Artikel 1. Voor de toepassing van deze titel dient te worden verstaan onder:
1° de wet: de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;
2° digitaal platform: het digitaal platform Working in the Arts zoals bedoeld in artikel 4 van de wet;
3° controle-instanties: de instanties bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet;
4° kunstwerkcommissie: de Commissie bedoeld in artikel 3 § 1 van de wet;
5° secretariaat: het secretariaat bedoeld in artikel 3, § 2, van de wet;
6° kunstenfederaties: de federaties bedoeld in artikel 2, 3°, van de wet;
7° kunstwerkers: werker bedoeld in artikel 2, 1° van de wet;
8° identificatienummer van de sociale zekerheid: het identificatienummer bedoeld in artikel 8, § 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
13 MAART 2023. - Koninklijk besluit betreffende de werking van de Kunstwerkcommissie, de criteria en de procedure voor de erkenning van de kunstenfederaties en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 24-03-2023 en tekstbijwerking tot 02-04-2024)
Titre
13 MARS 2023. - Arrêté royal relatif au fonctionnement de la Commission du travail des arts, aux critères et à la procédure de reconnaissance des fédérations des arts et à l'amélioration de la protection sociale des travailleurs des arts(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 24-03-2023 et mise à jour au 02-04-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
TITEL I. - Definities
TITEL II. - De Kunstwerkcommissie
HOOFDSTUK 1. - Samenstelling en werking van de ...
HOOFDSTUK 2. - Het kunstwerkattest
TITEL III. - De amateurkunstenvergoeding
HOOFDSTUK 1. - Definities
HOOFDSTUK 2. - Elektronische registratie van de...
HOOFDSTUK 3. - Elektronische registratie van de...
HOOFDSTUK 4. - Elektronische aangifte van activ...
HOOFDSTUK 5. - Solidariteitsbijdrage
HOOFDSTUK 6. - Schorsing en annulatie van de re...
TITEL IV. - Wijzigingen van het koninklijk besl...
TITEL V. - Criteria en procedure voor de erkenn...
TITEL VI. - Overgangs- en slotbepalingen
Table des matières
TITRE I. - Définitions
TITRE II. - La Commission du travail des arts
CHAPITRE 1. - Composition et fonctionnement de ...
CHAPITRE 2. - De l'attestation du travail des arts
TITRE III. - L'indemnité des arts en amateurs
CHAPITRE 1er. - Définitions
CHAPITRE 2. - Enregistrement électronique du do...
CHAPITRE 3. - Enregistrement électronique de l'...
CHAPITRE 4. - Déclaration électronique des acti...
CHAPITRE 5. - Cotisation de solidarité
CHAPITRE 6. - Suspension et annulation de l'enr...
TITRE IV. - Modifications de l'arrêté royal du ...
TITRE V. - Critères et procédure de reconnaissa...
TITRE VI. - Dispositions transitoires et finales
Tekst (61)
Texte (61)
TITEL I. - Definities
TITRE I. - Définitions
Article 1er. Pour l'application du présent titre, il convient d'entendre par :
1° la loi : la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
2° plateforme numérique : la plateforme numérique Working in the Arts, telle que visée à l'article 4 de la loi;
3° instances de contrôle : les instances visées à l'article 2, 2° de la loi;
4° commission du travail des arts : la Commission visée à l'article 3 § 1 de la loi;
5° secrétariat : le secrétariat visé à l'article 3, § 2, de la loi;
6° fédérations des arts : fédérations visées à l'article 2, 3° de la loi;
7° travailleur des arts : travailleur visé à l'article 2, 1° de la loi;
8° le numéro d'identification à la sécurité sociale : le numéro d'identification visé à l'article 8, § 1er, 1° ou 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
1° la loi : la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
2° plateforme numérique : la plateforme numérique Working in the Arts, telle que visée à l'article 4 de la loi;
3° instances de contrôle : les instances visées à l'article 2, 2° de la loi;
4° commission du travail des arts : la Commission visée à l'article 3 § 1 de la loi;
5° secrétariat : le secrétariat visé à l'article 3, § 2, de la loi;
6° fédérations des arts : fédérations visées à l'article 2, 3° de la loi;
7° travailleur des arts : travailleur visé à l'article 2, 1° de la loi;
8° le numéro d'identification à la sécurité sociale : le numéro d'identification visé à l'article 8, § 1er, 1° ou 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale.
TITEL II. - De Kunstwerkcommissie
TITRE II. - La Commission du travail des arts
HOOFDSTUK 1. - Samenstelling en werking van de Kunstwerkcommissie
CHAPITRE 1. - Composition et fonctionnement de la Commission du travail des arts
Art. 2. § 1. De Kunstwerkcommissie wordt ingesteld met een afdeling van de Nederlandse taalrol en een afdeling van de Franse taalrol.
Naast de voorzitter telt iedere afdeling de volgende leden:
1° negen kunstwerkdeskundigen aangeduid door de kunstenfederaties;
2° a) een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
b) een vertegenwoordiger van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;
c) een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
d) drie vertegenwoordigers aangeduid door de interprofessionele vakverenigingen;
e) drie vertegenwoordigers van de werkgevers- of zelfstandigenorganisaties.
3° Elke Gemeenschap kan, indien zij dat wenst, een vertegenwoordiger aanduiden in de afdeling van de haar betreffende taalrol, met dien verstande dat wanneer de Kunstwerkcommissie een aanvraag moet behandelen van een kunstwerker die in het Duits taalgebied woont, die vertegenwoordiger wordt aangeduid door de regering van de Duitstalige Gemeenschap.
Voor elk effectief lid bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, wordt één vaste plaatsvervanger aangeduid, die het effectief lid in geval van afwezigheid of belet vervangt. Het mandaat wordt door het effectief lid en diens vaste plaatsvervanger in overleg ingevuld.
Elke Gemeenschap kan, indien zij dat wenst, een plaatsvervanger aanduiden die haar vertegenwoordiger bedoeld in het tweede lid, 3°, in geval van afwezigheid of belet vervangt.
§ 2. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen bepalen bij ministerieel besluit de modaliteiten voor het zoeken en benoemen, met inbegrip van de voorwaarden voor benoeming, van de leden bedoeld in paragraaf 1 [1 en van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter]1.
§ 3. Bij het aanduiden van de leden bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, formuleren de kunstenfederaties na een analyse van de kandidaturen door de administratie een advies inzake de evenwichtige samenstelling van de vertegenwoordiging.
De aangeduide leden dienen over aantoonbare ervaring en relevante kennis te beschikken inzake de artistieke professionele praktijk en de sociale bescherming van kunstwerkers.
§ 4. Bij de samenstelling van de Kunstwerkcommissie zal de Koning bij de benoeming van de effectieve en plaatsvervangende leden bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, waken over een evenwichtige verdeling tussen de vertegenwoordigers van de diverse kunstdomeinen en de artistiek-technische beroepen, alsook wat betreft leeftijd, anciënniteit en geslacht.
§ 5. De Koning ziet eveneens erop toe dat de Commissie onder de leden bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, leden telt die als kunstwerker ervaring hebben met de specifieke regels voor kunstwerkers en met het kunstwerkattest, zoals bedoeld in artikel 7 van de wet.
§ 6. De Koning neemt akte van het ontslag van ontslagnemende leden en voorziet in hun vervanging. Indien wordt vastgesteld dat een lid binnen een periode van een jaar de helft van de vergaderingen van de Kunstwerkcommissie zonder verantwoording niet heeft bijgewoond of indien het lid langer dan zes maanden afwezig is, voorziet de Koning in zijn ambtshalve vervanging.
§ 7. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen bepalen bij ministerieel besluit de nadere regels met betrekking tot de werking, organisatie en bevoegdheden van de verschillende afdelingen en kamers van de Kunstwerkcommissie.
Naast de voorzitter telt iedere afdeling de volgende leden:
1° negen kunstwerkdeskundigen aangeduid door de kunstenfederaties;
2° a) een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
b) een vertegenwoordiger van het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen;
c) een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
d) drie vertegenwoordigers aangeduid door de interprofessionele vakverenigingen;
e) drie vertegenwoordigers van de werkgevers- of zelfstandigenorganisaties.
3° Elke Gemeenschap kan, indien zij dat wenst, een vertegenwoordiger aanduiden in de afdeling van de haar betreffende taalrol, met dien verstande dat wanneer de Kunstwerkcommissie een aanvraag moet behandelen van een kunstwerker die in het Duits taalgebied woont, die vertegenwoordiger wordt aangeduid door de regering van de Duitstalige Gemeenschap.
Voor elk effectief lid bedoeld in het tweede lid, 1° en 2°, wordt één vaste plaatsvervanger aangeduid, die het effectief lid in geval van afwezigheid of belet vervangt. Het mandaat wordt door het effectief lid en diens vaste plaatsvervanger in overleg ingevuld.
Elke Gemeenschap kan, indien zij dat wenst, een plaatsvervanger aanduiden die haar vertegenwoordiger bedoeld in het tweede lid, 3°, in geval van afwezigheid of belet vervangt.
§ 2. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen bepalen bij ministerieel besluit de modaliteiten voor het zoeken en benoemen, met inbegrip van de voorwaarden voor benoeming, van de leden bedoeld in paragraaf 1 [1 en van de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter]1.
§ 3. Bij het aanduiden van de leden bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, formuleren de kunstenfederaties na een analyse van de kandidaturen door de administratie een advies inzake de evenwichtige samenstelling van de vertegenwoordiging.
De aangeduide leden dienen over aantoonbare ervaring en relevante kennis te beschikken inzake de artistieke professionele praktijk en de sociale bescherming van kunstwerkers.
§ 4. Bij de samenstelling van de Kunstwerkcommissie zal de Koning bij de benoeming van de effectieve en plaatsvervangende leden bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, waken over een evenwichtige verdeling tussen de vertegenwoordigers van de diverse kunstdomeinen en de artistiek-technische beroepen, alsook wat betreft leeftijd, anciënniteit en geslacht.
§ 5. De Koning ziet eveneens erop toe dat de Commissie onder de leden bedoeld in § 1, tweede lid, 1°, leden telt die als kunstwerker ervaring hebben met de specifieke regels voor kunstwerkers en met het kunstwerkattest, zoals bedoeld in artikel 7 van de wet.
§ 6. De Koning neemt akte van het ontslag van ontslagnemende leden en voorziet in hun vervanging. Indien wordt vastgesteld dat een lid binnen een periode van een jaar de helft van de vergaderingen van de Kunstwerkcommissie zonder verantwoording niet heeft bijgewoond of indien het lid langer dan zes maanden afwezig is, voorziet de Koning in zijn ambtshalve vervanging.
§ 7. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen bepalen bij ministerieel besluit de nadere regels met betrekking tot de werking, organisatie en bevoegdheden van de verschillende afdelingen en kamers van de Kunstwerkcommissie.
Modifications
Art. 2. § 1er. La Commission du travail des arts est instituée avec une section du rôle linguistique néerlandophone et une section du rôle linguistique francophone.
Outre le président, chaque section compte les membres suivants :
1° neuf experts du travail des arts désignés par les fédérations des arts;
2° a) un représentant de l'Office national de sécurité sociale;
b) un représentant de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
c) un représentant de l'Office national de l'emploi;
d) trois représentants désignés par les organisations syndicales interprofessionnelles;
e) trois représentants des organisations patronales ou des organisations des travailleurs indépendants.
3° Chaque Communauté peut, si elle le désire, désigner un représentant au sein de la section du rôle linguistique qui la concerne, étant entendu que, lorsque la Commission du travail des arts doit traiter une demande d'un travailleur des arts habitant en région linguistique de langue allemande, ce représentant est désigné par le gouvernement de la Communauté germanophone.
Un suppléant permanent est désigné pour chaque membre effectif visé à l'alinéa 2, 1° et 2°, et remplace celui-ci en cas d'absence ou d'empêchement. Le mandat est exercé en concertation par le membre effectif et son suppléant permanent.
Chaque Communauté peut, si elle le souhaite, désigner un suppléant qui remplacera son représentant visé à l'alinéa 2, 3°, en cas d'absence ou d'empêchement.
§ 2. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions fixent par arrêté ministériel les modalités de recherche et de nomination, en ce compris les conditions de nomination des membres visés au paragraphe 1er [1 et du président et du président suppléant]1.
§ 3. Lors de la désignation des membres visés au § 1er, deuxième alinéa, 1°, les fédérations des arts rendront un avis en matière de composition équilibrée de la représentation après analyse des candidatures par l'administration.
Les membres désignés doivent avoir une expérience démontrable et des connaissances pertinentes en matière de pratique professionnelle artistique et de protection sociale des travailleurs des arts.
§ 4. Dans le cadre de la composition de la Commission du travail des arts, lors de la nomination des membres effectifs et suppléants visés au § 1er, deuxième alinéa, 1°, le Roi veillera à une répartition équilibrée entre les représentants des différents domaines des arts et des métiers artistiques-techniques, y compris en ce qui concerne l'âge, l'ancienneté et le genre.
§ 5. Le Roi veillera également à ce que la Commission compte parmi les membres visés au § 1er, deuxième alinéa, 1°, des membres qui disposent, en tant que travailleur des arts, d'une expérience des règles spécifiques applicables aux travailleurs des arts et de l'attestation du travail des arts telle que visée à l'article 7 de la loi.
§ 6. Le Roi acte la démission des membres démissionnaires et pourvoit à leur remplacement. S'il est constaté que, sur une période d'un an, un membre n'a pas assisté à la moitié des réunions de la Commission du travail des arts sans justification, ou que ce membre est absent durant plus de six mois, le Roi pourvoit à son remplacement d'office.
§ 7. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions fixent par arrêté ministériel les modalités de fonctionnement et d'organisation ainsi que les compétences des différentes sections et chambres et de la Commission du travail des arts.
Outre le président, chaque section compte les membres suivants :
1° neuf experts du travail des arts désignés par les fédérations des arts;
2° a) un représentant de l'Office national de sécurité sociale;
b) un représentant de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants;
c) un représentant de l'Office national de l'emploi;
d) trois représentants désignés par les organisations syndicales interprofessionnelles;
e) trois représentants des organisations patronales ou des organisations des travailleurs indépendants.
3° Chaque Communauté peut, si elle le désire, désigner un représentant au sein de la section du rôle linguistique qui la concerne, étant entendu que, lorsque la Commission du travail des arts doit traiter une demande d'un travailleur des arts habitant en région linguistique de langue allemande, ce représentant est désigné par le gouvernement de la Communauté germanophone.
Un suppléant permanent est désigné pour chaque membre effectif visé à l'alinéa 2, 1° et 2°, et remplace celui-ci en cas d'absence ou d'empêchement. Le mandat est exercé en concertation par le membre effectif et son suppléant permanent.
Chaque Communauté peut, si elle le souhaite, désigner un suppléant qui remplacera son représentant visé à l'alinéa 2, 3°, en cas d'absence ou d'empêchement.
§ 2. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions fixent par arrêté ministériel les modalités de recherche et de nomination, en ce compris les conditions de nomination des membres visés au paragraphe 1er [1 et du président et du président suppléant]1.
§ 3. Lors de la désignation des membres visés au § 1er, deuxième alinéa, 1°, les fédérations des arts rendront un avis en matière de composition équilibrée de la représentation après analyse des candidatures par l'administration.
Les membres désignés doivent avoir une expérience démontrable et des connaissances pertinentes en matière de pratique professionnelle artistique et de protection sociale des travailleurs des arts.
§ 4. Dans le cadre de la composition de la Commission du travail des arts, lors de la nomination des membres effectifs et suppléants visés au § 1er, deuxième alinéa, 1°, le Roi veillera à une répartition équilibrée entre les représentants des différents domaines des arts et des métiers artistiques-techniques, y compris en ce qui concerne l'âge, l'ancienneté et le genre.
§ 5. Le Roi veillera également à ce que la Commission compte parmi les membres visés au § 1er, deuxième alinéa, 1°, des membres qui disposent, en tant que travailleur des arts, d'une expérience des règles spécifiques applicables aux travailleurs des arts et de l'attestation du travail des arts telle que visée à l'article 7 de la loi.
§ 6. Le Roi acte la démission des membres démissionnaires et pourvoit à leur remplacement. S'il est constaté que, sur une période d'un an, un membre n'a pas assisté à la moitié des réunions de la Commission du travail des arts sans justification, ou que ce membre est absent durant plus de six mois, le Roi pourvoit à son remplacement d'office.
§ 7. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions fixent par arrêté ministériel les modalités de fonctionnement et d'organisation ainsi que les compétences des différentes sections et chambres et de la Commission du travail des arts.
Modifications
Art. 3. De Kunstwerkcommissie zetelt in voltallige, uitgebreide of beperkte samenstelling.
Art. 3. La Commission du travail des arts siège soit en composition plénière, soit en composition élargie, soit en composition restreinte.
Art. 4. § 1. Wanneer de Kunstwerkcommissie in beperkte samenstelling zetelt, is elke kamer als volgt samengesteld:
1° drie kunstwerkdeskundigen, aangeduid door de kunstenfederaties;
2° a) een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor sociale zekerheid of het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
b) een vertegenwoordiger aangeduid door de interprofessionele vakverenigingen;
c) een vertegenwoordiger van de werkgevers- of zelfstandigenorganisaties;
3° de vertegenwoordiger aangeduid door een Gemeenschap kan zetelen in de Kunstwerkcommissie in beperkte samenstelling in de afdeling van de haar betreffende taalrol, met dien verstande dat wanneer de Kunstwerkcommissie een aanvraag moet behandelen van een kunstwerker die in het Duits taalgebied woont, die vertegenwoordiger wordt aangeduid door de regering van de Duitstalige Gemeenschap.
De leden bedoeld in 1° en 2° kiezen in hun midden, voor het volledig mandaat, de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Kunstwerkcommissie in beperkte samenstelling. Deze voorzitter en plaatsvervangend voorzitter hebben een beraadslagende stem.
§ 2. Elke taalafdeling van de Kunstwerkcommissie heeft een of meer beperkte kamers waarvan de leden afkomstig zijn uit de afdeling van die taalrol.
§ 3. Een beperkte kamer beraadslaagt slechts geldig indien minstens de helft van de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en minstens de helft van de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
Het lid dat verhinderd is, verwittigt tijdig de voorzitter van de Kunstwerkcommissie in beperkte samenstelling en kan een volmacht geven aan een ander lid. Elk lid kan slechts één volmacht krijgen.
§ 4. De beperkte kamer waaraan het verzoek wordt voorgelegd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, beslist met eenparigheid van stemmen.
Indien een beslissing niet met eenparigheid van stemmen kan worden genomen, [1 of indien geen beslissing kan worden genomen omdat in twee opeenvolgende vergaderingen het quorum niet is bereikt van eenzelfde beperkte kamer,]1 wordt de aanvraag verwezen naar de uitgebreide kamer.
Het tweede lid is zowel van toepassing wanneer de beperkte kamer een aanvraag in eerste aanleg als in beroep behandelt.
De vertegenwoordigers [1 in § 1, 2°, a),]1 die niet deelnemen aan een bepaalde beraadslaging in een beperkte kamer, hebben het recht op inzage van alle te behandelen aanvragen. Tot op het moment van de beslissing, kunnen zij gemotiveerd vragen om de aanvraag te behandelen in uitgebreide kamer.
§ 5. De beperkte kamer heeft onder andere de volgende opdrachten:
- de aanvragen voor een kunstwerkattest behandelen;
- de verzoeken tot beroep behandelen;
- de aanvragen tot opschorting of nietigverklaring van een kunstwerkattest behandelen;
- de aanvragen tot schorsing of annulatie van de registratie van een opdrachtgever of uitvoerder in het kader van de amateurkunstenvergoeding behandelen.
1° drie kunstwerkdeskundigen, aangeduid door de kunstenfederaties;
2° a) een vertegenwoordiger van de Rijksdienst voor sociale zekerheid of het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening;
b) een vertegenwoordiger aangeduid door de interprofessionele vakverenigingen;
c) een vertegenwoordiger van de werkgevers- of zelfstandigenorganisaties;
3° de vertegenwoordiger aangeduid door een Gemeenschap kan zetelen in de Kunstwerkcommissie in beperkte samenstelling in de afdeling van de haar betreffende taalrol, met dien verstande dat wanneer de Kunstwerkcommissie een aanvraag moet behandelen van een kunstwerker die in het Duits taalgebied woont, die vertegenwoordiger wordt aangeduid door de regering van de Duitstalige Gemeenschap.
De leden bedoeld in 1° en 2° kiezen in hun midden, voor het volledig mandaat, de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de Kunstwerkcommissie in beperkte samenstelling. Deze voorzitter en plaatsvervangend voorzitter hebben een beraadslagende stem.
§ 2. Elke taalafdeling van de Kunstwerkcommissie heeft een of meer beperkte kamers waarvan de leden afkomstig zijn uit de afdeling van die taalrol.
§ 3. Een beperkte kamer beraadslaagt slechts geldig indien minstens de helft van de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en minstens de helft van de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
Het lid dat verhinderd is, verwittigt tijdig de voorzitter van de Kunstwerkcommissie in beperkte samenstelling en kan een volmacht geven aan een ander lid. Elk lid kan slechts één volmacht krijgen.
§ 4. De beperkte kamer waaraan het verzoek wordt voorgelegd overeenkomstig de bepalingen van dit besluit, beslist met eenparigheid van stemmen.
Indien een beslissing niet met eenparigheid van stemmen kan worden genomen, [1 of indien geen beslissing kan worden genomen omdat in twee opeenvolgende vergaderingen het quorum niet is bereikt van eenzelfde beperkte kamer,]1 wordt de aanvraag verwezen naar de uitgebreide kamer.
Het tweede lid is zowel van toepassing wanneer de beperkte kamer een aanvraag in eerste aanleg als in beroep behandelt.
De vertegenwoordigers [1 in § 1, 2°, a),]1 die niet deelnemen aan een bepaalde beraadslaging in een beperkte kamer, hebben het recht op inzage van alle te behandelen aanvragen. Tot op het moment van de beslissing, kunnen zij gemotiveerd vragen om de aanvraag te behandelen in uitgebreide kamer.
§ 5. De beperkte kamer heeft onder andere de volgende opdrachten:
- de aanvragen voor een kunstwerkattest behandelen;
- de verzoeken tot beroep behandelen;
- de aanvragen tot opschorting of nietigverklaring van een kunstwerkattest behandelen;
- de aanvragen tot schorsing of annulatie van de registratie van een opdrachtgever of uitvoerder in het kader van de amateurkunstenvergoeding behandelen.
Modifications
Art. 4. § 1er. Lorsque la Commission du travail des arts siège en composition restreinte, chaque chambre est composée des membres suivants :
1° trois experts du travail des arts désignés par les fédérations des arts;
2° a) un représentant de l'Office national de sécurité sociale ou de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou de l'Office national de l'emploi;
b) un représentant désigné par les organisations syndicales interprofessionnelles;
c) un représentant des organisations patronales ou des organisations de travailleurs indépendants;
3° le représentant désigné par une Communauté peut siéger en Commission du travail des arts en composition restreinte, au sein de la section du rôle linguistique qui la concerne, étant entendu que, lorsque la Commission du travail des arts doit traiter une demande d'un travailleur des arts habitant en région linguistique de langue allemande, ce représentant est désigné par le gouvernement de la Communauté germanophone.
Les membres visés en 1° et 2° désignent entre eux, pour toute la durée du mandat, le président et le président suppléant de la Commission du travail des arts en composition restreinte. Ce président et ce président suppléant disposent d'une voix délibérative.
§ 2. Chaque section linguistique de la Commission du travail des arts comprend une ou plusieurs chambres restreintes dont les membres sont issus de la section de ce rôle linguistique.
§ 3. Une chambre restreinte ne délibère valablement que lorsqu'au moins la moitié des membres visés au § 1er, alinéa premier, 1°, et au moins la moitié des membres visés au § 1er, alinéa premier, 2°, sont présents ou représentés.
Le membre empêché avertit en temps utile le président de la Commission du travail des arts en composition restreinte. Il peut donner procuration à un autre membre. Chaque membre ne peut disposer que d'une seule procuration.
§ 4. La chambre restreinte saisie conformément aux dispositions du présent arrêté, statue à l'unanimité.
Lorsqu'une décision ne peut être prise à l'unanimité, [1 ou qu'aucune décision ne peut être prise car le quorum n'est pas atteint au cours de deux réunions successives d'une même chambre restreinte,]1 la demande est renvoyée vers la Chambre élargie.
Le deuxième alinéa s'applique tant quand la chambre restreinte traite une demande en première instance que sur recours.
Les représentants [1 visés au § 1er, 2°, a)]1 qui ne participent pas à une certaine délibération dans une chambre restreinte, ont le droit de consultation sur toutes les demandes à traiter. Jusqu'à la réunion de la chambre restreinte ils peuvent demander de manière motivée de traiter la demande en chambre élargie.
§ 5. [1 La chambre]1 restreinte a notamment pour mission de :
- traiter les demandes d'attestation du travail des arts;
- traiter les demandes de recours;
- traiter les demandes de suspension ou d'annulation d'une attestation du travail des arts;
- traiter les demandes de suspension ou d'annulation de l'enregistrement d'un donneur d'ordre ou d'un exécutant dans le cadre de l'indemnité des arts en amateur.
1° trois experts du travail des arts désignés par les fédérations des arts;
2° a) un représentant de l'Office national de sécurité sociale ou de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou de l'Office national de l'emploi;
b) un représentant désigné par les organisations syndicales interprofessionnelles;
c) un représentant des organisations patronales ou des organisations de travailleurs indépendants;
3° le représentant désigné par une Communauté peut siéger en Commission du travail des arts en composition restreinte, au sein de la section du rôle linguistique qui la concerne, étant entendu que, lorsque la Commission du travail des arts doit traiter une demande d'un travailleur des arts habitant en région linguistique de langue allemande, ce représentant est désigné par le gouvernement de la Communauté germanophone.
Les membres visés en 1° et 2° désignent entre eux, pour toute la durée du mandat, le président et le président suppléant de la Commission du travail des arts en composition restreinte. Ce président et ce président suppléant disposent d'une voix délibérative.
§ 2. Chaque section linguistique de la Commission du travail des arts comprend une ou plusieurs chambres restreintes dont les membres sont issus de la section de ce rôle linguistique.
§ 3. Une chambre restreinte ne délibère valablement que lorsqu'au moins la moitié des membres visés au § 1er, alinéa premier, 1°, et au moins la moitié des membres visés au § 1er, alinéa premier, 2°, sont présents ou représentés.
Le membre empêché avertit en temps utile le président de la Commission du travail des arts en composition restreinte. Il peut donner procuration à un autre membre. Chaque membre ne peut disposer que d'une seule procuration.
§ 4. La chambre restreinte saisie conformément aux dispositions du présent arrêté, statue à l'unanimité.
Lorsqu'une décision ne peut être prise à l'unanimité, [1 ou qu'aucune décision ne peut être prise car le quorum n'est pas atteint au cours de deux réunions successives d'une même chambre restreinte,]1 la demande est renvoyée vers la Chambre élargie.
Le deuxième alinéa s'applique tant quand la chambre restreinte traite une demande en première instance que sur recours.
Les représentants [1 visés au § 1er, 2°, a)]1 qui ne participent pas à une certaine délibération dans une chambre restreinte, ont le droit de consultation sur toutes les demandes à traiter. Jusqu'à la réunion de la chambre restreinte ils peuvent demander de manière motivée de traiter la demande en chambre élargie.
§ 5. [1 La chambre]1 restreinte a notamment pour mission de :
- traiter les demandes d'attestation du travail des arts;
- traiter les demandes de recours;
- traiter les demandes de suspension ou d'annulation d'une attestation du travail des arts;
- traiter les demandes de suspension ou d'annulation de l'enregistrement d'un donneur d'ordre ou d'un exécutant dans le cadre de l'indemnité des arts en amateur.
Modifications
Art. 5. § 1. Wanneer de Kunstwerkcommissie zetelt in uitgebreide samenstelling, dan is zij als volgt samengesteld uit leden afkomstig van de afdeling van de Nederlandse taalrol en van de afdeling van de Franse taalrol:
1° negen kunstwerkdeskundigen, aangeduid door de federaties uit de kunstensector, waarvan minstens vier Franstalige vertegenwoordigers en minstens vier Nederlandstalige vertegenwoordigers;
2° a) drie vertegenwoordigers van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, waarvan minstens een Franstalige vertegenwoordiger en minstens een Nederlandstalige vertegenwoordiger;
b) drie vertegenwoordigers aangeduid door de interprofessionele vakverenigingen, waarvan minstens een Franstalige vertegenwoordiger en minstens een Nederlandstalige vertegenwoordiger;
c) drie vertegenwoordigers van de werkgevers- of zelfstandigenorganisaties, waarvan minstens een Franstalige vertegenwoordiger en minstens een Nederlandstalige vertegenwoordiger;
3° de vertegenwoordigers aangeduid door de Gemeenschap kunnen zetelen in de Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling.
De Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling wordt voorgezeten door de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter van de Kunstwerkcommissie.
De leden die deel uitmaken van de Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling beschikken over een passieve kennis van de andere landstaal. De ingediende kandidatuur moet minstens de passieve kennis van één andere landstaal bevestigen.
§ 2. De Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling beraadslaagt slechts geldig indien [1 de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter aanwezig is en dat minstens de helft van]1 de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en minstens de helft van de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
Het lid dat verhinderd is, verwittigt tijdig de voorzitter van de Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling en kan een volmacht geven aan een ander lid. Elk lid kan slechts één volmacht krijgen.
[1 Wanneer de Commissie in uitgebreide kamer geen beslissing kan nemen omdat het quorum niet is bereikt, wordt zij geacht geldig te hebben beraadslaagd, ongeacht de samenstelling ervan, indien ook in de volgende vergadering het quorum niet wordt bereikt. Deze tweede vergadering waarbij het quorum evenmin wordt bereikt mag niet plaatsvinden op dezelfde dag als de eerste vergadering.]1
§ 3. De uitgebreide kamer heeft onder andere de volgende opdrachten :
- beslissen over aanvragen die werden doorverwezen door een beperkte kamer;
- beslissen over aanvragen die werden doorverwezen overeenkomstig [1 artikel 4, § 4, vierde lid]1.
1° negen kunstwerkdeskundigen, aangeduid door de federaties uit de kunstensector, waarvan minstens vier Franstalige vertegenwoordigers en minstens vier Nederlandstalige vertegenwoordigers;
2° a) drie vertegenwoordigers van de Rijksdienst voor sociale zekerheid, het Rijksinstituut voor de sociale verzekeringen der zelfstandigen of de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening, waarvan minstens een Franstalige vertegenwoordiger en minstens een Nederlandstalige vertegenwoordiger;
b) drie vertegenwoordigers aangeduid door de interprofessionele vakverenigingen, waarvan minstens een Franstalige vertegenwoordiger en minstens een Nederlandstalige vertegenwoordiger;
c) drie vertegenwoordigers van de werkgevers- of zelfstandigenorganisaties, waarvan minstens een Franstalige vertegenwoordiger en minstens een Nederlandstalige vertegenwoordiger;
3° de vertegenwoordigers aangeduid door de Gemeenschap kunnen zetelen in de Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling.
De Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling wordt voorgezeten door de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter van de Kunstwerkcommissie.
De leden die deel uitmaken van de Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling beschikken over een passieve kennis van de andere landstaal. De ingediende kandidatuur moet minstens de passieve kennis van één andere landstaal bevestigen.
§ 2. De Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling beraadslaagt slechts geldig indien [1 de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter aanwezig is en dat minstens de helft van]1 de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 1°, en minstens de helft van de leden bedoeld in § 1, eerste lid, 2°, aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
Het lid dat verhinderd is, verwittigt tijdig de voorzitter van de Kunstwerkcommissie in uitgebreide samenstelling en kan een volmacht geven aan een ander lid. Elk lid kan slechts één volmacht krijgen.
[1 Wanneer de Commissie in uitgebreide kamer geen beslissing kan nemen omdat het quorum niet is bereikt, wordt zij geacht geldig te hebben beraadslaagd, ongeacht de samenstelling ervan, indien ook in de volgende vergadering het quorum niet wordt bereikt. Deze tweede vergadering waarbij het quorum evenmin wordt bereikt mag niet plaatsvinden op dezelfde dag als de eerste vergadering.]1
§ 3. De uitgebreide kamer heeft onder andere de volgende opdrachten :
- beslissen over aanvragen die werden doorverwezen door een beperkte kamer;
- beslissen over aanvragen die werden doorverwezen overeenkomstig [1 artikel 4, § 4, vierde lid]1.
Modifications
Art. 5. § 1er. Lorsque la Commission du travail des arts siège en composition élargie, la chambre élargie est constituée comme suit des membres issus de la section du rôle linguistique néerlandophone et de la section du rôle linguistique francophone :
1° neuf experts du travail des arts désignés par les fédérations du secteur des arts, dont au moins quatre représentants francophones et au moins quatre représentants néerlandophones;
2° a) trois représentants de l'Office national de Sécurité Sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou de l'Office national de l'emploi, dont au moins un représentant francophone et au moins un représentant néerlandophone;
b) trois représentants désignés par les organisations syndicales interprofessionnelles, dont au moins un représentant francophone et au moins un représentant néerlandophone;
c) trois représentants des organisations patronales ou des organisations de travailleurs indépendants, dont au moins un représentant francophone et au moins un représentant néerlandophone;
3° les représentants désignés par la Communauté peuvent siéger en Commission du travail des arts en composition élargie.
La Commission du travail des arts en composition élargie est présidée par le président ou le président suppléant de la Commission du travail des arts.
Les membres qui font partie de la Commission du travail des arts en composition élargie disposent d'une connaissance passive de l'autre langue nationale. Le dossier de candidature devra stipuler la connaissance à tout le moins passive d'une autre langue nationale.
§ 2. La Commission du travail des arts en composition élargie ne délibère valablement que lorsque [1 le président ou le président suppléant est présent et qu'au moins la moitié des membres visés]1 au § 1er, alinéa premier, 1°, et au moins la moitié des membres visés au § 1er, alinéa premier, 2°, sont présents ou représentés.
Le membre empêché avertit en temps utile le président de la Commission du travail des arts en composition élargie. Il peut donner procuration à un autre membre. Chaque membre ne peut disposer que d'une seule procuration.
[1 Lorsqu'une décision ne peut être prise par la Commission en chambre élargie car le quorum n'est pas atteint, si le quorum n'est toujours pas atteint au cours de la réunion suivante, la Commission sera réputée délibérer valablement quelle que soit sa composition. Cette deuxième réunion au cours de laquelle le quorum n'est pas atteint ne peut pas avoir lieu le même jour que la première réunion.]1
§ 3. La chambre élargie a notamment pour mission de :
- statuer sur les demandes transmises par une chambre restreinte ;
- statuer sur les demandes transmises conformément à l'[1 article 4, § 4, alinéa 4]1.
1° neuf experts du travail des arts désignés par les fédérations du secteur des arts, dont au moins quatre représentants francophones et au moins quatre représentants néerlandophones;
2° a) trois représentants de l'Office national de Sécurité Sociale, de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants ou de l'Office national de l'emploi, dont au moins un représentant francophone et au moins un représentant néerlandophone;
b) trois représentants désignés par les organisations syndicales interprofessionnelles, dont au moins un représentant francophone et au moins un représentant néerlandophone;
c) trois représentants des organisations patronales ou des organisations de travailleurs indépendants, dont au moins un représentant francophone et au moins un représentant néerlandophone;
3° les représentants désignés par la Communauté peuvent siéger en Commission du travail des arts en composition élargie.
La Commission du travail des arts en composition élargie est présidée par le président ou le président suppléant de la Commission du travail des arts.
Les membres qui font partie de la Commission du travail des arts en composition élargie disposent d'une connaissance passive de l'autre langue nationale. Le dossier de candidature devra stipuler la connaissance à tout le moins passive d'une autre langue nationale.
§ 2. La Commission du travail des arts en composition élargie ne délibère valablement que lorsque [1 le président ou le président suppléant est présent et qu'au moins la moitié des membres visés]1 au § 1er, alinéa premier, 1°, et au moins la moitié des membres visés au § 1er, alinéa premier, 2°, sont présents ou représentés.
Le membre empêché avertit en temps utile le président de la Commission du travail des arts en composition élargie. Il peut donner procuration à un autre membre. Chaque membre ne peut disposer que d'une seule procuration.
[1 Lorsqu'une décision ne peut être prise par la Commission en chambre élargie car le quorum n'est pas atteint, si le quorum n'est toujours pas atteint au cours de la réunion suivante, la Commission sera réputée délibérer valablement quelle que soit sa composition. Cette deuxième réunion au cours de laquelle le quorum n'est pas atteint ne peut pas avoir lieu le même jour que la première réunion.]1
§ 3. La chambre élargie a notamment pour mission de :
- statuer sur les demandes transmises par une chambre restreinte ;
- statuer sur les demandes transmises conformément à l'[1 article 4, § 4, alinéa 4]1.
Modifications
Art. 6. § 1. Wanneer de Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling zetelt, is zij samengesteld uit alle leden die afkomstig zijn van de afdeling van de Nederlandse taalrol en van de afdeling van de Franse taalrol.
§ 2. De Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling wordt voorgezeten door de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter van de Kunstwerkcommissie.
Het lid dat verhinderd is, verwittigt tijdig de voorzitter van de Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling en kan een volmacht geven aan een ander lid. Elk lid kan slechts één volmacht krijgen.
§ 3. De Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling heeft onder andere de volgende opdrachten:
- het huishoudelijk reglement van de Commissie opstellen en aanpassen;
- advies geven over ontwerpen van wet, van besluit en alle normontwerpen die haar door de auteur van die teksten worden voorgelegd;
- problemen of misbruik in verband met het kunstwerkattest verzamelen die aan de Commissie zijn gemeld.
§ 2. De Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling wordt voorgezeten door de voorzitter of de plaatsvervangend voorzitter van de Kunstwerkcommissie.
Het lid dat verhinderd is, verwittigt tijdig de voorzitter van de Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling en kan een volmacht geven aan een ander lid. Elk lid kan slechts één volmacht krijgen.
§ 3. De Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling heeft onder andere de volgende opdrachten:
- het huishoudelijk reglement van de Commissie opstellen en aanpassen;
- advies geven over ontwerpen van wet, van besluit en alle normontwerpen die haar door de auteur van die teksten worden voorgelegd;
- problemen of misbruik in verband met het kunstwerkattest verzamelen die aan de Commissie zijn gemeld.
Art. 6. § 1er. Lorsque la Commission du travail des arts siège en composition plénière, elle est constituée de l'ensemble des membres issus de la section du rôle linguistique néerlandophone et de la section du rôle linguistique francophone.
§ 2. La Commission du travail des arts en composition plénière est présidée par le président ou le président suppléant de la Commission du travail des arts.
Le membre empêché avertit en temps utile le président de la Commission du travail des arts en composition plénière. Il peut donner procuration à un autre membre. Chaque membre ne peut disposer que d'une seule procuration.
§ 3. La Commission du travail des arts siégeant en composition plénière a notamment pour missions de :
- établir et modifier le règlement d'ordre intérieur de la Commission;
- rendre des avis sur des projets de lois, d'arrêtés et tous projets de normes qui lui sont soumis par l'auteur de ces textes;
- collecter les problèmes ou abus qui sont signalés à la Commission en lien avec l'attestation du travail des arts.
§ 2. La Commission du travail des arts en composition plénière est présidée par le président ou le président suppléant de la Commission du travail des arts.
Le membre empêché avertit en temps utile le président de la Commission du travail des arts en composition plénière. Il peut donner procuration à un autre membre. Chaque membre ne peut disposer que d'une seule procuration.
§ 3. La Commission du travail des arts siégeant en composition plénière a notamment pour missions de :
- établir et modifier le règlement d'ordre intérieur de la Commission;
- rendre des avis sur des projets de lois, d'arrêtés et tous projets de normes qui lui sont soumis par l'auteur de ces textes;
- collecter les problèmes ou abus qui sont signalés à la Commission en lien avec l'attestation du travail des arts.
Art. 7. De Koning benoemt op gezamenlijk advies van de ministers bevoegd voor Werk, voor Sociale Zekerheid en voor het sociaal statuut der zelfstandigen, de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, die de voorzitter in geval van afwezigheid of belet vervangt.
Niemand kan tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter worden benoemd tenzij hij master in de rechten is.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter hebben een actieve kennis zowel van het Nederlands als van het Frans.
De kandidaten, opgeroepen middels een bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, dienen hun kandidatuur in bij een ter post aangetekende brief, binnen de maand na de bekendmaking van de oproep tot kandidaatstelling in het Belgisch Staatsblad.
Niemand kan tot voorzitter of plaatsvervangend voorzitter worden benoemd tenzij hij master in de rechten is.
De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter hebben een actieve kennis zowel van het Nederlands als van het Frans.
De kandidaten, opgeroepen middels een bericht bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, dienen hun kandidatuur in bij een ter post aangetekende brief, binnen de maand na de bekendmaking van de oproep tot kandidaatstelling in het Belgisch Staatsblad.
Art. 7. Le Roi nomme, sur avis conjoint des ministres qui ont l'Emploi, la Sécurité sociale, et le statut social des travailleurs indépendants dans leurs attributions, le président, le président suppléant, qui remplace le président en cas d'absence ou d'empêchement.
Nul ne peut être nommé président ou président suppléant, s'il n'est maître en droit.
Le président et le président suppléant disposent à la fois d'une connaissance active de la langue française et de la langue néerlandaise.
Les candidats, appelés au moyen d'un avis publié au Moniteur belge, soumettent leur candidature par lettre recommandée à la poste, dans le mois suivant la publication de l'appel à candidatures au Moniteur belge.
Nul ne peut être nommé président ou président suppléant, s'il n'est maître en droit.
Le président et le président suppléant disposent à la fois d'une connaissance active de la langue française et de la langue néerlandaise.
Les candidats, appelés au moyen d'un avis publié au Moniteur belge, soumettent leur candidature par lettre recommandée à la poste, dans le mois suivant la publication de l'appel à candidatures au Moniteur belge.
Art. 8. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden worden benoemd voor een termijn van vier jaar. Ze kunnen worden herbenoemd.
De ambtenaren, effectieve en plaatsvervangende leden, maken niet langer deel uit van de Kunstwerkcommissie wanneer hun administratief ambt een einde neemt.
De leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, kunnen zich na twee jaar laten vervangen door een vervanger die is opgenomen in de reservelijst opgesteld door het secretariaat.
De leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, kunnen zich na twee jaar laten vervangen door een vervanger, mits deze voorgedragen wordt door de dienst, organisatie of vereniging die het ontslagnemend lid vertegenwoordigt.
De vervangers dienen te voldoen aan alle voorwaarden waaraan hun voorganger voldeed bij diens aanstelling en het evenwicht in de samenstelling van de Kunstwerkcommissie, zoals bedoeld in artikel 2, paragrafen 3 en 4, moet gehandhaafd blijven.
De leden die een overleden, ontslagnemend of niet langer van de Kunstwerkcommissie deel uitmakend lid vervangen, beëindigen het mandaat van degene die zij vervangen.
De ambtenaren, effectieve en plaatsvervangende leden, maken niet langer deel uit van de Kunstwerkcommissie wanneer hun administratief ambt een einde neemt.
De leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, kunnen zich na twee jaar laten vervangen door een vervanger die is opgenomen in de reservelijst opgesteld door het secretariaat.
De leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, kunnen zich na twee jaar laten vervangen door een vervanger, mits deze voorgedragen wordt door de dienst, organisatie of vereniging die het ontslagnemend lid vertegenwoordigt.
De vervangers dienen te voldoen aan alle voorwaarden waaraan hun voorganger voldeed bij diens aanstelling en het evenwicht in de samenstelling van de Kunstwerkcommissie, zoals bedoeld in artikel 2, paragrafen 3 en 4, moet gehandhaafd blijven.
De leden die een overleden, ontslagnemend of niet langer van de Kunstwerkcommissie deel uitmakend lid vervangen, beëindigen het mandaat van degene die zij vervangen.
Art. 8. Le président, le président suppléant, ainsi que les membres sont nommés pour un terme de quatre ans. Ils peuvent être nommés à nouveau.
Les fonctionnaires, membres effectifs et suppléants, cessent de faire partie de la Commission du travail des arts lors de la cessation de leurs fonctions administratives.
Les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 1°, peuvent se faire remplacer après deux ans par un remplaçant repris sur la liste de réserve établie par le secrétariat.
Les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, peuvent se faire remplacer après deux ans par un remplaçant, pour autant que celui-ci soit proposé par le service, l'organisation ou l'association que représente le membre démissionnaire.
Les remplaçants doivent satisfaire à l'ensemble des conditions que remplissait leur prédécesseur au moment de sa désignation, et l'équilibre de la composition de la Commission du travail des arts, tel que visé à l'article 2, paragraphes 3 et 4, doit être maintenu.
Les membres qui remplacent un membre décédé, démissionnaire ou qui cesse de faire partie de la Commission du travail des arts, achèvent le mandat de celui qu'ils remplacent.
Les fonctionnaires, membres effectifs et suppléants, cessent de faire partie de la Commission du travail des arts lors de la cessation de leurs fonctions administratives.
Les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 1°, peuvent se faire remplacer après deux ans par un remplaçant repris sur la liste de réserve établie par le secrétariat.
Les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, peuvent se faire remplacer après deux ans par un remplaçant, pour autant que celui-ci soit proposé par le service, l'organisation ou l'association que représente le membre démissionnaire.
Les remplaçants doivent satisfaire à l'ensemble des conditions que remplissait leur prédécesseur au moment de sa désignation, et l'équilibre de la composition de la Commission du travail des arts, tel que visé à l'article 2, paragraphes 3 et 4, doit être maintenu.
Les membres qui remplacent un membre décédé, démissionnaire ou qui cesse de faire partie de la Commission du travail des arts, achèvent le mandat de celui qu'ils remplacent.
Art. 9. § 1. Aan de voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter wordt per zitting die zij effectief volledig bijwonen 300 euro presentiegeld toegekend. Dit vergoedt zowel het voorbereidende werk als de deelname aan de zitting.
Aan de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, d) en de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, e) wordt per zitting die zij effectief volledig bijwonen 150 euro presentiegeld toegekend. Dit vergoedt zowel het voorbereidende werk als de deelname aan de zitting.
Het presentiegeld is slechts verschuldigd indien de duur van de effectieve zitting ten minste een uur bedraagt.
Deze bedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer van december 2021 en variëren zoals bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Het presentiegeld wordt ten laste genomen door de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.
§ 2. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, d) en de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, e) hebben recht op terugbetaling van hun verplaatsingskosten, onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.
Voor de toepassing van het voorgaande lid worden de voorzitters gelijkgesteld met ambtenaren van niveau A.
De verplaatsingskosten worden ten laste genomen door de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.
Aan de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, d) en de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, e) wordt per zitting die zij effectief volledig bijwonen 150 euro presentiegeld toegekend. Dit vergoedt zowel het voorbereidende werk als de deelname aan de zitting.
Het presentiegeld is slechts verschuldigd indien de duur van de effectieve zitting ten minste een uur bedraagt.
Deze bedragen worden gekoppeld aan het spilindexcijfer van december 2021 en variëren zoals bepaald bij de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Het presentiegeld wordt ten laste genomen door de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.
§ 2. De voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 1°, de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, d) en de leden bedoeld in artikel 2, § 1, tweede lid, 2°, e) hebben recht op terugbetaling van hun verplaatsingskosten, onder de voorwaarden bepaald bij het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.
Voor de toepassing van het voorgaande lid worden de voorzitters gelijkgesteld met ambtenaren van niveau A.
De verplaatsingskosten worden ten laste genomen door de begroting van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid.
Art. 9. § 1er. Il est alloué au président et au président suppléant un jeton de présence de 300 euros par séance complète à laquelle ils assistent effectivement. Celui-ci couvre tant le travail préparatoire que la participation à la séance.
Il est alloué aux membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 1°, aux membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, d), et aux membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, e) un jeton de présence de 150 euros par séance complète à laquelle ils assistent effectivement. Celui-ci couvre tant le travail préparatoire que la participation à la séance.
Le jeton de présence n'est dû que si la durée effective de la séance est d'au moins une heure.
Ces montants sont rattachés à l'indice pivot de décembre 2021 et varient comme prévu par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Ces jetons de présence sont à charge du budget du Service public fédéral Sécurité sociale.
§ 2. Le président, le président suppléant et les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 1°, les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, d), et les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, e), ont droit au remboursement de leurs frais de déplacement, aux conditions fixées par l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours.
Pour l'application de l'alinéa précédent, les présidents sont assimilés aux fonctionnaires de niveau A.
Ces frais de déplacement sont à charge du budget du Service public fédéral Sécurité sociale.
Il est alloué aux membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 1°, aux membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, d), et aux membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, e) un jeton de présence de 150 euros par séance complète à laquelle ils assistent effectivement. Celui-ci couvre tant le travail préparatoire que la participation à la séance.
Le jeton de présence n'est dû que si la durée effective de la séance est d'au moins une heure.
Ces montants sont rattachés à l'indice pivot de décembre 2021 et varient comme prévu par la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Ces jetons de présence sont à charge du budget du Service public fédéral Sécurité sociale.
§ 2. Le président, le président suppléant et les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 1°, les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, d), et les membres visés à l'article 2, § 1er, deuxième alinéa, 2°, e), ont droit au remboursement de leurs frais de déplacement, aux conditions fixées par l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours.
Pour l'application de l'alinéa précédent, les présidents sont assimilés aux fonctionnaires de niveau A.
Ces frais de déplacement sont à charge du budget du Service public fédéral Sécurité sociale.
Art. 10. De Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid is belast met het secretariaat en de voorbereiding van de werkzaamheden van de Kunstwerkcommissie.
De administrateurs-generaal van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen en de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening duiden onder de ambtenaren van hun instelling elk één personeelslid van niveau A aan dat voltijds werkt voor het secretariaat.
Het secretariaat is met name belast met de volgende opdrachten:
- de kunstwerkers informeren over hun rechten en plichten inzake sociale zekerheid die voortvloeien uit hun onderwerping aan de sociale zekerheid van de werknemers of het sociaal statuut der zelfstandigen;
- het levend kadaster bijwerken op basis van de criteria die worden vastgesteld door de Commissie overeenkomstig artikel 21;
- Een reservelijst opstellen, dit is een lijst met leden die aan de voorwaarden voldoen van dit besluit, maar die niet konden benoemd worden.
De administrateurs-generaal van het Rijksinstituut voor sociale verzekeringen der zelfstandigen en de Rijksdienst voor arbeidsvoorziening duiden onder de ambtenaren van hun instelling elk één personeelslid van niveau A aan dat voltijds werkt voor het secretariaat.
Het secretariaat is met name belast met de volgende opdrachten:
- de kunstwerkers informeren over hun rechten en plichten inzake sociale zekerheid die voortvloeien uit hun onderwerping aan de sociale zekerheid van de werknemers of het sociaal statuut der zelfstandigen;
- het levend kadaster bijwerken op basis van de criteria die worden vastgesteld door de Commissie overeenkomstig artikel 21;
- Een reservelijst opstellen, dit is een lijst met leden die aan de voorwaarden voldoen van dit besluit, maar die niet konden benoemd worden.
Art. 10. Le Service public fédéral Sécurité sociale est chargé d'assurer le secrétariat et la préparation des travaux de la Commission du travail des arts.
Les administrateurs généraux de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants et de l'Office national de l'emploi désignent chacun parmi les fonctionnaires de leur organisme un membre du personnel travaillant à temps plein de niveau A pour le secrétariat.
Le secrétariat est notamment chargé des missions suivantes :
- informer les travailleurs des arts de leurs droits et obligations en matière de sécurité sociale découlant de leur assujettissement à la sécurité sociale des travailleurs salariés ou au statut social des travailleurs indépendants;
- mettre à jour le cadastre vivant sur base des critères établis par la Commission conformément à l'article 21;
- établir une liste de réserve, à savoir une liste avec les membres qui remplissent les conditions du présent arrêté mais qui n'ont pu être nommés.
Les administrateurs généraux de l'Institut national d'assurances sociales pour travailleurs indépendants et de l'Office national de l'emploi désignent chacun parmi les fonctionnaires de leur organisme un membre du personnel travaillant à temps plein de niveau A pour le secrétariat.
Le secrétariat est notamment chargé des missions suivantes :
- informer les travailleurs des arts de leurs droits et obligations en matière de sécurité sociale découlant de leur assujettissement à la sécurité sociale des travailleurs salariés ou au statut social des travailleurs indépendants;
- mettre à jour le cadastre vivant sur base des critères établis par la Commission conformément à l'article 21;
- établir une liste de réserve, à savoir une liste avec les membres qui remplissent les conditions du présent arrêté mais qui n'ont pu être nommés.
Art. 11. De Kunstwerkcommissie stelt een huishoudelijk reglement op met de nadere regels betreffende de werking van de Kunstwerkcommissie die niet bij dit besluit worden vastgesteld.
Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling.
Het huishoudelijk reglement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de ministers bevoegd voor Werk, voor Sociale Zaken en voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Het huishoudelijk reglement wordt goedgekeurd door de Kunstwerkcommissie in voltallige samenstelling.
Het huishoudelijk reglement wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de ministers bevoegd voor Werk, voor Sociale Zaken en voor het sociaal statuut der zelfstandigen.
Art. 11. La Commission du travail des arts établit un règlement d'ordre intérieur, contenant les modalités concernant le fonctionnement de la Commission du travail des arts et qui ne sont pas fixées par le présent arrêté.
Ce règlement d'ordre intérieur sera approuvé par la Commission du travail des arts siégeant en composition plénière.
Le règlement d'ordre intérieur sera soumis pour approbation aux ministres ayant le Travail, les Affaires sociales et le statut social des travailleurs indépendants dans leurs attributions.
Ce règlement d'ordre intérieur sera approuvé par la Commission du travail des arts siégeant en composition plénière.
Le règlement d'ordre intérieur sera soumis pour approbation aux ministres ayant le Travail, les Affaires sociales et le statut social des travailleurs indépendants dans leurs attributions.
HOOFDSTUK 2. - Het kunstwerkattest
CHAPITRE 2. - De l'attestation du travail des arts
Art. 12. § 1. Elke natuurlijke persoon kan, overeenkomstig artikel 7 van de wet een kunstwerkattest bedoeld in artikel 7 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers aanvragen.
§ 2. Elke aanvraag bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de persoonsgegevens om de aanvrager te identificeren;
2° een omschrijving van zijn professionele artistieke praktijk in de kunsten;
3° de nodige bewijsstukken.
De aanvrager beschrijft in zijn aanvraag alle activiteiten in het kader van zijn professionele artistieke praktijk van de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag.
De aanvrager dient alle bewijsstukken toe te voegen om deze activiteiten te staven.
§ 3. De aanvrager deelt voor elke activiteit mee of het gaat over:
1° kernactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten, zoals bedoeld in § 4, dan wel over;
2° randactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten, zoals bedoeld in § 5.
De aanvrager levert het bewijs van de ontvang inkomsten op basis van deze activiteiten en deelt mee hoeveel tijd hij eraan heeft besteed.
De aanvrager geeft aan op welke momenten gedurende de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag hij niet in staat was activiteiten uit te oefenen wegens ziekte, arbeidsongeval, beroepsziekte, adoptieverlof, moederschaps- en vaderschapsverlof, en voegt hiervoor de bewijsstukken toe.
§ 4. Worden beschouwd als kernactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten:
1° artistieke, artistiek-technische of artistiek-ondersteunende activiteiten waarvoor de aanvrager een beroepsinkomen heeft ontvangen;
2° inkomsten uit auteursrechten of naburige rechten op artistiek werk dat de aanvrager zelf heeft gemaakt of uitgevoerd;
3° prijzengeld toegekend als bezoldiging van artistieke activiteiten.
§ 5. Worden beschouwd als randactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten:
1° vergoedingen die niet als beroepsinkomen worden beschouwd, ongeacht de vorm en de benaming van deze vergoedingen;
2° de gevolgde opleidingen en vormingen in de kunstdomeinen;
3° de gegeven opleidingen en vormingen in de kunstdomeinen;
4° deelname aan de Kunstwerkcommissie of cultuurcommissies van de deelgebieden;
5° onzichtbaar werk voor zover de aanvrager hiervoor bewijs kan leveren, zoals het voorbereiden en uitwerken van kunstprojecten, conceptueel werk en productiewerk, het zoeken naar financiering voor kunstprojecten, het zoeken naar werk in de domeinen van de kunsten, het onderhouden en uitbouwen van vaardigheden in voormelde kunstdomeinen, de deelname aan tentoonstellingen en andere toonmomenten die niet vergoed worden en de promotie van het artistiek oeuvre;
6° prijzengeld dat niet toegekend is als bezoldiging van artistieke activiteiten.
§ 6. Wordt in geen geval beschouwd als een aanvraag die het bewijs levert van een professionele artistieke praktijk in de kunsten:
a) een aanvraag die geen inkomsten hoger dan 1.000 euro bruto aan kernactiviteiten kan aantonen gedurende de periode van 2 jaar voorafgaand aan aanvraag;
b) een aanvraag die inkomsten tussen de 1000 en 65.400 euro bruto aan kernactiviteiten kan aantonen gedurende de periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag, maar het niet aannemelijk kan maken, ofwel dat de inkomsten uit kernactiviteiten en randactiviteiten samen in een deel van het eigen levensonderhoud kunnen voorzien, ofwel dat de kernactiviteiten en randactiviteiten samen een aanzienlijk deel van de professionele tijdsinvestering uitmaken.
§ 7. Een aanvraag die in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag een inkomen van meer dan 65.400 euro bruto aan kernactiviteiten kan aantonen, wordt steeds beschouwd als een aanvraag die bewijs levert van een professionele praktijk in de kunsten. Deze mogelijkheid is louter gericht op een administratieve vereenvoudiging voor aanvragen met een zeer hoog inkomen aan kernactiviteiten en heeft op geen enkel wijze een invloed op de beoordeling van het bestaan van een professionele praktijk bij aanvragen die een lager inkomen voorleggen, zoals voorzien in § 6.
§ 8. De aanvrager die het bewijs levert van een professionele artistieke praktijk in de kunsten en die inkomsten aan kernactiviteiten kan aantonen die de onderstaande bedragen overschrijden, ontvangt een kunstwerkattest "plus":
- Voor de aanvraag van het eerste kunstwerkattest:
o 13.546 euro bruto gedurende de periode [1 van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag of]1;
o 5.418 euro bruto gedurende de periode van 2 jaar voorafgaand aan de aanvraag.
- Voor de aanvraag van elk daaropvolgend kunstwerkattest:
o 4.515 euro bruto gedurende de periode [1 van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag of]1;
o 2.709 euro bruto gedurende de periode van 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag.
§ 9. Bij het beoordelen van de voorwaarden van de paragrafen 6 tot en met 8 wordt geen rekening gehouden met periodes waarin de aanvrager overeenkomstig paragraaf 3, laatste lid, niet in staat was om activiteiten uit te oefenen. De bovenstaande bedragen worden verminderd volgens de verhouding tussen het totaal aantal dagen waarop de aanvrager niet in staat was om activiteiten uit te oefenen en de volledige door de Commissie in aanmerking genomen periode zoals vermeld in de paragrafen 6 tem 8.
§ 2. Elke aanvraag bevat op straffe van onontvankelijkheid:
1° de persoonsgegevens om de aanvrager te identificeren;
2° een omschrijving van zijn professionele artistieke praktijk in de kunsten;
3° de nodige bewijsstukken.
De aanvrager beschrijft in zijn aanvraag alle activiteiten in het kader van zijn professionele artistieke praktijk van de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag.
De aanvrager dient alle bewijsstukken toe te voegen om deze activiteiten te staven.
§ 3. De aanvrager deelt voor elke activiteit mee of het gaat over:
1° kernactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten, zoals bedoeld in § 4, dan wel over;
2° randactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten, zoals bedoeld in § 5.
De aanvrager levert het bewijs van de ontvang inkomsten op basis van deze activiteiten en deelt mee hoeveel tijd hij eraan heeft besteed.
De aanvrager geeft aan op welke momenten gedurende de periode van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag hij niet in staat was activiteiten uit te oefenen wegens ziekte, arbeidsongeval, beroepsziekte, adoptieverlof, moederschaps- en vaderschapsverlof, en voegt hiervoor de bewijsstukken toe.
§ 4. Worden beschouwd als kernactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten:
1° artistieke, artistiek-technische of artistiek-ondersteunende activiteiten waarvoor de aanvrager een beroepsinkomen heeft ontvangen;
2° inkomsten uit auteursrechten of naburige rechten op artistiek werk dat de aanvrager zelf heeft gemaakt of uitgevoerd;
3° prijzengeld toegekend als bezoldiging van artistieke activiteiten.
§ 5. Worden beschouwd als randactiviteiten van de professionele artistieke praktijk in de kunsten:
1° vergoedingen die niet als beroepsinkomen worden beschouwd, ongeacht de vorm en de benaming van deze vergoedingen;
2° de gevolgde opleidingen en vormingen in de kunstdomeinen;
3° de gegeven opleidingen en vormingen in de kunstdomeinen;
4° deelname aan de Kunstwerkcommissie of cultuurcommissies van de deelgebieden;
5° onzichtbaar werk voor zover de aanvrager hiervoor bewijs kan leveren, zoals het voorbereiden en uitwerken van kunstprojecten, conceptueel werk en productiewerk, het zoeken naar financiering voor kunstprojecten, het zoeken naar werk in de domeinen van de kunsten, het onderhouden en uitbouwen van vaardigheden in voormelde kunstdomeinen, de deelname aan tentoonstellingen en andere toonmomenten die niet vergoed worden en de promotie van het artistiek oeuvre;
6° prijzengeld dat niet toegekend is als bezoldiging van artistieke activiteiten.
§ 6. Wordt in geen geval beschouwd als een aanvraag die het bewijs levert van een professionele artistieke praktijk in de kunsten:
a) een aanvraag die geen inkomsten hoger dan 1.000 euro bruto aan kernactiviteiten kan aantonen gedurende de periode van 2 jaar voorafgaand aan aanvraag;
b) een aanvraag die inkomsten tussen de 1000 en 65.400 euro bruto aan kernactiviteiten kan aantonen gedurende de periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag, maar het niet aannemelijk kan maken, ofwel dat de inkomsten uit kernactiviteiten en randactiviteiten samen in een deel van het eigen levensonderhoud kunnen voorzien, ofwel dat de kernactiviteiten en randactiviteiten samen een aanzienlijk deel van de professionele tijdsinvestering uitmaken.
§ 7. Een aanvraag die in de periode van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag een inkomen van meer dan 65.400 euro bruto aan kernactiviteiten kan aantonen, wordt steeds beschouwd als een aanvraag die bewijs levert van een professionele praktijk in de kunsten. Deze mogelijkheid is louter gericht op een administratieve vereenvoudiging voor aanvragen met een zeer hoog inkomen aan kernactiviteiten en heeft op geen enkel wijze een invloed op de beoordeling van het bestaan van een professionele praktijk bij aanvragen die een lager inkomen voorleggen, zoals voorzien in § 6.
§ 8. De aanvrager die het bewijs levert van een professionele artistieke praktijk in de kunsten en die inkomsten aan kernactiviteiten kan aantonen die de onderstaande bedragen overschrijden, ontvangt een kunstwerkattest "plus":
- Voor de aanvraag van het eerste kunstwerkattest:
o 13.546 euro bruto gedurende de periode [1 van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag of]1;
o 5.418 euro bruto gedurende de periode van 2 jaar voorafgaand aan de aanvraag.
- Voor de aanvraag van elk daaropvolgend kunstwerkattest:
o 4.515 euro bruto gedurende de periode [1 van 5 jaar voorafgaand aan de aanvraag of]1;
o 2.709 euro bruto gedurende de periode van 3 jaar voorafgaand aan de aanvraag.
§ 9. Bij het beoordelen van de voorwaarden van de paragrafen 6 tot en met 8 wordt geen rekening gehouden met periodes waarin de aanvrager overeenkomstig paragraaf 3, laatste lid, niet in staat was om activiteiten uit te oefenen. De bovenstaande bedragen worden verminderd volgens de verhouding tussen het totaal aantal dagen waarop de aanvrager niet in staat was om activiteiten uit te oefenen en de volledige door de Commissie in aanmerking genomen periode zoals vermeld in de paragrafen 6 tem 8.
Modifications
Art. 12. § 1er. Toute personne physique peut, conformément à l'article 7 de la loi introduire une demande pour recevoir l'attestation du travail des arts visée à l'article 7 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.
§ 2. Chaque demande contient, sous peine d'irrecevabilité :
1° les données personnelles nécessaires à l'identification du demandeur;
2° une description de sa pratique artistique professionnelle dans les arts;
3° les pièces justificatives nécessaires.
Le demandeur décrit dans sa demande toutes les activités dans le cadre de sa pratique artistique professionnelle des cinq années précédant la demande.
Le demandeur doit ajouter toutes les pièces justificatives pour étayer ces activités.
§ 3. Le demandeur indique pour chaque activité si celle-ci concerne :
1° les activités principales de la pratique artistique professionnelle dans les arts, telles que visées au § 4, ou
2° les activités périphériques de la pratique artistique professionnelle dans les arts, telles que visées au § 5.
Le demandeur fournit la preuve des revenus perçus sur la base de ces activités et indique le temps consacré à celles-ci.
Le demandeur indique à quels moments, au cours de la période de cinq ans précédant la demande, il a été dans l'incapacité de fournir des activités pour cause de maladie, d'accident du travail, de maladie professionnelle, de congé d'adoption, de congé de maternité et de congé de paternité, et en apporte la preuve.
§ 4. Sont considérés comme des activités principales de la pratique artistique professionnelle dans les arts :
1° les activités artistiques, artistiques-techniques ou artistiques de soutien pour lesquelles un revenu professionnel a été perçu par le demandeur;
2° les revenus provenant de droits d'auteur ou de droits voisins sur du travail artistique fait ou exécuté par le demandeur lui-même.
3° les prix accordés en rémunération d'activités artistiques.
§ 5. Sont considérés comme des activités périphériques de la pratique artistique professionnelle dans les arts :
1° les indemnités non considérées comme revenu professionnel quelles que soient la forme et la dénomination de ces indemnités;
2° les études et les formations suivies dans les domaines des arts;
3° l'enseignement et les formations dispensées dans les domaines des arts;
4° la participation à la Commission du travail des arts ou à des commissions culturelles des entités fédérées;
5° le travail invisibilisé pour autant que le demandeur puisse en apporter la preuve, tel que la préparation et le développement de projets artistiques, le travail conceptuel et le travail de production, la recherche de financement de projets artistiques, la recherche de travail dans les domaines des arts, le maintien et le développement des compétences dans les domaines des arts précités, la participation à des expositions et autres activités de monstration non rémunérées et la promotion de l'oeuvre artistique;
6° les prix accordés mais pas comme rémunération des activités artistiques.
§ 6. Ne sera en aucun cas considérée comme une demande qui apporte la preuve d'une pratique artistique professionnelle dans les arts :
a) une demande qui ne peut pas démontrer un revenu supérieur à 1.000 euros bruts dans les activités principales pendant la période de 2 ans précédant la demande;
b) une demande qui peut démontrer des revenus issus des activités principales entre 1000 euros et 65.400 euros bruts au cours de la période de 5 ans précédant la demande, mais ne peut pas rendre plausible, soit que les revenus issus des activités principales et des activités périphériques forment ensemble une partie de sa propre subsistance, soit que les activités principales et les activités périphériques ensemble constituent une partie significative de l'investissement en temps professionnel.
§ 7. Une demande qui peut démontrer un revenu supérieur à 65.400 euros bruts dans les activités principales pendant la période de 5 ans précédant la demande est toujours considérée comme une demande qui apporte la preuve d'une pratique professionnelle dans les arts. Cette possibilité vise uniquement une simplification administrative pour les demandes présentant un revenu très élevé provenant des activités principales et n'affecte en rien l'évaluation de l'existence d'une pratique professionnelle pour les demandes présentant un revenu moindre, telle que prévue au § 6.
§ 8. Le demandeur qui apporte la preuve d'une pratique artistique professionnelle dans les arts et qui démontre des revenus issus des activités principales supérieurs aux montants suivants, reçoit une attestation du travail des arts " plus " :
- Pour la demande de première attestation du travail des arts :
o 13.546 euros bruts pendant [1 la période de 5 ans précédant la demande ou]1;
o 5.418 euros bruts pendant la période de 2 ans précédant la demande.
- Pour la demande de chaque attestation du travail des arts ultérieure :
o 4.515 euros bruts pendant [1 la période de 5 ans précédant la demande ou]1;
o 2.709 euros bruts pendant la période de 3 ans précédant la demande.
§ 9. Lors de l'évaluation des conditions des paragraphes 6 à 8, les périodes pendant lesquelles le demandeur n'a pas été en mesure de fournir des activités conformément au paragraphe 3, dernier alinéa, ne sont pas prises en compte. Les montants ci-dessus sont réduits en fonction du rapport entre le nombre total de jours où le demandeur n'était pas en mesure d'exercer des activités et l'ensemble de la période prise en compte par la Commission telle que mentionnée dans ces paragraphes 6 à 8.
§ 2. Chaque demande contient, sous peine d'irrecevabilité :
1° les données personnelles nécessaires à l'identification du demandeur;
2° une description de sa pratique artistique professionnelle dans les arts;
3° les pièces justificatives nécessaires.
Le demandeur décrit dans sa demande toutes les activités dans le cadre de sa pratique artistique professionnelle des cinq années précédant la demande.
Le demandeur doit ajouter toutes les pièces justificatives pour étayer ces activités.
§ 3. Le demandeur indique pour chaque activité si celle-ci concerne :
1° les activités principales de la pratique artistique professionnelle dans les arts, telles que visées au § 4, ou
2° les activités périphériques de la pratique artistique professionnelle dans les arts, telles que visées au § 5.
Le demandeur fournit la preuve des revenus perçus sur la base de ces activités et indique le temps consacré à celles-ci.
Le demandeur indique à quels moments, au cours de la période de cinq ans précédant la demande, il a été dans l'incapacité de fournir des activités pour cause de maladie, d'accident du travail, de maladie professionnelle, de congé d'adoption, de congé de maternité et de congé de paternité, et en apporte la preuve.
§ 4. Sont considérés comme des activités principales de la pratique artistique professionnelle dans les arts :
1° les activités artistiques, artistiques-techniques ou artistiques de soutien pour lesquelles un revenu professionnel a été perçu par le demandeur;
2° les revenus provenant de droits d'auteur ou de droits voisins sur du travail artistique fait ou exécuté par le demandeur lui-même.
3° les prix accordés en rémunération d'activités artistiques.
§ 5. Sont considérés comme des activités périphériques de la pratique artistique professionnelle dans les arts :
1° les indemnités non considérées comme revenu professionnel quelles que soient la forme et la dénomination de ces indemnités;
2° les études et les formations suivies dans les domaines des arts;
3° l'enseignement et les formations dispensées dans les domaines des arts;
4° la participation à la Commission du travail des arts ou à des commissions culturelles des entités fédérées;
5° le travail invisibilisé pour autant que le demandeur puisse en apporter la preuve, tel que la préparation et le développement de projets artistiques, le travail conceptuel et le travail de production, la recherche de financement de projets artistiques, la recherche de travail dans les domaines des arts, le maintien et le développement des compétences dans les domaines des arts précités, la participation à des expositions et autres activités de monstration non rémunérées et la promotion de l'oeuvre artistique;
6° les prix accordés mais pas comme rémunération des activités artistiques.
§ 6. Ne sera en aucun cas considérée comme une demande qui apporte la preuve d'une pratique artistique professionnelle dans les arts :
a) une demande qui ne peut pas démontrer un revenu supérieur à 1.000 euros bruts dans les activités principales pendant la période de 2 ans précédant la demande;
b) une demande qui peut démontrer des revenus issus des activités principales entre 1000 euros et 65.400 euros bruts au cours de la période de 5 ans précédant la demande, mais ne peut pas rendre plausible, soit que les revenus issus des activités principales et des activités périphériques forment ensemble une partie de sa propre subsistance, soit que les activités principales et les activités périphériques ensemble constituent une partie significative de l'investissement en temps professionnel.
§ 7. Une demande qui peut démontrer un revenu supérieur à 65.400 euros bruts dans les activités principales pendant la période de 5 ans précédant la demande est toujours considérée comme une demande qui apporte la preuve d'une pratique professionnelle dans les arts. Cette possibilité vise uniquement une simplification administrative pour les demandes présentant un revenu très élevé provenant des activités principales et n'affecte en rien l'évaluation de l'existence d'une pratique professionnelle pour les demandes présentant un revenu moindre, telle que prévue au § 6.
§ 8. Le demandeur qui apporte la preuve d'une pratique artistique professionnelle dans les arts et qui démontre des revenus issus des activités principales supérieurs aux montants suivants, reçoit une attestation du travail des arts " plus " :
- Pour la demande de première attestation du travail des arts :
o 13.546 euros bruts pendant [1 la période de 5 ans précédant la demande ou]1;
o 5.418 euros bruts pendant la période de 2 ans précédant la demande.
- Pour la demande de chaque attestation du travail des arts ultérieure :
o 4.515 euros bruts pendant [1 la période de 5 ans précédant la demande ou]1;
o 2.709 euros bruts pendant la période de 3 ans précédant la demande.
§ 9. Lors de l'évaluation des conditions des paragraphes 6 à 8, les périodes pendant lesquelles le demandeur n'a pas été en mesure de fournir des activités conformément au paragraphe 3, dernier alinéa, ne sont pas prises en compte. Les montants ci-dessus sont réduits en fonction du rapport entre le nombre total de jours où le demandeur n'était pas en mesure d'exercer des activités et l'ensemble de la période prise en compte par la Commission telle que mentionnée dans ces paragraphes 6 à 8.
Modifications
Art. 13. De aanvraag wordt ingediend op het digitaal platform " Working in the arts ".
De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen bepalen de modaliteiten voor de aanvraag van een kunstwerkattest bij ministerieel besluit.
De Commissie neemt een beslissing over een aanvraag binnen de drie maanden nadat deze volledig werd verklaard door het secretariaat. Deze termijn wordt opgeschort gedurende periodes waarop de aanvrager wordt verzocht bijkomende toelichting te verschaffen.
Deze termijn wordt ook opgeschort tijdens de maanden juli en augustus.
De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen bepalen de modaliteiten voor de aanvraag van een kunstwerkattest bij ministerieel besluit.
De Commissie neemt een beslissing over een aanvraag binnen de drie maanden nadat deze volledig werd verklaard door het secretariaat. Deze termijn wordt opgeschort gedurende periodes waarop de aanvrager wordt verzocht bijkomende toelichting te verschaffen.
Deze termijn wordt ook opgeschort tijdens de maanden juli en augustus.
Art. 13. La demande s'effectue sur la plateforme numérique " Working in the arts ".
Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions fixent par arrêté ministériel les modalités de demande d'attestation du travail des arts.
La Commission statue sur une demande dans les trois mois après qu'elle ait été déclarée complète par le secrétariat. Ce délai est suspendu pendant les périodes où le demandeur est invité à fournir des explications supplémentaires.
Ce délai est également suspendu pendant les mois de juillet et août.
Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions fixent par arrêté ministériel les modalités de demande d'attestation du travail des arts.
La Commission statue sur une demande dans les trois mois après qu'elle ait été déclarée complète par le secrétariat. Ce délai est suspendu pendant les périodes où le demandeur est invité à fournir des explications supplémentaires.
Ce délai est également suspendu pendant les mois de juillet et août.
Art. 14. Wanneer een aanvraag voor een kunstwerkattest wordt ingediend, wijst de voorzitter van de Commissie deze toe aan een beperkte kamer van de Franstalige of Nederlandstalige afdeling naargelang van de taal waarin de aanvraag werd ingediend.
Aanvragen in het Duits worden behandeld door een beperkte kamer van de Nederlandstalige afdeling waarvan minstens drie leden over een passieve kennis van het Duits beschikken.
Per persoon en per kalenderjaar mogen maximaal twee aanvragen worden ingediend [1 onverminderd de bepalingen van artikel 18, § 1, eerste lid]1.
Aanvragen in het Duits worden behandeld door een beperkte kamer van de Nederlandstalige afdeling waarvan minstens drie leden over een passieve kennis van het Duits beschikken.
Per persoon en per kalenderjaar mogen maximaal twee aanvragen worden ingediend [1 onverminderd de bepalingen van artikel 18, § 1, eerste lid]1.
Modifications
Art. 14. Lorsqu'une demande d'attestation du travail des arts est introduite, le président de la Commission attribue cette demande à une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone en fonction de la langue dans laquelle la demande a été introduite.
Les demandes introduites en allemand sont traitées par une chambre restreinte de la section néerlandophone dont au moins trois membres disposent d'une connaissance passive de l'allemand.
Maximum deux demandes peuvent être introduites par personne et par année civile [1 sans préjudice des règles prévues à l'article 18, § 1er, alinéa 1er]1.
Les demandes introduites en allemand sont traitées par une chambre restreinte de la section néerlandophone dont au moins trois membres disposent d'une connaissance passive de l'allemand.
Maximum deux demandes peuvent être introduites par personne et par année civile [1 sans préjudice des règles prévues à l'article 18, § 1er, alinéa 1er]1.
Modifications
Art. 15. § 1 Het kunstwerkattest begint te lopen vanaf het moment van toekenning door de Commissie.
§ 2. Indien de persoon op dat ogenblik reeds over een geldig kunstwerkattest beschikt, wordt dit met onmiddellijke ingang vervangen door het nieuwe kunstwerkattest vanaf het moment van toekenning door de Commissie.
In afwijking van het vorige lid, ingeval het huidige kunstwerkattest een attest "plus" of "starter" is en een gewoon kunstwerkattest wordt toegekend, blijft het huidige attest "plus" of "starter" geldig tot de oorspronkelijke einddatum. De geldigheid van het nieuwe kunstwerkattest gaat in op de dag na de vervaldatum van het vorige attest en verstrijkt 5 jaar na de datum van het besluit van de Commissie tot toekenning van het nieuwe attest.
Een negatieve beslissing bij een aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest heeft geen gevolgen voor een lopend attest.
§ 3. Indien een nieuw kunstwerkattest is toegekend door de Commissie binnen een termijn van drie maanden na het verstrijken van een attest, wordt het nieuwe attest toegekend met terugwerkende kracht tot de dag na de verstrijkingsdatum van het vorige attest.
In afwijking van het vorig lid, heeft een nieuw gewoon kunstwerkattest dat door de Commissie is toegekend binnen een termijn van drie maanden na het verstrijken van een kunstwerkattest "plus" of "starter", slechts uitwerking vanaf de dag van toekenning. Een beslissing tot weigering heeft evenmin terugwerkende kracht.
§ 4. Indien een nieuw kunstwerkattest is toegekend door de Commissie binnen een termijn van meer dan drie maanden na het verstrijken van een attest, is de regel van § 3 alleen van toepassing indien de aanvraag voor het nieuw attest uiterlijk drie maanden voor de vervaldatum van het vorige attest werd ingediend.
§ 2. Indien de persoon op dat ogenblik reeds over een geldig kunstwerkattest beschikt, wordt dit met onmiddellijke ingang vervangen door het nieuwe kunstwerkattest vanaf het moment van toekenning door de Commissie.
In afwijking van het vorige lid, ingeval het huidige kunstwerkattest een attest "plus" of "starter" is en een gewoon kunstwerkattest wordt toegekend, blijft het huidige attest "plus" of "starter" geldig tot de oorspronkelijke einddatum. De geldigheid van het nieuwe kunstwerkattest gaat in op de dag na de vervaldatum van het vorige attest en verstrijkt 5 jaar na de datum van het besluit van de Commissie tot toekenning van het nieuwe attest.
Een negatieve beslissing bij een aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest heeft geen gevolgen voor een lopend attest.
§ 3. Indien een nieuw kunstwerkattest is toegekend door de Commissie binnen een termijn van drie maanden na het verstrijken van een attest, wordt het nieuwe attest toegekend met terugwerkende kracht tot de dag na de verstrijkingsdatum van het vorige attest.
In afwijking van het vorig lid, heeft een nieuw gewoon kunstwerkattest dat door de Commissie is toegekend binnen een termijn van drie maanden na het verstrijken van een kunstwerkattest "plus" of "starter", slechts uitwerking vanaf de dag van toekenning. Een beslissing tot weigering heeft evenmin terugwerkende kracht.
§ 4. Indien een nieuw kunstwerkattest is toegekend door de Commissie binnen een termijn van meer dan drie maanden na het verstrijken van een attest, is de regel van § 3 alleen van toepassing indien de aanvraag voor het nieuw attest uiterlijk drie maanden voor de vervaldatum van het vorige attest werd ingediend.
Art. 15. § 1er. L'attestation du travail des arts prend cours au moment de son octroi par la Commission.
§ 2. Si la personne dispose déjà à ce moment d'une attestation du travail des arts en cours de validité, cette dernière est remplacée avec effet immédiat par la nouvelle attestation du travail des arts au moment de son octroi par la Commission.
Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsque l'attestation du travail des arts actuelle est une attestation " plus " ou une attestation " débutant " et qu'une attestation du travail des arts ordinaire est octroyée, l'attestation actuelle " plus " ou " débutant " reste valide jusqu'à sa date d'expiration initiale. La validité de la nouvelle attestation du travail des arts prend cours le lendemain de la date d'expiration de l'attestation précédente et expire 5 années après la date de la décision de la Commission d'octroi de la nouvelle attestation.
Une décision négative sur une demande de nouvelle attestation du travail des arts n'a pas d'impact sur une attestation en cours.
§ 3. Si une nouvelle attestation du travail des arts est octroyée par la Commission dans un délai de 3 mois après l'expiration d'une attestation, la nouvelle attestation est octroyée avec un effet rétroactif au lendemain de la date d'expiration de la précédente attestation.
Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsqu'une attestation du travail des arts ordinaire est octroyée par la Commission dans un délai de 3 mois après l'expiration d'une attestation plus ou starter, l'attestation du travail des arts ordinaire octroyée prend cours le jour de son octroi. De même, une décision de refus n'est pas rétroactive.
§ 4. Si une nouvelle attestation du travail des arts est octroyée par la Commission dans un délai de plus de 3 mois après l'expiration d'une attestation, alors la règle prévue au § 3 est seulement d'application si la demande de nouvelle attestation a été introduite au plus tard 3 mois avant la date d'expiration de la précédente attestation.
§ 2. Si la personne dispose déjà à ce moment d'une attestation du travail des arts en cours de validité, cette dernière est remplacée avec effet immédiat par la nouvelle attestation du travail des arts au moment de son octroi par la Commission.
Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsque l'attestation du travail des arts actuelle est une attestation " plus " ou une attestation " débutant " et qu'une attestation du travail des arts ordinaire est octroyée, l'attestation actuelle " plus " ou " débutant " reste valide jusqu'à sa date d'expiration initiale. La validité de la nouvelle attestation du travail des arts prend cours le lendemain de la date d'expiration de l'attestation précédente et expire 5 années après la date de la décision de la Commission d'octroi de la nouvelle attestation.
Une décision négative sur une demande de nouvelle attestation du travail des arts n'a pas d'impact sur une attestation en cours.
§ 3. Si une nouvelle attestation du travail des arts est octroyée par la Commission dans un délai de 3 mois après l'expiration d'une attestation, la nouvelle attestation est octroyée avec un effet rétroactif au lendemain de la date d'expiration de la précédente attestation.
Par dérogation à l'alinéa précédent, lorsqu'une attestation du travail des arts ordinaire est octroyée par la Commission dans un délai de 3 mois après l'expiration d'une attestation plus ou starter, l'attestation du travail des arts ordinaire octroyée prend cours le jour de son octroi. De même, une décision de refus n'est pas rétroactive.
§ 4. Si une nouvelle attestation du travail des arts est octroyée par la Commission dans un délai de plus de 3 mois après l'expiration d'une attestation, alors la règle prévue au § 3 est seulement d'application si la demande de nouvelle attestation a été introduite au plus tard 3 mois avant la date d'expiration de la précédente attestation.
Art. 16. Het kunstwerkattest is vijf jaar geldig.
Art. 16. L'attestation du travail des arts est valable pour une durée de cinq ans.
Art. 17. § 1. De kunstwerker die zijn activiteit pas opstart en niet voldoet aan de voorwaarden voor een gewoon kunstwerkattest of een kunstwerkattest "plus" zoals bedoeld in artikel 7, § 5 van de wet en [1 artikel 12, § § 6 tot en met 8]1 kan eenmalig een kunstwerkattest "starter" afgeleverd krijgen.
Het kunstwerkattest "starter" kan enkel worden afgeleverd wanneer volgende voorwaarden samen zijn vervuld:
1° de aanvrager heeft een diploma verworven in het hoger voltijds kunstonderwijs of beschikt over een relevante opleiding of is gelijkwaardig door ervaring in een of meerdere van de in [1 artikel 7, § 3, eerste lid, van de wet]1 vermelde sectoren;
2° de aanvrager beschikt over minstens één van de volgende documenten:
- een bewijs van deelname aan een vormingstraject waarin de aanvrager wordt begeleid om een loopbaan-, financieel of ondernemingsplan te ontwikkelen;
- een bewijs van deelname aan een opleidingsonderdeel binnen het hoger onderwijs waarbij de aanvrager voor zichzelf een loopbaan-, financieel of ondernemingsplan ontwikkelt;
- een zelf uitgewerkt loopbaan-, financieel of ondernemingsplan met een realistisch plan om tijdens de duurtijd van het kunstwerkattest "starter" een professionele praktijk in de kunsten uit te bouwen.
3° de aanvrager levert bewijs dat hij ofwel minstens vijf prestaties heeft uitgeoefend ofwel 300 euro bruto inkomsten heeft verworven in het kader van de activiteiten zoals beschreven in artikel 12, § 4, binnen de periode van drie jaren voorafgaand aan de aanvraag.
§ 2. In afwijking van artikel 16 is het kunstwerkattest afgeleverd aan een startende kunstwerker drie jaar geldig.
Met uitzondering van de geldigheidsduur is het kunstwerkattest "starter" gelijkwaardig aan het kunstwerkattest "plus".
Het kunstwerkattest "starter" kan enkel worden afgeleverd wanneer volgende voorwaarden samen zijn vervuld:
1° de aanvrager heeft een diploma verworven in het hoger voltijds kunstonderwijs of beschikt over een relevante opleiding of is gelijkwaardig door ervaring in een of meerdere van de in [1 artikel 7, § 3, eerste lid, van de wet]1 vermelde sectoren;
2° de aanvrager beschikt over minstens één van de volgende documenten:
- een bewijs van deelname aan een vormingstraject waarin de aanvrager wordt begeleid om een loopbaan-, financieel of ondernemingsplan te ontwikkelen;
- een bewijs van deelname aan een opleidingsonderdeel binnen het hoger onderwijs waarbij de aanvrager voor zichzelf een loopbaan-, financieel of ondernemingsplan ontwikkelt;
- een zelf uitgewerkt loopbaan-, financieel of ondernemingsplan met een realistisch plan om tijdens de duurtijd van het kunstwerkattest "starter" een professionele praktijk in de kunsten uit te bouwen.
3° de aanvrager levert bewijs dat hij ofwel minstens vijf prestaties heeft uitgeoefend ofwel 300 euro bruto inkomsten heeft verworven in het kader van de activiteiten zoals beschreven in artikel 12, § 4, binnen de periode van drie jaren voorafgaand aan de aanvraag.
§ 2. In afwijking van artikel 16 is het kunstwerkattest afgeleverd aan een startende kunstwerker drie jaar geldig.
Met uitzondering van de geldigheidsduur is het kunstwerkattest "starter" gelijkwaardig aan het kunstwerkattest "plus".
Modifications
Art. 17. § 1er. Une attestation du travail des arts " débutant " peut être délivrée une seule fois à un travailleur des arts qui débute son activité ; et qui ne remplit pas les conditions d'une attestation du travail des arts ordinaire ou " plus " visées à l'article 7 § 5 de la loi et à l'[1 article 12, § § 6 à 8 inclus]1.
Cette attestation du travail des arts " débutant " ne peut être délivrée que lorsque les conditions cumulatives suivantes sont réunies :
1° le demandeur a obtenu un diplôme de l'enseignement artistique supérieur de plein exercice ou dispose d'une formation ou d'une expérience équivalente dans un ou plusieurs des secteurs mentionnés dans l'[1 article 7, § 3, alinéa 1er, de la loi]1;
2° le demandeur possède au moins l'un des documents suivants :
- la preuve de la participation à un programme de formation dans lequel le demandeur est coaché pour élaborer un plan de carrière, financier ou d'affaires;
- la preuve de la participation à un cours de formation dans l'enseignement supérieur dans lequel le demandeur élabore un plan de carrière, financier ou commercial pour lui-même;
- un plan de carrière, un plan financier ou un plan d'affaires élaboré par l'intéressé, avec un projet réaliste de développement d'une pratique professionnelle dans les domaines des arts pendant la durée de l'attestation "débutant".
3° le demandeur apporte la preuve qu'il a soit effectué au moins cinq prestations soit acquis un revenu brut de 300 euros dans le cadre des activités décrites à l'article 12, § 4, au cours de la période de trois ans précédant la demande.
§ 2. Par dérogation à l'article 16, l'attestation du travail des arts délivrée à un travailleur des arts débutant est valable pour une durée de 3 ans.
A l'exception de la durée de validité, l'attestation du travail des arts " débutant " est équivalente à l'attestation du travail des arts" plus ".
Cette attestation du travail des arts " débutant " ne peut être délivrée que lorsque les conditions cumulatives suivantes sont réunies :
1° le demandeur a obtenu un diplôme de l'enseignement artistique supérieur de plein exercice ou dispose d'une formation ou d'une expérience équivalente dans un ou plusieurs des secteurs mentionnés dans l'[1 article 7, § 3, alinéa 1er, de la loi]1;
2° le demandeur possède au moins l'un des documents suivants :
- la preuve de la participation à un programme de formation dans lequel le demandeur est coaché pour élaborer un plan de carrière, financier ou d'affaires;
- la preuve de la participation à un cours de formation dans l'enseignement supérieur dans lequel le demandeur élabore un plan de carrière, financier ou commercial pour lui-même;
- un plan de carrière, un plan financier ou un plan d'affaires élaboré par l'intéressé, avec un projet réaliste de développement d'une pratique professionnelle dans les domaines des arts pendant la durée de l'attestation "débutant".
3° le demandeur apporte la preuve qu'il a soit effectué au moins cinq prestations soit acquis un revenu brut de 300 euros dans le cadre des activités décrites à l'article 12, § 4, au cours de la période de trois ans précédant la demande.
§ 2. Par dérogation à l'article 16, l'attestation du travail des arts délivrée à un travailleur des arts débutant est valable pour une durée de 3 ans.
A l'exception de la durée de validité, l'attestation du travail des arts " débutant " est équivalente à l'attestation du travail des arts" plus ".
Modifications
Art. 18. § 1. [1 Een aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest kan op zijn vroegst twee jaar voor het einde van de geldigheidsduur van het geldige attest worden ingediend.
In afwijking van het eerste lid kan, wanneer het geldige attest een gewoon kunstwerkattest is, een aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest op zijn vroegst vier jaar voor het einde van de geldigheidsduur van het gewone attest worden ingediend.
In afwijking van het eerste en tweede lid zijn de in het eerste lid en tweede lid genoemde termijnen niet van toepassing wanneer het geldige attest een gewoon kunstwerkattest is dat overeenkomstig artikel 38 is verkregen.
Een te vroeg ingediende aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest is niet ontvankelijk.
De Kunstwerkcommissie zal contact opnemen met de kunstwerker:
1° zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest om hem eraan te herinneren dat de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest verstrijkt en hem erop te wijzen dat hij een nieuw kunstwerkattest kan aanvragen;
2° bij het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest om hem erop te wijzen dat de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest is verstreken.]1
§ 2. Wanneer een aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest [1 binnen de in § 1, eerste, tweede en derde lid, bedoelde termijnen]1 en uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van een geldig kunstwerkattest is ingediend en deze aanvraag door het secretariaat volledig is verklaard, blijft het vervallen kunstwerkattest van kracht totdat de Commissie een beslissing heeft genomen.
In afwijking van het eerste lid kan, wanneer het geldige attest een gewoon kunstwerkattest is, een aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest op zijn vroegst vier jaar voor het einde van de geldigheidsduur van het gewone attest worden ingediend.
In afwijking van het eerste en tweede lid zijn de in het eerste lid en tweede lid genoemde termijnen niet van toepassing wanneer het geldige attest een gewoon kunstwerkattest is dat overeenkomstig artikel 38 is verkregen.
Een te vroeg ingediende aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest is niet ontvankelijk.
De Kunstwerkcommissie zal contact opnemen met de kunstwerker:
1° zes maanden vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest om hem eraan te herinneren dat de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest verstrijkt en hem erop te wijzen dat hij een nieuw kunstwerkattest kan aanvragen;
2° bij het verstrijken van de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest om hem erop te wijzen dat de geldigheidsduur van zijn kunstwerkattest is verstreken.]1
§ 2. Wanneer een aanvraag voor een nieuw kunstwerkattest [1 binnen de in § 1, eerste, tweede en derde lid, bedoelde termijnen]1 en uiterlijk drie maanden voor het verstrijken van een geldig kunstwerkattest is ingediend en deze aanvraag door het secretariaat volledig is verklaard, blijft het vervallen kunstwerkattest van kracht totdat de Commissie een beslissing heeft genomen.
Modifications
Art. 18. § 1er. [1 Une demande de nouvelle attestation du travail des arts peut être introduite au plus tôt deux ans avant la fin de validité de l'attestation en cours de validité.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque l'attestation en cours de validité est une attestation du travail des arts ordinaire, une demande de nouvelle attestation du travail des arts peut être introduite au plus tôt quatre ans avant la fin de validité de cette attestation ordinaire.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, lorsque l'attestation en cours de validité est une attestation du travail des arts ordinaire obtenue conformément à l'article 38, les délais mentionnés aux l'alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables.
Une demande de nouvelle attestation du travail des arts introduite trop tôt est irrecevable.
La Commission du travail des arts prendra contact avec le travailleur des arts :
1° six mois avant l'expiration de la période de validité de son attestation du travail des arts pour lui rappeler que la période de validité de son attestation du travail des arts arrivera à expiration et l'informer qu'il peut introduire une demande de nouvelle attestation du travail des arts;
2° à l'expiration de la période de validité de son attestation du travail des arts pour l'informer qu'elle est arrivée à expiration.]1
§ 2. Lorsqu'une demande de nouvelle attestation du travail des arts a été introduite [1 dans les délais mentionnés au § 1er, alinéas 1er, 2 et 3,]1 et au plus tard 3 mois avant la date d'expiration d'une attestation du travail des arts en cours de validité et que cette demande a été déclarée complète par le secrétariat, l'attestation du travail des arts qui est arrivée à expiration continue de produire ses effets jusqu'à la décision de la Commission.
Par dérogation à l'alinéa 1er, lorsque l'attestation en cours de validité est une attestation du travail des arts ordinaire, une demande de nouvelle attestation du travail des arts peut être introduite au plus tôt quatre ans avant la fin de validité de cette attestation ordinaire.
Par dérogation aux alinéas 1er et 2, lorsque l'attestation en cours de validité est une attestation du travail des arts ordinaire obtenue conformément à l'article 38, les délais mentionnés aux l'alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables.
Une demande de nouvelle attestation du travail des arts introduite trop tôt est irrecevable.
La Commission du travail des arts prendra contact avec le travailleur des arts :
1° six mois avant l'expiration de la période de validité de son attestation du travail des arts pour lui rappeler que la période de validité de son attestation du travail des arts arrivera à expiration et l'informer qu'il peut introduire une demande de nouvelle attestation du travail des arts;
2° à l'expiration de la période de validité de son attestation du travail des arts pour l'informer qu'elle est arrivée à expiration.]1
§ 2. Lorsqu'une demande de nouvelle attestation du travail des arts a été introduite [1 dans les délais mentionnés au § 1er, alinéas 1er, 2 et 3,]1 et au plus tard 3 mois avant la date d'expiration d'une attestation du travail des arts en cours de validité et que cette demande a été déclarée complète par le secrétariat, l'attestation du travail des arts qui est arrivée à expiration continue de produire ses effets jusqu'à la décision de la Commission.
Modifications
Art. 19. § 1. De Kunstwerkcommissie kan het kunstwerkattest opschorten of nietig verklaren bij misbruik of indien de bewijsstukken waarop de Kunstwerkcommissie zich baseerde om het kunstwerkattest af te leveren vals waren. In het geval van nietigverklaring wordt het kunstwerkattest geacht nooit te hebben bestaan.
Een verzoek tot opschorting of nietigverklaring kan worden ingediend door de
1° controle-instanties;
2° voorzitter of zijn plaatsvervanger indien hij op de hoogte werd gebracht van misbruik of vaststelt dat de bewijsstukken waarop de Kunstwerkcommissie haar beslissing tot aflevering van het kunstwerkattest heeft gebaseerd, vals zijn. Dit wordt een ambtshalve verzoek tot opschorting of tot nietigverklaring genoemd.
§ 2. Wanneer een controle-instantie een verzoek tot opschorting of tot nietigverklaring van het kunstwerkattest indient, wijst de voorzitter van de Commissie het toe aan een beperkte kamer van de Franstalige of Nederlandstalige afdeling, naargelang van de taal waarin het kunstwerkattest werd afgeleverd.
§ 3. Wanneer de voorzitter of zijn plaatsvervanger een ambtshalve verzoek tot opschorting of tot nietigverklaring indient, legt hij het voor aan een beperkte kamer van de Franstalige of Nederlandstalige afdeling, naargelang van de taal waarin het kunstwerkattest werd afgeleverd.
§ 4. Tijdens de behandeling van het verzoek tot opschorting of nietigverklaring mag de kunstwerker geen aanvraag voor een kunstwerkattest indienen.
§ 5. De kunstwerker wiens kunstwerkattest het voorwerp uitmaakt van een beroep tot opschorting of tot nietigverklaring wordt hiervan via het digitaal platform op de hoogte gebracht en heeft het recht om gehoord te worden in het kader van deze procedure.
§ 6. Bij nietigverklaring van een kunstwerkattest wordt het attest geacht nooit te hebben bestaan en kan de Kunstwerkcommissie tevens besluiten dat de betrokken kunstwerker gedurende een periode van maximaal drie jaar na de schriftelijke [1 kennisgeving]1 van de beslissing tot nietigverklaring aan de kunstwerker geen aanvraag voor een kunstwerkattest indienen.
In geval van opschorting van een kunstwerkattest houdt het attest op van kracht te zijn gedurende de periode die de Commissie in haar besluit vaststelt.
§ 7. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken, en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende het opschorten en nietig verklaren van het kunstwerkattest bepalen.
Een verzoek tot opschorting of nietigverklaring kan worden ingediend door de
1° controle-instanties;
2° voorzitter of zijn plaatsvervanger indien hij op de hoogte werd gebracht van misbruik of vaststelt dat de bewijsstukken waarop de Kunstwerkcommissie haar beslissing tot aflevering van het kunstwerkattest heeft gebaseerd, vals zijn. Dit wordt een ambtshalve verzoek tot opschorting of tot nietigverklaring genoemd.
§ 2. Wanneer een controle-instantie een verzoek tot opschorting of tot nietigverklaring van het kunstwerkattest indient, wijst de voorzitter van de Commissie het toe aan een beperkte kamer van de Franstalige of Nederlandstalige afdeling, naargelang van de taal waarin het kunstwerkattest werd afgeleverd.
§ 3. Wanneer de voorzitter of zijn plaatsvervanger een ambtshalve verzoek tot opschorting of tot nietigverklaring indient, legt hij het voor aan een beperkte kamer van de Franstalige of Nederlandstalige afdeling, naargelang van de taal waarin het kunstwerkattest werd afgeleverd.
§ 4. Tijdens de behandeling van het verzoek tot opschorting of nietigverklaring mag de kunstwerker geen aanvraag voor een kunstwerkattest indienen.
§ 5. De kunstwerker wiens kunstwerkattest het voorwerp uitmaakt van een beroep tot opschorting of tot nietigverklaring wordt hiervan via het digitaal platform op de hoogte gebracht en heeft het recht om gehoord te worden in het kader van deze procedure.
§ 6. Bij nietigverklaring van een kunstwerkattest wordt het attest geacht nooit te hebben bestaan en kan de Kunstwerkcommissie tevens besluiten dat de betrokken kunstwerker gedurende een periode van maximaal drie jaar na de schriftelijke [1 kennisgeving]1 van de beslissing tot nietigverklaring aan de kunstwerker geen aanvraag voor een kunstwerkattest indienen.
In geval van opschorting van een kunstwerkattest houdt het attest op van kracht te zijn gedurende de periode die de Commissie in haar besluit vaststelt.
§ 7. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken, en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende het opschorten en nietig verklaren van het kunstwerkattest bepalen.
Modifications
Art. 19. § 1er. La Commission du travail des arts peut suspendre ou annuler l'attestation du travail des arts en cas d'abus ou si les preuves sur lesquelles la Commission du travail des arts s'est fondée pour délivrer l'attestation du travail des arts s'avèrent fausses. En cas d'annulation l'attestation du travail des arts sera réputée ne jamais avoir existé.
Une demande en suspension ou en annulation peut être introduite :
1° par les instances de contrôle
2° par le président ou son suppléant s'il a eu connaissance d'abus ou constate que les preuves sur lesquelles la Commission du travail des arts s'est fondée pour délivrer l'attestation du travail des arts s'avèrent fausses. On parle dans ce cas de requête en suspension ou en annulation d'office.
§ 2. Lorsqu'une demande de suspension ou d'annulation de l'attestation du travail des arts est introduite par une instance de contrôle, le président de la Commission l'attribue à une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone en fonction de la langue dans laquelle l'attestation du travail des arts avait été délivrée.
§ 3. Lorsque le président ou son suppléant soumet une demande en suspension ou en annulation d'office, il saisit une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone en fonction de la langue dans laquelle l'attestation du travail des arts avait été délivrée.
§ 4. Pendant l'examen de la demande en suspension ou en annulation, le travailleur des arts ne pourra introduire aucune demande d'attestation du travail des arts.
§ 5. Le travailleur des arts dont l'attestation du travail des arts fait l'objet d'un recours en suspension ou en annulation en sera informé au moyen de la plateforme numérique et a le droit d'être entendu dans le cadre de cette procédure.
§ 6. En cas d'annulation d'une attestation du travail des arts, l'attestation est réputée n'avoir jamais existé et la Commission peut par ailleurs décider que le travailleur des arts concerné ne pourra introduire aucune demande d'attestation du travail des arts durant une période de maximum 3 ans suivant la notification écrite de la décision d'annulation au travailleur des arts.
En cas de suspension d'une attestation du travail des arts, l'attestation cesse de produire ses effets pendant la durée déterminée par la Commission dans sa décision.
§ 7. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions peuvent fixer par arrêté ministériel les modalités de suspension et d'annulation de l'attestation du travail des arts.
Une demande en suspension ou en annulation peut être introduite :
1° par les instances de contrôle
2° par le président ou son suppléant s'il a eu connaissance d'abus ou constate que les preuves sur lesquelles la Commission du travail des arts s'est fondée pour délivrer l'attestation du travail des arts s'avèrent fausses. On parle dans ce cas de requête en suspension ou en annulation d'office.
§ 2. Lorsqu'une demande de suspension ou d'annulation de l'attestation du travail des arts est introduite par une instance de contrôle, le président de la Commission l'attribue à une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone en fonction de la langue dans laquelle l'attestation du travail des arts avait été délivrée.
§ 3. Lorsque le président ou son suppléant soumet une demande en suspension ou en annulation d'office, il saisit une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone en fonction de la langue dans laquelle l'attestation du travail des arts avait été délivrée.
§ 4. Pendant l'examen de la demande en suspension ou en annulation, le travailleur des arts ne pourra introduire aucune demande d'attestation du travail des arts.
§ 5. Le travailleur des arts dont l'attestation du travail des arts fait l'objet d'un recours en suspension ou en annulation en sera informé au moyen de la plateforme numérique et a le droit d'être entendu dans le cadre de cette procédure.
§ 6. En cas d'annulation d'une attestation du travail des arts, l'attestation est réputée n'avoir jamais existé et la Commission peut par ailleurs décider que le travailleur des arts concerné ne pourra introduire aucune demande d'attestation du travail des arts durant une période de maximum 3 ans suivant la notification écrite de la décision d'annulation au travailleur des arts.
En cas de suspension d'une attestation du travail des arts, l'attestation cesse de produire ses effets pendant la durée déterminée par la Commission dans sa décision.
§ 7. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions peuvent fixer par arrêté ministériel les modalités de suspension et d'annulation de l'attestation du travail des arts.
Art. 20. De Kunstwerkcommissie houdt een digitaal register bij waarin alle personen die beschikken over een kunstwerkattest worden opgenomen.
Dit register vermeldt voor elke ingeschreven persoon:
1. zijn naam, voorna(a)m(en) en een contactadres indien opgegeven door de houder van het kunstwerkattest;
2. zijn identificatienummer van de sociale zekerheid:
3. de begindatum van de geldigheid van het kunstwerkattest;
4. de einddatum van de geldigheid van het kunstwerkattest;
5. de datum van de beslissing;
6. het type kunstwerkattest;
7. de status van het kunstwerkattest, de datum van deze status en de historiek van statuswijzigingen.
Met het oog op de toepassing van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders deelt de Kunstwerkcommissie aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid de identificatiegegevens mee van de personen die over een kunstwerkattest beschikken of reeds beschikt hebben.
De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende het bijhouden en inschrijven in dit register bepalen.
Dit register vermeldt voor elke ingeschreven persoon:
1. zijn naam, voorna(a)m(en) en een contactadres indien opgegeven door de houder van het kunstwerkattest;
2. zijn identificatienummer van de sociale zekerheid:
3. de begindatum van de geldigheid van het kunstwerkattest;
4. de einddatum van de geldigheid van het kunstwerkattest;
5. de datum van de beslissing;
6. het type kunstwerkattest;
7. de status van het kunstwerkattest, de datum van deze status en de historiek van statuswijzigingen.
Met het oog op de toepassing van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders deelt de Kunstwerkcommissie aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid de identificatiegegevens mee van de personen die over een kunstwerkattest beschikken of reeds beschikt hebben.
De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der zelfstandigen kunnen bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende het bijhouden en inschrijven in dit register bepalen.
Art. 20. La Commission du travail des arts tiendra un registre numérique de toutes les personnes titulaires d'une attestation du travail des arts.
Ce registre mentionne, pour chaque personne inscrite :
1. ses nom, prénom(s) et une adresse de contact si précisée par le titulaire de l'attestation du travail des arts;
2. son numéro d'identification à la sécurité sociale;
3. la date de début de validité de l'attestation du travail des arts;
4. la date de fin de validité de l'attestation du travail des arts;
5. la date de la décision;
6. le type d'attestation du travail des arts;
7. le statut de l'attestation du travail des arts, la date de ce statut et l'historique des changements de statut.
En vue de l'application de l'article 1bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, la Commission du travail des arts communique à l'Office national de sécurité sociale les données d'identification des personnes qui disposent ou ont déjà disposé par le passé d'une attestation du travail des arts.
Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions peuvent fixer par arrêté ministériel les modalités relatives à l'inscription dans ce registre et à la tenue de celui-ci.
Ce registre mentionne, pour chaque personne inscrite :
1. ses nom, prénom(s) et une adresse de contact si précisée par le titulaire de l'attestation du travail des arts;
2. son numéro d'identification à la sécurité sociale;
3. la date de début de validité de l'attestation du travail des arts;
4. la date de fin de validité de l'attestation du travail des arts;
5. la date de la décision;
6. le type d'attestation du travail des arts;
7. le statut de l'attestation du travail des arts, la date de ce statut et l'historique des changements de statut.
En vue de l'application de l'article 1bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, la Commission du travail des arts communique à l'Office national de sécurité sociale les données d'identification des personnes qui disposent ou ont déjà disposé par le passé d'une attestation du travail des arts.
Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions peuvent fixer par arrêté ministériel les modalités relatives à l'inscription dans ce registre et à la tenue de celui-ci.
Art. 21. De Kunstwerkcommissie hanteert objectieve criteria bij het beoordelen van de activiteiten in het kader van het afleveren van het kunstwerkattest. Deze criteria en de activiteiten die voldoen aan deze criteria worden bijgehouden in een levend kadaster.
Art. 21. La Commission du travail des arts applique des critères objectifs lors de l'évaluation des activités dans le cadre de la délivrance de l'attestation du travail des arts. Ces critères et les activités qui répondent à ces critères sont consignés dans un cadastre vivant.
Art. 22. § 1. Beroep kan worden ingesteld bij de Commissie tegen de beslissing van de Kunstwerkcommissie inzake een aanvraag van een kunstwerkattest of de beslissing om een kunstwerkattest op te schorten of nietig te verklaren binnen de maand die volgt op de kennisgeving van de bestreden beslissing.
Dit beroep wordt ingesteld via het digitaal platform Working in the Arts [1 ...]1.
§ 2. Wanneer een beroep wordt ingesteld overeenkomstig § 1, wijst de voorzitter van de Commissie het beroep toe aan een beperkte kamer van de Nederlandstalige of Franstalige afdeling, naargelang van de taal waarin de initiële aanvraag voor een kunstwerkattest werd ingediend. Het mag niet gaan om de kamer aan wie de aanvraag reeds werd toegewezen voor de behandeling van de initiële aanvraag, ongeacht of deze kamer een beslissing nam of de aanvraag verwees naar de uitgebreide kamer.
Dit beroep wordt ingesteld via het digitaal platform Working in the Arts [1 ...]1.
§ 2. Wanneer een beroep wordt ingesteld overeenkomstig § 1, wijst de voorzitter van de Commissie het beroep toe aan een beperkte kamer van de Nederlandstalige of Franstalige afdeling, naargelang van de taal waarin de initiële aanvraag voor een kunstwerkattest werd ingediend. Het mag niet gaan om de kamer aan wie de aanvraag reeds werd toegewezen voor de behandeling van de initiële aanvraag, ongeacht of deze kamer een beslissing nam of de aanvraag verwees naar de uitgebreide kamer.
Modifications
Art. 22. § 1er. Un recours peut être introduit auprès de la Commission contre la décision de la Commission statuant sur une demande d'attestation du travail des arts ou contre une décision de suspension ou d'annulation de l'attestation du travail des arts dans le mois qui suit la notification de la décision contestée.
Ce recours est introduit au moyen de la plateforme numérique Working in the Arts [1 ...]1.
§ 2. Lorsqu'un recours est introduit conformément au § 1er, le Président de la Commission attribue le recours à une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone en fonction de la langue dans laquelle la demande initiale d'attestation du travail des arts a été introduite. Il ne peut pas s'agir de la chambre à laquelle la demande a déjà été attribuée pour le traitement de la demande initiale, que celle-ci ait rendu une décision ou renvoyé la demande à la chambre élargie.
Ce recours est introduit au moyen de la plateforme numérique Working in the Arts [1 ...]1.
§ 2. Lorsqu'un recours est introduit conformément au § 1er, le Président de la Commission attribue le recours à une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone en fonction de la langue dans laquelle la demande initiale d'attestation du travail des arts a été introduite. Il ne peut pas s'agir de la chambre à laquelle la demande a déjà été attribuée pour le traitement de la demande initiale, que celle-ci ait rendu une décision ou renvoyé la demande à la chambre élargie.
Modifications
TITEL III. - De amateurkunstenvergoeding
TITRE III. - L'indemnité des arts en amateurs
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Art. 23. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder:
1° "uitvoerder": de persoon die artistieke activiteiten uitoefent bedoeld in artikel 17sexies, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° "opdrachtgever": de persoon die opdracht geeft aan een uitvoerder tot het uitoefenen van een artistieke activiteit, bedoeld in artikel 17sexies, § 1, 2°, van voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969;
3° "artistieke activiteit": de activiteit bedoeld in artikel 17sexies, § 1, 3°, van voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969;
4° "controle-instanties": de instanties bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;
5° "beveiligde elektronische toepassing": de beveiligde elektronische toepassing in het kader van de amateurkunstenvergoeding ter beschikking gesteld door de Rijksdienst voor sociale zekerheid, bedoeld in artikel 9 van voormelde wet van 16 december 2022;
6° "INSZ": het identificatienummer van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 8, § 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
1° "uitvoerder": de persoon die artistieke activiteiten uitoefent bedoeld in artikel 17sexies, § 1, 1°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders;
2° "opdrachtgever": de persoon die opdracht geeft aan een uitvoerder tot het uitoefenen van een artistieke activiteit, bedoeld in artikel 17sexies, § 1, 2°, van voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969;
3° "artistieke activiteit": de activiteit bedoeld in artikel 17sexies, § 1, 3°, van voormeld koninklijk besluit van 28 november 1969;
4° "controle-instanties": de instanties bedoeld in artikel 2, 2°, van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers;
5° "beveiligde elektronische toepassing": de beveiligde elektronische toepassing in het kader van de amateurkunstenvergoeding ter beschikking gesteld door de Rijksdienst voor sociale zekerheid, bedoeld in artikel 9 van voormelde wet van 16 december 2022;
6° "INSZ": het identificatienummer van de sociale zekerheid bedoeld in artikel 8, § 1, 1° of 2°, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.
Art. 23. Pour l'application du présent titre, on entend par:
1° " exécutant " : la personne qui fournit des activités artistiques visée à l'article 17sexies, § 1er, 1°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° " donneur d'ordre " : celui qui donne mission à un exécutant d'exercer une activité artistique, visé à l'article 17sexies, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 précité;
3° " activité artistique " : l' activité visée à l'article 17sexies, § 1er, 3°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 précité;
4° " instances de contrôle " : les instances visées à l'article 2, 2°, de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
5° " application électronique sécurisée " : l'application électronique sécurisée dans le cadre de l'indemnité des arts en amateur mise à disposition par l'Office national de sécurité sociale, visée à l'article 9 de la loi précitée du 16 décembre 2022 ;
6° " NISS ": le numéro d'identification à la sécurité sociale visé à l'article 8, § 1er, 1° ou 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale
1° " exécutant " : la personne qui fournit des activités artistiques visée à l'article 17sexies, § 1er, 1°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
2° " donneur d'ordre " : celui qui donne mission à un exécutant d'exercer une activité artistique, visé à l'article 17sexies, § 1er, 2°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 précité;
3° " activité artistique " : l' activité visée à l'article 17sexies, § 1er, 3°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 précité;
4° " instances de contrôle " : les instances visées à l'article 2, 2°, de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts;
5° " application électronique sécurisée " : l'application électronique sécurisée dans le cadre de l'indemnité des arts en amateur mise à disposition par l'Office national de sécurité sociale, visée à l'article 9 de la loi précitée du 16 décembre 2022 ;
6° " NISS ": le numéro d'identification à la sécurité sociale visé à l'article 8, § 1er, 1° ou 2°, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque-carrefour de la sécurité sociale
HOOFDSTUK 2. - Elektronische registratie van de opdrachtgever
CHAPITRE 2. - Enregistrement électronique du donneur d'ordre
Art. 24. § 1. De opdrachtgever dient zich, voorafgaand aan de aangifte van de artistieke activiteiten in het kader van de amateurkunstenvergoeding en uiterlijk op het moment waarop de uitvoerder zijn artistieke activiteiten aanvat, te registeren bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, via de beveiligde elektronische toepassing, aan de hand van:
1° zijn ondernemingsnummer, indien de opdrachtgever over een ondernemingsnummer beschikt;
2° zijn INSZ, indien de opdrachtgever niet over een ondernemingsnummer beschikt.
§ 2. Met het oog op de correcte identificatie van de betreffende opdrachtgever heeft voormelde Rijksdienst toegang tot en kan hij medeling verkrijgen van de volgende identificatiegegevens van de opdrachtgever afkomstig uit het Rijksregister van de natuurlijke personen:
1° de naam en voornamen;
2° het geslacht;
3° de geboorteplaats en -datum;
4° de hoofdverblijfplaats.
§ 3. Bij zijn registratie deelt de opdrachtgever aan voormelde Rijksdienst volgende contactgegevens mee:
1° zijn e-mailadres;
2° zijn telefoonnummer.
1° zijn ondernemingsnummer, indien de opdrachtgever over een ondernemingsnummer beschikt;
2° zijn INSZ, indien de opdrachtgever niet over een ondernemingsnummer beschikt.
§ 2. Met het oog op de correcte identificatie van de betreffende opdrachtgever heeft voormelde Rijksdienst toegang tot en kan hij medeling verkrijgen van de volgende identificatiegegevens van de opdrachtgever afkomstig uit het Rijksregister van de natuurlijke personen:
1° de naam en voornamen;
2° het geslacht;
3° de geboorteplaats en -datum;
4° de hoofdverblijfplaats.
§ 3. Bij zijn registratie deelt de opdrachtgever aan voormelde Rijksdienst volgende contactgegevens mee:
1° zijn e-mailadres;
2° zijn telefoonnummer.
Art. 24. § 1er. Le donneur d'ordre est tenu de s'enregistrer, préalablement à la déclaration des activités artistiques dans le cadre de l'indemnité des arts en amateur et au plus tard au moment où l'exécutant débute ses activités artistiques, auprès de l'Office national de sécurité sociale, par le biais de l'application électronique sécurisée visée, sur base de :
1° son numéro d'entreprise, lorsque le donneur d'ordre dispose d'un numéro d'entreprise;
2° son NISS, lorsque le donneur d'ordre ne dispose pas d'un numéro d'entreprise.
§ 2. En vue de l'identification correcte du donneur d'ordre concerné, l'Office national précité peut accéder aux et obtenir communication des informations suivantes du donneur d'ordre provenant du Registre national des personnes physiques :
1° les noms et prénoms;
2° le sexe;
3° le lieu et la date de naissance;
4° la résidence principale.
§ 3. Lors de son enregistrement, le donneur d'ordre communique les données de contact suivantes à l'Office national précité :
1° son adresse électronique;
2° son numéro de téléphone.
1° son numéro d'entreprise, lorsque le donneur d'ordre dispose d'un numéro d'entreprise;
2° son NISS, lorsque le donneur d'ordre ne dispose pas d'un numéro d'entreprise.
§ 2. En vue de l'identification correcte du donneur d'ordre concerné, l'Office national précité peut accéder aux et obtenir communication des informations suivantes du donneur d'ordre provenant du Registre national des personnes physiques :
1° les noms et prénoms;
2° le sexe;
3° le lieu et la date de naissance;
4° la résidence principale.
§ 3. Lors de son enregistrement, le donneur d'ordre communique les données de contact suivantes à l'Office national précité :
1° son adresse électronique;
2° son numéro de téléphone.
HOOFDSTUK 3. - Elektronische registratie van de uitvoerder
CHAPITRE 3. - Enregistrement électronique de l'exécutant
Art. 25. § 1. De uitvoerder dient zich, voorafgaand aan de aangifte van de artistieke activiteiten in het kader van de amateurkunstenvergoeding en uiterlijk op het moment waarop hij zijn artistieke activiteiten aanvat, te registeren bij de Rijksdienst voor sociale zekerheid, via de beveiligde elektronische toepassing, aan de hand van zijn INSZ.
§ 2. Met het oog op de correcte identificatie van de betreffende uitvoerder heeft voormelde Rijksdienst toegang tot en kan hij mededeling verkrijgen van de volgende identificatiegegevens van de uitvoerder afkomstig uit het Rijksregister van de natuurlijke personen:
1° de naam en voornamen;
2° het geslacht;
3° de geboorteplaats en -datum;
4° de hoofdverblijfplaats.
§ 3. Bij zijn registratie deelt de uitvoerder aan voormelde Rijksdienst volgende contactgegevens mee:
1° zijn e-mailadres;
2° zijn telefoonnummer.
§ 2. Met het oog op de correcte identificatie van de betreffende uitvoerder heeft voormelde Rijksdienst toegang tot en kan hij mededeling verkrijgen van de volgende identificatiegegevens van de uitvoerder afkomstig uit het Rijksregister van de natuurlijke personen:
1° de naam en voornamen;
2° het geslacht;
3° de geboorteplaats en -datum;
4° de hoofdverblijfplaats.
§ 3. Bij zijn registratie deelt de uitvoerder aan voormelde Rijksdienst volgende contactgegevens mee:
1° zijn e-mailadres;
2° zijn telefoonnummer.
Art. 25. § 1er. L'exécutant est tenu de s'enregistrer, préalablement à la déclaration des activités artistiques dans le cadre de l'indemnité des arts en amateur et au plus tard au moment où il débute ses activités artistiques, auprès de l'Office national de sécurité sociale, par le biais de l'application électronique sécurisée visée, sur base de son NISS.
§ 2. En vue de l'identification correcte de l'exécutant concerné, l'Office national précité peut accéder aux et obtenir communication des informations suivantes du donneur d'ordre provenant du Registre national des personnes physiques :
1° les noms et prénoms;
2° le sexe;
3° le lieu et la date de naissance;
4° la résidence principale.
§ 3. Lors de son enregistrement, l'exécutant communique les données de contact suivantes à l'Office national précité :
1° son adresse électronique;
2° son numéro de téléphone.
§ 2. En vue de l'identification correcte de l'exécutant concerné, l'Office national précité peut accéder aux et obtenir communication des informations suivantes du donneur d'ordre provenant du Registre national des personnes physiques :
1° les noms et prénoms;
2° le sexe;
3° le lieu et la date de naissance;
4° la résidence principale.
§ 3. Lors de son enregistrement, l'exécutant communique les données de contact suivantes à l'Office national précité :
1° son adresse électronique;
2° son numéro de téléphone.
HOOFDSTUK 4. - Elektronische aangifte van activiteiten
CHAPITRE 4. - Déclaration électronique des activités
Art. 26. § 1. Voorafgaand aan het moment waarop de uitvoerder zijn artistieke activiteit aanvat en niet vroeger dan één maand voor de aanvangsdatum, deelt de opdrachtgever aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid, via de beveiligde elektronische toepassing, volgende gegevens mee over de artistieke activiteiten uitgevoerd in het kader van de amateurkunstenvergoeding:
1° het INSZ van de uitvoerder;
2° de datum en het uur van aanvang van de artistieke prestatie van de uitvoerder;
3° de aard van de artistieke activiteit;
4° het bedrag van de amateurkunstenvergoeding voor de aangegeven activiteit per dag;
5° het bedrag en de aard van de verplaatsingsvergoeding voor de aangegeven activiteit per dag;
6° het adres van de plaats van uitvoering van de artistieke activiteit.
§ 2. De opdrachtgever kan de in paragraaf 1 bedoelde aangifte wijzigen tot uiterlijk het einde van de kalenderdag waarop de aangegeven artistieke activiteit eindigt.
Wanneer de voorziene artistieke activiteiten niet uitgevoerd werden, kan de in paragraaf 1 bedoelde aangifte worden geannuleerd tot uiterlijk het einde van de kalenderdag waarop de aangifte betrekking zou hebben.
1° het INSZ van de uitvoerder;
2° de datum en het uur van aanvang van de artistieke prestatie van de uitvoerder;
3° de aard van de artistieke activiteit;
4° het bedrag van de amateurkunstenvergoeding voor de aangegeven activiteit per dag;
5° het bedrag en de aard van de verplaatsingsvergoeding voor de aangegeven activiteit per dag;
6° het adres van de plaats van uitvoering van de artistieke activiteit.
§ 2. De opdrachtgever kan de in paragraaf 1 bedoelde aangifte wijzigen tot uiterlijk het einde van de kalenderdag waarop de aangegeven artistieke activiteit eindigt.
Wanneer de voorziene artistieke activiteiten niet uitgevoerd werden, kan de in paragraaf 1 bedoelde aangifte worden geannuleerd tot uiterlijk het einde van de kalenderdag waarop de aangifte betrekking zou hebben.
Art. 26. § 1er. Préalablement au moment où l'exécutant débute son activité artistique et au plus tôt un mois avant la date de début, le donneur d'ordre communique, par le biais de l'application électronique sécurisée, les données suivantes relatives à l'indemnité des arts en amateur, à l'Office national de sécurité sociale :
1° le NISS de l'exécutant;
2° la date et l'heure de début de la prestation artistique de l'exécutant;
3° la nature de l'activité artistique;
4° le montant journalier de l'indemnité des arts en amateur pour l'activité déclarée ;
5° le montant et la nature de l'indemnité journalière de déplacement pour l'activité déclarée;
6° l'adresse du lieu où l'activité artistique est fournie.
§ 2. Le donneur d'ordre peut modifier la déclaration visée au paragraphe 1er au plus tard à la fin du jour civil auquel l'activité artistique se termine.
Si les activités artistiques prévues n'ont pas été effectuées, la déclaration visée au paragraphe 1er peut être annulée au plus tard à la fin du jour civil auquel elle se rapportait.
1° le NISS de l'exécutant;
2° la date et l'heure de début de la prestation artistique de l'exécutant;
3° la nature de l'activité artistique;
4° le montant journalier de l'indemnité des arts en amateur pour l'activité déclarée ;
5° le montant et la nature de l'indemnité journalière de déplacement pour l'activité déclarée;
6° l'adresse du lieu où l'activité artistique est fournie.
§ 2. Le donneur d'ordre peut modifier la déclaration visée au paragraphe 1er au plus tard à la fin du jour civil auquel l'activité artistique se termine.
Si les activités artistiques prévues n'ont pas été effectuées, la déclaration visée au paragraphe 1er peut être annulée au plus tard à la fin du jour civil auquel elle se rapportait.
HOOFDSTUK 5. - Solidariteitsbijdrage
CHAPITRE 5. - Cotisation de solidarité
Art. 27. § 1. Wanneer een opdrachtgever de solidariteitsbijdrage overeenkomstig [1 artikel 13, § 1, eerste lid]1, van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers, verschuldigd is, deelt de Rijksdienst voor sociale zekerheid hem uiterlijk de vijfde dag van de tweede maand die volgt op het voorbije kalenderjaar het bedrag van de solidariteitsbijdrage mee.
Deze mededeling gebeurt in beginsel via de eBox bedoeld in artikel 3, van de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox.
Het rekeningnummer waarop de opdrachtgever de solidariteitsbijdrage moet storten, wordt op de in het eerste lid bedoelde mededeling vermeld.
§ 2. De opdrachtgever is verplicht de voor het verstreken kalenderjaar verschuldigde solidariteitsbijdrage uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand die volgt op het betrokken kalenderjaar, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid te betalen overeenkomstig de mededeling bedoeld in paragraaf 1.
Deze mededeling gebeurt in beginsel via de eBox bedoeld in artikel 3, van de wet van 27 februari 2019 inzake de elektronische uitwisseling van berichten via de eBox.
Het rekeningnummer waarop de opdrachtgever de solidariteitsbijdrage moet storten, wordt op de in het eerste lid bedoelde mededeling vermeld.
§ 2. De opdrachtgever is verplicht de voor het verstreken kalenderjaar verschuldigde solidariteitsbijdrage uiterlijk op de laatste dag van de tweede maand die volgt op het betrokken kalenderjaar, aan de Rijksdienst voor sociale zekerheid te betalen overeenkomstig de mededeling bedoeld in paragraaf 1.
Modifications
Art. 27. § 1er. Lorsqu'un donneur d'ordre est redevable de la cotisation de solidarité conformément à l'[1 article 13, § 1er, alinéa 1er]1, de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts, l'Office national de sécurité sociale, lui communique le montant de la cotisation de solidarité au plus tard le cinquième jour du deuxième mois qui suit l'année civile écoulée.
Cette communication se fait en principe par le biais de l'eBox visé à l'article 3, de la loi du 27 février 2019 relative à l'échange électronique de messages par le biais de l'eBox.
Le numéro de compte sur lequel le donneur d'ordre doit verser la cotisation de solidarité est indiqué sur la communication visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Le donneur d'ordre est tenu de verser la cotisation de solidarité due pour l'année civile écoulée, au plus tard le dernier jour du deuxième mois qui suit l'année civile en question, à l'Office national de sécurité sociale, conformément à la communication visée au paragraphe 1er.
Cette communication se fait en principe par le biais de l'eBox visé à l'article 3, de la loi du 27 février 2019 relative à l'échange électronique de messages par le biais de l'eBox.
Le numéro de compte sur lequel le donneur d'ordre doit verser la cotisation de solidarité est indiqué sur la communication visée à l'alinéa 1er.
§ 2. Le donneur d'ordre est tenu de verser la cotisation de solidarité due pour l'année civile écoulée, au plus tard le dernier jour du deuxième mois qui suit l'année civile en question, à l'Office national de sécurité sociale, conformément à la communication visée au paragraphe 1er.
Modifications
HOOFDSTUK 6. - Schorsing en annulatie van de registratie
CHAPITRE 6. - Suspension et annulation de l'enregistrement
Art. 28. § 1. De controle-instanties kunnen bij de Kunstwerkcommissie een beroep tot annulatie van een registratie als uitvoerder of als opdrachtgever indienen, mits zij bewijzen dat er sprake is van misbruik, zoals bij de vaststelling van bedrieglijke handelingen of valse of opzettelijk onvolledige registraties.
§ 2. Wanneer een verzoek tot annulatie van de registratie van een opdrachtgever of een uitvoerder wordt ingediend overeenkomstig § 1, wijst de voorzitter van de Commissie het verzoek tot annulatie van de registratie toe aan een beperkte kamer van de Nederlandstalige of Franstalige afdeling [1 naargelang de taal waarin de registratie heeft plaatsgevonden]1.
§ 3. De Kunstwerkcommissie kan een waarschuwing geven ofwel de registratie van een opdrachtgever of uitvoerder tijdelijk schorsen of annuleren.
§ 4. Wanneer de solidariteitsbijdrage zoals bedoeld in artikel 13 van de wet niet wordt betaald binnen de gestelde termijnen, wordt de registratie van de opdrachtgever automatisch geschorst door de Rijksdienst voor sociale zekerheid tot de solidariteitsbijdrage en eventuele verwijlinteresten zijn betaald.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. De uitvoerder of opdrachtgever van wie de registratie het voorwerp uitmaakt van een onderzoek zoals bedoeld in § 1, wordt hiervan via het digitaal platform op de hoogte gebracht en heeft het recht om te worden gehoord in het kader van deze procedure.
§ 7. Bij annulatie van een registratie mag de betrokken opdrachtgever of uitvoerder geen nieuwe aanvraag voor een registratie indienen gedurende drie jaar na de schriftelijke [1 kennisgeving]1 van de beslissing tot annulatie.
§ 8. De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende het annuleren of schorsen van de registratie bepalen.
§ 2. Wanneer een verzoek tot annulatie van de registratie van een opdrachtgever of een uitvoerder wordt ingediend overeenkomstig § 1, wijst de voorzitter van de Commissie het verzoek tot annulatie van de registratie toe aan een beperkte kamer van de Nederlandstalige of Franstalige afdeling [1 naargelang de taal waarin de registratie heeft plaatsgevonden]1.
§ 3. De Kunstwerkcommissie kan een waarschuwing geven ofwel de registratie van een opdrachtgever of uitvoerder tijdelijk schorsen of annuleren.
§ 4. Wanneer de solidariteitsbijdrage zoals bedoeld in artikel 13 van de wet niet wordt betaald binnen de gestelde termijnen, wordt de registratie van de opdrachtgever automatisch geschorst door de Rijksdienst voor sociale zekerheid tot de solidariteitsbijdrage en eventuele verwijlinteresten zijn betaald.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. De uitvoerder of opdrachtgever van wie de registratie het voorwerp uitmaakt van een onderzoek zoals bedoeld in § 1, wordt hiervan via het digitaal platform op de hoogte gebracht en heeft het recht om te worden gehoord in het kader van deze procedure.
§ 7. Bij annulatie van een registratie mag de betrokken opdrachtgever of uitvoerder geen nieuwe aanvraag voor een registratie indienen gedurende drie jaar na de schriftelijke [1 kennisgeving]1 van de beslissing tot annulatie.
§ 8. De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende het annuleren of schorsen van de registratie bepalen.
Modifications
Art. 28. § 1er. Les instances de contrôle peuvent introduire auprès de la Commission du travail des arts un recours en annulation d'un enregistrement en tant qu'exécutant ou en tant que donneur d'ordre, pour autant qu'ils apportent la preuve d'un abus notamment lors de la constatation de manoeuvres frauduleuses ou d'enregistrements faux ou sciemment incomplets.
§ 2. Lorsqu'une demande d'annulation de l'enregistrement d'un donneur d'ordre ou d'un exécutant est introduite conformément au § 1er, le président de la Commission attribue la demande en annulation de l'enregistrement à une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone [1 en fonction de la langue dans laquelle l'enregistrement avait été effectué]1.
§ 3. La Commission du travail des arts peut soit donner un avertissement soit suspendre temporairement soit annuler l'enregistrement d'un donneur d'ordre ou d'un exécutant.
§ 4. Lorsque la cotisation de solidarité visée à l'article 13 de la loi n'est pas versée dans les délais impartis, l'enregistrement du donneur d'ordre est automatiquement suspendu par l'Office national de sécurité sociale jusqu'au paiement de la cotisation de solidarité et le cas échéant des intérêts de retard.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. L'exécutant ou le donneur d'ordre dont l'enregistrement fait l'objet d'une enquête telle que visée au § 1er en sera informé au moyen de la plateforme numérique et a le droit d'être entendu dans le cadre de cette procédure.
§ 7. L'annulation de l'enregistrement a pour effet que le donneur d'ordre ou l'exécutant concerné ne pourra introduire aucune nouvelle demande d'enregistrement durant une période de 3 ans suivant la notification écrite de la décision d'annulation.
§ 8. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrêté ministériel les modalités d'annulation ou de suspension de l'enregistrement.
§ 2. Lorsqu'une demande d'annulation de l'enregistrement d'un donneur d'ordre ou d'un exécutant est introduite conformément au § 1er, le président de la Commission attribue la demande en annulation de l'enregistrement à une chambre restreinte de la section francophone ou néerlandophone [1 en fonction de la langue dans laquelle l'enregistrement avait été effectué]1.
§ 3. La Commission du travail des arts peut soit donner un avertissement soit suspendre temporairement soit annuler l'enregistrement d'un donneur d'ordre ou d'un exécutant.
§ 4. Lorsque la cotisation de solidarité visée à l'article 13 de la loi n'est pas versée dans les délais impartis, l'enregistrement du donneur d'ordre est automatiquement suspendu par l'Office national de sécurité sociale jusqu'au paiement de la cotisation de solidarité et le cas échéant des intérêts de retard.
§ 5. [1 ...]1
§ 6. L'exécutant ou le donneur d'ordre dont l'enregistrement fait l'objet d'une enquête telle que visée au § 1er en sera informé au moyen de la plateforme numérique et a le droit d'être entendu dans le cadre de cette procédure.
§ 7. L'annulation de l'enregistrement a pour effet que le donneur d'ordre ou l'exécutant concerné ne pourra introduire aucune nouvelle demande d'enregistrement durant une période de 3 ans suivant la notification écrite de la décision d'annulation.
§ 8. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrêté ministériel les modalités d'annulation ou de suspension de l'enregistrement.
Modifications
TITEL IV. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders
TITRE IV. - Modifications de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs
Art. 29. In artikel 17 van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders wordt een paragraaf 1/2 ingevoegd, luidende:
" § 1/2. Het uitoefenen van activiteiten in toepassing van § 1, eerste lid, 4° en 7°, is niet toegestaan wanneer:
1° de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de activiteiten tussen de verschillende activiteiten
2° de uitvoerder op dezelfde dag voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de prestaties tussen de verschillende activiteiten.".
" § 1/2. Het uitoefenen van activiteiten in toepassing van § 1, eerste lid, 4° en 7°, is niet toegestaan wanneer:
1° de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de activiteiten tussen de verschillende activiteiten
2° de uitvoerder op dezelfde dag voor dezelfde werkgever (of opdrachtgever) activiteiten uitoefent die op grond van artikel 17sexies zijn vrijgesteld van de toepassing van de wet, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever het bewijs leveren van het verschil in de aard van de prestaties tussen de verschillende activiteiten.".
Art. 29. Dans l'article 17 de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 pris en exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, il est inséré un paragraphe 1/2, rédigé comme suit :
" § 1/2. L'exercice des activités en application du § 1er, alinéa 1er, 4° et 7°, n'est pas autorisé si :
1° l'exécutant exerce, au cours de la même année civile, pour le même employeur (ou donneur d'ordre) des activités soustraites à l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exécutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la différence de nature des activités entre les différentes activités
2° l'exécutant exerce, pour le même jour, pour le même employeur (ou donneur d'ordre) des activités soustraites à l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exécutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la différence de nature des prestations entre les différentes activités. ".
" § 1/2. L'exercice des activités en application du § 1er, alinéa 1er, 4° et 7°, n'est pas autorisé si :
1° l'exécutant exerce, au cours de la même année civile, pour le même employeur (ou donneur d'ordre) des activités soustraites à l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exécutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la différence de nature des activités entre les différentes activités
2° l'exécutant exerce, pour le même jour, pour le même employeur (ou donneur d'ordre) des activités soustraites à l'application de la loi en application de l'article 17sexies, sauf si l'exécutant et le donneur d'ordre apportent la preuve de la différence de nature des prestations entre les différentes activités. ".
Art. 30. Artikel 17sexies van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
"Artikel 17sexies.
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° uitvoerder: de persoon die artistieke prestaties levert;
2° opdrachtgever: diegene die opdracht geeft aan een uitvoerder tot het leveren van een artistieke prestatie;
3° artistieke activiteit: de activiteit die een noodzakelijke artistieke bijdrage levert aan een artistieke creatie of uitvoering binnen de domeinen van de kunsten, zijnde de beeldende en audiovisuele kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal;
Een artistieke bijdrage wordt beschouwd als noodzakelijk wanneer zonder deze bijdrage hetzelfde artistieke resultaat niet zou worden bereikt.
4° digitaal platform: het digitaal platform Working in the Arts zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.
§ 2. De uitvoerder die een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangt zoals bepaald in § 3, evenals de opdrachtgever die een beroep doet op deze uitvoerder worden onttrokken aan de toepassing van de wet.
Deze vergoeding wordt de amateurkunstenvergoeding genoemd.
§ 3. Voor zover de voorwaarden bepaald bij of krachtens dit artikel tegelijkertijd vervuld zijn, worden als forfaitaire onkostenvergoedingen beschouwd de vergoedingen toegekend aan de uitvoerders voor het leveren van de artistieke activiteiten, met uitsluiting van de artistiek-technische en de artistiek-ondersteunende activiteiten, op voorwaarde dat deze onkostenvergoeding minimaal 45 euro en maximaal 70 euro per dag bedraagt.
Daarenboven mag het aantal dagen gedurende dewelke de uitvoerder de toepassing van dit artikel kan genieten geen 30 dagen per kalenderjaar overschrijden. Het aantal dagen bij dezelfde opdrachtgever mag geen 7 opeenvolgende dagen overschrijden.
Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende vergoedingen niet lager zijn dan 45 euro of hoger dan 70 euro per opdrachtgever, noch lager zijn dan 45 euro of hoger dan 70 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
De voorwaarden die tegelijkertijd moeten worden vervuld, zijn:
1° de uitvoerder moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 11 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie;
2° de opdrachtgever moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 10 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
3° de prestatie werd uiterlijk op het tijdstip waarop de activiteiten zijn aangevat, door de opdrachtgever aangegeven overeenkomstig artikel 12 van voormelde wet van 16 december 2022;
4° het soort effectief uitgeoefende activiteit moet volledig overeenstemmen met het soort activiteit dat voorafgaandelijk werd aangegeven.
§ 4. Aan de uitvoerder kunnen, bovenop de in § 3 vermelde vergoedingen, de reële verplaatsingskosten worden terugbetaald, indien het bedrag van deze kosten aangetoond wordt.
Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 20 euro per dag.
Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende bedragen bedoeld in het vorige lid noch 20 euro per opdrachtgever overschrijden noch hoger zijn dan 20 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
Wat betreft het gebruik van het eigen voertuig, worden deze reële verplaatsingskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 74 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. De reële verplaatsingskosten voor het gebruik van de fiets worden vastgesteld overeenkomstig artikel 76 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 juli 2017.
§ 5. Kan geen beroep doen op de bepalingen van dit artikel de uitvoerder die op het ogenblik van het uitoefenen van een artistieke activiteit gebonden is aan dezelfde opdrachtgever door een arbeidsovereenkomst of in het kader van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - al dan niet door tussenkomst van een sociaal bureau voor kunstenaars - of door een aannemingsovereenkomst, een statutaire aanstelling, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever bewijzen dat de activiteiten verschillend zijn.
Het uitoefenen van activiteiten met toepassing van dit artikel is niet toegelaten indien de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde opdrachtgever activiteiten uitoefent die niet onderworpen zijn aan de wet met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 4°, of met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969.
§ 6. Wanneer de activiteiten niet voorafgaandelijk door de opdrachtgever werden aangegeven overeenkomstig artikel 12 van de wet of wanneer de uitgeoefende activiteiten niet overeenstemmen met het soort aangegeven activiteiten of bij miskenning van de overige voorwaarden opgenomen in paragraaf 3, kan de opdrachtgever geen aanspraak maken op deze regeling tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
De uitvoerder en de opdrachtgever zijn voor de betrokken activiteiten onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
Bij niet-naleving van de cumulverboden bepaald in paragraaf 5 zijn de uitvoerder en zijn opdrachtgever voor de betrokken activiteit onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
Wanneer de opdrachtgever een hoger bedrag toekent dan het bedrag per dag bepaald in paragraaf 3, dan worden de uitvoerder en de opdrachtgever onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969 en worden de activiteiten onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst, dit voor alle vergoedingen die door deze opdrachtgever aan de betrokken uitvoerder zijn toegekend tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
§ 7. De in artikel 13, § 1, eerste lid, van voormelde wet en in paragraaf 3, eerste lid, en paragraaf 4, van dit artikel bepaalde bedragen zijn gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
Op 1 januari van elk jaar worden de bedragen aangepast overeenkomstig de volgende formule: het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De inningsorganismen van de socialezekerheidsbijdragen vermelden eveneens deze informatie op hun website.
§ 8. Geregistreerde opdrachtgevers die per kalenderjaar meer dan 100 dagvergoedingen toekennen, dienen voormelde Kunstwerkcommissie uiterlijk op 1 maart van het volgend jaar een rapport te bezorgen. Dit rapport bevat:
- een omstandige verantwoording van het intensief gebruik van de amateurkunstenvergoeding;
- een overzicht van de externe klanten die betrokken waren bij de artistieke activiteiten waarvoor gebruik werd gemaakt van de amateurkunstenvergoeding;
- een overzicht van het totale omzetcijfer en alle activiteiten en de plaats die de activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van de amateurkunstenvergoeding hierbij innemen.
De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende deze rapporteringsplicht en het gebruik ervan bepalen.
"
"Artikel 17sexies.
§ 1. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° uitvoerder: de persoon die artistieke prestaties levert;
2° opdrachtgever: diegene die opdracht geeft aan een uitvoerder tot het leveren van een artistieke prestatie;
3° artistieke activiteit: de activiteit die een noodzakelijke artistieke bijdrage levert aan een artistieke creatie of uitvoering binnen de domeinen van de kunsten, zijnde de beeldende en audiovisuele kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal;
Een artistieke bijdrage wordt beschouwd als noodzakelijk wanneer zonder deze bijdrage hetzelfde artistieke resultaat niet zou worden bereikt.
4° digitaal platform: het digitaal platform Working in the Arts zoals bedoeld in artikel 4 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.
§ 2. De uitvoerder die een forfaitaire onkostenvergoeding ontvangt zoals bepaald in § 3, evenals de opdrachtgever die een beroep doet op deze uitvoerder worden onttrokken aan de toepassing van de wet.
Deze vergoeding wordt de amateurkunstenvergoeding genoemd.
§ 3. Voor zover de voorwaarden bepaald bij of krachtens dit artikel tegelijkertijd vervuld zijn, worden als forfaitaire onkostenvergoedingen beschouwd de vergoedingen toegekend aan de uitvoerders voor het leveren van de artistieke activiteiten, met uitsluiting van de artistiek-technische en de artistiek-ondersteunende activiteiten, op voorwaarde dat deze onkostenvergoeding minimaal 45 euro en maximaal 70 euro per dag bedraagt.
Daarenboven mag het aantal dagen gedurende dewelke de uitvoerder de toepassing van dit artikel kan genieten geen 30 dagen per kalenderjaar overschrijden. Het aantal dagen bij dezelfde opdrachtgever mag geen 7 opeenvolgende dagen overschrijden.
Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende vergoedingen niet lager zijn dan 45 euro of hoger dan 70 euro per opdrachtgever, noch lager zijn dan 45 euro of hoger dan 70 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
De voorwaarden die tegelijkertijd moeten worden vervuld, zijn:
1° de uitvoerder moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 11 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie;
2° de opdrachtgever moet geregistreerd zijn overeenkomstig artikel 10 van voormelde wet van 16 december 2022 en de registratie werd niet geannuleerd, noch geschorst door de Kunstwerkcommissie of door de Rijksdienst voor sociale zekerheid;
3° de prestatie werd uiterlijk op het tijdstip waarop de activiteiten zijn aangevat, door de opdrachtgever aangegeven overeenkomstig artikel 12 van voormelde wet van 16 december 2022;
4° het soort effectief uitgeoefende activiteit moet volledig overeenstemmen met het soort activiteit dat voorafgaandelijk werd aangegeven.
§ 4. Aan de uitvoerder kunnen, bovenop de in § 3 vermelde vergoedingen, de reële verplaatsingskosten worden terugbetaald, indien het bedrag van deze kosten aangetoond wordt.
Dit bedrag mag niet hoger zijn dan 20 euro per dag.
Indien, in de loop van dezelfde dag, de uitvoerder voor meerdere opdrachtgevers artistieke activiteiten uitoefent, mogen de hem toegekende bedragen bedoeld in het vorige lid noch 20 euro per opdrachtgever overschrijden noch hoger zijn dan 20 euro vermenigvuldigd met het aantal opdrachtgevers die op hem een beroep hebben gedaan voor die dag.
Wat betreft het gebruik van het eigen voertuig, worden deze reële verplaatsingskosten vastgesteld overeenkomstig artikel 74 van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt. De reële verplaatsingskosten voor het gebruik van de fiets worden vastgesteld overeenkomstig artikel 76 van hetzelfde koninklijk besluit van 13 juli 2017.
§ 5. Kan geen beroep doen op de bepalingen van dit artikel de uitvoerder die op het ogenblik van het uitoefenen van een artistieke activiteit gebonden is aan dezelfde opdrachtgever door een arbeidsovereenkomst of in het kader van artikel 1bis van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders - al dan niet door tussenkomst van een sociaal bureau voor kunstenaars - of door een aannemingsovereenkomst, een statutaire aanstelling, tenzij de uitvoerder en de opdrachtgever bewijzen dat de activiteiten verschillend zijn.
Het uitoefenen van activiteiten met toepassing van dit artikel is niet toegelaten indien de uitvoerder gedurende hetzelfde kalenderjaar voor dezelfde opdrachtgever activiteiten uitoefent die niet onderworpen zijn aan de wet met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 4°, of met toepassing van artikel 17, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969.
§ 6. Wanneer de activiteiten niet voorafgaandelijk door de opdrachtgever werden aangegeven overeenkomstig artikel 12 van de wet of wanneer de uitgeoefende activiteiten niet overeenstemmen met het soort aangegeven activiteiten of bij miskenning van de overige voorwaarden opgenomen in paragraaf 3, kan de opdrachtgever geen aanspraak maken op deze regeling tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
De uitvoerder en de opdrachtgever zijn voor de betrokken activiteiten onderworpen aan de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
Bij niet-naleving van de cumulverboden bepaald in paragraaf 5 zijn de uitvoerder en zijn opdrachtgever voor de betrokken activiteit onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969. Deze activiteiten worden onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst.
Wanneer de opdrachtgever een hoger bedrag toekent dan het bedrag per dag bepaald in paragraaf 3, dan worden de uitvoerder en de opdrachtgever onderworpen aan voormelde wet van 27 juni 1969 en worden de activiteiten onweerlegbaar vermoed uitgeoefend te zijn in het kader van een arbeidsovereenkomst, dit voor alle vergoedingen die door deze opdrachtgever aan de betrokken uitvoerder zijn toegekend tijdens het lopende kwartaal en de drie volgende kwartalen.
§ 7. De in artikel 13, § 1, eerste lid, van voormelde wet en in paragraaf 3, eerste lid, en paragraaf 4, van dit artikel bepaalde bedragen zijn gekoppeld aan het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
Op 1 januari van elk jaar worden de bedragen aangepast overeenkomstig de volgende formule: het basisbedrag wordt vermenigvuldigd met het gezondheidsindexcijfer van de maand september van het jaar voorafgaand aan het jaar tijdens hetwelk het nieuwe bedrag van toepassing zal zijn en gedeeld door het gezondheidsindexcijfer van de maand december 2021.
Uiterlijk in de loop van de maand december van elk jaar worden de bedragen toepasselijk tijdens het volgende kalenderjaar in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De inningsorganismen van de socialezekerheidsbijdragen vermelden eveneens deze informatie op hun website.
§ 8. Geregistreerde opdrachtgevers die per kalenderjaar meer dan 100 dagvergoedingen toekennen, dienen voormelde Kunstwerkcommissie uiterlijk op 1 maart van het volgend jaar een rapport te bezorgen. Dit rapport bevat:
- een omstandige verantwoording van het intensief gebruik van de amateurkunstenvergoeding;
- een overzicht van de externe klanten die betrokken waren bij de artistieke activiteiten waarvoor gebruik werd gemaakt van de amateurkunstenvergoeding;
- een overzicht van het totale omzetcijfer en alle activiteiten en de plaats die de activiteiten waarbij gebruik wordt gemaakt van de amateurkunstenvergoeding hierbij innemen.
De minister bevoegd voor Sociale Zaken kan bij ministerieel besluit de nadere regels betreffende deze rapporteringsplicht en het gebruik ervan bepalen.
"
Art. 30. L'article 17sexies du même arrêté est remplacé comme suit :
" Article 17sexies.
§ 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° exécutant : la personne qui fournit des prestations artistiques;
2° donneur d'ordre : celui qui donne mission à un exécutant de fournir une prestation artistique;
3° activité artistique : l'activité qui fournit une contribution artistique nécessaire à la création ou à l'exécution d'une oeuvre artistique dans les domaines des arts, à savoir les arts plastiques et audiovisuels, la musique, la littérature, le spectacle, le théâtre, la chorégraphie et la bande dessinée;
Une contribution artistique est considérée comme nécessaire lorsque, en l'absence de celle-ci, le même résultat artistique ne pourrait être obtenu.
4° plateforme numérique : la plateforme numérique Working in the Arts telle que visée à l'article 4 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.
§ 2. Sont soustraits à l'application de la loi, l'exécutant qui perçoit une indemnité forfaitaire de défraiement telle que définie au § 3, ainsi que le donneur d'ordre qui fait appel à cet exécutant.
Cette indemnité est dénommée l'indemnité des arts en amateurs.
§ 3. Pour autant que les conditions déterminées par ou en vertu du présent article soient simultanément remplies, sont considérées comme indemnités forfaitaires de défraiement les indemnités octroyées aux exécutants qui fournissent des activités artistiques, à l'exclusion des activités artistiques-techniques et artistiques de soutien, à condition que cette indemnité de défraiement s'élève au minimum à 45 euros et au maximum à 70 euros par jour.
En outre, le nombre de jours pendant lesquels l'exécutant peut bénéficier de l'application du présent article ne peut dépasser 30 jours par année civile. Le nombre de jours ne peut pas non plus dépasser 7 jours consécutifs auprès du même donneur d'ordre.
Si, au cours d'une même journée, l'exécutant exerce des activités artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre, les indemnités qui lui sont octroyées ne peuvent être inférieures à 45 euros ni dépasser 70 euros par donneur d'ordre ni être inférieures à 45 euros et supérieures à 70 euros multipliés par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel à lui pour ce jour.
Les conditions à remplir simultanément sont :
1° l'exécutant doit être enregistré conformément à l'article 11 de la loi du 16 décembre 2022 précitée et l'enregistrement n'a pas été annulé ni suspendu par la Commission du travail des arts;
2° le donneur d'ordre doit être enregistré conformément à l'article 10 de la loi du 16 décembre 2022 précitée et l'enregistrement n'a pas été annulé ou suspendu par la Commission du travail des arts ou par l'Office national de sécurité sociale;
3° la prestation a été déclarée par le donneur d'ordre conformément à l'article 12 de la loi du 16 décembre 2022 précitée au plus tard au moment où les activités sont entamées;
4° le type d'activité réellement fournie doit correspondre pleinement au type de prestation déclarée au préalable.
§ 4. Outre les indemnités mentionnées au § 3, l'exécutant peut obtenir le remboursement de ses frais de déplacement réels, si le montant de ces frais peut être prouvé.
Ce montant ne peut dépasser 20 euros par jour.
Si, au cours d'une même journée, l'exécutant exerce des activités artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre le montant visé à l'alinéa précédent ne peut dépasser 20 euros par donneur d'ordre ni être supérieur à 20 euros multipliés par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel à lui pour ce jour.
En ce qui concerne l'utilisation du véhicule privé, ces frais de déplacement réels sont déterminés conformément à l'article 74 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale. Les frais de déplacement réels pour l'utilisation du vélo sont déterminés conformément à l'article 76 du même arrêté royal du 13 juillet 2017.
§ 5. Ne peut invoquer les dispositions du présent article, l'exécutant qui au moment de l'exercice d'une activité artistique est lié au même donneur d'ordre par un contrat de travail ou dans le cadre de l'article 1bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 que ce soit par l'intermédiaire d'un bureau social pour artistes ou pas, ou par un contrat d'entreprise, ou une désignation statutaire sauf si l'exécutant et le donneur d'ordre apportent la preuve que les activités sont différentes.
L'exercice des activités en application du présent article n'est pas autorisé si l'exécutant fournit au cours de la même année civile pour le même donneur d'ordre des prestations soustraites à l'application de la loi en application de l'article 17, § 1er, alinéa premier, 4°, ou en application de l'article 17, § 1er, alinéa premier, 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969.
§ 6. Lorsque les activités n'ont pas été préalablement déclarées conformément à l'article 12 de la loi par le donneur d'ordre ou lorsque les activités fournies ne correspondent pas au type d'activités déclarées ou en cas de non-respect des autres conditions énumérées au paragraphe 3, le donneur d'ordre ne peut se prévaloir de ce régime pendant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
L'exécutant et le donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs pour les activités concernées. Ces activités sont irréfragablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail.
En cas de non-respect des interdictions de cumul prévues au paragraphe 5, l'exécutant et son donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée pour l'activité concernée. Ces activités sont irréfragablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail.
Lorsque le donneur d'ordre octroie un montant supérieur au montant journalier déterminé au paragraphe 3, l'exécutant et le donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée et les activités sont irréfutablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail, et ce, pour toutes les indemnités payées par ce donneur d'ordre à l'exécutant concerné durant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
§ 7. Les montants déterminés à l'article 13, § 1er, alinéa premier de la loi et au paragraphe 3, alinéa premier, et au paragraphe 4 du présent article sont rattachés à l'indice santé du mois de décembre 2021.
Les montants sont adaptés le 1er janvier de chaque année conformément à la formule suivante : le montant de base est multiplié par l'indice santé du mois de septembre de l'année précédant celle durant laquelle le nouveau montant sera applicable et divisé par l'indice santé du mois de décembre 2021.
Au plus tard dans le courant du mois de décembre de chaque année, les montants applicables pour l'année civile suivante sont publiés au Moniteur belge. Les organismes de perception des cotisations de sécurité sociale reprennent également cette information sur leur site internet.
§ 8. Les donneurs d'ordre enregistrés qui octroient plus de 100 indemnités journalières par année civile doivent fournir un rapport à la Commission du travail des arts précitée, au plus tard le 1er mars de l'année suivante. Ce rapport comprend :
- une justification circonstanciée du recours intensif à l'indemnité des arts en amateurs;
- un relevé des clients externes concernés par les activités artistiques pour lesquelles il a été fait usage de l'indemnité des arts en amateurs;
- un relevé du chiffre d'affaires total et de toutes les activités, ainsi que de la place qu'occupent parmi celles-ci les activités dans lesquelles il est fait usage de l'indemnité des arts en amateurs.
Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrêté ministériel les modalités de cette obligation de faire rapport et l'utilisation qui en est faite."
" Article 17sexies.
§ 1er. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° exécutant : la personne qui fournit des prestations artistiques;
2° donneur d'ordre : celui qui donne mission à un exécutant de fournir une prestation artistique;
3° activité artistique : l'activité qui fournit une contribution artistique nécessaire à la création ou à l'exécution d'une oeuvre artistique dans les domaines des arts, à savoir les arts plastiques et audiovisuels, la musique, la littérature, le spectacle, le théâtre, la chorégraphie et la bande dessinée;
Une contribution artistique est considérée comme nécessaire lorsque, en l'absence de celle-ci, le même résultat artistique ne pourrait être obtenu.
4° plateforme numérique : la plateforme numérique Working in the Arts telle que visée à l'article 4 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.
§ 2. Sont soustraits à l'application de la loi, l'exécutant qui perçoit une indemnité forfaitaire de défraiement telle que définie au § 3, ainsi que le donneur d'ordre qui fait appel à cet exécutant.
Cette indemnité est dénommée l'indemnité des arts en amateurs.
§ 3. Pour autant que les conditions déterminées par ou en vertu du présent article soient simultanément remplies, sont considérées comme indemnités forfaitaires de défraiement les indemnités octroyées aux exécutants qui fournissent des activités artistiques, à l'exclusion des activités artistiques-techniques et artistiques de soutien, à condition que cette indemnité de défraiement s'élève au minimum à 45 euros et au maximum à 70 euros par jour.
En outre, le nombre de jours pendant lesquels l'exécutant peut bénéficier de l'application du présent article ne peut dépasser 30 jours par année civile. Le nombre de jours ne peut pas non plus dépasser 7 jours consécutifs auprès du même donneur d'ordre.
Si, au cours d'une même journée, l'exécutant exerce des activités artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre, les indemnités qui lui sont octroyées ne peuvent être inférieures à 45 euros ni dépasser 70 euros par donneur d'ordre ni être inférieures à 45 euros et supérieures à 70 euros multipliés par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel à lui pour ce jour.
Les conditions à remplir simultanément sont :
1° l'exécutant doit être enregistré conformément à l'article 11 de la loi du 16 décembre 2022 précitée et l'enregistrement n'a pas été annulé ni suspendu par la Commission du travail des arts;
2° le donneur d'ordre doit être enregistré conformément à l'article 10 de la loi du 16 décembre 2022 précitée et l'enregistrement n'a pas été annulé ou suspendu par la Commission du travail des arts ou par l'Office national de sécurité sociale;
3° la prestation a été déclarée par le donneur d'ordre conformément à l'article 12 de la loi du 16 décembre 2022 précitée au plus tard au moment où les activités sont entamées;
4° le type d'activité réellement fournie doit correspondre pleinement au type de prestation déclarée au préalable.
§ 4. Outre les indemnités mentionnées au § 3, l'exécutant peut obtenir le remboursement de ses frais de déplacement réels, si le montant de ces frais peut être prouvé.
Ce montant ne peut dépasser 20 euros par jour.
Si, au cours d'une même journée, l'exécutant exerce des activités artistiques pour plusieurs donneurs d'ordre le montant visé à l'alinéa précédent ne peut dépasser 20 euros par donneur d'ordre ni être supérieur à 20 euros multipliés par le nombre de donneurs d'ordre qui ont fait appel à lui pour ce jour.
En ce qui concerne l'utilisation du véhicule privé, ces frais de déplacement réels sont déterminés conformément à l'article 74 de l'arrêté royal du 13 juillet 2017 fixant les allocations et indemnités des membres du personnel de la fonction publique fédérale. Les frais de déplacement réels pour l'utilisation du vélo sont déterminés conformément à l'article 76 du même arrêté royal du 13 juillet 2017.
§ 5. Ne peut invoquer les dispositions du présent article, l'exécutant qui au moment de l'exercice d'une activité artistique est lié au même donneur d'ordre par un contrat de travail ou dans le cadre de l'article 1bis de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 que ce soit par l'intermédiaire d'un bureau social pour artistes ou pas, ou par un contrat d'entreprise, ou une désignation statutaire sauf si l'exécutant et le donneur d'ordre apportent la preuve que les activités sont différentes.
L'exercice des activités en application du présent article n'est pas autorisé si l'exécutant fournit au cours de la même année civile pour le même donneur d'ordre des prestations soustraites à l'application de la loi en application de l'article 17, § 1er, alinéa premier, 4°, ou en application de l'article 17, § 1er, alinéa premier, 7° de l'arrêté royal du 28 novembre 1969.
§ 6. Lorsque les activités n'ont pas été préalablement déclarées conformément à l'article 12 de la loi par le donneur d'ordre ou lorsque les activités fournies ne correspondent pas au type d'activités déclarées ou en cas de non-respect des autres conditions énumérées au paragraphe 3, le donneur d'ordre ne peut se prévaloir de ce régime pendant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
L'exécutant et le donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs pour les activités concernées. Ces activités sont irréfragablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail.
En cas de non-respect des interdictions de cumul prévues au paragraphe 5, l'exécutant et son donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée pour l'activité concernée. Ces activités sont irréfragablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail.
Lorsque le donneur d'ordre octroie un montant supérieur au montant journalier déterminé au paragraphe 3, l'exécutant et le donneur d'ordre sont soumis à la loi du 27 juin 1969 précitée et les activités sont irréfutablement présumées avoir été exercées dans le cadre d'un contrat de travail, et ce, pour toutes les indemnités payées par ce donneur d'ordre à l'exécutant concerné durant le trimestre en cours et les trois trimestres suivants.
§ 7. Les montants déterminés à l'article 13, § 1er, alinéa premier de la loi et au paragraphe 3, alinéa premier, et au paragraphe 4 du présent article sont rattachés à l'indice santé du mois de décembre 2021.
Les montants sont adaptés le 1er janvier de chaque année conformément à la formule suivante : le montant de base est multiplié par l'indice santé du mois de septembre de l'année précédant celle durant laquelle le nouveau montant sera applicable et divisé par l'indice santé du mois de décembre 2021.
Au plus tard dans le courant du mois de décembre de chaque année, les montants applicables pour l'année civile suivante sont publiés au Moniteur belge. Les organismes de perception des cotisations de sécurité sociale reprennent également cette information sur leur site internet.
§ 8. Les donneurs d'ordre enregistrés qui octroient plus de 100 indemnités journalières par année civile doivent fournir un rapport à la Commission du travail des arts précitée, au plus tard le 1er mars de l'année suivante. Ce rapport comprend :
- une justification circonstanciée du recours intensif à l'indemnité des arts en amateurs;
- un relevé des clients externes concernés par les activités artistiques pour lesquelles il a été fait usage de l'indemnité des arts en amateurs;
- un relevé du chiffre d'affaires total et de toutes les activités, ainsi que de la place qu'occupent parmi celles-ci les activités dans lesquelles il est fait usage de l'indemnité des arts en amateurs.
Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions peut fixer par arrêté ministériel les modalités de cette obligation de faire rapport et l'utilisation qui en est faite."
TITEL V. - Criteria en procedure voor de erkenning van de federaties uit de professionele kunstensector
TITRE V. - Critères et procédure de reconnaissance des fédérations professionnelles des arts
Art. 31. Een kunstenfederatie in de zin van de wet van 16 december 2022 is een federatie van de professionele kunstensector die beantwoordt aan de volgende cumulatieve criteria:
1) haar doel moet verband houden met een (of meer) domein(en) van de kunsten, dit zijn de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal;
2) de federatie moet een zekere deskundigheid op voornoemd(e) domein(en) kunnen aantonen en
3) moet kunnen aantonen dat haar projecten en acties gericht zijn op een doelgroep die professionele artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende activiteiten verricht/uitoefent binnen minstens één van voornoemde domeinen.
1) haar doel moet verband houden met een (of meer) domein(en) van de kunsten, dit zijn de audiovisuele en beeldende kunsten, de muziek, de literatuur, het spektakel, het theater, de choreografie en het stripverhaal;
2) de federatie moet een zekere deskundigheid op voornoemd(e) domein(en) kunnen aantonen en
3) moet kunnen aantonen dat haar projecten en acties gericht zijn op een doelgroep die professionele artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende activiteiten verricht/uitoefent binnen minstens één van voornoemde domeinen.
Art. 31. Une fédération des arts au sens de la loi du 16 décembre 2022 est une fédération du secteur professionnel des arts répondant aux critères cumulatifs suivants :
1) son objet doit être relatif à un (ou plusieurs) domaine(s) des arts, à savoir les arts audiovisuels, les arts plastiques, la musique, la littérature, le spectacle, le théâtre, la chorégraphie et la bande dessinée;
2) la fédération doit disposer d'une certaine expertise dans le (ou les) domaine(s) précité(s) et
3) les projets et actions qu'elle mène doivent s'adresser à un groupe cible qui exerce/réalise des activités professionnelles artistiques, artistiques-techniques et artistiques de soutien dans au moins un des domaines susmentionnés.
1) son objet doit être relatif à un (ou plusieurs) domaine(s) des arts, à savoir les arts audiovisuels, les arts plastiques, la musique, la littérature, le spectacle, le théâtre, la chorégraphie et la bande dessinée;
2) la fédération doit disposer d'une certaine expertise dans le (ou les) domaine(s) précité(s) et
3) les projets et actions qu'elle mène doivent s'adresser à un groupe cible qui exerce/réalise des activités professionnelles artistiques, artistiques-techniques et artistiques de soutien dans au moins un des domaines susmentionnés.
Art. 32. Een eerste keer in 2023, en vervolgens om de twee jaar of te allen tijde als antwoord op een gebrek aan deskundigheid in een domein of beroepsactiviteit, lanceren de ministers een oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad.
De openbare oproep tot kandidaten bevat volgende elementen:
1° het opschrift en het voorwerp van de oproep;
2° de duur van de erkenning;
3° de onverenigbaarheden bedoeld in artikel 33, § 4;
4° het adres waarnaar de kandidatuur moet worden verstuurd;
5° de termijn waarin de kandidatuur moet worden verstuurd.
De professionele federatie die een erkenning als federatie van de professionele kunstensector aanvraagt, dient binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad haar schriftelijke aanvraag in bij het secretariaat via haar bestuurs- of beheersorgaan.
De openbare oproep tot kandidaten bevat volgende elementen:
1° het opschrift en het voorwerp van de oproep;
2° de duur van de erkenning;
3° de onverenigbaarheden bedoeld in artikel 33, § 4;
4° het adres waarnaar de kandidatuur moet worden verstuurd;
5° de termijn waarin de kandidatuur moet worden verstuurd.
De professionele federatie die een erkenning als federatie van de professionele kunstensector aanvraagt, dient binnen een termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad haar schriftelijke aanvraag in bij het secretariaat via haar bestuurs- of beheersorgaan.
Art. 32. Pour la première fois en 2023, et ensuite tous les deux ans ou à tout moment afin de répondre à une carence d'expertise dans un domaine ou une activité professionnelle, les ministres lancent un appel à candidatures publié au Moniteur belge.
L'appel public à candidatures précise les éléments suivants :
1° l'intitulé et l'objet de l'appel;
2° la durée de la reconnaissance;
3° les incompatibilités énoncées à l'article 33, § 4;
4° l'adresse à laquelle la candidature doit être envoyée;
5° le délai dans lequel la candidature doit être envoyée.
La fédération professionnelle qui sollicite sa reconnaissance comme fédération du secteur professionnel des arts introduit sa demande par écrit au secrétariat par le biais de son organe d'administration ou de gestion, dans un délai de trente jours à dater de la publication de l'appel à candidatures au Moniteur belge.
L'appel public à candidatures précise les éléments suivants :
1° l'intitulé et l'objet de l'appel;
2° la durée de la reconnaissance;
3° les incompatibilités énoncées à l'article 33, § 4;
4° l'adresse à laquelle la candidature doit être envoyée;
5° le délai dans lequel la candidature doit être envoyée.
La fédération professionnelle qui sollicite sa reconnaissance comme fédération du secteur professionnel des arts introduit sa demande par écrit au secrétariat par le biais de son organe d'administration ou de gestion, dans un délai de trente jours à dater de la publication de l'appel à candidatures au Moniteur belge.
Art. 33. § 1. Om ontvankelijk te zijn, moeten volgende documenten bij de erkenningsaanvraag gevoegd zijn:
1° een kopie van de oprichtingsakte van de professionele federatie met een nauwkeurige beschrijving van haar doel en opdrachten;
2° in voorkomend geval een kopie van de op de datum van de aanvraag geldende statuten zoals bekendgemaakt in het Staatsblad;
3° het huishoudelijk reglement van de professionele federatie;
4° het aantal leden van het (de) betrokken domein(en) en een namenlijst van de rechtspersonen die door de professionele federatie worden vertegenwoordigd;
5° een verslag over de activiteiten in het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;
6° het ontwerp van geplande activiteiten in het jaar na de erkenningsaanvraag;
7° elk ander document of element dat kan staven dat haar opdrachten wezenlijk verband houden met een (of meer) kunstdomein(en) en dat getuigt van haar deskundigheid in de betrokken domeinen, zoals:
- link naar de website,
- nieuwsbrieven aan de leden,
- bewijs dat het dagelijks bestuur, de vergaderingen, projecten en activiteiten worden georganiseerd in samenwerking met deskundigen op het gebied van artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende activiteiten,
- eventueel een bewijs van erkenning als professionele federatie uit de kunstensector door een gefedereerde instantie, verkregen binnen de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag.
§ 2. Het secretariaat bevestigt de ontvangst van de erkenningsaanvraag en preciseert in voorkomend geval de ontbrekende stukken.
Het secretariaat verzendt deze ontvangstbevestiging [1 ...]1 binnen de vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag. De ontbrekende stukken worden bij het dossier gevoegd indien zij aan het secretariaat worden meegedeeld binnen de vijftien dagen na de verzending van de ontvangstbevestiging van de aanvraag.
Een erkenningsaanvraag is alleen ontvankelijk wanneer deze volledig is.
§ 3. [1 Uiterlijk vijfenveertig dagen na het verstrijken van de in artikel 32, derde lid, bedoelde termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad legt het secretariaat een voorstel voor aan de ministers.]1
De ministers beslissen over de erkenningsaanvraag, aan de hand van de erkenningscriteria in artikel 31 van dit besluit, binnen de dertig dagen vanaf de verzending van het voorstel door het secretariaat. De beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning wordt [1 ...]1 meegedeeld aan de kandidaat-federaties.
Een lijst van de erkende federaties wordt bij besluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De ministers kunnen een professionele federatie erkennen die aan geen van de criteria in artikel 31 voldoet, om tegemoet te komen aan een nood aan deskundigheid in een domein of beroepsactiviteit. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn indien geen enkele federatie in de mogelijkheid was om een lid van de Commissie voor te dragen als deskundige in een bepaald artistiek domein of artistieke beroepsactiviteit, met als gevolg dat dit domein of deze beroepsactiviteit onvoldoende of helemaal niet vertegenwoordigd zou zijn in de Commissie.
§ 4. Erkenning kan niet worden verleend aan een federatie die de democratische beginselen uit de Belgische Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet naleeft.
Zo wordt een professionele federatie verondersteld voornoemde beginselen niet na te leven indien zij duidelijk en herhaaldelijk:
a) pleit voor discriminatie of segregatie op basis van een criterium dat wordt beschermd bij wetten, decreten of ordonnanties ter bestrijding van racisme en discriminatie;
b) blijk geeft van vijandigheid ten aanzien van de essentiële beginselen van de democratie,
Wordt eveneens geacht voornoemde beginselen niet na te leven, de professionele federatie waarvan het bestuurs- of beheersorgaan/de bestuurder:
1° ook lid is van een organisatie die deze beginselen niet naleeft of die duidelijk en herhaaldelijk:
a) pleit voor discriminatie of segregatie op basis van een criterium dat wordt beschermd bij wetten, decreten of ordonnanties ter bestrijding van racisme en discriminatie;
b) blijkt geeft van vijandigheid ten aanzien van de essentiële beginselen van de democratie;
2° het voorwerp is geweest van een strafrechtelijke veroordeling, uitgesproken door een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde, krachtens wetten, decreten of ordonnanties die ertoe strekken racisme en discriminatie te bestrijden, voor:
a) het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen een persoon, groep, gemeenschap of de leden ervan;
b) verspreiding van ideeën die zijn gebaseerd op raciale superioriteit of haat;
c) ontkenning, minimalisering, rechtvaardiging of goedkeuring van de genocide van het Duitse nationaalsocialistische regime tijdens de Tweede Wereldoorlog;
d) seksuele intimidatie of intimidatie op grond van een ander wettelijk beschermd criterium;
e) aanzetten tot discriminatie op basis van een wettelijk beschermd criterium.
§ 5. Tenzij de ministers anders beslissen, wordt de erkenning verleend voor een verlengbare periode van vier jaar.
1° een kopie van de oprichtingsakte van de professionele federatie met een nauwkeurige beschrijving van haar doel en opdrachten;
2° in voorkomend geval een kopie van de op de datum van de aanvraag geldende statuten zoals bekendgemaakt in het Staatsblad;
3° het huishoudelijk reglement van de professionele federatie;
4° het aantal leden van het (de) betrokken domein(en) en een namenlijst van de rechtspersonen die door de professionele federatie worden vertegenwoordigd;
5° een verslag over de activiteiten in het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag wordt ingediend;
6° het ontwerp van geplande activiteiten in het jaar na de erkenningsaanvraag;
7° elk ander document of element dat kan staven dat haar opdrachten wezenlijk verband houden met een (of meer) kunstdomein(en) en dat getuigt van haar deskundigheid in de betrokken domeinen, zoals:
- link naar de website,
- nieuwsbrieven aan de leden,
- bewijs dat het dagelijks bestuur, de vergaderingen, projecten en activiteiten worden georganiseerd in samenwerking met deskundigen op het gebied van artistieke, artistiek-technische en artistiek-ondersteunende activiteiten,
- eventueel een bewijs van erkenning als professionele federatie uit de kunstensector door een gefedereerde instantie, verkregen binnen de twee jaar voorafgaand aan de aanvraag.
§ 2. Het secretariaat bevestigt de ontvangst van de erkenningsaanvraag en preciseert in voorkomend geval de ontbrekende stukken.
Het secretariaat verzendt deze ontvangstbevestiging [1 ...]1 binnen de vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag. De ontbrekende stukken worden bij het dossier gevoegd indien zij aan het secretariaat worden meegedeeld binnen de vijftien dagen na de verzending van de ontvangstbevestiging van de aanvraag.
Een erkenningsaanvraag is alleen ontvankelijk wanneer deze volledig is.
§ 3. [1 Uiterlijk vijfenveertig dagen na het verstrijken van de in artikel 32, derde lid, bedoelde termijn van dertig dagen na de bekendmaking van de oproep tot kandidaten in het Belgisch Staatsblad legt het secretariaat een voorstel voor aan de ministers.]1
De ministers beslissen over de erkenningsaanvraag, aan de hand van de erkenningscriteria in artikel 31 van dit besluit, binnen de dertig dagen vanaf de verzending van het voorstel door het secretariaat. De beslissing tot toekenning of weigering van de erkenning wordt [1 ...]1 meegedeeld aan de kandidaat-federaties.
Een lijst van de erkende federaties wordt bij besluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
De ministers kunnen een professionele federatie erkennen die aan geen van de criteria in artikel 31 voldoet, om tegemoet te komen aan een nood aan deskundigheid in een domein of beroepsactiviteit. Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn indien geen enkele federatie in de mogelijkheid was om een lid van de Commissie voor te dragen als deskundige in een bepaald artistiek domein of artistieke beroepsactiviteit, met als gevolg dat dit domein of deze beroepsactiviteit onvoldoende of helemaal niet vertegenwoordigd zou zijn in de Commissie.
§ 4. Erkenning kan niet worden verleend aan een federatie die de democratische beginselen uit de Belgische Grondwet en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden niet naleeft.
Zo wordt een professionele federatie verondersteld voornoemde beginselen niet na te leven indien zij duidelijk en herhaaldelijk:
a) pleit voor discriminatie of segregatie op basis van een criterium dat wordt beschermd bij wetten, decreten of ordonnanties ter bestrijding van racisme en discriminatie;
b) blijk geeft van vijandigheid ten aanzien van de essentiële beginselen van de democratie,
Wordt eveneens geacht voornoemde beginselen niet na te leven, de professionele federatie waarvan het bestuurs- of beheersorgaan/de bestuurder:
1° ook lid is van een organisatie die deze beginselen niet naleeft of die duidelijk en herhaaldelijk:
a) pleit voor discriminatie of segregatie op basis van een criterium dat wordt beschermd bij wetten, decreten of ordonnanties ter bestrijding van racisme en discriminatie;
b) blijkt geeft van vijandigheid ten aanzien van de essentiële beginselen van de democratie;
2° het voorwerp is geweest van een strafrechtelijke veroordeling, uitgesproken door een rechterlijke beslissing met kracht van gewijsde, krachtens wetten, decreten of ordonnanties die ertoe strekken racisme en discriminatie te bestrijden, voor:
a) het aanzetten tot haat, discriminatie of geweld tegen een persoon, groep, gemeenschap of de leden ervan;
b) verspreiding van ideeën die zijn gebaseerd op raciale superioriteit of haat;
c) ontkenning, minimalisering, rechtvaardiging of goedkeuring van de genocide van het Duitse nationaalsocialistische regime tijdens de Tweede Wereldoorlog;
d) seksuele intimidatie of intimidatie op grond van een ander wettelijk beschermd criterium;
e) aanzetten tot discriminatie op basis van een wettelijk beschermd criterium.
§ 5. Tenzij de ministers anders beslissen, wordt de erkenning verleend voor een verlengbare periode van vier jaar.
Modifications
Art. 33. § 1er. Pour être recevable, la demande de reconnaissance doit être accompagnée des documents suivants :
1° une copie de l'acte constitutif de la fédération professionnelle comprenant une description précise de son objet et de ses missions;
2° le cas échéant, une copie des statuts en vigueur à la date de la demande tels que publiés au Moniteur;
3° le règlement d'ordre intérieur de la fédération professionnelle;
4° le nombre de membres du (ou des) domaine(s) concerné(s) ainsi qu'une liste nominative des personnes morales représentées par la fédération professionnelle;
5° un rapport précisant les activités développées pendant l'année qui précède l'année de l'introduction de sa demande;
6° le projet d'activités prévues au cours de l'année qui suit l'introduction de la demande de reconnaissance;
7° tout autre document ou élément de nature à étayer le fait que ses missions relèvent substantiellement d'un (ou plusieurs) domaine(s) artistique(s) et attestant de son expertise dans les domaines donnés, comme, par exemple :
- lien vers son site internet,
- bulletins d'informations communiqués à ses membres,
- preuve que sa gestion journalière, les réunions, projets et activités qu'elle organise le sont en collaboration avec des personnes ayant une expertise dans les activités artistiques, artistiques-techniques et artistiques de soutien,
- éventuellement la preuve de la reconnaissance comme fédération professionnelle des arts par une entité fédérée obtenue dans les deux ans précédant la demande.
§ 2. La demande de reconnaissance fait l'objet d'un accusé de réception du secrétariat précisant, le cas échéant, les pièces manquantes.
Le secrétariat envoie cet accusé de réception [1 ...]1 dans les quinze jours de la réception de la demande. Les pièces manquantes sont versées au dossier si elles sont communiquées au secrétariat dans les quinze jours de l'envoi de l'accusé de réception de la demande.
Seul le dossier de demande de reconnaissance complet est recevable.
§ 3. [1 Au plus tard quarante-cinq jours après l'expiration de la période de trente jours visée à l'article 32, alinéa 3, suivant la publication de l'appel à candidatures au Moniteur belge, le secrétariat soumet une proposition aux ministres.]1
Les ministres se prononcent sur la demande de reconnaissance, au regard des critères de reconnaissance prévus à l'article 31 du présent arrêté, dans les trente jours à dater de la transmission de la proposition par le secrétariat. La décision d'octroi ou de refus de reconnaissance est communiquée aux fédérations candidates [1 ...]1.
Une liste des fédérations reconnues est publiée par arrêté au Moniteur belge.
Les ministres peuvent reconnaître une fédération professionnelle qui ne respecte pas l'un ou l'autre des critères visés à l'article 31, afin de répondre à un besoin d'expertise dans un domaine ou une activité professionnelle. Tel serait par exemple le cas si aucune fédération n'était en mesure de désigner un membre de la Commission en qualité d'expert dans un domaine ou une profession artistique donnés avec pour conséquence que ce domaine ou cette profession serait insuffisamment ou pas du tout - représenté au sein de la Commission.
§ 4. La reconnaissance ne saurait être accordée à la fédération qui ne respecterait pas les principes de la démocratie tels qu'ils sont garantis par la Constitution belge et par la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
Est par exemple présumée ne pas respecter les principes précités, la fédération professionnelle qui, de manière manifeste et répétée :
a) prône la discrimination ou la ségrégation fondée sur un critère protégé par les lois, décrets ou ordonnances tendant à lutter contre le racisme et les discriminations;
b) montre son hostilité envers les principes essentiels de la démocratie;
Est également présumée ne pas respecter les principes précités, la fédération professionnelle dont l'organe d'administration ou de gestion/l'administrateur :
1° est également membre d'une organisation qui ne respecte pas lesdits principes ou qui, de manière manifeste et répétée :
a) prône la discrimination ou la ségrégation fondée sur un critère protégé par les lois, décrets ou ordonnances tendant à lutter contre le racisme et les discriminations;
b) montre son hostilité envers les principes essentiels de la démocratie;
2° a fait l'objet d'une condamnation pénale, prononcée par décision de justice coulée en force de chose jugée, en application des lois, décrets ou ordonnances tendant à lutter contre le racisme et les discriminations, pour :
a) incitation à la haine, à la discrimination ou à la violence à l'égard d'une personne, d'un groupe, d'une communauté ou de leurs membres;
b) diffusion d'idées fondées sur la supériorité ou la haine raciale;
c) négation, minimisation, justification ou approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la seconde guerre mondiale;
d) harcèlement sexuel ou fondé sur un autre critère protégé par la législation;
e) injonction de discriminer sur base d'un critère protégé par la législation.
§ 5. Sauf décision contraire des ministres, la reconnaissance est accordée pour une durée de quatre ans renouvelable.
1° une copie de l'acte constitutif de la fédération professionnelle comprenant une description précise de son objet et de ses missions;
2° le cas échéant, une copie des statuts en vigueur à la date de la demande tels que publiés au Moniteur;
3° le règlement d'ordre intérieur de la fédération professionnelle;
4° le nombre de membres du (ou des) domaine(s) concerné(s) ainsi qu'une liste nominative des personnes morales représentées par la fédération professionnelle;
5° un rapport précisant les activités développées pendant l'année qui précède l'année de l'introduction de sa demande;
6° le projet d'activités prévues au cours de l'année qui suit l'introduction de la demande de reconnaissance;
7° tout autre document ou élément de nature à étayer le fait que ses missions relèvent substantiellement d'un (ou plusieurs) domaine(s) artistique(s) et attestant de son expertise dans les domaines donnés, comme, par exemple :
- lien vers son site internet,
- bulletins d'informations communiqués à ses membres,
- preuve que sa gestion journalière, les réunions, projets et activités qu'elle organise le sont en collaboration avec des personnes ayant une expertise dans les activités artistiques, artistiques-techniques et artistiques de soutien,
- éventuellement la preuve de la reconnaissance comme fédération professionnelle des arts par une entité fédérée obtenue dans les deux ans précédant la demande.
§ 2. La demande de reconnaissance fait l'objet d'un accusé de réception du secrétariat précisant, le cas échéant, les pièces manquantes.
Le secrétariat envoie cet accusé de réception [1 ...]1 dans les quinze jours de la réception de la demande. Les pièces manquantes sont versées au dossier si elles sont communiquées au secrétariat dans les quinze jours de l'envoi de l'accusé de réception de la demande.
Seul le dossier de demande de reconnaissance complet est recevable.
§ 3. [1 Au plus tard quarante-cinq jours après l'expiration de la période de trente jours visée à l'article 32, alinéa 3, suivant la publication de l'appel à candidatures au Moniteur belge, le secrétariat soumet une proposition aux ministres.]1
Les ministres se prononcent sur la demande de reconnaissance, au regard des critères de reconnaissance prévus à l'article 31 du présent arrêté, dans les trente jours à dater de la transmission de la proposition par le secrétariat. La décision d'octroi ou de refus de reconnaissance est communiquée aux fédérations candidates [1 ...]1.
Une liste des fédérations reconnues est publiée par arrêté au Moniteur belge.
Les ministres peuvent reconnaître une fédération professionnelle qui ne respecte pas l'un ou l'autre des critères visés à l'article 31, afin de répondre à un besoin d'expertise dans un domaine ou une activité professionnelle. Tel serait par exemple le cas si aucune fédération n'était en mesure de désigner un membre de la Commission en qualité d'expert dans un domaine ou une profession artistique donnés avec pour conséquence que ce domaine ou cette profession serait insuffisamment ou pas du tout - représenté au sein de la Commission.
§ 4. La reconnaissance ne saurait être accordée à la fédération qui ne respecterait pas les principes de la démocratie tels qu'ils sont garantis par la Constitution belge et par la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales.
Est par exemple présumée ne pas respecter les principes précités, la fédération professionnelle qui, de manière manifeste et répétée :
a) prône la discrimination ou la ségrégation fondée sur un critère protégé par les lois, décrets ou ordonnances tendant à lutter contre le racisme et les discriminations;
b) montre son hostilité envers les principes essentiels de la démocratie;
Est également présumée ne pas respecter les principes précités, la fédération professionnelle dont l'organe d'administration ou de gestion/l'administrateur :
1° est également membre d'une organisation qui ne respecte pas lesdits principes ou qui, de manière manifeste et répétée :
a) prône la discrimination ou la ségrégation fondée sur un critère protégé par les lois, décrets ou ordonnances tendant à lutter contre le racisme et les discriminations;
b) montre son hostilité envers les principes essentiels de la démocratie;
2° a fait l'objet d'une condamnation pénale, prononcée par décision de justice coulée en force de chose jugée, en application des lois, décrets ou ordonnances tendant à lutter contre le racisme et les discriminations, pour :
a) incitation à la haine, à la discrimination ou à la violence à l'égard d'une personne, d'un groupe, d'une communauté ou de leurs membres;
b) diffusion d'idées fondées sur la supériorité ou la haine raciale;
c) négation, minimisation, justification ou approbation du génocide commis par le régime national-socialiste allemand pendant la seconde guerre mondiale;
d) harcèlement sexuel ou fondé sur un autre critère protégé par la législation;
e) injonction de discriminer sur base d'un critère protégé par la législation.
§ 5. Sauf décision contraire des ministres, la reconnaissance est accordée pour une durée de quatre ans renouvelable.
Modifications
Art. 34. § 1. De erkende professionele federatie kan desgewenst uiterlijk negentig dagen voor het verstrijken van de lopende erkenning een aanvraag tot verlenging van haar erkenning indienen. De aanvraag wordt schriftelijk gericht aan het secretariaat en bevat de bijgewerkte stukken bedoeld in artikel 33, § 1, van dit besluit.
§ 2. Binnen de vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag tot verlenging stuurt het secretariaat de betrokken federatie [1 ...]1 een ontvangstbevestiging waarin in voorkomend geval de ontbrekende stukken of gegevens worden vermeld. Deze worden aan het dossier toegevoegd indien zij binnen de vijftien dagen na de ontvangstbevestiging van de aanvraag aan het secretariaat worden meegedeeld.
Een verlengingsaanvraag is alleen ontvankelijk wanneer deze volledig is.
§ 3. [1 Uiterlijk vijfenveertig dagen voor het verstrijken van de lopende erkenning legt het secretariaat een voorstel voor aan de ministers.]1
De ministers spreken zich binnen de dertig dagen na verzending van het voorstel door het secretariaat uit over de aanvraag tot verlenging. De beslissing om verlenging te verlenen of te weigeren wordt [1 ...]1 aan de federatie meegedeeld.
De verlenging van de erkenning wordt bij besluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 4. Tenzij de ministers anders beslissen, wordt de erkenning verlengd voor een verlengbare periode van vier jaar vanaf het einde van de vorige erkenning.
§ 5. Bij een laattijdige aanvraag tot verlenging moet de federatie wachten op een nieuwe openbare oproep tot kandidaten om een nieuwe aanvraag in te dienen.
§ 2. Binnen de vijftien dagen na ontvangst van de aanvraag tot verlenging stuurt het secretariaat de betrokken federatie [1 ...]1 een ontvangstbevestiging waarin in voorkomend geval de ontbrekende stukken of gegevens worden vermeld. Deze worden aan het dossier toegevoegd indien zij binnen de vijftien dagen na de ontvangstbevestiging van de aanvraag aan het secretariaat worden meegedeeld.
Een verlengingsaanvraag is alleen ontvankelijk wanneer deze volledig is.
§ 3. [1 Uiterlijk vijfenveertig dagen voor het verstrijken van de lopende erkenning legt het secretariaat een voorstel voor aan de ministers.]1
De ministers spreken zich binnen de dertig dagen na verzending van het voorstel door het secretariaat uit over de aanvraag tot verlenging. De beslissing om verlenging te verlenen of te weigeren wordt [1 ...]1 aan de federatie meegedeeld.
De verlenging van de erkenning wordt bij besluit bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
§ 4. Tenzij de ministers anders beslissen, wordt de erkenning verlengd voor een verlengbare periode van vier jaar vanaf het einde van de vorige erkenning.
§ 5. Bij een laattijdige aanvraag tot verlenging moet de federatie wachten op een nieuwe openbare oproep tot kandidaten om een nieuwe aanvraag in te dienen.
Modifications
Art. 34. § 1er. La fédération professionnelle reconnue qui le souhaite, peut introduire une demande de renouvellement de sa reconnaissance au plus tard nonante jours avant l'échéance de la reconnaissance en cours. La demande est adressée par écrit au secrétariat et comprend les pièces actualisées visées au § 1er de l'article 33 du présent arrêté.
§ 2. Dans les quinze jours de la réception de la demande de renouvellement, le secrétariat adresse [1 ...]1 à la fédération concernée un accusé de réception précisant, le cas échéant, les pièces ou informations manquantes. Ces dernières sont versées au dossier si elles sont communiquées au secrétariat dans les quinze jours de l'envoi de l'accusé de réception de la demande.
Seul le dossier de demande de renouvellement complet est recevable.
§ 3. [1 Au plus tard dans les quarante-cinq jours avant l'échéance de la reconnaissance en cours, le secrétariat soumet une proposition aux ministres.]1
Les ministres se prononcent sur la demande de renouvellement dans les trente jours de la transmission de la proposition par le secrétariat. La décision d'octroi ou de refus de renouvellement est communiquée à la fédération [1 ...]1.
Le renouvellement de la reconnaissance est publié par arrêté au Moniteur belge.
§ 4. Sauf décision contraire des ministres, le renouvellement de la reconnaissance est octroyé pour une durée de quatre ans renouvelable et commençant à courir au terme de la reconnaissance précédente.
§ 5. En cas de demande tardive de renouvellement, la fédération devra attendre un nouvel appel public à candidatures pour introduire une nouvelle demande.
§ 2. Dans les quinze jours de la réception de la demande de renouvellement, le secrétariat adresse [1 ...]1 à la fédération concernée un accusé de réception précisant, le cas échéant, les pièces ou informations manquantes. Ces dernières sont versées au dossier si elles sont communiquées au secrétariat dans les quinze jours de l'envoi de l'accusé de réception de la demande.
Seul le dossier de demande de renouvellement complet est recevable.
§ 3. [1 Au plus tard dans les quarante-cinq jours avant l'échéance de la reconnaissance en cours, le secrétariat soumet une proposition aux ministres.]1
Les ministres se prononcent sur la demande de renouvellement dans les trente jours de la transmission de la proposition par le secrétariat. La décision d'octroi ou de refus de renouvellement est communiquée à la fédération [1 ...]1.
Le renouvellement de la reconnaissance est publié par arrêté au Moniteur belge.
§ 4. Sauf décision contraire des ministres, le renouvellement de la reconnaissance est octroyé pour une durée de quatre ans renouvelable et commençant à courir au terme de la reconnaissance précédente.
§ 5. En cas de demande tardive de renouvellement, la fédération devra attendre un nouvel appel public à candidatures pour introduire une nouvelle demande.
Modifications
Art. 35. § 1. De erkende professionele federatie dient bovendien het secretariaat in kennis te stellen van elke wijziging van haar statuten en van elke wijziging in de naleving van de in artikel 31 bedoelde erkenningscriteria, of in geval van onverenigbaarheid als bedoeld in artikel 33, § 4 van dit besluit, binnen de maand van de wijziging of onverenigbaarheid.
§ 2. Bij niet-naleving van de verplichting bepaald in § 1 van dit artikel, niet-naleving van de criteria bedoeld in artikel 31 of in geval van onverenigbaarheid als bedoeld in artikel 33, § 4 van dit besluit, kunnen de ministers de erkenning van de betrokken professionele federatie intrekken volgens de hierna beschreven procedure.
Wanneer het secretariaat een tekortkoming vermoedt, brengt het de erkende professionele federatie per aangetekende brief op de hoogte met de vraag binnen de dertig dagen dit uit te leggen en de stukken ter staving van de eventuele uitleg of regularisatie te bezorgen.
De professionele federatie wordt op haar verzoek binnen deze termijn gehoord door het secretariaat.
De ministers beslissen de erkenning in te trekken binnen de dertig dagen na het horen van de erkende professionele federatie en uiterlijk binnen de dertig dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in het tweede lid. De beslissing tot intrekking wordt [1 ...]1 aan de betrokken federatie meegedeeld en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De intrekking van de erkenning heeft uitwerking vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De intrekking van de erkenning van een federatie als professionele federatie uit de kunstensector leidt niet automatisch tot de intrekking van de hoedanigheid van deskundige van de personen die als zodanig zijn aangewezen door de betrokken federatie en die in de Commissie zetelen. De ministers zullen dit zo nodig geval per geval beoordelen.
§ 3. Bij niet-naleving van de plicht tot kennisgeving bedoeld in § 1 kan de federatie tevens voor een periode van maximaal tien jaar van erkenning worden uitgesloten.
§ 2. Bij niet-naleving van de verplichting bepaald in § 1 van dit artikel, niet-naleving van de criteria bedoeld in artikel 31 of in geval van onverenigbaarheid als bedoeld in artikel 33, § 4 van dit besluit, kunnen de ministers de erkenning van de betrokken professionele federatie intrekken volgens de hierna beschreven procedure.
Wanneer het secretariaat een tekortkoming vermoedt, brengt het de erkende professionele federatie per aangetekende brief op de hoogte met de vraag binnen de dertig dagen dit uit te leggen en de stukken ter staving van de eventuele uitleg of regularisatie te bezorgen.
De professionele federatie wordt op haar verzoek binnen deze termijn gehoord door het secretariaat.
De ministers beslissen de erkenning in te trekken binnen de dertig dagen na het horen van de erkende professionele federatie en uiterlijk binnen de dertig dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in het tweede lid. De beslissing tot intrekking wordt [1 ...]1 aan de betrokken federatie meegedeeld en in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. De intrekking van de erkenning heeft uitwerking vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
De intrekking van de erkenning van een federatie als professionele federatie uit de kunstensector leidt niet automatisch tot de intrekking van de hoedanigheid van deskundige van de personen die als zodanig zijn aangewezen door de betrokken federatie en die in de Commissie zetelen. De ministers zullen dit zo nodig geval per geval beoordelen.
§ 3. Bij niet-naleving van de plicht tot kennisgeving bedoeld in § 1 kan de federatie tevens voor een periode van maximaal tien jaar van erkenning worden uitgesloten.
Modifications
Art. 35. § 1er. La fédération professionnelle reconnue est en outre tenue d'informer le secrétariat de toute modification de ses statuts et de tout changement intervenu quant au respect des critères de reconnaissance visés à l'article 31 ou en cas de survenance d'une incompatibilité telle que visée à l'article 33, § 4 du présent arrêté dans le mois de la survenance du changement ou de l'incompatibilité.
§ 2. En cas de non-respect de l'obligation prévue au § 1er du présent article, de non-respect des critères visés à l'article 31 ou en cas de survenance d'une incompatibilité telle que visée à l'article 33, § 4 du présent arrêté, les ministres peuvent retirer la reconnaissance de la fédération professionnelle concernée suivant la procédure décrite ci-après.
En cas de carence suspectée, le secrétariat avertit la fédération professionnelle reconnue, par courrier recommandé, et l'invite à s'en expliquer et à transmettre les pièces étayant son éventuelle explication ou régularisation dans un délai de trente jours.
La fédération professionnelle est entendue à sa demande par le secrétariat dans ce délai.
Les ministres prennent la décision de retrait de la reconnaissance dans les trente jours à dater de l'audition de la fédération professionnelle reconnue et au plus tard dans les trente jours à dater de l'expiration du délai visé à l'alinéa 2. La décision de retrait est communiquée à la fédération concernée [1 ...]1 et publiée au Moniteur belge. Le retrait de la reconnaissance prend effet à dater de la publication au Moniteur belge.
Le retrait de la reconnaissance en tant que fédération professionnelle des arts d'une fédération n'emporte pas automatiquement le retrait de la qualité d'expert aux personnes désignées comme telles par la fédération concernée et siégeant à la Commission. Les ministres procéderont le cas échéant à une évaluation au cas par cas.
§ 3. En cas de non-respect de l'obligation d'information prévue au § 1er, la fédération pourra en outre se voir interdite de reconnaissance pour une durée de maximum dix ans.
§ 2. En cas de non-respect de l'obligation prévue au § 1er du présent article, de non-respect des critères visés à l'article 31 ou en cas de survenance d'une incompatibilité telle que visée à l'article 33, § 4 du présent arrêté, les ministres peuvent retirer la reconnaissance de la fédération professionnelle concernée suivant la procédure décrite ci-après.
En cas de carence suspectée, le secrétariat avertit la fédération professionnelle reconnue, par courrier recommandé, et l'invite à s'en expliquer et à transmettre les pièces étayant son éventuelle explication ou régularisation dans un délai de trente jours.
La fédération professionnelle est entendue à sa demande par le secrétariat dans ce délai.
Les ministres prennent la décision de retrait de la reconnaissance dans les trente jours à dater de l'audition de la fédération professionnelle reconnue et au plus tard dans les trente jours à dater de l'expiration du délai visé à l'alinéa 2. La décision de retrait est communiquée à la fédération concernée [1 ...]1 et publiée au Moniteur belge. Le retrait de la reconnaissance prend effet à dater de la publication au Moniteur belge.
Le retrait de la reconnaissance en tant que fédération professionnelle des arts d'une fédération n'emporte pas automatiquement le retrait de la qualité d'expert aux personnes désignées comme telles par la fédération concernée et siégeant à la Commission. Les ministres procéderont le cas échéant à une évaluation au cas par cas.
§ 3. En cas de non-respect de l'obligation d'information prévue au § 1er, la fédération pourra en outre se voir interdite de reconnaissance pour une durée de maximum dix ans.
Modifications
TITEL VI. - Overgangs- en slotbepalingen
TITRE VI. - Dispositions transitoires et finales
Art. 36. Worden opgeheven:
- het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars;
- het koninklijk besluit van 26 juni 2003 houdende de organisatie en de werking van de Commissie Kunstenaars;
- het ministerieel besluit van 23 oktober 2015 betreffende het model van de kaart en van het visum kunstenaars;
- Het koninklijk besluit van 26 maart 2014 tot aanvulling van het sociaal statuut der kunstenaars en tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning van het visum kunstenaar en van de kunstenaarskaart;
- het koninklijk besluit van 2 mei 2019 tot uitvoering van artikel 172bis van de programmawet (I) van 24 december 2002.
- het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars;
- het koninklijk besluit van 26 juni 2003 houdende de organisatie en de werking van de Commissie Kunstenaars;
- het ministerieel besluit van 23 oktober 2015 betreffende het model van de kaart en van het visum kunstenaars;
- Het koninklijk besluit van 26 maart 2014 tot aanvulling van het sociaal statuut der kunstenaars en tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning van het visum kunstenaar en van de kunstenaarskaart;
- het koninklijk besluit van 2 mei 2019 tot uitvoering van artikel 172bis van de programmawet (I) van 24 december 2002.
Art. 36. Sont abrogés :
- l'arrêté royal du 26 juin 2003 portant fixation des conditions et des modalités d'octroi de la déclaration d'activité indépendante demandée par certains artistes;
- l'arrêté royal du 26 juin 2003 relatif à l'organisation et aux modalités de fonctionnement de la Commission Artistes;
- l'arrêté ministériel du 23 octobre 2015 relatif au modèle de la carte et du visa artistes;
- L'arrêté royal du 26 mars 2014 complétant le statut social des artistes et fixant les modalités d'octroi du visa artiste et de la carte d'artiste ;
- l'arrêté royal du 2 mai 2019 portant exécution de l'article 172bis de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
- l'arrêté royal du 26 juin 2003 portant fixation des conditions et des modalités d'octroi de la déclaration d'activité indépendante demandée par certains artistes;
- l'arrêté royal du 26 juin 2003 relatif à l'organisation et aux modalités de fonctionnement de la Commission Artistes;
- l'arrêté ministériel du 23 octobre 2015 relatif au modèle de la carte et du visa artistes;
- L'arrêté royal du 26 mars 2014 complétant le statut social des artistes et fixant les modalités d'octroi du visa artiste et de la carte d'artiste ;
- l'arrêté royal du 2 mai 2019 portant exécution de l'article 172bis de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002.
Art. 37. § 1. De personen op wie, bij de inwerkingtreding van dit besluit, de bepalingen van hoofdstuk 12 van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering van toepassing zijn, wordt automatisch het kunstwerkattest "plus" zoals bedoeld in artikel 12, § 8, toegekend, met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit, met een geldigheidsduur van 5 jaar.
§ 2. Met het oog daarop worden de gegevens van de in § 1 bedoelde personen doorgegeven aan het digitaal platform Working in the Arts. Deze gegevens mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan voor de automatische toekenning van het kunstwerkattest " plus ".
§ 2. Met het oog daarop worden de gegevens van de in § 1 bedoelde personen doorgegeven aan het digitaal platform Working in the Arts. Deze gegevens mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan voor de automatische toekenning van het kunstwerkattest " plus ".
Art. 37. § 1er. Les personnes auxquelles s'appliquent, au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté, les dispositions du chapitre 12 de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage se verront automatiquement délivrer l'attestation du travail des arts " plus " telle que visée à l'article 12, § 8, avec effet à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté et pour une durée de validité de 5 ans.
§ 2. A cet effet, les données des personnes visées au § 1er sont transférées vers la plateforme numérique Working in the Arts. Ces données ne peuvent être utilisées à d'autres fins que l'octroi automatique de l'attestation du travail des arts " plus ".
§ 2. A cet effet, les données des personnes visées au § 1er sont transférées vers la plateforme numérique Working in the Arts. Ces données ne peuvent être utilisées à d'autres fins que l'octroi automatique de l'attestation du travail des arts " plus ".
Art. 38. § 1. De personen die bij de inwerkingtreding van dit besluit in het bezit zijn van een geldig kunstenaarsvisum, zoals bedoeld in artikel 2 van het ministerieel besluit van 23 oktober 2015 betreffende het model van de kaart en van het visum kunstenaars wordt automatisch het gewoon kunstwerkattest toegekend, bij de inwerkingtreding van dit besluit, met een geldigheidsduur die overeenstemt met dat van hun kunstenaarsvisum.
In afwijking van het vorige lid zal voor de visa waarvan de geldigheid minder dan 2 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit verstrijkt, het afgeleverde gewone kunstwerkattest een geldigheid hebben van 2 jaar vanaf de inwerkingtreding van dat besluit.
§ 2. Met het oog daarop worden de gegevens van in § 1 bedoelde personen doorgegeven aan het digitaal platform Working in the Arts. Deze gegevens mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan voor de automatische toekenning van het gewoon kunstwerkattest.
In afwijking van het vorige lid zal voor de visa waarvan de geldigheid minder dan 2 jaar na de inwerkingtreding van dit besluit verstrijkt, het afgeleverde gewone kunstwerkattest een geldigheid hebben van 2 jaar vanaf de inwerkingtreding van dat besluit.
§ 2. Met het oog daarop worden de gegevens van in § 1 bedoelde personen doorgegeven aan het digitaal platform Working in the Arts. Deze gegevens mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan voor de automatische toekenning van het gewoon kunstwerkattest.
Art. 38. § 1er. Les personnes qui, au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont en possession d'un visa artiste valable, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté ministériel du 23 octobre 2015 relatif au modèle de la carte et du visa artistes, se verront automatiquement délivrer à l'entrée en vigueur du présent arrêté l'attestation du travail des arts ordinaire, dont la durée de validité correspond à celle de leur visa artiste.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour les visas qui expirent moins de 2 ans après l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'attestation ordinaire délivrée aura une validité de 2 ans à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. A cet effet, les données des personnes visées au § 1er sont transférées vers la plateforme numérique Working in the Arts. Ces données ne peuvent être utilisées à d'autres fins que l'octroi automatique de l'attestation du travail des arts ordinaire.
Par dérogation à l'alinéa précédent, pour les visas qui expirent moins de 2 ans après l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'attestation ordinaire délivrée aura une validité de 2 ans à partir de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. A cet effet, les données des personnes visées au § 1er sont transférées vers la plateforme numérique Working in the Arts. Ces données ne peuvent être utilisées à d'autres fins que l'octroi automatique de l'attestation du travail des arts ordinaire.
Art. 39. § 1. De personen die, op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit, in het bezit zijn van een geldige kunstenaarskaart, zoals bedoeld in artikel 3 van het ministerieel besluit van 23 oktober 2015 betreffende het model van de kaart en van het visum kunstenaars, worden automatisch geregistreerd als uitvoerder in de zin van artikel 25 van dit besluit zonder nieuwe validering door de Kunstwerkcommissie, met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit.
§ 2. Met het oog daarop worden de gegevens van de in § 1 bedoelde personen doorgegeven aan het digitaal platform Working in the Arts. Deze gegevens mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan voor de automatische registratie als uitvoerder in de zin van artikel 25 van dit besluit.
§ 2. Met het oog daarop worden de gegevens van de in § 1 bedoelde personen doorgegeven aan het digitaal platform Working in the Arts. Deze gegevens mogen voor geen enkel ander doel worden gebruikt dan voor de automatische registratie als uitvoerder in de zin van artikel 25 van dit besluit.
Art. 39. § 1er. Les personnes qui au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont en possession d'une carte artiste valable, telle que visée à l'article 3 de l'arrêté ministériel du 23 octobre 2015 relatif au modèle de la carte et du visa artistes, se verront automatiquement enregistrées en tant qu'exécutant au sens de l'article 25 du présent arrêté sans nouvelle validation de la Commission du travail des arts, avec effet à la date d'entrée en vigueur du présent arrêté.
§ 2. A cet effet, les données des personnes visées au § 1er sont transférées vers la plateforme numérique Working in the Arts. Ces données ne peuvent être utilisés à d'autres fins que l'enregistrement automatique en tant qu'exécutant au sens de l'article 25 du présent arrêté.
§ 2. A cet effet, les données des personnes visées au § 1er sont transférées vers la plateforme numérique Working in the Arts. Ces données ne peuvent être utilisés à d'autres fins que l'enregistrement automatique en tant qu'exécutant au sens de l'article 25 du présent arrêté.
Art. 40. De aanvragen voor een kunstenaarsvisum die op het moment van de inwerkingtreding van dit besluit nog hangende zijn bij de Commissie Kunstenaars worden niet meer behandeld.
Alle aanvragen waarover er nog geen beslissing werd genomen, worden als hangende aanvragen beschouwd.
De aanvragers worden uitgenodigd om een nieuwe aanvraag in te dienen op het digitaal platform.
Alle aanvragen waarover er nog geen beslissing werd genomen, worden als hangende aanvragen beschouwd.
De aanvragers worden uitgenodigd om een nieuwe aanvraag in te dienen op het digitaal platform.
Art. 40. Les demandes de visa artiste encore pendantes auprès de la Commission artistes au moment de l'entrée en vigueur du présent arrêté ne seront pas traitées.
Sont considérées comme encore pendantes toutes les demandes pour lesquelles une décision n'a pas encore été rendue.
Les demandeurs seront invités à introduire une nouvelle demande sur la plateforme digitale.
Sont considérées comme encore pendantes toutes les demandes pour lesquelles une décision n'a pas encore été rendue.
Les demandeurs seront invités à introduire une nouvelle demande sur la plateforme digitale.
Art. 41. De zelfstandigheidsverklaring bedoeld in het koninklijk besluit van 26 juni 2003 tot vaststelling van de toekenningsvoorwaarden en -modaliteiten met betrekking tot de zelfstandigheidsverklaring aangevraagd door bepaalde kunstenaars vervalt definitief bij het verstrijken van de geldigheidsduur.
Art. 41. La déclaration d'activité indépendante visée dans l'arrêté royal du 26 juin 2003 portant fixation des conditions et des modalités d'octroi de la déclaration d'activité indépendante demandée par certains artistes expire définitivement au terme de sa durée de validité.
Art. 42. Bij de eerste samenstelling van de Kunstwerkcommissie wordt voor wat betreft de voorwaarden opgenomen in artikel 2, § 5, het hebben van ervaring als kunstwerker met het kunstenaarsvisum of de kunstenaarskaart, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 26 maart 2014 tot aanvulling van het sociaal statuut der kunstenaars en tot vaststelling van de nadere regels voor de toekenning van het visum kunstenaar en van de kunstenaarskaart gelijkgesteld met het hebben van ervaring met het kunstwerkattest, zoals bedoeld in artikel 7 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers.
Art. 42. Lors de la première composition de la Commission du travail des arts, en ce qui concerne les conditions reprises à l'article 2, § 5, l'existence d'une expérience en tant que travailleur des arts avec le visa artiste ou la carte artiste, tels que visés dans l'arrêté royal du 26 mars 2014 complétant le statut social des artistes et fixant les modalités d'octroi du visa artiste et de la carte d'artiste, sera assimilée à l'existence d'une expérience avec l'attestation du travail des arts, telle que visée à l'article 7 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts.
Art. 43. In afwachting van de opheffing van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 houdende de organisatie en de werking van de Commissie Kunstenaars zoals voorzien in artikel 36 van dit besluit, wordt de tekst van artikel 4 van het koninklijk besluit van 26 juni 2003 houdende de organisatie en de werking van de Commissie Kunstenaars vervangen door de tekst van artikel 9 van dit besluit.
Art. 43. En attendant l'abrogation de l'arrêté royal du 26 juin 2003 relatif à l'organisation et aux modalités de fonctionnement de la Commission Artistes prévue à l'article 36 du présent arrêté, le texte de l'article 4 de l'arrêté royal du 26 juin 2003 relatif à l'organisation et aux modalités de fonctionnement de la Commission Artistes sera remplacé par le texte de l'article 9 du présent arrêté.
Art. 44. Dit besluit treedt in werking op de datum die de Koning vaststelt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en uiterlijk op 1 januari 2024.
In afwijking van het vorige lid, treedt artikel 43 in werking de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad
In afwijking van het vorige lid, treedt artikel 43 in werking de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad
Art. 44. Le présent arrêté entre en vigueur à une date fixée par le Roi par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres et au plus tard le 1er janvier 2024.
Par dérogation à l'alinéa précédent, l'article 43 entre en vigueur le dixième jour suivant sa publication au Moniteur belge.
Par dérogation à l'alinéa précédent, l'article 43 entre en vigueur le dixième jour suivant sa publication au Moniteur belge.
Art. 45. Artikel 2, 3° en artikel 3, paragrafen 1, 2 en 7 van de wet van 16 december 2022 tot oprichting van de Kunstwerkcommissie en tot verbetering van de sociale bescherming van kunstwerkers treden in werking op de dag van de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad.
Art. 45. L'article 2, 3° ainsi que l'article 3 paragraphes 1, 2 et 7 de la loi du 16 décembre 2022 portant création de la Commission du travail des arts et améliorant la protection sociale des travailleurs des arts entrent en vigueur le jour de la publication du présent arrêté au Moniteur belge.
Art. 46. Artikel 1, hoofdstuk I van titel II en de volledige titel V van dit besluit treden in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art. 46. L'article 1er, le chapitre 1er du titre II, et l'intégralité du titre V du présent arrêté entrent en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
Art. 47. De minister bevoegd voor Werk, de minister bevoegd voor Sociale Zaken en de minister bevoegd voor het sociaal statuut der Zelfstandigen, zijn belast, ieder wat hem betreft, met de uitvoering van dit besluit.
Art. 47. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions, le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions et le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.