Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
3 MEI 2024. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën
Titre
3 MAI 2024. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances et modifiant l'arrêté royal du 1er avril 2003 fixant le statut des membres du Corps interfédéral de l'Inspection des finances
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het koninklijk b...
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het koninklijk b...
Afdeling 1. - Algemene kenmerken van de tuchtpr...
Afdeling 2. - Tuchtstraffen.
Afdeling 3. - De procedure.
Afdeling 4. - De Beroepskamer.
Afdeling 5. - De doorhaling van de tuchtstraffen.
Afdeling 6. - Bepalingen eigen aan de Korpschef
HOOFDSTUK 3. - Overgangs- en slotbepalingen
Table des matières
Chapitre 1er. - Modifications à l'arrêté royal ...
CHAPITRE 2. - Modifications à l'arrêté royal du...
Section 1re. - Caractéristiques générales de la...
Section 2. - Des peines disciplinaires.
Section 3. - La procédure.
Section 4. - La Chambre de recours.
Section 5. - La radiation des peines disciplina...
Section 6. - Dispositions propres au Chef de Corps
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires et finales
Tekst (80)
Texte (80)
HOOFDSTUK 1. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën.
Chapitre 1er. - Modifications à l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances.
Artikel 1. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën wordt aangevuld met het volgende lid: "De kredieten van het Korps dienen, binnen dit totale aantal inspecteurs van financiën, het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën in staat te stellen om artikel 10 integraal en op continue wijze uit te voeren.".
Article 1er. L'article 1 de l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances est complété par l'alinéa suivant : " Dans ce nombre total d'inspecteurs des finances, les crédits du Corps doivent permettre au Corps interfédéral de l'Inspection des finances d'exécuter l'article 10 de manière intégrale et continue. "
Art. 2. In artikel 5 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 1 april 2003, wordt vervangen als volgt:
"Art. 5. § 1. De Korpschef staat in voor het dagelijkse beheer. Hij woont met raadgevende stem de vergaderingen bij van het Comité en neemt er het secretariaat van waar.
Hij neemt de dringende maatregelen nodig voor de goede werking onder voorbehoud van bekrachtiging door het Comité tijdens zijn eerstvolgende bijeenkomst.
§ 2. Bij afwezigheid of verhindering wijst de Korpschef een tijdelijke vervanger aan.
Als de Korpschef definitief afwezig is doet de voorzitter van het Comité een oproep tot kandidaten en stelt de meest geschikte kandidaat aan als waarnemend Korpschef."
"Art. 5. § 1. De Korpschef staat in voor het dagelijkse beheer. Hij woont met raadgevende stem de vergaderingen bij van het Comité en neemt er het secretariaat van waar.
Hij neemt de dringende maatregelen nodig voor de goede werking onder voorbehoud van bekrachtiging door het Comité tijdens zijn eerstvolgende bijeenkomst.
§ 2. Bij afwezigheid of verhindering wijst de Korpschef een tijdelijke vervanger aan.
Als de Korpschef definitief afwezig is doet de voorzitter van het Comité een oproep tot kandidaten en stelt de meest geschikte kandidaat aan als waarnemend Korpschef."
Art. 2. A l'article 5 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 1er avril 2003, est remplacé comme suit :
" Art. 5. § 1er. Le Chef de Corps assure la gestion journalière du Corps. Il assiste, avec voix consultative, aux réunions du Comité dont il assure le secrétariat.
Il prend les mesures d'urgence nécessaires au bon fonctionnement du Corps sous réserve de confirmation par le Comité lors de sa séance suivante.
§ 2. En cas d'absence ou d'empêchement, le Chef de Corps désigne un remplaçant temporaire.
En cas d'absence définitive du Chef de Corps, le président du Comité lance un appel à candidature et désigne le candidat le plus approprié en tant que Chef de Corps faisant fonction. "
" Art. 5. § 1er. Le Chef de Corps assure la gestion journalière du Corps. Il assiste, avec voix consultative, aux réunions du Comité dont il assure le secrétariat.
Il prend les mesures d'urgence nécessaires au bon fonctionnement du Corps sous réserve de confirmation par le Comité lors de sa séance suivante.
§ 2. En cas d'absence ou d'empêchement, le Chef de Corps désigne un remplaçant temporaire.
En cas d'absence définitive du Chef de Corps, le président du Comité lance un appel à candidature et désigne le candidat le plus approprié en tant que Chef de Corps faisant fonction. "
Art. 3. In artikel 6, § 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 1 april 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° het derde lid wordt als volgt vervangen: "Zijn verkiesbaar de leden van het Korps die op het tijdstip van de verkiezingen minstens 4 jaar actieve dienst hebben in hun loopbaan als inspecteur van financiën en op hetzelfde tijdstip niet in verlof zijn voor opdracht van algemeen belang, volledig in verlof zijn voor loopbaanonderbreking of niet voltijds afwezig zijn voor lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden";
2° in het laatste lid wordt het woord "anciënniteit" vervangen door het woord "ambtsanciënniteit";
3° er wordt een § 2bis ingelast, luidend als volgt: "Indien er in de Raad geen inspecteurs van financiën zetelen die ter beschikking zijn gesteld van respectievelijk de federale Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Waalse Gewestregering of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dan wordt binnen de betrokken entiteit door de tot deze entiteit behorende inspecteurs van financiën een vertegenwoordiger verkozen die met raadgevende stem deelneemt aan de vergaderingen van de Raad wanneer het gaat over punten die het Korps in haar geheel of hun entiteit aanbelangen.
De inspecteurs van financiën die ter beschikking zijn gesteld van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en niet in de Raad zetelen worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de vergaderingen van de Raad wanneer het gaat over punten die hun entiteit aanbelangen.
In het voorkomende geval dat op basis van een reglementaire procedure reeds intern een vertegenwoordiger is verkozen bij een entiteit teneinde binnen deze entiteit een coördinerende taak te vervullen, waarbij deze niet rechtstreeks krachtens § 2 werd verkozen en waarbij een andere inspecteur van financiën van dezelfde entiteit wel rechtstreeks werd verkozen, wordt de reglementair verkozen vertegenwoordiger automatisch als stemgerechtigd lid van de Raad aangeduid. Indien meerdere inspecteurs van financiën van de betrokken entiteit rechtstreeks werden verkozen vervangt hij de inspecteur van financiën die het laatst gerangschikt wordt zoals bepaald in § 2. In het geval dat geen inspecteur van financiën van dezelfde entiteit is verkozen wordt de reglementair verkozen vertegenwoordiger automatisch als raadgevend lid uitgenodigd zoals bepaald in het eerste lid."
1° het derde lid wordt als volgt vervangen: "Zijn verkiesbaar de leden van het Korps die op het tijdstip van de verkiezingen minstens 4 jaar actieve dienst hebben in hun loopbaan als inspecteur van financiën en op hetzelfde tijdstip niet in verlof zijn voor opdracht van algemeen belang, volledig in verlof zijn voor loopbaanonderbreking of niet voltijds afwezig zijn voor lange duur wegens persoonlijke aangelegenheden";
2° in het laatste lid wordt het woord "anciënniteit" vervangen door het woord "ambtsanciënniteit";
3° er wordt een § 2bis ingelast, luidend als volgt: "Indien er in de Raad geen inspecteurs van financiën zetelen die ter beschikking zijn gesteld van respectievelijk de federale Regering, de Vlaamse Regering, de Franse Gemeenschapsregering, de Waalse Gewestregering of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dan wordt binnen de betrokken entiteit door de tot deze entiteit behorende inspecteurs van financiën een vertegenwoordiger verkozen die met raadgevende stem deelneemt aan de vergaderingen van de Raad wanneer het gaat over punten die het Korps in haar geheel of hun entiteit aanbelangen.
De inspecteurs van financiën die ter beschikking zijn gesteld van de Duitstalige Gemeenschap, het College van de Franse Gemeenschapscommissie of het College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en niet in de Raad zetelen worden uitgenodigd om met raadgevende stem deel te nemen aan de vergaderingen van de Raad wanneer het gaat over punten die hun entiteit aanbelangen.
In het voorkomende geval dat op basis van een reglementaire procedure reeds intern een vertegenwoordiger is verkozen bij een entiteit teneinde binnen deze entiteit een coördinerende taak te vervullen, waarbij deze niet rechtstreeks krachtens § 2 werd verkozen en waarbij een andere inspecteur van financiën van dezelfde entiteit wel rechtstreeks werd verkozen, wordt de reglementair verkozen vertegenwoordiger automatisch als stemgerechtigd lid van de Raad aangeduid. Indien meerdere inspecteurs van financiën van de betrokken entiteit rechtstreeks werden verkozen vervangt hij de inspecteur van financiën die het laatst gerangschikt wordt zoals bepaald in § 2. In het geval dat geen inspecteur van financiën van dezelfde entiteit is verkozen wordt de reglementair verkozen vertegenwoordiger automatisch als raadgevend lid uitgenodigd zoals bepaald in het eerste lid."
Art. 3. A l'article 6, § 2, du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 1er avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° le troisième alinéa est remplacé comme suit : " Sont éligibles les membres du Corps qui, au moment des élections, comptent au moins 4 ans d'activité de service dans leur carrière en tant qu'inspecteur des finances et qui, au même moment, ne sont pas en congé pour mission d'intérêt général, ne sont pas en congé complet pour interruption de carrière ou ne sont pas absents de longue durée, à temps plein, pour raisons personnelles. " ;
2° au dernier alinéa, le mot " ancienneté " est remplacé par le mot " ancienneté de fonction " ;
3° un § 2bis est inséré, rédigé comme suit : " Si aucun inspecteur des finances mis à la disposition respectivement du gouvernement fédéral, du Gouvernement flamand, du Gouvernement de la Communauté française, du Gouvernement de la Région wallonne ou du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ne siège au Conseil, les inspecteurs des finances relevant de l'entité concernée élisent au sein de cette entité un représentant qui assiste aux réunions du Conseil avec voix consultative pour les points concernant l'ensemble du Corps ou leur entité.
Les inspecteurs des finances mis à disposition de la Communauté germanophone, du Collège de la Commission communautaire française ou du Collège de la Commission communautaire commune qui ne siègent pas au Conseil, sont invités à participer aux réunions du Conseil avec voix consultative lorsque les points concernent leur entité.
Dans le cas où un représentant a déjà été élu en interne au sein d'une entité sur la base d'une procédure réglementaire afin d'y assurer une tâche de coordination, mais n'a pas été élu directement en vertu du § 2 et qu'un autre inspecteur des finances de la même entité a été élu directement, le représentant élu sur la base réglementaire est automatiquement désigné comme membre du Conseil ayant voix délibérative. Si plusieurs inspecteurs des finances de l'entité concernée ont été élus directement, il remplace l'inspecteur des finances classé en dernier lieu comme le prévoit le § 2. Dans le cas où aucun inspecteur des finances de la même entité n'a été élu, le représentant élu sur la base réglementaire est automatiquement invité en tant que membre consultatif, comme le prévoit l'alinéa premier. "
1° le troisième alinéa est remplacé comme suit : " Sont éligibles les membres du Corps qui, au moment des élections, comptent au moins 4 ans d'activité de service dans leur carrière en tant qu'inspecteur des finances et qui, au même moment, ne sont pas en congé pour mission d'intérêt général, ne sont pas en congé complet pour interruption de carrière ou ne sont pas absents de longue durée, à temps plein, pour raisons personnelles. " ;
2° au dernier alinéa, le mot " ancienneté " est remplacé par le mot " ancienneté de fonction " ;
3° un § 2bis est inséré, rédigé comme suit : " Si aucun inspecteur des finances mis à la disposition respectivement du gouvernement fédéral, du Gouvernement flamand, du Gouvernement de la Communauté française, du Gouvernement de la Région wallonne ou du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale ne siège au Conseil, les inspecteurs des finances relevant de l'entité concernée élisent au sein de cette entité un représentant qui assiste aux réunions du Conseil avec voix consultative pour les points concernant l'ensemble du Corps ou leur entité.
Les inspecteurs des finances mis à disposition de la Communauté germanophone, du Collège de la Commission communautaire française ou du Collège de la Commission communautaire commune qui ne siègent pas au Conseil, sont invités à participer aux réunions du Conseil avec voix consultative lorsque les points concernent leur entité.
Dans le cas où un représentant a déjà été élu en interne au sein d'une entité sur la base d'une procédure réglementaire afin d'y assurer une tâche de coordination, mais n'a pas été élu directement en vertu du § 2 et qu'un autre inspecteur des finances de la même entité a été élu directement, le représentant élu sur la base réglementaire est automatiquement désigné comme membre du Conseil ayant voix délibérative. Si plusieurs inspecteurs des finances de l'entité concernée ont été élus directement, il remplace l'inspecteur des finances classé en dernier lieu comme le prévoit le § 2. Dans le cas où aucun inspecteur des finances de la même entité n'a été élu, le représentant élu sur la base réglementaire est automatiquement invité en tant que membre consultatif, comme le prévoit l'alinéa premier. "
Art. 4. In artikel 7 van hetzelfde besluit, gewijzigd door het koninklijk besluit van 1 april 2003, worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een nieuwe paragraaf 1 ingevoegd, die luidt als volgt: "De Raad roept de leden van de inspectie van financiën die aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, zoals bepaald in § 3, voldoen op om zich binnen een termijn van 10 kalenderdagen na ontvangst van de oproeping, kandidaat te stellen voor de verkiezing tot het mandaat van Korpschef.
Zijn er na afloop van die periode geen kandidaten van elke taalrol of hebben zich minder dan 3 inspecteurs van financiën kandidaat gesteld die aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen, dan doet de zittende Korpschef een nieuwe oproep tot kandidaatstelling waarbij de in aanmerking komende inspecteurs van financiën opnieuw een termijn van 10 kalenderdagen na ontvangst van de oproeping hebben om zich kandidaat te stellen voor de verkiezing voor het mandaat van Korpschef."
2° de paragrafen 1 tot en met 5 worden de paragrafen 2 tot en met 6;
1° er wordt een nieuwe paragraaf 1 ingevoegd, die luidt als volgt: "De Raad roept de leden van de inspectie van financiën die aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden, zoals bepaald in § 3, voldoen op om zich binnen een termijn van 10 kalenderdagen na ontvangst van de oproeping, kandidaat te stellen voor de verkiezing tot het mandaat van Korpschef.
Zijn er na afloop van die periode geen kandidaten van elke taalrol of hebben zich minder dan 3 inspecteurs van financiën kandidaat gesteld die aan de verkiesbaarheidsvoorwaarden voldoen, dan doet de zittende Korpschef een nieuwe oproep tot kandidaatstelling waarbij de in aanmerking komende inspecteurs van financiën opnieuw een termijn van 10 kalenderdagen na ontvangst van de oproeping hebben om zich kandidaat te stellen voor de verkiezing voor het mandaat van Korpschef."
2° de paragrafen 1 tot en met 5 worden de paragrafen 2 tot en met 6;
Art. 4. A l'article 7 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 1er avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
1° un nouveau paragraphe 1 est inséré, rédigé comme suit : " Le Conseil appelle les membres de l'Inspection des finances qui remplissent les conditions d'éligibilité prévues au § 3, à se porter candidats à l'élection pour le mandat de Chef de Corps, dans un délai de 10 jours calendrier à compter de la réception de l'appel.
Si, à la fin de cette période, il n'y a pas de candidats de chaque rôle linguistique ou que moins de trois inspecteurs des finances qui remplissent les conditions d'éligibilité se sont portés candidats, le Chef de Corps en poste lance un nouvel appel à candidatures pour lequel les inspecteurs des finances éligibles disposent d'un nouveau délai de 10 jours calendrier à compter de la réception de l'appel pour se porter candidat à l'élection pour le mandat de Chef de Corps. "
2° les paragraphes 1 à 5 deviennent les paragraphes 2 à 6 ;
1° un nouveau paragraphe 1 est inséré, rédigé comme suit : " Le Conseil appelle les membres de l'Inspection des finances qui remplissent les conditions d'éligibilité prévues au § 3, à se porter candidats à l'élection pour le mandat de Chef de Corps, dans un délai de 10 jours calendrier à compter de la réception de l'appel.
Si, à la fin de cette période, il n'y a pas de candidats de chaque rôle linguistique ou que moins de trois inspecteurs des finances qui remplissent les conditions d'éligibilité se sont portés candidats, le Chef de Corps en poste lance un nouvel appel à candidatures pour lequel les inspecteurs des finances éligibles disposent d'un nouveau délai de 10 jours calendrier à compter de la réception de l'appel pour se porter candidat à l'élection pour le mandat de Chef de Corps. "
2° les paragraphes 1 à 5 deviennent les paragraphes 2 à 6 ;
Art. 5. Er wordt een artikel 7bis in hetzelfde besluit ingevoegd, dat luidt als volgt: "Het Comité organiseert de verkiezingen van Korpschef, onverminderd de mogelijkheid om taken te delegeren aan de zittende Korpschef."
Art. 5. Dans le même arrêté, il est inséré un article 7bis, rédigé comme suit : " Le Comité organise les élections de Chef de Corps, sans préjudice de la possibilité de déléguer des tâches au Chef de Corps en fonction. "
Art. 6. Artikel 8 van hetzelfde besluit worden de woorden "met internationale instellingen" geschrapt.
Art. 6. A l'article 8 du même arrêté, les mots " avec des organismes internationaux " sont supprimés.
Art. 7. Artikel 10 van hetzelfde besluit wordt als volgt vervangen: " § 1. De inspecteurs van financiën worden als volgt ter beschikking gesteld:
-Federale Regering: 21 inspecteurs van financiën;
- Vlaamse Regering: 13 inspecteurs van financiën;
- Franse Gemeenschapsregering, Waalse Gewestregering en College van de Franse Gemeenschapscommissie: 13 inspecteurs van financiën, onder hen te verdelen volgens onderling akkoord;
- Brusselse Hoofdstedelijke Gewestregering en College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie: 5 inspecteurs van financiën.
Onder de bij de Federale Regering ter beschikking gestelde inspecteurs van financiën wordt 1 inspecteur van financiën tevens ter beschikking gesteld van de Duitstalige Gemeenschapsregering.
§ 2. In geval van langdurige afwezigheid kan de voorzitter van het Comité een inspecteur van financiën tijdelijk ter beschikking stellen van een andere entiteit.
In het voorkomende geval dat de betrokken inspecteur van financiën krachtens § 1 niet ter beschikking werd gesteld van de federale Regering formuleert de Korpschef hiertoe een verzoek aan de voorzitter van het Comité na voorafgaand overleg met de betrokken Minister van Begroting.
Het Comité wordt in kennis gesteld van de krachtens deze paragraaf genomen beslissingen.
§ 3. Binnen het aantal inspecteurs van financiën kan de Minister de detachering toestaan van inspecteurs van financiën, tot maximaal 9 betrekkingen, naar een Cel algemene beleidscoördinatie, een Cel algemeen beleid, een persoonlijk secretariaat, een Cel beleidsvoorbereiding of op een kabinet van een minister of van een staatssecretaris bij een Regering of een lid van een College als kabinetschef of adjunct-kabinetschef of daarmee gelijkgestelde post.
§ 4. Het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën beschikt over een automatische wervingsmachtiging ter invulling van de in § 1 bedoelde 52 betrekkingen:
a.voor zover het totaal aantal inspecteurs van financiën, bedoeld in § 1 en § 3, het aantal zoals vermeld in artikel 1 niet overschrijdt;
b. voor het aantal voltijdse equivalente eenheden waarbij geen prestaties worden verricht ten gevolge de toepassing van de hoofdstukken XII, XIII en XIV van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, voor zover dit aantal gedurende minstens 12 opeenvolgende maanden wordt vastgesteld en waarbij in voorkomend geval de niet gepresteerde voltijdse equivalente eenheden naar de lagere eenheid worden afgerond.
Het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën kan een bijkomende wervingsmachtiging worden toegekend op het tijdstip waarop een detachering wordt toegestaan conform § 3 voor zover het aantal van 9 betrekkingen wordt overschreden.
-Federale Regering: 21 inspecteurs van financiën;
- Vlaamse Regering: 13 inspecteurs van financiën;
- Franse Gemeenschapsregering, Waalse Gewestregering en College van de Franse Gemeenschapscommissie: 13 inspecteurs van financiën, onder hen te verdelen volgens onderling akkoord;
- Brusselse Hoofdstedelijke Gewestregering en College van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie: 5 inspecteurs van financiën.
Onder de bij de Federale Regering ter beschikking gestelde inspecteurs van financiën wordt 1 inspecteur van financiën tevens ter beschikking gesteld van de Duitstalige Gemeenschapsregering.
§ 2. In geval van langdurige afwezigheid kan de voorzitter van het Comité een inspecteur van financiën tijdelijk ter beschikking stellen van een andere entiteit.
In het voorkomende geval dat de betrokken inspecteur van financiën krachtens § 1 niet ter beschikking werd gesteld van de federale Regering formuleert de Korpschef hiertoe een verzoek aan de voorzitter van het Comité na voorafgaand overleg met de betrokken Minister van Begroting.
Het Comité wordt in kennis gesteld van de krachtens deze paragraaf genomen beslissingen.
§ 3. Binnen het aantal inspecteurs van financiën kan de Minister de detachering toestaan van inspecteurs van financiën, tot maximaal 9 betrekkingen, naar een Cel algemene beleidscoördinatie, een Cel algemeen beleid, een persoonlijk secretariaat, een Cel beleidsvoorbereiding of op een kabinet van een minister of van een staatssecretaris bij een Regering of een lid van een College als kabinetschef of adjunct-kabinetschef of daarmee gelijkgestelde post.
§ 4. Het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën beschikt over een automatische wervingsmachtiging ter invulling van de in § 1 bedoelde 52 betrekkingen:
a.voor zover het totaal aantal inspecteurs van financiën, bedoeld in § 1 en § 3, het aantal zoals vermeld in artikel 1 niet overschrijdt;
b. voor het aantal voltijdse equivalente eenheden waarbij geen prestaties worden verricht ten gevolge de toepassing van de hoofdstukken XII, XIII en XIV van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, voor zover dit aantal gedurende minstens 12 opeenvolgende maanden wordt vastgesteld en waarbij in voorkomend geval de niet gepresteerde voltijdse equivalente eenheden naar de lagere eenheid worden afgerond.
Het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën kan een bijkomende wervingsmachtiging worden toegekend op het tijdstip waarop een detachering wordt toegestaan conform § 3 voor zover het aantal van 9 betrekkingen wordt overschreden.
Art. 7. L'article 10 du même arrêté est remplacé comme suit : " § 1er. Les inspecteurs des finances sont mis à disposition comme suit :
-le gouvernement fédéral : 21 inspecteurs des finances ;
- le Gouvernement flamand : 13 inspecteurs des finances ;
- le Gouvernement de la Communauté française, le Gouvernement de la Région wallonne et le Collège de la Commission communautaire française : 13 inspecteurs des finances, à répartir entre eux d'un commun accord ;
- le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale et le Collège de la Commission communautaire commune : 5 inspecteurs des finances.
Parmi les inspecteurs des finances mis à la disposition du gouvernement fédéral, 1 inspecteur des finances est également mis à la disposition du Gouvernement de la Communauté germanophone.
§ 2. En cas d'absence de longue durée, le président du Comité peut mettre un inspecteur des finances temporairement à la disposition d'une autre entité.
Dans le cas où l'inspecteur des finances concerné n'a pas été mis à la disposition du gouvernement fédéral en vertu du § 1er, le Chef de Corps soumet une demande à cet effet au président du Comité après concertation préalable avec le Ministre du Budget concerné.
Le Comité est informé des décisions prises en vertu de ce paragraphe.
§ 3. Parmi le nombre d'inspecteurs des finances, le ministre peut autoriser le détachement d'inspecteurs des finances, jusqu'à maximum 9 emplois, vers une Cellule de coordination générale de la politique, une Cellule de politique générale, un secrétariat personnel, une Cellule stratégique, un cabinet ministériel, un cabinet d'un ou d'une secrétaire d'Etat d'un Gouvernement ou d'un membre d'un Collège au titre de chef de cabinet ou de chef de cabinet adjoint ou assimilé.
§ 4. Le Corps interfédéral de l'Inspection des finances dispose d'une autorisation automatique de recrutement afin de pourvoir les 52 postes visés au § 1er :
a.pour autant que le nombre total d'inspecteurs des finances, visés au § 1er et au § 3, ne dépasse par le nombre prévu à l'article 1er ;
b. pour le nombre d'unités équivalentes à temps plein qui n'effectuent pas de prestations suite à l'application des chapitres XII, XIII et XIV de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, pour autant que ce nombre soit déterminé pour au moins 12 mois consécutifs et en arrondissant, le cas échéant, les unités équivalentes à temps plein non prestées à l'unité inférieure.
Le Corps interfédéral de l'Inspection des finances peut obtenir une autorisation supplémentaire de recrutement au moment où un détachement est autorisé conformément au § 3 pour autant que le nombre total de 9 détachements est dépassé.
-le gouvernement fédéral : 21 inspecteurs des finances ;
- le Gouvernement flamand : 13 inspecteurs des finances ;
- le Gouvernement de la Communauté française, le Gouvernement de la Région wallonne et le Collège de la Commission communautaire française : 13 inspecteurs des finances, à répartir entre eux d'un commun accord ;
- le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale et le Collège de la Commission communautaire commune : 5 inspecteurs des finances.
Parmi les inspecteurs des finances mis à la disposition du gouvernement fédéral, 1 inspecteur des finances est également mis à la disposition du Gouvernement de la Communauté germanophone.
§ 2. En cas d'absence de longue durée, le président du Comité peut mettre un inspecteur des finances temporairement à la disposition d'une autre entité.
Dans le cas où l'inspecteur des finances concerné n'a pas été mis à la disposition du gouvernement fédéral en vertu du § 1er, le Chef de Corps soumet une demande à cet effet au président du Comité après concertation préalable avec le Ministre du Budget concerné.
Le Comité est informé des décisions prises en vertu de ce paragraphe.
§ 3. Parmi le nombre d'inspecteurs des finances, le ministre peut autoriser le détachement d'inspecteurs des finances, jusqu'à maximum 9 emplois, vers une Cellule de coordination générale de la politique, une Cellule de politique générale, un secrétariat personnel, une Cellule stratégique, un cabinet ministériel, un cabinet d'un ou d'une secrétaire d'Etat d'un Gouvernement ou d'un membre d'un Collège au titre de chef de cabinet ou de chef de cabinet adjoint ou assimilé.
§ 4. Le Corps interfédéral de l'Inspection des finances dispose d'une autorisation automatique de recrutement afin de pourvoir les 52 postes visés au § 1er :
a.pour autant que le nombre total d'inspecteurs des finances, visés au § 1er et au § 3, ne dépasse par le nombre prévu à l'article 1er ;
b. pour le nombre d'unités équivalentes à temps plein qui n'effectuent pas de prestations suite à l'application des chapitres XII, XIII et XIV de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, pour autant que ce nombre soit déterminé pour au moins 12 mois consécutifs et en arrondissant, le cas échéant, les unités équivalentes à temps plein non prestées à l'unité inférieure.
Le Corps interfédéral de l'Inspection des finances peut obtenir une autorisation supplémentaire de recrutement au moment où un détachement est autorisé conformément au § 3 pour autant que le nombre total de 9 détachements est dépassé.
Art. 8. Artikel 11 van hetzelfde besluit wordt als volgt vervangen:
"Art. 11. Behoudens afwijkende bepalingen zijn de inspecteurs van financiën onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op het federaal administratief openbaar ambt op 1 juli 2023."
"Art. 11. Behoudens afwijkende bepalingen zijn de inspecteurs van financiën onderworpen aan de statutaire bepalingen die van toepassing zijn op het federaal administratief openbaar ambt op 1 juli 2023."
Art. 8. L'article 11 du même arrêté est remplacé comme suit :
" Art. 11. Sans préjudice de dispositions dérogatoires, les inspecteurs des finances sont soumis aux dispositions statutaires de la fonction publique administrative fédérale qui sont d'application au premier juillet 2023 ".
" Art. 11. Sans préjudice de dispositions dérogatoires, les inspecteurs des finances sont soumis aux dispositions statutaires de la fonction publique administrative fédérale qui sont d'application au premier juillet 2023 ".
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen aan het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën.
CHAPITRE 2. - Modifications à l'arrêté royal du 1er avril 2003 fixant le statut des membres du Corps interfédéral de l'Inspection des finances et modifiant l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances.
Art. 9. § 1. In artikel 3, 5° worden de woorden "Selectiebureau van de federale Administratie (SELOR)" vervangen door de woorden "het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de Federale Overheidsdienst Beleid en Ondersteuning";
§ 2. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën wordt het eerste lid, 2° als volgt vervangen:
"houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met niveau A volgens de bijlage bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel".
§ 3. In de artikelen 4, 5, 7, 8 en 10 tot en met 13 worden de woorden "afgevaardigd beheerder van SELOR" vervangen door de woorden "directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD BOSA".
§ 2. In artikel 4 van het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën wordt het eerste lid, 2° als volgt vervangen:
"houder zijn van een diploma of studiegetuigschrift dat overeenkomt met niveau A volgens de bijlage bij het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel".
§ 3. In de artikelen 4, 5, 7, 8 en 10 tot en met 13 worden de woorden "afgevaardigd beheerder van SELOR" vervangen door de woorden "directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD BOSA".
Art. 9. § 1. A l'article 3, 5°, les mots " le Bureau de sélection de l'Administration fédérale (SELOR (SELOR) " sont remplacés par les mots " la Direction générale Recrutement et Développement du Service public fédéral Stratégie et Appui ".
§ 2. A l'article 4 de l'arrêté royal du 1er avril 2003 fixant le statut des membres du Corps interfédéral de l'Inspection des finances et modifiant l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances, l'alinéa premier, 2° est remplacé comme suit:
" être porteur d'un diplôme ou d'un certificat d'études correspondant au niveau A de l'annexe de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat ".
§ 3. Aux articles 4, 5, 7, 8 et 10 à 13, les mots " l'Administrateur délégué de SELOR " sont remplacés par les mots " le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du SPF BOSA ".
§ 2. A l'article 4 de l'arrêté royal du 1er avril 2003 fixant le statut des membres du Corps interfédéral de l'Inspection des finances et modifiant l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances, l'alinéa premier, 2° est remplacé comme suit:
" être porteur d'un diplôme ou d'un certificat d'études correspondant au niveau A de l'annexe de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat ".
§ 3. Aux articles 4, 5, 7, 8 et 10 à 13, les mots " l'Administrateur délégué de SELOR " sont remplacés par les mots " le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du SPF BOSA ".
Art. 10. In artikel 5 van hetzelfde besluit worden de woorden "het Comité" vervangen door de woorden "de Raad".
Art. 10. A l'article 5 du même arrêté, les mots " le Comité " sont remplacés par les mots " le Conseil ".
Art. 11. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt als volgt vervangen: "Het programma van het vergelijkend wervingsexamen, de samenstelling van de jury en het eventueel organiseren van een voorselectie worden opgesteld door de Raad na overleg met de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD BOSA".
Art. 11. L'article 6 du même arrêté est remplacé comme suite : " Le programme du concours de recrutement, la composition du jury et l'organisation éventuelle d'une préselection sont déterminés par le Conseil après concertation avec le directeur-général de la Direction-générale Recrutement et Développement du SPF BOSA ".
Art. 12. De artikelen 10 tot en met 13 van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Art. 12. Les articles 10 à 13 du même arrêté sont abrogés.
Art. 13. In artikel 21 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° In de eerste zin wordt tussen het woord "verschillende" en de woorden "inspecteurs van financiën" het woord "geaccrediteerde" ingevoegd;
2° In het derde lid worden tussen de woorden "de Korpschef" en "de afdanking" de woorden "aan de Minister" ingevoegd.
1° In de eerste zin wordt tussen het woord "verschillende" en de woorden "inspecteurs van financiën" het woord "geaccrediteerde" ingevoegd;
2° In het derde lid worden tussen de woorden "de Korpschef" en "de afdanking" de woorden "aan de Minister" ingevoegd.
Art. 13. A l'article 21 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° Dans la première phrase, le mot " accrédités " est inséré entre les mots " auprès d'inspecteurs des finances " et " ayant une anciënnité ".
2° Dans la troisième alinéa, les mots " au Ministre " sont insérés entre les mots " le Chef de Corps " et " le licenciement ".
1° Dans la première phrase, le mot " accrédités " est inséré entre les mots " auprès d'inspecteurs des finances " et " ayant une anciënnité ".
2° Dans la troisième alinéa, les mots " au Ministre " sont insérés entre les mots " le Chef de Corps " et " le licenciement ".
Art. 14. In artikel 22, § 3 van hetzelfde besluit worden volgende wijzigingen aangebracht:
1° De woorden "afdeling 3" wordt vervangen door "afdeling 4";
2° Er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Het advies van de Beroepskamer wordt bezorgd aan de Minister".
1° De woorden "afdeling 3" wordt vervangen door "afdeling 4";
2° Er wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt: "Het advies van de Beroepskamer wordt bezorgd aan de Minister".
Art. 14. A l'article 22, § 3 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° Les mots " section 3 " sont remplacés par les mots " section 4 " ;
2° Un deuxième l'alinéa est inséré, rédigé comme suite : " L'avis de la Chambre de recours est transmis au Ministre ".
1° Les mots " section 3 " sont remplacés par les mots " section 4 " ;
2° Un deuxième l'alinéa est inséré, rédigé comme suite : " L'avis de la Chambre de recours est transmis au Ministre ".
Art. 15. In artikel 48, § 2, b van hetzelfde besluit worden de woorden ", onverminderd de toepassing van § 3" toegevoegd.
Art. 15. A l'article 48, § 2, b du même arrêté, sont ajoutés les mots " , sans préjudice de l'application du § 3 ".
Art. 16. Hoofdstuk VII van hetzelfde besluit, dat de artikelen 53 tot 84 bevat, wordt vervangen als volgt:
"HOOFDSTUK VII. - De tuchtregeling.
"HOOFDSTUK VII. - De tuchtregeling.
Art. 16. Le chapitre VII du même arrêté, comportant les articles 53 à 84, est remplacée par ce qui suit:
"CHAPITRE VII. - Régime disciplinaire.
"CHAPITRE VII. - Régime disciplinaire.
Afdeling 1. - Algemene kenmerken van de tuchtprocedure.
Section 1re. - Caractéristiques générales de la procédure disciplinaire.
Art. 53. De tuchtvordering wordt ingesteld met de oproeping door de Korpschef van de betrokken inspecteur van financiën om te worden gehoord in zijn verdediging door de disciplinaire commissie.
De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten.
De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten.
Art. 53. L'action disciplinaire est entamée par la convocation envoyée par le Chef de Corps à l'inspecteur des finances afin que ce dernier soit entendu dans sa défense par la commission disciplinaire.
L'autorité disciplinaire ne peut plus intenter de poursuite disciplinaire après l'expiration d'un délai de six mois après la constatation ou la prise de connaissance par l'autorité disciplinaire des faits entrant en ligne de compte.
L'autorité disciplinaire ne peut plus intenter de poursuite disciplinaire après l'expiration d'un délai de six mois après la constatation ou la prise de connaissance par l'autorité disciplinaire des faits entrant en ligne de compte.
Art. 54. Wanneer meer dan één feit ten laste van de inspecteur van financiën wordt gelegd, kan dit niettemin slechts aanleiding geven tot één procedure en tot het uitspreken van één tuchtstraf.
Art. 54. Lorsque plus d'un fait est reproché à l'inspecteur des finances, ceci ne peut toutefois donner lieu qu'à une seule procédure et au prononcé d'une seule peine disciplinaire.
Art. 55. Behoudens nieuwe elementen die de heropening van het dossier rechtvaardigen, kan niemand het voorwerp uitmaken van een tuchtvordering voor reeds tuchtrechtelijk gesanctioneerde feiten.
Art. 55. Sans préjudice d'éléments nouveaux justifiant la réouverture d'un dossier, personne ne peut faire l'objet d'une action disciplinaire pour des faits déjà sanctionnés sur le plan disciplinaire.
Art. 56. Feiten die in het verleden aanleiding hebben gegeven tot een tuchtstraf kunnen in aanmerking worden genomen bij het bepalen van de strafmaat van een nieuwe tuchtstraf, zelfs indien de tuchtstraf is doorgehaald.
Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken.
Wanneer in de loop van een tuchtprocedure een nieuw feit ten laste wordt gelegd kan dit tot een nieuwe procedure aanleiding geven zonder dat de lopende procedure wordt onderbroken.
Art. 56. Les faits qui ont conduit à une peine disciplinaire dans le passé peuvent être pris en compte lors de la détermination de l'échelle d'une nouvelle peine disciplinaire, même si la peine disciplinaire a été radiée.
Si une nouvelle infraction est reprochée dans le cadre d'une procédure disciplinaire, elle peut donner lieu à une nouvelle procédure sans interrompre la procédure en cours.
Si une nouvelle infraction est reprochée dans le cadre d'une procédure disciplinaire, elle peut donner lieu à une nouvelle procédure sans interrompre la procédure en cours.
Art. 57. Elke tuchtstraf wordt vermeld op een in het evaluatiedossier te voegen staat en wordt in het personeelsdossier opgenomen.
Art. 57. Toute peine disciplinaire est signalée sur un état à annexer au dossier d'évaluation et est reprise au dossier du personnel.
Art. 58. Dit hoofdstuk is eveneens van toepassing op de stagiairs onverminderd de specifieke bepalingen van hoofdstuk II.
Art. 58. Le présent chapitre est également applicable aux stagiaires sans préjudice des dispositions spécifiques prévues au chapitre II.
Art.58bis. § 1. Als in verband met dezelfde feiten een opsporingsonderzoek loopt of de strafvordering werd ingesteld, wordt de termijn van artikel 53 gestuit tot op de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis wordt gesteld dat een gerechtelijke beslissing werd uitgesproken en dat die beslissing in kracht van gewijsde is getreden of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is. De tuchtoverheid is ertoe gehouden zich op de hoogte te stellen met betrekking tot de uitkomst van deze beslissing.
§ 2. Het opsporingsonderzoek of de strafvordering doen geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken.
Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, moet de tuchtoverheid de opgelegde tuchtsanctie intrekken en dit met terugwerkende kracht vanaf de datum dat de tuchtstraf is uitgesproken.
§ 2. Het opsporingsonderzoek of de strafvordering doen geen afbreuk aan de mogelijkheid van de tuchtoverheid om een tuchtstraf uit te spreken.
Indien een opgelegde tuchtstraf onverenigbaar blijkt te zijn met een latere in kracht van gewijsde getreden strafrechtelijke uitspraak, moet de tuchtoverheid de opgelegde tuchtsanctie intrekken en dit met terugwerkende kracht vanaf de datum dat de tuchtstraf is uitgesproken.
Art. 58bis. § 1er. Si une information judiciaire est en cours ou si l'action pénale a été intentée au sujet des mêmes faits, le délai visé à l'article 53 est interrompu jusqu'au jour où l'autorité disciplinaire a été informée par l'autorité judiciaire qu'une décision de justice a été prononcée et que cette décision est coulée en force de chose jugée ou que le dossier a été classé ou que l'action publique est éteinte. L'autorité disciplinaire est tenue de s'informer du résultat de cette décision.
§ 2. L'information judiciaire ou l'action pénale ne porte pas atteinte à la possibilité pour l'autorité disciplinaire de prononcer une peine disciplinaire.
Si une peine disciplinaire infligée s'avère incompatible avec un prononcé pénal ultérieur qui est coulé en force de chose jugée, l'autorité disciplinaire doit retirer la peine disciplinaire infligée et ce, avec un effet rétroactif à partir de la date du prononcé de la peine disciplinaire.
§ 2. L'information judiciaire ou l'action pénale ne porte pas atteinte à la possibilité pour l'autorité disciplinaire de prononcer une peine disciplinaire.
Si une peine disciplinaire infligée s'avère incompatible avec un prononcé pénal ultérieur qui est coulé en force de chose jugée, l'autorité disciplinaire doit retirer la peine disciplinaire infligée et ce, avec un effet rétroactif à partir de la date du prononcé de la peine disciplinaire.
Afdeling 2. - Tuchtstraffen.
Section 2. - Des peines disciplinaires.
Art. 59. De inspecteurs van financiën die hun beroepsplichten niet nakomen of de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, kunnen het voorwerp uitmaken van een tuchtprocedure.
Art. 59. Les inspecteurs des finances qui ne s'acquittent pas de leurs devoirs professionnels ou qui compromettent la dignité de la fonction, peuvent faire l'objet d'une procédure disciplinaire.
Art. 60. § 1. De lichte tuchtstraffen zijn:
1° de terechtwijzing;
2° de blaam.
De zware tuchtstraffen zijn:
1° de inhouding van wedde;
2° de tuchtschorsing;
3° de terugzetting in weddeschaal;
4° het ontslag van ambtswege;
5° de afzetting.
§ 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten hoogste 3 maanden en mag niet hoger liggen dan vijftien procent van de bruto wedde.
§ 3. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden. De daarmee gepaard gaande inhouding van wedde bedraagt dan twintig procent van de bruto wedde.
Tijdens de tuchtschorsing bevindt de inspecteur van financiën zich in de administratieve toestand non-activiteit; hij heeft geen recht op verhoging in wedde en weddeschaal.
§ 4. De terugzetting in weddeschaal bestaat in de vermindering van de anciënniteit berekend overeenkomstig art. 48 § 3.
De doorhaling voorzien in artikel 84 heeft geen invloed op deze vermindering.
1° de terechtwijzing;
2° de blaam.
De zware tuchtstraffen zijn:
1° de inhouding van wedde;
2° de tuchtschorsing;
3° de terugzetting in weddeschaal;
4° het ontslag van ambtswege;
5° de afzetting.
§ 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten hoogste 3 maanden en mag niet hoger liggen dan vijftien procent van de bruto wedde.
§ 3. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor ten hoogste drie maanden. De daarmee gepaard gaande inhouding van wedde bedraagt dan twintig procent van de bruto wedde.
Tijdens de tuchtschorsing bevindt de inspecteur van financiën zich in de administratieve toestand non-activiteit; hij heeft geen recht op verhoging in wedde en weddeschaal.
§ 4. De terugzetting in weddeschaal bestaat in de vermindering van de anciënniteit berekend overeenkomstig art. 48 § 3.
De doorhaling voorzien in artikel 84 heeft geen invloed op deze vermindering.
Art. 60. § 1er. Les peines disciplinaires légères sont :
1° le rappel à l'ordre ;
2° le blâme.
Les peines disciplinaires lourdes sont :
1° la retenue de traitement ;
2° la suspension disciplinaire ;
3° la rétrogradation dans l'échelle de traitement ;
4° la démission d'office ;
5° la révocation.
§ 2. La retenue de traitement est appliquée pour une période de 3 mois au maximum et ne peut excéder quinze pourcent de la rémunération brute.
§ 3. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période de trois mois au maximum et entraîne une retenue de traitement de vingt pourcent de la rémunération brute.
Lors de la suspension disciplinaire l'Inspecteur des finances se trouve dans une position administrative de non-activité ; il n'a pas droit à une augmentation de traitement et d'échelle de traitement.
§ 4. La rétrogradation dans l'échelle de traitement consiste en la réduction de l'ancienneté calculée conformément à l'art. 48 § 3.
La radiation prévue à l'article 84 reste sans effet sur cette réduction.
1° le rappel à l'ordre ;
2° le blâme.
Les peines disciplinaires lourdes sont :
1° la retenue de traitement ;
2° la suspension disciplinaire ;
3° la rétrogradation dans l'échelle de traitement ;
4° la démission d'office ;
5° la révocation.
§ 2. La retenue de traitement est appliquée pour une période de 3 mois au maximum et ne peut excéder quinze pourcent de la rémunération brute.
§ 3. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période de trois mois au maximum et entraîne une retenue de traitement de vingt pourcent de la rémunération brute.
Lors de la suspension disciplinaire l'Inspecteur des finances se trouve dans une position administrative de non-activité ; il n'a pas droit à une augmentation de traitement et d'échelle de traitement.
§ 4. La rétrogradation dans l'échelle de traitement consiste en la réduction de l'ancienneté calculée conformément à l'art. 48 § 3.
La radiation prévue à l'article 84 reste sans effet sur cette réduction.
Art. 61. In geval van ontslag van ambtswege of van afzetting wordt de inspecteur van financiën onmiddellijk, zonder opzeggingstermijn en zonder opzeggingsvergoeding door de Koning ontslagen.
Art. 61. En cas de démission d'office ou de révocation, le Roi licencie l'inspecteur des finances immédiatement sans délai ni indemnité de préavis.
Art. 62. De lichte tuchtstraffen worden door de Korpschef uitgesproken. De zware tuchtstraffen worden, op uitzondering van het ontslag van ambtswege en de afzetting, door de Minister uitgesproken.
Art. 62. Les peines disciplinaires légères sont prononcées par le Chef de Corps. Les peines disciplinaires lourdes sont prononcées par le Ministre, à l'exception de la démission d'office et de la révocation.
Afdeling 3. - De procedure.
Section 3. - La procédure.
Art. 63. De tuchtvordering wordt ingesteld conform de artikelen 53 en 64.
Art. 63. L'action disciplinaire est entamée conformément aux articles 53 et 64.
Art. 64. § 1. De inspecteur van financiën wordt door de Korpschef opgeroepen om op een hoorzitting te worden gehoord in zijn verdediging door de disciplinaire commissie samengesteld uit drie door de Minister aangeduide inspecteurs van financiën.
De oproeping van de inspecteur van financiën voor de hoorzitting, dient melding te maken van:
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het feit dat een tuchtstraf wordt in overweging genomen;
3° de plaats, dag en het uur van de hoorzitting;
4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadgever van zijn keuze of zich te laten vertegenwoordigen door een raadgever bij gewettigde verhindering;
5° het recht van de betrokkene om het horen van getuigen te vragen;
6° het recht van de betrokkene om voorafgaand aan de hoorzitting een schriftelijk verweer in te dienen;
7° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien en het recht gratis fotokopieën ervan te maken.
8° de samenstelling van de disciplinaire commissie.
§ 2. De belanghebbende en zijn raadgever kunnen het tuchtdossier op hun verzoek raadplegen voordat de hoorzitting plaats vindt. Zij beschikken voor de inzage van het dossier over een termijn van ten minste vijftien kalenderdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.
De oproeping van de inspecteur van financiën voor de hoorzitting, dient melding te maken van:
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het feit dat een tuchtstraf wordt in overweging genomen;
3° de plaats, dag en het uur van de hoorzitting;
4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadgever van zijn keuze of zich te laten vertegenwoordigen door een raadgever bij gewettigde verhindering;
5° het recht van de betrokkene om het horen van getuigen te vragen;
6° het recht van de betrokkene om voorafgaand aan de hoorzitting een schriftelijk verweer in te dienen;
7° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien en het recht gratis fotokopieën ervan te maken.
8° de samenstelling van de disciplinaire commissie.
§ 2. De belanghebbende en zijn raadgever kunnen het tuchtdossier op hun verzoek raadplegen voordat de hoorzitting plaats vindt. Zij beschikken voor de inzage van het dossier over een termijn van ten minste vijftien kalenderdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.
Art. 64. § 1er. L'inspecteur des finances est convoqué par le Chef de Corps afin d'être entendu en audience pour sa défense devant une commission disciplinaire composée de trois inspecteurs des finances désignés par le Ministre.
La convocation de l'inspecteur des finances pour l'audience doit mentionner :
1° les fait imputés ;
2° le fait qu'une peine disciplinaire est envisagée ;
3° le lieu, la date et l'heure de l'audience ;
4° le droit de la personne concernée de se faire assister par un conseil de son choix ou de se faire représenter par un conseil en cas d'empêchement légitime ;
5° le droit de la personne concernée de demander l'audition de témoins ;
6° le droit de la personne concernée de présenter une défense écrite avant l'audience ;
7° le lieu où et le délai dans lequel le dossier disciplinaire peut être consulté et le droit d'en faire des photocopies gratuites ;
8° la composition de la commission disciplinaire.
§ 2. A leur demande, la personne concernée et son conseil peuvent consulter le dossier disciplinaire avant que l'audience n'ait lieu. Ils disposent d'un délai d'au moins quinze jours calendrier pour consulter le dossier après réception de la lettre de convocation.
La convocation de l'inspecteur des finances pour l'audience doit mentionner :
1° les fait imputés ;
2° le fait qu'une peine disciplinaire est envisagée ;
3° le lieu, la date et l'heure de l'audience ;
4° le droit de la personne concernée de se faire assister par un conseil de son choix ou de se faire représenter par un conseil en cas d'empêchement légitime ;
5° le droit de la personne concernée de demander l'audition de témoins ;
6° le droit de la personne concernée de présenter une défense écrite avant l'audience ;
7° le lieu où et le délai dans lequel le dossier disciplinaire peut être consulté et le droit d'en faire des photocopies gratuites ;
8° la composition de la commission disciplinaire.
§ 2. A leur demande, la personne concernée et son conseil peuvent consulter le dossier disciplinaire avant que l'audience n'ait lieu. Ils disposent d'un délai d'au moins quinze jours calendrier pour consulter le dossier après réception de la lettre de convocation.
Art. 65. § 1. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt door een griffier-rapporteur aangewezen door de Minister. De betrokkene of zijn raadgever ontvangen hiervan een kopie.
§ 2. Indien de inspecteur van financiën, ofschoon volgens de voorschriften opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt hij geacht af te zien van zijn recht om gehoord te worden.
§ 2. Indien de inspecteur van financiën, ofschoon volgens de voorschriften opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt hij geacht af te zien van zijn recht om gehoord te worden.
Art. 65. § 1er. Il est dressé un procès-verbal de l'audience par un greffier-rapporteur désigné par le Ministre. La personne concernée ou son conseil obtient une copie de ce procès-verbal.
§ 2. Si l'inspecteur des finances, malgré une convocation valable, ne comparaît pas sans motif valable, ou, en cas d'empêchement légitime, ne se fait pas représenter, il est réputé avoir renoncé à son droit d'être entendu.
§ 2. Si l'inspecteur des finances, malgré une convocation valable, ne comparaît pas sans motif valable, ou, en cas d'empêchement légitime, ne se fait pas représenter, il est réputé avoir renoncé à son droit d'être entendu.
Art. 66. Indien de disciplinaire commissie besluit dat een tuchtstraf gerechtvaardigd is formuleert zij binnen een termijn van één maand na de hoorzitting een gemotiveerd voorstel van tuchtstraf.
Als de discipinaire commissie de tuchtschorsing, de inhouding van wedde of de terugzetting in weddeschaal voorstelt, stelt zij de omvang ervan voor
Een afschrift van het voorstel wordt betekend aan de inspecteur van financiën.
Het voorstel van tuchtstraf wordt aan de Korpschef toegestuurd.
Indien de disciplinaire commissie besluit dat een tuchtstraf niet gerechtvaardigd is, wordt de procedure beëindigd.
Als de discipinaire commissie de tuchtschorsing, de inhouding van wedde of de terugzetting in weddeschaal voorstelt, stelt zij de omvang ervan voor
Een afschrift van het voorstel wordt betekend aan de inspecteur van financiën.
Het voorstel van tuchtstraf wordt aan de Korpschef toegestuurd.
Indien de disciplinaire commissie besluit dat een tuchtstraf niet gerechtvaardigd is, wordt de procedure beëindigd.
Art. 66. Si la commission disciplinaire conclut qu'une peine disciplinaire est justifiée, elle formule, dans un délai d'un mois suivant l'audience, une proposition motivée de peine disciplinaire.
Si la Commission disciplinaire propose la suspension disciplinaire, la retenue de traitement ou la rétrogradation dans l'échelle de traitement, elle en propose l'ampleur.
Une copie de la proposition est envoyée à l'inspecteur des finances.
La proposition de peine disciplinaire est envoyée au Chef de Corps.
Si la commission disciplinaire conclut qu'aucune peine disciplinaire n'est justifiée, la procédure prend fin.
Si la Commission disciplinaire propose la suspension disciplinaire, la retenue de traitement ou la rétrogradation dans l'échelle de traitement, elle en propose l'ampleur.
Une copie de la proposition est envoyée à l'inspecteur des finances.
La proposition de peine disciplinaire est envoyée au Chef de Corps.
Si la commission disciplinaire conclut qu'aucune peine disciplinaire n'est justifiée, la procédure prend fin.
Art. 67. Voor zover een lichte tuchtstraf wordt voorgesteld beslist de Korpschef binnen een termijn van 15 kalenderdagen na ontvangst van het dossier, en waarbij de straf niet hoger kan zijn dan deze die voorgesteld werd door de disciplinaire commissie.
Art. 67. Pour autant qu'une peine disciplinaire légère a été proposée, le Chef de Corps prend une décision dans un délai de 15 jours calendrier après réception du dossier, la peine ne pouvant être supérieure à celle qui a été proposée par la commission disciplinaire.
Art. 68. De Inspecteur van financiën kan binnen een termijn van vijftien kalenderdagen na ontvangst van het voorstel van tuchtstraf een beroep instellen bij de Beroepskamer voor zover een zware tuchtstraf wordt voorgesteld door het indienen van een beroepschrift.
Indien de inspecteur van financiën niet binnen de voorziene termijn een beroep instelt bij de Beroepskamer wordt het voorstel van zware tuchtstraf overgemaakt aan de Minister.
Indien de inspecteur van financiën niet binnen de voorziene termijn een beroep instelt bij de Beroepskamer wordt het voorstel van zware tuchtstraf overgemaakt aan de Minister.
Art. 68. L'inspecteur des finances peut, dans un délai de quinze jours calendrier suivant la réception de la proposition de peine disciplinaire, introduire un recours devant la Chambre de recours, pour autant qu'une peine disciplinaire lourde a été proposée.
Si l'inspecteur des finances n'introduit pas de recours devant la Chambre de recours dans le délai prescrit, la proposition de peine disciplinaire lourde est transmise au Ministre.
Si l'inspecteur des finances n'introduit pas de recours devant la Chambre de recours dans le délai prescrit, la proposition de peine disciplinaire lourde est transmise au Ministre.
Art. 69. De Beroepskamer hoort de betrokkene binnen een termijn van één maand na verzending van zijn beroepschrift en brengt een advies uit binnen een termijn van één maand na de hoorzitting. Ingeval van toepassing van artikel 81 wordt de termijn opgeschort tot de nieuwe hoorzitting na het onderzoek.
Indien het advies besluit dat een tuchtvoorstel gerechtvaardigd is, wordt het dossier aan de Minister overgemaakt.
In het tegenovergestelde geval, wordt de procedure beëindigd.
Indien het advies besluit dat een tuchtvoorstel gerechtvaardigd is, wordt het dossier aan de Minister overgemaakt.
In het tegenovergestelde geval, wordt de procedure beëindigd.
Art. 69. La Chambre de recours entend la personne concernée dans un délai d'un mois suivant l'envoi de son recours et émet un avis dans un délai d'un mois après l'audience. En cas d'application de l'article 81, le délai est suspendu jusqu'à la nouvelle audience après l'enquête.
Si l'avis conclut qu'une peine disciplinaire se justifie, le dossier est transmis au Ministre.
Dans le cas contraire, la procédure prend fin.
Si l'avis conclut qu'une peine disciplinaire se justifie, le dossier est transmis au Ministre.
Dans le cas contraire, la procédure prend fin.
Art. 70. § 1. De Minister beslist binnen een termijn van één maand na ontvangst van het dossier.
In het voorkomende geval dat de inspecteur van financiën, die het voorwerp uitmaakt van het tuchtonderzoek, ter beschikking werd gesteld van een andere dan de federale Regering, dient de Minister het akkoord te bekomen van de Minister van Begroting van de Regering waar de betrokken inspecteur van financiën ter beschikking was gesteld op het tijdstip van de tuchtfeiten of, bij meerdere tuchtfeiten, het tijdstip van het laatste tuchtfeit.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt voor een periode van maximaal twee maanden geschorst tijdens de periode waarop dit akkoord wordt gevraagd, en gaat in op de dag van het ontvangstbewijs van het schriftelijk verzoek van de Minister dat de datum van ontvangst vermeldt. In het geval dat na het verstrijken van deze termijn de betrokken Minister van Begroting niet heeft aangegeven zich al dan niet akkoord te verklaren, wordt hij geacht zich akkoord te verklaren.
De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de disciplinaire commissie of door de Beroepskamer.
De straf kan geen gevolg hebben voorafgaand aan de uitspraak ervan.
§ 2. Indien geen akkoord conform de vorige paragraaf kan worden bereikt verzendt de Minister het dossier uiterlijk binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van één maand aan het Comité.
Het Comité beslist binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het dossier, en waarbij een twee derde meerderheid is vereist.
De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de disciplinaire commissie of door de Beroepskamer.
De straf kan geen gevolg hebben voorafgaand aan de uitspraak ervan.
In het voorkomende geval dat de inspecteur van financiën, die het voorwerp uitmaakt van het tuchtonderzoek, ter beschikking werd gesteld van een andere dan de federale Regering, dient de Minister het akkoord te bekomen van de Minister van Begroting van de Regering waar de betrokken inspecteur van financiën ter beschikking was gesteld op het tijdstip van de tuchtfeiten of, bij meerdere tuchtfeiten, het tijdstip van het laatste tuchtfeit.
De termijn, bedoeld in het eerste lid, wordt voor een periode van maximaal twee maanden geschorst tijdens de periode waarop dit akkoord wordt gevraagd, en gaat in op de dag van het ontvangstbewijs van het schriftelijk verzoek van de Minister dat de datum van ontvangst vermeldt. In het geval dat na het verstrijken van deze termijn de betrokken Minister van Begroting niet heeft aangegeven zich al dan niet akkoord te verklaren, wordt hij geacht zich akkoord te verklaren.
De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de disciplinaire commissie of door de Beroepskamer.
De straf kan geen gevolg hebben voorafgaand aan de uitspraak ervan.
§ 2. Indien geen akkoord conform de vorige paragraaf kan worden bereikt verzendt de Minister het dossier uiterlijk binnen de vijftien dagen na het verstrijken van de termijn van één maand aan het Comité.
Het Comité beslist binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het dossier, en waarbij een twee derde meerderheid is vereist.
De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de disciplinaire commissie of door de Beroepskamer.
De straf kan geen gevolg hebben voorafgaand aan de uitspraak ervan.
Art. 70. § 1er. Le Ministre décide dans un délai d'un mois à compter de la réception du dossier.
Dans le cas où l'inspecteur des finances faisant l'objet de l'enquête disciplinaire a été mis à la disposition d'un gouvernement autre que le gouvernement fédéral, le Ministre doit obtenir l'accord du Ministre du Budget du gouvernement où l'inspecteur des finances concerné avait été mis à disposition au moment des faits disciplinaires ou, en cas de faits disciplinaires multiples, lors du dernier fait disciplinaire.
Le délai, visé dans le premier paragraphe, est suspendu pour un maximum de deux mois pendant la période où l'accord est demandé, et débute le jour de l'accusé de réception de la demande écrite du Ministre, portant la date à laquelle il est délivré. Au cas échéant où le Ministre du Budget concerné n'a pas indiqué qu'il ne peut pas être d'accord, il est réputé être d'accord.
La peine ne peut être supérieure à celle proposée par la commission disciplinaire ou par la Chambre de recours.
La peine ne peut avoir d'effet antérieur à son prononcé.
§ 2. Si aucun accord ne peut être obtenu conformément au paragraphe précédent, le Ministre envoie le dossier au Comité au plus tard dans un délai de quinze jours suivant l'expiration du délai d'un mois.
Le Comité prend sa décision dans un délai de quatre mois à dater de la réception du dossier. Une majorité de deux tiers est nécessaire pour l'adoption de cette décision.
La peine ne peut être supérieure à celle proposée par la commission disciplinaire ou par la Chambre de recours.
Elle ne peut avoir d'effet antérieur à son prononcé.
Dans le cas où l'inspecteur des finances faisant l'objet de l'enquête disciplinaire a été mis à la disposition d'un gouvernement autre que le gouvernement fédéral, le Ministre doit obtenir l'accord du Ministre du Budget du gouvernement où l'inspecteur des finances concerné avait été mis à disposition au moment des faits disciplinaires ou, en cas de faits disciplinaires multiples, lors du dernier fait disciplinaire.
Le délai, visé dans le premier paragraphe, est suspendu pour un maximum de deux mois pendant la période où l'accord est demandé, et débute le jour de l'accusé de réception de la demande écrite du Ministre, portant la date à laquelle il est délivré. Au cas échéant où le Ministre du Budget concerné n'a pas indiqué qu'il ne peut pas être d'accord, il est réputé être d'accord.
La peine ne peut être supérieure à celle proposée par la commission disciplinaire ou par la Chambre de recours.
La peine ne peut avoir d'effet antérieur à son prononcé.
§ 2. Si aucun accord ne peut être obtenu conformément au paragraphe précédent, le Ministre envoie le dossier au Comité au plus tard dans un délai de quinze jours suivant l'expiration du délai d'un mois.
Le Comité prend sa décision dans un délai de quatre mois à dater de la réception du dossier. Une majorité de deux tiers est nécessaire pour l'adoption de cette décision.
La peine ne peut être supérieure à celle proposée par la commission disciplinaire ou par la Chambre de recours.
Elle ne peut avoir d'effet antérieur à son prononcé.
Art. 71. Alle correspondentie tussen de inspecteur van financiën en de disciplinaire commissie, de Beroepskamer, de Minister en het Comité gebeurt op één van de volgende wijzen:
1° hetzij door elektronische mededeling waarvan de ontvangst door de ontvanger wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven in ruil voor een ondertekend ontvangstbewijs door de ontvanger dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.
De termijnen beginnen te lopen vanaf de dag van de ontvangst van de elektronische mededeling, van de ondertekening van het ontvangstbewijs of van de afgifte van de aangetekende zending.
1° hetzij door elektronische mededeling waarvan de ontvangst door de ontvanger wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven in ruil voor een ondertekend ontvangstbewijs door de ontvanger dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.
De termijnen beginnen te lopen vanaf de dag van de ontvangst van de elektronische mededeling, van de ondertekening van het ontvangstbewijs of van de afgifte van de aangetekende zending.
Art. 71. Toute la correspondance entre l'inspecteur des finances et la commission disciplinaire, la Chambre de recours, le Ministre et le Comité est transmise selon un des modes suivants:
1° soit par courriel dont la réception est confirmée par le destinataire;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un accusé de réception signé du destinataire portant la date à laquelle il est délivré;
3° soit par lettre recommandée.
Les délais commencent à courir à compter du jour de la réception du courriel, de la signature de l'accusé de réception ou du dépôt de l'envoi recommandé.
1° soit par courriel dont la réception est confirmée par le destinataire;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un accusé de réception signé du destinataire portant la date à laquelle il est délivré;
3° soit par lettre recommandée.
Les délais commencent à courir à compter du jour de la réception du courriel, de la signature de l'accusé de réception ou du dépôt de l'envoi recommandé.
Afdeling 4. - De Beroepskamer.
Section 4. - La Chambre de recours.
Art. 72. Wanneer de inspecteur van financiën niet akkoord gaat met een voorstel van zware tuchtstraf, kan hij een beroep instellen bij de Beroepskamer, opgericht bij het Korps, in de in dit besluit voorziene gevallen.
Het beroepschrift wordt gericht aan de Korpschef, die het overmaakt aan de griffier-rapporteur van de bevoegde afdeling.
Het beroepschrift wordt gericht aan de Korpschef, die het overmaakt aan de griffier-rapporteur van de bevoegde afdeling.
Art. 72. Lorsque l'inspecteur des finances n'est pas d'accord avec une proposition de peine disciplinaire lourde, il peut, dans les cas prévus par le présent arrêté, introduire un recours auprès de la Chambre de recours, créée auprès du Corps.
Le recours est adressé au Chef de Corps, qui le transmet au greffier-rapporteur de la section compétente.
Le recours est adressé au Chef de Corps, qui le transmet au greffier-rapporteur de la section compétente.
Art. 73. De Beroepskamer omvat een Franstalige en een Nederlandstalige afdeling.
De taalrol waartoe de inspecteur van financiën behoort, bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
De taalrol waartoe de inspecteur van financiën behoort, bepaalt voor welke afdeling hij verschijnt.
Art. 73. La Chambre de recours comprend une section francophone et une section néerlandophone.
Le rôle linguistique de l'inspecteur des finances détermine la section devant laquelle il comparaît.
Le rôle linguistique de l'inspecteur des finances détermine la section devant laquelle il comparaît.
Art. 74. § 1. Iedere afdeling van de Beroepskamer is samengesteld uit de drie leden van dezelfde taalrol die actief deel uitmaken van de Raad en dit volgens de rangschikking van de verkiezingen van de Raad die wordt opgesteld krachtens artikel 6, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het Interfederaal Korps van de Inspectie van financiën, uit drie leden aangewezen door de representatieve vakorganisaties, uit een griffier-rapporteur en uit plaatsvervangers.
Onder representatieve vakorganisaties worden de vakorganisaties verstaan die zitting hebben in het comité dat alle openbare diensten gemeenschappelijk hebben, overeenkomstig artikel 7 van wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Wanneer een inspecteur van financiën lid van de beroepskamer verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervanger van dezelfde taalrol bij de Raad en dit volgens de rangschikking van de verkiezingen voor de Raad.
De griffier-rapporteur en twee plaatsvervangers worden door de Minister aangewezen onder de Inspecteurs van financiën en het administratief personeel bedoeld in artikel 16, tweede lid van het organiek besluit.
§ 2. De voorzitter van elke afdeling is het lid van de Raad, verkozen met de meeste stemmen in de verkiezingen conform artikel 6 van het organiek besluit.
§ 3. Wanneer een afdeling van de Beroepskamer zetelt in de zaken bedoeld in de hoofdstukken VII en X van dit besluit wordt ze, in afwijking van paragraaf 2, door een magistraat voorgezeten, die wordt toegevoegd aan de leden bedoeld in paragraaf 1.
Op voordracht van de Minister van Justitie, duidt de Minister, voor elke afdeling, de voorzitter alsmede twee plaatsvervangende voorzitters aan onder de dienstdoende of eremagistraten van de taalrol die overeenstemt met de afdeling.
De voorzitter of zijn plaatsvervanger geniet van het presentiegeld toegekend aan de voorzitter van de federale beroepskamers.
Onder representatieve vakorganisaties worden de vakorganisaties verstaan die zitting hebben in het comité dat alle openbare diensten gemeenschappelijk hebben, overeenkomstig artikel 7 van wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
Wanneer een inspecteur van financiën lid van de beroepskamer verhinderd is, wordt hij vervangen door een plaatsvervanger van dezelfde taalrol bij de Raad en dit volgens de rangschikking van de verkiezingen voor de Raad.
De griffier-rapporteur en twee plaatsvervangers worden door de Minister aangewezen onder de Inspecteurs van financiën en het administratief personeel bedoeld in artikel 16, tweede lid van het organiek besluit.
§ 2. De voorzitter van elke afdeling is het lid van de Raad, verkozen met de meeste stemmen in de verkiezingen conform artikel 6 van het organiek besluit.
§ 3. Wanneer een afdeling van de Beroepskamer zetelt in de zaken bedoeld in de hoofdstukken VII en X van dit besluit wordt ze, in afwijking van paragraaf 2, door een magistraat voorgezeten, die wordt toegevoegd aan de leden bedoeld in paragraaf 1.
Op voordracht van de Minister van Justitie, duidt de Minister, voor elke afdeling, de voorzitter alsmede twee plaatsvervangende voorzitters aan onder de dienstdoende of eremagistraten van de taalrol die overeenstemt met de afdeling.
De voorzitter of zijn plaatsvervanger geniet van het presentiegeld toegekend aan de voorzitter van de federale beroepskamers.
Art. 74. § 1er. Chaque section de la Chambre de recours est composée des trois membres du même rôle linguistique faisant activement partie du Conseil selon le classement des élections du Conseil établi en vertu de l'article 6, § 2, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances, de trois membres désignés par les organisations syndicales représentatives, d'un greffier-rapporteur et de suppléants.
Par organisations syndicales représentatives, il y a lieu d'entendre les organisations syndicales qui siègent au comité commun à l'ensemble des services publics conformément à l'article 7 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
Lorsqu'un inspecteur des finances, membre de la Chambre de recours, est empêché, il est remplacé par un suppléant du Conseil du même rôle linguistique selon le classement des élections du Conseil.
Le greffier-rapporteur et deux suppléants sont désignés par le Ministre parmi les inspecteurs des finances et le personnel administratif visés à l'article 16, alinéa 2 de l'arrêté organique.
§ 2. Le président de chaque section est le membre du Conseil élu avec le plus de voix aux élections conformément à l'article 6 de l'arrête organique.
§ 3. Lorsqu'une section de la Chambre de recours siège dans les affaires visées aux chapitres VII et X du présent arrêté, elle est, par dérogation au paragraphe 2, présidée par un magistrat qui s'ajoute aux membres prévus au paragraphe 1er.
Sur proposition du Ministre de la Justice, le Ministre désigne, pour chaque section, le président, ainsi que deux présidents suppléants parmi les magistrats effectifs ou honoraires du rôle linguistique correspondant à la section.
Le président ou son remplaçant bénéficie du jeton de présence accordé au président des chambres de recours fédérales.
Par organisations syndicales représentatives, il y a lieu d'entendre les organisations syndicales qui siègent au comité commun à l'ensemble des services publics conformément à l'article 7 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
Lorsqu'un inspecteur des finances, membre de la Chambre de recours, est empêché, il est remplacé par un suppléant du Conseil du même rôle linguistique selon le classement des élections du Conseil.
Le greffier-rapporteur et deux suppléants sont désignés par le Ministre parmi les inspecteurs des finances et le personnel administratif visés à l'article 16, alinéa 2 de l'arrêté organique.
§ 2. Le président de chaque section est le membre du Conseil élu avec le plus de voix aux élections conformément à l'article 6 de l'arrête organique.
§ 3. Lorsqu'une section de la Chambre de recours siège dans les affaires visées aux chapitres VII et X du présent arrêté, elle est, par dérogation au paragraphe 2, présidée par un magistrat qui s'ajoute aux membres prévus au paragraphe 1er.
Sur proposition du Ministre de la Justice, le Ministre désigne, pour chaque section, le président, ainsi que deux présidents suppléants parmi les magistrats effectifs ou honoraires du rôle linguistique correspondant à la section.
Le président ou son remplaçant bénéficie du jeton de présence accordé au président des chambres de recours fédérales.
Art. 75. In geval van verhindering neemt de inspecteur van financiën die lid is, onmiddellijk contact op met de Korpschef die een beroep doet op een plaatsvervanger.
Er moeten evenveel Inspecteurs van financiën als door de vakorganisaties aangewezen assessoren aan de stemming deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meer bij loting aangewezen assessoren.
Elke afdeling van de Beroepskamer heeft op geldige wijze zitting zodra er vier leden aanwezig zijn, waaronder de Voorzitter.
Er moeten evenveel Inspecteurs van financiën als door de vakorganisaties aangewezen assessoren aan de stemming deelnemen. In voorkomend geval wordt de pariteit hersteld door uitschakeling van één of meer bij loting aangewezen assessoren.
Elke afdeling van de Beroepskamer heeft op geldige wijze zitting zodra er vier leden aanwezig zijn, waaronder de Voorzitter.
Art. 75. En cas d'empêchement, le membre inspecteur des finances prévient sans délai le Chef de Corps qui fait appel à un suppléant.
Les inspecteurs des finances et les assesseurs désignés par les organisations syndicales, qui prennent part au vote, doivent être en nombre égal. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs assesseurs, après tirage au sort.
Chaque section de la Chambre de recours siège valablement dès que quatre membres sont présents, dont le Président.
Les inspecteurs des finances et les assesseurs désignés par les organisations syndicales, qui prennent part au vote, doivent être en nombre égal. Le cas échéant, la parité est rétablie par l'élimination d'un ou de plusieurs assesseurs, après tirage au sort.
Chaque section de la Chambre de recours siège valablement dès que quatre membres sont présents, dont le Président.
Art. 76. De griffier rapporteur roept de verzoeker op uiterlijk vijftien dagen vóór de hoorzitting.
De oproepingsbrief vermeldt de lijst van de leden van de beroepskamer die opgeroepen zijn voor het onderzoek van zijn beroep.
De oproepingsbrief vermeldt de lijst van de leden van de beroepskamer die opgeroepen zijn voor het onderzoek van zijn beroep.
Art. 76. Le greffier-rapporteur convoque le requérant au plus tard quinze jours avant l'audience.
La lettre de convocation reprend la liste des membres de la Chambre de recours appelés à connaître son recours.
La lettre de convocation reprend la liste des membres de la Chambre de recours appelés à connaître son recours.
Art. 77. De verzoeker heeft het recht om één lid te wraken binnen een termijn van zeven kalenderdagen na de mededeling van de lijst.
De vervanging gebeurt conform artikel 75 wanneer het gaat om een lid inspecteur van financiën.
De voorzitter wraakt het lid dat als rechter in eigen zaak beschouwd zou kunnen worden.
De vervanging gebeurt conform artikel 75 wanneer het gaat om een lid inspecteur van financiën.
De voorzitter wraakt het lid dat als rechter in eigen zaak beschouwd zou kunnen worden.
Art. 77. Le requérant a le droit de récuser un membre dans un délai de sept jours calendrier suivant la communication de la liste.
Le remplacement s'effectue conformément à l'article 75 lorsqu'il s'agit d'un membre inspecteur des finances.
Le président récuse le membre qui pourrait être considéré comme juge et partie.
Le remplacement s'effectue conformément à l'article 75 lorsqu'il s'agit d'un membre inspecteur des finances.
Le président récuse le membre qui pourrait être considéré comme juge et partie.
Art. 78. De voorzitter kan de Korpschef of zijn gemachtigde uitnodigen om de voorgestelde tuchtmaatregel te verdedigen.
Art. 78. Le président peut inviter le Chef de Corps ou son délégué à défendre la mesure disciplinaire proposée.
Art. 79. De Beroepskamer hoort de inspecteur van financiën alvorens een advies te formuleren.
Behalve bij gewettigde verhindering verschijnt de verzoeker persoonlijk; hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een raadgever of bij gewettigde verhindering zich door die raadgever laten vertegenwoordigen.
Behalve bij gewettigde verhindering verschijnt de verzoeker persoonlijk; hij mag zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een raadgever of bij gewettigde verhindering zich door die raadgever laten vertegenwoordigen.
Art. 79. La Chambre de recours entend l'inspecteur des finances avant de formuler un avis.
Le requérant comparaît en personne, sauf empêchement légitime; il peut se faire assister pour sa défense par un conseil ou, en cas d'empêchement légitime, se faire représenter par ce conseil.
Le requérant comparaît en personne, sauf empêchement légitime; il peut se faire assister pour sa défense par un conseil ou, en cas d'empêchement légitime, se faire représenter par ce conseil.
Art. 80. Indien de inspecteur van financiën, ofschoon volgens de voorschriften opgeroepen, zonder geldige reden niet verschijnt, of zich niet laat vertegenwoordigen bij gewettigde afwezigheid, wordt hij geacht af te zien van zijn beroep.
Art. 80. Si l'inspecteur des finances, malgré une convocation valable, ne comparaît pas sans motif valable, ou, en cas d'empêchement légitime, ne se fait pas représenter, il est réputé se désister de son recours.
Art. 81. Vóór de sluiting van de debatten kan de voorzitter twee leden aanwijzen, één onder de inspecteurs van financiën en één onder de aanwezige syndicale afgevaardigden, om een aanvullend onderzoek te verrichten.
Art. 81. Avant la clôture des débats, le président peut désigner deux membres, un parmi les inspecteurs des finances et un parmi les représentants syndicaux présents, pour mener une enquête complémentaire.
Art. 82. In voorkomend geval organiseert de Voorzitter verschillende stemrondes met het oog op het bepalen van een gemeenschappelijk standpunt inzake het niveau en de omvang van de sanctie.
De stemmingen zijn geheim en bij gewone meerderheid. De voorzitter is stemgerechtigd. De griffier-rapporteur is niet stemgerechtigd.
De stemmingen zijn geheim en bij gewone meerderheid. De voorzitter is stemgerechtigd. De griffier-rapporteur is niet stemgerechtigd.
Art. 82. Le cas échéant, le Président organise plusieurs tours de vote en vue de déterminer une position commune sur le niveau et l'étendue de la peine.
Le vote a lieu au scrutin secret et à la majorité simple. Le président a voix délibérative. Le greffier-rapporteur n'a pas voix délibérative.
Le vote a lieu au scrutin secret et à la majorité simple. Le président a voix délibérative. Le greffier-rapporteur n'a pas voix délibérative.
Art. 83. De Beroepskamer stuurt onverwijld haar advies toe aan de verzoeker, bij aangetekende brief, en aan de Korpschef.
Het advies betreft zowel de opportuniteit van de sanctie als de grootte ervan. Een afschrift van het advies wordt overgemaakt aan de betrokken inspecteur van financiën.
Als de Beroepskamer de tuchtschorsing, de inhouding van wedde of de terugzetting in weddeschaal voorstelt, stelt zij de omvang ervan voor.
Het advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de voorstellen worden ondersteund.
Het advies betreft zowel de opportuniteit van de sanctie als de grootte ervan. Een afschrift van het advies wordt overgemaakt aan de betrokken inspecteur van financiën.
Als de Beroepskamer de tuchtschorsing, de inhouding van wedde of de terugzetting in weddeschaal voorstelt, stelt zij de omvang ervan voor.
Het advies vermeldt met hoeveel stemmen, voor of tegen, de voorstellen worden ondersteund.
Art. 83. La Chambre de recours adresse sans délai son avis par lettre recommandée au requérant ainsi qu'au Chef de Corps.
L'avis porte tant sur l'opportunité de la peine que sur son étendue. Une copie de l'avis est adressée à l'inspecteur des finances concerné.
Si la Chambre de recours propose la suspension disciplinaire, la retenue de traitement ou la rétrogradation dans l'échelle de traitement, elle en propose l'ampleur.
L'avis mentionne par quel nombre de voix, pour ou contre, les propositions sont soutenues.
L'avis porte tant sur l'opportunité de la peine que sur son étendue. Une copie de l'avis est adressée à l'inspecteur des finances concerné.
Si la Chambre de recours propose la suspension disciplinaire, la retenue de traitement ou la rétrogradation dans l'échelle de traitement, elle en propose l'ampleur.
L'avis mentionne par quel nombre de voix, pour ou contre, les propositions sont soutenues.
Afdeling 5. - De doorhaling van de tuchtstraffen.
Section 5. - La radiation des peines disciplinaires.
Art. 84. § 1. Met uitzondering van de afzetting en het ontslag van ambtswege wordt elke tuchtstraf in het persoonlijk dossier van de inspecteur van financiën doorgehaald onder de in § 2 bepaalde voorwaarden en uit het personeelsdossier verwijderd.
Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 56, 2de lid en onverminderd de uitvoering van de straf heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer wordt gehouden inzonderheid bij de toekenning van de evaluatie.
§ 2. De doorhaling van de tuchtstraffen gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :
-zes maanden voor de terechtwijzing;
- negen maanden voor de blaam;
- één jaar voor de inhouding van wedde;
- achttien maanden voor de tuchtschorsing;
- drie jaar voor terugzetting in weddeschaal.
De termijn loopt vanaf de datum van de eindbeslissing in de tuchtprocedure.
Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 56, 2de lid en onverminderd de uitvoering van de straf heeft de doorhaling tot gevolg dat met de doorgehaalde tuchtstraf geen rekening meer wordt gehouden inzonderheid bij de toekenning van de evaluatie.
§ 2. De doorhaling van de tuchtstraffen gebeurt van rechtswege na een termijn waarvan de duur is vastgesteld op :
-zes maanden voor de terechtwijzing;
- negen maanden voor de blaam;
- één jaar voor de inhouding van wedde;
- achttien maanden voor de tuchtschorsing;
- drie jaar voor terugzetting in weddeschaal.
De termijn loopt vanaf de datum van de eindbeslissing in de tuchtprocedure.
Art. 84. § 1er. A l'exception de la révocation et de la démission d'office, toute peine disciplinaire est radiée du dossier individuel de l'inspecteur des finances aux conditions fixées au § 2 et est retirée du dossier du personnel.
Sous réserve de l'application de l'article 56, alinéa 2 et sans préjudice de l'exécution de la peine, la radiation a pour effet qu'il ne peut plus être tenu compte de la peine disciplinaire, notamment lors de l'attribution de l'évaluation.
§ 2. La radiation des peines disciplinaires est opérée d'office après une période qui est égale à :
-six mois pour le rappel à l'ordre;
- neuf mois pour le blâme;
- un an pour la retenue de traitement ;
- dix-huit mois pour la suspension disciplinaire;
- trois ans pour la régression d'échelle barémique.
Le délai prend cours à la date de la décision définitive dans la procédure disciplinaire.
Sous réserve de l'application de l'article 56, alinéa 2 et sans préjudice de l'exécution de la peine, la radiation a pour effet qu'il ne peut plus être tenu compte de la peine disciplinaire, notamment lors de l'attribution de l'évaluation.
§ 2. La radiation des peines disciplinaires est opérée d'office après une période qui est égale à :
-six mois pour le rappel à l'ordre;
- neuf mois pour le blâme;
- un an pour la retenue de traitement ;
- dix-huit mois pour la suspension disciplinaire;
- trois ans pour la régression d'échelle barémique.
Le délai prend cours à la date de la décision définitive dans la procédure disciplinaire.
Afdeling 6. - Bepalingen eigen aan de Korpschef
Section 6. - Dispositions propres au Chef de Corps
Art. 84bis. De afdelingen 1, 2 en 5 van dit hoofdstuk, op uitzondering van artikel 62, alsook artikel 83 van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de tekortkomingen aan zijn plichten begaan door de Korpschef.
Art. 84bis. Les sections 1, 2 et 5 du présent chapitre, à l'exception de l'article 62, ainsi que l'article 83 du présent chapitre sont applicables aux manquements à ses devoirs commis par le Chef de Corps.
Art. 84ter. De tuchtvordering wordt ingesteld met de oproeping door de Minister aan de Korpschef om door hem te worden gehoord in zijn verdediging.
Art. 84ter. L'action disciplinaire est entamée par la convocation envoyée par le Ministre au Chef de Corps afin que ce dernier soit entendu dans sa défense.
Art. 84quater. § 1. De Korpschef wordt door de Minister opgeroepen om te worden gehoord in zijn verdediging.
De oproeping van de Korpschef om in zijn verdediging gehoord te worden, dient melding te maken van:
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het feit dat een tuchtstraf wordt in overweging genomen;
3° de plaats, dag en het uur van het verhoor;
4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadgever of zich te laten vertegenwoordigen door een raadgever bij gewettigde verhindering;
5° het recht van de betrokkene om het horen van getuigen te vragen;
6° het recht van de betrokkene om voorafgaand aan de hoorzitting een schriftelijk verweer in te dienen;
7° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien en het recht gratis fotokopieën ervan te maken.
De betrokkene kan reeds opgeroepen worden in de brief bedoeld in artikel 84ter.
§ 2. De belanghebbende en zijn raadgever kunnen het tuchtdossier op hun verzoek raadplegen voordat de hoorzitting plaats vindt. Zij beschikken voor de inzage van het dossier over een termijn van ten minste vijftien kalenderdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.
De oproeping van de Korpschef om in zijn verdediging gehoord te worden, dient melding te maken van:
1° de ten laste gelegde feiten;
2° het feit dat een tuchtstraf wordt in overweging genomen;
3° de plaats, dag en het uur van het verhoor;
4° het recht van de betrokkene om zich te laten bijstaan door een raadgever of zich te laten vertegenwoordigen door een raadgever bij gewettigde verhindering;
5° het recht van de betrokkene om het horen van getuigen te vragen;
6° het recht van de betrokkene om voorafgaand aan de hoorzitting een schriftelijk verweer in te dienen;
7° de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien en het recht gratis fotokopieën ervan te maken.
De betrokkene kan reeds opgeroepen worden in de brief bedoeld in artikel 84ter.
§ 2. De belanghebbende en zijn raadgever kunnen het tuchtdossier op hun verzoek raadplegen voordat de hoorzitting plaats vindt. Zij beschikken voor de inzage van het dossier over een termijn van ten minste vijftien kalenderdagen na ontvangst van de oproepingsbrief.
Art. 84quater. § 1er. Le Ministre convoque le Chef de Corps afin que ce dernier soit entendu dans sa défense.
La convocation envoyée au Chef de Corps afin qu'il soit entendu dans sa défense doit mentionner :
1° les fait imputés ;
2° le fait qu'une peine disciplinaire est envisagée ;
3° le lieu, la date et l'heure de l'audience ;
4° le droit de la personne concernée de se faire assister par un conseil ou de se faire représenter par un conseil en cas d'empêchement légitime ;
5° le droit de la personne concernée de demander l'audition de témoins ;
6° le droit de la personne concernée de présenter une défense écrite avant l'audience ;
7° le lieu où et le délai dans lequel le dossier disciplinaire peut être consulté et le droit d'en faire des photocopies gratuites.
La personne concernée peut déjà être convoquée dans la lettre visée à l'article 84ter.
§ 2. A leur demande, la personne concernée et son conseil peuvent consulter le dossier disciplinaire avant que l'audience n'ait lieu. Ils disposent d'un délai d'au moins quinze jours calendrier pour consulter le dossier après réception de la lettre de convocation.
La convocation envoyée au Chef de Corps afin qu'il soit entendu dans sa défense doit mentionner :
1° les fait imputés ;
2° le fait qu'une peine disciplinaire est envisagée ;
3° le lieu, la date et l'heure de l'audience ;
4° le droit de la personne concernée de se faire assister par un conseil ou de se faire représenter par un conseil en cas d'empêchement légitime ;
5° le droit de la personne concernée de demander l'audition de témoins ;
6° le droit de la personne concernée de présenter une défense écrite avant l'audience ;
7° le lieu où et le délai dans lequel le dossier disciplinaire peut être consulté et le droit d'en faire des photocopies gratuites.
La personne concernée peut déjà être convoquée dans la lettre visée à l'article 84ter.
§ 2. A leur demande, la personne concernée et son conseil peuvent consulter le dossier disciplinaire avant que l'audience n'ait lieu. Ils disposent d'un délai d'au moins quinze jours calendrier pour consulter le dossier après réception de la lettre de convocation.
Art. 84quinquies. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt door een griffier-rapporteur aangewezen door het Comité. De betrokkene of zijn raadgever ontvangen hiervan een kopie .
Art. 84quinquies. Il est dressé un procès-verbal de l'audience par un greffier-rapporteur désigné par le Comité. La personne concernée ou son conseil obtient une copie de ce procès-verbal.
Art. 84sexies. Indien de Minister oordeelt dat een tuchtstraf gerechtvaardigd is, neemt hij binnen een termijn van één maand een gemotiveerde beslissing, hetzij waarbij een lichte tuchtstraf wordt opgelegd, hetzij waarbij hij een zware tuchtstraf voorstelt. Een afschrift van de beslissing of het voorstel wordt betekend aan de Korpschef.
Art. 84sexies. Si le Ministre estime qu'une peine disciplinaire est justifiée, il prend une décision motivée dans un délai d'un mois, soit au cas où une peine disciplinaire légère est décidée, soit au cas où une peine disciplinaire lourde est proposée. Une copie de la décision ou de la proposition est signifiée au Chef de Corps.
Art. 84septies. De korpschef kan, in het voorkomende geval dat een zware tuchtstraf wordt voorgesteld, binnen een termijn van vijftien kalenderdagen een beroep indienen bij door de raad van beroep inzake tuchtzaken voor de houders van een management- of staffunctie, zoals bedoeld in artikel 82 van het Koninklijk Besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel.
Hij heeft het recht om binnen dezelfde termijn van vijftien dagen een gemotiveerd beroepschrift over te maken.
Artikels 83bis en 86 tot en met 93 van hetzelfde besluit zijn van toepassing.
De Minister informeert de raad van beroep.
Hij heeft het recht om binnen dezelfde termijn van vijftien dagen een gemotiveerd beroepschrift over te maken.
Artikels 83bis en 86 tot en met 93 van hetzelfde besluit zijn van toepassing.
De Minister informeert de raad van beroep.
Art. 84septies. Dans le cas où une peine disciplinaire lourde est proposée, le Chef de Corps peut, dans les quinze jours calendrier, déposer un recours devant la chambre de recours en matière disciplinaire des titulaires d'une fonction de management ou d'encadrement, prévu à l'article 82 de l'arrêté royal du 2 octobre 1937 portant le statut des agents de l'Etat.
Il a le droit de transmettre un recours motivé dans le même délai de quinze jours.
Les articles 83bis et 86 à 93 du même arrêté sont d'application.
Le Ministre informe la Chambre de recours.
Il a le droit de transmettre un recours motivé dans le même délai de quinze jours.
Les articles 83bis et 86 à 93 du même arrêté sont d'application.
Le Ministre informe la Chambre de recours.
Art. 84octies. Indien de Korpschef binnen de voorziene termijn geen beroep indient bij de raad van beroep wordt het voorstel van sanctie overgemaakt aan het Comité.
Art. 84octies. Si le Chef de Corps n'introduit pas de recours devant la chambre de recours, la proposition de peine est transmise au Comité.
Art. 84nonies. De raad van beroep brengt een advies uit binnen één maand na de hoorzitting. Ingeval van toepassing van artikel 81 wordt de termijn opgeschort tot de nieuwe hoorzitting na het onderzoek. Het advies betreft zowel de opportuniteit van de sanctie als de grootte ervan. Een afschrift van het advies wordt overgemaakt aan de Korpschef.
Indien het advies besluit dat een tuchtvoorstel gerechtvaardigd is, wordt het dossier aan het Comité overgemaakt voor zover het een voorstel van zware tuchtstraf betreft. In het voorkomende geval dat een lichte tuchtstraf wordt voorgesteld wordt het dossier overgemaakt aan de Minister.
In het tegenovergestelde geval, wordt de procedure beëindigd.
Indien het advies besluit dat een tuchtvoorstel gerechtvaardigd is, wordt het dossier aan het Comité overgemaakt voor zover het een voorstel van zware tuchtstraf betreft. In het voorkomende geval dat een lichte tuchtstraf wordt voorgesteld wordt het dossier overgemaakt aan de Minister.
In het tegenovergestelde geval, wordt de procedure beëindigd.
Art. 84nonies. La chambre de recours émet un avis dans un délai d'un mois après l'audience. En cas d'application de l'article 81, le délai est suspendu jusqu'à la nouvelle audience après l'enquête. L'avis porte tant sur l'opportunité de la peine que sur son étendue. Une copie de l'avis est adressée au Chef de Corps.
Si l'avis conclut qu'une peine disciplinaire se justifie, le dossier est transmis au Comité dans la mesure où il s'agit d'une proposition de peine disciplinaire lourde. En cas de proposition de peine disciplinaire légère, le dossier est transmis au Ministre.
Dans le cas contraire, la procédure prend fin.
Si l'avis conclut qu'une peine disciplinaire se justifie, le dossier est transmis au Comité dans la mesure où il s'agit d'une proposition de peine disciplinaire lourde. En cas de proposition de peine disciplinaire légère, le dossier est transmis au Ministre.
Dans le cas contraire, la procédure prend fin.
Art. 84decies. § 1. Het Comité beslist binnen een termijn van vier maanden na ontvangst van het dossier.
De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de Minister of door de raad van beroep.
De straf kan geen gevolg hebben voorafgaand aan de uitspraak ervan.
§ 2. Indien het voorstel van de raad van beroep een lichte tuchtstraf betreft beslist de Minister binnen een termijn van één maand en is hij hierbij gebonden aan het door de raad van beroep geformuleerde voorstel.
De straf kan niet hoger zijn dan deze die voorgesteld werd door de Minister of door de raad van beroep.
De straf kan geen gevolg hebben voorafgaand aan de uitspraak ervan.
§ 2. Indien het voorstel van de raad van beroep een lichte tuchtstraf betreft beslist de Minister binnen een termijn van één maand en is hij hierbij gebonden aan het door de raad van beroep geformuleerde voorstel.
Art. 84decies. § 1. Le Comité prend une décision dans un délai de quatre mois à compter de la réception du dossier.
La peine ne peut être supérieure à celle proposée par le Ministre ou par la chambre de recours.
La peine ne peut avoir d'effet antérieur à son prononcé.
§ 2. Si la proposition de la chambre de recours concerne une peine disciplinaire légère, le Ministre tranchera dans un délai d'un mois et sera lié par la proposition formulée par la chambre de recours.
La peine ne peut être supérieure à celle proposée par le Ministre ou par la chambre de recours.
La peine ne peut avoir d'effet antérieur à son prononcé.
§ 2. Si la proposition de la chambre de recours concerne une peine disciplinaire légère, le Ministre tranchera dans un délai d'un mois et sera lié par la proposition formulée par la chambre de recours.
Art. 84undecies. Alle correspondentie tussen de Korpschef en de Minister, de raad van beroep en het Comité gebeurt op één van de volgende wijzen:
1° hetzij door elektronische mededeling waarvan de ontvangst door de ontvanger wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven in ruil voor een ondertekend ontvangstbewijs door de ontvanger dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.
De termijnen beginnen te lopen vanaf de dag van de ontvangst van de elektronische mededeling, van de ondertekening van het ontvangstbewijs of van de afgifte van de aangetekende zending.
1° hetzij door elektronische mededeling waarvan de ontvangst door de ontvanger wordt bevestigd;
2° hetzij door overhandiging van een schrijven in ruil voor een ondertekend ontvangstbewijs door de ontvanger dat de datum van ontvangst vermeldt;
3° hetzij door een aangetekend schrijven.
De termijnen beginnen te lopen vanaf de dag van de ontvangst van de elektronische mededeling, van de ondertekening van het ontvangstbewijs of van de afgifte van de aangetekende zending.
Art. 84undecies. Toute la correspondance entre le Chef de Corps et le Ministre, la chambre de recours et le Comité est transmise selon un des modes suivants:
1° soit par courriel dont la réception est confirmée par le destinataire;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un accusé de réception portant la signature du destinataire et la date à laquelle il est délivré;
3° soit par lettre recommandée.
Les délais commencent à courir à compter du jour de la réception du courriel, de la signature de l'accusé de réception ou du dépôt de l'envoi recommandé.
1° soit par courriel dont la réception est confirmée par le destinataire;
2° soit par remise d'un écrit de la main à la main en échange d'un accusé de réception portant la signature du destinataire et la date à laquelle il est délivré;
3° soit par lettre recommandée.
Les délais commencent à courir à compter du jour de la réception du courriel, de la signature de l'accusé de réception ou du dépôt de l'envoi recommandé.
Art. 84duodecies. In elke stand van de tuchtprocedure mag de Korpschef zich voor zijn verdediging laten bijstaan door een raadgever of bij gewettigde verhindering zich door die raadgever laten vertegenwoordigen."
Art. 84duodecies. A tout moment de la procédure disciplinaire, le Chef de Corps peut se faire assister pour sa défense par un conseil ou, en cas d'empêchement légitime, se faire représenter par ce conseil.
Art. 17. In artikel 95 van hetzelfde besluit worden de woorden "drie jaar" vervangen door "vier jaar".
Art. 17. A l'article 95 du même arrêté, les mots " trois ans " sont remplacés par les mots " quatre ans ".
Art. 18. In artikel 97 van hetzelfde besluit worden de woorden "en na voorafgaand akkoord van de Korpschef" toegevoegd.
Art. 18. A l'article 97 du même arrêté, sont ajoutés les mots " et après accord préalable du Chef de Corps ".
Art. 19. In artikel 110 van hetzelfde besluit worden een tweede en derde alinea toegevoegd die luiden als volgt:
"De bepalingen van Titel II, hoofdstuk II, afdeling 3 en hoofdstuk III, en deze van Titel III, hoofdstukken II en IV van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt zijn niet van toepassing op de inspecteurs van financiën.
De bepalingen van Titel II, hoofdstuk II, afdeling 2 van hetzelfde besluit zijn uitsluitend van toepassing op de gevallen zoals bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën."
"De bepalingen van Titel II, hoofdstuk II, afdeling 3 en hoofdstuk III, en deze van Titel III, hoofdstukken II en IV van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt zijn niet van toepassing op de inspecteurs van financiën.
De bepalingen van Titel II, hoofdstuk II, afdeling 2 van hetzelfde besluit zijn uitsluitend van toepassing op de gevallen zoals bedoeld in artikel 5, § 2, tweede lid van het koninklijk besluit van 1 april 2003 tot vaststelling van het statuut van de leden van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën en tot wijziging van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën."
Art. 19. A l'article 110 du même arrêté, un deuxième et troisième alinéa sont inséré, rédigé comme suit :
" Les dispositions du Titre II, Chapitre II, section 3 et chapitre III, et celles du Titre III, Chapitres II et IV de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 de l'arrêté royal fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ne sont pas d'application aux inspecteurs des finances.
Les dispositions du Titre II, Chapitre II, section 2 du même arrêté ne s'applliquent qu'aux cas comme prévus dans l'article 5, § 2, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 1 avril 2003 fixant le statut des membres du Corps interfédéral de l'Inspection des finances et modifiant l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances.
" Les dispositions du Titre II, Chapitre II, section 3 et chapitre III, et celles du Titre III, Chapitres II et IV de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 de l'arrêté royal fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale ne sont pas d'application aux inspecteurs des finances.
Les dispositions du Titre II, Chapitre II, section 2 du même arrêté ne s'applliquent qu'aux cas comme prévus dans l'article 5, § 2, deuxième alinéa de l'arrêté royal du 1 avril 2003 fixant le statut des membres du Corps interfédéral de l'Inspection des finances et modifiant l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances.
Art. 20. In hetzelfde besluit wordt een hoofdstuk XI bis toegevoegd dat als volgt luidt: "Verlof voor loopbaanonderbreking", bestaande uit volgend artikel:
"Art. 97bis. In het voorkomende geval dat de inspecteur van financiën tijdens dit verlof een bezoldigde activiteit uitoefent dient deze activiteit verenigbaar te zijn met de hoedanigheid van inspecteur van financiën en waarbij het voorafgaand akkoord van de Korpschef vereist is".
"Art. 97bis. In het voorkomende geval dat de inspecteur van financiën tijdens dit verlof een bezoldigde activiteit uitoefent dient deze activiteit verenigbaar te zijn met de hoedanigheid van inspecteur van financiën en waarbij het voorafgaand akkoord van de Korpschef vereist is".
Art. 20. Il est ajouté au même arrêté un chapitre XI bis, rédigé comme suit : " Congé pour interruption de carrière ", composé de l'article suivant :
" Art. 97bis. Dans le cas où l'inspecteur des finances exerce une activité rémunérée pendant ce congé, cette activité doit être compatible avec la qualité d'inspecteur des finances et nécessiter l'accord préalable du Chef de Corps ".
" Art. 97bis. Dans le cas où l'inspecteur des finances exerce une activité rémunérée pendant ce congé, cette activité doit être compatible avec la qualité d'inspecteur des finances et nécessiter l'accord préalable du Chef de Corps ".
Art. 21. Bijlage 2 van hetzelfde besluit wordt als volgt vervangen: "Lijst van de koninklijke besluiten zoals bedoeld in artikel 110 van dit besluit: nihil".
Art. 21. L'annexe 2 au même arrêté est remplacé comme suite : " Liste des arrêtés royaux visés a l'article 110 du présent arrêté : nihil "
HOOFDSTUK 3. - Overgangs- en slotbepalingen
CHAPITRE 3. - Dispositions transitoires et finales
Art. 22. In afwachting van een beslissing van de Raad bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 april 1998 tot organisatie van het interfederaal Korps van de Inspectie van financiën wordt het examen georganiseerd conform de artikelen 23 en 24.
Art. 22. Dans l'attente d'une décision du Conseil, visée à l'article 6 de l'arrêté royal du 28 avril 1998 portant organisation du Corps interfédéral de l'Inspection des finances, l'examen est organisé conformément aux articles 23 et 24.
Art. 23. Het vergelijkend examen omvat 4 proeven in de volgende volgorde, die elk eliminerend zijn:
a)Een mondelinge proef over de algemene vorming, zijnde een onderhoud tussen de examencommissie en de deelnemers. Dit onderhoud gaat over algemene kwesties die de persoonlijkheid, de geestes- en karakterrijpheid van de deelnemers tot uiting kunnen laten komen. Deze proef is bestemd om te peilen naar het denk- en uitdrukkingsvermogen van de deelnemers, meer bepaald om uit te maken in hoeverre zij geschikt zijn om het bedoelde ambt uit te oefenen;
b) Een mondelinge proef over de economische vakken, die de algemene en gespecialiseerde kennis van de kandidaat evalueert op het vlak van openbare financiën, economie en beheerstechnieken toegepast op de overheidssector, met inbegrip van de audittechnieken;
c) Een mondelinge proef over de juridische vakken, die de bekwaamheid van de kandidaat evalueert op het vlak van grondwettelijk recht, met inbegrip van noties van Europees recht, administratief recht, begrotingsrecht en rijkscomptabiliteit;
d) Een schriftelijke proef die bestaat uit een onderzoek van een geval verbonden aan de functie en die onder meer tot doel heeft de zin voor synthese en de kritische zin van de deelnemers te toetsen.
De Korpschef bepaalt voor elk examen de volgorde van de mondelinge proeven bedoeld sub b) en c).
De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD BOSA zal na overleg met de Korpschef beslissen of er een voorselectie wordt georganiseerd en hoe er gequoteerd wordt en in voorkomend geval hoeveel punten er moeten worden bepaald en hoeveel kandidaten worden toegelaten tot de proeven.
a)Een mondelinge proef over de algemene vorming, zijnde een onderhoud tussen de examencommissie en de deelnemers. Dit onderhoud gaat over algemene kwesties die de persoonlijkheid, de geestes- en karakterrijpheid van de deelnemers tot uiting kunnen laten komen. Deze proef is bestemd om te peilen naar het denk- en uitdrukkingsvermogen van de deelnemers, meer bepaald om uit te maken in hoeverre zij geschikt zijn om het bedoelde ambt uit te oefenen;
b) Een mondelinge proef over de economische vakken, die de algemene en gespecialiseerde kennis van de kandidaat evalueert op het vlak van openbare financiën, economie en beheerstechnieken toegepast op de overheidssector, met inbegrip van de audittechnieken;
c) Een mondelinge proef over de juridische vakken, die de bekwaamheid van de kandidaat evalueert op het vlak van grondwettelijk recht, met inbegrip van noties van Europees recht, administratief recht, begrotingsrecht en rijkscomptabiliteit;
d) Een schriftelijke proef die bestaat uit een onderzoek van een geval verbonden aan de functie en die onder meer tot doel heeft de zin voor synthese en de kritische zin van de deelnemers te toetsen.
De Korpschef bepaalt voor elk examen de volgorde van de mondelinge proeven bedoeld sub b) en c).
De directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD BOSA zal na overleg met de Korpschef beslissen of er een voorselectie wordt georganiseerd en hoe er gequoteerd wordt en in voorkomend geval hoeveel punten er moeten worden bepaald en hoeveel kandidaten worden toegelaten tot de proeven.
Art. 23. Le concours est composé de 4 épreuves dans l'ordre suivant, toutes étant éliminatoires :
a)une épreuve orale sur la formation générale, qui consiste en un entretien entre la commission d'examen et les participants. Cet entretien porte sur des questions générales susceptibles de faire ressortir la personnalité ainsi que la maturité d'esprit et de caractère des participants. Cette épreuve a pour but de tester la capacité de réflexion et d'expression des participants, et notamment de déterminer leur aptitude à exercer la fonction envisagée ;
b) une épreuve orale sur des matières économiques visant à évaluer les connaissances générales et spécialisées du candidat en matière de finances publiques, d'économie et de techniques de gestion appliquées au secteur public, y compris les techniques d'audit ;
c) une épreuve orale dans les matières juridiques qui évalue l'expertise du candidat en droit constitutionnel, y compris les notions de droit européen, en droit administratif, en droit budgétaire et en comptabilité publique ;
d) une épreuve écrite consistant en l'examen d'un cas en rapport avec la fonction et visant notamment à examiner l'esprit de synthèse et l'esprit critique des participants.
Le Chef de Corps détermine pour chaque examen l'ordre des épreuves orales visées sous b) et c).
Après concertation avec le Chef de Corps, le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du SPF BOSA décidera d'organiser ou non une présélection et de la manière de la coter et, le cas échéant, du nombre de points à fixer et combien de candidants peuvent être admis aux épreuves.
a)une épreuve orale sur la formation générale, qui consiste en un entretien entre la commission d'examen et les participants. Cet entretien porte sur des questions générales susceptibles de faire ressortir la personnalité ainsi que la maturité d'esprit et de caractère des participants. Cette épreuve a pour but de tester la capacité de réflexion et d'expression des participants, et notamment de déterminer leur aptitude à exercer la fonction envisagée ;
b) une épreuve orale sur des matières économiques visant à évaluer les connaissances générales et spécialisées du candidat en matière de finances publiques, d'économie et de techniques de gestion appliquées au secteur public, y compris les techniques d'audit ;
c) une épreuve orale dans les matières juridiques qui évalue l'expertise du candidat en droit constitutionnel, y compris les notions de droit européen, en droit administratif, en droit budgétaire et en comptabilité publique ;
d) une épreuve écrite consistant en l'examen d'un cas en rapport avec la fonction et visant notamment à examiner l'esprit de synthèse et l'esprit critique des participants.
Le Chef de Corps détermine pour chaque examen l'ordre des épreuves orales visées sous b) et c).
Après concertation avec le Chef de Corps, le directeur général de la Direction générale Recrutement et Développement du SPF BOSA décidera d'organiser ou non une présélection et de la manière de la coter et, le cas échéant, du nombre de points à fixer et combien de candidants peuvent être admis aux épreuves.
Art. 24. De examencommissie bestaat uit:
1° een voorzitter, die de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD BOSA of zijn vertegenwoordiger is;
2° bijzitters, waarvan ten minste twee vastbenoemde en actieve inspecteurs van financiën en, voor de proeven b en c, ten minste één professor uit het universitair onderwijs.
1° een voorzitter, die de directeur-generaal van het directoraat-generaal Rekrutering en Ontwikkeling van de FOD BOSA of zijn vertegenwoordiger is;
2° bijzitters, waarvan ten minste twee vastbenoemde en actieve inspecteurs van financiën en, voor de proeven b en c, ten minste één professor uit het universitair onderwijs.
Art. 24. La commission d'examen est composée :
1° d'un président, qui est le directeur-général de la direction-générale Recrutement et Développmeent du SPF BOSA ou son représentant ;
2° d'assesseurs, dont au moins deux inspecteurs des finances nommés et actifs et, pour les épreuves b et c, au moins d'un professeur de l'enseignement universitaire.
1° d'un président, qui est le directeur-général de la direction-générale Recrutement et Développmeent du SPF BOSA ou son représentant ;
2° d'assesseurs, dont au moins deux inspecteurs des finances nommés et actifs et, pour les épreuves b et c, au moins d'un professeur de l'enseignement universitaire.
Art. 25. De hoofdstukken XIII en XIV van het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen treden voor de inspecteurs van financiën in werking op 1 juli 2024.
Art. 25. Pour les inspecteurs des finances, les chapitres XIII et XIV de l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat entre en vigueur le 1er juillet 2024.
Art. 26. Onverminderd artikel 23 treedt dit besluit in werking op de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad, op uitzondering van artikel 15 dat in werking treedt op de eerste dag van de maand na de dag van publicatie in het Belgisch Staatsblad.
Art. 26. Sans préjudice de l'article 23, le présent arrêté entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 15, qui entrera en vigueur le premier jour du mois suivant le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 27. De minister bevoegd voor Begroting wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 27. Le ministre qui a le Budget dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.