij hij zijn beroep gedurende vier volle jaren kan blijven uitoefenen en op voorwaarde dat hij de leeftijd van eenenzeventig jaar niet heeft bereikt op het ogenblik van het indienen van zijn kandidatuur.]3
  De leden-gerechtsdeurwaarders worden benoemd op voordracht van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
  Elk lid wordt volgens zijn taalrol aangewezen om deel uit te maken van de ene of de andere benoemingscommissie. De taalrol wordt voor gerechtsdeurwaarders, docenten of hoogleraren bepaald door de taal van hun diploma. Ten minste een lid van de Franstalige benoemingscommissie of een plaatsvervanger moet het bewijs leveren van de kennis van het Duits overeenkomstig de artikelen 45, § 2, en 43quinquies van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
  Voor elk lid wordt een plaatsvervanger aangewezen die aan dezelfde voorwaarden voldoet.
  Een mandaat in een benoemingscommissie is onverenigbaar met een politiek mandaat [3 of met een mandaat binnen het directiecomité van de Nationale Kamer]3.
  De leden van een benoemingscommissie hebben zitting voor een termijn van vier jaar; een uittredend lid kan éénmaal herbenoemd worden. [3 Elk lid kan op zijn verzoek door de voorzitter van de benoemingscommissie van zijn mandaat worden ontheven.]3 Een effectief lid dat in de onmogelijkheid verkeert zijn mandaat verder uit te oefenen [3 of ontslagnemende is]3 wordt van rechtswege opgevolgd door zijn plaatsvervanger, die het mandaat voltooit. De voorzitter verzoekt om de aanwijzing van een nieuwe plaatsvervanger die het mandaat voltooit van het plaatsvervangend lid. [3 Indien de resterende duur van het mandaat minder dan twee jaar bedraagt, wordt deze niet in aanmerking genomen voor de toepassing van de in deze bepaling vastgestelde beperking van het aantal mandaten.]3
  § 4. Elke benoemingscommissie kiest uit haar effectieve leden, bij gewone meerderheid, een voorzitter, een ondervoorzitter en een secretaris.
  [3 Bij afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap van de benoemingscommissie waargenomen door de ondervoorzitter en bij diens afwezigheid, door het oudste aanwezige lid.]3
  Het voorzitterschap van de verenigde benoemingscommissies wordt beurtelings bekleed voor een termijn van twee jaar door de respectieve voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige benoemingscommissie. Gedurende de eerste twee jaar wordt het voorzitterschap toevertrouwd aan de oudste van beiden. [3 Bij afwezigheid van de voorzitter wordt het voorzitterschap waargenomen door de ondervoorzitter die behoort tot dezelfde commissie als de voorzitter in functie en bij diens afwezigheid, door het oudste aanwezig lid dat behoort tot dezelfde commissie als de voorzitter in functie.]3
  § 5. [2 Om geldig te beraadslagen en te beslissen, moet de meerderheid van de leden van de benoemingscommissie [3 , of een meerderheid van de leden van elke benoemingscommissie in geval van een beraadslaging of beslissing van de verenigde benoemingscommissies,]3 aanwezig zijn.]2. Ingeval van afwezigheid of verhindering van een effectief lid treedt zijn plaatsvervanger op.
  De beslissingen worden bij gewone meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is de stem van [3 het lid dat het voorzitterschap waarneemt]3 doorslaggevend.
  § 6. Het is de leden van een benoemingscommissie verboden deel te nemen aan een beraadslaging of een beslissing waarbij zij een persoonlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben. [3 De leden van een benoemingscommissie zijn tot geheimhouding verplicht. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.]3
  § 7. De nadere regels voor de werking van de benoemingscommissies en het presentiegeld van de leden worden door de Koning bepaald. De benoemingscommissies kunnen een huishoudelijk reglement opstellen dat dient goedgekeurd te worden door de Koning. De benoemingscommissies hanteren een lijst van uniforme evaluatiecriteria. Het reglement en de lijst worden door de Koning goedgekeurd.]1

  
Art. 512. [1 § 1er. Il est institué une commission de nomination des huissiers de justice de langue française et une commission de nomination des huissiers de justice de langue néerlandaise. Ces deux commissions forment ensemble les commissions de nomination réunies des huissiers de justice.
  La commission de nomination de langue néerlandaise est compétente pour :
  - le classement des candidats les plus aptes à une nomination de candidat-huissier de justice, dont la langue du diplôme visé à l'article 510, § 3, 1°, est le néerlandais;
  - le classement des candidats à une nomination d'huissier de justice titulaire dans les arrondissements judiciaires où ni la commission de nomination de langue française ni les commissions de nomination réunies ne sont compétentes.
  La commission de nomination de langue française est compétente pour :
  - le classement des candidats les plus aptes à une nomination de candidat-huissier de justice, dont la langue du diplôme visé à l'article 510, § 3, 1°, est le français;
  - le classement des candidats à une nomination d'huissier de justice titulaire dans les arrondissements judiciaires situés en Région wallonne.
  Les commissions de nomination réunies sont compétentes pour :
  - le classement des candidats à une nomination d'huissier de justice titulaire dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles;
  - la rédaction du programme du concours d'admission visé à l'article 513.
  § 2. Chaque commission de nomination est composée comme suit :
  1° un magistrat en fonction choisi parmi les magistrats du siège des cours et tribunaux et les magistrats du ministère public;
  2 ° trois huissiers de justice [3 qui sont issus d'au moins deux arrondissements judiciaires différents et, lorsqu'ils sont issus du même arrondissement judiciaire, qui sont issus de deux cantons judiciaires différents,]3 dont l'un a moins de [3 cinq ans]3 d'ancienneté au moment de sa désignation;
  3° un professeur ou chargé de cours auprès d'une faculté de droit d'une université belge, qui n'est pas huissier de justice ou candidat-huissier de justice;
  4° un membre externe ayant une expérience professionnelle utile pour la mission.
  § 3. Le ministre de la Justice nomme les membres des commissions de nomination. [3 Aucun membre ne peut avoir atteint l'âge de soixante-six ans au moment de l'introduction de sa candidature sauf s'il peut encore exercer sa profession pendant quatre années complètes, et à condition de ne pas avoir atteint l'âge de septante et un ans au moment de la candidature.]3
  Les membres huissiers de justice sont nommés sur présentation de la Chambre nationale des huissiers de justice.
  Chaque membre est désigné pour faire partie de l'une ou de l'autre commission de nomination, selon son rôle linguistique. Le rôle linguistique est déterminé pour les huissiers de justice, les chargés de cours et les professeurs, par la langue de leur diplôme. Au moins un membre de la commission de nomination de langue française ou un suppléant doit justifier de la connaissance de l'allemand, conformément aux articles 45, § 2, et 43quinquies de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire.
  Il est désigné pour chaque membre un suppléant qui répond aux mêmes conditions.
  Un mandat au sein d'une commission de nomination est incompatible avec un mandat politique [3 ou avec un mandat au sein du comité de direction de la Chambre nationale]3.
  Les membres d'une commission de nomination siègent pour une durée de quatre ans; un membre sortant peut être renommé une seule fois. [3 Tout membre peut, à sa demande, être déchargé de son mandat par la commission de nomination.]3 Un membre effectif qui se trouve dans l'impossibilité de continuer à exercer son mandat [3 ou est démissionnaire]3 est remplacé de plein droit par son suppléant, qui achève son mandat. Le président demande que soit désigné un nouveau suppléant qui achève le mandat du membre suppléant. [3 Si la durée restante du mandat est de moins de deux ans, celui-ci n'entre pas en ligne de compte pour l'application de la limitation du nombre de mandats prévue dans cette disposition.]3
  § 4. Chaque commission de nomination élit, à la majorité simple, un président, un vice-président et un secrétaire parmi ses membres effectifs.
  [3 En l'absence du président, la présidence de la commission de nomination est assurée par le vice-président et, en l'absence de celui-ci, par le membre présent le plus âgé.]3
  La présidence des commissions de nomination réunies est exercée pour une durée de deux ans alternativement par les présidents respectifs des commissions de nomination francophone et néerlandophone. Pendant les deux premières années, la présidence est confiée au plus âgé des deux. [3 En l'absence du président, la présidence est assurée par le vice-président issu de la même commission que le président en exercice et, en l'absence de celui-ci, par le membre présent le plus âgé et qui appartient à la même commission que le président en exercice.]3
  § 5. [2 Pour que la commission de nomination puisse délibérer et statuer valablement, la majorité de ses membres [3 , ou la majorité des membres de chaque commission de nomination lorsqu'il s'agit d'une délibération ou d'une décision des commissions de nomination réunies,]3 doit être présente.]2 En cas d'absence ou d'empêchement d'un membre effectif, son suppléant le remplace.
  Les décisions sont prises à la majorité simple des voix. En cas de parité, la voix [3 du membre qui assure la présidence]3 est prépondérante.
  § 6. Il est interdit aux membres d'une commission de nomination de participer à une délibération ou à une décision dans laquelle ils ont un intérêt personnel, direct ou indirect. [3 Les membres d'une commission de nomination sont tenus au secret. L'article 458 du Code pénal leur est applicable.]3
  § 7. Les modalités de fonctionnement des commissions de nomination et les jetons de présence des membres sont fixés par le Roi. Les commissions de nomination peuvent établir un règlement d'ordre intérieur qui doit être approuvé par le Roi. Les commissions de nomination utilisent une liste de critères d'évaluation uniformes. Le règlement et la liste sont approuvés par le Roi.]1

  
Art. 513. [1 § 1. De houder van een stagecertificaat bedoeld in artikel 511 die kandidaat-gerechtsdeurwaarder wil worden, moet, op straffe van verval, zijn kandidatuur op de door de Koning bepaalde wijze bij de minister van Justitie indienen binnen een termijn van een maand na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in artikel 510, § 2, tweede lid, bedoelde koninklijk besluit.
  Om ontvankelijk te zijn, moet iedere kandidaatstelling voor een benoeming tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder de door de Koning bepaalde bijlagen bevatten.
  § 2. Elke kandidaat die voldoet aan de voorwaarden van artikel 510, § 3, 1° tot 4°, wordt volgens zijn taalrol verwezen naar de ene of de andere in artikel 512 bedoelde benoemingscommissie.
  Elke benoemingscommissie moet de voor de uitoefening van het ambt van gerechtsdeurwaarder noodzakelijke kennis, maturiteit en praktische bekwaamheden van de kandidaten beoordelen en de meest geschikte kandidaten rangschikken op basis van hun bekwaamheid en geschiktheid. De rangschikking wordt opgemaakt op grond van een vergelijkend examen dat bestaat uit een schriftelijk en een mondeling gedeelte en op grond van een onderzoek van de adviezen waarin wordt voorzien in § 3. Tot het mondelinge gedeelte worden slechts die kandidaten toegelaten die op het schriftelijke gedeelte minstens 60 % van de punten hebben behaald. Het mondelinge gedeelte wordt afgenomen vooraleer de leden van de benoemingscommissie kennis kunnen nemen van de adviezen waarin wordt voorzien in § 3. Op het mondelinge gedeelte moet de kandidaat minstens 50 % van de punten hebben behaald.
  Het schriftelijke en het mondelinge gedeelte tellen in gelijke mate mee voor de berekening van de einduitslag van het vergelijkend examen.
  Het programma van het schriftelijke en het mondelinge gedeelte wordt opgesteld door de verenigde benoemingscommissies. Het programma wordt bij ministerieel besluit door de minister van Justitie goedgekeurd en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 3. Binnen [2 honderdtwintig dagen]2 na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het in artikel 510, § 2, bedoelde koninklijk besluit nodigt de benoemingscommissie de kandidaten die toegelaten worden tot het mondeling gedeelte uit. Terzelfdertijd verzoekt de benoemingscommissie de minister van Justitie om adviezen over deze kandidaten in te winnen bij de procureur des Konings van het arrondissement waar de kandidaat zijn woonplaats heeft. Die adviezen zijn het resultaat van een onderzoek naar diens omgeving en antecedenten.
  Het advies wordt binnen vijfenveertig dagen na het verzoek door de adviesverlenende instantie door middel van een door de Koning bepaald standaardformulier en op de door hem bepaalde wijze te worden overgezonden aan de minister van Justitie. Bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn wordt dit advies geacht gunstig noch ongunstig te zijn, hetgeen wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat.
  § 4. De benoemingscommissie maakt binnen zestig dagen na de oproep tot de kandidaten voor het mondelinge gedeelte een voorlopige rangschikking op van de meest geschikte kandidaten op basis van de behaalde resultaten van het schriftelijke en het mondelinge gedeelte.
  De minister van Justitie zendt de gevraagde adviezen onverwijld over aan de voorzitter van de benoemingscommissie nadat deze laatste hem de voorlopige rangschikking heeft overgezonden.
  Na het onderzoek van de adviezen, gaat de benoemingscommissie binnen veertien dagen na de ontvangst van deze adviezen over tot de definitieve rangschikking van de kandidaten. De voorlopige rangschikking kan slechts gewijzigd worden indien het advies negatieve aanwijzingen over de betrokken kandidaat bevat. De benoemingscommissie zendt op de door de Koning bepaalde wijze de definitieve lijst van de gerangschikte kandidaten ter benoeming over aan de minister van Justitie, samen met een met redenen omkleed proces-verbaal dat ondertekend wordt door de voorzitter en de secretaris van de betrokken benoemingscommissie. De benoemingscommissie voegt hierbij ook de dossiers van de gerangschikte kandidaten. Er worden maximaal zoveel kandidaten gerangschikt als er vacante plaatsen van kandidaat-gerechtsdeurwaarder zijn, zoals vermeld in het koninklijk besluit dat bekend gemaakt is in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 510, § 2, tweede lid, samen met de oproep tot kandidaatstelling voor de betrokken vergelijkende toelatingsproef.
  § 5. De Koning benoemt de betrokkenen tot kandidaat-gerechtsdeurwaarder binnen [2 de veertig dagen]2 na de overzending van de definitieve lijst met de gerangschikte kandidaten. Deze benoemingen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  § 6. Elke kandidaat kan, mits schriftelijk verzoek dat aan de benoemingscommissie wordt gericht, binnen acht dagen afschrift krijgen van het gedeelte van het proces-verbaal dat op hem en op de benoemde kandidaten betrekking heeft.
  § 7. Binnen veertien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, stuurt iedere benoemingscommissie aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders de lijst met benoemde kandidaat-gerechtsdeurwaarders met het oog op hun inschrijving op het tableau van de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, dat door deze laatste wordt bijgehouden.
  § 8. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder die op het tableau voorkomt, is onderworpen aan het gezag van de beroepsorganen van de gerechtsdeurwaarders.]1

  
Art. 513. [1 § 1er. Le porteur d'un certificat de stage visé à l'article 511 qui souhaite devenir candidat-huissier de justice doit, à peine de déchéance, poser sa candidature auprès du ministre de la Justice, selon les modalités fixées par le Roi, dans un délai d'un mois à dater de la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal visé à l'article 510, § 2, alinéa 2.
  Pour être recevable, chaque candidature à une nomination de candidat-huissier de justice doit contenir les annexes déterminées par le Roi.
  § 2. Chaque candidat qui répond aux conditions de l'article 510, § 3, 1° à 4°, est renvoyé, selon son rôle linguistique, à l'une ou l'autre commission de nomination visée à l'article 512.
  Chaque commission de nomination doit évaluer la connaissance, la maturité et les aptitudes pratiques des candidats, requises pour l'exercice de la fonction d'huissier de justice, et classer les candidats les plus aptes en fonction de leurs capacités et de leurs aptitudes. Le classement est établi sur la base d'un concours qui comporte une épreuve écrite et une épreuve orale et sur la base d'un examen des avis prévus au § 3. Seuls les candidats ayant obtenu au moins 60 % des points à l'épreuve écrite sont admis à l'épreuve orale. L'épreuve orale a lieu avant que les membres de la commission de nomination aient pu prendre connaissance des avis, prévus au § 3. Le candidat doit avoir obtenu au moins 50 % des points à l'épreuve orale.
  La partie écrite et la partie orale entrent en compte dans une même proportion pour le résultat final du concours.
  Le programme des épreuves écrite et orale est établi par les commissions de nomination réunies. Il est approuvé par le ministre de la Justice par arrêté ministériel et publié au Moniteur belge.
  § 3. Dans les [2 cent vingt jours]2 à dater de la publication au Moniteur belge de l'arrêté royal visé à l'article 510, § 2, la commission de nomination convoque les candidats admis à l'épreuve orale. Simultanément, la commission de nomination demande au ministre de la Justice de recueillir des avis au sujet de ces candidats auprès du procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel le candidat est domicilié. Ces avis sont le résultat d'une enquête portant sur le milieu dans lequel évolue le candidat et sur les antécédents de celui-ci.
  L'instance qui a été appelée à rendre un avis transmet, dans les quarante-cinq jours de la demande, cet avis au ministre de la Justice, au moyen d'un formulaire-type établi par le Roi et selon les modalités fixées par lui. En l'absence d'avis dans le délai prescrit, ledit avis est réputé n'être ni favorable, ni défavorable et le candidat concerné en est informé.
  § 4. Dans les soixante jours qui suivent la convocation des candidats à l'épreuve orale, la commission de nomination établit un classement provisoire des candidats les plus aptes sur la base des résultats obtenus aux épreuves écrite et orale.
  Le ministre de la Justice envoie sans délai les avis demandés au président de la commission de nomination après que celle-ci lui a transmis le classement provisoire.
  Après examen des avis, la commission de nomination établit, dans les quatorze jours suivant la réception des avis, le classement définitif des candidats. Le classement provisoire peut uniquement être modifié si l'avis contient des indications négatives sur le candidat concerné. La commission de nomination envoie, selon les modalités définies par le Roi, la liste définitive des candidats classés en vue de la nomination au ministre de la Justice ainsi qu'un procès-verbal motivé signé par le président et par le secrétaire de la commission de nomination concernée. La commission de nomination y joint également les dossiers des candidats classés. Le nombre de candidats classés ne peut dépasser le nombre de places de candidats-huissiers de justice à pourvoir, tel qu'il est mentionné dans l'arrêté royal publié au Moniteur belge, conformément à l'article 510, § 2, alinéa 2, avec l'appel aux candidats pour le concours d'admission dont il s'agit.
  § 5. Dans [2 les quarante jours]2 de la transmission de la liste définitive des candidats classés, le Roi nomme les intéressés candidats-huissiers de justice. Ces nominations sont publiées au Moniteur belge.
  § 6. Chaque candidat peut, sur demande écrite adressée à la commission de nomination, obtenir dans les huit jours copie de la partie du procès-verbal qui le concerne et de celle qui concerne les candidats nommés.
  § 7. Dans les quatorze jours de la publication au Moniteur belge, chaque commission de nomination envoie à la Chambre nationale des huissiers de justice concernée la liste des candidats-huissiers de justice nommés en vue de leur inscription au tableau des candidats-huissiers de justice, que cette dernière tient à jour.
  § 8. Le candidat-huissier de justice qui figure sur ce tableau est soumis à l'autorité des organes professionnels des huissiers de justice.]1

  
Art. 514. [1 § 1. Wanneer een kandidaat-gerechtsdeurwaarder sedert ten minste zes maanden zijn voornaamste beroepsactiviteit niet meer in een gerechtsdeurwaarderskantoor uitoefent, wordt zijn inschrijving op het in artikel 513, § 8, bedoelde tableau, op verzoek van de procureur des Konings of van de raad van de arrondissementskamer waar de kandidaat-gerechtsdeurwaarder aangesloten is en op het tableau staat, weggelaten. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder kan evenwel om ernstige redenen vragen dat zijn inschrijving op het tableau wordt gehandhaafd. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder wordt gehoord.
  De beslissing van de raad van de arrondissementskamer wordt met redenen omkleed en wordt binnen een maand ter kennis gebracht aan de kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Deze laatste kan, binnen een termijn van één maand na de kennisgeving, tegen die beslissing op de door de Koning bepaalde wijze beroep instellen bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
  Het in artikel 555, § 2, bedoelde directiecomité hoort de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en doet binnen twee maanden na de instelling van het beroep uitspraak. Van de met redenen omklede beslissing wordt binnen de korst mogelijke tijd kennis gegeven aan de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en de betrokken raad van de arrondissementskamer.
  § 2. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder die zijn beroepsactiviteit in een gerechtsdeurwaarderskantoor beëindigt, kan de raad van de arrondissementskamer om de weglating van zijn inschrijving op het tableau verzoeken.
  § 3. Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder die met toepassing van § 1 of § 2 weggelaten is van het tableau kan op elk ogenblik aan de raad van de arrondissementskamer van het rechtsgebied waar hij opnieuw zijn voornaamste beroepsactiviteit in een gerechtsdeurwaarderskantoor uitoefent, zijn wederinschrijving vragen. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder wordt gehoord. De beslissing van de raad van de arrondissementkamer wordt met redenen omkleed en wordt binnen een maand ter kennis gebracht van de kandidaat-gerechtsdeurwaarder. Tegen de weigering van wederinschrijving kan een beroep worden ingesteld bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders overeenkomstig de regels bepaald in § 1.]1

  [2 § 4. Een kandidaat-gerechtsdeurwaarder van wie de inschrijving op het tableau met toepassing van paragraaf 1, van paragraaf 2 of van artikel 510, § 1, is weggelaten, mag de titel voeren van ere-kandidaat-gerechtsdeurwaarder, indien die hem door de Koning werd verleend.]2
  
Art. 514. [1 § 1er. Lorsqu'un candidat-huissier de justice n'exerce plus son activité professionnelle principale dans une étude d'huissier de justice depuis au moins six mois, son inscription au tableau visé à l'article 513, § 8, est supprimée à la demande du procureur du Roi ou du conseil de la chambre d'arrondissement où le candidat-huissier de justice est affilié et est inscrit au tableau. Le candidat- huissier de justice peut néanmoins demander, pour des motifs graves, le maintien de son inscription au tableau. Le candidat-huissier de justice est entendu.
  La décision du conseil de la chambre d'arrondissement est motivée et notifiée dans le mois au candidat-huissier de justice. Ce dernier peut, dans un délai d'un mois à dater de la notification, introduire un recours contre cette décision auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice, selon les modalités fixées par le Roi.
  Le comité de direction visé à l'article 555, § 2, entend le candidat-huissier de justice et rend sa décision dans les deux mois à dater de l'introduction du recours. La décision motivée est notifiée dans le plus bref délai au candidat-huissier de justice et au conseil de la chambre d'arrondissement concerné.
  § 2. Le candidat-huissier de justice qui met fin à son activité professionnelle dans une étude d'huissier de justice peut demander au conseil de la chambre d'arrondissement la suppression de son inscription au tableau.
  § 3. Un candidat-huissier de justice qui, en application du § 1er ou du § 2, a été supprimé du tableau peut à tout moment demander sa réinscription au conseil de la chambre d'arrondissement du ressort où il exerce à nouveau son activité professionnelle principale dans une étude d'huissier de justice. Le candidat-huissier de justice est entendu. La décision du conseil de la chambre d'arrondissement est motivée et notifiée dans le mois au candidat-huissier de justice. Un recours contre le refus de réinscription peut être introduit auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice conformément aux règles prévues au § 1er.]1

  [2 § 4. Un candidat-huissier de justice dont l'inscription au tableau est supprimée, en application du paragraphe 1er, du paragraphe 2 ou de l'article 510, § 1er, peut porter le titre de candidat-huissier de justice honoraire, s'il lui a été conféré par le Roi.]2
  
Art. 515. [1 § 1. [4 ...]4 De kandidaat-gerechtsdeurwaarder die zich kandidaat stelt voor een vacante plaats van gerechtsdeurwaarder moet, op straffe van verval, zijn kandidatuur op de door de Koning bepaalde wijze bij de minister van Justitie indienen binnen een termijn van een maand na bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad. Bij deze kandidatuur zijn de door de Koning bepaalde bijlagen gevoegd. [2 In het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt het advies ingewonnen bij beide procureurs des Konings.]2
  [4 Om tot gerechtsdeurwaarder benoemd te worden, moet de betrokkene sedert minstens [5 drie]5 jaar kandidaat-gerechtsdeurwaarder zijn voor het einde van de in het eerste lid bedoelde termijn.]4
  [3 De vacatures worden [5 één]5 keer per jaar in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt, tenzij een afzonderlijke publicatie noodzakelijk is.]3
  § 2. Alvorens tot benoeming wordt overgegaan, dient binnen vijfenveertig dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van de vacature door de minister van Justitie het met redenen omklede schriftelijk advies over de kandidaten [4 , waarvan de kandidaturen ontvankelijk zijn volgens de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid]4 te worden aangevraagd aan :
  1° de procureur des Konings van het arrondissement waar de kandidaat zijn woonplaats heeft, waarbij het gegeven advies het resultaat is van een onderzoek naar diens omgeving en antecedenten;
  2° de raad van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders van het gerechtelijk arrondissement waar de kandidaat zijn beroepsactiviteit betreffende gerechtsdeurwaarder uitoefent of het laatst heeft uitgeoefend.
  De Koning bepaalt de inhoudelijke en formele vormvereisten waaraan het advies van de raad van de arrondissementskamer moet voldoen.
  Deze adviezen dienen binnen negentig dagen na voornoemde bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, door de adviesverlenende instanties op de door de Koning bepaalde wijze te worden overgezonden aan de minister van Justitie en in afschrift bij een aangetekende zending te worden gestuurd aan de kandidaten waarop ze betrekking hebben. Aan de minister van Justitie wordt op de door de Koning bepaalde wijze een afschrift gestuurd van het bewijs van deze aangetekende zending. Bij gebrek aan advies binnen de vastgestelde termijn of indien het standaardformulier niet is gebruikt, wordt dit advies geacht gunstig noch ongunstig te zijn, hetgeen wordt meegedeeld aan de betrokken kandidaat.
  Binnen een termijn van honderd dagen na voornoemde bekendmaking in het Belgisch Staatsblad of uiterlijk binnen een termijn van vijftien dagen na de kennisgeving van het advies, kunnen de kandidaten bij een aangetekende zending, hun opmerkingen aan de adviesverlenende instantie en aan de minister van Justitie overzenden.
  § 3. Uiterlijk binnen dertig dagen na het verstrijken van de in § 2, vierde lid, bedoelde termijn zendt de minister van Justitie aan de bevoegde benoemingscommissie voor elke kandidaat [4 , waarvan de kandidatuur ontvankelijk is volgens de voorwaarden bedoeld in paragraaf 1, eerste lid]4 een benoemingsdossier over.
  Dit benoemingsdossier bevat [5 uitsluitend]5:
  1° de kandidatuur met de in § 1 bedoelde bijlagen;
  2° de schriftelijke adviezen en de in § 2, vierde lid, bedoelde eventuele opmerkingen.
  § 4. [3 De benoemingscommissie kan ambtshalve beslissen alle kandidaten te horen. Zo niet, bestudeert zij de door de minister van Justitie overgezonden benoemingsdossiers en maakt, op basis van door de Koning te bepalen objectieve criteria, een lijst op van de te horen kandidaten. Van deze lijst wordt een met redenen omkleed proces-verbaal opgemaakt. Nadat de benoemingscommissie door een aangetekende zending iedere kandidaat van haar met redenen omklede beslissing op de hoogte heeft gebracht, roept zij de in aanmerking genomen kandidaten op en hoort ze, alsook alle niet in aanmerking genomen kandidaten die, binnen een termijn van 15 dagen na de kennisgeving die aan hen werd gedaan, hierom hebben verzocht bij aangetekende zending. Zij maakt vervolgens een rangschikking op van de drie meest geschikte kandidaten. Indien de benoemingscommissie advies moet uitbrengen over minder dan drie kandidaten, wordt de lijst beperkt tot de enige kandidaat of de enige twee kandidaten.]3.
  De rangschikking geschiedt op grond van criteria die betrekking hebben op de bekwaamheid en de geschiktheid van de kandidaat voor het uitoefenen van het ambt van gerechtsdeurwaarder.
  § 5. Van de rangschikking wordt een met redenen omkleed proces-verbaal opgemaakt, dat door de voorzitter en de secretaris van de benoemingscommissie wordt ondertekend. Indien een kandidaat met eenparigheid van stemmen als eerste wordt gerangschikt, wordt daarvan melding gemaakt.
  Binnen dertig dagen na het verstrijken van de in § 3 bedoelde termijn, zendt de voorzitter van de benoemingscommissie de lijst met de gerangschikte kandidaten en het proces-verbaal over aan de minister van Justitie en een afschrift van de lijst aan de gerangschikte kandidaten. De Koning benoemt de gerechtsdeurwaarder op voordracht van de minister van Justitie onder de door de benoemingscommissie gerangschikte kandidaten. [6 In voorkomend geval neemt de benoeming een aanvang op de datum van de beëindiging van de activiteiten van de vervangen ontslagnemende gerechtsdeurwaarder bedoeld in artikel 509, § 1, derde lid.]6
  Elke kandidaat die niet benoemd werd, kan, mits hij de benoemingscommissie er schriftelijk om verzoekt, inzage en een afschrift krijgen van het gedeelte van het proces-verbaal dat op hem en op de benoemde kandidaat betrekking heeft.
  § 6. [5 ...]5]1

  
Art. 515. [1 § 1er. [4 ...]4 Le candidat-huissier de justice qui pose sa candidature à un poste vacant d'huissier de justice doit, à peine de déchéance, poser sa candidature, selon les modalités définies par le Roi, auprès du ministre de la Justice dans un délai d'un mois à dater de la publication au Moniteur belge du poste vacant. Les annexes déterminées par le Roi doivent être jointes à cette candidature. [2 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, l'avis est recueilli auprès des deux procureurs du Roi.]2
  [4 Pour être nommé huissier de justice, l'intéressé doit être candidat-huissier de justice depuis au moins [5 trois]5 ans avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er.]4
  [3 Les places vacantes sont publiées au Moniteur belge [5 une]5 fois par an, à moins qu'une publication distincte soit nécessaire.]3
  § 2. Avant qu'il soit procédé à la nomination, le ministre de la Justice demande, dans les quarante-cinq jours à dater de la publication au Moniteur belge du poste vacant, l'avis motivé écrit sur les candidats [4 dont les candidatures sont recevables au regard des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er]4 :
  1° au procureur du Roi de l'arrondissement dans lequel le candidat est domicilié, l'avis donné étant le résultat d'une enquête portant sur le milieu dans lequel évolue le candidat et sur les antécédents de celui-ci;
  2° au conseil de la chambre d'arrondissement des huissiers de justice de l'arrondissement judiciaire dans lequel le candidat exerce ou a exercé en dernier lieu son activité professionnelle d'huissier de justice.
  Le Roi définit les conditions de forme et de contenu auxquelles l'avis du conseil de la chambre d'arrondissement doit satisfaire.
  Dans les nonante jours à dater de la publication précitée au Moniteur belge, les instances appelées à rendre un avis doivent transmettre ces avis, selon les modalités définies par le Roi, au ministre de la Justice, ainsi qu'une copie, par envoi recommandé, aux candidats concernés. Une copie de la preuve de cet envoi recommandé est envoyée au ministre de la Justice selon les modalités définies par le Roi. En l'absence d'avis dans le délai prescrit ou à défaut d'utilisation du formulaire-type, ledit avis est réputé n'être ni favorable, ni défavorable et le candidat concerné en est informé.
  Dans un délai de cent jours à dater de ladite publication au Moniteur belge ou au plus tard dans un délai de quinze jours à dater de la notification de l'avis, les candidats peuvent transmettre, par envoi recommandé, leurs observations à l'instance qui a rendu l'avis et au ministre de la Justice.
  § 3. Le ministre de la Justice transmet à la commission de nomination compétente, au plus tard dans les trente jours à compter de l'expiration du délai visé à § 2, alinéa 4, un dossier de nomination pour chaque candidat [4 dont la candidature est recevable au regard des conditions visées au paragraphe 1er, alinéa 1er]4.
  Ce dossier de nomination comprend [5 exclusivement]5 :
  1° la candidature et ses annexes visées au § 1er;
  2° les avis écrits et les éventuelles observations visées au § 2, alinéa 4.
  § 4. [3 La commission de nomination peut décider d'office d'entendre tous les candidats. Dans le cas contraire, elle examine les dossiers de nomination transmis par le ministre de la Justice et établit, sur la base de critères objectifs déterminés par le Roi, une liste des candidats à entendre. Cette liste fait l'objet d'un procès-verbal motivé. Après avoir notifié sa décision motivée à chaque candidat par lettre recommandée, la commission de nomination convoque et entend les candidats retenus, ainsi que tous les candidats non retenus qui en ont fait la demande par envoi recommandé dans un délai de 15 jours après la notification qui leur a été adressée. Elle établit ensuite un classement des trois candidats les plus aptes. Si la commission de nomination est amenée à rendre un avis sur moins de trois candidats, la liste se limite au seul candidat ou aux deux seuls candidats.]3
  Le classement est établi sur la base de critères relatifs à la capacité et à l'aptitude des candidats pour l'exercice de la fonction d'huissier de justice.
  § 5. Le classement fait l'objet d'un procès-verbal motivé, signé par le président et le secrétaire de la commission de nomination. Si un candidat est classé premier à l'unanimité des voix, il en est fait mention.
  Dans les trente jours à compter de l'expiration du délai visé au § 3, le président de la commission de nomination envoie la liste des candidats classés et le procès-verbal au ministre de la Justice et une copie de la liste aux candidats classés. Le Roi nomme l'huissier de justice sur proposition du ministre de la Justice parmi les candidats classés par la commission de nomination. [6 Le cas échéant, la nomination prend effet au jour de la cessation des activités de l'huissier démissionnaire remplacé visé à l'article 509, § 1er, alinéa 3.]6
  Tout candidat qui n'a pas été nommé peut, sur demande écrite adressée à la commission de nomination, consulter et obtenir copie de la partie du procès-verbal qui le concerne et de celle qui concerne le candidat nommé.
  § 6. [5 ...]5]1

  
Art. 516. [1 Het koninklijk besluit tot benoeming bepaalt in welk gerechtelijk arrondissement de gerechtsdeurwaarder zijn ambt zal uitoefenen en kantoor moet houden.
   De gerechtsdeurwaarder houdt kantoor in de gemeente die de minister van Justitie aanwijst. Deze aanwijzing kan worden gewijzigd op verzoek van de betrokkene. Bij overtreding wordt de gerechtsdeurwaarder als ontslagnemend beschouwd; dientengevolge kan de minister van Justitie, na advies van de rechtbank aan de Koning voorstellen hem te vervangen.
   De gerechtsdeurwaarder mag zijn ambtelijke taken slechts uitoefenen in het gerechtelijk arrondissement dat bij het koninklijk besluit tot benoeming is bepaald.
  [5 De gerechtsdeurwaarders met kantoor in de gerechtelijke arrondissementen van Antwerpen en West-Vlaanderen zijn bevoegd om hun ambt uit te oefenen in de territoriale zee bedoeld bij artikel 1 van de wet van 6 oktober 1987 tot vaststelling van de breedte van de territoriale zee van België, en in de exclusieve economische zone, bedoeld in artikel 2 van de wet van 22 april 1999 betreffende de exclusieve economische zone van België in de Noordzee.]5
  [5 In scheepvaartzaken zijn de gerechtsdeurwaarders met kantoor in de gerechtelijke arrondissementen van Antwerpen en Oost-Vlaanderen gelijkelijk bevoegd om hun ambt uit te oefenen in het Linkerscheldeoevergebied, bedoeld in artikel 1 van de wet van 19 juni 1978 betreffende het beheer van het Linkerscheldeoevergebied ter hoogte van Antwerpen en houdende maatregelen voor het beheer en de exploitatie van de haven van Antwerpen, gelegen binnen het arrondissement Oost-Vlaanderen.]5
   De gerechtsdeurwaarders met standplaats in de kantons van [3 Limburg]3 [4 Spa]4,[2 [3 in de twee kantons Verviers]3]2 of in het gerechtelijk arrondissement Eupen mogen alle exploten in die gebiedsomschrijvingen verrichten. De gerechtsdeurwaarders met standplaats in de kantons [3 Limburg]3, Malmédy-Spa-Stavelot, [3 in de twee kantons Verviers]3 die hun ambt willen uitoefenen in het gerechtelijk arrondissement Eupen, moeten echter het bewijs leveren van de kennis van het Duits, overeenkomstig de bepalingen van artikel 2 van het koninklijk besluit van 29 november 1993 tot bepaling van de eisen inzake taalkennis en tot regeling van de taalexamens voor de kandidaten voor het ambt van gerechtsdeurwaarder.]1

  
Art. 516. [1 L'arrondissement judiciaire dans lequel l'huissier de justice instrumentera et sera tenu d'établir son étude est déterminé par l'arrêté royal de nomination.
   L'huissier de justice établit son étude dans la commune désignée par le ministre de la Justice. Cette désignation peut être modifiée à la requête de l'intéressé. En cas de contravention, l'huissier de justice sera considéré comme démissionnaire; en conséquence, le ministre de la Justice, après avoir pris l'avis du tribunal, pourra proposer au Roi son remplacement.
   L'huissier de justice ne peut instrumenter que dans l'arrondissement judiciaire déterminé par l'arrêté royal de nomination.
  [5 Les huissiers de justice ayant leur bureau dans les circonscriptions judiciaires d'Anvers et de la Flandre occidentale, sont compétents pour exercer leurs fonctions dans la mer territoriale visée à l'article 1er de la loi du 6 octobre 1987 fixant la largeur de la mer territoriale de la Belgique et dans la zone économique exclusive visée à l'article 2 de la loi du 22 avril 1999 concernant la zone économique exclusive de la Belgique en mer du Nord.]5
  [5 Dans des affaires de navigation, les huissiers de justice ayant leur bureau dans les circonscriptions judiciaires d'Anvers et de la Flandre orientale, sont également compétents pour exercer leurs fonctions dans le territoire de la rive gauche de l'Escaut, visé à l'article 1 de la loi relative à la gestion du territoire de la rive gauche de l'Escaut à hauteur d'Anvers et portant des mesures de gestion et d'exploitation du port d'Anvers, situé dans la circonscription de la Flandre orientale.]5
   Les huissiers de justice qui ont leur résidence dans les cantons de [3 Limbourg]3, de [4 Spa]4, [2 [3 dans les deux cantons de Verviers]3]2 ou dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen peuvent dresser tous exploits dans ces circonscriptions territoriales. Les huissiers de justice qui ont leur résidence dans les cantons de [3 Limbourg]3, de [4 Spa]4, [2 [3 dans les deux cantons de Verviers]3]2, et qui souhaitent instrumenter dans l'arrondissement judiciaire d'Eupen doivent cependant apporter la preuve de leur connaissance de la langue allemande, conformément aux dispositions de l'article 2 de l'arrêté royal du 29 novembre 1993 déterminant les conditions d'aptitude linguistique et organisant les examens linguistiques pour les candidats à la fonction d'huissier de justice.]1

  
Art. 517. [1 § 1. De gerechtsdeurwaarder meldt zich binnen een maand [2 na de inwerkingtreding van het aan hem ter kennis gebrachte benoemingsbesluit]2 ter openbare terechtzitting aan bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waar hij zijn ambt zal uitoefenen; hij legt er de eed af van trouw aan de Koning en van gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, alsmede die zich te zullen schikken naar de wetten en verordeningen van zijn ambt en zijn functies stipt en nauwgezet uit te oefenen.
  § 2. Onmiddellijk na zijn eedaflegging deponeert de gerechtsdeurwaarder zijn handtekening en paraaf ter griffie en bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
  § 3. De gerechtsdeurwaarder kan geen enkele ambtshandeling verrichten stellen vooraleer voldaan is aan de bepalingen van §§ 1 en 2.]1

  
Art. 517. [1 § 1er. L'huissier de justice se présente dans le mois qui suit [2 l'entrée en vigueur de l'arrêté de nomination qui lui est notifié]2, à l'audience publique du tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire dans lequel il instrumentera; il y prête serment de fidélité au Roi et d'obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, ainsi que celui de se conformer aux lois et règlements concernant son ministère et de remplir ses fonctions avec exactitude et probité.
  § 2. Immédiatement après sa prestation de serment, l'huissier de justice dépose ses signature et paraphe au greffe et auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice.
  § 3. L'huissier de justice ne peut poser aucun acte avant qu'il soit satisfait aux dispositions des §§ 1er et 2.]1

  
Art. 518. [1 De Koning bepaalt het aantal gerechtsdeurwaarders per gerechtelijk arrondissement, nadat de adviezen zijn ingewonnen van de procureur-generaal bij het hof van beroep, van de procureur des Konings en van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   De spreiding van de standplaatsen wordt door de Koning bepaald in functie van de bereikbaarheid van de gerechtsdeurwaarder voor de rechtsonderhorige.
   In het door de Koning bepaalde aantal gerechtsdeurwaarders zijn zij die de ouderdom van zeventig jaar hebben overschreden niet inbegrepen.
   Zijn er meer gerechtsdeurwaarders in functie dan het getal dat door de Koning is bepaald, geschiedt de vermindering tot laatstbedoeld getal slechts bij overlijden, ontslag of afzetting.]1

  
Art. 518. [1 Le Roi fixe le nombre d'huissiers de justice par arrondissement judiciaire après avoir pris les avis du procureur général près la cour d'appel, du procureur du Roi et de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   La répartition des résidences est déterminée par le Roi en fonction de l'accessibilité de l'huissier de justice pour le justiciable.
   Le nombre d'huissiers de justice fixé par le Roi ne comprend pas ceux qui ont dépassé l'âge de 70 ans.
   Si le nombre des huissiers de justice en fonction excède celui qui est arrêté par le Roi, la réduction à ce dernier nombre ne s'opère que par décès, démission ou destitution.]1

  
Art. 518 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De Koning bepaalt het aantal gerechtsdeurwaarders per gerechtelijk arrondissement, nadat de adviezen zijn ingewonnen van de procureur-generaal bij het hof van beroep, van de procureur des Konings en van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   De spreiding van de standplaatsen wordt door de Koning bepaald in functie van de bereikbaarheid van de gerechtsdeurwaarder voor de rechtsonderhorige.
  [2 ...]2
   Zijn er meer gerechtsdeurwaarders in functie dan het getal dat door de Koning is bepaald, geschiedt de vermindering tot laatstbedoeld getal slechts bij overlijden, ontslag of afzetting.]1
Art. 518 DROIT FUTUR.    [1 Le Roi fixe le nombre d'huissiers de justice par arrondissement judiciaire après avoir pris les avis du procureur général près la cour d'appel, du procureur du Roi et de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   La répartition des résidences est déterminée par le Roi en fonction de l'accessibilité de l'huissier de justice pour le justiciable.
  [2 ...]2
   Si le nombre des huissiers de justice en fonction excède celui qui est arrêté par le Roi, la réduction à ce dernier nombre ne s'opère que par décès, démission ou destitution.]1
HOOFDSTUK II. - [1 Taken en bevoegdheden van de gerechtsdeurwaarder]1
CHAPITRE II. - [1 Des missions et des compétences de l'huissier de justice]1
Art. 519. [1 § 1. Gerechtsdeurwaarders hebben taken waarvoor zij alleen bevoegd zijn en waarvoor zij ministerieplicht hebben.
  Deze taken zijn :
  1° het opstellen en betekenen van alle exploten en de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen, alsmede van akten of titels in uitvoerbare vorm;
  [2 1° bis. het invorderen van onbetwiste geldschulden overeenkomstig hoofdstuk Iquinquies van de eerste titel van het vijfde deel;]2
  [5 1° ter. het fungeren als aangewezen autoriteiten waarbij verzendende instanties verzoeken kunnen indienen tot het achterhalen van het adres van de persoon aan wie betekening of kennisgeving moet worden gedaan, bedoeld in artikel 7, lid 1, a) van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken;]5
  2° het verrichten van vaststellingen, op verzoek van magistraten en op verzoek van particulieren, met betrekking tot zuiver materiële feiten, zonder enig advies uit te brengen omtrent de oorzaken en de gevolgen in feite of in rechte die daaruit zouden kunnen voortvloeien, evenals de vaststellingen die tot de wettelijke uitoefeningen van hun ambt behoren; deze vaststellingen zijn authentiek wat betreft de materiële feiten en gegevens die de gerechtsdeurwaarder zintuiglijk kan waarnemen;
  3° het opmaken van protesten tegen een wisselbrief, orderbrief en bankcheque;
  4° de gerechtelijke openbare verkoping van roerende goederen en schepen in het kader van de gedwongen tenuitvoerlegging;
  5° de gerechtelijke verkoping in der minne van roerende goederen, overeenkomstig artikel 1526bis;
  6° de vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken, welk monopolie zij delen met de notarissen;
  7° het kennis nemen van de berichten van verzet, bevel, beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest, welk monopolie zij delen met de in artikel 1391, § 1, vermelde personen;
  8° het neerleggen, doorhalen en wijzigen van de berichten van verzet, bevel, beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest in de opdrachten die hen werden toevertrouwd of waarin ze werden aangesteld.
  § 2. Gerechtsdeurwaarders hebben residuaire bevoegdheden waarvoor zij geen monopolie en geen ministerieplicht hebben, onder meer :
  1° ter griffie de uitgiften, afschriften en uittreksels van alle processtukken lichten en de verzoekschriften indienen die zij krachtens de wet kunnen ondertekenen, evenals ter griffie neerleggen van alle andere verzoekschriften;
  2° voor eensluidend tekenen van afschriften en vertalingen van documenten in hun bezit;
  3° uittreksels opstellen van alle akten van hun ambt;
  4° optreden als sekwester;
  5° zorgen voor de minnelijke inning van schuldvorderingen;
  6° optreden als pandverzilveraar;
  7° optreden als ondernemingsbemiddelaar of gerechtsmandataris in het kader van [4 een procedure van gerechtelijke reorganisatie waarin is voorzien in boek XX van het Wetboek van economisch recht]4;
  8° het gerechtelijke mandaat van voorlopig bewindvoerder uitoefenen;
  9° schattingen van meubelen en roerende goederen maken en assistentie verlenen aan faillissementscuratoren met betrekking tot inventarisatie en realisatie van de faillissementsboedel;
  10° optreden als minnelijke schuldbemiddelaar en als schuldbemiddelaar in het kader van de collectieve schuldenregeling;
  11° optreden als bemiddelaar in familiezaken en als bemiddelaar in het kader van alternatieve geschillenbeslechting;
  12° optreden als curator over onbeheerde nalatenschappen;
  13° rechtskundige adviezen verlenen met betrekking tot de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij gerechtsdeurwaarders betrokken zijn;
  14° solvabiliteitsonderzoeken uitvoeren, vermogensrapporten, opstellen en afleveren;
  15° fiscale attesten afleveren met betrekking tot oninbare schuldvorderingen;
  16° toezicht houden op toegelaten loterijen en wedstrijden.
  § 3. De gerechtsdeurwaarder heeft een algemene informatieplicht jegens diegene die hem verzocht heeft zijn ambt uit te oefenen en jegens de schuldenaar. Zo zal hij bij dreigende insolvabiliteit van de schuldenaar de opdrachtgevende schuldeiser hiervan inlichten, opdat deze de wenselijkheid tenuitvoeringsmaatregelen te laten nemen juist kan inschatten en zal hij de schuldenaar inlichten over de mogelijkheden die de collectieve schuldregeling biedt.
  [6 Bovendien kan geen enkele gerechtelijke of buitengerechtelijke invorderingsprocedure worden aangevat zonder voorafgaande raadpleging door de gerechtsdeurwaarder van het bestand van berichten bedoeld in artikel 1389bis/1. Hij gaat hierbij eveneens na of er toepassing dient te worden gemaakt van artikel 1390octies, § 1, en 1391bis.]6
  De gerechtsdeurwaarder licht desgevallend ieder die hem verzocht heeft zijn ambt uit te oefenen in over de verplichtingen en lasten evenals de kosten die voortvloeien uit exploten, uitvoeringen van gerechtelijke beslissingen, akten of titels.]1

  [3 § 4. [6 De gerechtsdeurwaarders trachten steeds tot een bemiddelende en faciliterende oplossing te komen in hun contact met de rechtszoekende. Zij streven daarnaast, in de mate van het mogelijke, de minnelijke oplossing van geschillen na onder meer door de rechtszoekende te wijzen op de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen.
   De gerechtsdeurwaarder zal hiertoe bij elk exploot van betekening van een dagvaarding tot betalen van een geldsom en bij elk exploot van betekening van een vonnis dat de betaling van een geldsom beveelt een informatieblad voegen over de gerechtelijke en buitengerechtelijke oplossingen die beschikbaar zijn voor schuldenaars om hen te helpen hun financiële toestand te herstellen of een regeling omtrent de wijze van betaling van zijn schuldenlast tot stand te brengen.
   De Koning bepaalt het model van dit informatieblad. De Koning kan andere gevallen bepalen waarin de gerechtsdeurwaarder bij de betekening van een akte een informatieblad moet voegen om de persoon in te lichten over de gerechtelijke en buitengerechtelijke oplossingen waarop hij zich kan beroepen in de bedoelde situatie. In voorkomend geval bepaalt de Koning de modellen van deze informatiebladen.]6
]3

  
Art. 519. [1 § 1er. Les huissiers de justice sont chargés de missions pour lesquelles ils sont seuls compétents et par rapport auxquelles ils sont tenus d'exercer leur ministère.
  Ces missions sont :
  1° dresser et signifier tous exploits et mettre à exécution les décisions de justice ainsi que tous les actes ou titres en forme exécutoire;
  [2 1° bis. Le recouvrement des dettes d'argent non contestées conformément au chapitre Iquinquies du titre 1er de la cinquième partie;]2
  [5 1° ter. de jouer le rôle d'autorités désignées auxquelles les entités d'origine peuvent soumettre les demandes concernant la détermination de l'adresse du destinataire de l'acte à signifier ou à notifier, visée à l'article 7, paragraphe 1er, a), du règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les Etats membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale;]5
  2° effectuer, à la requête de magistrats, et à la requête de particuliers des constatations purement matérielles, exclusives de tout avis sur les causes et les conséquences de fait ou de droit qui peuvent en résulter, ainsi que les constatations que nécessitent les missions légales qu'ils accomplissent; ces constatations sont authentiques en ce qui concerne les faits et données matériels que l'huissier de justice peut constater par perception sensorielle;
  3° dresser un protêt contre une lettre de change, un billet à ordre et un chèque bancaire;
  4° la vente publique judiciaire de biens mobiliers et de navires dans le cadre de l'exécution forcée;
  5° la vente judiciaire à l'amiable de biens mobiliers conformément à l'article 1526bis;
  6° les ventes publiques volontaires de biens mobiliers, monopole qu'ils partagent avec les notaires;
  7° prendre connaissance des avis d'opposition, commandement, saisie, délégation, cession, règlement collectif de dette et protêt, monopole qu'ils partagent avec les personnes mentionnées à l'article 1391, § 1er;
  8° déposer, supprimer et modifier les avis d'opposition, commandement, saisie, délégation, cession, règlement collectif de dette et protêt dans les missions qui leur ont été confiées ou dans lesquelles ils ont été nommés.
  § 2. Les huissiers de justice ont des compétences résiduelles pour lesquelles ils n'ont pas de monopole ni d'obligation d'exercer leur ministère et, notamment :
  1° lever au greffe les expéditions, les copies et les extraits de toutes pièces de procès et introduire les requêtes que la loi leur permet de signer, ainsi que déposer au greffe toutes autres requêtes;
  2° attester la conformité de copies et de traductions de documents en leur possession;
  3° rédiger des extraits de tous les actes émanant de leur ministère;
  4° intervenir en tant que séquestre;
  5° assurer le recouvrement de dettes à l'amiable;
  6° intervenir en tant que liquidateur;
  7° être commis en tant que médiateur d'entreprise ou mandataire de justice dans le cadre [4 d'une procédure en réorganisation judiciaire prévue au livre XX du Code de droit économique]4;
  8° exercer le mandat judiciaire d'administrateur provisoire;
  9° procéder aux prisées de meubles et effets mobiliers et fournir une assistance aux curateurs en ce qui concerne l'inventaire et la réalisation de la faillite;
  10° intervenir en tant que médiateur de dettes à l'amiable et en tant que médiateur de dettes dans le cadre du règlement collectif de dettes;
  11° intervenir en tant que médiateur en matière familiale et en tant que médiateur dans le cadre du règlement alternatif de litiges;
  12° intervenir en tant que curateur de successions vacantes;
  13° rendre des avis juridiques concernant les droits, les obligations et les charges qui découlent des actes juridiques auxquels participent des huissiers de justice;
  14° effectuer des enquêtes sur la solvabilité, établir et délivrer des rapports sur le patrimoine;
  15° délivrer des attestations fiscales concernant les créances irrécouvrables;
  16° surveiller les loteries et concours autorisés.
  § 3. L'huissier de justice a un devoir d'information général envers son requérant et envers le débiteur. C'est ainsi qu'en cas de risque d'insolvabilité du débiteur, il en informera le créancier afin de permettre à ce dernier d'apprécier correctement l'opportunité de faire procéder à des mesures d'exécution et il informera le débiteur des possibilités qu'offre le règlement collectif de dettes.
  [6 En outre, aucune procédure de recouvrement judiciaire ou extrajudiciaire ne peut être entamée sans consultation préalable par l'huissier de justice du fichier des avis visé à l'article 1389bis/1. Ce faisant, il vérifie également s'il y a lieu d'appliquer les articles 1390octies, § 1er, et 1391bis.]6
  L'huissier de justice informe, le cas échéant, chaque requérant des obligations et des charges ainsi que des frais qui découlent des exploits, des exécutions de décisions judiciaires, des actes ou titres.]1

  [3 § 4. [6 Les huissiers de justice tentent toujours d'aboutir à une solution amiable et facilitée lors de leur interaction avec le justiciable. Ils tentent en outre, dans la mesure du possible, de favoriser une résolution amiable des litiges notamment en informant le justiciable de la possibilité de médiation, de conciliation et de tout autre mode de résolution amiable des litiges.
   A cette fin, l'huissier de justice joint à l'exploit de signification de chaque citation de payer une somme d'argent et de chaque jugement ordonnant le paiement d'une somme d'argent, une fiche informative concernant les solutions judiciaires et extrajudiciaires auxquelles le débiteur peut recourir afin de rétablir sa situation financière ou d'aménager des modalités de paiement de ses dettes.
   Le Roi détermine le modèle de cette fiche informative. Le Roi peut déterminer d'autres cas dans lesquels l'huissier de justice doit joindre une fiche informative à la signification d'un acte afin d'informer la personne quant aux solutions judiciaires et extrajudiciaires auxquelles elle peut recourir dans la situation visée. Le cas échéant, le Roi détermine les modèles de ces fiches informatives.]6
]3

  
Art. 519 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 § 1. Gerechtsdeurwaarders hebben taken waarvoor zij alleen bevoegd zijn en waarvoor zij ministerieplicht hebben.
  Deze taken zijn :
  1° het opstellen en betekenen van alle exploten en de tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen, alsmede van akten of titels in uitvoerbare vorm;
  [2 1° bis. het invorderen van onbetwiste geldschulden overeenkomstig hoofdstuk Iquinquies van de eerste titel van het vijfde deel;]2
  [5 1° ter. het fungeren als aangewezen autoriteiten waarbij verzendende instanties verzoeken kunnen indienen tot het achterhalen van het adres van de persoon aan wie betekening of kennisgeving moet worden gedaan, bedoeld in artikel 7, lid 1, a) van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken;]5
  2° het verrichten van vaststellingen, op verzoek van magistraten en op verzoek van particulieren, met betrekking tot zuiver materiële feiten, zonder enig advies uit te brengen omtrent de oorzaken en de gevolgen in feite of in rechte die daaruit zouden kunnen voortvloeien, evenals de vaststellingen die tot de wettelijke uitoefeningen van hun ambt behoren; deze vaststellingen zijn authentiek wat betreft de materiële feiten en gegevens die de gerechtsdeurwaarder zintuiglijk kan waarnemen;
  3° het opmaken van protesten tegen een wisselbrief, orderbrief en bankcheque;
  4° de gerechtelijke openbare verkoping van roerende goederen en schepen in het kader van de gedwongen tenuitvoerlegging;
  5° de gerechtelijke verkoping in der minne van roerende goederen, overeenkomstig artikel 1526bis;
  6° de vrijwillige openbare verkopingen van roerende zaken, welk monopolie zij delen met de notarissen;
  7° het kennis nemen van de berichten van verzet, bevel, beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling [7 , vaststelling van niet-bevinding, minnelijke schuldbemiddeling, mogelijk fictief adres, gerechtelijke reorganisatie, overdracht onder gerechtelijk gezag of faillissement]7 en protest, welk monopolie zij delen met de in artikel 1391, § 1, vermelde personen;
  8° het neerleggen, doorhalen en wijzigen van de berichten van verzet, bevel, beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling [7 , vaststelling van niet-bevinding, controle van dreigende insolventie, minnelijke schuldbemiddeling, mogelijk fictief adres]7 en protest in de opdrachten die hen werden toevertrouwd of waarin ze werden aangesteld [7 en, in voorkomend geval, het informeren overeenkomstig artikel 1391bis]7.
  § 2. Gerechtsdeurwaarders hebben residuaire bevoegdheden waarvoor zij geen monopolie en geen ministerieplicht hebben, onder meer :
  1° ter griffie de uitgiften, afschriften en uittreksels van alle processtukken lichten en de verzoekschriften indienen die zij krachtens de wet kunnen ondertekenen, evenals ter griffie neerleggen van alle andere verzoekschriften;
  2° voor eensluidend tekenen van afschriften en vertalingen van documenten in hun bezit;
  3° uittreksels opstellen van alle akten van hun ambt;
  4° optreden als sekwester;
  5° zorgen voor de minnelijke inning van schuldvorderingen;
  6° optreden als pandverzilveraar;
  7° optreden als ondernemingsbemiddelaar of gerechtsmandataris in het kader van [4 een procedure van gerechtelijke reorganisatie waarin is voorzien in boek XX van het Wetboek van economisch recht]4;
  8° het gerechtelijke mandaat van voorlopig bewindvoerder uitoefenen;
  9° schattingen van meubelen en roerende goederen maken en assistentie verlenen aan faillissementscuratoren met betrekking tot inventarisatie en realisatie van de faillissementsboedel;
  10° optreden als minnelijke schuldbemiddelaar en als schuldbemiddelaar in het kader van de collectieve schuldenregeling;
  11° optreden als bemiddelaar in familiezaken en als bemiddelaar in het kader van alternatieve geschillenbeslechting;
  12° optreden als curator over onbeheerde nalatenschappen;
  13° rechtskundige adviezen verlenen met betrekking tot de rechten, verplichtingen en lasten die voortvloeien uit de rechtshandelingen waarbij gerechtsdeurwaarders betrokken zijn;
  14° solvabiliteitsonderzoeken uitvoeren, vermogensrapporten, opstellen en afleveren;
  15° fiscale attesten afleveren met betrekking tot oninbare schuldvorderingen;
  16° toezicht houden op toegelaten loterijen en wedstrijden.
  § 3. De gerechtsdeurwaarder heeft een algemene informatieplicht jegens diegene die hem verzocht heeft zijn ambt uit te oefenen en jegens de schuldenaar. Zo zal hij bij dreigende insolvabiliteit van de schuldenaar de opdrachtgevende schuldeiser hiervan inlichten, opdat deze de wenselijkheid tenuitvoeringsmaatregelen te laten nemen juist kan inschatten en zal hij de schuldenaar inlichten over de mogelijkheden die de collectieve schuldregeling biedt.
  [6 Bovendien kan geen enkele gerechtelijke of buitengerechtelijke invorderingsprocedure worden aangevat zonder voorafgaande raadpleging door de gerechtsdeurwaarder van het bestand van berichten bedoeld in artikel 1389bis/1. Hij gaat hierbij eveneens na of er toepassing dient te worden gemaakt van artikel 1390octies, § 1, en 1391bis.]6
  De gerechtsdeurwaarder licht desgevallend ieder die hem verzocht heeft zijn ambt uit te oefenen in over de verplichtingen en lasten evenals de kosten die voortvloeien uit exploten, uitvoeringen van gerechtelijke beslissingen, akten of titels.]1

  [3 § 4. [6 De gerechtsdeurwaarders trachten steeds tot een bemiddelende en faciliterende oplossing te komen in hun contact met de rechtszoekende. Zij streven daarnaast, in de mate van het mogelijke, de minnelijke oplossing van geschillen na onder meer door de rechtszoekende te wijzen op de mogelijkheid tot bemiddeling, verzoening en elke andere vorm van minnelijke oplossing van geschillen.
   De gerechtsdeurwaarder zal hiertoe bij elk exploot van betekening van een dagvaarding tot betalen van een geldsom en bij elk exploot van betekening van een vonnis dat de betaling van een geldsom beveelt een informatieblad voegen over de gerechtelijke en buitengerechtelijke oplossingen die beschikbaar zijn voor schuldenaars om hen te helpen hun financiële toestand te herstellen of een regeling omtrent de wijze van betaling van zijn schuldenlast tot stand te brengen.
   De Koning bepaalt het model van dit informatieblad. De Koning kan andere gevallen bepalen waarin de gerechtsdeurwaarder bij de betekening van een akte een informatieblad moet voegen om de persoon in te lichten over de gerechtelijke en buitengerechtelijke oplossingen waarop hij zich kan beroepen in de bedoelde situatie. In voorkomend geval bepaalt de Koning de modellen van deze informatiebladen.]6
]3
Art. 519 DROIT FUTUR.    [1 § 1er. Les huissiers de justice sont chargés de missions pour lesquelles ils sont seuls compétents et par rapport auxquelles ils sont tenus d'exercer leur ministère.
  Ces missions sont :
  1° dresser et signifier tous exploits et mettre à exécution les décisions de justice ainsi que tous les actes ou titres en forme exécutoire;
  [2 1° bis. Le recouvrement des dettes d'argent non contestées conformément au chapitre Iquinquies du titre 1er de la cinquième partie;]2
  [5 1° ter. de jouer le rôle d'autorités désignées auxquelles les entités d'origine peuvent soumettre les demandes concernant la détermination de l'adresse du destinataire de l'acte à signifier ou à notifier, visée à l'article 7, paragraphe 1er, a), du règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les Etats membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale;]5
  2° effectuer, à la requête de magistrats, et à la requête de particuliers des constatations purement matérielles, exclusives de tout avis sur les causes et les conséquences de fait ou de droit qui peuvent en résulter, ainsi que les constatations que nécessitent les missions légales qu'ils accomplissent; ces constatations sont authentiques en ce qui concerne les faits et données matériels que l'huissier de justice peut constater par perception sensorielle;
  3° dresser un protêt contre une lettre de change, un billet à ordre et un chèque bancaire;
  4° la vente publique judiciaire de biens mobiliers et de navires dans le cadre de l'exécution forcée;
  5° la vente judiciaire à l'amiable de biens mobiliers conformément à l'article 1526bis;
  6° les ventes publiques volontaires de biens mobiliers, monopole qu'ils partagent avec les notaires;
  7° prendre connaissance des avis d'opposition, commandement, saisie, délégation, cession, règlement collectif de dette [7 , constat de carence, médiation de dettes amiable, adresse fictive probable, réorganisation judiciaire, transfert sous autorité judiciaire ou faillite]7 et protêt, monopole qu'ils partagent avec les personnes mentionnées à l'article 1391, § 1er;
  8° déposer, supprimer et modifier les avis d'opposition, commandement, saisie, délégation, cession, règlement collectif de dette [7 , constat de carence, contrôle de probabilité d'insolvabilité, médiation de dettes amiable, adresse fictive probable,]7 et protêt dans les missions qui leur ont été confiées ou dans lesquelles ils ont été nommés [7 et, le cas échéant, informer conformément à l'article 1391bis]7.
  § 2. Les huissiers de justice ont des compétences résiduelles pour lesquelles ils n'ont pas de monopole ni d'obligation d'exercer leur ministère et, notamment :
  1° lever au greffe les expéditions, les copies et les extraits de toutes pièces de procès et introduire les requêtes que la loi leur permet de signer, ainsi que déposer au greffe toutes autres requêtes;
  2° attester la conformité de copies et de traductions de documents en leur possession;
  3° rédiger des extraits de tous les actes émanant de leur ministère;
  4° intervenir en tant que séquestre;
  5° assurer le recouvrement de dettes à l'amiable;
  6° intervenir en tant que liquidateur;
  7° être commis en tant que médiateur d'entreprise ou mandataire de justice dans le cadre [4 d'une procédure en réorganisation judiciaire prévue au livre XX du Code de droit économique]4;
  8° exercer le mandat judiciaire d'administrateur provisoire;
  9° procéder aux prisées de meubles et effets mobiliers et fournir une assistance aux curateurs en ce qui concerne l'inventaire et la réalisation de la faillite;
  10° intervenir en tant que médiateur de dettes à l'amiable et en tant que médiateur de dettes dans le cadre du règlement collectif de dettes;
  11° intervenir en tant que médiateur en matière familiale et en tant que médiateur dans le cadre du règlement alternatif de litiges;
  12° intervenir en tant que curateur de successions vacantes;
  13° rendre des avis juridiques concernant les droits, les obligations et les charges qui découlent des actes juridiques auxquels participent des huissiers de justice;
  14° effectuer des enquêtes sur la solvabilité, établir et délivrer des rapports sur le patrimoine;
  15° délivrer des attestations fiscales concernant les créances irrécouvrables;
  16° surveiller les loteries et concours autorisés.
  § 3. L'huissier de justice a un devoir d'information général envers son requérant et envers le débiteur. C'est ainsi qu'en cas de risque d'insolvabilité du débiteur, il en informera le créancier afin de permettre à ce dernier d'apprécier correctement l'opportunité de faire procéder à des mesures d'exécution et il informera le débiteur des possibilités qu'offre le règlement collectif de dettes.
  [6 En outre, aucune procédure de recouvrement judiciaire ou extrajudiciaire ne peut être entamée sans consultation préalable par l'huissier de justice du fichier des avis visé à l'article 1389bis/1. Ce faisant, il vérifie également s'il y a lieu d'appliquer les articles 1390octies, § 1er, et 1391bis.]6
  L'huissier de justice informe, le cas échéant, chaque requérant des obligations et des charges ainsi que des frais qui découlent des exploits, des exécutions de décisions judiciaires, des actes ou titres.]1

  [3 § 4. [6 Les huissiers de justice tentent toujours d'aboutir à une solution amiable et facilitée lors de leur interaction avec le justiciable. Ils tentent en outre, dans la mesure du possible, de favoriser une résolution amiable des litiges notamment en informant le justiciable de la possibilité de médiation, de conciliation et de tout autre mode de résolution amiable des litiges.
   A cette fin, l'huissier de justice joint à l'exploit de signification de chaque citation de payer une somme d'argent et de chaque jugement ordonnant le paiement d'une somme d'argent, une fiche informative concernant les solutions judiciaires et extrajudiciaires auxquelles le débiteur peut recourir afin de rétablir sa situation financière ou d'aménager des modalités de paiement de ses dettes.
   Le Roi détermine le modèle de cette fiche informative. Le Roi peut déterminer d'autres cas dans lesquels l'huissier de justice doit joindre une fiche informative à la signification d'un acte afin d'informer la personne quant aux solutions judiciaires et extrajudiciaires auxquelles elle peut recourir dans la situation visée. Le cas échéant, le Roi détermine les modèles de ces fiches informatives.]6
]3
Art. 520. [1 § 1. Gerechtsdeurwaarders zijn verplicht hun ambt met betrekking tot de in artikel 519, § 1, bepaalde monopolietaken uit te oefenen telkens zij erom verzocht worden en voor ieder die erom verzoekt, tenzij :
  1° er wettelijke beletsels bestaan;
  2° dit, gezien hun persoonlijke toestand redelijkerwijs niet van hen kan worden verlangd;
  3° de verzoeker niet bereid is de gevraagde provisie voor het verrichten van de ambtshandeling te voldoen, de termijnen verstreken zijn of de rechtshandeling redelijkerwijs beoordeeld niet meer binnen de termijn kan gesteld worden of het dossier onvolledig is;
  4° de opdracht naar het gevoel van de gerechtsdeurwaarder indruist tegen de openbare orde of de goede zeden of de belangen van een van de betrokken partijen onevenredig zou benadelen.
  § 2. Gerechtsdeurwaarders mogen wat al hun taken betreft niet optreden voor of tegen zichzelf, hun echtgenoot of de partner met wie zij samenwonen noch voor of tegen hun bloed- en aanverwanten in de rechte lijn of die van hun echtgenoot of partner met wie zij samenwonen, noch voor hun bloed- of aanverwanten in de zijlijn tot in de vierde graad of die van hun echtgenoot of partner met wie zij samenwonen.
  § 3. Gerechtsdeurwaarders mogen wat al hun taken betreft niet optreden voor of tegen een rechtspersoon waarvan zij weten of hadden behoren te weten dat de in § 2 bedoelde personen daarin een meerderheid van de aandelen bezitten of de functie vervullen van zaakvoerder, dagelijks bestuurder of voorzitter van de raad van bestuur.
  § 4. Ambtshandelingen die verricht zijn in strijd met § 2 zijn nietig; ambtshandelingen die verricht zijn in strijd met § 3 zijn vernietigbaar.]1

  
Art. 520. [1 § 1er. Les huissiers de justice sont tenus d'exercer leur ministère dans le cadre des missions de monopole visées à l'article 519, § 1er, toutes les fois qu'ils en sont requis et pour tous requérants, sauf :
  1° s'il y a des obstacles légaux;
  2° si leur situation personnelle ne permet raisonnablement pas d'exiger cela d'eux;
  3° si le requérant n'est pas disposé à s'acquitter de la provision requise pour l'accomplissement de l'acte dans l'exercice de leurs fonctions, si les délais sont dépassés, si l'acte juridique ne peut raisonnablement plus être accompli dans le délai imparti ou si le dossier est incomplet;
  4° si l'huissier de justice estime que la mission est contraire à l'ordre public ou aux bonnes moeurs ou nuirait de manière disproportionnée aux intérêts d'une des parties concernées.
  § 2. Pour ce qui est de l'ensemble de leurs missions, les huissiers de justice ne peuvent instrumenter ni contre eux-mêmes ni pour eux-mêmes, leur conjoint ou le partenaire avec qui ils cohabitent, ni contre ou pour leurs parents et alliés en ligne directe ou ceux de leur conjoint ou partenaire avec qui ils cohabitent, ni contre ou pour leurs parents et alliés collatéraux jusqu'au quatrième degré ou ceux de leur conjoint ou partenaire avec qui ils cohabitent.
  § 3. Pour ce qui est de l'ensemble de leurs missions, les huissiers de justice ne peuvent pas instrumenter contre ou pour une personne morale à propos de laquelle ils savent ou étaient censés savoir que les personnes visées au § 2 y détiennent la majorité des actions ou y remplissent la fonction de gérant, de délégué à la gestion journalière ou de président du conseil d'administration.
  § 4. Les actes accomplis dans l'exercice de leurs fonctions en violation du § 2 sont nuls; les actes accomplis dans l'exercice de leurs fonctions en violation du § 3 peuvent être annulés.]1

  
HOOFDSTUK III. - [1 Onverenigbaarheden]1
CHAPITRE III. - [1 Des incompatibilités]1
Art. 521. [1 Het is elke gerechtsdeurwaarder en elke kandidaat-gerechtsdeurwaarder verboden om zelf of door een tussenpersoon enig ander beroep uit te oefenen, met uitzondering van onderwijs- of onderzoeksopdrachten als assistent, docent, hoogleraar of auteur [2 en met uitzondering van het ambt van rechter in ondernemingszaken]2.
  De procureur-generaal bij het hof van beroep kan, in bijzondere gevallen, na het advies van de procureur des Konings en van de raad van de arrondissementskamer te hebben ingewonnen, de gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder toestaan bestuurder van een handelsvennootschap te zijn, evenwel zonder dat hij zaakvoerder, afgevaardigd bestuurder of vereffenaar mag zijn.]1

  
Art. 521. [1 Il est interdit à tout huissier de justice et à tout candidat huissier de justice d'exercer, lui-même ou par personne interposée, aucune autre profession, à l'exception des missions d'enseignement ou de recherche en qualité d'assistant, de chargé de cours, de professeur ou d'auteur [2 et à l'exception des fonctions de juge consulaire]2.
  Le procureur général près la cour d'appel peut, dans des cas particuliers, après avoir pris les avis du procureur du Roi et du conseil de la chambre d'arrondissement, autoriser l'huissier de justice ou le candidat huissier de justice à être administrateur d'une société commerciale sans cependant qu'il lui soit permis d'être gérant, administrateur délégué ou liquidateur.]1

  
HOOFDSTUK IV. - [1 Tarief, boekhouding, derdengelden en kwaliteitsrekening]1
CHAPITRE IV. - [1 Du tarif, de la comptabilité, des fonds de tiers et du compte de qualité]1
Art. 522. [1 § 1. De Koning stelt het tarief vast van alle akten en ambtelijke taken van de gerechtsdeurwaarders. Voor de niet door de Koning vastgestelde tarieven kan de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders een minimumtarief opleggen.
  Op het origineel en elk afschrift van hun akten moeten de gerechtsdeurwaarders de aangerekende vergoedingen vermelden, met een detail van alle posten van de totale vergoeding.
  § 2. De gerechtsdeurwaarders zijn verplicht een boekhouding te houden waarvan het model door de Koning wordt vastgesteld.
  Ingeval gerechtsdeurwaarders hun beroep in associatie uitoefenen, al dan niet onder vennootschapsvorm, wordt een enkele boekhouding gevoerd.]1

  
Art. 522. [1 § 1er. Le Roi fixe le tarif de tous les actes et de toutes les missions officielles des huissiers de justice. Lorsque le tarif n'est pas fixé par le Roi, la Chambre nationale des huissiers de justice peut imposer un tarif minimum.
  Les huissiers de justice doivent mentionner sur l'original et sur chaque copie de leurs actes les indemnités imputées ainsi que le détail de tous les postes de l'indemnité totale.
  § 2. Les huissiers de justice ont l'obligation de tenir une comptabilité dont le modèle est fixé par le Roi.
  Dans les cas où des huissiers de justice exercent leur profession en association, sous forme de société ou non, une seule comptabilité est tenue.]1

  
Art. 522/1. [1 § 1. Elke gerechtsdeurwaarder maakt een onderscheid maken tussen zijn eigen gelden en derdengelden.
  De gelden die gerechtsdeurwaarders in de uitoefening van hun beroep ontvangen ten behoeve van cliënten of derden worden gestort op een of meer rekeningen geopend op hun naam of op naam van hun gerechtsdeurwaardersvennootschap, met vermelding van hun of haar hoedanigheid. Deze rekening of rekeningen worden geopend overeenkomstig de door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders vast te stellen regels.
  De gerechtsdeurwaarder verhandelt via deze rekening gelden van cliënten of derden. Hij verzoekt cliënten en derden steeds om uitsluitend te betalen op deze rekening.
  Het beheer van deze rekening berust uitsluitend bij de gerechtsdeurwaarder, onverminderd de aanvullende regels inzake verhandeling van gelden van cliënten of derden vastgesteld door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
  § 2. De in § 1 bedoelde rekeningen omvatten de derdenrekeningen en de rubriekrekeningen.
  De derdenrekening is een globale rekening waarop gelden worden ontvangen of beheerd die moeten worden doorgestort naar cliënten of derden.
  De rubriekrekening is een geïndividualiseerde rekening geopend met betrekking tot een bepaald dossier of voor een bepaalde cliënt.
  § 3. De derdenrekening en de rubriekrekening zijn rekeningen die zijn geopend bij een door de Nationale bank van België op grond van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen vergunde instelling of de Depositie- en Consignatiekas en die minstens voldoen aan de volgende eisen :
  1° de derdenrekening en de rubriekrekening mogen nooit een debetsaldo vertonen;
  2° op een derdenrekening of een rubriekrekening mag geen krediet, in welke vorm ook, worden toegestaan; die rekeningen kunnen nooit tot zekerheid dienen;
  3° elke schuldvergelijking, fusie of bepaling van eenheid van rekening tussen de derdenrekening, de rubriekrekening en andere rekeningen is uitgesloten; nettingovereenkomsten kunnen op deze rekeningen geen toepassing vinden. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan aanvullende regels vaststellen inzake de verhandeling van gelden van cliënten of derden.
  § 4. Behoudens uitzonderlijke omstandigheden stort de gerechtsdeurwaarder de op zijn derdenrekening ontvangen gelden zo vlug mogelijk door aan de bestemmeling.
  Ingeval de gerechtsdeurwaarder om gegronde redenen de gelden niet binnen de bij reglement van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders bepaalde termijn en uiterlijk twee maanden na de ontvangst ervan aan de bestemmeling kan overmaken, stort hij ze op een rubriekrekening.
  Onverminderd de toepassing van dwingende rechtsregels, is het tweede lid niet van toepassing indien het totaal van de bedragen ontvangen voor rekening van eenzelfde persoon of bij gelegenheid van eenzelfde verrichting of per dossier 2.500 euro niet te boven gaat. De Koning kan dit bedrag om de twee jaar aanpassen aan de economische toestand. Deze aanpassing geldt vanaf 1 januari van het jaar volgend op de bekendmaking van het aanpassingsbesluit.
  § 5. [2 De Koning kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het beheer, de toegang, de controle en het toezicht op de in § 2 bedoelde rekeningen.]2
  Door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt een toezichtregeling ingevoerd en georganiseerd, waarin minstens wordt bepaald wie, waarop, wanneer en op welke wijze toezicht wordt gehouden op de naleving van de bepalingen bedoeld in de §§ 1 tot 4 [2 , met uitzondering van de rekeningen die beheerd worden in het kader van een gerechtelijk mandaat]2. Deze toezichtsregeling bepaalt in het bijzonder de sancties en de maatregelen die in geval van overtreding kunnen worden genomen. Ze doet geen afbreuk aan andere wettelijke bepalingen die voorzien in een toezicht op de gelden geplaatst op de in § 2 bedoelde rekeningen.
  § 6. Alle sommen, ongeacht het bedrag ervan, die door de gerechtigde niet zijn teruggevorderd, noch aan hem zijn overgemaakt twee jaar na de afsluiting van het dossier naar aanleiding waarvan zij door de gerechtsdeurwaarder werden ontvangen, worden door deze laatste in de Deposito- en Consignatiekas gestort. De termijn wordt geschorst tot zolang deze sommen het voorwerp uitmaken van een rechtsgeding.
  Die deposito's worden ingeschreven op naam van de gerechtigde, die door de gerechtsdeurwaarder wordt aangewezen. Ze worden door de Deposito- en Consignatiekas ter beschikking gehouden van de gerechtigde tot het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 25 van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling van de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en Consignatiekas en tot aanbrenging van wijzigingen daarin krachtens de wet van 31 juli 1934.]1

  
Art. 522/1. [1 § 1er. Tout huissier de justice établit une distinction entre ses fonds propres et les fonds de tiers.
  Les fonds reçus par les huissiers de justice dans l'exercice de leur profession au profit de clients ou de tiers sont versés sur un ou plusieurs comptes ouverts à leur nom ou au nom de leur société d'huissiers de justice, avec mention de leur ou sa qualité. Ce ou ces comptes sont ouverts conformément aux règles à fixer par la Chambre nationale des huissiers de justice.
  L'huissier de justice manie les fonds de clients ou de tiers par l'intermédiaire de ce compte. Il demande toujours aux clients et aux tiers de payer exclusivement sur ce compte.
  Ce compte est géré exclusivement par l'huissier de justice, sans préjudice des règles complémentaires concernant le maniement de fonds de clients ou de tiers fixées par la Chambre nationale des huissiers de justice.
  § 2. Les comptes visés au § 1er comprennent les comptes de tiers et les comptes rubriqués.
  Le compte de tiers est un compte global sur lequel sont reçus ou gérés des fonds qui doivent être transférés à des clients ou à des tiers.
  Le compte rubriqué est un compte individualisé ouvert dans le cadre d'un dossier déterminé ou pour un client déterminé.
  § 3. Le compte de tiers et le compte rubriqué sont des comptes qui sont ouverts auprès d'une institution agréée par la Banque nationale de Belgique sur la base de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit ou de la Caisse des dépots et consignations et qui répondent au moins aux conditions suivantes :
  1° le compte de tiers et le compte rubriqué ne peuvent jamais être en débit;
  2° aucun crédit, sous quelque forme que ce soit, ne peut être consenti sur un compte de tiers ou sur un compte rubriqué; ceux-ci ne peuvent jamais servir de sûreté;
  3° toute compensation, fusion, ou stipulation d'unicité de compte entre le compte de tiers, le compte rubriqué et d'autres comptes en banque est exclue; aucune convention de netting ne peut s'appliquer à ces comptes. La Chambre nationale des huissiers de justice peut fixer des règles complémentaires concernant le maniement de fonds de clients ou de tiers.
  § 4. Sauf circonstances exceptionnelles, l'huissier de justice transfère dans les plus brefs délais les fonds reçus sur son compte de tiers.
  Si, pour des raisons fondées, l'huissier de justice ne peut transférer les fonds au destinataire dans le délai prévu par le règlement de la Chambre nationale des huissiers de justice et, au plus tard, dans les deux mois de leur réception, il les verse sur un compte rubriqué.
  Sans préjudice de l'application de règles juridiques impératives, l'alinéa 2 n'est pas d'application lorsque le total des fonds reçus soit pour le compte d'une même personne, soit à l'occasion d'une même opération, soit par dossier, n'excède pas 2 .500 euros. Le Roi peut adapter ce montant tous les deux ans en tenant compte de la situation économique. Cette adaptation entre en vigueur le 1er janvier de l'année suivant la publication de l'arrêté d'adaptation.
  § 5. [2 Le Roi peut fixer les modalités relatives à la gestion, à l'accès, au contrôle et à la surveillance des comptes visés au § 2.]2
   La Chambre nationale des huissiers de justice instaure et organise un régime de contrôle déterminant au moins par qui, sur quoi, quand et comment un contrôle est exercé en ce qui concerne le respect des dispositions des §§ 1er à 4 [2 , à l'exception des comptes gérés dans le cadre d'un mandat judiciaire]2. Ce régime de contrôle détermine en particulier les sanctions et les mesures pouvant être prises en cas d'infraction. Il ne porte pas préjudice à d'autres dispositions légales qui prévoient un contrôle des fonds déposés sur les comptes visés au § 2.
  § 6. L'huissier de justice verse dans la Caisse des dépôts et consignations l'intégralité des sommes, quel qu'en soit le montant, qui n'ont pas été réclamées par l'ayant droit ou ne lui ont pas été versées dans les deux ans suivant la clôture du dossier dans le cadre duquel elles ont été reçues par l'huissier de justice. Le délai est suspendu tant que ces sommes font l'objet d'une procédure judiciaire.
  Ces dépôts sont immatriculés au nom de l'ayant droit qui est désigné par l'huissier de justice. La Caisse des dépôts et consignations les tient à la disposition de l'ayant droit jusqu'à l'expiration du délai visé à l'article 25 de l'arrêté royal n° 150 du 18 mars 1935 coordonnant les lois relatives à l'organisation et au fonctionnement de la Caisse des dépôts et consignations et y apportant des modifications en vertu de la loi du 31 juillet 1934.]1

  
Art. 522/2. [1 § 1. De effecten en geldswaardige papieren aan toonder die aan de gerechtsdeurwaarder zijn toevertrouwd naar aanleiding van een bepaald dossier, worden binnen de bij reglement van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders bepaalde termijn en binnen uiterlijk drie maanden, onder een afzonderlijke rubriek geopend bij een door de Nationale Bank van België op grond van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen vergunde instelling in open bewaring gegeven voor rekening van de eigenaar op naam van de gerechtsdeurwaarder of van de deurwaardersvennootschap.
  § 2. Worden door de gerechtsdeurwaarder aan de Deposito- en Consignatiekas overgemaakt, overeenkomstig artikel 5 van het ministerieel besluit van 27 maart 1935 tot uitvoering van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935 tot samenschakeling de wetten betreffende de inrichting en de werking van de Deposito- en Consignatiekas en tot aanbrenging van wijzigingen daarin krachtens de wet van 31 juli 1934, alle effecten en geldswaardige papieren aan toonder die door de gerechtigde niet zijn teruggevorderd, noch aan hem zijn overgemaakt twee jaar na het afsluiten van het dossier naar aanleiding waarvan zij door de gerechtsdeurwaarder werden ontvangen.
  Die deposito's worden ingeschreven op naam van de gerechtigde, die door de gerechtsdeurwaarder wordt aangewezen. Onverminderd artikel 4, eerste lid, van de wet van 14 december 2005 houdende afschaffing van de effecten aan toonder, worden ze door de Deposito en Consignatiekas ter beschikking van de gerechtigde gehouden tot het verstrijken van de termijn bepaald in artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935.]1

  
Art. 522/2. [1 § 1er. Les titres et valeurs au porteur confiés à l'huissier de justice à l'occasion d'un dossier particulier sont, dans le délai prévu par le règlement de la Chambre nationale des huissiers de justice et, au plus tard, dans les trois mois, déposés à découvert, sous une rubrique distincte ouverte auprès d'une institution agréée par la Banque nationale de Belgique sur la base de la loi du 22 mars 1993 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, pour le compte du propiétaire et au nom de l'huissier de justice ou de la société d'huissiers de justice.
  § 2. Sont transmis à la Caisse des dépôts et consignations par l'huissier de justice, conformément à l'article 5 de l'arrêté ministériel d'exécution de l'arrêté royal n° 150 du 18 mars 1935 coordonnant les lois relatives à l'organisation et au fonctionnement de la Caisse des dépôts et consignations et y apportant des modifications en vertu de la loi du 31 juillet 1934, tous les titres et valeurs au porteur qui ne sont ni réclamés par l'ayant droit, ni remis à celui-ci ou ceux-ci, deux ans après la clôture du dossier à l'occasion duquel ils ont été reçus par l'huissier de justice.
  Ces dépôts sont immatriculés au nom de l'ayant droit qui est désigné par l'huissier de justice. Sans préjudice de l'article 4, alinéa 1er, de la loi du 14 décembre 2005 portant suppression des titres au porteur, la Caisse des Dépôts et Consignations, la Caisse des Dépôts et Consignations met ces dépôts à la disposition de l'ayant droit jusqu'à l'expiration du délai prévu à l'article 26 de l'arrêté royal n° 150 du 18 mars 1935.]1

  
HOOFDSTUK V. - [1 Continuïteit van de openbare dienst, voortzetting van de activiteit, overdracht van dossiers en andere bestanddelen van het kantoor van een gerechtsdeurwaarder]1
CHAPITRE V. - [1 De la continuité du service public, de la poursuite de l'activité, de la transmission des dossiers et des autres éléments de l'étude d`un huissier de justice]1
Art. 523. [1 § 1. Indien een gerechtsdeurwaarder overlijdt [2 , ontslag neemt of in geval van vernietiging van zijn benoeming]2, wordt door de territoriaal bevoegde procureur des Konings, [2 op voorstel van]2 de raad van de arrondissementskamer en uiterlijk binnen tien dagen na het overlijden [2 , het ontslag of de vernietiging van de benoeming]2, een kandidaat-gerechtsdeurwaarder, tot waarnemend gerechtsdeurwaarder aangesteld. [3 Wanneer de continuïteit van het kantoor dit niet langer vereist, beëindigt de procureur des Konings de aanstelling op gezamenlijk gemotiveerd verzoek van de raad van de arrondissementskamer en de waarnemend gerechtsdeurwaarder, vergezeld van het advies van de door de Nationale Kamer aangestelde bedrijfsrevisor.]3
  Ingeval de overleden of ontslagnemende gerechtsdeurwaarder [2 of de gerechtsdeurwaarder wiens benoeming vernietigd werd]2 deel uitmaakt van een associatie van meerdere gerechtsdeurwaarders, wordt, in afwijking van vorig lid, geen waarnemend gerechtsdeurwaarder aangesteld. De continuïteit wordt verzekerd door de overige vennoot of vennoten.
  Ingeval van associatie tussen een titularis-gerechtsdeurwaarder en een kandidaat-gerechtsdeurwaarder, wordt in voorkomend geval de geasssocieerde kandidaat-gerechtsdeurwaarder aangesteld als waarnemend gerechtsdeurwaarder.
  [2 Ingeval het een niet-geassocieerde gerechtsdeurwaarder betreft, wordt als waarnemend gerechtsdeurwaarder de kandidaat-gerechtsdeurwaarder aangesteld die op het ogenblik van het overlijden, het ontslag of de vernietiging van de benoeming het meest geschikt is om de continuïteit te verzekeren.]2
  § 2. Indien een gerechtsdeurwaarder wordt afgezet of er een schorsing tegen hem wordt uitgesproken, stelt de territoriaal bevoegde procureur des Konings, [2 op voorstel van]2 de raad van de arrondissementskamer en uiterlijk binnen tien dagen na de afzetting of de schorsing, een kandidaat-gerechtsdeurwaarder of titularis-gerechtsdeurwaarder aan tot waarnemend gerechtsdeurwaarder. [3 Wanneer de continuïteit van het kantoor dit niet langer vereist, beëindigt de procureur des Konings de aanstelling op gezamenlijk gemotiveerd verzoek van de raad van de arrondissementskamer en de waarnemend gerechtsdeurwaarder, vergezeld van het advies van de door de Nationale Kamer aangestelde bedrijfsrevisor.]3
  § 3. De waarnemend gerechtsdeurwaarder staat in voor het algemeen beheer en de handhaving van het kantoor, vervult de nodige ambtshandelingen in functie van de continuïteit van het kantoor, houdt de repertoria bij, en neemt alle functies waar van de vervangen gerechtsdeurwaarder voor de duur van de schorsing of, in voorkomend geval, tot de eedaflegging van de nieuw benoemde gerechtsdeurwaarder, en dit onder toezicht van de syndicus.
  De Koning bepaalt de nadere regels inzake de vergoeding van de waarnemend gerechtsdeurwaarder en inzake de wijze waarop de afrekening gebeurt tussen de vervangen gerechtsdeurwaarder of diens rechthebbenden, de waarnemend gerechtsdeurwaarder en, in voorkomend geval, de nieuw benoemde gerechtsdeurwaarder na diens eedaflegging.
  § 4. Een waarnemend gerechtsdeurwaarder heeft dezelfde rechten en verplichtingen als een titularis-gerechtsdeurwaarder.
  Bij elke in de uitoefening van het beroep gestelde daad vermeldt de waarnemend gerechtsdeurwaarder zijn hoedanigheid en de identiteit en plaats van vestiging van de gerechtsdeurwaarder waarvoor hij waarneemt.]1

  
Art. 523. [1 § 1er. Si un huissier de justice décède [2 , démissionne ou voit sa nomination annulée]2, le procureur du Roi territorialement compétent désigne, [2 sur proposition du]2 conseil de la chambre d'arrondissement et au plus tard dans les dix jours [2 qui suivent le décès, la démission ou l'annulation de la nomination]2, un candidat-huissier de justice comme huissier de justice faisant fonction. [3 Lorsque la continuité de l'étude ne l'exige plus, le procureur du Roi met fin à la désignation sur demande conjointe et motivée du conseil de la chambre d'arrondissement et de l'huissier de justice faisant fonction, à laquelle est jointe l'avis du réviseur d'entreprise désigné par la Chambre nationale.]3
  Si l'huissier de justice décédé [2 , démissionnaire ou dont la nomination a été annulée]2 fait partie d'une association de plusieurs huissiers de justice, il n'est pas désigné, par dérogation à l'alinéa précédent, d'huissier de justice faisant fonction. La continuité est assurée par l'autre associé ou les autres associés.
  En cas d'association entre un huissier de justice titulaire et un candidat-huissier de justice, le candidat-huissier de justice associé est, le cas échéant, désigné comme huissier de justice faisant fonction.
  [2 S'il s'agit d'un huissier de justice non associé, le candidat-huissier de justice désigné comme huissier de justice faisant fonction sera celui qui, au moment du décès, de la démission ou de l'annulation de la nomination, est le plus apte pour assurer la continuité.]2
  § 2. Si un huissier de justice est destitué ou qu'une suspension est prononcée à son égard, le procureur du Roi territorialement compétent désigne, [2 sur proposition du]2 conseil de la chambre d'arrondissement et au plus tard dans les dix jours qui suivent la destitution ou la suspension, un candidat-huissier de justice ou un huissier de justice titulaire comme huissier de justice faisant fonction. [3 Lorsque la continuité de l'étude ne l'exige plus, le procureur du Roi met fin à la désignation sur demande conjointe et motivée du conseil de la chambre d'arrondissement et de l'huissier de justice faisant fonction, à laquelle est jointe l'avis du réviseur d'entreprise désigné par la Chambre nationale.]3
  § 3. L'huissier de justice faisant fonction est responsable de la gestion générale et du maintien de l'étude, accomplit les actes administratifs requis pour assurer la continuité de l'étude, tient les répertoires à jour et assume toutes les fonctions de l'huissier de justice remplacé pendant la durée de la suspension ou, le cas échéant, jusqu'à la prestation de serment de l'huissier de justice nouvellement nommé et ce, sous la surveillance du syndic.
  Le Roi définit les modalités de la rétribution de l'huissier de justice faisant fonction et du décompte entre l'huissier de justice remplacé ou ses ayants droit, l'huissier de justice faisant fonction et, le cas échéant, l'huissier de justice nouvellement nommé après sa prestation de serment.
  § 4. Un huissier de justice faisant fonction a les mêmes droits et les mêmes obligations qu'un huissier de justice titulaire.
  Lors de tout acte professionnel, l'huissier de justice faisant fonction mentionne sa qualité ainsi que l'identité et le lieu d'établissement de l'huissier de justice qu'il remplace.]1

  
Art. 524. [1 § 1. De gerechtsdeurwaarder die benoemd wordt in opvolging van een overleden, afgezet of ontslagnemend gerechtsdeurwaarder neemt van rechtswege die verplichtingen over van de gerechtsdeurwaarder die hij opvolgt, voorzover die verplichtingen er zijn of behouden blijven, welke verband houden met arbeidsovereenkomsten en lopende huur-, leverings-, renting- en leasingcontracten. Alle schulden die geen verband houden met arbeidsovereenkomsten en lopende huur-, leverings-, renting- en leasingcontracten kunnen niet worden overgedragen.
  De opvolger neemt verplicht en tegen boekwaarde de kantoorinfrastructuur, zoals de lichamelijke roerende goederen, software, hardware, ICT over die toebehoort aan de gerechtsdeurwaarder die hij opvolgt. Onroerende goederen zijn uitgesloten.
  In voorkomend geval neemt de opvolger de kwaliteitsrekeningen over van de gerechtsdeurwaarder die hij opvolgt.
  § 2. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de overname van de lopende huur-, leverings, renting- en leasingcontracten en van de in § 1 bedoelde kantoorinfrastructuur en stelt de regels vast voor de mededeling aan de kandidaat-gerechtsdeurwaarders van de onder § 1 bedoelde verplichtingen en van de kantoorinfrastructuur en het bedrag van de vergoeding.
  Verplichtingen of kantoorinfrastructuur die niet opgenomen zijn in de in het eerste lid bedoelde mededeling, kunnen niet worden overgedragen.]1

  [2 § 3. De gerechtelijke mandaten die voorheen waren toegekend aan een gerechtsdeurwaarder die is overleden, ontslag heeft genomen, is geschorst of afgezet, of wiens benoeming nietig is verklaard, worden van rechtswege en zonder nieuwe aanstelling uitgevoerd door de gerechtsdeurwaarder die nieuw in zijn plaats wordt benoemd. In geval van aanstelling van een waarnemend gerechtsdeurwaarder overeenkomstig artikel 523, § 1, eerste lid, en paragraaf 2, oefent deze tijdelijk het gerechtelijk mandaat uit.
   De waarnemend of nieuw benoemde gerechtsdeurwaarder stelt de partijen en de rechtbank hiervan in kennis.
   In voorkomend geval kan de bevoegde rechtbank, op verzoek van de meest gerede partij en indien daartoe ernstige redenen bestaan, een andere gerechtsdeurwaarder aanstellen om de uitoefening van het gerechtelijk mandaat voort te zetten.]2

  
Art. 524. [1 § 1er. L'huissier de justice qui est nommé pour succéder à un huissier de justice décédé, destitué ou démissionnaire reprend de plein droit ces obligations de l'huissier de justice auquel il succède, pour autant qu'existent ou que soient maintenues ces obligations qui résultent des contrats de travail et des baux, des contrats de fourniture, de renting et de location-financement en cours. Toutes les dettes qui ne résultent pas des contrats de travail et des baux, des contrats de fourniture, de renting et de location-financement en cours ne peuvent pas être transférées.
  Le successeur reprend obligatoirement, à sa valeur comptable, l'infrastructure de l'étude, comme les biens meubles corporels, les logiciels, le matériel, les TIC qui appartient à l'huissier de justice auquel il succède. Les biens immobiliers sont exclus.
  Le cas échéant, le successeur reprend les comptes de qualité de l'huissier de justice auquel il succède.
  § 2. Le Roi précise les modalités relatives à la reprise des baux, des contrats de fourniture, de renting et de location-financement et de l'infrastructure de l'étude visée au § 1er et fixe les règles de la communication aux candidats-huissiers de justice des obligations visées au § 1er et de l'infrastructure de l'étude et du montant de l'indemnité.
  Les obligations ou l'infrastructure de l'étude qui ne sont pas reprises dans la communication visée à l'alinéa premier, ne peuvent pas être transférées.]1

  [2 § 3. Les mandats de justice dont était préalablement investi l'huissier de justice décédé, démissionnaire, suspendu, destitué ou dont la nomination a été annulée, sont exécutés de plein droit et sans désignation nouvelle, par l'huissier de justice nouvellement nommé à sa place. En cas de désignation d'un huissier faisant fonction conformément à l'article 523, § 1er, alinéa 1er et § 2, celui-ci exécute temporairement ledit mandat de justice.
   L'huissier de justice faisant fonction ou nouvellement nommé en informe les parties et le tribunal.
   Le cas échéant, le tribunal compétent peut, à la requête de la partie la plus diligente et s'il existe des motifs sérieux, désigner un autre huissier de justice pour poursuivre l'exercice du mandat de justice.]2

  
Art. 525. [1 In voorkomend geval worden, ter uitvoering van artikel 524, de minuten, repertoria, grossen, bewaargevingen, tenuitvoerleggingsdossiers en alle lopende opdrachten door de vervangen gerechtsdeurwaarder of zijn erfgenamen onverwijld overgedragen aan de in opvolging benoemde gerechtsdeurwaarder.
  De in opvolging benoemde gerechtsdeurwaarder is van rechtswege belast met de gerechtelijke opdrachten waartoe zijn voorganger bij rechterlijke beslissing werd aangesteld, onverminderd de bevoegdheid van de rechtbank om, op verzoek van een betrokken partij of de procureur des Konings, een andere gerechtsdeurwaarder aan te stellen.]1

  
Art. 525. [1 Le cas échéant, les minutes, les répertoires, les grosses, les dépôts, les dossiers d'exécution et toutes les missions en cours sont transmis immédiatement, en exécution de l'article 524, par l'huissier de justice remplacé ou par ses héritiers, à l'huissier de justice nommé en remplacement.
  L'huissier de justice nommé en remplacement est chargé de plein droit des missions judiciaires pour lesquelles son prédécesseur a été désigné par décision judiciaire, sans préjudice du pouvoir du tribunal de désigner un autre huissier de justice à la demande d'une partie concernée ou du procureur du Roi.]1

  
HOOFDSTUK VI. - [1 Plaatsvervanging]1
CHAPITRE VI. - [1 De la suppléance]1
Art. 526. [1 [2 Een gerechtsdeurwaarder kan zich laten vervangen door een plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder, gedurende een afgebakende periode van minimum een dag en maximum een maand, voor zover dat ze beiden voldoen aan de verplichting tot permanente vorming, overeenkomstig de regels die zijn vastgesteld krachtens artikel 555/1, § 1, eerste lid, 5°.]2
  Behoudens ingeval van overmacht, zijn de plaatsvervangingen door een plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder beperkt tot 180 kalenderdagen per jaar.]1

  
Art. 526. [1 [2 Un huissier de justice peut se faire remplacer par un huissier de justice suppléant, pendant une période déterminée de minimum un jour et maximum un mois, pour autant qu'ils remplissent tous les deux l'obligation de formation permanente, conformément aux règles établies en vertu de l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 5°.]2
  Sauf en cas de force majeur, les suppléances par un huissier de justice suppléant sont limitées au maximum à 180 jours civils par an.]1

  
Art. 527. [1 De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder dient voor te komen op het tableau van kandidaat-gerechtsdeurwaarders [2 ...]2. Hij mag zijn ambt slechts uitoefenen na de in artikel 517 bepaalde voorwaarden te hebben vervuld.
  Zolang hij plaatsvervanger is, heeft hij dezelfde rechten en prerogatieven, heeft hij dezelfde bevoegdheden en verplichtingen en is hij aan dezelfde tucht onderworpen als de gerechtsdeurwaarder die hij vervangt.]1

  
Art. 527. [1 L'huissier de justice suppléant doit figurer sur le tableau de candidats-huissiers de justice [2 ...]2. Il ne peut exercer sa fonction qu'après avoir rempli les conditions prévues à l'article 517.
  Pendant la période de sa suppléance, il jouit des mêmes droits et prérogatives, a les mêmes attributions, assume les mêmes obligations et est soumis à la même discipline que l'huissier de justice qu'il supplée.]1

  
Art. 528. [1 [2 ...]2
  Indien de gerechtsdeurwaarder nalaat of niet bij machte is de aanvraag om vervanging door een plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder te doen [2 ...]2 dan wordt het verzoek door de syndicus gedaan aan de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg die beslist op conclusie van het openbaar ministerie, de gerechtsdeurwaarder en zijn syndicus gehoord of opgeroepen.]1

  
Art. 528. [1 [2 ...]2
  Si l'huissier de justice néglige de présenter la demande de suppléance par un huissier de justice suppléant ou n'est pas en mesure de le faire, [2 ...]2 la demande est faite par le syndic au président du tribunal de première instance qui statue sur les conclusions du ministère public, l'huissier de justice et son syndic entendus ou appelés.]1

  
Art. 529. [1 § 1. [2 De gerechtsdeurwaarder bepaalt de duur van de plaatsvervanging. De gerechtsdeurwaarder of de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder kunnen de plaatsvervanging te allen tijde intrekken. De plaatsvervanging moet uiterlijk de dag vóór de betrokken dag van de plaatsvervanging worden ingetrokken.]2
  § 2. De gerechtsdeurwaarder en de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder noteren [2 uiterlijk de dag voor de plaatsvervanging]2 in een register ad hoc geopend op naam van de gerechtsdeurwaarder bij de Nationale Kamer de dagen waarop de gerechtsdeurwaarder vervangen wordt, [2 ...]2 evenals de identiteit van de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder die hem vervangt. [2 Dit register wordt op elektronische wijze bijgehouden.]2
  De Koning bepaalt de nadere regels voor de raadpleging van het register.]1

  [3 § 3. Het register bedoeld in paragraaf 2 wordt gelinkt aan het Centraal register van gedematerialiseerde authentieke akten van gerechtsdeurwaarders bedoeld in artikel 32quater/2. Deze link beoogt de automatische verificatie van de identiteit van de instrumenterende gerechtsdeurwaarder tijdens de periode van plaatsvervanging.]3
  

Modifications

Art. 529. [1 § [2 L'huissier de justice fixe le délai de la suppléance. L'huissier de justice ou l'huissier de justice suppléant peut, à tout moment, retirer la suppléance. Le retrait de la suppléance doit être effectué au plus tard la veille du jour de suppléance concerné.]2
  § 2. L'huissier de justice et l'huissier de justice suppléant consignent [2 au plus tard la veille de la suppléance]2, dans un registre ad-hoc ouvert au nom de l'huissier de justice auprès de la Chambre nationale, les jours où l'huissier de justice est remplacé [2 ...]2, de même que l'identité de l'huissier de justice suppléant qui assure le remplacement. [2 Ce registre est tenu de façon électronique.]2
  Le Roi définit les modalités de consultation du registre.]1

  [3 § 3. Le registre visé au paragraphe 2 est lié au Registre central des actes authentiques dématérialisés des huissiers de justice, visé à l'article 32quater/2. Ce lien vise à la vérification automatique de l'identité de l'huissier de justice instrumentant pendant la durée de la suppléance.]3
  

Modifications

Art. 530. [1 Op straffe van tuchtmaatregelen is het de vervangen gerechtsdeurwaarder verboden gedurende de vervangingstermijn zijn ambtelijke taken uit te oefenen.
  De plaatsvervanger die na het verstrijken van de gestelde termijn een handeling verricht welke tot het ambt van gerechtsdeurwaarder behoort, wordt gestraft met de in artikel 262 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
  Niet-naleving van deze verbodsbepalingen heeft geen nietigheid van de betrokken handeling tot gevolg.]1

  
Art. 530. [1 Sous peine de sanctions disciplinaires, il est interdit à l'huissier de justice suppléé d'exercer ses fonctions officielles pendant la durée de la suppléance.
  Le suppléant qui accomplit un acte relevant du ministère de l'huissier de justice après l'expiration du terme fixé, est passible des peines prévues à l'article 262 du Code pénal.
  L'inobservation de ces interdictions n'entraîne pas la nullité de l'acte concerné.]1

  
Art. 531. [1 De eed, door de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder afgelegd, blijft geldig voor alle latere vervangingsopdrachten.]1
  
Art. 531. [1 Le serment prêté par l'huissier de justice suppléant est valable pour toutes les suppléances ultérieures.]1
  
Art. 532. [1 De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder die benoemd wordt op grond van artikel 526 houdt gedurende de gehele vervangingstermijn de repertoria van de vervangen gerechtsdeurwaarder bij.
  De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder vermeldt op alle akten die hij ondertekent zijn hoedanigheid van plaatsvervanger en de naam van de gerechtsdeurwaarder die hij vervangt.]1

  
Art. 532. [1 L'huissier de justice suppléant nommé en vertu de l'article 526 tient à jour, pendant toute la durée de la suppléance, les répertoires de l'huissier de justice qu'il supplée.
  Dans tous les actes qu'il signe, l'huissier de justice suppléant mentionne sa qualité de suppléant et le nom de l'huissier de justice qu'il supplée.]1

  
Art. 532 TOEKOMSTIG RECHT.    [1 De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder [2 ...]2 houdt gedurende de gehele vervangingstermijn de repertoria van de vervangen gerechtsdeurwaarder bij.
  De plaatsvervangende gerechtsdeurwaarder vermeldt op alle akten die hij ondertekent zijn hoedanigheid van plaatsvervanger en de naam van de gerechtsdeurwaarder die hij vervangt.]1
Art. 532 DROIT FUTUR.    [1 L'huissier de justice suppléant [2 ...]2 tient à jour, pendant toute la durée de la suppléance, les répertoires de l'huissier de justice qu'il supplée.
  Dans tous les actes qu'il signe, l'huissier de justice suppléant mentionne sa qualité de suppléant et le nom de l'huissier de justice qu'il supplée.]1
HOOFDSTUK VII. - [1 Tucht]1
CHAPITRE VII. - [1 De la discipline]1
Afdeling I. - [1 Tuchtstraffen]1
Section Ire. - [1 Des peines disciplinaires]1
Art. 533. [1 § 1. Binnen de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt een auditoraat opgericht, belast met het onderzoek van klachten en aangiften die hem worden voorgelegd in toepassing van artikel 535, en de vervolging in tuchtzaken. Het auditoraat heeft een nationale bevoegdheid.
   § 2. Het auditoraat is samengesteld uit een Nederlandstalige en een Franstalige afdeling, elk bestaande uit drie leden die verkozen worden door de algemene vergadering overeenkomstig artikel 534. De leden dragen de titel van auditeur.
   Elke auditeur wordt volgens zijn taalrol verkozen om deel uit te maken van de ene of de andere afdeling. De taalrol wordt bepaald door de taal van het diploma of het getuigschrift.
   De auditeurs van elke afdeling houden standplaats in verschillende gerechtelijke arrondissementen. Een auditeur mag geen standplaats houden in het gerechtelijk arrondissement waar het lid aan wie een feit ten laste wordt gelegd, zijn kantoor heeft of de plaatsvervanging heeft verricht.
   De wijze waarop een auditeur wordt toegewezen aan een zaak en de mogelijke wrakingsprocedure worden bepaald in het huishoudelijk reglement van het auditoraat.
   § 3. De Franstalige afdeling is bevoegd voor het onderzoek en de vervolging in alle tuchtzaken die betrekking hebben op gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders ingeschreven op de Franse taalrol.
   De Nederlandstalige afdeling is bevoegd voor het onderzoek en de vervolging in alle tuchtzaken die betrekking hebben op gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders ingeschreven op de Nederlandse taalrol.
   De taalrol wordt bepaald door de taal van het diploma of het getuigschrift.
   § 4. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders staat in voor het secretariaat dat het auditoraat bijstaat. Dit secretariaat bewaart de archieven van het auditoraat.
   § 5. De werkingskosten van het auditoraat en zijn secretariaat worden gedragen door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.]1

  
Art. 533. [1 § 1er. Il est créé, au sein de la Chambre nationale des huissiers de justice, un auditorat chargé d'examiner les plaintes et les dénonciations qui lui sont soumises en application de l'article 535 et des poursuites en matière disciplinaire. L'auditorat a une compétence nationale.
   § 2. L'auditorat est composé d'une section francophone et d'une section néerlandophone, chacune composée de trois membres élus par l'assemblée générale conformément à l'article 534. Les membres portent le titre d'auditeur.
   Chaque auditeur est choisi en fonction de son rôle linguistique pour faire partie de l'une ou l'autre section. Le rôle linguistique est déterminé par la langue du diplôme ou du certificat.
   Les auditeurs de chaque section ont leur résidence dans des arrondissements judiciaires différents. Un auditeur ne peut pas avoir sa résidence dans l'arrondissement judiciaire dans lequel le membre mis en cause a son étude ou a effectué des suppléances.
   La manière suivant laquelle un auditeur est affecté à un dossier et la procédure de récusation éventuelle est déterminée dans le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat.
   § 3. La section francophone est compétente pour l'instruction et la poursuite de toutes les affaires disciplinaires concernant des huissiers de justice et des candidats-huissiers de justice inscrits au rôle linguistique francais.
   La section néerlandophone est compétente pour l'instruction et la poursuite de toutes les affaires disciplinaires concernant les huissiers de justice et les candidats-huissiers de justice inscrits au rôle linguistique néerlandais.
   Le rôle linguistique est déterminé par la langue du diplôme ou du certificat.
   § 4. La Chambre nationale des huissiers de justice assure le secrétariat qui assiste l'auditorat. Le secrétariat conserve les archives de l'auditorat.
   § 5. Les frais de fonctionnement de l'auditorat et de son secrétariat sont supportés par la Chambre nationale des huissiers de justice.]1

  
Afdeling II. - [1 Tuchtprocedure voor de tuchtcommisie]1
Section II. - [1 De la procédure en matière de discipline devant la commission disciplinaire]1
Art. 534. [1 § 1. De algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kiest de auditeurs voor een periode van drie jaar. Bij afloop van deze termijn, is het mandaat eenmaal onmiddellijk hernieuwbaar.
   § 2. De auditeur moet voldoen aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
   - sedert ten minste vijf jaar gerechtsdeurwaarder zijn;
   - noch in de vijf jaren die zijn verkiezing voorafgaan, noch in de loop van zijn mandaat het voorwerp hebben uitgemaakt van een in kracht van gewijsde getreden tuchtsanctie.
   Een mandaat in het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is onverenigbaar met het mandaat in het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders of een mandaat als assessor in de tuchtraad bedoeld in artikel 555/5bis, § 2.
   Het mandaat eindigt bij het verstrijken van de termijn of wanneer een onverenigbaarheid ontstaat als bedoeld in het tweede lid.
   Het directiecomité voorziet in de vervanging van de auditeur die tijdelijk of definitief verhinderd is om zijn mandaat uit te oefenen op de wijze bepaald in het huishoudelijk reglement van het auditoraat.
   Een auditeur en elke persoon of instantie betrokken in de tuchtprocedure is gehouden tot het beroepsgeheim en heeft een discretieplicht.]1

  
Art. 534. [1 § 1er. L'assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice élit les auditeurs pour une période de trois ans. A l'expiration de ce délai, le mandat peut être renouvelé immédiatement et une seule fois.
   § 2. L'auditeur doit remplir les conditions cumulatives suivantes:
   - avoir été huissier de justice pendant au moins cinq ans;
   - ne pas avoir fait l'objet d'une peine disciplinaire devenue définitive au cours des cinq années précédant son élection ni pendant son mandat.
   Un mandat au sein de l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice est incompatible avec un mandat au sein du comité de direction de la Chambre nationale des huissiers de justice ou un mandat d'assesseur au sein du conseil de discipline tel que prévu à l'article 555/5bis, § 2.
   Le mandat prend fin à l'expiration du terme ou en cas d'incompatibilité visée à l'alinéa 2.
   Le comité de direction pourvoit au remplacement de l'auditeur empêché temporairement ou définitivement de remplir son mandat selon les modalités prévues par le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat.
   L'auditeur et toute personne ou instance impliquée dans une procédure disciplinaire sont tenus au secret professionnel et à un devoir de discrétion.]1

  
Art. 535. [1 Het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is gelast met het onderzoek van klachten die op schriftelijke en gemotiveerde wijze door een derde of een lid van de beroepsgroep worden ingediend, en van schriftelijke aangiften. Een schriftelijke aangifte kan gebeuren door de procureur des Konings, de verslaggever van een arrondissementskamer ingevolge een beslissing van de raad, of de nationaal verslaggever ingevolge een beslissing van het directiecomité.
   Het auditoraat heeft tevens de bevoegdheid een klacht te seponeren en een minnelijke schikking voor te stellen die het onderzoek beëindigt.
   Het auditoraat is bevoegd de tuchtprocedure in te stellen bij de tuchtraad zoals bedoeld in artikel 555/5ter, § 1 met het oog op een veroordeling tot een tuchtstraf.
   De algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders stelt het huishoudelijk reglement van het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders vast. Dit reglement bevat nadere regels met betrekking tot de vervanging van de auditeurs, de werking en organisatie van het auditoraat en de wijze waarop een auditeur voor elk dossier wordt aangesteld. Om bindend te zijn, moet dit huishoudelijk reglement door de Koning goedgekeurd worden. Hij kan in voorkomend geval aanpassingen aanbrengen.
   De algemene vergadering van de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders duidt het digitaal kanaal aan voor kennisgevingen in de tuchtprocedure.
   Dit digitaal kanaal is toegankelijk voor de personen bedoeld in artikel 555/3, eerste en tweede lid, [1 het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders]1
, de procureur des Konings, de tuchtraad zoals bepaald in artikel 456 van het Gerechtelijk wetboek, het hof van beroep en het Hof van Cassatie. De bewaartermijn van de geregistreerde gegevens bedraagt tien jaar in hoofde van de beheerder van het digitaal kanaal. De bewaartermijn wordt zo nodig verlengd tot alle rechtsmiddelen van elke hangende tuchtprocedure waarop de gegevens betrekking hebben, uitgeput zijn.
   Het digitaal kanaal moet minstens beantwoorden aan de voorwaarden van het koninklijk besluit van 16 juni 2016 houdende de elektronische communicatie overeenkomstig artikel 32ter van het Gerechtelijk Wetboek, wat betreft de modaliteiten, de wijze en de voorwaarden van inrichting, het beheer, de organisatie en de raadpleging.]1
  
Art. 535. [1 L'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice est chargé d'examiner les plaintes introduites par écrit et de manière motivée par un tiers ou un membre de la profession, et sur les dénonciations écrites. Une dénonciation écrite peut être faite par le procureur du Roi, le rapporteur d'une chambre d'arrondissement en vertu d'une décision du conseil, ou le rapporteur national en vertu d'une décision du comité de direction.
   L'auditorat a également la compétence de classer sans suite une plainte et de proposer une transaction qui met fin à l'instruction.
   L'auditorat est compétent pour engager la procédure disciplinaire auprès du conseil de discipline tel que visé à l'article 555/5ter, § 1 en vue de la condamnation à une peine disciplinaire.
   L'assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice fixe le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice. Ce règlement contient des règles supplémentaires concernant le remplacement des auditeurs, le fonctionnement et l'organisation de l'auditorat ainsi que les modalités de désignation de l'auditeur pour chaque dossier. Pour être obligatoire ce règlement d'ordre intérieur doit être approuvé par le Roi. Il peut, le cas échéant, y apporter des modifications.
   L'assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice désigne le canal numérique pour les notifications en matière disciplinaire.
   Ce canal numérique est accessible aux personnes visées à l'article 555/3, alinéa 1 et 2, à [1 l'auditorat de la Chambre nationale des huissiers de justice]1
, au ministère public, au Conseil de discipline tel que défini à l'article 456 du Code judiciaire, à la Cour d'appel et à la Cour de cassation. La durée de conservation des données enregistrées est de dix ans dans le chef du gestionnaire du canal numérique. La durée de conservation est prolongée, si nécessaire, jusqu'à ce que tous les recours de toute procédure disciplinaire en cours à laquelle les données se rapportent aient été épuisés.
   Le canal numérique doit au moins remplir les conditions de l'arrêté royal du 16 juin 2016 portant création de la communication électronique conformément à l'article 32ter du Code judiciaire, en ce qui concerne les modalités, le mode et les conditions de création, la gestion, l'organisation et la consultation.]1
  
Art. 536. [1 Binnen de maand na ontvangst van de klacht of aangifte informeert de bevoegde auditeur op de wijze bepaald in het huishoudelijk reglement van het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, het lid waartegen de klacht of aangifte werd geuit en de verslaggever bij het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, en zendt hen de stukken in zijn bezit over.
   De betrokkene kan zijn opmerkingen schriftelijk aanvoeren binnen de maand volgend op het overzenden van het dossier.]1

  
Art. 536. [1 Dans un délai d'un mois à compter de la réception de la plainte ou de la dénonciation, l'auditeur compétent informe, selon les modalités prévues par le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice, le membre contre lequel la plainte ou la dénonciation a été dirigée et le rapporteur au comité de direction de la Chambre nationale des huissiers de justice, et leur transmet les pièces en sa possession.
   L'intéressé peut présenter ses observations par écrit dans le mois qui suit la date de transmission du dossier.]1

  
Art. 537. [1 § 1. De bevoegde auditeur onderzoekt het hem onderworpen dossier en stelt binnen een termijn van drie maanden een verslag op.
   Deze termijn begint te lopen op het moment waarop de betrokkene zijn opmerkingen heeft overgezonden overeenkomstig artikel 536, tweede lid, of wanneer de daarin vermelde termijn is afgelopen. In geval van bijzondere omstandigheden, wanneer de auditeur verzoekt om bijkomende stukken of wanneer hij beroep doet op de adviesmogelijkheid bedoeld in paragraaf 3, is de termijn verlengbaar met een maand. Hij motiveert deze verlenging in zijn verslag.
   § 2. Hij kan de partijen verzoeken om bijkomende stukken of toelichting indien dit nodig is om een dienstig verslag op te stellen.
   § 3. De auditeur kan, op eenvoudig verzoek en in elk stadium van het onderzoek, het gemotiveerd advies vragen aan:
   - een collega-auditeur;
   - het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders;
   - de raad van de arrondissementskamer waarvan de betrokken gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder lid is of op wiens grondgebied het ten laste gelegde feit zich voordeed;
   - een lid van het beroep of een externe persoon in zijn hoedanigheid als deskundige.
   Dit advies is niet bindend en wordt schriftelijk binnen een door hem vooropgestelde termijn overgezonden aan de auditeur.
   De resultaten van de verkregen adviezen, evenals de mogelijke bijkomende stukken bedoeld in het tweede lid, worden onverwijld en op de wijze bepaald in het huishoudelijk reglement van het auditoraat, door de auditeur overgezonden aan de betrokkene. Binnen vijf dagen na deze kennisgeving kan de betrokkene aan de auditeur bijkomende opmerkingen overzenden.
   § 4. De auditeur kan in elk stadium van het onderzoek aan de partijen voorstellen om een minnelijk akkoord te sluiten dat een einde maakt aan de onderzoeksprocedure. Dit kan enkel in geval van een klacht.
   Indien een akkoord tussen de partijen wordt bereikt, stelt de auditeur dit op schrift, en bezorgt hij een getekend afschrift hiervan aan elke betrokken partij op de door het huishoudelijk reglement van het auditoraat bepaalde wijze.]1

  
Art. 537. [1 § 1er. L'auditeur compétent examine le dossier qui lui est soumis et établit un rapport dans un délai de trois mois.
   Ce délai commence à courir au moment où l'intéressé a transmis ses observations conformément à l'article 536, alinéa 2, ou lorsque le délai qui y est mentionné a expiré. En cas de circonstances particulières, lorsque l'auditeur demande des pièces complémentaires ou lorsqu'il fait appel à la possibilité consultative comme visée au paragraphe 3, le délai peut être prolongé d'un mois. Il justifie cette prolongation dans son rapport.
   § 2. Il peut demander aux parties des documents ou des explications complémentaires si cela est nécessaire à l'établissement d'un rapport utile.
   § 3. L'auditeur peut, sur simple demande, et à tout moment de l'enquête, solliciter l'avis motivé:
   - d'un collègue-auditeur;
   - du comité de direction de la Chambre nationale des huissiers de justice;
   - du conseil de la chambre de l'arrondissement dont l'huissier de justice ou le candidat-huissier de justice concerné est membre ou sur le territoire duquel l'infraction s'est produite;
   - d'un membre de la profession ou d'une personne externe en sa qualité d'expert.
   Cet avis n'est pas contraignant et doit être transmis par écrit à l'auditeur dans le délai fixé par lui.
   Les résultats des avis obtenus, ainsi que les éventuelles pièces complémentaires visées à l'alinéa 2, sont communiquées sans délai par l'auditeur à l'intéressé et selon les modalités prévues par le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat. Dans les cinq jours de cette notification, l'intéressé peut soumettre des observations complémentaires à l'auditeur.
   § 4. A tout moment de l'instruction, l'auditeur peut proposer aux parties de parvenir à un règlement amiable qui mettrait fin à la procédure d'enquête. Cela n'est possible que dans le cas d'une plainte.
   Si un accord est conclu entre les parties, l'auditeur le met par écrit et en remet un exemplaire signé à chaque partie concernée, selon les modalités prévues par le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat.]1

  
Art. 538. [1 § 1. Indien het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders na onderzoek van het dossier oordeelt dat het feit aanleiding geeft tot een tuchtvervolging, bepaalt het de vordering en leidt het de tuchtprocedure voor de tuchtraad in zoals bepaald in artikel 555/5bis.
   Het auditoraat zendt hiertoe het verslag over, waarvan het model bepaald wordt in het huishoudelijk reglement van het auditoraat, en waarin het een tuchtstraf vordert.
   § 2. Het auditoraat kan na onderzoek van het dossier oordelen om niet tot vervolging over te gaan.
   § 3. Het auditoraat kan aan de betrokkene een voorstel tot minnelijke schikking doen. Indien de betrokkene dit voorstel aanvaardt en binnen de maand betaalt, neemt de onderzoeksprocedure een einde en maakt de auditeur hiervan verslag op.
   Een minnelijke schikking kan slechts tweemaal worden toegestaan over een periode van vijf jaar. Een minnelijke schikking is niet mogelijk als de procedure het gevolg is van een klacht of een aangifte van de procureur des Konings.
   Het auditoraat houdt een register bij van minnelijke schikkingen dat verplicht moet worden geraadpleegd door een auditeur telkens hem een dossier wordt toegewezen.
   Het bijhouden van het register van minnelijke schikkingen is noodzakelijk om na te gaan of een minnelijke schikking kan worden voorgesteld zonder in strijd te zijn met de wettelijke beperking van het maximum aantal minnelijke schikkingen bedoeld in het tweede lid.
   Het register van minnelijke schikkingen bevat volgende gegevens:
   - naam, voornaam en uniek beroepsidentificatienummer van het betrokken lid;
   - datum van voorstel van minnelijke schikking;
   - datum van aanvaarding van minnelijke schikking;
   - datum van betaling van minnelijke schikking.
   De Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders in de schoot waarvan het auditoraat is opgericht, is de beheerder en de verantwoordelijke voor de gegevensverwerking in de zin van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) voor het bestand bedoeld in het derde lid.
   De gegevens worden bewaard voor een termijn van vijf jaar vanaf de datum van betaling van de minnelijke schikking, met het oog op de verificatie van de bepalingen van het tweede lid.
   Een minnelijke schikking wordt geïnd ten behoeve van de Schatkist.
   Met het oog op de invordering van de minnelijke schikking door de algemene administratie van de inning en de invordering van de Federale Overheidsdienst Financiën, levert de Nationale Kamer aan het auditoraat het identificatienummer van het rijksregister van de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, gerechtsdeurwaarders en plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders en de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1° en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.
   Het auditoraat gebruikt het identificatienummer van het Rijksregister uitsluitend voor de nauwkeurige identificatie van de betrokkene binnen zijn tuchtdossier gedurende de tijd die strikt noodzakelijk is voor dit doel en voor de mededeling aan de betrokken administratie.
   § 4. Via zijn secretariaat deelt het auditoraat zijn beslissing mee aan de betrokkene, en aan de klager in geval van een klacht, en in geval van een schriftelijke aangifte, aan de partij die de aangifte deed, en aan de verslaggever bij het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   § 5. Indien de termijn bedoeld in artikel 537, § 1, wordt overschreden, wordt de klager of de partij die de schriftelijke aangifte deed, hiervan door het secretariaat van het auditoraat in kennis gesteld. Hij beschikt over een termijn van vijftien dagen om het secretariaat per aangetekende zending te verzoeken een andere auditeur te gelasten met de zaak.
   § 6. Indien het tuchtrechtelijk onderzoek het gevolg was van een schriftelijke aangifte en het auditoraat oordeelt dat er geen aanleiding bestaat tot vervolging, is de partij die de aangifte deed, bevoegd om een tuchtprocedure in te stellen voor de tuchtraad bedoeld in artikel 555/5ter, § 1.
   De partij die de schriftelijke aangifte deed, informeert in dat geval bij aangetekende zending het auditoraat en de betrokkene binnen een termijn van vijftien dagen na kennisgeving van de beslissing overeenkomstig paragraaf 4.
   Een afschrift van dit schrijven wordt overgezonden aan de syndicus van de raad van de arrondissementskamer waar de betrokkene toe behoort in geval de aangifte werd gedaan door de procureur des Konings of het directiecomité van de Nationale Kamer, en aan de verslaggever van het directiecomité van de Nationale Kamer indien de aangifte werd gedaan door een raad van een arrondissementskamer of de procureur des Konings.
   § 7. Alle kennisgevingen en verwijzingen bepaald in dit artikel, evenals de modaliteiten van de procedure bedoeld in paragraaf 4, worden geregeld door het huishoudelijk reglement van het auditoraat.]1

  
Art. 538. [1 § 1er. Si, après examen du dossier, l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice estime que le fait donne lieu à une poursuite disciplinaire, il détermine l'action et engage une procédure disciplinaire devant le conseil de discipline comme prévu à l'article 555/5bis.
   L'auditorat transmet à cet effet le rapport, dont le modèle est déterminé par le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat, et il requiert une peine disciplinaire.
   § 2. L'auditorat peut décider de ne pas poursuivre après examen du dossier.
   § 3. L'auditorat peut proposer une transaction à l'intéressé. Si ce dernier accepte cette proposition et paie endéans le mois, la procédure d'instruction prend fin et l'auditeur en établit rapport.
   Une transaction ne peut être autorisée que deux fois sur une période de cinq ans. Une transaction n'est pas possible si la procédure résulte d'une plainte ou d'une dénonciation du procureur du Roi.
   L'auditorat tient un registre des transactions qui doit obligatoirement être consulté par un auditeur chaque fois qu'un dossier lui est confié.
   La tenue du registre des transactions est nécessaire afin de vérifier si une transaction peut être proposée sans contrevenir à la limitation légale du nombre maximal de transactions visée à l'alinéa 2.
   Le registre des transactions contient les données suivantes:
   - nom, prénom et numéro d'identification professionel unique du membre concerné;
   - date de la proposition de transaction;
   - date d'acceptation de la transaction;
   - date de paiement de la transaction.
   La Chambre nationale des huissiers de justice au sein de laquelle l'auditorat est constituée, est le gestionnaire et le responsable du traitement des données au sens du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données) pour le fichier visé à l'alinéa 3.
   Les données sont conservées pendant une période de cinq ans à compter de la date de paiement de la transaction, en vue de vérifier les dispositions de l'alinéa 2.
   Une transaction est perçue au profit du Trésor.
   En vue du recouvrement du montant de la transaction par l'administration générale de la perception et du recouvrement du Service public fédéral Finances, la Chambre nationale fournit à l'auditorat le numéro d'identification du registre national des candidats-huissiers de justice, huissiers de justice, huissiers de justice suppléants et les données visées à l'article 3, alinéa 1er, 1° et alinéa 2 de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques.
   L'auditorat utilise le numéro d'identification du registre national exclusivement pour identifier avec précision la personne concernée au sein de son dossier disciplinaire pendant la durée strictement nécessaire à cet effet et pour être communiqué à l'administration concernée.
   § 4. Par le biais de son secrétariat, l'auditorat communique sa décision à l'intéressé, et au plaignant en cas de plainte et en cas de dénonciation écrite, à la partie auteure de la dénonciation et au rapporteur du comité de direction de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   § 5. Si le délai visé à l'article 537, § 1er, est dépassé, le plaignant ou la partie auteure de la dénonciation écrite en est informé par le secrétariat de l'auditorat. Il dispose d'un délai de quinze jours pour demander au secrétariat, par envoi recommandé, de charger un autre auditeur de l'affaire.
   § 6. Si l'instruction disciplinaire résulte d'une dénonciation écrite et que l'auditorat décide qu'il n'y a pas lieu de poursuivre, la partie qui a fait la dénonciation est compétente pour engager une procédure disciplinaire devant le conseil de discipline visé à l'article 555/5ter, § 1er.
   Dans ce cas, la partie auteure de la dénonciation informe par envoi recommandé l'auditorat et l'intéressé concerné dans les quinze jours à compter de la notification de la décision conformément au paragraphe 4.
   Une copie de cette lettre est adressée au syndic du conseil de la chambre d'arrondissement dont dépend l'intéressé si la dénonciation émane du procureur du Roi ou du comité de direction de la Chambre nationale, et au rapporteur du comité de direction de la Chambre nationale si la dénonciation émane d'un conseil d'une chambre d'arrondissement ou du procureur du Roi.
   § 7. Toutes les notifications et références prévues au présent article, ainsi que les modalités de la procédure visée au paragraphe 4, sont régies par le règlement d'ordre intérieur de l'auditorat.]1

  
Afdeling III.
Section III.
Afdeling IV.
Section IV.
HOOFDSTUK VIII. - [1 Arrondissementskamers van gerechtsdeurwaarders]1
CHAPITRE VIII. - [1 Des chambres d'arrondissement des huissiers de justice]1
Art. 549. [1 § 1. [2 In elk arrondissement is er een arrondissementskamer met zetel in de hoofdplaats van het arrondissement. Zij bestaat uit de gerechtsdeurwaarders van het arrondissement en de kandidaat-gerechtdeurwaarders die voornamelijk werkzaam zijn in dat arrondissement. Zij bezit rechtspersoonlijkheid.]2
  Er is evenwel een enkel gemeenschappelijke arrondissementskamer voor Verviers en Eupen. Zij draagt de benaming "kamer voor Verviers en Eupen" en is gevestigd te Verviers. Zij bestaat uit de gerechtsdeurwaarders en de kandidaat-gerechtsdeurwaarders van het arrondissement Eupen en de kantons van [3 Limburg]3, [4 ]4, [2 [3 en in de twee kantons Verviers]3]2. Zij bezit rechtspersoonlijkheid. Voor de toepassing van § 2 wordt hun aantal gerechtsdeurwaarders samen vastgesteld.
  § 2. [2 "De arrondissementskamer wordt beheerd door een raad, waarvan het aantal leden vastgesteld is op :
   1° negen in de arrondissementen met meer dan vijftig gerechtsdeurwaarders;
   2° zeven in de arrondissementen met dertig tot vijftig gerechtsdeurwaarders;
   3° vijf in de arrondissementen met tien tot dertig gerechtsdeurwaarders;
   4° vier in de arrondissementen met vijf tot tien gerechtsdeurwaarders;
   5° één eenheid minder dan het totaal van het aantal gerechtsdeurwaarders voorzien in het arrondissement indien er dat vier of minder zijn.]2
]1

  
Art. 549. [1 § 1er. [2 Il y a dans chaque arrondissement une chambre d'arrondissement qui a son siège au chef-lieu d'arrondissement. Elle est composée des huissiers de justice de l'arrondissement et des candidats-huissiers de justice qui exercent principalement leurs activités dans cet arrondissement. Elle possède la personnalité juridique.]2
  Il n'y a toutefois qu'une chambre d'arrondissement commune à Verviers et Eupen. Elle porte le titre de "chambre de Verviers et d'Eupen", et a son siège à Verviers. Elle est composée des huissiers de justice et des candidats-huissiers de justice de l'arrondissement d'Eupen et des cantons de [3 Limbourg]3, [4 Spa]4 [2 [3 et des deux cantons de Verviers]3]2. Elle possède la personnalité juridique. Pour l'application du § 2, leur nombre d'huissiers de justice est commun.
  § 2. [2 La chambre d'arrondissement est administrée par un conseil, dont le nombre de membres est fixé à :
   1° neuf, dans les arrondissements de plus de cinquante huissiers de justice;
   2° sept, dans les arrondissements où le nombre des huissiers de justice est de trente à cinquante;
   3° cinq, dans les arrondissements où il y a plus de dix et moins de trente huissiers de justice;
   4° quatre, dans les arrondissements où le nombre des huissiers de justice est de cinq à dix;
   5° une unité de moins que le total du nombre des huissiers de justice prévu dans l'arrondissement lorsque ce nombre est de quatre ou moins.]2
]1

  
Art. 550. [1 De algemene vergadering van de arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders heeft tot taak :
  1° uit haar midden een raad te verkiezen;
  2° jaarlijks de begroting vast te stellen en de door de raad voorgelegde rekeningen goed te keuren;
  3° jaarlijks de bijdrage ten laste van de leden van de kamer vast te stellen;
  4° een huishoudelijk reglement op te stellen en de praktische regels betreffende de beroepsuitoefening uit te vaardigen die door haar leden moeten worden nageleefd. Zij mag hierbij geen afbreuk doen aan de bevoegdheid van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
  De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden.]1

  
Art. 550. [1 L'assemblée générale de la chambre d'arrondissement des huissiers de justice a pour mission :
  1° d'élire en son sein un conseil;
  2° de fixer chaque année le budget et d'approuver les comptes qui lui sont soumis par le conseil;
  3° d'établir chaque année la cotisation à charge des membres de la chambre;
  4° de rédiger un règlement d'ordre intérieur et d'édicter les règles pratiques en matière professionnelle qui doivent être respectées impérativement par ses membres. A cet égard, elle ne peut pas porter préjudice à la compétence de la Chambre nationale des huissiers de justice.
  Les décisions sont prises à la majorité absolue des membres présents.]1

  
Art. 551. [1 § 1. De leden van de raad van de arrondissementskamer worden [2 om de twee jaar]2 gekozen door de algemene vergadering, die wordt bijeengeroepen en voorgezeten door de syndicus.
  § 2. De raad van de arrondissementskamer bestaat uit de syndicus, de verslaggever, de penningmeester, de secretaris en de gewone raadsleden, binnen de grenzen van artikel 549, § 2. De syndicus, de verslaggever, de penningmeester en de secretaris worden gekozen uit de leden-gerechtsdeurwaarders. De overige raadsleden worden gekozen uit alle leden van de algemene vergadering, waarbij minstens één raadslid een kandidaat-gerechtsdeurwaarder dient te zijn, en de kandidaat-gerechtsdeurwaarders de meerderheid van de raadsleden niet mogen uitmaken.
  Wanneer het aantal leden van de arrondissementskamer minder dan vier bedraagt, mogen de functies van secretaris en penningmeester gecumuleerd worden.
  § 3. De verkiezing van de leden van de raad van de arrondissementskamer geschiedt bij geheime stemming. Zij heeft [2 om de twee jaar]2 plaats in de maand juni.
  Eerst wordt de raad samengesteld, zonder toewijzing van de functies.
  Nadien worden bijzondere stemmingen gehouden voor de verkiezing van de syndicus, de verslaggever, de secretaris en de penningmeester.
  Indien bij de eerste stemming geen kandidaat de meerderheid der stemmen van de aanwezige leden behaalt, wordt herstemd tussen de twee kandidaten die de meeste stemmen behaalden; bij staking van stemmen wordt de voorkeur gegeven aan de kandidaat met de meeste anciënniteit naar benoeming.
  Alle verkiezingen geschieden bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden.
  § 4. De leden van de raad treden in functie op 1 september [2 in het jaar van hun verkiezing]2.
  Aftredende leden kunnen worden herkozen, zonder dat een lid langer dan [2 vier]2 jaar ononderbroken in de raad kan zitting hebben.
  § 5. De raad vergadert ten minste eenmaal per maand, op bijeenroeping door de syndicus.
  De syndicus roept een buitengewone vergadering bijeen als hij dit geraden acht of op een met redenen omkleed verzoek van twee andere leden, of op verzoek van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg of de procureur des Konings.]1

  
Art. 551. [1 § 1er. Les membres du conseil de la chambre d'arrondissement sont élus [2 tous les deux ans]2 par l'assemblée générale convoquée et présidée par le syndic.
  § 2. Le conseil de la chambre d'arrondissement est composé du syndic, du rapporteur, du trésorier, du secrétaire et des membres du conseil ordinaires, dans les limites de l'article 549, § 2. Le syndic, le rapporteur, le trésorier et le secrétaire sont élus parmi les membres-huissiers de justice. Les autres membres du conseil sont élus parmi tous les membres de l'assemblée générale, étant entendu qu'au moins un membre du conseil doit être un candidat-huissier de justice, et que les candidats-huissiers de justice ne peuvent pas former la majorité des membres du conseil.
  Lorsque le nombre des membres de la chambre d'arrondissement est inférieur à quatre, les fonctions de secrétaire et de trésorier peuvent être cumulées.
  § 3. L'élection des membres du conseil de la chambre d'arrondissement se fait au scrutin secret. Elle a lieu [2 tous les deux ans]2, dans le courant du mois de juin.
  Il est d'abord procédé à la constitution du conseil, sans attribution des fonctions.
  Ensuite, il est procédé par scrutins particuliers à l'élection du syndic, du rapporteur, du secrétaire et du trésorier.
  Si, au premier tour de scrutin, aucun candidat ne réunit la majorité des voix des membres présents, on procède à un nouveau scrutin entre les deux candidats qui ont obtenu le plus de voix; en cas de parité des suffrages, le candidat le plus ancien de nomination est préféré.
  Toutes les élections se font à la majorité absolue des voix des membres présents.
  § 4. Les membres du conseil entrent en fonction le 1er septembre [2 de l'année de leur élection]2.
  Les membres sortants peuvent être réélus, sans qu'un membre puisse siéger plus de [2 quatre]2 ans sans interruption au conseil.
  § 5. Le conseil se réunit au moins une fois par mois, sur convocation du syndic.
  Une assemblée extraordinaire est convoquée par le syndic quand il le juge convenable, à la demande motivée de deux autres membres, ou à la demande du président du tribunal de première instance ou du procureur du Roi.]1

  
Art. 552. [1 § 1. De raad van de arrondissementskamer heeft tot opdracht :
  1° de orde [6 ...]6 onder de gerechtsdeurwaarders [6 kandidaat-gerechtsdeurwaarders]6 van het arrondissement te handhaven en de toepassing van de hen betreffende wetten, besluiten en verordeningen te verzekeren;
  2° [6 het voorkomen van klachten van derden tegen leden van de arrondissementskamer in verband met de uitoefening van hun beroep of te verzoenen;]6
  3° [6 gemotiveerde schriftelijke aangifte van feiten waartoe de raad met meerderheid van stemmen heeft besloten, via de verslaggever door te verwijzen naar het auditoraat van de tuchtraad. De raad is bevoegd om de tuchtprocedure in te stellen in de hypothese bedoeld in artikel 538, § 6;]6
  4° [6 via de verslaggever gevolg te geven aan verzoeken om bemiddeling in het kader van geschillen die rijzen tussen leden van de betreffende arrondissementskamer onderling;]6
  5° toezicht te houden op de correcte toepassing van het tarief, de boekhouding, de kwaliteitsrekeningen van de kantoren en van de doorstorting van derdengelden;
  6° gelijklopend met de Nationale Kamer, toezicht te houden op de correcte toepassing van het systeem van de plaatsvervangingen door haar leden;
  7° advies te geven over betwistingen in verband met de vereffening van het honorarium en de kosten van de leden van de kamer;
  8° [3 ...]3;
  9° telkens wanneer dit van hem wordt gevorderd door de hoven en rechtbanken, door de procureur-generaal of door de procureur des Konings, advies uit te brengen, met name over alle geschillen die kunnen rijzen hetzij tussen gerechtsdeurwaarders, hetzij tussen hen en hun opdrachtgevers, en over alle klachten of bezwaren betreffende fouten of nalatigheden begaan door gerechtsdeurwaarders of plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders in de uitoefening van hun functies;
  10° de door de algemene vergadering bij stemming vastgestelde bijdragen te innen bij haar leden, desnoods door middel van een in artikel [2 554]2 bedoeld dwangschrift;
  11° de gelden van de kamer te beheren en er, met haar instemming, over te beschikken als solidariteitsfonds ten behoeve van gerechtsdeurwaarders of ere-gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaarders, hun weduwen of weduwnaars en wezen;
  12° de veilingzaal van de gerechtsdeurwaarders te beheren of daarop toezicht te houden en de straal te bepalen waarbinnen het gebruik van deze zaal verplicht is;
  13° de beslissingen van de algemene vergadering van de arrondissementskamer uit te voeren;
  14° de kamer zowel in rechte als in de openbare als in de private sfeer te vertegenwoordigen in alle aangelegenheden die betrekking hebben op de gemeenschappelijke rechten en belangen van de leden ten aanzien van alle overheden en instellingen.
  § 2. De raad houdt een tableau bij voor iedere categorie van leden van de arrondissementskamer. Dit tableau wordt tevens op elektronische wijze bijgehouden bij de Nationale Kamer [4 overeenkomstig artikel 555/1, § 1, eerste lid, 15°.]4
  Iedere wijziging van het tableau wordt onverwijld aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders meegedeeld. Deze stelt de minister van Justitie daarvan binnen vijftien dagen in kennis.]1

  
Art. 552. [1 § 1er. Le conseil de la chambre d'arrondissement est chargé :
  1° de veiller au maintien de l'ordre [6 ...]6 parmi les huissiers de justice [5 , les [6 candidats-huissiers de justice]6]5 de l'arrondissement, ainsi qu'à l'exécution des lois, décrets et règlements les concernant;
  2° [6 de prévenir les plaintes de tiers contre les membres de la chambre d'arrondissement dans le cadre de l'exercice de leur profession ou les concilier;]6
  3° [6 de transmettre à l'auditorat du conseil de discipline, par l'intermédiaire du rapporteur, les dénonciations écrites motivées des faits décidés par le conseil à la majorité des voix. Le conseil est l'instance habilité à engager la procédure disciplinaire dans l'hypothèse visée à l'article 538, § 6;]6
  4° [6 de donner suite, par l'intermédiaire du rapporteur, aux demandes de médiation dans les litiges survenant entre les membres de la chambre d'arrondissement concernée;]6
  5° d'assurer le contrôle de l'application correcte du tarif, de la comptabilité, des comptes rubriqués des études et du virement des fonds de tiers;
  6° de contrôler, en parallèle avec avec la Chambre nationale, l'application correcte du système des suppléances par ses membres;
  7° de donner son avis sur les contestations concernant le règlement des honoraires et les frais des membres de la chambre;
  8° [3 ...]3;
  9° de donner son avis toutes les fois qu'il en sera requis par les cours et les tribunaux, par le procureur général ou par le procureur du Roi, notamment au sujet de tous différends qui peuvent s'élever, soit entre des huissiers de justice, soit entre ceux-ci et leurs mandants, ou de toutes plaintes ou réclamations concernant des fautes ou négligences commises par des huissiers de justice ou des huissiers de justice suppléants dans l'exercice de leurs fonctions;
  10° de percevoir auprès de ses membres les cotisations votées par l'assemblée générale, au besoin par la voie d'une contrainte, visée à l'article [2 554]2;
  11° de gérer les fonds de la chambre et, de l'accord de celle-ci, d'en disposer comme fonds de solidarité au profit d'huissiers de justice ou d'huissiers de justice honoraires, de candidats-huissiers de justice, de leurs veuves ou veufs et orphelins;
  12° de gérer ou contrôler la salle de vente des huissiers de justice et de fixer le rayon dans lequel l'utilisation de cette salle est obligatoire;
  13° d'exécuter les décisions de l'assemblée générale de la chambre d'arrondissement;
  14° de représenter la chambre dans toutes les affaires qui concernent les droits et les intérêts communs de ses membres à l'égard de tout pouvoir et institution, tant en justice que dans les sphères publique et privée.
  § 2. Le conseil tient à jour un tableau pour chacune des catégories de membres de la chambre d'arrondissement. Ce tableau est également tenu à jour électroniquement auprès de la Chambre nationale [4 conformément à l'article 555/1, § 1er, alinéa 1er, 15°]4.
  Chaque modification du tableau est communiquée, immédiatement, à la Chambre nationale des huissiers de justice. Celle-ci en avise le ministre de la Justice dans les quinze jours.]1

  
Art. 553. [1 § 1. De syndicus zit de raad voor en handhaaft er de orde in.
  Hij stelt de te behandelen onderwerpen voor, verricht de stemopneming en maakt de uitslag bekend.
  Hij leidt alle vorderingen en vervolgingen welke door de raad dienen ingesteld te worden en handelt in alle gevallen in zijn naam, overeenkomstig hetgeen deze heeft beslist.
  Hij alleen is gerechtigd om, in naam van de arrondissementskamer en de raad, briefwisseling te voeren met de voorzitter van de rechtbanken, met de procureur-generaal en met de procureur des Konings, tenzij er, wegens verhindering, aan de verslaggever opdracht is verleend.
  § 2. [4 De verslaggever neemt kennis van de verzoeken om bemiddeling in het kader van geschillen die rijzen tussen leden van de betreffende arrondissementskamer onderling.]4
  [4 Hij verwijst de personen die een klacht wensen in te dienen tegen een lid van de arrondissementskamer door naar het auditoraat van de tuchtraad, evenals de aangifte van feiten waartoe de raad met meerderheid van stemmen heeft besloten.]4
  Hij vervangt de syndicus wanneer deze afwezig of verhinderd is.
  In de gevallen waarin het onmogelijk blijkt te [4 voldoen aan de in het eerste, tweede en derde lid bedoelde bepalingen]4 wordt de verslaggever vervangen door de adjunct-verslaggever. Deze heeft dan dezelfde bevoegdheden als de verslaggever. Hij wordt jaarlijks verkozen door de algemene vergadering. Hij mag geen lid zijn van de raad van de arrondissementskamer.
  § 3. De secretaris stelt de beslissingen van de raad op schrift.
  Deze beslissingen worden gebundeld in een door de syndicus genummerd en geparafeerd register en door al de medebeslissende leden ondertekend.
  De secretaris bewaart het archief. Hij geeft door hem ondertekende uitgiften af.
  § 4. De personen die moeten gehoord worden of dit vragen met betrekking tot bezwaarschriften of klachten, die aan de raad van de arrondissementskamer zijn gericht, worden door de verslaggever opgeroepen bij een aangetekende zending waarin de reden van de oproeping wordt vermeld. De oproeping geschiedt met een termijn van acht dagen. Partijen mogen zich uit eigen beweging, zonder voorafgaande oproeping, ter vergadering van de raad aanmelden, na de syndicus daarvan ten minste drie werkdagen vóór de vergadering verwittigd te hebben.
  § 5. De raad kan over geen enkele aangelegenheid een beslissing nemen of een advies uitbrengen dan na de verslaggever te hebben gehoord.
  Hij kan slechts op geldige wijze beslissen wanneer ten minste twee derden van zijn leden aan de stemming deelnemen [3 of, voor het uitbrengen van het advies overeenkomstig artikel 515, § 2, eerste lid, 2°, ten minste de helft van hen]3.
  De beslissingen worden genomen bij volstrekte meerderheid van stemmen. Bij staking van stemmen beslist de stem van de syndicus.
  § 6. De raad legt de registers met zijn beslissingen en alle overige in zijn archief berustende stukken voor aan de procureur-generaal of aan de procureur des Konings, telkens als zij erom verzoeken.]1

  
Art. 553. [1 § 1er. Le syndic préside le conseil et exerce la police de celui-ci.
  Il propose les sujets de délibération, procède au dépouillement des voix et prononce le résultat.
  Il dirige toutes actions et poursuites à exercer par le conseil et agit dans tous les cas en son nom, conformément à ce que celui-ci a délibéré.
  Il est le seul habilité à correspondre, au nom de la chambre d'arrondissement et du conseil, avec le président des tribunaux, le procureur général et le procureur du Roi, sauf si délégation en a été donnée au rapporteur pour cause d'empêchement.
  § 2. [4 Le rapporteur prend connaissance des demandes de médiation dans les litiges survenant entre les membres de la chambre d'arrondissement concernée.]4
  [4 Il renvoie les personnes qui souhaitent déposer une plainte contre un membre de la chambre de l'arrondissement à l'auditorat du conseil de discipline, ainsi que la dénonciation des faits décidés par le conseil à la majorité des voix.]4
  Il remplace le syndic lorsque celui-ci est absent ou empêché.
  Dans les cas où il s'avère impossible de satisfaire aux [4 dispositions visées aux alinéas 1er, 2 et 3]4, le rapporteur est remplacé par le rapporteur adjoint. Celui-ci a dans ce cas les mêmes attributions que le rapporteur. Il est élu chaque année par l'assemblée générale. Il ne peut pas être membre du conseil de la chambre d'arrondissement.
  § 3. Le secrétaire rédige les délibérations du conseil.
  Ces délibérations sont consignées dans un registre coté et paraphé par le syndic et sont signées par tous les membres qui y ont concouru.
  Le secrétaire est le gardien des archives. Il délivre des expéditions sous sa signature.
  § 4. Les personnes qui doivent être entendues ou qui demandent à être entendues à propos de réclamations ou de plaintes adressées au conseil de la chambre d'arrondissement sont convoquées par le rapporteur par envoi recommandé qui mentionne le motif de la convocation. La convocation est fixée à huitaine. Les parties peuvent se présenter aux séances du conseil volontairement et sans avoir été convoquées, après en avoir averti le syndic au moins trois jours ouvrables avant la séance.
  § 5. Le conseil ne peut prendre de décision, ni émettre d'avis sur aucune affaire, qu'après avoir entendu le rapporteur.
  Il ne peut délibérer valablement que si au moins les deux tiers de ses membres participent au vote [3 ou, pour la remise de l'avis rendu conformément à l'article 515, § 2, alinéa 1er, 2°, au moins la moitié de ceux-ci]3.
  Les délibérations sont prises à la majorité absolue des voix. Le syndic a voix prépondérante en cas de partage des voix.
  § 6. Le conseil présente au procureur général ou au procureur du Roi, toutes les fois qu'ils en font la demande, les registres de ses délibérations, et toutes autres pièces déposées dans ses archives.]1

  
Art. 554. [1 Indien een lid van de arrondissementskamer in gebreke blijft de jaarlijkse bijdrage te betalen, kan de raad een dwangschrift, ondertekend door de penningmeester, uitvaardigen. Indien tot gedwongen invordering moet worden overgegaan, wordt het dwangschrift op éénzijdig verzoekschrift, ingediend door de raad, uitvoerbaar verklaard door de voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg.
  Tegen de uitvoerbaarverklaring kan hoger beroep worden ingesteld binnen een maand na de betekening van het uitvoerbaar verklaarde dwangschrift.]1

  
Art. 554. [1 Si un membre de la chambre d'arrondissement reste en défaut de payer sa cotisation annuelle, le conseil peut délivrer une contrainte signée par le trésorier. En cas de recouvrement forcé, la contrainte est déclarée exécutoire par le président du tribunal de première instance compétent sur requête unilatérale du conseil.
  Un recours peut être introduit contre la déclaration de la force exécutoire dans le mois de la signification de la contrainte déclarée exécutoire.]1

  
HOOFDSTUK IX. - [1 Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders]1
CHAPITRE IX. - [1 De la Chambre nationale des huissiers de justice]1
Art. 555. [1 § 1. De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is een publiekrechtelijke instelling met rechtspersoonlijkheid. Haar zetel is gevestigd in het gerechtelijk arrondissement Brussel. [2 Zij bestaat uit alle gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders van het land.]2
  § 2. De organen van de Nationale Kamer zijn :
  1° de algemene vergadering;
  2° het directiecomité.
  § 3. De algemene vergadering bestaat uit de vertegenwoordigers van de arrondissementskamers [4 ...]4.
  De algemene vergadering van iedere arrondissementskamer kiest als vertegenwoordigers :
  - uit haar leden gerechtsdeurwaarders, [4 twee niet-ontslagnemende gerechtsdeurwaarders]4 per begonnen schijf van tien gerechtsdeurwaarders, met minimum één en maximum [4 tien]4 vertegenwoordigers;
  - [4 onder de leden kandidaat-gerechtsdeurwaarders, één kandidaat-gerechtsdeurwaarder per begonnen schijf van tien kandidaat-gerechtsdeurwaarders, die minstens drie jaar ervaring heeft als kandidaat-gerechtsdeurwaarder, met een minimum van één vertegenwoordiger en een maximum van 2 vertegenwoordigers.]4.
  [4 ...]4
  Het mandaat van vertegenwoordiger [4 ...]4 duurt drie jaar en kan éénmaal worden hernieuwd. [4 Het mandaat van de vertegenwoordiger eindigt hetzij doordat hij een van de twee leeftijdsgrenzen, vermeld in de artikelen 509, § 1, derde lid, en 510, § 1, tweede lid, heeft bereikt, hetzij door ontslag als gerechtsdeurwaarder, overlijden, schorsing of herroeping.]4
  De vertegenwoordiger [4 ...]4 die tijdens het mandaat in de plaats van een vertegenwoordiger [4 ...]4 wordt gekozen, voltooit het mandaat van zijn voorganger, [4 en kan zijn mandaat eenmaal hernieuwen]4.
  De algemene vergadering neemt haar beslissingen bij volstrekte meerderheid van de aanwezige leden.
  § 4. [4 De algemene vergadering verkiest een directiecomité, bestaande uit negen niet-ontslagnemende leden van de Nationale Kamer, en benoemt de voorzitter en zijn twee verslaggevers. Los van de voorzitter, wordt de taalkundige pariteit gewaarborgd tussen de andere leden, wier taalrol wordt bepaald door de taal van hun diploma. De functie van voorzitter kan gezamenlijk worden uitgeoefend door twee co-voorzitters, elk van een andere taalrol. In dat laatste geval bestaat het directiecomité uit tien leden waarbij de co-voorzitters over een uniek stemrecht beschikken. Indien de co-voorzitters geen overeenstemming kunnen bereiken bij de stemming, resulteert dit in een stemonthouding.
   Binnen vijftien dagen na de algemene vergadering die de verkiezing heeft gehouden, kiest het directiecomité uit zijn leden, met gewone meerderheid van stemmen, twee ondervoorzitters, twee secretarissen en twee penningmeesters. Voor elke functie wordt een lid van de Nederlandse taalrol en een lid van de Franse of Duitse taalrol aangewezen.]4

  De aanstelling van de leden van het directiecomité geldt voor een termijn van [3 drie jaar zonder dat deze termijn de duur van het mandaat bedoeld in paragraaf 3, [4 derde lid]4, overschrijdt]3. [4 Ingeval een plaats vrijkomt van een lid van het directiecomité ten gevolge van ofwel het bereiken van de twee leeftijdslimieten bepaald door de artikelen 509, § 1, derde lid en 510, § 1, tweede lid, ofwel ontslag, overlijden, schorsing of herroeping, voorzien de overblijvende leden voorlopig in de vervanging. De eerstvolgende algemene vergadering bevestigt het mandaat van het gecoöpteerde lid. In geval van bevestiging maakt het gecoöpteerde lid het mandaat van zijn voorganger af. Bij gebreke daarvan eindigt de ambtstermijn van het gecoöpteerde lid, onverminderd de geldigheid van de samenstelling van het directiecomité, de genomen beslissingen, de aangenomen rechtshandelingen en de gevolgde procedures tot die datum, en wordt de plaats opnieuw vrij geacht.]4
  [4 Een mandaat in het directiecomité is onverenigbaar met een mandaat in de algemene vergadering.]4
  [4 ...]4
  Aftredende leden kunnen worden herkozen, zonder dat een lid langer dan zes jaar ononderbroken in het directiecomité kan zitting hebben.
  § 5. Het directiecomité deelt de agenda van zijn vergaderingen minstens tien werkdagen vooraf mee aan alle [2 leden van het directiecomité]2 per gewone of elektronische post. Tien werkdagen na de vergadering worden de notulen eveneens per gewone of elektronische post aan alle [2 leden van het directiecomité]2 toegestuurd.
  § 6. Het directiecomité roept halfjaarlijks een algemene ledenvergadering bijeen. Buitengewone algemene ledenvergaderingen worden bijeengeroepen telkens als het directiecomité zulks nodig acht en voorts indien [2 een vijfde van de leden van de algemene vergadering]2 een daartoe door hen ondertekend verzoek indienen met opgave van de te behandelen onderwerpen.
  De notulen van de algemene ledenvergaderingen worden binnen tien werkdagen per gewone of elektronische post toegestuurd aan alle leden. De goedgekeurde verordeningen treden in werking tien dagen na de verzending van de notulen.
  § 7. Het directiecomité van de Nationale Kamer beraadslaagt in het Nederlands en het Frans. De verslagen en besluiten worden in deze beide talen gesteld, zonder voorrang van de ene tekst boven de andere.
  § 8. Indien een lid van de Nationale Kamer in gebreke blijft de jaarlijkse bijdrage te betalen, kan het directiecomité een dwangschrift, ondertekend door de penningmeester of adjunct-penningmeester, uitvaardigen. Indien tot gedwongen invordering moet worden overgegaan, wordt het dwangschrift, op verzoek van het directiecomité, ingediend door tussenkomst van de bevoegde syndicus, uitvoerbaar verklaard door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waar de betrokken gerechtsdeurwaarder kantoor houdt.
  Tegen de uitvoerbaarverklaring kan hoger beroep worden ingesteld binnen een maand na de betekening van het uitvoerbaar verklaarde dwangschrift.]1

  
Art. 555. [1 § 1er. La Chambre nationale des huissiers de justice est une institution de droit public dotée de la personnalité juridique. Elle a son siège dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles. [2 Elle se compose de l'ensemble des huissiers et des candidats huissiers du pays.]2
  § 2. Les organes de la Chambre nationale sont :
  1° l'assemblée générale;
  2° le comité de direction.
  § 3. L'assemblée générale est composée des représentants des chambres d'arrondissement [4 ...]4.
  L'assemblée générale de chaque chambre d'arrondissement choisit comme représentants :
  - parmi ses membres huissiers de justice, [4 deux huissiers de justice non démissionnaires]4 par tranche entamée de dix huissiers de justice, avec un minimum d'un représentant et un maximum de [4 dix]4 représentants;
  - [4 parmi ses membres candidats-huissiers de justice, un candidat-huissier de justice par tranche entamée de 10 candidats-huissiers de justice, ayant au moins trois ans d'expérience comme candidat-huissier de justice, avec un minimum d'un représentant et un maximum de 2 représentants.]4
  [4 ...]4
  Le mandat de représentant [4 ...]4 a une durée de trois ans, et est renouvelable une fois. [4 Le mandat de représentant prend fin soit parce qu'il a atteint l'une des deux limites d'âge fixées aux articles 509, § 1er, alinéa 3 et 510, § 1er, alinéa 2, soit pour raison de démission en tant qu'huissier de justice, de décès, de suspension ou de révocation.]4
  Un représentant [4 ...]4 élu en remplacement d'un représentant [4 ...]4 en cours de mandat, achève le mandat de son prédécesseur [4 et peut renouveler son mandat une fois]4.
  L'assemblée générale prend ses décisions à la majorité absolue des membres présents.
  § 4. [4 L'assemblée générale élit un comité de direction, composé de neuf membres non démissionnaires issus de la Chambre nationale, et en désigne son président ainsi que ses deux rapporteurs, appartenant chacun à un rôle linguistique différent. Outre le Président, la parité linguistique est garantie au sein des autres membres, dont le rôle linguistique est déterminé par la langue de leur diplôme. La fonction de président peut être exercée conjointement par deux co-présidents de régime linguistique différent. Dans ce dernier cas, le comité de direction est composé de dix membres, les coprésidents disposant d'un droit de vote unique. Si les coprésidents ne parviennent pas à un accord lors du vote, il en résulte une abstention.
   Dans les quinze jours de l'assemblée générale qui a procédé à l'élection, le comité de direction choisit parmi ses membres, à la majorité simple, deux vice-présidents, deux secrétaires et deux trésoriers. Pour chaque fonction, il est désigné un membre de rôle linguistique néerlandophone et un membre de rôle linguistique francophone ou germanophone.]4

  Les membres du comité de direction sont désignés pour un terme de [3 trois ans sans que ce terme puisse dépasser la durée du mandat visé au paragraphe 3, [4 alinéa 3]4]3. [4 En cas de vacance de la place d'un membre du comité de direction, soit parce qu'il a atteint l'une des deux limites d'âge fixées aux articles 509, § 1er, alinéa 3 et 510, § 1er, alinéa 2, soit pour raison de démission, de décès, de suspension ou de révocation, les membres restants pourvoient provisoirement à son remplacement. La première assemblée générale qui suit confirme le mandat du membre coopté. En cas de confirmation, le membre coopté achève le mandat de son prédécesseur. A défaut, le mandat du membre coopté prend fin, sans que cela puisse porter préjudice à la validité de la composition du comité de direction, des décisions prises, des actes juridiques passés et des procédures diligentées jusqu'à cette date, et la place est à nouveau considérée comme vacante.]4
  [4 Un mandat au sein du comité de direction est incompatible avec un mandat au sein de l'assemblée générale.]4
  [4 ...]4
  Les membres sortants peuvent être réélus, sans qu'un membre puisse siéger plus de six ans sans interruption au comité de direction.
  § 5. Le comité de direction communique l'ordre du jour de ses réunions à l'ensemble des [2 membres du comité de direction]2 au moins dix jours ouvrables à l'avance, par courrier ordinaire ou électronique. Le procès-verbal est également envoyé à tous les [2 membres du comité de direction]2, par courrier ordinaire ou électronique, dix jours ouvrables après la réunion.
  § 6. Le comité de direction convoque tous les six mois une assemblée générale des membres. Des assemblées générales extraordinaires sont convoquées aussi souvent que le comité de direction le juge nécessaire et chaque fois que [2 un cinquième des membres de l'assemblée générale]2 introduisent à cet effet une requête signée par eux dans laquelle sont mentionnés les sujets à examiner.
  Le procès-verbal des assemblées générales des membres est envoyé à l'ensemble des membres, dans les dix jours ouvrables, par courrier ordinaire ou électronique. Les règlements approuvés entrent en vigueur dix jours après l'envoi du procès-verbal.
  § 7. Le comité de direction de la Chambre nationale délibère en français et en néerlandais. Les rapports et les résolutions sont établis dans chacune de ces langues, sans prééminence d'un texte sur l'autre.
  § 8. Si un membre de la Chambre nationale reste en défaut de payer la cotisation annuelle, le comité de direction peut délivrer une contrainte signée par le trésorier ou le trésorier adjoint. En cas de recouvrement forcé, la contrainte est déclarée exécutoire par le président du tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où l'huissier de justice a son étude, sur requête du comité de direction introduite par l'entremise du syndic compétent.
  Un recours peut être introduit contre la déclaration de la force exécutoire dans le mois de la signification de la contrainte déclarée exécutoire.]1

  
Art. 555/1. [5 § 1.]5 [1 Naast de taken die haar door andere bepalingen zijn opgedragen, heeft de Nationale Kamer tot taak :
  1° de algemene regels inzake deontologie vast te stellen;
  2° te waken over de [10 deontologie onder haar leden en de uitvoering]1
0 van de hen betreffende wetten en verordeningen;
  3° alle geschikte maatregelen te nemen tot nakoming, binnen de grenzen en onder de voorwaarden die zij bepaalt, van de verplichtingen die uit de beroepsaansprakelijkheid van de gerechtsdeurwaarders voortvloeien;
  4° de afgifte van het stageboekje te organiseren;
  5° de permanente vorming van de gerechtsdeurwaarders, kandidaat-gerechtsdeurwaarders, stagiairs en hun medewerkers te organiseren; [11 deze verplichting tot permanente vorming geldt niet voor de overeenkomstig artikel 509, § 1, derde lid, ontslagnemende gerechtsdeurwaarder;]11 de Koning bepaalt het aantal uren permanente vorming, relevant voor de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder, dat gevolgd dient te worden [12 . In het kader van deze permanente vorming volgen de kandidaat-gerechtsdeurwaarder en gerechtsdeurwaarder een door de Nationale Kamer georganiseerde of erkende praktische opleiding in communicatie- en faciliteringsvaardigheden conform haar toepasselijk reglement]12;
  6° gelijklopend met de raad van de arrondissementskamers, toezicht te houden op de correcte toepassing van het tarief, de boekhouding, de kwaliteitsrekeningen van de kantoren en van de doorstorting van derdengelden;
  7° gelijklopend met de raad van de arrondissementskamer, toezicht te houden op de correcte toepassing van het systeem van de plaatsvervangingen door haar leden;
  8° op eigen initiatief of op verzoek, ten behoeve van alle openbare overheden, adviezen uit te brengen in verband met aangelegenheden van algemeen belang betreffende de uitoefening van het beroep van gerechtsdeurwaarder;
  9° binnen de grenzen van haar bevoegdheid, alle leden van de arrondissementskamers van het Rijk te vertegenwoordigen ten aanzien van elke overheid of instelling;
  10° in rechte op te treden, als eiser of als verweerder, in om het even welke zaak die het beroep van gerechtsdeurwaarder in zijn geheel aanbelangt;
  11° jaarlijks de rekeningen die haar directiecomité voorlegt alsmede de begroting goed te keuren;
  12° het door haar directiecomité voorgestelde reglement betreffende de werking en de bevoegdheid ervan en betreffende de organisatie van haar algemene ledenvergaderingen goed te keuren;
  13° [10 de infrastructuur te beheren en haar secretariaat, alsook de administratieve ondersteuning van de benoemingscommissies en het auditoraat van de tuchtraad te organiseren;]10
  14° richtlijnen op te stellen alsook een toezichtsregeling met betrekking tot de kwaliteitsrekening van de kantoren en het beheer van derdengelden in te stellen en te organiseren;
  15° [7 een elektronische lijst op te stellen van de gerechtsdeurwaarders en kandidaat-gerechtsdeurwaarders;]7
  16° de verkiezing van de leden van haar directiecomité organiseren;
  17° de leden van de benoemingscommissies en [10 de pool van assessoren voor de tuchtraad evenals de leden van het auditoraat]10 te verkiezen;
  18° de praktische regels betreffende de beroepsuitoefening die algemeen bindend zijn voor alle leden goed te keuren.
  [2 19° jaarlijks de bijdrage ten laste van de leden vast te stellen;
   20° alle klachten en bezwaren van derden tegen leden van de kamer in verband met de uitoefening van hun beroep te voorkomen of, zo mogelijk, door minnelijke schikking te regelen;
   21° [10 de gemotiveerde schriftelijke aangifte van feiten waartoe het directiecomité met meerderheid van stemmen heeft besloten, via de verslaggever door te verwijzen naar het auditoraat van de tuchtraad. Het directiecomité is bevoegd om de tuchtprocedure in te stellen in de hypothese bedoeld in artikel 538, § 6;]10]2

  [3 22° [7 een elektronische lijst op te stellen van alle gerechtsdeurwaarders-titularis en plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders;]7
  [4 23° het in artikel 32quater/2 bedoelde register op te zetten en de controle te verzekeren op de werking en het gebruik ervan, de in artikel 32quater/2 bedoelde lijst bij te houden en de rol op te stellen van de gerechtsdeurwaarders die belast zijn met de betekening van de akten in strafzaken;
   24° de registers of bestanden die bij wet aan de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders worden toegewezen, op te richten, te beheren en er toezicht over te houden;]4

  [5 25° te fungeren als informatie-instantie, bedoeld in artikel 4, dertiende lid, van Verordening (EU) nr. 655/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van een procedure betreffende het Europees bevel tot conservatoir beslag op bankrekeningen om de grensoverschrijdende inning van schuldvorderingen in burgerlijke en handelszaken te vergemakkelijken;]5
  [8 26° het reglement goed te keuren voorgesteld door haar directiecomité, dat een kader biedt voor de voortzetting van de activiteiten van de kantoren, als aanvulling op hoofdstuk V;]8
  [9 27° te fungeren als centraal orgaan, bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) 2020/1784 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke of in handelszaken.]9
   [7 ...]7]3

  De in het eerste lid, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°,[3 [2 13°, 15°, 20°, 21° [4 , 22°, [5 23°, 24° [9 , 25° en 27°]9]5]4]2]3 omschreven taken worden uitgeoefend door haar directiecomité. De in het eerste lid, 1°, 11°, 12°, 14°, 16°, [2 17°, 18° [8 , 19° en 26°]8]2 omschreven taken worden uitgeoefend door haar algemene vergadering.]1
  [5 § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1, 25°, en van artikel [11 1447, tweede lid, 3°]11, wordt de Nationale Kamer gemachtigd om op rechterlijk verzoek [6 de gegevens op te vragen uit het centraal aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank van België overeenkomstig de wet van 8 juli 2018 houdende organisatie van een centraal aanspreekpunt van rekeningen en financiële contracten en tot uitbreiding van de toegang tot het centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht, collectieve schuldenregeling en protest]6.
   Op basis van de bij deze opvraging verkregen gegevens, kan de Nationale Kamer, indien noodzakelijk, aan één of meer banken in de zin van artikel 4, tweede lid, van de Verordening bedoeld in paragraaf 1, eerste lid, 25°, informatie vragen.
   De bank deelt de gevraagde informatie, of het ontbreken daarvan, met bekwame spoed mee aan de Nationale Kamer. Deze bank kan de schuldenaar slechts van het verzoek om informatie in kennis stellen na een termijn van dertig dagen volgend op de dag van mededeling van de gevraagde informatie of het ontbreken daarvan aan de Nationale Kamer.
   Indien de bank deze verplichtingen niet nakomt, is artikel 1456, eerste lid, van toepassing.
   Van zodra de Nationale kamer de mededeling van het centraal aanspreekpunt bedoeld in het eerste lid en, desgevallend, van de bank heeft ontvangen, deelt zij deze mee aan het gerecht dat de informatie heeft gevraagd.
   De Koning bepaalt de vergoeding voor de behandeling van het verzoek voor het verkrijgen van rekeninginformatie, evenals de voorwaarden en de nadere regels van inning. Artikel 520, § 1, 3°, is van toepassing.]5

  
Art. 555/1. [5 § 1er.]5 [1 Outre celles qui lui sont confiés par des d'autres dispositions, la Chambre nationale a pour missions :
  1° d'établir les règles générales de la déontologie;
  2° de veiller à [10 ...]1
0 la déontologie parmi ses membres et à l'exécution des lois et des règlements les concernant;
  3° de prendre toute mesure propre à faire face, dans les limites et conditions qu'elle détermine, aux obligations résultant de la responsabilité professionnelle des huissiers de justice;
  4° d'organiser la délivrance du carnet de stage;
  5° d'organiser la formation permanente des huissiers de justice, des candidats-huissiers de justice, des stagiaires, ainsi que de leurs collaborateurs. [11 Cette obligation de formation permanente ne s'applique pas à l'huissier de justice démissionnaire en vertu de l'article 509, § 1er, alinéa 3.]11 Le Roi détermine le nombre d'heures de formation permanente, pertinente pour l'exercice de la profession d'huissier de justice, à suivre [12 . Dans le cadre de cette formation permanente, le candidat-huissier de justice et l'huissier de justice suivent une formation pratique axée sur les compétences de communication et de facilitation, organisée ou agréée par la Chambre nationale conformément à son règlement applicable]12;
  6° d'assurer, en parallèle avec le conseil des chambres d'arrondissement, le contrôle de l'application correcte du tarif, de la comptabilité, des comptes de qualité des études et du virement des fonds de tiers;
  7° de contrôler, en parallèle avec avec le conseil de la chambre d'arrondissement, l'application correcte du système des suppléances par ses membres;
  8° d'émettre, d'initiative ou sur demande, à destination de toutes autorités publiques, les avis ayant trait à toutes questions d'intérêt général relatives à l'exercice de la profession d'huissier de justice;
  9° de représenter, dans les limites de ses attributions, tous les membres des chambres d'arrondissements du Royaume à l'égard de toute autorité et institution ;
  10° d'ester en justice, tant en demandant qu'en défendant, en toute affaire intéressant la profession d'huissier de justice dans son ensemble;
  11° d'approuver annuellement les comptes qui lui sont soumis par son comité de direction, ainsi que le budget;
  12° d'approuver le règlement proposé par son comité de direction concernant le fonctionnement et la compétence de celui-ci et concernant l'organisation de leurs assemblées générales;
  13° [10 de gérer l'infrastructure et d'organiser son secrétariat, ainsi que le soutien administratif aux commissions de nomination et à l'auditorat du conseil de discipline;]10
  14° d'établir des directives ainsi que de mettre au point et d'organiser un régime de contrôle en ce qui concerne le compte de qualité des études et la gestion des fonds de tiers;
  15° [7 d'établir une liste électronique des huissiers de justice et des candidats-huissiers de justice;]7
  16° d'organiser les élections des membres de son comité de direction;
  17° d'élire les membres des commissions de nomination et [10 du pool d'assesseurs pour le conseil de discipline ainsi que les membres de l'auditorat;]10
  18° d'approuver les règles pratiques en matière professionnelle qui s'imposent à tous les membres.
  [2 19° d'établir chaque année la cotisation à charge des membres de la chambre;
   20° de prévenir ou, si possible, de concilier toutes plaintes et réclamations de tiers contre des membres de la chambre, relatives à l'exercice de leur profession;
   21° [10 de transmettre la dénonciation écrite motivée des faits décidés à la majorité du comité de direction à l'auditorat du conseil de discipline par l'intermédiaire du rapporteur. Le comité de direction est l'instance habilité à engager la procédure disciplinaire dans l'hypothèse visée à l'article 538, § 6;]10]2

  [3 22° [7 d'établir une liste électronique des huissiers de justice titulaires et suppléants;]7
  [4 23° d'établir le registre mentionné dans l'article 32quater/2 et d'assurer le contrôle de son fonctionnement et de son utilisation, de tenir à jour la liste visée à l'article 32quater/2, et de définir le rôle des huissiers de justice chargés de la signification des actes en matière pénale;
   24° d'établir, de gérer et de surveiller les registres ou fichiers attribuées à la Chambre nationale des huissiers de justice en vertu d'une loi;]4

  [5 25° de jouer le rôle d'autorité chargée de l'obtention d'informations, telle que visée à l'article 4, paragraphe 13, du Règlement (UE) 655/2014 du Parlement européen et du Conseil du 15 mai 2014 portant création d'une procédure d'ordonnance européenne de saisie conservatoire des comptes bancaires, destinée à faciliter le recouvrement transfrontière de créances en matière civile et commerciale;]5
  [8 26° d'approuver le règlement proposé par son comité de direction, encadrant la poursuite de l'activité des études, complémentairement au chapitre V;]8
  [9 27° de jouer le rôle d'organisme central, tel que visé à l'article 4 du règlement (UE) 2020/1784 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2020 relatif à la signification et à la notification dans les Etats membres des actes judiciaires et extrajudiciaires en matière civile ou commerciale.]9
   [7 ...]7]3

  Les missions définies à l'alinéa 1er, 2°, 3°, 4°, 5°, 6°, 7°, 8°, 9°, 10°, [3 [2 13°, 15°, 20°, 21° [4 , 22°, [5 23°, 24° [9 , 25° et 27°]9]5]4]2]3 sont exercées par leur comité de direction. Les missions définies à l'alinéa 1er, 1°, 11°, 12°, 14°, 16°, [2 17°, 18° [8 , 19° et 26°]8]2 sont exercées par son assemblée générale.]1
  [5 § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, 25°, et de l'article [11 1447, alinéa 2, 3°]11, la Chambre nationale est habilitée à demander, sur la base d'une demande juridictionnelle, [6 les données contenues dans le point de contact central tenu par la Banque nationale de Belgique conformément à la loi du 8 juillet 2018 portant organisation d'un point de contact central des comptes et contrats financiers et portant extension de l'accès du fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession, de règlement collectif de dettes et de protêt]6.
   Sur la base des données obtenues dans ce cadre, la Chambre nationale peut, si nécessaire, adresser une demande d'informations à une ou plusieurs banques au sens de l'article 4, paragraphe 2, du Règlement visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, 25°.
   La banque communique les informations demandées, ou la non-disponibilité de ces informations, avec célérité à la Chambre nationale. Cette banque ne peut informer le débiteur de la demande d'informations qu'après un délai de trente jours suivant le jour de la communication à la Chambre nationale des informations demandées, ou de la non-disponibilité de ces informations.
   Si la banque ne respecte pas ces obligations, l'article 1456, alinéa 1er, s'applique.
   Dès que la Chambre nationale a reçu la communication du point de contact central visé à l'alinéa 1er et, le cas échéant, de la banque, elle la transmet à la juridiction qui a demandé les informations.
   Le Roi fixe les frais pour le traitement de la demande visant à obtenir des informations relatives aux comptes, ainsi que les conditions et les modalités de perception. L'article 520, § 1er, 3°, s'applique.]5

  
Art. 555/1bis. [1 § 1. Behoudens tegenbewijs, wordt in geval van niet-overeenstemming de voorkeur gegeven aan de vermeldingen op de in artikel 555/1, eerste lid, 15°, en, in ondergeschikte orde, 22°, bedoelde lijsten, hierna "de lijsten" genoemd, boven elke andere vermelding.
   § 2. De Nationale Kamer, hierna "de beheerder" genoemd, staat in voor inrichting en het beheer van de lijsten. Zij staat in voor de controle op de werking en het gebruik van deze lijsten en ziet erop toe dat deze voortdurend worden bijgewerkt.
   De Nationale Kamer wordt met betrekking tot de lijsten beschouwd als de verantwoordelijke voor de verwerking in de zin van artikel 4, 7) van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.
   § 3. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder en van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de gegevens die in de lijsten zijn opgenomen.
   § 4. De lijsten en de daarin opgenomen gegevens zijn publiek.
   § 5. De gegevens die in de lijsten zijn opgenomen, worden bewaard gedurende dertig jaar te rekenen vanaf de dag waarop hun ambt bedoeld in het tweede deel, boek V, hoofdstuk I, een einde neemt.
   § 6. Teneinde voor de toepassing van artikel 555/1, eerste lid, 15° en 22° de gerechtsdeurwaarders, de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeurwaarders-titularis en de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders te identificeren, is de beheerder gemachtigd om :
   1° gebruik te maken van het rijksregisternummer van de gerechtsdeurwaarders, de kandidaat-gerechtsdeurwaarders, de gerechtsdeurwaarders-titularis en de plaatsvervangende gerechtsdeurwaarders, en toegang te hebben tot de gegevens bedoeld in artikel 3, eerste lid, 1°, 2°, 6°, en tweede lid, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een rijksregister van de natuurlijke personen;
   2° toegang te hebben tot de volgende gegevens uit de registers bedoeld in artikel 4, § 2, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid :
   g) naam en voornamen;
   h) geboorteplaats en -datum;
   i) datum van overlijden.
   Het rijksregisternummer, de geboorteplaats en -datum en de datum van overlijden van de in het vorige lid bedoelde fysieke personen mogen niet worden meegedeeld aan het publiek.
   Hij die in welke hoedanigheid ook deelneemt aan de verzameling of de verwerking van de in het tweede lid bedoelde gegevens of kennis heeft van die gegevens, moet in voorkomend geval het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Artikel 458 van het Strafwetboek is op hem toepasselijk.]1

  
Art. 555/1bis. [1 § 1er. Sauf preuve contraire, en cas de discordance, les mentions des listes visées à l'article 555/1, alinéa 1er, 15° et, en ordre subordonné, 22°, ci-après dénommées "les listes", l'emportent sur toute autre mention.
   § 2. La Chambre nationale, ci-après dénommé "le gestionnaire", met en place et gère le fonctionnement des listes. Elle assure le contrôle du fonctionnement et l'utilisation de ces listes, et veille à la mise à jour permanente de celles-ci.
   La Chambre nationale est considérée, pour ce qui concerne les listes, comme le responsable du traitement, au sens de l'article 4, 7) du Règlement (UE) 2016/679 du Parlement Européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE.
   § 3. Le Roi détermine, après avis du gestionnaire et de l'Autorité de protection des données, les données qui figurent dans les listes.
   § 4. Les listes et les données qui y figurent sont publiques.
   § 5. Les données reprises dans ces listes sont conservées pendant trente ans à compter du jour auquel la fonction visée dans la deuxième partie, livre V, Chapitre Ier, prend fin.
   § 6. Afin d'identifier, pour l'application de l'article 555/1, alinéa 1er, 15° et 22°, les huissiers de justice, les candidats-huissiers de justice et les huissiers de justice titulaires et suppléants, le gestionnaire est autorisé à :
   1° utiliser le numéro du Registre national des huissiers de justice, des candidats-huissiers de justice et des huissiers de justice titulaires et suppléants, et à accéder aux informations visées à l'article 3, alinéa 1er, 1°, 2°, 6°, et alinéa 2, de la loi du 8 août 1983 organisant un registre national des personnes physiques;
   2° à accéder aux informations suivantes des registres visés à l'article 4, § 2, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale :
   g) nom et prénoms;
   h) lieu et date de naissance;
   i) date de décès.
   Le numéro du Registre national, le lieu et la date de naissance, et la date de décès des personnes physiques visées à l'alinéa précédent ne peuvent être communiqués au public.
   Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte ou au traitement des données visées à l'alinéa 2, ou a connaissance de telles données est, le cas échéant, tenu d'en respecter le caractère confidentiel. L'article 458 du Code pénal lui est applicable.]1

  
Art. 555/1ter. [1 § 1. Bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt in de vorm van een afzonderlijke rechtspersoon een solidariteitsfonds opgericht, hierna te noemen het "Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders".
   De Koning organiseert het toezicht op het Solidariteits-fonds van de Nationale Kamer van Gerechts-deurwaarders en legt de regels inzake de werking ervan vast.
   Het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is een solidariteitsfonds binnen de beroepsgroep van de gerechtsdeurwaarders dat de gerechtsdeurwaarders ondersteunt om te kunnen voldoen aan het toe te passen tarief inzake specifiek door de Koning aangeduide vorderingen en procedures.
   De minister van Justitie bepaalt, na advies van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, voor deze door de Koning bepaalde akten het deel van de aktekost, evenals de handelingen waarvoor door de gerechtsdeurwaarders een tegemoetkoming van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan worden gevorderd.
   § 2. Het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders kan, mits goedkeuring door de minister van Justitie, zijn middelen ook aanwenden voor andere maatschappelijk zinvolle doelen of voor projecten die verband houden met de beroepsactiviteiten van de beroepsgroep van gerechtsdeurwaarders.
   § 3. Het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders wordt gevoed door een bijdrage van de gerechtsdeurwaarders voor elke betekende akte, waarvoor een vast bedrag wordt bepaald door de minister van Justitie, na advies van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders beschikt, op grond van haar controlebevoegdheid overeenkomstig artikel 32quater/2, over de nodige gegevens omtrent de akten die het voorwerp uitmaken van een gevorderde tegemoetkoming en omtrent de gerechtsdeurwaarders die een dergelijk verzoek tot tegemoetkoming formuleren, om het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders toe te laten om de tegemoetkomingen bedoeld in paragraaf 1 te berekenen en om toezicht uit te oefenen op de eraan verbonden voorwaarden en op de bijdragen voorzien in het eerste lid.
   Indien de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders vaststelt dat het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders over onvoldoende middelen beschikt om de tegemoetkomingen gedurende vermoedelijk meer dan een jaar te kunnen uitbetalen, kan zij de minister van Justitie vragen om de bijdrage tijdelijk aan te passen met het oog op het behouden van het financieel evenwicht van het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. De minister van Justitie waakt erover dat het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders geen negatief saldo vertoont.
   § 4. Het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, 7), van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (Algemene Verordening Gegevensbescherming) voor de gegevens die het fonds verzamelt en gebruikt om zijn opdrachten te volbrengen. De volgende gegevens worden door het fonds verzameld en verwerkt:
   1° de identificatie- en contactgegevens van de gerechtsdeurwaarder die een tegemoetkoming vordert;
   2° het ondernemingsnummer, het bankrekeningnummer en de referentie waaronder de gerechtsdeurwaarder gekend is bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders;
   3° de gegevens van de akten die het voorwerp uitmaken van een gevorderde tegemoetkoming;
   4° de gegevens van de handelingen die het voorwerp uitmaken van een gevorderde tegemoetkoming.
   § 5. De gegevens bedoeld in paragraaf 4, 1° en 2°, worden verwerkt om de gerechtsdeurwaarder die een tegemoetkoming vordert, op voldoende wijze te kunnen identificeren en de eventuele tegemoetkomingen te kunnen storten.
   De gegevens bedoeld in paragraaf 4, 3° en 4°, worden verwerkt om de eventuele tegemoetkomingen bedoeld in paragraaf 1 te berekenen en de noodzakelijke controles uit te oefenen in verband met de eraan verbonden voorwaarden.
   De gegevens bedoeld in paragraaf 4, 3° en 4°, worden eveneens verwerkt om het verzoek bedoeld in paragraaf 3, derde lid, te kunnen indienen bij de minister van Justitie met het oog op het behouden van het financieel evenwicht van het fonds.
   De bewaartermijn van de door het Solidariteitsfonds van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders verzamelde gegevens bedraagt tien jaar.]1

  
Art. 555/1ter. [1 § 1er. Un fonds, dénommé ci-après "Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice", est créé auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice, sous la forme d'une personne morale distincte.
   Le Roi organise le contrôle du Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice et fixe les règles relatives à son fonctionnement.
   Le Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice est un fonds de solidarité au sein de la profession des huissiers de justice, qui soutient les huissiers de justice quant au tarif à appliquer en ce qui concerne les demandes et procédures spécifiques déterminées par le Roi.
   Sur avis de la Chambre nationale des huissiers de justice, le ministre de la Justice détermine pour ces actes déterminés par le Roi, la partie des frais d'acte, ainsi que les actions pour lesquelles une intervention peut être sollicitée par les huissiers de justice auprès du Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   § 2. Le Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice peut également, moyennant approbation par le ministre de la Justice, consacrer les moyens dont il dispose à d'autres fins sociales utiles ou à des projets ayant un lien avec les activités professionnelles de la profession des huissiers de justice.
   § 3. Le Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice est alimenté par une contribution des huissiers de justice pour chaque acte signifié, dont le montant fixe est déterminé par le ministre de la Justice, après avis de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   La Chambre nationale des huissiers de justice dispose, en vertu de sa compétence de contrôle conformément à l'article 32quater/2, des informations nécessaires en ce qui concerne les actes qui font l'objet d'une demande d'intervention et en ce qui concerne les huissiers de justice qui formulent une telle demande d'intervention afin de permettre au Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice de calculer les interventions visées au paragraphe 1er et de contrôler les conditions qui y sont attachées et les contributions prévues à l'alinéa 1er.
   Si la Chambre nationale des huissiers de justice constate que le Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice ne dispose pas des moyens nécessaires pour pouvoir payer les interventions pendant probablement plus d'un an, elle peut demander au ministre de la Justice d'adapter temporairement les contributions en vue du maintien de l'équilibre financier du Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice. Le ministre de la Justice veille à ce que le Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice ne présente pas un solde négatif.
   § 4. Le Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice est le responsable du traitement au sens de l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (Règlement général sur la protection des données) pour les données que le fonds collecte et utilise pour accomplir ses missions. Le fonds récolte et rassemble les données suivantes:
   1° les données d'identification et de contact de l'huissier de justice qui sollicite une intervention;
   2° le numéro d'entreprise, le numéro de compte bancaire et la référence sous laquelle l'huissier de justice est connu auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice;
   3° les données relatives aux actes qui font l'objet d'une demande d'intervention;
   4° les données relatives aux actions qui font l'objet d'une demande d'intervention.
   § 5. Les données visées au paragraphe 4, 1° et 2°, sont traitées pour pouvoir identifier de manière suffisante l'huissier de justice qui sollicite une intervention et pour pouvoir effectuer le versement des éventuelles interventions.
   Les données visées au paragraphe 4, 3° et 4°, sont traitées pour calculer les éventuelles interventions visées au paragraphe 1er et exercer les contrôles nécessaires par rapport aux conditions qui y sont associées.
   Les données visées au paragraphe 4, 3° et 4°, sont également traitées afin d'introduire la demande visée au paragraphe 3, alinéa 3, auprès du ministre de la Justice en vue du maintien de l'équilibre financier du fonds.
   Le délai de conservation des données collectées par le Fonds de solidarité de la Chambre nationale des huissiers de justice s'élève à dix ans.]1

  
HOOFDSTUK X. [1 Algemene bepaling]1
CHAPITRE X. - [1 Disposition générale]1
Art. 555/2. [1 In het gerechtelijk arrondissement Brussel worden de in dit boek bedoelde adviezen en opdrachten van de procureur des Konings uitgebracht en uitgevoerd door de in artikel 150, § 2, 1°, bedoelde procureur des Konings van Halle-Vilvoorde indien het een benoeming betreft met een standplaats in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, of door de in artikel 150, § 2, 2°, bedoelde procureur des Konings van Brussel indien het een benoeming betreft met een standplaats in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   In het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt het in artikel 518, eerste lid, bedoelde advies ingewonnen bij beide procureurs des Konings.
   In het gerechtelijk arrondissement Henegouwen worden de in dit boek bedoelde adviezen en opdrachten van de procureur des Konings uitgebracht en uitgevoerd door de in artikel 150, § 4, 1°, bedoelde procureur des Konings van Charleroi indien het een benoeming betreft met een standplaats in het kanton [3 Chimay]3, het kanton Binche, [2 de kantons Charleroi]2, het kanton Châtelet, het kanton [2 ...]2, het kanton Seneffe of het kanton Thuin of door de in artikel 150, § 4, 2°, bedoelde procureur des Konings van Bergen indien het een benoeming betreft met een standplaats in de overige kantons van de provincie Henegouwen.
   In het gerechtelijk arrondissement Henegouwen wordt het in artikel 518, eerste lid, bedoelde advies ingewonnen bij beide procureurs des Konings.
   De in de artikelen 513, § 3, en 515, § 2, eerste lid, 1°, bedoelde adviezen worden ingewonnen bij de procureur des Konings die bevoegd is voor de gebiedsomschrijving waarin de betrokken kandidaat zijn woonplaats heeft.]1

  
Art. 555/2. [1 Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, les avis et missions du procureur du Roi visés au présent livre sont rendus et exécutés par le procureur du Roi de Hal-Vilvorde visé à l'article 150, § 2, 1°, s'il s'agit d'une nomination avec une résidence dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde ou par le procureur du Roi de Bruxelles visé à l'article 150, § 2, 2°, s'il s'agit d'une nomination avec une résidence dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, l'avis visé à l'article 518, alinéa 1er, est recueilli auprès des deux procureurs du Roi.
   Dans l'arrondissement judiciaire du Hainaut, les avis et missions du procureur du Roi tels que visés dans le présent livre sont rendus et exécutés par le procureur du Roi de Charleroi, visé à l'article 150, § 4, 1°, s'il s'agit d'une nomination avec une résidence dans le canton de [3 Chimay]3, le canton de Binche, [2 les cantons de Charleroi]2, le canton de Châtelet, [2 ...]2 le canton de Seneffe ou le canton de Thuin ou par le procureur du Roi de Mons, visé à l'article 150, § 4, 2°, s'il s'agit d'une nomination avec une résidence dans les autres cantons de la province du Hainaut.
   Dans l'arrondissement judiciaire du Hainaut, l'avis visé à l'article 518, alinéa 1er, est recueilli auprès des deux procureurs du Roi.
   Les avis visés dans les articles 513, § 3, et 515, § 2, alinéa 1er, 1°, sont rendus par le procureur du Roi compétent dans les limites territoriales dans lesquelles le candidat concerné a son domicile.]1

  
BOEK IVbis. [1 - Tucht voor notarissen en gerechtsdeurwaarders.]1
LIVRE IVbis. [1 - De la discipline des notaires et des huissiers de justice.]1
HOOFDSTUK I. [1 - Tuchtstraffen, bewarende en ondersteunende maatregelen en preventieve schorsing]1
CHAPITRE Ier. [1 - Des peines disciplinaires, des mesures conservatoires et d'appui et de la suspension préventive]1
Art. 555/3. [1 Elk lid van een genootschap van notarissen of een erenotaris die door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van het notariaat of aan zijn plichten verzuimt, kan een tuchtstraf oplopen.
   Elke gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder die voorkomt op het tableau bedoeld in artikel 552, § 2, die door zijn gedrag afbreuk doet aan de waardigheid van het gerechtsdeurwaarderskorps of die zijn plichten verzuimt, kan een tuchtstraf oplopen.
   Deze tuchtstraffen zijn:
   - de terechtwijzing;
   - de blaam;
   - de tuchtrechtelijke geldboete van 125 euro tot 25.000 euro, die door de Schatkist wordt geïnd;
   - voor wat de gerechtsdeurwaarders betreft: de uitsluiting uit alle beroepsorganen vernoemd in boek VI, gedurende maximaal vijf jaar de eerste maal, en tien jaar in geval van herhaling;
   - de schorsing;
   - de afzetting of, al naargelang het geval, het ontnemen van de eretitel, de titel van kandidaat-gerechtsdeurwaarder of van kandidaat-notaris;
  [2 - de schorsing voor een duur die niet langer mag zijn dan een jaar of de schrapping uit het nationaal register van professionele bewindvoerders.]2.
   De tuchtrechtelijke geldboete en de uitsluiting uit beroepsorganen kan samen met een andere tuchtstraf worden opgelegd. [2 Hetzelfde geldt voor de schorsing of de schrapping uit het nationaal register van professionele bewindvoerders.]2
   De afzetting van een notaris of een gerechtsdeurwaarder houdt van rechtswege het verlies van de titel van kandidaat-notaris of kandidaat-gerechtsdeurwaarder in. [2 De schorsing bedoeld in het derde lid, vijfde streepje, of de afzetting of ontneming bedoeld in het derde lid, zesde streepje, brengen van rechtswege respectievelijk de schorsing of de schrapping uit het nationaal register van professionele bewindvoerders met zich mee.]2
   De tuchtraad bedoeld in artikel 555/5bis kan, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die hij bepaalt, de uitspraak van de veroordeling opschorten of de uitvoering van de tuchtsanctie uitstellen. Bij niet naleving van de bepaalde voorwaarden, roept de voorzitter de betrokkene ambtshalve of op verzoek van het auditoraat bij de Nationale Kamer van notarissen of het auditoraat bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders op om op een zitting van de tuchtraad te verschijnen met het oog op het horen uitspreken van een tuchtstraf.
   De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders of de Nationale Kamer van notarissen staan in voor de publieke bekendmaking van het niet actief statuut ten gevolge van de definitief geworden beslissingen van schorsing, afzetting en het ontnemen van de titel in de door haar gehouden elektronische lijst bedoeld in artikel 91, eerste lid, 12° van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt of artikel 555/1, 15° en een geanonimiseerde interne bekendmaking van alle in kracht van gewijsde gegane veroordelingen.
   Enkel het niet actief statuut wordt bekendgemaakt in de voormelde elektronische lijst en in geen geval de oorzaak van de inactiviteit.
   De anonimisering van de gegevens voor de interne bekendmaking van de veroordelingen houdt de verwijdering uit de tuchtrechtelijke beslissingen in van elk element dat de betrokkenen direct of indirect zou kunnen identificeren, met inbegrip van feitelijke beschrijvingen aan de hand waarvan de betrokkenen opnieuw zouden kunnen worden geïdentificeerd.]1

  [2 Eenmaal definitief geworden, wordt de beslissing die de schorsing of de schrapping uit het nationaal register van professionele bewindvoerders bevat of met zich meebrengt, aan de minister van Justitie of aan de door hem gemachtigde ambtenaar meegedeeld door de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders of de Nationale Kamer van notarissen.]2
  
Art. 555/3. [1 Tout membre d'une compagnie de notaires ou un notaire honoraire, qui, par son comportement, porte atteinte à la dignité du notariat ou qui manque à ses obligations, s'expose à une sanction disciplinaire.
   Tout huissier de justice ou candidat-huissier de justice figurant au tableau visé à l'article 552, § 2, qui, par son comportement, porte atteinte à la dignité du corps des huissiers de justice ou qui manque à ses devoirs peut faire l'objet d'une peine disciplinaire.
   Ces peines disciplinaires sont les suivantes:
   - le rappel à l'ordre;
   - le blâme;
   - l'amende disciplinaire pouvant aller de 125 euros à 25.000 euros, perçue par le trésor public;
   - pour ce qui concerne les huissiers de justice: l'exclusion de tous les organes professionnels mentionnés au livre VI, pour une durée maximale de cinq ans la première fois, et de dix ans en cas de répétition;
   - la suspension;
   - la destitution ou, selon le cas, le retrait du titre honorifique, du titre de candidat-huissier de justice ou de candidat-notaire;
  [2 - la suspension pour une durée qui ne peut excéder une année ou la radiation du registre des administrateurs professionnels]2.
   L'amende disciplinaire et l'exclusion des organes professionnels peut être infligée en même temps qu'une autre peine disciplinaire. [2 Il en va de même de la suspension ou de la radiation du registre national des administrateurs professionnels.]2
   La destitution d'un notaire ou d'un huissier de justice entraine de plein droit la perte du titre de candidat-notaire ou de candidat-huissier de justice. [2 La suspension visée à l'alinéa 3, 5e tiret, ou la destitution et le retrait visés à l'alinéa 3, 6e tiret, emportent de plein droit respectivement la suspension ou la radiation du registre national des administrateurs professionnels.]2
   Le conseil de discipline visé à l'article 555/5bis peut, le cas échéant dans des conditions particulières qu'il détermine, suspendre la sentence ou différer l'exécution de la peine disciplinaire. En cas de non-respect des conditions spécifiées, le président convoque l'intéressé, d'office ou à la demande de l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des notaires ou l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice, à une audiencedu conseil de discipline en vue de l'application d'une peine disciplinaire.
   La Chambre nationale des huissiers de justice ou la Chambre nationale des notaires est responsable de l'annonce publique de l'état d'inactivité résultant des décisions de suspension, de révocation et de retrait du titre, lorsqu'elles sont devenues définitives, dans la liste électronique tenue par elle, telle que visée à l'article 91, alinéa 1er, 12° de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat ou à l'article 555/1, 15°, et une publication interne anonyme des condamnations passées en force de chose jugée.
   Seul le statut de non activité est publié dans la liste électronique précitée et en aucun cas la cause de l'inactivité.
   L'anonymisation des données pour la publication interne des condamnations implique la suppression, au sein des décisions de condamnation disciplinaires, de tout élément permettant d'identifier de manière directe ou indirecte les personnes concernées, en ce compris les descriptions de fait pouvant permettre de réidentifier les personnes concernées.]1

  [2 Une fois devenue définitive, la décision contenant ou emportant la suspension ou la radiation du registre national des administrateurs professionnels est communiquée par la Chambre nationale des huissiers de justice ou la Chambre nationale des notaires au ministre de la Justice ou au fonctionnaire délégué par lui.]2
  
Art. 555/4. [1 De bevoegde tuchtkamer kan aan de notarissen de bewarende en ondersteunende maatregelen zoals bepaald in artikel 95 van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt opleggen, hetzij tijdens de tuchtprocedure, hetzij als begeleidende maatregel bij het opleggen van een tuchtstraf.]1
  
Art. 555/4. [1 La chambre de discipline compétente peut imposer aux notaires les mesures conservatoires et d'appui, comme prévues par l'article 95 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat, soit durant la procédure disciplinaire, soit à titre de mesure d'accompagnement lorsqu'une sanction disciplinaire est infligée.]1
  
Art. 555/5. [1 § 1. De bevoegde tuchtkamer kan een preventieve schorsing opleggen overeenkomstig de volgende modaliteiten.
   § 2. Indien er ernstige vermoedens bestaan ten aanzien van de gegrondheid van de ten laste gelegde feiten en er kennelijk gevaar bestaat dat de voortzetting van zijn beroepsactiviteit derden ernstig nadeel kan berokkenen of in belangrijke mate afbreuk kan doen aan de waardigheid van het beroep, kan de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer de betrokken notaris, gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder die het voorwerp uitmaakt van een strafrechtelijke vervolging of een tuchtprocedure, preventief schorsen voor hoogstens de duur van de procedure. De beschikking is, niettegenstaande enig verzet of beroep, vanaf de uitspraak uitvoerbaar.
   De betrokkene wordt in kort geding voor de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer gedagvaard, hetzij door de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld, hetzij door de procureur des Konings. De voorzitter kan het advies van de kamer van notarissen of de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inwinnen.
   § 3. Indien uit klachten tegen een notaris, gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder of uit onderzoeken blijkt dat er imminent en kennelijk gevaar bestaat dat de voortzetting van zijn beroepsactiviteit derden ernstig nadeel kan berokkenen of in belangrijke mate afbreuk kan doen aan de waardigheid van het beroep, kan de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer aan de betrokkene, nog vóór een tucht- of strafrechtelijke procedure werd ingeleid, een preventieve schorsing opleggen.
   De vordering wordt ingeleid op eenzijdig verzoekschrift van de instantie bevoegd om de tuchtprocedure in te stellen of van de procureur des Konings. In dit laatste geval wint de voorzitter het advies in van de kamer van notarissen of de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   De maatregel kan slechts voor een duur van een maand worden opgelegd, eenmaal verlengbaar met een maand. De beschikking is, niettegenstaande enig verzet of hoger beroep, vanaf de uitspraak uitvoerbaar.
   § 4. Een afschrift van de beschikking wordt onverwijld door de griffie aan betrokkene, de instantie die bevoegd is om de tuchtprocedure in te stellen of ingesteld heeft, de procureur des Konings, en al naargelang het geval, de Nationale Kamer van Notarissen of de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, meegedeeld bij aangetekende zending, gerechtsdeurwaardersexploot of het digitale kanaal dat door de Nationale Kamer van notarissen en de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders daarvoor is aangeduid.
   § 5. De voorzitter van de bevoegde tuchtkamer kan op verzoek van de procureur des Konings, van de instantie bevoegd om de tuchtprocedure in te stellen of van betrokkene de maatregel op elk ogenblik opheffen. Dit verzoek wordt middels verzoekschrift aanhangig gemaakt.
   § 6. De notaris, gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder die preventief geschorst is, mag tijdens de duur van de maatregel zijn beroep niet uitoefenen. De kandidaat-gerechtsdeurwaarder die preventief geschorst is, mag geen plaatsvervangingen verrichten. Hij mag de briefwisseling die verband houdt met zijn beroep niet ondertekenen en mag geen cliënten ontvangen. De preventief geschorste notaris of gerechtsdeurwaarder heeft recht op het ereloon verschuldigd naar aanleiding van akten verleden tijdens de preventieve schorsing, behoudens hetgeen bepaald onder de paragrafen 7 en 8.
   § 7. Indien de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer, overeenkomstig paragraaf 2 of paragraaf 3, de notaris meer dan vijftien dagen preventief schorst, stelt de voorzitter onmiddellijk een plaatsvervanger aan, overeenkomstig artikel 64, § 3, eerste lid, van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt. Duurt de preventieve schorsing ten hoogste vijftien dagen, dan kan de voorzitter van de tuchtkamer een plaatsvervanger aanstellen op verzoek van, hetzij degene die preventief geschorst is, hetzij de instantie bevoegd om de tuchtprocedure in te stellen, hetzij de procureur des Konings, hetzij de kamer van notarissen. Wanneer het verzoek uitgaat van de kamer van notarissen, wordt het advies van de procureur des Konings gevraagd. Wanneer het verzoek uitgaat van de procureur des Konings, wordt het advies van de kamer van notarissen gevraagd. Wanneer het verzoek uitgaat van de geschorste persoon, wordt het advies gevraagd van de instantie die de preventieve schorsing heeft gevorderd.
   De plaatsvervanger heeft, ten laste van de vervangen persoon, recht op terugbetaling van de kosten die hij heeft gemaakt, alsook op de vergoeding die door de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer werd vastgesteld na het advies van de kamer van notarissen te hebben ingewonnen.
   De Nationale Kamer van notarissen staat in voor de bekendmaking van het niet-actief statuut ten gevolge van de beslissing in de door haar gehouden elektronische lijst bedoeld in artikel 91, eerste lid, 12° van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt. Enkel het niet actief statuut wordt bekendgemaakt in de voormelde elektronische lijst en in geen geval de oorzaak van de inactiviteit.
   § 8. Indien de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer een gerechtsdeurwaarder preventief schorst die niet werkzaam is binnen een gerechtsdeurwaardersassociatie of een formeel samenwerkingsverband, stelt hij een vervanger aan op verzoek van de instantie die bevoegd is om de tuchtprocedure in te stellen. Hiertoe is het advies vereist van de raad van het gerechtelijk arrondissement waar de betrokkene toe behoort.
   Indien een kandidaat-gerechtsdeurwaarder als vervanger wordt aangesteld, treedt hij in dezelfde rechten en verplichtingen als de vervangen gerechtsdeurwaarder.
   De vervanger heeft, ten laste van de preventief geschorste gerechtsdeurwaarder, recht op terugbetaling van de kosten die hij maakt, alsook op de vergoeding die door de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer werd vastgesteld na het advies van de arrondissementskamer waar de vervangen gerechtsdeurwaarder toe behoort, te hebben ingewonnen.
   De preventieve schorsing van een gerechtsdeurwaarder of kandidaat-gerechtsdeurwaarder wordt door de griffie van de tuchtraad ter kennis gebracht van de syndicus van het gerechtelijk arrondissement waar de betrokkene toe behoort, en van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   De syndicus staat in voor de bekendmaking van de vervanging en het niet-actief statuut ten gevolge van de beslissing in het tableau bedoeld in artikel 552, § 2.
   De Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders staat in voor de bekendmaking van de vervanging en het niet-actief statuut ten gevolge van de beslissing in de door haar gehouden elektronische lijst bedoeld in artikel 555/1, § 1, 15°. Enkel het niet actief statuut wordt bekendgemaakt in de voormelde elektronische lijst en in geen geval de oorzaak van de inactiviteit.
   § 9. Artikel 262 van het Strafwetboek is van toepassing op de notaris, de gerechtsdeurwaarder of de kandidaat-gerechtsdeurwaarder die preventief is geschorst.]1

  
Art. 555/5. [1 § 1er. La chambre de discipline compétente peut infliger une suspension préventive conformément aux modalités suivantes.
   § 2. S'il existe de sérieuses présomptions par rapport au bien-fondé des faits reprochés et s'il existe un danger manifeste que la poursuite de l'exercice de son activité professionnelle soit de nature à causer des préjudices graves à des tiers ou à porter sérieusement atteinte à la dignité de la profession, le notaire, l'huissier de justice ou le candidat-huissier de justice concerné qui fait l'objet d'une procédure pénale ou disciplinaire, peut être suspendu préventivement par le président de la chambre de discipline compétente tout au plus pour la durée de la procédure. La décision est exécutoire dès le prononcé, nonobstant toute opposition ou appel.
   L'intéressé est cité en référé devant le président de la chambre de discipline compétente, soit par l'instance qui a lancé la procédure disciplinaire, soit par le procureur du Roi. Le président peut solliciter l'avis de la chambre des notaires ou de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   § 3. S'il ressort de plaintes contre un notaire, un huissier de justice ou un candidat-huissier de justice ou d'enquêtes qu'il existe un danger imminent et manifeste que la poursuite de son activité professionnelle soit de nature à causer des préjudices graves à des tiers ou à porter sérieusement atteinte à la dignité de la profession, le président de la chambre de discipline compétente peut suspendre l'intéressé préventivement, avant même qu'une procédure disciplinaire ou pénale ait été introduite.
   La demande est introduite sur requête unilatérale de l'instance habilitée à engager la procédure disciplinaire ou du procureur du Roi. Dans ce dernier cas, le président recueille l'avis de la chambre des notaires ou de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   La mesure ne peut être imposée que pour une durée d'un mois, prolongeable une fois d'un mois. La décision est exécutoire dès le prononcé, nonobstant toute opposition ou appel.
   § 4. Une copie de la décision est communiquée sans délai par le greffier à l'intéressé, à l'instance habilitée à engager la procédure disciplinaire ou qui a engagé la procédure disciplinaire, au procureur du Roi, et selon le cas, à la Chambre nationale des notaires ou à la Chambre nationale des huissiers de justice, et ce par envoi recommandé, exploit d'huissier ou par le canal numérique désigné à cette fin par la Chambre nationale des notaires et la Chambre nationale des huissiers de justice.
   § 5. La mesure peut être levée, à tout moment, par le président de la chambre de discipline compétente, sur requête du procureur du Roi, de l'instance habilitée à engager la procédure disciplinaire ou de l'intéressé. Cette demande est introduite par requête.
   § 6. Pendant la durée de cette mesure, le notaire, l'huissier de justice ou candidat-huissier de justice suspendu préventivement ne peut exercer sa profession. Le candidat-huissier de justice suspendu préventivement, ne peut pas effectuer de suppléances. Il ne peut signer la correspondance professionnelle ni recevoir de clients. Le notaire ou huissier de justice suspendu préventivement a droit aux honoraires dus pour les actes passés pendant la période correspondant à la suspension préventive, sous réserve de ce qui est stipulé aux paragraphes 7 et 8.
   § 7. Lorsque la suspension préventive d'un notaire prononcée par le président de la chambre de discipline compétente, conformément au paragraphe 2 ou paragraphe 3, excède quinze jours, le président désigne immédiatement un suppléant, conformément à l'article 64, § 3, alinéa 1er de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat. Lorsque la suspension préventive n'excède pas quinze jours, le président de la chambre de discipline peut désigner un suppléant à la requête soit de la personne suspendue préventivement, soit de l'instance habilitée à engager la procédure disciplinaire, soit du procureur du Roi, soit de la chambre des notaires. Lorsque la requête émane de la chambre des notaires, l'avis du procureur du Roi est demandé. Lorsque la requête émane du procureur du Roi, l'avis de la chambre des notaires est demandé. Lorsque la requête émane de la personne suspendue, l'avis de l'instance qui a introduit la demande de suspension préventive est demandé.
   Le suppléant a droit au remboursement des frais qu'il a exposés et à la rémunération fixée par le président de la chambre de discipline compétente après avoir sollicité l'avis de la chambre des notaires, à charge de la personne suppléée.
   La Chambre nationale des notaires assure la publication de l'état d'inactivité résultant de la décision dans la liste électronique tenue par elle, telle que visée à l'article 91, alinéa 1er, 12° de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat. Seul le statut de non activité est publié dans la liste électronique précitée et en aucun cas la cause de l'inactivité.
   § 8. Si le président de la chambre de discipline compétente suspend par mesure préventive un huissier de justice qui ne travaille pas au sein d'une association d'huissiers de justice ou d'une relation de coopération formelle, il désigne un suppléant à la demande de l'instance compétente pour engager la procédure disciplinaire. A cette fin, l'avis du conseil de l'arrondissement judiciaire dont relève l'intéressé est requis.
   Si un candidat-huissier de justice est nommé en tant que remplaçant, il assume tous les droits et obligations de l'huissier de justice suppléé.
   Le suppléant a droit au remboursement de ses frais à la charge de l'huissier de justice suspendu à titre préventif, ainsi qu'à la rémunération déterminée par le président de la chambre de discipline compétente après avoir demandé l'avis de la chambre d'arrondissement à laquelle appartient l'huissier de justice suppléé.
   La suspension préventive d'un huissier de justice ou d'un candidat huissier de justice est notifiée par le greffe du conseil de discipline au syndic de l'arrondissement judiciaire auquel appartient l'intéressé et à la Chambre nationale des huissiers de justice.
   Le syndic assure la publication de la suppléance et de l'inactivité résultant de la décision dans le tableau visé à l'article 552, § 2.
   La Chambre nationale des huissiers de justice est chargée de publier la suppléance et l'état d'inactivité résultant de la décision dans la liste électronique qu'elle tient, visée à l'article 555/1, § 1er, 15°. Seul le statut de non activité est publié dans la liste électronique précitée et en aucun cas la cause de l'inactivité.
   § 9. L'article 262 du Code pénal s'applique au notaire, huissier de justice ou candidat-huissier de justice qui fait l'objet d'une mesure de suspension préventive.]1

  
HOOFDSTUK II. [1 - Organen bevoegd voor de tucht]1
CHAPITRE II. [1 - Les organes compétents pour la discipline]1
Art. 555/5bis. [1 § 1. Er bestaat voor heel België een tuchtraad met een Nederlandstalige en een Franstalige tuchtkamer, bevoegd ten aanzien [1 van de personen die aan het tuchtrecht van de notarissen en gerechtsdeurwaarders onderworpen zijn]1. De zetel is gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
   De Nederlandstalige tuchtkamer is bevoegd voor de procedures tegen de notarissen en gerechtsdeurwaarders met standplaats in het Nederlandstalig taalgebied en de notarissen en gerechtsdeurwaarders met standplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die ingeschreven zijn op de Nederlandse taalrol.
  [2 Zij is eveneens bevoegd voor de procedures tegen de kandidaat-notarissen die in het Nederlandstalig taalgebied ingeschreven zijn op een tableau bedoeld in artikel 77 van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de Nederlandse taalrol ingeschreven zijn, de erenotarissen met de laatste standplaats in het Nederlandstalig taalgebied of die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de Nederlandse taalrol ingeschreven zijn en de kandidaat-gerechtsdeurwaarders die ingeschreven zijn op de Nederlandse taalrol.]2
   De Franstalige tuchtkamer is bevoegd voor de procedures tegen de notarissen en gerechtsdeurwaarders met standplaats in het Franstalig en het Duitstalig taalgebied en de notarissen en gerechtsdeurwaarders met standplaats in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die ingeschreven zijn op de Franse taalrol.
  [2 Zij is eveneens bevoegd voor de procedures tegen de kandidaat-notarissen die in het Franstalig taalgebied ingeschreven zijn op een tableau bedoeld in artikel 77 van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt of in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de Franse taalrol ingeschreven zijn, de erenotarissen met de laatste standplaats in het Franstalig taalgebied of die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de Franse taalrol ingeschreven zijn en de kandidaat-gerechtsdeurwaarders die ingeschreven zijn op de Franse taalrol.]2
   § 2. Elke tuchtkamer is samengesteld uit drie leden, waaronder een magistraat die de tuchtkamer voorzit, naargelang het geval, twee notarissen-assessoren of twee gerechtsdeurwaarders-assessoren.
  [2 In elk rechtsgebied van het hof van beroep wijzen de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, van de ondernemingsrechtbanken en van de arbeidsrechtbanken alsook de voorzitter van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank gezamenlijk, om de drie jaar, twee werkende magistraten of eremagistraten van die rechtbanken aan die zitting kunnen hebben als voorzitter of plaatsvervangend voorzitter in de tuchtkamer. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel wordt per taalrol een werkende of eremagistraat op dezelfde wijze aangewezen. De eremagistraten mogen op het ogenblik van de aanwijzing de leeftijd van 72 jaar niet overschreden hebben. De aanwijzingen worden met redenen omkleed en medegedeeld aan het College van hoven en rechtbanken die uit de aangewezen magistraten één voorzitter en drie plaatsvervangers aanstelt per tuchtkamer.]2
   Het College van de hoven en rechtbanken informeert de minister van Justitie van de aangewezen magistraten. De minister van Justitie maakt de aangewezen magistraten in het Belgisch Staatsblad bekend.
   De plaatsvervangend voorzitter vervangt de voorzitter wanneer deze belet is of gewraakt wordt.
   Het mandaat is hernieuwbaar.
   Elke kamer van notarissen duidt een notaris-assessor aan per begonnen schijf van vijftig notarissen in het genootschap van notarissen. De kamer van notarissen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest stelt een Nederlandstalige en een Franstalige assessor aan per begonnen schijf van honderd notarissen. Voor de notarissen is de aanvaarding van de opdracht van assessor een deontologische verplichting; voor de erenotarissen niet.
   De algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders verkiest per gerechtelijk arrondissement vier gerechtsdeurwaarders-assessoren. Voor het gerechtelijk arrondissement Brussel worden twee Nederlandstalige en twee Franstalige assessoren verkozen.
   De ontslagnemende notaris-assessor wordt vervangen door een notaris die wordt aangeduid door de kamer van notarissen van het genootschap waarvan hij deel uitmaakt. De ontslagnemende assessor-gerechtsdeurwaarder wordt vervangen door een gerechtsdeurwaarder die verkozen wordt door de algemene vergadering van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   De assessoren worden aangesteld voor een mandaat van drie jaar. Uittredende assessoren kunnen eenmaal onmiddellijk heraangesteld worden.
   De notarissen en gerechtsdeurwaarders die sedert tenminste vijf jaar het ambt uitoefenen, erenotarissen en ere-gerechtsdeurwaarders kunnen tot assessor benoemd worden. Zij mogen binnen de vijf jaar voorafgaand aan hun aanstelling niet veroordeeld zijn geweest tot een in kracht van gewijsde gegane tuchtsanctie.
   De notarissen-assessoren mogen geen lid zijn van het directiecomité van de Nationale Kamer van notarissen, een kamer van notarissen of het auditoraat opgericht bij de Nationale Kamer van notarissen.
   De gerechtsdeurwaarders-assessoren mogen geen lid zijn van het directiecomité van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders, van de raad van de arrondissementskamer of het auditoraat opgericht bij de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.
   Het mandaat eindigt bij het verstrijken van de termijn, wanneer een onverenigbaarheid ontstaat als bedoeld in het achtste lid, of wanneer zij het voorwerp zijn van een in kracht van gewijsde gegane tuchtsanctie.
   De tuchtraad stelt het huishoudelijk reglement vast waarin de werking en organisatie, de vervanging van de voorzitter, de aanwijzing van de assessoren per beroepsgroep en de wijze van samenstelling van de tuchtkamer voor de zittingen wordt geregeld.
   Het huishoudelijk reglement wordt bij ministerieel besluit door de minister van Justitie, na advies van de Nationale Kamer van notarissen en de Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders, goedgekeurd en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
   § 3. Het ambt van griffier bij de tuchtraad wordt uitgeoefend door een griffier van de rechtbank van eerste aanleg in de zetel waar de tuchtraad haar zittingen houdt. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
   § 4. De instanties die, naast de procureur des Konings, bevoegd zijn om een tuchtprocedure in te stellen worden voor de notarissen bepaald in de artikelen 96 en 98 van de wet van 16 maart 1803 op het notarisambt en voor de gerechtsdeurwaarders in de artikelen 533, § 1, 552, § 1, 3° en 555/1, § 1, 21° voor de hypothese bedoeld in artikel 538, § 6.]1
  [2 § 5. De Koning bepaalt welke vergoeding aan de voorzitters en de plaatsvervangende voorzitters van de tuchtkamers kan worden toegekend.]2
  

Modifications

[2]<W 2024-03-24/60, art. 91, 256; Inwerkingtreding : 08-04-2024>
Art. 555/5bis. [1 § 1er. Il existe pour toute la Belgique un conseil de discipline composé d'une chambre de discipline francophone et d'une chambre de discipline néerlandophone, qui est compétent vis-à-vis des personnes soumises au droit disciplinaire des notaires et huissiers de justice. Le siège est établi en Région de Bruxelles-Capitale.
   La chambre de discipline néerlandophone est compétente pour les procédures à l'encontre des notaires et huissiers de justice ayant leur résidence dans la région de langue néerlandaise et des notaires et huissiers de justice ayant leur résidence dans la Région de Bruxelles-Capitale qui sont inscrits au rôle linguistique néerlandais.
  [2 Elle est également compétente pour les procédures contre les candidats-notaires inscrits dans la région de langue néerlandaise au tableau comme prévu à l'article 77 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat ou inscrit dans la Région de Bruxelles-Capitale au rôle linguistique néerlandais, les notaires honoraires ayant leur dernière résidence dans la région de langue néerlandaise ou qui sont inscrits au rôle linguistique néerlandais dans la Région de Bruxelles-Capitale et les candidats-huissiers de justice inscrits au rôle linguistique néerlandais.]2
   La chambre de discipline francophone est compétente pour les procédures à l'encontre des notaires et huissiers de justice ayant leur résidence dans la région de langue française et allemande et des notaires et huissiers de justice ayant leur résidence dans la Région de Bruxelles-Capitale qui sont inscrits au rôle linguistique français.
  [2 Elle est également compétente pour les procédures contre les candidats-notaires inscrits dans la région de langue française au tableau comme prévu à l'article 77 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat ou inscrit dans la Région de Bruxelles-Capitale au rôle linguistique français, les notaires honoraires ayant leur dernière résidence dans la région de langue française ou qui sont inscrits au rôle linguistique français dans la Région de Bruxelles-Capitale et les candidats-huissiers de justice inscrits au rôle linguistique français.]2
   § 2. Chaque chambre de discipline est composée de trois membres, dont un magistrat qui préside la chambre de discipline, et selon le cas de deux assesseurs-notaires ou de deux assesseurs huissiers de justice.
  [2 Dans chaque ressort de cour d'appel, les présidents des tribunaux de première instance, de l'entreprise et du travail et les présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police désignent conjointement, tous les trois ans, deux magistrats effectifs ou honoraires issus de ces tribunaux qui pourront siéger comme président ou président suppléant dans la chambre de discipline. Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, un magistrat effectif ou honoraire est désigné de la même manière dans chaque rôle linguistique. Les magistrats honoraires ne peuvent pas avoir dépassé l'âge de 72 ans au moment de leur désignation. Les désignations sont motivées et communiquées au Collège des cours et tribunaux qui nomme parmi les magistrats désignés un président et trois suppléants par chambre de discipline.]2
   Le Collège des cours et tribunaux informe le ministre de la Justice des magistrats désignés. Le ministre de la Justice publie les magistrats désignés au Moniteur belge.
   Le président suppléant remplace le président quand il est empêché ou récusé.
   Le mandat est renouvelable.
   Chaque chambre des notaires désigne un assesseur-notaire par tranche entamée de cinquante notaires dans la compagnie des notaires. La chambre des notaires de la Région de Bruxelles-Capitale désigne un assesseur francophone et un assesseur néerlandophone par tranche entamée de cent notaires. Pour les notaires, l'acceptation de la mission d'assesseur est une obligation déontologique; pour les notaires honoraires, ce n'est pas le cas.
   L'assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice élit quatre assesseurs-huissiers de justice pour chaque arrondissement judiciaire. Pour l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, deux assesseurs francophones et deux assesseurs néerlandophones sont élus.
   L'assesseur-notaire démissionnaire est remplacé par un notaire désigné par la chambre des notaires de la compagnie dont il fait partie. L'assesseur-huissier de justice démissionnaire est remplacé par un huissier de justice élu par l'assemblée générale de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   Les assesseurs sont désignés pour un mandat de trois ans. Les assesseurs sortants peuvent être immédiatement redésignés une seule fois.
   Les notaires et huissiers de justice qui exercent leur fonction depuis au moins cinq ans, les notaires honoraires et les huissiers de justice honoraires peuvent être nommés assesseurs. Ils ne peuvent avoir fait l'objet d'une peine disciplinaire passée en force de chose jugée au cours des cinq années précédant leur désignation.
   Les assesseurs-notaires ne peuvent pas être membres du comité de direction de la Chambre nationale des notaires, d'une chambre de notaires ou de l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des notaires.
   Les assesseurs-huissiers de justice ne peuvent pas être membres du comité de direction de la Chambre nationale des huissiers de justice, du conseil de la chambre d'arrondissement ou de l'auditorat établi auprès de la Chambre nationale des huissiers de justice.
   Le mandat prend fin à l'expiration du délai ou en cas d'incompatibilité visée à alinéa 8, ou s'ils font l'objet d'une peine disciplinaire passée en force de chose jugée.
   Le conseil de discipline fixe le règlement d'ordre intérieur, qui régit le fonctionnement et l'organisation, la suppléance du président, la désignation des assesseurs par groupe professionnel et le mode de composition du conseil de discipline pour les audiencess.
   Le règlement d'ordre intérieur est approuvé par le ministre de la Justice, après avis de la Chambre nationale des notaires et de la Chambre nationale des huissiers de justice, par arrêté ministériel publié au Moniteur belge.
   § 3. La fonction de greffier auprès du conseil de discipline est exercée par un greffier du tribunal de première instance au siège duquel le conseil de discipline tient ses audiences. Il est désigné par le greffier en chef.
   § 4. Les instances, outre le procureur du Roi, habilitées à engager une procédure disciplinaire à l'encontre des notaires sont définies aux articles 96 et 98 de la loi du 16 mars 1803 contenant organisation du notariat et à l'encontre des huissiers de justice aux articles 533, § 1, 552, § 1er, 3° et 555/1, § 1er, 21° pour l'hypothèse visée à l'article 538, § 6.]1

  [2 § 5. Le Roi détermine l'indemnité qui peut être allouée aux présidents et aux présidents suppléants des chambres de discipline.]2
  
HOOFDSTUK III. [1 - De tuchtprocedure]1
CHAPITRE III. [1 - La procédure disciplinaire]1
Art. 555/5ter. [1 § 1. Wanneer de bevoegde instantie een zaak aanhangig maakt bij de bevoegde tuchtkamer, bij aangetekende zending, gerechtsdeurwaardersexploot of het digitale kanaal dat door de Nationale Kamer van notarissen en de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders daartoe is aangeduid, verzoekt deze instantie de voorzitter van de bevoegde tuchtkamer om de samenstelling van de bevoegde tuchtkamer die zal oordelen mee te delen en maakt het dossier over aan de griffie. De voorzitter duidt daartoe de twee assessoren aan die zullen zetelen uit de beroepsgroep van degene aan wie een feit ten laste wordt gelegd.
   De aangestelde notarissen-assessoren mogen niet behoren tot het genootschap waartoe betrokkene aan wie een feit ten laste wordt gelegd behoort of mogen geen standplaats hebben die paalt aan de standplaats van betrokkene of geen deel uitmaken van een associatie die een kantoor heeft dat paalt aan de standplaats van betrokkene.
   De aangestelde gerechtsdeurwaarders-assessoren mogen hun kantoor niet hebben in het gerechtelijk arrondissement waar de betrokkene aan wie feiten worden ten laste gelegd, zijn kantoor heeft of ingeschreven is op het tableau van kandidaat-gerechtsdeurwaarders, noch mogen zij met de betrokkene geassocieerd zijn of zich beiden in een formeel samenwerkingsverband bevinden.
   De voorzitter bepaalt dag en uur van de eerste zitting.
   § 2. De griffier brengt de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld op de hoogte van deze beslissingen.
   De griffier roept de betrokkene bij aangetekende zending, gerechtsdeurwaardersexploot of het digitale kanaal dat door de Nationale Kamer van notarissen en de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders daartoe is aangeduid op om voor de bevoegde tuchtkamer te verschijnen. In de oproeping vermeldt de griffier het aan de betrokkene ten laste gelegd feit, de tuchtstraf die door de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld wordt gevorderd alsook de plaats waar en de uren waarop hij kennis kan nemen van het dossier. Dezelfde oproeping vermeldt de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld en de samenstelling van de tuchtkamer die zal oordelen.
   Een afschrift van de oproeping wordt verzonden aan de procureur des Konings die bevoegd is voor de standplaats van betrokkene.
   Indien de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld kennis heeft genomen van de zaak ingevolge een klacht, stelt zij de klager eveneens op de hoogte.
   § 3. De betrokkene kan zich laten bijstaan door een advocaat, of al naargelang het geval, door een notaris, een kandidaat-notaris, een erenotaris, of door een gerechtsdeurwaarder, een kandidaat-gerechtsdeurwaarder of een eregerechtsdeurwaarder.
   De betrokkene, de procureur des Konings, de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld en de klager kunnen uiterlijk binnen acht dagen na de oproeping bij de griffie van de tuchtraad een verzoek indienen om getuigen te horen en kunnen binnen dezelfde termijn stukken ter staving neerleggen. De tuchtkamer roept de getuigen op binnen een termijn van acht dagen na ontvangst van het verzoek.
   De bevoegde tuchtkamer roept de klager, de procureur des Konings, de belanghebbende derden, alsook, al naar gelang het geval, de notarissen of gerechtsdeurwaarders die rechtstreeks of onrechtstreeks bij het dossier betrokken zijn, en die de wens hebben geuit gehoord te worden op de zitting, op. Zij kunnen bijgestaan worden door een advocaat, of, al naargelang het geval, een notaris, een kandidaat-notaris of een erenotaris of door een gerechtsdeurwaarder, een kandidaat-gerechtsdeurwaarder of een eregerechtsdeurwaarder.
   De bevoegde tuchtkamer kan de personen oproepen die zij wenst te horen.
   § 4. Op straffe van verjaring wordt de tuchtprocedure ingesteld binnen twee jaar te rekenen vanaf de kennisneming van de feiten door de instantie die bevoegd is deze tuchtprocedure in te stellen.]1

  
Art. 555/5ter. [1 § 1er. Si l'instance compétente saisit la chambre de discipline compétente, par envoi recommandé, exploit d'huissier ou par le canal numérique désigné à cette fin par la Chambre nationale des notaires et la Chambre nationale des huissiers de justice, cette instance prie le président de la chambre de discipline compétente de communiquer la composition de la chambre de discipline compétente qui statuera et transmet le dossier au greffe. Le président désigne à cette fin les deux assesseurs qui siégeront parmi le groupe professionnel de la personne mise en cause.
   Les assesseurs-notaires désignés ne peuvent appartenir à la compagnie dont l'intéressé mis en cause fait partie ou ne peuvent avoir de résidence attenante à la résidence de l'intéressé ou ne peuvent faire partie d'une association qui possède un bureau attenant à la résidence de l'intéressé.
   Les assesseurs-huissiers de justice désignés ne peuvent avoir leur bureau dans l'arrondissement judiciaire où l'intéressé mis en cause a son bureau ou est inscrit au tableau des candidats-huissiers de justice, et ne peuvent pas non plus être associés avec l'intéressé ou se trouver tous deux dans une relation de coopération formelle.
   Le président fixe la date et l'heure de la première audience.
   § 2. Le greffier informe l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire de ces décisions.
   Le greffier convoque, par envoi recommandé, exploit d'huissier ou par le canal numérique désigné à cette fin par la Chambre nationale des notaires et la Chambre nationale des huissiers de justice, l'intéressé à comparaître devant la chambre de discipline compétente. Dans la convocation, le greffier mentionne le fait pour lequel l'intéressé est mis en cause, la peine disciplinaire requise par l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire, ainsi que le lieu et les heures où il peut prendre connaissance du dossier. La convocation en question mentionne l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire, ainsi que la composition de la chambre de discipline appelée à statuer.
   Une copie de la convocation est envoyée au procureur du Roi qui est compétent pour la résidence de l'intéressé.
   Si l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire a pris connaissance de l'affaire suite à une plainte, elle en informe également le plaignant.
   § 3. L'intéressé peut se faire assister par un avocat, ou selon le cas, par un notaire, un candidat-notaire, un notaire honoraire, ou par un huissier de justice, un candidat-huissier de justice ou un huissier de justice honoraire.
   L'intéressé, le procureur du Roi, l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire et le plaignant peuvent requérir, au plus tard huit jours après la convocation, auprès du greffe du conseil de discipline, que des témoins soient entendus et peuvent déposer des pièces justificatives dans le même délai. La chambre de discipline convoque les témoins dans un délai de huit jours à partir de la réception de la requête.
   La chambre de discipline compétente convoque le plaignant, le procureur du Roi, les tiers intéressés ainsi que, selon le cas, les notaires ou les huissiers de justice qui sont directement ou indirectement impliqués dans le dossier, et qui ont exprimé le souhait d'être entendus à l'audience. Ils peuvent se faire assister par un avocat, ou, selon le cas, par un notaire, un candidat-notaire ou un notaire honoraire, ou par un huissier de justice, un candidat-huissier de justice ou un huissier de justice honoraire.
   La chambre de discipline concernée peut convoquer les personnes qu'elle souhaite entendre.
   § 4. La procédure disciplinaire est, sous peine de prescription, ouverte dans les deux ans de la connaissance des faits par l'instance compétente pour initier cette procédure disciplinaire.]1

  
Art. 555/5quater. [1 De betrokkene of de instantie die bevoegd is de tuchtprocedure in te stellen kan zijn recht van wraking uitoefenen tegen de aangewezen magistraat-voorzitter of tegen een assessor die over zijn zaak moet beslissen om de redenen bedoeld in artikel 828.
   De betrokkene of de instantie die bevoegd is de tuchtprocedure in te stellen richt hiertoe uiterlijk binnen acht dagen na de oproeping, op straffe van verval, aan de voorzitter van de tuchtkamer bij aangetekende zending een gedagtekend en ondertekend geschrift waarin hij de naam vermeldt van de assessor die hij wil wraken met opgave van de redenen van wraking.
   De bevoegde tuchtkamer doet binnen vijftien dagen na ontvangst van het geschrift uitspraak over de gegrondheid van de wraking en het gevolg dat er eventueel aan moet gegeven worden. De magistraat-voorzitter of de assessor die gewraakt wordt, neemt geen deel aan het debat en de stemming en wordt vervangen door een andere magistraat-voorzitter of een andere assessor die door de voorzitter van de tuchtkamer wordt aangewezen.
   De met redenen omklede beslissing wordt binnen vijftien dagen na uitspraak door de griffie aan betrokkene meegedeeld bij aangetekende zending, gerechtsdeurwaardersexploot of het digitale kanaal dat door de Nationale Kamer van notarissen en de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders daarvoor is aangeduid.
   De magistraat-voorzitter of de assessor die vaststelt dat er tussen betrokkene en hemzelf een belangenconflict bestaat, deelt dit mee aan de voorzitter van de tuchtkamer waarvan hij deel uitmaakt. De voorzitter ontheft de betrokken assessor van zijn taak en stelt een andere assessor aan.]1

  
Art. 555/5quater. [1 L'intéressé ou l'instance compétente pour initier la procédure disciplinaire peut exercer son droit de récusation contre le magistrat président désigné ou contre un assesseur qui est appelé à statuer à son sujet pour les causes visées à l'article 828.
   L'intéressé ou l'instance compétente pour initier la procédure disciplinaire doit, à peine de déchéance, adresser au plus tard huit jours après la convocation, au président de la chambre de discipline, par envoi recommandé, un écrit daté et signé, mentionnant le nom de l'assesseur qu'il récuse, ainsi que les motifs de la récusation.
   La chambre de discipline compétente statue dans les quinze jours après réception de l'écrit, sur le bien-fondé de la récusation et la suite qui y est éventuellement donnée. Le magistrat président ou l'assesseur récusé ne participe ni au débat ni au vote et est remplacé par un autre magistrat président ou un autre assesseur désigné par le président de la chambre de discipline.
   La décision motivée est notifiée par envoi recommandé, exploit d'huissier ou par le canal numérique désigné à cette fin par la Chambre nationale des notaires et la Chambre nationale des huissiers de justice, dans les quinze jours de la décision par le greffe à l'intéressé.
   Le magistrat président ou l'assesseur qui constate qu'il existe un conflit d'intérêts entre l'intéressé et lui-même, est tenu d'en faire part au président de la chambre de discipline dont il fait partie. Le président relève l'assesseur concerné de sa mission et désigne un autre assesseur.]1

  
Art. 555/5quinquies. [1 § 1. De zitting voor de debatten wordt door de bevoegde tuchtkamer gehouden binnen een termijn die niet minder mag bedragen dan een maand na de datum van oproeping van de betrokkene. In geval van wraking wordt deze termijn op veertig dagen gebracht.
   § 2. De debatten zijn openbaar tenzij de betrokkene om behandeling met gesloten deuren verzoekt. De tuchtkamer gaat in op dat verzoek tenzij hij van oordeel is dat dit strijdig is met het openbaar belang. De tuchtkamer mag eveneens zitting houden met gesloten deuren gedurende de gehele of een deel van de rechtspleging, in het belang van de openbare orde of de goede zeden, of telkens dit strikt noodzakelijk wordt geacht en de openbaarheid de belangen van een betrokkene of de goede rechtsbedeling zouden schaden.
   De betrokkene heeft het recht op die zitting, zelf of bij monde van de persoon die hem bijstaat, zijn middelen van verweer uiteen te zetten. De opgeroepen getuigen mogen zowel door de betrokkene, door de leden van de bevoegde tuchtkamer als door de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld ondervraagd worden.]1

  
Art. 555/5quinquies. [1 § 1er. L'audience consacrée aux débats est tenue par la chambre de discipline compétente dans un délai qui ne peut être inférieur à un mois après la date fixée pour la comparution de l'intéressé. En cas de récusation, ce délai est porté à quarante jours.
   § 2. Les débats sont publics, sauf si l'intéressé demande le huis clos. La chambre de discipline accède à cette demande sauf si elle estime que c'est contraire à l'intérêt public. La chambre de discipline peut également siéger à huis clos pendant toute la durée ou une partie de la procédure, dans l'intérêt de l'ordre public ou des bonnes moeurs, ou chaque fois qu'elle le juge strictement nécessaire ou que la publicité pourrait nuire aux intérêts d'une personne concernée ou à la bonne administration de la justice.
   L'intéressé a le droit de présenter à cette audience, lui-même ou par la voix de la personne qui l'assiste, ses moyens de défense. Les témoins appelés peuvent être interrogés tant par l'intéresé que par les membres de la chambre de discipline compétente et par l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire.]1

  
Art. 555/5sexies. [1 § 1. De tuchtkamer beslist bij geheime stemming. Zij kan de tuchtstraffen bedoeld in artikel 555/3 opleggen.
   De beslissing wordt uiterlijk binnen een maand na de sluiting van de debatten in openbare zitting uitgesproken. De beslissing wordt met redenen omkleed en in het daartoe bestemd register opgetekend en tijdens de zitting waarop zij werd uitgesproken getekend door de leden van de tuchtkamer waarvan de namen worden vermeld.
   Deze beslissing is niet uitvoerbaar bij voorraad.
   § 2. De tuchtkamer kan, voor de duur die zij bepaalt, aan de betrokkene tegen wie zij schorsing of afzetting heeft uitgesproken, een verbod om zijn beroep uit te oefenen opleggen, niettegenstaande hoger beroep. De bepalingen van artikel 555/5, §§ 6, 7 en 8 zijn van overeenkomstige toepassing.
   De bevoegde tuchtkamer kan, op verzoek van de procureur des Konings, van de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld of van de betrokkene het verbod op elk ogenblik opheffen.
   § 3. De geschorste betrokkene moet, voor de duur van de schorsing, de uitoefening van zijn beroep stopzetten. Bij overtreding van deze bepaling zijn de straffen bedoeld in het tweede lid op hem van toepassing. Tijdens de duur van de schorsing mag hij de algemene vergadering van het genootschap van notarissen, de arrondissementskamer of Nationale Kamer van gerechtsdeurwaarders niet bijwonen en is hij niet verkiesbaar tot lid van de kamer van notarissen of de raad van de arrondissementskamer noch tot vertegenwoordiger bij de Nationale Kamer van notarissen of de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders. Indien de betrokkene reeds tot één van de voormelde functies is verkozen, mag hij gedurende de duur van schorsing deze functie niet uitoefenen en moet er in zijn vervanging worden voorzien.
   De betrokkene die is afgezet, moet de uitoefening van zijn beroep stopzetten, op straffe van schadevergoeding en, in voorkomend geval, andere straffen waarin de wet voorziet ten aanzien van openbare ambtenaren die ondanks afzetting hun ambt blijven uitoefenen.
   Voorafgaande bepalingen zijn van toepassing vanaf het ogenblik dat de beslissing houdende uitspraak van de tuchtstraf definitief is geworden.]1

  
Art. 555/5sexies. [1 § 1er. La chambre de discipline prend sa décision au scrutin secret. Elle peut infliger les peines disciplinaires visées à l'article 555/3.
   La décision est prononcée en audience publique, dans le mois de la clôture des débats. La décision est motivée, consignée au registre destiné à cet effet et signée à l'audience même où elle est prononcée par les membres de la chambre de discipline dont les noms sont mentionnés.
   Cette décision n'est pas exécutoire par provision.
   § 2. La chambre de discipline peut, pour la durée qu'elle fixe, interdire à l'intéressé contre lequel elle a prononcé la suspension ou la destitution, l'exercice de sa profession, nonobstant appel. Les dispositions de l'article 555/5, §§ 6, 7 et 8, s'appliquent par analogie.
   L'interdiction peut être levée à tout moment par la chambre de discipline compétente, à la demande du procureur du Roi, de l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire ou de l'intéressé.
   § 3. L'intéressé qui a été suspendu doit, pour la durée de la suspension, cesser l'exercice de sa profession. En cas d'infraction, les peines visées à l'alinéa 2, lui sont applicables. Pendant la durée de la suspension, il ne peut pas assister à l'assemblée générale de la compagnie des notaires, de la chambre d'arrondissement ou la Chambre nationale des huissiers de justice et il ne peut pas être élu membre de la chambre des notaires ou du conseil de la chambre d'arrondissement ou être élu représentant auprès de la Chambre nationale des notaires ou de la Chambre nationale des huissiers de justice. Si l'intéressé est déjà élu à une des fonctions précitées, il ne peut plus exercer cette fonction pendant la durée de la suspension et il doit être pourvu à son remplacement.
   L'intéressé qui a été destitué doit cesser l'exercice de sa profession, sous peine de dommages-intérêts et, le cas échéant, des autres peines prévues par les lois contre tout fonctionnaire destitué qui continue l'exercice de ses fonctions.
   Les dispositions qui précèdent s'appliquent dès le moment où la décision prononçant la sanction est définitive.]1

  
Art. 555/5septies. [1 Binnen vijftien dagen na de uitspraak wordt de beslissing bij aangetekende zending, gerechtsdeurwaardersexploot of het digitale kanaal dat door de Nationale Kamer van notarissen en de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders daarvoor is aangeduid, aan de klager, de betrokkene, de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld en de bevoegde procureur des Konings meegedeeld.
   In de kennisgeving van de beslissing aan de betrokkene wordt melding gemaakt dat tegen de beslissing verzet kan betekend worden. Tevens meldt de beslissing de mogelijkheid van beroep, de termijnen waarbinnen het beroep kan worden ingesteld en de tekst van artikel 427septies.
   Een afschrift van de beslissing wordt verzonden, al naargelang het geval, aan de betrokken kamer van notarissen en de Nationale Kamer van notarissen of aan de betrokken arrondissementskamer van gerechtsdeurwaarders en de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders.]1

  
Art. 555/5septies. [1 Dans les quinze jours du prononcé, la décision est notifiée par envoi recommandée, exploit d'huissier ou par le canal numérique désigné à cet effet par la Chambre nationale des notaires et la Chambre nationale des huissiers de justice, au plaignant, à l'intéressé, à l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire et au procureur du Roi compétent.
   Dans la notification de la décision à l'intéressé, il est fait mention qu'opposition peut être formée à l'encontre de la décision. Par ailleurs, la décision mentionne la possibilité d'un recours, les délais dans lesquels le recours peut être introduit et le texte de l'article 427septies.
   Une copie de la décision est envoyée, selon le cas, à la chambre des notaires concernée et à la Chambre nationale des notaires ou à la chambre d'arrondissement des huissiers de justice concernée et à la Chambre nationale des huissiers de justice.]1

  
Art. 555/5octies. [1 § 1. Binnen de maand na de kennisgeving kan tegen de beslissing van de bevoegde tuchtkamer verzet worden ingesteld of beroep worden ingesteld bij het hof van beroep van het rechtsgebied waar de betrokkene zijn standplaats heeft [2 , laatst heeft gehad of zijn beroepsactiviteit uitoefent]2.
   Het verzet door de betrokkene wordt ingeleid en behandeld overeenkomstig boek III, titel II.
   Het beroep kan ingesteld worden door de betrokkene, de instantie die de tuchtprocedure heeft ingesteld en de procureur des Konings.
   Het beroep wordt ingeleid en behandeld overeenkomstig boek III, titel III. Het hoger beroep door de betrokkene wordt ingeleid bij verzoekschrift overeenkomstig artikel 1056, 2°. In alle andere gevallen wordt het hoger beroep ingeleid bij gerechtsdeurwaardersexploot dat aan de betrokkene wordt betekend.
  [2 § 1/1. Het hoger beroep tegen een beslissing over de gegrondheid van een wraking als bedoeld in artikel 555/5quater of een tussenvonnis heeft geen devolutieve werking. Na uitspraak in hoger beroep, wordt de zaak naar de tuchtraad verwezen.]2
   § 2. Het hof waarbij het beroep is ingesteld, doet in openbare zitting uitspraak in laatste aanleg. Het kan alleen de in artikel 424 bedoelde straffen opleggen of de betrokkene vrijspreken.
   § 3. Het hof van beroep kan, voor de duur die zij bepaalt, aan de betrokkene tegen wie zij schorsing of afzetting heeft uitgesproken, een verbod om zijn beroep uit te oefenen opleggen, niettegenstaande cassatie. De bepalingen van artikel 555/5, §§ 6, 7 en 8, zijn van overeenkomstige toepassing.
   Het hof van beroep kan, op verzoek van de procureur-generaal, van de instantie die de tuchtprocedure heeft ingeleid of van de betrokkene het verbod op elk ogenblik opheffen.
   § 4. De bepalingen van artikel 555/5sexies, § 3 zijn van overeenkomstige toepassing op de geschorste of afgezette betrokkene.]1

  
Art. 555/5octies. [1 § 1er. Dans le mois de la notification, une opposition peut être formée à l'encontre de la décision de la chambre de discipline compétente ou un appel interjeté devant la Cour d'appel du ressort où l'intéressé a sa résidence [2 , a eu sa dernière résidence ou exerce son activité professionnelle]2.
   L'opposition par l'intéressé est interjectée et traitée conformément au livre III, titre II.
   L'appel peut être interjeté par l'intéressé, par l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire et par le procureur du Roi.
   L'appel est interjeté et traité conformément au livre III, titre III. L'appel est interjeté par l'intéressé par requête conformément à l'article 1056, 2°. Dans tous les autres cas, l'appel est interjeté par exploit d'huissier qui est signifié à l'intéressé.
  [2 § 1/1. Le recours contre une décision au sujet du bien-fondé de la récusation visé à l'article 555/5quater ou sur un jugement interlocutoire, n'a pas d'effet dévolutif. Après avoir statué sur l'appel, la cause est renvoyée au conseil de discipline.]2
   § 2. La cour auprès de laquelle l'appel est interjeté statue en audience publique en dernier ressort. Elle ne peut qu'infliger les peines visées à l'article 424 ou acquitter l'intéressé.
   § 3. La cour d'appel peut, pour la durée qu'elle fixe, interdire à l'intéressé contre qui elle a prononcé la suspension ou la destitution, l'exercice de sa profession, nonobstant cassation. Les dispositions de l'article 555/5, §§ 6, 7 en 8, s'appliquent par analogie.
   L'interdiction peut être levée à tout moment par la cour d'appel, à la demande du procureur général, de l'instance qui a engagé la procédure disciplinaire ou de l'intéressé.
   § 4. Les dispositions de l'article 555sexies, § 3 s'appliquent par analogie à l'intéressé suspendu ou destitué.]1

  
BOEK V. [1 Bepaalde bijzondere gerechtelijke actoren]1
LIVRE V. [1 De certains acteurs judiciaires particuliers]1
HOOFDSTUK I. [1 Gerechtsdeskundigen en de beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken]1
CHAPITRE Ier. [1 Des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés]1
Art. 555/6. [1 Behoudens de uitzondering bedoeld in artikel 555/15, zijn uitsluitend de personen die, na beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar en zulks na advies van de aanvaardingscommissie, opgenomen zijn in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, gemachtigd om de titel van gerechtsdeskundige te voeren en bevoegd om opdrachten als gerechtsdeskundige te aanvaarden en uit te voeren of om de titel van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk te voeren en bevoegd om de hen bij de wet toevertrouwde vertaal- of tolkwerkzaamheden te verrichten die hen bij wet zijn toevertrouwd.]1
  
Art. 555/6. [1 Sauf l'exception prévue à l'article 555/15, seules les personnes qui, sur décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui et ce, sur avis de la commission d'agrément, sont inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés sont autorisées à porter le titre d'expert judiciaire et habilitées à accepter et accomplir des missions en tant qu'expert judiciaire ou à porter le titre de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et habilitées à effectuer des travaux de traduction ou d'interprétation qui leur sont confiés en vertu de la loi.]1
  
Art. 555/7. [1 § 1. Voorafgaand aan de opname wint de minister of de door hem gemachtigde ambtenaar inlichtingen in omtrent de moraliteit en de beroepsbekwaamheid van de kandidaat gerechtsdeskundige of van de kandidaat beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk bij het openbaar ministerie, bij de gerechtelijke overheden waarvoor hij eventueel reeds is opgetreden en, in voorkomend geval, bij de wettelijk ingestelde tuchtoverheden.
   Indien nodig kan een veiligheidsadvies met betrekking tot de kandidaat vereist worden zoals bedoeld in de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.
   Deze inlichtingen mogen enkel gebruikt worden in het kader van de toepassing van de bepalingen van Boek V. De ingewonnen gegevens worden bewaard door de Federale Overheidsdienst Justitie tot de opname in het register om welke reden ook wordt beëindigd. Bij weigering van de opname of van verlenging van de opname in het register worden de gegevens bewaard tot de beslissing definitief is.
   De personen die niet over een woon- of verblijfplaats in België beschikken, leggen een document voor van de lidstaat van de Europese Unie waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben dat gelijkwaardig is aan het uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering dat niet ouder is dan drie maanden.
   § 2. De opname in het nationaal register voor de gerechtsdeskundigen en voor de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken alsook de verlenging ervan gebeurt na beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, zulks na advies van de aanvaardingscommissie. Deze gaat in het bijzonder na of het voorgelegde diploma toegang kan geven tot het gekozen domein van deskundigheid of tot de gekozen taal, of de aangegeven ervaring relevant is en of het bewijs van de juridische kennis is gegeven. Zij houdt rekening met de ingewonnen inlichtingen.
   § 3. Op initiatief en onder toezicht van de aanvaardingscommissie verzekert de Federale Overheidsdienst Justitie een permanente kwaliteitsbewaking ten aanzien van de aanstellingen van gerechtsdeskundigen en van beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, en houdt permanent toezicht op de naleving van de deontologische code bedoeld in artikel 555/9, 3°, en op de kwaliteit van de uitvoering van de expertiseopdrachten die zijn toevertrouwd aan de gerechtsdeskundigen of van de vertaal- of tolkopdrachten die zijn toevertrouwd aan de beëdigd vertalers, tolken of vertalers-tolken.
   § 4. De Koning bepaalt de samenstelling en de werking van de aanvaardingscommissie. In geen geval kan de commissie samengesteld zijn uit een meerderheid van gerechtsdeskundigen of van beëdigd vertalers, tolken of vertalers-tolken.]1

  
Art. 555/7. [1 § 1er. Avant l'inscription, le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui recueille des renseignements sur la moralité et l'aptitude professionnelle du candidat expert judiciaire ou du candidat traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré auprès du ministère public, des autorités judiciaires pour lesquelles il est éventuellement déjà intervenu et des juridictions disciplinaires instituées par la loi, le cas échéant.
   Si nécessaire, un avis de sécurité concernant le candidat peut être requis, tel que visé dans la loi du 11 décembre 1998 relative à la classification et aux habilitations, attestations et avis de sécurité.
   Ces informations ne peuvent être utilisées que dans le cadre de l'application des dispositions du Livre V. Les données recueillies sont conservées par le Service Public Fédéral Justice jusqu'à ce que l'inscription au registre prenne fin, pour quelque raison que ce soit. En cas de refus d'inscription ou de prolongation de l'inscription au registre, les données sont conservées jusqu'à ce que la décision soit définitive.
   Les personnes qui ne disposent pas d'un domicile ou d'une résidence en Belgique présentent un document de l'Etat membre de l'Union Européenne où elles ont leur domicile ou résidence qui soit équivalent à l'extrait de casier judiciaire visé à l'article 595 du Code d'Instruction criminelle, délivré depuis moins de trois mois.
   § 2. L'inscription au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés ainsi que sa prolongation s'effectue après décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui et ce, après avis de la commission d'agrément. Celle-ci vérifie en particulier si le diplôme présenté permet d'accéder au domaine d'expertise ou à la langue choisie, si l'expérience indiquée est pertinente et si la preuve des connaissances juridiques a été apportée. Elle tient compte des renseignements recueillis.
   § 3. A l'initiative et sous la surveillance de la commission d'agrément, le Service Public Fédéral Justice exerce un contrôle de qualité permanent sur les désignations d'experts judiciaires et de traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés et vérifie en permanence le respect du code de déontologie visé à l'article 555/9, 3°, et la qualité de l'exécution des missions d'expertise confiées aux experts judiciaires ou des missions de traduction ou d'interprétation confiées aux traducteurs, interprètes ou traducteurs-interprètes jurés.
   § 4. Le Roi détermine la composition et le fonctionnement de la commission d'agrément. La commission ne peut en aucun cas être composée d'une majorité d'experts judiciaires ou de traducteurs, interprètes ou traducteurs-interprètes jurés.]1

  
Art. 555/8. [1 Enkel de natuurlijke personen die voldoen aan de volgende voorwaarden kunnen worden opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken:
   1° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Unie of er wettelijk verblijven;
   2° niet veroordeeld zijn bij een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, zelfs niet met uitstel, tot een correctionele of criminele straf, bestaande uit een geldboete, een werkstraf of een gevangenisstraf, behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer en behoudens veroordelingen die volgens de minister van Justitie kennelijk geen bezwaar vormen voor de uitvoering van deskundigenonderzoeken in het domein van deskundigheid en specialisatie waarvoor ze zich in de hoedanigheid van gerechtsdeskundige hebben laten registreren of voor de uitvoering van de vertaal- of tolkwerkzaamheden door de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, in de talen waarvoor ze zich hebben laten registreren in de hoedanigheid van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk.
   Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing op personen die in het buitenland tot een soortgelijke straf zijn veroordeeld bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis.
   3° ten minste 21 jaar oud zijn voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken;
   4° het bewijs leveren dat zij over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis beschikken.
   De volgende categorieën worden verondersteld over de nodige beroepsbekwaamheid en juridische kennis te beschikken en hoeven dit bewijs niet te leveren :
   - De gerechtsdeskundigen die verbonden zijn aan een instelling waarvoor een accreditatiecertificaat is afgegeven, op de wijze bepaald door het koninklijk besluit van 31 januari 2006 tot oprichting van het BELAC accreditatiesysteem van instellingen voor de conformiteitsbeoordeling en bij die instelling activiteiten uitvoeren die onder de accreditatie bij deze laatste vallen, dit voor zover de vereiste juridische kennis wordt geïntegreerd in het opleidingsplan. Indien een gerechtsdeskundige niet meer verbonden is aan de instelling, is deze instelling ertoe gehouden hiervan de Federale Overheidsdienst Justitie in kennis te stellen.
   - De gerechtsdeskundige waarvan het activiteitendomein een bij wet gereglementeerd beroep is en die ingeschreven is op de ledenlijst van de instelling of van de orde van dat beroep is, voor wat betreft de uitoefening van opdrachten die tot dat activiteitendomein behoren, voor wat betreft de voorwaarde inzake beroepsbekwaamheid. Zij dienen wel nog het bewijs van juridische kennis te leveren.
   - De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk die in die hoedanigheid tewerkgesteld is bij de Federale Overheidsdienst Justitie.]1

  
Art. 555/8. [1 Seules les personnes physiques qui répondent aux conditions suivantes peuvent être inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés:
   1° être ressortissant d'un Etat membre de l'Union européenne ou y résider légalement;
   2° ne pas avoir été condamné par une condamnation coulée en force de chose jugée, même avec sursis, à une peine correctionnelle ou criminelle consistant en une amende, une peine de travail ou une peine de prison, à l'exception des condamnations pour infraction à la réglementation relative à la police de la circulation routière et des condamnations qui, selon le ministre de la Justice, ne constituent manifestement pas un obstacle à la réalisation d'expertises dans le domaine d'expertise et de spécialisation dans lequel elles se font enregistrer en qualité d'expert ou à l'exécution de travaux de traduction ou d'interprétation par les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés dans les langues dans lesquelles elles se font enregistrer en qualité de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré.
   Cette disposition s'applique par analogie aux personnes qui ont été condamnées à l'étranger à une peine de même nature par un jugement coulé en force de chose jugée.
   3° être âgé de 21 ans au moins s'il s'agit d'un traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré;
   4° fournir la preuve qu'elles disposent de l'aptitude professionnelle et des connaissances juridiques requises.
   Les catégories suivantes sont supposées disposer de l'aptitude professionnelle et des connaissances juridiques requises et ne doivent pas apporter cette preuve :
   - Les experts judiciaires qui sont liés à une institution pour laquelle un certificat d'accréditation est délivré selon les modalités fixées par l'arrêté royal du 31 janvier 2006 portant création du système BELAC d'accréditation des organismes d'évaluation de la conformité et qui exercent auprès de celle-ci des activités couvertes par l'accréditation, pour autant que les connaissances juridiques requises soient intégrées au plan de formations. Si un expert judiciaire n'a plus de lien avec l'institution, cette institution est tenue d'en informer le Service Public Fédéral Justice.
   - Les experts judiciaires dont le domaine d'activités relève d'une profession réglementée par la loi et qui sont inscrits sur la liste des membres de l'institution ou sur celle de l'ordre de cette profession, pour l'exercice des missions relevant de ce domaine d'activités, en ce qui concerne la condition relative à l'aptitude professionnelle. Ceux-ci doivent encore fournir la preuve des connaissances juridiques.
   - Les experts judiciaires ainsi que les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés engagés à ce titre par le Service Public Fédéral Justice.]1

  
Art. 555/9. [1 De natuurlijke personen die worden opgenomen in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken hebben de volgende verplichtingen :
   1° zich ter beschikking houden van de gerechtelijke overheden, voor wat betreft de gerechtsdeskundigen, of van de overheden, voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, die een beroep kunnen doen op hun diensten;
   2° het volgen van permanente vormingen in hun domein van deskundigheid en op het vlak van de gerechtelijke procedures, voor wat betreft de gerechtsdeskundigen of op het vlak van de kennis van de taal waarvoor ze werden opgenomen, alsook van de vertaaltechniek en van de gerechtelijke procedures, voor wat betreft de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, volgens de door de Koning bepaalde nadere regels;
   3° het naleven van de door de Koning bepaalde deontologische code, die minstens voorziet in de principes van onafhankelijkheid en onpartijdigheid bevat;
   4° het bijwerken van de contactgegevens welke de overheden die een beroep kunnen doen op hun diensten in staat stellen hen te bereiken.]1

  
Art. 555/9. [1 Les personnes physiques qui sont inscrites au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés ont les obligations suivantes :
   1° se tenir à la disposition des autorités judiciaires pour ce qui concerne les experts judiciaires ou des autorités pour ce qui concerne les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés qui peuvent faire appel à leurs services;
   2° suivre des formations continues dans leur domaine d'expertise et sur le plan des procédures judiciaires pour ce qui concerne les experts judiciaires ou sur le plan des connaissances de la langue pour laquelle ils ont été inscrits ainsi que de la technique de traduction et des procédures judiciaires pour ce qui concerne les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, selon les modalités fixées par le Roi;
   3° respecter le code de déontologie établi par le Roi, lequel code prévoit au moins les principes d'indépendance et d'impartialité;
   4° tenir à jour les coordonnées permettant aux autorités judiciaires qui peuvent faire appel à leurs services de les joindre.]1

  
Art. 555/10. [1 § 1. Het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken wordt door de Federale Overheidsdienst Justitie beheerd en wordt permanent bijgewerkt.
   De opname in het nationaal register geldt voor een periode van zes jaar, die telkens verlengd kan worden voor dezelfde duur.
   De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk kan zes maanden vóór het verstrijken van deze periode een verlenging van zijn opname vragen. Bij deze aanvraag voegt hij een lijst van de burgerrechtelijke en administratieve opdrachten die hem werden toevertrouwd alsook het bewijs van de gevolgde permanente vormingen. Personen die over een woon- of verblijfplaats beschikken in het buitenland zijn ertoe gehouden een document voor te leggen van de lidstaat van de Europese Unie waar zij hun woon- of verblijfplaats hebben, dat gelijkwaardig is aan een uittreksel uit het strafregister bedoeld in artikel 595 van het Wetboek van Strafvordering en sedert minder dan drie maanden is afgegeven.
   Bij beslissing van de minister van Justitie of van de door hem gemachtigde ambtenaar, binnen de zes maanden na aanvraag en na advies van de aanvaardingscommissie, wordt de inschrijving verlengd voor een nieuwe periode van zes jaar. De aanvaardingscommissie houdt in haar advies over de aanvraag tot verlenging rekening met de gevolgde opleidingen en de ingewonnen inlichtingen zoals bepaald in artikel 555/7, § 1.
   De gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk blijft opgenomen in het register tot na de beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, voor zover de verlenging van zijn opname is gevraagd voor het verstrijken van de in het tweede lid voorziene periode van zes jaar.
   § 2. Het register bevat de volgende gegevens :
   1° de naam, de voornaam en het geslacht van de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk of de vertaler-tolk;
   2° de contactgegevens die de overheden die een beroep kunnen doen op zijn diensten in staat stellen hem te bereiken;
   3° a) voor wat betreft de gerechtsdeskundige, de gekozen proceduretaal of -talen, de deskundigheid en de specialisatie(s) waarvoor hij is geregistreerd;
   b) voor wat betreft de beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk de gekozen proceduretaal of -talen en de andere taal of talen waarvoor hij zich heeft laten registreren;
   4° de gerechtelijke arrondissementen waarvoor hij beschikbaar is;
   5° het identificatienummer van de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk of de vertaler-tolk;
   6° de datum van de opname, van de verlenging, van de schorsing en de schrapping;
   7° het neergelegde specimen van de handtekening zoals bedoeld in artikel 555/14, § 3;
   8° [2 ...]2
   De Koning bepaalt welke gegevens ter beschikking worden gesteld van het publiek via de website van de Federale Overheidsdienst Justitie en welke instanties toegang krijgen tot alle gegevens.]1

  
Art. 555/10. [1 § 1er. Le registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés est géré et actualisé en permanence par le Service Public Fédéral Justice.
   L'inscription au registre national vaut pour une période de six ans, qui peut être prolongée chaque fois pour la même durée.
   Six mois avant l'expiration de cette période, l'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré peut demander une prolongation de son inscription. Il joint à cette demande une liste des missions civiles et administratives qui lui ont été confiées ainsi que la preuve des formations continues suivies. Les personnes qui disposent d'un domicile ou d'une résidence à l'étranger sont tenues de présenter un document de l'Etat membre de l'Union européenne où elles ont leur domicile ou résidence qui soit équivalent à l'extrait de casier judiciaire visé à l'article 595 du Code d'instruction criminelle, délivré depuis moins de trois mois.
   Dans les six mois qui suivent la demande et après avis de la commission d'agrément, l'enregistrement est prolongé pour une nouvelle durée de six ans par décision du ministre de la Justice ou de son fonctionnaire délégué. La commission d'agrément tient dans son avis sur la demande de prolongation compte des formations suivies et des renseignements recueillis tels que visé à l'article 555/7, § 1er.
   L'expert judiciaire ou le traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré reste inscrit au registre jusqu'à la décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui, à condition que la prolongation de son inscription ait été demandée avant l'expiration du délai de six ans prévu à l'alinéa 2.
   § 2. Le registre contient les données suivantes :
   1° le nom, le prénom et le sexe de l'expert judiciaire, du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré;
   2° les coordonnées permettant aux autorités qui peuvent faire appel à ses services de le joindre;
   3° a) pour ce qui concerne l'expert judiciaire, la ou les langue(s) de la procédure choisie(s), l'expertise et la ou les spécialisation(s) pour la ou lesquelle(s) il est enregistré;
   b) pour ce qui concerne le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, la ou les langue(s) de la procédure choisie(s) et la ou les autre(s) langue(s) pour la ou lesquelle(s) il s'est fait enregistrer;
   4° les arrondissements judiciaires dans lesquels il est disponible;
   5° le numéro d'identification de l'expert judiciaire, du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré;
   6° la date de l'inscription, de la prolongation, de la suspension et de la radiation;
   7° le spécimen déposé de la signature visé à l'article 555/14, § 3;
   8° [2 ...]2
   Le Roi détermine quelles données sont mises à la disposition du public via le site Internet du Service Public Fédéral Justice ainsi que les instances qui ont accès à toutes les données.]1

  
Art. 555/11. [1 § 1. Aan de persoon, die vermeld wordt in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, wordt door de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar een identificatienummer en een legitimatiekaart uitgereikt, waarvan het model wordt bepaald door de Koning. [3 ...]3
   § 2. De bevoegde overheid kan een anoniem identificatienummer toekennen per dossier in de gevallen waarvoor het vereist is dat de identiteit van de betrokkene die optreedt in zijn hoedanigheid wordt afgeschermd om veiligheidsredenen. Dit anoniem identificatienummer is een ander dan het identificatienummer bedoeld in het eerste lid en bestaat in het verbergen van de identiteit van de betrokkene die in zijn hoedanigheid handelt. De modaliteiten inzake toekenning en het beheer van dit anoniem identificatienummer worden door de Koning bepaald.
   Een anoniem identificatienummer kan ook worden toegekend in de gevallen voorzien in artikel 555/15.
   § 3. Het identificatienummer of het anoniem identificatienummer wordt opgenomen in de verslagen van de gerechtsdeskundige bedoeld in artikel 978, § 1. De gerechtsdeskundige vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam en titel.
   In afwijking van het vorig lid, wordt bij het gebruik van het anoniem identificatienummer in geen geval de naam en de handtekening van de gerechtsdeskundige vermeld.
   § 4. Het identificatienummer of het anoniem identificatienummer wordt vermeld op de gemaakte vertalingen van de beëdigd vertaler of vertaler-tolk.
   Op alle gemaakte vertalingen wordt volgende vermelding aangebracht :
   "Voor eensluidende vertaling ne varietur van het ... naar het ... Gedaan te ..., op ...." of
   "Pour traduction conforme et ne varietur de la langue ... vers la langue ... Fait à ..., le ...." of
   "Für gleichlautende und ne varietur Übersetzung aus dem ... ins ... Gegeben zu ..., den ....".
  [3 De beëdigd vertaler of vertaler-tolk vermeldt eerst zijn identificatienummer, gevolgd door zijn handtekening, naam, titel en zijn gekwalificeerde elektronische handtekening. Daardoor geldt de verrichte vertaling als een gelegaliseerde vertaling voor het gebruik ervan binnen het Koninkrijk. Voor het gebruik ervan in het buitenland moet de vertaling achtereenvolgens worden gelegaliseerd door de Federale Overheidsdienst Justitie op basis van de handtekening, de gekwalificeerde handtekening en de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken en door de Federale Overheidsdienst Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking op basis van de handtekening die erop werd geplaatst door de Federale Overheidsdienst Justitie. De legalisatie bevestigt slechts de echtheid van de handtekening, de hoedanigheid waarin de ondertekenaar van de vertaling heeft gehandeld en, in voorkomend geval, de geldigheid van de handtekening of de gekwalificeerde elektronische handtekening geplaatst op het document.]3
   In afwijking van het vorig lid, wanneer het anoniem identificatienummer wordt gebruikt, wordt in geen geval de naam [3 en de handtekening]3 vermeld.
   § 5. In geval van verlies van de titel van gerechtsdeskundige of van beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk, of ingeval de gerechtsdeskundige of de beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk er afstand van doet, wordt de legitimatiekaart [3 ...]3 voor beëdigd vertalers en vertalers-tolken onverwijld aan de minister van Justitie teruggegeven en wordt de opname in het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken geschrapt of geschorst, bij tijdelijk verlies.
   § 6. De gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk betaalt bij zijn aanvraag tot opname en tot verlenging van de opname in het register, een bijdrage in de kosten. De Koning bepaalt het bedrag en de modaliteiten van deze bijdrage.]1

  
Art. 555/11. [1 § 1er. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui délivre à la personne qui figure au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés un numéro d'identification et une carte de légitimation, dont le modèle est fixé par le Roi. [3 ...]3
   § 2. L'autorité compétente peut attribuer par dossier un numéro d'identification anonyme, dans les cas où il est exigé que l'identité de l'intéressé qui agit en sa qualité soit cachée pour des raisons de sécurité. Ce numéro d'identification anonyme est différent du numéro d'identification visé au premier alinéa et consiste à cacher l'identité de l'intéressé qui agit en sa qualité. Les modalités d'octroi et de gestion de ce numéro d'identification anonyme sont fixées par le Roi.
   Un numéro d'identification anonyme peut également être attribué dans les cas prévus à l'article 555/15.
   § 3. Le numéro d'identification ou le numéro d'identification anonyme est mentionné dans les rapports de l'expert judiciaire visés à l'article 978, § 1er. L'expert judiciaire mentionne en premier son numéro d'identification suivi de sa signature, de son nom et de son titre.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, si le numéro d'identification anonyme est utilisé, en aucun cas le nom et la signature de l'expert judiciaire ne sont mentionnés.
   § 4. Le numéro d'identification ou le numéro d'identification anonyme est mentionné sur les traductions effectuées du traducteur ou du traducteur-interprète juré.
   La mention suivante est apposée sur toute traduction effectuée :
   "Voor eensluidende vertaling ne varietur van het ... naar het ... Gedaan te ..., op ...."
   Ou "Pour traduction conforme et ne varietur de la langue ... vers la langue ... Fait à ..., le ...."
   Ou "Für gleichlautende und ne varietur Übersetzung aus dem ... ins ... Gegeben zu ..., den ....".
  [3 Le traducteur ou le traducteur-interprète juré mentionne en premier son numéro d'identification, suivi de sa signature, de son nom, de son titre et de sa signature électronique qualifiée. En conséquence, la traduction effectuée vaut comme une traduction légalisée pour son utilisation au sein du Royaume. Pour son utilisation à l'étranger, la traduction doit consécutivement être légalisée par le Service Public Fédéral Justice sur la base de la signature, la signature électronique qualifiée et de l'inscription au registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés et le Service Public Fédéral Affaires étrangères, Commerce extérieur et Coopération au Développement sur la base de la signature qui y a été apposée par le Service Public Fédéral Justice. La légalisation ne fait que confirmer l'authenticité de la signature, la qualité en laquelle le signataire de la traduction a agi et, le cas échéant, la validité de la signature ou la signature électronique qualifié apposée sur le document.]3
   Par dérogation à l'alinéa précédent, si le numéro d'identification anonyme est utilisé, en aucun cas le nom [3 et la signature]3 ne sont mentionnés.
   § 5. En cas de perte du titre d'expert judiciaire, de traducteur, d'interprète ou de traducteur-interprète juré ou en cas de renonciation à ce titre par l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, la carte de légitimation [3 ...]3 pour les traducteurs et les traducteurs-interprètes jurés sont restitués sans délai au ministre de la Justice et l'inscription au registre national des experts et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés est radiée ou suspendue en cas de perte temporaire.
   § 6. L'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré paie une contribution aux frais lors de sa demande d'inscription et de prolongation d'inscription au registre. Le Roi fixe le montant et les modalités de cette contribution.]1

  
Art. 555/12. [1 § 1. Wanneer de voorwaarden voor opname in het register niet langer voldaan zijn of wanneer herhaaldelijk kennelijk ontoereikende prestaties worden geleverd of de gerechtsdeskundige of de beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk aan de plichten van zijn opdracht verzuimt of wanneer zijn gedrag of houding afbreuk doet aan de waardigheid van zijn titel of een tekortkoming ten aanzien van de deontologie inhoudt, kan de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar bij een met redenen omklede beslissing de betrokkene schorsen of diens naam tijdelijk of definitief schrappen uit het nationaal register, desgevallend op voorstel van de korpschef in de zin van artikel 58bis, 2°, na advies van de aanvaardingscommissie, of op voorstel van de aanvaardingscommissie en na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene. De duur van de schorsing of tijdelijke schrapping wordt, afhankelijk van de ernst van de tekortkoming, bepaald door de minister of de door hem gemachtigde ambtenaar, zonder dat zij een jaar te boven mag gaan.
   De tijdelijke schrapping kan bij een met redenen omklede beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar worden verlengd met telkens maximaal een jaar, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene.
   § 2. De aanvaardingscommissie ziet erop toe dat de gerechtsdeskundigen, de beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken de deontologische code bedoeld in artikel 555/9, 3°, naleven. Zij kan op eigen initiatief of in geval van klachten de gerechtsdeskundige of de beëdigde vertaler, tolk of vertaler-tolk horen en kan aan de minister van Justitie of aan de door hem gemachtigde ambtenaar, aanbevelingen doen of een advies geven over de te nemen maatregelen.]1

  
Art. 555/12. [1 § 1er. [2 Lorsque les conditions de l'inscription au registre ne sont plus remplies ou lorsque des prestations manifestement insuffisantes sont fournies à plusieurs reprises ou que l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré manque aux devoirs de sa mission ou lorsque son comportement ou sa conduite porte atteinte à la dignité de son titre ou constitue un manquement à la déontologie]2, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut, par une décision motivée, suspendre l'intéressé ou radier temporairement ou définitivement son nom du registre national, le cas échéant sur proposition du chef de corps au sens de l'article 58bis, 2°, après avis de la commission d'agrément ou sur proposition de la commission d'agrément et après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé. La durée de la suspension ou de la radiation temporaire est fixée par le ministre ou le fonctionnaire délégué par lui en fonction de la gravité du manquement, sans qu'elle puisse excéder une période d'un an.
   La radiation temporaire peut, par décision motivée du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui, être prolongée chaque fois pour une durée d'un an maximum, après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé.
   § 2. La commission d'agrément contrôle le respect, par les experts judiciaires, les traducteurs, les interprètes et les traducteurs-interprètes jurés, du code de déontologie visé à l'article 555/9, 3°. Elle peut, de sa propre initiative ou en cas de plaintes, entendre l'expert judiciaire ou le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré et formuler des recommandations ou rendre un avis quant aux suites à donner, au ministre de la Justice ou au fonctionnaire délégué par lui.]1

  
Art. 555/13. [1 § 1. Het in artikel 555/8, 4°, bedoelde bewijs wordt geleverd door het voorleggen aan de minister van Justitie van :
   1° wat de beroepsbekwaamheid betreft :
   a) voor de gerechtsdeskundigen, een diploma in het domein van deskundigheid waarvoor de kandidaat zich als gerechtsdeskundige laat registreren en een bewijs waaruit vijf jaar relevante ervaring gedurende een periode van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie blijkt, of bij afwezigheid van diploma, het bewijs van vijftien jaar relevante ervaring gedurende de twintig jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie;
   b) voor de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken, elk diploma dat is behaald of elk bewijs waaruit minimum twee jaar relevante ervaring gedurende een periode van acht jaar voorafgaand aan de aanvraag tot registratie blijkt of elk ander bewijs van de kennis van de taal of talen waarvoor hij zich laten registreren heeft;
   De gerechtsdeskundigen en de beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken die in een ander land van de Europese Unie gedomicilieerd zijn, kunnen hun beroepsbekwaamheid bewijzen door een opname in het gelijkaardig register van hun land, waarvan zij het bewijs leveren.
   2° wat de juridische kennis betreft: een getuigschrift afgegeven na het volgen van een opleiding die beantwoordt aan de door de Koning bepaalde voorwaarden.
   § 2. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan aan de gerechtsdeskundige een vrijstelling verlenen van de in § 1, 1°, bedoelde voorwaarde van vijf jaar relevante ervaring voor de specialiteiten die enkel in het kader van een gerechtelijk deskundigenonderzoek kunnen uitgeoefend worden.
  [2 De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kan een vrijstelling voor de in paragraaf 1, 2°, bedoelde voorwaarde verlenen aan de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk, die vóór de datum van aanvraag van de vrijstelling gedurende een ononderbroken periode van minimum vijftien jaar de activiteit van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk heeft uitgeoefend en zich in die periode voldoende heeft bijgeschoold.]2]1

  
Art. 555/13. [1 § 1er. La preuve visée à l'article 555/8, 4°, est apportée en présentant au ministre de la Justice :
   1° en ce qui concerne l'aptitude professionnelle :
   a) pour les experts judicaires, par un diplôme obtenu dans le domaine d'expertise dans lequel le candidat se fait enregistrer en qualité d'expert judiciaire et par un justificatif attestant d'une expérience pertinente de cinq ans au cours des huit années précédant la demande d'enregistrement, ou à défaut de diplôme, par la preuve d'une expérience pertinente de quinze ans pendant les vingt ans précédant la demande d'enregistrement;
   b) pour les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés, tout diplôme obtenu ou toute preuve d'une expérience pertinente d'au moins deux ans acquise durant une période de huit ans précédant la demande d'enregistrement ou tout autre preuve attestant de la connaissance de la ou des langue(s) pour lesquelles il s'est fait enregistrer;
   Les experts judiciaires et les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés domiciliés dans un autre pays de l'Union européenne peuvent justifier de leur aptitude professionnelle par une inscription dans le registre similaire de leur pays, dont ils apportent la preuve.
   2° En ce qui concerne les connaissances juridiques: une attestation délivrée après avoir suivi une formation qui répond aux conditions fixées par le Roi.
   § 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder à l'expert judiciaire une dispense de la condition de cinq ans d'expérience pertinente visée au § 1er, 1°, pour les spécialités qui ne peuvent être exercées que dans le cadre d'une expertise judiciaire.
  [2 Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut accorder une dispense de la condition visée au paragraphe 1er, 2°, à l'expert judiciaire ou au traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré qui, durant une période ininterrompue de minimum quinze ans avant la date de la demande de la dispense, a exercé l'activité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré et s'est suffisamment formé durant cette période.]2]1

  
Art. 555/14. [1 § 1. De kandidaat die voldoet aan de bij artikel 555/8, 1° tot 4° bepaalde voorwaarden, legt ten laatste binnen de drie maanden na opname in het register de volgende eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep van het rechtsgebied van zijn woon- of verblijfplaats, de volgende eed af :
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", of :
   "Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
   "Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
   Deze eed is geldig voor alle opdrachten die nadien aan de betrokkene in zijn hoedanigheid van gerechtsdeskundige of van beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk zullen worden toevertrouwd.
   De gerechtsdeskundige, beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk kan pas nadat hij de eed heeft afgelegd deze titel dragen en in deze hoedanigheid de opdrachten aanvaarden voor de domeinen waarvoor hij is opgenomen in het nationaal register.
   § 2. De kandidaat die geen woon- of verblijfplaats heeft in België, legt de eed af in handen van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel.
   § 3. De eedaflegging zoals bedoeld in de vorige paragrafen wordt minstens viermaal per jaar georganiseerd. Na de eedaflegging leggen de gerechtsdeskundige, de beëdigd vertaler, de tolk en de vertaler-tolk het specimen van hun handtekening neer bij de eerste voorzitter van het hof van beroep waarvoor zij de eed hebben afgelegd. Dit specimen van hun handtekening wordt opgenomen in het nationaal register overeenkomstig artikel 555/10, § 2. De Federale Overheidsdienst Justitie wordt in kennis gesteld van de namen van de personen die de eed hebben afgelegd en van het specimen van hun handtekening.]1

  [2 § 4. In afwijking van de paragrafen 1 tot 3 kan de eedaflegging schriftelijk gebeuren. Deze eedaflegging wordt gedateerd, ondertekend en schriftelijk meegedeeld aan de eerste voorzitter van het hof van beroep van het rechtsgebied van zijn woon- of verblijfplaats, hetzij aan de eerste voorzitter van het hof van beroep te Brussel, naargelang de kandidaat zich in de paragrafen 1 of 2 bedoelde gevallen bevindt.
   Voor deze eedaflegging geldt de handtekening op de schriftelijke eedaflegging ook als neerlegging van het specimen van de handtekening.]2

  
Art. 555/14. [1 § 1er. Au plus tard dans les trois mois de son inscription au registre, le candidat qui remplit les conditions fixées à l'article 555/8, 1° à 4°, prête le serment suivant entre les mains du premier président de la cour d'appel du ressort de son domicile ou de sa résidence :
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", ou :
   "Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", ou
   "Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
   Ce serment vaut pour toutes les missions qui seront ensuite confiées à l'intéressé en sa qualité d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète et traducteur-interprète juré.
   L'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète ou le traducteur-interprète juré, ne peut porter ce titre et accepter les missions qui lui sont confiées en cette qualité, dans les domaines pour lesquels il est inscrit dans le registre national, qu'après avoir prêté le serment.
   § 2. Le candidat qui n'a pas de domicile ou de résidence en Belgique prête le serment entre les mains du premier président de la cour d'appel de Bruxelles.
   § 3. La prestation de serment visée aux paragraphes précédents est organisée au moins quatre fois par an. Après la prestation de serment, l'expert judiciaire, le traducteur, l'interprète et le traducteur-interprète juré déposent le spécimen de leur signature auprès du premier président de la cour d'appel devant lequel ils ont prêté serment. Ce spécimen de leur signature est inscrit dans le registre national conformément à l'article 555/10, § 2. Le Service Public Fédéral Justice est informé des noms des personnes qui ont prêté serment et du spécimen de leur signature.]1

  [2 § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er à 3, la prestation de serment peut être réalisée par écrit. Cette prestation de serment est datée, signée et communiquée par écrit au premier président de la cour d'appel du ressort de son domicile ou de sa résidence, ou au premier président de la cour d'appel de Bruxelles, selon que le candidat se trouve dans les cas visés aux paragraphes 1er ou 2.
   En ce qui concerne cette prestation de serment, la signature sur le serment écrit est également considérée comme le dépôt du spécimen de signature.]2

  
Art. 555/15. [1 Onverminderd artikel 555/6 kan de overheid die de opdracht geeft bij een met redenen omklede beslissing een gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk aanwijzen die niet in het nationaal register van gerechtsdeskundigen of voor beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken is opgenomen, in de hierna genoemde gevallen :
   - in spoedeisende gevallen;
   - wanneer geen gerechtsdeskundige met de vereiste deskundigheid en specialisatie beschikbaar is of wanneer er geen beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk beschikbaar is voor de betrokken taal;
   - wanneer het nationaal register, gelet op de specifieke aard van het geschil, geen gerechtsdeskundige bevat die beschikt over de vereiste deskundigheid en specialisatie of wanneer het nationaal register, gelet op de zeldzaamheid van de taal, geen beëdigd vertaler, tolk of vertaler-tolk bevat die beschikt over de vereiste kennis van de betrokken taal;
   - wanneer het gaat om een coördinerende deskundige wiens exclusieve opdracht beoogd is in artikel 964.
   De betrokkene bedoeld in het eerste lid voert de titel van gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk of vertaler tolk enkel voor de hem toevertrouwde opdracht.
   De aldus aangestelde tolk legt de volgende eed af :
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", of
   "Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité.", of
   "Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
   De aangewezen gerechtsdeskundige, beëdigd vertaler of vertaler-tolk ondertekent zijn verslag of zijn vertaling op straffe van nietigheid waarbij hij zijn handtekening laat voorafgaan door de volgende schriftelijke eed :
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.", of
   "Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", of
   "Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfült habe.".
   In voorkomend geval wordt er van deze procedure, van de beweegredenen en van de naam en voornaam van de aangestelde gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk melding gemaakt in de beslissing tot aanstelling of op het zittingsblad.
   Een uittreksel van de beslissing met vermelding van de identiteit van de gerechtsdeskundige of beëdigd vertaler, tolk, of vertaler-tolk alsook van de motivering worden meegedeeld aan de Federale Overheidsdienst Justitie.]1

  
Art. 555/15. [1 Sans préjudice de l'article 555/6, l'autorité qui confie la mission peut, par une décision motivée, désigner un expert judiciaire ou un traducteur, un interprète ou un traducteur-interprète juré qui n'est pas inscrit au registre national des experts judiciaires ou des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés dans les cas mentionnés ci-après :
   - en cas d'urgence;
   - si aucun expert judiciaire ayant l'expertise et la spécialisation requises n'est disponible ou si aucun traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré n'est disponible pour la langue concernée;
   - si le registre national ne comporte aucun expert judiciaire disposant de l'expertise et de la spécialisation nécessaires au regard de la nature spécifique du litige ou si le registre national, étant donné la rareté de la langue, ne comporte aucun traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré disposant de la connaissance requise de la langue concernée;
   - s'il s'agit d'un expert coordinateur dont la mission exclusive est celle visée à l'article 964.
   L'intéressé visé à l'alinéa 1er porte le titre d'expert judiciaire ou de traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré uniquement pour la mission qui lui a été confiée.
   L'interprète ainsi désigné prête le serment suivant :
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk zal vervullen.", ou
   "Je jure que je remplirai ma mission en honneur et conscience avec exactitude et probité.", ou
   "Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen genau und ehrlich erfüllen werde.".
   L'expert judiciaire, le traducteur ou le traducteur-interprète juré désigné signe son rapport ou sa traduction sous peine de nullité, en faisant précéder sa signature du serment écrit suivant :
   "Ik zweer dat ik mijn opdracht in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk vervuld heb.", ou
   "Je jure avoir rempli ma mission en honneur et conscience, avec exactitude et probité.", ou
   "Ich schwöre, dass ich den mir erteilten Auftrag auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich erfült habe.".
   Le cas échéant, cette procédure, les motifs et les nom et prénom de l'expert judiciaire ou du traducteur, interprète ou traducteur-interprète juré désigné sont actés dans la décision de désignation ou sur la feuille d'audience.
   Un extrait de la décision mentionnant l'identité de l'expert judiciaire ou du traducteur, de l'interprète ou du traducteur-interprète juré ainsi que la motivation sont communiqués au Service Public Fédéral Justice.]1

  
Art. 555/16. [1 Gerechtsdeskundigen kunnen beslissen een opdracht te weigeren. In burgerlijke zaken kunnen beëdigde vertalers, tolken en vertalers-tolken een opdracht weigeren.]1
  
Art. 555/16. [1 Les experts judiciaires peuvent décider de ne pas accepter une mission. En matière civile, les traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés peuvent refuser une mission.]1
  
HOOFDSTUK II. [1 Professionele bewindvoerders]1
CHAPITRE II. [1 Des administrateurs professionnels]1
Afdeling I. [1 Nationaal register van professionele bewindvoerders]1
Section 1ère. [1 Du registre national des administrateurs professionnels]1
Art. 555/17. [1 Er wordt een nationaal register van professionele bewindvoerders gecreëerd, hierna register genoemd, dat een geïnformatiseerde databank is met de lijst van personen die voldoen aan alle voorwaarden vereist door artikel 555/23, § 2, om aangewezen te kunnen worden als professioneel bewindvoerder zoals bedoeld in artikel 494, c)/2, van het oud Burgerlijk Wetboek. Dit register wordt opgericht voor de volgende doeleinden:
   - de aanwijzing van een professionele bewindvoerder vergemakkelijken door de magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis en de griffiers toe te staan de personen te identificeren en te contacteren die voldoen aan de minimumvoorwaarden om te worden aangewezen;
   - iedere persoon die een voorkeursverklaring als bedoeld in de artikelen 496 en 496/1 van het oud Burgerlijk Wetboek wenst af te leggen, toestaan de personen te identificeren en te contacteren die als bewindvoerder zouden kunnen worden aangesteld zodra zij zich in een situatie bevinden als bedoeld in de artikelen 488/1 en 488/2 van het oud Burgerlijk Wetboek;
   - elke belanghebbende in staat stellen na te gaan of een aangewezen professionele bewindvoerder nog steeds voldoet aan alle noodzakelijke vereisten en, in het bijzonder, dat hij nog steeds in het register is opgenomen, om, indien dit niet het geval is, de vrederechter te kunnen verzoeken om deze bewindvoerder te vervangen, overeenkomstig artikel 496/7 van het oud Burgerlijk Wetboek.]1

  
Art. 555/17. [1 Il est créé un registre national des administrateurs professionnels, ci-après dénommé le registre, qui est une banque de données informatisée reprenant la liste des personnes qui satisfont à toutes les conditions requises par l'article 555/23, § 2, pour pouvoir être désignées comme administrateur professionnel au sens de l'article 494, c)/2, de l'ancien Code civil. Ce registre est créé pour les finalités suivantes:
   - faciliter la désignation d'un administrateur professionnel en permettant aux magistrats de l'ordre judiciaire visés à l'article 58bis et aux greffiers d'identifier et de contacter les personnes qui satisfont aux conditions minimales requises pour être désignées;
   - permettre à toute personne qui souhaite émettre une déclaration de préférence visée aux articles 496 et 496/1 de l'ancien Code civil d'identifier et de contacter les personnes qui pourraient être désignées comme administrateur une fois qu'elle se trouvera dans une des situations visées aux articles 488/1 et 488/2 de l'ancien Code civil;
   - permettre à toute personne intéressée de vérifier qu'un administrateur professionnel qui a été désigné continue à répondre à toutes les exigences nécessaires à cette fin et, en particulier, qu'il continue à être inscrit dans le registre en vue, dans le cas contraire, de pouvoir demander au juge de paix de remplacer cet administrateur et ce conformément à l'article 496/7 de l'ancien Code civil.]1

  
Art. 555/18. [1 De Federale Overheidsdienst Justitie, "de beheerder" genoemd, voert het register in en beheert de werking ervan.
   Hij is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4.7. van Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), zowel voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van het houden van het register als voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van de opnameprocedure in het register, de verlenging van de opname in het register en de uitschrijving uit het register.]1

  
Art. 555/18. [1 Le Service Public Fédéral Justice, dénommé "le gestionnaire", met en place le registre et en gère son fonctionnement.
   Il est le responsable du traitement, au sens de l'article 4.7. du règlement (UE) 2016/679 du Parlement et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), tant pour les traitements de données à caractère personnel effectués dans le cadre de la tenue du registre que pour les traitements de données à caractère personnel effectués dans le cadre de la procédure d'inscription dans le registre, de la prolongation de l'inscription dans le registre et de la désinscription du registre.]1

  
Art. 555/19. [1 Het register bevat de volgende gegevens:
   1° de naam en de voornamen van de professionele bewindvoerder;
   2° het rijksregisternummer en, in voorkomend geval, het nummer van de Kruispuntbank van Ondernemingen;
   3° het adres waar hij is gevestigd;
   4° de contactgegevens om hem te bereiken;
   5° de gerechtelijke arrondissementen en, in voorkomend geval, de kantons waarin hij zijn opdrachten kan uitvoeren;
   6° de datum van opname of van de verlenging van opname;
   7° in voorkomend geval de datum van de schorsing of van de schrapping uit het register, de duur ervan en de overheid die ze heeft uitgesproken;
   8° de taal of de talen waarin hij zich kan uitdrukken met de beschermde persoon.
   Elke professionele bewindvoerder deelt aan de minister van Justitie of aan de door hem gemachtigde ambtenaar elke wijziging van de in het eerste lid bedoelde gegevens mee.
   Het register bevat ook alle stukken en gegevens met betrekking tot de procedures voor opname, verlenging en uitschrijving voor professionele bewindvoerders bedoeld in de artikelen 555/24 tot 555/26.]1

  
Art. 555/19. [1 Le registre contient les données suivantes:
   1° le nom et les prénoms de l'administrateur professionnel;
   2° le numéro du registre national et, le cas échéant, le numéro de Banque-Carrefour des Entreprises;
   3° l'adresse où celui-ci est établi;
   4° les coordonnées pour le contacter;
   5° les arrondissements judiciaires et, le cas échéant, les cantons où il est susceptible d'exercer ses missions;
   6° la date d'inscription ou de la prolongation d'inscription;
   7° le cas échéant, la date de la suspension ou de la radiation du registre, sa durée et l'autorité qui l'a prononcée;
   8° la langue ou les langues dans laquelle il peut s'exprimer avec la personne protégée.
   Chaque administrateur professionnel communique au ministre de la Justice ou au fonctionnaire délégué par lui tout changement intervenu dans les données visées à l'alinéa 1er.
   Le registre contient en outre toutes les pièces et données relatives aux procédures d'inscription, de prolongation et de désinscription des administrateurs professionnels visées aux articles 555/24 à 555/26.]1

  
Art. 555/20. [1 § 1. De magistraten van de rechterlijke orde bedoeld in artikel 58bis,de griffiers en de Federale Overheidsdienst Justitie, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten, krijgen toegang tot de gegevens van het register volgens de nadere regels bepaald door de Koning, na advies van de Gegevensbeschermingsautoriteit.
   De gegevens bedoeld in artikel 555/19, eerste lid, 1°, 3° tot 5° en 8° zijn bovendien toegankelijk voor het publiek.
   § 2. De beheerder is niet gemachtigd om de gegevens van het register mee te delen aan andere personen dan degenen die krachtens dit hoofdstuk het recht hebben om er toegang toe te hebben.
   Hij die, in welke hoedanigheid ook, deelneemt aan de verzameling, de verwerking of de mededeling van de gegevens van het register of die kennis heeft van die gegevens, moet het vertrouwelijke karakter ervan in acht nemen.
   Artikel 458 van het Strafwetboek is op hen van toepassing.]1

  
Art. 555/20. [1 § 1er. Les magistrats de l'ordre judiciaire visés à l'article 58bis, les greffiers et le Service Public Fédéral Justice, dans la mesure où cela s'avère nécessaire à l'exercice de leur missions légales, peuvent accéder aux données du registre, selon les modalités fixées par le Roi, après avis de l'Autorité de protection des données.
   Les données visées à l'article 555/19, alinéa 1er, 1°, 3° à 5° et 8° sont en outre accessibles au public.
   § 2. Le gestionnaire n'est pas autorisé à communiquer les données du registre à d'autres personnes que celles qui ont le droit d'y avoir accès en vertu du présent chapitre.
   Quiconque participe, à quelque titre que ce soit, à la collecte, au traitement ou à la communication des données du registre, ou a connaissance de telles données est tenu d'en respecter le caractère confidentiel.
   L'article 458 du Code pénal leur est applicable.]1

  
Art. 555/21. [1 De Koning bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de Gegevensbeschermingsautoriteit, de nadere regels voor de invoering en de werking van het register, de nadere regels voor toegang en controle alsook de nadere regels van de terbeschikkingstelling aan het publiek van de gegevens bedoeld in artikel 555/20, § 1, tweede lid, op de website van de Federale Overheidsdienst Justitie.]1
  
Art. 555/21. [1 Le Roi détermine, après avoir recueilli l'avis de l'Autorité de protection des données, les modalités de mise en place et de fonctionnement du registre, ses modalités d'accès et de contrôle ainsi que les modalités de mise à disposition du public des données visées à l'article 555/20, § 1er, alinéa 2, sur le site Internet du Service Public Fédéral Justice.]1
  
Art. 555/22. [1 De gegevens van het register worden bewaard tot aan de uitschrijving van de bewindvoerder.
   In afwijking van het eerste lid worden de identificatiegegevens van de geschrapte persoon, de informatie dat deze persoon uit het register werd geschrapt alsook de datum van de schrapping bewaard gedurende een periode van tien jaar vanaf de datum van schrapping.
   Na het verstrijken van die termijnen worden de gegevens van het register uitgewist, onverminderd de archiefwet van 24 juni 1955.]1

  
Art. 555/22. [1 Les données du registre sont conservées jusqu'à la désinscription de l'administrateur.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, les données d'identification de la personne radiée, l'information selon laquelle cette personne a été radiée du registre ainsi que la date de la radiation sont conservées pendant une durée de dix années à partir de la date de radiation.
   A l'expiration de ces délais, les données du registre sont effacées, sans préjudice de la loi du 24 juin 1955 relative aux archives.]1

  
Afdeling 2. [1 Opname in het register]1
Section 2. [1 De l'inscription au registre]1
Art. 555/23. [1 § 1. Uitsluitend de natuurlijke personen die, na beslissing van de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar ingeschreven zijn in het register, zijn bevoegd om opdrachten als professionele bewindvoerder als bedoeld in artikel 494, c)/2, van het oud Burgerlijk Wetboek te aanvaarden en uit te voeren.
   § 2. Onverminderd de gronden van onverenigbaarheden bedoeld in artikel 496/6, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, voldoen de kandidaat-professionele bewindvoerders of de professionele bewindvoerders in functie die hun opname verlengen aan de volgende voorwaarden om te worden opgenomen:
   1° een erkende theoretische en praktische vorming bestaande uit een juridisch deel in domeinen die nuttig zijn voor de uitoefening van hun opdrachten, een deel over het dagelijkse beheer van de bewindvoering, een deel over de kennis van de medische stoornissen waaraan beschermde personen lijden, een deel over de manier waarop met de beschermde persoon en zijn omgeving moet worden gecommuniceerd en een deel over de deontologische regels die van toepassing zijn op de professionele bewindvoerders of, in geval van verlenging, een erkende permanente vorming van acht uur tijdens de twee afgelopen jaren hebben gevolgd;
   2° verklaren dat zij de deontologische code onderschrijven en naleven voor de duur van de opname;
   3° garanties van bekwaamheid, onafhankelijkheid en onpartijdigheid, vereist voor de uitoefening van hun opdracht als professionele bewindvoerder, kunnen voorleggen;
   4° over voldoende materiële en financiële draagkracht beschikken om de functie van professionele bewindvoerder uit te oefenen;
   5° gedurende de laatste tien jaren niet het voorwerp zijn geweest van een tuchtsanctie die onverenigbaar is met de uitoefening van de functie van professionele bewindvoerder;
   6° niet het voorwerp zijn geweest van een in kracht van gewijsde getreden veroordeling, zelfs met uitstel, tot een criminele of correctionele straf, tenzij ze in eer en rechten hersteld zijn en met uitzondering van de veroordelingen voor inbreuk op de regelgeving inzake de politie op het wegverkeer en de veroordelingen die, volgens de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, duidelijk geen belemmering vormen voor de uitoefening van de activiteit van professioneel bewindvoerder.
   De erkenning van de vormingen bedoeld in het eerste lid, 1°, wordt verleend door de minister van Justitie, op advies van de Commissie voor de erkenning van de vormingen. De Koning bepaalt de inhoud van die vormingen en de nadere regels voor de aanwijzing en de werking van die commissie.
   De Koning bepaalt de inhoud van de deontologische code bedoeld in het eerste lid, 2°. ]1

  
Art. 555/23. [1 § 1er. Seules les personnes physiques qui, sur décision du ministre de la Justice ou du fonctionnaire délégué par lui sont inscrites au registre, sont habilitées à accepter et accomplir des missions en tant qu'administrateurs professionnels visés à l'article 494, c)/2, de l'ancien Code civil.
   § 2. Sans préjudice des causes d'incompatibilité visées à l'article 496/6, alinéa 1er, de l'ancien Code civil, les candidats administrateurs professionnels ou les administrateurs professionnels en fonction qui prolongent leur inscription satisfont aux conditions suivantes pour être inscrits:
   1° avoir suivi une formation théorique et pratique agréée comportant un volet juridique dans des domaines utiles à l'exercice de ses missions, un volet sur la gestion de l'administration au quotidien, un volet sur la connaissance des troubles médicaux affectant les personnes protégées, un volet sur la manière de communiquer avec la personne protégée et son entourage et un volet sur les règles déontologiques applicables aux administrateurs professionnels ou, en cas de prolongation, une formation continue agréée de huit heures au cours des deux années écoulées;
   2° adhérer au code de déontologie et le respecter pendant toute la durée de l'inscription;
   3° présenter des garanties d'aptitude, d'indépendance et d'impartialité nécessaires à l'exercice de leur mission d'administrateur professionnel;
   4° disposer de capacités matérielles et financières suffisantes pour exercer la fonction d'administrateur professionnel;
   5° ne pas avoir fait l'objet d'une sanction disciplinaire incompatible avec l'exercice de la fonction d'administrateur professionnel au cours des dix dernières années;
   6° ne pas avoir fait l'objet d'une condamnation coulée en force de chose jugée, même avec sursis, à une peine criminelle ou correctionnelle, sauf s'ils ont été réhabilités et à l'exception des condamnations pour infraction à la réglementation relative à la police de la circulation routière et des condamnations qui, selon le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui, ne constituent manifestement pas un obstacle à l'exercice de l'activité d'administrateur professionnel.
   L'agrément des formations visées à l'alinéa 1er, 1°, est donné par le ministre de la Justice sur avis de la Commission d'agrément des formations. Le Roi détermine le contenu de ces formations ainsi que les modalités de désignation et de fonctionnement de cette commission.
   Le Roi détermine le contenu du code de déontologie visé à l'alinéa 1er, 2°.]1

  
Art. 555/24. [1 § 1. De aanvraag tot opname wordt door de kandidaat-professionele bewindvoerder ingediend via het register.
   Hij verduidelijkt daarin het gerechtelijk arrondissement of de gerechtelijke arrondissementen of, in voorkomend geval, het kanton of de kantons waarin hij zijn opdrachten wil uitvoeren.
   Op straffe van niet-ontvankelijkheid verklaart de kandidaat de deontologische code te onderschrijven op het tijdstip van zijn aanvraag en voegt de volgende documenten erbij:
   1° het bewijs van het volgen van de erkende vorming bedoeld in artikel 555/23, § 2, eerste lid, 1° ;
   2° indien de kandidaat-bewindvoerder een gereglementeerd beroep uitoefent, het positieve en met redenen omkleed advies van de vertegenwoordiger van het beroep waaruit blijkt dat de voorwaarden bedoeld in artikel 555/23, § 2, eerste lid, 3° tot 5°, vervuld zijn;
   3° indien de kandidaat-bewindvoerder geen gereglementeerd beroep uitoefent, de documenten waaruit blijkt dat de voorwaarden bedoeld in artikel 555/23, § 2, eerste lid, 3° en 4° en, in voorkomend geval, 5° vervuld zijn.
   § 2. Binnen drie maanden na de indiening van de aanvraag en voor zover ze ontvankelijk is, wint de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar de inlichtingen in omtrent de gronden van onverenigbaarheden bedoeld in artikel 496/6, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek en omtrent de moraliteit van de kandidaat bij het openbaar ministerie.
   Binnen dezelfde termijn wint hij het advies van de voorzitter(s) van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank van de arrondissementen waarin de kandidaat zijn opdrachten van bewindvoerder wil uitvoeren in. Daartoe verzendt hij alle stukken van het dossier naar de betrokken voorzitters.
   De ingewonnen inlichtingen mogen enkel in het kader van dit hoofdstuk worden gebruikt.
   § 3. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar doet uitspraak op grond van de ingewonnen inlichtingen en adviezen. Hij geeft kennis van zijn beslissing aan de kandidaat binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing werd uitgesproken.
   In geval van een gunstige beslissing wordt de professionele bewindvoerder voor een periode van twee jaar opgenomen in het register.]1

  
Art. 555/24. [1 § 1er. La demande d'inscription est introduite par le candidat administrateur professionnel via le registre.
   Il y précise l'arrondissement ou les arrondissements judiciaires ou, le cas échéant, le ou les cantons dans lesquels il souhaite exercer ses missions.
   A peine d'irrecevabilité, le candidat déclare adhérer au code de déontologie au moment de sa demande et y joint les documents suivants:
   1° la preuve du suivi de la formation agréée visée à l'article 555/23, § 2, alinéa 1er, 1° ;
   2° si le candidat administrateur exerce une profession réglementée, l'avis positif et motivé du représentant de la profession attestant que les conditions visées à l'article 555/23, § 2, alinéa 1er, 3° à 5° sont remplies;
   3° si le candidat administrateur n'exerce pas une profession réglementée, les documents attestant que les conditions visées à l'article 555/23, § 2, alinéa 1er, 3° et 4° et, le cas échéant, 5° sont remplies.
   § 2. Dans les trois mois qui suivent l'introduction de la demande et pour autant qu'elle soit recevable, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui recueille les informations sur les causes d'incompatibilité visées à l'article 496/6, alinéa 1er, de l'ancien Code civil et sur la moralité du candidat auprès du ministère public.
   Dans le même délai, il recueille l'avis du ou des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police des arrondissements dans lesquels le candidat souhaite exercer ses missions d'administrateur. A cet effet, il envoie aux présidents concernés toutes les pièces du dossier.
   Les informations récoltées ne peuvent être utilisées que dans le cadre du présent chapitre.
   § 3. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui statue sur la base des informations et des avis récoltés. Il notifie sa décision au candidat dans les sept jours à compter du jour où la décision a été prononcée.
   En cas de décision favorable, l'administrateur professionnel est inscrit dans le registre pour une période de deux ans.]1

  
Art. 555/25. [1 § 1. De opname van twee jaar kan telkens voor eenzelfde termijn worden verlengd voor zover de professionele bewindvoerder blijft voldoen aan de opnamevoorwaarden.
   De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar brengt de betrokkene drie maanden voor het verstrijken op de hoogte opdat hij hem tijdig de vereiste inlichtingen zou meedelen.
   Op straffe van niet-ontvankelijkheid voegt de bewindvoerder bij zijn aanvraag tot verlenging voor de vervaldatum de volgende documenten, die hij meedeelt via het register:
   1° het bewijs de permanente vorming te hebben gevolgd bedoeld in artikel 555/23, § 2, eerste lid, 1° ;
   2° indien de bewindvoerder een gereglementeerd beroep uitoefent, het positieve en met redenen omkleed advies van de vertegenwoordiger van het beroep waaruit blijkt dat de voorwaarden bedoeld in artikel 555/23, § 2, eerste lid, 3° tot 5°, nog steeds vervuld zijn. Het advies vermeldt ook of de bewindvoerders in staat lijkt nieuwe dossiers te behandelen.
   § 2. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar geeft gevolg aan de aanvraag wanneer de bewindvoerder in de afgelopen twee jaar niet het voorwerp is geweest van:
   1° enige in kracht van gewijsde getreden veroordeling, zelfs met uitstel, tot een criminele of correctionele straf, met uitzondering van de veroordelingen voor inbreuk op de regelgeving inzake de politie op het wegverkeer;
   2° enige mededeling met betrekking tot ernstige aanwijzingen van tekortkomingen of fraude bedoeld in artikel 497/8, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek; en
   3° enige grond van onverenigbaarheid bedoeld in artikel 496/6, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek.
   In het geval waarin een van de hypothesen van het eerste lid zich voordoet, wint de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar het advies in van de voorzitters van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank overeenkomstig artikel 555/24, § 2, tweede lid, evenals alle informatie die nuttig is voor de controle van de voorwaarden voor opname in het register. Hetzelfde geldt wanneer uit het in paragraaf 1, derde lid, 2°, bedoelde advies blijkt dat de bewindvoerder geschikt is voor de praktijk maar niet in staat lijkt om nieuwe dossiers te behandelen.
   De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar doet uitspraak op grond van de ingewonnen inlichtingen en adviezen.
   Wanneer uit de verzamelde informatie en adviezen blijkt dat de professionele bewindvoerder nog steeds voldoet aan de opnamevoorwaarden, maar niet in staat is nieuwe dossiers te behandelen, kan de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene, de verlenging van opname combineren met een schorsing voor een duur die niet langer mag zijn dan een jaar.
   § 3. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar geeft kennis van zijn beslissing aan professionele bewindvoerder binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing werd uitgesproken.
   Indien de bewindvoerder een gereglementeerd beroep uitoefent, wordt van de beslissing eveneens kennis gegeven aan de vertegenwoordiger van het beroep.
   § 4. De opname blijft behouden totdat de beslissing definitief is geworden. De verlenging gaat in op het tijdstip dat ze wordt toegekend.
   § 5. Indien de verlenging van de opname niet tijdig wordt aangevraagd of niet wordt toegekend, wordt de bewindvoerder uit het register uitgeschreven.
   De uitschrijving uit het register wordt door de minister van Justitie of door de door hem gemachtigde ambtenaar meegedeeld aan de vrederechters van de kantons waarin de uitgeschreven bewindvoerder is aangewezen als bewindvoerder van een beschermde persoon.]1

  
Art. 555/25. [1 § 1er. L'inscription de deux ans peut chaque fois être prolongée pour un même terme pour autant que l'administrateur professionnel continue à satisfaire aux conditions d'inscription.
   Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui avertit l'intéressé trois mois avant l'échéance afin qu'il lui communique les informations requises en temps utile.
   A peine d'irrecevabilité, l'administrateur joint à sa demande de prolongation, avant l'échéance, les documents suivants qu'il communique via le registre:
   1° la preuve d'avoir suivi la formation continue visée à l'article 555/23, § 2, alinéa 1er, 1° ;
   2° si l'administrateur exerce une profession réglementée, l'avis positif et motivé du représentant de la profession attestant que les conditions visées à l'article 555/23, § 2, alinéa 1er, 3° à 5°, sont toujours remplies. L'avis mentionne également si l'administrateur semble en mesure de traiter de nouveaux dossiers.
   § 2. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui fait droit à la demande lorsque l'administrateur n'a fait l'objet, au cours des deux ans écoulés:
   1° d'aucune condamnation coulée en force de chose jugée, même avec sursis, à une peine criminelle ou correctionnelle, à l'exception des condamnations pour infraction à la réglementation relative à la police de la circulation routière;
   2° d'aucune communication relative à des indices sérieux de manquements ou de fraude, visée à l'article 497/8, alinéa 2, de l'ancien Code civil; et
   3° d'aucune cause d'incompatibilité visée à l'article 496/6, alinéa 1er, de l'ancien Code civil.
   Dans le cas où une des hypothèses de l'alinéa 1er est rencontrée, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui recueille l'avis du ou des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police conformément à l'article 555/24, § 2, alinéa 2, ainsi que toutes les informations utiles à la vérification des conditions d'inscription dans le registre. Il en va de même lorsqu'il ressort de l'avis visé au paragraphe 1er, alinéa 3, 2°, que l'administrateur est apte à exercer mais ne semble pas en mesure de traiter de nouveaux dossiers.
   Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui statue sur la base des informations et des avis récoltés.
   Lorsqu'il résulte des informations et des avis récoltés que l'administrateur professionnel continue à satisfaire aux conditions d'inscription mais n'est pas en mesure de traiter de nouveaux dossiers, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui peut, après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé, assortir la prolongation de l'inscription d'une suspension pour une durée qui ne peut excéder un an.
   § 3. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui notifie sa décision à l'administrateur professionnel dans les sept jours à compter du jour où la décision a été prononcée.
   Si l'administrateur exerce une profession réglementée, la décision est également notifiée au représentant de la profession.
   § 4. L'inscription est maintenue jusqu'à ce que la décision soit devenue définitive. La prolongation prend cours au moment où elle est accordée.
   § 5. Si la prolongation de l'inscription n'est pas demandée dans les délais ou n'est pas accordée, l'administrateur est désinscrit du registre.
   La désinscription du registre est communiquée par le ministre de la Justice ou par le fonctionnaire délégué par lui aux juges de paix des cantons dans lesquels l'administrateur désinscrit a été désigné comme administrateur d'une personne protégée.]1

  
Art. 555/26. [1 § 1. Een professionele bewindvoerder kan op elk moment worden uitgeschreven door de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar wanneer hij niet langer beantwoordt aan de voorwaarden opgesomd in artikel 555/23, § 2, eerste lid, 2° tot 6°, of wanneer hij het onderwerp is van een grond van onverenigbaarheid bedoeld in artikel 496/6, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek.
   De opname van een professionele bewindvoerder kan door de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar op elk moment worden geschorst voor een duur die niet langer mag zijn dan een jaar wanneer hij nog steeds voldoet aan de opnamevoorwaarden, maar niet in staat is nieuwe dossiers te behandelen.
   Wanneer een tekortkoming wordt vastgesteld, kan de bewindvoerder onderworpen worden aan een tuchtsanctie van schorsing of schrapping uit het register. Wanneer de professionele bewindvoerder een gereglementeerd beroep uitoefent, deelt de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar de vastgestelde tekortkomingen mee, in voorkomend geval, aan de stafhouder, aan het auditoraat bedoeld in artikel 533 van het Gerechtelijk Wetboek of aan de Nationale Kamer van notarissen. Wanneer de professionele bewindvoerder geen gereglementeerd beroep uitoefent, wordt de beslissing tot het opleggen van een tuchtsanctie genomen door de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar.
   § 2. De professionele bewindvoerder wordt ambtshalve uitgeschreven door de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar:
   1° wanneer hij kennisneemt van een beslissing die de schrapping van de opname in het register bevat of met zich mee brengt;
   2° wanneer hij kennisneemt van een grond van onverenigbaarheid bedoeld in artikel 496/6, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek.
   § 3. Wanneer de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar kennis heeft van een strafrechtelijke veroordeling bedoeld in artikel 555/25, § 2, eerste lid, 1°, of van een mededeling met betrekking tot ernstige aanwijzingen van tekortkomingen of fraude, bedoeld in artikel 497/8, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, wint hij het advies in van de voorzitter(s) van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank overeenkomstig artikel 555/24, § 2, tweede lid, evenals alle informatie die nuttig is voor de controle van de voorwaarden voor opname in het register.
   Indien de bewindvoerder een gereglementeerd beroep uitoefent, wint de minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar daarenboven het advies van de vertegenwoordiger van het beroep in.
   De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar doet uitspraak op grond van de ingewonnen inlichtingen en adviezen, na kennis te hebben genomen van de opmerkingen van de betrokkene.
   § 4. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde ambtenaar geeft kennis van zijn beslissing aan de professionele bewindvoerder binnen zeven dagen te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing werd uitgesproken.
   Indien de bewindvoerder een gereglementeerd beroep uitoefent, wordt van de beslissing eveneens kennis gegeven aan de vertegenwoordiger van het beroep.
   De uitschrijving uit het register wordt meegedeeld door de minister van Justitie of door de door hem gemachtigde ambtenaar aan de rechters van de kantons waarin de bewindvoerder is aangewezen als bewindvoerder van een beschermde persoon.]1

  
Art. 555/26. [1 § 1er. Un administrateur professionnel peut à tout moment être désinscrit par le ministre de la Justice ou par le fonctionnaire délégué par lui lorsqu'il ne répond plus aux conditions énumérées à l'article 555/23, § 2, alinéa 1er, 2° à 6° ou lorsqu'il fait l'objet d'une cause d'incompatibilité visée à l'article 496/6, alinéa 1er, de l'ancien Code civil.
   L'inscription d'un administrateur professionnel peut à tout moment être suspendue par le ministre de la Justice ou par le fonctionnaire délégué par lui pour une durée qui ne peut excéder un an lorsqu'il continue à satisfaire aux conditions d'inscription mais n'est pas en mesure de traiter de nouveaux dossiers.
   Lorsqu'un manquement est constaté, l'administrateur peut faire l'objet d'une sanction disciplinaire de suspension ou de radiation du registre. Lorsque l'administrateur professionnel exerce une fonction réglementée, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui communique les manquements constatés, le cas échéant, au bâtonnier, à l'auditorat visé à l'article 533 ou à la Chambre nationale des notaires. Lorsque l'administrateur professionnel n'exerce pas une profession réglementée, la décision d'infliger une sanction disciplinaire est prise par le ministre de Justice ou le fonctionnaire délégué par lui.
   § 2. L'administrateur professionnel est désinscrit d'office par le ministre de la Justice ou par le fonctionnaire délégué par lui:
   1° lorsqu'il prend connaissance d'une décision contenant ou emportant la radiation de l'inscription au registre;
   2° lorsqu'il prend connaissance d'une cause d'incompatibilité visée à l'article 496/6, alinéa 1er, de l'ancien Code civil.
   § 3. Lorsque le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui a connaissance d'une condamnation pénale visée à l'article 555/25, § 2, alinéa 1er, 1°, ou d'une communication relative à des indices sérieux de manquements ou de fraude, visée à l'article 497/8, alinéa 2, de l'ancien Code civil, il recueille l'avis du ou des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police conformément à l'article 555/24, § 2, alinéa 2, ainsi que toutes les informations utiles à la vérification des conditions d'inscription dans le registre.
   Si l'administrateur exerce une profession réglementée, le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui recueille en outre l'avis du représentant de la profession.
   Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui statue sur la base des informations et des avis récoltés, après avoir pris connaissance des observations de l'intéressé.
   § 4. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui notifie sa décision à l'administrateur professionnel dans les sept jours à compter du jour où la décision a été prononcée.
   Si l'administrateur exerce une profession réglementée, la décision est également notifiée au représentant de la profession.
   La désinscription du registre est communiquée par le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui aux juges des cantons dans lesquels l'administrateur désinscrit a été désigné comme administrateur d'une personne protégée.]1

  
Art. 555/27. [1 § 1. De minister van Justitie of de door hem gemachtigde vermeldt in het register dat een bewindvoerder geschorst of geschrapt is.
   § 2. Een geschorste bewindvoerder blijft opgenomen in het register maar kan niet worden aangewezen in nieuwe dossiers. De schorsing heeft geen invloed op eerdere aanwijzingen.
   Een geschrapte bewindvoerder wordt uitgeschreven uit het register en mag geen nieuwe aanvraag tot opname meer indienen gedurende een termijn van tien jaar te rekenen vanaf de dag waarop de beslissing die de schrapping van opname uitspreekt definitief is geworden.]1

  
Art. 555/27. [1 § 1er. Le ministre de la Justice ou le fonctionnaire délégué par lui mentionne au registre qu'un administrateur est suspendu ou radié.
   § 2. Un administrateur suspendu reste inscrit dans le registre mais ne peut pas être désigné dans des nouveaux dossiers. La suspension n'a pas d'effet sur les désignations antérieures.
   Un administrateur radié est désinscrit du registre et ne peut plus introduire de nouvelle demande d'inscription pendant un délai de dix ans à compter du jour où la décision prononçant la radiation d'inscription est devenue définitive.]1