Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
19 DECEMBER 2025. - Programmadecreet bij de begroting 2026
Titre
19 DECEMBRE 2025. - Décret-Programme accompagnant le budget 2026
Informations sur le document
Numac: 2025009813
Datum: 2025-12-19
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2025009813
Date: 2025-12-19
Moniteur: Voir
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media Afdeling 1. - Stopzetting subsidies aan de vzw ... Afdeling 2. - Wijziging decreet van 15 juli 201... HOOFDSTUK 3. - Financiën en Begroting Afdeling 1. - Hervorming van de gunstregeling i... Afdeling 2. - Wijziging van de Vlaamse Codex Fi... Afdeling 3. - Invoering van een Vlaamse fiscale... Afdeling 4. - Wijziging van de Vlaamse Codex Fi... Afdeling 5. - Opheffing vrijstelling jaarlijkse... Afdeling 6. - Controlemechanisme op de (correct... Afdeling 7. - Omzetting Europees begrotingskade... Afdeling 8. - Subsidiabele kosten HOOFDSTUK 4. - Kanselarij, Bestuur, Buitenlands... Afdeling 1. - Financiering op basis van open ru... Afdeling 2. - Financiering lokale besturen: Gem... Afdeling 3. - Subsidie voor kleine taalgrensgem... Afdeling 4. - Wijziging en opheffing van het de... Afdeling 5. - Plattelandsfonds Afdeling 6. - Wijziging Fonds Personeelsleden m... Afdeling 7. - Subsidiëring van initiatieven bet... Afdeling 8. - Fonds Handhaving Vlaanderen en re... HOOFDSTUK 5. - Mobiliteit en Openbare Werken HOOFDSTUK 6. - Omgeving Afdeling 1. - Het Vlaamse Gewest gunt de verzek... Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 6 j... Afdeling 3. - Wijzigingen van het decreet Integ... Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet Integ... Afdeling 5. - Wijziging van de Vlaamse Codex Ru... Afdeling 6. - Retributie shredderbedrijven (Vla... Afdeling 7. - Uitfasering verlaagd onroerendevo... Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 2... Afdeling 9. - Wijziging van de Vlaamse Codex Fi... HOOFDSTUK 7. - Onderwijs en Vorming Afdeling 1. - Wijziging aan de bepalingen over ... Afdeling 2. - Wijziging aan de bepalingen over ... Afdeling 3. - Opheffing opdrachten coördinatie ... Afdeling 4. - Technische aanpassingen inschrijv... Afdeling 5. - Toekenning jaarlijkse aanvullende... Afdeling 6. - Aanpassing aanvullende uitkeringe... Afdeling 7. - Toekenning toelage voor informati... Afdeling 8. - Wijziging aan de bepalingen over ... Afdeling 9. - Tijdelijke programmatiestop in he... Afdeling 10. - Aanpassing van de kostenverantwo... Afdeling 11. - Toekenning van een eenmalig extr... Afdeling 12. - Stopzetting financiering Antwerp... Afdeling 13. - Stopzetting financiering Institu... Afdeling 14. - Schrappen Brusselmiddelen hoger ... Afdeling 15. - Financieringsvoorwaarden niet-EE... Afdeling 16. - Hertellingen nooddecreet Oekraïn... HOOFDSTUK 8. - Werk, Economie, Wetenschap, Inno... Afdeling 1. - Algemene financiering van de geme... Afdeling 2. - Verhoging plafond invoering retri... Afdeling 3. - Uitbreiding begrotingsfonds Depar... Afdeling 4. - Begrotingsfonds Vlaamse Codex Fis... Afdeling 5. - Opheffing van de vermindering van... Afdeling 6. - Opheffing van de transitiepremie Afdeling 7. - Beperking van de hinderpremie ope... HOOFDSTUK 9. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin Afdeling 1. - Beperking van de universele parti... Afdeling 2. - Rekening houden met reserves bij ... HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales CHAPITRE 2. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias Section 1re. - Arrêt des subventions à l'asbl C... Section 2. - Modification du décret du 15 juill... CHAPITRE 3. - Finances et Budget Section 1re. - Réforme du régime avantageux des... Section 2. - Modification du Code flamand de la... Section 3. - Introduction d'une régularisation ... Section 4. - Modification du Code flamand de la... Section 5. - Suppression de l'exonération de ta... Section 6. - Mécanisme de contrôle de l'utilisa... Section 7. - Transposition du cadre budgétaire ... Section 8. - Coûts admissibles CHAPITRE 4. - Chancellerie, Gouvernance publiqu... Section 1re. - Financement basé sur l'espace ou... Section 2. - Financement des administrations lo... Section 3. - Subvention pour les petites commun... Section 4. - Modification et abrogation du décr... Section 5. - Fonds rural Section 6. - Modification du Fonds Membres du p... Section 7. - Subventionnement d'initiatives en ... Section 8. - Fonds de Maintien flamand et rétri... CHAPITRE 5. - Mobilité et Travaux publics CHAPITRE 6. - Environnement Section 1. - La Région flamande octroie l'assur... Section 2. - Modification du décret du 6 juille... Section 3. - Modifications du décret Politique ... Section 4. - Décret Politique intégrée de l'Eau... Section 5. - Modification du Code flamand de l'... Section 6. - Redevance aux entreprises de broya... Section 7. - Suppression progressive du taux ré... Section 8. - Modifications du décret du 23 déce... Section 9. - Modification du Code flamand de la... CHAPITRE 7. - Enseignement et Formation Section 1. - Modification des dispositions rela... Section 2. - Modification des dispositions rela... Section 3. - Suppression des missions de coordi... Section 4. - Ajustements techniques des droits ... Section 5. - Attribution de ETP/heures d'enseig... Section 6. - Adaptation des allocations complém... Section 7. - Octroi d'une allocation pour l'inf... Section 8. - Modification des dispositions rela... Section 9. - Suspension temporaire de la progra... Section 10. - Adaptation de la justification de... Section 11. - Allocation d'un budget de fonctio... Section 12. - Arrêt du financement de l'Antwerp... Section 13. - Arrêt du financement de l'Institu... Section 14. - Suppression des fonds bruxellois ... Section 15. - Conditions de financement pour le... Section 16. - Arrêt des réexamens à partir du 1... CHAPITRE 8. - Emploi, Economie, Sciences, Innov... Section 1re. - Financement général des communes... Section 2. - Relèvement du plafond concernant l... Section 3. - Extension du fonds budgétaire du D... Section 4. - Fonds budgétaire du Code flamand d... Section 5. - Suppression de la réduction des co... Section 6. - Suppression de la prime de transition Section 7. - Limitation de l'indemnité pour nui... CHAPITRE 9. - Bien-Etre, Santé publique et Famille Section 1re. - Limitation des allocations de pa... Section 2. - Prise en compte des réserves dans ... CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur ANNEXES.
Tekst (213)
Texte (213)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewest- en gemeenschapsaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle des matières régionale et communautaire.
HOOFDSTUK 2. - Cultuur, Jeugd, Sport en Media
CHAPITRE 2. - Culture, Jeunesse, Sport et Médias
Afdeling 1. - Stopzetting subsidies aan de vzw Centrum voor de Bibliografie van de Neerlandistiek
Section 1re. - Arrêt des subventions à l'asbl Centrum voor de Bibliografie van de Neerlandistiek
Art. 2. In hoofdstuk 2 van het Programmadecreet van 30 juni 2023 houdende bepalingen tot begeleiding van de begrotingsaanpassing 2023 wordt afdeling 3, die bestaat uit artikel 6 tot en met 8, opgeheven.
Art. 2. Au chapitre 2 du Décret-programme du 30 juin 2023 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement budgétaire 2023, la section 3, qui se compose des articles 6 à 8, est abrogée.
Afdeling 2. - Wijziging decreet van 15 juli 2011 houdende de erkenning van en de subsidieregeling voor het Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding en Vrede
Section 2. - Modification du décret du 15 juillet 2011 portant agrément et subventionnement du Mémorial de l'Emancipation flamande et de la Paix
Art. 3. In artikel 4, § 1, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2011 houdende de erkenning van en de subsidieregeling voor het Memoriaal van de Vlaamse Ontvoogding en Vrede worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° het jaartal "2011" wordt vervangen door het jaartal "2026";
  2° de woorden "driehonderdtachtigduizend euro" worden vervangen door het bedrag "202.000 euro".
Art. 3. Dans l'article 4, § 1er, alinéa 1er, du décret du 15 juillet 2011 portant agrément et subventionnement du Mémorial de l'Emancipation flamande et de la Paix, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'année " 2011 " est remplacée par l'année " 2026 " ;
  2° les mots " trois cent quatre-vingt mille euros " sont remplacés par le montant " 202 000 euros ".
HOOFDSTUK 3. - Financiën en Begroting
CHAPITRE 3. - Finances et Budget
Afdeling 1. - Hervorming van de gunstregeling in de schenk- en erfbelasting voor familiale vennootschappen
Section 1re. - Réforme du régime avantageux des droits de donation et de succession pour les entreprises familiales
Art. 4. In artikel 2.7.4.2.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 17 juli 2015, 21 december 2018 en 2 april 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede ", met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1" toegevoegd;
  2° aan paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de volgende zinnen toegevoegd:
  "Het verlaagde tarief is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°. ";
  3° in paragraaf 2, 2°, worden de zinnen "Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren voorafgaand aan de datum van overlijden van de erflater cumulatief blijkt:
  a) dat de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage gelijk of lager dan 1,50 % uitmaken van de totale activa;
  b) de terreinen en gebouwen meer dan 50% uitmaken van het totale actief. De verkrijger kan het tegenbewijs daarvan leveren.
  Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder:
  a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
  b) terreinen en gebouwen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening, of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
  c) totaal actief: de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;" vervangen door de zin "Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan het overlijden minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.".
Art. 4. Dans l'article 2.7.4.2.2 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par les décrets des 17 juillet 2015, 21 décembre 2018 et 2 avril 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est complété par le membre de phrase " , y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1 " ;
  2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2° est complété par les phrases suivantes :
  " Le taux réduit ne s'applique pas à la partie de la valeur des actions représentant les biens immobiliers visés au point 1°, dans la société familiale, ni aux participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales.
  Cette restriction ne s'applique pas aux sociétés familiales dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée aux biens immobiliers visés au point 1°. " ;
  3° au paragraphe 2, 2°, les phrases " Une société est censée ne pas avoir d'activité économique réelle lorsqu'il ressort de façon cumulative des postes du bilan soit des comptes annuels approuvés dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa 1er, soit des comptes annuels consolidés dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa 2, d'au moins un des trois exercices précédant la date de décès du testateur :
  a) que les rémunérations, charges sociales et pensions représentent un pourcentage égal ou inférieur à 1,50 % des actifs totaux ;
  b) que les terrains et bâtiments représentent plus de 50 % des actifs totaux. Le bénéficiaire peut en fournir la preuve contraire.
  Pour l'application de la description visée ci-dessus, il convient d'entendre par :
  a) rémunérations, charges sociales et pensions ; la valeur, inscrite au poste correspondant du compte de résultats des comptes annuels ou à un poste similaire des comptes annuels consolidés. Si une société n'a pas pour obligation de déposer des comptes annuels suivant le modèle standard de droit belge, il s'agit de la valeur inscrite au poste démontrant les frais qui, de par leur nature, peuvent être considérés comme des frais pour l'occupation de personnel sous contrat d'emploi ;
  b) terrains et bâtiments : la valeur, inscrite au bilan correspondant des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés, ou à un poste similaire des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés. Si une société n'a pas pour obligation de déposer des comptes annuels suivant le modèle standard de droit belge, on entend un poste similaire repris au poste des immobilisations corporelles ;
  c) actifs totaux : la valeur, inscrite au poste de bilan du total des actifs des comptes annuels ou à un poste similaire des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés ; " sont remplacées par la phrase " Pour une société dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée à des biens immobiliers, visés au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'exclusion de la restriction visée à l'art.7.4.2.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, ne s'applique qu'à condition que la société compte au moins un travailleur salarié, exprimé en unités à temps plein, au cours des trois années précédant le décès. ".
Art. 5. In artikel 2.7.4.2.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 2 april 2021, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. Het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
  2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
  3° voor elk van de drie jaar vanaf het overlijden van de erflater wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt en in voorkomend geval gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van het overlijden, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op het ogenblik van het overlijden;
  4° naargelang het geval:
  a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater;
  b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van het overlijden verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
  5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen deel uitmaakt van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van het overlijden van de erflater.".
Art. 5. Dans l'article 2.7.4.2.3 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par les décrets des 21 décembre 2018 et 2 avril 2021, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.2, § 1er, alinéa 1er, 2°, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur, la société familiale continue à remplir les conditions visées à l'article 2.7.4.2.2, § 2, 2° ;
  2° une activité de la société familiale est poursuivie sans interruption pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur ;
  3° pour chacune des trois années à compter de la date du décès du testateur, des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés sont établis et, le cas échéant, publiés conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel se trouve le siège au moment du décès, qui ont également servi à justifier la déclaration d'impôt sur les revenus.
  Les entreprises ou les sociétés dont le siège est situé en dehors de la Région flamande mais en Belgique, établissent et, le cas échéant, publient des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique au moment du décès ;
  4° selon le cas :
  a) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : le capital ne diminue à aucun moment par le biais d'allocations ou de remboursements pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur ;
  b) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : à aucun moment pendant trois ans à compter de la date du décès du testateur, les apports effectués ne diminuent pas par le biais d'allocations ou de remboursements sous le montant des apports effectués à la date du décès, comme il ressort des comptes annuels ;
  5° le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date du décès du testateur. ".
Art. 6. In artikel 2.7.4.2.4, § 1 en § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.7.4.2.3, § 2, 4°, is de erfbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.1.1, zonder toepassing van het verlaagde tarief, op het bedrag waarmee het kapitaal of de verrichte inbrengen is verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop het verlaagde tarief is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van het overlijden van de erflater.".
Art. 6. Dans l'article 2.7.4.2.4, § 1er et § 2, du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " En cas de non-respect de la condition telle que visée à l'article 2.7.4.2.3, § 2, 4°, les droits de succession sont dus au taux visé à l'article 2.7.4.1.1, sans application du taux réduit, sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle le taux réduit a été appliqué, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date du décès du testateur. ".
Art. 7. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, wordt een artikel 2.7.4.2.6 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.7.4.2.6. Voor de toepassing van artikel 2.7.4.2.2 en van artikel 2.7.4.2.3, § 1, 2°, moet de aanwending of de bestemming van een onroerend goed worden nagegaan per kadastraal perceel of per gedeelte van een kadastraal perceel als dat gedeelte ofwel een afzonderlijke huisvesting is, ofwel een afdeling van de productie of van de werkzaamheden is die, of een onderdeel daarvan dat, afzonderlijk kan werken, ofwel een eenheid is die van de andere goederen of delen die het perceel vormen, kan worden afgezonderd.".
Art. 7. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 20 décembre 2024, il est inséré un article 2.7.4.2.6, rédigé comme suit :
  " Art. 2.7.4.2.6. Aux fins de l'application de l'article 2.7.4.2.2 et de l'article 2.7.4.2.3, § 1er, 2°, l'affectation ou la destination d'un bien immobilier doit être déterminée par parcelle cadastrale ou par partie de parcelle cadastrale si cette partie est soit un logement séparé, soit un département de production ou d'activités qui, en tout ou en partie, peut fonctionner séparément, soit une unité qui peut être séparée des autres biens ou parties qui constituent la parcelle. ".
Art. 8. In artikel 2.8.6.0.3 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 17 juli 2015, 21 december 2018 en 2 april 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, 1°, wordt de zinsnede ", met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1" toegevoegd;
  2° aan paragraaf 1, eerste lid, 2°, worden de volgende zinnen toegevoegd:
  "De vrijstelling is niet van toepassing op het gedeelte van de waarde van de aandelen dat de onroerende goederen, vermeld in punt 1°, in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen, vertegenwoordigt. Deze beperking is niet van toepassing voor familiale vennootschappen waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in punt 1°. ";
  3° in paragraaf 2, 2°, worden de zinnen "Een vennootschap wordt geacht geen reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten van ofwel de goedgekeurde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, eerste lid, ofwel de goedgekeurde geconsolideerde jaarrekening in geval van een vennootschap als vermeld in paragraaf 2, punt 2°, tweede lid, van minstens een van de drie boekjaren die voorafgaan aan de datum van de authentieke akte van schenking, cumulatief blijkt dat:
  a) de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen een percentage uitmaken dat gelijk is aan of lager is dan 1,50% van de totale activa;
  b) de terreinen en gebouwen meer dan 50% uitmaken van het totale actief. De begiftigde kan het tegenbewijs daarvan leveren.
  Voor de toepassing van de hiervoor vermelde omschrijving moet worden begrepen onder:
  a) bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige post van de resultatenrekening van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, is het de waarde die opgenomen is onder de post waaruit alle kosten blijken die naar hun aard als kosten kunnen worden beschouwd voor de tewerkstelling van personeel in dienstverband;
  b) terreinen en gebouwen: de waarde, opgenomen onder de gelijknamige balanspost van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening. Als een vennootschap geen jaarrekening volgens het standaardmodel naar Belgisch recht hoeft neer te leggen, wordt een soortgelijke post bedoeld die opgenomen is onder de post materiële vaste activa;
  c) totaal actief: de waarde, opgenomen onder de balanspost totaal van de activa van de jaarrekening of onder een soortgelijke post van de jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening;" vervangen door de zin "Voor een vennootschap waarvan de omzet voor minstens 75% wordt gegenereerd door de uitoefening van een activiteit die betrekking heeft op onroerende goederen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, kan het uitsluiten van de beperking vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, slechts gelden op voorwaarde dat de vennootschap in de drie jaar voorafgaand aan de authentieke akte van de schenking minstens één tewerkgestelde werknemer telt, uitgedrukt in voltijdse eenheden.".
Art. 8. Dans l'article 2.8.6.0.3 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par les décrets des 17 juillet 2015, 21 décembre 2018 et 2 avril 2021, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, est complété par le membre de phrase " , y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1 " ;
  2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, 2°, est complété par les phrases suivantes :
  " L'exonération ne s'applique pas à la partie de la valeur des actions représentant les biens immobiliers visés au point 1°, dans la société familiale, ni aux participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales.
  Cette restriction ne s'applique pas aux sociétés familiales dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée aux biens immobiliers visés au point 1°. " ;
  3° au paragraphe 2, 2°, les phrases " Une société est censée ne pas avoir d'activité économique réelle lorsqu'il ressort de façon cumulative des postes du bilan soit des comptes annuels dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa premier, soit des comptes annuels consolidés dans le cas d'une société visée au § 2, point 2°, alinéa deux, d'au moins un des trois exercices précédant la date de l'acte authentique de donation :
  a) que les rémunérations, charges sociales et pensions représentent un pourcentage égal ou inférieur à 1,50 % des actifs totaux ;
  b) que les terrains et bâtiments représentent plus de 50 % des actifs totaux. Le bénéficiaire peut en fournir la preuve contraire.
  Pour l'application de la description visée ci-dessus, il convient d'entendre par :
  a) rémunérations, charges sociales et pensions ; la valeur, inscrite au poste correspondant du compte de résultats des comptes annuels ou à un poste similaire des comptes annuels consolidés. Si une société n'a pas pour obligation de déposer des comptes annuels suivant le modèle standard de droit belge, il s'agit de la valeur inscrite au poste démontrant les frais qui, de par leur nature, peuvent être considérés comme des frais pour l'occupation de personnel sous contrat d'emploi ;
  b) terrains et bâtiments : la valeur, inscrite au poste similaire du compte de résultats des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés, ou à un poste similaire des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés. Si une société n'a pas pour obligation de déposer des comptes annuels suivant le modèle standard de droit belge, on entend un poste similaire repris au poste des immobilisations corporelles ;
  c) actifs totaux : la valeur, inscrite au poste de bilan du total des actifs des comptes annuels ou à un poste similaire des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés ; " sont remplacées par la phrase " Pour une société dont au moins 75 % du chiffre d'affaires sont générés par l'exercice d'une activité liée à des biens immobiliers, visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 1°, l'exclusion de la restriction visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, alinéa 1er, 2°, ne s'applique qu'à condition que la société compte au moins un travailleur salarié, exprimé en unités à temps plein, au cours des trois années précédant l'acte authentique de donation. ".
Art. 9. In artikel 2.8.6.0.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 21 december 2018 en 2 april 2021, wordt paragraaf 2 vervangen door wat volgt:
  " § 2. De vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 1, eerste lid, 2°, wordt alleen behouden als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de familiale vennootschap blijft gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
  2° een activiteit van de familiale vennootschap wordt zonder onderbreking voortgezet gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
  3° voor elk van de drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking wordt een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening opgemaakt die in voorkomend geval wordt gepubliceerd conform de geldende boekhoudwetgeving van de lidstaat waar de zetel gevestigd is op het ogenblik van de datum van de authentieke akte van schenking, die ook aangewend is ter verantwoording van de aangifte in de inkomstenbelasting. Ondernemingen of vennootschappen waarvan de zetel buiten het Vlaamse Gewest, maar binnen België ligt, maken een jaarrekening of geconsolideerde jaarrekening op en in voorkomend geval publiceren ze die conform de geldende boekhoudwetgeving in België op de datum van de authentieke akte van schenking;
  4° naargelang het geval:
  a) als de familiale vennootschap een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap of een Europese coöperatieve vennootschap is, of een vennootschap met een andere rechtsvorm waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat haar beheerst, voorziet in een vergelijkbaar begrip: het kapitaal daalt op geen enkel moment door uitkeringen of terugbetalingen gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking;
  b) als de familiale vennootschap een vennootschapsvorm heeft waarvoor het Belgische of buitenlandse recht dat de vennootschap beheerst, niet voorziet in het begrip kapitaal of een vergelijkbaar begrip: de verrichte inbrengen dalen op geen enkel moment gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking door uitkeringen of terugbetalingen tot onder het bedrag van de tot op de datum van de authentieke akte van schenking verrichte inbrengen, zoals dat blijkt uit de jaarrekening;
  5° de zetel van de werkelijke leiding van de vennootschap wordt niet overgebracht naar een staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte gedurende drie jaar vanaf de datum van de authentieke akte van schenking.".
Art. 9. Dans l'article 2.8.6.0.6 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par les décrets des 21 décembre 2018 et 2 avril 2021, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. L'exonération visée à l'article 2.8.6.0.3, § 1er, alinéa 1er, 2°, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° la société familiale continue à répondre, pendant une durée de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation aux conditions visées à l'article 2.8.6.0.3, § 2, 2° ;
  2° une activité de la société familiale est poursuivie pendant une durée ininterrompue de 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
  3° pour chacune des trois années à compter de la date de l'acte authentique de donation, des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés sont établis et, le cas échéant, publiés conformément à la législation comptable en vigueur de l'Etat membre dans lequel se trouve le siège à la date de l'acte authentique de donation, qui ont également servi à justifier la déclaration d'impôt sur les revenus.
  Les entreprises ou les sociétés dont le siège est situé en dehors de la Région flamande mais en Belgique, établissent et, le cas échéant, publient des comptes annuels ou des comptes annuels consolidés conformément à la législation comptable en vigueur en Belgique à la date de l'acte authentique de donation ;
  4° selon le cas :
  a) si la société familiale est une société anonyme, une société européenne ou une société coopérative européenne, ou une société ayant une autre forme juridique pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit prévoit une notion comparable : le capital ne diminue à aucun moment par le biais d'allocations ou de remboursements pendant trois ans à compter de la date de l'acte authentique de donation ;
  b) si la société familiale a une forme de société pour laquelle le droit belge ou étranger qui la régit ne prévoit pas la notion de capital ou une notion comparable : à aucun moment pendant trois ans à compter de la date de l'acte authentique de donation, les apports effectués ne diminuent pas par le biais d'allocations ou de remboursements sous le montant des apports effectués jusqu'à la date de l'acte authentique de donation, comme il ressort des comptes annuels ;
  5° le siège de direction effective de la société n'est pas transféré dans un Etat non membre de l'Espace économique européen pendant 3 ans à compter de la date de l'acte authentique de donation. ".
Art. 10. In artikel 2.8.6.0.7, § 1 en § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, wordt het derde lid vervangen door wat volgt:
  "Bij niet-vervulling van de voorwaarde, vermeld in artikel 2.8.6.0.6, § 2, 4°, is de schenkbelasting verschuldigd tegen het tarief, vermeld in artikel 2.8.4.1.1, zonder toepassing van de vrijstelling op het bedrag waarmee het kapitaal is verminderd of waarmee de verrichte inbrengen zijn verminderd, vermenigvuldigd met de grondslag waarop de vrijstelling is toegepast, en gedeeld door de waarde van alle aandelen van de familiale vennootschap op de datum van de authentieke schenkingsakte.".
Art. 10. Dans l'article 2.8.6.0.7, § 1er et § 2, du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " En cas de non-respect de la condition visée à l'article 2.8.6.0.6, § 2, 4°, les droits de donation sont dus au taux visé à l'article 2.8.4.1.1, sans application de l'exonération sur le montant de la réduction du capital ou des apports effectués, multiplié par la base à laquelle l'exonération a été appliquée, et divisé par la valeur de l'ensemble des parts de la société familiale à la date de l'acte authentique de donation. ".
Art. 11. In artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2023, wordt aan punt b) een punt 8) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "8) een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is gedateerd en ondertekend voorafgaand aan de datum van de indiening van de aangifte van nalatenschap voor elke familiale vennootschap. Het verslag bevat al de volgende elementen:
  i) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
  ii) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
  iii) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor het verlaagde tarief wordt gevraagd;
  iv) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de vererfde aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
  v) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben, en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
  vi) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt iv), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt v), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale vennootschap in haar dochtervennootschappen;
  vii) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt iv), en de verkoopwaarde, vermeld in punt vi);
  viii) de motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt iv), vi) en vii), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
  ix) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt iv) en v), namelijk de datum van het overlijden van de erflater;".
Art. 11. L'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa 1er, 14°, du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 10 mars 2023, le point b) est complété par un point 8), rédigé comme suit :
  " 8) un rapport émis par un réviseur d'entreprises, qui n'est pas le commissaire, ou un comptable certifié. Le rapport est daté et signé avant la date de dépôt de la déclaration de succession pour chaque société familiale. Le rapport comprend tous les éléments suivants :
  i) le nom et le prénom du réviseur d'entreprises ou du comptable, le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, ou le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 29 de la loi du 17 mars 2019 relative aux professions d'expert-comptable et de conseiller fiscal ;
  ii) le nom et le prénom, le numéro de registre national et l'adresse du demandeur ou, s'il y en a plusieurs, des demandeurs ;
  iii) le nom et le numéro d'entreprise de la société familiale pour laquelle le taux réduit est demandé ;
  iv) la valeur de vente de la pleine propriété des actions héritées de la société familiale, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable ;
  v) la valeur de vente et l'énumération des biens immobiliers utilisés ou destinés à l'habitation, y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1, du présent code, sur lesquels la société familiale ou ses filiales détiennent des droits réels, ainsi que la nature de ces droits réels. La mention contient les données cadastrales, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle et le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identifiant cadastral détaillé d'une propriété privée ;
  vi) la partie de la valeur, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable, visée au point iv), déterminée par la valeur de vente des biens immobiliers, visée au point v), dans la société familiale, ou dans des participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales ;
  vii) la différence entre la valeur de vente visée au point iv), et la valeur de vente visée au point vi) ;
  viii) la justification de la manière dont le réviseur d'entreprises ou le comptable a déterminé les valeurs de vente visées aux points iv), vi) et vii), en indiquant la méthode d'évaluation utilisée ;
  ix) la date de référence pour l'évaluation de la valeur visée aux points iv) et v), à savoir la date du décès du testateur ; ".
Art. 12. In artikel 3.12.3.0.1, § 5, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt aan het tweede lid een punt 5° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "5° een verslag dat een bedrijfsrevisor, die niet de commissaris is, of een gecertificeerd accountant heeft uitgereikt. Het verslag is ondertekend en gedateerd voorafgaand aan de datum van de authentieke akte van de schenking voor elke familiale vennootschap. Het verslag vermeldt al de volgende gegevens:
  a) de voor- en achternaam van de bedrijfsrevisor of de gecertificeerde accountant, het registratienummer in het openbaar register, vermeld in artikel 10, § 1, van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en het inschrijvingsnummer in het openbaar register, vermeld in artikel 29 van de wet van 17 maart 2019 betreffende de beroepen van accountant en belastingadviseur;
  b) de voor- en achternaam, het rijksregisternummer en het adres van de aanvrager of, als er verschillende zijn, de aanvragers;
  c) de naam en het ondernemingsnummer van de familiale vennootschap waarvoor de vrijstelling wordt gevraagd;
  d) de verkoopwaarde van de volle eigendom van de geschonken aandelen van de familiale vennootschap, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant;
  e) de verkoopwaarde en de opsomming van de onroerende goederen die tot bewoning worden aangewend of bestemd, met inbegrip van bouwgronden als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 1° /1, van deze codex, waarop de familiale vennootschap of haar dochtervennootschappen zakelijke rechten hebben en de aard van die zakelijke rechten. De vermelding bevat de kadastrale gegevens, namelijk de kadastrale afdeling, de sectie, het perceelnummer en het partitienummer, de kadastrale oppervlakte, het kadastraal inkomen en, in voorkomend geval, de kadastrale detailidentificatie van een privatieve eigendom;
  f) het gedeelte van de waarde, zoals die is geraamd door de bedrijfsrevisor of de accountant, vermeld in punt d), dat wordt bepaald door de verkoopwaarde van de onroerende goederen, vermeld in punt e), in de familiale vennootschap, of in participaties van minstens 10% van de familiale ven-nootschap in haar dochtervennootschappen;
  g) het verschil tussen de verkoopwaarde, vermeld in punt d), en de verkoopwaarde, vermeld in punt f);
  h) een motivering van de wijze waarop de bedrijfsrevisor of de accountant de verkoopwaarden, vermeld in punt d), f) en g), heeft bepaald, met vermelding van de gebruikte waarderingsmethode;
  i) de referentiedatum voor de waardebepaling, vermeld in punt d) en f), namelijk de datum waarop de waarde van de aandelen wordt bepaald.".
Art. 12. Dans l'article 3.12.3.0.1, § 5, du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 2 avril 2021, l'alinéa 2 est complété par un point 5°, rédigé comme suit :
  " 5° un rapport émis par un réviseur d'entreprises, qui n'est pas le commissaire, ou un comptable certifié. Le rapport est signé et daté avant la date de l'acte authentique de donation pour chaque société familiale. Le rapport mentionne l'ensemble des données suivantes :
  a) le nom et le prénom du réviseur d'entreprises ou du comptable certifié, le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 10, § 1er, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, et le numéro d'inscription au registre public visé à l'article 29 de la loi du 17 mars 2019 relative aux professions d'expert-comptable et de conseiller fiscal ;
  b) le nom et le prénom, le numéro de registre national et l'adresse du demandeur ou, s'il y en a plusieurs, des demandeurs ;
  c) le nom et le numéro d'entreprise de la société familiale pour laquelle l'exonération est demandée ;
  d) la valeur de vente de la pleine propriété des actions données de la société familiale, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable ;
  e) la valeur de vente et l'énumération des biens immobiliers utilisés ou destinés à l'habitation, y compris les terrains à bâtir tels que visés à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 1° /1, du présent code, sur lesquels la société familiale ou ses filiales détiennent des droits réels, ainsi que la nature de ces droits réels. La mention contient les données cadastrales, à savoir la division cadastrale, la section, le numéro de parcelle et le numéro de partition, la superficie cadastrale, le revenu cadastral et, le cas échéant, l'identifiant cadastral détaillé d'une propriété privée ;
  f) la partie de la valeur, telle qu'estimée par le réviseur d'entreprises ou le comptable, visée au point d), déterminée par la valeur de vente des biens immobiliers, visée au point e), dans la société familiale, ou dans des participations d'au moins 10 % de la société familiale dans ses filiales ;
  g) la différence entre la valeur de vente visée au point d), et la valeur de vente visée au point f) ;
  h) la justification de la manière dont le réviseur d'entreprises ou le comptable a déterminé les valeurs de vente visées aux points d), f) et g), en indiquant la méthode d'évaluation utilisée ;
  i) la date de référence pour l'évaluation de la valeur visée aux points d) et f), à savoir la date à laquelle la valeur des actions est déterminée. ".
Art. 13. In titel 3, hoofdstuk 21, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt vóór artikel 3.21.0.0.1, dat artikel 3.21.0.0.1/1 wordt, een nieuw artikel 3.21.0.0.1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 3.21.0.0.1. § 1. Voor de aangifte en uiterlijk voor het verstrijken van de aangiftetermijn, vermeld in artikel 3.3.1.0.5, § 2, en artikel 3.3.1.0.6, kunnen de erfgenamen, algemene legatarissen, begiftigden en al wie gehouden is tot het indienen van een aangifte van nalatenschap een verzoek richten tot de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie tot het bekomen van een attest dat op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker, de waardering, bedoeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), 8), iv), vi) en vii) bevestigt.
  Het verzoek bevat de gegevens en de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b).
  Een attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de datum van het verslag, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), 8).
  § 2. De bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie verleent het attest, vermeld in paragraaf 1, binnen zestig dagen nadat ze het verzoek, vermeld in paragraaf 1, heeft ontvangen.
  Als het verzoek, vermeld in paragraaf 1, niet alle gegevens of de bescheiden, vermeld in artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, b), bevat, meldt de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie dat vóór de termijn, vermeld in het eerste lid, is verstreken, met opgave van de gegevens of de bescheiden die ontbreken. In dat geval wordt de termijn, vermeld in het eerste lid, geschorst vanaf de datum van verzending van die melding tot de datum waarop de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie de ontbrekende gegevens of bescheiden heeft ontvangen.
  Het attest, vermeld in paragraaf 1, is bindend voor de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie en wordt gebruikt om de erfbelasting te berekenen.".
Art. 13. Dans le titre 3, chapitre 21, du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par le décret du 2 avril 2021, avant l'article 3.21.0.0.1, qui devient l'article 3.21.0.0.1/1, il est inséré un nouvel article 3.21.0.0.1, rédigé comme suit :
  " Art. 3.21.0.0.1. § 1er. Avant la déclaration et au plus tard avant l'expiration du délai de déclaration visé à l'article 3.3.1.0.5, § 2, et à l'article 3.3.1.0.6, les héritiers, légataires universels, donataires et toute personne tenue de déposer une déclaration de succession peuvent introduire une demande auprès de l'entité compétente de l'administration flamande afin d'obtenir une attestation confirmant, sur la base des données fournies par le demandeur, la valorisation visée à l'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa 1er, 14°, b), 8), iv), vi) et vii).
  La demande contient les données et documents visés à l'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa 1er, 14°, b).
  Une attestation de valorisation ne peut être obtenue que si la demande est introduite dans les trente jours suivant la date du rapport visé à l'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa 1er, 14°, b), 8).
  § 2. L'entité compétente de l'administration flamande délivre l'attestation visée au paragraphe 1er, dans les soixante jours suivant la réception de la demande visée au paragraphe 1er.
  Si la demande visée au paragraphe 1er, ne contient pas toutes les données ou tous les documents visés à l'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa 1er, 14°, b), l'entité compétente de l'administration flamande le notifie avant l'expiration du délai visé à l'alinéa 1er, en précisant les données ou les documents manquants. Dans ce cas, le délai visé à l'alinéa 1er, est suspendu à compter de la date d'envoi de cette notification jusqu'à la date à laquelle l'entité compétente de l'administration flamande a reçu les données ou documents manquants.
  L'attestation visée au paragraphe 1er, est contraignante pour l'entité compétente de l'administration flamande et sert à calculer les droits de succession. ".
Art. 14. In artikel 3.21.0.0.1/1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014, gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021 en vernummerd bij dit decreet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "en dat, in voorkomend geval, de waardering, bedoeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, d), f) en g), bevestigt op de referentiedatum, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, i), op basis van de gegevens, aangereikt door de verzoeker." toegevoegd;
  2° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Een voorafgaand attest over de waardering kan alleen worden verkregen als het verzoek wordt ingediend binnen dertig dagen na de referentiedatum, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, i).";
  3° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "negentig dagen" vervangen door de woorden "zestig dagen";
  4° aan paragraaf 2 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het attest, vermeld in paragraaf 1, is zestig dagen vanaf de datum van de eindbeslissing geldig en bindend voor de bevoegde autoriteit van de Vlaamse administratie.".
Art. 14. Dans l'article 3.21.0.0.1/1 du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014, modifié par le décret du 2 avril 2021 et renuméroté par le présent décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par le membre de phrase " et que, le cas échéant, la valorisation visée à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, d), f) et g), confirme à la date de référence visée à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, i), sur la base des données fournies par le demandeur. " ;
  2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " Une attestation de valorisation préalable ne peut être obtenue que si la demande est introduite dans les trente jours suivant la date de référence visée à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, i). " ;
  3° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " nonante jours " sont remplacés par les mots " soixante jours " ;
  4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " L'attestation visée au paragraphe 1er, est valable 60 jours à partir de la date de la décision finale et est contraignante pour l'entité compétente de l'administration flamande. ".
Art. 15. Als de authentieke akte van schenking wordt verleden tussen 1 januari 2026 en 31 maart 2026, wordt de termijn om een verslag als vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, in te dienen, verlengd met zestig dagen.
  Als het verslag, vermeld in artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, na de authentieke akte wordt opgesteld, wordt in afwijking van artikel 3.12.3.0.1, § 5, tweede lid, 5°, i), de datum van de authentieke schenkingsakte als referentiedatum voor de waardebepaling in het verslag vermeld.
Art. 15. Si l'acte authentique de donation est passé entre le 1er janvier 2026 et le 31 mars 2026, le délai pour soumettre un rapport tel que visé à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, est prolongé de soixante jours.
  Si le rapport visé à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, est établi après l'acte authentique, par dérogation à l'article 3.12.3.0.1, § 5, alinéa 2, 5°, i), la date de l'acte authentique de donation est mentionnée dans le rapport comme date de référence pour l'évaluation de la valeur.
Afdeling 2. - Wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de invoering in de erfbelasting van een singlevermindering en versterking van de vrijstelling in het voordeel van de langstlevende partner
Section 2. - Modification du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, en ce qui concerne l'introduction dans les droits de succession d'une réduction pour personne célibataire et le renforcement de l'exonération en faveur du partenaire survivant
Art. 16. Aan artikel 2.7.3.2.12 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij de decreten van 6 juli 2018 en 9 december 2022, wordt een paragraaf 3 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 3. Als een persoon met een handicap als vermeld in paragraaf 1, volledig of gedeeltelijk onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt het bedrag van het abattement eerst toegerekend op het gedeelte van de verkrijging dat onderworpen is aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, en bij uitputting van dat aandeel op de belastbare grondslag waarop het verlaagde tarief wordt berekend, met toepassing van artikel 2.7.4.2.5.".
Art. 16. L'article 2.7.3.2.12 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par les décrets des 6 juillet 2018 et 9 décembre 2022, est complété par un paragraphe 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Si une personne porteuse d'un handicap telle que visée au paragraphe 1er, est soumise entièrement ou partiellement au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, le montant de l'abattement est d'abord affecté à la partie de l'acquisition soumise au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, et, à l'épuisement de cette partie, à la base imposable sur laquelle le taux réduit est calculé, en application de l'article 2.7.4.2.5. ".
Art. 17. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, wordt een artikel 2.7.4.2.5 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 2.7.4.2.5. § 1. In afwijking van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt voor de verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, het tarief van de erfbelasting verlaagd:
  1° tot 3% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat kleiner is dan of gelijk is aan 50.000 euro;
  2° tot 9% voor het gedeelte van de nettoverkrijging dat groter is dan 50.000 euro en niet meer bedraagt dan 100.000 euro.
  Het verlaagde tarief wordt toegepast op een nettoverkrijging tot een bedrag van maximaal 100.000 euro per nalatenschap.
  Het gedeelte van de nettoverkrijging dat het maximum, vermeld in het tweede lid, te boven gaat, wordt onderworpen aan het tarief voor verkrijgingen, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1.
  Het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, wordt alleen toegepast als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° op de datum van het openvallen van de nalatenschap heeft de erflater geen partner als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, en geen bloedverwanten in de rechte nederdalende lijn of daarmee gelijkgestelde personen als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5° ;
  2° de erflater heeft in een niet-herroepen testament op ondubbelzinnige wijze een of meer natuurlijke personen aangewezen die de toepassing van het verlaagde tarief kunnen vragen.
  Als maar één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, exclusief toegepast op de volledige of gedeeltelijke nettoverkrijging van die persoon.
  Als meer dan één natuurlijke persoon door de erflater is aangewezen conform het vierde lid, 2°, wordt het verlaagde tarief, vermeld in het eerste lid, toegepast op de nettoverkrijgingen van die personen.
  Als het totaal van de nettoverkrijgingen, vermeld in het zesde lid, het maximumbedrag van 100.000 euro te boven gaat, wordt het verlaagde tarief toegepast op dat maximumbedrag. Het maximum wordt verdeeld naar verhouding van de persoonlijke nettoverkrijgingen ten opzichte van de samengenomen nettoverkrijgingen, tenzij de erflater een andere verdeling heeft bepaald.
  § 2. Als de nettoverkrijging, vermeld in paragraaf 1, goederen omvat die vrijgesteld zijn conform artikel 2.7.6.0.5, wordt het vrijgestelde gedeelte proportioneel verdeeld tussen het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in paragraaf 1, en het gedeelte van de nettoverkrijging dat is onderworpen aan het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1.
  § 3. Het gedeelte van de nettoverkrijging waarop het verlaagde tarief, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, wordt toegepast, wordt bij voorrang toegerekend op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in tabel II van artikel 2.7.4.1.1, § 1, wordt toegepast, en vervolgens op het gedeelte van de verkrijging waarop het tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.2, wordt toegepast.".
Art. 17. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 20 décembre 2024, il est inséré un article 2.7.4.2.5, rédigé comme suit :
  " Art. 2.7.4.2.5. § 1er. Par dérogation à l'article 2.7.4.1.1, § 1er, le taux des droits de succession est réduit pour les acquisitions visées au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er :
  1° à 3 % pour la partie de l'acquisition nette inférieure ou égale à 50 000 € ;
  2° à 9 % pour la partie de l'acquisition nette supérieure à 50 000 € et qui n'excède pas 100 000 €.
  Le taux réduit s'applique à une acquisition nette jusqu'à un maximum de 100 000 euros par succession.
  La partie de l'acquisition nette qui excède le maximum visé à l'alinéa 2, est soumise au taux pour les acquisitions visées au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er.
  Le taux réduit visé à l'alinéa 1er, n'est applicable que si toutes les conditions suivantes sont remplies :
  1° à la date de l'ouverture de la succession, le testateur n'a pas de partenaire tel que visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 4°, ni de parents en ligne directe ou de personnes assimilées telles que visées à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 5° ;
  2° le testateur a désigné sans équivoque, dans un testament non révoqué, une ou plusieurs personnes physiques qui peuvent demander l'application du taux réduit.
  Si une seule personne physique est désignée par le testateur conformément à l'alinéa 4, 2°, le taux réduit visé à l'alinéa 1er, s'applique exclusivement à tout ou partie de l'acquisition nette de cette personne.
  Si plusieurs personnes physiques ont été désignées par le testateur conformément à l'alinéa 4, 2°, le taux réduit visé à l'alinéa 1er, est appliqué aux acquisitions nettes de ces personnes.
  Si le total des acquisitions nettes visées à l'alinéa 6, est supérieur au montant maximal de 100 000 euros, le taux réduit est appliqué à ce montant maximal. Le maximum est réparti proportionnellement aux acquisitions nettes personnelles par rapport aux acquisitions nettes globales, à moins que le testateur n'ait prévu une répartition différente.
  § 2. Si l'acquisition nette visée au paragraphe 1er, comprend des biens exonérés conformément à l'article 2.7.6.0.5, la partie exonérée est répartie proportionnellement entre la partie de l'acquisition nette soumise au taux visé au paragraphe 1er, et la partie de l'acquisition nette soumise au taux visé au tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er.
  § 3. La partie de l'acquisition nette à laquelle s'applique le taux réduit visé au paragraphe 1er, alinéa 1er, est appliquée en priorité à la partie de l'acquisition à laquelle s'applique le taux visé dans le tableau II de l'article 2.7.4.1.1, § 1er, et ensuite à la partie de l'acquisition à laquelle s'applique le taux visé à l'article 2.7.4.2.2. ".
Art. 18. In artikel 2.7.5.0.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 maart 2021 en gewijzigd bij het decreet van 9 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan het derde lid wordt de volgende zin toegevoegd:
  "Het testament is vóór 1 januari 2026 gedagtekend.";
  2° er wordt een achtste lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt niet toegepast als voor dezelfde nalatenschap toepassing wordt gemaakt van het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, § 1, eerste lid.".
Art. 18. Dans l'article 2.7.5.0.6 du même décret, inséré par le décret du 19 mars 2021 et modifié par le décret du 9 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 3 est complété par la phrase suivante : " Le testament est daté avant le 1er janvier 2026. " ;
  2° il est ajouté un alinéa 8 rédigé comme suit :
  " La réduction visée à l'alinéa 1er, n'est pas appliquée si le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.5, § 1er, alinéa 1er, est appliqué à la même succession. ".
Art. 19. In artikel 2.7.6.0.6, § 2, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 6 juli 2018 en gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt het bedrag "50.000 euro" vervangen door het bedrag "75.000 euro".
Art. 19. Dans l'article 2.7.6.0.6, § 2, du même décret, inséré par le décret du 6 juillet 2018 et modifié par le décret du 21 décembre 2018, le montant " 50.000 euros " est remplacé par le montant " 75 000 euros ".
Art. 20. Aan artikel 3.3.1.0.8, § 1, eerste lid, 14°, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 10 maart 2023, wordt een punt o) toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "o) het verlaagde tarief, vermeld in artikel 2.7.4.2.5, § 1, eerste lid;".
Art. 20. L'article 3.3.1.0.8, § 1er, alinéa 1er, 14°, du même décret, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par le décret du 10 mars 2023, est complété par un point o), rédigé comme suit :
  " o) le taux réduit visé à l'article 2.7.4.2.5, § 1er, alinéa 1er ; ".
Afdeling 3. - Invoering van een Vlaamse fiscale regularisatie en wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2023
Section 3. - Introduction d'une régularisation fiscale flamande et modification du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013
Art. 21. In deze afdeling wordt verstaan onder:
  1° aangever: de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die een regularisatie-aangifte indient, hetzij in persoon, hetzij door een gemachtigde;
  2° erfbelasting: de belasting die is of wordt geheven met toepassing van titel 2, hoofdstuk 7, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
  3° fiscaal verjaarde bedragen: de sommen, waarden of kapitalen ten aanzien waarvan de erfbelasting of de registratiebelasting voor de aangever niet meer kan worden geheven door de toepassing van artikel 3.3.3.0.1 of 5.0.0.0.11 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013 op het ogenblik van de indiening van de regularisatieaangifte;
  4° registratiebelasting: de belasting die is of wordt geheven met toepassing van titel 2, hoofdstuk 8 tot en met 11, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
  5° regularisatieaangifte: de aangifte die is ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst van fiscaal verjaarde of niet-fiscaal verjaarde bedragen die onderhevig zijn of hadden moeten zijn aan de erfbelasting of aan de registratiebelasting, om een regularisatieattest te verkrijgen, op voorwaarde dat de regularisatieheffing, vermeld in deze afdeling, wordt betaald;
  6° regularisatieheffing: het totaalbedrag van de som die verschuldigd is ingevolge de regularisatie;
  7° Vlaamse Belastingdienst: het agentschap, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 11 juni 2004 tot oprichting van het agentschap Vlaamse Belastingdienst.
Art. 21. Dans la présente section, on entend par :
  1° déclarant : la personne physique ou la personne morale qui introduit une déclaration de régularisation, soit personnellement soit par l'intermédiaire d'un mandataire ;
  2° droits de succession : l'impôt qui a été ou est prélevé en application du titre 2, chapitre 7, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
  3° montants fiscalement prescrits : les sommes, valeurs ou capitaux sur lesquels les droits de succession ne peuvent plus être prélevés ou la taxe d'enregistrement ne peut plus être prélevée pour le déclarant par l'application de l'article 3.3.3.0.1 ou 5.0.0.0.11 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 au moment de l'introduction de la déclaration de régularisation ;
  4° taxe d'enregistrement : la taxe qui a été ou est prélevée en application du titre 2, chapitres 8 à 11 inclus, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
  5° déclaration de régularisation : la déclaration introduite auprès du Service flamand des Impôts de montants fiscalement prescrits ou non qui sont ou auraient dû être soumis aux droits de succession ou à la taxe d'enregistrement, dans le but d'obtenir une attestation de régularisation, à condition que le prélèvement de régularisation visé dans la présente section, soit payé ;
  6° prélèvement de régularisation : le montant total de la somme due en vertu de la régularisation ;
  7° Service flamand des Impôts : l'agence créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 juin 2004 portant création de l'agence " Vlaamse Belastingdienst " (Service flamand des Impôts).
Art. 22. Deze afdeling is alleen van toepassing op de regularisatieaangiften die:
  1° uiterlijk op 31 december 2029 worden ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst;
  2° betrekking hebben op inbreuken die vóór 1 juli 2025 begaan zijn op de regelgeving over de erfbelasting of over de registratiebelasting.
Art. 22. La présente section s'applique uniquement aux déclarations de régularisation :
  1° introduites auprès du Service flamand des Impôts au 31 décembre 2029 au plus tard ;
  2° relatives à des infractions commises avant le 1er juillet 2025 à l'encontre de la réglementation en matière de droits de succession ou de taxe d'enregistrement.
Art. 23. § 1. De niet-fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de erfbelasting en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de erfbelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van:
  1° 40% voor een verkrijging in rechte lijn of tussen partners;
  2° 75% voor een andere verkrijging dan een verkrijging in rechte lijn of tussen partners.
  In het eerste lid wordt verstaan onder:
  1° partner: een partner als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 4°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
  2° verkrijging in rechte lijn: een verkrijging in rechte lijn als vermeld in artikel 1.1.0.0.2, zesde lid, 5°, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
  § 2. De fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen zijn geweest aan de erfbelasting en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de erfbelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van 40% als de regularisatieaangifte wordt ingediend in 2026, en aan een tarief van 42%, 44% of 45% als de regularisatieaangifte wordt ingediend respectievelijk in 2027, 2028 of 2029.
  § 3. De niet-fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de registratiebelasting, en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de registratiebelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van 25%.
  § 4. De fiscaal verjaarde bedragen die niet onderworpen geweest zijn aan de registratiebelasting en die het voorwerp uitmaken van een regularisatieaangifte voor de registratiebelasting, zijn onderworpen aan een forfaitaire regularisatieheffing van 40% als de regularisatieaangifte wordt ingediend in 2026, en aan een tarief van 42%, 44% of 45% als de regularisatieaangifte wordt ingediend respectievelijk in 2027, 2028 of 2029.
  § 5. Om de regularisatieheffing te berekenen, kan het bedrag dat wordt aangegeven in een regularisatieaangifte voor de erfbelasting, worden verminderd met het bedrag van een heffing die is betaald met toepassing van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet. De vermindering is alleen mogelijk als de betaalde heffing is berekend op geregulariseerde inkomsten of kapitalen die door de erflater zijn behaald of verkregen.
  De vermindering, vermeld in het eerste lid, kan voor dezelfde betaalde regularisatieheffing niet gecombineerd worden met een aftrek als vermeld in artikel 2.7.3.4.1, vierde lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
  De vermindering, vermeld in het eerste lid, wordt uiterlijk bij de indiening van de regularisatieaangifte voor de erfbelasting gevraagd.
  § 6. Behalve in geval van de toepassing van de vermindering, vermeld in paragraaf 5, kunnen bij de berekening van de regularisatieheffing volgens de tarieven, vermeld in paragraaf 1 tot en met 4, geen verminderingen, vrijstellingen of andere gunstmaatregelen worden verkregen of toegepast.
Art. 23. § 1er. Les montants fiscalement non prescrits qui n'ont pas été soumis aux droits de succession et qui font l'objet d'une déclaration de régularisation pour les droits de succession, sont soumis à un prélèvement de régularisation forfaitaire de :
  1° 40 % pour une acquisition en ligne directe ou entre partenaires ;
  2° 75 % pour une acquisition autre qu'une acquisition en ligne directe ou entre partenaires.
  A l'alinéa 1er, on entend par :
  1° partenaire : un partenaire tel que visé à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 4°, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
  2° acquisition en ligne directe : une acquisition en ligne directe telle que visée à l'article 1.1.0.0.2, alinéa 6, 5°, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.
  § 2. Les montants fiscalement prescrits qui n'ont pas été soumis aux droits de succession et qui font l'objet d'une déclaration de régularisation pour les droits de succession, sont soumis à un prélèvement de régularisation forfaitaire de 40 %, lorsque la déclaration de régularisation est introduite en 2026, et à un taux de 42 %, 44 % ou 45 %, lorsque la déclaration de régularisation est introduite respectivement en 2027, 2028 ou 2029.
  § 3. Les montants fiscalement non prescrits qui n'ont pas été soumis à la taxe d'enregistrement, et qui font l'objet d'une déclaration de régularisation pour la taxe d'enregistrement, sont soumis à un prélèvement de régularisation forfaitaire de 25 %.
  § 4. Les montants fiscalement prescrits qui n'ont pas été soumis à la taxe d'enregistrement et qui font l'objet d'une déclaration de régularisation pour la taxe d'enregistrement, sont soumis à un prélèvement de régularisation forfaitaire de 40 %, lorsque la déclaration de régularisation est introduite en 2026, et à un taux de 42 %, 44 % ou 45 %, lorsque la déclaration de régularisation est introduite respectivement en 2027, 2028 ou 2029.
  § 5. Pour le calcul du prélèvement de régularisation, le montant déclaré dans une déclaration de régularisation des droits de succession peut être diminué du montant d'un prélèvement payé en application d'une loi fédérale prévoyant un système de régularisation fiscale. La réduction n'est possible que si le prélèvement payé est calculé sur des revenus régularisés ou des capitaux obtenus ou acquis par le testateur.
  La réduction visée à l'alinéa 1er, ne peut pas être combinée, pour le même prélèvement de régularisation payé, avec une déduction telle que visée à l'article 2.7.3.4.1, alinéa 4, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.
  La réduction visée à l'alinéa 1er, est demandée au plus tard lors de l'introduction de la déclaration de régularisation des droits de succession.
  § 6. Hormis en cas de l'application de la réduction visée au paragraphe 5, lors du calcul du prélèvement de régularisation selon les taux visés aux paragraphes 1er à 4, aucune réduction, exemption ou autre mesure de faveur ne peut être accordée ou appliquée.
Art. 24. De betaling van de regularisatieheffing die conform artikel 23 is berekend, heeft tot gevolg dat de aangegeven en aldus geregulariseerde bedragen niet meer onderworpen zijn of kunnen worden aan de erfbelasting, respectievelijk aan de registratiebelasting, met inbegrip van belastingverhogingen en nalatigheidsinteresten.
  Als de vermindering, vermeld in artikel 23, § 5, is toegepast, geldt het eerste lid voor het volledig aangegeven bedrag, vóór de toepassing van die vermindering.
Art. 24. Le paiement du prélèvement de régularisation calculé conformément à l'article 23 a pour conséquence que les montants déclarés et ainsi régularisés ne sont ou ne peuvent plus être soumis aux droits de succession, ou à la taxe d'enregistrement, en ce compris les majorations d'impôts et les intérêts de retard.
  Si la réduction visée à l'article 23, § 5, a été appliquée, l'alinéa 1er s'applique au montant total déclaré, avant l'application de cette réduction.
Art. 25. De regularisatieaangifte wordt ingediend bij de Vlaamse Belastingdienst met een aangifteformulier dat de Vlaamse Belastingdienst ter beschikking stelt. Het aangifteformulier vermeldt de naam van de aangever en, in voorkomend geval, de naam van de gemachtigde en de te regulariseren bedragen. De ingevulde aangifte wordt gedateerd en ondertekend door de aangever of, in voorkomend geval, door de gemachtigde.
  Bij de regularisatieaangifte wordt een bondige verklaring over het fraudeschema gevoegd waarin al de volgende elementen worden vermeld:
  1° de herkomst van de te regulariseren bedragen;
  2° het moment waarop de te regulariseren bedragen aan de erfbelasting of aan de registratiebelasting onderworpen hadden moeten zijn;
  3° de financiële rekeningen die voor de te regulariseren bedragen gebruikt zijn.
  Bij de regularisatieaangifte worden ook de nodige bewijsstukken gevoegd waaruit blijkt welk van de tarieven, vermeld in artikel 23, kan worden toegepast.
  Als de aangevers de toepassing vragen van de mogelijkheid van de vermindering van de heffingsgrondslag, vermeld in artikel 23, § 5, van dit decreet, leggen de aanvragers ook het regularisatieattest voor dat, met toepassing van de bepalingen van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, aan de aangever of de gemachtigde is verzonden. Het bewijs waaruit blijkt dat de geregulariseerde inkomsten zijn behaald of verkregen door de erflater, wordt ook toegevoegd.
  De onderliggende stukken kunnen worden ingediend tot zes maanden na de indiening van de regularisatieaangifte. De Vlaamse Belastingdienst heeft de mogelijkheid om de onderliggende stukken die met de regularisatieaangifte worden meegestuurd en die betrekking hebben op de geregulariseerde bedragen, na te kijken met het oog op de overeenstemming ervan met de gegevens uit de regularisatieaangifte.
  Stukken die naar aanleiding van een regularisatieaangifte worden ingediend en die geen betrekking hebben op de te regulariseren bedragen, worden geacht geen deel uit te maken van de regularisatieaangifte.
Art. 25. La déclaration de régularisation est introduite auprès du Service flamand des Impôts au moyen d'un formulaire de déclaration mis à disposition par le Service flamand des Impôts. Le formulaire de déclaration mentionne le nom du déclarant et, le cas échéant, celui du mandataire ainsi que les montants à régulariser. La déclaration complétée est datée et signée par le déclarant ou, le cas échéant, par son mandataire.
  La déclaration de régularisation est accompagnée d'une déclaration concise sur le système de fraude comprenant l'ensemble des éléments suivants :
  1° l'origine des montants à régulariser ;
  2° le moment auquel les montants à régulariser auraient dû être soumis aux droits de succession ou à la taxe d'enregistrement ;
  3° les comptes financiers utilisés pour les montants à régulariser.
  La déclaration de régularisation est également accompagnée des pièces justificatives requises permettant de déterminer lequel des taux visés à l'article 23, peut être appliqué.
  Si les déclarants demandent l'application de la possibilité de réduction de la base d'imposition visée à l'article 23, § 5, du présent décret, les requérants soumettent également l'attestation de régularisation adressée au déclarant ou au mandataire en application des dispositions d'une loi fédérale prévoyant un système de régularisation fiscale. La preuve que les revenus régularisés ont été acquis ou obtenus par le testateur est également jointe.
  Les pièces sous-jacentes peuvent être introduites jusqu'à six mois après l'introduction de la déclaration de régularisation. Le Service flamand des Impôts a la possibilité d'examiner les pièces sous-jacentes qui accompagnent la déclaration de régularisation et qui sont relatives aux montants régularisés, en vue de leur concordance avec les données de la déclaration de régularisation.
  Les pièces introduites à la suite d'une déclaration de régularisation et qui ne sont pas relatives aux montants à régulariser sont réputées ne pas faire partie de la déclaration de régularisation.
Art. 26. De aangever toont met een schriftelijk bewijs aan welk deel van het aangegeven bedrag de normale belastingregeling eventueel heeft ondergaan. Het gedeelte van de bedragen waarvan de aangever niet kan aantonen dat de normale belastingregeling erop is toegepast, wordt geregulariseerd.
  Het schriftelijk bewijs, vermeld in het eerste lid, is bij de aangifte gevoegd en is, in voorkomend geval, aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen.
  De aangever toont met een schriftelijk bewijs aan dat de aangegeven bedragen alleen betrekking hebben op belastingen die onder het toepassingsgebied van dit decreet vallen.
  Het schriftelijk bewijs, vermeld in het derde lid, is, als dat nodig is, aangevuld met andere bewijsmiddelen van het gemeen recht, met uitzondering van de eed en het bewijs door getuigen.
  Met behoud van de toepassing van artikel 29 is regularisatie niet mogelijk voor de sommen, waarden of kapitalen die in verband kunnen worden gebracht met:
  1° terrorisme of financiering van terrorisme;
  2° georganiseerde misdaad;
  3° illegale handel in verdovende middelen;
  4° illegale handel in wapens en goederen en handelswaren die daaraan verbonden zijn, met inbegrip van antipersoonsmijnen of clustermunitie;
  5° handel in clandestiene werkkrachten;
  6° mensenhandel;
  7° uitbuiting van prostitutie;
  8° illegaal gebruik bij dieren van stoffen met hormonale werking of illegale handel in dergelijke stoffen;
  9° illegale handel in menselijke organen of weefsels;
  10° fraude ten nadele van de financiële belangen van de Europese Unie;
  11° verduistering door personen die een openbare functie uitoefenen, en corruptie;
  12° ernstige milieucriminaliteit;
  13° namaak van muntstukken of bankbiljetten;
  14° namaak van goederen;
  15° piraterij;
  16° beursdelicten;
  17° onwettig openbaar aantrekken van spaargelden of het verlenen van beleggingsdiensten, diensten van valutahandel of van geldoverdracht zonder vergunning;
  18° oplichting, gijzeling, diefstal of afpersing, of misdrijven die verband houden met een staat van faillissement.
Art. 26. Le déclarant est tenu de démontrer par écrit quelle partie du montant déclaré a été soumise au régime fiscal ordinaire, le cas échéant. La partie des montants dont le déclarant ne peut démontrer qu'elle a été soumise au régime fiscal ordinaire doit être régularisée.
  La preuve écrite visée à l'alinéa 1er, est jointe à la déclaration et, le cas échéant, complétée par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins.
  Le déclarant est tenu de démontrer par écrit que les montants déclarés concernent uniquement les impôts entrant dans le champ d'application du présent décret.
  La preuve écrite visée à l'alinéa 3, est complétée, si nécessaire, par d'autres moyens de preuve tirés du droit commun, à l'exception du serment et de la preuve par témoins.
  Sans préjudice de l'application de l'article 29, ne peuvent pas être régularisés les sommes, valeurs ou capitaux pouvant être liés :
  1° au terrorisme ou au financement du terrorisme ;
  2° à la criminalité organisée ;
  3° au trafic illicite de stupéfiants ;
  4° au trafic illicite d'armes, de biens et de marchandises en ce compris les mines antipersonnel et/ou les sous-munitions ;
  5° au trafic de main-d'oeuvre clandestine ;
  6° à la traite des êtres humains ;
  7° à l'exploitation de la prostitution ;
  8° à l'utilisation illégale, chez les animaux, de substances à effet hormonal ou au commerce illégal de telles substances ;
  9° au trafic illicite d'organes ou de tissus humains ;
  10° à la fraude au préjudice des intérêts financiers de l'Union européenne ;
  11° au détournement par des personnes exerçant une fonction publique et à la corruption ;
  12° à la criminalité environnementale grave ;
  13° à la contrefaçon de monnaie ou de billets de banque ;
  14° à la contrefaçon de biens ;
  15° à la piraterie ;
  16° aux délits boursiers ;
  17° à un appel public irrégulier à l'épargne ou à la fourniture de services d'investissement, de commerce de devises ou de transferts de fonds sans agrément ;
  18° à une escroquerie, une prise d'otages, un vol ou une extorsion ou à une infraction liée à l'état de faillite.
Art. 27. Nadat de Vlaamse Belastingdienst de regularisatieaangifte heeft ontvangen, brengt de Vlaamse Belastingdienst de aangever of de gemachtigde schriftelijk op de hoogte van de ontvankelijkheid ervan. In dezelfde melding brengt de Vlaamse Belastingdienst de aangever op de hoogte van het bedrag van de verschuldigde regularisatieheffing. Tegen of voor die regularisatieheffing is geen bezwaarschrift of ambtshalve ontheffing mogelijk.
  De regularisatieheffing wordt definitief en zonder enig voorbehoud betaald binnen de vijftien dagen die volgen op de verzendingsdatum van de ontvangstmelding, met vaststelling van de regularisatieheffing, vermeld in het eerste lid. Na de betaling wordt de regularisatieheffing als definitief verworven beschouwd.
  Nadat de Vlaamse Belastingdienst de definitieve en zonder enig voorbehoud uitgevoerde betaling, vermeld in het tweede lid, heeft ontvangen, stuurt de Vlaamse Belastingdienst naar de aangever of de gemachtigde een regularisatieattest dat de volgende gegevens bevat:
  1° de naam van de aangever en, in voorkomend geval, van de gemachtigde;
  2° het bedrag van de regularisatieheffing;
  3° de belasting waaraan de aangegeven bedragen onderworpen hadden moeten zijn;
  4° de geregulariseerde bedragen;
  5° het bedrag van de vermindering, als de vermindering, vermeld in artikel 23, § 5, is toegepast.
  Zodra het regularisatieattest, vermeld in het derde lid, naar de aangever of de gemachtigde is verstuurd, bezorgt de Vlaamse Belastingdienst de Cel voor Financiële Informatieverwerking, opgericht bij de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, een kopie van het regularisatieattest en de gegevens, vermeld in artikel 25 van dit decreet.
  De personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst die regularisatieaangiften behandelen, hebben een verplichting tot geheimhouding als vermeld in artikel 3.19.0.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.
Art. 27. Après avoir reçu la déclaration de régularisation, le Service flamand des Impôts informe par écrit le déclarant ou son mandataire de la recevabilité de celle-ci. Le Service flamand des Impôts informe également le déclarant du montant du prélèvement de régularisation dû.
  Aucune réclamation ni exonération d'office n'est possible contre ou pour ce prélèvement de régularisation.
  Le paiement du prélèvement de régularisation doit s'opérer définitivement et sans aucune réserve dans les quinze jours suivant la date d'envoi de l'accusé de réception fixant le prélèvement dû visé à l'alinéa 1er. Après paiement, le prélèvement de régularisation est considéré comme définitivement acquis.
  Après réception par le Service flamand des Impôts du paiement définitif et sans aucune réserve visé à l'alinéa 2, le Service flamand des Impôts envoie au déclarant ou à son mandataire une attestation de régularisation contenant les informations suivantes :
  1° le nom du déclarant et, le cas échéant, du mandataire ;
  2° le montant du prélèvement de régularisation ;
  3° l'impôt auquel les montants déclarés auraient dû être soumis ;
  4° les montants régularisés ;
  5° le montant de la réduction, si la réduction visée à l'article 23, § 5, a été appliquée.
  Dès que l'attestation de régularisation visée à l'alinéa 3, a été transmise au déclarant ou à son mandataire, le Service flamand des Impôts communique à la Cellule de traitement des informations financières instaurée par la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, une copie de l'attestation de régularisation ainsi que les données visées à l'article 25 du présent décret.
  Les membres du personnel du Service flamand des Impôts en charge du traitement des déclarations de régularisation sont tenus au secret professionnel tel que visé à l'article 3.19.0.0.2 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013.
Art. 28. Noch de regularisatieaangifte, noch de betaling van de regularisatieheffing die op basis van de regularisatieaangifte verschuldigd is, noch het regularisatieattest, vermeld in artikel 27 van dit decreet, hebben uitwerking als:
  1° de bedragen die in de regularisatieaangifte zijn vermeld, het voorwerp hebben uitgemaakt van een van de misdrijven, vermeld in artikel 505 van het Strafwetboek, behalve als de inkomsten uitsluitend zijn verkregen uit de misdrijven, vermeld in artikel 3.15.3.0.1 en 3.15.3.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
  2° de bedragen die in de regularisatieaangifte zijn vermeld, voortkomen uit een misdrijf als vermeld in artikel 4, 23°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, met uitzondering van:
  a) het misdrijf, vermeld in artikel 4, 23°, k), van de voormelde wet;
  b) het misdrijf misbruik van vertrouwen, vermeld in artikel 4, 23°, v), van de voormelde wet;
  c) het misdrijf misbruik van vennootschapsgoederen, vermeld in artikel 4, 23°, w), van de voormelde wet;
  3° de aangever vóór de indiening van de regularisatieaangifte schriftelijk op de hoogte is gebracht door een Belgische gerechtelijke dienst van lopende specifieke onderzoeksdaden of door de Vlaamse Belastingdienst van een belastingverhoging of administratieve geldboete als vermeld in titel 3, hoofdstuk 18, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
  4° voor dezelfde aangever al een regularisatieaangifte voor dezelfde nalatenschap of dezelfde rechtshandeling is ingediend vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit decreet.
Art. 28. Ni la déclaration de régularisation, ni le paiement du prélèvement de régularisation dû en vertu de la déclaration de régularisation, ni l'attestation de régularisation visée à l'article 27 du présent décret, ne produisent d'effets si :
  1° les montants mentionnés dans la déclaration de régularisation proviennent d'une infraction visée à l'article 505 du Code pénal, sauf si les revenus ont été acquis exclusivement par les infractions visées aux articles 3.15.3.0.1 et 3.15.3.0.2 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
  2° les montants indiqués dans la déclaration de régularisation proviennent d'une infraction au sens de l'article 4, 23°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, à l'exception :
  a) du délit visé à l'article 4, 23°, k), de la loi précitée ;
  b) du délit d'abus de confiance visé à l'article 4, 23°, v), de la loi précitée ;
  c) du délit d'abus de biens sociaux visé à l'article 4, 23°, w), de la loi précitée ;
  3° avant l'introduction de la déclaration de régularisation, le déclarant a été informé par écrit par une instance judiciaire belge d'actes d'instruction spécifiques en cours ou par le Service flamand des Impôts d'une majoration d'impôts ou d'une amende administrative telle que visée au titre 3, chapitre 18, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 ;
  4° à la date d'entrée en vigueur du présent décret, une déclaration de régularisation pour la même succession ou le même acte juridique a déjà été introduit(e) pour le même déclarant.
Art. 29. § 1. Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan misdrijven als vermeld in artikel 3.15.3.0.1 en 3.15.3.0.2 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, of aan misdrijven als vermeld in artikel 505 van het Strafwetboek, als die betrekking hebben op de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit die misdrijven zijn verkregen, op de goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld, of op de inkomsten uit de belegde voordelen, en ook de personen die mededaders of medeplichtigen zijn aan die misdrijven als vermeld in artikel 66 en 67 van het Strafwetboek, blijven vrijgesteld van strafvervolging op grond daarvan als ze vóór de datum van de indiening van een regularisatieaangifte niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek op grond van die misdrijven en als er een regularisatieaangifte is gedaan conform dit decreet en als de regularisatieheffing die verschuldigd is als gevolg van die regularisatieaangifte, is betaald.
  § 2. Voor alle andere misdrijven dan de misdrijven, vermeld in paragraaf 1, kunnen de personen, vermeld in paragraaf 1, nog altijd het voorwerp uitmaken van strafvervolging.
  Personen die zich schuldig hebben gemaakt aan de misdrijven, vermeld in artikel 193 tot en met 197, artikel 491, artikel 492bis, en artikel 489 tot en met 490bis van het Strafwetboek, artikel XV.75 van het Wetboek van economisch recht, artikel 11 van het koninklijk besluit van 26 januari 2014 houdende maatregelen ter controle van het grensoverschrijdend verkeer van liquide middelen, de strafbepalingen van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, die zijn begaan om de misdrijven, vermeld in paragraaf 1, te plegen of te vergemakkelijken, of er het gevolg van zijn, blijven voor die misdrijven vrij van straf als ze vóór de datum van de indiening van de regularisatieaangifte niet het voorwerp hebben uitgemaakt van een opsporingsonderzoek of van een gerechtelijk onderzoek op grond van die misdrijven en als er een regularisatieaangifte is gedaan conform dit decreet en als de regularisatieheffing die verschuldigd is als gevolg van die regularisatieaangifte, is betaald.
  Het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op mededaders en medeplichtigen die geen regularisatieaangifte hebben ingediend.
  § 3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, doen geen afbreuk aan de rechten van derden.
  § 4. De personeelsleden van de Vlaamse Belastingdienst die regularisatieaangiften behandelen, hebben geen mededelingsplicht als vermeld in artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering, voor wat betreft de informatie verkregen bij de behandeling van de regularisatieaangiften.
Art. 29. § 1er. Les personnes qui se sont rendues coupables d'infractions visées aux articles 3.15.3.0.1 et 3.15.3.0.2 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, ou d'infractions visées à l'article 505 du Code pénal, si elles visent les avantages patrimoniaux tirés directement de ces infractions ou les biens et valeurs qui leur ont été substitués ou les revenus de ces avantages investis, ainsi que les personnes qui sont coauteurs ou complices de telles infractions au sens des articles 66 et 67 du Code pénal, sont exonérées de poursuites pénales de ce chef si elles n'ont pas fait l'objet avant la date de l'introduction d'une déclaration de régularisation d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions, et si elles ont effectué une déclaration de régularisation conformément au présent décret et ont payé le prélèvement de régularisation dû en vertu de ladite déclaration de régularisation.
  § 2. Pour toutes les infractions autres que celles visées au paragraphe 1er, les personnes visées au paragraphe 1er, peuvent toujours faire l'objet de poursuites pénales.
  Les personnes qui se sont rendues coupables des infractions visées dans les articles 193 à 197, 491, 492bis et 489 à 490bis du Code pénal, l'article XV.75 du Code de droit économique, l'article 11 de l'arrêté royal du 26 janvier 2014 portant certaines mesures relatives au contrôle du transport transfrontalier d'argent liquide, les dispositions pénales du Code des sociétés, et qui ont été commises en vue de commettre ou de faciliter les infractions visées au paragraphe 1er, ou qui en résultent, restent pour ces infractions exonérées de sanction, si elles n'ont pas fait l'objet avant la date de l'introduction de la déclaration de régularisation d'une information ou d'une instruction judiciaire du chef de ces infractions, et si elles ont effectué une déclaration de régularisation conformément au présent décret et ont payé le prélèvement de régularisation dû en vertu de ladite déclaration de régularisation.
  Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables aux coauteurs et complices qui n'ont pas déposé de déclaration de régularisation.
  § 3. Les dispositions visées aux paragraphes 1er et 2, ne portent pas atteinte aux droits de tiers.
  § 4. Les membres du personnel du Service flamand des Impôts qui traitent les déclarations de régularisation ne sont pas soumis à l'obligation de signalement telle que visée à l'article 29 du Code d'instruction criminelle, en ce qui concerne les informations obtenues lors du traitement des déclarations de régularisation.
Art. 30. Binnen de grenzen, vermeld in artikel 24, en voor zover artikel 28 niet van toepassing is, kan een regularisatieattest gebruikt worden als bewijsmiddel tegenover elke openbare dienst.
Art. 30. Dans les limites visées à l'article 24, et dans la mesure où l'article 28 ne s'applique pas, une attestation de régularisation peut être utilisée comme moyen de preuve à l'encontre de tout service public.
Art. 31. Aan artikel 2.7.3.4.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en gewijzigd bij het decreet van 8 december 2017, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Het bedrag van de regularisatieheffing die is geheven en betaald in uitvoering van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, wordt gelijkgesteld met een schuld van de erflater als vermeld in het eerste lid, 1°. Die schuld wordt alleen als passief van de nalatenschap aanvaard als al de volgende voorwaarden zijn vervuld:
  1° de geregulariseerde inkomsten of kapitalen en de activa in kwestie die die inkomsten hebben gegenereerd, zijn aangegeven in een aangifte van nalatenschap;
  2° de inkomsten en bedragen die zijn aangegeven in de regularisatieaangifte en waarvoor de regularisatieheffing is betaald, zijn door de erflater behaald of verkregen.".
Art. 31. L'article 2.7.3.4.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et modifié par le décret du 8 décembre 2017, est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " Le montant du prélèvement de régularisation perçu et payé en exécution d'une loi fédérale prévoyant un système de régularisation fiscale est assimilé à une dette du testateur telle que visée à l'alinéa 1er, 1°. Cette dette n'est admise au passif de la succession que si l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
  1° les revenus ou capitaux régularisés et les actifs en question qui ont généré ces revenus ont été déclarés dans une déclaration de succession ;
  2° les revenus et les montants indiqués dans la déclaration de régularisation et pour lesquels le prélèvement de régularisation a été payé ont été obtenus ou acquis par le testateur. ".
Art. 32. Artikel 31 is van toepassing op regularisatieheffingen die zijn geheven en betaald met toepassing van een federale wet die een systeem van fiscale regularisatie voorziet, ongeacht de datum van het openvallen van de nalatenschap.
Art. 32. L'article 31 s'applique aux prélèvements de régularisation perçus et payés en vertu d'une loi fédérale prévoyant un système de régularisation fiscale, quelle que soit la date d'ouverture de la succession.
Art. 33. De Vlaamse Belastingdienst kan persoonsgegevens verwerken om de juiste heffing van de regularisatieheffing te kunnen verzekeren.
  De Vlaamse Belastingdienst is verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming), voor de verwerking van de persoonsgegevens, vermeld in het eerste lid.
  Artikel 3.23.1.0.2 tot en met 3.12.1.0.4, en artikel 3.23.4.0.1 tot en met 3.23.5.0.3 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit zijn van overeenkomstige toepassing bij de gegevensverwerking voor de regularisatieheffing.
Art. 33. Le Service flamand des Impôts peut traiter des données à caractère personnel afin d'assurer la perception correcte du prélèvement de régularisation.
  Le Service flamand des Impôts est le responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), aux fins du traitement des données à caractère personnel, figurant à l'alinéa 1er.
  Les articles 3.23.1.0.2 à 3.12.1.0.4, et les articles 3.23.4.0.1 à 3.23.5.0.3 du Code flamand de la Fiscalité s'appliquent par analogie au traitement des données relatives au prélèvement de régularisation.
Afdeling 4. - Wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, wat betreft de voorwaarden voor het gunsttarief van het verkooprecht voor de enige eigen woning
Section 4. - Modification du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013 en ce qui concerne les conditions d'application au taux réduit du droit de vente de l'habitation unique propre
Art. 34. In artikel 2.9.4.2.11 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 18 mei 2018 en laatst gewijzigd bij decreet van 20 december 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt de zinsnede "aankoop, waarbij" vervangen door de zinsnede "aankoop van volle eigendom, waarbij uitsluitend";
  2° aan paragraaf 2, eerste lid, punt 2°, wordt de zinsnede ", en die inschrijving gedurende een ononderbroken periode van minstens een jaar te behouden" toegevoegd.
Art. 34. Dans l'article 2.9.4.2.11 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 18 mai 2018 et modifié en dernier lieu par le décret du 20 décembre 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, le membre de phrase " les contrats d'acquisition pure, aux termes desquels une " est remplacé par le membre de phrase " les contrats d'acquisition pure d'une pleine propriété, aux termes desquels exclusivement une " ;
  2° au paragraphe 2, alinéa 1er, point 2°, est ajouté le membre de phrase " , et de conserver cette inscription pendant une période ininterrompue d'au moins un an ".
Afdeling 5. - Opheffing vrijstelling jaarlijkse verkeersbelasting en belasting op de inverkeerstelling voor de voertuigen die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of waterstof
Section 5. - Suppression de l'exonération de taxe de circulation annuelle et de taxe de circulation pour les véhicules équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène
Art. 35. In artikel 2.2.4.0.1 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 december 2022, wordt een paragraaf 9 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 9. Voor alle voertuigen als vermeld in dit artikel, met uitzondering van deze, vermeld in paragraaf 4 en paragraaf 6, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, bedraagt de belasting 93,60 euro.
  Deze bepaling geldt voor voertuigen van:
  1° vennootschappen, autonome overheidsbedrijven en verenigingen zonder winstgevend doel, met leasingactiviteiten;
  2° natuurlijke personen en rechtspersonen, andere dan deze, vermeld in punt 1°. ".
Art. 35. Dans l'article 2.2.4.0.1 du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, modifié en dernier lieu par le décret du 9 décembre 2022, est ajouté un paragraphe 9, rédigé comme suit :
  " § 9. Pour tous les véhicules visés dans le présent article, à l'exception de ceux visés aux paragraphes 4 et 6, équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, la taxe s'élève à 93,60 euros.
  Cette disposition s'applique aux véhicules :
  1° de sociétés, d'entreprises publiques autonomes et d'associations sans but lucratif exerçant des activités de leasing ;
  2° de personnes physiques et morales, autres que celles visées au 1°. ".
Art. 36. In artikel 2.2.4.0.3, eerste lid, van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 9 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de zinsnede "vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 7" en de zinsnede ", alsook de belasting, vermeld in artikel 2.2.4.0.2, § 1," wordt de zinsnede "en artikel 2.2.4.0.1, § 9" ingevoegd;
  2° de volgende zin wordt toegevoegd:
  "Voor de toepassing van de indexatie is het bedrag, vermeld in artikel 2.2.4.0.1, § 9, het bedrag dat geldt alsof het van toepassing was op 1 juli 2025.".
Art. 36. Dans l'article 2.2.4.0.3, alinéa 1er, du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 9 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " et à l'article 2.2.4.0.1, § 9, " est inséré entre le membre de phrase " visées à l'article 2.2.4.0.1, § 7, " et le membre de phrase " ainsi que la taxe, visée à l'article 2.2.4.0.2, § 1er " ;
  2° la phrase suivante est ajoutée :
  " Pour l'application de l'indexation, le montant visé à l'article 2.2.4.0.1, § 9, est le montant en vigueur tel qu'il était d'application au 1er juillet 2025. ".
Art. 37. In artikel 2.2.6.0.6 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "of waterstof" en de woorden "wordt geen belasting" de zinsnede "en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid" ingevoegd;
  2° er wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
  2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 37. Dans l'article 2.2.6.0.6 du même décret, inséré par le décret du 18 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, le membre de phrase " et immatriculés au plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière au 31 décembre 2025 " est inséré entre les mots " à l'hydrogène " et les mots " ne sont pas " ;
  2° il est ajouté un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " L'exonération visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2025 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et par la suite au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
  1° le véhicule a été commandé avant le 6 octobre 2025 ;
  2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2026 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Art. 38. Aan artikel 2.3.4.1.1 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij decreet van 26 juni 2020, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.".
Art. 38. L'article 2.3.4.1.1 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 26 juin 2020, est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, la taxe pour les véhicules équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, s'élève à 61,50 euros. ".
Art. 39. Aan artikel 2.3.4.2.1 van hetzelfde decreet, laatst gewijzigd bij het decreet van 2 april 2021, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. In afwijking van paragraaf 1, 2 en 3, bedraagt de belasting voor de voertuigen, die uitsluitend aangedreven worden door een elektrische motor of door waterstof en die na 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, 61,50 euro.".
Art. 39. L'article 2.3.4.2.1 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 2 avril 2021, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er, 2 et 3, la taxe pour les véhicules équipés exclusivement d'un moteur électrique ou à l'hydrogène et immatriculés au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière après le 31 décembre 2025, s'élève à 61,50 euros. ".
Art. 40. In artikel 2.3.6.0.2 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 18 december 2015 en gewijzigd bij het decreet van 26 juni 2020, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tussen de woorden "of waterstof" en de woorden "wordt geen belasting" wordt de zinsnede "en die uiterlijk op 31 december 2025 worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid" ingevoegd;
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De vrijstelling, vermeld in het eerste lid, wordt ook toegekend voor voertuigen, die na 31 december 2025 ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid of bij een vergelijkbare instelling binnen de Europese Economische Ruimte of een andere staat en nadien in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid, en die voldoen aan de volgende voorwaarden:
  1° het voertuig werd vóór 6 oktober 2025 besteld;
  2° een kopie van de bestelbon wordt aan de bevoegde entiteit van de Vlaamse administratie bezorgd voor 15 januari 2026, samen met een formulier, afgeleverd door deze entiteit, dat wordt ondertekend door de betrokken belastingplichtige, en dat minstens de volgende gegevens bevat:
  a) hetzij het identificatienummer uit het Rijksregister van de natuurlijke personen, hetzij het ondernemingsnummer dat bekend is bij de Kruispuntbank van Ondernemingen, hetzij het identificatienummer, vermeld in artikel 8 van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid, van de persoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal ingeschreven worden in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid;
  b) de voornamen, de achternaam en het domicilieadres van de natuurlijke persoon of de naam, de rechtsvorm en het adres van de maatschappelijke zetel van de rechtspersoon op wiens naam het voertuig ingeschreven werd of zal worden ingeschreven in het repertorium van het Directoraat-generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid.".
Art. 40. Dans l'article 2.3.6.0.2 du même décret, remplacé par le décret du 18 décembre 2015 et modifié par le décret du 26 juin 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le membre de phrase " et immatriculés au plus tard au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière au 31 décembre 2025 " est inséré entre les mots " à l'hydrogène " et les mots " ne sont pas " ;
  2° il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " L'exonération visée à l'alinéa 1er, est également accordée pour les véhicules qui sont inscrits après le 31 décembre 2025 au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ou auprès d'une institution comparable au sein de l'Espace économique européen ou d'un autre Etat et par la suite au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière, et qui remplissent les conditions suivantes :
  1° le véhicule a été commandé avant le 6 octobre 2025 ;
  2° une copie du bon de commande est transmise avant le 15 janvier 2026 à l'entité compétente de l'administration flamande, accompagnée d'un formulaire délivré par cette entité et signé par le contribuable concerné, qui comprend au moins les données suivantes :
  a) soit le numéro d'identification du Registre national des personnes physiques, soit le numéro d'entreprise connu auprès de la Banque-Carrefour des Entreprises, soit le numéro d'identification, visé à l'article 8 de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale, de la personne au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière ;
  b) les prénom, nom et adresse du domicile des personnes physiques ou le nom, la forme juridique et l'adresse du siège social de la personne morale au nom de laquelle le véhicule est ou sera inscrit au répertoire de la Direction générale Mobilité et Sécurité routière. ".
Afdeling 6. - Controlemechanisme op de (correcte) aanwending van overheidsmiddelen
Section 6. - Mécanisme de contrôle de l'utilisation (correcte) des fonds publics
Art. 41. Artikel 76 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2022, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 76. § 1. Artikel 11 tot en met 14 van de Algemenebepalingenwet zijn van toepassing op subsidies die verleend zijn door een entiteit van de Vlaamse deelstaatoverheid of door een andere rechtspersoon, die rechtstreeks of onrechtstreeks van de Vlaamse Gemeenschap een subsidie krijgt.
  § 2. De boekhouding die de subsidieontvanger voert, wordt zo georganiseerd dat de aanwending van de subsidie financieel gecontroleerd kan worden door de subsidieverstrekker of de controleactoren, vermeld in artikel 50.
  § 3. Met behoud van de toepassing van artikel 13 van de Algemenebepalingenwet betaalt de subsidieontvanger in al de volgende gevallen de subsidie onmiddellijke terug:
  1° de subsidieontvanger leeft de voorwaarden niet na waaronder de subsidie is verleend;
  2° de subsidieontvanger gebruikt de subsidie niet voor de doelstellingen waarvoor die is verleend;
  3° de subsidieontvanger verhindert de controle, bedoeld in artikel 76/3 van deze codex;
  4° de subsidieontvanger ontvangt al een subsidie met dezelfde effecten op basis van dezelfde verantwoordingsstukken.
  De toepassing van het eerste lid, 4°, staat cofinanciering waarin verschillende actoren elk een deel van de totale kosten financieren, niet in de weg.
  § 4. In het kader van een controle op de aanwending van de toegekende gelden kan de subsidieverstrekker, al dan niet op voorstel van een controleactor, een financiële correctie aanbrengen op het subsidiebedrag bij de vaststelling van tekortkomingen of onregelmatigheden met betrekking tot:
  1° de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten en de uitvoeringsbesluiten, als die van toepassing is;
  2° de supranationale regelgeving inzake staatssteun, als die van toepassing is.
  De Vlaamse Regering stelt de hoogte van de financiële correctie en de bijbehorende modaliteiten vast.
  § 5. Er is geen verantwoording vereist, noch functioneel noch financieel, over het gebruik van statutaire lidmaatschapsbijdragen door de entiteiten van de Vlaamse deelstaatoverheid aan intergewestelijke, intercommunautaire, nationale of internationale organisaties, tenzij het anders is bepaald bij het aangaan van het lidmaatschap.".
Art. 41. L'article 76 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019, modifié par le décret du 1er juillet 2022, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 76. § 1er. Les articles 11 à 14 inclus de la Loi fixant les dispositions générales s'appliquent aux subventions octroyées par une entité de l'autorité de l'entité fédérée flamande ou par une autre personne morale qui bénéficie directement ou indirectement d'une subvention de la Communauté flamande.
  § 2. La comptabilité tenue par le bénéficiaire de la subvention est organisée de manière à ce que l'utilisation de la subvention puisse faire l'objet d'un contrôle financier par le fournisseur de la subvention ou par les acteurs de contrôle visés à l'article 50.
  § 3. Sans préjudice de l'application de l'article 13 de la loi fixant les dispositions générales, est tenu de rembourser le montant de la subvention, dans tous les cas suivants et sans délai, le bénéficiaire de la subvention qui :
  1° ne respecte pas les conditions d'octroi de la subvention ;
  2° n'affecte pas la subvention aux fins pour lesquelles elle a été octroyée ;
  3° fait obstacle au contrôle visé à l'article 76/3 du présent Code ;
  4° est déjà bénéficiaire d'une subvention produisant les mêmes effets sur la base des mêmes pièces justificatives.
  L'application de l'alinéa 1er, 4°, ne fait pas obstacle au cofinancement dans le cadre duquel les différents acteurs financent chacun une partie du coût total.
  § 4. Dans le cadre d'un contrôle de l'utilisation des fonds octroyés, le subventionneur peut, éventuellement sur proposition d'un acteur de contrôle, apporter une correction financière au montant de la subvention en cas de constatation de manquements ou d'irrégularités concernant :
  1° la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics et ses arrêtés d'exécution, si elle est d'application ;
  2° la réglementation supranationale en matière d'aides d'Etat, si d'application.
  Le Gouvernement flamand détermine le montant de la correction financière et les modalités correspondantes.
  § 5. Aucune justification fonctionnelle ou financière de l'utilisation de cotisations statutaires versées par les entités de l'autorité de l'entité fédérée flamande à des organisations interrégionales, intercommunautaires, nationales ou internationales n'est requise, sauf stipulation contraire lors de l'affiliation. ".
Art. 42. In artikel 76/2, eerste lid, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 3° wordt vervangen door wat volgt:
  "3° de indicatoren die toelaten om de subsidie tussentijds, op het einde van de duurtijd van de activiteit waarvoor de subsidie wordt verleend, en bij de beleidsevaluatie, vermeld in artikel 76/1, inhoudelijk en financieel te evalueren;";
  2° er wordt een punt 14° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "14° met behoud van de toepassing van artikel 75, tweede en derde lid, de uitsluiting of toelating van reservevorming en bijbehorende voorwaarden.".
Art. 42. Dans l'article 76/2, alinéa 1er, du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019, inséré par le décret du 1er juillet 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le point 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° les indicateurs permettant une évaluation substantielle et financière de la subvention à mi-parcours, à la fin de la durée de l'activité pour laquelle la subvention est octroyée, et lors de l'évaluation politique visée à l'article 76/1 ; " ;
  2° un point 14° est ajouté, rédigé comme suit :
  " 14° sans préjudice de l'application de l'article 75, alinéas 2 et 3, l'exclusion ou l'admission d'une constitution de réserve et les conditions y afférentes. ".
Afdeling 7. - Omzetting Europees begrotingskader (Economic Governance)
Section 7. - Transposition du cadre budgétaire européen (Gouvernance économique)
Art. 43. Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2024/1265 van de Raad van 29 april 2024 tot wijziging van Richtlijn 2011/85/EU betreffende voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten.
Art. 43. Le présent décret prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2024/1265 du Conseil du 29 avril 2024 modifiant la directive 2011/85/UE sur les exigences applicables aux cadres budgétaires des Etats membres.
Art. 44. In artikel 2 van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2022, worden punt 20°, 33° en 44° opgeheven.
Art. 44. Dans l'article 2 du Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019, modifié par le décret du 1er juillet 2022, les points 20°, 33° et 44° sont abrogés.
Art. 45. In artikel 10, § 1, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 1 juli 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden tussen de woorden "die ze nastreeft" en de woorden "en bepaalt de maatregelen" de woorden "voor de volledige zittingsperiode" ingevoegd;
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering stelt haar jaarlijkse en meerjarige begrotingsplanning op op basis van de meest actuele macro-economische prognoses van het Instituut voor de Nationale Rekeningen, vermeld in artikel 108, eerste lid, g), van de wet van 21 december 1994 houdende sociale en diverse bepalingen, en de realistische budgettaire prognoses van de bevoegde instantie. De eventuele afwijkingen ten aanzien van de macro-economische prognoses van het Instituut voor de Nationale Rekeningen worden uitdrukkelijk vermeld en gemotiveerd in de algemene toelichting.";
  3° in het derde lid, dat het vierde lid wordt, worden de woorden "het tweede lid" vervangen door de woorden "het derde lid";
  4° het bestaande vierde, vijfde en zesde lid, die het vijfde, zesde en zevende lid worden, worden vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering levert een bijdrage aan de opmaak, en in voorkomend geval aan de herziening, van het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn, zoals bepaald in het preventieve luik van het stabiliteits en groeipact.";
  5° het bestaande zevende lid, dat het zesde lid wordt, wordt vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Regering vertaalt de begrotingsdoelstelling van de Vlaamse deelstaatoverheid in jaarperspectief in het ontwerpbegrotingsplan. De Vlaamse Regering dient uiterlijk op 2 oktober voorafgaand aan het begrotingsjaar het Vlaams ontwerpbegrotingsplan in bij het Vlaams Parlement.".
Art. 45. Dans l'article 10, § 1er, du même décret, modifié par le décret du 1er décembre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " pour l'ensemble de la législature " sont insérés entre les mots " qu'il poursuit " et les mots " et fixe les mesures " ;
  2° entre les alinéas 1er et 2, il est inséré un alinéa, rédigé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand établit ses plans budgétaires annuels et pluriannuels sur la base des prévisions macroéconomiques les plus récentes de l'Institut des Comptes nationaux, visées à l'article 108, alinéa 1er, g), de la loi du 21 décembre 1994 portant des dispositions sociales et diverses, et des prévisions budgétaires réalistes de l'instance compétente. Les divergences éventuelles par rapport aux prévisions macroéconomiques de l'Institut des Comptes nationaux sont explicitement indiquées et justifiées dans l'explication générale. " ;
  3° dans l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, le membre de phrase " l'alinéa 2 " est remplacé par le membre de phrase " l'alinéa 3 " ;
  4° les alinéas 4, 5 et 6 existants, qui deviennent les alinéas 5, 6 et 7, sont remplacés par ce qui suit :
  " Le Gouvernement flamand contribue à la préparation et, le cas échéant, à la révision du plan budgétaire et structurel national à moyen terme, tel que prévu dans le volet préventif du pacte de stabilité et de croissance. " ;
  5° l'alinéa 7 existant, qui devient l'alinéa 6, est remplacé par ce qui suit :
  " Le Gouvernement flamand traduit l'objectif budgétaire de l'entité fédérée flamande en perspective annuelle dans le projet de plan budgétaire. Le Gouvernement flamand soumet au Parlement flamand, au plus tard le 2 octobre précédant l'année budgétaire, le projet de plan budgétaire flamand. ".
Art. 46. Aan artikel 29, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De boekhouding is ingericht zodat de transactiegegevens kunnen worden gegenereerd die nodig zijn om de gegevens op te stellen volgens het Europese systeem van nationale en regionale rekeningen.".
Art. 46. L'article 29, alinéa 1er, du même décret, est complété par la phrase suivante :
  " La comptabilité est établie de manière à générer les données de transaction nécessaires à l'élaboration des données selon le système européen des comptes nationaux et régionaux. ".
Art. 47. In artikel 42, § 1/1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 1 juli 2022, worden tussen de woorden "houdt rekening met de" en de woorden "internationale rapporteringsregels" de woorden "Europese en de" ingevoegd.
Art. 47. Dans l'article 42, § 1er/1, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 1er juillet 2022, les mots " européennes et " sont insérés entre les mots " des règles " et les mots " internationales de rapportage ".
Art. 48. In hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021 en 1 juli 2022, wordt een artikel 44/2 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 44/2. De Vlaamse Regering rapporteert over de Vlaamse begrotingsuitvoering en de Vlaamse hervormings- en investeringstoezeggingen in de Vlaamse bijdrage aan het jaarlijkse voortgangsverslag.
  In het eerste lid wordt verstaan onder jaarlijks voortgangsverslag: het verslag van België over de uitvoering van het nationaal budgettair-structureel plan voor de middellange termijn, vermeld in artikel 10, § 1, vijfde lid, van dit decreet, met inbegrip van het netto-uitgavenpad dat de Raad heeft vastgesteld en de hervormingen en investeringen, opgesteld conform hoofdstuk V van verordening (EU) 2024/1263 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2024 betreffende de doeltreffende coördinatie van het economisch beleid en betreffende het multilaterale begrotingstoezicht en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad.".
Art. 48. Dans le même décret, modifié par les décrets des 9 juillet 2021 et 1er juillet 2022, il est inséré un article 44/2, rédigé comme suit :
  " Art. 44/2. Le Gouvernement flamand rend compte de l'exécution du budget flamand et des engagements flamands en matière de réforme et d'investissement dans la contribution flamande au rapport d'avancement annuel.
  A l'alinéa 1er, on entend par rapport d'avancement annuel : le rapport de la Belgique concernant la mise en oeuvre du plan budgétaire et structurel national à moyen terme visé à l'article 10, § 1er, alinéa 5, du présent décret, y compris la trajectoire des dépenses nettes fixée par le Conseil ainsi que les réformes et les investissements, établi conformément au chapitre V du règlement (UE) 2024/1263 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2024 relatif à la coordination efficace des politiques économiques et à la surveillance budgétaire multilatérale et abrogeant le règlement (CE) n° 1466/97 du Conseil. ".
Art. 49. In artikel 45 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerst lid worden de woorden "tussentijdse of bijkomende jaarlijkse" vervangen door de woorden "periodieke en bijkomende";
  2° in het tweede lid wordt het woord "tussentijdse" vervangen door de woorden "periodieke en bijkomende".
Art. 49. Dans l'article 45 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots " annuel intermédiaire ou complémentaire " sont remplacés par les mots " périodique et complémentaire " ;
  2° à l'alinéa 2, le mot " intérimaires " est remplacé par les mots " périodiques et complémentaires ".
Afdeling 8. - Subsidiabele kosten
Section 8. - Coûts admissibles
Art. 50. In de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019, gewijzigd bij de decreten van 9 juli 2021 en 1 juli 2022, wordt een artikel 75/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 75/1. Juridische kosten die rechtstreeks of onrechtstreeks verband houden met het aanspannen van gerechtelijke procedures tegen de Vlaamse deelstaatoverheid, komen niet in aanmerking als subsidiabele kosten.".
Art. 50. Dans le Code flamand des Finances publiques du 29 mars 2019, modifié par les décrets des 9 juillet 2021 et 1er juillet 2022, il est inséré un article 75/1, rédigé comme suit :
  " Art. 75/1. Les frais juridiques directement ou indirectement liés à l'ouverture de procédures judiciaires à l'encontre de l'autorité de l'entité fédérée flamande ne sont pas éligibles en tant que frais subventionnables. ".
HOOFDSTUK 4. - Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie
CHAPITRE 4. - Chancellerie, Gouvernance publique, Affaires étrangères et Justice
Afdeling 1. - Financiering op basis van open ruimte
Section 1re. - Financement basé sur l'espace ouvert
Art. 51. Aan artikel 22 van het Programmadecreet van 20 december 2019 bij de begroting 2020, gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, wordt een vierde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf 2026 wordt op de werkingssubsidie van het voorgaande jaar een jaarlijkse groeivoet van 3,5% toegepast. De werkingssubsidie wordt ook structureel verhoogd met 35 miljoen euro vanaf 2026, bijkomend 10 miljoen euro vanaf 2027 en bijkomend 15 miljoen euro vanaf 2028.".
Art. 51. L'article 22 du Décret-programme du 20 décembre 2019 accompagnant le budget 2020, modifié par le décret du 14 juillet 2025, est complété par un alinéa 4, rédigé comme suit :
  " A partir de 2026, un taux de croissance annuel de 3,5 % est appliqué à la subvention de fonctionnement de l'année précédente. La subvention de fonctionnement est également structurellement augmentée de 35 millions d'euros à partir de 2026, de 10 millions d'euros supplémentaires à partir de 2027 et de 15 millions d'euros supplémentaires à partir de 2028. ".
Art. 52. In artikel 23 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 16 juli 2021, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt tussen de woorden "De algemene werkingssubsidie wordt" en de woorden "onder de gemeenten" de zinsnede "voor de jaren 2020 tot en met 2025" ingevoegd;
  2° er worden een vierde tot en met zesde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "Vanaf 2026 wordt de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie voor het jaar 2025. Bij een samenvoeging van gemeenten wordt vanaf het tweede jaar van de samenvoeging de algemene werkingssubsidie onder de gemeenten verdeeld volgens dezelfde procentuele verhouding als de verdeling van de werkingssubsidie in het jaar van de samenvoeging.
  Bij een samenvoeging van gemeenten vanaf 2026 ontvangt de nieuwe gemeente in het jaar van de samenvoeging een aandeel in de algemene werkingssubsidie dat gelijk is aan de som van de aandelen van de samen te voegen gemeenten of opgesplitste delen van gemeenten in het jaar van de samenvoeging, berekend conform het vierde lid en artikel 22, vierde lid. Als de samenvoeging gepaard gaat met de opsplitsing van een of meer gemeenten, wordt het aandeel van de op te splitsen gemeenten in het jaar van de samenvoeging ook opgesplitst, in dezelfde verhouding als de aandelen gekadastreerde oppervlakte open ruimte van de opgesplitste delen.
  Het vijfde lid is niet van toepassing bij een samenvoeging met een stad als vermeld in artikel 6, § 1, 1°, a), b), c) en d), van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds. Voornoemde steden zijn uitgesloten van de algemene werkingssubsidie.".
Art. 52. Dans l'article 23 du même décret, modifié par le décret du 19 juin 2020, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, le membre de phrase " pour les années 2020 à 2025 " est inséré entre les mots " est répartie " et les mots " parmi les communes " ;
  2° il est ajouté des alinéas 4 à 6, rédigés comme suit :
  " A partir de 2026, la subvention générale de fonctionnement est répartie entre les communes selon le même pourcentage que la répartition de la subvention de fonctionnement pour l'année 2025.. En cas de fusion de communes, à partir de la deuxième année de la fusion, la subvention générale de fonctionnement est répartie entre les communes selon le même pourcentage que la répartition de la subvention de fonctionnement l'année de la fusion.
  En cas de fusion de communes, à partir de 2026, la nouvelle commune reçoit, l'année de la fusion, une part de la subvention générale de fonctionnement égale à la somme des parts des communes à fusionner ou des parties de communes scindées l'année de la fusion, calculée conformément à l'alinéa 4, et à l'article 22, alinéa 4. Si la fusion s'accompagne de la scission d'une ou plusieurs communes, la part des communes à scinder dans l'année de la fusion est également scindée, dans la même proportion que les parts de superficie cadastrée d'espace ouvert des parties scindées.
  L'alinéa 5 ne s'applique pas en cas de fusion avec une ville telle que visée à l'article 6, § 1er, 1°, a), b), c) et d), du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes. Les villes précitées sont exclues de la subvention générale de fonctionnement. ".
Afdeling 2. - Financiering lokale besturen: Gemeentefonds - aanvullende Eliacompensatie
Section 2. - Financement des administrations locales : Fonds des communes - compensation supplémentaire d'Elia
Art. 53. Aan artikel 19bis, § 1, van het decreet van 5 juli 2002 tot vaststelling van de regels inzake de dotatie en de verdeling van het Vlaams Gemeentefonds, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, gewijzigd bij het decreet van 18 december 2009, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "In afwijking van het eerste lid bedraagt de aanvullende dotatie in 2026 41.500.000 euro.".
Art. 53. Dans l'article 19bis, § 1er, du décret du 5 juillet 2002 réglant la dotation et la répartition du Fonds flamand des Communes, inséré par le décret du 21 décembre 2007 et modifié par le décret du 18 décembre 2009, est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, la dotation supplémentaire en 2026 s'élève à 41 500 000 euros. ".
Art. 54. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, wordt hoofdstuk IIIbis, dat bestaat uit artikel 19bis tot en met 19quinquies, opgeheven.
Art. 54. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2025, le chapitre IIIbis, comprenant les articles 19bis à 19quinquies, est abrogé.
Afdeling 3. - Subsidie voor kleine taalgrensgemeenten
Section 3. - Subvention pour les petites communes situées sur la frontière linguistique
Art. 55. Vanaf het begrotingsjaar 2026 wordt op de begroting van het Vlaamse Gewest een subsidie ingeschreven voor de gemeenten, vermeld in artikel 8, eerste lid, van de gecoördineerde wet op het gebruik van de talen in bestuurszaken van 18 juli 1966, die in het Vlaamse Gewest liggen en die minder dan 3000 inwoners hebben.
Art. 55. A partir de l'année budgétaire 2026, une subvention est inscrite au budget de la Région flamande pour les communes visées à l'article 8, alinéa 1er, de la loi coordonnée sur l'emploi des langues en matière administrative du 18 juillet 1966, qui sont situées en Région flamande et comptent moins de 3 000 habitants.
Art. 56. De subsidie, vermeld in artikel 55, wordt op de volgende wijze verdeeld:
  1° 3% voor elke gemeente met minder dan 1000 inwoners;
  2° 13,6% voor elke gemeente met 1000 tot en met 1999 inwoners;
  3° 16,7% voor elke gemeente met 2000 tot en met 2999 inwoners;
  4° het resterende bedrag wordt verdeeld volgens het aantal inwoners. Het aandeel van elke gemeente wordt vastgesteld in verhouding tot de relatieve waarde van het aantal inwoners van elke gemeente ten opzichte van de som van het aantal inwoners van alle gemeenten.
  Het aantal inwoners, vermeld in het eerste lid en artikel 55, wordt vastgesteld op grond van de meest recente cijfers die op 30 september van het betrokken begrotingsjaar gepubliceerd zijn in het Belgisch Staatsblad.
Art. 56. La subvention visée à l'article 55, est répartie de la manière suivante :
  1° 3 % pour les communes de moins de 1000 habitants ;
  2° 13,6 % pour les communes comptant entre 1 000 et 1999 habitants ;
  3° 16,7 % pour les communes comptant entre 2000 et 2999 habitants ;
  4° le montant restant est réparti en fonction du nombre d'habitants. La part de chaque commune est déterminée par rapport à la valeur relative du nombre d'habitants de chaque commune par rapport à la somme du nombre d'habitants de toutes les communes.
  Le nombre d'habitants visé à l'alinéa 1er et à l'article 55, est déterminé sur la base des chiffres les plus récents publiés au Moniteur belge le 30 septembre de l'année budgétaire concernée.
Art. 57. De Vlaamse Regering stelt jaarlijks het aandeel van elke gemeente in de subsidie, vermeld in artikel 55, vast.
Art. 57. Le Gouvernement flamand détermine annuellement la part de chaque commune dans la subvention visée à l'article 55.
Art. 58. De subsidie, vermeld in artikel 55, wordt aan de gemeenten betaald uiterlijk op 31 december van het begrotingsjaar.
Art. 58. La subvention visée à l'article 55, est versée aux communes au plus tard le 31 décembre de l'année budgétaire.
Art. 59. De subsidie, vermeld in artikel 55, wordt gebruikt voor de algemene financiering van de gemeenten, vermeld in artikel 55, en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen.
Art. 59. La subvention visée à l'article 55, est affectée au financement général des communes visé à l'article 55, et est totalement exempte d'obligations de justification et de rapport.
Afdeling 4. - Wijziging en opheffing van het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten en opheffing van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2023 tot uitvoering van het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten
Section 4. - Modification et abrogation du décret du 26 mai 2023 relatif au subventionnement dans le cadre des Pactes locaux énergie-climat et abrogation de l'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2023 portant exécution du décret du 26 mai 2023 relatif au subventionnement dans le cadre des Pactes locaux énergie-climat
Art. 60. Aan artikel 3 van het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten worden een tweede en een derde lid toegevoegd, die luiden als volgt:
  "De doelstellingen van de lokale energie- en klimaatpacten, vermeld in het eerste lid, omvatten al de volgende elementen:
  1° lokale besturen engageren zich om het Burgemeestersconvenant 2030 of 2050 te ondertekenen en uit te werken;
  2° lokale besturen engageren zich om een jaarlijkse primaire energiebesparing van minstens 2,09% te realiseren in hun eigen gebouwen ten opzichte van referentiejaar 2019;
  3° lokale besturen engageren zich om een reductie van de CO2-uitstoot van hun eigen gebouwen en technische infrastructuur met 40% in 2030 ten opzichte van 2015 te realiseren;
  4° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 de openbare verlichting te verledden;
  5° lokale besturen engageren zich om het draagvlak voor hernieuwbare energie te verhogen door geen heffing op hernieuwbare energie-installaties in te voeren en om bestaande heffingen niet te verhogen;
  6° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 lokale warmte- en sloopbeleidsplannen op te maken;
  7° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één boom extra per inwoner te realiseren;
  8° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 een halve meter extra haag of geveltuinbeplanting per inwoner te realiseren;
  9° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één extra natuurgroenperk per 1000 inwoners te realiseren;
  10° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 50 collectief georganiseerde energiebesparende renovaties per 1000 wooneenheden te realiseren;
  11° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één coöperatief of participatief hernieuwbaar energieproject per 500 te voorzien, die samen voor een totaal geïnstalleerd vermogen zorgen van 216 megawatt;
  12° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 per 1000 inwoners één toegangspunt voor een deelsysteem te realiseren;
  13° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 per 100 inwoners één laadpunt te realiseren;
  14° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 één meter nieuw of structureel opgewaardeerd fietspad extra per inwoner te realiseren;
  15° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 1 m2 ontharding per inwoner te realiseren;
  16° lokale besturen engageren zich om tot en met 31 december 2030 1 m3 extra opvang van hemelwater voor hergebruik, buffering of infiltratie per inwoner te realiseren.
  De doelstellingen die opgenomen zijn in de lokale energie- en klimaatpacten, die krachtens dit decreet werden vastgesteld, houden op uitwerking te hebben, als ze niet overeenkomen met de lijst opgenomen in het tweede lid.".
Art. 60. L'article 3 du décret du 26 mai 2023 relatif au subventionnement dans le cadre des Pactes locaux énergie-climat, est complété par un alinéa 2 et 3, rédigés comme suit :
  " Les objectifs des Pactes locaux énergie-climat visés à l'alinéa 1er, comprennent l'ensemble des éléments suivants :
  1° les administrations locales s'engagent à signer et à développer la Convention des Bourgmestres 2030 ou 2050 ;
  2° les administrations locales s'engagent à réaliser des économies annuelles d'énergie primaire d'au moins 2,09 % dans leurs propres bâtiments par rapport à l'année de référence 2019 ;
  3° les administrations locales s'engagent à réduire de 40 % les émissions de CO2 provenant de leurs propres bâtiments et infrastructures techniques d'ici 2030 par rapport à 2015 ;
  4° les administrations locales s'engagent à remplacer l'éclairage public par des lampes LED d'ici au 31 décembre 2030 ;
  5° les administrations locales s'engagent à accroître l'adhésion aux énergies renouvelables en n'introduisant pas de nouvelles taxes sur les installations d'énergies renouvelables et en n'augmentant pas les taxes existantes ;
  6° les administrations locales s'engagent à élaborer des politiques locales en matière de chaleur et de démolition jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  7° les administrations locales s'engagent à planter un arbre supplémentaire par habitant jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  8° les administrations locales s'engagent à planter un demi-mètre supplémentaire de haies ou de jardins de façade par habitant jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  9° les administrations locales s'engagent à créer un espace vert naturel supplémentaire par tranche de 1000 habitants jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  10° les administrations locales s'engagent à réaliser 50 rénovations énergétiques organisées collectivement par tranche de 1000 unités de logement jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  11° les administrations locales s'engagent à prévoir un projet coopératif ou participatif en matière d'énergies renouvelables par tranche de 500 jusqu'au 31 décembre 2030, ce qui représente une capacité installée totale de 216 mégawatts ;
  12° les administrations locales s'engagent à fournir un point d'accès pour un sous-système par tranche de 1000 habitants jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  13° les administrations locales s'engagent à installer une borne de recharge par tranche de 100 habitants jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  14° les administrations locales s'engagent à réaliser un mètre supplémentaire de piste cyclable nouvelle ou structurellement améliorée en plus par habitant d'ici jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  15° les administrations locales s'engagent à réaliser 1 m2 de débétonnage par habitant jusqu'au 31 décembre 2030 ;
  16° les administrations locales s'engagent à collecter 1 m3 supplémentaire d'eaux pluviales pour réutilisation, tamponnement et infiltration par habitant jusqu'au 31 décembre 2030.
  Les objectifs inclus dans les Pactes locaux énergie-climat établis en vertu du présent décret cessent de produire leurs effets s'ils ne correspondent pas à la liste reprise à l'alinéa 2. ".
Art. 61. Het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten wordt opgeheven, met uitzondering van wat vermeld is in het tweede lid.
  Artikel 6 en 7 van het decreet, vermeld in het eerste lid, blijven gelden voor de subsidies die toegekend werden tot en met het begrotingsjaar 2025.
  Het besluit van de Vlaamse Regering van 10 november 2023 tot uitvoering van het decreet van 26 mei 2023 over de subsidiëring in het kader van de lokale energie- en klimaatpacten wordt opgeheven, met uitzondering van wat vermeld is in het vierde lid.
  Artikel 2 en 3 van het besluit, vermeld in het derde lid, blijven gelden voor de subsidies die toegekend werden tot en met het begrotingsjaar 2025.
Art. 61. Le décret du 26 mai 2023 relatif au subventionnement dans le cadre des Pactes locaux énergie-climat est abrogé, à l'exception de ce qui est mentionné à l'alinéa 2.
  Les articles 6 et 7 du décret visé à l'alinéa 1er, restent d'application pour les subventions octroyées jusqu'à l'année budgétaire 2025 incluse.
  L'arrêté du Gouvernement flamand du 10 novembre 2023 portant exécution du décret du 26 mai 2023 relatif au subventionnement dans le cadre des Pactes locaux énergie-climat est abrogé, à l'exception de ce qui est indiqué à l'alinéa 4.
  Les articles 2 et 3 de l'arrêté visé à l'alinéa 3, restent d'application pour les subventions octroyées jusqu'à l'année budgétaire 2025 incluse.
Afdeling 5. - Plattelandsfonds
Section 5. - Fonds rural
Art. 62. Vanaf 2026 wordt jaarlijks op de begroting van het Vlaamse Gewest een subsidie ingeschreven als algemene financiering en ondersteuning van plattelandsgemeenten.
Art. 62. A partir de 2026, une subvention annuelle est inscrite au budget de la Région flamande au titre de financement général et de soutien aux communes rurales.
Art. 63. Een lijst met de gemeenten en hun aandeel in de subsidie, vermeld in artikel 62, is opgenomen in bijlage 1 die bij dit decreet wordt gevoegd.
Art. 63. Une liste des communes et de leur part de la subvention visée à l'article 62, figure à l'annexe 1rejointe au présent décret.
Art. 64. De subsidie, vermeld in artikel 62, wordt aan de gemeenten, vermeld in bijlage 1 bij dit decreet, volledig betaald op 30 juni van elk begrotingsjaar.
Art. 64. La subvention visée à l'article 62, est versée intégralement aux communes visées à l'annexe 1re du présent décret, le 30 juin de chaque année budgétaire.
Art. 65. De subsidie, vermeld in artikel 62, wordt gebruikt voor de algemene financiering van de gemeenten, vermeld in bijlage 1 bij dit decreet, en is volledig vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen.
Art. 65. La subvention visée à l'article 62, est affectée au financement général des communes au sens de l'annexe 1, et est totalement exempte d'obligations de justification et de rapport.
Art. 66. De volgende regelingen worden opgeheven:
  1° het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot) stedelijke en plattelandsinvesteringen;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot uitvoering van het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023.
Art. 66. Les règlements suivants sont abrogés :
  1° le décret du 23 décembre 2016 réglant le fonctionnement et la répartition d'un "Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen" (Fonds flamand d'encouragement aux investissements métropolitains, urbains et ruraux) ;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 portant exécution du décret du 23 décembre 2016 réglant le fonctionnement et la répartition d'un "Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen" (Fonds flamand d'encouragement aux investissements métropolitains, urbains et ruraux), modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023.
Art. 67. Het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen, zoals van kracht op 31 december 2025, blijft van toepassing op de subsidies, vermeld in artikel 6 tot en met 14 van het voormelde decreet, die uiterlijk in het begrotingsjaar 2025 zijn toegekend.
  Het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2017 tot uitvoering van het decreet van 23 december 2016 tot vaststelling van de regels inzake de werking en de verdeling van een Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen, zoals van kracht op 31 december 2025, blijft van toepassing op de subsidies, vermeld in artikel 6 tot en met 14 van het voormelde decreet, die uiterlijk in het begrotingsjaar 2025 zijn toegekend.
Art. 67. Le décret du 23 décembre 2016 réglant le fonctionnement et la répartition d'un "Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen" (Fonds flamand d'encouragement aux investissements métropolitains, urbains et ruraux), tel qu'en vigueur au 31 décembre 2025, continue à s'appliquer aux subventions visées aux articles 6 à 14 du décret précité, qui ont été octroyées au plus tard au cours de l'année budgétaire 2025.
  L'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2017 portant exécution du décret du 23 décembre 2016 réglant le fonctionnement et la répartition d'un "Vlaams fonds voor de stimulering van (groot)stedelijke en plattelandsinvesteringen" (Fonds flamand d'encouragement aux investissements métropolitains, urbains et ruraux), tel qu'en vigueur au 31 décembre 2025, continue à s'appliquer aux subventions visées aux articles 6 à 14 du décret précité, qui ont été octroyées au plus tard au cours de l'année budgétaire 2025.
Afdeling 6. - Wijziging Fonds Personeelsleden met Verlof voor Opdracht
Section 6. - Modification du Fonds Membres du personnel en congé pour mission
Art. 68. Aan artikel 33 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, vervangen bij het decreet van 21 november 2008 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, worden een paragraaf 11 en 12 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 11. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie worden alle ontvangsten uit de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf toegewezen.
  § 12. De middelen van het fonds van het Vlaams Ministerie van Kanselarij, Bestuur, Buitenlandse Zaken en Justitie, verkregen op basis van paragraaf 11, worden aangewend voor de betaling van wedden, weddetoelagen en werkingskosten die gemaakt worden in het kader van de betalende diensten inzake overheidsopdrachten van het agentschap Facilitair Bedrijf.".
Art. 68. L'article 33 du décret du 6 juillet 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2001, remplacé par le décret du 21 novembre 2008 et modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, est complété par un paragraphe 11 et un paragraphe 12, rédigés comme suit :
  " § 11. Toutes les recettes provenant des services payants en matière de marchés publics de l'Agence de Gestion des Infrastructures sont octroyées au fonds du ministère flamand de la Chancellerie, de la Gouvernance publique, des Affaires étrangères et de la Justice.
  § 12. Les ressources du fonds du ministère flamand de la Chancellerie, de la Gouvernance publique, des Affaires étrangères et de la Justice, obtenues sur la base du paragraphe 11, sont utilisées pour le paiement des traitements, des subventions-traitements et des frais de fonctionnement engagés dans le cadre des services payants en matière de marchés publics de l'Agence de Gestion des Infrastructures. ".
Afdeling 7. - Subsidiëring van initiatieven betreffende de hulp- en dienstverlening aan gedetineerden
Section 7. - Subventionnement d'initiatives en matière de prestation d'aide et de services au profit des détenus
Art. 69. Aan artikel 12, eerste lid, van het decreet van 8 maart 2013 betreffende de organisatie van hulp- en dienstverlening aan gedetineerden, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De Vlaamse Regering kan initiatieven daarvoor subsidiëren en kan nadere regels voor die subsidiëring bepalen.".
Art. 69. L'article 12, alinéa 1er, du décret du 8 mars 2013 relatif à l'organisation de la prestation d'aide et de services au profit des détenus, est complété par la phrase suivante :
  " Le Gouvernement flamand peut subventionner des initiatives à cette fin et peut préciser les modalités de cette subvention. ".
Afdeling 8. - Fonds Handhaving Vlaanderen en retributie Vlaams Handhavingsplatform
Section 8. - Fonds de Maintien flamand et rétribution de la Plateforme de Maintien flamande
Art. 70. Er wordt een Fonds Handhaving Vlaanderen opgericht.
  Aan het Fonds Handhaving Vlaanderen worden de volgende ontvangsten en opbrengsten toegewezen:
  1° alle ontvangsten die voortkomen uit de retributie, vermeld in artikel 83, § 6, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  2° de opbrengsten die overeenkomstig artikel 73, eerste lid, van het voormelde decreet toekomen aan de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld justitie en handhaving.
  De middelen van het Fonds Handhaving Vlaanderen worden gebruikt voor de volgende doelstellingen:
  1° de uitgaven dekken voor de ontwikkeling en het onderhoud van:
  a) het digitale klassement, vermeld in artikel 4, § 1, derde lid, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023;
  b) het bestuurlijke sanctieregister, vermeld in artikel 77, eerste lid, van het voormelde decreet;
  c) het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, eerste lid, van het voormelde decreet;
  2° de uitgaven dekken die betrekking hebben op de handhaving van het voormelde decreet en de Vlaamse regelgeving waarop het van toepassing is, en die zijn gemaakt door de entiteit die bevoegd is voor het beleidsveld justitie en handhaving.
Art. 70. Un Fonds de Maintien flamand est créé.
  Les produits et recettes suivants sont affectés au Fonds de Maintien flamand :
  1° tous les produits provenant de la rétribution visée à l'article 83, § 6, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  2° les recettes revenant à l'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien conformément à l'article 73, alinéa 1er, du décret précité.
  Les ressources du Fonds de Maintien flamand sont utilisées aux fins suivantes :
  1° couvrir les dépenses liées au développement et à l'entretien :
  a) du classement numérique visé à l'article 4, § 1er, alinéa 3, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023 ;
  b) du registre des sanctions administratives visé à l'article 77, alinéa 1er, du décret précité ;
  c) du registre des mesures visé à l'article 81, alinéa 1er, du décret précité ;
  2° couvrir les dépenses liées au maintien du décret précité et de la réglementation flamande à laquelle il s'applique et qui sont engagées par l'entité compétente pour le secteur politique Justice et Maintien.
Art. 71. In artikel 83, § 6, van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering kan de consultatie van het maatregelenregister, vermeld in artikel 81, eerste lid, door de instrumenterende ambtenaar, vermeld in paragraaf 4, en de vastgoedmakelaar, vermeld in paragraaf 5, afhankelijk stellen van het betalen van een retributie.".
Art. 71. Dans l'article 83, § 6, du Décret-cadre Maintien flamand du 14 juillet 2023, il est inséré entre les alinéas 1er et 2, un alinéa rédigé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand peut subordonner la consultation du registre des mesures visé à l'article 81, alinéa 1er, par le fonctionnaire instrumentant visé au paragraphe 4, et l'agent immobilier visé au paragraphe 5, au paiement d'une rétribution. ".
HOOFDSTUK 5. - Mobiliteit en Openbare Werken
CHAPITRE 5. - Mobilité et Travaux publics
Art. 72. In artikel 198 van het Scheepvaartdecreet van 21 januari 2022, gewijzigd bij het decreet van 22 maart 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° de datum "1 januari 2026" wordt vervangen door de datum "1 januari 2028";
  2° er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "De Vlaamse Regering kan een datum van inwerkingtreding bepalen die voorafgaat aan de datum, vermeld in het eerste lid.".
Art. 72. Dans l'article 198 du Décret Navigation du 21 janvier 2022, modifié par le décret du 22 mars 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° la date " 1er janvier 2026 " est remplacée par la date " 1er janvier 2028 " ;
  2° il est ajouté un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Le Gouvernement flamand peut arrêter une date d'entrée en vigueur antérieure à la date visée à l'alinéa 1er. ".
HOOFDSTUK 6. - Omgeving
CHAPITRE 6. - Environnement
Afdeling 1. - Het Vlaamse Gewest gunt de verzekering gewaarborgd wonen
Section 1. - La Région flamande octroie l'assurance logement garanti
Art. 73. In artikel 4.61 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021, gewijzigd bij het decreet van 3 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt punt 5° opgeheven;
  2° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt:
  "Het VWF treedt vanaf 1 januari 2023 tot en met 31 december 2025 in de rechten, verplichtingen en bevoegdheden van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71.";
  3° in het vierde lid wordt de zinsnede "de opdracht vermeld in het eerste lid, 5° " telkens vervangen door de zinsnede "de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71";
  4° het vijfde en het zesde lid worden opgeheven.
Art. 73. Dans l'article 4.61 du Code flamand du Logement de 2021, modifié par le décret du 3 juin 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, le point 5° est abrogé ;
  2° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Le VWF assume, à partir du 1er janvier 2023 jusqu'au 31 décembre 2025, les droits, obligations et pouvoirs de la Région flamande en ce qui concerne la prise en charge visée à l'alinéa 5.71 ;
  3° à l'alinéa 4, le membre de phrase " la mission visée à l'alinéa 1, 5° " est remplacé à chaque fois par le membre de phrase " la prise en charge visée à l'article 5.71 " ;
  4° les alinéas 5 et 6 sont abrogés.
Art. 74. In artikel 4.62, eerste lid, van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 23 december 2021 en 3 juni 2022, wordt punt 5° opgeheven.
Art. 74. Dans l'article 4.62, alinéa 1er, du même code, modifié par les décrets des 23 décembre 2021 et 3 juin 2022, le point 5° est abrogé.
Art. 75. In artikel 5.71 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 3 juni 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "de gunnende entiteit" vervangen door de woorden "het Vlaamse Gewest";
  2° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Als er geen overheidsopdracht als vermeld in het tweede lid, gegund kan worden, kan een dienst die door de Vlaamse Regering wordt aangewezen, belast worden met de opdracht, vermeld in het eerste lid.";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 3. De Vlaamse Regering duidt de entiteit aan die instaat voor de behandeling van de aanvragen om in aanmerking te komen voor de gehele of gedeeltelijke tenlasteneming van de terugbetaling van de hoofdsom en de betaling van de interesten van hypothecaire leningen. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor die behandeling.
  De Vlaamse Regering bepaalt een interne beroepsprocedure bij de entiteit, vermeld in het eerste lid, en een verhaalprocedure bij de toezichthouder, vermeld in artikel 4.79. Het verhaal bij de toezichthouder is alleen ontvankelijk als voorafgaandelijk de interne beroepsprocedure is gevolgd.".
Art. 75. Dans l'article 5.71 du même code, remplacé par le décret du 3 juin 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " l'entité adjudicatrice " sont remplacés par les mots " la Région flamande " ;
  2° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " Si aucun marché public tel que visé à l'alinéa 2, ne peut être attribué, un service désigné par le Gouvernement flamand peut être chargé de la mission visée à l'alinéa 1er. " ;
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Le Gouvernement flamand désigne l'entité en charge du traitement des demandes pour être éligible à une prise en charge totale ou partielle du remboursement du principal et du paiement des intérêts des prêts hypothécaires. Le Gouvernement flamand détermine la procédure de ce traitement.
  Le Gouvernement flamand détermine une procédure d'appel interne auprès de l'entité visée à l'alinéa 1er, et une procédure de recours auprès du contrôleur visé à l'article 4.79. Le recours auprès du contrôleur n'est recevable que si la procédure d'appel interne a été suivie au préalable. ".
Art. 76. In artikel 5.71/0, § 2, eerste lid, van dezelfde codex, ingevoegd bij het decreet van 21 april 2023, wordt de zinsnede "de tenlasteneming, vermeld in artikel 5.71, § 1, van deze codex, beheert," vervangen door de zinsnede "conform artikel 5.71, § 3, belast is met de behandeling van de aanvragen".
Art. 76. Dans l'article 5.71/0, § 2, alinéa 1er, du même code, inséré par le décret du 21 avril 2023, le membre de phrase " gère la prise en charge visée à l'article 5.71, § 1er, du présent Code " est remplacé par le membre de phrase " est chargée du traitement des demandes, conformément à l'article 5.71, § 3, ".
Afdeling 2. - Wijziging van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001
Section 2. - Modification du décret du 6 juillet 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2001
Art. 77. Aan artikel 33 van het decreet van 6 juli 2001 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2001, vervangen bij het decreet van 21 november 2008 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 8 juli 2022, wordt een paragraaf 13 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 13. Aan het fonds bij het Vlaams Ministerie van Omgeving worden alle terugvorderingen van wedden en de vergoedingen of kosten die ermee samenhangen, toegewezen die betrekking hebben op personeelsleden van het Ministerie van Omgeving en die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering.
  De middelen van het fonds van het Vlaamse Ministerie van Omgeving, die worden verkregen conform het eerste lid, worden gebruikt om de wedden, weddentoelagen en werkingskosten van personeelsleden te betalen die worden ingezet door andere organisaties voor de uitvoering van specifieke taken in het kader van opdrachten van de Vlaamse Regering, of voor de betaling van wedden, weddentoelagen en werkingskosten van hun vervangers.".
Art. 77. Dans l'article 33 du décret du 6 juillet 2001 contenant diverses mesures d'accompagnement de l'ajustement du budget 2001, remplacé par le décret du 21 novembre 2008 et modifié en dernier lieu par le décret du 8 juillet 2022, est ajouté un paragraphe 13, rédigé comme suit :
  " § 13. Sont affectés au fonds du Ministère flamand de l'Environnement tous les recouvrements de salaires et les indemnisations ou coûts associés, qui concernent les membres du personnel du Ministère de l'Environnement et qui sont déployés par d'autres organisations pour l'exécution de tâches spécifiques dans le cadre des missions du Gouvernement flamand.
  Les ressources du fonds du Ministère flamand de l'Environnement, obtenues conformément à l'alinéa 1er, sont utilisées pour le paiement des traitements, subventions-traitements et frais de fonctionnement des membres du personnel déployés par d'autres organisations pour l'exécution de tâches spécifiques dans le cadre des missions du Gouvernement flamand, ou pour le paiement des traitements, subventions-traitements et frais de fonctionnement de leurs remplaçants. ".
Afdeling 3. - Wijzigingen van het decreet Integraal Waterbeleid, wat betreft de aanpassing vrijstelling heffingen voor bronbemalingen
Section 3. - Modifications du décret Politique intégrée de l'Eau, en ce qui concerne l'adaptation de l'exonération des redevances pour rabattements de nappe par puits filtrants
Art. 78. In artikel 4.2.1.1.6, § 1, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° punt 1° tot en met 3° worden vervangen door wat volgt:
  "1° proefbemalingen gedurende minder dan één maand;
  2° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
  3° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
  b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
  c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
  d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
  1) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);";
  2° er worden een punt 4° en 5° toegevoegd, die luiden als volgt:
  "4° spuiwater van grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen dat niet afkomstig is van chemische regeneratie;
  5° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden.".
Art. 78. Dans l'article 4.2.1.1.6, § 1er, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, inséré par le décret du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les points 1° à 3° sont remplacés par ce qui suit :
  " 1° exhaures d'essai pendant moins d'un mois ;
  2° pompages d'essai pour des captages d'eau souterraine autres que les rabattements de nappe par puits filtrants pendant moins de trois mois ;
  3° les rabattements de nappe par puits filtrants qui remplissent l'une des conditions suivantes :
  a) ils sont techniquement nécessaires à l'exécution de travaux ou à l'aménagement d'équipements d'utilité publique ;
  b) ils sont nécessaires à l'exploitation des voies publiques (y compris les tunnels) ou des infrastructures de transport public ;
  c) ils sont nécessaires pour la maîtrise des eaux dans les zones d'affaissement minier ;
  d) ils sont nécessaires afin de permettre ou de maintenir l'utilisation ou l'exploitation des constructions ou terrains ou d'effectuer des travaux d'entretien, à condition que :
  1) cette nécessité soit étayée par une attestation hydrologique établie par un expert EIE dans la discipline des eaux, sous-domaine de la géohydrologie, agréé à cet effet en Région flamande en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  2) l'attestation hydrologique visée au point 1), soit transmise au fonctionnaire dirigeant de la Société flamande de l'Environnement ou au fonctionnaire délégué par le fonctionnaire dirigeant de la Société flamande de l'Environnement avant le 15 mars de chaque année de redevance. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la forme et au contenu minimum de l'attestation hydrologique visée au point 1) ; " ;
  2° un point 4° et un point 5° sont ajoutés, rédigés comme suit :
  " 4° les effluents de captages d'eaux souterraines utilisés pour le stockage d'énergie thermique dans les aquifères qui ne proviennent pas de la régénération chimique ;
  5° les drainages nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation ou l'exploitation de terres ou de terrains. ".
Art. 79. Artikel 4.2.1.2.2 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 december 2018, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4.2.1.2.2. In afwijking van artikel 4.2.1.2.1 van dit decreet, is geen heffing grondwater verschuldigd voor de exploitatie van de volgende grondwaterwinningen:
  1° een grondwaterwinning waaruit het water uitsluitend met een handpomp wordt opgepompt;
  2° proefpompingen voor andere grondwaterwinningen dan bronbemalingen gedurende minder dan drie maanden;
  3° draineringen die noodzakelijk zijn om het gebruik of de exploitatie van gronden of terreinen mogelijk te maken of te houden;
  4° bronbemalingen die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
  a) ze zijn technisch noodzakelijk om werken te verwezenlijken of om nutsvoorzieningen aan te leggen;
  b) ze zijn noodzakelijk voor de exploitatie van openbare wegen, met inbegrip van tunnels of infrastructuur voor openbaar vervoer;
  c) ze zijn noodzakelijk voor de waterbeheersing van mijnverzakkingsgebieden;
  d) ze zijn noodzakelijk om het gebruik of de exploitatie van constructies of terreinen mogelijk te maken of te houden of om onderhoudswerken uit te voeren, op voorwaarde dat:
  1) de noodzakelijkheid is gestaafd door een hydrologisch attest dat is opgesteld door een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie die daarvoor in het Vlaamse Gewest is erkend, met toepassing van de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  2) het hydrologisch attest, vermeld in punt 1), vóór 15 maart van elk heffingsjaar is ingediend bij de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij of bij de ambtenaar die door de leidend ambtenaar van de Vlaamse Milieumaatschappij is gedelegeerd. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen voor de minimale inhoud en de vorm van het hydrologisch attest, vermeld in punt 1);
  5° grondwaterwinningen voor thermische energieopslag in watervoerende lagen, op voorwaarde dat het grondwater na doorstroming van de koude-warmte-pomp integraal opnieuw in dezelfde watervoerende laag wordt ingebracht;
  6° grondwaterwinningen in het kader van bodemsaneringswerken, waarvoor een conformiteitattest is uitgereikt conform artikel 17 van het decreet van 22 februari 1995 betreffende de bodemsanering, zoals van kracht vóór 1 juni 2008, of artikel 50 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006;
  7° het deel van het beluchte grondwater van grondwaterwinningen dat wordt gebruikt voor ondergrondse beluchting als vermeld in de indelingsrubriek 53.12 van bijlage 1 bij titel II van VLAREM, dat teruggepompt wordt in dezelfde freatische watervoerende laag.".
Art. 79. L'article 4.2.1.2.2 du même décret, modifié par le décret du 21 décembre 2018, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4.2.1.2.2. Par dérogation à l'article 4.2.1.2.1 du présent décret, aucune redevance sur les eaux souterraines n'est due pour l'exploitation des captages d'eaux souterraines suivantes :
  1° un captage d'eaux souterraines muni seulement d'une pompe manuelle pour pomper l'eau ;
  2° pompages d'essai pour des captages d'eau souterraine autres que les rabattements de nappe par puits filtrants pendant moins de trois mois ;
  3° les drainages nécessaires pour permettre ou maintenir l'utilisation ou l'exploitation de terres ou de terrains ;
  4° les rabattements de nappe par puits filtrants qui remplissent l'une des conditions suivantes :
  a) ils sont techniquement nécessaires à l'exécution de travaux ou à l'aménagement d'équipements d'utilité publique ;
  b) ils sont nécessaires à l'exploitation des voies publiques (y compris les tunnels) ou des infrastructures de transport public ;
  c) ils sont nécessaires pour la maîtrise des eaux dans les zones d'affaissement minier ;
  d) ils sont nécessaires afin de permettre ou de maintenir l'utilisation ou l'exploitation des constructions ou terrains ou d'effectuer des travaux d'entretien, à condition que :
  1) cette nécessité soit étayée par une attestation hydrologique établie par un expert EIE dans la discipline des eaux, sous-domaine de la géohydrologie, agréé à cet effet en Région flamande en application des dispositions du titre V, chapitre 6, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  2) l'attestation hydrologique visée au point 1), soit transmise au fonctionnaire dirigeant de la Société flamande de l'Environnement ou au fonctionnaire délégué par le fonctionnaire dirigeant de la Société flamande de l'Environnement avant le 15 mars de chaque année de redevance. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à la forme et au contenu minimum de l'attestation hydrologique visée au point 1) ;
  5° les captages d'eaux souterraines utilisés pour le stockage d'énergie thermique dans les aquifères, à condition que les eaux souterraines soient intégralement réinjectées dans le même aquifère après leur passage par la pompe ;
  6° les captages d'eaux souterraines dans le cadre de travaux d'assainissement du sol pour lesquels une attestation de conformité a été délivrée conformément à l'article 17 du décret du 22 février 1995 relatif à l'assainissement du sol, tel qu'en vigueur avant le 1er juin 2008, ou à l'article 50 du Décret relatif au sol du 27 octobre 2006 ;
  7° la partie des eaux souterraines aérées provenant des captages d'eaux souterraines qui est utilisée pour l'aération souterraine telle que visée dans la rubrique de classification 53.12 de l'annexe 1redu titre II du VLAREM, qui est réinjectée dans le même aquifère phréatique. ".
Afdeling 4. - Wijzigingen van het decreet Integraal Waterbeleid (decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018), wat betreft de aanpassing aan nieuwe HCOV-codering
Section 4. - Décret Politique intégrée de l'Eau (décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018) en ce qui concerne l'adaptation à la nouvelle codification HCOV
Art. 80. In artikel 4.1.1, 2°, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, wordt de zinsnede "0300, 0500, 0700 of 0900" vervangen door de zinsnede "A0300, A0500, A0700 of A0900".
Art. 80. Dans l'article 4.1.1, 2°, du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018, le membre de phrase " 0300, 0500, 0700 ou 0900 " est remplacé par le membre de phrase " A0300, A0500, A0700 ou A0900 ".
Art. 81. In bijlage 6 bij hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° tabel I en II worden vervangen door wat volgt:
  "Tabel I. Laagfactor
Art. 81. A l'annexe 6 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les tableaux I et II sont remplacés par ce qui suit :
  " Tableau I. Facteur nappe
code hydrogeologische hoofdeenheid laagfactor
A0100 Quartaire aquifersystemen 1
A0200 Kempens aquifersysteem 1
A0300 Boom aquitard 1
A0400 Oligoceen aquifersysteem 1
A0500 Bartoon aquitardsysteem 1
A0600 Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem 1
A0700 Paniseliaan aquitard 1
A0800 Ieperiaan aquifer 1
A0900 Ieperiaan aquitardsysteem 1
A1000 Paleoceen aquifersysteem 1
A1100 Krijt aquifersysteem 1
A1200 Jura Trias Perm 1
A1300 Sokkel 1
code hydrogeologische hoofdeenheid laagfactor A0100 Quartaire aquifersystemen 1 A0200 Kempens aquifersysteem 1 A0300 Boom aquitard 1 A0400 Oligoceen aquifersysteem 1 A0500 Bartoon aquitardsysteem 1 A0600 Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem 1 A0700 Paniseliaan aquitard 1 A0800 Ieperiaan aquifer 1 A0900 Ieperiaan aquitardsysteem 1 A1000 Paleoceen aquifersysteem 1 A1100 Krijt aquifersysteem 1 A1200 Jura Trias Perm 1 A1300 Sokkel 1
Tabel II. Gebiedsfactor
code unité hydrogéologique principale facteur nappe
A0100 Systèmes aquifères du Quaternaire 1
A0200 Système aquifère de la Campine 1
A0300 Aquitard de Boom 1
A0400 Système aquifère de l'Oligocène 1
A0500 Système d'aquitard du Bartonien 1
A0600 Système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien 1
A0700 Aquitard panisélien 1
A0800 Aquifère yprésien 1
A0900 Système d'aquitard yprésien 1
A1000 Système aquifère du Paléocène 1
A1100 Système aquifère du Crétacé 1
A1200 Jurassique Trias Permien 1
A1300 Socle 1
code unité hydrogéologique principale facteur nappe A0100 Systèmes aquifères du Quaternaire 1 A0200 Système aquifère de la Campine 1 A0300 Aquitard de Boom 1 A0400 Système aquifère de l'Oligocène 1 A0500 Système d'aquitard du Bartonien 1 A0600 Système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien 1 A0700 Aquitard panisélien 1 A0800 Aquifère yprésien 1 A0900 Système d'aquitard yprésien 1 A1000 Système aquifère du Paléocène 1 A1100 Système aquifère du Crétacé 1 A1200 Jurassique Trias Permien 1 A1300 Socle 1
Tableau II. Facteur zone
code gebied hydrogeologische hoofdeenheid zone gebiedsfactor heffingsjaar 2018 jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
A0100_niet afgesloten A0100 Quartaire aquifersystemen 1,28 0,03125
A0200_niet afgesloten A0200 Kempens aquifersysteem 1,28 0,03125
A0400_niet afgesloten
  A0400
niet-afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
  1,28

  0,03125
code gebied hydrogeologische hoofdeenheid zone gebiedsfactor heffingsjaar 2018 jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023 A0100_niet afgesloten A0100 Quartaire aquifersystemen 1,28 0,03125 A0200_niet afgesloten A0200 Kempens aquifersysteem 1,28 0,03125 A0400_niet afgesloten
  A0400 niet-afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
  1,28
  0,03125
code zone unité principale hydrogéologique zone facteur zone année d'imposition 2018 augmentation annuelle du facteur jusqu'à l'exercice d'imposition 2023
A0100_non fermée A0100 Systèmes aquifères du Quaternaire 1,28 0,03125
A0200_non fermée A0200 Système aquifère de la Campine 1,28 0,03125
A0400_non fermée
  A0400
partie non fermée du système aquifère de l'Oligocène
  1,28

  0,03125
code zone unité principale hydrogéologique zone facteur zone année d'imposition 2018 augmentation annuelle du facteur jusqu'à l'exercice d'imposition 2023 A0100_non fermée A0100 Systèmes aquifères du Quaternaire 1,28 0,03125 A0200_non fermée A0200 Système aquifère de la Campine 1,28 0,03125 A0400_non fermée
  A0400 partie non fermée du système aquifère de l'Oligocène
  1,28
  0,03125
code gebied hydrogeo-logische hoofdeenheid zone gebiedsfactor heffingsjaar 2018 jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023

  A0400_
  afgesloten

  A0400
afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied
  1,81

  0,0625

  A0400_
  actiegebied

  A0400
actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
  3,72

  0,21875

  A0600_niet afgesloten

  A0600
niet-afgesloten deel van het
  Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem

  1,28

  0,03125

  A0600_
  afgesloten

  A0600
afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
  1,81

  0,0625

  A0600_
  actiegebied

  A0600
actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo-Panise-liaan Brusseliaan aquifersysteem
  2,63

  0,125
A0800_niet afgesloten
  A0800
niet-afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer
  1,28

  0,03125
A0800_
  afgesloten

  A0800
afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer
  1,81

  0,0625
A0800_
  actiegebied
A0800 actiegebied in de Ieperiaan aquifer 2,63 0,125
A1000_niet afgesloten
  A1000
niet-afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem
  1,28

  0,03125
A1000_
  afgesloten

  A1000
afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem
  1,81

  0,0625
A1000_
  actiegebied_4

  A1000
actiegebied 4 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  1,81

  0,0625
A1000_
  actiegebied_3

  A1000
actiegebied 3 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  2,63

  0,125
A1000_
  actiegebied_2

  A1000
actiegebied 2 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  5,38

  0,375
code gebied hydrogeo-logische hoofdeenheid zone gebiedsfactor heffingsjaar 2018 jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
  A0400_
  afgesloten
  A0400 afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem buiten het actiegebied
  1,81
  0,0625
  A0400_
  actiegebied
  A0400 actiegebied in het afgesloten deel van het Oligoceen aquifersysteem
  3,72
  0,21875
  A0600_niet afgesloten
  A0600 niet-afgesloten deel van het
  Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
  1,28
  0,03125
  A0600_
  afgesloten
  A0600 afgesloten deel van het Ledo-Paniseliaan Brusseliaan aquifersysteem
  1,81
  0,0625
  A0600_
  actiegebied
  A0600 actiegebied in het afgesloten deel van het Ledo-Panise-liaan Brusseliaan aquifersysteem
  2,63
  0,125 A0800_niet afgesloten
  A0800 niet-afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer
  1,28
  0,03125 A0800_
  afgesloten
  A0800 afgesloten deel van de Ieperiaan aquifer
  1,81
  0,0625 A0800_
  actiegebied A0800 actiegebied in de Ieperiaan aquifer 2,63 0,125 A1000_niet afgesloten
  A1000 niet-afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem
  1,28
  0,03125 A1000_
  afgesloten
  A1000 afgesloten deel van het Paleoceen aquifersysteem
  1,81
  0,0625 A1000_
  actiegebied_4
  A1000 actiegebied 4 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  1,81
  0,0625 A1000_
  actiegebied_3
  A1000 actiegebied 3 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  2,63
  0,125 A1000_
  actiegebied_2
  A1000 actiegebied 2 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  5,38
  0,375
code zone unité principale hydrogéologique zone facteur zone année d'imposition 2018 augmentation annuelle du facteur jusqu'à l'exercice d'imposition 2023

  A0400_
  Fermée

  A0400
partie fermée du système aquifère de l'Oligocène en dehors de la zone d'action
  1,81

  0,0625

  A0400_
  zone d'action

  A0400
zone d'action dans la partie fermée du système aquifère de l'Oligocène
  3,72

  0,21875

  A0600_non fermée

  A0600
partie non fermée du système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien
  1,28

  0,03125

  A0600_
  Fermée

  A0600
partie fermée du système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien
  1,81

  0,0625

  A0600_
  zone d'action

  A0600
zone d'action dans la partie fermée du système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien
  2,63

  0,125
A0800_non fermée
  A0800
partie non fermée de l'aquifère yprésien
  1,28

  0,03125
A0800_
  Fermée

  A0800
partie fermée de l'aquifère yprésien
  1,81

  0,0625
A0800_
  zone d'action
A0800 Zone d'action dans l'aquifère yprésien 2,63 0,125
A1000_non fermée
  A1000
partie non fermée du système aquifère du Paléocène
  1,28

  0,03125
A1000_
  Fermée

  A1000
partie fermée du système aquifère du Paléocène
  1,81

  0,0625
A1000_
  zone d'action_4

  A1000
zone d'action 4 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  1,81

  0,0625
A1000_
  zone d'action_3

  A1000
zone d'action 3 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  2,63

  0,125
A1000_
  zone d'action_2

  A1000
zone d'action 2 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  5,38

  0,375
code zone unité principale hydrogéologique zone facteur zone année d'imposition 2018 augmentation annuelle du facteur jusqu'à l'exercice d'imposition 2023
  A0400_
  Fermée
  A0400 partie fermée du système aquifère de l'Oligocène en dehors de la zone d'action
  1,81
  0,0625
  A0400_
  zone d'action
  A0400 zone d'action dans la partie fermée du système aquifère de l'Oligocène
  3,72
  0,21875
  A0600_non fermée
  A0600 partie non fermée du système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien
  1,28
  0,03125
  A0600_
  Fermée
  A0600 partie fermée du système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien
  1,81
  0,0625
  A0600_
  zone d'action
  A0600 zone d'action dans la partie fermée du système aquifère lédo-panisélien du Bruxellien
  2,63
  0,125 A0800_non fermée
  A0800 partie non fermée de l'aquifère yprésien
  1,28
  0,03125 A0800_
  Fermée
  A0800 partie fermée de l'aquifère yprésien
  1,81
  0,0625 A0800_
  zone d'action A0800 Zone d'action dans l'aquifère yprésien 2,63 0,125 A1000_non fermée
  A1000 partie non fermée du système aquifère du Paléocène
  1,28
  0,03125 A1000_
  Fermée
  A1000 partie fermée du système aquifère du Paléocène
  1,81
  0,0625 A1000_
  zone d'action_4
  A1000 zone d'action 4 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  1,81
  0,0625 A1000_
  zone d'action_3
  A1000 zone d'action 3 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  2,63
  0,125 A1000_
  zone d'action_2
  A1000 zone d'action 2 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  5,38
  0,375
code gebied hydrogeologische hoofdeenheid zone gebiedsfactor heffingsjaar 2018 jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023

  A1000_
  actiegebied_1

  A1000
actiegebied 1 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  5,38

  0,375

  A1100_niet afgesloten

  A1100+A1300
niet-afgesloten deel van het Krijt aquifersysteem en de Sokkel
  1,28

  0,03125

  A1100_
  afgesloten

  A1100+A1300
afgesloten deel van het Krijt aquifersysteem en de Sokkel
  1,81

  0,0625

  A1300_
  actiegebied_4

  A1100+A1300
actiegebied 4 in het Krijt aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
  1,81

  0,0625

  A1300_
  actiegebied_3

  A1100+A1300
actiegebied 3 in het Krijt aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
  2,63

  0,125

  A1300_
  actiegebied_2

  A1100+A1300
actiegebied 2 in het Krijt
  aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem

  5,38

  0,375

  A1300_
  actiegebied_1

  A1100+A1300
actiegebied 1 in het Krijt
  aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem

  5,38

  0,375
code gebied hydrogeologische hoofdeenheid zone gebiedsfactor heffingsjaar 2018 jaarlijkse toename van de factor tot en met heffingsjaar 2023
  A1000_
  actiegebied_1
  A1000 actiegebied 1 in het Paleoceen aquifersysteem binnen het Sokkelsysteem
  5,38
  0,375
  A1100_niet afgesloten
  A1100+A1300 niet-afgesloten deel van het Krijt aquifersysteem en de Sokkel
  1,28
  0,03125
  A1100_
  afgesloten
  A1100+A1300 afgesloten deel van het Krijt aquifersysteem en de Sokkel
  1,81
  0,0625
  A1300_
  actiegebied_4
  A1100+A1300 actiegebied 4 in het Krijt aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
  1,81
  0,0625
  A1300_
  actiegebied_3
  A1100+A1300 actiegebied 3 in het Krijt aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
  2,63
  0,125
  A1300_
  actiegebied_2
  A1100+A1300 actiegebied 2 in het Krijt
  aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
  5,38
  0,375
  A1300_
  actiegebied_1
  A1100+A1300 actiegebied 1 in het Krijt
  aquifersysteem en de Sokkel binnen het Sokkelsysteem
  5,38
  0,375
";
  2° de zinsnede "met code 0100_niet-afgesloten" wordt vervangen door de zinsnede "met code A0100_niet afgesloten".
code zone unité principale hydrogéologique zone facteur zone année d'imposition 2018 augmentation annuelle du facteur jusqu'à l'exercice d'imposition 2023

  A1000_
  zone d'action_1

  A1000
zone d'action 1 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  5,38

  0,375

  A1100_non fermée

  A1100+A1300
partie non fermée du système aquifère du Crétacé et du Socle
  1,28

  0,03125

  A1100_
  Fermée

  A1100+A1300
partie fermée du système aquifère du Crétacé et du Socle
  1,81

  0,0625

  A1300_
  zone d'action_4

  A1100+A1300
zone d'action 4 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  1,81

  0,0625

  A1300_
  zone d'action_3

  A1100+A1300
zone d'action 3 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  2,63

  0,125

  A1300_
  zone d'action_2

  A1100+A1300
zone d'action 2 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  5,38

  0,375

  A1300_
  zone d'action_1

  A1100+A1300
zone d'action 1 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  5,38

  0,375
code zone unité principale hydrogéologique zone facteur zone année d'imposition 2018 augmentation annuelle du facteur jusqu'à l'exercice d'imposition 2023
  A1000_
  zone d'action_1
  A1000 zone d'action 1 dans le système aquifère du Paléocène dans le système du Socle
  5,38
  0,375
  A1100_non fermée
  A1100+A1300 partie non fermée du système aquifère du Crétacé et du Socle
  1,28
  0,03125
  A1100_
  Fermée
  A1100+A1300 partie fermée du système aquifère du Crétacé et du Socle
  1,81
  0,0625
  A1300_
  zone d'action_4
  A1100+A1300 zone d'action 4 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  1,81
  0,0625
  A1300_
  zone d'action_3
  A1100+A1300 zone d'action 3 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  2,63
  0,125
  A1300_
  zone d'action_2
  A1100+A1300 zone d'action 2 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  5,38
  0,375
  A1300_
  zone d'action_1
  A1100+A1300 zone d'action 1 dans le système aquifère du Crétacé et le Socle dans le système du Socle
  5,38
  0,375
" ;
  2° le membre de phrase " avec le code 0100_non fermé " est remplacé par le membre de phrase " avec le code A0100_non fermé ".
Afdeling 5. - Wijziging van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening - stopzetting subsidie voor de actualisatie van de inventaris van de onbebouwde percelen
Section 5. - Modification du Code flamand de l'Aménagement du Territoire - suppression de la subvention pour l'actualisation de l'inventaire des parcelles non bâties
Art. 82. In artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, gewijzigd bij het decreet van 26 april 2019, worden het derde en het vierde lid opgeheven.
Art. 82. Dans l'article 5.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, modifié par le décret du 26 avril 2019, les alinéas 3 et 4 sont abrogés.
Art. 83. Aanvragen van een subsidie als tegemoetkoming voor de actualisatie van de inventaris van de onbebouwde percelen als vermeld in artikel 5.6.1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, zoals van kracht op 31 december 2025, die volledig en ontvankelijk zijn ingediend uiterlijk op 31 maart 2026, worden afgehandeld conform artikel 5.6.1 van de voormelde codex, zoals van kracht op 31 december 2025.
Art. 83. Les demandes de subvention à titre d'intervention pour l'actualisation de l'inventaire des parcelles non bâties, telle que visée à l'article 5.6.1 du Code flamand de l'Aménagement du Territoire, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2025, introduites de manière complète et recevable au plus tard le 31 mars 2026, sont traitées conformément à l'article 5.6.1 du Code précité, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2025.
Afdeling 6. - Retributie shredderbedrijven (Vlaamse Milieumaatschappij)
Section 6. - Redevance aux entreprises de broyage (Société flamande de l'environnement)
Art. 84. In artikel 10.2.5 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 7 december 2018, wordt paragraaf 6 opnieuw opgenomen in de volgende lezing:
  " § 6. Aan de Vlaamse Milieumaatschappij wordt een retributie, vermeld in paragraaf 1, 4°, betaald om metingen, simulaties en analyses uit te voeren voor schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie (Geïntegreerde Preventie en Bestrijding van Verontreiniging).
  Een dergelijke retributie wordt betaald als de metingen, simulaties en analyses die de Vlaamse Millieumaatschappij uitvoert, kaderen binnen:
  1° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
  2° verplichtingen die zijn opgelegd aan de schrootbedrijven met een GPBV-shredderinstallatie in de omgevingsvergunning die aan het schrootbedrijf is verleend om een ingedeelde inrichting of activiteit te exploiteren.
  De retributie, vermeld in het eerste lid, bij een shredderinstallatie met één meetlocatie bedraagt 15.480,39 euro per jaar, exclusief btw, als eenheidsprijs.
  Het bedrag, vermeld in het derde lid, dekt al de volgende elementen:
  1° de monstername, inclusief controlebezoeken op één meetlocatie;
  2° de analysekosten voor één meetlocatie, met inbegrip van de gedeelde kosten voor de analyse van veldblanco's en duplo's;
  3° de bijdrage aan de Vlaamse Milieumaatschappij voor administratieve verwerking, rapportering en bijbehorende taken.
  De analyse en rapportering van de meetdata gebeuren op kwartaalbasis. Als een shredderinstallatie gedurende drie opeenvolgende kalenderjaren onder de toepasselijke jaardrempel blijft, volstaat het om nadien een controlecampagne uit te voeren van één kwartaal.
  Als een shredderinstallatie beschikt over twee meetlocaties, wordt op de jaarlijkse eenheidsprijs, vermeld in het derde lid, een supplement toegepast van 4035,00 euro per jaar, of 1008,75 euro per kwartaal, exclusief btw.
  Eventuele prijsstijgingen in de kostprijs van het externe laboratorium worden doorgerekend aan de bedrijven, vermeld in het eerste lid. Vóór de prijsstijgingen worden toegepast, brengt de Vlaamse Milieumaatschappij de bedrijven, vermeld in het eerste lid, op de hoogte van die prijsstijgingen.
  Het bedrijf dat een beroep doet op de Vlaamse Milieumaatschappij om de metingen, simulaties en analyses te laten uitvoeren, stort de verschuldigde retributie nadat het de factuur heeft gekregen, op het rekeningnummer van de Vlaamse Milieumaatschappij met vermelding van de naam van het bedrijf en het inkoopnummer van de factuur.
  Het bedrag van de retributie wordt jaarlijks aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex volgens de volgende formulering:
  Ph = Pa * Ih/Ia
  waarbij Ph = aanvankelijke prijs
  Pa = gezondheidsindex op 1 januari 2024
  Ih = gezondheidsindex op 1 januari 2024
  Ia = gezondheidsindex op 1 januari van facturatie.".
Art. 84. Dans l'article 10.2.5, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, inséré par le décret du 7 mai 2004 et modifié en dernier lieu par le décret du 7 décembre 2018, un paragraphe 6 est rétabli dans la rédaction suivante :
  " § 6. Une redevance visée au paragraphe 1er, 4°, est versée à la Société flamande de l'Environnement pour effectuer des mesures, des simulations et des analyses pour les entreprises de ferraille disposant d'une installation de broyage IED (Prévention et Réduction intégrées de la Pollution).
  Cette rétribution est versée si les mesures, simulations et analyses effectuées par la Société flamande de l'Environnement s'inscrivent dans le cadre des :
  1° obligations imposées aux entreprises de ferraille disposant d'une installation de broyage IED en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement ;
  2° obligations imposées aux entreprises de ferraille disposant d'une installation de broyage IED dans le permis d'environnement accordé à l'entreprise de ferraille pour l'exploitation d'un établissement ou d'une activité classé(e).
  La redevance visée à l'alinéa 1er, pour une installation de broyage dotée d'un site de mesure s'élève à 15 480,39 euros par an, hors T.V.A., en tant que prix unitaire.
  Le montant visé à l'alinéa 3, couvre l'ensemble des éléments suivants :
  1° l'échantillonnage, y compris des visites de contrôle sur un site de mesure ;
  2° les coûts d'analyse pour un site de mesure, y compris les coûts partagés pour l'analyse des blancs de terrain et des doublons ;
  3° la contribution à la Société flamande de l'Environnement pour le traitement administratif, l'établissement de rapports et les tâches correspondantes.
  L'analyse et le rapport des données de mesure sont effectués sur une base trimestrielle. Si une installation de broyage reste sous le seuil annuel applicable pendant trois années civiles consécutives, une campagne de contrôle d'un trimestre sera ensuite suffisante.
  Si une installation de broyage dispose de deux sites de mesure, un supplément de 4035,00 euros par an, ou de 1008,75 euros par trimestre, hors T.V.A., est appliqué au prix unitaire annuel visé à l'alinéa 3.
  Toute augmentation du prix de revient du laboratoire externe sera répercutée sur les entreprises visées à l'alinéa 1er. Avant d'appliquer les augmentations de prix, la Société flamande de l'Environnement en informe les entreprises visées à l'alinéa 1er.
  L'entreprise qui fait appel à la Société flamande de l'Environnement pour faire effectuer les mesures, simulations et analyses verse la redevance due après réception de la facture au numéro de compte de la Société flamande de l'Environnement, en indiquant le nom de l'entreprise et le numéro d'achat de la facture.
  Le montant de la redevance est adapté annuellement en fonction de l'évolution de l'indice santé selon la formule suivante :
  Ph = Pa * Ih/Ia
  où Ph = prix initial
  Pa = indice santé au 1er janvier 2024
  Ih = indice santé au 1er janvier 2024
  Ia = indice santé au 1er janvier de la facturation. ".
Afdeling 7. - Uitfasering verlaagd onroerendevoorheffingtarief op ingehuurde woningen
Section 7. - Suppression progressive du taux réduit de précompte immobilier sur les logements loués
Art. 85. In artikel 2.1.4.0.1, § 2/1, eerste lid, van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, ingevoegd bij het decreet van 22 juni 2018 en gewijzigd bij het decreet van 9 juli 2021, wordt de zinsnede "artikel 4.168 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021" vervangen door de zinsnede "artikel 4.147 van het Besluit Vlaamse Codex Wonen van 2021 en waarvan de oorspronkelijke hoofd-huurovereenkomst met de woonmaatschappij een aanvangsdatum heeft vóór 1 januari 2026".
Art. 85. Dans l'article 2.1.4.0.1, § 2/1, alinéa 1er, du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, inséré par le décret du 22 juin 2018 et modifié par le décret du 9 juillet 2021, le membre de phrase " l'article 4.168 de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021 " est remplacé par le membre de phrase " l'article 4.147 de l'Arrêté Code flamand du Logement de 2021 et dont le contrat de location principal d'origine avec la société de logement a une date d'entrée en vigueur avant le 1er janvier 2026 ".
Afdeling 8. - Wijzigingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materialenkringlopen en afvalstoffen - heffingen Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij
Section 8. - Modifications du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets - prélèvements de la Société publique des Déchets de la Région flamande
Art. 86. In artikel 46 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, 16°, wordt de zinsnede "huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval," opgeheven;
  2° in paragraaf 1, eerste lid, 16° /1, wordt het woord "bedrijfsafvalstoffen" vervangen door het woord "afvalstoffen", wordt de zinsnede "25 euro per ton" vervangen door de zinsnede "32 euro per ton" en wordt de zinsnede "met ingang van 1 januari 2022" vervangen door de zinsnede "met ingang van 1 januari 2026";
  3° in paragraaf 1, eerste lid, 17°, wordt de zinsnede "huishoudelijke afvalstoffen, voorbehandelde huishoudelijke afvalstoffen, medisch afval," opgeheven;
  4° in paragraaf 1, eerste lid, 17° /1, wordt het woord "bedrijfsafvalstoffen" vervangen door het woord "afvalstoffen", wordt de zinsnede "25 euro per ton" vervangen door de zinsnede "32 euro per ton" en wordt de zinsnede "met ingang van 1 januari 2022" vervangen door de zinsnede "met ingang van 1 januari 2026";
  5° in paragraaf 5, vierde lid, wordt de zinsnede "de vanaf 1 januari 2022 ingevoerde bedragen" vervangen door de zinsnede "de bedragen die vanaf 1 januari 2026 worden ingevoerd" en wordt de zinsnede "van november 2021" vervangen door de zinsnede "van november 2025";
  6° aan paragraaf 5, vierde lid, wordt de volgende zin toegevoegd:
  "De eerste indexering wordt toegepast vanaf 1 januari 2027.".
Art. 86. Dans l'article 46 du décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets, modifié en dernier lieu par le décret du 20 décembre 2024, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 16°, le membre de phrase " déchets ménagers, déchets ménagers prétraités, déchets médicaux, " est abrogé ;
  2° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 16° /1, les mots " déchets industriels " sont remplacés par le mot " déchets ", le membre de phrase " 25 euros par tonne " est remplacé par le membre de phrase " 32 euros par tonne " et le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2022 " est remplacé par le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2026 " ;
  3° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 17°, le membre de phrase " déchets ménagers, déchets ménagers prétraités, déchets médicaux, " est abrogé ;
  4° au paragraphe 1er, alinéa 1er, 17° /1, les mots " déchets industriels " sont remplacés par le mot " déchets ", le membre de phrase " 25 euros par tonne " est remplacé par le membre de phrase " 32 euros par tonne " et le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2022 " est remplacé par le membre de phrase " à partir du 1er janvier 2026 " ;
  5° au paragraphe 5, alinéa 4, le membre de phrase " les montants introduits à partir du 1er janvier 2022 " est remplacé par le membre de phrase " les montants introduits à partir du 1er janvier 2026 " et le membre de phrase " de novembre 2021 " est remplacé par le membre de phrase " de novembre 2025 " ;
  6° le paragraphe 5, alinéa 4, est complété par la phrase suivante :
  " La première indexation sera appliquée à partir du 1er janvier 2027. ".
Art. 87. In artikel 46, § 2, vijfde lid, punten 8°, 9°, 10° en 11°, van hetzelfde decreet, gewijzigd bij de decreten van 8 juli 2016, 18 december 2020, 30 juni 2023 en 20 december 2024 worden de jaren "2025", "2026", "2027" en "2028" vervangen door respectievelijk de jaren "2026", "2027", "2028" en "2029".
Art. 87. Dans l'article 46, § 2, alinéa 5, points 8°, 9°, 10° et 11°, du même décret, modifié par les décrets du 8 juillet 2016, du 18 décembre 2020, du 30 juin 2023 et du 20 décembre 2024, les années " 2025 ", " 2026 ", " 2027 " et " 2028 " sont remplacées respectivement par les années " 2026 ", " 2027 ", " 2028 " et " 2029 ".
Afdeling 9. - Wijziging van de Vlaamse Codex Fiscaliteit - wijziging tarief leegstandsheffing bedrijfsruimten
Section 9. - Modification du Code flamand de la Fiscalité - modification du taux de la taxe sur les sites d'activité économique inoccupés
Art. 88. In artikel 2.6.4.0.1. van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt:
  "De heffing wordt berekend volgens de volgende tabel, waarbij het kadastraal inkomen wordt verdeeld in de volgende schijven, die elk worden onderworpen aan de volgende een heffingspercentages:
Art. 88. Dans l'article 2.6.4.0.1. du Code flamand de la Fiscalité du 13 décembre 2013, modifié par le décret du 19 décembre 2014, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " La taxe est calculée selon le tableau suivant, dans lequel le revenu cadastral est réparti dans les tranches suivantes, chacune étant soumise aux taux de taxation suivants :
schijf van het kadastraal inkomen in euro percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro
tot en met 12.350 168 /
van 12.351 tot en met 37.150 140 20.748
van 37.151 tot en met 74.350 112 55.468
vanaf 74.351 84 97.132
schijf van het kadastraal inkomen in euro percentage van toepassing op het overeenstemmende gedeelte totaalbedrag van de heffing op het voorgaande gedeelte in euro tot en met 12.350 168 / van 12.351 tot en met 37.150 140 20.748 van 37.151 tot en met 74.350 112 55.468 vanaf 74.351 84 97.132
".
tranche du revenu cadastral en euros pourcentage applicable à la partie correspondante montant total de la taxe sur la partie précédente en euros
jusqu'à 12350 inclus 168 /
de 12 351 à 37 150 140 20 748
de 37 151 à 74 350 112 55 468
à partir de 74 351 84 97 132
tranche du revenu cadastral en euros pourcentage applicable à la partie correspondante montant total de la taxe sur la partie précédente en euros jusqu'à 12350 inclus 168 / de 12 351 à 37 150 140 20 748 de 37 151 à 74 350 112 55 468 à partir de 74 351 84 97 132
".
HOOFDSTUK 7. - Onderwijs en Vorming
CHAPITRE 7. - Enseignement et Formation
Afdeling 1. - Wijziging aan de bepalingen over het verlof wegens bijzondere opdracht in het decreet personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991
Section 1. - Modification des dispositions relatives au congé pour mission spéciale dans le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné du 27 mars 1991
Art. 89. In artikel 51quater, § 2, derde lid, van het decreet rechtspositie personeelsleden gesubsidieerd onderwijs van 27 maart 1991, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede "maximaal 42" vervangen door de zinsnede "maximaal 25,5".
Art. 89. Dans l'article 51quater, § 2, alinéa 3, du décret du 27 mars 1991 relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement subventionné, remplacé par le décret du 19 juillet 2013 et modifié par le décret du 19 décembre 2014, le nombre " 42 " est remplacé par le nombre " 25,5 ".
Afdeling 2. - Wijziging aan de bepalingen over het verlof wegens bijzondere opdracht in het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991
Section 2. - Modification des dispositions relatives au congé pour mission spéciale dans le décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991
Art. 90. In artikel 77quater, § 2, derde lid, van het decreet rechtspositie personeelsleden gemeenschapsonderwijs van 27 maart 1991, vervangen bij het decreet van 19 juli 2013 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2014, wordt de zinsnede "maximaal 42" vervangen door de zinsnede "maximaal 25,5".
Art. 90. Dans l'article 77quater, § 2, alinéa 3, du décret relatif au statut de certains membres du personnel de l'enseignement communautaire du 27 mars 1991, remplacé par le décret du 19 juillet 2013 et modifié par le décret du 19 décembre 2014, le nombre " 42 " est remplacé par le nombre " 25,5 ".
Afdeling 3. - Opheffing opdrachten coördinatie geletterdheidsbeleid en werking inzake duidelijke taal
Section 3. - Suppression des missions de coordination concernant la politique d'alphabétisation et de fonctionnement en matière de langage clair
Art. 91. In artikel 72octies, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 19 december 2014 en vervangen bij het decreet van 16 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid worden punt 1° en 2° opgeheven;
  2° het derde lid wordt opgeheven.
Art. 91. Dans l'article 72octies, § 1er, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 19 décembre 2014 et remplacé par le décret du 16 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les points 1° et 2° sont abrogés ;
  2° l'alinéa 3 est abrogé.
Afdeling 4. - Technische aanpassingen inschrijvingsgelden volwassenenonderwijs
Section 4. - Ajustements techniques des droits d'inscription dans l'éducation des adultes
Art. 92. In artikel 113novies van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 16 maart 2018 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 4, 1°, wordt tussen het woord "onderwijs" en de zinsnede ", voor" de zinsnede "of een diploma secundair onderwijs, onderwijskwalificatieniveau 4" ingevoegd;
  2° in paragraaf 6 worden tussen het woord "opleiding" en het woord "van" de woorden "van een leergebied van de basiseducatie of" ingevoegd.
Art. 92. Dans l'article 113novies du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 16 mars 2018 et modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2025, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 4, 1°, le membre de phrase " ou d'un diplôme de l'enseignement secondaire, niveau de qualification d'enseignement 4 " est inséré entre les mots " de l'enseignement secondaire " et le membre de phrase " , dans la mesure où " ;
  2° au paragraphe 6, les mots " d'un domaine d'apprentissage de l'éducation de base ou " sont insérés entre le mot " formation " et le mot " ou ".
Afdeling 5. - Toekenning jaarlijkse aanvullende voltijdsequivalenten/leraarsuren/ punten/ werkingsmiddelen ten behoeve van de asielproblematiek
Section 5. - Attribution de ETP/heures d'enseignant/points/moyens de fonctionnement complémentaires annuels dans le cadre de la problématique en matière d'asile
Art. 93. Aan artikel 196sexies, § 1, van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs, ingevoegd bij het decreet van 18 december 2015 en het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 juli 2025, wordt een twaalfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Ten laste van het begrotingsjaar 2026 worden 32.955,75 aanvullende leraarsuren, 481,99 aanvullende punten en een bedrag van 604.847,18 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor volwassenenonderwijs, en worden 90,66 aanvullende vte, 1.494,70 aanvullende punten en een bedrag van 1.109.830,06 euro aan werkingsmiddelen toegekend aan de centra voor basiseducatie.".
Art. 93. L'article 196sexies, § 1er, du décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes, inséré par le décret du 18 décembre 2015 et modifié en dernier lieu par le décret du 14 juillet 2025, est complété par un alinéa 12, rédigé comme suit :
  " A charge de l'année budgétaire 2026, 32 955,75 heures d'enseignant complémentaires, 481,99 points complémentaires et un montant de 604 847,18 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation des adultes, et 90,66 équivalents temps plein complémentaires, 1494,70 points complémentaires et un montant de 1 109 830,06 euros de moyens de fonctionnement sont octroyés aux centres d'éducation de base. ".
Afdeling 6. - Aanpassing aanvullende uitkeringen hogescholen
Section 6. - Adaptation des allocations complémentaires aux hautes écoles
Art. 94. In artikel III.34, § 1, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 3 juli 2015 en 15 juni 2018, worden punt 1° en 2° vervangen door wat volgt:
  "1° een bedrag van 951.960,02 euro voor de geraamde kosten van de salarissen van de personeelsleden van het meester-, vak- en dienstpersoneel van de hogescholen die de bevoegde dienst van de Vlaamse Gemeenschap op 31 december 1995 rechtstreeks heeft betaald. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;
  2° een bedrag van 7.884.245,71 euro voor de geraamde kosten van de salarissen of wachtgelden van de personeelsleden, vermeld in artikel III.35. Het eventuele saldo op het einde van het begrotingsjaar t-2 wordt in het begrotingsjaar t toegevoegd aan het variabel onderwijsgedeelte voor de graduaatsopleidingen VOWhbo aan de hogescholen;".
Art. 94. Dans l'article III.34, § 1er, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, modifié par les décrets du 25 avril 2014, du 3 juillet 2015 et du 15 juin 2018, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
  " 1° un montant de 951 960,02 euros pour les coûts estimés des salaires des membres du personnel de maîtrise, spécialisé et de service des hautes écoles payés directement par le service compétent de la Communauté flamande au 31 décembre 1995.
  Le solde éventuel à la fin de l'année budgétaire t-2 est ajouté au cours de l'année budgétaire t à la composante variable d'enseignement pour les formations de graduat VOWhbo dans les hautes écoles ;
  2° un montant de 7 884 245,71 euros pour les coûts estimés des salaires ou des traitements d'attente des membres du personnel visés à l'article III.35. Le solde éventuel à la fin de l'année budgétaire t-2 est ajouté au cours de l'année budgétaire t à la composante variable d'enseignement pour les formations de graduat VOWhbo dans les hautes écoles ; ".
Afdeling 7. - Toekenning toelage voor informatisering van het onderwijs
Section 7. - Octroi d'une allocation pour l'informatisation de l'enseignement
Art. 95. Artikel VI.1 van de Codificatie sommige bepalingen voor het onderwijs van 28 oktober 2016 wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. VI.1. § 1. In het kader van de versterking van de digitale infrastructuur en de bevordering van digitale geletterdheid in het onderwijs, kan de Vlaamse Regering, voor de informatisering van het onderwijs jaarlijks een werkingsbudget toekennen aan:
  1° de scholen voor gewoon- en buitengewoon basisonderwijs;
  2° de scholen en centra voor voltijds secundair onderwijs, buitengewoon secundair onderwijs en deeltijds beroepssecundair onderwijs;
  3° de academies voor deeltijds kunstonderwijs;
  4° de centra voor volwassenenonderwijs;
  5° de centra voor basiseducatie.
  Het werkingsbudget, vermeld in het eerste lid, wordt toegekend met het oog op:
  1° de afname van Vlaamse toetsen via digitale middelen;
  2° de terbeschikkingstelling van voldoende en geschikte ICT-infrastructuur voor leerlingen of cursisten en personeel;
  3° het bevorderen van gelijke toegang tot digitale leermiddelen.
  § 2. Het werkingsbudget, vermeld in paragraaf 1, wordt toegekend voor een periode van maximaal drie schooljaren, en kan worden aangewend tot en met 31 december van het derde jaar dat volgt op het schooljaar waarin het werkingsbudget wordt toegekend.".
Art. 95. L'article VI.1 de la Codification de certaines dispositions relatives à l'enseignement du 28 octobre 2016 est remplacé par ce qui suit :
  " Art. VI.1. § 1er. Dans le cadre du renforcement de l'infrastructure numérique et de la promotion de la littératie numérique dans l'enseignement, le Gouvernement flamand peut, pour l'informatisation de l'enseignement, allouer un budget de fonctionnement annuel aux :
  1° écoles de l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé ;
  2° écoles et centres de l'enseignement secondaire à temps plein, de l'enseignement secondaire spécialisé et de l'enseignement secondaire professionnel à temps partiel ;
  3° académies d'enseignement artistique à temps partiel ;
  4° aux centres d'éducation des adultes ;
  5° centres d'éducation de base.
  Le budget de fonctionnement visé à l'alinéa 1er, est accordé en vue de :
  1° passer des tests flamands par des moyens numériques ;
  2° la mise à disposition d'une infrastructure TIC suffisante et appropriée pour les élèves ou les apprenants et le personnel ;
  3° promouvoir l'égalité d'accès aux ressources numériques.
  § 2. Le budget de fonctionnement visé au paragraphe 1er, est octroyé pour une période de trois années scolaires au maximum et peut être utilisé jusqu'au 31 décembre de la troisième année suivant l'année scolaire au cours de laquelle le budget de fonctionnement est alloué. ".
Art. 96. Artikel VI.2. van dezelfde codificatie, gewijzigd bij het decreet van 25 februari 2022, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. VI.2. De werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1, worden toegekend binnen het daartoe door de decreetgever vastgestelde globale begrotingskrediet.
  De Vlaamse Regering stelt binnen dat krediet jaarlijks de verdeelsleutel en het bedrag per instelling vast op basis van één of meer van de volgende criteria:
  1° het aantal gewogen leerlingen per instellingstype;
  2° het aantal personeelsleden met een onderwijsopdracht in wervingsambten van het bestuurs- en onderwijzend personeel;
  3° de specifieke behoeften voor digitalisering, die de Vlaamse Regering bepaalt.
  De Vlaamse Regering stelt de gewogen leerlingenaantallen vermeld in het eerste lid, 1°, vast op basis van één of meer van de volgende criteria, zijnde onderwijsniveau, onderwijstype en socio-economische context.
  De Vlaamse Regering kan forfaitaire bedragen toekennen aan ziekenhuisscholen en centra voor basiseducatie.".
Art. 96. L'article VI.2 de la même codification, modifié par le décret du 25 février 2022, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. VI.2. Les budgets de fonctionnement visés à l'article VI.1, sont alloués dans le cadre du crédit budgétaire global fixé par le législateur décrétal à cet effet.
  Dans le cadre de ce crédit, le Gouvernement flamand détermine annuellement la clé de répartition et le montant par établissement sur la base d'un ou plusieurs des critères suivants :
  1° le nombre d'étudiants pondérés par type d'établissement ;
  2° le nombre de membres du personnel chargés d'une mission d'enseignement dans des fonctions de recrutement du personnel directeur et enseignant ;
  3° les besoins spécifiques en matière de numérisation, déterminés par le Gouvernement flamand.
  Le Gouvernement flamand détermine les nombres d'élèves pondérés visés à l'alinéa 1er, 1°, sur la base d'un ou de plusieurs des critères suivants, à savoir le niveau d'enseignement, le type d'enseignement et le contexte socio-économique.
  Le Gouvernement flamand peut octroyer des montants forfaitaires aux écoles hospitalières et aux centres d'éducation de base. ".
Art. 97. Artikel VI.3. van dezelfde codificatie wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. VI.3. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de volgende aspecten:
  1° de berekening, toekenning en uitbetaling van de werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1;
  2° de aanwending van de werkingsbudgetten, vermeld in artikel VI.1, conform een refertelijst;
  3° de verplichting tot het opstellen van een ICT-beleidsplan en een professionaliseringsbeleid op vlak van ICT;
  4° de sociale correcties ter waarborging van gelijke toegang tot digitale leermiddelen;
  5° de rapportering en verantwoording;
  6° de monitoring en de evaluatie van het digitaliseringsbeleid.
  § 2. De Vlaamse Regering bepaalt een controlemechanisme via de bevoegde diensten, die steekproefsgewijs de correcte aanwending van de middelen en de naleving van de regelgeving over overheidsopdrachten en de doorrekening van de kosten in de schoolfactuur controleren. Deze controle heeft geen betrekking op de opportuniteit van de aanwending.
  § 3. Indien de aspecten bepaald door de Vlaamse Regering op basis van paragraaf 1 niet overeenkomstig de vastgestelde regels worden aangewend, kan aan het betrokken schoolbestuur een gedeeltelijke terugvordering of inhouding van het werkingsbudget worden opgelegd. De terugvordering of inhouding bedraagt ten hoogste 10% van het werkingsbudget van de instelling waar de overtreding werd vastgesteld, conform de bepalingen van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 en de Codex Secundair Onderwijs.
  De sanctie is proportioneel, wordt voorafgegaan door een kennisgeving met vermelding van de vaststellingen en een termijn om te worden gehoord, en wordt uitdrukkelijk gemotiveerd.
  Deze bepaling doet geen afbreuk aan eventuele sanctieregelingen bepaald in andere decretale regelgeving die op de betrokken instelling van toepassing is.".
Art. 97. L'article VI.3 de la même codification est remplacé par ce qui suit :
  " Art. VI.3. § 1er. Le Gouvernement flamand détermine les éléments suivants :
  1° le calcul, l'octroi et le paiement des budgets de fonctionnement visés à l'article VI.1 ;
  2° l'utilisation des budgets de fonctionnement visés à l'article VI.1. selon une liste de référence ;
  3° l'obligation d'élaborer un plan stratégique TIC et une politique de professionnalisation dans le domaine des TIC ;
  4° les corrections sociales en vue de garantir l'égalité d'accès aux ressources numériques ;
  5° l'établissement de rapports et l'obligation de rendre compte ;
  6° le contrôle et l'évaluation de la politique de numérisation.
  § 2. Le Gouvernement flamand définit un mécanisme de contrôle par l'intermédiaire des services compétents, qui contrôlent aléatoirement l'utilisation correcte des fonds et le respect de la réglementation relative aux marchés publics et la répercussion des coûts sur la facture scolaire. Ce contrôle ne porte pas sur le caractère opportun de l'utilisation.
  § 3. Si les éléments déterminés par le Gouvernement flamand sur la base du paragraphe 1er ne sont pas utilisés conformément aux règles établies, une récupération partielle ou une retenue du budget de fonctionnement peut être imposée à la direction de l'école concernée.
  La récupération ou la retenue ne peut excéder 10 % du budget de fonctionnement de l'établissement dans lequel l'infraction a été constatée, conformément aux dispositions du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997 et du Code de l'enseignement secondaire.
  La sanction doit être proportionnée, précédée d'un avis indiquant les constatations et un délai d'audition, et est expressément motivée.
  Cette disposition ne porte pas préjudice aux régimes de sanctions éventuellement prévus par une autre réglementation décrétale applicable à l'établissement concerné. ".
Afdeling 8. - Wijziging aan de bepalingen over het verlof wegens bijzondere opdracht in het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017
Section 8. - Modification des dispositions relatives au congé pour mission spéciale dans le décret relatif au statut juridique de l'enseignement fondamental du 7 juillet 2017
Art. 98. In artikel 70, § 3 van het decreet Rechtspositie Basiseducatie van 7 juli 2017 wordt de zinsnede "maximaal 42" vervangen door de zinsnede "maximaal 25,5".
Art. 98. Dans l'article 70, § 3, du décret relatif au statut juridique de l'enseignement fondamental du 7 juillet 2017, le nombre " 42 " est remplacé par le nombre " 25,5 ".
Afdeling 9. - Tijdelijke programmatiestop in het deeltijds kunstonderwijs
Section 9. - Suspension temporaire de la programmation dans l'enseignement artistique à temps partiel
Art. 99. Aan hoofdstuk 7, afdeling 1, van het decreet van 9 maart 2018 betreffende het deeltijds kunstonderwijs wordt een artikel 98/1 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 98/1. In afwijking van artikel 100, 101, 102, 114, § 2, 115, § 1, 117, § 1, 118 en 130, § 2, kan een schoolbestuur in het schooljaar 2026-2027 geen nieuwe academies, domeinen en structuuronderdelen oprichten en geen nieuwe onderwijsbevoegdheid verkrijgen voor clusters van opties, clusters van muziekinstrumenten, een unieke optie of een uniek muziekinstrument.".
Art. 99. Le chapitre 7, section 1re, du décret du 9 mars 2018 relatif à l'enseignement artistique à temps partiel, est complété par un article 98/1 rédigé comme suit :
  " Art. 98/1. Par dérogation aux articles 100, 101, 102, 114, § 2, 115, § 1er, 117, § 1er, 118 et 130, § 2, une direction d'école ne peut créer de nouvelles académies, de nouveaux domaines et de nouvelles subdivisions structurelles au cours de l'année scolaire 2026-2027 et ne peut obtenir une nouvelle compétence d'enseignement pour des groupes d'options, des groupes d'instruments de musique, une option unique ou un instrument de musique unique. ".
Afdeling 10. - Aanpassing van de kostenverantwoording voor de regierol bij de subsidie in het decreet over de organisatie van zomerscholen
Section 10. - Adaptation de la justification des coûts pour le rôle de coordination dans le cadre de la subvention prévue par le décret relatif à l'organisation des écoles d'été
Art. 100. In artikel 6, § 2, van het decreet van 3 juni 2022 over de organisatie van zomerscholen worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste, derde en vierde lid wordt het woord "forfaitair" opgeheven;
  2° in het tweede, derde en vierde lid wordt het woord "forfaitaire" opgeheven;
  3° er wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Met toepassing van artikel 75, eerste lid, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 en artikel 11, tweede lid, van de wet van 16 mei 2003 betreffende de algemene bepalingen inzake begrotingen, controle op subsidies en boekhouding van de gemeenschappen en gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof, ontvangen het lokaal bestuur dat de regierol, vermeld in het derde lid, opneemt en de organiserende onderwijsinstelling die geen beroep doet op een regierol van een lokaal bestuur respectievelijk het subsidiebedrag om die regierol op te nemen en het subsidiebedrag voor de overheadkosten, vermeld in het vierde lid, zonder dat verantwoording hoeft te worden verstrekt over de aanwending ervan.".
Art. 100. Dans l'article 6, § 2, du décret du 3 juin 2022 relatif à l'organisation des écoles d'été, les modifications suivantes sont apportées :
  1° aux alinéas 1er, 2, 3 et 4, le mot " forfaitaire " est abrogé ;
  2° aux alinéa 2, 3 et 4, le mot " forfaitaire " est abrogé ; 3° il est ajouté un alinéa 5 rédigé comme suit :
  " En application de l'article 75, alinéa 1er, du Code flamand des finances publiques du 29 mars 2019 et de l'article 11, alinéa 2, de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des Comptes, l'administration locale qui assume le rôle de coordination visé à l'alinéa 3, et l'établissement d'enseignement organisateur qui ne fait pas appel à un rôle de coordination d'une administration locale reçoivent respectivement le montant de la subvention pour assumer ce rôle de coordination et le montant de la subvention pour frais généraux visés à l'alinéa 4, sans devoir justifier de leur utilisation. ".
Afdeling 11. - Toekenning van een eenmalig extra werkingsbudget voor de versterking van de aanvangsbegeleiding van startende leerkrachten in het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs
Section 11. - Allocation d'un budget de fonctionnement supplémentaire unique en vue du renforcement de l'encadrement initial des enseignants débutants dans l'enseignement fondamental ordinaire, l'enseignement fondamental spécialisé, l'enseignement secondaire ordinaire et l'enseignement secondaire spécialisé
Art. 101. Er wordt voor het begrotingsjaar 2025 en het begrotingsjaar 2026 een extra werkingsbudget ter beschikking gesteld om de aanvangsbegeleiding te versterken van startende leerkrachten in het gewoon basisonderwijs, het buitengewoon basisonderwijs, het gewoon secundair onderwijs en het buitengewoon secundair onderwijs.
  De volgende bedragen worden verdeeld:
  1° voor het begrotingsjaar 2025 16.233.000 euro;
  2° voor het begrotingsjaar 2026 22.467.000 euro.
  Het aandeel in het extra werkingsbudget waarop elke school recht heeft, wordt pro rata berekend op basis van het aandeel van de school in het totale aantal startende personeelsleden uitgedrukt in budgettair voltijdsequivalenten in de maand december van 2022, 2023 en 2024 in de betrokken onderwijsniveaus.
  Voor de toepassing van het derde lid worden personeelsleden beschouwd als startende personeelsleden als ze aan beide onderstaande voorwaarden voldoen:
  1° personeelsleden aangesteld in een wervingsambt van het bestuurs- en onder-wijzend personeel;
  2° personeelsleden die tijdens het voorgaande schooljaar geen aanstelling hadden.
  Het extra werkingsbudget voor 2025 wordt uiterlijk op 31 december 2025 uitbetaald. Het extra werkingsbudget voor 2026 wordt uiterlijk op 30 juni 2026 uitbetaald.
  Het extra werkingsbudget wordt in het basisonderwijs aangewend voor startende leerkrachten conform artikel 154, § 2, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997.
  Het extra werkingsbudget wordt in het secundair onderwijs aangewend voor startende leerkrachten conform artikel 251/1 en 332/1 van de Codex Secundair Onderwijs van 17 december 2010.
  Het extra werkingsbudget kan ook aangewend worden voor de professionalisering van de startende leerkrachten en de mentoren.
Art. 101. Un budget de fonctionnement supplémentaire est prévu pour l'année budgétaire 2025 et l'année budgétaire 2026 afin de renforcer l'encadrement initial des enseignants débutants dans l'enseignement fondamental ordinaire, l'enseignement fondamental spécialisé, l'enseignement secondaire ordinaire et l'enseignement secondaire spécialisé.
  Les montants suivants sont répartis :
  1° 16 233 000 euros pour l'année budgétaire 2025 ;
  2° 22 467 000 euros pour l'année budgétaire 2026.
  La part du budget de fonctionnement supplémentaire à laquelle chaque école a droit est calculée au prorata de la part de l'école dans le nombre total de membres du personnel débutants exprimé en équivalents temps plein budgétaires au mois de décembre des années 2022, 2023 et 2024 dans les niveaux d'enseignement concernés.
  Aux fins de l'application de l'alinéa 3, les membres du personnel sont considérés comme des membres du personnel débutants s'ils répondent aux deux conditions suivantes :
  1° des membres du personnel désignés dans une fonction de recrutement du personnel directeur et enseignant ;
  2° des membres du personnel sans désignation au cours de l'année scolaire précédente.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire pour 2025 est versé au plus tard le 31 décembre 2025. Le budget de fonctionnement supplémentaire pour 2026 est versé au plus tard le 30 juin 2026.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire est utilisé dans l'enseignement fondamental pour les enseignants débutants conformément à l'article 154, § 2, du décret relatif à l'enseignement fondamental du 25 février 1997.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire est utilisé dans l'enseignement secondaire pour les enseignants débutants conformément aux articles 251/1 et 332/1 du Code de l'Enseignement secondaire du 17 décembre 2010.
  Le budget de fonctionnement supplémentaire peut également être utilisé pour la professionnalisation des enseignants débutants et des tuteurs.
Afdeling 12. - Stopzetting financiering Antwerp Management School en Vlerick Business School
Section 12. - Arrêt du financement de l'Antwerp Management School et de la Vlerick Business School
Art. 102. In artikel III.115 van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 worden de zinsnede "de Vlerick Business School," en de woorden "de Antwerp Management School" opgeheven.
Art. 102. Dans l'article III.115, du Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013, dans la version néerlandaise, le membre de phrase " de Vlerick Business School, " et les mots " de Antwerp Management School " sont abrogés.
Art. 103. In artikel III.118 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 19 december 2014, 20 december 2019 en 16 december 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2 en 3 worden opgeheven;
  2° paragraaf 5 wordt vervangen door wat volgt:
  " § 5. De bedragen, vermeld in paragraaf 1, worden binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap jaarlijks geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, § 9.
  Het bedrag, vermeld in paragraaf 4, wordt binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap vanaf het begrotingsjaar 2008 geïndexeerd overeenkomstig artikel III.54, § 2.
  Voor de begrotingsjaren 2012, 2013 en 2015 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, binnen de perken van de begroting van de Vlaamse Gemeenschap, geïndexeerd aan de hand van de indexeringsformule vermeld in artikel III.5, § 9, tweede lid.";
  3° paragraaf 10 wordt opgeheven;
  4° in paragraaf 11 worden het eerste en het tweede lid opgeheven.
Art. 103. Dans l'article III.118 du même code, modifié par les décrets des 19 décembre 2014, 20 décembre 2019 et 16 décembre 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les paragraphes 2 et 3 sont abrogés ;
  2° le paragraphe 5 est remplacé par ce qui suit :
  " § 5. Les montants visés au paragraphe 1er, sont indexés annuellement, dans les limites du budget de la Communauté flamande, au moyen de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9.
  Le montant visé au paragraphe 4, est indexé annuellement, dans les limites du budget de la Communauté flamande, à partir de l'année budgétaire 2008, conformément à l'article III.54, § 2.
  Pour les années budgétaires 2012, 2013 et 2015, les montants visés au paragraphe 1er, sont indexés, dans les limites du budget de la Communauté flamande, sur la base de la formule d'indexation visée à l'article III.5, § 9, alinéa 2. ".
  3° le paragraphe 10 est abrogé ;
  4° dans le paragraphe 11, les alinéas 1er et 2 sont abrogés.
Art. 104. In artikel IV.102 van dezelfde codex, vervangen bij het decreet van 1 maart 2019, wordt de zinsnede "de Vlerick Business School, de Antwerp Management School," opgeheven.
Art. 104. Dans l'article IV.102 du même Code, remplacé par le décret du 1er mars 2019, le membre de phrase " la Vlerick Business School, l'Antwerp Management School et " est abrogé.
Afdeling 13. - Stopzetting financiering Instituut voor Europese Studies en Instituut voor Ontwikkelingsbeleid
Section 13. - Arrêt du financement de l'Institut d'études européennes et de l'Institut interuniversitaire pour la Politique et la Gestion de Développement
Art. 105. In artikel III.73 van dezelfde codex wordt de inleidende zin vervangen door wat volgt:
  "De Vlaamse Gemeenschap subsidieert jaarlijks de Universiteit Antwerpen als Initiërende Universiteit van het Instituut voor Joodse Studies als vermeld in artikel II.5 specifiek ter uitvoering van de opdracht zoals bepaald in artikel II.22 onder de volgende voorwaarden:".
Art. 105. Dans l'article III.73 du même code, la phrase introductive est remplacée par ce qui suit :
  " La Communauté flamande subventionne annuellement l'Université d'Anvers en tant qu'université initiatrice de l'Institut d'études juives conformément à l'article II.5, spécifiquement pour mener à bien la mission telle que définie à l'article II.22, dans les conditions suivantes : ".
Art. 106. In artikel III.74 van dezelfde codex worden het eerste en het tweede lid opgeheven.
Art. 106. Dans l'article III.74 du même code, les alinéas 1er et 2 sont abrogés.
Afdeling 14. - Schrappen Brusselmiddelen hoger onderwijs
Section 14. - Suppression des fonds bruxellois pour l'enseignement supérieur
Art. 107. Aan artikel III.41 van dezelfde codex, gewijzigd bij de decreten van 25 april 2014, 19 december 2014, 18 december 2015 en 23 december 2016, wordt een paragraaf 4 toegevoegd, die luidt als volgt:
  " § 4. De bedragen van de bijkomende financiering voor de hogeronderwijsinstellingen die een vestigingsplaats hebben in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, berekend overeenkomstig dit artikel, worden vanaf het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
Art. 107. L'article III.41 du même code, modifié par les décrets des 25 avril 2014, 19 décembre 2014, 18 décembre 2015 et 23 décembre 2016, est complété par un paragraphe 4, rédigé comme suit :
  " § 4. Les montants du financement supplémentaire pour les établissements d'enseignement supérieur ayant un lieu d'implantation dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale, calculés conformément au présent article, sont déduits des allocations de fonctionnement totales des hautes écoles et des universités à partir de l'année budgétaire 2026, selon la répartition suivante :
Instelling begrotings-jaar 2026 begrotings-jaar 2027 begrotings-jaar 2028 begrotings-jaar 2029 vanaf begrotings-jaar 2030
Thomas More Mechelen-Antwerpen
  € 211.970

  € 158.978

  € 105.985

  € 52.993

  € 0
Instelling begrotings-jaar 2026 begrotings-jaar 2027 begrotings-jaar 2028 begrotings-jaar 2029 vanaf begrotings-jaar 2030 Thomas More Mechelen-Antwerpen
  € 211.970
  € 158.978
  € 105.985
  € 52.993
  € 0
Etablissement exercice budgétaire 2026 exercice budgétaire 2027 exercice budgétaire 2028 exercice budgétaire 2029 à partir de l'exercice budgétaire 2030
Thomas More Mechelen-Antwerpen 211 970 € 158 978 € 105 985 € 52 993 € 0 €
Etablissement exercice budgétaire 2026 exercice budgétaire 2027 exercice budgétaire 2028 exercice budgétaire 2029 à partir de l'exercice budgétaire 2030 Thomas More Mechelen-Antwerpen 211 970 € 158 978 € 105 985 € 52 993 € 0 €
Instelling begrotings-jaar 2026 begrotings-jaar 2027 begrotings-jaar 2028 begrotings-jaar 2029 vanaf begrotings-jaar 2030
Hogeschool West-Vlaanderen
  € 174.872

  € 131.154

  € 87.436

  € 43.718

  € 0
Artevelde
  -hogeschool
€ 302.119 € 226.589 € 151.060 € 75.530 € 0
Hogeschool Gent € 373.555 € 280.166 € 186.777 € 93.389 € 0
Katholieke Hogeschool Vives Noord
  € 86.976

  € 65.232

  € 43.488

  € 21.744

  € 0
Katholieke Hogeschool Vives Zuid
  € 228.960

  € 171.720

  € 114.480

  € 57.240

  € 0
Odisee € 570.827 € 844.643 € 1.118.460 € 1.392.276 € 1.666.093
Erasmushogeschool Brussel € 539.802 € 874.753 € 1.209.705 € 1.544.657 € 1.879.609
UC Leuven € 208.307 € 156.230 € 104.153 € 52.077 € 0
Thomas More Kempen € 184.057 € 138.043 € 92.028 € 46.014 € 0
LUCA School of Arts € 239.959 € 318.916 € 397.873 € 476.830 € 555.787
Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
  € 299.041

  € 224.281

  € 149.521

  € 74.760

  € 0
UC Limburg € 119.901 € 89.926 € 59.951 € 29.975 € 0
Hogeschool PXL € 210.844 € 158.133 € 105.422 € 52.711 € 0
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
  € 331.996

  € 248.997

  € 165.998

  € 82.999

  € 0
Hogere Zeevaartschool € 18.302 € 13.726 € 9.151 € 4.575 € 0
Katholieke Universiteit Leuven € 1.461.289,41 € 1.461.289,41 € 1.461.289,41 € 1.461.289,41
  € 1.461.289
Universiteit Hasselt € 426.763,95 € 320.072,97 € 213.381,98 € 106.690,99 € 0
Universiteit Antwerpen € 907.257,37 € 680.443,03 € 453.628,69 € 226.814,34 € 0
Vrije Universiteit Brussel € 1.723.476,80 € 2.546.801,14 € 3.370.125,47 € 4.193.449,81 € 5.016.774
Universiteit Gent € 1.959.276,01 € 1.469.457,01 € 979.638,00 € 489.819,00 € 0
Instelling begrotings-jaar 2026 begrotings-jaar 2027 begrotings-jaar 2028 begrotings-jaar 2029 vanaf begrotings-jaar 2030 Hogeschool West-Vlaanderen
  € 174.872
  € 131.154
  € 87.436
  € 43.718
  € 0 Artevelde
  -hogeschool € 302.119 € 226.589 € 151.060 € 75.530 € 0 Hogeschool Gent € 373.555 € 280.166 € 186.777 € 93.389 € 0 Katholieke Hogeschool Vives Noord
  € 86.976
  € 65.232
  € 43.488
  € 21.744
  € 0 Katholieke Hogeschool Vives Zuid
  € 228.960
  € 171.720
  € 114.480
  € 57.240
  € 0 Odisee € 570.827 € 844.643 € 1.118.460 € 1.392.276 € 1.666.093 Erasmushogeschool Brussel € 539.802 € 874.753 € 1.209.705 € 1.544.657 € 1.879.609 UC Leuven € 208.307 € 156.230 € 104.153 € 52.077 € 0 Thomas More Kempen € 184.057 € 138.043 € 92.028 € 46.014 € 0 LUCA School of Arts € 239.959 € 318.916 € 397.873 € 476.830 € 555.787 Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
  € 299.041
  € 224.281
  € 149.521
  € 74.760
  € 0 UC Limburg € 119.901 € 89.926 € 59.951 € 29.975 € 0 Hogeschool PXL € 210.844 € 158.133 € 105.422 € 52.711 € 0 Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
  € 331.996
  € 248.997
  € 165.998
  € 82.999
  € 0 Hogere Zeevaartschool € 18.302 € 13.726 € 9.151 € 4.575 € 0 Katholieke Universiteit Leuven € 1.461.289,41 € 1.461.289,41 € 1.461.289,41 € 1.461.289,41
  € 1.461.289 Universiteit Hasselt € 426.763,95 € 320.072,97 € 213.381,98 € 106.690,99 € 0 Universiteit Antwerpen € 907.257,37 € 680.443,03 € 453.628,69 € 226.814,34 € 0 Vrije Universiteit Brussel € 1.723.476,80 € 2.546.801,14 € 3.370.125,47 € 4.193.449,81 € 5.016.774 Universiteit Gent € 1.959.276,01 € 1.469.457,01 € 979.638,00 € 489.819,00 € 0
".
Etablissement exercice budgétaire 2026 exercice budgétaire 2027 exercice budgétaire 2028 exercice budgétaire 2029 à partir de l'exercice budgétaire 2030
Hogeschool West-Vlaanderen
  174 872 €

  131 154 €

  87 436 €

  43 718 €

  0 €
Artevelde hogeschool 302 119 € 226 589 € 151 060 € 75 530 € 0 €
Hogeschool Gent 373 555 € 280 166 € 186 777 € 93 389 € 0 €
Katholieke Hogeschool Vives Noord
  86 976 €

  65 232 €

  43 488 €

  21 744 €

  0 €
Katholieke Hogeschool Vives Zuid
  228 960 €

  171 720 €

  114 480 €

  57 240 €

  0 €
Odisee 570 827 € 844 643 € 1 118 460 € 1 392 276 € 1 666 093 €
Erasmus hogeschool Brussel 539 802 € 874 753 € 1 209 705 € 1 544 657 € 1 879 609 €
UC Leuven 208 307 € 156 230 € 104 153 € 52 077 € 0 €
Thomas More Kempen 184 057 € 138 043 € 92 028 € 46 014 € 0 €
LUCA School of Arts 239 959 € 318 916 € 397 873 € 476 830 € 555 787 €
Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
  299 041 €

  224 281 €

  149 521 €

  74 760 €

  0 €
UC Limburg 119 901 € 89 926 € 59 951 € 29 975 € 0 €
Hogeschool PXL 210 844 € 158 133 € 105 422 € 52 711 € 0 €
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
  331 996 €

  248 997 €

  165 998 €

  82 999 €

  0 €
Hogere Zeevaartschool 18 302 € 13 726 € 9 151 € 4 575 € 0 €
Katholieke Universiteit Leuven 1 461 289,41 € 1 461 289,41 € 1 461 289,41 € 1 461 289,41 €
  1 461 289 €
Universiteit Hasselt 426 763,95 € 320 072,97 € 213 381,98 € 106 690,99 € 0 €
Universiteit Antwerpen 907 257,37 € 680 443,03 € 453 628,69 € 226 814,34 € 0 €
Vrije Universiteit Brussel 1 723 476,80 € 2 546 801,14 € 3 370 125,47 € 4 193 449,81 € 5 016 774 €
Universiteit Gent 1 959 276,01 € 1 469 457,01 € 979 638,00 € 489 819,00 € 0 €
Etablissement exercice budgétaire 2026 exercice budgétaire 2027 exercice budgétaire 2028 exercice budgétaire 2029 à partir de l'exercice budgétaire 2030 Hogeschool West-Vlaanderen
  174 872 €
  131 154 €
  87 436 €
  43 718 €
  0 € Artevelde hogeschool 302 119 € 226 589 € 151 060 € 75 530 € 0 € Hogeschool Gent 373 555 € 280 166 € 186 777 € 93 389 € 0 € Katholieke Hogeschool Vives Noord
  86 976 €
  65 232 €
  43 488 €
  21 744 €
  0 € Katholieke Hogeschool Vives Zuid
  228 960 €
  171 720 €
  114 480 €
  57 240 €
  0 € Odisee 570 827 € 844 643 € 1 118 460 € 1 392 276 € 1 666 093 € Erasmus hogeschool Brussel 539 802 € 874 753 € 1 209 705 € 1 544 657 € 1 879 609 € UC Leuven 208 307 € 156 230 € 104 153 € 52 077 € 0 € Thomas More Kempen 184 057 € 138 043 € 92 028 € 46 014 € 0 € LUCA School of Arts 239 959 € 318 916 € 397 873 € 476 830 € 555 787 € Karel de Grote Hogeschool, Katholieke Hogeschool Antwerpen
  299 041 €
  224 281 €
  149 521 €
  74 760 €
  0 € UC Limburg 119 901 € 89 926 € 59 951 € 29 975 € 0 € Hogeschool PXL 210 844 € 158 133 € 105 422 € 52 711 € 0 € Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen
  331 996 €
  248 997 €
  165 998 €
  82 999 €
  0 € Hogere Zeevaartschool 18 302 € 13 726 € 9 151 € 4 575 € 0 € Katholieke Universiteit Leuven 1 461 289,41 € 1 461 289,41 € 1 461 289,41 € 1 461 289,41 €
  1 461 289 € Universiteit Hasselt 426 763,95 € 320 072,97 € 213 381,98 € 106 690,99 € 0 € Universiteit Antwerpen 907 257,37 € 680 443,03 € 453 628,69 € 226 814,34 € 0 € Vrije Universiteit Brussel 1 723 476,80 € 2 546 801,14 € 3 370 125,47 € 4 193 449,81 € 5 016 774 € Universiteit Gent 1 959 276,01 € 1 469 457,01 € 979 638,00 € 489 819,00 € 0 €
".
Afdeling 15. - Financieringsvoorwaarden niet-EER-studenten (Europese Economische Ruimte)
Section 15. - Conditions de financement pour les étudiants hors EEE (Espace économique européen)
Art. 108. In artikel III.3, van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013, gewijzigd bij de decreten van 17 juni 2016, 4 mei 2018 en 22 april 2022, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragaaf 1 wordt punt 2° vervangen door wat volgt:
  "2° nationaliteit: studenten komen alleen in aanmerking als ze voldoen aan een van de voorwaarden, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 1° tot en met 9° ;";
  2° er worden een paragraaf 4 en 5 toegevoegd, die luiden als volgt:
  " § 4. In paragraaf 4 en 5 wordt verstaan onder
  1° niet-EER-student: een student die geen onderdaan van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte is;
  2° een anderstalige opleiding: een initiële opleiding of een bachelor-na-bacheloropleiding die als anderstalige opleiding opgenomen is in de lijst, vermeld in artikel II.170, § 2.
  Vanaf begrotingsjaar 2027 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, beperkt door een bedrag in mindering te brengen van de werkingsuitkeringen van universiteiten en hogescholen.
  Dit bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, 2° tot en met 9°, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
  Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten voor het begrotingsjaar t vast te stellen wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten in aanmerking genomen van niet-EER-studenten die niet behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2, en die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract, voor een initiële bachelor- of masteropleiding, voor een bachelor-na-bacheloropleiding, voor een schakelprogramma of voorbereidingsprogramma voorafgaand aan een initiële masteropleiding of voor een graduaatsopleiding, waarvoor het gemiddeld aantal opgenomen studiepunten over de academiejaren t-5/t-4 tot en met t-3/t-2 in aanmerking wordt genomen. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
  De instellingen houden de verantwoordingsstukken van de niet-EER-studenten die behoren tot de categorieën, vermeld in artikel II.215, eerste lid, 2° tot en met 9°, ter beschikking voor de regeringscommissarissen, die daarop een controle uitvoeren en die het Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 tot oprichting van het intern verzelfstandigd Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen, daarvan jaarlijks op de hoogte brengen vóór 31 maart van begrotingsjaar t-1.
  Om de financiering te berekenen, wordt rekening gehouden met de categorie waartoe de betrokkene behoort op 31 december in het academiejaar in kwestie.
  § 5. Voor het begrotingsjaar 2026 wordt de financierbaarheid van niet-EER-studenten beperkt door een bedrag in mindering te brengen bij de werkingsuitkeringen van de universiteiten en hogescholen.
  Het bedrag, vermeld in het eerste lid, bestaat uit twee delen. Het eerste deel van het bedrag wordt berekend door het percentage van opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding, in die mate dat het boven de 2% ligt per instelling en per finaliteit, toe te passen op de financieringspunten voor de variabele onderwijsdelen, vermeld in artikel III.11, per finaliteit en per instelling. Vervolgens worden deze financieringspunten vermenigvuldigd met de gemiddelde waarde per financieringspunt en per finaliteit. Dit bedrag wordt in mindering gebracht van de werkingsuitkeringen per instelling.
  Om het percentage opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding voor het begrotingsjaar t vast te stellen, wordt het gemiddelde aantal opgenomen studiepunten van niet-EER-studenten in een anderstalige opleiding in aanmerking genomen over de academiejaren t-7/t-6 tot en met t-3/t-2 die zich in de desbetreffende instelling hebben ingeschreven onder een diplomacontract voor een initiële anderstalige bachelor- of masteropleiding of een anderstalige bachelor-na-bacheloropleiding. Het aantal opgenomen studiepunten in een bachelor-na-bacheloropleiding wordt vermenigvuldigd met een factor 0,5.
  Het tweede deel van het bedrag, vermeld in het eerst lid, bestaat uit een compensatie van 10.300.000 euro, als compensatie van de niet EER-studenten in een Nederlandstalige opleiding. Dit bedrag wordt in het begrotingsjaar 2026 verminderd van de totale werkingsuitkeringen van de hogescholen en universiteiten, volgens de volgende verdeling:
Art. 108. Dans l'article III.3, du Code de l'Enseignement secondaire du 11 octobre 2013, modifié par les décrets des 17 juin 2016, 4 mai 2018 et 22 avril 2022, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le point 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° la nationalité : les étudiants ne sont éligibles que s'ils remplissent l'une des conditions visées à l'article II.215, alinéa 1er, 1° à 9° ; " ;
  2° un paragraphe 4 et un paragraphe 5 sont ajoutés, énoncés comme suit :
  " § 4. Aux paragraphes 4 et 5, il faut entendre par :
  1° étudiant non ressortissant d'un pays de l'EEE : un étudiant qui n'est pas ressortissant d'un pays membre de l'Espace économique européen ;
  2° formation enseignée en langue étrangère : une formation initiale ou une formation de bachelier de spécialisation figurant comme formation enseignée en langue étrangère dans la liste visée à l'article II.170, § 2.
  A partir de l'année budgétaire 2027, la finançabilité des étudiants ressortissants d'un pays non membre de l'EEE qui n'appartiennent pas aux catégories visées à l'article II.215, alinéa 1er, 2° à 9°, est limitée par la déduction d'un montant sur les allocations de fonctionnement des universités et hautes écoles.
  Ce montant est calculé en appliquant le pourcentage de crédits obtenus par les étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE qui n'appartiennent pas aux catégories visées à l'article II.215, points 2° à 9°, dans la mesure où il dépasse 2 % par établissement et par finalité, aux points de financement pour les volets variables d'enseignement visés à l'article III.11, par finalité et par établissement. Ces points de financement sont ensuite multipliés par la valeur moyenne par point de financement et par finalité. Ce montant est déduit des allocations de fonctionnement par établissement.
  Pour déterminer le pourcentage de crédits suivis par les étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE pour l'année budgétaire t, est pris en compte le nombre moyen de crédits suivis par les étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE qui n'appartiennent pas aux catégories visées à l'article II.215, alinéa 1er, 2° à 9°, au cours des années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2, et qui se sont inscrits dans l'établissement concerné sous contrat de diplôme, pour une formation initiale de bachelier ou de master, pour une formation de bachelier de spécialisation, pour un programme de transition ou préparatoire précédant une formation de master initiale ou pour une formation de graduat, pour laquelle est pris en compte le nombre moyen de crédits suivis au cours des années académiques t-5/t-4 jusqu'à t-3/t-2. Le nombre de crédits suivis dans une formation de bachelier de spécialisation est multiplié par un facteur de 0,5.
  Les établissements tiennent les documents justificatifs des étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE appartenant aux catégories visées à l'article II.215, alinéa 1er, 2° à 9°, à la disposition des commissaires du gouvernement, qui les vérifient et en informent l'Agence de l'Enseignement supérieur, de l'Education des Adultes, des Qualifications et des Allocations d'Etudes, créée par l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 avril 2009 portant création de l'agence autonomisée interne " Agentschap voor Hoger Onderwijs, Volwassenenonderwijs, Kwalificaties en Studietoelagen ", chaque année avant le 31 mars de l'année budgétaire t-1.
  La catégorie à laquelle la personne concernée appartient au 31 décembre de l'année académique en question est prise en compte pour le calcul du financement.
  § 5. Pour l'année budgétaire 2026, la finançabilité des étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE est limitée par la déduction d'un montant de l'allocation de fonctionnement des universités et des hautes écoles.
  Le montant visé à l'alinéa 1er, se compose de deux parties. La première partie du montant est calculée en appliquant le pourcentage de crédits suivis par les étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE dans une formation enseignée en langue étrangère, dans la mesure où il dépasse 2 % par établissement et par finalité, aux points de financement pour les volets variables d'enseignement visés à l'article III.11, par finalité et par établissement. Ces points de financement sont ensuite multipliés par la valeur moyenne par point de financement et par finalité. Ce montant est déduit des allocations de fonctionnement par établissement.
  Pour déterminer le pourcentage de crédits suivis par les étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE dans une formation enseignée en langue étrangère pour l'année budgétaire t, est pris en compte le nombre moyen de crédits suivis par des étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE dans une formation enseignée en langue étrangère au cours des années académiques t-7/t-6 à t-3/t-2 qui se sont inscrits dans l'établissement concerné sous contrat de diplôme pour une formation initiale de bachelier ou de master donnée en langue étrangère ou une formation de bachelier de spécialisation donnée en langue étrangère. Le nombre de crédits suivis dans une formation de bachelier de spécialisation est multiplié par un facteur de 0,5.
  La deuxième partie du montant visé à l'alinéa 1er, consiste en une compensation de 10 300 000 euros des étudiants non ressortissants d'un pays de l'EEE dans une formation donnée en langue néerlandaise. Ce montant est réduit au cours de l'année budgétaire 2026 des allocations de fonctionnement totales des hautes écoles et des universités selon la répartition suivante :
Instelling bedrag
Thomas More Mechelen-Antwerpen € 206.273,14
Hogeschool West-Vlaanderen € 170.171,98
Arteveldehogeschool € 293.999,01
Hogeschool Gent € 363.514,39
Katholieke Hogeschool Vives Noord € 84.638,67
Katholieke Hogeschool Vives Zuid € 222.805,98
Odisee € 231.221,85
Erasmushogeschool Brussel € 159.475,03
UC Leuven € 202.708,09
Thomas More Kempen € 179.109,89
LUCA School of Arts € 125.339,97
Karel de Grote Hogeschool € 291.003,59
UC Limburg € 116.678,54
Hogeschool PXL € 205.177,25
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen € 323.072,61
Hogere Zeevaartschool € 17.810,01
Katholieke Universiteit Leuven € 2.623.222,19
Universiteit Hasselt € 476.779,18
Universiteit Antwerpen € 1.013.584,72
Vrije Universiteit Brussel € 804.517,72
Universiteit Gent € 2.188.896,20
Instelling bedrag Thomas More Mechelen-Antwerpen € 206.273,14 Hogeschool West-Vlaanderen € 170.171,98 Arteveldehogeschool € 293.999,01 Hogeschool Gent € 363.514,39 Katholieke Hogeschool Vives Noord € 84.638,67 Katholieke Hogeschool Vives Zuid € 222.805,98 Odisee € 231.221,85 Erasmushogeschool Brussel € 159.475,03 UC Leuven € 202.708,09 Thomas More Kempen € 179.109,89 LUCA School of Arts € 125.339,97 Karel de Grote Hogeschool € 291.003,59 UC Limburg € 116.678,54 Hogeschool PXL € 205.177,25 Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen € 323.072,61 Hogere Zeevaartschool € 17.810,01 Katholieke Universiteit Leuven € 2.623.222,19 Universiteit Hasselt € 476.779,18 Universiteit Antwerpen € 1.013.584,72 Vrije Universiteit Brussel € 804.517,72 Universiteit Gent € 2.188.896,20
".
Etablissement Montant
Thomas More Mechelen-Antwerpen 206 273,14 €
Hogeschool West-Vlaanderen 170 171,98 €
Arteveldehogeschool 293 999,01 €
Hogeschool Gent 363 514,39 €
Katholieke Hogeschool Vives Noord 84 638,67 €
Katholieke Hogeschool Vives Zuid 222 805,98 €
Odisee 231 221,85 €
Erasmushogeschool Brussel 159 475,03 €
UC Leuven 202 708,09 €
Thomas More Kempen 179 109,89 €
LUCA School of Arts 125 339,97 €
Karel de Grote Hogeschool 291 003,59 €
UC Limburg 116 678,54 €
Hogeschool PXL 205 177,25 €
Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 323 072,61 €
Hogere Zeevaartschool 17 810,01 €
Katholieke Universiteit Leuven 2 623 222,19 €
Universiteit Hasselt 476 779,18 €
Universiteit Antwerpen 1 013 584,72 €
Vrije Universiteit Brussel 804 517,72 €
Universiteit Gent 2 188 896,20 €
Etablissement Montant Thomas More Mechelen-Antwerpen 206 273,14 € Hogeschool West-Vlaanderen 170 171,98 € Arteveldehogeschool 293 999,01 € Hogeschool Gent 363 514,39 € Katholieke Hogeschool Vives Noord 84 638,67 € Katholieke Hogeschool Vives Zuid 222 805,98 € Odisee 231 221,85 € Erasmushogeschool Brussel 159 475,03 € UC Leuven 202 708,09 € Thomas More Kempen 179 109,89 € LUCA School of Arts 125 339,97 € Karel de Grote Hogeschool 291 003,59 € UC Limburg 116 678,54 € Hogeschool PXL 205 177,25 € Artesis Plantijn Hogeschool Antwerpen 323 072,61 € Hogere Zeevaartschool 17 810,01 € Katholieke Universiteit Leuven 2 623 222,19 € Universiteit Hasselt 476 779,18 € Universiteit Antwerpen 1 013 584,72 € Vrije Universiteit Brussel 804 517,72 € Universiteit Gent 2 188 896,20 €
".
Afdeling 16. - Hertellingen nooddecreet Oekraïne stopzetten vanaf 1 januari 2026
Section 16. - Arrêt des réexamens à partir du 1er janvier 2026 prévus dans le décret d'urgence relatif à l'Ukraine
Art. 109. In artikel 2 van het decreet van 22 april 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de Oekraïnecrisis, tot wijziging van het decreet van 8 juni 2007 betreffende de studiefinanciering van de Vlaamse Gemeenschap en tot wijziging van de Codex Hoger Onderwijs van 11 oktober 2013 voor leerlingen en studenten die ressorteren onder richtlijn 2001/55/ EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° aan paragraaf 1 wordt een derde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Vanaf 1 januari 2026 kunnen geen nieuwe huurovereenkomsten worden goedgekeurd. Enkel verlengingen van de huurovereenkomst in functie van de nood, vermeld in het tweede lid, kunnen voor een extra termijn van 2 jaar worden verlengd als de huurovereenkomst voor 1 januari 2026 werd goedgekeurd.";
  2° paragraaf 9 wordt opgeheven.
Art. 109. Dans l'article 2 du décret contenant des mesures urgentes dans le domaine de l'enseignement à la suite de la crise ukrainienne, modifiant le décret du 8 juin 2007 relatif à l'aide financière aux études de la Communauté flamande et modifiant le Code de l'Enseignement supérieur du 11 octobre 2013 pour les élèves et les étudiants relevant de la directive 2001/55/CE du Conseil du 20 juillet 2001 relative à des normes minimales pour l'octroi d'une protection temporaire en cas d'afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les Etats membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa 3, rédigé comme suit :
  " A partir du 1er janvier 2026, aucun nouveau contrat de location ne pourra être approuvé. Seules les prolongations du contrat de location selon les besoins conformément à l'alinéa 2, peuvent être prolongées pour une durée supplémentaire de deux ans si le contrat de location a été approuvé avant le 1er janvier 2026. "
  2° le paragraphe 9 est abrogé.
Art. 110. In hetzelfde decreet worden de volgende artikelen opgeheven:
  1° artikel 6 en 7;
  2° artikel 9, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023;
  3° artikel 13 en 14;
  4° artikel 19 en 20;
  5° artikel 24 en 25;
  6° artikel 28.
Art. 110. Dans le même décret, les articles suivants sont abrogés :
  1° les articles 6 et 7 ;
  2° l'article 9, modifié par le décret du 7 juillet 2023 ;
  3° les articles 13 et 14 ;
  4° les articles 19 et 20 ;
  5° les articles 24 et 25 ;
  6° l'article 28.
Art. 111. In artikel 34 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 7 juli 2023, wordt het vierde lid vervangen door wat volgt:
  "Artikel 8, 15, 16, 17, 21, 22 en 33 hebben uitwerking tot het einde van het schooljaar waarin er een uitvoeringsbesluit van de Raad van de Europese Unie tot vaststelling van het bestaan van een massale toestroom van ontheemden in de zin van artikel 5 van richtlijn 2001/55/EG, en tot invoering van tijdelijke bescherming naar aanleiding daarvan, in werking is.".
Art. 111. Dans l'article 34 du même décret, modifié par le décret du 7 juillet 2023, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
  " Les articles 8, 15, 16, 17, 21, 22 et 33 produisent leurs effets jusqu'à la fin de l'année scolaire au cours de laquelle un arrêté d'exécution du Conseil de l'Union européenne constatant l'existence d'un afflux massif de personnes déplacées au sens de l'article 5 de la directive 2001/55/CE, et ayant pour effet d'introduire une protection temporaire, est en vigueur. ".
Art. 112. In het decreet van 3 juni 2022 tot het nemen van dringende maatregelen in het onderwijs naar aanleiding van de Oekraïnecrisis en tot wijziging van het decreet van 15 juni 2007 betreffende het volwassenenonderwijs voor leerlingen en studenten die ressorteren onder richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen-(II), het laatst gewijzigd bij het decreet van 6 juni 2025, worden de volgende artikelen opgeheven:
  1° artikel 44, vervangen bij het decreet van 15 juli 2022;
  2° artikel 45;
  3° artikel 45/1, ingevoegd bij het decreet van 5 mei 2023.
Art. 112. Dans le décret du 3 juin 2022 contenant des mesures urgentes dans le domaine de l'enseignement à la suite de la crise ukrainienne et modifiant le décret du 15 juin 2007 relatif à l'éducation des adultes pour les élèves et les étudiants relevant de la directive 2001/55/CE du Conseil du 20 juillet 2001 relative à des normes minimales pour l'octroi d'une protection temporaire en cas d'afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les Etats membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil - (II), modifié en dernier lieu par le décret du 6 juin 2025, les articles suivants sont abrogés :
  1° l'article 44, remplacé par le décret du 15 juillet 2022 ;
  2° l'article 45 ;
  3° l'article 45/1, inséré par le décret du 5 mai 2023.
Art. 113. In artikel 46 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 5 mei 2023, wordt het tweede lid opgeheven.
Art. 113. Dans l'article 46 du même décret, modifié par le décret du 5 mai 2023, l'alinéa 2 est abrogé.
Art. 114. Artikel 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 en 13 van het decreet van 23 december 2022 tot het nemen, naar aanleiding van de Oekraïnecrisis, van dringende maatregelen in het onderwijs voor kleuters, leerlingen en cursisten die ressorteren onder richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen van tijdelijke bescherming in geval van massale toestroom van ontheemden en maatregelen ter bevordering van een evenwicht tussen de inspanning van de lidstaten voor de opvang en het dragen van de consequenties van de opvang van deze personen (IV), worden opgeheven.
Art. 114. Les articles 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12 et 13 du décret du 23 décembre 2022 visant à prendre, à la suite de la crise ukrainienne, des mesures urgentes dans le domaine de l'enseignement pour les jeunes enfants, les élèves et les apprenants relevant de la directive 2001/55/CE du Conseil du 20 juillet 2001 relative à des normes minimales pour l'octroi d'une protection temporaire en cas d'afflux massif de personnes déplacées et à des mesures tendant à assurer un équilibre entre les efforts consentis par les Etats membres pour accueillir ces personnes et supporter les conséquences de cet accueil (IV), sont abrogés.
HOOFDSTUK 8. - Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie, Landbouw en Sociale Economie
CHAPITRE 8. - Emploi, Economie, Sciences, Innovation, Agriculture et Economie sociale
Afdeling 1. - Algemene financiering van de gemeenten ter ondersteuning van een lokaal sociale-economiebeleid
Section 1re. - Financement général des communes en soutien à une politique locale en matière d'économie sociale
Art. 115. Vanaf 2026 wordt jaarlijks op de begroting een subsidie ingeschreven als algemene financiering voor de gemeenten van het Vlaamse Gewest.
Art. 115. A partir de 2026, une subvention annuelle sera inscrite au budget en tant que financement général pour les communes de la Région flamande.
Art. 116. Een lijst met de gemeenten met hun aandeel in de subsidie, vermeld in artikel 115, is opgenomen in bijlage 2, die bij dit decreet wordt gevoegd.
Art. 116. Une liste des communes et de leur part de la subvention visée à l'article 115, figure à l'annexe 2 jointe au présent décret.
Art. 117. De subsidie, vermeld in artikel 115, is vrij van verantwoordings- en rapporteringsverplichtingen.
Art. 117. La subvention visée à l'article 115, n'est pas soumise à des obligations de justification et de déclaration.
Art. 118. De subsidie wordt voor het volledige bedrag aan de lokale besturen uiterlijk op 31 december van elk begrotingsjaar betaald.
Art. 118. Le montant total de la subvention est versé aux administrations locales avant le 31 décembre de chaque année budgétaire.
Art. 119. Het gebruik van deze financiering wordt gemonitord door het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie via de rapporteringscodes in de digitale rapportering over de gegevens van de jaarrekening.
Art. 119. L'utilisation de ce financement est contrôlée par le Département de l'Emploi, de l'Economie, des Sciences, de l'Innovation et de l'Economie sociale par le biais des codes de rapport dans le rapport numérique des données des comptes annuels.
Art. 120. In het decreet van 22 maart 2024 over de ondersteuning van sociale economie en maatschappelijk verantwoord ondernemen wordt het opschrift van hoofdstuk 7 vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk 7. Bevorderen van het lokale sociale-economiebeleid".
Art. 120. Dans le décret du 22 mars 2024 relatif à l'appui à l'économie sociale et à la responsabilité sociale des entreprises, l'intitulé du chapitre 7 est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre 7. La promotion de la politique locale en matière d'économie sociale ".
Art. 121. In hoofdstuk 7 van hetzelfde decreet wordt het opschrift "Afdeling 1. De regierol van gemeenten op het vlak van de lokale sociale economie en werk" opgeheven.
Art. 121. Dans le chapitre 7 du même décret, l'intitulé " Section 1re. Le rôle de régie des communes dans le domaine de l'économie sociale et de l'emploi locaux " est abrogé.
Art. 122. Artikel 14 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 14. Het lokaal bestuur kan via zijn lokale regierol een lokaal sociale-economiebeleid ontwikkelen dat deel uitmaakt van de meerjarenplanning van dat lokaal bestuur. Het lokale sociale-economiebeleid creëert op lokaal of bovenlokaal niveau tewerkstellingskansen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt en biedt maatschappelijke uitdagingen het hoofd. Het lokaal bestuur kan beslissen om het volledige lokale sociale-economiebeleid of delen ervan, te ontwikkelen in samenwerking met andere lokale besturen.
  Ter uitvoering van zijn lokale regierol voor het lokale sociaal-economiebeleid kan het lokaal bestuur:
  1° een beleidsvisie en beleidsdoelstellingen ontwikkelen over de lokale sociale economie en de tewerkstelling van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt in de reguliere en de sociale economie;
  2° samenwerking en afstemming stimuleren tussen de lokale besturen en andere relevante partners met het oog op het bevorderen van de duurzame arbeids-marktintegratie van personen met een afstand tot de arbeidsmarkt;
  3° diensten van algemeen economisch belang ontplooien die bijdragen aan de doelstellingen van het lokale sociale-economiebeleid in samenwerking met sociale-economieondernemingen als vermeld in artikel 2, 5°, a), b) en e).
  De Vlaamse Regering kan binnen de perken van het begrotingskrediet gerichte maatregelen nemen om het lokale sociale-economiebeleid te ondersteunen met de doelstelling om tewerkstellingskansen voor personen met een afstand tot de arbeidsmarkt te bevorderen en maatschappelijke uitdagingen het hoofd te bieden.".
Art. 122. L'article 14 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 14. L'administration locale peut, dans le cadre de son rôle de coordinateur local, développer une politique locale en matière d'économie sociale qui s'inscrit dans son plan pluriannuel. La politique locale en matière d'économie sociale crée des opportunités d'emploi au niveau local ou supra-local pour les personnes éloignées du marché du travail et permet de faire face aux défis sociétaux. L'administration locale peut décider de développer l'intégralité de la politique locale en matière d'économie sociale, ou des parties de celle-ci, en coopération avec d'autres administrations locales.
  Pour mettre en oeuvre son rôle de coordinateur local de la politique locale en matière d'économie sociale, l'administration locale peut :
  1° élaborer une vision stratégique et des objectifs stratégiques concernant l'économie sociale et l'emploi des personnes éloignées du marché du travail dans l'économie classique et sociale ;
  2° encourager la coopération et la coordination entre les administrations locales et d'autres partenaires pertinents en vue de promouvoir l'intégration durable sur le marché du travail des personnes qui en sont éloignées ;
  3° mettre en place des services d'intérêt économique général qui contribuent aux objectifs de la politique locale en matière d'économie sociale en coopération avec des entreprises d'économie sociale telles que visées à l'article 2, 5°, a), b) et e).
  Dans les limites des crédits budgétaires, le Gouvernement flamand peut prendre des mesures ciblées pour soutenir la politique locale en matière d'économie sociale dans le but de promouvoir les opportunités d'emploi pour les personnes éloignées du marché du travail et de répondre aux défis sociétaux. ".
Art. 123. In hoofdstuk 7 van hetzelfde decreet wordt afdeling 2, die bestaat uit artikel 15, opgeheven.
Art. 123. Au chapitre 7 du même décret, la section 2, qui se compose de l'article 15, est abrogée.
Art. 124. Het besluit van de Vlaamse Regering van 29 april 2022 tot bepaling van de lokale regierol van de gemeenten op het vlak van sociale economie en werk wordt opgeheven.
Art. 124. L'arrêté du Gouvernement flamand du 29 avril 2022 définissant le rôle de régisseur local des communes dans les domaines de l'économie sociale et de l'emploi est abrogé.
Afdeling 2. - Verhoging plafond invoering retributie voor arbeidskaarten en arbeidsvergunningen in het kader van aanvragen gecombineerde vergunning
Section 2. - Relèvement du plafond concernant l'introduction d'une redevance relative aux cartes de travail et aux permis de travail dans le cadre des demandes de permis unique
Art. 125. In artikel 8 van de wet van 30 april 1999 betreffende de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt paragraaf 3 vervangen door wat volgt:
  " § 3. De administratieve kosten voor de behandeling van de aanvragen van de arbeidskaarten en de arbeidsvergunningen in het kader van de gecombineerde aanvraagprocedure kunnen het voorwerp uitmaken van een forfaitaire vergoeding die de aanvrager betaalt aan de bevoegde overheid.
  De Vlaamse Regering legt het bedrag van de forfaitaire vergoeding, vermeld in het eerste lid, vast, de wijze waarop de forfaitaire vergoeding wordt geïnd en de gevolgen van niet-betaling of onvolledige betaling. Het bedrag mag niet hoger zijn dan 250 euro per aanvraag.
  Het bedrag van 250 euro, vermeld in het tweede lid, wordt jaarlijks op 1 januari aangepast, op basis van het gemiddelde indexcijfer van de consumptieprijsindex van het voorafgaande jaar, met als basisindex de index die van toepassing is op 1 januari 2026. Het resultaat van de aanpassing wordt naar boven op de euro afgerond.
  In het eerste lid wordt onder gecombineerde aanvraagprocedure verstaan: elke procedure op basis van een gecombineerde aanvraag die door een onderdaan van een derde land of zijn werkgever wordt ingediend om te worden gemachtigd om op het Belgische grondgebied te verblijven en er te werken, en die tot een beslissing in verband met deze aanvraag leidt.".
Art. 125. Dans l'article 8 de la loi du 30 avril 1999 relative à l'occupation des travailleurs étrangers, modifiée par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Les coûts administratifs liés au traitement des demandes de cartes de travail et de permis de travail dans le cadre de la procédure de demande combinée, peuvent faire l'objet d'une indemnité forfaitaire versée par le demandeur à l'autorité compétente.
  Le Gouvernement flamand détermine le montant de l'indemnité forfaitaire visée à l'alinéa 1er, ses modalités de perception et les conséquences d'un défaut de paiement ou d'un paiement incomplet. Le montant ne peut pas dépasser 250 euros par demande.
  Le montant de 250 euros visé à l'alinéa 2, est ajusté chaque année au 1er janvier, en fonction de l'indice moyen des prix à la consommation de l'année précédente, l'indice applicable au 1er janvier 2026 servant d'indice de base. Le résultat de l'ajustement est arrondi à l'euro supérieur.
  A l'alinéa 1er, on entend par procédure de demande combinée : toute procédure fondée sur une demande combinée introduite par un ressortissant de pays tiers ou son employeur en vue d'être autorisé à résider et à travailler sur le territoire belge et aboutissant à une décision relative à cette demande. ".
Afdeling 3. - Uitbreiding begrotingsfonds Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie tot de retributie in kader van tewerkstelling buitenlandse werknemers
Section 3. - Extension du fonds budgétaire du Département de l'Emploi, de l'Economie, des Sciences, de l'Innovation et de l'Economie sociale à la redevance pour l'emploi de travailleurs étrangers
Art. 126. In het decreet van 1 juni 2012 houdende bepalingen tot begeleiding van de aanpassing van de begroting 2012, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt het opschrift van hoofdstuk 3 vervangen door wat volgt:
  "Hoofdstuk 3. Fonds voor de uitvoering van EU-projecten, bijzondere opdrachten en de retributie voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers".
Art. 126. Dans le décret du 1er juin 2012 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2012, modifié par le décret du 29 mars 2019, l'intitulé du chapitre 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Chapitre 3. Fonds pour l'exécution de projets UE et de projets particuliers et la redevance pour l'emploi de travailleurs étrangers ".
Art. 127. Artikel 29 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 29. In dit artikel wordt verstaan onder departement: het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie, vermeld in artikel 29/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie.
  Bij het departement wordt een fonds als vermeld in artikel 15, § 2, van de Vlaamse Codex Overheidsfinanciën van 29 maart 2019 opgericht waaraan alle ontvangsten van middelen uit Europese, Vlaamse of andere bron, en ook de retributie voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers worden toegewezen voor de aanwending van:
  1° de betaling van lonen, salarissen, andere vergoedingen die uit de arbeidsverhouding kunnen voortvloeien, werkingskosten en investeringskosten voor personeelsleden van het departement, of die zijn verschuldigd aan derden voor de tewerkstelling van personeel dat op projectbasis en met Europese cofinanciering wordt aangeworven;
  2° de betaling van lonen, salarissen, andere vergoedingen die uit de arbeidsverhouding kunnen voortvloeien, werkingskosten en investeringskosten voor personeelsleden van het departement, of die zijn verschuldigd aan derden voor de tewerkstelling van personeel dat wordt aangeworven met het oog op de administratieve afhandeling van aanvragen voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
  3° de betaling van toegestane projectuitgaven, de niet-recurrente uitgaven voor de bijzondere opdrachten van het departement en ook de recurrente uitgaven voor ICT-behoeften die gepaard gaan met de administratieve verwerking van aanvragen voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers.
  Aan het fonds worden alle ontvangsten van middelen uit Europese, Vlaamse of andere bron toegewezen en ook de inkomsten van de retributie voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, die voor de financiering of cofinanciering van de lonen, salarissen, andere vergoedingen, werkingskosten en investeringskosten, toegestane projectuitgaven, de niet-recurrente uitgaven voor de bijzondere opdrachten van het departement en ook de recurrente uitgaven die gepaard gaan met de tewerkstelling van buitenlandse werknemers, vermeld in het eerste lid, 1°, 2° en 3°, worden aangeboden of toegekend.".
Art. 127. L'article 29 du même décret, modifié par le décret du 1er février 2008, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 29. Dans le présent article, on entend par département : le Département de l'Emploi, de l'Economie, des Sciences, de l'Innovation et de l'Economie sociale visé à l'article 29/1, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande.
  Un fonds tel que visé à l'article 15, § 2, du Code flamand des finances publiques du 29 mars 2019 est créé au sein du département, auquel sont affectées toutes les recettes de fonds provenant de sources européennes, flamandes ou autres, ainsi que la redevance pour l'emploi de travailleurs étrangers pour :
  1° le paiement des salaires, des traitements, d'autres indemnités pouvant résulter de la relation de travail, des frais de fonctionnement et d'investissement pour les membres du personnel du département, ou dus à des tiers pour l'emploi de personnel recruté sur la base d'un projet et avec un cofinancement européen ;
  2° le paiement des salaires, des traitements, d'autres indemnités pouvant résulter de la relation de travail, des frais de fonctionnement et d'investissement pour les membres du personnel du département, ou dus à des tiers pour l'emploi de personnel recruté pour le traitement administratif des demandes d'emploi de travailleurs étrangers ;
  3° le paiement des dépenses autorisées pour les projets, les dépenses non récurrentes pour les missions spéciales du département ainsi que les dépenses récurrentes pour les besoins en TIC liés au traitement administratif des demandes d'emploi de travailleurs étrangers.
  Toutes les recettes de fonds provenant de sources européennes, flamandes ou autres sont affectées au fonds, ainsi que les recettes de la redevance pour l'emploi de travailleurs étrangers, qui sont offertes ou affectées au financement ou au cofinancement des salaires, des traitements, d'autres indemnités, de frais de fonctionnement et d'investissement, de dépenses de projets autorisées, des dépenses non récurrentes pour les missions spéciales du département ainsi que des dépenses récurrentes liées à l'emploi de travailleurs étrangers figurant à l'alinéa 1er, 1°, 2° et 3°. ".
Afdeling 4. - Begrotingsfonds Vlaamse Codex Fiscaliteit
Section 4. - Fonds budgétaire du Code flamand de la fiscalité
Art. 128. Aan artikel 45, § 2, van het decreet van 18 december 2015 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 2016, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2019, wordt de zinsnede ", en door de middelen die de vzw ESF-Agentschap, opgericht bij het decreet van 8 november 2002 houdende de oprichting van de vzw ESF-Agentschap, bezorgt aan het departement, vermeld in paragraaf 1, om het Europees Sociaal Fonds te ondersteunen en te implementeren" toegevoegd.
Art. 128. L'article 45, § 2, du décret du 18 décembre 2015 contenant diverses mesures d'accompagnement du budget 2016, modifié par le décret du 29 mars 2019, est complété par le membre de phrase " , et par les fonds mis à disposition par l'asbl ESF-Agentschap, créée par le décret du 8 novembre 2002 portant création de l'asbl ESF-Agentschap, du département, visé au paragraphe 1er, pour soutenir et mettre en oeuvre le Fonds social européen. ".
Afdeling 5. - Opheffing van de vermindering van de socialezekerheidsbijdragen verschuldigd voor de kunstenaars
Section 5. - Suppression de la réduction des cotisations de sécurité sociale dues pour les artistes
Art. 129. In artikel 332, vierde lid, van de programmawet (I) van 24 december 2002, ingevoegd door de wet van 24 april 2014, wordt de zinsnede ", 353bis/13" opgeheven.
Art. 129. Dans l'article 332, alinéa 4, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, inséré par la loi du 24 avril 2014, le membre de phrase " , 353bis/13 " est abrogé.
Art. 130. In artikel 337, derde lid, van dezelfde wet, ingevoegd door de wet van 24 april 2014, wordt de zinsnede ", 353bis/13" opgeheven.
Art. 130. Dans l'article 337, alinéa 3, de la même loi, inséré par la loi du 24 avril 2014, le membre de phrase " , 353bis/13 " est abrogé.
Art. 131. In titel IV, hoofdstuk 7, afdeling 3, van dezelfde wet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 14 januari 2022, wordt onderafdeling 13, die bestaat uit artikel 353bis/13, opgeheven.
Art. 131. Dans le titre IV, chapitre 7, section 3, de la même loi, modifié en dernier lieu par le décret 14 janvier 2022, la sous-section 13, composée de l'article 353bis/13, est abrogée.
Afdeling 6. - Opheffing van de transitiepremie
Section 6. - Suppression de la prime de transition
Art. 132. In het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren, gewijzigd bij het decreet van 27 oktober 2023, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° hoofdstuk 1, dat bestaat uit artikel 1 tot en met 2, wordt opgeheven;
  2° hoofdstuk 2, dat bestaat uit artikel 3 tot en met 5, wordt opgeheven;
  3° hoofdstuk 3, dat bestaat uit artikel 6, wordt opgeheven;
  4° hoofdstuk 3/1, dat bestaat uit artikel 6/1 tot en met 6/4, wordt opgeheven;
  5° hoofdstuk 4, dat bestaat uit artikel 7 tot en met 8, wordt opgeheven.
Art. 132. Dans le décret du 22 décembre 2017 portant une prime pour stimuler la transition de demandeurs d'emploi à l'entrepreneuriat, modifié par le décret du 27 octobre 2023, les modifications suivantes sont apportées :
  1° Le chapitre 1er, composé des articles 1er à 2, est abrogé ;
  2° Le chapitre 2, composé des articles 3 à 5, est abrogé ;
  3° Le chapitre 3, composé de l'article 6, est abrogé ;
  4° Le chapitre 3/1, composé des articles 6/1 à 6/4, est abrogé ;
  5° Le chapitre 4, composé des articles 7 à 8, est abrogé.
Art. 133. Voor aanvragen die het Departement Werk, Economie, Wetenschap, Innovatie en Sociale Economie heeft ontvangen vóór 1 januari 2026 blijft het decreet van 22 december 2017 houdende een premie om de transitie van werkzoekenden naar ondernemerschap te stimuleren, zoals van kracht op 31 december 2025, van toepassing.
Art. 133. Le décret du 22 décembre 2017 portant une prime pour stimuler la transition de demandeurs d'emploi à l'entrepreneuriat, tel qu'en vigueur au 31 décembre 2025, continue de s'appliquer aux demandes reçues par le Département de l'Emploi, de l'Economie, des Sciences, de l'Innovation et de l'Economie sociale avant le 1er janvier 2026.
Afdeling 7. - Beperking van de hinderpremie openbare werken tot de sluitingspremie
Section 7. - Limitation de l'indemnité pour nuisances dues à des travaux publics à l'indemnité pour fermeture
Art. 134. Aan artikel 2, eerste lid, van het decreet van 15 juli 2016 houdende toekenning van een hinderpremie aan kleine ondernemingen die ernstige hinder ondervinden van openbare werken in het Vlaamse Gewest wordt een punt 3° toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "3° de-minimisverordening: verordening (EU) nr. 2023/2831 van de Commissie van 13 december 2023 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (Publicatieblad van 15 december 2023, L-serie, blz. 1-12), en de latere wijzigingen ervan.".
Art. 134. L'article 2, alinéa 1er, du décret du 15 juillet 2016 portant octroi d'une prime de nuisances aux petites entreprises sérieusement incommodées par des travaux publics en Région flamande est complété par un point 3°, rédigé comme suit :
  " 3° le règlement de minimis : règlement (UE) n° 2023/2831 de la Commission du 13 décembre 2023 relatif à l'application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne aux aides de minimis (Journal officiel du 15 décembre 2023, série L, pages 1 à 12), et ses modifications ultérieures. ".
Art. 135. Artikel 3 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Deze regelgeving valt onder de toepassing van de de-minimisverordening.".
Art. 135. L'article 3 du même décret est remplacé par ce qui suit : " Cette réglementation relève de l'application du règlement de minimis. ".
Art. 136. Artikel 4 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
  "Art. 4. De Vlaamse Regering kan binnen de perken van de begrotingskredieten een hinderpremie verlenen aan kleine ondernemingen met een vestiging in het Vlaamse Gewest onder de voorwaarden, vermeld in de de-minimisverordening, dit decreet en de uitvoeringsbesluiten.
  De vestiging van een kleine onderneming, vermeld in het eerste lid, moet gedurende een bepaalde minimale periode gesloten worden als gevolg van ernstige hinder door openbare werken. De Vlaamse Regering stelt voormelde minimale periode vast.
  In deze vestiging moeten voornamelijk activiteiten worden uitgeoefend die strekken tot de rechtstreekse verkoop van producten of het verlenen van diensten aan eindgebruikers, waarvoor persoonlijk en direct contact met de klanten vereist is, en die redelijkerwijze moeilijk kunnen worden uitgeoefend op verplaatsing. De hinderpremie wordt na de start van de ernstige hinder door openbare werken verleend.".
Art. 136. L'article 4 du même décret est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4. Le Gouvernement flamand peut, dans les limites des crédits budgétaires, accorder une indemnité pour nuisances aux petites entreprises ayant un établissement en Région flamande dans les conditions visées dans le règlement de minimis, le présent décret et les arrêtés d'exécution.
  L'établissement d'une petite entreprise visée à l'alinéa 1er, doit être fermé pendant une période minimale déterminée en raison de nuisances graves causées par des travaux publics. Le Gouvernement flamand détermine la période minimale précitée.
  Cet établissement doit principalement exercer des activités impliquant la vente directe de produits ou la prestation de services à des utilisateurs finaux, qui nécessitent un contact personnel et direct avec les clients et qui sont raisonnablement difficiles à réaliser en déplacement. L'indemnité pour nuisances est octroyée après le début des nuisances graves causées par des travaux publics. ".
Art. 137. Artikel 5 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art. 137. L'article 5 du même décret est abrogé.
Art. 138. In artikel 6 van hetzelfde decreet worden de woorden "hinderpremie B" telkens vervangen door het woord "hinderpremie".
Art. 138. Dans l'article 6 du même décret, les mots " La prime de nuisances B " sont remplacés par les mots " L'indemnité pour nuisances " et les mots " la prime de nuisances B " sont remplacés par les mots " l'indemnité pour nuisances ".
HOOFDSTUK 9. - Welzijn, Volksgezondheid en Gezin
CHAPITRE 9. - Bien-Etre, Santé publique et Famille
Afdeling 1. - Beperking van de universele participatietoeslagen tot begunstigden van de sociale toeslag
Section 1re. - Limitation des allocations de participation universelles aux bénéficiaires d'un supplément social
Art. 139. In artikel 19, eerste lid, van het Groeipakketdecreet van 2018 wordt in het eerste lid tussen het woord "kind" en het woord "geeft" de zinsnede "dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222," ingevoegd.
Art. 139. Dans l'article 19, alinéa 1er, du Décret relatif au Panier de croissance, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé à l'article 18 et à l'article 222, " est inséré entre le mot " bénéficiaire " et le mot " donne ".
Art. 140. In artikel 20, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt in het eerste lid tussen het woord "kind" en het woord "geeft" de zinsnede "dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222," ingevoegd.
Art. 140. Dans l'article 20, alinéa 1er, du même décret, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé aux articles 18 et 222, " est inséré entre le mot " bénéficiaire " et le mot " donne ".
Art. 141. In artikel 21, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt in het eerste lid tussen het woord "kind" en het woord "geeft" de zinsnede "dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222," ingevoegd.
Art. 141. Dans l'article 21, alinéa 1er, du même décret, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé aux articles 18 et 222, " est inséré entre le mot " bénéficiaire " et le mot " donne ".
Art. 142. In artikel 22, eerste lid, van hetzelfde decreet wordt in het eerste lid tussen het woord "kind" en het woord "geeft" de zinsnede "dat voor de maand juli van het jaar in kwestie recht geeft op de sociale toeslag, vermeld in artikel 18 en 222," ingevoegd.
Art. 142. Dans l'article 22, alinéa 1er, du même décret, à l'alinéa 1er, le membre de phrase " donnant droit pour le mois de juillet de l'année en question au supplément social, visé aux articles 18 et 222, " est inséré entre le mot " bénéficiaire " et le mot " donne ".
Art. 143. Aan boek 2, deel 1, titel 6, van hetzelfde decreet wordt een hoofdstuk 4 toegevoegd, dat luidt als volgt:
  "Hoofdstuk 4. Algemene bepaling".
Art. 143. Le livre 2, partie 1, titre 6, du même décret, est complété par un chapitre 4, rédigé comme suit :
  " Chapitre 4. Disposition générale ".
Art. 144. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 20 december 2024, wordt in hoofdstuk 4, toegevoegd bij artikel 143, een artikel 22/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 22/1. Als door een gelijkmatig verdeelde huisvesting de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders, wordt het bedrag van de universele participatietoeslag gehalveerd toegekend in elk rechtgevend gezin.
  Als de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind niet is bepaald of bekrachtigd door de bevoegde rechtbank, wordt ervan uitgegaan dat de huisvesting van het rechtgevende kind gelijk is verdeeld tussen de ouders of de pleegouders.
  Voor de huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind wordt uitgegaan van de woonplaats van het kind.
  In afwijking van het eerste lid blijft de vastgestelde huisvesting overeenkomstig het derde lid gelden die geldt op het moment dat het kind meerderjarig wordt.
  In afwijking van het eerste lid kan de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het meerderjarige rechtgevend kind worden bepaald op grond van een overeenkomst, waarin de al dan niet gelijkmatig verdeelde huisvesting van het rechtgevende kind uitdrukkelijk wordt bepaald, en die is geregistreerd conform artikel 1 van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten.".
Art. 144. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 20 décembre 2024, au chapitre 4, ajouté par l'article 143, est inséré un article 22/1, rédigé comme suit :
  " Art. 22/1. Si, en raison d'une répartition égale du logement, le logement de l'enfant bénéficiaire est également réparti entre les parents ou les parents d'accueil, le montant de l'allocation de participation universelle est accordé en deux parties égales à chaque ménage bénéficiaire.
  Si le logement de l'enfant bénéficiaire, réparti de manière égale ou non, n'a pas été établi ou ratifié par le tribunal compétent, le logement de l'enfant bénéficiaire est réputé être réparti de manière égale entre les parents ou les parents d'accueil.
  Pour le logement de l'enfant bénéficiaire majeur, on considère le domicile de l'enfant.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le logement établi conformément à l'alinéa 3, applicable au moment où l'enfant atteint la majorité, demeure applicable.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le logement, réparti de manière égale ou non, de l'enfant bénéficiaire majeur peut être établi sur la base d'une convention, dans laquelle le logement, réparti de manière égale ou non, de l'enfant bénéficiaire est expressément établi, et qui a été enregistrée conformément à l'article 1er du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe. ".
Art. 145. In artikel 58 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt tussen de zinsnede "vermeld in artikel 18," en de woorden "toegekend aan" de zinsnede "en de helft van de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22," ingevoegd;
  2° in paragraaf 1 worden tussen de woorden "de sociale toeslag" en het woord "voldoet" de woorden "of de universele participatietoeslag" ingevoegd;
  3° in paragraaf 2 wordt tussen de zinsnede "vermeld in artikel 18," en de woorden "toegekend aan" de zinsnede "de universele participatietoeslag, vermeld in artikel 19 tot en met 22," ingevoegd.
Art. 145. Dans l'article 58 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er, le membre de phrase " et la moitié de l'allocation de participation universelle, visée aux articles 19 à 22, " est inséré entre le membre de phrase " visé à l'article 18, " et les mots " est accordée " et les mots " est accordée " sont remplacés par les mots " sont accordées " ;
  2° au paragraphe 1er, le membre de phrase " du supplément social. " est remplacé par le membre de phrase " du supplément social ou de l'allocation de participation universelle. " ;
  3° au paragraphe 2, le membre de phrase " l'allocation de participation universelle, visée à l'article 19 à 22, " est inséré entre le membre de phrase " visé à l'article 18, " et les mots " est attribué " et les mots " est attribué " sont remplacés par les mots " sont attribués " ;
Afdeling 2. - Rekening houden met reserves bij de toekenning van subsidies
Section 2. - Prise en compte des réserves dans l'octroi de subventions
Art. 146. In afwijking van andersluidende decretale bepalingen kan, voor subsidies die binnen de begroting Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap worden verstrekt, de subsidiërende overheid de omvang van de subsidie verlagen in functie van de reserves die de ontvanger van de subsidie in de tien jaar die voorafgaan aan de uitkering van de subsidie heeft opgebouwd, met subsidies die zijn verstrekt ten laste van de begroting Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels en voorwaarden waaronder dat gebeurt. Zij houdt daarbij minstens rekening met de liquiditeiten en de reserves die vereist zijn voor de goede werking en het goed beheer van de ontvanger van de subsidie, inclusief de investeringsnoden.
  In het eerste lid wordt verstaan onder:
  1° begroting Welzijn, Volksgezondheid en Gezin van de Vlaamse Gemeenschap:
  a) voor begrotingen tot en met 2025: de programmacodes GA, GB, GC, GD, GE, GF, GG, GH en GI;
  b) voor begrotingen vanaf 2026: de programmacodes GA, GB, GC, GE, GG, GH en GI;
  2° de ontvanger van de subsidie: de eenheid die de gesubsidieerde activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd.
Art. 146. Par dérogation à toute disposition décrétale contraire, pour les subventions accordées dans le cadre du budget Bien-Etre, Santé publique et Famille de la Communauté flamande, l'autorité subventionnante peut réduire le montant de la subvention en fonction des réserves constituées par le bénéficiaire de la subvention au cours des dix années précédant le paiement de la subvention avec des subventions accordées à la charge du budget Bien-Etre, Santé publique et Famille de la Communauté flamande. Le Gouvernement flamand en arrête les modalités et conditions. Elle prend au minimum en compte les liquidités et les réserves nécessaires au bon fonctionnement et à la bonne gestion du bénéficiaire de la subvention, y compris les besoins d'investissement.
  A l'alinéa 1er, on entend par :
  1° budget Bien-Etre, Santé publique et Famille de la Communauté flamande :
  a) pour les budgets jusqu'en 2025 : les codes de programme GA, GB, GC, GD, GE, GF, GG, GH et GI ;
  b) pour les budgets à partir de 2026 : les codes de programme GA, GB, GC, GE, GG, GH et GI ;
  2° le bénéficiaire de la subvention : l'entité qui exerce l'activité subventionnée, indépendamment de sa forme juridique et de son mode de financement.
HOOFDSTUK 10. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 10. - Entrée en vigueur
Art. 147. Dit decreet treedt in werking op 1 januari 2026, met uitzondering van:
  1° artikel 18, 1°, dat in werking treedt op de dag na de bekendmaking van dit decreet in het Belgisch Staatsblad;
  2° artikel 54 en 61, die in werking treden op 1 januari 2027;
  3° artikel 129 tot en met 131, die in werking treden op 1 april 2026.
  Artikel 8, 9, 10, 12, 14 en 15 zijn van toepassing op alle authentieke schenkingsakten die worden verleend vanaf 1 januari 2026.
  Artikel 16, 17, 18, 2°, 19 en 20 zijn van toepassing op alle nalatenschappen die openvallen vanaf 1 januari 2026.
  Artikel 34 is van toepassing op verkoopovereenkomsten afgesloten vanaf 1 januari 2026.
Art. 147. Le présent décret entre en vigueur le 1er janvier 2026, à l'exception :
  1° de l'article 18, 1°, qui entre en vigueur le lendemain de la publication du présent décret au Moniteur belge.
  2° des articles 54 et 61, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2027 ;
  3° des articles 129 à 131, qui entrent en vigueur le 1er avril 2026.
  Les articles 8, 9, 10, 12, 14 et 15 s'appliquent à tous les actes authentiques de donation passés à partir du 1er janvier 2026.
  Les articles 16, 17, 18, 2°, 19 et 20 s'appliquent aux successions ouvertes à partir du 1er janvier 2026.
  L'article 34 s'applique aux contrats de vente conclus à partir du 1er janvier 2026.
Art. 148. Artikel 92 heeft uitwerking met ingang van 7 augustus 2025 en artikel 101 heeft uitwerking met ingang van 1 september 2025.
Art. 148. L'article 92 produit ses effets à partir du 7 août 2025 et l'article 101 produit ses effets à partir du 1er septembre 2025.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1.
  BIJLAGE 1 BIJ HET DECREET:
  LIJST VAN GEMEENTEN EN HUN AANDEEL ALS VERMELD IN ARTIKEL 63
  Bijlage 1. Lijst van gemeenten en hun aandeel als vermeld in artikel 63
Art. N1. Annexe 1.
  ANNEXE 1 AU DECRET :
  LISTE DES COMMUNES ET DE LEUR PART TELLE QUE VISEE A L'ARTICLE 63
  Annexe 1. Liste des communes et de leur part telle que visée à l'article 63
Gemeente Subsidiebedrag
Alveringem 187.126,81 euro
Assenede 162.979,91 euro
Bekkevoort 176.278,55 euro
Bever 203.398,75 euro
Tongeren-Borgloon 167.263,38 euro
Damme 202.430,37 euro
Diksmuide 233.456,78 euro
Pajottegem 379.677,29 euro
Geetbets 91.045,34 euro
Gingelom 224.513,52 euro
Glabbeek 93.950,48 euro
Heers 233.456,78 euro
Herstappe 3.632,59 euro
Heuvelland 233.456,78 euro
Hoegaarden 143.348,07 euro
Hoogstraten 233.456,78 euro
Horebeke 95.888,17 euro
Houthulst 201.074,46 euro
Kaprijke 58.649,01 euro
Aalter 85.795,37 euro
Koekelare 165.914,93 euro
Kortemark 154.582,94 euro
Kortenaken 152.064,41 euro
Langemark-Poelkapelle 136.567,55 euro
Linter 127.850,27 euro
Lo-Reninge 134.146,13 euro
Maarkedal 170.119,02 euro
Oudsbergen 233.456,78 euro
Merksplas 71.674,03 euro
Mesen 9.995,69 euro
Lokeren 89.592,31 euro
Peer 233.456,78 euro
Pepingen 140.442,00 euro
Pittem 99.762,62 euro
Poperinge 233.456,78 euro
Ravels 195.553,67 euro
Sint-Laureins 203.398,75 euro
Spiere-Helkijn 68.477,54 euro
Veurne 219.380,27 euro
Vleteren 98.561,72 euro
Voeren 193.713,10 euro
Wingene 273.522,63 euro
Wortegem-Petegem 124.718,21 euro
Lievegem 92.839,22 euro
Zonnebeke 174.438,91 euro
Zoutleeuw 149.159,27 euro
Zuienkerke 115.259,48 euro
TOTAAL 7.472.984,20 euro
Gemeente Subsidiebedrag Alveringem 187.126,81 euro Assenede 162.979,91 euro Bekkevoort 176.278,55 euro Bever 203.398,75 euro Tongeren-Borgloon 167.263,38 euro Damme 202.430,37 euro Diksmuide 233.456,78 euro Pajottegem 379.677,29 euro Geetbets 91.045,34 euro Gingelom 224.513,52 euro Glabbeek 93.950,48 euro Heers 233.456,78 euro Herstappe 3.632,59 euro Heuvelland 233.456,78 euro Hoegaarden 143.348,07 euro Hoogstraten 233.456,78 euro Horebeke 95.888,17 euro Houthulst 201.074,46 euro Kaprijke 58.649,01 euro Aalter 85.795,37 euro Koekelare 165.914,93 euro Kortemark 154.582,94 euro Kortenaken 152.064,41 euro Langemark-Poelkapelle 136.567,55 euro Linter 127.850,27 euro Lo-Reninge 134.146,13 euro Maarkedal 170.119,02 euro Oudsbergen 233.456,78 euro Merksplas 71.674,03 euro Mesen 9.995,69 euro Lokeren 89.592,31 euro Peer 233.456,78 euro Pepingen 140.442,00 euro Pittem 99.762,62 euro Poperinge 233.456,78 euro Ravels 195.553,67 euro Sint-Laureins 203.398,75 euro Spiere-Helkijn 68.477,54 euro Veurne 219.380,27 euro Vleteren 98.561,72 euro Voeren 193.713,10 euro Wingene 273.522,63 euro Wortegem-Petegem 124.718,21 euro Lievegem 92.839,22 euro Zonnebeke 174.438,91 euro Zoutleeuw 149.159,27 euro Zuienkerke 115.259,48 euro TOTAAL 7.472.984,20 euro
commune montant de la subvention
Alveringem 187 126,81 euros
Assenede 162 979,91 euros
Bekkevoort 176 278,55 euros
Biévène 203 398,75 euros
Tongres-Looz 167 263,38 euros
Damme 202 430,37 euros
Dixmude 233 456,78 euros
Pajottegem 379 677,29 euros
Geetbets 91 045,34 euros
Gingelom 224 513,52 euros
Glabbeek 93 950,48 euros
Heers 233 456,78 euros
Herstappe 3 632,59 euros
Heuvelland 233 456,78 euros
Hoegaarden 143 348,07 euros
Hoogstraten 233 456,78 euros
Horebeke 95 888,17 euros
Houthulst 201 074,46 euros
Kaprijke 58 649,01 euros
Aalter 85 795,37 euros
Koekelare 165 914,93 euros
Kortemark 154 582,94 euros
Kortenaken 152 064,41 euros
Langemark-Poelkapelle 136 567,55 euros
Linter 127 850,27 euros
Lo-Reninge 134 146,13 euros
Maarkedal 170 119,02 euros
Oudsbergen 233 456,78 euros
Merksplas 71 674,03 euros
Messines 9 995,69 euros
Lokeren 89 592,31 euros
Peer 233 456,78 euros
Pepingen 140 442,00 euros
Pittem 99 762,62 euros
Poperinge 233 456,78 euros
Ravels 195 553,67 euros
Sint-Laureins 203 398,75 euros
Espierres-Helchin 68 477,54 euros
Furnes 219 380,27 euros
Vleteren 98 561,72 euros
Fourons 193 713,10 euros
Wingene 273 522,63 euros
Wortegem-Petegem 124 718,21 euros
Lievegem 92 839,22 euros
Zonnebeke 174 438,91 euros
Léau 149 159,27 euros
Zuienkerke 115 259,48 euros
TOTAL 7 472 984,20 euros
commune montant de la subvention Alveringem 187 126,81 euros Assenede 162 979,91 euros Bekkevoort 176 278,55 euros Biévène 203 398,75 euros Tongres-Looz 167 263,38 euros Damme 202 430,37 euros Dixmude 233 456,78 euros Pajottegem 379 677,29 euros Geetbets 91 045,34 euros Gingelom 224 513,52 euros Glabbeek 93 950,48 euros Heers 233 456,78 euros Herstappe 3 632,59 euros Heuvelland 233 456,78 euros Hoegaarden 143 348,07 euros Hoogstraten 233 456,78 euros Horebeke 95 888,17 euros Houthulst 201 074,46 euros Kaprijke 58 649,01 euros Aalter 85 795,37 euros Koekelare 165 914,93 euros Kortemark 154 582,94 euros Kortenaken 152 064,41 euros Langemark-Poelkapelle 136 567,55 euros Linter 127 850,27 euros Lo-Reninge 134 146,13 euros Maarkedal 170 119,02 euros Oudsbergen 233 456,78 euros Merksplas 71 674,03 euros Messines 9 995,69 euros Lokeren 89 592,31 euros Peer 233 456,78 euros Pepingen 140 442,00 euros Pittem 99 762,62 euros Poperinge 233 456,78 euros Ravels 195 553,67 euros Sint-Laureins 203 398,75 euros Espierres-Helchin 68 477,54 euros Furnes 219 380,27 euros Vleteren 98 561,72 euros Fourons 193 713,10 euros Wingene 273 522,63 euros Wortegem-Petegem 124 718,21 euros Lievegem 92 839,22 euros Zonnebeke 174 438,91 euros Léau 149 159,27 euros Zuienkerke 115 259,48 euros TOTAL 7 472 984,20 euros
Art. N2. Bijlage 2.
  BIJLAGE 2 BIJ HET DECREET:
  AANDELEN VAN DE GEMEENTEN IN HET SUBSIDIEBEDRAG TER ONDERSTEUNING VAN EEN LOKAAL SOCIALE-ECONOMIEBELEID ALS VERMELD IN ARTIKEL 116
  Bijlage 2. Aandelen van de gemeenten in het subsidiebedrag ter ondersteuning van een lokaal sociale-economiebeleid, als vermeld in artikel 116
Art. N2. Annexe 2.
  ANNEXE 2 AU DECRET :
  LISTE DES PARTS DES COMMUNES DANS LE MONTANT DE SUBVENTION EN SOUTIEN A UNE POLITIQUE LOCALE EN MATIERE D'ECONOMIE SOCIALE TELLE QUE VISEE A L'ARTICLE 116
  Annexe 2. Liste des parts des communes dans le montant de subvention en soutien à une politique locale en matière d'économie sociale telle que visée à l'article 116
Gemeente Subsidie (in euro)
Aalst 252.432,54
Aalter 40.502,98
Aarschot 59.274,76
Aartselaar 26.742,46
Affligem 24.352,75
Alken 28.470,45
Alveringem 19.951,15
Antwerpen 2.318.145,20
Anzegem 27.370,27
Ardooie 22.785,00
Arendonk 36.615,98
As 25.162,58
Asse 68.230,00
Assenede 32.016,57
Avelgem 25.914,48
Baarle-Hertog 20.618,50
Balen 45.197,86
Beernem 32.232,88
Beerse 36.036,21
Beersel 40.231,28
Begijnendijk 22.495,85
Bekkevoort 25.619,00
Beringen 188.922,22
Berlaar 30.808,79
Berlare 31.342,38
Bertem 23.663,23
Bever 16.694,07
Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht 141.419,31
Bierbeek 26.725,34
Bilzen-Hoeselt 74.900,46
Blankenberge 55.019,94
Bocholt 32.656,20
Boechout 30.150,66
Bonheiden 31.808,62
Boom 44.206,42
Boortmeerbeek 25.206,12
Bornem 40.139,17
Boutersem 21.679,89
Brakel 28.865,80
Brasschaat 63.143,19
Brecht 48.771,61
Bredene 37.965,97
Bree 38.670,59
Brugge 226.591,99
Buggenhout 29.001,17
Damme 25.470,98
De Haan 28.891,24
De Panne 29.568,98
Deerlijk 25.913,25
Deinze 65.572,29
Denderleeuw 39.545,55
Dendermonde 86.405,44
Dentergem 20.762,37
Dessel 28.546,29
Destelbergen 29.642,51
Diepenbeek 42.015,02
Diest 55.480,12
Diksmuide 35.291,64
Dilbeek 90.292,38
Dilsen-Stokkem 53.047,53
Drogenbos 18.781,68
Duffel 37.817,34
Edegem 39.772,00
Eeklo 58.860,75
Erpe-Mere 37.325,40
Essen 41.844,34
Evergem 50.875,60
Gavere 25.680,11
Geel 93.489,02
Geetbets 23.285,71
Genk 359.460,56
Gent 1.098.841,80
Geraardsbergen 74.720,39
Gingelom 23.770,76
Gistel 28.349,90
Glabbeek 18.730,06
Grimbergen 61.352,57
Grobbendonk 27.838,79
Haacht 30.974,18
Haaltert 32.251,16
Halen 26.529,42
Halle 162.446,75
Hamme 49.165,50
Hamont-Achel 43.748,77
Harelbeke 55.402,96
Hasselt 189.893,20
Hechtel-Eksel 33.594,44
Heers 24.478,62
Heist-op-den-Berg 65.179,89
Hemiksem 27.626,31
Herent 39.446,93
Herentals 67.293,78
Herenthout 26.208,54
Herk-de-Stad 29.762,59
Herselt 31.846,91
Herstappe 14.603,12
Herzele 33.365,97
Heusden-Zolder 203.813,22
Heuvelland 23.561,93
Hoegaarden 22.541,30
Hoeilaart 25.028,02
Holsbeek 23.276,00
Hooglede 25.250,09
Hoogstraten 60.638,51
Horebeke 15.090,88
Houthalen-Helchteren 59.297,16
Houthulst 26.042,44
Hove 18.387,07
Huldenberg 22.184,69
Hulshout 26.050,97
Ichtegem 29.063,77
Ieper 84.578,16
Ingelmunster 25.829,39
Izegem 53.825,99
Jabbeke 24.759,01
Kalmthout 37.262,87
Kampenhout 23.070,34
Kapellen 45.440,31
Kapelle-op-den-Bos 22.536,76
Kaprijke 20.298,65
Kasterlee 37.986,69
Keerbergen 24.869,68
Kinrooi 37.729,57
Kluisbergen 21.346,89
Knokke-Heist 49.924,48
Koekelare 21.108,77
Koksijde 35.715,71
Kontich 37.442,11
Kortemark 26.120,98
Kortenaken 20.825,87
Kortenberg 36.009,93
Kortrijk 188.500,61
Kraainem 29.975,70
Kruisem 26.316,92
Kuurne 29.869,96
Laakdal 33.482,29
Laarne 25.784,87
Lanaken 64.505,47
Landen 35.843,86
Langemark-Poelkapelle 23.207,14
Lebbeke 32.919,32
Lede 36.390,43
Ledegem 22.060,93
Lendelede 19.725,40
Lennik 24.160,26
Leopoldsburg 38.865,71
Leuven 420.498,30
Lichtervelde 22.261,01
Liedekerke 26.740,88
Lier 91.850,73
Lierde 20.725,53
Lievegem 40.950,81
Lille 37.206,20
Linkebeek 18.847,09
Lint 20.175,72
Linter 21.760,25
Lochristi 45.388,46
Lokeren 88.919,29
Lommel 74.392,93
Londerzeel 33.329,50
Lo-Reninge 17.167,01
Lubbeek 26.444,06
Lummen 31.559,22
Maarkedal 18.535,41
Maaseik 57.345,63
Maasmechelen 227.768,99
Machelen 38.095,67
Maldegem 45.811,86
Malle 33.719,00
Mechelen 234.547,67
Meerhout 26.699,10
Meise 30.320,54
Menen 74.382,89
Merchtem 32.561,80
Merelbeke-Melle 56.388,69
Merksplas 29.486,45
Mesen 15.719,56
Middelkerke 40.220,07
Mol 77.551,91
Moorslede 31.226,45
Mortsel 238.149,02
Nazareth-De Pinte 35.382,30
Niel 21.700,71
Nieuwerkerken 24.279,36
Nieuwpoort 32.353,31
Nijlen 39.146,21
Ninove 68.874,41
Olen 30.062,84
Oostende 214.777,89
Oosterzele 24.678,68
Oostkamp 35.607,47
Oostrozebeke 21.188,58
Opwijk 27.298,35
Oudenaarde 67.275,64
Oudenburg 25.037,50
Oud-Heverlee 23.924,42
Oudsbergen 42.387,75
Oud-Turnhout 33.965,27
Overijse 37.226,84
Pajottegem 37.451,00
Peer 45.450,56
Pelt 72.371,48
Pepingen 17.999,24
Pittem 20.828,32
Poperinge 39.326,16
Putte 31.777,74
Puurs-Sint-Amands 89.035,81
Ranst 33.303,61
Ravels 46.939,38
Retie 31.804,94
Riemst 39.920,74
Rijkevorsel 29.653,58
Roeselare 147.797,22
Ronse 77.096,79
Roosdaal 22.614,73
Rotselaar 30.027,19
Rumst 28.103,96
Schelle 20.294,20
Scherpenheuvel-Zichem 43.622,63
Schilde 31.372,68
Schoten 92.338,90
Sint-Genesius-Rode 32.115,88
Sint-Gillis-Waas 38.366,95
Sint-Katelijne-Waver 36.387,43
Sint-Laureins 22.788,90
Sint-Lievens-Houtem 24.425,31
Sint-Martens-Latem 19.847,20
Sint-Niklaas 199.818,71
Sint-Pieters-Leeuw 58.459,61
Sint-Truiden 156.028,15
Spiere-Helkijn 17.307,60
Stabroek 34.480,95
Staden 29.233,81
Steenokkerzeel 24.064,62
Stekene 38.997,37
Temse 61.267,21
Ternat 30.998,54
Tervuren 43.126,48
Tessenderlo-Ham 51.496,68
Tielt 53.420,50
Tielt-Winge 26.499,20
Tienen 86.412,34
Tongeren-Borgloon 101.029,26
Torhout 43.224,02
Tremelo 26.598,93
Turnhout 155.021,33
Veurne 29.977,06
Vilvoorde 116.896,67
Vleteren 17.188,16
Voeren 20.788,08
Vorselaar 24.243,21
Vosselaar 26.177,68
Waasmunster 26.408,22
Waregem 66.699,11
Wellen 22.126,16
Wemmel 36.267,94
Wervik 43.141,42
Westerlo 45.229,60
Wetteren 58.283,03
Wevelgem 48.045,22
Wezembeek-Oppem 29.320,85
Wichelen 27.626,57
Wielsbeke 23.348,94
Wijnegem 26.452,82
Willebroek 66.600,08
Wingene 33.726,67
Wommelgem 38.687,12
Wortegem-Petegem 19.725,44
Wuustwezel 44.251,44
Zandhoven 27.729,96
Zaventem 69.193,10
Zedelgem 32.286,53
Zele 50.794,74
Zelzate 38.502,43
Zemst 32.673,92
Zoersel 35.900,89
Zonhoven 36.087,80
Zonnebeke 27.136,84
Zottegem 48.874,70
Zoutleeuw 24.130,74
Zuienkerke 16.828,81
Zulte 29.975,96
Zutendaal 74.162,49
Zwalm 22.424,32
Zwevegem 71.287,12
Gemeente Subsidie (in euro) Aalst 252.432,54 Aalter 40.502,98 Aarschot 59.274,76 Aartselaar 26.742,46 Affligem 24.352,75 Alken 28.470,45 Alveringem 19.951,15 Antwerpen 2.318.145,20 Anzegem 27.370,27 Ardooie 22.785,00 Arendonk 36.615,98 As 25.162,58 Asse 68.230,00 Assenede 32.016,57 Avelgem 25.914,48 Baarle-Hertog 20.618,50 Balen 45.197,86 Beernem 32.232,88 Beerse 36.036,21 Beersel 40.231,28 Begijnendijk 22.495,85 Bekkevoort 25.619,00 Beringen 188.922,22 Berlaar 30.808,79 Berlare 31.342,38 Bertem 23.663,23 Bever 16.694,07 Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht 141.419,31 Bierbeek 26.725,34 Bilzen-Hoeselt 74.900,46 Blankenberge 55.019,94 Bocholt 32.656,20 Boechout 30.150,66 Bonheiden 31.808,62 Boom 44.206,42 Boortmeerbeek 25.206,12 Bornem 40.139,17 Boutersem 21.679,89 Brakel 28.865,80 Brasschaat 63.143,19 Brecht 48.771,61 Bredene 37.965,97 Bree 38.670,59 Brugge 226.591,99 Buggenhout 29.001,17 Damme 25.470,98 De Haan 28.891,24 De Panne 29.568,98 Deerlijk 25.913,25 Deinze 65.572,29 Denderleeuw 39.545,55 Dendermonde 86.405,44 Dentergem 20.762,37 Dessel 28.546,29 Destelbergen 29.642,51 Diepenbeek 42.015,02 Diest 55.480,12 Diksmuide 35.291,64 Dilbeek 90.292,38 Dilsen-Stokkem 53.047,53 Drogenbos 18.781,68 Duffel 37.817,34 Edegem 39.772,00 Eeklo 58.860,75 Erpe-Mere 37.325,40 Essen 41.844,34 Evergem 50.875,60 Gavere 25.680,11 Geel 93.489,02 Geetbets 23.285,71 Genk 359.460,56 Gent 1.098.841,80 Geraardsbergen 74.720,39 Gingelom 23.770,76 Gistel 28.349,90 Glabbeek 18.730,06 Grimbergen 61.352,57 Grobbendonk 27.838,79 Haacht 30.974,18 Haaltert 32.251,16 Halen 26.529,42 Halle 162.446,75 Hamme 49.165,50 Hamont-Achel 43.748,77 Harelbeke 55.402,96 Hasselt 189.893,20 Hechtel-Eksel 33.594,44 Heers 24.478,62 Heist-op-den-Berg 65.179,89 Hemiksem 27.626,31 Herent 39.446,93 Herentals 67.293,78 Herenthout 26.208,54 Herk-de-Stad 29.762,59 Herselt 31.846,91 Herstappe 14.603,12 Herzele 33.365,97 Heusden-Zolder 203.813,22 Heuvelland 23.561,93 Hoegaarden 22.541,30 Hoeilaart 25.028,02 Holsbeek 23.276,00 Hooglede 25.250,09 Hoogstraten 60.638,51 Horebeke 15.090,88 Houthalen-Helchteren 59.297,16 Houthulst 26.042,44 Hove 18.387,07 Huldenberg 22.184,69 Hulshout 26.050,97 Ichtegem 29.063,77 Ieper 84.578,16 Ingelmunster 25.829,39 Izegem 53.825,99 Jabbeke 24.759,01 Kalmthout 37.262,87 Kampenhout 23.070,34 Kapellen 45.440,31 Kapelle-op-den-Bos 22.536,76 Kaprijke 20.298,65 Kasterlee 37.986,69 Keerbergen 24.869,68 Kinrooi 37.729,57 Kluisbergen 21.346,89 Knokke-Heist 49.924,48 Koekelare 21.108,77 Koksijde 35.715,71 Kontich 37.442,11 Kortemark 26.120,98 Kortenaken 20.825,87 Kortenberg 36.009,93 Kortrijk 188.500,61 Kraainem 29.975,70 Kruisem 26.316,92 Kuurne 29.869,96 Laakdal 33.482,29 Laarne 25.784,87 Lanaken 64.505,47 Landen 35.843,86 Langemark-Poelkapelle 23.207,14 Lebbeke 32.919,32 Lede 36.390,43 Ledegem 22.060,93 Lendelede 19.725,40 Lennik 24.160,26 Leopoldsburg 38.865,71 Leuven 420.498,30 Lichtervelde 22.261,01 Liedekerke 26.740,88 Lier 91.850,73 Lierde 20.725,53 Lievegem 40.950,81 Lille 37.206,20 Linkebeek 18.847,09 Lint 20.175,72 Linter 21.760,25 Lochristi 45.388,46 Lokeren 88.919,29 Lommel 74.392,93 Londerzeel 33.329,50 Lo-Reninge 17.167,01 Lubbeek 26.444,06 Lummen 31.559,22 Maarkedal 18.535,41 Maaseik 57.345,63 Maasmechelen 227.768,99 Machelen 38.095,67 Maldegem 45.811,86 Malle 33.719,00 Mechelen 234.547,67 Meerhout 26.699,10 Meise 30.320,54 Menen 74.382,89 Merchtem 32.561,80 Merelbeke-Melle 56.388,69 Merksplas 29.486,45 Mesen 15.719,56 Middelkerke 40.220,07 Mol 77.551,91 Moorslede 31.226,45 Mortsel 238.149,02 Nazareth-De Pinte 35.382,30 Niel 21.700,71 Nieuwerkerken 24.279,36 Nieuwpoort 32.353,31 Nijlen 39.146,21 Ninove 68.874,41 Olen 30.062,84 Oostende 214.777,89 Oosterzele 24.678,68 Oostkamp 35.607,47 Oostrozebeke 21.188,58 Opwijk 27.298,35 Oudenaarde 67.275,64 Oudenburg 25.037,50 Oud-Heverlee 23.924,42 Oudsbergen 42.387,75 Oud-Turnhout 33.965,27 Overijse 37.226,84 Pajottegem 37.451,00 Peer 45.450,56 Pelt 72.371,48 Pepingen 17.999,24 Pittem 20.828,32 Poperinge 39.326,16 Putte 31.777,74 Puurs-Sint-Amands 89.035,81 Ranst 33.303,61 Ravels 46.939,38 Retie 31.804,94 Riemst 39.920,74 Rijkevorsel 29.653,58 Roeselare 147.797,22 Ronse 77.096,79 Roosdaal 22.614,73 Rotselaar 30.027,19 Rumst 28.103,96 Schelle 20.294,20 Scherpenheuvel-Zichem 43.622,63 Schilde 31.372,68 Schoten 92.338,90 Sint-Genesius-Rode 32.115,88 Sint-Gillis-Waas 38.366,95 Sint-Katelijne-Waver 36.387,43 Sint-Laureins 22.788,90 Sint-Lievens-Houtem 24.425,31 Sint-Martens-Latem 19.847,20 Sint-Niklaas 199.818,71 Sint-Pieters-Leeuw 58.459,61 Sint-Truiden 156.028,15 Spiere-Helkijn 17.307,60 Stabroek 34.480,95 Staden 29.233,81 Steenokkerzeel 24.064,62 Stekene 38.997,37 Temse 61.267,21 Ternat 30.998,54 Tervuren 43.126,48 Tessenderlo-Ham 51.496,68 Tielt 53.420,50 Tielt-Winge 26.499,20 Tienen 86.412,34 Tongeren-Borgloon 101.029,26 Torhout 43.224,02 Tremelo 26.598,93 Turnhout 155.021,33 Veurne 29.977,06 Vilvoorde 116.896,67 Vleteren 17.188,16 Voeren 20.788,08 Vorselaar 24.243,21 Vosselaar 26.177,68 Waasmunster 26.408,22 Waregem 66.699,11 Wellen 22.126,16 Wemmel 36.267,94 Wervik 43.141,42 Westerlo 45.229,60 Wetteren 58.283,03 Wevelgem 48.045,22 Wezembeek-Oppem 29.320,85 Wichelen 27.626,57 Wielsbeke 23.348,94 Wijnegem 26.452,82 Willebroek 66.600,08 Wingene 33.726,67 Wommelgem 38.687,12 Wortegem-Petegem 19.725,44 Wuustwezel 44.251,44 Zandhoven 27.729,96 Zaventem 69.193,10 Zedelgem 32.286,53 Zele 50.794,74 Zelzate 38.502,43 Zemst 32.673,92 Zoersel 35.900,89 Zonhoven 36.087,80 Zonnebeke 27.136,84 Zottegem 48.874,70 Zoutleeuw 24.130,74 Zuienkerke 16.828,81 Zulte 29.975,96 Zutendaal 74.162,49 Zwalm 22.424,32 Zwevegem 71.287,12
Gezien om gevoegd te worden bij het programmadecreet van 19 december 2025 bij de begroting 2026.
Commune Subvention (en euros)
Alost 252 432,54
Aalter 40 502,98
Aarschot 59 274,76
Aartselaar 26 742,46
Affligem 24 352,75
Alken 28 470,45
Alveringem 19 951,15
Anvers 2 318 145,20
Anzegem 27 370,27
Ardooie 22 785,00
Arendonk 36 615,98
As 25 162,58
Asse 68 230,00
Assenede 32 016,57
Avelgem 25 914,48
Baerle-Duc 20 618,50
Baelen 45 197,86
Beernem 32 232,88
Beerse 36 036,21
Beersel 40 231,28
Begijnendijk 22 495,85
Bekkevoort 25 619,00
Beringen 188 922,22
Berlaar 30 808,79
Berlare 31 342,38
Bertem 23 663,23
Biévène 16 694,07
Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht 141 419,31
Bierbeek 26 725,34
Bilzen-Hoeselt 74 900,46
Blankenberge 55 019,94
Bocholt 32 656,20
Boechout 30 150,66
Bonheiden 31 808,62
Boom 44 206,42
Boortmeerbeek 25 206,12
Bornem 40 139,17
Boutersem 21 679,89
Brakel 28 865,80
Brasschaat 63 143,19
Brecht 48 771,61
Bredene 37 965,97
Bree 38 670,59
Bruges 226 591,99
Buggenhout 29 001,17
Damme 25 470,98
Coq-sur-Mer 28 891,24
La Panne 29 568,98
Deerlijk 25 913,25
Deinze 65 572,29
Denderleeuw 39 545,55
Termonde 86 405,44
Dentergem 20 762,37
Dessel 28 546,29
Destelbergen 29 642,51
Diepenbeek 42 015,02
Diest 55 480,12
Dixmude 35 291,64
Dilbeek 90 292,38
Dilsen-Stokkem 53 047,53
Drogenbos 18 781,68
Duffel 37 817,34
Edegem 39 772,00
Eeklo 58 860,75
Erpe-Mere 37 325,40
Essen 41 844,34
Evergem 50 875,60
Gavere 25 680,11
Geel 93 489,02
Geetbets 23 285,71
Genk 359 460,56
Gand 1 098 841,80
Grammont 74 720,39
Gingelom 23 770,76
Gistel 28 349,90
Glabbeek 18 730,06
Grimbergen 61 352,57
Grobbendonk 27 838,79
Haacht 30 974,18
Haaltert 32 251,16
Halen 26 529,42
Hal 162 446,75
Hamme 49 165,50
Hamont-Achel 43 748,77
Harelbeke 55 402,96
Hasselt 189 893,20
Hechtel-Eksel 33 594,44
Heers 24 478,62
Heist-op-den-Berg 65 179,89
Hemiksem 27 626,31
Herent 39 446,93
Herentals 67 293,78
Herenthout 26 208,54
Herck-la-Ville 29 762,59
Herselt 31 846,91
Herstappe 14 603,12
Herzele 33 365,97
Heusden-Zolder 203 813,22
Heuvelland 23 561,93
Hoegaarden 22 541,30
Hoeilaart 25 028,02
Holsbeek 23 276,00
Hooglede 25 250,09
Hoogstraten 60 638,51
Horebeke 15 090,88
Houthalen-Helchteren 59 297,16
Houthulst 26 042,44
Hoves 18 387,07
Huldenberg 22 184,69
Hulshout 26 050,97
Ichtegem 29 063,77
Ypres 84 578,16
Ingelmunster 25 829,39
Izegem 53 825,99
Jabbeke 24 759,01
Kalmthout 37 262,87
Kampenhout 23 070,34
Kapellen 45 440,31
Kapelle-op-den-Bos 22 536,76
Kaprijke 20 298,65
Kasterlee 37 986,69
Keerbergen 24 869,68
Kinrooi 37 729,57
Kluisbergen 21 346,89
Knokke-Heist 49 924,48
Koekelare 21 108,77
Coxyde 35 715,71
Kontich 37 442,11
Kortemark 26 120,98
Kortenaken 20 825,87
Kortenberg 36 009,93
Courtrai 188 500,61
Kraainem 29 975,70
Kruisem 26 316,92
Kuurne 29 869,96
Laakdal 33 482,29
Laarne 25 784,87
Lanaken 64 505,47
Landen 35 843,86
Langemark-Poelkapelle 23 207,14
Lebbeke 32 919,32
Lede 36 390,43
Ledegem 22 060,93
Lendelede 19 725,40
Lennik 24 160,26
Bourg-Léopold 38 865,71
Louvain 420 498,30
Lichtervelde 22 261,01
Liedekerke 26 740,88
Lierre 91 850,73
Lierde 20 725,53
Lievegem 40 950,81
Lille 37 206,20
Linkebeek 18 847,09
Lint 20 175,72
Linter 21 760,25
Lochristi 45 388,46
Lokeren 88 919,29
Lommel 74 392,93
Londerzeel 33 329,50
Lo-Reninge 17 167,01
Lubbeek 26 444,06
Lummen 31 559,22
Maarkedal 18 535,41
Maaseik 57 345,63
Maasmechelen 227 768,99
Machelen 38 095,67
Maldegem 45 811,86
Malle 33 719,00
Malines 234 547,67
Meerhout 26 699,10
Meise 30 320,54
Menin 74 382,89
Merchtem 32 561,80
Merelbeke-Melle 56 388,69
Merksplas 29 486,45
Messines 15 719,56
Middelkerke 40 220,07
Mol 77 551,91
Moorslede 31 226,45
Mortsel 238 149,02
Nazareth-De Pinte 35 382,30
Niel 21 700,71
Nieuwerkerken 24 279,36
Nieuport 32 353,31
Nijlen 39 146,21
Ninove 68 874,41
Olen 30 062,84
Ostende 214 777,89
Oosterzele 24 678,68
Oostkamp 35 607,47
Oostrozebeke 21 188,58
Opwijk 27 298,35
Audenarde 67 275,64
Oudenburg 25 037,50
Oud-Heverlee 23 924,42
Oudsbergen 42 387,75
Oud-Turnhout 33 965,27
Overijse 37 226,84
Pajottegem 37 451,00
Peer 45 450,56
Pelt 72 371,48
Pepingen 17 999,24
Pittem 20 828,32
Poperinge 39 326,16
Putte 31 777,74
Puurs-Sint-Amands 89 035,81
Ranst 33 303,61
Ravels 46 939,38
Retie 31 804,94
Riemst 39 920,74
Rijkevorsel 29 653,58
Roulers 147 797,22
Renaix 77 096,79
Roosdaal 22 614,73
Rotselaar 30 027,19
Rumst 28 103,96
Schelle 20 294,20
Montaigu-Zichem 43 622,63
Schilde 31 372,68
Schoten 92 338,90
Rhode-Saint-Genèse 32 115,88
Sint-Gillis-Waas 38 366,95
Sint-Katelijne-Waver 36 387,43
Sint-Laureins 22 788,90
Sint-Lievens-Houtem 24 425,31
Sint-Martens-Latem 19 847,20
Saint-Nicolas 199 818,71
Sint-Pieters-Leeuw 58 459,61
Saint-Trond 156 028,15
Espierres-Helchin 17 307,60
Stabroek 34 480,95
Staden 29 233,81
Steenokkerzeel 24 064,62
Stekene 38 997,37
Tamise 61 267,21
Ternat 30 998,54
Tervuren 43 126,48
Tessenderlo-Ham 51 496,68
Tielt 53 420,50
Tielt-Winge 26 499,20
Tirlemont 86 412,34
Tongres-Looz 101 029,26
Torhout 43 224,02
Tremelo 26 598,93
Turnhout 155 021,33
Furnes 29 977,06
Vilvorde 116 896,67
Vleteren 17 188,16
Fourons 20 788,08
Vorselaar 24 243,21
Vosselaar 26 177,68
Waasmunster 26 408,22
Waregem 66 699,11
Wellen 22 126,16
Wemmel 36 267,94
Wervik 43 141,42
Westerlo 45 229,60
Wetteren 58 283,03
Wevelgem 48 045,22
Wezembeek-Oppem 29 320,85
Wichelen 27 626,57
Wielsbeke 23 348,94
Wijnegem 26 452,82
Willebroek 66 600,08
Wingene 33 726,67
Wommelgem 38 687,12
Wortegem-Petegem 19 725,44
Wuustwezel 44 251,44
Zandhoven 27 729,96
Zaventem 69 193,10
Zedelgem 32 286,53
Zele 50 794,74
Zelzate 38 502,43
Zemst 32 673,92
Zoersel 35 900,89
Zonhoven 36 087,80
Zonnebeke 27 136,84
Zottegem 48 874,70
Léau 24 130,74
Zuienkerke 16 828,81
Zulte 29 975,96
Zutendaal 74 162,49
Zwalin 22 424,32
Zwevegem 71 287,12
Commune Subvention (en euros) Alost 252 432,54 Aalter 40 502,98 Aarschot 59 274,76 Aartselaar 26 742,46 Affligem 24 352,75 Alken 28 470,45 Alveringem 19 951,15 Anvers 2 318 145,20 Anzegem 27 370,27 Ardooie 22 785,00 Arendonk 36 615,98 As 25 162,58 Asse 68 230,00 Assenede 32 016,57 Avelgem 25 914,48 Baerle-Duc 20 618,50 Baelen 45 197,86 Beernem 32 232,88 Beerse 36 036,21 Beersel 40 231,28 Begijnendijk 22 495,85 Bekkevoort 25 619,00 Beringen 188 922,22 Berlaar 30 808,79 Berlare 31 342,38 Bertem 23 663,23 Biévène 16 694,07 Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht 141 419,31 Bierbeek 26 725,34 Bilzen-Hoeselt 74 900,46 Blankenberge 55 019,94 Bocholt 32 656,20 Boechout 30 150,66 Bonheiden 31 808,62 Boom 44 206,42 Boortmeerbeek 25 206,12 Bornem 40 139,17 Boutersem 21 679,89 Brakel 28 865,80 Brasschaat 63 143,19 Brecht 48 771,61 Bredene 37 965,97 Bree 38 670,59 Bruges 226 591,99 Buggenhout 29 001,17 Damme 25 470,98 Coq-sur-Mer 28 891,24 La Panne 29 568,98 Deerlijk 25 913,25 Deinze 65 572,29 Denderleeuw 39 545,55 Termonde 86 405,44 Dentergem 20 762,37 Dessel 28 546,29 Destelbergen 29 642,51 Diepenbeek 42 015,02 Diest 55 480,12 Dixmude 35 291,64 Dilbeek 90 292,38 Dilsen-Stokkem 53 047,53 Drogenbos 18 781,68 Duffel 37 817,34 Edegem 39 772,00 Eeklo 58 860,75 Erpe-Mere 37 325,40 Essen 41 844,34 Evergem 50 875,60 Gavere 25 680,11 Geel 93 489,02 Geetbets 23 285,71 Genk 359 460,56 Gand 1 098 841,80 Grammont 74 720,39 Gingelom 23 770,76 Gistel 28 349,90 Glabbeek 18 730,06 Grimbergen 61 352,57 Grobbendonk 27 838,79 Haacht 30 974,18 Haaltert 32 251,16 Halen 26 529,42 Hal 162 446,75 Hamme 49 165,50 Hamont-Achel 43 748,77 Harelbeke 55 402,96 Hasselt 189 893,20 Hechtel-Eksel 33 594,44 Heers 24 478,62 Heist-op-den-Berg 65 179,89 Hemiksem 27 626,31 Herent 39 446,93 Herentals 67 293,78 Herenthout 26 208,54 Herck-la-Ville 29 762,59 Herselt 31 846,91 Herstappe 14 603,12 Herzele 33 365,97 Heusden-Zolder 203 813,22 Heuvelland 23 561,93 Hoegaarden 22 541,30 Hoeilaart 25 028,02 Holsbeek 23 276,00 Hooglede 25 250,09 Hoogstraten 60 638,51 Horebeke 15 090,88 Houthalen-Helchteren 59 297,16 Houthulst 26 042,44 Hoves 18 387,07 Huldenberg 22 184,69 Hulshout 26 050,97 Ichtegem 29 063,77 Ypres 84 578,16 Ingelmunster 25 829,39 Izegem 53 825,99 Jabbeke 24 759,01 Kalmthout 37 262,87 Kampenhout 23 070,34 Kapellen 45 440,31 Kapelle-op-den-Bos 22 536,76 Kaprijke 20 298,65 Kasterlee 37 986,69 Keerbergen 24 869,68 Kinrooi 37 729,57 Kluisbergen 21 346,89 Knokke-Heist 49 924,48 Koekelare 21 108,77 Coxyde 35 715,71 Kontich 37 442,11 Kortemark 26 120,98 Kortenaken 20 825,87 Kortenberg 36 009,93 Courtrai 188 500,61 Kraainem 29 975,70 Kruisem 26 316,92 Kuurne 29 869,96 Laakdal 33 482,29 Laarne 25 784,87 Lanaken 64 505,47 Landen 35 843,86 Langemark-Poelkapelle 23 207,14 Lebbeke 32 919,32 Lede 36 390,43 Ledegem 22 060,93 Lendelede 19 725,40 Lennik 24 160,26 Bourg-Léopold 38 865,71 Louvain 420 498,30 Lichtervelde 22 261,01 Liedekerke 26 740,88 Lierre 91 850,73 Lierde 20 725,53 Lievegem 40 950,81 Lille 37 206,20 Linkebeek 18 847,09 Lint 20 175,72 Linter 21 760,25 Lochristi 45 388,46 Lokeren 88 919,29 Lommel 74 392,93 Londerzeel 33 329,50 Lo-Reninge 17 167,01 Lubbeek 26 444,06 Lummen 31 559,22 Maarkedal 18 535,41 Maaseik 57 345,63 Maasmechelen 227 768,99 Machelen 38 095,67 Maldegem 45 811,86 Malle 33 719,00 Malines 234 547,67 Meerhout 26 699,10 Meise 30 320,54 Menin 74 382,89 Merchtem 32 561,80 Merelbeke-Melle 56 388,69 Merksplas 29 486,45 Messines 15 719,56 Middelkerke 40 220,07 Mol 77 551,91 Moorslede 31 226,45 Mortsel 238 149,02 Nazareth-De Pinte 35 382,30 Niel 21 700,71 Nieuwerkerken 24 279,36 Nieuport 32 353,31 Nijlen 39 146,21 Ninove 68 874,41 Olen 30 062,84 Ostende 214 777,89 Oosterzele 24 678,68 Oostkamp 35 607,47 Oostrozebeke 21 188,58 Opwijk 27 298,35 Audenarde 67 275,64 Oudenburg 25 037,50 Oud-Heverlee 23 924,42 Oudsbergen 42 387,75 Oud-Turnhout 33 965,27 Overijse 37 226,84 Pajottegem 37 451,00 Peer 45 450,56 Pelt 72 371,48 Pepingen 17 999,24 Pittem 20 828,32 Poperinge 39 326,16 Putte 31 777,74 Puurs-Sint-Amands 89 035,81 Ranst 33 303,61 Ravels 46 939,38 Retie 31 804,94 Riemst 39 920,74 Rijkevorsel 29 653,58 Roulers 147 797,22 Renaix 77 096,79 Roosdaal 22 614,73 Rotselaar 30 027,19 Rumst 28 103,96 Schelle 20 294,20 Montaigu-Zichem 43 622,63 Schilde 31 372,68 Schoten 92 338,90 Rhode-Saint-Genèse 32 115,88 Sint-Gillis-Waas 38 366,95 Sint-Katelijne-Waver 36 387,43 Sint-Laureins 22 788,90 Sint-Lievens-Houtem 24 425,31 Sint-Martens-Latem 19 847,20 Saint-Nicolas 199 818,71 Sint-Pieters-Leeuw 58 459,61 Saint-Trond 156 028,15 Espierres-Helchin 17 307,60 Stabroek 34 480,95 Staden 29 233,81 Steenokkerzeel 24 064,62 Stekene 38 997,37 Tamise 61 267,21 Ternat 30 998,54 Tervuren 43 126,48 Tessenderlo-Ham 51 496,68 Tielt 53 420,50 Tielt-Winge 26 499,20 Tirlemont 86 412,34 Tongres-Looz 101 029,26 Torhout 43 224,02 Tremelo 26 598,93 Turnhout 155 021,33 Furnes 29 977,06 Vilvorde 116 896,67 Vleteren 17 188,16 Fourons 20 788,08 Vorselaar 24 243,21 Vosselaar 26 177,68 Waasmunster 26 408,22 Waregem 66 699,11 Wellen 22 126,16 Wemmel 36 267,94 Wervik 43 141,42 Westerlo 45 229,60 Wetteren 58 283,03 Wevelgem 48 045,22 Wezembeek-Oppem 29 320,85 Wichelen 27 626,57 Wielsbeke 23 348,94 Wijnegem 26 452,82 Willebroek 66 600,08 Wingene 33 726,67 Wommelgem 38 687,12 Wortegem-Petegem 19 725,44 Wuustwezel 44 251,44 Zandhoven 27 729,96 Zaventem 69 193,10 Zedelgem 32 286,53 Zele 50 794,74 Zelzate 38 502,43 Zemst 32 673,92 Zoersel 35 900,89 Zonhoven 36 087,80 Zonnebeke 27 136,84 Zottegem 48 874,70 Léau 24 130,74 Zuienkerke 16 828,81 Zulte 29 975,96 Zutendaal 74 162,49 Zwalin 22 424,32 Zwevegem 71 287,12
Vu pour être joint au décret-programme du 19 décembre 2025 accompagnant le budget 2026.