Artikel 1. In artikel 3, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2025, worden vijf nieuwe leden toegevoegd, die luidend als volgt:
"Vanaf 2026 is, onverminderd het eerste lid, de toegang tot werkingsdotaties in het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs afhankelijk van de kosteloze ter beschikking stelling aan de leerlingen, door de inrichtende macht, in het kader van zijn dotaties, van schoolbenodigdheden die zijn gedefinieerd als al het materiaal dat nodig is om de kennis, vaardigheden en competenties te verwerven die zijn omschreven in het referentiesysteem van initiële competenties en de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern. De werkingsdotaties kunnen ook worden gebruikt om schoolkosten te dekken die verband houden met de organisatie van onderwijsactiviteiten of educatieve reizen met overnachting(en) voor leerlingen.
In overeenstemming met het beginsel van autonomie organiseert de inrichtende macht op vrije wijze de gratis toegang tot deze benodigdheden, afhankelijk van de realiteit op het terrein en de onderwijsprioriteiten.
Naast de hierboven vermelde middelen worden in het kader van het vorige lid de volgende middelen toegekend :
a) voor het gewoon en gespecialiseerd kleuteronderwijs, een forfaitair bedrag van 20,46 euro per leerling. Het wordt berekend op basis van het aantal leerlingen die op 15 januari van het lopende jaar regelmatig in de school zijn ingeschreven ;
b) voor het gewoon en gespecialiseerd lager onderwijs, een forfaitair bedrag van 24,52 euro per leerling. Het wordt berekend op basis van het aantal leerlingen die op 15 januari van het lopende jaar regelmatig in de school zijn ingeschreven.
Vanaf 2026 wordt een extra forfaitaire dotatie van 54,2 euro per leerling toegekend voor het gespecialiseerd basisonderwijs.
Vanaf 2027 worden de bedragen bedoeld in de twee vorige leden geïndexeerd door op de bedragen van het voorgaande kalenderjaar de verhouding toe te passen tussen het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen voor januari van het lopende kalenderjaar en het indexcijfer voor januari van het voorgaande kalenderjaar."
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
17 DECEMBER 2025. - Programmadecreet houdende diverse bepalingen met betrekking tot onderwijs, infrastructuren, universitaire ziekenhuizen, cultuur, wetenschappelijk onderzoek, kind, justitiehuizen, jeugd en begrotingsfondsen
Titre
17 DECEMBRE 2025. - Décret-programme portant diverses dispositions relatives à l'enseignement, aux infrastructures, aux hôpitaux universitaires, à la culture, à la recherche scientifique, à l'enfance, aux maisons de justice, à la jeunesse et aux fonds budgétaires
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL 1. - Maatregelen betreffende kostelooshei...
HOOFDSTUK 1. - Bepaling tot wijziging van de we...
HOOFDSTUK 2. - Bepaling tot wijziging van het d...
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen tot wijziging van het...
HOOFDSTUK 4. - Bepaling tot wijziging van het W...
HOOFDSTUK 5. - Bepalingen tot wijziging van het...
TITEL 2. - Maatregelen met betrekking tot index...
TITEL 3. - Maatregelen om het aantal lestijden ...
HOOFDSTUK I. - Bepaling tot wijziging van het d...
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen tot wijziging van het...
TITEL 4. - Maatregel inzake de regel van gedeel...
TITEL 5. - Maatregelen betreffende wetenschappe...
TITEL 6. - Maatregelen betreffende de terbeschi...
TITEL 7. - Maatregelen betreffende de steun- en...
TITEL 8. - Maatregelen tot instelling van een p...
TITEL 9. - Maatregel tot herfinanciering van he...
TITEL 10. - Maatregelen met betrekking tot terr...
TITEL 11. - Overgangsbepalingen
Deel II. - Bepalingen betreffende het hoger ond...
TITEL 1. - Bepalingen tot wijziging van de wet ...
TITEL 2. - Bepalingen inzake collectieve struct...
TITEL 3. - Bepaling betreffende het controleren...
TITEL 4. - Bepaling betreffende de ondersteunin...
TITEL 5. - Bepaling betreffende de ondersteunin...
Deel III. - Bepaling betreffende de universitai...
Deel IV. - Bepalingen betreffende de schoolgebo...
TITEL 1. - Bepalingen betreffende de klassieke ...
TITEL 2. - Bepaling betreffende het Garantiefon...
TITEL 3. - Bepalingen betreffende de hervorming...
Deel V. - Bepalingen betreffende het wetenschap...
TITEL 1. - Wijzigingen van het decreet van 4 ap...
Deel VI. - Bepaling betreffende het niet-indexe...
Deel VII. - Bepaling betreffende de justitiehui...
Deel VIII. - Bepalingen tot instelling van een ...
Deel IX. - Bepalingen betreffende cultuur
TITEL 1. - Bepaling tot wijziging van het begro...
TITEL 2. - Bepalingen betreffende het niet inde...
TITEL 3. - Bepalingen betreffende de instelling...
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen aan het decreet van ...
HOOFDSTUK 9. - Wijziging aan het decreet van 7 ...
TITEL 4. - Bepaling betreffende de automatische...
Deel X. - Bepalingen betreffende de begrotingsf...
Deel XI. - Inwerkingtreding
Table des matières
TITRE 1er. - Mesures relatives à la gratuité et...
CHAPITRE 1er. - Disposition modifiant la loi du...
CHAPITRE 2. - Disposition modifiant le décret d...
CHAPITRE 3. - Dispositions modifiant le décret ...
CHAPITRE 4. - Disposition modifiant le Code de ...
CHAPITRE 5. - Dispositions modifiant le décret ...
TITRE 2. - Mesures relatives à l'indexation
TITRE 3. - Mesures relatives au renforcement et...
CHAPITRE 1er. - Disposition modifiant le décret...
CHAPITRE 2. - Dispositions modifiant le Code de...
TITRE 4. - Mesure relative à la règle de global...
TITRE 5. - Mesures relatives aux études scienti...
TITRE 6. - Mesures relatives aux mises en dispo...
TITRE 7. - Mesures relatives aux cellules de so...
TITRE 8. - Mesures instituant un projet pilote ...
TITRE 9. - Mesure portant sur le refinancement ...
TITRE 10. - Mesures relatives aux pôles territo...
TITRE 11. - Dispositions transitoires
Partie II. - Dispositions relatives à l'enseign...
TITRE 1er. - Dispositions modifiant la loi du 2...
TITRE 2. - Dispositions concernant les structur...
TITRE 3. - Disposition concernant le suivi et l...
TITRE 4. - Disposition concernant le soutien au...
TITRE 5. - Disposition concernant le soutien à ...
Partie III. - Disposition relative aux hôpitaux...
Partie IV. - Dispositions relatives aux bâtimen...
TITRE 1er. - Dispositions relatives aux fonds c...
TITRE 2. - Disposition relative au Fonds de gar...
TITRE 3. - Dispositions relatives à la réforme ...
Partie V. - Dispositions relatives à la recherc...
TITRE 1er. - Modifications du décret du 4 avril...
Partie VI. - Disposition relative à la non-inde...
Partie VII. - Disposition relative aux maisons ...
Partie VIII. - Dispositions visant à instaurer ...
Partie IX. - Dispositions relatives à la culture
TITRE 1er. - Disposition modifiant la trajectoi...
TITRE 2. - Dispositions relatives à la non-inde...
TITRE 3. - Dispositions relatives à la mise en ...
CHAPITRE 1er. - Modifications au décret du 21 n...
CHAPITRE 2. - Modifications au décret du 30 avr...
CHAPITRE 3. - Modifications au décret du 17 jui...
CHAPITRE 4. - Modifications au décret du 25 avr...
CHAPITRE 5. - Modifications au décret du 25 mai...
CHAPITRE 6. - Modifications au décret du 30 avr...
CHAPITRE 7. - Modifications au décret du 4 avri...
CHAPITRE 8. - Modifications au décret du 3 avri...
CHAPITRE 9. - Modification au décret du 7 septe...
TITRE 4. - Disposition relative à la prolongati...
Partie X. - Dispositions relatives aux fonds bu...
Partie XI. - Entrée en vigueur
Tekst (156)
Texte (156)
TITEL 1. - Maatregelen betreffende kosteloosheid en gedifferentieerd kader
TITRE 1er. - Mesures relatives à la gratuité et à l'encadrement différencié
HOOFDSTUK 1. - Bepaling tot wijziging van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving
CHAPITRE 1er. - Disposition modifiant la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement
Article 1er. A l'article 3, § 3 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, tel que modifié en dernier lieu par décret du 16 juillet 2025, il est ajouté cinq nouveaux alinéas, rédigés comme suit :
" A partir de l'année 2026, sans préjudice de l'alinéa 1er, dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé, l'accès aux dotations de fonctionnement est conditionné par la mise à la disposition des élèves, gratuitement, par le Pouvoir organisateur, dans le cadre de ses dotations, de fournitures scolaires définies comme étant tous les matériels nécessaires à l'atteinte des savoirs, savoir-faire et compétences définis dans le référentiel de compétences initiales et les référentiels du tronc commun. Les dotations de fonctionnement peuvent également couvrir les frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s) des élèves.
Conformément au principe d'autonomie, le Pouvoir organisateur organise librement l'accès gratuit à ces fournitures, en fonction de sa réalité de terrain et de ses priorités pédagogiques.
Au-delà des moyens visés ci-avant, il est, dans le cadre de l'alinéa précédent, octroyé :
a. pour l'enseignement maternel ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 20,46 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours ;
b. pour l'enseignement primaire ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 24,52 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours.
A partir de l'année 2026, une dotation forfaitaire complémentaire de 54,2 EUR par élève est octroyée pour l'enseignement fondamental spécialisé.
A partir de l'année 2027, les montants visés aux deux alinéas précédents sont indexés en appliquant aux montants de l'année civile précédente, le rapport entre l'indice général des prix à la consommation de janvier de l'année civile en cours et l'indice de janvier de l'année civile précédente. ".
" A partir de l'année 2026, sans préjudice de l'alinéa 1er, dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé, l'accès aux dotations de fonctionnement est conditionné par la mise à la disposition des élèves, gratuitement, par le Pouvoir organisateur, dans le cadre de ses dotations, de fournitures scolaires définies comme étant tous les matériels nécessaires à l'atteinte des savoirs, savoir-faire et compétences définis dans le référentiel de compétences initiales et les référentiels du tronc commun. Les dotations de fonctionnement peuvent également couvrir les frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s) des élèves.
Conformément au principe d'autonomie, le Pouvoir organisateur organise librement l'accès gratuit à ces fournitures, en fonction de sa réalité de terrain et de ses priorités pédagogiques.
Au-delà des moyens visés ci-avant, il est, dans le cadre de l'alinéa précédent, octroyé :
a. pour l'enseignement maternel ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 20,46 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours ;
b. pour l'enseignement primaire ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 24,52 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours.
A partir de l'année 2026, une dotation forfaitaire complémentaire de 54,2 EUR par élève est octroyée pour l'enseignement fondamental spécialisé.
A partir de l'année 2027, les montants visés aux deux alinéas précédents sont indexés en appliquant aux montants de l'année civile précédente, le rapport entre l'indice général des prix à la consommation de janvier de l'année civile en cours et l'indice de janvier de l'année civile précédente. ".
Art. 2. Artikel 32, § 2 van dezelfde wet wordt aangevuld met vijf leden, luidend als volgt :
"Vanaf 2026 is de toegang tot werkingssubsidies in het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs afhankelijk van de kosteloze ter beschikking stelling aan de leerlingen, door de inrichtende machten, in het kader van hun subsidies, van schoolbenodigdheden die zijn gedefinieerd als al het materiaal dat nodig is om de kennis, vaardigheden en competenties te verwerven die zijn omschreven in het referentiesysteem van initiële competenties en de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern. De werkingssubsidies kunnen ook worden gebruikt om schoolkosten te dekken die verband houden met de organisatie van onderwijsactiviteiten of educatieve reizen met overnachting voor leerlingen.
In overeenstemming met het beginsel van autonomie organiseren de inrichtende machten op vrije wijze de gratis toegang tot deze benodigdheden, afhankelijk van de realiteit ervan op het terrein en de onderwijsprioriteiten.
In afwijking van het eerste lid wordt, in het kader van het voorgaande lid, het volgende verleend :
a) voor het gewoon en gespecialiseerd kleuteronderwijs, het forfaitaire bedrag van 20,46 euro per leerling. Het wordt berekend op basis van het aantal leerlingen die op 15 januari van het lopende jaar regelmatig in de school is ingeschreven;
b) voor het gewoon en gespecialiseerd lager onderwijs, een forfaitair bedrag van 24,52 euro per leerling. Het wordt berekend op basis van het aantal leerlingen die op 15 januari van het lopende jaar regelmatig in de school zijn ingeschreven.
Vanaf 2026 wordt een extra forfaitaire subsidie van 54,2 euro per leerling toegekend voor het gespecialiseerd basisonderwijs.
Vanaf 2027 worden de bedragen bedoeld in de twee voorgaande leden geïndexeerd door op de bedragen voor het voorgaande kalenderjaar de verhouding toe te passen tussen het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen voor januari van het lopende kalenderjaar en het indexcijfer voor januari van het voorgaande kalenderjaar. "
"Vanaf 2026 is de toegang tot werkingssubsidies in het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs afhankelijk van de kosteloze ter beschikking stelling aan de leerlingen, door de inrichtende machten, in het kader van hun subsidies, van schoolbenodigdheden die zijn gedefinieerd als al het materiaal dat nodig is om de kennis, vaardigheden en competenties te verwerven die zijn omschreven in het referentiesysteem van initiële competenties en de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern. De werkingssubsidies kunnen ook worden gebruikt om schoolkosten te dekken die verband houden met de organisatie van onderwijsactiviteiten of educatieve reizen met overnachting voor leerlingen.
In overeenstemming met het beginsel van autonomie organiseren de inrichtende machten op vrije wijze de gratis toegang tot deze benodigdheden, afhankelijk van de realiteit ervan op het terrein en de onderwijsprioriteiten.
In afwijking van het eerste lid wordt, in het kader van het voorgaande lid, het volgende verleend :
a) voor het gewoon en gespecialiseerd kleuteronderwijs, het forfaitaire bedrag van 20,46 euro per leerling. Het wordt berekend op basis van het aantal leerlingen die op 15 januari van het lopende jaar regelmatig in de school is ingeschreven;
b) voor het gewoon en gespecialiseerd lager onderwijs, een forfaitair bedrag van 24,52 euro per leerling. Het wordt berekend op basis van het aantal leerlingen die op 15 januari van het lopende jaar regelmatig in de school zijn ingeschreven.
Vanaf 2026 wordt een extra forfaitaire subsidie van 54,2 euro per leerling toegekend voor het gespecialiseerd basisonderwijs.
Vanaf 2027 worden de bedragen bedoeld in de twee voorgaande leden geïndexeerd door op de bedragen voor het voorgaande kalenderjaar de verhouding toe te passen tussen het algemene indexcijfer van de consumptieprijzen voor januari van het lopende kalenderjaar en het indexcijfer voor januari van het voorgaande kalenderjaar. "
Art. 2. L'article 32, § 2 de la même loi, est complété par cinq alinéas, rédigés comme suit :
" A partir de l'année 2026, dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé, l'accès aux subventions de fonctionnement est conditionné par la mise à la disposition des élèves, gratuitement, par les Pouvoirs organisateurs, dans le cadre de leurs subventions, de fournitures scolaires définies comme étant tous les matériels nécessaires à l'atteinte des savoirs, savoir-faire et compétences définis dans le référentiel de compétences initiales et les référentiels du tronc commun. Les subventions de fonctionnement peuvent également couvrir les frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s) des élèves.
Conformément au principe d'autonomie, les Pouvoirs organisateurs organisent librement l'accès gratuit à ces fournitures, en fonction de leurs réalités de terrain et de leurs priorités pédagogiques.
Par dérogation à l'alinéa 1er, il est, dans le cadre de l'alinéa précédent, octroyé :
a. pour l'enseignement maternel ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 20,46 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours ;
b. pour l'enseignement primaire ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 24,52 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours.
A partir de l'année 2026, une subvention forfaitaire complémentaire de 54,2 EUR par élève est octroyée pour l'enseignement fondamental spécialisé.
A partir de l'année 2027, les montants visés aux deux alinéas précédents sont indexés en appliquant aux montants de l'année civile précédente, le rapport entre l'indice général des prix à la consommation de janvier de l'année civile en cours et l'indice de janvier de l'année civile précédente. ".
" A partir de l'année 2026, dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé, l'accès aux subventions de fonctionnement est conditionné par la mise à la disposition des élèves, gratuitement, par les Pouvoirs organisateurs, dans le cadre de leurs subventions, de fournitures scolaires définies comme étant tous les matériels nécessaires à l'atteinte des savoirs, savoir-faire et compétences définis dans le référentiel de compétences initiales et les référentiels du tronc commun. Les subventions de fonctionnement peuvent également couvrir les frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s) des élèves.
Conformément au principe d'autonomie, les Pouvoirs organisateurs organisent librement l'accès gratuit à ces fournitures, en fonction de leurs réalités de terrain et de leurs priorités pédagogiques.
Par dérogation à l'alinéa 1er, il est, dans le cadre de l'alinéa précédent, octroyé :
a. pour l'enseignement maternel ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 20,46 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours ;
b. pour l'enseignement primaire ordinaire et spécialisé, le montant forfaitaire de 24,52 euros par élève. Il est calculé sur la base du nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'école à la date du 15 janvier de l'année en cours.
A partir de l'année 2026, une subvention forfaitaire complémentaire de 54,2 EUR par élève est octroyée pour l'enseignement fondamental spécialisé.
A partir de l'année 2027, les montants visés aux deux alinéas précédents sont indexés en appliquant aux montants de l'année civile précédente, le rapport entre l'indice général des prix à la consommation de janvier de l'année civile en cours et l'indice de janvier de l'année civile précédente. ".
HOOFDSTUK 2. - Bepaling tot wijziging van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs
CHAPITRE 2. - Disposition modifiant le décret du 3 mars 2004 organisant l'enseignement spécialisé
Art. 3. In het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs wordt een nieuw hoofdstuk XVter ingevoegd, luidend als volgt :
"HOOFDSTUK XVter - Organisatie van gezonde, duurzame maaltijden in schoolkantines
Artikel 212ter- In het gespecialiseerd kleuter- en lager onderwijs kunnen de inrichtende machten de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines financieren.
In dit geval :
a) moeten de middelen worden aangewend voor de aankoop van materiaal en/of voor de aanstelling of aanwerving van personeel en/of voor één of meer opdrachten voor diensten of leveringen die betrekking hebben op gezonde en duurzame maaltijden die onder dit decreet vallen en op het toezicht op deze maaltijden;
b) kunnen de maaltijden gratis ter beschikking worden gesteld of tegen een kleine financiële bijdrage gevraagd aan de ouders. In ieder geval mag deze mogelijke bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs van de maaltijd, inclusief alle bijkomende kosten zoals organisatie, toezicht en bediening;
c) tijdens het schooljaar moeten er elke schooldag van de week gezonde maaltijden worden georganiseerd. Maaltijden hoeven niet op woensdag te worden georganiseerd als de school deze normaal gesproken niet organiseert. Scholen kunnen geen extra kosten in verband met de maaltijden eisen.
d) scholen die gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines organiseren, geven de ouders aan het begin van elk schooljaar duidelijke informatie over de inschrijving voor het project en de nadere regels en concrete gevolgen voor leerlingen;
e) de inrichtende macht, of de school indien van toepassing, ziet toe op de naleving van de normen en principes opgelegd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV);
f) de inrichtende macht zorgt ervoor dat de volgende richtlijnen worden nageleefd bij de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden:
i. een lokale, gezonde en evenwichtige voeding promoten, zoveel mogelijk biologische producten gebruiken, junkfood in snacks beperken en onder controle houden en deze principes opnemen in het onderwijsproject van de school;
ii. ten minste verschillende vegetarische alternatieven per week aanbieden;
iii. het gebruik van water als enige drank aanmoedigen;
iv. leerlingen aanmoedigen om verschillende smaken te ontdekken en zo regelmatig mogelijk verse seizoensgroenten en -fruit te eten;
v. de hoeveelheid verminderen van dierlijke eiwitten ten gunste van meer groenten en plantaardige eiwitten, in overeenstemming met de aanbevelingen van de "Office de la Naissance et de l'Enfance" ;
vi. voedselverspilling voorkomen ;
vii. afvalproductie verminderen;
viii. de organisatie van gezonde, duurzame maaltijden aanvullen met onderwijsactiviteiten, tijdens of buiten de maaltijden, gericht op leerlingen en/of ouders;
ix. het Good Food-label hebben voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het label "Green Deal Cantines durables" voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Franse taalgebied of, voor volledige maaltijden, het bijzondere lastenboek voor volledige, gezonde en duurzame maaltijden voor "kindergemeenschappen" in de Franse Gemeenschap gebruiken.
g) de in punt e) hierboven vermelde richtlijnen worden om de 5 jaar geëvalueerd door de Dienst Overheidsbeleid van het Ministerie van de Franse Gemeenschap in samenwerking met de diensten van het "Office de la Naissance et de l'Enfance". Als overgangsmaatregel zal de eerste evaluatie in 2030 plaatsvinden. Een aanvullende analyse kan worden aangevraagd bij externe dienstverleners die door de Regering van de Franse Gemeenschap gemandateerd worden.
"HOOFDSTUK XVter - Organisatie van gezonde, duurzame maaltijden in schoolkantines
Artikel 212ter- In het gespecialiseerd kleuter- en lager onderwijs kunnen de inrichtende machten de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines financieren.
In dit geval :
a) moeten de middelen worden aangewend voor de aankoop van materiaal en/of voor de aanstelling of aanwerving van personeel en/of voor één of meer opdrachten voor diensten of leveringen die betrekking hebben op gezonde en duurzame maaltijden die onder dit decreet vallen en op het toezicht op deze maaltijden;
b) kunnen de maaltijden gratis ter beschikking worden gesteld of tegen een kleine financiële bijdrage gevraagd aan de ouders. In ieder geval mag deze mogelijke bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs van de maaltijd, inclusief alle bijkomende kosten zoals organisatie, toezicht en bediening;
c) tijdens het schooljaar moeten er elke schooldag van de week gezonde maaltijden worden georganiseerd. Maaltijden hoeven niet op woensdag te worden georganiseerd als de school deze normaal gesproken niet organiseert. Scholen kunnen geen extra kosten in verband met de maaltijden eisen.
d) scholen die gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines organiseren, geven de ouders aan het begin van elk schooljaar duidelijke informatie over de inschrijving voor het project en de nadere regels en concrete gevolgen voor leerlingen;
e) de inrichtende macht, of de school indien van toepassing, ziet toe op de naleving van de normen en principes opgelegd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV);
f) de inrichtende macht zorgt ervoor dat de volgende richtlijnen worden nageleefd bij de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden:
i. een lokale, gezonde en evenwichtige voeding promoten, zoveel mogelijk biologische producten gebruiken, junkfood in snacks beperken en onder controle houden en deze principes opnemen in het onderwijsproject van de school;
ii. ten minste verschillende vegetarische alternatieven per week aanbieden;
iii. het gebruik van water als enige drank aanmoedigen;
iv. leerlingen aanmoedigen om verschillende smaken te ontdekken en zo regelmatig mogelijk verse seizoensgroenten en -fruit te eten;
v. de hoeveelheid verminderen van dierlijke eiwitten ten gunste van meer groenten en plantaardige eiwitten, in overeenstemming met de aanbevelingen van de "Office de la Naissance et de l'Enfance" ;
vi. voedselverspilling voorkomen ;
vii. afvalproductie verminderen;
viii. de organisatie van gezonde, duurzame maaltijden aanvullen met onderwijsactiviteiten, tijdens of buiten de maaltijden, gericht op leerlingen en/of ouders;
ix. het Good Food-label hebben voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het label "Green Deal Cantines durables" voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Franse taalgebied of, voor volledige maaltijden, het bijzondere lastenboek voor volledige, gezonde en duurzame maaltijden voor "kindergemeenschappen" in de Franse Gemeenschap gebruiken.
g) de in punt e) hierboven vermelde richtlijnen worden om de 5 jaar geëvalueerd door de Dienst Overheidsbeleid van het Ministerie van de Franse Gemeenschap in samenwerking met de diensten van het "Office de la Naissance et de l'Enfance". Als overgangsmaatregel zal de eerste evaluatie in 2030 plaatsvinden. Een aanvullende analyse kan worden aangevraagd bij externe dienstverleners die door de Regering van de Franse Gemeenschap gemandateerd worden.
Art. 3. Dans le décret du 3 mars 2004 organisant l'enseignement spécialisé, il est inséré un nouveau Chapitre XVter, rédigé comme suit :
" CHAPITRE XVter - De l'organisation de repas, sains et durables au sein des cantines scolaires
Article 212ter - Dans l'enseignement maternel et primaire spécialisé, les Pouvoirs organisateurs peuvent financer l'organisation de repas sains et durables au sein des cantines scolaires.
Dans cette hypothèse :
a. les moyens doivent être affectés à l'achat de matériel et/ou à la désignation ou à l'engagement de personnel et/ou à un ou plusieurs marchés de services ou de fournitures liés au service des repas sains et durables visés par le présent décret et à la surveillance de ces repas ;
b. les repas peuvent être mis à disposition gratuitement ou contre une contribution financière modique sollicitée auprès des parents. En tout état de cause, cette contribution éventuelle ne peut excéder le prix coûtant du repas, tous frais annexes compris dont l'organisation, l'encadrement et le service ;
c. en période scolaire, les repas sains doivent être organisés tous les jours scolaires de la semaine. Les repas ne doivent pas être organisés le mercredi si l'établissement scolaire ne les organise pas de manière habituelle. Les écoles ne peuvent réclamer aucun frais connexe supplémentaire lié au repas ;
d. en début de chaque année scolaire, les écoles qui organisent des repas sains et durables au sein des cantines scolaires communiquent aux parents une information claire relative à l'inscription dans le projet ainsi que les modalités et les conséquences concrètes pour les élèves ;
e. le Pouvoir organisateur, ou l'école le cas échéant, s'assure du respect des normes et principes imposés par l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) ;
f. le Pouvoir organisateur veillera au respect des orientations suivantes dans l'organisation des repas sains et durables :
i. promouvoir une alimentation locale, saine et équilibrée en ayant recours à un maximum de produits issus de l'agriculture biologique, limiter et contrôler le junk food dans les collations et inscrire ces principes dans le projet pédagogique de l'école ;
ii. proposer au minimum plusieurs alternatives végétariennes par semaine ;
iii. encourager le recours à l'eau comme seule boisson ;
iv. encourager, aussi régulièrement que possible, la découverte de saveurs variées, la consommation de fruits et légumes frais et de saison ;
v. diminuer la quantité de protéines animales en faveur de plus de légumes et de protéines végétales en se référant aux recommandations de l'Office de la Naissance et de l'Enfance ;
vi. éviter le gaspillage alimentaire ;
vii. réduire la production de déchets ;
viii. compléter l'organisation de repas sains et durables par des activités éducatives, durant ou en dehors des repas, à destination des élèves et/ou des parents ;
ix. avoir le label Good Food pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de Bruxelles-Capitale ou le label " Green Deal Cantines durables " pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de langue française ou, pour les repas complets, avoir recours au cahier spécial des charges de repas complets, sains et durables pour les " collectivités d'enfants " de la Communauté française.
g. les orientations visées au point e) supra sont évaluées tous les 5 ans par le Service des Politiques publiques du Ministère de la Communauté française en collaboration avec les services de l'Office de la Naissance et de l'Enfance. A titre transitoire, la première évaluation a lieu en 2030. Une analyse complémentaire peut être sollicitée auprès de prestataires externes mandatés par le Gouvernement de la Communauté française. ".
" CHAPITRE XVter - De l'organisation de repas, sains et durables au sein des cantines scolaires
Article 212ter - Dans l'enseignement maternel et primaire spécialisé, les Pouvoirs organisateurs peuvent financer l'organisation de repas sains et durables au sein des cantines scolaires.
Dans cette hypothèse :
a. les moyens doivent être affectés à l'achat de matériel et/ou à la désignation ou à l'engagement de personnel et/ou à un ou plusieurs marchés de services ou de fournitures liés au service des repas sains et durables visés par le présent décret et à la surveillance de ces repas ;
b. les repas peuvent être mis à disposition gratuitement ou contre une contribution financière modique sollicitée auprès des parents. En tout état de cause, cette contribution éventuelle ne peut excéder le prix coûtant du repas, tous frais annexes compris dont l'organisation, l'encadrement et le service ;
c. en période scolaire, les repas sains doivent être organisés tous les jours scolaires de la semaine. Les repas ne doivent pas être organisés le mercredi si l'établissement scolaire ne les organise pas de manière habituelle. Les écoles ne peuvent réclamer aucun frais connexe supplémentaire lié au repas ;
d. en début de chaque année scolaire, les écoles qui organisent des repas sains et durables au sein des cantines scolaires communiquent aux parents une information claire relative à l'inscription dans le projet ainsi que les modalités et les conséquences concrètes pour les élèves ;
e. le Pouvoir organisateur, ou l'école le cas échéant, s'assure du respect des normes et principes imposés par l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) ;
f. le Pouvoir organisateur veillera au respect des orientations suivantes dans l'organisation des repas sains et durables :
i. promouvoir une alimentation locale, saine et équilibrée en ayant recours à un maximum de produits issus de l'agriculture biologique, limiter et contrôler le junk food dans les collations et inscrire ces principes dans le projet pédagogique de l'école ;
ii. proposer au minimum plusieurs alternatives végétariennes par semaine ;
iii. encourager le recours à l'eau comme seule boisson ;
iv. encourager, aussi régulièrement que possible, la découverte de saveurs variées, la consommation de fruits et légumes frais et de saison ;
v. diminuer la quantité de protéines animales en faveur de plus de légumes et de protéines végétales en se référant aux recommandations de l'Office de la Naissance et de l'Enfance ;
vi. éviter le gaspillage alimentaire ;
vii. réduire la production de déchets ;
viii. compléter l'organisation de repas sains et durables par des activités éducatives, durant ou en dehors des repas, à destination des élèves et/ou des parents ;
ix. avoir le label Good Food pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de Bruxelles-Capitale ou le label " Green Deal Cantines durables " pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de langue française ou, pour les repas complets, avoir recours au cahier spécial des charges de repas complets, sains et durables pour les " collectivités d'enfants " de la Communauté française.
g. les orientations visées au point e) supra sont évaluées tous les 5 ans par le Service des Politiques publiques du Ministère de la Communauté française en collaboration avec les services de l'Office de la Naissance et de l'Enfance. A titre transitoire, la première évaluation a lieu en 2030. Une analyse complémentaire peut être sollicitée auprès de prestataires externes mandatés par le Gouvernement de la Communauté française. ".
HOOFDSTUK 3. - Bepalingen tot wijziging van het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving
CHAPITRE 3. - Dispositions modifiant le décret du 30 avril 2009 organisant un encadrement différencié au sein des établissements scolaires de la Communauté française afin d'assurer à chaque élève des chances égales d'émancipation sociale dans un environnement pédagogique de qualité
Art. 4. In artikel 2 van het decreet van 30 april 2009 houdende organisatie van een gedifferentieerde omkadering binnen de schoolinrichtingen van de Franse Gemeenschap om alle leerlingen gelijke kansen op sociale emancipatie te bieden in een kwaliteitsvolle pedagogische omgeving, wordt een nieuw lid ingevoegd, luidend als volgt :
"Vanaf het schooljaar 2026-2027 streven de instellingen die gedifferentieerd omkadering genieten, naast de bovengenoemde doelstellingen, ernaar om gezonde en duurzame maaltijden te organiseren in de schoolkantines."
"Vanaf het schooljaar 2026-2027 streven de instellingen die gedifferentieerd omkadering genieten, naast de bovengenoemde doelstellingen, ernaar om gezonde en duurzame maaltijden te organiseren in de schoolkantines."
Art. 4. A l'article 2 du décret du 30 avril 2009 organisant un encadrement différencié au sein des établissements scolaires de la Communauté française afin d'assurer à chaque élève des chances égales d'émancipation sociale dans un environnement pédagogique de qualité, il est inséré un nouvel alinéa, rédigé comme suit :
" A partir de l'année scolaire 2026-2027, outre les objectifs précités, les implantations bénéficiaires de l'encadrement différencié ont pour objectif l'organisation de repas sains et durables au sein des cantines scolaires. ".
" A partir de l'année scolaire 2026-2027, outre les objectifs précités, les implantations bénéficiaires de l'encadrement différencié ont pour objectif l'organisation de repas sains et durables au sein des cantines scolaires. ".
Art. 5. In artikel 6 van hetzelfde decreet wordt een nieuwe paragraaf 3quater ingevoegd, luidend als volgt : :
" § 3quater. Vanaf het schooljaar 2026-2027 worden de werkingsmiddelen, zoals berekend overeenkomstig § 3 tot § 3er, verhoogd met 69,5%".
" § 3quater. Vanaf het schooljaar 2026-2027 worden de werkingsmiddelen, zoals berekend overeenkomstig § 3 tot § 3er, verhoogd met 69,5%".
Art. 5. A l'article 6 du même décret, il est inséré un nouveau paragraphe 3quater, rédigé comme suit :
" § 3quater. A partir de l'année scolaire 2026-2027, les moyens de fonctionnement tels que calculés conformément aux § 3 à § 3ter sont augmentés de 69,5 %. ".
" § 3quater. A partir de l'année scolaire 2026-2027, les moyens de fonctionnement tels que calculés conformément aux § 3 à § 3ter sont augmentés de 69,5 %. ".
Art. 6. In artikel 7 van hetzelfde decreet wordt een nieuwe paragraaf 3quater ingevoegd, luidend als volgt :
" § 3quater. Vanaf het schooljaar 2026-2027 worden de werkingsmiddelen, zoals berekend overeenkomstig § 3 tot § 3ter, met 46,8% verlaagd".
" § 3quater. Vanaf het schooljaar 2026-2027 worden de werkingsmiddelen, zoals berekend overeenkomstig § 3 tot § 3ter, met 46,8% verlaagd".
Art. 6. A l'article 7 du même décret, il est inséré un nouveau paragraphe 3quater, rédigé comme suit :
" § 3quater. A partir de l'année scolaire 2026-2027, les moyens de fonctionnement tels que calculés conformément aux § 3 à § 3ter sont diminués de 46,8 %. ".
" § 3quater. A partir de l'année scolaire 2026-2027, les moyens de fonctionnement tels que calculés conformément aux § 3 à § 3ter sont diminués de 46,8 %. ".
Art. 7. In artikel 9, § 2, van hetzelfde decreet wordt een punt 12° toegevoegd, luidend als volgt :
"12° Financiering van de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines.
In dit geval:
a) moeten de middelen worden aangewend voor de aankoop van materiaal en/of voor de aanstelling of aanwerving van personeel en/of voor één of meer opdrachten voor diensten met betrekking tot de bediening van gezonde en duurzame maaltijden die onder dit decreet vallen en voor het toezicht op deze maaltijden;
b) kunnen de maaltijden gratis ter beschikking worden gesteld of tegen een kleine financiële bijdrage gevraagd aan de ouders. In ieder geval mag deze mogelijke bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs van de maaltijd, inclusief alle bijkomende kosten zoals organisatie, toezicht en bediening.
Tijdens het schooljaar moeten er elke schooldag van de week gezonde maaltijden worden georganiseerd. Maaltijden hoeven niet op woensdag te worden georganiseerd als de school deze normaal gesproken niet organiseert. Begunstigde scholen en instellingen mogen geen extra maaltijdgerelateerde kosten eisen.
c) scholen die gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines organiseren, geven de ouders aan het begin van elk schooljaar duidelijke informatie over de inschrijving voor het project en de nadere regels en concrete gevolgen voor leerlingen.
d) de inrichtende macht, of de school indien van toepassing, ziet toe op de naleving van de normen en principes opgelegd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV).
e) de inrichtende macht zorgt ervoor dat de volgende richtlijnen worden nageleefd bij de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden:
i. lokale, gezonde en evenwichtige voeding promoten, waarbij zoveel mogelijk biologische producten worden gebruikt, junkfood in snacks beperken en onder controle houden en deze principes opnemen in het pedagogische project van de school;
ii. ten minste verschillende vegetarische alternatieven per week aanbieden;
iii. het gebruik van water als enige drank aanmoedigen;
iv. zo regelmatig mogelijk de ontdekking van verschillende smaken en de consumptie van verse seizoensgroenten en -fruit aanmoedigen;
v. de hoeveelheid dierlijke eiwitten verminderen ten gunste van meer groenten en plantaardige eiwitten, in overeenstemming met de aanbevelingen van het "Office de la Naissance et de l'Enfance" ;
vi. voedselverspilling voorkomen ;
vii. de afvalproductie verminderen;
viii. de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden aanvullen met onderwijsactiviteiten voor leerlingen en/of ouders;
ix. het Good Food-label hebben voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het label "Green Deal Cantines durables" voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Franse taalgebied of, voor volledige maaltijden, het bijzondere lastenboek voor volledige, gezonde en duurzame maaltijden voor "kindergemeenschappen" in de Franse Gemeenschap gebruiken.
f) de in punt e) hierboven vermelde richtlijnen worden om de 5 jaar geëvalueerd door de Dienst Overheidsbeleid van het Ministerie van de Franse Gemeenschap in samenwerking met de diensten van het "Office de la Naissance et de l'Enfance". Als overgangsmaatregel zal de eerste evaluatie in 2030 plaatsvinden. Een aanvullende analyse kan worden aangevraagd bij externe dienstverleners die door de Regering van de Franse Gemeenschap gemandateerd worden.
"12° Financiering van de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines.
In dit geval:
a) moeten de middelen worden aangewend voor de aankoop van materiaal en/of voor de aanstelling of aanwerving van personeel en/of voor één of meer opdrachten voor diensten met betrekking tot de bediening van gezonde en duurzame maaltijden die onder dit decreet vallen en voor het toezicht op deze maaltijden;
b) kunnen de maaltijden gratis ter beschikking worden gesteld of tegen een kleine financiële bijdrage gevraagd aan de ouders. In ieder geval mag deze mogelijke bijdrage niet hoger zijn dan de kostprijs van de maaltijd, inclusief alle bijkomende kosten zoals organisatie, toezicht en bediening.
Tijdens het schooljaar moeten er elke schooldag van de week gezonde maaltijden worden georganiseerd. Maaltijden hoeven niet op woensdag te worden georganiseerd als de school deze normaal gesproken niet organiseert. Begunstigde scholen en instellingen mogen geen extra maaltijdgerelateerde kosten eisen.
c) scholen die gezonde en duurzame maaltijden in schoolkantines organiseren, geven de ouders aan het begin van elk schooljaar duidelijke informatie over de inschrijving voor het project en de nadere regels en concrete gevolgen voor leerlingen.
d) de inrichtende macht, of de school indien van toepassing, ziet toe op de naleving van de normen en principes opgelegd door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV).
e) de inrichtende macht zorgt ervoor dat de volgende richtlijnen worden nageleefd bij de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden:
i. lokale, gezonde en evenwichtige voeding promoten, waarbij zoveel mogelijk biologische producten worden gebruikt, junkfood in snacks beperken en onder controle houden en deze principes opnemen in het pedagogische project van de school;
ii. ten minste verschillende vegetarische alternatieven per week aanbieden;
iii. het gebruik van water als enige drank aanmoedigen;
iv. zo regelmatig mogelijk de ontdekking van verschillende smaken en de consumptie van verse seizoensgroenten en -fruit aanmoedigen;
v. de hoeveelheid dierlijke eiwitten verminderen ten gunste van meer groenten en plantaardige eiwitten, in overeenstemming met de aanbevelingen van het "Office de la Naissance et de l'Enfance" ;
vi. voedselverspilling voorkomen ;
vii. de afvalproductie verminderen;
viii. de organisatie van gezonde en duurzame maaltijden aanvullen met onderwijsactiviteiten voor leerlingen en/of ouders;
ix. het Good Food-label hebben voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het label "Green Deal Cantines durables" voor kantines in scholen of instellingen gevestigd in het Franse taalgebied of, voor volledige maaltijden, het bijzondere lastenboek voor volledige, gezonde en duurzame maaltijden voor "kindergemeenschappen" in de Franse Gemeenschap gebruiken.
f) de in punt e) hierboven vermelde richtlijnen worden om de 5 jaar geëvalueerd door de Dienst Overheidsbeleid van het Ministerie van de Franse Gemeenschap in samenwerking met de diensten van het "Office de la Naissance et de l'Enfance". Als overgangsmaatregel zal de eerste evaluatie in 2030 plaatsvinden. Een aanvullende analyse kan worden aangevraagd bij externe dienstverleners die door de Regering van de Franse Gemeenschap gemandateerd worden.
Art. 7. Dans l'article 9, § 2 du même décret, il est ajouté un point 12°, rédigé comme suit :
" 12° Le financement de l'organisation de repas sains et durables au sein des cantines scolaires.
Dans cette hypothèse :
a. les moyens doivent être affectés à l'achat de matériel et/ou à la désignation ou à l'engagement de personnel et/ou à un ou plusieurs marchés de services liés au service des repas sains et durables visés par le présent décret et à la surveillance de ces repas ;
b. les repas peuvent être mis à disposition gratuitement ou contre une contribution financière modique sollicitée auprès des parents. En tout état de cause, cette contribution éventuelle ne peut excéder le prix coûtant du repas, tous frais annexes compris dont l'organisation, l'encadrement et le service.
En période scolaire, les repas sains doivent être organisés tous les jours scolaires de la semaine. Les repas ne doivent pas être organisés le mercredi si l'établissement scolaire ne les organise pas de manière habituelle. Les écoles et implantations bénéficiaires ne peuvent réclamer aucun frais connexe supplémentaire lié au repas ;
c. en début de chaque année scolaire, les écoles qui organisent des repas sains et durables au sein des cantines scolaires communiquent aux parents une information claire relative à l'inscription dans le projet ainsi que les modalités et les conséquences concrètes pour les élèves ;
d. le Pouvoir organisateur, ou l`école le cas échéant, s'assure du respect des normes et principes imposés par l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) ;
e. le Pouvoir organisateur veillera au respect des orientations suivantes dans l'organisation des repas sains et durables :
i. promouvoir une alimentation locale, saine et équilibrée en ayant recours à un maximum de produits issus de l'agriculture biologique, limiter et contrôler le junk food dans les collations et inscrire ces principes dans le projet pédagogique de l'école ;
ii. proposer au minimum plusieurs alternatives végétariennes par semaine ;
iii. encourager le recours à l'eau comme seule boisson ;
iv. encourager, aussi régulièrement que possible, la découverte de saveurs variées, la consommation de fruits et légumes frais et de saison ;
v. diminuer la quantité de protéines animales en faveur de plus de légumes et de protéines végétales en se référant aux recommandations de l'Office de la Naissance et de l'Enfance ;
vi. éviter le gaspillage alimentaire ;
vii. réduire la production de déchets ;
viii. compléter l'organisation de repas sains et durables par des activités éducatives à destination des élèves et/ou des parents ;
ix. avoir le label Good Food pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de Bruxelles-Capitale ou le label " Green Deal Cantines durables " pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de langue française ou, pour les repas complets, avoir recours au cahier spécial des charges de repas sains et durables pour les " collectivités d'enfants " de la Communauté française.
f. les orientations visées au point e) supra sont évaluées tous les 5 ans par le Service des Politiques publiques du ministère de la Communauté française en collaboration avec les services de l'Office de la Naissance et de l'Enfance. A titre transitoire, la première évaluation a lieu en 2030. Une analyse complémentaire peut être sollicitée auprès de prestataires externes mandatés par le Gouvernement de la Communauté française. ".
" 12° Le financement de l'organisation de repas sains et durables au sein des cantines scolaires.
Dans cette hypothèse :
a. les moyens doivent être affectés à l'achat de matériel et/ou à la désignation ou à l'engagement de personnel et/ou à un ou plusieurs marchés de services liés au service des repas sains et durables visés par le présent décret et à la surveillance de ces repas ;
b. les repas peuvent être mis à disposition gratuitement ou contre une contribution financière modique sollicitée auprès des parents. En tout état de cause, cette contribution éventuelle ne peut excéder le prix coûtant du repas, tous frais annexes compris dont l'organisation, l'encadrement et le service.
En période scolaire, les repas sains doivent être organisés tous les jours scolaires de la semaine. Les repas ne doivent pas être organisés le mercredi si l'établissement scolaire ne les organise pas de manière habituelle. Les écoles et implantations bénéficiaires ne peuvent réclamer aucun frais connexe supplémentaire lié au repas ;
c. en début de chaque année scolaire, les écoles qui organisent des repas sains et durables au sein des cantines scolaires communiquent aux parents une information claire relative à l'inscription dans le projet ainsi que les modalités et les conséquences concrètes pour les élèves ;
d. le Pouvoir organisateur, ou l`école le cas échéant, s'assure du respect des normes et principes imposés par l'Agence fédérale pour la sécurité de la chaîne alimentaire (AFSCA) ;
e. le Pouvoir organisateur veillera au respect des orientations suivantes dans l'organisation des repas sains et durables :
i. promouvoir une alimentation locale, saine et équilibrée en ayant recours à un maximum de produits issus de l'agriculture biologique, limiter et contrôler le junk food dans les collations et inscrire ces principes dans le projet pédagogique de l'école ;
ii. proposer au minimum plusieurs alternatives végétariennes par semaine ;
iii. encourager le recours à l'eau comme seule boisson ;
iv. encourager, aussi régulièrement que possible, la découverte de saveurs variées, la consommation de fruits et légumes frais et de saison ;
v. diminuer la quantité de protéines animales en faveur de plus de légumes et de protéines végétales en se référant aux recommandations de l'Office de la Naissance et de l'Enfance ;
vi. éviter le gaspillage alimentaire ;
vii. réduire la production de déchets ;
viii. compléter l'organisation de repas sains et durables par des activités éducatives à destination des élèves et/ou des parents ;
ix. avoir le label Good Food pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de Bruxelles-Capitale ou le label " Green Deal Cantines durables " pour les cantines des écoles ou implantations situées en Région de langue française ou, pour les repas complets, avoir recours au cahier spécial des charges de repas sains et durables pour les " collectivités d'enfants " de la Communauté française.
f. les orientations visées au point e) supra sont évaluées tous les 5 ans par le Service des Politiques publiques du ministère de la Communauté française en collaboration avec les services de l'Office de la Naissance et de l'Enfance. A titre transitoire, la première évaluation a lieu en 2030. Une analyse complémentaire peut être sollicitée auprès de prestataires externes mandatés par le Gouvernement de la Communauté française. ".
HOOFDSTUK 4. - Bepaling tot wijziging van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs
CHAPITRE 4. - Disposition modifiant le Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire
Art. 8. In hoofdstuk 2 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, in artikel 1.7.2-1, § 4, zoals gewijzigd bij decreet van 20 december 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"In het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs is de toegang tot werkingsdotaties en -subsidies afhankelijk van de gratis terbeschikkingstelling door de inrichtende machten, in het kader van hun dotaties en subsidies, van schoolbenodigdheden, gedefinieerd als al het materiaal dat nodig is om de kennis, vaardigheden en competenties te bereiken die zijn omschreven in het referentiesysteem van initiële competenties en de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern. Werkingsdotaties en -subsidies mogen ook worden gebruikt om schoolkosten te dekken die verband houden met de organisatie van onderwijsactiviteiten of educatieve reizen met overnachting voor leerlingen.
2° In overeenstemming met het beginsel van autonomie organiseren de inrichtende machten op vrije wijze de gratis toegang tot deze benodigdheden, afhankelijk van de realiteit ervan op het terrein en de onderwijsprioriteiten.
3° het derde lid en het vierde lid worden opgeheven;
4° het vijfde lid wordt vervangen als volgt :
"Elke inrichtende macht dient jaarlijks, uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het betrokken schooljaar, een activiteitenverslag ter evaluatie in bij de Diensten van de Regering, waarvan het model door de Regering wordt vastgesteld, waarin ten minste de bedragen zijn opgenomen die zijn uitgegeven voor de terbeschikkingstelling van schoolbenodigdheden en de dekking van alle of een deel van de schoolkosten in verband met de organisatie van onderwijsactiviteiten of educatieve reizen met overnachting, alsmede de uitsplitsing daarvan".
1° het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"In het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs is de toegang tot werkingsdotaties en -subsidies afhankelijk van de gratis terbeschikkingstelling door de inrichtende machten, in het kader van hun dotaties en subsidies, van schoolbenodigdheden, gedefinieerd als al het materiaal dat nodig is om de kennis, vaardigheden en competenties te bereiken die zijn omschreven in het referentiesysteem van initiële competenties en de referentiesystemen van de gemeenschappelijke kern. Werkingsdotaties en -subsidies mogen ook worden gebruikt om schoolkosten te dekken die verband houden met de organisatie van onderwijsactiviteiten of educatieve reizen met overnachting voor leerlingen.
2° In overeenstemming met het beginsel van autonomie organiseren de inrichtende machten op vrije wijze de gratis toegang tot deze benodigdheden, afhankelijk van de realiteit ervan op het terrein en de onderwijsprioriteiten.
3° het derde lid en het vierde lid worden opgeheven;
4° het vijfde lid wordt vervangen als volgt :
"Elke inrichtende macht dient jaarlijks, uiterlijk op 31 januari van het jaar volgend op het betrokken schooljaar, een activiteitenverslag ter evaluatie in bij de Diensten van de Regering, waarvan het model door de Regering wordt vastgesteld, waarin ten minste de bedragen zijn opgenomen die zijn uitgegeven voor de terbeschikkingstelling van schoolbenodigdheden en de dekking van alle of een deel van de schoolkosten in verband met de organisatie van onderwijsactiviteiten of educatieve reizen met overnachting, alsmede de uitsplitsing daarvan".
Art. 8. Dans le Chapitre 2 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, à l'article 1.7.2-1, § 4, tel que modifié par décret du 20 décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé, l'accès aux dotations et subventions de fonctionnement est conditionné par la mise à la disposition des élèves, gratuitement, par les Pouvoirs organisateurs, dans le cadre de leurs dotations et subventions, de fournitures scolaires définies comme étant tous les matériels nécessaires à l'atteinte des savoirs, savoir-faire et compétences définis dans le référentiel de compétences initiales et les référentiels du tronc commun. Les dotations et subventions de fonctionnement peuvent également couvrir les frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s) des élèves ;
2° conformément au principe d'autonomie, les Pouvoirs organisateurs organisent librement l'accès gratuit à ces fournitures, en fonction de leurs réalités de terrain et de leurs priorités pédagogiques ;
3° les alinéas 3 à 4 sont abrogés ;
4° l'alinéa 5 est remplacé comme suit :
" Tout Pouvoir organisateur communique annuellement aux Services du Gouvernement aux fins d'évaluation, au plus tard pour le 31 janvier de l'année suivant l'année scolaire concernée, un rapport d'activités dont le modèle sera déterminé par le Gouvernement, reprenant a minima les montants consacrés à la mise à disposition de fournitures scolaires et à la prise en charge totale ou partielle des frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s), ainsi que leur ventilation. ".
1° l'alinéa 2 est remplacé comme suit :
" Dans l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé, l'accès aux dotations et subventions de fonctionnement est conditionné par la mise à la disposition des élèves, gratuitement, par les Pouvoirs organisateurs, dans le cadre de leurs dotations et subventions, de fournitures scolaires définies comme étant tous les matériels nécessaires à l'atteinte des savoirs, savoir-faire et compétences définis dans le référentiel de compétences initiales et les référentiels du tronc commun. Les dotations et subventions de fonctionnement peuvent également couvrir les frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s) des élèves ;
2° conformément au principe d'autonomie, les Pouvoirs organisateurs organisent librement l'accès gratuit à ces fournitures, en fonction de leurs réalités de terrain et de leurs priorités pédagogiques ;
3° les alinéas 3 à 4 sont abrogés ;
4° l'alinéa 5 est remplacé comme suit :
" Tout Pouvoir organisateur communique annuellement aux Services du Gouvernement aux fins d'évaluation, au plus tard pour le 31 janvier de l'année suivant l'année scolaire concernée, un rapport d'activités dont le modèle sera déterminé par le Gouvernement, reprenant a minima les montants consacrés à la mise à disposition de fournitures scolaires et à la prise en charge totale ou partielle des frais scolaires liés à l'organisation d'activités pédagogiques ou de séjours pédagogiques avec nuitée(s), ainsi que leur ventilation. ".
Art. 9. In artikel 1.7.2-2 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° § 1, eerste lid wordt vervangen door: "In het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs, mogen geen schoolkosten worden gevraagd en mogen schoolbenodigdheden niet rechtstreeks of onrechtstreeks van de ouders worden gevorderd.";
2° in § 1, tweede lid worden de woorden "In het gewoon en gespecialiseerd kleuteronderwijs, alsook in de eerste drie leerjaren van het lager onderwijs en voor leerlingen die naar maturiteitsgraden I en II van het gespecialiseerd lager onderwijs gaan" vervangen door "In het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs" ;
3° in § 1, tweede lid, 2°, worden de woorden "van de leerjaren in het kleuteronderwijs" vervangen door "van de leerjaren in het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs";
4° in § 1, tweede lid, 3°, worden de woorden "van de leerjaren in het kleuteronderwijs" vervangen door "van de leerjaren in het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs";
5° § 2 wordt opgeheven.
1° § 1, eerste lid wordt vervangen door: "In het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs, mogen geen schoolkosten worden gevraagd en mogen schoolbenodigdheden niet rechtstreeks of onrechtstreeks van de ouders worden gevorderd.";
2° in § 1, tweede lid worden de woorden "In het gewoon en gespecialiseerd kleuteronderwijs, alsook in de eerste drie leerjaren van het lager onderwijs en voor leerlingen die naar maturiteitsgraden I en II van het gespecialiseerd lager onderwijs gaan" vervangen door "In het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs" ;
3° in § 1, tweede lid, 2°, worden de woorden "van de leerjaren in het kleuteronderwijs" vervangen door "van de leerjaren in het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs";
4° in § 1, tweede lid, 3°, worden de woorden "van de leerjaren in het kleuteronderwijs" vervangen door "van de leerjaren in het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs";
5° § 2 wordt opgeheven.
Art. 9. Dans l'article 1.7.2-2 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er, al. 1 est remplacé comme suit : " Dans l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé, aucun frais scolaire ne peut être perçus et aucune fourniture scolaire ne peut être réclamée aux parents, directement ou indirectement. " ;
2° au § 1er, al. 2, les termes " Dans l'enseignement maternel, ordinaire et spécialisé, ainsi que dans les trois premières années de l'enseignement primaire et pour les élèves évoluant dans les degrés de maturités I et II de l'enseignement primaire spécialisée " sont remplacés par "Dans l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé " ;
3° au § 1er, al. 2, 2°, les termes " des années d'étude de l'enseignement maternel " sont remplacés par " des années d'études de l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé " ;
4° au § 1er, al. 2, 3°, les termes " des années d'étude de l'enseignement maternel " sont remplacés par " des années d'études de l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé " ;
5° le § 2 est abrogé.
1° le § 1er, al. 1 est remplacé comme suit : " Dans l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé, aucun frais scolaire ne peut être perçus et aucune fourniture scolaire ne peut être réclamée aux parents, directement ou indirectement. " ;
2° au § 1er, al. 2, les termes " Dans l'enseignement maternel, ordinaire et spécialisé, ainsi que dans les trois premières années de l'enseignement primaire et pour les élèves évoluant dans les degrés de maturités I et II de l'enseignement primaire spécialisée " sont remplacés par "Dans l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé " ;
3° au § 1er, al. 2, 2°, les termes " des années d'étude de l'enseignement maternel " sont remplacés par " des années d'études de l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé " ;
4° au § 1er, al. 2, 3°, les termes " des années d'étude de l'enseignement maternel " sont remplacés par " des années d'études de l'enseignement fondamental, ordinaire et spécialisé " ;
5° le § 2 est abrogé.
HOOFDSTUK 5. - Bepalingen tot wijziging van het decreet van 19 oktober 2023 betreffende de financiering van volledige, gratis, gezonde en duurzame maaltijden in scholen voor gewoon of gespecialiseerd basisonderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en het uitvoeringsbesluit ervan
CHAPITRE 5. - Dispositions modifiant le décret du 19 octobre 2023 relatif au financement de repas complets, gratuits, sains et durables au sein des établissements scolaires d'enseignement fondamental ordinaire ou spécialisé, organisés ou subventionnés par la Communauté française et de son arrêté d'exécution
Art. 10. Het decreet van 19 oktober 2023 betreffende de financiering van volledige, gratis, gezonde en duurzame maaltijden in scholen voor gewoon of gespecialiseerd basisonderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, wordt opgeheven.
Art. 10. Le décret du 19 octobre 2023 relatif au financement de repas complets, gratuits, sains et durables au sein des établissements scolaires d'enseignement fondamental ordinaire ou spécialisé, organisés ou subventionnés par la Communauté française est abrogé.
Art. 11. Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 21 februari 2024 tot uitvoering van het decreet van 19 oktober 2023 betreffende de financiering van volledige, gratis, gezonde en duurzame maaltijden in scholen voor gewoon of gespecialiseerd basisonderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, wordt opgeheven.
Art. 11. L'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 21 février 2024 portant exécution du décret du 19 octobre 2023 relatif au subventionnement de repas complets, gratuits, sains et durables au sein des établissements scolaires d'enseignement fondamental ordinaire ou spécialisé, organisés ou subventionnés par la Communauté française est abrogé.
TITEL 2. - Maatregelen met betrekking tot indexering
TITRE 2. - Mesures relatives à l'indexation
Art. 12. In artikel 3, § 3, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving, zoals laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° het zevende lid, 2), wordt aangevuld met een g), luidend als volgt :
"g) voor het kalenderjaar 2026, door een indexering van 0% toe te passen op de forfaitaire dotaties voor het kalenderjaar 2025;
2° het elfde lid wordt aangevuld met een g), luidend als volgt :
"g) voor het kalenderjaar 2026, door een indexering van 0% toe te passen op de forfaitaire dotaties voor het kalenderjaar 2025.
1° het zevende lid, 2), wordt aangevuld met een g), luidend als volgt :
"g) voor het kalenderjaar 2026, door een indexering van 0% toe te passen op de forfaitaire dotaties voor het kalenderjaar 2025;
2° het elfde lid wordt aangevuld met een g), luidend als volgt :
"g) voor het kalenderjaar 2026, door een indexering van 0% toe te passen op de forfaitaire dotaties voor het kalenderjaar 2025.
Art. 12. A l'article 3, § 3, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement, tel que modifié en dernier lieu par le décret du 16 juillet 2025, les modifications suivantes sont apportées :
1° l'alinéa 7, 2), est complété par un g) rédigé comme suit :
" g) pour l'année civile 2026, en appliquant aux dotations forfaitaires de l'année civile 2025, une indexation de 0 % " ;
2° l'alinéa 11 est complété par un g) rédigé comme suit :
" g) pour l'année civile 2026, en appliquant aux dotations forfaitaires de l'année civile 2025, une indexation de 0 %. ".
1° l'alinéa 7, 2), est complété par un g) rédigé comme suit :
" g) pour l'année civile 2026, en appliquant aux dotations forfaitaires de l'année civile 2025, une indexation de 0 % " ;
2° l'alinéa 11 est complété par un g) rédigé comme suit :
" g) pour l'année civile 2026, en appliquant aux dotations forfaitaires de l'année civile 2025, une indexation de 0 %. ".
Art. 13. In artikel 32, § 2, van dezelfde wet, zoals laatst gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2025, wordt het achtste lid aangevuld met een g), luidend als volgt :
"g) voor kalenderjaar 2026, door een indexering van 0% toe te passen op de bedragen voor kalenderjaar 2025.
"g) voor kalenderjaar 2026, door een indexering van 0% toe te passen op de bedragen voor kalenderjaar 2025.
Art. 13. A l'article 32, § 2, de la même loi, tel que modifié en dernier lieu par le décret du 16 juillet 2025, l'alinéa 8, est complété par un g) rédigé comme suit :
" g) pour l'année civile 2026, en appliquant aux montants de l'année civile 2025, une indexation de 0 %. ".
" g) pour l'année civile 2026, en appliquant aux montants de l'année civile 2025, une indexation de 0 %. ".
TITEL 3. - Maatregelen om het aantal lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning te verhogen en deze flexibeler te maken
TITRE 3. - Mesures relatives au renforcement et à la flexibilisation du nombre de périodes d'accompagnement personnalisé
HOOFDSTUK I. - Bepaling tot wijziging van het decreet van 13 juli 1998 betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving
CHAPITRE 1er. - Disposition modifiant le décret du 13 juillet 1998 portant organisation de l'enseignement maternel et primaire ordinaire et modifiant la réglementation de l'enseignement
Art. 14. In artikel 31bis van het decreet van 13 juli 1998 betreffende de organisatie van het gewoon kleuteronderwijs en lager onderwijs en de wijziging van de onderwijswetgeving, zoals vervangen bij het decreet van 22 juni 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°. In § 1, eerste lid, wordt 2° vervangen als volgt :
" 2° van het 3de tot het 6de leerjaar lager onderwijs wordt 1 lestijd gegenereerd per begonnen schijf van 20 leerlingen, gebaseerd op de totale schoolbevolking voor deze vier studiejaren. ";
2°. In § 1 worden het tweede lid tot het negende lid vervangen door een lid, luidend als volgt :
"In afwijking van de berekening bedoeld in het eerste lid wordt voor scholen met minder dan 45 leerlingen in het lager onderwijs een minimum van 4 lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning gegarandeerd. Als de berekening een hoger aantal lestijden oplevert, is dit resultaat van toepassing. "
3°. In § 1 wordt het laatste lid vervangen als volgt :
"Als er lestijden overblijven nadat de verplichtingen van artikel 2.2.1-4, § 3, eerste lid, 4°, en tweede lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voor alle groepen-klassen van de vestigingsplaats vervuld zijn, dan worden deze lestijden uitsluitend bestemd om de lestijden, binnen de vestigingsplaatsen, van de gepersonaliseerde ondersteuning te versterken die bestemd zijn voor de invoering van het differentiatie- en gepersonaliseerde ondersteuningsmechanismen bedoeld in artikel 2.2.3-2 van hetzelfde Wetboek. "
1°. In § 1, eerste lid, wordt 2° vervangen als volgt :
" 2° van het 3de tot het 6de leerjaar lager onderwijs wordt 1 lestijd gegenereerd per begonnen schijf van 20 leerlingen, gebaseerd op de totale schoolbevolking voor deze vier studiejaren. ";
2°. In § 1 worden het tweede lid tot het negende lid vervangen door een lid, luidend als volgt :
"In afwijking van de berekening bedoeld in het eerste lid wordt voor scholen met minder dan 45 leerlingen in het lager onderwijs een minimum van 4 lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning gegarandeerd. Als de berekening een hoger aantal lestijden oplevert, is dit resultaat van toepassing. "
3°. In § 1 wordt het laatste lid vervangen als volgt :
"Als er lestijden overblijven nadat de verplichtingen van artikel 2.2.1-4, § 3, eerste lid, 4°, en tweede lid, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs voor alle groepen-klassen van de vestigingsplaats vervuld zijn, dan worden deze lestijden uitsluitend bestemd om de lestijden, binnen de vestigingsplaatsen, van de gepersonaliseerde ondersteuning te versterken die bestemd zijn voor de invoering van het differentiatie- en gepersonaliseerde ondersteuningsmechanismen bedoeld in artikel 2.2.3-2 van hetzelfde Wetboek. "
Art. 14. A l'article 31bis du décret du 13 juillet 1998 portant organisation de l'enseignement maternel et primaire ordinaire et modifiant la réglementation de l'enseignement, tel que remplacé par le décret du 22 juin 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, l'alinéa 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° de la 3e à la 6e année primaire, 1 période est générée par tranche entamée de 20 élèves sur base de la population scolaire totale de ces quatre années d'études. " ;
2° dans le § 1er, les alinéas 2 à 9 sont remplacés par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation au calcul visé à l'alinéa 1er, pour les implantations comptabilisant moins de 45 élèves dans l'enseignement primaire, un minimum de 4 périodes d'accompagnement personnalisé est garanti. Si le calcul octroie un nombre supérieur de périodes, ce résultat s'applique. " ;
3° dans le § 1er, le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" S'il reste des périodes après avoir satisfait aux obligations prévues à l'article 2.2.1-4, § 3, alinéa 1er, 4°, et alinéa 2, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire pour tous les groupes classes de l'implantation, ces périodes sont affectées exclusivement au renforcement, au sein de l'implantation, des périodes d'accompagnement personnalisé dédiées à la mise en place de dispositifs de différenciation et d'accompagnement personnalisé visées à l'article 2.2.3-2 du même Code. ".
1° dans le § 1er, l'alinéa 1er, le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° de la 3e à la 6e année primaire, 1 période est générée par tranche entamée de 20 élèves sur base de la population scolaire totale de ces quatre années d'études. " ;
2° dans le § 1er, les alinéas 2 à 9 sont remplacés par un alinéa rédigé comme suit :
" Par dérogation au calcul visé à l'alinéa 1er, pour les implantations comptabilisant moins de 45 élèves dans l'enseignement primaire, un minimum de 4 périodes d'accompagnement personnalisé est garanti. Si le calcul octroie un nombre supérieur de périodes, ce résultat s'applique. " ;
3° dans le § 1er, le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" S'il reste des périodes après avoir satisfait aux obligations prévues à l'article 2.2.1-4, § 3, alinéa 1er, 4°, et alinéa 2, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire pour tous les groupes classes de l'implantation, ces périodes sont affectées exclusivement au renforcement, au sein de l'implantation, des périodes d'accompagnement personnalisé dédiées à la mise en place de dispositifs de différenciation et d'accompagnement personnalisé visées à l'article 2.2.3-2 du même Code. ".
HOOFDSTUK 2. - Bepalingen tot wijziging van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs
CHAPITRE 2. - Dispositions modifiant le Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire
Art. 15. In artikel 2.2.1-4, § 3, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, zoals gewijzigd bij het decreet van 20 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1°. In het eerste lid wordt 4° vervangen als volgt :
"4° twee lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning gewijd aan de invoering van mechanismen van differentiatie en gepersonaliseerde ondersteuning bedoeld in de artikelen 2.3.1-2 en 2.3.1-3. "
2°. Het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Naast de lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning bedoeld in het eerste lid, 4° :
1°. in het eerste en tweede jaar wordt een extra lestijd van gepersonaliseerde ondersteuning georganiseerd;
2°. in het derde en vierde jaar wordt een extra lestijd van gepersonaliseerde ondersteuning georganiseerd in een van deze twee studiejaren; de inrichtende macht bepaalt in welk van deze twee studiejaren deze lestijd wordt georganiseerd.
Deze extra lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning worden verdeeld over verschillende gebieden en vakken of over alle gebieden en vakken bedoeld in artikel 2.2.1-5, § 3. "
1°. In het eerste lid wordt 4° vervangen als volgt :
"4° twee lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning gewijd aan de invoering van mechanismen van differentiatie en gepersonaliseerde ondersteuning bedoeld in de artikelen 2.3.1-2 en 2.3.1-3. "
2°. Het tweede lid wordt vervangen als volgt :
"Naast de lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning bedoeld in het eerste lid, 4° :
1°. in het eerste en tweede jaar wordt een extra lestijd van gepersonaliseerde ondersteuning georganiseerd;
2°. in het derde en vierde jaar wordt een extra lestijd van gepersonaliseerde ondersteuning georganiseerd in een van deze twee studiejaren; de inrichtende macht bepaalt in welk van deze twee studiejaren deze lestijd wordt georganiseerd.
Deze extra lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning worden verdeeld over verschillende gebieden en vakken of over alle gebieden en vakken bedoeld in artikel 2.2.1-5, § 3. "
Art. 15. Dans l'article 2.2.1-4, § 3, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, tel que modifié par le décret du 20 juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° deux périodes d'accompagnement personnalisé dédiées à la mise en place de dispositifs de différenciation et d'accompagnement personnalisé visés aux articles 2.3.1-2 et 2.3.1-3. " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" complémentairement aux périodes d'accompagnement personnalisé visées à l'alinéa 1er, 4° :
1. en première et deuxième années, une période supplémentaire d'accompagnement personnalisé est organisée ;
2. en troisième et quatrième années, une période supplémentaire d'accompagnement personnalisé est organisée dans l'une de ces deux années d'études ; le Pouvoir organisateur détermine dans laquelle de ces deux années d'études cette période est organisée.
Ces périodes supplémentaires d'accompagnement personnalisé sont réparties au sein de différents domaines et disciplines ou sur l'ensemble des domaines et disciplines visés à l'article 2.2.1-5, § 3. ".
1° dans l'alinéa 1er, le 4° est remplacé par ce qui suit :
" 4° deux périodes d'accompagnement personnalisé dédiées à la mise en place de dispositifs de différenciation et d'accompagnement personnalisé visés aux articles 2.3.1-2 et 2.3.1-3. " ;
2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
" complémentairement aux périodes d'accompagnement personnalisé visées à l'alinéa 1er, 4° :
1. en première et deuxième années, une période supplémentaire d'accompagnement personnalisé est organisée ;
2. en troisième et quatrième années, une période supplémentaire d'accompagnement personnalisé est organisée dans l'une de ces deux années d'études ; le Pouvoir organisateur détermine dans laquelle de ces deux années d'études cette période est organisée.
Ces périodes supplémentaires d'accompagnement personnalisé sont réparties au sein de différents domaines et disciplines ou sur l'ensemble des domaines et disciplines visés à l'article 2.2.1-5, § 3. ".
Art. 16. In artikel 2.2.3-2, § 1, van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij het decreet van 20 juli 2022 en gewijzigd bij het decreet van 22 juni 2023, wordt het laatste lid vervangen door wat volgt:
"De inrichtende macht organiseert de lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning zodanig dat er minimaal toezicht is op twee klassen door drie leerkrachten, of door twee leerkrachten en een logopedist, en dit :
1°. naar rato van drie lestijden per week in het eerste en tweede jaar van het lager onderwijs;
2°. naar rato van drie lestijden per week in het derde of vierde leerjaar van het lager onderwijs en naar rato van twee lestijden per week in het andere leerjaar, afhankelijk van de keuze voorgesteld door de inrichtende macht;
3°. naar rato van twee lestijden per week in het vijfde en zesde jaar van het lager onderwijs. "
"De inrichtende macht organiseert de lestijden van gepersonaliseerde ondersteuning zodanig dat er minimaal toezicht is op twee klassen door drie leerkrachten, of door twee leerkrachten en een logopedist, en dit :
1°. naar rato van drie lestijden per week in het eerste en tweede jaar van het lager onderwijs;
2°. naar rato van drie lestijden per week in het derde of vierde leerjaar van het lager onderwijs en naar rato van twee lestijden per week in het andere leerjaar, afhankelijk van de keuze voorgesteld door de inrichtende macht;
3°. naar rato van twee lestijden per week in het vijfde en zesde jaar van het lager onderwijs. "
Art. 16. Dans l'article 2.2.3-2, § 1er, du même Code, tel que remplacé par le décret du 20 juillet 2022 et modifié par le décret du 22 juin 2023, le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Le Pouvoir organisateur organise les périodes d'accompagnement personnalisé de façon à permettre a minima l'encadrement de deux classes par trois enseignants, ou par deux enseignants et un logopède, et ce :
1° à raison de trois périodes hebdomadaires en première et deuxième années de l'enseignement primaire ;
2° à raison de trois périodes hebdomadaires en troisième ou en quatrième année de l'enseignement primaire et à raison deux périodes hebdomadaires dans l'autre année d'études, selon le choix posé par le Pouvoir organisateur ;
3° à raison de deux périodes hebdomadaires en cinquième et sixième années de l'enseignement primaire. ".
" Le Pouvoir organisateur organise les périodes d'accompagnement personnalisé de façon à permettre a minima l'encadrement de deux classes par trois enseignants, ou par deux enseignants et un logopède, et ce :
1° à raison de trois périodes hebdomadaires en première et deuxième années de l'enseignement primaire ;
2° à raison de trois périodes hebdomadaires en troisième ou en quatrième année de l'enseignement primaire et à raison deux périodes hebdomadaires dans l'autre année d'études, selon le choix posé par le Pouvoir organisateur ;
3° à raison de deux périodes hebdomadaires en cinquième et sixième années de l'enseignement primaire. ".
Art. 17. In artikel 2.3.1-2 van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd bij het decreet van 20 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1°. er wordt een lid ingevoegd tussen het eerste lid en het tweede lid, luidend als volgt :
"In dit kader houdt het onderwijsteam in het vierde jaar van het lager onderwijs in het bijzonder rekening met de resultaten die de leerlingen behalen bij de externe diagnostische evaluatie CLE bedoeld in artikel 1.6.3-1. "
2°. In het tweede lid, dat het derde lid is geworden, wordt het woord "het" vervangen door de woorden "het onderwijsteam ".
1°. er wordt een lid ingevoegd tussen het eerste lid en het tweede lid, luidend als volgt :
"In dit kader houdt het onderwijsteam in het vierde jaar van het lager onderwijs in het bijzonder rekening met de resultaten die de leerlingen behalen bij de externe diagnostische evaluatie CLE bedoeld in artikel 1.6.3-1. "
2°. In het tweede lid, dat het derde lid is geworden, wordt het woord "het" vervangen door de woorden "het onderwijsteam ".
Art. 17. Dans l'article 2.3.1-2 du même Code, tel que modifié par le décret du 20 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est inséré un alinéa rédigé comme suit entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
" Dans ce cadre, en quatrième année de l'enseignement primaire, l'équipe pédagogique tient compte, notamment, des résultats obtenus par les élèves à l'évaluation externe diagnostique CLE visée à l'article 1.6.3-1. " ;
2° dans l'alinéa 2, devenu alinéa 3, le mot " elle " est remplacé par les mots " l'équipe pédagogique ".
1° il est inséré un alinéa rédigé comme suit entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
" Dans ce cadre, en quatrième année de l'enseignement primaire, l'équipe pédagogique tient compte, notamment, des résultats obtenus par les élèves à l'évaluation externe diagnostique CLE visée à l'article 1.6.3-1. " ;
2° dans l'alinéa 2, devenu alinéa 3, le mot " elle " est remplacé par les mots " l'équipe pédagogique ".
TITEL 4. - Maatregel inzake de regel van gedeeltelijke of volledige globalisering van de telling
TITRE 4. - Mesure relative à la règle de globalisation partielle ou totale du comptage
Art. 18. In artikel 22, § 1, van het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan, zoals laatst gewijzigd bij het decreet van 24 februari 2022, worden het tiende lid en het elfde lid opgeheven.
Art. 18. Dans l'article 22, § 1er, du décret du 29 juillet 1992 portant organisation de l'enseignement secondaire de plein exercice, tel que modifié en dernier lieu par décret du 24 février 2022, les alinéas 10 et 11 sont abrogés.
TITEL 5. - Maatregelen betreffende wetenschappelijke studies en initiatieven die bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van het onderwijssysteem
TITRE 5. - Mesures relatives aux études scientifiques et aux initiatives contribuant à l'amélioration de la qualité du système éducatif
Art. 19. In boek 1, Titel 6, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs wordt hoofdstuk 1 aangevuld met een afdeling 3, namelijk "Wetenschappelijke studies en initiatieven die bijdragen tot de verbetering van het onderwijssysteem", waarvan de inhoud hierna volgt:
"Afdeling 3 - Wetenschappelijke studies en initiatieven die bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van het onderwijssysteem
Artikel 1.6.1-3. - Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
1°. "Instelling voor hoger onderwijs" : de Universiteiten, de Hogescholen en de Hogere Kunstscholen, zoals bedoeld in de artikelen 10 tot 12 van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies;
2°. "Internationaal onderzoek": elk vergelijkend onderzoek dat op internationale schaal wordt georganiseerd en tot doel heeft de verworven kennis van leerlingen, de praktijken van leerkrachten of de werking van onderwijssystemen te meten;
3°. "Wetenschappelijke studie": elke studie of elk onderzoek uitgevoerd door een instelling voor hoger onderwijs of een erkende onderzoeksinstelling die bijdraagt tot de evaluatie, de sturing of de verbetering van het onderwijssysteem.
Artikel 1.6.1-4. - § 1. De Regering zorgt voor :
1°. de organisatie van studies in verband met de deelname van de Franse Gemeenschap aan internationale onderzoeken, overeenkomstig de nadere regels bedoeld in paragraaf 2;
2°. de organisatie en uitvoering van een agenda van wetenschappelijke studies over de kwaliteit van het onderwijssysteem, overeenkomstig de nadere regels bedoeld in paragraaf 3 ;
3°. de organisatie en uitvoering van een systeem van didactische en pedagogische expertisecentra, overeenkomstig de nadere regels bedoeld in paragraaf 4.
§ 2. De Franse Gemeenschap neemt via haar Ministerie of de Regering deel aan internationale onderzoeken onder leerlingen, ouders van leerlingen en personeelsleden van het onderwijs.
Daartoe bepaalt de Regering de voorwaarden voor de deelname van de Franse Gemeenschap aan de internationale strategische organen die de onderzoeken sturen. De diensten van de Regering houden toezicht op de implementatie van deze deelname en bereiden de rapporten van internationale onderzoeken voor en publiceren deze.
De Regering organiseert studies in verband met de deelname van de Franse Gemeenschap aan internationale onderzoeken met het oog op het meten, analyseren en vergelijken van de verschillende dimensies van de kwaliteit van onderwijssystemen.
De Regering financiert de deelname van de Franse Gemeenschap aan internationale onderzoeken en kent subsidies of dotaties toe aan de instellingen voor hoger onderwijs die aangewezen zijn om de desbetreffende studies uit te voeren.
De Regering bepaalt :
1°. de procedures voor de selectie van instellingen voor hoger onderwijs en de procedures voor het sluiten van overeenkomsten of partnerschappen met het oog op deelname aan internationale onderzoeken en de daaruit voortvloeiende studies overeenkomstig de door internationale organisaties of verenigingen vastgestelde methodologische protocollen;
2°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van subsidies of dotaties ;
3°. de nadere regels voor het toezicht op en de opvolging van onderzoeken en studies, met name door de opdrachten, de werkwijze en de samenstelling van het comité dat met het toezicht op de onderzoeken is belast, vast te stellen.
§ 3. De Regering organiseert de uitvoering van een agenda voor wetenschappelijke studies om bij te dragen tot de doelstellingen ter verbetering van het onderwijssysteem, zoals bepaald in artikel 1.5.2-2. Dit stelsel heeft betrekking op de organisatie van studies ter ondersteuning van de ontwikkeling en evaluatie van onderwijsbeleid, de verzameling van gegevens en informatie, kwalitatieve en kwantitatieve analyse en innovatie op onderwijs- en pedagogisch gebied, om bij te dragen aan de kwaliteit van de informatie op het gebied van onderwijsbeleid en -praktijken en aan de analyse van onderwijs- en maatschappelijke uitdagingen.
De Regering kan een oproep tot projecten lanceren of reageren op een verzoek voor een subsidie of dotatie.
De Regering kan, binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies of dotaties toekennen aan instellingen voor hoger onderwijs om de studies bedoeld in het eerste lid te financieren.
De Regering bepaalt :
1°. de onderwerpen en thema's van de agenda;
2°. de procedures voor de organisatie van oproepen tot projecten of de indiening van aanvragen voor subsidies of dotaties, de voorwaarden en procedures voor de ontvankelijkheid van de aanvragen en de beoordeling van het ingediende project ;
3°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie of de dotatie ;
4°. de procedures voor bestuur en toezicht inzake studies, met name door de opdrachten, de werkwijze en de samenstelling van de instantie die verantwoordelijk is voor het sturen en volgen van de studies, vast te stellen;
5°. de procedures voor de beoordeling van de agenda van de wetenschappelijke studies.
§ 4. De Regering organiseert een systeem van didactische en pedagogische expertisecentra. Dit stelsel heeft betrekking op de organisatie van wetenschappelijke studies die tot doel hebben om, binnen de scholen die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd, te experimenteren met pedagogische instrumenten en hun pedagogische voorzieningen en om, in voorkomend geval, de doeltreffendheid ervan te documenteren en aan te tonen, teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van een ecosysteem van onderwijsstudies en de resultaten en bijdragen van wetenschappelijke studies te verspreiden binnen de onderwijsgemeenschap.
Om de twee jaar stelt de Regering het aantal op te richten didactische en pedagogische expertisecentra vast en doet ze een oproep tot projecten bij instellingen voor hoger onderwijs.
De Regering kan, binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies of dotaties toekennen aan instellingen voor hoger onderwijs om het stelsel van didactische en pedagogische expertisecentra te financieren.
De Regering bepaalt :
1°. de lijst van onderwerpen en thema's van de studie van expertisecentra ;
2°. de procedures voor de oproep tot projecten, de procedures voor het opzetten van het systeem van expertisecentra, de beginselen en procedures voor het beheer van het systeem van expertisecentra;
3°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie of de dotatie ;
4°. de nadere regels voor het coördineren en ondersteunen van het werk van de didactische en pedagogische expertisecentra, met name door het vaststellen van de opdrachten, de werkprocedures en de samenstelling van het comité dat verantwoordelijk is voor het sturen en het opvolgen van de expertisecentra;
5°. de procedures voor de evaluatie van het stelsel van didactische en pedagogische expertisecentra.
Artikel 1.6.1-5. - De Regering kent, binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies of dotaties toe aan instellingen voor hoger onderwijs, aan door de Franse Gemeenschap erkende actoren uit de associatieve sector die actief zijn op het gebied van onderwijs, of aan erkende onderzoeksinstellingen voor de financiering van projecten die tot doel hebben, de dynamiek van verandering en innovatie binnen de schoolgemeenschap te analyseren, te documenteren en, indien nodig, te evalueren door middel van stelsels die gebaseerd zijn op de deelname van het schoolpubliek met het oog op informatie, raadpleging of verspreiding van praktijken.
Onder de voorwaarden bedoeld in dit artikel kan de Regering een oproep tot projecten lanceren of reageren op een verzoek om een subsidie of dotatie.
De Regering bepaalt :
1°. de procedures voor het organiseren van oproepen tot projecten en het indienen van aanvragen voor subsidies of dotatie, de voorwaarden en procedures voor de ontvankelijkheid van aanvragen en de beoordeling van het ingediende project;
2°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie of de dotatie ;
3°. het bestuur en de procedures voor de ondersteuning van het project ;
4°. de nadere regels die worden gebruikt om de deelname van het schoolpubliek te evalueren.
Artikel 1.6.1-6. - De Regering kent, binnen de perken van de begrotingskredieten en in het kader van de naleving van de criteria die in dit lid en in het derde lid en het vierde lid worden vastgesteld, subsidies toe aan initiatieven van actoren uit de associatieve sector die, binnen de scholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of met haar publiek, activiteiten, interventies of instrumenten ontwikkelen die activiteiten, tussenkomsten of instrumenten ontwikkelen die het leren en de vooruitgang van de leerlingen, het welzijn op school en het schoolklimaat, de pedagogische dynamiek, de ondersteuning van het onderwijzend personeel en de opening van de school naar de buitenwereld ondersteunen.
De Regering kan reageren op een subsidieaanvraag of een oproep tot projecten lanceren.
Voor elk initiatief dat in aanmerking komt, vindt de selectie plaats op basis van vijf criteria:
1° het publiek of de doelgroep die door het project wordt bereikt en dat/die zoveel mogelijk mensen ten goede moet komen;
2° het ongekende, innovatieve, originele en/of experimentele karakter dat het project ontwikkelt ten opzichte van de huidige wetgeving;
3° de verantwoording van het bedrag van de voorgestelde subsidie in functie van de verwachte
impact van het project en de eigen middelen van de begunstigde associatieve actoren ;
4° de relevantie voor ten minste één van de prioritaire opdrachten van het basisonderwijs
en het secundair onderwijs, zoals bepaald in artikel 1.4.1-1 ;
5° de adequatie met ten minste één van de doelstellingen voor de verbetering van het onderwijsstelsel bedoeld in artikel 1.5.2-2.
De Regering bepaalt :
1°. de procedures voor het indienen van subsidieaanvragen, de voorwaarden en procedures voor de ontvankelijkheid van de aanvragen, evenals de procedures voor het organiseren van de oproepen tot projecten en het evalueren van de ingediende initiatieven;
2°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie ;
3°. het bestuur en de procedures voor de ondersteuning van initiatieven;
4°. de procedures voor het evalueren van activiteiten, tussenkomsten of hulpmiddelen..
Artikel 1.6.1-7. - Het verslag bedoeld in artikel 1.5.2-2 bevat een specifiek deel dat de bijdragen beschrijft van de stelsels bedoeld in de artikelen 1.6.1- 4, §§ 3 en 4, 1.6.1-5 en 1.6.1-6, aan de doelstellingen van de verbetering van het schoolsysteem bedoeld in artikel 1.5.2-2, eerste lid. ".
"Afdeling 3 - Wetenschappelijke studies en initiatieven die bijdragen tot de verbetering van de kwaliteit van het onderwijssysteem
Artikel 1.6.1-3. - Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder :
1°. "Instelling voor hoger onderwijs" : de Universiteiten, de Hogescholen en de Hogere Kunstscholen, zoals bedoeld in de artikelen 10 tot 12 van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies;
2°. "Internationaal onderzoek": elk vergelijkend onderzoek dat op internationale schaal wordt georganiseerd en tot doel heeft de verworven kennis van leerlingen, de praktijken van leerkrachten of de werking van onderwijssystemen te meten;
3°. "Wetenschappelijke studie": elke studie of elk onderzoek uitgevoerd door een instelling voor hoger onderwijs of een erkende onderzoeksinstelling die bijdraagt tot de evaluatie, de sturing of de verbetering van het onderwijssysteem.
Artikel 1.6.1-4. - § 1. De Regering zorgt voor :
1°. de organisatie van studies in verband met de deelname van de Franse Gemeenschap aan internationale onderzoeken, overeenkomstig de nadere regels bedoeld in paragraaf 2;
2°. de organisatie en uitvoering van een agenda van wetenschappelijke studies over de kwaliteit van het onderwijssysteem, overeenkomstig de nadere regels bedoeld in paragraaf 3 ;
3°. de organisatie en uitvoering van een systeem van didactische en pedagogische expertisecentra, overeenkomstig de nadere regels bedoeld in paragraaf 4.
§ 2. De Franse Gemeenschap neemt via haar Ministerie of de Regering deel aan internationale onderzoeken onder leerlingen, ouders van leerlingen en personeelsleden van het onderwijs.
Daartoe bepaalt de Regering de voorwaarden voor de deelname van de Franse Gemeenschap aan de internationale strategische organen die de onderzoeken sturen. De diensten van de Regering houden toezicht op de implementatie van deze deelname en bereiden de rapporten van internationale onderzoeken voor en publiceren deze.
De Regering organiseert studies in verband met de deelname van de Franse Gemeenschap aan internationale onderzoeken met het oog op het meten, analyseren en vergelijken van de verschillende dimensies van de kwaliteit van onderwijssystemen.
De Regering financiert de deelname van de Franse Gemeenschap aan internationale onderzoeken en kent subsidies of dotaties toe aan de instellingen voor hoger onderwijs die aangewezen zijn om de desbetreffende studies uit te voeren.
De Regering bepaalt :
1°. de procedures voor de selectie van instellingen voor hoger onderwijs en de procedures voor het sluiten van overeenkomsten of partnerschappen met het oog op deelname aan internationale onderzoeken en de daaruit voortvloeiende studies overeenkomstig de door internationale organisaties of verenigingen vastgestelde methodologische protocollen;
2°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van subsidies of dotaties ;
3°. de nadere regels voor het toezicht op en de opvolging van onderzoeken en studies, met name door de opdrachten, de werkwijze en de samenstelling van het comité dat met het toezicht op de onderzoeken is belast, vast te stellen.
§ 3. De Regering organiseert de uitvoering van een agenda voor wetenschappelijke studies om bij te dragen tot de doelstellingen ter verbetering van het onderwijssysteem, zoals bepaald in artikel 1.5.2-2. Dit stelsel heeft betrekking op de organisatie van studies ter ondersteuning van de ontwikkeling en evaluatie van onderwijsbeleid, de verzameling van gegevens en informatie, kwalitatieve en kwantitatieve analyse en innovatie op onderwijs- en pedagogisch gebied, om bij te dragen aan de kwaliteit van de informatie op het gebied van onderwijsbeleid en -praktijken en aan de analyse van onderwijs- en maatschappelijke uitdagingen.
De Regering kan een oproep tot projecten lanceren of reageren op een verzoek voor een subsidie of dotatie.
De Regering kan, binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies of dotaties toekennen aan instellingen voor hoger onderwijs om de studies bedoeld in het eerste lid te financieren.
De Regering bepaalt :
1°. de onderwerpen en thema's van de agenda;
2°. de procedures voor de organisatie van oproepen tot projecten of de indiening van aanvragen voor subsidies of dotaties, de voorwaarden en procedures voor de ontvankelijkheid van de aanvragen en de beoordeling van het ingediende project ;
3°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie of de dotatie ;
4°. de procedures voor bestuur en toezicht inzake studies, met name door de opdrachten, de werkwijze en de samenstelling van de instantie die verantwoordelijk is voor het sturen en volgen van de studies, vast te stellen;
5°. de procedures voor de beoordeling van de agenda van de wetenschappelijke studies.
§ 4. De Regering organiseert een systeem van didactische en pedagogische expertisecentra. Dit stelsel heeft betrekking op de organisatie van wetenschappelijke studies die tot doel hebben om, binnen de scholen die door de Franse Gemeenschap worden georganiseerd of gesubsidieerd, te experimenteren met pedagogische instrumenten en hun pedagogische voorzieningen en om, in voorkomend geval, de doeltreffendheid ervan te documenteren en aan te tonen, teneinde bij te dragen tot de ontwikkeling van een ecosysteem van onderwijsstudies en de resultaten en bijdragen van wetenschappelijke studies te verspreiden binnen de onderwijsgemeenschap.
Om de twee jaar stelt de Regering het aantal op te richten didactische en pedagogische expertisecentra vast en doet ze een oproep tot projecten bij instellingen voor hoger onderwijs.
De Regering kan, binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies of dotaties toekennen aan instellingen voor hoger onderwijs om het stelsel van didactische en pedagogische expertisecentra te financieren.
De Regering bepaalt :
1°. de lijst van onderwerpen en thema's van de studie van expertisecentra ;
2°. de procedures voor de oproep tot projecten, de procedures voor het opzetten van het systeem van expertisecentra, de beginselen en procedures voor het beheer van het systeem van expertisecentra;
3°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie of de dotatie ;
4°. de nadere regels voor het coördineren en ondersteunen van het werk van de didactische en pedagogische expertisecentra, met name door het vaststellen van de opdrachten, de werkprocedures en de samenstelling van het comité dat verantwoordelijk is voor het sturen en het opvolgen van de expertisecentra;
5°. de procedures voor de evaluatie van het stelsel van didactische en pedagogische expertisecentra.
Artikel 1.6.1-5. - De Regering kent, binnen de perken van de begrotingskredieten, subsidies of dotaties toe aan instellingen voor hoger onderwijs, aan door de Franse Gemeenschap erkende actoren uit de associatieve sector die actief zijn op het gebied van onderwijs, of aan erkende onderzoeksinstellingen voor de financiering van projecten die tot doel hebben, de dynamiek van verandering en innovatie binnen de schoolgemeenschap te analyseren, te documenteren en, indien nodig, te evalueren door middel van stelsels die gebaseerd zijn op de deelname van het schoolpubliek met het oog op informatie, raadpleging of verspreiding van praktijken.
Onder de voorwaarden bedoeld in dit artikel kan de Regering een oproep tot projecten lanceren of reageren op een verzoek om een subsidie of dotatie.
De Regering bepaalt :
1°. de procedures voor het organiseren van oproepen tot projecten en het indienen van aanvragen voor subsidies of dotatie, de voorwaarden en procedures voor de ontvankelijkheid van aanvragen en de beoordeling van het ingediende project;
2°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie of de dotatie ;
3°. het bestuur en de procedures voor de ondersteuning van het project ;
4°. de nadere regels die worden gebruikt om de deelname van het schoolpubliek te evalueren.
Artikel 1.6.1-6. - De Regering kent, binnen de perken van de begrotingskredieten en in het kader van de naleving van de criteria die in dit lid en in het derde lid en het vierde lid worden vastgesteld, subsidies toe aan initiatieven van actoren uit de associatieve sector die, binnen de scholen georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap of met haar publiek, activiteiten, interventies of instrumenten ontwikkelen die activiteiten, tussenkomsten of instrumenten ontwikkelen die het leren en de vooruitgang van de leerlingen, het welzijn op school en het schoolklimaat, de pedagogische dynamiek, de ondersteuning van het onderwijzend personeel en de opening van de school naar de buitenwereld ondersteunen.
De Regering kan reageren op een subsidieaanvraag of een oproep tot projecten lanceren.
Voor elk initiatief dat in aanmerking komt, vindt de selectie plaats op basis van vijf criteria:
1° het publiek of de doelgroep die door het project wordt bereikt en dat/die zoveel mogelijk mensen ten goede moet komen;
2° het ongekende, innovatieve, originele en/of experimentele karakter dat het project ontwikkelt ten opzichte van de huidige wetgeving;
3° de verantwoording van het bedrag van de voorgestelde subsidie in functie van de verwachte
impact van het project en de eigen middelen van de begunstigde associatieve actoren ;
4° de relevantie voor ten minste één van de prioritaire opdrachten van het basisonderwijs
en het secundair onderwijs, zoals bepaald in artikel 1.4.1-1 ;
5° de adequatie met ten minste één van de doelstellingen voor de verbetering van het onderwijsstelsel bedoeld in artikel 1.5.2-2.
De Regering bepaalt :
1°. de procedures voor het indienen van subsidieaanvragen, de voorwaarden en procedures voor de ontvankelijkheid van de aanvragen, evenals de procedures voor het organiseren van de oproepen tot projecten en het evalueren van de ingediende initiatieven;
2°. de procedures voor de toekenning, het gebruik en de verantwoording van de subsidie ;
3°. het bestuur en de procedures voor de ondersteuning van initiatieven;
4°. de procedures voor het evalueren van activiteiten, tussenkomsten of hulpmiddelen..
Artikel 1.6.1-7. - Het verslag bedoeld in artikel 1.5.2-2 bevat een specifiek deel dat de bijdragen beschrijft van de stelsels bedoeld in de artikelen 1.6.1- 4, §§ 3 en 4, 1.6.1-5 en 1.6.1-6, aan de doelstellingen van de verbetering van het schoolsysteem bedoeld in artikel 1.5.2-2, eerste lid. ".
Art. 19. Dans le Livre 1er, Titre 6, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, le Chapitre 1er est complété par une Section 3 intitulée " Des études scientifiques et des initiatives contribuant à l'amélioration du système éducatif " dont la teneur suit :
" Section 3 - Des études scientifiques et des initiatives contribuant à l'amélioration de la qualité du système éducatif.
Article 1.6.1-3. - Pour l'application de la présente section, il y a lieu d'entendre par :
1° " établissement d'enseignement supérieur " : les Universités, les Hautes Ecoles et les Ecoles supérieures des Arts visées par les articles 10 à 12 du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études ;
2° " enquête internationale " : toute enquête comparative organisée à l'échelle internationale et visant à mesurer les acquis des élèves, les pratiques des enseignants ou le fonctionnement des systèmes éducatifs ;
3° " étude scientifique " : toute étude ou recherche menée par un établissement d'enseignement supérieur ou un organisme de recherche reconnu, contribuant à l'évaluation, au pilotage, ou à l'amélioration du système éducatif.
Article 1.6.1-4. - § 1er. Le Gouvernement assure :
1° l'organisation d'études liées à la participation de la Communauté française à des enquêtes internationales, selon les modalités visées au paragraphe 2 ;
2° l'organisation et la mise en oeuvre d'un agenda des études scientifiques pour la qualité du système éducatif, selon les modalités visées au paragraphe 3 ;
3° l'organisation et la mise en oeuvre d'un dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques, selon les modalités visées au paragraphe 4.
§ 2. La Communauté française, par son Ministère ou le Gouvernement, participe à des enquêtes internationales menées auprès des élèves, des parents d'élèves et des membres du personnel de l'enseignement.
A cette fin, le Gouvernement définit les modalités de participation de la Communauté française aux instances stratégiques internationales de pilotage des enquêtes. Les Services du Gouvernement assurent le suivi de la mise en oeuvre de cette participation, préparent et publient les rapports des enquêtes internationales.
Le Gouvernement organise les études liées à la participation de la Communauté française aux enquêtes internationales en vue de mesurer, d'analyser et de comparer les différentes dimensions de la qualité des systèmes éducatifs.
Le Gouvernement assure le financement lié à la participation de la Communauté française aux enquêtes internationales et octroie des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur désignés pour réaliser les études qui y sont liées.
Le Gouvernement arrête :
1° les modalités de sélection des établissements d'enseignement supérieur et les modalités de conclusion des conventions ou partenariats qui visent à assurer la participation aux enquêtes internationales et aux études qui en découlent conformément aux protocoles méthodologiques prévus par les organisations ou associations internationales ;
2° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification des subventions ou des dotations ;
3° les modalités permettant d'assurer la supervision et le suivi des enquêtes et études, en fixant notamment les missions, les modalités de fonctionnement et la composition du comité chargé de superviser les enquêtes.
§ 3. Le Gouvernement organise la mise en oeuvre d'un agenda des études scientifiques pour contribuer aux objectifs d'amélioration du système éducatif tel que fixé par l'article 1.5.2-2. Ce dispositif porte sur l'organisation d'études qui soutiennent le développement et l'évaluation des politiques éducatives, le recueil de données et d'information, l'analyse qualitative et quantitative et l'innovation dans les domaines éducatifs et pédagogiques, en vue de contribuer à la qualité de l'information dans le domaine des politiques et des pratiques éducatives, et à l'analyse des défis éducatifs et sociétaux.
Le Gouvernement peut lancer un appel à projets ou répondre à une demande de subvention ou de dotation.
Le Gouvernement, dans la limite des crédits budgétaires, peut octroyer des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur pour financer les études visées à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement arrête :
1° les domaines et thèmes de l'agenda ;
2° les modalités d'organisation des appels à projets ou d'introduction des demandes de subventions ou de dotations, les conditions et modalités d'admissibilité des demandes et d'évaluation du projet introduit ;
3° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ou de dotation ;
4° les modalités de gouvernance et de suivi des études, en fixant notamment les missions, les modalités de fonctionnement et la composition de l'instance chargée de piloter et de suivre les études ;
5° les modalités d'évaluation de l'agenda des études scientifiques.
§ 4. Le Gouvernement organise un dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques. Ce dispositif porte sur l'organisation des études scientifiques qui visent à expérimenter, au sein d'écoles organisées ou subventionnées par la Communauté française, des outils didactiques et leurs dispositifs pédagogiques et, le cas échéant, en documentant et en démontrant leur efficacité, en vue de contribuer au développement d'un écosystème d'étude en éducation et de diffuser les résultats et contributions d'étude scientifique auprès de la communauté éducative.
Tous les deux ans, le Gouvernement fixe le nombre de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques à constituer et lance un appel à projets auprès des établissements d'enseignement supérieur.
Le Gouvernement, dans la limite des crédits budgétaires, peut octroyer des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur pour financer le dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques.
Le Gouvernement arrête :
1° la liste des domaines et thèmes de l'étude des pôles d'expertises ;
2° les modalités de l'appel à projets, les modalités de constitution du dispositif de pôles d'expertise, les principes et modalités de gouvernance du dispositif de pôles d'expertises ;
3° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ou de la dotation ;
4° les modalités de coordination et d'accompagnement des actions des pôles d'expertises didactiques et pédagogiques, en fixant notamment les missions, les modalités de fonctionnement et la composition du comité chargé de piloter et suivre le dispositif des pôles d'expertise ;
5° les modalités d'évaluation du dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques.
Article 1.6.1-5. - Le Gouvernement, dans la limite des crédits budgétaires, octroie des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur, aux acteurs du secteur associatif reconnus par la Communauté française oeuvrant dans le champ de l'éducation, ou aux organismes de recherche reconnus pour financer des projets qui ont pour objectif d'accompagner, d'analyser, de documenter et, le cas échéant, évaluer les dynamiques de changement et l'innovation au sein de la communauté scolaire, en déployant des dispositifs s'appuyant sur la participation des publics scolaires à des fins d'information, de consultation ou de diffusion de pratiques.
Le Gouvernement peut, dans le respect des conditions visées au présent article, lancer un appel à projets ou répondre à une demande de subvention ou de dotation.
Le Gouvernement arrête :
1° les modalités d'organisation des appels à projets et d'introduction des demandes de subvention ou de dotation, les conditions et modalités d'admissibilité des demande et d'évaluation du projet introduit ;
2° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ou de la dotation ;
3° la gouvernance et les modalités d'accompagnement du projet ;
4° les modalités d'évaluation des dispositifs de participation des publics scolaires.
Article 1.6.1-6. - Le Gouvernement dans la limite des crédits budgétaires et dans le cadre du respect des critères fixés au présent aliéna ainsi qu'aux alinéas 3 et 4, octroie des subventions portant sur des initiatives mises en place par les acteurs du secteur associatif qui développent, au sein des écoles organisées ou subventionnées par la Communauté française ou avec ses publics, des activités, des interventions ou des outils, qui soutiennent les apprentissages et le parcours des élèves, le bien-être à l'école et le climat scolaire, les dynamiques éducatives, le soutien aux personnels de l'enseignement, et l'ouverture de l'école sur le monde extérieur.
Le Gouvernement peut répondre à une demande de subvention ou lancer un appel à projets.
Pour chaque initiative admissible, la sélection se base sur cinq critères :
1° le public ou l'audience touché par le projet qui doit être au bénéfice du plus grand nombre ;
2° le caractère inédit, innovant, original et/ou expérimental développé par le projet en rapport à la législation actuelle ;
3° la justification du montant de la subvention proposée au regard de l'impact attendu du projet et des ressources propres des acteurs associatifs bénéficiaires ;
4° l'adéquation avec au moins une des missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire définies à l'article 1.4.1-1 ;
5° l'adéquation avec au moins un des objectifs d'amélioration du système éducatif prévu à l'article 1.5.2-2.
Le Gouvernement arrête :
1° les modalités d'introduction des demandes de subvention, les conditions et modalités d'admissibilité des demandes ainsi que les modalités d'organisation des appels à projets et d'évaluation des initiatives introduites ;
2° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ;
3° la gouvernance et les modalités d'accompagnement des initiatives ;
4° les modalités d'évaluation des activités, des interventions ou des outils.
Article 1.6.1-7. - Le rapport prévu à l'article 1.5.2-2 intègre une partie spécifique décrivant les contributions des dispositifs visés aux articles 1.6.1- 4, §§ 3 et 4, 1.6.1-5 et 1.6.1-6, aux objectifs d'amélioration du système scolaire visés à l'article 1.5.2-2, alinéa 1er. ".
" Section 3 - Des études scientifiques et des initiatives contribuant à l'amélioration de la qualité du système éducatif.
Article 1.6.1-3. - Pour l'application de la présente section, il y a lieu d'entendre par :
1° " établissement d'enseignement supérieur " : les Universités, les Hautes Ecoles et les Ecoles supérieures des Arts visées par les articles 10 à 12 du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études ;
2° " enquête internationale " : toute enquête comparative organisée à l'échelle internationale et visant à mesurer les acquis des élèves, les pratiques des enseignants ou le fonctionnement des systèmes éducatifs ;
3° " étude scientifique " : toute étude ou recherche menée par un établissement d'enseignement supérieur ou un organisme de recherche reconnu, contribuant à l'évaluation, au pilotage, ou à l'amélioration du système éducatif.
Article 1.6.1-4. - § 1er. Le Gouvernement assure :
1° l'organisation d'études liées à la participation de la Communauté française à des enquêtes internationales, selon les modalités visées au paragraphe 2 ;
2° l'organisation et la mise en oeuvre d'un agenda des études scientifiques pour la qualité du système éducatif, selon les modalités visées au paragraphe 3 ;
3° l'organisation et la mise en oeuvre d'un dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques, selon les modalités visées au paragraphe 4.
§ 2. La Communauté française, par son Ministère ou le Gouvernement, participe à des enquêtes internationales menées auprès des élèves, des parents d'élèves et des membres du personnel de l'enseignement.
A cette fin, le Gouvernement définit les modalités de participation de la Communauté française aux instances stratégiques internationales de pilotage des enquêtes. Les Services du Gouvernement assurent le suivi de la mise en oeuvre de cette participation, préparent et publient les rapports des enquêtes internationales.
Le Gouvernement organise les études liées à la participation de la Communauté française aux enquêtes internationales en vue de mesurer, d'analyser et de comparer les différentes dimensions de la qualité des systèmes éducatifs.
Le Gouvernement assure le financement lié à la participation de la Communauté française aux enquêtes internationales et octroie des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur désignés pour réaliser les études qui y sont liées.
Le Gouvernement arrête :
1° les modalités de sélection des établissements d'enseignement supérieur et les modalités de conclusion des conventions ou partenariats qui visent à assurer la participation aux enquêtes internationales et aux études qui en découlent conformément aux protocoles méthodologiques prévus par les organisations ou associations internationales ;
2° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification des subventions ou des dotations ;
3° les modalités permettant d'assurer la supervision et le suivi des enquêtes et études, en fixant notamment les missions, les modalités de fonctionnement et la composition du comité chargé de superviser les enquêtes.
§ 3. Le Gouvernement organise la mise en oeuvre d'un agenda des études scientifiques pour contribuer aux objectifs d'amélioration du système éducatif tel que fixé par l'article 1.5.2-2. Ce dispositif porte sur l'organisation d'études qui soutiennent le développement et l'évaluation des politiques éducatives, le recueil de données et d'information, l'analyse qualitative et quantitative et l'innovation dans les domaines éducatifs et pédagogiques, en vue de contribuer à la qualité de l'information dans le domaine des politiques et des pratiques éducatives, et à l'analyse des défis éducatifs et sociétaux.
Le Gouvernement peut lancer un appel à projets ou répondre à une demande de subvention ou de dotation.
Le Gouvernement, dans la limite des crédits budgétaires, peut octroyer des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur pour financer les études visées à l'alinéa 1er.
Le Gouvernement arrête :
1° les domaines et thèmes de l'agenda ;
2° les modalités d'organisation des appels à projets ou d'introduction des demandes de subventions ou de dotations, les conditions et modalités d'admissibilité des demandes et d'évaluation du projet introduit ;
3° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ou de dotation ;
4° les modalités de gouvernance et de suivi des études, en fixant notamment les missions, les modalités de fonctionnement et la composition de l'instance chargée de piloter et de suivre les études ;
5° les modalités d'évaluation de l'agenda des études scientifiques.
§ 4. Le Gouvernement organise un dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques. Ce dispositif porte sur l'organisation des études scientifiques qui visent à expérimenter, au sein d'écoles organisées ou subventionnées par la Communauté française, des outils didactiques et leurs dispositifs pédagogiques et, le cas échéant, en documentant et en démontrant leur efficacité, en vue de contribuer au développement d'un écosystème d'étude en éducation et de diffuser les résultats et contributions d'étude scientifique auprès de la communauté éducative.
Tous les deux ans, le Gouvernement fixe le nombre de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques à constituer et lance un appel à projets auprès des établissements d'enseignement supérieur.
Le Gouvernement, dans la limite des crédits budgétaires, peut octroyer des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur pour financer le dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques.
Le Gouvernement arrête :
1° la liste des domaines et thèmes de l'étude des pôles d'expertises ;
2° les modalités de l'appel à projets, les modalités de constitution du dispositif de pôles d'expertise, les principes et modalités de gouvernance du dispositif de pôles d'expertises ;
3° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ou de la dotation ;
4° les modalités de coordination et d'accompagnement des actions des pôles d'expertises didactiques et pédagogiques, en fixant notamment les missions, les modalités de fonctionnement et la composition du comité chargé de piloter et suivre le dispositif des pôles d'expertise ;
5° les modalités d'évaluation du dispositif de pôles d'expertises didactiques et pédagogiques.
Article 1.6.1-5. - Le Gouvernement, dans la limite des crédits budgétaires, octroie des subventions ou des dotations aux établissements d'enseignement supérieur, aux acteurs du secteur associatif reconnus par la Communauté française oeuvrant dans le champ de l'éducation, ou aux organismes de recherche reconnus pour financer des projets qui ont pour objectif d'accompagner, d'analyser, de documenter et, le cas échéant, évaluer les dynamiques de changement et l'innovation au sein de la communauté scolaire, en déployant des dispositifs s'appuyant sur la participation des publics scolaires à des fins d'information, de consultation ou de diffusion de pratiques.
Le Gouvernement peut, dans le respect des conditions visées au présent article, lancer un appel à projets ou répondre à une demande de subvention ou de dotation.
Le Gouvernement arrête :
1° les modalités d'organisation des appels à projets et d'introduction des demandes de subvention ou de dotation, les conditions et modalités d'admissibilité des demande et d'évaluation du projet introduit ;
2° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ou de la dotation ;
3° la gouvernance et les modalités d'accompagnement du projet ;
4° les modalités d'évaluation des dispositifs de participation des publics scolaires.
Article 1.6.1-6. - Le Gouvernement dans la limite des crédits budgétaires et dans le cadre du respect des critères fixés au présent aliéna ainsi qu'aux alinéas 3 et 4, octroie des subventions portant sur des initiatives mises en place par les acteurs du secteur associatif qui développent, au sein des écoles organisées ou subventionnées par la Communauté française ou avec ses publics, des activités, des interventions ou des outils, qui soutiennent les apprentissages et le parcours des élèves, le bien-être à l'école et le climat scolaire, les dynamiques éducatives, le soutien aux personnels de l'enseignement, et l'ouverture de l'école sur le monde extérieur.
Le Gouvernement peut répondre à une demande de subvention ou lancer un appel à projets.
Pour chaque initiative admissible, la sélection se base sur cinq critères :
1° le public ou l'audience touché par le projet qui doit être au bénéfice du plus grand nombre ;
2° le caractère inédit, innovant, original et/ou expérimental développé par le projet en rapport à la législation actuelle ;
3° la justification du montant de la subvention proposée au regard de l'impact attendu du projet et des ressources propres des acteurs associatifs bénéficiaires ;
4° l'adéquation avec au moins une des missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire définies à l'article 1.4.1-1 ;
5° l'adéquation avec au moins un des objectifs d'amélioration du système éducatif prévu à l'article 1.5.2-2.
Le Gouvernement arrête :
1° les modalités d'introduction des demandes de subvention, les conditions et modalités d'admissibilité des demandes ainsi que les modalités d'organisation des appels à projets et d'évaluation des initiatives introduites ;
2° les modalités d'octroi, d'utilisation et de justification de la subvention ;
3° la gouvernance et les modalités d'accompagnement des initiatives ;
4° les modalités d'évaluation des activités, des interventions ou des outils.
Article 1.6.1-7. - Le rapport prévu à l'article 1.5.2-2 intègre une partie spécifique décrivant les contributions des dispositifs visés aux articles 1.6.1- 4, §§ 3 et 4, 1.6.1-5 et 1.6.1-6, aux objectifs d'amélioration du système scolaire visés à l'article 1.5.2-2, alinéa 1er. ".
TITEL 6. - Maatregelen betreffende de terbeschikkingstellingen wegens persoonlijke aangelegenheid vóór het rustpensioen
TITRE 6. - Mesures relatives aux mises en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite
Art. 20. In artikel 10duodecies, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 31 maart 1984 betreffende de opdrachten, de wedden, de weddetoelagen en de verloven voor verminderde prestatie in het onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra, zoals ingevoegd bij het decreet van 14 maart 2019, worden na de woorden "aan de hogere eenheid" de woorden "zonder dat de totale duur van de terbeschikkingstelling wegens persoonlijke aangelegenheid vóór het rustpensioen meer dan 24 kalendermaanden bedraagt" toegevoegd.
Art. 20. Dans l'article 10duodecies, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal du 31 mars 1984 relatif aux charges, traitements, subventions-traitements et congés pour prestations réduites dans l'enseignement et les centres psycho-médico-sociaux, tel qu'inséré par le décret du 14 mars 2019, sont ajoutés après les mots " à l'unité supérieure ", les mots " sans que la durée totale de la mise en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite puisse excéder 24 mois calendaires ".
Art. 21. Artikel 10duodecies, § 2, eerste lid, van hetzelfde koninklijk besluit wordt vervangen als volgt :
"Deze terbeschikkingstelling is onomkeerbaar en eindigt, binnen de perken bepaald in § 1, derde lid, op de datum waarop het betrokken personeelslid recht heeft op rustpensioen".
"Deze terbeschikkingstelling is onomkeerbaar en eindigt, binnen de perken bepaald in § 1, derde lid, op de datum waarop het betrokken personeelslid recht heeft op rustpensioen".
Art. 21. L'article 10duodecies, § 2, alinéa 1er, du même arrêté royal, est remplacé par ce qui suit :
" Cette mise en disponibilité est irréversible et, dans le respect de la limite fixée au § 1er, alinéa 3, prend fin à la date à laquelle le membre du personnel concerné peut prétendre à la pension de retraite. ".
" Cette mise en disponibilité est irréversible et, dans le respect de la limite fixée au § 1er, alinéa 3, prend fin à la date à laquelle le membre du personnel concerné peut prétendre à la pension de retraite. ".
Art. 22. In artikel 10quatuordecies/1, van hetzelfde koninklijk besluit, zoals gewijzigd bij het decreet van 16 maart 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "en gedurende ten hoogste 48 maanden" en "d.w.z. het equivalent van ten hoogste 12 maanden van het resultaat berekend in artikel 10duodecies, § 1 ", geschrapt ;
2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden : " binnen de perken vastgesteld in artikel 10duodecies, § 1, derde lid. " ;
3° in het tweede lid worden de woorden " ten hoogste 48 maanden " geschrapt en worden de woorden " zonder dat de totale duur van de terbeschikkingstelling meer dan 24 kalendermaanden bedraagt overeenkomstig artikel 10duodecies, § 1, derde lid " toegevoegd aan het einde van het lid.
1° in het eerste lid worden de woorden "en gedurende ten hoogste 48 maanden" en "d.w.z. het equivalent van ten hoogste 12 maanden van het resultaat berekend in artikel 10duodecies, § 1 ", geschrapt ;
2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden : " binnen de perken vastgesteld in artikel 10duodecies, § 1, derde lid. " ;
3° in het tweede lid worden de woorden " ten hoogste 48 maanden " geschrapt en worden de woorden " zonder dat de totale duur van de terbeschikkingstelling meer dan 24 kalendermaanden bedraagt overeenkomstig artikel 10duodecies, § 1, derde lid " toegevoegd aan het einde van het lid.
Art. 22. Dans l'article 10quatuordecies/1, du même arrêté royal, tel que modifié par le décret du 16 mars 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots " et durant 48 mois maximum " et " soit l'équivalent de maximum 12 mois du résultat calculé à l'article 10duodecies, § 1er ", sont supprimés ;
2° l'alinéa 1er est complété par les mots : " dans la limite fixée à l'article 10duodecies, § 1er, alinéa 3. " ;
3° à l'alinéa 2, les mots " maximum de 48 mois " sont supprimés et les mots " sans que la durée totale de la mise en disponibilité puisse excéder 24 mois calendaires conformément à l'article 10duodecies, § 1er, alinéa 3 " sont ajoutés à la fin de l'alinéa.
1° à l'alinéa 1er, les mots " et durant 48 mois maximum " et " soit l'équivalent de maximum 12 mois du résultat calculé à l'article 10duodecies, § 1er ", sont supprimés ;
2° l'alinéa 1er est complété par les mots : " dans la limite fixée à l'article 10duodecies, § 1er, alinéa 3. " ;
3° à l'alinéa 2, les mots " maximum de 48 mois " sont supprimés et les mots " sans que la durée totale de la mise en disponibilité puisse excéder 24 mois calendaires conformément à l'article 10duodecies, § 1er, alinéa 3 " sont ajoutés à la fin de l'alinéa.
Art. 23. Artikel 10novodecies, § 1 van hetzelfde koninklijk besluit wordt aangevuld met een paragraaf, luidend als volgt : "Elke verandering met toepassing van dit artikel wordt in mindering gebracht op de in artikel 10duodecies, § 1, derde lid, vastgestelde maximumduur. ".
Art. 23. L'article 10novodecies, § 1er du même arrêté royal est complété par un nouvel alinéa rédigé comme suit : " Toute transformation en application du présent article s'impute sur la durée maximale fixée à l'article 10duodecies, § 1er, alinéa 3. ".
TITEL 7. - Maatregelen betreffende de steun- en begeleidingscellen
TITRE 7. - Mesures relatives aux cellules de soutien et d'accompagnement
Art. 24. In artikel 46 van het decreet van 28 maart 2019 betreffende de steun- en begeleidingscellen van het door de Franse Gemeenschap georganiseerd of gesubsidieerd onderwijs en het statuut van steun- en begeleidingsadviseurs, zoals gewijzigd bij het decreet van 25 maart 2021, in 6°, wordt het bedrag van " 16.379.706 " vervangen door het bedrag van " 18.913.000 ".
Art. 24. Dans l'article 46 du décret du 28 mars 2019 relatif aux cellules de soutien et d'accompagnement de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française et au statut des conseillers au soutien et à l'accompagnement, tel que modifié par le décret du 25 mars 2021, au 6°, le montant de " 16.379.706 " est remplacé par le montant de " 18.913.000 ".
TITEL 8. - Maatregelen tot instelling van een proefproject om partnerschappen tussen scholen en bedrijven te versterken
TITRE 8. - Mesures instituant un projet pilote visant à renforcer les partenariats entre les écoles et les entreprises
Art. 25. De Regering zet een proefproject op om samenwerkingsverbanden voor de lange termijn te creëren tussen scholen van het gewoon kwalificerend onderwijs en bedrijven op lokaal niveau, met de volgende drie doelstellingen :
1° ) Voor scholen de rol van "school-bedrijfscoördinator" ontwikkelen, die verantwoordelijk is voor het creëren en coördineren van banden tussen de school en externe partners, het project binnen de school sturen door het mobiliseren van haar teams, het koppelen van projectactiviteiten aan schoolprogramma's en het monitoren van de geïmplementeerde acties;
2° ) Voor leerlingen een gepersonaliseerd traject opzetten gericht op professionele integratie tijdens het laatste jaar van de cursus in het 6e of 7e leerjaar;
3° ) Voor leerkrachten van technische cursussen en cursussen beroepspraktijk een onderdompeling in bedrijven ontwikkelen om de ontwikkeling en vernieuwing van technische beroepsvaardigheden te vergemakkelijken.
Het proefproject is gebaseerd op de deelname van belanghebbenden uit de wereld van onderwijs, opleiding, bedrijfsleven en werkgelegenheid, die zijn uitgenodigd binnen het gezamenlijk sturingscomité bedoeld in artikel 30.
Het proefproject maakt het ook mogelijk om te beginnen met het opschalen van de ervaring van onderdompeling in bedrijven voor leerkrachten van technische cursussen en cursussen beroepspraktijk.
1° ) Voor scholen de rol van "school-bedrijfscoördinator" ontwikkelen, die verantwoordelijk is voor het creëren en coördineren van banden tussen de school en externe partners, het project binnen de school sturen door het mobiliseren van haar teams, het koppelen van projectactiviteiten aan schoolprogramma's en het monitoren van de geïmplementeerde acties;
2° ) Voor leerlingen een gepersonaliseerd traject opzetten gericht op professionele integratie tijdens het laatste jaar van de cursus in het 6e of 7e leerjaar;
3° ) Voor leerkrachten van technische cursussen en cursussen beroepspraktijk een onderdompeling in bedrijven ontwikkelen om de ontwikkeling en vernieuwing van technische beroepsvaardigheden te vergemakkelijken.
Het proefproject is gebaseerd op de deelname van belanghebbenden uit de wereld van onderwijs, opleiding, bedrijfsleven en werkgelegenheid, die zijn uitgenodigd binnen het gezamenlijk sturingscomité bedoeld in artikel 30.
Het proefproject maakt het ook mogelijk om te beginnen met het opschalen van de ervaring van onderdompeling in bedrijven voor leerkrachten van technische cursussen en cursussen beroepspraktijk.
Art. 25. Le Gouvernement met en place un projet pilote visant à créer des partenariats de collaboration pérennes entre des écoles de l'enseignement qualifiant ordinaire et des entreprises au niveau local, dont les trois objectifs sont les suivants :
1° pour les écoles, développer un rôle de " pilote école-entreprise " en charge de créer et coordonner les liens entre l'école et les partenaires extérieurs, de piloter le projet au sein de l'école, à travers la mobilisation de ses équipes, l'articulation des activités du projet avec les programmes scolaires et le suivi des actions mises en place ;
2° pour les élèves, mettre en place un parcours personnalisé visant l'insertion professionnelle au cours de la dernière année du cursus en 6e ou en 7e ;
3° pour les enseignants des cours techniques et des cours de pratique professionnelle, développer l'immersion en entreprise afin de faciliter le développement et le renouvellement des compétences professionnelles techniques.
Le projet pilote s'appuie sur la participation de parties prenantes du monde de l'enseignement, de la formation, du monde économique et de l'emploi, invités au sein du comité de pilotage conjoint visé à l'article 30.
Le projet pilote permettra également d'entamer un travail de mise à l'échelle des expériences d'immersion en entreprise pour les enseignants des cours techniques et des cours de pratique professionnelle.
1° pour les écoles, développer un rôle de " pilote école-entreprise " en charge de créer et coordonner les liens entre l'école et les partenaires extérieurs, de piloter le projet au sein de l'école, à travers la mobilisation de ses équipes, l'articulation des activités du projet avec les programmes scolaires et le suivi des actions mises en place ;
2° pour les élèves, mettre en place un parcours personnalisé visant l'insertion professionnelle au cours de la dernière année du cursus en 6e ou en 7e ;
3° pour les enseignants des cours techniques et des cours de pratique professionnelle, développer l'immersion en entreprise afin de faciliter le développement et le renouvellement des compétences professionnelles techniques.
Le projet pilote s'appuie sur la participation de parties prenantes du monde de l'enseignement, de la formation, du monde économique et de l'emploi, invités au sein du comité de pilotage conjoint visé à l'article 30.
Le projet pilote permettra également d'entamer un travail de mise à l'échelle des expériences d'immersion en entreprise pour les enseignants des cours techniques et des cours de pratique professionnelle.
Art. 26. § 1. Het proefproject heeft betrekking op maximaal 15 scholen die voltijds of alternerend kwalificerend onderwijs organiseren, met verwijzing naar artikel 49 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren.
Deze scholen worden geselecteerd via een oproep tot project voor scholen in de onderwijszones Luik en Picardisch Wallonië.
§ 2. Het proefproject heeft betrekking op het schooljaar 2025-2026.
Deze scholen worden geselecteerd via een oproep tot project voor scholen in de onderwijszones Luik en Picardisch Wallonië.
§ 2. Het proefproject heeft betrekking op het schooljaar 2025-2026.
Art. 26. § 1er. Le projet pilote concerne un maximum de 15 écoles organisant de l'enseignement qualifiant, de plein exercice et/ou en alternance en référence à l'article 49 du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre.
Ces écoles sont sélectionnées par voie d'un appel à projet visant les écoles situées dans les zones d'enseignement de Liège et de la Wallonie-Picarde.
§ 2. Le projet pilote porte sur l'année scolaires 2025-2026.
Ces écoles sont sélectionnées par voie d'un appel à projet visant les écoles situées dans les zones d'enseignement de Liège et de la Wallonie-Picarde.
§ 2. Le projet pilote porte sur l'année scolaires 2025-2026.
Art. 27. Binnen de perken van de beschikbare kredieten bedraagt de totale begroting voor het proefproject maximaal 550 000 euro voor 2026.
Deze begroting dekt uitsluitend :
1° de financiering van bijkomende lestijden-leerkrachten in de deelnemende scholen;
2° de uitgaven met betrekking tot de coördinatie van het proefproject en de deelname van actoren uit de onderwijs-, opleidings- en tewerkstellingswereld, voor zover die uitgaven onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap vallen.
Voor de tweede helft van het schooljaar 2025-2026 zullen scholen die deelnemen aan het proefproject 8 extra lestijden-leerkrachten krijgen. Deze lestijden zijn bedoeld om de partnerschappen tussen de school en het bedrijfsleven te ondersteunen door de samenwerking tussen de school en lokale partnerbedrijven te coördineren.
Voor de duur van het proefproject wordt binnen elke deelnemende school een personeelslid aangewezen als "school-bedrijfscoördinator". Deze opdracht is gelijkgesteld aan de opdracht van gedelegeerde belast met de betrekkingen met de externe partners van de school. Als contactpersoon en in nauwe samenwerking met de directie van de school coördineert hij of zij het (de) partnerschap(pen) tussen school en bedrijfsleven.
Deze begroting dekt uitsluitend :
1° de financiering van bijkomende lestijden-leerkrachten in de deelnemende scholen;
2° de uitgaven met betrekking tot de coördinatie van het proefproject en de deelname van actoren uit de onderwijs-, opleidings- en tewerkstellingswereld, voor zover die uitgaven onder de bevoegdheid van de Franse Gemeenschap vallen.
Voor de tweede helft van het schooljaar 2025-2026 zullen scholen die deelnemen aan het proefproject 8 extra lestijden-leerkrachten krijgen. Deze lestijden zijn bedoeld om de partnerschappen tussen de school en het bedrijfsleven te ondersteunen door de samenwerking tussen de school en lokale partnerbedrijven te coördineren.
Voor de duur van het proefproject wordt binnen elke deelnemende school een personeelslid aangewezen als "school-bedrijfscoördinator". Deze opdracht is gelijkgesteld aan de opdracht van gedelegeerde belast met de betrekkingen met de externe partners van de school. Als contactpersoon en in nauwe samenwerking met de directie van de school coördineert hij of zij het (de) partnerschap(pen) tussen school en bedrijfsleven.
Art. 27. Dans les limites des crédits disponibles, le budget global alloué au projet pilote est de maximum 550 .000 euros pour l'année 2026.
Ce budget couvre exclusivement :
1° le financement de périodes-professeurs supplémentaires au sein des écoles participantes ;
2° les dépenses relatives à la coordination du projet pilote et à la participation d'acteurs du monde de l'enseignement, de la formation et de l'emploi, dans la mesure où ces dépenses relèvent de la compétence de la Communauté française.
Pour le second semestre de l'année scolaire 2025-2026, les écoles qui participent au projet pilote bénéficient de 8 périodes-professeurs supplémentaires. Ces périodes sont destinées à soutenir le ou les partenariats école-entreprise par la coordination des collaborations entre l'école et les entreprises locales partenaires.
Pendant la durée du projet pilote, un membre du personnel est désigné au sein de chaque école participante en qualité de " pilote école-entreprises ". Cette mission est assimilée à la mission de délégué en charge des relations avec les partenaires extérieurs de l'école. En tant que point de contact, et en étroite collaboration avec la direction de l'école, il assure la coordination du ou des partenariats écoles-entreprises.
Ce budget couvre exclusivement :
1° le financement de périodes-professeurs supplémentaires au sein des écoles participantes ;
2° les dépenses relatives à la coordination du projet pilote et à la participation d'acteurs du monde de l'enseignement, de la formation et de l'emploi, dans la mesure où ces dépenses relèvent de la compétence de la Communauté française.
Pour le second semestre de l'année scolaire 2025-2026, les écoles qui participent au projet pilote bénéficient de 8 périodes-professeurs supplémentaires. Ces périodes sont destinées à soutenir le ou les partenariats école-entreprise par la coordination des collaborations entre l'école et les entreprises locales partenaires.
Pendant la durée du projet pilote, un membre du personnel est désigné au sein de chaque école participante en qualité de " pilote école-entreprises ". Cette mission est assimilée à la mission de délégué en charge des relations avec les partenaires extérieurs de l'école. En tant que point de contact, et en étroite collaboration avec la direction de l'école, il assure la coordination du ou des partenariats écoles-entreprises.
Art. 28. § 1. De oproep tot kandidaten voor het proefproject wordt verspreid volgens de door de Regering vastgestelde procedures, zodat er bekendheid aan wordt gegeven bij de inrichtende machten van de scholen die onder het toepassingsgebied van het proefproject vallen.
§ 2. De oproep tot projecten bevat ten minste :
1° de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de kandidaturen ;
2° de criteria en procedures voor de selectie van projecten;
3° het tijdschema voor het indienen van de kandidaturen en de termijn voor de uitvoering van het proefproject.
§ 3. Om ontvankelijk te zijn moeten de door de scholen ingediende kandidaturen ten minste de volgende informatie bevatten:
1° ) de betrokken gegroepeerde basisoptie(s);
2° ) het partnerbedrijf of de partnerbedrijven die betrokken zijn bij het project;
3° ) het aantal betrokken leerlingen en leerkrachten;
4° ) de belangrijkste fasen en geplande acties voor elk van de drie doelstellingen van het proefproject;
5° ) een voorlopig tijdschema voor de voorbereidings- en uitvoeringsfase.
§ 2. De oproep tot projecten bevat ten minste :
1° de voorwaarden voor de ontvankelijkheid van de kandidaturen ;
2° de criteria en procedures voor de selectie van projecten;
3° het tijdschema voor het indienen van de kandidaturen en de termijn voor de uitvoering van het proefproject.
§ 3. Om ontvankelijk te zijn moeten de door de scholen ingediende kandidaturen ten minste de volgende informatie bevatten:
1° ) de betrokken gegroepeerde basisoptie(s);
2° ) het partnerbedrijf of de partnerbedrijven die betrokken zijn bij het project;
3° ) het aantal betrokken leerlingen en leerkrachten;
4° ) de belangrijkste fasen en geplande acties voor elk van de drie doelstellingen van het proefproject;
5° ) een voorlopig tijdschema voor de voorbereidings- en uitvoeringsfase.
Art. 28. § 1er. L'appel à candidatures du projet pilote est diffusé selon les modalités fixées par le Gouvernement afin d'assurer une publicité auprès des pouvoirs organisateurs des écoles relevant du champ d'application du projet pilote.
§ 2. L'appel à projets précise au minimum :
1° les conditions de recevabilité des candidatures ;
2° les critères et les modalités de sélection des projets ;
3° le calendrier de dépôt des candidatures et la période de mise en oeuvre du projet pilote.
§ 3. Pour être recevable, le dossier de candidature introduit par les écoles doit préciser a minima :
1° la ou les options de base groupées concernées ;
2° la ou les entreprises partenaires visées pour le projet ;
3° le nombre d'élèves et d'enseignants impliqués ;
4° les étapes clés et les actions envisagées pour chacun des trois objectifs du projet pilote ;
5° un calendrier prévisionnel couvrant la phase de préparation et la phase de mise en oeuvre.
§ 2. L'appel à projets précise au minimum :
1° les conditions de recevabilité des candidatures ;
2° les critères et les modalités de sélection des projets ;
3° le calendrier de dépôt des candidatures et la période de mise en oeuvre du projet pilote.
§ 3. Pour être recevable, le dossier de candidature introduit par les écoles doit préciser a minima :
1° la ou les options de base groupées concernées ;
2° la ou les entreprises partenaires visées pour le projet ;
3° le nombre d'élèves et d'enseignants impliqués ;
4° les étapes clés et les actions envisagées pour chacun des trois objectifs du projet pilote ;
5° un calendrier prévisionnel couvrant la phase de préparation et la phase de mise en oeuvre.
Art. 29. § 1. Scholen dienen hun dossier van kandidaturen via hun inrichtende macht in volgens de procedures bepaald in de oproep tot projecten bedoeld in artikel 28.
§ 2. De projecten worden door het Sturingscomité bedoeld in artikel 31 geselecteerd op basis van de selectiecriteria bepaald in de oproep tot projecten.
§ 2. De projecten worden door het Sturingscomité bedoeld in artikel 31 geselecteerd op basis van de selectiecriteria bepaald in de oproep tot projecten.
Art. 29. § 1er. Les écoles introduisent leur dossier de candidature, par l'intermédiaire de leur Pouvoir organisateur, selon les modalités fixées dans l'appel à projets visé à l'article 28.
§ 2. La sélection des projets est assurée par le comité de pilotage mentionné à l'article 31, sur base des critères de sélection définis dans l'appel à projets.
§ 2. La sélection des projets est assurée par le comité de pilotage mentionné à l'article 31, sur base des critères de sélection définis dans l'appel à projets.
Art. 30. § 1. Er wordt een Sturingscomité opgericht met de volgende opdrachten:
1° ) de bij het proefproject betrokken scholen selecteren op basis van de criteria bepaald in de oproep tot project;
2° ) het netwerken van de bij het proefproject betrokken actoren ondersteunen;
3° ) de voortgang van de scholen die betrokken zijn bij het proefproject nauwlettend volgen;
4° ) het proefproject evalueren en nadenken over hoe het op grotere schaal kan worden uitgevoerd.
§ 2. Het Sturingscomité bestaat uit de volgende stemgerechtigde werkende leden :
1° ) een vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Leerplichtonderwijs van de Franse Gemeenschap, en optioneel een vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Werk van het Waalse Gewest, die het gemengde Sturingscomité (eventueel gezamenlijk) voorzitten;
2° ) vier vertegenwoordigers van de Algemene Administratie Onderwijs;
3° ) één of twee vertegenwoordigers per erkende federatie van inrichtende machten en van Wallonie-Bruxelles Enseignement, in de uitoefening van haar algemene vertegenwoordigingsopdracht.
Het Sturingscomité kan ook elke persoon uitnodigen wiens expertise het nuttig acht voor zijn beraadslagingen. De uitgenodigde leden hebben een raadgevende stem.
Het Sturingscomité stelt zijn huishoudelijk reglement op, waarin met name de stemprocedures zijn opgenomen.
1° ) de bij het proefproject betrokken scholen selecteren op basis van de criteria bepaald in de oproep tot project;
2° ) het netwerken van de bij het proefproject betrokken actoren ondersteunen;
3° ) de voortgang van de scholen die betrokken zijn bij het proefproject nauwlettend volgen;
4° ) het proefproject evalueren en nadenken over hoe het op grotere schaal kan worden uitgevoerd.
§ 2. Het Sturingscomité bestaat uit de volgende stemgerechtigde werkende leden :
1° ) een vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Leerplichtonderwijs van de Franse Gemeenschap, en optioneel een vertegenwoordiger van de Minister bevoegd voor Werk van het Waalse Gewest, die het gemengde Sturingscomité (eventueel gezamenlijk) voorzitten;
2° ) vier vertegenwoordigers van de Algemene Administratie Onderwijs;
3° ) één of twee vertegenwoordigers per erkende federatie van inrichtende machten en van Wallonie-Bruxelles Enseignement, in de uitoefening van haar algemene vertegenwoordigingsopdracht.
Het Sturingscomité kan ook elke persoon uitnodigen wiens expertise het nuttig acht voor zijn beraadslagingen. De uitgenodigde leden hebben een raadgevende stem.
Het Sturingscomité stelt zijn huishoudelijk reglement op, waarin met name de stemprocedures zijn opgenomen.
Art. 30. § 1er. Il est créé un comité de pilotage dont les missions sont les suivantes :
1° sélectionner les écoles engagées dans le projet pilote sur la base des critères définis dans l'appel à projet ;
2° soutenir la mise en réseau des acteurs impliqués dans le projet pilote ;
3° suivre au plus près l'évolution des écoles engagées dans le projet pilote ;
4° évaluer le projet pilote et à la réflexion sur la mise à l'échelle du projet pilote.
§ 2. Le comité de pilotage est composé des membres effectifs suivants, disposant d'une voix délibérative :
1° un représentant du Ministre chargé de l'Enseignement obligatoire de la Communauté française, et de manière facultative, un représentant du Ministre chargé de l'Emploi en Région wallonne, lesquels assurent (le cas échéant, conjointement) la présidence du comité de pilotage conjoint ;
2° quatre représentants de l'Administration générale de l'Enseignement ;
3° un ou deux représentants par Fédération de pouvoirs organisateurs reconnue et de Wallonie-Bruxelles Enseignement, dans l'exercice de sa mission générale de représentation.
Le comité de pilotage peut également inviter toute personne dont il estime l'expertise utile à ses délibérations. Les membres invités disposent d'une voix consultative.
Le comité de pilotage établit son règlement d'ordre intérieur qui comprend notamment les modalités des votes.
1° sélectionner les écoles engagées dans le projet pilote sur la base des critères définis dans l'appel à projet ;
2° soutenir la mise en réseau des acteurs impliqués dans le projet pilote ;
3° suivre au plus près l'évolution des écoles engagées dans le projet pilote ;
4° évaluer le projet pilote et à la réflexion sur la mise à l'échelle du projet pilote.
§ 2. Le comité de pilotage est composé des membres effectifs suivants, disposant d'une voix délibérative :
1° un représentant du Ministre chargé de l'Enseignement obligatoire de la Communauté française, et de manière facultative, un représentant du Ministre chargé de l'Emploi en Région wallonne, lesquels assurent (le cas échéant, conjointement) la présidence du comité de pilotage conjoint ;
2° quatre représentants de l'Administration générale de l'Enseignement ;
3° un ou deux représentants par Fédération de pouvoirs organisateurs reconnue et de Wallonie-Bruxelles Enseignement, dans l'exercice de sa mission générale de représentation.
Le comité de pilotage peut également inviter toute personne dont il estime l'expertise utile à ses délibérations. Les membres invités disposent d'une voix consultative.
Le comité de pilotage établit son règlement d'ordre intérieur qui comprend notamment les modalités des votes.
Art. 31. De onderdompeling in het bedrijf bedoeld in artikel 25, eerste lid, 2°, wordt georganiseerd volgens de procedure voor een onderdompelingsopleiding bedoeld in artikel 6.1.5-11, § 2, eerste lid, 5°, van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs. In het kader van het proefproject valt het opleidingssysteem onder het niveau van het net bedoeld in artikel 6.1.3-5 van het bovengenoemde Wetboek. In afwijking van de artikelen 6.1.5-9 en volgende van hetzelfde Wetboek, is dit systeem niet opgenomen in de algemene en jaarlijkse programma's.
Het systeem van onderdompelingsopleiding is gericht op :
1°. inzicht te krijgen in veranderingen in de beroepspraktijken in de betrokken activiteitensector, ;
2°. de houdingen en soft skills vaardigheden identificeren die in een bedrijf worden verwacht om leerlingen beter voor te bereiden. ;
3°. de technische vaardigheden identificeren die versterkt en/of ontwikkeld moeten worden in lijn met de evolutie van het beroep.
Voor leerkrachten van de betrokken technische cursussen en cursussen beroepspraktijk omvat het stelsel van onderdompelingsopleiding :
1°. een onderdompelingsfase binnen het partnerbedrijf, met maximaal vier halve dagen opleiding;
2°. een feedbackfase, die in de school wordt georganiseerd en een halve dag opleiding omvat.
Indien nodig en afhankelijk van de situatie van het personeelslid, kan worden afgeweken van het maximumaantal halve dagen bepaald in artikel 6.1.3-8, § 1, eerste lid, van voornoemd Wetboek.
Tijdens de onderdompelingsfase in het bedrijf wordt het personeelslid begeleid door en onder de leiding van een referentiepersoon die daartoe is aangewezen door het partnerbedrijf.
Het stelsel van onderdompelingsopleiding wordt voorafgegaan door een voorbereidingsperiode in de school om de behoeften van de betrokken leerkrachten en de te ontwikkelen vaardigheden in het bedrijf vast te stellen.
Het systeem van onderdompelingsopleiding is gericht op :
1°. inzicht te krijgen in veranderingen in de beroepspraktijken in de betrokken activiteitensector, ;
2°. de houdingen en soft skills vaardigheden identificeren die in een bedrijf worden verwacht om leerlingen beter voor te bereiden. ;
3°. de technische vaardigheden identificeren die versterkt en/of ontwikkeld moeten worden in lijn met de evolutie van het beroep.
Voor leerkrachten van de betrokken technische cursussen en cursussen beroepspraktijk omvat het stelsel van onderdompelingsopleiding :
1°. een onderdompelingsfase binnen het partnerbedrijf, met maximaal vier halve dagen opleiding;
2°. een feedbackfase, die in de school wordt georganiseerd en een halve dag opleiding omvat.
Indien nodig en afhankelijk van de situatie van het personeelslid, kan worden afgeweken van het maximumaantal halve dagen bepaald in artikel 6.1.3-8, § 1, eerste lid, van voornoemd Wetboek.
Tijdens de onderdompelingsfase in het bedrijf wordt het personeelslid begeleid door en onder de leiding van een referentiepersoon die daartoe is aangewezen door het partnerbedrijf.
Het stelsel van onderdompelingsopleiding wordt voorafgegaan door een voorbereidingsperiode in de school om de behoeften van de betrokken leerkrachten en de te ontwikkelen vaardigheden in het bedrijf vast te stellen.
Art. 31. L'immersion en entreprise visée à l'article 25, alinéa 1er, 2°, est organisée sous la modalité d'une formation en immersion visée à l'article 6.1.5-11, § 2, alinéa 1er, 5°, du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire. Dans le cadre du projet pilote, le dispositif de formation relève du niveau réseau visé à l'article 6.1.3-5 du Code précité. Par dérogation aux articles 6.1.5-9 et suivants du même Code, ce dispositif n'est pas repris dans les programmes généraux et annuels.
Le dispositif de formation en immersion vise à :
1° appréhender l'évolution des pratiques professionnelles du secteur d'activité concerné ;
2° repérer les attitudes et les soft skills attendues en entreprise pour mieux préparer les élèves ;
3° identifier les compétences techniques à renforcer et/ou à développer en lien avec l'évolution du métier.
Pour les enseignants des cours techniques et des cours de pratique professionnelle concernés, le dispositif de formation en immersion comprend :
1° une phase d'immersion au sein de l'entreprise partenaire à concurrence de maximum quatre demi-jours de formation ;
2° une phase de retour d'expérience qui est organisée en école à concurrence d'un demi-jour de formation.
Au besoin et en fonction de la situation du membre du personnel, il peut être dérogé au nombre maximum de demi-jours fixés à l'article 6.1.3-8, § 1er, alinéa 1er, du Code précité.
Durant la phase d'immersion en entreprise, le membre du personnel est accompagné et encadré par une personne de référence identifiée à cet effet par l'entreprise partenaire.
Le dispositif de formation en immersion est précédé d'un temps de préparation en école destiné à identifier les besoins des enseignants concernés et les compétences à travailler en entreprise.
Le dispositif de formation en immersion vise à :
1° appréhender l'évolution des pratiques professionnelles du secteur d'activité concerné ;
2° repérer les attitudes et les soft skills attendues en entreprise pour mieux préparer les élèves ;
3° identifier les compétences techniques à renforcer et/ou à développer en lien avec l'évolution du métier.
Pour les enseignants des cours techniques et des cours de pratique professionnelle concernés, le dispositif de formation en immersion comprend :
1° une phase d'immersion au sein de l'entreprise partenaire à concurrence de maximum quatre demi-jours de formation ;
2° une phase de retour d'expérience qui est organisée en école à concurrence d'un demi-jour de formation.
Au besoin et en fonction de la situation du membre du personnel, il peut être dérogé au nombre maximum de demi-jours fixés à l'article 6.1.3-8, § 1er, alinéa 1er, du Code précité.
Durant la phase d'immersion en entreprise, le membre du personnel est accompagné et encadré par une personne de référence identifiée à cet effet par l'entreprise partenaire.
Le dispositif de formation en immersion est précédé d'un temps de préparation en école destiné à identifier les besoins des enseignants concernés et les compétences à travailler en entreprise.
TITEL 9. - Maatregel tot herfinanciering van het ESAHR
TITRE 9. - Mesure portant sur le refinancement de l'ESAHR
Art. 32. In artikel 39 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, wordt vervangen door de volgende bepaling :
" Artikel 39. - De werkingssubsidie bedoeld in artikel 32, § 2, zevende lid, van de voornoemde wet van 29 mei 1959, wordt berekend op basis van een jaarlijks bedrag dat op 1 januari 2026 wordt vastgesteld per regelmatig ingeschreven leerling in de zin van artikel 11 :
1° voor het gebied van muziek, spreekkunst en toneelkunst en danskunst :
a) 12,09 euro voor leerlingen die zijn ingeschreven in de voorbereidende studierichting ;
b) 29,24 euro voor leerlingen die een opleidings-, kwalificatie of overgangsfilière volgen.
2° voor het gebied van beeldende, visuele en ruimtekunsten ;
a) 34,28 euro voor leerlingen die zijn ingeschreven in de voorbereidende studierichting ;
b) 82,35 euro voor leerlingen die een opleidings-, kwalificatie of overgangsfilière volgen.
3° voor een leerling die regelmatig is ingeschreven in meerdere onderwijsgebieden, wordt de werkingssubsidie afzonderlijk berekend voor elk van de betrokken gebieden. ".
" Artikel 39. - De werkingssubsidie bedoeld in artikel 32, § 2, zevende lid, van de voornoemde wet van 29 mei 1959, wordt berekend op basis van een jaarlijks bedrag dat op 1 januari 2026 wordt vastgesteld per regelmatig ingeschreven leerling in de zin van artikel 11 :
1° voor het gebied van muziek, spreekkunst en toneelkunst en danskunst :
a) 12,09 euro voor leerlingen die zijn ingeschreven in de voorbereidende studierichting ;
b) 29,24 euro voor leerlingen die een opleidings-, kwalificatie of overgangsfilière volgen.
2° voor het gebied van beeldende, visuele en ruimtekunsten ;
a) 34,28 euro voor leerlingen die zijn ingeschreven in de voorbereidende studierichting ;
b) 82,35 euro voor leerlingen die een opleidings-, kwalificatie of overgangsfilière volgen.
3° voor een leerling die regelmatig is ingeschreven in meerdere onderwijsgebieden, wordt de werkingssubsidie afzonderlijk berekend voor elk van de betrokken gebieden. ".
Art. 32. L'article 39 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française est remplacé par la disposition suivante :
" Article 39. - La subvention du fonctionnement visée à l'article 32, § 2, alinéa 7, de la loi du 29 mai 1959 précitée, est calculée sur base d'un montant annuel fixé, au 1er janvier 2026, par élève régulier au sens de l'article 11 :
1° pour les domaines de la musique, des arts de la parole et du théâtre et de danse :
a. 12,09 EUR pour l'élève inscrit dans la filière préparatoire ;
b. 29,24 EUR pour l'élève inscrit dans les filières de formation, de qualification ou de transition.
2° pour le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace :
a. 34,28 EUR pour l'élève inscrit dans la filière préparatoire ;
b. 82,35 EUR pour l'élève inscrit dans les filières de formation, de qualification ou de transition.
3° pour l'élève régulièrement inscrit dans plusieurs domaines d'enseignement, la subvention de fonctionnement est calculée séparément pour chacun des domaines concernés. ".
" Article 39. - La subvention du fonctionnement visée à l'article 32, § 2, alinéa 7, de la loi du 29 mai 1959 précitée, est calculée sur base d'un montant annuel fixé, au 1er janvier 2026, par élève régulier au sens de l'article 11 :
1° pour les domaines de la musique, des arts de la parole et du théâtre et de danse :
a. 12,09 EUR pour l'élève inscrit dans la filière préparatoire ;
b. 29,24 EUR pour l'élève inscrit dans les filières de formation, de qualification ou de transition.
2° pour le domaine des arts plastiques, visuels et de l'espace :
a. 34,28 EUR pour l'élève inscrit dans la filière préparatoire ;
b. 82,35 EUR pour l'élève inscrit dans les filières de formation, de qualification ou de transition.
3° pour l'élève régulièrement inscrit dans plusieurs domaines d'enseignement, la subvention de fonctionnement est calculée séparément pour chacun des domaines concernés. ".
TITEL 10. - Maatregelen met betrekking tot territoriale polen
TITRE 10. - Mesures relatives aux pôles territoriaux
Art. 33. Artikel 6.2.5-3 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs wordt vervangen als volgt :
" Artikel 6.2.5-3. § 1. Er wordt een totaal aantal punten toegekend aan de werkings- en personeelskosten van de territoriale polen. De waarde van het punt is 94,18 € /punt.
Om het totale aantal punten per jaar te bepalen, wordt de volgende formule toegepast:
Pt G= N él * 1,14
In de bovenstaande formule :
"Pt G" verwijst naar het totale aantal punten dat is toegewezen aan de basisfinanciering van de territoriale polen voor het betrokken schooljaar;
"N él" verwijst naar het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen in het gewoon onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap op 15 januari van het voorgaande schooljaar.
Het totale aantal punten dat is toegewezen aan de basisfinanciering van de territoriale polen (Pt G) voor het betrokken schooljaar wordt afgerond op de dichtstbijzijnde eenheid.
Vanaf het schooljaar 2027-2028 zal de waarde van het punt voor de werkingskosten jaarlijks worden geïndexeerd volgens de verhouding tussen de index voor consumentenprijs van januari van het lopende kalenderjaar en die van januari van het voorgaande kalenderjaar.
§ 2. Elk jaar komt het aantal basispunten dat aan elke territoriale pool wordt toegewezen overeen met het aantal leerlingen dat op 15 januari van het voorgaande schooljaar regelmatig ingeschreven waren in de samenwerkende scholen van de betreffende pool. "
" Artikel 6.2.5-3. § 1. Er wordt een totaal aantal punten toegekend aan de werkings- en personeelskosten van de territoriale polen. De waarde van het punt is 94,18 € /punt.
Om het totale aantal punten per jaar te bepalen, wordt de volgende formule toegepast:
Pt G= N él * 1,14
In de bovenstaande formule :
"Pt G" verwijst naar het totale aantal punten dat is toegewezen aan de basisfinanciering van de territoriale polen voor het betrokken schooljaar;
"N él" verwijst naar het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen in het gewoon onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap op 15 januari van het voorgaande schooljaar.
Het totale aantal punten dat is toegewezen aan de basisfinanciering van de territoriale polen (Pt G) voor het betrokken schooljaar wordt afgerond op de dichtstbijzijnde eenheid.
Vanaf het schooljaar 2027-2028 zal de waarde van het punt voor de werkingskosten jaarlijks worden geïndexeerd volgens de verhouding tussen de index voor consumentenprijs van januari van het lopende kalenderjaar en die van januari van het voorgaande kalenderjaar.
§ 2. Elk jaar komt het aantal basispunten dat aan elke territoriale pool wordt toegewezen overeen met het aantal leerlingen dat op 15 januari van het voorgaande schooljaar regelmatig ingeschreven waren in de samenwerkende scholen van de betreffende pool. "
Art. 33. L'article 6.2.5-3 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire est remplacé par ce qui suit :
" Article 6.2.5- 3. - § 1er. Un nombre global de points est affecté aux frais de fonctionnement et de personnel des pôles territoriaux. La valeur du point est de 94,18 €/point.
Pour déterminer chaque année le nombre global de points, il est fait application de la formule suivante :
Pt G= N él * 1,14
Dans la formule ci-dessus :
" Pt G " désigne le nombre global de points affecté au financement de base des pôles territoriaux pour l'année scolaire concernée ;
" N él " désigne le nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'enseignement ordinaire organisé ou subventionné par la Communauté française au 15 janvier de l'année scolaire précédente.
Le nombre global de points affecté au financement de base des pôles territoriaux (Pt G) pour l'année scolaire concernée est arrondi à l'unité la plus proche.
La valeur du point pour les frais de fonctionnement est indexée annuellement à partir de l'année scolaire 2027-2028 en fonction du rapport entre l'indice de prix à la consommation du mois de janvier de l'année civile en cours et celui du mois de janvier de l'année civile précédente.
§ 2. Chaque année, le nombre de points de base attribué à chaque pôle territorial correspond au nombre d'élèves régulièrement inscrits dans les écoles coopérantes du pôle concerné au 15 janvier de l'année scolaire précédente. ".
" Article 6.2.5- 3. - § 1er. Un nombre global de points est affecté aux frais de fonctionnement et de personnel des pôles territoriaux. La valeur du point est de 94,18 €/point.
Pour déterminer chaque année le nombre global de points, il est fait application de la formule suivante :
Pt G= N él * 1,14
Dans la formule ci-dessus :
" Pt G " désigne le nombre global de points affecté au financement de base des pôles territoriaux pour l'année scolaire concernée ;
" N él " désigne le nombre d'élèves régulièrement inscrits dans l'enseignement ordinaire organisé ou subventionné par la Communauté française au 15 janvier de l'année scolaire précédente.
Le nombre global de points affecté au financement de base des pôles territoriaux (Pt G) pour l'année scolaire concernée est arrondi à l'unité la plus proche.
La valeur du point pour les frais de fonctionnement est indexée annuellement à partir de l'année scolaire 2027-2028 en fonction du rapport entre l'indice de prix à la consommation du mois de janvier de l'année civile en cours et celui du mois de janvier de l'année civile précédente.
§ 2. Chaque année, le nombre de points de base attribué à chaque pôle territorial correspond au nombre d'élèves régulièrement inscrits dans les écoles coopérantes du pôle concerné au 15 janvier de l'année scolaire précédente. ".
Art. 34. Artikel 6.2.5-4 van het Wetboek voor basis- en secundair onderwijs, zoals vernietigd bij arrest nr. 85/2023 van het Grondwettelijk Hof van 1r juni 2023, wordt hersteld met de volgende formulering:
" Artikel 6.2.5-4. § 1. In totaal worden 412.550 extra punten toegekend aan de territoriale polen om rekening te houden met de ondersteuning van leerlingen die een volledige permanente integratie in het gewoon lager of secundair onderwijs nastreven, overeenkomstig artikel 132 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs.
88 extra punten worden toegekend voor elke leerling die permanent volledig geïntegreerd is in het gewoon basis- of secundair onderwijs in de territoriale pool. Het aantal toegekende extra punten wordt bepaald op basis van het aantal regelmatig ingeschreven en volledig geïntegreerde leerlingen in de samenwerkende scholen van de betrokken pool op 15 januari van het voorgaande schooljaar.
§ 2. Wanneer het in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde totale aantal aanvullende punten, berekend voor alle territoriale polen, het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde totale aantal beschikbare aanvullende punten overschrijdt, wordt de volgende formule toegepast:
Pt Ipt = Pt B/N él
In de bovenstaande formule:
Pt Ipt is het aantal aanvullende punten dat uiteindelijk aan elke leerling in volledige permanente integratie wordt toegekend;
Pt B verwijst naar het totale aantal beschikbare aanvullende punten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
N él verwijst naar het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen in volledige permanente integratie in de samenwerkende scholen van alle territoriale polen op 15 januari van het voorgaande schooljaar.
Het aantal aanvullende punten dat wordt toegekend per volledige permanente integratie (Pt Ipt) wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal.".
" Artikel 6.2.5-4. § 1. In totaal worden 412.550 extra punten toegekend aan de territoriale polen om rekening te houden met de ondersteuning van leerlingen die een volledige permanente integratie in het gewoon lager of secundair onderwijs nastreven, overeenkomstig artikel 132 van het decreet van 3 maart 2004 houdende organisatie van het gespecialiseerd onderwijs.
88 extra punten worden toegekend voor elke leerling die permanent volledig geïntegreerd is in het gewoon basis- of secundair onderwijs in de territoriale pool. Het aantal toegekende extra punten wordt bepaald op basis van het aantal regelmatig ingeschreven en volledig geïntegreerde leerlingen in de samenwerkende scholen van de betrokken pool op 15 januari van het voorgaande schooljaar.
§ 2. Wanneer het in paragraaf 1, tweede lid, bedoelde totale aantal aanvullende punten, berekend voor alle territoriale polen, het in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde totale aantal beschikbare aanvullende punten overschrijdt, wordt de volgende formule toegepast:
Pt Ipt = Pt B/N él
In de bovenstaande formule:
Pt Ipt is het aantal aanvullende punten dat uiteindelijk aan elke leerling in volledige permanente integratie wordt toegekend;
Pt B verwijst naar het totale aantal beschikbare aanvullende punten bedoeld in paragraaf 1, eerste lid.
N él verwijst naar het aantal regelmatig ingeschreven leerlingen in volledige permanente integratie in de samenwerkende scholen van alle territoriale polen op 15 januari van het voorgaande schooljaar.
Het aantal aanvullende punten dat wordt toegekend per volledige permanente integratie (Pt Ipt) wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal.".
Art. 34. L'article 6.2.5-4 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, tel qu'annulé par l'arrêt de la Cour constitutionnelle n° 85/2023 du 1er juin 2023, est rétabli dans la formulation suivante :
" Article 6.2.5-4. - § 1er. Un nombre global de 412.550 points complémentaires disponibles est affecté aux pôles territoriaux pour prendre en compte l'accompagnement des élèves en intégration permanente totale dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire en application de l'article 132 du décret du 3 mars 2004 organisant l'enseignement spécialisé.
Il est octroyé 88 points complémentaires par élève en intégration permanente totale dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire au pôle territorial. Le nombre de points complémentaires attribué est déterminé en fonction du nombre d'élèves régulièrement inscrits et en intégration permanente totale dans les écoles coopérantes du pôle concerné au 15 janvier de l'année scolaire précédente.
§ 2. Lorsque le total des points complémentaires visés au paragraphe 1er, alinéa 2, calculés pour l'ensemble des pôles territoriaux dépasse le nombre global de points complémentaires disponibles visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, il est fait application de la formule suivante :
Pt Ipt = Pt B/N él
Dans la formule ci-dessus :
Pt Ipt désigne le nombre de points complémentaires finalement attribués à chaque élève en intégration permanente totale ;
Pt B désigne le nombre total de points complémentaires disponibles visé au paragraphe 1er, alinéa 1er.
N él désigne le nombre d'élèves régulièrement inscrits et en intégration permanente totale dans les écoles coopérantes de l'ensemble des pôles territoriaux au 15 janvier de l'année scolaire précédente.
Le nombre de points complémentaires octroyé par intégration permanente totale (Pt Ipt) est arrondi à l'unité la plus proche. ".
" Article 6.2.5-4. - § 1er. Un nombre global de 412.550 points complémentaires disponibles est affecté aux pôles territoriaux pour prendre en compte l'accompagnement des élèves en intégration permanente totale dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire en application de l'article 132 du décret du 3 mars 2004 organisant l'enseignement spécialisé.
Il est octroyé 88 points complémentaires par élève en intégration permanente totale dans l'enseignement fondamental ou secondaire ordinaire au pôle territorial. Le nombre de points complémentaires attribué est déterminé en fonction du nombre d'élèves régulièrement inscrits et en intégration permanente totale dans les écoles coopérantes du pôle concerné au 15 janvier de l'année scolaire précédente.
§ 2. Lorsque le total des points complémentaires visés au paragraphe 1er, alinéa 2, calculés pour l'ensemble des pôles territoriaux dépasse le nombre global de points complémentaires disponibles visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, il est fait application de la formule suivante :
Pt Ipt = Pt B/N él
Dans la formule ci-dessus :
Pt Ipt désigne le nombre de points complémentaires finalement attribués à chaque élève en intégration permanente totale ;
Pt B désigne le nombre total de points complémentaires disponibles visé au paragraphe 1er, alinéa 1er.
N él désigne le nombre d'élèves régulièrement inscrits et en intégration permanente totale dans les écoles coopérantes de l'ensemble des pôles territoriaux au 15 janvier de l'année scolaire précédente.
Le nombre de points complémentaires octroyé par intégration permanente totale (Pt Ipt) est arrondi à l'unité la plus proche. ".
Art. 35. Artikel 6.2.5-5 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art. 35. L'article 6.2.5-5 du même Code est abrogé.
Art. 36. In artikel 6.2.5-6 van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd door het decreet van 20 juli 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden de woorden "de artikelen 6.2.5-4 en 6.2.5-5" vervangen door de woorden "artikel 6.2.5-4";
2° in paragraaf 3 wordt het tweede lid opgeheven.
1° in paragraaf 1, tweede lid, 2°, worden de woorden "de artikelen 6.2.5-4 en 6.2.5-5" vervangen door de woorden "artikel 6.2.5-4";
2° in paragraaf 3 wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 36. Dans l'article 6.2.5-6 du même Code, tel que modifié par le décret du 20 juillet 2023, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, les mots " aux articles 6.2.5-4 et 6.2.5-5 " sont remplacés par les mots " à l'article 6.2.5-4 " ;
2° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, 2°, les mots " aux articles 6.2.5-4 et 6.2.5-5 " sont remplacés par les mots " à l'article 6.2.5-4 " ;
2° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 37. In artikel 6.2.6-2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, zoals gewijzigd door het decreet van 20 juli 2022, wordt de tabel vervangen als volgt:
Art. 37. Dans l'article 6.2.6-2, alinéa 1er, du même Code, tel que modifié par le décret du 20 juillet 2022, le tableau est remplacé par ce qui suit :
| Ambt/ Ambtsgroep | 5/5 | 4/5 | 3/4 | 3/5 | 2,5/5 | 2/5 | 1/4 | 1/5 |
| Coördinator van de territoriale pool (functie deelbaar per halftijdse prestaties, behalve voor regelingen aan het einde van de loopbaan) | 840 punten | 672 punten | 630 punten | - | 420 punten | - | 210 punten | 168 punten |
| Kleuteronderwijzer Leraar lager onderwijs Master Leraar AC - niveau LG | 675 punten | 540 punten | 506 punten | 405 punten | 337 punten | 270 punten | 169 punten | 135 punten |
| Leraar AC - niveau HG | 745 punten | 596 punten | 559 punten | 447 punten | 372 punten | 298 punten | 186 punten | 149 punten |
| Leraar TC - niveau LG Leraar BP - niveau LG | 665 punten | 532 punten | 499 punten | 399 punten | 332 punten | 266 punten | 166 punten | 133 punten |
| Leraar TC - niveau HG Leraar BP - niveau HG | 750 punten | 600 punten | 563 punten | 450 punten | 375 punten | 300 punten | 188 punten | 150 punten |
| Opvoeder Maatschappelijk assistent | 580 punten | 464 punten | 435 punten | 348 punten | 290 punten | 232 punten | 145 punten | 116 punten |
| Logopedist Ergotherapeut Orthoptist | 620 punten | 496 punten | 465 punten | 372 punten | 310 punten | 248 punten | 155 punten | 124 punten |
| Verpleegkundige | 560 punten | 448 punten | 420 punten | 336 punten | 280 punten | 224 punten | 140 punten | 112 punten |
| Kinesitherapeut | 720 punten | 576 punten | 540 punten | 432 punten | 360 punten | 288 punten | 180 punten | 144 punten |
| Psycholoog | 715 punten | 572 punten | 536 punten | 429 punten | 357 punten | 286 punten | 179 punten | 143 punten |
| Kinderverzorger | 490 punten | 392 punten | 368 punten | 294 punten | 245 punten | 196 punten | 123 punten | 98 punten |
Ambtsgroep 5/5 4/5 3/4 3/5 2,5/5 2/5 1/4 1/5 Coördinator van de territoriale pool (functie deelbaar per halftijdse prestaties, behalve voor regelingen aan het einde van de loopbaan) 840
punten 672
punten 630
punten - 420
punten - 210
punten 168
punten Kleuteronderwijzer Leraar lager onderwijs Master
Leraar AC - niveau LG 675
punten 540
punten 506
punten 405
punten 337
punten 270
punten 169
punten 135
punten Leraar AC - niveau HG 745
punten 596
punten 559
punten 447
punten 372
punten 298
punten 186
punten 149
punten Leraar TC - niveau LG
Leraar BP - niveau LG 665
punten 532
punten 499
punten 399
punten 332
punten 266
punten 166
punten 133
punten Leraar TC - niveau HG
Leraar BP - niveau HG 750
punten 600
punten 563
punten 450
punten 375
punten 300
punten 188
punten 150
punten Opvoeder Maatschappelijk assistent 580
punten 464
punten 435
punten 348
punten 290
punten 232
punten 145
punten 116
punten Logopedist
Ergotherapeut
Orthoptist 620
punten 496
punten 465
punten 372
punten 310
punten 248
punten 155
punten 124
punten Verpleegkundige 560
punten 448
punten 420
punten 336
punten 280
punten 224
punten 140
punten 112
punten Kinesitherapeut 720
punten 576
punten 540
punten 432
punten 360
punten 288
punten 180
punten 144
punten Psycholoog 715
punten 572
punten 536
punten 429
punten 357
punten 286
punten 179
punten 143
punten Kinderverzorger 490
punten 392
punten 368
punten 294
punten 245
punten 196
punten 123
punten 98
punten
| Fonction/ Groupement de fonctions | 5/5 | 4/5 | 3/4 | 3/5 | 2,5/5 | 2/5 | 1/4 | 1/5 |
| Coordonnateur du pôle territorial (fonction sécable par mi-temps, excepté dans le cadre des aménagements de fin de carrière) | 840 points | 672 points | 630 points | - | 420 points | - | 210 points | 168 points |
| Instituteur préscolaire Instituteur primaire Maitre Professeur de CG - niveau DI | 675 points | 540 points | 506 points | 405 points | 337 points | 270 points | 169 points | 135 points |
| Professeur de CG - niveau DS | 745 points | 596 points | 559 points | 447 points | 372 points | 298 points | 186 points | 149 points |
| Professeur de CT - niveau DI Professeur de PP - niveau DI | 665 points | 532 points | 499 points | 399 points | 332 points | 266 points | 166 points | 133 points |
| Professeur de CT - niveau DS Professeur de PP - niveau DS | 750 points | 600 points | 563 points | 450 points | 375 points | 300 points | 188 points | 150 points |
| Educateur Assistant social | 580 points | 464 points | 435 points | 348 points | 290 points | 232 points | 145 points | 116 points |
| Logopède Ergothérapeute Orthoptiste | 620 points | 496 points | 465 points | 372 points | 310 points | 248 points | 155 points | 124 points |
| Infirmier | 560 points | 448 points | 420 points | 336 points | 280 points | 224 points | 140 points | 112 points |
| Kinésithérapeute | 720 points | 576 points | 540 points | 432 points | 360 points | 288 points | 180 points | 144 points |
| Psychologue | 715 points | 572 points | 536 points | 429 points | 357 points | 286 points | 179 points | 143 points |
| Puériculteur | 490 points | 392 points | 368 points | 294 points | 245 points | 196 points | 123 points | 98 points |
Groupement de fonctions 5/5 4/5 3/4 3/5 2,5/5 2/5 1/4 1/5 Coordonnateur du pôle territorial (fonction sécable par mi-temps, excepté dans le cadre des aménagements de fin de carrière) 840
points 672
points 630
points - 420
points - 210
points 168
points Instituteur préscolaire Instituteur primaire Maitre
Professeur de CG - niveau DI 675
points 540
points 506
points 405
points 337
points 270
points 169
points 135
points Professeur de CG - niveau DS 745
points 596
points 559
points 447
points 372
points 298
points 186
points 149
points Professeur de CT - niveau DI
Professeur de PP - niveau DI 665
points 532
points 499
points 399
points 332
points 266
points 166
points 133
points Professeur de CT - niveau DS
Professeur de PP - niveau DS 750
points 600
points 563
points 450
points 375
points 300
points 188
points 150
points Educateur Assistant social 580
points 464
points 435
points 348
points 290
points 232
points 145
points 116
points Logopède
Ergothérapeute
Orthoptiste 620
points 496
points 465
points 372
points 310
points 248
points 155
points 124
points Infirmier 560
points 448
points 420
points 336
points 280
points 224
points 140
points 112
points Kinésithérapeute 720
points 576
points 540
points 432
points 360
points 288
points 180
points 144
points Psychologue 715
points 572
points 536
points 429
points 357
points 286
points 179
points 143
points Puériculteur 490
points 392
points 368
points 294
points 245
points 196
points 123
points 98
points
TITEL 11. - Overgangsbepalingen
TITRE 11. - Dispositions transitoires
Art. 38. Onverminderd artikel 11, eindigen de oproepen tot het indienen van projecten toegekend op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, die betrekking hebben op het schooljaar 2025-2026 en voortvloeien uit het decreet van 19 oktober 2023, op het einde van het schooljaar 2025-2026.
Art. 38. Sans préjudice de l'article 11, les appels à projets attribués à la date d'entrée en vigueur du présent décret, portant sur l'année scolaire 2025-2026 et découlant du décret du 19 octobre 2023, prennent fin à l'issue de l'année scolaire 2025-2026.
Art. 39. De bepalingen bedoeld in Titel 6 zijn alleen van toepassing op de terbeschikkingstellingen om persoonlijke redenen voorafgaand aan het pensioen die op of na 1 juli 2026 worden ingediend.
De Regering kan een eerdere datum vaststellen dan die bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
De Regering kan een eerdere datum vaststellen dan die bedoeld in het eerste lid van dit artikel.
Art. 39. Les dispositions visées au Titre 6 ne s'appliquent qu'aux mises en disponibilité pour convenances personnelles précédant la pension de retraite qui sont introduites à partir du 1er juillet 2026.
Le Gouvernement peut fixer une date antérieure à celle visée à l'alinéa 1er du présent article.
Le Gouvernement peut fixer une date antérieure à celle visée à l'alinéa 1er du présent article.
Deel II. - Bepalingen betreffende het hoger onderwijs
Partie II. - Dispositions relatives à l'enseignement supérieur
TITEL 1. - Bepalingen tot wijziging van de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instelling
TITRE 1er. - Dispositions modifiant la loi du 27 juillet 1971 sur le financement et le contrôle des institutions universitaires
Art. 40. In de wet van 27 juli 1971 op de financiering en de controle van de universitaire instelling wordt in artikel 25, tweede lid, na de woorden "De eerste herziening vindt plaats in 2016." de volgende zin toegevoegd: "In afwijking van de termijn van tien jaar zal de tweede herziening plaatsvinden in 2027.".
Art. 40. Dans la loi du 27 juillet 1971 sur le financement et le contrôle des institutions universitaires, à l'article 25, alinéa 2, la phrase suivante est ajoutée après les mots " La première révision aura lieu en 2016. " : " Par dérogation au délai de dix ans, la deuxième révision a lieu en 2027. ".
Art. 41. In dezelfde wet, in artikel 29, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 4bis wordt na het eerste lid een nieuw lid toegevoegd, luidend als volgt:
"Deze verdeelsleutel blijft van toepassing voor 2026";
2° in § 7, eerste lid, worden de woorden "het begrotingsjaar 2028" vervangen door de woorden "het begrotingsjaar 2025";
3° in hetzelfde lid worden de woorden "Voor de begrotingsjaren 2025, 2026, 2027 en 2028" vervangen door de woorden "Voor het begrotingsjaar 2025";
4° in dezelfde paragraaf worden in het derde lid de woorden "het begrotingsjaar 2029" vervangen door de woorden "het begrotingsjaar 2026".
1° in § 4bis wordt na het eerste lid een nieuw lid toegevoegd, luidend als volgt:
"Deze verdeelsleutel blijft van toepassing voor 2026";
2° in § 7, eerste lid, worden de woorden "het begrotingsjaar 2028" vervangen door de woorden "het begrotingsjaar 2025";
3° in hetzelfde lid worden de woorden "Voor de begrotingsjaren 2025, 2026, 2027 en 2028" vervangen door de woorden "Voor het begrotingsjaar 2025";
4° in dezelfde paragraaf worden in het derde lid de woorden "het begrotingsjaar 2029" vervangen door de woorden "het begrotingsjaar 2026".
Art. 41. Dans la même loi, à l'article 29, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 4bis, un nouvel alinéa rédigé comme suit est ajouté après le premier alinéa :
" Cette clé de répartition reste d'application pour l'année 2026 " ;
2° au § 7, alinéa 1, les mots " l'année budgétaire 2028 " sont remplacés par les mots " l'année budgétaire 2025 " ;
3° dans le même alinéa, les mots " Pour les années budgétaires 2025, 2026, 2027 et 2028 " sont remplacés par les mots " Pour l'année budgétaire 2025 " ;
4° dans le même paragraphe, à l'alinéa 3, les mots " l'année budgétaire 2029 " sont remplacés par les mots " l'année budgétaire 2026 ".
1° au § 4bis, un nouvel alinéa rédigé comme suit est ajouté après le premier alinéa :
" Cette clé de répartition reste d'application pour l'année 2026 " ;
2° au § 7, alinéa 1, les mots " l'année budgétaire 2028 " sont remplacés par les mots " l'année budgétaire 2025 " ;
3° dans le même alinéa, les mots " Pour les années budgétaires 2025, 2026, 2027 et 2028 " sont remplacés par les mots " Pour l'année budgétaire 2025 " ;
4° dans le même paragraphe, à l'alinéa 3, les mots " l'année budgétaire 2029 " sont remplacés par les mots " l'année budgétaire 2026 ".
Art. 42. In dezelfde wet, in artikel 36bis/1, paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "Vanaf 2026 wordt het bedrag van 1,2 miljoen euro, dat het voor het jaar 2024 voorziene bedrag vormt en dat het voor het jaar 2025 voorziene bedrag vormt, na indexering toegevoegd ten belope van 30 procent aan het in artikel 29, § 1, vastgelegde bedrag en ten belope van 70 procent aan het in artikel 29, § 2, vastgelegde bedrag" geschrapt.
Art. 42. Dans la même loi, à l'article 36bis/1, paragraphe 3, alinéa 2, les mots " A partir de 2026, le montant de 1,2 million d'euros, constituant le montant prévu pour l'année 2024 et constituant le montant prévu pour l'année 2025, est ajouté, après indexation, à concurrence de 30 pourcents au montant prévu à l'article 29, § 1er, et à concurrence de 70 pourcents au montant prévu à l'article 29, § 2. " sont supprimés.
TITEL 2. - Bepalingen inzake collectieve structuren voor hoger onderwijs voor activiteiten voor voortgezette opleiding en een leven lang leren
TITRE 2. - Dispositions concernant les structures collectives d'enseignement supérieur dédiées aux activités de formation continue et d'apprentissage tout au long de la vie
Art. 43. De Regering kan het samenwerkingsakkoord van 13 maart 2014 tussen de Franse Gemeenschap en het Waalse Gewest betreffende de oprichting en de ontwikkeling van collectieve structuren van het hoger onderwijs voor de activiteiten inzake een voortgezette vorming en een leven lang leren opzeggen.
Een collectieve structuur voor hoger onderwijs die vóór de inwerkingtreding van de opzegging een beslissing tot toekenning van subsidies in het kader van haar erkenning heeft ontvangen, mag de activiteiten in verband met die subsidies blijven uitvoeren en verdere subsidies blijven ontvangen tot het verstrijken van dat toekenningsbeslissing.
Een collectieve structuur voor hoger onderwijs die vóór de inwerkingtreding van de opzegging een beslissing tot toekenning van subsidies in het kader van haar erkenning heeft ontvangen, mag de activiteiten in verband met die subsidies blijven uitvoeren en verdere subsidies blijven ontvangen tot het verstrijken van dat toekenningsbeslissing.
Art. 43. Le Gouvernement peut dénoncer l'accord de coopération du 13 mars 2014 entre la Communauté française et la Région wallonne relatif à la création et au développement de structures collectives d'enseignement supérieur dédiées aux activités de formation continue et d'apprentissage tout au long de la vie.
La structure collective d'enseignement supérieur qui a bénéficié d'une décision d'octroi de subventions dans le cadre de son agrément avant l'entrée en vigueur de la dénonciation peut continuer à exercer les activités liées à ces subventions et à percevoir les subventions subséquentes jusqu'à l'échéance de cette décision d'octroi.
La structure collective d'enseignement supérieur qui a bénéficié d'une décision d'octroi de subventions dans le cadre de son agrément avant l'entrée en vigueur de la dénonciation peut continuer à exercer les activités liées à ces subventions et à percevoir les subventions subséquentes jusqu'à l'échéance de cette décision d'octroi.
Art. 44. In 2026 zal een subsidie van 200.000 euro worden toegekend aan de vzw Eurometropolitan e-Campus in Doornik, zodat deze haar activiteiten kan heroriënteren op de ontwikkeling van opleidingen in verband met de digitale transitie.
De liquidatie zal in één keer plaatsvinden in januari 2026.
Alle bewijsstukken van de uitgaven worden doorgestuurd naar de Algemene Directie Hoger Onderwijs, Levenslang Leren en Wetenschappelijk Onderzoek uiterlijk op 31 december 2026.
Uitgaven voor personeel, werkingskosten en onderhoud van IT-tools zijn subsidiabel.
De subsidie is pas definitief toegekend na validatie van de bewijsstukken voor de uitgaven en controle van het gebruik van de subsidie voor de doeleinden waarvoor deze is toegekend.
De begunstigde van de subsidie blijft ter beschikking van de Franse Gemeenschap of elke door haar gemandateerde persoon, alsook van het Rekenhof, om de algemene en boekhoudkundige documenten te bezorgen die nodig zijn om de goede uitvoering van de bepalingen van dit decreet te controleren.
Indien de begunstigde de bepalingen van dit decreet niet naleeft, kan de uitgekeerde subsidie geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
De liquidatie zal in één keer plaatsvinden in januari 2026.
Alle bewijsstukken van de uitgaven worden doorgestuurd naar de Algemene Directie Hoger Onderwijs, Levenslang Leren en Wetenschappelijk Onderzoek uiterlijk op 31 december 2026.
Uitgaven voor personeel, werkingskosten en onderhoud van IT-tools zijn subsidiabel.
De subsidie is pas definitief toegekend na validatie van de bewijsstukken voor de uitgaven en controle van het gebruik van de subsidie voor de doeleinden waarvoor deze is toegekend.
De begunstigde van de subsidie blijft ter beschikking van de Franse Gemeenschap of elke door haar gemandateerde persoon, alsook van het Rekenhof, om de algemene en boekhoudkundige documenten te bezorgen die nodig zijn om de goede uitvoering van de bepalingen van dit decreet te controleren.
Indien de begunstigde de bepalingen van dit decreet niet naleeft, kan de uitgekeerde subsidie geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.
Art. 44. Il est octroyé en 2026 une subvention d'un montant de 200.000 euros à l'ASBL Eurometropolitan e-Campus à Tournai, afin de lui permettre de recentrer ses activités sur le développement de formations en lien avec la transition numérique.
La liquidation s'opère en une seule tranche au mois de janvier 2026.
L'ensemble des pièces justificatives des dépenses est transmis à la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la Vie et de la Recherche au plus tard le 31 décembre 2026.
Sont admissibles les dépenses liées au personnel, aux frais de fonctionnement et de maintenance des outils informatiques.
La subvention n'est définitivement acquise qu'après validation des pièces justificatives des dépenses et contrôle de l'utilisation de la subvention aux fins pour lesquelles elle a été accordée.
Le bénéficiaire de la subvention demeure à la disposition de la Communauté française ou de toute personne mandatée par elle, ainsi que de la Cour des Comptes, pour fournir les documents généraux et comptables nécessaires au contrôle de la bonne exécution des dispositions prévues dans le cadre du présent décret.
En cas de non-respect par le bénéficiaire des dispositions prévues dans le cadre du présent décret, il pourra être procédé à la récupération de tout ou partie des montants de subvention lui versés.
La liquidation s'opère en une seule tranche au mois de janvier 2026.
L'ensemble des pièces justificatives des dépenses est transmis à la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la Vie et de la Recherche au plus tard le 31 décembre 2026.
Sont admissibles les dépenses liées au personnel, aux frais de fonctionnement et de maintenance des outils informatiques.
La subvention n'est définitivement acquise qu'après validation des pièces justificatives des dépenses et contrôle de l'utilisation de la subvention aux fins pour lesquelles elle a été accordée.
Le bénéficiaire de la subvention demeure à la disposition de la Communauté française ou de toute personne mandatée par elle, ainsi que de la Cour des Comptes, pour fournir les documents généraux et comptables nécessaires au contrôle de la bonne exécution des dispositions prévues dans le cadre du présent décret.
En cas de non-respect par le bénéficiaire des dispositions prévues dans le cadre du présent décret, il pourra être procédé à la récupération de tout ou partie des montants de subvention lui versés.
TITEL 3. - Bepaling betreffende het controleren en evalueren van het begeleidingsinstrument
TITRE 3. - Disposition concernant le suivi et l'évaluation de l'outil d'aide à l'orientation
Art. 45. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt een dotatie van 130.000 euro toegekend aan de Academie voor Onderzoek en Hoger Onderwijs. Deze dotatie dekt de kosten van intellectueel eigendom, onderhoud en werking van een niet-bindend formatief begeleidingsinstrument en de personeelskosten die gepaard gaan met het controleren en evalueren van dit instrument.
Art. 45. Pour l'année budgétaire 2026, il est accordé une dotation d'un montant de 130.000 euros à l'Académie de Recherche et d'Enseignement supérieur. Cette dotation couvre les frais de propriété intellectuelle, de maintenance et de fonctionnement d'un outil d'orientation formative et non contraignante et les frais de personnel liés au suivi et à l'évaluation de cet outil.
TITEL 4. - Bepaling betreffende de ondersteuning van instellingen voor hoger onderwijs met volledig leerplan in het kader van het platform "E-Paysage"
TITRE 4. - Disposition concernant le soutien aux établissements d'enseignement supérieur de plein exercice dans le cadre de la plateforme " E-Paysage "
Art. 46. § 1. Voor 2026 wordt een subsidie van 770 000 euro toegekend aan instellingen voor hoger onderwijs met volledig leerplan om hun integratie in het platform e-paysage te ondersteunen, zoals bedoeld in artikel 106 van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studie, en om de sturing van het hoger onderwijs te ondersteunen.
§ 2. Deze subsidie wordt toegekend ter ondersteuning van IT-ontwikkelingen en datatransmissie overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikelen 106/1 tot 106/24 van het voornoemde decreet van 7 november 2013. Die is ook bedoeld om instellingen te ondersteunen bij de datatransmissie gericht op een weloverwogen sturing van het overheidsbeleid op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek.
§ 3. Het bedrag van de subsidie wordt verdeeld tussen de instellingen op basis van de volgende modaliteiten:
Elke instelling ontvangt een basisfinanciering van:
1° 8.470 euro voor elke hogere kunstschool of hogeschool met maximaal 3.499 studenten;
2° 16.940 euro voor elke hogeschool of universiteit vanaf 3500 studenten;
3° 33.880 euro voor elke universiteit vanaf 20000 studenten.
Om het bedrag van de basisfinanciering te bepalen, wordt rekening gehouden met de studenten die regelmatig zijn ingeschreven in de instelling tijdens het academiejaar voorafgaand aan het begrotingsjaar van de liquidatie van de subsidie. Bij dubbele diplomering worden studenten die regelmatig ingeschreven zijn in de referentie-instelling in aanmerking genomen.
Het beschikbare saldo na toekenning van de basisfinanciering wordt gelijk verdeeld tussen de instellingen die lid zijn van een consortium zoals bepaald in § 4.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een consortium gedefinieerd als een groepering van instellingen die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten in de zin van artikel 82, § 1, van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies met het oog op de ontwikkeling en/of het gebruik van dezelfde software voor het academische beheer.
Om de instellingen die er deel van uitmaken in aanmerking te laten komen voor de aanvullende financiering op de basisfinanciering, moet een consortium de Regering uiterlijk op 31 maart 2026 de in het vorige lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst toesturen. Deze samenwerkingsovereenkomst kan een of meer volledige kalenderjaren beslaan. Die omvat met name de volgende elementen:
1° de identiteit van de instelling die de administratieve en financiële verantwoordelijkheid op zich neemt en de namen van de instellingen die partij zijn bij de overeenkomst;
2° de opdrachten die aan de verschillende instellingen worden toevertrouwd in het kader van het gebruik van deze subsidie;
3° de modaliteiten van de subsidie en hoe ze zal worden uitgegeven.
§ 5. Deze subsidie kan worden gebruikt om personeelskosten te dekken of om gebruik te maken van dienstverlening. De instellingen houden de bewijsstukken met betrekking tot deze uitgaven ter beschikking van de Regeringscommissarissen en Afgevaardigden van de Regering.
§ 2. Deze subsidie wordt toegekend ter ondersteuning van IT-ontwikkelingen en datatransmissie overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikelen 106/1 tot 106/24 van het voornoemde decreet van 7 november 2013. Die is ook bedoeld om instellingen te ondersteunen bij de datatransmissie gericht op een weloverwogen sturing van het overheidsbeleid op het gebied van hoger onderwijs en onderzoek.
§ 3. Het bedrag van de subsidie wordt verdeeld tussen de instellingen op basis van de volgende modaliteiten:
Elke instelling ontvangt een basisfinanciering van:
1° 8.470 euro voor elke hogere kunstschool of hogeschool met maximaal 3.499 studenten;
2° 16.940 euro voor elke hogeschool of universiteit vanaf 3500 studenten;
3° 33.880 euro voor elke universiteit vanaf 20000 studenten.
Om het bedrag van de basisfinanciering te bepalen, wordt rekening gehouden met de studenten die regelmatig zijn ingeschreven in de instelling tijdens het academiejaar voorafgaand aan het begrotingsjaar van de liquidatie van de subsidie. Bij dubbele diplomering worden studenten die regelmatig ingeschreven zijn in de referentie-instelling in aanmerking genomen.
Het beschikbare saldo na toekenning van de basisfinanciering wordt gelijk verdeeld tussen de instellingen die lid zijn van een consortium zoals bepaald in § 4.
§ 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt een consortium gedefinieerd als een groepering van instellingen die een samenwerkingsovereenkomst hebben gesloten in de zin van artikel 82, § 1, van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies met het oog op de ontwikkeling en/of het gebruik van dezelfde software voor het academische beheer.
Om de instellingen die er deel van uitmaken in aanmerking te laten komen voor de aanvullende financiering op de basisfinanciering, moet een consortium de Regering uiterlijk op 31 maart 2026 de in het vorige lid bedoelde samenwerkingsovereenkomst toesturen. Deze samenwerkingsovereenkomst kan een of meer volledige kalenderjaren beslaan. Die omvat met name de volgende elementen:
1° de identiteit van de instelling die de administratieve en financiële verantwoordelijkheid op zich neemt en de namen van de instellingen die partij zijn bij de overeenkomst;
2° de opdrachten die aan de verschillende instellingen worden toevertrouwd in het kader van het gebruik van deze subsidie;
3° de modaliteiten van de subsidie en hoe ze zal worden uitgegeven.
§ 5. Deze subsidie kan worden gebruikt om personeelskosten te dekken of om gebruik te maken van dienstverlening. De instellingen houden de bewijsstukken met betrekking tot deze uitgaven ter beschikking van de Regeringscommissarissen en Afgevaardigden van de Regering.
Art. 46. § 1er. Pour l'année 2026, une subvention d'un montant de 770.000€ est octroyée aux établissements d'enseignement supérieur de plein exercice pour soutenir leur intégration au sein de la plateforme E-Paysage visée à l'article 106 du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études et pour soutenir le pilotage de l'enseignement supérieur.
§ 2. Cette subvention est octroyée en vue de soutenir les développements informatiques ainsi que la transmission des données conformément aux modalités prévues aux articles 106/1 à 106/24 du décret du 7 novembre 2013 précité. Elle vise également à soutenir les établissements pour la transmission de données visant au pilotage éclairé des politiques publiques en matière d'enseignement supérieur et de recherche.
§ 3. Le montant de la subvention est réparti entre établissements sur base des modalités suivantes :
Chaque établissement bénéficie d'un financement de base de :
1° 8.470 euros pour chaque Ecole supérieure des Arts ou Haute Ecole jusqu'à 3499 étudiants ;
2° 16.940 euros pour chaque Haute Ecole ou Université à partir de 3500 étudiants ;
3° 33.880 euros pour chaque Université à partir de 20000 étudiants.
Pour déterminer le montant du financement de base, sont pris en considération les étudiants régulièrement inscrits dans l'établissement lors de l'année académique qui précède l'année budgétaire de liquidation de la subvention. En cas de codiplomation, sont pris en considération les étudiants régulièrement inscrits dans l'établissement référent.
Le solde disponible après octroi du financement de base est réparti à parts égales entre les établissements qui sont membres d'un consortium tel que défini au § 4.
§ 4. Pour l'application du présent article, un consortium est défini comme un regroupement d'établissements qui ont conclu une convention de collaboration au sens de l'article 82, § 1er du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études en vue de développer et/ou utiliser un même logiciel de gestion académique.
Pour permettre aux établissements qui en font partie de bénéficier du financement complémentaire au financement de base, un consortium est tenu de transmettre au Gouvernement, au plus tard le 31 mars 2026, la convention de collaboration dont il est question à l'alinéa précédent. Cette convention de collaboration peut porter sur une ou plusieurs années civiles complètes. Elle comprend notamment les éléments suivants :
1° l'identité de l'établissement qui assume la charge administrative et financière et le nom des établissements qui sont parties à la convention ;
2° les missions qui sont confiées aux différents établissements dans le cadre de l'utilisation de cette subvention ;
3° les modalités et choix de dépenses de cette subvention.
§ 5. Cette subvention peut être utilisée pour couvrir des frais de personnel ou pour recourir à des prestations de service. Les établissements tiennent à disposition des Commissaires et Délégués du Gouvernement les pièces justificatives liées à ces dépenses.
§ 2. Cette subvention est octroyée en vue de soutenir les développements informatiques ainsi que la transmission des données conformément aux modalités prévues aux articles 106/1 à 106/24 du décret du 7 novembre 2013 précité. Elle vise également à soutenir les établissements pour la transmission de données visant au pilotage éclairé des politiques publiques en matière d'enseignement supérieur et de recherche.
§ 3. Le montant de la subvention est réparti entre établissements sur base des modalités suivantes :
Chaque établissement bénéficie d'un financement de base de :
1° 8.470 euros pour chaque Ecole supérieure des Arts ou Haute Ecole jusqu'à 3499 étudiants ;
2° 16.940 euros pour chaque Haute Ecole ou Université à partir de 3500 étudiants ;
3° 33.880 euros pour chaque Université à partir de 20000 étudiants.
Pour déterminer le montant du financement de base, sont pris en considération les étudiants régulièrement inscrits dans l'établissement lors de l'année académique qui précède l'année budgétaire de liquidation de la subvention. En cas de codiplomation, sont pris en considération les étudiants régulièrement inscrits dans l'établissement référent.
Le solde disponible après octroi du financement de base est réparti à parts égales entre les établissements qui sont membres d'un consortium tel que défini au § 4.
§ 4. Pour l'application du présent article, un consortium est défini comme un regroupement d'établissements qui ont conclu une convention de collaboration au sens de l'article 82, § 1er du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études en vue de développer et/ou utiliser un même logiciel de gestion académique.
Pour permettre aux établissements qui en font partie de bénéficier du financement complémentaire au financement de base, un consortium est tenu de transmettre au Gouvernement, au plus tard le 31 mars 2026, la convention de collaboration dont il est question à l'alinéa précédent. Cette convention de collaboration peut porter sur une ou plusieurs années civiles complètes. Elle comprend notamment les éléments suivants :
1° l'identité de l'établissement qui assume la charge administrative et financière et le nom des établissements qui sont parties à la convention ;
2° les missions qui sont confiées aux différents établissements dans le cadre de l'utilisation de cette subvention ;
3° les modalités et choix de dépenses de cette subvention.
§ 5. Cette subvention peut être utilisée pour couvrir des frais de personnel ou pour recourir à des prestations de service. Les établissements tiennent à disposition des Commissaires et Délégués du Gouvernement les pièces justificatives liées à ces dépenses.
TITEL 5. - Bepaling betreffende de ondersteuning van begeleidingsinitiatieven en initiatieven voor de promotie van knelpuntberoepen
TITRE 5. - Disposition concernant le soutien à des initiatives d'orientation et de promotion des métiers en pénurie
Art. 47. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt een subsidie van 165.000 euro toegekend aan de academische polen bedoeld in artikel 62, 1°, 2°, 4° en 5° van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies. Het bedrag van de subsidie wordt gelijk verdeeld tussen de polen.
Deze subsidie dekt de aanwerving door de polen van deskundige adviseurs voor het hoger onderwijs om de strategische ontwikkeling van de STEM-studierichtingen te ondersteunen en bij te dragen tot het promoten van knelpuntberoepen.
De polen houden de bewijsstukken met betrekking tot deze uitgaven ter beschikking van de Algemene Directie Hoger Onderwijs, Levenslang Leren en Onderzoek.
Deze subsidie dekt de aanwerving door de polen van deskundige adviseurs voor het hoger onderwijs om de strategische ontwikkeling van de STEM-studierichtingen te ondersteunen en bij te dragen tot het promoten van knelpuntberoepen.
De polen houden de bewijsstukken met betrekking tot deze uitgaven ter beschikking van de Algemene Directie Hoger Onderwijs, Levenslang Leren en Onderzoek.
Art. 47. Pour l'année budgétaire 2026, une subvention d'un montant de 165.000 euros est octroyée aux pôles académiques visés à l'article 62, 1°, 2°, 4° et 5° du décret du 7 novembre 2013 définissant le paysage de l'enseignement supérieur et l'organisation académique des études. Le montant de la subvention est réparti à part égale entre les pôles.
Cette subvention couvre l'engagement, par les pôles, de conseillers experts de l'enseignement supérieur, chargés de soutenir le développement stratégique des filières STEM et de contribuer à la promotion des métiers en pénurie.
Les pôles tiennent à disposition de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la Vie et de la Recherche les pièces justificatives liées à ces dépenses.
Cette subvention couvre l'engagement, par les pôles, de conseillers experts de l'enseignement supérieur, chargés de soutenir le développement stratégique des filières STEM et de contribuer à la promotion des métiers en pénurie.
Les pôles tiennent à disposition de la Direction générale de l'Enseignement supérieur, de l'Enseignement tout au long de la Vie et de la Recherche les pièces justificatives liées à ces dépenses.
Deel III. - Bepaling betreffende de universitaire ziekenhuizen
Partie III. - Disposition relative aux hôpitaux universitaires
Art. 48. In het programmadecreet van 19 december 2002 houdende verschillende maatregelen betreffende de begrotingsfondsen, het "Fonds Ecureuil" van de Franse Gemeenschap, de euro, de universitaire instellingen, het "Centre hospitalier universitaire de Liège", de psycho-medisch-sociale centra, de diensten voor de gezondheidspromotie op school, het onderwijs en het "Centre technique horticole de Gembloux" wordt artikel 10 opgeheven.
Art. 48. Dans le décret-programme du 19 décembre 2002 portant diverses mesures concernant les fonds budgétaires, le Fonds Ecureuil de la Communauté française, l'euro, les institutions universitaires, le Centre hospitalier universitaire de Liège, les centres psycho-médico-sociaux, les services de promotion de la santé à l'école, l'enseignement et le Centre technique horticole de Gembloux, l'article 10 est abrogé.
Deel IV. - Bepalingen betreffende de schoolgebouwen
Partie IV. - Dispositions relatives aux bâtiments scolaires
TITEL 1. - Bepalingen betreffende de klassieke fondsen voor schoolgebouwen
TITRE 1er. - Dispositions relatives aux fonds classiques des bâtiments scolaires
Art. 49. In het decreet van 5 februari 1990 betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt artikel 6bis, § 6, aangevuld met het volgende lid:
"In afwijking van het eerste lid wordt de dotatie voor 2026 vastgesteld op 60.647.000 euro.".
"In afwijking van het eerste lid wordt de dotatie voor 2026 vastgesteld op 60.647.000 euro.".
Art. 49. Dans le décret du 5 février 1990 relatif aux bâtiments scolaires de l'enseignement non universitaire organisé ou subventionné par la Communauté Française, l'article 6bis, § 6 est complété par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la dotation 2026 est fixée au montant de 60.647.000 eur. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la dotation 2026 est fixée au montant de 60.647.000 eur. ".
Art. 50. In hetzelfde decreet wordt artikel 8/2, § 5, aangevuld met het volgende lid:
"In afwijking van het eerste lid wordt de dotatie voor 2026 vastgesteld op 50.313.000 euro.".
"In afwijking van het eerste lid wordt de dotatie voor 2026 vastgesteld op 50.313.000 euro.".
Art. 50. Dans le même décret, l'article 8/2, § 5 est complété par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la dotation 2026 est fixée au montant de 50.313.000 eur. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la dotation 2026 est fixée au montant de 50.313.000 eur. ".
Art. 51. In hetzelfde decreet wordt artikel 8/3, § 3, aangevuld met het volgende lid:
"In afwijking van het eerste lid wordt de dotatie voor 2026 vastgesteld op 57.263.000 euro.".
"In afwijking van het eerste lid wordt de dotatie voor 2026 vastgesteld op 57.263.000 euro.".
Art. 51. Dans le même décret, l'article 8/3, § 3, est complété par l'alinéa suivant :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la dotation 2026 est fixée au montant de 57.263.000 eur. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la dotation 2026 est fixée au montant de 57.263.000 eur. ".
TITEL 2. - Bepaling betreffende het Garantiefonds voor schoolgebouwen
TITRE 2. - Disposition relative au Fonds de garantie des bâtiments scolaires
Art. 52. In het decreet van 5 februari 1990 betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, in artikel 9, § 4, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° 2° wordt vervangen door: "2° de toekenning van een rentesubsidie die overeenstemt met een rentevoet van 1,25% voor dezelfde leningen. Als de te betalen rentevoet lager is dan 1,25%, is deze rentesubsidie gelijk aan deze rentevoet. De subsidie wordt rechtstreeks aan de financiële instelling betaald;"
2° een 2bis° wordt ingevoegd, luidend als volgt: "2bis° in het kader van het saldo van de investering bedoeld in artikel 20 van het decreet van 30 september 2021 betreffende het investeringsplan voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht en in het kader van de toepassing van het aanvullende deel bedoeld in artikel 12 van het decreet van 27 april 2023 betreffende het uitzonderlijke investeringsplan voor schoolgebouwen, is de toekenning voor dezelfde leningen van een rentesubsidie gelijk aan het verschil tussen 1,25 pct. en de rentevoet die voor de leningen moet worden betaald, zonder dat deze rentevoet hoger mag zijn dan de normale kapitaalmarktrente, zoals toegepast door de openbare kredietinstellingen voor soortgelijke verrichtingen. De subsidie wordt rechtstreeks aan de financiële instelling betaald."
1° 2° wordt vervangen door: "2° de toekenning van een rentesubsidie die overeenstemt met een rentevoet van 1,25% voor dezelfde leningen. Als de te betalen rentevoet lager is dan 1,25%, is deze rentesubsidie gelijk aan deze rentevoet. De subsidie wordt rechtstreeks aan de financiële instelling betaald;"
2° een 2bis° wordt ingevoegd, luidend als volgt: "2bis° in het kader van het saldo van de investering bedoeld in artikel 20 van het decreet van 30 september 2021 betreffende het investeringsplan voor schoolgebouwen in het kader van het Europees plan voor herstel en veerkracht en in het kader van de toepassing van het aanvullende deel bedoeld in artikel 12 van het decreet van 27 april 2023 betreffende het uitzonderlijke investeringsplan voor schoolgebouwen, is de toekenning voor dezelfde leningen van een rentesubsidie gelijk aan het verschil tussen 1,25 pct. en de rentevoet die voor de leningen moet worden betaald, zonder dat deze rentevoet hoger mag zijn dan de normale kapitaalmarktrente, zoals toegepast door de openbare kredietinstellingen voor soortgelijke verrichtingen. De subsidie wordt rechtstreeks aan de financiële instelling betaald."
Art. 52. Dans le décret du 5 février 1990 relatif aux bâtiments scolaires de l'enseignement non universitaire organisé ou subventionné par la Communauté Française, à l'article 9, § 4, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 2° est remplacé par : " 2° l'octroi pour les mêmes prêts d'une subvention en intérêt correspondant au taux d'intérêt de 1,25%. Si le taux d'intérêt à payer est inférieur à 1,25%, cette subvention en intérêt égale ce taux. La subvention est payée directement à l'organisme financier " ;
2° il est inséré un 2bis° rédigé comme suit : " 2bis° dans le cadre du solde de l'investissement visé à l'article 20 du décret du 30 septembre 2021 relatif au plan d'investissement dans les bâtiments scolaires établi dans le cadre du plan de relance de reprise et résilience européen et dans le cadre de l'application de la part complémentaire visée à l'article 12 du décret du 27 avril 2023 relatif au plan d'investissement exceptionnel dans les bâtiments scolaires, l'octroi pour les mêmes prêts d'une subvention en intérêt égale à la différence entre 1,25 p.c. et le taux d'intérêt à payer pour les emprunts, sans que ce taux puisse dépasser le taux normal du marché des capitaux tel qu'il est appliqué par les organismes de crédit public pour des opérations similaires. La subvention est payée directement à l'organisme financier ".
1° le 2° est remplacé par : " 2° l'octroi pour les mêmes prêts d'une subvention en intérêt correspondant au taux d'intérêt de 1,25%. Si le taux d'intérêt à payer est inférieur à 1,25%, cette subvention en intérêt égale ce taux. La subvention est payée directement à l'organisme financier " ;
2° il est inséré un 2bis° rédigé comme suit : " 2bis° dans le cadre du solde de l'investissement visé à l'article 20 du décret du 30 septembre 2021 relatif au plan d'investissement dans les bâtiments scolaires établi dans le cadre du plan de relance de reprise et résilience européen et dans le cadre de l'application de la part complémentaire visée à l'article 12 du décret du 27 avril 2023 relatif au plan d'investissement exceptionnel dans les bâtiments scolaires, l'octroi pour les mêmes prêts d'une subvention en intérêt égale à la différence entre 1,25 p.c. et le taux d'intérêt à payer pour les emprunts, sans que ce taux puisse dépasser le taux normal du marché des capitaux tel qu'il est appliqué par les organismes de crédit public pour des opérations similaires. La subvention est payée directement à l'organisme financier ".
TITEL 3. - Bepalingen betreffende de hervorming van schoolgebouwen
TITRE 3. - Dispositions relatives à la réforme des bâtiments scolaires
Art. 53. In het decreet van 5 februari 1990 betreffende de schoolgebouwen van het niet-universitair onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, in artikel 8/24, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "twee keer per jaar" vervangen door de woorden "elk jaar";
2° in § 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt: "Deze lijst van dossiers houdt rekening met alle dossiers die ingediend en volledig zijn in de fase bedoeld in artikel 8/21, § 1, 1°, a, op 30 juni van elk jaar.";
3° in § 1 wordt een derde lid toegevoegd, luidend als volgt: "In afwijking van het vorige lid, voor 2026, is de uiterste datum voor het indienen van volledige dossiers 30 september 2026.";
4° § 2 wordt vervangen als volgt " § 2. De lijst van in aanmerking komende en prioritair gerangschikte dossiers wordt voorgelegd aan de Regering, die uiterlijk drie maanden na de datum waarop de in § 1, eerste lid, bedoelde lijst van in aanmerking komende dossiers is besloten, de rangorde van de dossiers bepaalt en prioriteit toekent aan de gunstig gerangschikte dossiers";
5° § 3 wordt geschrapt;
6° in § 4 worden de woorden "Bij de vaststelling van elke rangschikking wordt een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt," vervangen door de woorden "Een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt, wordt".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "twee keer per jaar" vervangen door de woorden "elk jaar";
2° in § 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt: "Deze lijst van dossiers houdt rekening met alle dossiers die ingediend en volledig zijn in de fase bedoeld in artikel 8/21, § 1, 1°, a, op 30 juni van elk jaar.";
3° in § 1 wordt een derde lid toegevoegd, luidend als volgt: "In afwijking van het vorige lid, voor 2026, is de uiterste datum voor het indienen van volledige dossiers 30 september 2026.";
4° § 2 wordt vervangen als volgt " § 2. De lijst van in aanmerking komende en prioritair gerangschikte dossiers wordt voorgelegd aan de Regering, die uiterlijk drie maanden na de datum waarop de in § 1, eerste lid, bedoelde lijst van in aanmerking komende dossiers is besloten, de rangorde van de dossiers bepaalt en prioriteit toekent aan de gunstig gerangschikte dossiers";
5° § 3 wordt geschrapt;
6° in § 4 worden de woorden "Bij de vaststelling van elke rangschikking wordt een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt," vervangen door de woorden "Een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt, wordt".
Art. 53. Dans le décret du 5 février 1990 relatif aux bâtiments scolaires de l'enseignement non universitaire organisé ou subventionné par la Communauté Française, à l'article 8/24, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " deux fois par an " sont remplacés par les mots " chaque année " ;
2° au § 1er, l'alinéa 2 est remplacé comme suit : " Cette liste de dossiers tient compte de tous les dossiers soumis et complets au stade de l'étape visée à l'article 8/21, § 1er, 1°, a, au 30 juin de chaque année. " ;
3° au § 1er, il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit : " Par dérogation à l'alinéa précédent, pour 2026, la date limite pour soumettre les dossiers complets est le 30 septembre 2026. " ;
4° le § 2 est remplacé comme suit : " § 2. La liste de dossiers éligibles et priorisés est soumise au Gouvernement qui fixe le classement des dossiers et octroie un accord de priorité aux dossiers classés en ordre utile au plus tard trois mois après la date d'arrêt de la liste de dossiers considérés visée au § 1er alinéa 1 " ;
5° le § 3 est supprimé ;
6° dans le § 4, les mots " Lors de la fixation de chaque classement, un montant " sont remplacés par les mots " Un montant ".
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " deux fois par an " sont remplacés par les mots " chaque année " ;
2° au § 1er, l'alinéa 2 est remplacé comme suit : " Cette liste de dossiers tient compte de tous les dossiers soumis et complets au stade de l'étape visée à l'article 8/21, § 1er, 1°, a, au 30 juin de chaque année. " ;
3° au § 1er, il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit : " Par dérogation à l'alinéa précédent, pour 2026, la date limite pour soumettre les dossiers complets est le 30 septembre 2026. " ;
4° le § 2 est remplacé comme suit : " § 2. La liste de dossiers éligibles et priorisés est soumise au Gouvernement qui fixe le classement des dossiers et octroie un accord de priorité aux dossiers classés en ordre utile au plus tard trois mois après la date d'arrêt de la liste de dossiers considérés visée au § 1er alinéa 1 " ;
5° le § 3 est supprimé ;
6° dans le § 4, les mots " Lors de la fixation de chaque classement, un montant " sont remplacés par les mots " Un montant ".
Art. 54. In hetzelfde decreet, in artikel 8/34, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "twee keer per jaar" vervangen door de woorden "elk jaar";
2° in § 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt: "Deze lijst van dossiers houdt rekening met alle dossiers die ingediend en volledig zijn in de fase bedoeld in artikel 8/30, § 1, 1°, a, op 30 juni van elk jaar.";
3° in § 1 wordt een derde lid toegevoegd, luidend als volgt: "In afwijking van het vorige lid, voor 2026, is de uiterste datum voor het indienen van volledige dossiers 30 september 2026.";
4° § 2 wordt vervangen als volgt: "De lijst van in aanmerking komende en prioritair gerangschikte dossiers wordt voorgelegd aan de Regering, die uiterlijk drie maanden na de datum waarop de in § 1, eerste lid, bedoelde lijst van in aanmerking komende dossiers is besloten, de rangorde van de dossiers bepaalt en prioriteit toekent aan de gunstig gerangschikte dossiers.";
5° § 3 wordt geschrapt;
6° in § 4 worden de woorden "Bij de vaststelling van elke rangschikking wordt een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt," vervangen door de woorden "Een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt, wordt".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "twee keer per jaar" vervangen door de woorden "elk jaar";
2° in § 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt: "Deze lijst van dossiers houdt rekening met alle dossiers die ingediend en volledig zijn in de fase bedoeld in artikel 8/30, § 1, 1°, a, op 30 juni van elk jaar.";
3° in § 1 wordt een derde lid toegevoegd, luidend als volgt: "In afwijking van het vorige lid, voor 2026, is de uiterste datum voor het indienen van volledige dossiers 30 september 2026.";
4° § 2 wordt vervangen als volgt: "De lijst van in aanmerking komende en prioritair gerangschikte dossiers wordt voorgelegd aan de Regering, die uiterlijk drie maanden na de datum waarop de in § 1, eerste lid, bedoelde lijst van in aanmerking komende dossiers is besloten, de rangorde van de dossiers bepaalt en prioriteit toekent aan de gunstig gerangschikte dossiers.";
5° § 3 wordt geschrapt;
6° in § 4 worden de woorden "Bij de vaststelling van elke rangschikking wordt een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt," vervangen door de woorden "Een bedrag gelijk aan 10% van het budget dat voor die rangschikking wordt gebruikt, wordt".
Art. 54. Dans le même décret, à l'article 8/34, les modifications suivantes sont apportées :
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " deux fois par an " sont remplacés par les mots " chaque année " ;
2° au § 1er, l'alinéa 2 est remplacé comme suit : " Cette liste de dossiers tient compte de tous les dossiers soumis et complets au stade de l'étape visée à l'article 8/30, § 1er, 1°, a, au 30 juin de chaque année. " ;
3° au § 1er, il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit : " Par dérogation à l'alinéa précédent, pour 2026, la date limite pour soumettre les dossiers complets est le 30 septembre 2026. " ;
4° le § 2 est remplacé comme suit : " La liste de dossiers éligibles et priorisés est soumise au Gouvernement qui fixe le classement des dossiers et octroie un accord de priorité aux dossiers classés en ordre utile au plus tard trois mois après la date d'arrêt de la liste de dossiers considérés visée au § 1er alinéa 1. " ;
5° le § 3 est supprimé ;
6° dans le § 4, les mots " Lors de la fixation de chaque classement, un montant " sont remplacés par les mots " Un montant ".
1° au § 1er, alinéa 1er, les mots " deux fois par an " sont remplacés par les mots " chaque année " ;
2° au § 1er, l'alinéa 2 est remplacé comme suit : " Cette liste de dossiers tient compte de tous les dossiers soumis et complets au stade de l'étape visée à l'article 8/30, § 1er, 1°, a, au 30 juin de chaque année. " ;
3° au § 1er, il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit : " Par dérogation à l'alinéa précédent, pour 2026, la date limite pour soumettre les dossiers complets est le 30 septembre 2026. " ;
4° le § 2 est remplacé comme suit : " La liste de dossiers éligibles et priorisés est soumise au Gouvernement qui fixe le classement des dossiers et octroie un accord de priorité aux dossiers classés en ordre utile au plus tard trois mois après la date d'arrêt de la liste de dossiers considérés visée au § 1er alinéa 1. " ;
5° le § 3 est supprimé ;
6° dans le § 4, les mots " Lors de la fixation de chaque classement, un montant " sont remplacés par les mots " Un montant ".
Art. 55. In het decreet van 16 mei 2024 betreffende de financiering van schoolgebouwen, in artikel 56, worden de woorden "31 december 2025, tenzij de Regering een datum van inwerkingtreding vóór 31 december 2025 vaststelt" vervangen door de woorden "30 juni 2026, tenzij de Regering een datum van inwerkingtreding vóór 30 juni 2026 vaststelt".
Art. 55. Dans le décret du 16 mai 2024 relatif au financement des bâtiments scolaires, à l'article 56, les mots " 31 décembre 2025 à moins que le Gouvernement ne fixe une date d'entrée en vigueur antérieure au 31 décembre 2025 " sont remplacés par les mots " 30 juin 2026 à moins que le Gouvernement ne fixe une date d'entrée en vigueur antérieure au 30 juin 2026 ".
Deel V. - Bepalingen betreffende het wetenschappelijk onderzoek
Partie V. - Dispositions relatives à la recherche scientifique
TITEL 1. - Wijzigingen van het decreet van 4 april 2024 inzake de financiering van onderzoek in instellingen voor hoger onderwijs
TITRE 1er. - Modifications du décret du 4 avril 2024 relatif au financement de la recherche dans les établissements d'enseignement supérieur
Art. 56. In het opschrift van het decreet van 4 april 2024 inzake de financiering van onderzoek in instellingen voor hoger onderwijs worden de woorden "in instellingen voor hoger onderwijs" geschrapt.
Art. 56. Dans l'intitulé du décret du 4 avril 2024 relatif au financement de la recherche dans les établissements d'enseignement supérieur, les mots " dans les établissements d'enseignement supérieur " sont supprimés.
Art. 57. De opsomming van artikel 1 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een 25°, luidend als volgt:
"25° Académie royale: de Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, waarvan het ondernemingsnummer 0266.385.754 is".
"25° Académie royale: de Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, waarvan het ondernemingsnummer 0266.385.754 is".
Art. 57. L'énumération de l'article 1er, du même décret est complétée par un 25° rédigé comme suit :
" 25° Académie royale : l'Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, dont le numéro d'entreprise est 0266.385.754 ".
" 25° Académie royale : l'Académie royale des Sciences, des Lettres et des Beaux-Arts de Belgique, dont le numéro d'entreprise est 0266.385.754 ".
Art. 58. Het opschrift van Titel II van hetzelfde decreet wordt vervangen als volgt:
"Financiering van de instellingen voor hoger onderwijs".
"Financiering van de instellingen voor hoger onderwijs".
Art. 58. L'intitulé du Titre II du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Du financement des établissements d'enseignement supérieur ".
" Du financement des établissements d'enseignement supérieur ".
Art. 59. In hetzelfde decreet, in artikel 24, tweede lid, worden de woorden "Het aldus verkregen bedrag wordt voor 2025 verminderd met 1.500.000 euro." vervangen door de woorden "Het aldus verkregen bedrag wordt in 2025 en 2026 verminderd met 1.500.000 euro.".
Art. 59. Dans le même décret, à l'article 24, alinéa 2, les mots " " Le montant ainsi obtenu est réduit de 1.500.000 euros pour l'année 2025. " sont remplacés par les mots " Le montant ainsi obtenu est réduit de 1.500.000 euros en 2025 et 2026 ".
Art. 60. In hetzelfde decreet wordt tussen artikelen 73 en 74 een Titel IIbis ingevoegd met als titel "Subsidiëring van de Académie royale".
Art. 60. Dans le même décret, entre les articles 73 et 74, est inséré un Titre IIbis intitulé " Du subventionnement de l'Académie royale ".
Art. 61. In titel IIbis van hetzelfde decreet, ingevoegd door artikel 66 van dit decreet, wordt artikel 73/1 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 73/1. - Binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten kent de Regering de Académie royale een jaarlijkse subsidie toe om:
1° onderzoekswerk te bevorderen, beheren en produceren en wetenschappelijke en artistieke inspanningen die haar materiële of morele steun nodig hebben, aan te moedigen;
2° het werk van haar leden en van andere prominenten te publiceren, prijzen en subsidies uit te reiken;
3° te zorgen voor het financieel en administratief beheer, alsook de selectie van de wetenschappelijke leden van de Ecole française d'Athènes die onder de verantwoordelijkheid van de Franse Gemeenschap vallen;
4° het Collège Belgique te coördineren, dat als missie heeft burgers de middelen en kennis te verschaffen die essentieel zijn om de complexe wereld waarin zij leven te begrijpen, om zo bij te dragen tot de opleiding en ontwikkeling van vrije vrouwen en mannen, die zich voortdurend inzetten voor intelligentie en de vooruitgang van de menselijke geest.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de liquidatie van de subsidie.".
"Art. 73/1. - Binnen de grenzen van de beschikbare begrotingskredieten kent de Regering de Académie royale een jaarlijkse subsidie toe om:
1° onderzoekswerk te bevorderen, beheren en produceren en wetenschappelijke en artistieke inspanningen die haar materiële of morele steun nodig hebben, aan te moedigen;
2° het werk van haar leden en van andere prominenten te publiceren, prijzen en subsidies uit te reiken;
3° te zorgen voor het financieel en administratief beheer, alsook de selectie van de wetenschappelijke leden van de Ecole française d'Athènes die onder de verantwoordelijkheid van de Franse Gemeenschap vallen;
4° het Collège Belgique te coördineren, dat als missie heeft burgers de middelen en kennis te verschaffen die essentieel zijn om de complexe wereld waarin zij leven te begrijpen, om zo bij te dragen tot de opleiding en ontwikkeling van vrije vrouwen en mannen, die zich voortdurend inzetten voor intelligentie en de vooruitgang van de menselijke geest.
De Regering bepaalt de modaliteiten voor de liquidatie van de subsidie.".
Art. 61. Dans le titre IIbis du même décret, inséré par l'article 66 du présent décret, il est inséré l'article 73/1 rédigé comme suit :
" Art. 73/1. - Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement accorde à l'Académie royale une subvention annuelle destinée à :
1° promouvoir, gérer et produire des travaux de recherche ainsi qu'encourager les entreprises scientifiques et artistiques qui réclament son concours matériel ou moral ;
2° publier les travaux de ses membres et ceux d'autres personnalités, décerner des prix et attribuer des subventions ;
3° assurer la gestion financière et administrative ainsi que la sélection des membres scientifiques de l'Ecole française d'Athènes qui relèvent de la Communauté française ;
4° coordonner le Collège Belgique dont la mission est de mettre à la disposition des citoyens des ressources et des savoirs essentiels à la compréhension du monde complexe dans lequel ils vivent, afin de contribuer à la formation et à la constitution de femmes et d'hommes libres, enclins à faire constamment le pari de l'intelligence et du progrès de l'esprit humain.
Le Gouvernement fixe les modalités de liquidation de la subvention. ".
" Art. 73/1. - Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, le Gouvernement accorde à l'Académie royale une subvention annuelle destinée à :
1° promouvoir, gérer et produire des travaux de recherche ainsi qu'encourager les entreprises scientifiques et artistiques qui réclament son concours matériel ou moral ;
2° publier les travaux de ses membres et ceux d'autres personnalités, décerner des prix et attribuer des subventions ;
3° assurer la gestion financière et administrative ainsi que la sélection des membres scientifiques de l'Ecole française d'Athènes qui relèvent de la Communauté française ;
4° coordonner le Collège Belgique dont la mission est de mettre à la disposition des citoyens des ressources et des savoirs essentiels à la compréhension du monde complexe dans lequel ils vivent, afin de contribuer à la formation et à la constitution de femmes et d'hommes libres, enclins à faire constamment le pari de l'intelligence et du progrès de l'esprit humain.
Le Gouvernement fixe les modalités de liquidation de la subvention. ".
Art. 62. In titel IIbis van hetzelfde decreet, ingevoegd door artikel 66 van dit decreet, wordt artikel 73/2 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 73/2. - De Administratieve Commissie van de Académie royale beslist over de bestemming van de toegekende jaarlijkse subsidie.
In afwijking van het eerste lid wordt een minimaal bedrag van 75.000 euro bestemd voor de aanwezigheid van navorsers aan de Ecole française d'Athènes.".
"Art. 73/2. - De Administratieve Commissie van de Académie royale beslist over de bestemming van de toegekende jaarlijkse subsidie.
In afwijking van het eerste lid wordt een minimaal bedrag van 75.000 euro bestemd voor de aanwezigheid van navorsers aan de Ecole française d'Athènes.".
Art. 62. Dans le titre IIbis du même décret, inséré par l'article 66 du présent décret, il est inséré l'article 73/2 rédigé comme suit :
" Art. 73/2. - La Commission administrative de l'Académie royale décide de l'affectation de la subvention annuelle qui lui est octroyée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un montant minimal de 75.000 euros est affecté à la présence de chercheurs à l'Ecole française d'Athènes. ".
" Art. 73/2. - La Commission administrative de l'Académie royale décide de l'affectation de la subvention annuelle qui lui est octroyée.
Par dérogation à l'alinéa 1er, un montant minimal de 75.000 euros est affecté à la présence de chercheurs à l'Ecole française d'Athènes. ".
Art. 63. In titel IIbis van hetzelfde decreet, ingevoegd door artikel 85 van dit decreet, wordt artikel 73/3 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 73/3. - § 1. Op voordracht van de Minister bevoegd voor Onderzoek stelt de Regering een Regeringscommissaris bij de Académie royale aan.
De Regeringscommissaris controleert of de subsidie wordt gebruikt in overeenstemming met dit decreet en de beslissingen met budgettaire of financiële gevolgen.
§ 2. De regeringscommissaris wordt uitgenodigd voor alle vergaderingen van de Administratieve Commissie en wordt, net als de leden, tijdig op de hoogte gebracht van de agenda en alle bijbehorende documenten.
Hij is gemachtigd om alle documenten en informatie te verkrijgen met betrekking tot het beheer van de Académie royale die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn ambt.
§ 3. Behalve in speciaal gerechtvaardigde spoedgevallen die hij aanvaardt, ontvangt de Regeringscommissaris de volledige agenda en alle documenten met betrekking tot de punten die onder hun bevoegdheid vallen ten minste tien dagen voor de vergadering. Hij heeft het recht om toegang te krijgen tot de dossiers die aan de raden van bestuur zijn voorgelegd om over deze punten te beraadslagen.
De Regeringscommissaris heeft het recht om bij de Minister bevoegd voor Wetenschappelijk Onderzoek in beroep te gaan tegen elke beslissing van de Administratieve Commissie die hij strijdig acht met de wetten, decreten en besluiten of met het algemeen belang.
Het beroep wordt ingesteld binnen vijf kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing aan de Regeringscommissaris.
Het beroep wordt tegelijkertijd ter kennis gebracht van de voorzitter van de Administratieve Commissie.
De tenuitvoerlegging van de beslissing wordt opgeschort door het in het eerste lid bedoelde beroep.
Binnen dertig dagen na de kennisgeving van de instelling van het beroep deelt de administratieve commissie haar opmerkingen over het beroep mee aan de Minister bevoegd voor Wetenschappelijk Onderzoek.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de opmerkingen van de Administratieve Commissie kan de Minister bevoegd voor Wetenschappelijk Onderzoek deze beslissing weerleggen. Hij stelt de Voorzitter van de Administratieve Commissie daarvan in kennis.
In dat geval wordt de Administratieve Commissie tijdens haar volgende vergadering op de hoogte gebracht van de beslissing. Zij moet alternatieve oplossingen voorstellen aan de Minister van Onderzoek voordat een nieuwe beslissing wordt genomen.".
"Art. 73/3. - § 1. Op voordracht van de Minister bevoegd voor Onderzoek stelt de Regering een Regeringscommissaris bij de Académie royale aan.
De Regeringscommissaris controleert of de subsidie wordt gebruikt in overeenstemming met dit decreet en de beslissingen met budgettaire of financiële gevolgen.
§ 2. De regeringscommissaris wordt uitgenodigd voor alle vergaderingen van de Administratieve Commissie en wordt, net als de leden, tijdig op de hoogte gebracht van de agenda en alle bijbehorende documenten.
Hij is gemachtigd om alle documenten en informatie te verkrijgen met betrekking tot het beheer van de Académie royale die hij nodig acht voor de uitoefening van zijn ambt.
§ 3. Behalve in speciaal gerechtvaardigde spoedgevallen die hij aanvaardt, ontvangt de Regeringscommissaris de volledige agenda en alle documenten met betrekking tot de punten die onder hun bevoegdheid vallen ten minste tien dagen voor de vergadering. Hij heeft het recht om toegang te krijgen tot de dossiers die aan de raden van bestuur zijn voorgelegd om over deze punten te beraadslagen.
De Regeringscommissaris heeft het recht om bij de Minister bevoegd voor Wetenschappelijk Onderzoek in beroep te gaan tegen elke beslissing van de Administratieve Commissie die hij strijdig acht met de wetten, decreten en besluiten of met het algemeen belang.
Het beroep wordt ingesteld binnen vijf kalenderdagen na de schriftelijke kennisgeving van de beslissing aan de Regeringscommissaris.
Het beroep wordt tegelijkertijd ter kennis gebracht van de voorzitter van de Administratieve Commissie.
De tenuitvoerlegging van de beslissing wordt opgeschort door het in het eerste lid bedoelde beroep.
Binnen dertig dagen na de kennisgeving van de instelling van het beroep deelt de administratieve commissie haar opmerkingen over het beroep mee aan de Minister bevoegd voor Wetenschappelijk Onderzoek.
Binnen dertig dagen na ontvangst van de opmerkingen van de Administratieve Commissie kan de Minister bevoegd voor Wetenschappelijk Onderzoek deze beslissing weerleggen. Hij stelt de Voorzitter van de Administratieve Commissie daarvan in kennis.
In dat geval wordt de Administratieve Commissie tijdens haar volgende vergadering op de hoogte gebracht van de beslissing. Zij moet alternatieve oplossingen voorstellen aan de Minister van Onderzoek voordat een nieuwe beslissing wordt genomen.".
Art. 63. Dans le titre IIbis du même décret, inséré par l'article 85 du présent décret, il est inséré l'article 73/3 rédigé comme suit :
" Art. 73/3. - § 1er. Le Gouvernement désigne, sur proposition du Ministre qui a la Recherche dans ses attributions, un Commissaire du Gouvernement auprès de l'Académie royale.
Le Commissaire du Gouvernement contrôle l'utilisation conforme de la subvention au présent décret ainsi que les décisions ayant une incidence budgétaire ou financière.
§ 2. Le Commissaire du Gouvernement est invité à toutes les réunions de la Commission administrative et, au même titre que leurs membres, est informé en temps utile de l'ordre du jour et de tous documents y afférents.
Il est autorisé à obtenir tous les documents et informations relatifs à la gestion de l'Académie royale qu'il juge nécessaires à l'accomplissement de son mandat.
§ 3. Sauf les cas d'urgence spécialement motivée qu'il accepte, le Commissaire du Gouvernement reçoit au minimum dix jours avant la réunion, l'ordre du jour complet ainsi que tous les documents relatifs aux points qui relèvent de leur compétence. Il a le droit d'obtenir la communication des dossiers soumis pour ces points aux délibérations des conseils d'administration.
Le Commissaire du Gouvernement exerce un droit de recours auprès du Ministre qui a la Recherche scientifique dans ses attributions contre toute décision de la Commission administrative qu'il estime contraire aux lois, décrets et arrêtés ou à l'intérêt général.
Le recours est exercé dans les cinq jours calendriers qui suivent la notification écrite de la décision au Commissaire du Gouvernement.
Le recours est notifié simultanément au Président de la Commission administrative.
L'exécution de la décision est suspendue par le recours visé à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant la notification de l'introduction du recours, la Commission administrative fait connaître au Ministre qui a la Recherche scientifique dans ses attributions ses observations sur le recours.
Dans les trente jours de la réception des observations de la Commission administrative, le Ministre qui a la Recherche scientifique dans ses attributions peut infirmer cette décision. Il en informe le Président de la Commission administrative.
Dans ce cas, la Commission administrative est informée de la décision au cours de sa prochaine réunion. Elle est tenue de proposer des solutions alternatives au Ministre de la Recherche avant toute nouvelle prise de décision. ".
" Art. 73/3. - § 1er. Le Gouvernement désigne, sur proposition du Ministre qui a la Recherche dans ses attributions, un Commissaire du Gouvernement auprès de l'Académie royale.
Le Commissaire du Gouvernement contrôle l'utilisation conforme de la subvention au présent décret ainsi que les décisions ayant une incidence budgétaire ou financière.
§ 2. Le Commissaire du Gouvernement est invité à toutes les réunions de la Commission administrative et, au même titre que leurs membres, est informé en temps utile de l'ordre du jour et de tous documents y afférents.
Il est autorisé à obtenir tous les documents et informations relatifs à la gestion de l'Académie royale qu'il juge nécessaires à l'accomplissement de son mandat.
§ 3. Sauf les cas d'urgence spécialement motivée qu'il accepte, le Commissaire du Gouvernement reçoit au minimum dix jours avant la réunion, l'ordre du jour complet ainsi que tous les documents relatifs aux points qui relèvent de leur compétence. Il a le droit d'obtenir la communication des dossiers soumis pour ces points aux délibérations des conseils d'administration.
Le Commissaire du Gouvernement exerce un droit de recours auprès du Ministre qui a la Recherche scientifique dans ses attributions contre toute décision de la Commission administrative qu'il estime contraire aux lois, décrets et arrêtés ou à l'intérêt général.
Le recours est exercé dans les cinq jours calendriers qui suivent la notification écrite de la décision au Commissaire du Gouvernement.
Le recours est notifié simultanément au Président de la Commission administrative.
L'exécution de la décision est suspendue par le recours visé à l'alinéa 1er.
Dans les trente jours suivant la notification de l'introduction du recours, la Commission administrative fait connaître au Ministre qui a la Recherche scientifique dans ses attributions ses observations sur le recours.
Dans les trente jours de la réception des observations de la Commission administrative, le Ministre qui a la Recherche scientifique dans ses attributions peut infirmer cette décision. Il en informe le Président de la Commission administrative.
Dans ce cas, la Commission administrative est informée de la décision au cours de sa prochaine réunion. Elle est tenue de proposer des solutions alternatives au Ministre de la Recherche avant toute nouvelle prise de décision. ".
Deel VI. - Bepaling betreffende het niet-indexeren van subsidies in de sector van kind
Partie VI. - Disposition relative à la non-indexation des subsides dans le secteur de l'enfance
Art. 64. § 1. Voor het jaar 2026 worden de subsidies vastgelegd in of krachtens de volgende bepalingen niet geïndexeerd:
1° decreet van 3 juli 2003 betreffende de coördinatie van de opvang van de kinderen tijdens hun vrije tijd en betreffende de ondersteuning van de buitenschoolse opvang, artikelen 37bis, § 1, tweede lid, en 42;
2° decreet van 28 april 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van huiswerkinstituten, artikel 29;
3° decreet van 14 maart 2019 betreffende de bevordering van de gezondheid op scholen en in het hoger onderwijs buiten de universiteiten, artikel 27 § 6.
§ 2. De Regering is belast met de uitvoering van de indexbevriezing voor het jaar 2026 van de subsidies vastgelegd in of krachtens de volgende teksten:
1° decreet van 17 juli 2002 betreffende de "Office de la Naissance et de l'Enfance";
2° decreet van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen;
3° decreet van 21 februari 2019 betreffende de versteviging van de kwaliteit en de toegankelijkheid van de opvang van jonge kinderen in de Franse Gemeenschap;
4° decreet van 17 mei 1999 betreffende de vakantiecentra.
1° decreet van 3 juli 2003 betreffende de coördinatie van de opvang van de kinderen tijdens hun vrije tijd en betreffende de ondersteuning van de buitenschoolse opvang, artikelen 37bis, § 1, tweede lid, en 42;
2° decreet van 28 april 2004 betreffende de erkenning en de subsidiëring van huiswerkinstituten, artikel 29;
3° decreet van 14 maart 2019 betreffende de bevordering van de gezondheid op scholen en in het hoger onderwijs buiten de universiteiten, artikel 27 § 6.
§ 2. De Regering is belast met de uitvoering van de indexbevriezing voor het jaar 2026 van de subsidies vastgelegd in of krachtens de volgende teksten:
1° decreet van 17 juli 2002 betreffende de "Office de la Naissance et de l'Enfance";
2° decreet van 12 mei 2004 betreffende de hulpverlening aan mishandelde kinderen;
3° decreet van 21 februari 2019 betreffende de versteviging van de kwaliteit en de toegankelijkheid van de opvang van jonge kinderen in de Franse Gemeenschap;
4° decreet van 17 mei 1999 betreffende de vakantiecentra.
Art. 64. § 1er. Pour l'année 2026, ne seront pas indexées les subventions prévues par ou en vertu des dispositions suivantes :
1° décret du 3 juillet 2003 relatif à la coordination de l'accueil des enfants durant leur temps libre et au soutien de l'accueil extrascolaire, articles 37bis § 1 al.2 et 42 ;
2° décret du 28 avril 2004 relatif à la reconnaissance et au soutien des écoles de devoirs, article 29 ;
3° décret du 14 mars 2019 relatif à la promotion de la santé à l'école et dans l'enseignement supérieur hors universités, article 27, § 6.
§ 2. Le Gouvernement est chargé de mettre en oeuvre pour l'année 2026 le gel de l'indexation des subventions prévues par ou vertu des textes suivants :
1° décret du 17 juillet 2002 relatif à l'Office de la Naissance et de l'Enfance ;
2° décret du 12 mai 2004 relatif à l'aide aux enfants victimes de maltraitance ;
3° décret du 21 février 2019 visant à renforcer la qualité et l'accessibilité de l'accueil de la petite enfance en Communauté française ;
4° décret du 17 mai 1999 relatif aux centres de vacances.
1° décret du 3 juillet 2003 relatif à la coordination de l'accueil des enfants durant leur temps libre et au soutien de l'accueil extrascolaire, articles 37bis § 1 al.2 et 42 ;
2° décret du 28 avril 2004 relatif à la reconnaissance et au soutien des écoles de devoirs, article 29 ;
3° décret du 14 mars 2019 relatif à la promotion de la santé à l'école et dans l'enseignement supérieur hors universités, article 27, § 6.
§ 2. Le Gouvernement est chargé de mettre en oeuvre pour l'année 2026 le gel de l'indexation des subventions prévues par ou vertu des textes suivants :
1° décret du 17 juillet 2002 relatif à l'Office de la Naissance et de l'Enfance ;
2° décret du 12 mai 2004 relatif à l'aide aux enfants victimes de maltraitance ;
3° décret du 21 février 2019 visant à renforcer la qualité et l'accessibilité de l'accueil de la petite enfance en Communauté française ;
4° décret du 17 mai 1999 relatif aux centres de vacances.
Deel VII. - Bepaling betreffende de justitiehuizen inzake het Wetboek van 5 oktober 2023 voor gemeenschapsjustitie
Partie VII. - Disposition relative aux maisons de justice portant sur le Code du 5 octobre 2023 de la justice communautaire
Art. 65. In artikel VIII.13 van het Wetboek van 5 oktober 2023 voor gemeenschapsjustitie wordt het cijfer "330.000" vervangen door het cijfer "280.000".
Art. 65. A l'article VIII.13 du Code du 5 octobre 2023 de la justice communautaire, le chiffre " 330.000 " est remplacé par le chiffre " 280.000 ".
Deel VIII. - Bepalingen tot instelling van een tijdelijk moratorium in de jeugdsector
Partie VIII. - Dispositions visant à instaurer un moratoire temporaire dans le secteur jeunesse
Art. 66. Voor dossiers ingediend in 2026, op basis van het decreet van 26 maart 2009 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van de jeugdorganisaties, zal de Regering geen nieuwe erkenningen of aanvragen om een klas over te slaan, voor indexwijzigingen of bijzondere regelingen in behandeling nemen.
Alleen dossiers met betrekking tot verlengingen worden door de administratiediensten onderzocht in het kader van het eerste lid.
Alleen dossiers met betrekking tot verlengingen worden door de administratiediensten onderzocht in het kader van het eerste lid.
Art. 66. Pour les dossiers introduits en 2026, sur la base du décret du 26 mars 2009 fixant les conditions d'agrément et d'octroi de subventions aux organisations de jeunesse, le Gouvernement ne procède à aucun nouvel agrément ou demande de sauts de classe, de changement d'indice et de dispositifs particuliers.
Seuls les dossiers relatifs aux renouvellements sont instruits par les Services de l'administration dans le cadre de l'alinéa 1er.
Seuls les dossiers relatifs aux renouvellements sont instruits par les Services de l'administration dans le cadre de l'alinéa 1er.
Art. 67. Voor dossiers ingediend in 2026, op basis van het decreet van 20 juli 2000 tot bepaling van de voorwaarden voor de erkenning en de subsidiëring van jeugdhuizen, van ontmoetings- en huisvestingscentra, van informatiecentra voor jongeren en van hun federaties, verleent de Regering geen nieuwe erkenningen, geen aanvragen voor indeling in een hoofdregeling en geen aanvragen voor bijzondere regelingen.
Alleen dossiers met betrekking tot verlengingen worden door de administratiediensten onderzocht in het kader van het eerste lid.
Alleen dossiers met betrekking tot verlengingen worden door de administratiediensten onderzocht in het kader van het eerste lid.
Art. 67. Pour les dossiers introduits en 2026, sur la base du décret du 20 juillet 2000 déterminant les conditions d'agrément et de subventionnement des maisons de jeunes, centres de rencontres et d'hébergement et centres d'informations des jeunes et de leurs fédérations, le Gouvernement n'octroie aucun nouvel agrément, aucune demande de classement dans un dispositif principal et aucune demande de dispositif particulier.
Seuls les dossiers relatifs aux renouvellements sont instruits par les Services de l'administration dans le cadre de l'alinéa 1er.
Seuls les dossiers relatifs aux renouvellements sont instruits par les Services de l'administration dans le cadre de l'alinéa 1er.
Deel IX. - Bepalingen betreffende cultuur
Partie IX. - Dispositions relatives à la culture
TITEL 1. - Bepaling tot wijziging van het begrotingstraject van het PECA
TITRE 1er. - Disposition modifiant la trajectoire budgétaire du PECA
Art. 68. In het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs, in artikel 1.4.5-22, paragraaf 3, eerste lid, wordt punt 5° vervangen door de volgende punt:
"5° tijdens het boekjaar 2026: 5.759.886 €;".
"5° tijdens het boekjaar 2026: 5.759.886 €;".
Art. 68. Dans le Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, à l'article 1.4.5-22, au paragraphe 3, alinéa 1er, le point 5° est remplacé par le point suivant :
" 5° au cours de l'exercice 2026: 5.759.886 €; ".
" 5° au cours de l'exercice 2026: 5.759.886 €; ".
TITEL 2. - Bepalingen betreffende het niet indexeren van subsidies
TITRE 2. - Dispositions relatives à la non-indexation des subventions
Art. 69. Voor het jaar 2026 worden de meerjarige subsidies vastgelegd in of krachtens de volgende bepalingen niet geïndexeerd:
1° decreet van 21 november 2013 betreffende de culturele centra, artikel 65, artikel 66, derde lid, artikel 68, derde lid, artikel 69, derde lid, artikel 70, vierde lid, artikel 71, tweede lid, artikel 75 en artikel 78;
2° decreet van 30 april 2009 betreffende de omkadering en de subsidiëring van de federaties voor amateuristische kunstbeoefening, van de Federaties die Centra voor expressie en creativiteit vertegenwoordigen en van de centra voor expressie en creativiteit, artikel 37;
3° decreet van 17 juli 2003 betreffende de ontwikkeling van de actie inzake permanente opvoeding in het kader van het verenigingsleven, art. 13, eerste lid;
4° decreet van 25 mei 2023 betreffende de bewaring en de waardering van archieven van erfgoedbelang, artikel 9, § 2, vierde lid, artikel 11, tweede lid, en artikel 34, § 2, derde lid;
5° decreet van 30 april 2009 betreffende de ontwikkeling van leespraktijken en de organisatie van het Netwerk voor openbare lectuurvoorziening, artikel 20, eerste lid;
6° decreet van 28 maart 2019 over het nieuwe culturele bestuur, artikelen 13 en 94, § 2;
7° kaderdecreet van 10 april 2003 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten, artikelen 35/1, eerste lid, 56, 61/2, 61/9 en 66;
8° decreet van 26 mei 2011 tot inrichting van de Seniorencommissie van de Franse Gemeenschap, artikel 7, eerste lid;
9° decreet van 25 april 2019 betreffende de museumsector in de Franse Gemeenschap, artikel 4, tweede lid;
10° decreet van 7 september 2023 betreffende de vrijwaring van het immaterieel cultureel erfgoed, artikel 15, § 1, tweede lid.
1° decreet van 21 november 2013 betreffende de culturele centra, artikel 65, artikel 66, derde lid, artikel 68, derde lid, artikel 69, derde lid, artikel 70, vierde lid, artikel 71, tweede lid, artikel 75 en artikel 78;
2° decreet van 30 april 2009 betreffende de omkadering en de subsidiëring van de federaties voor amateuristische kunstbeoefening, van de Federaties die Centra voor expressie en creativiteit vertegenwoordigen en van de centra voor expressie en creativiteit, artikel 37;
3° decreet van 17 juli 2003 betreffende de ontwikkeling van de actie inzake permanente opvoeding in het kader van het verenigingsleven, art. 13, eerste lid;
4° decreet van 25 mei 2023 betreffende de bewaring en de waardering van archieven van erfgoedbelang, artikel 9, § 2, vierde lid, artikel 11, tweede lid, en artikel 34, § 2, derde lid;
5° decreet van 30 april 2009 betreffende de ontwikkeling van leespraktijken en de organisatie van het Netwerk voor openbare lectuurvoorziening, artikel 20, eerste lid;
6° decreet van 28 maart 2019 over het nieuwe culturele bestuur, artikelen 13 en 94, § 2;
7° kaderdecreet van 10 april 2003 betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten, artikelen 35/1, eerste lid, 56, 61/2, 61/9 en 66;
8° decreet van 26 mei 2011 tot inrichting van de Seniorencommissie van de Franse Gemeenschap, artikel 7, eerste lid;
9° decreet van 25 april 2019 betreffende de museumsector in de Franse Gemeenschap, artikel 4, tweede lid;
10° decreet van 7 september 2023 betreffende de vrijwaring van het immaterieel cultureel erfgoed, artikel 15, § 1, tweede lid.
Art. 69. Pour l'année 2026, ne seront pas indexées les subventions pluriannuelles prévues par ou en vertu des dispositions suivantes :
1° décret du 21 novembre 2013 relatif aux centres culturels, article 65, article 66, alinéa 3, article 68, alinéa 3, article 69, alinéa 3, article 70, alinéa 4, article 71, alinéa 2, article 75 et article 78 ;
2° décret du 30 avril 2009 relatif à l'encadrement et au subventionnement des fédérations de pratiques artistiques en amateur, des Fédérations représentatives de Centres d'expression et de créativité et des centres d'expression et de créativité, article 37 ;
3° décret du 17 juillet 2003 relatif au développement de l'action d'éducation permanente dans le champ de la vie associative, art 13, alinéa 1er ;
4° décret du 25 mai 2023 relatif à la conservation et à la valorisation des archives d'intérêt patrimonial, article 9, § 2, alinéa 4, article 11, alinéa 2, et article 34, § 2, alinéa 3 ;
5° décret du 30 avril 2009 relatif au développement des pratiques de lecture et à l'organisation du Réseau de la Lecture publique, article 20, alinéa 1er ;
6° décret du 28 mars 2019 sur la nouvelle gouvernance culturelle, articles 13 et 94, § 2 ;
7° décret-cadre du 10 avril 2003 relatif à la reconnaissance et au subventionnement du secteur professionnel des Arts de la scène, articles 35/1, alinéa 1er, 56, 61/2, 61/9 et 66 ;
8° décret du 26 mai 2011 instaurant la Commission des Seniors de la Communauté française, article 7, alinéa 1er ;
9° décret du 25 avril 2019 relatif au secteur muséal en Communauté française, article 4, alinéa 2 ;
10° décret du 7 septembre 2023 relatif à la sauvegarde du patrimoine culturel immatériel, article 15, § 1er, alinéa 2.
1° décret du 21 novembre 2013 relatif aux centres culturels, article 65, article 66, alinéa 3, article 68, alinéa 3, article 69, alinéa 3, article 70, alinéa 4, article 71, alinéa 2, article 75 et article 78 ;
2° décret du 30 avril 2009 relatif à l'encadrement et au subventionnement des fédérations de pratiques artistiques en amateur, des Fédérations représentatives de Centres d'expression et de créativité et des centres d'expression et de créativité, article 37 ;
3° décret du 17 juillet 2003 relatif au développement de l'action d'éducation permanente dans le champ de la vie associative, art 13, alinéa 1er ;
4° décret du 25 mai 2023 relatif à la conservation et à la valorisation des archives d'intérêt patrimonial, article 9, § 2, alinéa 4, article 11, alinéa 2, et article 34, § 2, alinéa 3 ;
5° décret du 30 avril 2009 relatif au développement des pratiques de lecture et à l'organisation du Réseau de la Lecture publique, article 20, alinéa 1er ;
6° décret du 28 mars 2019 sur la nouvelle gouvernance culturelle, articles 13 et 94, § 2 ;
7° décret-cadre du 10 avril 2003 relatif à la reconnaissance et au subventionnement du secteur professionnel des Arts de la scène, articles 35/1, alinéa 1er, 56, 61/2, 61/9 et 66 ;
8° décret du 26 mai 2011 instaurant la Commission des Seniors de la Communauté française, article 7, alinéa 1er ;
9° décret du 25 avril 2019 relatif au secteur muséal en Communauté française, article 4, alinéa 2 ;
10° décret du 7 septembre 2023 relatif à la sauvegarde du patrimoine culturel immatériel, article 15, § 1er, alinéa 2.
Art. 70. Wat betreft de operatoren van de culturele sector die niet onder de bepalingen bedoeld in artikel 75 vallen, worden de subsidiebedragen die aan hen worden toegekend voor het jaar 2026 niet geïndexeerd.
Art. 70. En ce qui concerne les opérateurs du secteur de la culture non soumis aux dispositions visées à l'article 75, pour l'année 2026, les montants des subventions qui leur sont octroyés ne sont pas indexés.
TITEL 3. - Bepalingen betreffende de instelling van een moratorium op de indiening van dossiers van nieuwe aanvragen voor erkenning, specialisatie of verandering van categorie en verlenging
TITRE 3. - Dispositions relatives à la mise en place d'un moratoire sur les dépôts des dossiers de nouvelles demandes de reconnaissance, de demandes de spécialisation ou de changement de catégorie et de renouvellement
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het decreet van 21 november 2013 betreffende de culturele centra
CHAPITRE 1er. - Modifications au décret du 21 novembre 2013 relatif aux centres culturels
Art. 71. Artikel 24 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van de voorgaande leden mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van de algemene culturele actie worden ingediend.".
"In afwijking van de voorgaande leden mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van de algemene culturele actie worden ingediend.".
Art. 71. L'article 24 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle générale ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle générale ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
Art. 72. Artikel 26 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"Geen enkele aanvraag om erkenning van de geïntensifieerde culturele actie mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 worden ingediend.".
"Geen enkele aanvraag om erkenning van de geïntensifieerde culturele actie mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 worden ingediend.".
Art. 72. L'article 26 du même décret est complété par ce qui suit :
" Aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle intensifiée ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
" Aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle intensifiée ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
Art. 73. Artikel 29 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van de voorgaande leden mag tussen 16 december 2025 en 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van de gespecialiseerde culturele actie worden ingediend.".
"In afwijking van de voorgaande leden mag tussen 16 december 2025 en 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van de gespecialiseerde culturele actie worden ingediend.".
Art. 73. L'article 29 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle spécialisée ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle spécialisée ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
Art. 74. Artikel 31 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van de voorgaande leden mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van de gespecialiseerde culturele actie voor de verspreiding van de podiumkunsten worden ingediend.".
"In afwijking van de voorgaande leden mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van de gespecialiseerde culturele actie voor de verspreiding van de podiumkunsten worden ingediend.".
Art. 74. L'article 31 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle spécialisée de diffusion des arts de la scène ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de l'action culturelle spécialisée de diffusion des arts de la scène ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
Art. 75. Artikel 39 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid wordt de erkenning die op 1 januari 2026 lopende is, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf de datum waarop de erkenning afloopt.".
"In afwijking van het eerste lid wordt de erkenning die op 1 januari 2026 lopende is, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf de datum waarop de erkenning afloopt.".
Art. 75. L'article 39 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la reconnaissance en cours au 1er janvier 2026 est prolongée aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de la date d'échéance de la reconnaissance. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, la reconnaissance en cours au 1er janvier 2026 est prolongée aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de la date d'échéance de la reconnaissance. ".
Art. 76. Artikel 44 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid en voor zover het cultureel centrum valt onder artikel 39, tweede lid, van dit decreet, mag tussen 16 december 2025 en 16 december 2026 geen aanvraag tot hernieuwing van de erkenning van de culturele actie worden aangevraagd.".
"In afwijking van het eerste lid en voor zover het cultureel centrum valt onder artikel 39, tweede lid, van dit decreet, mag tussen 16 december 2025 en 16 december 2026 geen aanvraag tot hernieuwing van de erkenning van de culturele actie worden aangevraagd.".
Art. 76. L'article 44 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er et pour autant que le centre culturel soit concerné par l'article 39, alinéa 2 du présent décret, aucune demande de reconduction de la reconnaissance de l'action culturelle ne peut être sollicitée entre le 16 décembre 2025 et le 16 décembre 2026. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er et pour autant que le centre culturel soit concerné par l'article 39, alinéa 2 du présent décret, aucune demande de reconduction de la reconnaissance de l'action culturelle ne peut être sollicitée entre le 16 décembre 2025 et le 16 décembre 2026. ".
Art. 77. Artikel 49 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van de voorgaande leden mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van samenwerking worden ingediend.".
"In afwijking van de voorgaande leden mag van 16 december 2025 tot 16 december 2026 geen aanvraag om erkenning van samenwerking worden ingediend.".
Art. 77. L'article 49 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de coopération ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
" Par dérogation aux alinéas précédents, aucune demande de reconnaissance de coopération ne peut être introduite du 16 décembre 2025 au 16 décembre 2026. ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het decreet van 30 april 2009 betreffende de ontwikkeling van leespraktijken en de organisatie van het Netwerk voor Openbare Lectuurvoorziening
CHAPITRE 2. - Modifications au décret du 30 avril 2009 relatif au développement des pratiques de lecture et à l'organisation du Réseau de la Lecture publique
Art. 78. Artikel 12 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de ontwikkeling van leespraktijken en de organisatie van het Netwerk voor Openbare Lectuurvoorziening, gewijzigd door het decreet van 21 december 2013, wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid mag van 1 januari 2026 tot 31 december 2027 geen erkenningsaanvraag worden ingediend.".
"In afwijking van het eerste lid mag van 1 januari 2026 tot 31 december 2027 geen erkenningsaanvraag worden ingediend.".
Art. 78. L'article 12 du décret du 30 avril 2009 relatif au développement des pratiques de lecture et à l'organisation du Réseau de la Lecture publique, modifié par le décret du 21 décembre 2013, est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune demande de reconnaissance ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2027. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune demande de reconnaissance ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2027. ".
Art. 79. Artikel 14, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, opgeheven door het decreet van 19 oktober 2023, wordt vervangen als volgt:
"In afwijking van het eerste lid wordt de evaluatie van het vijfjarenplan van de operatoren van het Netwerk voor Openbare Lectuurvoorziening waarvan de erkenning op 1 januari 2026 aan de gang is, onder dezelfde voorwaarden met twee jaar uitgesteld ten opzichte van de oorspronkelijk voorziene evaluatiedatum.".
"In afwijking van het eerste lid wordt de evaluatie van het vijfjarenplan van de operatoren van het Netwerk voor Openbare Lectuurvoorziening waarvan de erkenning op 1 januari 2026 aan de gang is, onder dezelfde voorwaarden met twee jaar uitgesteld ten opzichte van de oorspronkelijk voorziene evaluatiedatum.".
Art. 79. L'article 14, § 1er, alinéa 2 du même décret, abrogé par le décret du 19 octobre 2023, est remplacé par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'évaluation du plan quinquennal des opérateurs du Réseau de la Lecture publique dont la reconnaissance est en cours au 1er janvier 2026 est reportée, aux mêmes conditions, de deux ans à compter de la date d'évaluation initialement prévue. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, l'évaluation du plan quinquennal des opérateurs du Réseau de la Lecture publique dont la reconnaissance est en cours au 1er janvier 2026 est reportée, aux mêmes conditions, de deux ans à compter de la date d'évaluation initialement prévue. ".
Art. 80. Artikel 15, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 19 oktober 2023, wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid, voor de operatoren van het Netwerk voor Openbare Lectuurvoorziening waarvan de erkenning op 1 januari 2026 aan de gang is, wordt de beslissing over de erkenning onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf de datum waarop de erkenning afloopt.".
"In afwijking van het eerste lid, voor de operatoren van het Netwerk voor Openbare Lectuurvoorziening waarvan de erkenning op 1 januari 2026 aan de gang is, wordt de beslissing over de erkenning onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf de datum waarop de erkenning afloopt.".
Art. 80. L'article 15, § 1er, du même décret, modifié par le décret du 19 octobre 2023, est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les opérateurs du Réseau de la Lecture publique dont la reconnaissance est en cours au 1er janvier 2026, la décision sur la reconnaissance est prolongée aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de sa date d'échéance. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les opérateurs du Réseau de la Lecture publique dont la reconnaissance est en cours au 1er janvier 2026, la décision sur la reconnaissance est prolongée aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de sa date d'échéance. ".
Art. 81. Artikel 18 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een paragraaf 9, luidend als volgt:
" § 9. In afwijking van paragrafen 1 tot 8 en onverminderd de in artikelen 15 en 22 tot 26 bedoelde evaluatieprocedure, mogen van1 januari 2026 tot 31 december 2028 geen wijzigingen worden aangebracht in de subsidiëring van erkende operatoren.".
" § 9. In afwijking van paragrafen 1 tot 8 en onverminderd de in artikelen 15 en 22 tot 26 bedoelde evaluatieprocedure, mogen van1 januari 2026 tot 31 december 2028 geen wijzigingen worden aangebracht in de subsidiëring van erkende operatoren.".
Art. 81. L'article 18 du même décret est complété par un paragraphe 9 rédigé comme suit :
" § 9. Par dérogation aux paragraphes 1 à 8 et sans préjudice de la procédure d'évaluation visée aux articles 15 et 22 à 26, aucune modification du subventionnement des opérateurs reconnus ne peut intervenir du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2028. ".
" § 9. Par dérogation aux paragraphes 1 à 8 et sans préjudice de la procédure d'évaluation visée aux articles 15 et 22 à 26, aucune modification du subventionnement des opérateurs reconnus ne peut intervenir du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2028. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen aan het decreet van 17 juli 2003 betreffende de ontwikkeling van de actie inzake permanente opvoeding in het kader van het verenigingsleven
CHAPITRE 3. - Modifications au décret du 17 juillet 2003 relatif au développement de l'action d'éducation permanente dans le champ de la vie associative
Art. 82. In artikel 5/2 van het decreet van 17 juli 2003 betreffende de ontwikkeling van de actie inzake permanente opvoeding in het kader van het verenigingsleven, ingevoegd door het decreet van 14 november 2018, wordt tussen paragrafen 1 en 2 een paragraaf 1bis ingevoegd, luidend als volgt:
" § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 februari 2026 geen beginselverzoek worden ingediend.".
" § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 februari 2026 geen beginselverzoek worden ingediend.".
Art. 82. A l'article 5/2 du décret du 17 juillet 2003 relatif au développement de l'action d'éducation permanente dans le champ de la vie associative, inséré par le décret du 14 novembre 2018, il est inséré, entre les paragraphes 1 et 2, un paragraphe 1bis rédigé comme suit :
" § 1bis. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande de principe ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er février 2026. ".
" § 1bis. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande de principe ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er février 2026. ".
Art. 83. De volgende wijzigingen zijn aangebracht in artikel 6 van hetzelfde decreet, gewijzigd door de decreten van 20 juli 2006 en 14 november 2018:
1° een paragraaf 1bis wordt ingevoegd tussen paragrafen 1 en 2, luidend als volgt:
" § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 februari 2027 geen erkenningsaanvraag worden ingediend, met uitzondering van de verenigingen bedoeld in artikel 5/1.".
2° een paragraaf 5, luidend als volgt:
" § 5. In afwijking van paragraaf 2, 3°, worden de erkenningen voor een bepaalde duur die op 1 januari 2026 aan de gang zijn, met uitzondering van die van de in artikel 5/1 bedoelde verenigingen, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar na hun vervaldatum.".
1° een paragraaf 1bis wordt ingevoegd tussen paragrafen 1 en 2, luidend als volgt:
" § 1bis. In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 februari 2027 geen erkenningsaanvraag worden ingediend, met uitzondering van de verenigingen bedoeld in artikel 5/1.".
2° een paragraaf 5, luidend als volgt:
" § 5. In afwijking van paragraaf 2, 3°, worden de erkenningen voor een bepaalde duur die op 1 januari 2026 aan de gang zijn, met uitzondering van die van de in artikel 5/1 bedoelde verenigingen, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar na hun vervaldatum.".
Art. 83. Les modifications suivantes sont apportées à l'article 6 du même décret, modifié par les décrets des 20 juillet 2006 et 14 novembre 2018 :
1° un paragraphe 1bis rédigé comme suit est inséré entre les paragraphes 1 et 2 :
" § 1bis. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande de reconnaissance, à l'exception des associations visées à l'article 5/1, ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er février 2027. " ;
2° un paragraphe 5 rédigé comme suit :
" § 5. Par dérogation au paragraphe 2, 3° les reconnaissances à durée déterminée, à l'exception de celles des associations visées à l'article 5/1, en cours au 1er janvier 2026 sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
1° un paragraphe 1bis rédigé comme suit est inséré entre les paragraphes 1 et 2 :
" § 1bis. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande de reconnaissance, à l'exception des associations visées à l'article 5/1, ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er février 2027. " ;
2° un paragraphe 5 rédigé comme suit :
" § 5. Par dérogation au paragraphe 2, 3° les reconnaissances à durée déterminée, à l'exception de celles des associations visées à l'article 5/1, en cours au 1er janvier 2026 sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
Art. 84. Artikel 8 van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 14 november 2018, wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het voorgaande mag van 1 januari 2026 tot 1 februari 2027 geen erkenningsaanvraag voor representatieve federatie worden ingediend, met uitzondering van de federaties die al erkend zijn.".
"In afwijking van het voorgaande mag van 1 januari 2026 tot 1 februari 2027 geen erkenningsaanvraag voor representatieve federatie worden ingediend, met uitzondering van de federaties die al erkend zijn.".
Art. 84. L'article 8 du même décret, modifié par le décret du 14 novembre 2018, est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à ce qui précède, aucune demande de reconnaissance de fédération représentative, à l'exception de celles déjà reconnues, ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er février 2027. ".
" Par dérogation à ce qui précède, aucune demande de reconnaissance de fédération représentative, à l'exception de celles déjà reconnues, ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er février 2027. ".
Art. 85. In artikel 26 van hetzelfde decreet, vervangen door het decreet van 14 november 2018 en gewijzigd door het decreet van 9 juli 2020, wordt het volgende lid ingevoegd tussen het tweede lid en het derde lid van paragraaf 2:
"In afwijking van het tweede lid mogen van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 geen verzoeken worden ingediend voor een verhoging van de forfaitaire categorie en/of een aanvullende as die de toekenning van extra middelen met zich meebrengt.".
"In afwijking van het tweede lid mogen van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 geen verzoeken worden ingediend voor een verhoging van de forfaitaire categorie en/of een aanvullende as die de toekenning van extra middelen met zich meebrengt.".
Art. 85. Dans l'article 26 du même décret, remplacé par le décret du 14 novembre 2018 et modifié par le décret du 9 juillet 2020, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 2 et 3 du deuxième paragraphe :
" Par dérogation à l'alinéa 2, aucune demande d'augmentation de catégorie de forfait et/ou d'axe supplémentaire entraînant l'octroi de moyen supplémentaires ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er juillet 2026. ".
" Par dérogation à l'alinéa 2, aucune demande d'augmentation de catégorie de forfait et/ou d'axe supplémentaire entraînant l'octroi de moyen supplémentaires ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er juillet 2026. ".
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen aan het decreet van 25 april 2019 betreffende de museumsector in de Franse Gemeenschap
CHAPITRE 4. - Modifications au décret du 25 avril 2019 relatif au secteur muséal en Communauté française
Art. 86. In het decreet van 25 april 2019 betreffende de museumsector in de Franse Gemeenschap wordt tussen artikelen 6 en 7 een artikel 6bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 6bis. Er zal geen nieuwe erkenning of verandering van categorie worden toegekend voor aanvragen die worden ingediend tussen 1 januari 2026 en 1 juli 2027.".
"Art. 6bis. Er zal geen nieuwe erkenning of verandering van categorie worden toegekend voor aanvragen die worden ingediend tussen 1 januari 2026 en 1 juli 2027.".
Art. 86. Dans le décret du 25 avril 2019 relatif au secteur muséal en Communauté française, un article 6bis rédigé comme suit est inséré entre les articles 6 et 7 :
" Art. 6bis. Aucune nouvelle reconnaissance ou aucun changement de catégorie n'est octroyé pour les demandes introduites entre le 1er janvier 2026 et le 1er juillet 2027. ".
" Art. 6bis. Aucune nouvelle reconnaissance ou aucun changement de catégorie n'est octroyé pour les demandes introduites entre le 1er janvier 2026 et le 1er juillet 2027. ".
Art. 87. Artikel 11 van hetzelfde decreet, gewijzigd door de decreten van 13 oktober 2022 en 14 december 2022, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidend als volgt:
" § 3. "In afwijking van paragraaf 1 wordt van 1 januari 2026 tot 31 december 2028 geen erkenningsaanvraag ingediend.".
" § 3. "In afwijking van paragraaf 1 wordt van 1 januari 2026 tot 31 december 2028 geen erkenningsaanvraag ingediend.".
Art. 87. L'article 11 du même décret, modifié par les décrets des 13 octobre 2022 et 14 décembre 2022, est complété par un paragraphe 3 rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande de reconnaissance n'est introduite du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2028. ".
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande de reconnaissance n'est introduite du 1er janvier 2026 au 31 décembre 2028. ".
Art. 88. Een paragraaf 4 wordt toegevoegd in artikel 13 van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 14 december 2022:
" § 4. Geen aanvraag voor steun bedoeld in paragrafen 1 en 2 wordt ingediend tussen 1 januari 2026 en 1 juli 2027.".
" § 4. Geen aanvraag voor steun bedoeld in paragrafen 1 en 2 wordt ingediend tussen 1 januari 2026 en 1 juli 2027.".
Art. 88. Un paragraphe 4 est ajouté à l'article 13 du même décret, modifié par le décret du 14 décembre 2022 :
" § 4. Aucune demande d'octroi d'aide visée aux paragraphes 1er et 2, n'est introduite entre le 1er janvier 2026 et le 1er juillet 2027. ".
" § 4. Aucune demande d'octroi d'aide visée aux paragraphes 1er et 2, n'est introduite entre le 1er janvier 2026 et le 1er juillet 2027. ".
Art. 89. In artikel 17 van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 14 december 2022, wordt het volgende lid ingevoegd tussen het derde lid en het vierde lid:
"In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 april 2027 geen aanvraag voor steun voor een periode van vier jaar worden ingediend.".
"In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 april 2027 geen aanvraag voor steun voor een periode van vier jaar worden ingediend.".
Art. 89. A l'article 17 du même décret, modifié par le décret du 14 décembre 2022, l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 3 et 4 :
" Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande d'octroi d'aide quadriennale ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er avril 2027. ".
" Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande d'octroi d'aide quadriennale ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er avril 2027. ".
Art. 90. Tussen artikelen 22 en 23 van hetzelfde decreet wordt een artikel 22bis ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 22bis. De subsidies verleend krachtens artikel 9, de steun verleend krachtens artikel 13 en de steun verleend krachtens artikel 16, § 1, 2°, die van kracht zijn op 1 januari 2026, worden onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar te rekenen vanaf hun vervaldag.".
"Art. 22bis. De subsidies verleend krachtens artikel 9, de steun verleend krachtens artikel 13 en de steun verleend krachtens artikel 16, § 1, 2°, die van kracht zijn op 1 januari 2026, worden onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar te rekenen vanaf hun vervaldag.".
Art. 90. Il est inséré, entre les articles 22 et 23 du même décret, un article 22bis rédigé comme suit :
" Art. 22bis. Les subventions octroyées en vertu de l'article 9, les aides délivrées en vertu de l'article 13 et les aides octroyées en vertu de l'article 16, § 1er, 2° en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
" Art. 22bis. Les subventions octroyées en vertu de l'article 9, les aides délivrées en vertu de l'article 13 et les aides octroyées en vertu de l'article 16, § 1er, 2° en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen aan het decreet van 25 mei 2023 betreffende de bewaring en de waardering van archieven van erfgoedbelang
CHAPITRE 5. - Modifications au décret du 25 mai 2023 relatif à la conservation et à la valorisation des archives d'intérêt patrimonial
Art. 91. Artikel 4 van het decreet van 25 mei 2023 betreffende de bewaring en de waardering van archieven van erfgoedbelang wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid mag tussen 1 januari 2026 en 31 maart 2027 geen erkenningsaanvraag worden ingediend.
In afwijking van het tweede lid worden de erkenningen die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
"In afwijking van het eerste lid mag tussen 1 januari 2026 en 31 maart 2027 geen erkenningsaanvraag worden ingediend.
In afwijking van het tweede lid worden de erkenningen die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
Art. 91. L'article 4 du décret du 25 mai 2023 relatif à la conservation et à la valorisation des archives d'intérêt patrimonial est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune demande de reconnaissance ne peut être introduite entre le 1er janvier 2026 et le 31 mars2027.
Par dérogation à l'alinéa 2, les reconnaissances en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune demande de reconnaissance ne peut être introduite entre le 1er janvier 2026 et le 31 mars2027.
Par dérogation à l'alinéa 2, les reconnaissances en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
Art. 92. Paragraaf 2 van artikel 17 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het tweede lid worden de erkenningen die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
"In afwijking van het tweede lid worden de erkenningen die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
Art. 92. Le paragraphe 2 de l'article 17 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 2, les reconnaissances en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
" Par dérogation à l'alinéa 2, les reconnaissances en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
Art. 93. Artikel 34 van hetzelfde decreet wordt aangevuld met een paragraaf 3:
" § 3. In afwijking van paragraaf 1 worden de overeenkomsten gesloten krachtens paragraaf 1 en die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
" § 3. In afwijking van paragraaf 1 worden de overeenkomsten gesloten krachtens paragraaf 1 en die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
Art. 93. L'article 34 du même décret est complété par un paragraphe 3 :
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les conventions conclues en vertu du paragraphe 1er et en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, les conventions conclues en vertu du paragraphe 1er et en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
HOOFDSTUK 6. - Wijzigingen aan het decreet van 30 april 2009 betreffende de omkadering en de subsidiëring van de federaties voor amateuristische kunstbeoefening, van de federaties die centra voor expressie en creativiteit vertegenwoordigen en van de centra voor expressie en creativiteit
CHAPITRE 6. - Modifications au décret du 30 avril 2009 relatif à l'encadrement et au subventionnement des fédérations de pratiques artistiques en amateur, des Fédérations représentatives de centres d'expression et de créativité et des centres d'expression et de créativité
Art. 94. Artikel 4 van het decreet van 30 april 2009 betreffende de omkadering en de subsidiëring van de federaties voor amateuristische kunstbeoefening, van de Federaties die Centra voor expressie en creativiteit vertegenwoordigen en van de centra voor expressie en creativiteit wordt aangevuld met een paragraaf 5, luidend als volgt:
" § 5. In afwijking van paragraaf 3 en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV wordt elke erkenning die op 1 januari 2026 lopend is, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf de vervaldatum, voor de verenigingen bedoeld in § 2, 1° en 3° alleen.".
" § 5. In afwijking van paragraaf 3 en onverminderd de bepalingen van hoofdstuk IV wordt elke erkenning die op 1 januari 2026 lopend is, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf de vervaldatum, voor de verenigingen bedoeld in § 2, 1° en 3° alleen.".
Art. 94. L'article 4 du décret du 30 avril 2009 relatif à l'encadrement et au subventionnement des fédérations de pratiques artistiques en amateur, des Fédérations représentatives de centres d'expression et de créativité et des centres d'expression et de créativité est complété par un paragraphe cinq rédigé comme suit :
" § 5. Par dérogation au paragraphe trois et sans préjudice des dispositions du chapitre IV, toute reconnaissance en cours au 1er janvier 2026 est prolongée aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de la date d'échéance, pour les associations visées au § 2, 1° et 3° uniquement. ".
" § 5. Par dérogation au paragraphe trois et sans préjudice des dispositions du chapitre IV, toute reconnaissance en cours au 1er janvier 2026 est prolongée aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de la date d'échéance, pour les associations visées au § 2, 1° et 3° uniquement. ".
Art. 95. Artikel 25 van het decreet, gewijzigd door het decreet van 28 maart 2019 wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidend als volgt:
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 maart 2027 geen uitdrukkelijke aanvraag om erkenning worden ingediend.".
" § 2. In afwijking van paragraaf 1 mag van 1 januari 2026 tot 1 maart 2027 geen uitdrukkelijke aanvraag om erkenning worden ingediend.".
Art. 95. L'article 25 du décret, modifié par le décret du 28 mars 2019, est complété par un paragraphe deux rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande formelle de reconnaissance ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er mars 2027. ".
" § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, aucune demande formelle de reconnaissance ne peut être introduite du 1er janvier 2026 au 1er mars 2027. ".
Art. 96. Artikel 27 van hetzelfde decreet, gewijzigd door het decreet van 28 maart 2019, wordt aangevuld met een paragraaf 3, luidend als volgt:
" § 3. In afwijking van § 1 wordt de erkenning van elke vereniging bedoeld in artikel 4, § 2, 1° en 3°, die een erkenning voor vijf jaar heeft gekregen en waarvan de erkenning op 1 januari 2026 loopt, verlengd met twee jaar vanaf de vervaldatum, in dezelfde categorie en onder dezelfde voorwaarden.
Voor deze verenigingen wordt de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde evaluatie met twee jaar uitgesteld.".
" § 3. In afwijking van § 1 wordt de erkenning van elke vereniging bedoeld in artikel 4, § 2, 1° en 3°, die een erkenning voor vijf jaar heeft gekregen en waarvan de erkenning op 1 januari 2026 loopt, verlengd met twee jaar vanaf de vervaldatum, in dezelfde categorie en onder dezelfde voorwaarden.
Voor deze verenigingen wordt de in paragraaf 1, eerste lid, bedoelde evaluatie met twee jaar uitgesteld.".
Art. 96. L'article 27 du même décret, modifié par le décret du 28 mars 2019, est complété par un paragraphe trois rédigé comme suit :
" § 3. Par dérogation au § 1er, toute association visée à l`article 4, § 2, 1° et 3° qui s'est vu octroyer une reconnaissance d'une durée de cinq ans et dont la reconnaissance est en cours au 1er janvier 2026 voit ladite reconnaissance prolongée d'une durée de deux ans à compter de son échéance, dans une catégorie identique et aux mêmes conditions.
Pour ces associations, l'évaluation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er est reportée de deux ans. ".
" § 3. Par dérogation au § 1er, toute association visée à l`article 4, § 2, 1° et 3° qui s'est vu octroyer une reconnaissance d'une durée de cinq ans et dont la reconnaissance est en cours au 1er janvier 2026 voit ladite reconnaissance prolongée d'une durée de deux ans à compter de son échéance, dans une catégorie identique et aux mêmes conditions.
Pour ces associations, l'évaluation visée au paragraphe 1er, alinéa 1er est reportée de deux ans. ".
HOOFDSTUK 7. - Wijzigingen aan het decreet van 4 april 2024 inzake de subsidiëring van de professionele sectoren van de talen, de letteren en het boek
CHAPITRE 7. - Modifications au décret du 4 avril 2024 relatif au subventionnement des secteurs professionnels des langues, des lettres et du livre
Art. 97. Artikel 86 van het decreet van 4 april 2024 inzake de subsidiëring van de professionele sectoren van de talen, de letteren en het boek wordt aangevuld als volgt:
"Geen aanvraag voor een overeenkomst mag worden ingediend tussen 1 januari 2026 en 31 december 2027.".
"Geen aanvraag voor een overeenkomst mag worden ingediend tussen 1 januari 2026 en 31 december 2027.".
Art. 97. L'article 86 du décret du 4 avril 2024 relatif au subventionnement des secteurs professionnels des Langues, des Lettres et du Livre est complété par ce qui suit :
" Aucune demande de convention ne peut être introduite entre le 1er janvier 2026 le 31 décembre 2027. ".
" Aucune demande de convention ne peut être introduite entre le 1er janvier 2026 le 31 décembre 2027. ".
Art. 98. Artikel 89 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid worden de overeenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
"In afwijking van het eerste lid worden de overeenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
Art. 98. L'article 89 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les conventions en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les conventions en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen aan het decreet van 3 april 2014 betreffende de beeldende kunsten
CHAPITRE 8. - Modifications au décret du 3 avril 2014 relatif aux arts plastiques
Art. 99. Artikel 9 van het decreet van 3 april 2014 betreffende de beeldende kunsten, gewijzigd door het decreet van 28 maart 2019, wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid mag geen aanvraag om steun, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 3° of 4°, worden ingediend van 1 december 2025 tot 1 april 2027.".
"In afwijking van het eerste lid mag geen aanvraag om steun, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 3° of 4°, worden ingediend van 1 december 2025 tot 1 april 2027.".
Art. 99. L'article 9 du décret du 3 avril 2014 relatif aux arts plastiques, modifié par le décret du 28 mars 2019, est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune demande d'aide, visée à l'article 8, alinéa 1er, 3° ou 4° ne peut être introduite du 1er décembre 2025 au 1er avril 2027. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, aucune demande d'aide, visée à l'article 8, alinéa 1er, 3° ou 4° ne peut être introduite du 1er décembre 2025 au 1er avril 2027. ".
Art. 100. Artikel 37 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid worden de overeenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
"In afwijking van het eerste lid worden de overeenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
Art. 100. L'article 37 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les conventions en cours au 1er janvier 2026 sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les conventions en cours au 1er janvier 2026 sont prolongées aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
Art. 101. Artikel 49 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt:
"In afwijking van het eerste lid worden de programmaovereenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
"In afwijking van het eerste lid worden de programmaovereenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
Art. 101. L'article 49 du même décret est complété par ce qui suit :
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les contrat-programmes en cours au 1er janvier 2026, sont prolongés aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
" Par dérogation à l'alinéa 1er, les contrat-programmes en cours au 1er janvier 2026, sont prolongés aux mêmes conditions pour une durée de deux ans à compter de leur date d'échéance. ".
HOOFDSTUK 9. - Wijziging aan het decreet van 7 september 2023 betreffende de vrijwaring van het immaterieel cultureel erfgoed
CHAPITRE 9. - Modification au décret du 7 septembre 2023 relatif à la sauvegarde du patrimoine culturel immatériel
Art. 102. Artikel 15 van het decreet van 7 september 2023 betreffende de vrijwaring van het immaterieel cultureel erfgoed wordt aangevuld als volgt:
" § 3. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de overeenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
" § 3. In afwijking van paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de overeenkomsten die op 1 januari 2026 lopende zijn, onder dezelfde voorwaarden verlengd voor een periode van twee jaar vanaf hun vervaldatum.".
Art. 102. L'article 15 du décret du 7 septembre 2023 relatif à la sauvegarde du patrimoine culturel immatériel est complété par ce qui suit :
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les conventions en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées d'une durée de deux ans à compter de leur échéance, aux mêmes conditions. ".
" § 3. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, les conventions en cours au 1er janvier 2026, sont prolongées d'une durée de deux ans à compter de leur échéance, aux mêmes conditions. ".
TITEL 4. - Bepaling betreffende de automatische verlenging van bepaalde erkenningen
TITRE 4. - Disposition relative à la prolongation automatique de certaines reconnaissances
Art. 103. In afwijking van het decreet van 17 juli 2003 betreffende de ontwikkeling van de actie inzake Permanente Opvoeding in het kader van het verenigingsleven, wordt een erkenning die vervalt op 31 december 2025 automatisch verlengd voor een periode van één jaar als de vereniging op een bepaald ogenblik tijdens de laatste vijf jaar aan minstens 4 van de volgende 8 criteria voldoet:
1. de vereniging verklaart in haar statuten, officiële publicaties of openbare mededelingen een band met, steun aan of doelstelling tot bevordering van een specifieke politieke partij;
2. een band met de vereniging wordt vermeld in de statuten, officiële publicaties of openbare mededelingen van een politieke partij;
3. de leden van de raad van bestuur of de algemene vergadering van de vereniging bestaan voor 30% of meer uit actieve leden die door dezelfde politieke partij zijn aangewezen;
4. de vereniging is lid van een federatie, beweging of internationaal netwerk dat expliciet verbonden is met een politieke partij of stroming;
5. de vereniging ontvangt jaarlijks directe of indirecte dotaties van een politieke partij;
6. de vereniging deelt kantoren, personeel of een juridische structuur met een erkende politieke partij of een van haar afdelingen;
7. de vereniging maakt herhaaldelijk gebruik van symbolen, kleuren, slogans of grafische elementen die verband houden met een politieke partij;
8. de vereniging neemt actief deel aan verkiezingscampagnes, bijvoorbeeld via:
a. het uitdelen van flyers;
b. de productie of verspreiding van digitale inhoud die expliciet de partij of haar kandidaten promoot;
c. het organiseren van gezamenlijke evenementen (conferenties, debatten, colloquia) met vertegenwoordigers van de partij;
d. het opzetten van opleidingen of mobilisatieacties voor leden of sympathisanten van de partij.
1. de vereniging verklaart in haar statuten, officiële publicaties of openbare mededelingen een band met, steun aan of doelstelling tot bevordering van een specifieke politieke partij;
2. een band met de vereniging wordt vermeld in de statuten, officiële publicaties of openbare mededelingen van een politieke partij;
3. de leden van de raad van bestuur of de algemene vergadering van de vereniging bestaan voor 30% of meer uit actieve leden die door dezelfde politieke partij zijn aangewezen;
4. de vereniging is lid van een federatie, beweging of internationaal netwerk dat expliciet verbonden is met een politieke partij of stroming;
5. de vereniging ontvangt jaarlijks directe of indirecte dotaties van een politieke partij;
6. de vereniging deelt kantoren, personeel of een juridische structuur met een erkende politieke partij of een van haar afdelingen;
7. de vereniging maakt herhaaldelijk gebruik van symbolen, kleuren, slogans of grafische elementen die verband houden met een politieke partij;
8. de vereniging neemt actief deel aan verkiezingscampagnes, bijvoorbeeld via:
a. het uitdelen van flyers;
b. de productie of verspreiding van digitale inhoud die expliciet de partij of haar kandidaten promoot;
c. het organiseren van gezamenlijke evenementen (conferenties, debatten, colloquia) met vertegenwoordigers van de partij;
d. het opzetten van opleidingen of mobilisatieacties voor leden of sympathisanten van de partij.
Art. 103. Par dérogation au décret du 17 juillet 2003 relatif au développement de l'action d'education permanente dans le champ de la vie associative, la reconnaissance qui arrive à échéance au 31 décembre 2025 est automatiquement renouvelée pour une durée d'un an si l'association répond, à un moment donné sur les cinq dernières années, à au moins 4 des 8 critères suivants :
1. l'association déclare dans ses statuts, publications officielles ou communications publiques, une affiliation, un soutien ou un objectif de promotion d'un parti politique spécifique ;
2. un lien d'affiliation avec l'association est mentionné dans les statuts, publications officielles ou communications publiques d'un parti politique ;
3. les membres du conseil d'administration ou de l'assemblée générale de l'association comprennent 30% ou plus de membres actifs de personnes désignées par un même parti politique ;
4. l'association est membre d'une fédération, d'un mouvement ou d'un réseau international partisan explicitement lié à un parti ou à une famille politique ;
5. l'association perçoit des dotations annuelles directes ou indirectes en provenance d'un parti politique ;
6. l'association partage des locaux, des ressources humaines ou une structure juridique avec un parti politique reconnu ou un de ses démembrements ;
7. l'association utilise de manière récurrente les symboles, couleurs, slogans ou éléments graphiques associés à un parti politique ;
8. l'association participe activement à des campagnes électorales, par exemple via :
a. la distribution de tracts ;
b. la production ou la diffusion de contenus numériques promouvant explicitement le parti ou ses candidats ;
c. l'organisation d'événements conjoints (conférences, débats, colloques) avec des représentants du parti ;
d. la mise en place de formations ou actions de mobilisation destinées aux membres ou sympathisants du parti.
1. l'association déclare dans ses statuts, publications officielles ou communications publiques, une affiliation, un soutien ou un objectif de promotion d'un parti politique spécifique ;
2. un lien d'affiliation avec l'association est mentionné dans les statuts, publications officielles ou communications publiques d'un parti politique ;
3. les membres du conseil d'administration ou de l'assemblée générale de l'association comprennent 30% ou plus de membres actifs de personnes désignées par un même parti politique ;
4. l'association est membre d'une fédération, d'un mouvement ou d'un réseau international partisan explicitement lié à un parti ou à une famille politique ;
5. l'association perçoit des dotations annuelles directes ou indirectes en provenance d'un parti politique ;
6. l'association partage des locaux, des ressources humaines ou une structure juridique avec un parti politique reconnu ou un de ses démembrements ;
7. l'association utilise de manière récurrente les symboles, couleurs, slogans ou éléments graphiques associés à un parti politique ;
8. l'association participe activement à des campagnes électorales, par exemple via :
a. la distribution de tracts ;
b. la production ou la diffusion de contenus numériques promouvant explicitement le parti ou ses candidats ;
c. l'organisation d'événements conjoints (conférences, débats, colloques) avec des représentants du parti ;
d. la mise en place de formations ou actions de mobilisation destinées aux membres ou sympathisants du parti.
Deel X. - Bepalingen betreffende de begrotingsfondsen opgenomen in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap
Partie X. - Dispositions relatives aux fonds budgétaires figurant au budget général des dépenses de la Communauté française
Art. 104. Punten 33, 57 en 65 van de tabel gevoegd bij het decreet van 27 oktober 1997 houdende aanwijzing van de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap worden geschrapt na budgettaire regularisatie op basis van hun toestand op 1 januari 2026.
Art. 104. Les points 33, 57 et 65 du tableau annexé au décret du 27 octobre 1997 contenant les fonds budgétaires figurant au budget général des dépenses de la Communauté française sont supprimés après régularisation budgétaire sur la base de leur situation au 1er janvier 2026.
Art. 105. § 1. In de Franse tekst, in punt 11 van de tabel bij het decreet van 27 oktober 1997 houdende aanwijzing van de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap over het fonds tot subsidiëring van acties en maatregelen voor de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming (A), in de kolom "nature des recettes affectées" wordt de rij "Recettes provenant de l'Autorité fédérale dans le cadre de la mise en oeuvre de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait" geschrapt.
§ 2. In de Franse tekst, in punt 11 van de tabel bij het decreet van 27 oktober 1997 houdende aanwijzing van de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap over het fonds tot subsidiëring van acties en maatregelen voor de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming (A), in de kolom "nature des dépenses autorisées" wordt de rij "Subvention des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse." vervangen door:
"Reliquats d'années antérieures de subventions organiques (subventions facultatives exclues) liées aux prises en charge de jeunes dans le cadre des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse.
Régularisations de prises en charge de jeune antérieures à l'année courante.
Les subventions liées aux jeunes pris en charge au sein d'institutions de la Communauté germanophone (Article 4, alinéa 3 de l'accord sectoriel du 27 avril 2001).
Les éventuelles conventions transactionnelles.
Sur proposition du Gouvernement, après proposition du Ministre de l'Aide à la Jeunesse, les dépensées liées à des situations d'extrême urgence.".
§ 2. In de Franse tekst, in punt 11 van de tabel bij het decreet van 27 oktober 1997 houdende aanwijzing van de begrotingsfondsen vermeld in de algemene uitgavenbegroting van de Franse Gemeenschap over het fonds tot subsidiëring van acties en maatregelen voor de hulpverlening aan de jeugd en de jeugdbescherming (A), in de kolom "nature des dépenses autorisées" wordt de rij "Subvention des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse." vervangen door:
"Reliquats d'années antérieures de subventions organiques (subventions facultatives exclues) liées aux prises en charge de jeunes dans le cadre des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse.
Régularisations de prises en charge de jeune antérieures à l'année courante.
Les subventions liées aux jeunes pris en charge au sein d'institutions de la Communauté germanophone (Article 4, alinéa 3 de l'accord sectoriel du 27 avril 2001).
Les éventuelles conventions transactionnelles.
Sur proposition du Gouvernement, après proposition du Ministre de l'Aide à la Jeunesse, les dépensées liées à des situations d'extrême urgence.".
Art. 105. § 1er. Au point 11 du tableau annexé au décret du 27 octobre 1997 contenant les fonds budgétaires figurant au budget général des dépenses de la Communauté française concernant le fonds destiné à subventionner des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse (A), dans la colonne " nature des recettes affectées ", la ligne " Recettes provenant de l'Autorité fédérale dans le cadre de la mise en oeuvre de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié d'infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait " est supprimée.
§ 2. Au point 11 du tableau annexé au décret du 27 octobre 1997 contenant les fonds budgétaires figurant au budget général des dépenses de la Communauté française concernant le fonds destiné à subventionner des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse (A), dans la colonne " nature des dépenses autorisées ", la ligne " Subvention des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse. " est remplacée par :
" Reliquats d'années antérieures de subventions organiques (subventions facultatives exclues) liées aux prises en charge de jeunes dans le cadre des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse.
Régularisations de prises en charge de jeune antérieures à l'année courante.
Les subventions liées aux jeunes pris en charge au sein d'institutions de la Communauté germanophone (Article 4, alinéa 3 de l'accord sectoriel du 27 avril 2001).
Les éventuelles conventions transactionnelles.
Sur proposition du Gouvernement, après proposition du Ministre de l'Aide à la jeunesse, les dépensées liées à des situations d'extrême urgence. ".
§ 2. Au point 11 du tableau annexé au décret du 27 octobre 1997 contenant les fonds budgétaires figurant au budget général des dépenses de la Communauté française concernant le fonds destiné à subventionner des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse (A), dans la colonne " nature des dépenses autorisées ", la ligne " Subvention des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse. " est remplacée par :
" Reliquats d'années antérieures de subventions organiques (subventions facultatives exclues) liées aux prises en charge de jeunes dans le cadre des actions et des mesures d'aide à la jeunesse et de protection de la jeunesse.
Régularisations de prises en charge de jeune antérieures à l'année courante.
Les subventions liées aux jeunes pris en charge au sein d'institutions de la Communauté germanophone (Article 4, alinéa 3 de l'accord sectoriel du 27 avril 2001).
Les éventuelles conventions transactionnelles.
Sur proposition du Gouvernement, après proposition du Ministre de l'Aide à la jeunesse, les dépensées liées à des situations d'extrême urgence. ".
Deel XI. - Inwerkingtreding
Partie XI. - Entrée en vigueur
Art. 106. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2026, met uitzondering van artikel 99, dat uitwerking heeft met ingang van 1 december 2025, en van artikelen 71 tot 74, 76 en 77, die uitwerking hebben met ingang van 16 december 2025.
Art. 106. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2026, à l'exception de l'article 99, qui produit ses effets le 1er décembre 2025, et des articles 71 à 74, 76 et 77, qui produisent leurs effets le 16 décembre 2025.