Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
18 NOVEMBER 2022. - Besluit van de Vlaamse Regering houdende de uitvoering van het decreet van 8 juli 2022 over de werk- en zorgtrajecten(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-02-2023 en tekstbijwerking tot 30-06-2023)
Titre
18 NOVEMBRE 2022. - Arrêté du Gouvernement flamand portant exécution du décret du 8 juillet 2022 relatif aux parcours de travail et de soins(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-02-2023 et mise à jour au 30-06-2023)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (117)
Texte (117)
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Artikel 1. In dit besluit wordt verstaan onder:
  1° besluit van 5 juni 2009: het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juni 2009 houdende de organisatie van de arbeidsbemiddeling en de beroepsopleiding;
  2° besluit van 2 februari 2018: het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten, wat betreft de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten;
  3° centrum voor geestelijke gezondheidszorg: het centrum voor geestelijke gezondheidszorg dat erkend is conform het decreet van 18 mei 1999 betreffende de centra voor geestelijke gezondheidszorg;
  4° decreet van 25 april 2014: het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten;
  5° decreet werk- en zorgtrajecten: het decreet van 8 juli 2022 over de werk- en zorgtrajecten;
  6° Departement WSE: het Departement Werk en Sociale Economie van het Vlaams Ministerie van Werk en Sociale Economie, vermeld in artikel 25 van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
  7° [1 Departement Zorg: Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]1;
  8° dienstverleners: organisaties die een actie als vermeld in artikel 10 van het decreet werk- en zorgtrajecten, in het kader van het activeringstraject uitvoeren;
  9° International Classification of Functioning, Disability and Health, afgekort ICF: een referentieclassificatie van de Wereldgezondheidsorganisatie, die het menselijk functioneren omschrijft;
  10° ICF-instrument: het indiceringsinstrument dat de VDAB ontwikkeld heeft op basis van de ICF, dat het menselijk functioneren in kaart brengt met betrekking tot tewerkstelling en dat de eventuele behoefte aan ondersteuning vaststelt;
  11° VAPH: het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, vermeld in artikel 3 van het decreet van 7 mei 2004 tot oprichting van het verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap;
  12° werkpost: de rechtspersoon, de zelfstandige natuurlijke persoon, de feitelijke vereniging of de overheidsinstelling waar een persoon arbeidsmatige activiteiten verricht.
  
Article 1er. Dans le présent arrêté, on entend par :
  1° arrêté du 5 juin 2009 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juin 2009 portant organisation de l'emploi et de la formation professionnelle ;
  2° arrêté du 2 février 2018 : l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2018 portant exécution du décret du 25 avril 2014 portant les parcours de travail et de soins, en ce qui concerne les parcours d'activation et les activités de travail ;
  3° centre de santé mentale: le centre de santé mentale, agréé conformément au décret du 18 mai 1999 relatif aux centres de santé mentale ;
  4° décret du 25 avril 2014 : le décret du 25 avril 2014 portant les parcours de travail et de soins ;
  5° décret parcours de travail et de soins : le décret du 8 juillet 2022 portant les parcours de travail et de soins ;
  6° Département WSE : le Département de l'Emploi et de l'Economie sociale du Ministère flamand de l'Emploi et de l'Economie sociale, mentionné à l'article 25 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
  7° [1 Département Soins : le Département Soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soin]1 ;
  8° prestataires de services : les organisations réalisant une action telle que mentionnée à l'article 10 du décret parcours de travail et de soins dans le cadre du parcours d'activation ;
  9° Classification internationale du fonctionnement, du handicap et de la santé, abrégée CIF : une classification de référence de l'Organisation mondiale de la santé, qui décrit le fonctionnement humain ;
  10° Instrument CIF : l'instrument d'évaluation développé par le VDAB sur la base de la CIF, qui répertorie le fonctionnement humain dans le domaine de l'emploi et le besoin éventuel de soutien ;
  11° VAPH : l'Agence flamande pour les personnes handicapées, mentionnée à l'article 3 du décret du 7 mai 2004 portant création de l'agence autonomisée dotée de la personnalité juridique Agence flamande pour les personnes handicapées ;
  12° poste d'emploi : la personne morale, la personne physique indépendante, l'association de fait ou l'organisme public où une personne effectue des activités de travail.
  
HOOFDSTUK 2. - Activeringstrajecten
CHAPITRE 2. - Parcours d'activation
Afdeling 1. - Deelname aan de activeringstrajecten
Section 1re. - Participation aux parcours d'activation
Art.2. Bij de beslissing tot deelname aan een activeringstraject houdt de VDAB rekening met al de volgende elementen:
  1° de aanwezigheid van ernstige belemmeringen van cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale aard die de persoon tijdelijk verhinderen om betaalde beroepsarbeid te verrichten. Die belemmeringen zijn prominent aanwezig en onvoldoende onder controle;
  2° de inschatting van de competenties en de beperkingen op basis van het functioneren van de persoon op de arbeidsmarkt aan de hand van het ICF-instrument;
  3° de verwachting dat de persoon door deelname aan een activeringstraject in staat is om door te stromen naar betaalde beroepsarbeid;
  4° het engagement van de persoon om actief deel te nemen aan het activeringstraject.
Art.2. Lors de sa décision sur la participation à un parcours d'activation, le VDAB tient compte de l'ensemble des éléments suivants :
  1° la présence de graves déficiences de nature cognitive, médicale, psychique, psychiatrique ou sociale qui empêchent temporairement la personne d'effectuer un travail professionnel rémunéré. Ces déficiences sont importantes et insuffisamment maîtrisées ;
  2° l'évaluation des compétences et des contraintes sur la base du fonctionnement de la personne sur le marché du travail, au moyen de l'instrument CIF ;
  3° l'attente que la participation à un parcours d'activation permette à la personne de progresser vers un travail professionnel rémunéré ;
  4° l'engagement de la personne à participer activement au parcours d'activation.
Art.3. De kandidaat-deelnemer dient zijn verzoek tot deelname aan een activeringstraject in bij de VDAB. De volgende organisaties kunnen voor rekening van de kandidaat-deelnemer een verzoek tot deelname aan een activeringstraject registreren of indienen:
  1° de VDAB;
  2° een werkactor;
  3° een welzijns- en zorgvoorziening.
  De organisaties, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, bezorgen het verzoek tot deelname aan de VDAB.
Art.3. Le participant potentiel soumet sa demande de participation à un parcours d'activation au VDAB. Les organisations suivantes peuvent enregistrer ou soumettre une demande de participation à un programme d'activation au nom du participant potentiel :
  1° le VDAB ;
  2° un acteur de l'emploi ;
  3° une structure d'aide sociale et de soins.
  Les organisations mentionnées à l'alinéa 1er, 2° et 3°, transmettent la demande de participation au VDAB.
Art.4. De VDAB voorziet in een aanmeldingsprocedure voor het verzoek tot deelname aan het activeringstraject. Het verzoek tot deelname aan een activeringstraject, vermeld in artikel 3, bevat al de volgende gegevens:
  1° de identiteitsgegevens van de kandidaat-deelnemer;
  2° de identiteitsgegevens van de organisaties die voor de kandidaat-deelnemer een verzoek tot deelname registreren of indienen als vermeld in artikel 3, tweede lid;
  3° het medisch-diagnostische materiaal dat de belemmeringen en sterktes van cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale aard die de kandidaat-deelnemer verhinderen om betaalde beroepsarbeid uit te voeren, bevat en dat de deelname aan het activeringstraject ondersteunt;
  4° een beschrijving van het functioneren van de kandidaat-deelnemer en de drempels tot de arbeidsmarkt volgens de richtlijnen die de VDAB opstelt;
  5° de toestemming van de kandidaat-deelnemer om gegevens te verwerken en uit te wisselen met welzijns- en zorgvoorzieningen en werkactoren met het oog op een mogelijke deelname aan een activeringstraject.
Art.4. Le VDAB prévoit une procédure de demande de participation au parcours d'activation. La demande de participation à un parcours d'activation, mentionnée à l'article 3, contient l'ensemble des données suivantes :
  1° les données d'identité du participant potentiel ;
  2° les données d'identité des organisations qui enregistrent ou soumettent une demande de participation au nom du participant potentiel au sens de l'article 3, alinéa 2 ;
  3° le matériel médical-diagnostique qui démontre les déficiences et les points forts de nature cognitive, médicale, psychique, psychiatrique ou sociale qui empêchent le participant potentiel d'exercer un travail professionnel rémunéré et qui justifie la participation à un parcours d'activation ;
  4° une description du fonctionnement du participant potentiel et des obstacles à son accès au marché de l'emploi, selon les directives du VDAB ;
  5° le consentement du participant potentiel au traitement de ses données et à l'échange de ses données avec les structures d'aide sociale et de soins et les acteurs de l'emploi en vue d'une éventuelle participation à un parcours d'activation.
Art.5. Binnen het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet kan de VDAB, na de ontvangst van het verzoek tot deelname aan het werk- en zorgtraject, vermeld in artikel 4, een screening uitvoeren van de cognitieve, medische, psychische, psychiatrische, of sociale factoren die de kandidaat-deelnemer verhinderen om betaalde beroepsarbeid uit te voeren en die de deelname aan een activeringstraject kunnen ondersteunen.
  De VDAB neemt de resultaten van de screening op in het persoonlijke bestand van de kandidaat-deelnemer op het elektronische platform.
Art.5. Dans les limites du crédit budgétaire approuvé annuellement, le VDAB, après avoir reçu la demande de participation au parcours de travail et de soins mentionné à l'article 4, peut procéder à un examen des facteurs cognitifs, médicaux, psychiques, psychiatriques ou sociaux qui empêchent le participant potentiel d'exercer un travail professionnel rémunéré et qui peuvent justifier la participation à un parcours d'activation.
  Le VDAB consigne les résultats de cet examen dans le dossier personnel du participant potentiel sur la plateforme électronique.
Art.6. Na de beslissing tot niet-deelname aan een activeringstraject kunnen de kandidaat-deelnemers of de organisaties, vermeld in artikel 3, tweede lid, een nieuw verzoek tot deelname indienen na afloop van een termijn van drie maanden na de voormelde beslissing als er nieuwe feiten zijn die een nieuw verzoek kunnen onderbouwen.
Art.6. A la suite de la décision de non-participation à un parcours d'activation, les participants potentiels ou les organisations mentionnées à l'article 3, alinéa 2, peuvent introduire une nouvelle demande de participation après une période de trois mois suivant la décision précitée si des faits nouveaux justifient une telle demande.
Afdeling 2. - Werkingsgebied
Section 2. - Zone d'action
Art.7. § 1. Ter uitvoering van artikel 13, § 2, derde lid, en artikel 17, § 1, tweede lid, van het decreet werk- en zorgtrajecten wordt onder werkingsgebied de afbakening in een of meer aan elkaar grenzende werk- en zorgregio's verstaan.
  § 2. Ter uitvoering van artikel 12, § 1, derde lid, van het decreet werk- en zorgtrajecten wordt onder werkingsgebied de afbakening van een werk- en zorgregio verstaan.
  In afwijking van het eerste lid kan een gemandateerd samenwerkingsverband Zorg werken in een werkingsgebied dat bestaat uit een of meer aan elkaar grenzende werk- en zorgregio's. In dat geval voldoet het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg niet alleen aan de voorwaarden op het niveau van de werk- en zorgregio, maar ook aan dezelfde voorwaarden op het niveau van de combinatie van de werk- en zorgregio's.
  § 3. De indeling in werk- en zorgregio's, vermeld in paragraaf 1 en 2, en de toewijzing van gemeenten aan een werk- en zorgregio is opgenomen in de bijlage die bij dit besluit is gevoegd.
Art.7. § 1er. Aux fins de l'article 13, § 2, alinéa 3, et de l'article 17, § 1er, alinéa 2, du décret parcours de travail et de soins, la zone d'action s'entend de la délimitation en une ou plusieurs régions de travail et de soins contiguës.
  § 2. En exécution de l'article 12, § 1er, alinéa 3, du décret parcours de travail et de soins, la zone d'action s'entend de la délimitation d'une région de travail et de soins.
  Contrairement à l'alinéa 1er, un partenariat Soins mandaté peut opérer dans une zone d'action constituée d'une ou plusieurs régions de travail et de soins contiguës. Dans ce cas, le partenariat Soins mandaté remplit non seulement les conditions au niveau de la région de travail et de soins, mais également les mêmes conditions au niveau des régions de travail et de soins combinées.
  § 3. La répartition en régions de travail et de soins, mentionnée aux paragraphes 1er et 2, et l'attribution des communes à une région de travail et de soins sont reprises dans l'annexe jointe au présent arrêté.
Afdeling 3. - Werkingsprincipes van activeringstrajecten
Section 3. - Principes de fonctionnement des parcours d'activation
Art.8. De begeleiding naar en op een werkvloer die deel uitmaakt van een activeringstraject als vermeld in artikel 10, eerste lid, 1°, van het decreet werk- en zorgtrajecten bestaat minimaal uit een werkervaringsstage als vermeld in artikel 111/0/1 tot en met artikel 111/0/12 van het besluit van 5 juni 2009.
  De werkervaringsstage, vermeld in het eerste lid, kan bij verschillende werkgevers dan wel in verschillende functies bij dezelfde werkgever georganiseerd worden.
Art.8. L'accompagnement vers un emploi et sur le lieu de travail qui fait partie d'un parcours d'activation au sens de l'article 10, alinéa 1er, 1°, du décret parcours de travail et de soins comprend au moins un stage d'expérience professionnelle tel que mentionné aux articles 111/0/1 à 111/0/12 de l'arrêté du 5 juin 2009.
  Le stage d'expérience professionnelle, mentionné à l'alinéa 1er, peut être organisé auprès de différents employeurs ou dans différentes fonctions auprès du même employeur.
Art.9. De zorg die deel uitmaakt van een activeringstraject als vermeld in artikel 10, eerste lid, 2°, van het decreet werk- en zorgtrajecten, betreft het verlenen van specifieke herstelgerichte zorg, expliciet met het oog op de uitvoering van een stage op een werkvloer tijdens het activeringstraject en met het oog op het kunnen uitvoeren van betaalde beroepsarbeid met of zonder ondersteuning na afloop van het activeringstraject.
  Met behoud van de toepassing van het eerste lid bestaat de zorg onder meer uit:
  1° het verkennen van de zorgbehoeften en de cognitieve, medische, psychische, psychiatrische en sociale problemen van de deelnemer die de uitvoering van een stage op een werkvloer of de uitvoering van betaalde arbeid met of zonder ondersteuning verhinderen;
  2° het verlenen van inzicht aan de deelnemer in zijn zorgbehoeften en zijn cognitieve, medische, psychische, psychiatrische en sociale problemen die de uitvoering van een stage op een werkvloer of de uitvoering van betaalde arbeid met of zonder ondersteuning verhinderen;
  3° het leren omgaan van de deelnemer met zijn zorgbehoeften en zijn cognitieve, medische, psychische, psychiatrische en sociale problemen die de uitvoering van een stage op een werkvloer of de uitvoering van betaalde arbeid met of zonder ondersteuning verhinderen;
  4° het verhogen van de psychische draagkracht van de deelnemer om een stage op een werkvloer uit te voeren of betaalde arbeid met of zonder ondersteuning uit te voeren;
  5° het mee helpen creëren van een ondersteunend zorgnetwerk in de private en werkomgeving van de deelnemer met het oog op voldoende zelfredzaamheid van de deelnemer na afloop van het activeringstraject;
  6° het versterken van de competenties van de deelnemer, waaronder assertiviteit, communicatie, conflictbeheersing, het voorzien in basishygiëne, leren omgaan met faalervaringen en motivatie, met het oog op voldoende zelfredzaamheid van de deelnemer na afloop van het activeringstraject.
Art.9. Les soins procurés dans le cadre d'un parcours d'activation, mentionnés à l'article 10, alinéa 1er, 2°, du décret parcours de travail et de soins, visent spécifiquement le rétablissement en vue d'exécuter un stage sur un lieu de travail pendant le parcours d'activation et d'être en mesure d'effectuer une activité professionnelle rémunérée avec ou sans soutien à l'issue du parcours d'activation.
  Sans préjudice de l'application de l'alinéa 1er, les soins comprennent notamment les éléments suivants :
  1° identifier les besoins en soins et les problèmes cognitifs, médicaux, psychiques, psychiatriques et sociaux du participant, qui font obstacle à l'exécution d'un stage sur un lieu de travail ou d'un travail rémunéré avec ou sans soutien ;
  2° aider le participant à comprendre ses besoins en soins et ses problèmes cognitifs, médicaux, psychiques, psychiatriques et sociaux qui font obstacle à l'exécution d'un stage sur un lieu de travail ou d'un travail rémunéré avec ou sans soutien ;
  3° apprendre au participant à gérer ses besoins en soins et ses problèmes cognitifs, médicaux, psychiques, psychiatriques et sociaux qui font obstacle à l'exécution d'un stage sur un lieu de travail ou d'un travail rémunéré avec ou sans soutien ;
  4° augmenter la capacité psychique du participant à exécuter un stage sur un lieu de travail ou à effectuer un travail rémunéré avec ou sans soutien ;
  5° participer à la création d'un réseau de soins en vue d'un soutien dans l'environnement privé et professionnel du participant et d'une autonomie adéquate du participant à l'issue du parcours d'activation ;
  6° renforcer les compétences du participant, y compris l'assertivité, la communication, la gestion des conflits, l'hygiène de base, la manière de gérer les échecs et la motivation, en vue d'une autonomie adéquate du participant à l'issue du parcours d'activation.
Art.10. Het casemanagementteam bepaalt de vermoedelijke duur van het activeringstraject op basis van de behoeften en de competenties van de deelnemer, met een minimum van drie maanden en een maximum van achttien maanden, vermeld in artikel 11 van het decreet werk- en zorgtrajecten.
  De VDAB kan, op advies van het casemanagementteam, het activeringstraject verlengen tot maximaal 24 maanden als de deelnemer door ziekte, moederschapsverlof, ongeval of overmacht tijdelijk niet kan deelnemen, op voorwaarde dat een verlenging noodzakelijk is om de doelstelling van het activeringstraject te bereiken.
  Een verlenging van het geïntegreerde trajectplan wordt geregistreerd in het persoonlijke bestand van de deelnemer op het elektronische platform.
  De beslissing tot verlenging van het activeringstraject van de deelnemer leidt niet tot een nieuwe of aanvullende compensatievergoeding voor de casemanager Werk, het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg of de netwerkcoördinator.
Art.10. L'équipe de gestion des cas détermine la durée présumée du parcours d'activation sur la base des besoins et des compétences du participant, avec un minimum de trois mois et un maximum de dix-huit mois conformément à l'article 11 du décret parcours de travail et de soins.
  Sur avis de l'équipe de gestion des cas Emploi, le VDAB peut prolonger le parcours d'activation jusqu'à 24 mois au maximum, si le participant doit interrompre temporairement sa participation pour cause de maladie, congé de maternité, accident ou force majeure, à condition que cette prolongation soit nécessaire pour atteindre l'objectif du parcours d'activation.
  La prolongation du plan de parcours intégré est enregistrée dans le dossier personnel du participant sur la plateforme électronique.
  La décision de prolonger le parcours d'activation du participant ne donne pas lieu à une indemnité de compensation nouvelle ou complémentaire pour le gestionnaire des cas Emploi, le partenariat Soins mandaté ou le coordinateur du réseau.
Art.11. De VDAB kan, na advies van het casemanagementteam, het activeringstraject voortijdig beëindigen als:
  1° de deelnemer ernstig tekortschiet in zijn verplichtingen of in de uitvoering van de acties die met hem in het kader van zijn activeringstraject zijn overeengekomen;
  2° de onderbreking van de uitvoering van het geïntegreerde trajectplan door ziekte, moederschapsverlof, ongeval of overmacht de re-integratie van de deelnemer in het activeringstraject ernstig verhindert;
  3° de VDAB of het casemanagementteam van oordeel is dat de deelnemer het beoogde doel van een activeringstraject niet zal halen als vermeld in artikel 10 van het decreet werk- en zorgtrajecten;
  4° de deelnemer aan het werk is.
  Elke stopzetting van de uitvoering van het geïntegreerde trajectplan in het kader van het activeringstraject wordt geregistreerd in het persoonlijke bestand van de deelnemer op het elektronische platform.
Art.11. Le VDAB, après avis du gestionnaire des cas Emploi, peut mettre fin prématurément au parcours d'activation si :
  1° le participant manque gravement à ses obligations ou à l'exécution des actions convenues avec lui dans le cadre de son parcours d'activation ;
  2° l'interruption de l'exécution du plan de parcours intégré pour cause de maladie, congé de maternité, accident ou force majeure entrave gravement la réintégration du participant dans le parcours d'activation ;
  3° le VDAB ou l'équipe de gestion des cas estiment que le participant n'atteindra pas l'objectif envisagé du parcours d'activation, au sens de l'article 10 du décret parcours de travail et de soins ;
  4° le participant est en situation d'emploi.
  Toute cessation de l'exécution du plan de parcours intégré dans le cadre du parcours d'activation est enregistrée dans le dossier personnel du participant sur la plateforme électronique.
Afdeling 4. - Mandatering van de samenwerkingsverbanden Zorg
Section 4. - Mandatement des partenariats Soins
Onderafdeling 1. - Procedure tot mandatering
Sous-section 1re. - Procédure de mandatement
Art.12. De professionele deskundigheid, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, 2°, van het decreet werk- en zorgtrajecten houdt in dat elke welzijns- en zorgvoorziening van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg een of meer medewerkers in dienst heeft, die instaan voor de uitvoering van de opdrachten van de casemanager Zorg, vermeld in artikel 12 van het voormelde decreet, en die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
  1° beschikken over minimaal een medisch, paramedisch, sociaal, psychologisch of pedagogisch diploma op bachelorniveau of beschikken over minimaal twee jaar ervaring in het verlenen van zorg aan de doelgroep, vermeld in artikel 3, eerste lid, van het voormelde decreet en artikel 2 van dit besluit;
  2° beschikken over kennis van het aanbod van welzijns- en zorgvoorzieningen.
Art.12. L'expertise professionnelle, mentionnée à l'article 12, § 1er, alinéa 2, 2°, du décret parcours de travail et de soins implique que chaque structure d'aide sociale et de soins emploie un ou plusieurs collaborateurs qui assurent l'exécution des missions du gestionnaire des cas Soins, mentionnées à l'article 12 du décret précité, et qui répondent à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° disposer au moins d'un diplôme médical, paramédical, social, psychologique ou pédagogique au niveau de bachelor, ou disposer d'au moins deux ans d'expérience en matière de fourniture de soins au groupe-cible, mentionné à l'article 3, alinéa 1er, du décret précité et à l'article 2 du présent arrêté ;
  2° connaître l'offre des structures d'aide sociale et de soins.
Art.13. Het samenwerkingsverband Zorg voldoet aan de volgende aanvullende mandaatvoorwaarde, ter uitvoering van artikel 12, § 1, vijfde lid, van het decreet werk- en zorgtrajecten: het samenwerkingsverband Zorg wordt door één rechtspersoon vertegenwoordigd, die als administratief aanspreekpunt optreedt ten opzichte van het [1 Departement Zorg]1.
  De compensatievergoeding voor het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg, vermeld in artikel 16, eerste lid, van het voormelde decreet, wordt betaald aan het administratieve aanspreekpunt, dat instaat voor de verdeling ervan onder de partners van het samenwerkingsverband Zorg.
  
Art.13. Le partenariat Soins remplit la condition complémentaire de mandat suivante, en application de l'article 12, § 1er, alinéa 5, du décret parcours de travail et de soins : le partenariat Soins est représenté par une personne morale, qui fait office de point de contact administratif à l'égard du [1 Département Soins ]1.
  L'indemnité de compensation pour le partenariat Soins mandaté, mentionnée à l'article 16, alinéa 1er, du décret précité, est versée au point de contact administratif, qui est chargé de la répartir entre les partenaires du partenariat Soins.
  
Art.14. Een aanvraag tot mandatering van het samenwerkingsverband Zorg wordt binnen de indieningstermijn die in de oproep vermeld is, ingediend bij het [1 Departement Zorg]1 via een elektronisch systeem dat daarvoor ter beschikking wordt gesteld.
  De aanvraag die is opgemaakt via het sjabloon dat het [1 Departement Zorg]1 Departement WVG ter beschikking stelt, bevat al de volgende gegevens:
  1° de identificatiegegevens van de drie welzijns- en zorgvoorzieningen, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, 1°, van het decreet werk- en zorgtrajecten, die zich engageren om samen als samenwerkingsverband Zorg op te treden;
  2° de identificatiegegevens van het administratieve aanspreekpunt dat het samenwerkingsverband Zorg zal vertegenwoordigen, overeenkomstig artikel 13;
  3° het werkingsgebied, vermeld in artikel 7, § 2, waarvoor de mandatering wordt aangevraagd. Als de mandatering wordt aangevraagd voor verschillende werk- en zorgregio's, dan wordt duidelijk aangegeven of de aanvraag zowel geldt voor de werk- en zorgregio's apart als voor de combinatie van werk- en zorgregio's;
  4° het bewijs dat de welzijns- en zorgvoorzieningen beschikken over professionele deskundigheid als vermeld in artikel 12;
  5° het bewijs dat het samenwerkingsverband Zorg opdrachten kan opnemen in het volledige werkingsgebied, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, 3°, van het voormelde decreet. Als de mandatering wordt aangevraagd voor een werkingsgebied dat bestaat uit verschillende werk- en zorgregio's, overeenkomstig artikel 7, § 2, tweede lid, levert de aanvrager het bewijs zowel voor elke werk- en zorgregio apart als voor de combinatie van werk- en zorgregio's;
  6° de beschrijving van de wijze waarop de continuïteit van de dienstverlening verzekerd wordt, vermeld in artikel 12, § 1, tweede lid, 4°, van het voormelde decreet;
  7° de beschrijving van de mate waarin elke partner in het samenwerkingsverband Zorg de opdrachten kan opnemen binnen de volledige werk- en zorgregio, vermeld in artikel 16, § 2, eerste lid, 1°, van dit besluit;
  8° de beschrijving van de mate waarin het samenwerkingsverband Zorg de opdrachten laagdrempelig en toegankelijk kan opnemen, vermeld in artikel 16, § 2, eerste lid, 2° ;
  9° het plan van aanpak met een beschrijving van de gedeelde visie op de samenwerking en de taakverdeling, vermeld in artikel 16, § 2, eerste lid, 3°.
  
Art.14. La demande de mandatement du partenariat Soins est soumise au [1 Département Soins ]1 dans le délai de soumission spécifié dans l'appel, par le biais d'un système électronique mis à disposition à cet effet.
  La demande établie à l'aide du modèle fourni par le [1 Département Soins ]1 contient l'ensemble des données suivantes :
  1° les données d'identification des trois structures d'aide sociale et de soins mentionnées à l'article 12, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret parcours de travail et de soins, qui s'engagent à agir conjointement en tant que partenariat Soins ;
  2° les données d'identification du point de contact administratif qui représentera le partenariat Soins, conformément à l'article 13 ;
  3° la zone d'action mentionnée à l'article 7, § 2, pour laquelle le mandatement est demandé. Si le mandatement est demandé pour plusieurs régions de travail et de soins, il est clairement indiqué si la demande s'applique tant à chacune des régions de travail et de soins séparément qu'à l'ensemble des régions de travail et de soins combinées ;
  4° la preuve que les structures d'aide sociale et de soins disposent de l'expertise professionnelle mentionnée à l'article 12 ;
  5° la preuve que le partenariat Soins est en mesure de prendre en charge des missions dans l'ensemble de la zone d'action, mentionnée à l'article 12, § 1er, alinéa 2, 3°, du décret précité. Si le mandatement est demandé pour une zone d'action composée de plusieurs régions de travail et de soins, conformément à l'article 7 § 2, alinéa 2, le demandeur fournit les preuves tant pour chaque région de travail et de soins séparément que pour l'ensemble des régions de travail et de soins combinées ;
  6° la description de la manière dont la continuité du service est assurée, au sens de l'article 12, § 1er, alinéa 2, 4°, du décret précité ;
  7° la description de la mesure dans laquelle chaque partenaire du partenariat Soins est capable d'assumer les missions au sein de l'ensemble de la région de travail et de soins, mentionnée à l'article 16, § 2, alinéa 1er, 1°, du présent arrêté ;
  8° la description de la mesure dans laquelle le partenariat Soins est capable d'assumer les missions d'une manière accessible et à bas seuil, au sens de l'article 16, § 2, alinéa 1er, 2° ;
  9° le plan d'action avec une description de la vision commune de la coopération et de la répartition des tâches, mentionné à l'article 16, § 2, alinéa 1er, 3°.
  
Art.15. Het [1 Departement Zorg]1 onderzoekt de ontvankelijkheid van de aanvraag. De aanvraag is ontvankelijk als ze voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° ze is via het elektronische systeem, vermeld in artikel 14, eerste lid, ingediend binnen de indieningstermijn die in de oproep is vermeld;
  2° ze bevat al de elementen, vermeld in artikel 14, tweede lid.
  Het [1 Departement Zorg]1 brengt de aanvrager uiterlijk één maand na de in indieningstermijn die in de oproep vermeld is, op de hoogte of de aanvraag ontvankelijk is.
  
Art.15. Le [1 Département Soins ]1 examine la recevabilité de la demande. La demande est recevable lorsqu'elle répond aux critères suivants :
  1° elle a été soumise via le système électronique mentionné à l'article 14, alinéa 1er, dans le délai de soumission spécifié dans l'appel ;
  2° elle contient l'ensemble des éléments énumérés à l'article 14, alinéa 2.
  Le [1 Département Soins ]1 informe le demandeur de la recevabilité, ou non, de sa demande au plus tard un mois après la date limite de soumission spécifiée dans l'appel.
  
Art.16. § 1. Het [1 Departement Zorg]1onderzoekt de gegrondheid van de aanvraag. De aanvraag is gegrond als ze voldoet aan de mandaatvoorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, van het decreet werk- en zorgtrajecten en artikel 12 en 13 van dit besluit.
  § 2. Er is één gemandateerd samenwerkingsverband Zorg per werk- en zorgregio. Als er verschillende ontvankelijke en gegronde aanvragen zijn voor dezelfde werk- en zorgregio, beoordeelt het Departement WVG de aanvragen op basis van de volgende criteria, die elk een gelijk gewicht krijgen binnen het puntentotaal:
  1° de mate waarin elke partner in het samenwerkingsverband Zorg opdrachten kan opnemen binnen de volledige werk- en zorgregio;
  2° de mate waarin het samenwerkingsverband Zorg de opdrachten laagdrempelig en toegankelijk kan opnemen;
  3° het plan van aanpak met een beschrijving van de gedeelde visie op de samenwerking en de taakverdeling. Dit heeft zowel betrekking op de samenwerking en taakverdeling tussen de drie welzijns- en zorgvoorzieningen van het samenwerkingsverband Zorg als op de samenwerking en taakverdeling tussen het samenwerkingsverband Zorg en de casemanager Werk binnen het casemanagementteam;
  4° de wijze waarop de continuïteit van de dienstverlening verzekerd wordt door het samenwerkingsverband Zorg.
  Het [1 Departement Zorg]1 brengt de aanvrager uiterlijk drie maanden na de indieningstermijn die in de oproep vermeld is, op de hoogte van zijn beslissing.
  
Art.16. § 1er. Le [1 Département Soins ]1 examine le bien-fondé de la demande. La demande est fondée si elle répond aux conditions de mandat énumérées à l'article 12, § 1, du décret parcours de travail et de soins et aux articles 12 et 13 du présent arrêté.
  § 2. Il est prévu un partenariat Soins mandaté par région de travail et de soins. Si plusieurs demandes pour une même région de travail et de soins sont recevables et fondées, le département WVG évalue les demandes sur la base des critères suivants, chacun ayant un poids égal dans le total des points :
  1° la mesure dans laquelle chaque partenaire du partenariat Soins est capable d'assumer des missions dans l'ensemble de la région de travail et de soins ;
  2° la mesure dans laquelle le partenariat Soins est capable d'assumer les missions de manière accessible et à bas seuil ;
  3° le plan d'action, y compris la vision commune sur la coopération et la répartition des tâches. Ceci concerne à la fois la coopération et la répartition des tâches entre les trois structures d'aide sociale et de soins du partenariat Soins et la coopération et la répartition des tâches entre le partenariat Soins et le gestionnaire des cas Emploi au sein de l'équipe de gestion des cas ;
  4° la manière dont le partenariat Soins assure la continuité des services.
  Le [1 Département Soins ]1 informe le demandeur de sa décision au plus tard trois mois après la date limite de soumission spécifiée dans l'appel.
  
Art.17. Het [1 Departement Zorg]1 kan aanvullende informatie vragen aan de aanvrager van een ontvankelijke aanvraag. Tijdens die periode wordt de beslissingstermijn geschorst.
  De aanvrager bezorgt de gevraagde aanvullende informatie aan het [1 Departement Zorg]1 binnen vijftien dagen. Als de aanvrager dat niet doet, neemt het Departement WVG een beslissing zonder aanvullende informatie.
  
Art.17. Le [1 Département Soins ]1peut demander des informations complémentaires au dépositaire d'une demande recevable. Le délai de décision est suspendu pendant cette période.
  Le demandeur transmet les informations complémentaires demandées dans les quinze jours au Département WVG. A défaut, le Département WVG prend une décision sans les informations complémentaires.
  
Art.18. Het [1 Departement Zorg]1brengt de aanvrager met een aangetekende zending of op digitale wijze op de hoogte van de beslissing tot mandatering of tot weigering van mandatering. Die kennisgeving vermeldt minstens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van de aanvrager;
  2° de beslissing;
  3° de motivering van de beslissing;
  4° het werkingsgebied in geval van beslissing tot mandatering;
  5° de omschrijving van de opdrachten van het samenwerkingsverband Zorg en de casemanagers Zorg in geval van een beslissing tot mandatering;
  6° de compensatievergoeding in geval van een beslissing tot mandatering;
  7° de duurtijd van het mandaat in geval van een beslissing tot mandatering;
  8° de bezwaarmogelijkheden in geval van een beslissing tot mandatering of tot weigering van mandatering.
  
Art.18. Le [1 Département Soins ]1 informe le demandeur de la décision de mandatement ou de refus du mandatement, par courrier recommandé ou par voie numérique. Cette notification mentionne au moins :
  1° l'identité et les données de contact du demandeur ;
  2° la décision ;
  3° les motifs de la décision ;
  4° la zone d'action en cas de décision de mandater ;
  5° la définition des missions du partenariat Soins et des gestionnaires des cas Soins en cas de décision de mandater ;
  6° l'indemnité de compensation en cas de décision de mandater ;
  7° la durée du mandat en cas de décision de mandater ;
  8° les voies de recours en cas de décision de mandatement ou de refus du mandatement.
  
Art.19. De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepalen samen dezelfde start- en einddatum voor alle mandaten van het gemandateerd samenwerkingsverband Zorg.
  Als een van de welzijns- of zorgvoorzieningen binnen een samenwerkingsverband Zorg op het moment van de einddatum, vermeld in het eerste lid, aangewezen is als casemanager Zorg van een deelnemer van wie het activeringstraject nog loopt, blijft de welzijns- en zorgvoorziening haar functie als casemanager Zorg uitoefenen tot het einde van dat activeringstraject.
  Het administratieve aanspreekpunt kan een vervanging van een partner van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg ter goedkeuring voorleggen aan het [1 Departement Zorg]1 als de continuïteit van de dienstverlening in het gedrang komt. Het administratieve aanspreekpunt toont daarbij aan dat het nieuw samengestelde samenwerkingsverband Zorg aan de mandaatvoorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, van het decreet werk- en zorgtrajecten en artikel 12 en 13 van dit besluit, voldoet. Het mandaat van het nieuw samengestelde samenwerkingsverband eindigt op de einddatum, vermeld in het eerste lid.
  
Art.19. Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées déterminent conjointement la même date de début et de fin de tous les mandats du partenariat Soins mandaté.
  Si, au moment de la date de fin, mentionnée à l'alinéa 1er, une des structures d'aide sociale et de soins au sein du partenariat Soins est désignée comme gestionnaire des cas Soins d'un participant dont le parcours d'activation n'a pas encore pris fin, la structure d'aide sociale et de soins poursuit sa fonction de gestionnaire des cas Soins jusqu'à la fin de ce parcours d'activation.
  Le point de contact administratif peut soumettre le remplacement d'un partenaire du partenariat Soins mandaté à l'approbation du [1 Département Soins ]1 si la continuité du service est compromise. A cette fin, le point de contact administratif démontre que le partenariat Soins nouvellement constitué répond aux conditions de mandat énoncées à l'article 12, § 1er, du décret parcours de travail et de soins et aux articles 12 et 13 du présent arrêté. Le mandat du partenariat nouvellement constitué prend fin à la date de fin mentionnée à l'alinéa 1er.
  
Onderafdeling 2. - Compensatievergoeding voor de gemandateerde samenwerkingsverbanden Zorg
Sous-section 2. - Indemnité de compensation pour les partenariats Soins mandatés
Art.20. Binnen de perken van het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet ontvangt het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg van het [1 Departement Zorg]1 per afgerond activeringstraject en overeenkomstig het bepaalde in artikel 21 van dit besluit een compensatievergoeding van 883,27 euro voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 14, 15, 22 en 23 van het decreet werk- en zorgtrajecten en artikel 26, 27, 28 en 30 van dit besluit.
  De compensatievergoeding, vermeld in het eerste lid, is uitgedrukt tegen 100 % van de spilindex die van toepassing is op 1 april 2022. Dat bedrag wordt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  
Art.20. Dans les limites du crédit budgétaire approuvé annuellement, le partenariat Soins mandaté perçoit, par parcours d'activation complété et conformément aux dispositions de l'article 21 du présent arrêté, une indemnité de compensation de 883,27 euros du [1 Département Soins ]1 pour l'exécution des missions mentionnées aux articles 14, 15, 22 et 23 du décret parcours de travail et de soins et aux articles 26, 27, 28 et 30 du présent arrêté.
  L'indemnité de compensation, mentionnée à l'alinéa 1er, est exprimée à 100 % de l'indice pivot en vigueur au 1er avril 2022. Dans les limites des crédits budgétaires disponibles, ce montant est indexé conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Cette liaison à l'indice est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
  
Art.21. Het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg ontvangt de compensatievergoeding, vermeld in artikel 20, op basis van het aantal afgeronde trajecten. Twee keer per jaar worden de afgeronde trajecten uitbetaald.
  Het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg ontvangt de volledige compensatievergoeding voor het aantal trajecten waarbij aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° samen met de casemanager Werk is in het kader van het traject een volledig eindverslag geregistreerd in het elektronische dossier van de deelnemer, waarin de verschillende elementen, vermeld in artikel 22, tweede lid, van het decreet werk- en zorgtrajecten, zijn opgenomen;
  2° samen met de casemanager Werk is in het kader van het traject een gemotiveerd eindadvies geregistreerd in het elektronische dossier van de deelnemer als vermeld in artikel 14, § 2, 8°, van het voormelde decreet;
  3° het traject heeft een duurtijd van minimaal drie maanden als vermeld in artikel 11 van het voormelde decreet.
  Het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg ontvangt 60% van de compensatievergoeding voor het aantal trajecten waarbij aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het traject is stopgezet overeenkomstig artikel 11 van dit besluit;
  2° het traject heeft een duurtijd van minimaal drie maanden als vermeld in artikel 11 van het voormelde decreet.
Art.21. Le partenariat Soins mandaté perçoit l'indemnité de compensation, mentionnée à l'article 20, en fonction du nombre de parcours complétés. Les parcours complétés sont payés deux fois par an.
  Le partenariat Soins mandaté perçoit l'indemnité de compensation intégrale pour le nombre de parcours où l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
  1° un rapport final complet, préparé conjointement avec le gestionnaire des cas Emploi, concernant le parcours est enregistré dans le dossier électronique du participant, comprenant les différents éléments mentionnés à l'article 22, alinéa 2, du décret parcours de travail et de soins ;
  2° un avis final motivé, préparé conjointement avec le gestionnaire des cas Emploi, concernant le parcours est enregistré dans le dossier électronique du participant, au sens de l'article 14, § 2, 8°, du décret précité ;
  3° la durée du parcours est de trois mois minimum, conformément à l'article 11 du décret précité.
  Le partenariat Soins mandaté perçoit 60 % de l'indemnité de compensation pour le nombre de parcours où l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
  1° il a été mis fin au parcours conformément à l'article 11 du présent arrêté ;
  2° la durée du parcours est de trois mois minimum, conformément à l'article 11 du décret précité.
Afdeling 5. - Mandatering van de casemanager Werk
Section 5. - Mandatement du gestionnaire des cas Emploi
Art.22. De professionele deskundigheid, vermeld in artikel 13, § 2, tweede lid, 2°, van het decreet werk- en zorgtrajecten, houdt in dat de werkactor een of meer medewerkers per werkingsgebied in dienst heeft, die instaan voor de uitvoering van de opdrachten van de casemanager Werk, vermeld in artikel 14 van het voormelde decreet, en die voldoen aan al de volgende voorwaarden:
  1° ze beschikken over een bachelordiploma sociaal werk of bezitten minimaal twee jaar ervaring in begeleiding van de doelgroep naar werk en in bemiddeling naar werk;
  2° ze bezitten gecertificeerde kennis over ICF;
  3° ze beschikken over de kennis van het aanbod aan bemiddeling, opleiding, begeleiding en tewerkstellingsondersteunende maatregelen die ze kunnen inzetten voor de doelgroep tijdens en na het activeringstraject.
Art.22. L'expertise professionnelle, mentionnée à l'article 13, § 2, alinéa 2, 2°, du décret parcours de travail et de soins, implique que l'acteur de l'emploi occupe un ou plusieurs collaborateurs par zone d'action qui assurent l'exécution des missions du gestionnaire des cas Emploi, mentionnées à l'article 14 du décret précité, et qui répondent à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° ils disposent d'un diplôme de bachelor en travail social ou d'au moins deux ans d'expérience en matière d'accompagnement et de médiation du groupe-cible vers l'emploi ;
  2° ils possèdent des connaissances certifiées sur la CIF ;
  3° ils disposent de connaissances sur l'offre des mesures de médiation, formation, accompagnement et aide à l'emploi, qu'ils peuvent déployer pour le groupe-cible pendant et après le parcours d'activation.
Art.23. De aanvullende mandaatvoorwaarden voor werkactoren, vermeld in artikel 13, § 2, vijfde lid, van het decreet werk- en zorgtrajecten zijn:
  1° de werkactor heeft minimaal twee ICF-trainers in dienst die door de Wereldgezondheidsorganisatie gecertificeerd zijn;
  2° de werkactor heeft minstens twee jaar ervaring in arbeidsbemiddeling van werkzoekenden met cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale problemen.
Art.23. Les conditions de mandat complémentaires applicables aux acteurs de l'emploi, mentionnées à l'article 13, § 2, alinéa 5, du décret parcours de travail et de soins, sont les suivantes :
  1° l'acteur de l'emploi occupe un minimum de deux formateurs CIF certifiés par l'Organisation mondiale de la santé ;
  2° l'acteur de l'emploi a au moins deux ans d'expérience dans le placement de demandeurs d'emploi ayant des problèmes cognitifs, médicaux, psychiques, psychiatriques ou sociaux.
Art.24. Om de functie van casemanager Werk, vermeld in artikel 13, § 2, van het decreet werk- en zorgtrajecten, te kunnen bekleden, dient de werkactor na de oproep een mandaataanvraag in bij de VDAB. De VDAB stelt daarvoor een aanvraagformulier ter beschikking.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, bepaalt de procedure en het model van het aanvraagformulier.
  De VDAB kan om de opdrachten, vermeld in artikel 14 van het voormelde decreet, uit te voeren, een beroep doen op ten hoogste één gemandateerde werkactor per werkingsgebied.
Art.24. Pour pouvoir exercer la fonction de gestionnaire des cas Emploi, mentionnée à l'article 13, § 2, du décret parcours de travail et de soins, l'acteur de l'emploi introduit une demande de mandat auprès du VDAB à la suite de l'appel. Le VDAB met à disposition un formulaire de demande à cet effet.
  Le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions arrête la procédure et le modèle du formulaire de demande.
  Afin de réaliser les missions mentionnées à l'article 14 du décret précité, le VDAB peut faire appel à au maximum un acteur mandaté de l'emploi par zone d'action.
Art.25. De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, bepaalt de einddatum van het mandaat van de casemanager Werk.
  Als een werkactor op het moment van de einddatum, vermeld in het eerste lid, aangewezen is als casemanager Werk van een deelnemer van wie het activeringstraject nog loopt, blijft de werkactor gemandateerd als casemanager Werk voor het uitoefenen van zijn functie tot het einde van dat activeringstraject.
Art.25. Le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions arrête la date de fin du mandat du gestionnaire des cas Emploi.
  Si, à la date de fin, mentionnée à l'alinéa 1er, un acteur de l'emploi est désigné comme gestionnaire des cas Emploi d'un participant dont le parcours d'activation est en cours, l'acteur de l'emploi reste mandaté comme gestionnaire des cas Emploi pour l'exercice de sa fonction jusqu'à la fin de ce parcours d'activation.
Afdeling 6. - De opdrachten van het casemanagementteam
Section 6. - Les missions de l'équipe de gestion des cas
Art.26. Het casemanagementteam stelt het geïntegreerde trajectplan op samen met de deelnemer, aansluitend bij de beslissing tot deelname aan een activeringstraject, vermeld in artikel 2.
  Bij het opstellen van het trajectplan maakt het casemanagementteam een gemotiveerde keuze op het vlak van dienstverlening en houdt daarbij rekening met het volledige aanbod in het netwerk van dienstverleners en in het werkingsgebied.
  Het casemanagementteam registreert het geïntegreerde trajectplan in het persoonlijke bestand van de deelnemer op het elektronische platform.
Art.26. L'équipe de gestion des cas prépare le plan de parcours intégré conjointement avec le participant, à la suite de la décision de participation à un parcours d'activation, mentionnée à l'article 2.
  Lors de la préparation du plan de parcours, l'équipe de gestion des cas fait un choix raisonné en termes de prestation de services, en tenant compte de l'ensemble de l'offre au sein du réseau de prestataires de services et dans la zone d'action.
  L'équipe de gestion des cas enregistre le plan de parcours intégré dans le dossier personnel du participant sur la plateforme électronique.
Art.27. Het casemanagementteam waakt erover een logische volgorde van de acties, vermeld in artikel 10 van het decreet werk- en zorgtrajecten, in het activeringstraject te hanteren. Die volgorde van acties wordt opgenomen in het geïntegreerde trajectplan. Het casemanagementteam houdt daarbij rekening met al de volgende voorwaarden:
  1° de acties worden ingezet met aandacht voor de ontwikkeling van de toenemende competenties van de deelnemer in de loop van het traject;
  2° de acties worden ingezet rekening houdend met de zorgbehoeften van de deelnemer;
  3° er wordt naar gestreefd om de acties zo goed mogelijk op elkaar te laten aansluiten, zodat de periodes tussen de acties tot een minimum worden beperkt.
Art.27. L'équipe de gestion des cas veille à adopter un ordre logique des actions, mentionnées à l'article 10 du décret parcours de travail et de soins, dans le parcours d'activation. Cet ordre des actions est repris dans le plan de parcours intégré. L'équipe de gestion des cas tient notamment compte de l'ensemble des conditions suivantes :
  1° les actions sont déployées en tenant compte de l'évolution des compétences croissantes du participant tout au long du parcours ;
  2° les actions sont déployées en tenant compte des besoins en soins du participant ;
  3° les actions s'enchaînent dans la mesure du possible afin de réduire au minimum les périodes interstitielles.
Art.28. Het casemanagementteam registreert het eindverslag en het gemotiveerde eindadvies, vermeld in artikel 22 van het decreet werk- en zorgtrajecten, uiterlijk vier weken na de oplevering van alle verslagen over de acties van het activeringstraject die geregistreerd zijn in het persoonlijke bestand van de deelnemer op het elektronische platform.
Art.28. L'équipe de gestion des cas enregistre le rapport final et l'avis final motivé, mentionnés à l'article 22 du décret parcours de travail et de soins, au plus tard quatre semaines après la réception de tous les rapports sur les actions du parcours d'activation, enregistrés dans le dossier personnel du participant sur la plateforme électronique.
Art.29. De werkactor, gemandateerd voor de opdrachten als casemanager Werk, onderzoekt in voorkomend geval:
  1° het recht op bijzondere tewerkstellingsondersteunende maatregelen, vermeld in artikel 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap;
  2° de indicering, vermeld in artikel 7 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  3° de indicering, vermeld in artikel 32 van het decreet van 14 januari 2022 over maatwerk bij individuele inschakeling.
  De werkactor, die gemandateerd is voor de opdrachten als casemanager Werk, ziet erop toe dat het eindadvies dat hij samen met de casemanager Zorg motiveert, in overeenstemming is met de regelgeving, vermeld in het eerste lid, en de technische bepalingen daarover.
Art.29. L'acteur de l'emploi, mandaté pour les missions en tant que gestionnaire des cas Emploi, examine le cas échéant :
  1° le droit aux mesures spéciales d'aide à l'emploi, mentionnées à l'article 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi ;
  2° l'indication, mentionnée à l'article 7 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
  3° l'indication, mentionnée à l'article 32 du décret du 14 janvier 2022 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration individuelle.
  L'acteur de l'emploi, mandaté pour les missions en tant que gestionnaire des cas Emploi, veille à ce que l'avis final qu'il motive conjointement avec le gestionnaire des cas Soins, soit conforme à la réglementation, mentionnée à l'alinéa 1er, et aux dispositions techniques en la matière.
Art.30. Elke casemanager Zorg van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg beschikt over gecertificeerde kennis van ICF of verbindt zich ertoe die te verwerven aansluitend bij de start van het mandaat van het samenwerkingsverband Zorg.
Art.30. Chaque gestionnaire des cas Soins du partenariat Soins mandaté possède des connaissances certifiées de la CIF ou s'engage à les acquérir consécutivement au début du mandat du partenariat Soins.
Afdeling 7. - De netwerkcoördinator en het netwerk van dienstverleners
Section 7. - Le coordinateur du réseau et le réseau de prestataires de services
Onderafdeling 1. - Mandatering van de netwerkcoördinator
Sous-section 1re. - Mandatement du coordinateur du réseau
Art.31. De volgende voorwaarden zijn de aanvullende mandaatvoorwaarden voor de netwerkcoördinator, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet werk- en zorgtrajecten:
  1° de netwerkcoördinator toont aan dat het netwerk van dienstverleners:
  a) een werkingsgebied omvat, zoals vermeld in artikel 7, § 1;
  b) de dienstverlening over het hele werkingsgebied op een laagdrempelige en toegankelijke manier kan verzekeren;
  c) operationeel in staat is om, uiterlijk binnen vier weken nadat de netwerkcoördinator het geïntegreerde trajectplan ontvangen heeft, te starten met de uitvoering van het geïntegreerde trajectplan;
  2° de netwerkcoördinator toont aan dat met betrekking tot de professionele deskundigheid van de dienstverleners:
  a) de dienstverleners, vermeld in artikel 17, § 1, tweede lid, 1°, van het voormelde decreet, ervaring hebben met een van de volgende diensten:
  1) het verlenen van de zorg, vermeld in artikel 2, 25°, van het voormelde decreet, aan de doelgroep, vermeld in artikel 3, eerste lid, van het voormelde decreet en artikel 2 van dit besluit, in een of meer van de volgende sectoren:
  i) personen met een handicap;
  ii) geestelijke gezondheidszorg;
  iii) algemeen welzijnswerk, maatschappelijk en sociaal werk;
  2) het begeleiden op en naar een werkvloer, vermeld in artikel 10, eerste lid, 1°, van het voormelde decreet, van de doelgroep, vermeld in artikel 2 van het voormelde decreet;
  b) andere dienstverleners dan de dienstverleners, vermeld in artikel 17, § 1, tweede lid, 1°, van het voormelde decreet, beantwoorden aan al de volgende voorwaarden:
  1) erkend of vergund zijn door het agentschap Opgroeien, door het agentschap Zorg en Gezondheid, door het VAPH, door het Departement WVG of door de federale overheid;
  2) ervaring hebben als vermeld in punt a), 1), of in de bijzondere jeugdzorg;
  3° de netwerkcoördinator toont aan dat er een gedeelde visie bestaat tussen de dienstverleners van het netwerk over het gebiedsdekkende aanbod, de taakverdeling en de samenwerking binnen het werkingsgebied.
Art.31. Les conditions complémentaires applicables au coordinateur du réseau, mentionnées à l'article 17, § 1er, du décret parcours de travail et de soins, sont les suivantes :
  1° le coordinateur du réseau démontre que le réseau de prestataires de services :
  a) comprend une zone d'action, telle que mentionnée à l'article 7, § 1er ;
  b) est en mesure d'assurer la prestation de services dans l'ensemble de la zone d'action de manière accessible et à bas seuil ;
  c) est opérationnellement capable de commencer, au plus tard quatre semaines après que le coordinateur du réseau a reçu le plan de parcours intégré, l'exécution du plan de parcours intégré ;
  2° en ce qui concerne l'expertise professionnelle des prestataires de services, le coordinateur du réseau démontre que :
  a) l'expérience des prestataires de services, mentionnés à l'article 17, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret précité, porte sur l'un des services suivants :
  1) la dispensation des soins mentionnés à l'article 2, 25°, du décret précité, au groupe-cible mentionné à l'article 3 du décret précité et à l'article 2 du présent arrêté, dans un ou plusieurs des secteurs suivants :
  i) personnes handicapées ;
  ii) soins de santé mentale ;
  iii) aide sociale générale, travail social ;
  2) l'accompagnement vers un emploi et sur le lieu de travail, mentionné à l'article 10, alinéa 1er, 1°, du décret précité, du groupe-cible, mentionné à l'article 2 du décret précité ;
  b) les prestataires de services autres que ceux mentionnés à l'article 17, § 1er, alinéa 2, 1°, du décret précité, répondent à l'ensemble des conditions suivantes :
  1) être agréé ou autorisé par l'Agence Grandir, l'Agence Soins et Santé, l'Agence flamande pour les Personnes handicapées, le Département WVG ou l'autorité fédérale ;
  2) avoir une expérience telle que mentionnée au point a), 1) ou dans l'aide spéciale à la jeunesse ;
  3° le coordinateur du réseau démontre qu'il existe une vision partagée parmi les prestataires de services du réseau concernant l'offre couvrant la zone, la répartition des tâches et la coopération au sein de la zone d'action.
Art.32. Er is één gemandateerde netwerkcoördinator per werkingsgebied.
  Ter uitvoering van artikel 17 van het decreet werk- en zorgtrajecten, voert de VDAB, in samenspraak met het [1 Departement Zorg]1, een overheidsopdracht voor de mandatering van de netwerkcoördinator op basis van de wet van 17 juni 2016 inzake overheidsopdrachten.
  
Art.32. Les coordinateurs mandatés de réseau sont au nombre de un par zone d'action.
  En exécution de l'article 17 du décret parcours de travail et de soins, le VDAB, de concert avec le [1 Département Soins ]1, organise un marché public pour le mandatement du coordinateur du réseau sur la base de la loi du 17 juin 2016 relative aux marchés publics.
  
Art.33. De netwerkcoördinatoren worden gemandateerd voor de uitvoering van de activeringstrajecten die opgestart worden over een periode van vijf jaar.
  Als een netwerkcoördinator op het moment van de einddatum, gemandateerd is als netwerkcoördinator van een deelnemer van wie het activeringstraject nog loopt, blijft de netwerkcoördinator gemandateerd als netwerkcoördinator voor de uitoefening van zijn functie tot het einde van dat activeringstraject.
Art.33. Les coordinateurs de réseau sont mandatés pour l'exécution des parcours d'activation commencés au cours d'une période de cinq ans.
  Si, à la date de fin, un coordinateur du réseau est mandaté comme coordinateur du réseau d'un participant dont le parcours d'activation est en cours, le coordinateur du réseau reste mandaté comme coordinateur du réseau pour l'exercice de sa fonction jusqu'à la fin de ce parcours d'activation.
Onderafdeling 2. - Compensatievergoeding voor de netwerkcoördinator
Sous-section 2. - Indemnité de compensation pour le coordinateur du réseau
Art.34. Binnen de perken van het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet ontvangt de gemandateerde netwerkcoördinator van de VDAB per activeringstraject en overeenkomstig het bepaalde in artikel 35 van dit besluit een compensatievergoeding van 3220 euro voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 20 van het decreet werk- en zorgtrajecten.
  De compensatievergoeding, vermeld in het eerste lid, is uitgedrukt tegen 100% van de spilindex die van toepassing is op 1 april 2022. De looncomponent van dat bedrag wordt, binnen de beschikbare begrotingskredieten, geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  De gemandateerde netwerkcoördinator mag maximaal 10% van de compensatievergoeding gebruiken voor de uitvoering van zijn taken, vermeld in artikel 18 van het decreet werk- en zorgtrajecten en artikel 36 en 37 van dit besluit.
  De gemandateerde netwerkcoördinator kan de compensatievergoeding naar behoefte besteden binnen het netwerk van dienstverleners voor de uitvoering van de acties van de geïntegreerde trajectplannen als de netwerkcoördinator de gegevens over de aanwending van de compensatievergoeding registreert.
Art.34. Dans les limites du crédit budgétaire approuvé annuellement, le coordinateur mandaté de réseau perçoit, par parcours d'activation complété et conformément aux dispositions de l'article 35 du présent arrêté, une indemnité de compensation de 3 220 euros du VDAB pour l'exécution des missions mentionnées à l'article 20 du décret parcours de travail.
  L'indemnité de compensation, mentionnée à l'alinéa 1er, est exprimée à 100 % de l'indice pivot en vigueur au 1er avril 2022. La composante salariale de ce montant est indexée, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Cette liaison à l'indice est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité.
  Le coordinateur mandaté de réseau peut affecter jusqu'à 10 % de son indemnité de compensation à l'exécution de ses tâches, mentionnées à l'article 18 du décret parcours de travail et de soins et aux articles 36 et 37 du présent arrêté.
  Le coordinateur mandaté de réseau peut affecter l'indemnité de compensation selon les besoins du réseau de prestataires de services à l'exécution des actions des plans de parcours intégrés si le coordinateur du réseau enregistre les données relatives à l'affectation de l'indemnité de compensation.
Art.35. De gemandateerde netwerkcoördinator verkrijgt bij de aanvang van het activeringstraject 70% van de compensatievergoeding, vermeld in artikel 34 van dit besluit.
  De gemandateerde netwerkcoördinator verkrijgt de resterende 30% van de compensatievergoeding als aan al de volgende voorwaarden is voldaan:
  1° het casemanagementteam oordeelt dat de dienstverleners de acties uit het geïntegreerde trajectplan hebben uitgevoerd;
  2° het casemanagementteam heeft van de dienstverleners voldoende en relevante informatie ontvangen om op basis daarvan tijdig een eindverslag op te maken en een eindadvies te motiveren als vermeld in artikel 22 van het decreet werk- en zorgtrajecten, of het traject werd afgesloten na de maximumduur van het activeringstraject, bepaald door het casemanagementteam, vermeld in artikel 10 van dit besluit;
  3° het activeringstraject heeft een duurtijd van minimaal drie maanden als vermeld in artikel 11 van het voormelde decreet.
  De middelen die niet behoren tot de compensatievergoeding van de netwerkcoördinator voor de uitvoering van zijn taken, vermeld in artikel 18 van het voormelde decreet, kunnen alleen ingezet worden voor de dienstverlening aan de deelnemers. De kosten voor de zorg die verleend wordt in het activeringstraject, vermeld in artikel 10 van het decreet werk- en zorgtrajecten en artikel 9 van dit besluit, die in aanmerking komen voor terugbetaling door het RIZIV, zijn niet ten laste van de compensatievergoeding.
  Tijdens de duurtijd van het mandaat van de netwerkcoördinator controleert de VDAB de aanwending van de compensatievergoedingen in het kader van de overheidsopdracht, vermeld in artikel 32. De VDAB kan daarvoor alle noodzakelijke gegevensbronnen raadplegen.
  Aan het einde van het mandaat als netwerkcoördinator worden de middelen die niet werden besteed aan de dienstverlening, weer overgemaakt aan de Vlaamse overheid.
Art.35. Au début du parcours d'activation, le coordinateur mandaté de réseau perçoit 70 % de l'indemnité de compensation, mentionnée à l'article 34 du présent arrêté.
  Le coordinateur mandaté de réseau perçoit les 30 % restants de l'indemnité de compensation si l'ensemble des conditions suivantes sont remplies :
  1° l'équipe de gestion des cas juge que les prestataires de services ont réalisé les actions du plan de parcours intégré ;
  2° l'équipe de gestion des cas a reçu des informations suffisantes et pertinentes de la part des prestataires de services permettant de rédiger un rapport final et de motiver un avis final en temps utile, au sens de l'article 22 du décret parcours de travail et de soins, ou le parcours a été conclu après la durée maximale du parcours d'activation, fixée par l'équipe de gestion des cas, mentionnée à l'article 10 du présent arrêté ;
  3° la durée du parcours d'activation est de trois mois minimum, conformément à l'article 11 du décret précité.
  Les moyens qui n'appartiennent pas à l'indemnité de compensation du coordinateur de réseau pour l'exécution de ses tâches, mentionnées à l'article 18 du décret précité, ne peuvent être affectés qu'à la prestation de services aux participants. Les frais des soins accordés dans le cadre du parcours d'activation, mentionnés à l'article 10 du décret parcours de travail et de soins et à l'article 9 du présent arrêté, qui sont éligibles au remboursement par l'INAMI, ne sont pas à charge de l'indemnité de compensation.
  Pendant la durée du mandat du coordinateur du réseau, le VDAB contrôle l'affectation des indemnités de compensation dans le cadre du marché public, mentionné à l'article 32. Le VDAB peut consulter toutes les sources de données nécessaires à cette fin.
  A la fin du mandat du coordinateur du réseau, les moyens non affectés à la prestation de services sont restitués à l'Autorité flamande.
Art.36. De gemandateerde netwerkcoördinator hanteert een boekhouding die de inkomsten en de uitgaven die verband houden met zijn opdrachten, vermeld in artikel 18 van het decreet werk- en zorgtrajecten, en de dienstverlening, vermeld in artikel 10 van het voormelde decreet en in artikel 8 tot en met 9 van dit besluit, transparant afzondert.
  De gemandateerde netwerkcoördinator waakt erover dat de vergoedingen die worden betaald aan de dienstverleners marktconform zijn.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het werk, de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, kunnen samen aanvullende richtlijnen uitvaardigen voor de te hanteren boekhouding en de wijze waarop ze ingediend moet worden met het oog op de rechtmatigheidscontrole van de kosten en de inkomsten.
Art.36. Le coordinateur mandaté de réseau tient une comptabilité détaillée et transparente des recettes et des dépenses liées à ses missions, mentionnées à l'article 18 du décret parcours de travail et de soins, et aux services, mentionnés à l'article 10 du décret précité et aux articles 8 et 9 du présent arrêté.
  Le coordinateur mandaté de réseau veille à ce que le montant des indemnités payées aux prestataires de services soit conforme au marché.
  Le ministre flamand chargé de l'emploi, le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées, peuvent donner conjointement des directives complémentaires pour la comptabilité à tenir et la manière dont elle doit être introduite en vue du contrôle de la justification des recettes et des dépenses.
Art.37. § 1. De gemandateerde netwerkcoördinator kan voor de uitvoering van een specifieke actie in het geïntegreerde trajectplan in het belang van de deelnemer een beroep doen op dienstverleners buiten het netwerk. Dat gebeurt telkens onder verantwoordelijkheid van de gemandateerde netwerkcoördinator.
  De gemandateerde netwerkcoördinator verbindt er zich in dat geval toe om schriftelijk afspraken over de taakverdeling in de dienstverlening en de eventuele vergoeding vast te leggen met de dienstverlener buiten het netwerk.
  De gemandateerde netwerkcoördinator informeert, in voorkomend geval, het betrokken casemanagementteam van de deelnemer. De gemandateerde netwerkcoördinator is verantwoordelijk voor de afspraken over de registratie in het persoonlijke bestand van de deelnemer op het elektronische platform.
  § 2. De gemandateerde netwerkcoördinator kan een aanvraag om een bijkomende dienstverlener toe te voegen aan zijn netwerk, ter goedkeuring voorleggen aan de VDAB als de continuïteit van de dienstverlening in het gedrang komt. De gemandateerde netwerkcoördinator toont daarbij aan dat het netwerk voldoet aan de mandaatvoorwaarden en aan de voorwaarden voor de professionele deskundigheid, vermeld in artikel 17, § 1, van het decreet werk- en zorgtrajecten en artikel 31 van dit besluit. De dienstverlener die toegevoegd wordt, registreert de acties in het persoonlijke bestand van de deelnemer op het elektronische platform.
Art.37. § 1er. Le coordinateur mandaté de réseau peut faire appel à des prestataires de services n'appartenant pas au réseau pour l'exécution d'une action spécifique du plan de parcours intégré dans l'intérêt du participant. La responsabilité d'une pareille initiative incombe toujours au coordinateur mandaté de réseau.
  Dans ce cas, le coordinateur mandaté de réseau s'engage à conclure des accords écrits avec le prestataire de services n'appartenant pas au réseau sur la répartition des tâches dans le cadre de la prestation de services, ainsi que l'indemnité éventuelle.
  Le cas échéant, le coordinateur mandaté de réseau informe l'équipe de gestion des cas concernée du participant. Le coordinateur mandaté de réseau est responsable des accords en matière d'enregistrement dans le dossier personnel du participant sur la plateforme électronique.
  § 2. Lorsque la continuité des services est compromise, le coordinateur mandaté de réseau peut soumettre à l'approbation du VDAB une demande d'ajouter un prestataire de services supplémentaire à son réseau. Le coordinateur mandaté de réseau démontre notamment que le réseau répond aux conditions de mandat et aux conditions relatives à l'expertise professionnelle, mentionnées à l'article 17, § 1er du décret parcours de travail et de soins et à l'article 31 du présent arrêté. Le prestataire de services ajouté enregistre les actions dans le dossier personnel du participant sur la plateforme électronique.
Afdeling 8. - Handhaving en sancties
Section 8. - Police et sanctions
Art.38. De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, nemen samen, op basis van het advies van het [1 Departement Zorg ]1, een voornemen van beslissing om de compensatievergoeding van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg terug te vorderen of te verminderen, vermeld in artikel 26 van het decreet werk- en zorgtrajecten, en bezorgen dit voornemen zo spoedig mogelijk met een aangetekende zending of op digitale wijze aan het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg. Het voornemen van beslissing tot terugvordering of van vermindering van de compensatievergoeding vermeldt al de volgende gegevens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg;
  2° het voornemen van beslissing, met inbegrip van het bedrag waarop het voornemen van beslissing betrekking heeft;
  3° de termijn waarin het voornemen van beslissing wordt uitgevoerd;
  4° de motivering van het voornemen van beslissing;
  5° de mogelijkheid om gehoord te worden.
  Het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg heeft de mogelijkheid om schriftelijk gehoord te worden in het kader van het voornemen van beslissing tot terugvordering of vermindering van de compensatievergoeding. De reactie van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg in het kader van de hoorprocedure is ontvankelijk als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het is uiterlijk ingediend dertig dagen na de dag waarop de kennisgeving van het voornemen naar het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg is gestuurd;
  2° het is ingediend met een aangetekende zending of op een andere wijze die de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, kunnen samen bepalen;
  3° het bevat al de volgende gegevens:
  a) de identiteit en de contactgegevens van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg;
  b) de reactie van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg op het voornemen van beslissing.
  Als het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg een ontvankelijke reactie heeft ingediend, zullen de Vlaamse minister bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, samen het voornemen van beslissing intrekken of het voornemen omzetten in een definitieve beslissing binnen zestig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke reactie. De definitieve beslissing wordt met een aangetekende zending of op digitale wijze aan het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg bezorgd en bevat al de volgende gegevens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg;
  2° de beslissing, met inbegrip van het bedrag waarop de beslissing betrekking heeft;
  3° de termijn waarin de beslissing wordt uitgevoerd;
  4° de motivering van de beslissing;
  5° de bezwaarmogelijkheden.
  Als het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg geen ontvankelijke reactie heeft ingediend, binnen de termijn vermeld in het tweede lid, 1°, nemen de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, samen een definitieve beslissing tot terugvordering of vermindering. De definitieve beslissing wordt met een aangetekende zending of op digitale wijze aan het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg bezorgd en bevat al de gegevens vermeld in het derde lid.
  
Art.38. Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées, formulent conjointement, sur la base de l'avis du [1 Département Soins ]1, une intention de décision de récupérer ou de réduire l'indemnité de compensation du partenariat Soins mandaté, au sens de l'article 26 du décret parcours de travail et de soins, et transmettent cette intention au partenariat Soins mandaté dans les meilleurs délais par courrier recommandé ou par voie numérique. L'intention de décision de récupérer ou de réduire l'indemnité de compensation contient l'ensemble des informations suivantes :
  1° l'identité et les coordonnées du partenariat Soins mandaté ;
  2° l'intention de décision, y compris le montant sur lequel elle porte ;
  3° le délai dans lequel l'intention de décision est exécutée ;
  4° la justification de l'intention de décision ;
  5° la faculté d'être entendu.
  Le partenariat Soins mandaté a la faculté d'être entendu par écrit dans le cadre de l'intention de décision de récupérer ou de réduire l'indemnité de compensation. La réponse du partenariat Soins mandaté dans le cadre de la procédure d'audition est recevable si elle remplit l'ensemble des conditions suivantes :
  1° elle est soumise au plus tard trente jours après le jour où la notification de l'intention a été envoyée au partenariat Soins mandaté ;
  2° elle est soumise par courrier recommandé ou par tout autre moyen que le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées peuvent déterminer conjointement ;
  3° elle contient l'ensemble des informations suivantes :
  a) l'identité et les coordonnées du partenariat Soins mandaté ;
  b) la réponse du partenariat Soins mandaté à l'intention de décision.
  Si le partenariat Soins mandaté a soumis une réponse recevable, le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées, retireront conjointement l'intention de décision ou convertiront l'intention en une décision définitive dans les soixante jours suivant la réception de la réponse recevable. La décision définitive est transmise au partenariat Soins mandaté par courrier recommandé ou par voie numérique et contient l'ensemble des informations suivantes :
  1° l'identité et les coordonnées du partenariat Soins mandaté ;
  2° la décision, y compris le montant sur lequel elle porte ;
  3° le délai d'exécution de la décision ;
  4° les motifs de la décision ;
  5° les voies de recours.
  Si le partenariat Soins mandaté n'a pas soumis une réponse recevable dans le délai mentionné à l'alinéa 2, 1°, le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées prennent conjointement une décision définitive de récupération ou de réduction. La décision définitive est transmise au partenariat Soins mandaté par courrier recommandé ou par voie numérique et contient l'ensemble des informations mentionnées à l'alinéa 3.
  
Art.39. De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, kan op basis van het verslag van de sociaalrechtelijke inspecteurs en het advies van de VDAB beslissen dat het mandaat van de casemanager Werk wordt ingetrokken of geschorst als de gemandateerde casemanager Werk:
  1° de compensatievergoeding, vermeld in artikel 16 van het decreet werk- en zorgtrajecten, niet daadwerkelijk aanwendt voor de opdrachten, vermeld in artikel 12 van het voormelde decreet;
  2° de mandaatvoorwaarden, de professionele deskundigheid of de continuïteit, vermeld in artikel 13, § 2, van het voormelde decreet en artikel 22 en 23 van dit besluit, niet naleeft;
  3° bij de mandaataanvraag verklaringen heeft afgelegd die vals, onvolledig of onjuist worden bevonden;
  4° de inlichtingen die hij ter uitvoering van de bepalingen van dit besluit moet leveren, vervalst of niet aanreikt.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, neemt een voornemen van beslissing om het mandaat van de casemanager Werk in te trekken of te schorsen, vermeld in het eerste lid, en bezorgt dit voornemen zo snel mogelijk met een aangetekende zending of op digitale wijze aan de gemandateerde werkactor. Het voornemen van beslissing tot intrekking of schorsing vermeldt al de volgende gegevens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van de gemandateerde werkactor;
  2° het voornemen van beslissing;
  3° de termijn waarin het voornemen van beslissing wordt uitgevoerd;
  4° de motivering van het voornemen van beslissing;
  5° de mogelijkheid om gehoord te worden.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, bezorgt een afschrift van het voornemen van beslissing aan de VDAB.
  De gemandateerde werkactor heeft de mogelijkheid om schriftelijk gehoord te worden in het kader van het voornemen van beslissing tot intrekking of schorsing. De reactie van de gemandateerde werkactor is ontvankelijk als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het is uiterlijk ingediend dertig dagen na de dag waarop de kennisgeving van het voornemen naar de gemandateerde werkactor is gestuurd;
  2° het is ingediend met een aangetekende zending wijze of op een andere wijze die de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, kan bepalen;
  3° het bevat de volgende gegevens:
  a) de identiteit en de contactgegevens van de gemandateerde werkactor;
  b) de reactie van de gemandateerde werkactor op het voornemen van beslissing.
  Als de gemandateerde werkactor een ontvankelijk reactie heeft ingediend, zal de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, het voornemen van beslissing binnen zestig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke reactie intrekken of het voornemen omzetten in een definitieve beslissing. De definitieve beslissing wordt met een aangetekende zending of op digitale wijze aan de gemandateerde werkactor bezorgd en omvat al de volgende gegevens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van de gemandateerde werkactor;
  2° de beslissing, met inbegrip van het bedrag waarop de beslissing betrekking heeft;
  3° de termijn waarin de beslissing wordt uitgevoerd;
  4° de motivering van de beslissing;
  5° de bezwaarmogelijkheden.
  Als de gemandateerde werkactor geen ontvankelijke reactie heeft ingediend, binnen de termijn, vermeld in het derde lid, 1°, neemt de Vlaamse minister, bevoegd voor werk, een definitieve beslissing om het mandaat van de gemandateerde werkactor in te trekken of te schorsen. De definitieve beslissing wordt met een aangetekende zending of op digitale wijze aan de gemandateerde werkactor bezorgd en bevat al de gegevens vermeld in het vierde lid.
Art.39. Le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions peut décider, sur la base du rapport des inspecteurs des lois sociales et de l'avis du VDAB, que le mandat du gestionnaire des cas Emploi soit retiré ou suspendu si le gestionnaire des cas mandaté Emploi :
  1° n'affecte pas effectivement l'indemnité de compensation mentionnée à l'article 16 du décret parcours de travail et de soins, aux missions mentionnées à l'article 12 du décret précité ;
  2° ne respecte pas les conditions de mandat, l'expertise professionnelle ou la continuité, mentionnées à l'article 13, § 2, du décret précité et aux articles 22 et 23 du présent arrêté ;
  3° a fait, lors de la demande du mandat, des déclarations qui s'avèrent fausses, incomplètes ou incorrectes ;
  4° ne fournit pas ou falsifie les renseignements qu'il est tenu de fournir en exécution des dispositions du présent arrêté.
  Le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions formule l'intention de décision de retirer ou de suspendre le mandat du gestionnaire des cas Emploi, au sens de l'alinéa 1er, et remet cette intention dans les plus brefs délais par courrier recommandé ou par voie numérique à l'acteur mandaté de l'emploi. L'intention de décision de retrait ou de suspension comprend l'ensemble des informations suivantes :
  1° l'identité et les coordonnées de l'acteur mandaté de l'emploi ;
  2° l'intention de décision ;
  3° le délai dans lequel l'intention de décision est exécutée ;
  4° la justification de l'intention de décision ;
  5° la faculté d'être entendu.
  Le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions transmet une copie de l'intention de décision au VDAB.
  L'acteur mandaté de l'emploi a la faculté d'être entendu par écrit dans le cadre de l'intention de décision de retrait ou de suspension. La réponse de l'acteur mandaté de l'emploi est recevable lorsqu'elle remplit l'ensemble des conditions suivantes :
  1° elle est soumise au plus tard trente jours après le jour où la notification de l'intention a été envoyée à l'acteur mandaté de l'emploi ;
  2° elle est soumise par courrier recommandé ou de toute autre manière que le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions peut déterminer ;
  3° elle contient les informations suivantes :
  a) l'identité et les coordonnées de l'acteur mandaté de l'emploi ;
  b) la réponse de l'acteur mandaté de l'emploi à l'intention de décision.
  Si l'acteur mandaté de l'emploi a soumis une réponse recevable, le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions retirera l'intention de décision dans les soixante jours suivant la réception de la réponse recevable ou convertira l'intention en une décision définitive. La décision définitive est transmise à l'acteur mandaté de l'emploi par courrier recommandé ou par voie numérique et contient l'ensemble des informations suivantes :
  1° l'identité et les coordonnées de l'acteur mandaté de l'emploi ;
  2° la décision, y compris le montant sur lequel elle porte ;
  3° le délai d'exécution de la décision ;
  4° les motifs de la décision ;
  5° les voies de recours.
  Si l'acteur mandaté de l'emploi n'a pas soumis une réponse recevable dans le délai mentionné à l'alinéa 3, 1°, le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions prend une décision définitive de retirer ou de suspendre le mandat de l'acteur mandaté de l'emploi. La décision définitive est transmise à l'acteur mandaté de l'emploi par courrier recommandé ou par voie numérique et contient l'ensemble des informations mentionnées à l'alinéa 4.
Art.40. De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, kunnen samen op basis van het verslag van Zorginspectie en het advies van het [1 Departement Zorg]1 beslissen dat het mandaat van het samenwerkingsverband Zorg wordt ingetrokken of geschorst als het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg:
  1° de compensatievergoeding, vermeld in artikel 16 van het decreet werk- en zorgtrajecten en artikel 20 van dit besluit, niet daadwerkelijk aanwendt voor de opdrachten, vermeld in het voormelde decreet en dit besluit;
  2° de mandaatvoorwaarden, vermeld in artikel 12, § 1, van het voormelde decreet en artikel 12 en 13 van dit besluit, niet naleeft;
  3° bij de mandaataanvraag verklaringen heeft afgelegd die vals, onvolledig of onjuist worden bevonden;
  4° de inlichtingen die hij ter uitvoering van de bepalingen van dit besluit moet leveren, vervalst of niet aanreikt.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, nemen samen een voornemen van beslissing om het mandaat van het samenwerkingsverband Zorg in te trekken of te schorsen, vermeld in het eerste lid, en bezorgen dit voornemen zo snel mogelijk met een aangetekende zending of op digitale wijze aan het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg. Het voornemen van beslissing tot intrekking of schorsing vermeldt al de volgende gegevens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg;
  2° het voornemen van beslissing;
  3° de termijn waarin het voornemen van beslissing wordt uitgevoerd;
  4° de motivering van het voornemen van beslissing;
  5° de mogelijkheid om gehoord te worden.
  Het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg heeft de mogelijkheid om schriftelijk gehoord te worden in het kader van het voornemen van beslissing tot intrekking of schorsing. De reactie van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg in het kader van de hoorprocedure is ontvankelijk als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het is uiterlijk ingediend dertig dagen na de dag waarop de kennisgeving van het voornemen naar het gemandateerde samenwerkingsband Zorg is gestuurd;
  2° het is ingediend met een aangetekende zending of op een andere wijze die de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, kunnen samen bepalen;
  3° het bevat de volgende gegevens:
  a) de identiteit en de contactgegevens van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg;
  b) de reactie van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg op het voornemen van beslissing.
  Als het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg een ontvankelijke reactie heeft ingediend, zullen de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, samen het voornemen van beslissing binnen zestig dagen na de ontvangst van dat bezwaarschrift intrekken of omzetten of het voornemen omzetten in een definitieve beslissing binnen zestig dagen na de ontvangst van de ontvankelijke reactie. De definitieve beslissing wordt met een aangetekende zending of op digitale wijze aan het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg bezorgd en bevat al de volgende gegevens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg;
  2° de beslissing, met inbegrip van het bedrag waarop de beslissing betrekking heeft;
  3° de termijn waarin de beslissing wordt uitgevoerd;
  4° de motivering van de beslissing;
  5° de bezwaarmogelijkheden.
  Als het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg geen ontvankelijke reactie heeft ingediend, binnen de termijn vermeld in het derde lid, 1°, nemen de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, samen een definitieve beslissing om het mandaat van het samenwerkingsverband Zorg in te trekken of te schorsen. De definitieve beslissing wordt met een aangetekende zending of op digitale wijze aan het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg bezorgd en bevat al de gegevens vermeld in het vierde lid.
  
Art.40. Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées peuvent décider conjointement, sur la base du rapport des Inspection des soins et de l'avis du [1 Département Soins ]1, que le mandat du partenariat mandaté Soins soit retiré ou suspendu si ce dernier :
  1° n'affecte pas effectivement l'indemnité de compensation, mentionnée à l'article 16 du décret parcours de travail et de soins et à l'article 20 du présent arrêté, aux missions mentionnées au décret précité et au présent arrêté ;
  2° ne respecte pas les conditions du mandat, mentionnées à l'article 12, § 1er, du décret précité et aux articles 12 et 13 du présent arrêté ;
  3° a fait, lors de la demande du mandat, des déclarations qui s'avèrent fausses, incomplètes ou incorrectes ;
  4° ne fournit pas ou falsifie les renseignements qu'il est tenu de fournir en exécution des dispositions du présent arrêté.
  Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées, formulent conjointement l'intention de décision de retirer ou de suspendre le mandat du partenariat Soins, au sens de l'alinéa 1er, et transmettent cette intention au partenariat Soins mandaté dans les plus brefs délais par courrier recommandé ou par voie numérique. L'intention de décision de retrait ou de suspension comprend l'ensemble des informations suivantes :
  1° l'identité et les coordonnées du partenariat Soins mandaté ;
  2° l'intention de décision ;
  3° le délai dans lequel l'intention de décision est exécutée ;
  4° la justification de l'intention de décision ;
  5° la faculté d'être entendu.
  Le partenariat Soins mandaté a la faculté d'être entendu par écrit dans le cadre de l'intention de décision de retrait ou de suspension. La réponse du partenariat Soins mandaté dans le cadre de la procédure d'audition est recevable si elle remplit l'ensemble des conditions suivantes :
  1° elle est soumise au plus tard trente jours après le jour où la notification de l'intention a été envoyée au partenariat Soins mandaté ;
  2° elle est soumise par courrier recommandé ou par tout autre moyen que le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées peuvent déterminer conjointement ;
  3° elle contient les informations suivantes :
  a) l'identité et les coordonnées du partenariat Soins mandaté ;
  b) la réponse du partenariat Soins mandaté à l'intention de décision.
  Si le partenariat Soins mandaté a soumis une réponse recevable, le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées retireront conjointement, dans les soixante jours suivant la réception de cette réclamation, l'intention de décision ou convertiront l'intention en une décision définitive dans les soixante jours suivant la réception de la réponse recevable. La décision définitive est transmise au partenariat Soins mandaté par courrier recommandé ou par voie numérique et contient l'ensemble des informations suivantes :
  1° l'identité et les coordonnées du partenariat Soins mandaté ;
  2° la décision, y compris le montant sur lequel elle porte ;
  3° le délai d'exécution de la décision ;
  4° les motifs de la décision ;
  5° les voies de recours.
  Si le partenariat Soins mandaté n'a pas soumis une réponse recevable dans le délai mentionné à l'alinéa 3, 1°, le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées prennent conjointement une décision définitive de retirer ou de suspendre le mandat du partenariat Soins mandaté. La décision définitive est transmise au partenariat Soins mandaté par courrier recommandé ou par voie numérique et contient l'ensemble des informations mentionnées à l'alinéa 4.
  
Art.41. De informatiegegevens die betrekking hebben op de naleving van de voorwaarden van dit besluit, worden door de gemandateerde casemanager Werk, het gemandateerde samenwerkingsverband Zorg en de gemandateerde netwerkcoördinator bewaard gedurende minimaal tien jaar na afloop van de periode van de mandatering.
Art.41. Les données ayant trait au respect des conditions du présent arrêté sont conservées par le gestionnaire des cas Emploi mandaté, le partenariat Soins mandaté et le coordinateur mandaté de réseau pendant au moins dix ans après la fin de la période du mandat.
HOOFDSTUK 3. - Arbeidsmatige activiteiten
CHAPITRE 3. - Activités de travail
Afdeling 1. - Arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid
Section 1re. - Activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être
Onderafdeling 1. - Deelname aan arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid
Sous-section 1re. - Participation à des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être
Art.42. Personen die ouder zijn dan 18 jaar en jonger dan de wettelijke pensioenleeftijd zoals bepaald door de geldende pensioenwetgeving, voor wie betaalde beroepsarbeid, met of zonder ondersteuning, op middellange termijn niet, nog niet of niet meer mogelijk is door een of meer belemmeringen van cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale aard, kunnen deelnemen aan arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid.
  De deelname aan arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, vermeld in het eerste lid, kan niet gecombineerd worden met:
  1° een deelname aan de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, vermeld in afdeling 2;
  2° het budget dat besteed wordt aan dagondersteuning als vermeld in artikel 4, 1°, b), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, of begeleid werken als vermeld in artikel 9/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap.
Art.42. Les personnes âgées à partir de 18 ans et n'ayant pas atteint l'âge légal de la pension tel que fixé dans la législation relative aux pensions en vigueur, qui ne sont pas en mesure d'exercer à moyen terme une activité professionnelle rémunérée, avec ou sans soutien, en raison d'un ou plusieurs problèmes de nature cognitive, médicale, psychique, psychiatrique ou sociale, peuvent participer à des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être.
  La participation à des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, mentionnée à l'alinéa 1er, ne peut être combinée avec :
  1° la participation aux activités de travail dans l'économie sociale, mentionnées à la section 2 ;
  2° le budget affecté à l'accompagnement de jour tel que mentionné à l'article 4, 1°, b), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés, ou pour l'emploi assisté tel que mentionné à l'article 9/1 de l'arrêté relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées.
Onderafdeling 2. - Aanbod van arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid
Sous-section 2. - Offre des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être
Art.43. § 1. De begeleiding van arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid heeft tot doel om de personen, vermeld in artikel 42, eerste lid, van de latente functies van arbeid te laten genieten met als doelstelling participatie in de maatschappij.
  § 2. Een deelnemer wordt begeleid door maximaal één erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid.
  § 3. De begeleiding door de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid houdt de volgende opdrachten in:
  1° een intake- en oriënteringsgesprek houden met de persoon die arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid wil verrichten, waarbij onder meer de volgende zaken worden nagegaan:
  a) of de persoon in aanmerking komt om deel te nemen aan arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid volgens de bepalingen van artikel 42;
  b) of de rechten die verbonden zijn aan het statuut van de persoon verzekerd blijven en de plichten die verbonden zijn aan het statuut van de persoon vervuld zijn bij een deelname aan arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, waarbij de begeleider arbeidsmatige activiteiten de persoon hiervoor de nodige begeleiding biedt en hierover kan overleggen met de terzake bevoegde instanties;
  2° zoeken naar passende arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid en een werkpost voor de deelnemer;
  3° een ontwerp van overeenkomst opstellen volgens het model, vermeld in artikel 44, § 2, derde lid;
  4° de deelnemer begeleiden bij de start op de werkpost en opvolgen tijdens de duur van de arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid;
  5° de rol van aanspreekpunt vervullen bij de arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid van de deelnemer;
  6° voor de start van de arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid verzekeringen afsluiten die de deelnemer verzekeren tegen:
  a) lichamelijke ongevallen bij de werkpost, inclusief tijdens de verplaatsingen naar en van de werkpost;
  b) burgerlijke aansprakelijkheid;
  7° minimaal jaarlijks evalueren of de arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid nog passend zijn voor de deelnemer, in dialoog met de deelnemer en met de instanties, vermeld in 1°, b).
  Als de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, bij de evaluatie, vermeld in het eerste lid, 7°, meent dat de deelnemer mogelijk in aanmerking komt voor een deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie als vermeld in afdeling 2, kan de erkende begeleider voor rekening van de deelnemer een verzoek tot deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie registreren of indienen bij de VDAB op de wijze vermeld in artikel 52 en 53.
  De begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid vraagt de uitdrukkelijke toestemming van de deelnemer om gegevens te verwerken en uit te wisselen met de instanties, vermeld in het eerste lid, 1°, b), en 7°, en met de VDAB, vermeld in het tweede lid, waarbij wordt aangegeven welke gegevens kunnen worden uitgewisseld en met welk doel.
Art.43. § 1er. L'accompagnement des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être vise à faire bénéficier les personnes mentionnées à l'article 42, alinéa 1er des fonctions latentes du travail, en vue de promouvoir leur participation à la société.
  § 2. Le participant est accompagné par un maximum d'un accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être.
  § 3. L'accompagnement par l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être implique les missions suivantes :
  1° mener un entretien d'accueil et d'orientation avec la personne qui souhaite exercer des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, notamment afin de vérifier :
  a) si la personne entre en ligne de compte pour participer à des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être conformément aux dispositions de l'article 42 ;
  b) si les droits associés au statut de la personne restent assurés et si les obligations associées au statut de la personne sont remplies lorsqu'elle participe à des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être. L'accompagnateur agréé d'activités de travail fournit à la personne les conseils nécessaires à cette fin et peut consulter les instances compétentes à cet égard ;
  2° rechercher des activités appropriées de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ainsi qu'un poste d'emploi pour le participant ;
  3° rédiger un projet de contrat conforme au modèle mentionné à l'article 44, § 2, alinéa 3 ;
  4° accompagner le participant lors de son entrée au poste d'emploi et le suivre pendant la durée des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ;
  5° jouer le rôle de point de contact pour les activités de travail du participant dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ;
  6° avant le début des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, souscrire des polices d'assurance qui assurent le participant contre :
  a) les accidents corporels au poste d'emploi, y compris pendant les déplacements du et vers le poste d'emploi ;
  b) la responsabilité civile ;
  7° évaluer au moins annuellement si les activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être sont toujours appropriées pour le participant, en dialogue avec le participant et les instances mentionnées au 1°, b).
  Si, lors de l'évaluation mentionnée à l'alinéa 1er, 7°, l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être estime que le participant est éventuellement éligible à la participation à des activités de travail dans l'économie sociale telles que mentionnées à la section 2, l'accompagnateur agréé peut enregistrer ou soumettre au VDAB une demande de participation à des activités de travail dans l'économie sociale au nom du participant, de la manière mentionnée aux articles 52 et 53.
  L'accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être demande le consentement explicite du participant pour traiter et échanger des données avec les instances mentionnées à l'alinéa 1er, 1°, b), et 7°, et avec le VDAB mentionné à l'alinéa 2, en précisant quelles données peuvent être échangées et dans quel but.
Art.44. § 1. De deelnemer verricht arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheidsbeleid- en welzijnsbeleid bij een of meer werkposten onder begeleiding van een erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten als vermeld in artikel 43, § 2.
  De deelnemer verricht de arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid onbezoldigd.
  § 2. De deelnemer, de werkpost en de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid sluiten een overeenkomst voor de start van de arbeidsmatige activiteiten volgens het model, vermeld in het derde lid. Dat is geen arbeidsovereenkomst.
  De overeenkomst, vermeld in het eerste lid, bevat afspraken over:
  1° de opdrachten en verplichtingen van de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid en de werkpost, overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en het decreet werk- en zorgtrajecten;
  2° de uitvoering van de arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid op de werkpost, waaronder:
  a) het uurrooster en de pauzes;
  b) in voorkomend geval de proefperiode en de duur ervan;
  c) de tijdstippen en de frequentie van overleg tussen de deelnemer, de begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid en de werkpost;
  d) afspraken over afwezigheden;
  e) de wijze van vervoer naar en van de werkpost;
  f) een gedetailleerde omschrijving van het takenpakket en de locatie waar de taken uitgevoerd worden;
  3° de veiligheid van de deelnemer, waaronder ondermeer de afgesloten verzekeringen, de werkkledij, de veiligheidsinstructies en de hygiëne;
  4° de aanvang en de duur van de overeenkomst;
  5° de opzegging en wijziging van de overeenkomst;
  6° de klachten- of probleembehandeling.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepalen samen het model van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid.
  De werkpost houdt de overeenkomst ter beschikking op de werkpost zelf, ter inzage van de arbeidsinspectie.
  § 3. De erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, de werkpost en de deelnemer nemen de regels over het beroepsgeheim en de discretie in acht.
Art.44. § 1er. Le participant exerce des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être à un ou plusieurs postes d'emploi sous la supervision d'un accompagnateur agréé d'activités de travail tel que mentionné à l'article 43, § 2.
  Le participant n'est pas rémunéré pour les activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être qu'il exerce.
  § 2. Le participant, le poste d'emploi et l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être concluent un contrat pour le début des activités de travail conformément au modèle mentionné à l'alinéa 3. Il ne s'agit pas d'un contrat de travail.
  Le contrat mentionné à l'alinéa 1er porte sur:
  1° les missions et obligations de l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être et du poste d'emploi, conformément aux dispositions du présent arrêté et du décret parcours de travail et de soins ;
  2° l'exécution des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être sur le poste d'emploi, notamment :
  a) l'horaire et les pauses ;
  b) le cas échéant, la période d'essai ainsi que sa durée ;
  c) les moments et la fréquence de concertation entre le participant, l'accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être et le poste d'emploi ;
  d) les absences ;
  e) le mode de transport du et vers le poste d'emploi ;
  f) une description détaillée des tâches et de l'endroit où elles sont exécutées ;
  3° la sécurité du participant, y compris les assurances souscrites, les vêtements de travail, les consignes de sécurité et l'hygiène ;
  4° le début et la durée du contrat ;
  5° la résiliation et la modification du contrat ;
  6° le traitement des plaintes ou des problèmes.
  Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées fixent conjointement le modèle de contrat mentionné à l'alinéa 1er.
  L'inspection du travail peut consulter le contrat à l'adresse du poste d'emploi même.
  § 3. L'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, le poste d'emploi et le participant respectent les règles du secret professionnel et de la discrétion.
Art.45. De werkpost, vermeld in artikel 44, § 1, eerste lid, heeft de volgende verplichtingen:
  1° een werknemer aanwijzen als werkpostbegeleider die de deelnemer op de werkvloer de nodige begeleiding biedt in samenspraak met de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid;
  2° zijn werknemers sensibiliseren in verband met de komst van de deelnemer;
  3° de deelnemer opnemen in de exploitatieverzekering burgerlijke aansprakelijkheid.
Art.45. Le poste d'emploi, mentionné à l'article 44, § 1er, alinéa 1er, a les obligations suivantes :
  1° désigner un employé comme accompagnateur de poste d'emploi qui fournit au participant l'accompagnement nécessaire dans l'exécution de ses tâches, en consultation avec l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ;
  2° sensibiliser ses employés à l'arrivée du participant ;
  3° inclure le participant dans l'assurance responsabilité civile exploitation.
Onderafdeling 3. - Erkenning
Sous-section 3. - Agrément
Art.46. Het [1 Departement Zorg]1 erkent de begeleiders arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
  1° het gaat om een van de volgende organisaties:
  a) een centrum voor algemeen welzijnswerk;
  b) een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds;
  c) een centrum voor geestelijke gezondheidszorg;
  d) een initiatief van beschut wonen;
  e) een psychiatrisch ziekenhuis;
  f) een welzijns- en zorgvoorziening die erkend of vergund is door het agentschap Opgroeien;
  g) een VAPH-voorziening die erkend of vergund is door het VAPH;
  h) een revalidatiecentrum;
  i) een revalidatievoorziening waarmee de Vlaamse Regering een revalidatieovereenkomst heeft gesloten voor een centrum voor ambulante revalidatie, waarvan het erkenningsnummer begint met het nummer 9.53 of 9.65;
  j) een OCMW;
  k) een maatwerkbedrijf als vermeld in artikel 3 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling;
  2° de organisaties, vermeld in punt 1°, hebben, om de opdrachten in het kader van de begeleiding, vermeld in artikel 43, § 3, van dit besluit, uit te voeren, een of meer medewerkers in dienst die minimaal een medisch, paramedisch, sociaal, psychologisch of pedagogisch diploma op bachelorniveau of minimaal twee jaar ervaring in het verlenen van zorg, vermeld in artikel 2, 25°, van het decreet werk- en zorgtrajecten, aan de doelgroep, vermeld in artikel 42, eerste lid, van dit besluit, bezitten;
  3° de organisaties, vermeld in punt 1°, hebben een burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering afgesloten om de risico's te dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de opdrachten in het kader van de begeleiding, vermeld in artikel 43, § 3, van dit besluit.
  
Art.46. Le [1 Département Soins ]1 agrée les accompagnateurs d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, si les conditions suivantes sont remplies :
  1° il s'agit d'une des organisations suivantes :
  a) un centre d'aide sociale générale ;
  b) un service social de la mutualité ;
  c) un centre de santé mentale ;
  d) une initiative d'habitation protégée ;
  e) un hôpital psychiatrique ;
  f) une structure d'aide sociale et de soins, agréée ou autorisée par l'agence Grandir ;
  g) une structure de la VAPH agréée ou autorisée par la VAPH ;
  h) un centre de réadaptation fonctionnelle ;
  i) une structure de réadaptation fonctionnelle avec laquelle le Gouvernement flamand a conclu une convention de centre de réadaptation fonctionnelle ambulatoire, dont le numéro d'agrément commence par le numéro 9.53 ou 9.65 ;
  j) un CPAS ;
  k) une entreprise de travail adapté au sens de l'article 3 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective ;
  2° afin d'exécuter les missions dans le cadre de l'accompagnement, mentionné à l'article 43, § 3 du présent arrêté, les organisations mentionnées au point 1° occupent un ou plusieurs collaborateurs qui disposent au moins d'un diplôme de bachelor médical, paramédical, social, psychologique ou pédagogique, ou de deux ans d'expérience en matière de fourniture des soins mentionnés à l'article 2, 25° du décret parcours de travail et de soins, au groupe-cible mentionné à l'article 42, alinéa 1er, du présent arrêté ;
  3° les organisations mentionnées au point 1° ont souscrit une assurance de responsabilité civile couvrant les risques liés à l'exécution des missions dans le cadre de l'accompagnement, mentionné à l'article 43, § 3 du présent arrêté.
  
Art.47. Om erkend te worden als begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, dient de organisatie met het sjabloon dat het [1 Departement Zorg]1 daarvoor ter beschikking stelt, een erkenningsaanvraag in bij het [1 Departement Zorg]1 via een elektronisch systeem.
  De aanvraag bevat al de volgende elementen:
  1° de identiteitsgegevens van de organisatie en van de beheersinstantie;
  2° het bewijs dat er voldaan wordt aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 46, 2° en 3°.
  
Art.47. Pour être agréée comme accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, l'organisation soumet une demande d'agrément au [1 Département Soins ]1 par le biais d'un système électronique en utilisant le modèle fourni par le [1 Département Soins ]1 à cet effet.
  Cette demande comprend l'ensemble des éléments suivants :
  1° les données d'identité de l'organisation et de l'instance de gestion ;
  2° la preuve que les conditions d'agrément énoncées à l'article 46, 2° et 3°, sont remplies.
  
Art.48. Het [1 Departement Zorg]1 onderzoekt de ontvankelijkheid van de aanvraag. De aanvraag is ontvankelijk als ze voldoet aan al de volgende voorwaarden:
  1° ze is ingediend op de wijze vermeld in artikel 47, eerste lid;
  2° ze bevat de elementen, vermeld in artikel 47, tweede lid.
  Als de aanvraag niet ontvankelijk is, brengt het [1 Departement Zorg]1 de aanvrager daarvan op de hoogte binnen een termijn van vijfenveertig dagen na de ontvangst van de erkenningsaanvraag. Die kennisgeving vermeldt de motivering en de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag in te dienen.
  
Art.48. Le [1 Département Soins ]1 examine la recevabilité de la demande. La demande est recevable lorsqu'elle remplit l'ensemble des conditions suivantes :
  1° elle est introduite de la manière définie à l'article 47, alinéa 1er ;
  2° elle contient les éléments énumérés à l'article 47, alinéa 2.
  En cas d'irrecevabilité de la demande, le [1 Département Soins ]1en informe le demandeur dans les quarante-cinq jours de la réception de la demande d'agrément. Cette notification précise le motif et fait part de la possibilité d'introduire une nouvelle demande.
  
Art.49. § 1. Het [1 Departement Zorg]1 onderzoekt de gegrondheid van de ontvankelijke aanvraag. De aanvraag is gegrond als ze voldoet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 46.
  Binnen vijfenveertig dagen na afloop van de termijn, vermeld in artikel 48, tweede lid, brengt het [1 Departement Zorg ]1 de aanvrager op de hoogte van zijn beslissing om de erkenning toe te kennen of te weigeren.
  De kennisgeving gebeurt met een aangetekende zending of op digitale wijze en vermeldt minstens:
  1° de identiteit en de contactgegevens van de aanvrager;
  2° de beslissing;
  3° de motivering van de beslissing;
  4° de omschrijving van de opdrachten van de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid in geval van een beslissing tot toekenning van de erkenning;
  5° de subsidiëring in geval van een beslissing tot toekenning van de erkenning;
  6° de duurtijd van de erkenning in geval van een beslissing tot toekenning van de erkenning;
  7° de niet-overdraagbaarheid van de erkenning in geval van een beslissing tot toekenning van de erkenning;
  8° de bezwaarmogelijkheden in geval van een beslissing tot weigering van de erkenning.
  § 2. De erkenning wordt toegekend voor een periode van vijf jaar.
  § 3. De aanvrager kan tegen de beslissing tot weigering van de erkenning, vermeld in artikel 49, § 1, tweede lid, een bezwaar indienen bij het [1 Departement Zorg]1.
  Het bezwaarschrift is ontvankelijk als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het is uiterlijk ingediend dertig dagen na de dag waarop de aanvrager de beslissing tot weigering van de erkenning heeft ontvangen;
  2° het is ingediend met een aangetekende zending of op een andere wijze die de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, samen kunnen bepalen;
  3° het bevat de volgende gegevens:
  a) de identiteit en de contactgegevens van de aanvrager;
  b) de motivering van het bezwaar;
  c) de vermelding of de aanvrager gehoord wil worden.
  Het bezwaarschrift wordt behandeld volgens de regels die zijn vastgesteld bij of krachtens hoofdstuk III van het decreet van 7 december 2007 houdende de oprichting van een Adviescommissie voor Voorzieningen van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin en (kandidaat-)pleegzorgers.
  § 4. Als de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid niet aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 46, voldoet of de opdrachten, vermeld in artikel 43, § 3, niet uitvoert, kan het [1 Departement Zorg]1 de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid met een aangetekende zending of op digitale wijze aanmanen.
  De aanmaning, vermeld in het eerste lid, bevat al de volgende gegevens:
  1° de erkenningsvoorwaarden waaraan de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid niet voldoet, en de opdrachten die niet worden uitgevoerd;
  2° de regularisatietermijn waarin de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid moet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in punt 1°, of de opdrachten moet uitvoeren, vermeld in punt 1°, die niet langer dan zes maanden kan zijn;
  3° de juridische gevolgen als na afloop van de termijn, vermeld in punt 2°, niet aan de voorwaarden, vermeld in punt 1°, is voldaan of de opdrachten, vermeld in punt 1°, niet zijn uitgevoerd.
  Als de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid na afloop van de termijn, vermeld in het tweede lid, 2°, de vastgestelde inbreuken op de erkenningsvoorwaarden niet wegwerkt of de niet-uitgevoerde opdrachten niet uitvoert, kan het [1 Departement Zorg]1 beslissen om de erkenning op te heffen.
  Het [1 Departement Zorg]1 brengt de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid uiterlijk drie maanden na het verstrijken van de termijn, vermeld in het tweede lid, 2°, op de hoogte van zijn beslissing tot opheffing. De kennisgeving van de beslissing tot opheffing gebeurt met een aangetekende zending of op digitale wijze en vermeldt de motivering van de beslissing en de bezwaarmogelijkheden.
  De erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid kan tegen de beslissing tot opheffing van de erkenning, vermeld in het vierde lid, een bezwaar indienen bij het [1 Departement Zorg]1 . De bepalingen van paragraaf 3 zijn van overeenkomstige toepassing voor de indiening en de behandeling van het bezwaar.
  Het bezwaar schorst de uitvoering van de beslissing.
  
Art.49. § 1er. Le [1 Département Soins]1 examine le bien-fondé de la demande recevable. La demande est fondée si elle répond aux conditions d'agrément énoncées à l'article 46.
  Dans les quarante-cinq jours après l'expiration du délai mentionné à l'article 48, alinéa 2, le [1 Département Soins]1 informe le demandeur de sa décision d'octroyer ou de refuser l'agrément.
  Cette notification est faite par courrier recommandé ou par voie numérique et indique au moins :
  1° l'identité et les données de contact du demandeur ;
  2° la décision ;
  3° les motifs de la décision ;
  4° la description des missions de l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être en cas de décision d'octroi de l'agrément ;
  5° le subventionnement en cas de décision d'octroi de l'agrément ;
  6° la durée de l'agrément en cas de décision d'octroi de l'agrément ;
  7° la non-transmissibilité de l'agrément en cas de décision d'octroi de l'agrément ;
  8° les voies de recours en cas de décision de refus de l'agrément.
  § 2. L'agrément est octroyé pour une période de cinq ans.
  § 3. Le demandeur peut introduire une réclamation auprès du [1 Département Soins]1 contre la décision de refus de l'agrément, mentionnée à l'article 49, § 1er, alinéa 2.
  La réclamation est recevable lorsqu'elle remplit l'ensemble des conditions suivantes :
  1° elle est introduite au plus tard trente jours après la date de réception par le demandeur de la décision de refus d'agrément ;
  2° elle est soumise par courrier recommandé ou par tout autre moyen que le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées peuvent déterminer conjointement ;
  3° elle contient les informations suivantes :
  a) l'identité et les données de contact du demandeur ;
  b) la motivation de la réclamation ;
  c) l'indication si le demandeur souhaite ou non être entendu.
  La réclamation est traitée conformément aux règles établies par ou en vertu de chapitre III du décret du 7 décembre 2007 portant création d'une Commission consultative pour les Structures de l'Aide sociale, de la Santé publique et de la Famille et les (candidats) accueillants.
  § 4. Si l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ne remplit pas les conditions d'agrément mentionnées à l'article 46, ou n'effectue pas les missions mentionnées à l'article 43, § 3, [1 Département Soins]1 peut sommer l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être par courrier recommandé ou par voie numérique à se conformer.
  La sommation mentionnée à l'alinéa 1er, contient l'ensemble des informations suivantes :
  1° les conditions d'agrément que l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ne remplit pas, et les missions qu'il ne réalise pas ;
  2° le délai de régularisation dans lequel l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être doit remplir les conditions mentionnées au point 1° ou réaliser les missions mentionnées au point 1°, qui ne peut excéder six mois ;
  3° les conséquences juridiques si, à l'issue du délai mentionné au point 2°, les conditions mentionnées au point 1°, ne sont pas remplies ou si les missions mentionnées au point 1° ne sont pas réalisées.
  Si, après l'expiration du délai mentionné à l'alinéa 2, 2°, l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être n'élimine pas les manquements constatés aux conditions d'agrément ou ne réalise pas les missions non réalisées, [1 Département Soins]1 peut décider d'annuler son agrément.
  [1 Département Soins]1 notifie sa décision d'annuler l'agrément à l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être au plus tard trois mois après l'expiration du délai mentionné à l'alinéa 2, 2°. La notification de la décision d'annulation se fait par courrier recommandé ou par voie numérique et comprend les motifs de la décision et les voies de recours.
  L'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être peut introduire une réclamation auprès du [1 Département Soins]1 contre la décision d'annuler l'agrément, mentionnée à l'alinéa 4. Les dispositions du paragraphe 3 s'appliquent mutatis mutandis à l'introduction et au traitement de la réclamation.
  La réclamation suspend l'exécution de la décision.
  
Onderafdeling 4. - Subsidiëring van de begeleiders arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid
Sous-section 4. - Subventionnement des accompagnateurs d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être
Art.50. § 1. Binnen de perken van het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet, kent het [1 Departement Zorg]1 aan de erkende begeleiders arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid voor de uitvoering van de opdrachten, vermeld in artikel 43, § 3, een subsidie toe van maximaal 1061,2 euro per begeleide deelnemer per kalenderjaar, op basis van de reëel gepresteerde begeleidingsperiode.
  De subsidie wordt berekend volgens de volgende formule: 88,43 euro x aantal maanden reëel gepresteerde begeleiding. Elke begonnen maand wordt als een volledige maand gerekend.
  De subsidie, vermeld in het eerste lid, is uitgedrukt tegen 100 % van de spilindex die van toepassing is op 1 april 2022. De looncomponent van dat bedrag wordt, binnen de beschikbare begrotingskredieten geïndexeerd overeenkomstig de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. Die koppeling aan het indexcijfer wordt berekend en toegepast overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  § 2. Om in aanmerking te komen voor subsidiëring, moet de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  1° de erkenningsvoorwaarden naleven, vermeld in artikel 46;
  2° de opdrachten uitvoeren, vermeld in artikel 43, § 3.
  § 3. Het [1 Departement Zorg]1 betaalt de subsidie, vermeld in paragraaf 1, per jaarhelft uit voor het aantal maanden reëel gepresteerde begeleiding door de begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid gedurende die jaarhelft.
  De erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid ontvangt de subsidie die gebaseerd is op het aantal maanden reëel gepresteerde begeleiding, als hij voor elke begeleide deelnemer de volgende gegevens verstrekt ter verantwoording:
  1° het erkenningsnummer van de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid;
  2° de identificatiegegevens van de deelnemer, vermeld in artikel 32, eerste lid, 1°, van het decreet werk- en zorgtrajecten;
  3° de start- en einddatum van de overeenkomst, vermeld in artikel 44, § 2.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepalen samen de nadere regels voor het moment en de wijze waarop de gegevens vermeld in het tweede lid, verstrekt moeten worden.
  Voor elke jaarhelft wordt de subsidie telkens uitbetaald uiterlijk de tweede maand die volgt op die jaarhelft. Te veel uitbetaalde subsidies worden ingehouden of teruggevorderd.
  § 4. Als de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid niet langer voldoet aan de subsidievoorwaarden, vermeld in artikel 50, § 2, de subsidie niet aanwendt voor de doeleinden waarvoor ze is verleend, of niet meewerkt aan het toezicht, vermeld in artikel 34 van het decreet werk- en zorgtrajecten, zal het [1 Departement Zorg]1 de subsidies terugvorderen, overeenkomstig artikel 13 van de wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof.
  Als de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid nalaat de subsidie te verantwoorden, vervalt de beslissing tot toekenning van de subsidie voor het niet-verantwoorde gedeelte.
  Het [1 Departement Zorg]1 bezorgt de beslissing om de subsidies terug te vorderen, vermeld in het eerste lid, zo spoedig mogelijk met een aangetekende zending of op digitale wijze aan de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid. De beslissing tot terugvordering van de subsidie vermeldt al de volgende gegevens:
  1° het bedrag waarop de beslissing betrekking heeft;
  2° de termijn waarin de beslissing wordt uitgevoerd;
  3° de motivering voor het opleggen van de maatregel ten aanzien van de beslissing conform artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen;
  4° de wijze waarop en de termijn waarin tegen de beslissing bezwaar kan worden ingediend.
  De erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid kan tegen de beslissing tot terugvordering van de subsidie, vermeld in het eerste lid, een bezwaar indienen bij het Departement WVG. Het bezwaarschrift is ontvankelijk als het aan al de volgende voorwaarden voldoet:
  1° het is uiterlijk ingediend dertig dagen na de dag waarop de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid de beslissing tot terugvordering heeft ontvangen;
  2° het is ingediend met een aangetekende zending of op een andere wijze die de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, samen kunnen bepalen;
  3° het bevat de volgende gegevens:
  a) de identiteit en de contactgegevens van de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid;
  b) de motivering van het bezwaar;
  c) de vermelding of de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid gehoord wil worden.
  Als de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid een ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend, zal het [1 Departement Zorg]1 de beslissing binnen zestig dagen na ontvangst van dat bezwaarschrift intrekken of bevestigen.
  Het bezwaar schorst de uitvoering van de beslissing, vermeld in het eerste lid.
  Als de erkende begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid geen ontvankelijk bezwaarschrift heeft ingediend of als het [1 Departement Zorg]1 de beslissing heeft bevestigd binnen de termijn, vermeld in het vijfde lid, wordt de subsidiëring teruggevorderd. Als het [1 Departement Zorg]1 de beslissing intrekt of als het de beslissing niet bevestigt binnen de gestelde termijn, wordt de subsidie behouden.
  
Art.50. § 1er. Dans les limites du crédit budgétaire approuvé annuellement, le [1 Département Soins ]1 accorde aux accompagnateurs agréés d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, pour l'exécution des missions mentionnées à l'article 43, § 3, une subvention d'au maximum 1 061,2 euros par participant accompagné par année civile, sur la base de la période d'accompagnement effectivement prestée.
  La subvention est calculée selon la formule suivante : 88,43 euros x nombre de mois d'accompagnement effectivement presté. Chaque mois commencé est compté comme un mois complet.
  La subvention mentionnée à l'alinéa 1er est exprimée à 100 % de l'indice pivot en vigueur au 1er avril 2022. La composante salariale de ce montant est indexée, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. Cette liaison à l'indice est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
  § 2. Pour être éligible à la subvention, l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être doit répondre à l'ensemble des conditions suivantes :
  1° respecter les conditions d'agrément énoncées à l'article 46 ;
  2° réaliser les missions mentionnées à l'article 43, § 3.
  § 3. Le [1 Département Soins ]1verse la subvention mentionnée au paragraphe 1er par semestre pour le nombre de mois d'accompagnement effectivement prestés par l'accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être au cours de ce semestre.
  L'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être perçoit la subvention sur la base du nombre de mois d'accompagnement effectivement prestés, s'il fournit aux fins de justification les données suivantes pour chaque participant accompagné :
  1° le numéro d'agrément de l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ;
  2° les données d'identification du participant, mentionnées à l'article 32, alinéa 1er, 1° du décret parcours de travail et de soins ;
  3° la date de début et de fin du contrat, mentionné à l'article 44, § 2.
  Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées fixent conjointement les modalités relatives au moment et à la manière de fourniture des données mentionnées à l'alinéa 2.
  Pour chaque semestre, la subvention est versée au plus tard le deuxième mois suivant ce semestre. Les subventions versées en trop sont retenues ou récupérées.
  § 4. Si l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ne remplit plus les conditions de subvention, mentionnées à l'article 50, § 2, n'utilise pas la subvention aux fins auxquelles elle a été accordée, ou ne coopère pas à la surveillance, mentionnée à l'article 34 du décret parcours de travail et de soins, le [1 Département Soins ]1 récupérera les subventions, conformément à l'article 13 de la loi du 16 mai 2003 fixant les dispositions générales applicables aux budgets, au contrôle des subventions et à la comptabilité des communautés et des régions, ainsi qu'à l'organisation du contrôle de la Cour des comptes.
  Si l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être omet de justifier la subvention, la décision d'accorder la subvention échoit pour la partie non justifiée.
  Le [1 Département Soins ]1 transmet dans les plus brefs délais par courrier recommandé ou par voie numérique la décision de récupérer les subventions, mentionnées à l'alinéa 1er, à l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être. La décision de récupérer la subvention mentionne l'ensemble des données suivantes :
  1° le montant auquel se rapporte la décision ;
  2° le délai d'exécution de la décision ;
  3° les motifs de l'imposition de la mesure relative à la décision, conformément à l'article 2 de la loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs ;
  4° la manière dont une réclamation peut être introduite contre la décision et le délai d'introduction de cette réclamation.
  L'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être peut introduire une réclamation auprès du [1 Département Soins ]1 contre la décision de récupérer la subvention, mentionnée à l'alinéa 1er. La réclamation est recevable lorsqu'elle remplit l'ensemble des conditions suivantes :
  1° elle est soumise au plus tard trente jours suivant le jour où l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être a reçu la décision de récupération ;
  2° elle est soumise par courrier recommandé ou par tout autre moyen que le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées peuvent déterminer conjointement ;
  3° elle contient les informations suivantes :
  a) l'identité et les coordonnées de l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ;
  b) la motivation de la réclamation ;
  c) l'indication si l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être souhaite ou non être entendu.
  Si l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être a soumis une réclamation recevable, le [1 Département Soins ]1 retirera ou confirmera la décision dans les soixante jours suivant la réception de cette réclamation.
  La réclamation suspend l'exécution de la décision mentionnée à l'alinéa 1er.
  Si l'accompagnateur agréé d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être n'a pas soumis de réclamation recevable ou si le [1 Département Soins ]1 a confirmé la décision dans le délai mentionné à l'alinéa 5, la subvention est récupérée. Si le [1 Département Soins ]1 retire la décision ou qu'elle ne la confirme pas dans le délai imparti, la subvention est maintenue.
  
Afdeling 2. - Arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie
Section 2. - Activités de travail dans l'économie sociale
Onderafdeling 1. - Deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie
Sous-section 1re. - Participation aux activités de travail dans l'économie sociale
Art.51. De VDAB kan de volgende categorieën van personen toeleiden naar arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie:
  1° niet-werkende werkzoekenden als vermeld in artikel 1, eerste lid, 8°, van het besluit van 5 juni 2009;
  2° personen met een leefloon die de toelating van het OCMW hebben om deel te nemen aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie;
  3° personen die als arbeidsongeschikt erkend zijn in de zin van de uitkeringsverzekering voor werknemers of de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen en meewerkende echtgenoten en die de toelating van de adviserende arts van het ziekenfonds hebben gekregen om arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie te verrichten;
  4° personen die een inkomensvervangende tegemoetkoming of integratietegemoetkoming ontvangen.
  Bij de beslissing tot deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie houdt de VDAB rekening met al de volgende elementen:
  1° de aanwezigheid van ernstige belemmeringen van cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale aard die de persoon verhinderen om betaalde beroepsarbeid te verrichten;
  2° de inschatting van de competenties en de beperkingen op basis van het functioneren van de persoon op de arbeidsmarkt aan de hand van het ICF-instrument;
  3° de verwachting dat de persoon door deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie stappen kan zetten naar betaalde beroepsarbeid;
  4° de inschatting dat de persoon minimaal twaalf uur per week kan deelnemen aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie;
  5° het engagement van de persoon om actief deel te nemen aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie.
Art.51. Le VDAB peut orienter les catégories de personnes suivantes vers des activités de travail dans l'économie sociale :
  1° les demandeurs d'emploi inoccupés, tels que mentionnés à l'article 1er, alinéa 1er, 8°, de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
  2° les personnes bénéficiant du revenu d'intégration, que le CPAS a autorisées à participer à des activités de travail dans l'économie sociale ;
  3° les personnes reconnues comme étant en incapacité de travail au sens de l'assurance indemnités des travailleurs salariés ou de l'assurance indemnités des travailleurs indépendants et des conjoints aidants et que le médecin-conseil de la mutualité a autorisées à exercer les activités de travail dans l'économie sociale ;
  4° les personnes bénéficiant d'une allocation de remplacement de revenus ou d'une allocation d'intégration.
  Lors de la décision sur la participation aux activités de travail dans l'économie sociale, le VDAB tient compte de l'ensemble des éléments suivants :
  1° la présence de graves déficiences de nature cognitive, médicale, psychique, psychiatrique ou sociale qui empêchent la personne d'effectuer un travail professionnel rémunéré.
  2° l'évaluation des compétences et des contraintes sur la base du fonctionnement de la personne sur le marché du travail, au moyen de l'instrument CIF ;
  3° l'attente que la participation aux activités de travail dans l'économie sociale permette à la personne de progresser vers un travail professionnel rémunéré ;
  4° la prévision selon laquelle la personne peut participer pendant au moins douze heures par semaine à des activités de travail dans l'économie sociale ;
  5° l'engagement de la personne à participer activement aux activités de travail dans l'économie sociale.
Art.52. Begeleiders arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid kunnen voor rekening van een kandidaat-deelnemer een verzoek tot deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie registreren of indienen bij de VDAB.
Art.52. L'accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être peut enregistrer ou soumettre une demande de participation à des activités de travail dans l'économie sociale auprès du VDAB au nom d'un participant potentiel.
Art.53. De VDAB voorziet in een aanmeldingsprocedure voor het verzoek tot deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie voor organisaties als vermeld in artikel 52. Het verzoek tot deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, vermeld in artikel 52, bevat al de volgende gegevens:
  1° de identiteitsgegevens van de kandidaat-deelnemer;
  2° de identiteitsgegevens van de organisaties die voor de kandidaat-deelnemer een verzoek tot deelname registreren of indienen als vermeld in artikel 52;
  3° het medisch-diagnostische materiaal dat de belemmeringen en sterktes van cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale aard die de kandidaat-deelnemer verhinderen om betaalde beroepsarbeid uit te voeren en dat de deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie ondersteunt;
  4° een beschrijving van het functioneren van de kandidaat-deelnemer en de drempels tot de arbeidsmarkt volgens de richtlijnen die de VDAB opstelt;
  5° de toestemming van de kandidaat-deelnemer om gegevens te verwerken en uit te wisselen met de organisatie, vermeld in artikel 52, met de VDAB en met het Departement WSE met het oog op een mogelijke deelname aan arbeidsmatige activiteiten.
Art.53. Le VDAB prévoit une procédure d'introduction des demandes de participation aux activités de travail dans l'économie sociale pour les organisations mentionnées à l'article 52. La demande de participation aux activités de travail dans l'économie sociale, mentionnée à l'article 52, contient l'ensemble des données suivantes :
  1° les données d'identité du participant potentiel ;
  2° les données d'identité des organisations qui enregistrent ou soumettent une demande de participation au nom du participant potentiel au sens de l'article 52 ;
  3° le matériel médical-diagnostique qui démontre les déficiences et les points forts de nature cognitive, médicale, psychique, psychiatrique ou sociale qui empêchent le participant potentiel d'exercer un travail professionnel rémunéré et qui justifie la participation aux activités de travail dans l'économie sociale ;
  4° une description du fonctionnement du participant potentiel et des obstacles à son accès au marché de l'emploi, selon les directives du VDAB ;
  5° le consentement du participant potentiel au traitement et à l'échange de données avec l'organisation mentionnée à l'article 52, le VDAB et le Département WSE en vue d'une éventuelle participation à des activités de travail.
Art.54. Na de beslissing tot niet-deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie kunnen de kandidaat-deelnemers of de organisaties, vermeld in artikel 52, een nieuw verzoek tot deelname indienen na afloop van een termijn van drie maanden na de voormelde beslissing als er nieuwe feiten zijn die een nieuw verzoek kunnen onderbouwen.
Art.54. A la suite de la décision de non-participation aux activités de travail dans l'économie sociale, les participants potentiels ou les organisations mentionnées à l'article 52 peuvent introduire une nouvelle demande de participation après une période de trois mois suivant la décision précitée si des faits nouveaux justifient une telle demande.
Art.55. De VDAB maakt voor de personen, vermeld in artikel 51, een persoonlijk bestand aan op het elektronische platform en beheert daarbij de volgende noodzakelijke gegevens:
  1° de identiteitsgegevens van de deelnemer;
  2° de gegevens over de elementen, vermeld in artikel 51, tweede lid;
  3° de beslissing tot deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie;
  4° de opvolging van de voorwaarden en de activiteiten op het vlak van competentieontwikkeling als vermeld in artikel 51.
Art.55. Pour les personnes mentionnées à l'article 51, le VDAB crée un dossier personnel sur la plateforme électronique, dans lequel il gère les données obligatoires suivantes :
  1° les données d'identité du participant ;
  2° les données relatives aux éléments mentionnés à l'article 51, alinéa 2 ;
  3° la décision de participation aux activités de travail dans l'économie sociale ;
  4° le suivi des conditions et des activités en matière de développement des compétences, mentionnées à l'article 51.
Art.56. De VDAB houdt toezicht op de deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie via minimaal een jaarlijkse opvolging van de elementen, vermeld in artikel 51, tweede lid, en ondersteunt zo veel mogelijk de uitstroom naar betaalde arbeid op de reguliere arbeidsmarkt of in collectief maatwerk.
  Met het oog op de overstap naar betaalde beroepsarbeid kan de deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie gedurende een periode van maximaal drie maanden gecombineerd worden met een van de volgende maatregelen of instrumenten:
  1° alle opleidings-, begeleidings- en bemiddelingsacties die nodig zijn voor de integratie op de arbeidsmarkt, vermeld in artikel 36 van het besluit van 5 juni 2009;
  2° een actie op het vlak van competentieontwikkeling als vermeld in artikel 61 van het voormelde besluit;
  3° een deelname aan tijdelijke werkervaring als vermeld in het Tijdelijkewerkervaringsdecreet van 9 december 2016;
  4° een deelname aan wijk-werken als vermeld artikel 3, 9°, van het Wijk-werkendecreet van 7 juli 2017;
  5° een deeltijdse tewerkstelling als doelgroepwerknemer in een maatwerkbedrijf als vermeld in het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling.
  De VDAB ziet erop toe dat de combinatie van maatregelen, vermeld in het eerste lid, past in een traject naar betaald werk en kan voorwaarden voor de werkvloer of de functie bepalen.
  De deelname aan de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie kan door de persoon niet gecombineerd worden met:
  1° een lopende deelname aan de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie bij de organisaties, vermeld in artikel 58;
  2° een deelname aan de arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, vermeld in afdeling 1;
  3° het budget dat besteed wordt aan dagondersteuning als vermeld in artikel 4, 1°, b), van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, of begeleid werken als vermeld in artikel 9/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 februari 2011 betreffende de algemene erkenningsvoorwaarden en kwaliteitszorg van voorzieningen voor opvang, behandeling en begeleiding van personen met een handicap.
  De deelnemer aan en de begeleider van arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie kunnen een aanvraag tot opvolging van de deelname indienen bij de VDAB.
Art.56. Le VDAB surveille la participation aux activités de travail dans l'économie sociale par le biais d'un suivi au moins annuel des éléments mentionnés à l'article 51, alinéa 2, et soutient dans la mesure du possible la sortie vers le travail rémunéré sur le marché du travail régulier ou dans le cadre d'un travail adapté collectif.
  En vue de la sortie vers le travail professionnel rémunéré, la participation aux activités de travail dans l'économie sociale peut être combinée avec l'une des mesures ou l'un des instruments suivants pour une période de trois mois maximum :
  1° l'ensemble des actions de formation, d'accompagnement et de médiation nécessaires à l'insertion sur le marché du travail, mentionnées à l'article 36 de l'arrêté du 5 juin 2009 ;
  2° une action de développement des compétences telle que mentionnée à l'article 61 de l'arrêté précité ;
  3° la participation à une expérience professionnelle temporaire telle que mentionnée au décret du 9 décembre 2016 relatif à l'expérience professionnelle temporaire ;
  4° la participation aux travaux de proximité tels que mentionnés à l'article 3, 9°, du décret du 7 juillet 2017 relatif au travail de proximité ;
  5° un emploi à temps partiel comme travailleur de groupe-cible dans une entreprise de travail adapté tel que mentionné au décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective.
  Le VDAB veille à ce que la combinaison des mesures mentionnées à l'alinéa 1er s'inscrive dans un parcours vers le travail rémunéré et peut fixer des conditions applicables au lieu de travail ou à la fonction.
  La personne ne peut combiner la participation aux activités de travail dans l'économie sociale avec :
  1° une participation en cours aux activités de travail dans l'économie sociale auprès des organisations mentionnées à l'article 58 ;
  2° une participation aux activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, au sens de la section 1re ;
  3° le budget affecté à l'accompagnement de jour tel que mentionné à l'article 4, 1°, b), de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés, ou pour l'emploi assisté tel que mentionné à l'article 9/1 de l'arrêté relatif aux conditions générales d'agrément et à la gestion de la qualité des structures d'accueil, de traitement et d'accompagnement des personnes handicapées.
  Le participant aux activités de travail dans l'économie sociale et l'accompagnateur peuvent introduire une demande de suivi de la participation auprès du VDAB.
Art.57. De deelnemer verricht de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie bij een of meer werkposten onder de begeleiding van een begeleider arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie.
  De deelname aan de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie is onbezoldigd.
Art.57. Le participant exécute les activités de travail dans l'économie sociale à un ou plusieurs postes de travail sous la supervision d'un accompagnateur d'activités de travail dans l'économie sociale.
  La participation aux activités de travail dans l'économie sociale est non rémunérée.
Onderafdeling 2. - Toekenning van arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie
Sous-section 2. - Octroi d'activités de travail dans l'économie sociale
Art.58. De volgende organisaties kunnen een aanvraag tot toekenning van een contingent van arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie indienen:
  1° de maatwerkbedrijven, vermeld in artikel 3, 5°, van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, als ze aan al de volgende voorwaarden voldoen:
  a) ze hebben een of meer werknemers in dienst die instaan voor de begeleiding van arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, vermeld in artikel 66, en die voldoen aan een van de volgende voorwaarden:
  1) ze hebben minimaal een sociaal, psychologisch of pedagogisch diploma op bachelorniveau;
  2) ze hebben een relevante titel van beroepsbekwaamheid als vermeld in artikel 4, § 1, van het decreet van 30 april 2004 betreffende het verwerven van een titel van beroepsbekwaamheid;
  3) ze hebben minimaal twee jaar aantoonbare relevante ervaring op het vlak van het begeleiden van de doelgroep als vermeld in artikel 51, eerste lid, van dit besluit;
  b) ze beschikken over een kwaliteitsregistratie conform artikel 4 van het decreet van 29 maart 2019 betreffende het kwaliteits- en registratiemodel van dienstverleners in het beleidsdomein Werk en Sociale Economie;
  2° samenwerkingsverbanden tussen een of meer maatwerkbedrijven onderling of tussen een of meer maatwerkbedrijven met een of meer van de volgende organisaties:
  a) een centrum voor algemeen welzijnswerk;
  b) een dienst maatschappelijk werk van het ziekenfonds;
  c) een centrum voor geestelijke gezondheidszorg;
  d) een initiatief voor beschut wonen;
  e) een psychiatrisch ziekenhuis;
  f) een welzijns- en zorgvoorziening die erkend of vergund is door het agentschap Opgroeien;
  g) een VAPH-voorziening die erkend of vergund is door het VAPH;
  h) een revalidatiecentrum;
  i) een OCMW;
  j) een organisatie die voldoende ervaring kan aantonen met het begeleiden van de doelgroep, vermeld in artikel 51, eerste lid, van dit besluit, na gunstige beoordeling door het Departement Werk en Sociale Economie.
  § 2. De organisaties die werken in het samenwerkingsverband, vermeld in paragraaf 1, 2° voldoen aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1, 1°, a), en nemen de begeleidingstaken op, vermeld in artikel 66, tweede lid. Bijkomend geldt voor die organisaties met hun werking in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad dat ze wegens hun organisatie beschouwd moeten worden als uitsluitend te behoren tot de Vlaamse Gemeenschap.
  Het maatwerkbedrijf stuurt het samenwerkingsverband aan en treedt daarbij op als vertegenwoordiger ten aanzien van het Departement Werk en Sociale Economie.
Art.58. Les organisations suivantes peuvent introduire une demande d'octroi d'un contingent d'activités de travail dans l'économie sociale :
  1° les entreprises de travail adapté mentionnées à l'article 3, 5°, du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective, si elles réunissent les conditions suivantes :
  a) elles occupent un ou plusieurs employés qui assurent l'accompagnement des activités de travail dans l'économie sociale, au sens de l'article 66, et qui satisfont à l'une des conditions suivantes :
  1) ils disposent au moins d'un diplôme social, psychologique ou pédagogique au niveau de bachelor ;
  2) ils disposent d'un titre de compétence professionnelle pertinent tel que mentionné à l'article 4, § 1er, du décret du 30 avril 2004 relatif à l'obtention d'un titre de compétence professionnelle ;
  3) ils disposent d'au moins deux ans d'expérience pertinente démontrable dans le domaine de l'accompagnement du groupe-cible mentionné à l'article 51, alinéa 1er, du présent arrêté ;
  b) ils disposent d'un enregistrement en matière de qualité au sens de l'article 4 du décret du 29 mars 2019 relatif au modèle de qualité et d'enregistrement des prestataires de services dans le domaine politique de l'Emploi et de l'Economie sociale ;
  2° les partenariats de deux ou plusieurs entreprises de travail adapté ou entre une ou plusieurs entreprises de travail adapté et une ou plusieurs des organisations suivantes :
  a) un centre d'aide sociale générale ;
  b) un service social de la mutualité ;
  c) un centre de santé mentale ;
  d) une initiative d'habitation protégée ;
  e) un hôpital psychiatrique ;
  f) une structure d'aide sociale et de soins, agréée ou autorisée par l'agence Grandir ;
  g) une structure de la VAPH agréée ou autorisée par la VAPH ;
  h) un centre de réadaptation fonctionnelle ;
  i) un CPAS ;
  j) une organisation qui peut démontrer une expérience suffisante dans l'accompagnement du groupe-cible mentionné à l'article 51, alinéa 1er, du présent arrêté, après évaluation favorable du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale.
  § 2. Les organisations actives dans le partenariat mentionné au paragraphe 1er, 2°, remplissent les conditions énoncées au paragraphe 1er, 1°, a), et assurent les tâches d'accompagnement énumérées à l'article 66, alinéa 2. A titre supplémentaire, les organisations qui déploient leurs activités dans la région bilingue de Bruxelles-Capitale doivent être considérées, de par leur organisation, comme appartenant exclusivement à la Communauté flamande.
  L'entreprise de travail adapté dirige le partenariat et agit notamment comme représentant à l'égard du Département de l'Emploi et de l'Economie sociale.
Art.59. § 1. Het maatwerkbedrijf en de organisaties die werken in het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 58, hebben de volgende verplichtingen:
  1° voor de start van de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie sluiten ze de noodzakelijke verzekeringen af die de deelnemer beschermen tegen lichamelijke ongevallen op de werkpost, inclusief de verplaatsingen naar en van de werkpost, en tegen burgerlijke aansprakelijkheid;
  2° bij de start van de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie sluiten ze een begeleidingsovereenkomst met de deelnemer en de verantwoordelijke van de werkpost. Die overeenkomst, die geen arbeidsovereenkomst is, bevat al de volgende gegevens:
  a) de tijdsbesteding van de deelnemer arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie;
  b) de frequentie, de aard en de omvang van de activiteiten;
  c) de plaats waar de activiteiten plaatsvinden;
  d) de regelingen over de verzekeringen, de werkkledij, de veiligheidsinstructies en de hygiëne;
  e) de voorwaarden van de begeleiding;
  f) de wijze van beëindiging van de begeleidingsovereenkomst.
  § 2. Het maatwerkbedrijf bezorgt de begeleidingsovereenkomst via elektronische weg aan het Departement WSE uiterlijk dertig dagen na de eerste dag dat de deelnemer deelneemt aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie.
  Het maatwerkbedrijf brengt het Departement WSE op de hoogte uiterlijk dertig dagen na de laatste dag dat de deelnemer deelneemt aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie.
Art.59. § 1er. L'entreprise de travail adapté et les organisations actives dans le partenariat mentionné à l'article 58, ont les obligations suivantes :
  1° avant le début des activités de travail dans l'économie sociale, elles souscrivent les assurances nécessaires couvrant les accidents corporels du participant, survenus sur le poste d'emploi ou sur le chemin du travail, et sa responsabilité civile ;
  2° à l'entame des activités de travail dans l'économie sociale, elles concluent un contrat d'accompagnement avec le participant et le responsable du poste d'emploi. Ce contrat, qui n'est pas un contrat de travail, renferme l'ensemble des données suivantes :
  a) l'emploi du temps du participant aux activités de travail dans l'économie sociale ;
  b) la fréquence, la nature et le volume des activités ;
  c) le lieu des activités ;
  d) les accords concernant les assurances, les vêtements de travail, les consignes de sécurité et l'hygiène ;
  e) les conditions de l'accompagnement ;
  f) les modalités de cessation du contrat d'accompagnement.
  § 2. L'entreprise de travail adapté transmet le contrat d'accompagnement au Département WSE par voie électronique au plus tard trente jours après le premier jour d'activités de travail dans l'économie sociale du participant.
  L'entreprise de travail adapté informe le Département WSE au plus tard trente jours après le dernier jour d'activités de travail dans l'économie sociale du participant.
Art.60. Een contingent arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie wordt aangevraagd en toegekend binnen de perken van het begrotingskrediet aan de hand van een oproep, als de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, daartoe beslist.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, bepaalt na het advies van de Adviescommissie Sociale Economie, vermeld in artikel 35 van het decreet van 12 juli 2013 betreffende maatwerk bij collectieve inschakeling, de verdelingscriteria en de prioriteitscriteria waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezigheid van de doelgroep in de regio en de invulling van het bestaande contingent arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, deelt de oproep mee aan de Vlaamse Regering.
Art.60. A la suite d'un appel lancé à l'initiative du ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions, un contingent d'activités de travail dans l'économie sociale peut être demandé, et accordé dans les limites du crédit budgétaire.
  Le ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions fixe, après avis de la Commission consultative de l'Economie sociale, mentionnée à l'article 35 du décret du 12 juillet 2013 relatif au travail adapté dans le cadre de l'intégration collective, les critères de répartition et les critères de priorité, en tenant compte de la présence du groupe-cible dans la région et de la réalisation du contingent existant d'activités de travail dans l'économie sociale.
  Le ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions informe le Gouvernement flamand de l'appel.
Art.61. Het Departement WSE beslist over de ontvankelijkheid van de aanvraag binnen zeven dagen nadat de oproep afgesloten is, aan de hand van de volgende criteria:
  1° de aanvraag wordt ingediend via het elektronisch aanvraagformulier dat het Departement WSE ter beschikking stelt;
  2° de aanvraag wordt volledig en correct ingevuld conform de voorwaarden van het model van aanvraagformulier;
  3° de organisatie die een aanvraag indient, beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 58.
Art.61. Le Département WSE statue sur la recevabilité de la demande dans les sept jours après la clôture de l'appel, à l'aide des critères suivants :
  1° la demande est introduite à l'aide du formulaire de demande électronique mis à disposition par le Département WSE ;
  2° la demande est dûment et correctement remplie, conformément aux modalités du modèle de formulaire de demande ;
  3° l'organisation qui introduit une demande répond aux conditions énoncées à l'article 58.
Art.62. Het Departement WSE onderzoekt de aanvragen binnen dertig dagen na de ontvankelijkheidsverklaring, vermeld in artikel 61, op basis van de criteria, vermeld in artikel 58.
Art.62. Le Département WSE examine les demandes dans les trente jours suivant la déclaration de recevabilité mentionnée à l'article 61, sur la base des critères énoncés à l'article 58.
Art.63. De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, beslist binnen veertien dagen na ontvangst van het onderzoek van het Departement WSE, vermeld in artikel 62, over de toekenning van het contingent arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, en brengt de aanvrager op de hoogte.
  Het contingent arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie dat is toegekend aan de organisaties, vermeld in artikel 58, wordt jaarlijks met ingang van 1 juli automatisch verminderd als de invulling van het toegekende contingent op kalenderjaarbasis minder dan 80% bedraagt. Het contingent wordt verminderd met het verschil in percentage tussen de effectieve invullingsgraad op kalenderjaarbasis en de invullingsgraad van 80% van het toegekende contingent.
Art.63. Le ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions statue, dans les quatorze jours après avoir reçu l'examen du Département WSE mentionné à l'article 62, sur l'octroi du contingent d'activités de travail dans l'économie sociale, et en informe le demandeur.
  Le contingent d'activités de travail dans l'économie sociale attribué aux organisations mentionnées à l'article 58, est réduit automatiquement à compter du 1er juillet de chaque année si la réalisation du contingent accordé est inférieure à 80 % par année civile. Le contingent est réduit de la différence en pourcentage entre le taux effectif de réalisation par année civile et le taux de réalisation de 80 % du contingent accordé.
Art.64. Het maatwerkbedrijf brengt het Departement WSE onmiddellijk op de hoogte van:
  1° iedere wijziging die ertoe kan leiden dat niet langer voldaan wordt aan de toekenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 58;
  2° iedere wijziging die een invloed kan hebben op het bedrag en de aard van de toe te kennen subsidies.
Art.64. L'entreprise de travail adapté informe sans délai le Département WSE :
  1° de toute modification susceptible d'entraîner le non-respect des conditions d'octroi, énoncées à l'article 58 ;
  2° de toute modification susceptible d'impacter le montant et la nature des subventions à octroyer.
Art.65. De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, kan op advies van het Departement WSE of de VDAB het toegekende contingent arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie intrekken of schorsen in een van de volgende situaties:
  1° de organisaties, vermeld in artikel 58, leven de registratieverplichtingen, vermeld in artikel 66, tweede lid, punt 3°, niet na;
  2° de organisaties, vermeld in artikel 58, leven de bepalingen van dit besluit niet na;
  3° de organisaties, vermeld in artikel 58, plegen inbreuken op de arbeidswetgeving of de sociale wetgeving.
Art.65. Le ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions, sur avis du Département WSE ou du VDAB, peut retirer ou suspendre le contingent accordé d'activités de travail dans l'économie sociale, dans l'une des situations suivantes :
  1° les organisations mentionnées à l'article 58 ne respectent pas les obligations d'enregistrement énoncées à l'article 66, alinéa 2, point 3° ;
  2° les organisations mentionnées à l'article 58 ne respectent pas les dispositions du présent arrêté ;
  3° les organisations mentionnées à l'article 58 commettent des infractions à la législation du travail ou à la législation sociale.
Onderafdeling 3. - Begeleiding arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie
Sous-section 3. - Accompagnement des activités de travail dans l'économie sociale
Art.66. De begeleiding van arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie heeft tot doel om de personen, vermeld in artikel 51, latente functies van arbeid te laten genieten binnen een reële arbeidsmarktomgeving met de volgende doelstellingen:
  1° arbeids- en beroepsgerichte competenties van die personen opbouwen;
  2° de cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale problematieken van de deelnemers, vermeld in artikel 51, stabiliseren;
  3° de afstand tot de arbeidsmarkt van die personen verkleinen.
  De begeleiding houdt voor het maatwerkbedrijf en de organisaties die werken in het samenwerkingsverband, vermeld in artikel 58, al de volgende opdrachten in:
  1° een intake- en oriënteringsgesprek houden met kandidaat-deelnemers;
  2° een persoonlijk ontwikkelingsplan opmaken, opvolgen en bijsturen in dialoog met de deelnemers aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, dat tot doel heeft de competenties van de deelnemers op te volgen en te ontwikkelen;
  3° het persoonlijk ontwikkelingsplan en ook elke wijziging ervan registreren in het persoonlijke bestand op het elektronische platform. De VDAB kan het persoonlijk ontwikkelingsplan raadplegen met het oog op het toezicht op de deelname, vermeld in artikel 56;
  4° passende arbeidsmatige activiteiten op een interne of externe werkpost zoeken die het mogelijk maken om arbeidsmarkt- en beroepsgerichte competenties van de deelnemer te observeren, te versterken en bij te sturen, met uitsluiting van de deelname aan de uitvoering van onderaannemingsovereenkomsten in de kernactiviteit van een andere onderneming;
  5° de arbeidsmatige activiteiten op een externe werkpost vreemd aan de organisaties, vermeld in artikel 58, beperken tot occasionele deelname in functie van de stappen naar betaalde arbeid;
  6° de deelnemers en zijn directe collega's begeleiden bij de start zowel op een interne als externe werkpost en de deelnemers tijdens de duur van de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie periodiek opvolgen;
  7° de rol van aanspreekpunt vervullen bij de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie voor de deelnemers en voor de VDAB;
  8° minimaal jaarlijks formeel evalueren of de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie passend zijn voor de deelnemers, in dialoog met de deelnemers en met de VDAB;
  9° opleidingen of competentieversterkende acties organiseren die de deelnemers versterken in hun deelname aan de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, in het omgaan met de cognitieve, medische, psychische, psychiatrische of sociale problematieken, de opbouw van generieke competenties die toelaten om optimaal te participeren en verdere stappen naar betaald werk te kunnen zetten;
  10° via de sociale dienst van het maatwerkbedrijf de deelnemers voorzien van ondersteuning op andere levensdomeinen en, als dat nodig is, de brug slaan naar reguliere zorg en welzijnsvoorzieningen;
  11° een begeleiding op maat in functie van zo veel mogelijk uitstroom naar betaalde arbeid op de reguliere arbeidsmarkt of in collectief maatwerk.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, kan de opdrachten, vermeld in het tweede lid, uitbreiden.
Art.66. L'accompagnement des activités de travail dans l'économie sociale vise à faire bénéficier les personnes mentionnées à l'article 51, des fonctions latentes du travail dans un environnement réel du marché du travail, avec les objectifs suivants :
  1° développer les compétences de travail et professionnelles de ces personnes ;
  2° stabiliser les problèmes cognitifs, médicaux, psychologiques, psychiatriques ou sociaux des participants, mentionnés à l'article 51 ;
  3° réduire l'éloignement du marché du travail de ces personnes.
  L'entreprise de travail adapté et les organisations actives dans le partenariat, mentionné à l'article 58, réalisent l'ensemble des missions suivantes aux fins de l'accompagnement :
  1° mener un entretien initial et d'orientation avec les participants potentiels ;
  2° élaborer, suivre et adapter un plan de développement personnel en dialogue avec les participants aux activités de travail dans l'économie sociale, aux fins d'un suivi et du développement des compétences des participants ;
  3° enregistrer le plan de développement personnel et toute modification de celui-ci dans le dossier personnel sur la plateforme électronique. Le VDAB peut consulter le plan de développement personnel aux fins de la surveillance de la participation, mentionnée à l'article 56 ;
  4° rechercher des activités de travail appropriées dans un poste d'emploi interne ou externe qui permettent d'observer, de renforcer et de corriger les compétences liées au marché du travail et professionnelles du participant, à l'exclusion de la participation à l'exécution de contrats de sous-traitance dans l'activité principale d'une autre entreprise ;
  5° limiter les activités de travail dans un poste d'emploi externe, exécuté en dehors des organisations mentionnées à l'article 58, à une participation occasionnelle dans le cadre de la progression vers le travail rémunéré ;
  6° accompagner le participant et ses collègues directs dans la phase initiale, tant dans le poste d'emploi interne qu'externe, et suivre périodiquement les participants pendant la durée des activités de travail dans l'économie sociale ;
  7° jouer le rôle de point de contact dans le cadre des activités de travail dans l'économie sociale, tant pour les participants que pour le VDAB ;
  8° au moins une fois par an, évaluer formellement si les activités de travail dans l'économie sociale sont appropriées pour les participants, en dialogue avec les participants et avec le VDAB ;
  9° organiser des formations ou des actions visant à consolider les compétences des participants en matière de participation aux activités de travail dans l'économie sociale, de gestion des problèmes cognitifs, médicaux, psychiques, psychiatriques ou sociaux, d'aptitude générique à participer de manière optimale et à progresser vers un emploi rémunéré ;
  10° par l'intermédiaire du service social de l'entreprise de travail adapté, fournir un soutien aux participants dans d'autres domaines de la vie et, le cas échéant, l'orienter vers les structures régulières des soins et de l'aide sociale ;
  11° l'accompagnement sur mesure en fonction d'un maximum de sorties vers le travail rémunéré sur le marché du travail régulier ou dans le cadre du travail adapté collectif.
  Le ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions peut élargir les missions mentionnées à l'alinéa 2.
Onderafdeling 4. - Financiering
Sous-section 4. - Financement
Art.67. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder algemene groepsvrijstellingsverordening: verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard.
  § 2. De subsidie, die overeenkomstig dit besluit wordt toegekend voor de begeleiding van arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, wordt toegekend met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in de algemene groepsvrijstellingsverordening.
  De onderneming die een steunaanvraag indient, voldoet aan de volgende voorwaarden:
  1° op de datum van de toekenning van de steun is ze geen onderneming in moeilijkheden als vermeld in artikel 2, 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;
  2° ze heeft geen procedure op basis van Europees of nationaal recht lopen, waarbij toegekende steun wordt teruggevorderd als vermeld in artikel 1, lid 4, van de voormelde verordening.
  Er kan geen steun worden toegekend met toepassing van dit besluit voor de volgende werkzaamheden of activiteiten:
  1° voor werkzaamheden die verband houden met de uitvoer naar derde landen;
  2° voor werkzaamheden die afhangen van het gebruik van binnenlandse goederen, vermeld in artikel 1, lid 2, van de voormelde verordening;
  3° activiteiten van ondernemingen in de sectoren, vermeld in artikel 1, lid 3, van de voormelde verordening.
  De steun kan niet worden toegekend als hij leidt tot een schending van het Unierecht als vermeld in artikel 1, lid 5, van de voormelde verordening.
  Als een onderneming een individuele steuntoekenning van meer dan 500.000 euro krijgt, worden de gegevens, vermeld in bijlage III van de voormelde verordening, bekendgemaakt op de transparantiewebsite die de Europese Commissie ontwikkeld heeft.
  § 3. De steun is niet cumuleerbaar met de-minimissteun en andere staatssteun voor dezelfde kosten die in aanmerking komen, als die cumulatie ertoe zou leiden dat de staatssteunintensiteit hoger uitkomt dan de percentages van steunintensiteiten, vermeld in paragraaf 5.
  § 4. Als de individuele aanmeldingsdrempels, vermeld in artikel 4, punt 1, q, van de algemene groepsvrijstellingsverordening, overschreden worden, geldt de algemene groepsvrijstellingsverordening niet.
  § 5. De subsidie wordt toegekend met inachtneming van de voorwaarden, vermeld in artikel 34 van de algemene groepsvrijstellingsverordening.
  De steunintensiteit ter compensatie van de bijkomende kosten van de begeleiding van werknemers met een handicap kan ten hoogste 100% bedragen van de kosten die in aanmerking komen.
  Als de hoogste steunintensiteit, vermeld in artikel 34 van de algemene groepsvrijstellingsverordening, wordt overschreden, worden de vergoedingen die buiten dit besluit verworven zijn, volledig in mindering gebracht van de subsidie.
Art.67. § 1er. Dans le présent article, on entend par règlement général d'exemption par catégorie : le Règlement (CE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché interne en application des articles 107 et 108 du Traité.
  § 2. La subvention accordée en vertu du présent arrêté pour l'accompagnement des activités de travail dans l'économie sociale, est accordée sous réserve des conditions mentionnées dans le règlement général d'exemption par catégorie.
  L'entreprise qui introduit une demande d'aide remplit les conditions suivantes :
  1° à la date d'octroi de l'aide, elle n'est pas une entreprise en difficulté au sens de l'article 2, 18, du règlement général d'exemption par catégorie ;
  2° elle ne fait pas l'objet d'une procédure de droit européen ou national en cours visant la récupération de l'aide octroyée au sens de l'article 1er, paragraphe 4, du règlement précité.
  Aucune aide ne peut être accordée en vertu du présent arrêté pour les travaux ou activités suivants :
  1° les travaux liés à l'exportation vers des pays tiers ;
  2° les travaux subordonnés à l'utilisation de produits nationaux, au sens de l'article 1er, paragraphe 2, du règlement précité ;
  3° les activités des entreprises des secteurs énumérés à l'article 1er, paragraphe 3, du règlement précité.
  L'aide ne peut être accordée lorsqu'elle entraîne une violation du droit de l'Union au sens de l'article 1er, paragraphe 5, du règlement précité.
  Lorsqu'une entreprise se voit octroyer une aide individuelle de plus de 500 000 euros, les informations énumérées à l'annexe III du règlement précité sont publiées sur le site internet consacré à la transparence, développé par la Commission européenne.
  § 3. L'aide n'est pas cumulable avec l'aide de minimis et d'autres aides d'Etat pour les mêmes coûts admissibles si ce cumul conduit à une intensité d'aide d'Etat supérieure aux taux d'intensité des aides mentionnés à l'article 5.
  § 4. Si les seuils de notification individuels, mentionnés à l'article 4, point 1, q, du règlement général d'exemption par catégorie sont dépassés, le règlement général d'exemption par catégorie ne s'applique pas.
  § 5. La subvention est octroyée dans le respect des conditions énoncées à l'article 34 du règlement général d'exemption par catégorie.
  L'intensité de l'aide destinée à compenser les surcoûts liés à l'accompagnement des travailleurs handicapés n'excède pas 100 % des coûts admissibles.
  En cas de dépassement de l'intensité d'aide maximale mentionnée à l'article 34 du règlement général d'exemption par catégorie, les indemnités acquises en dehors du présent arrêté sont intégralement déduites de la subvention.
Art.68. Binnen de perken van het jaarlijks goedgekeurde begrotingskrediet wordt aan het maatwerkbedrijf een subsidie toegekend van maximaal 2812,20 euro per begeleide deelnemer per kalenderjaar. De totale subsidie aan het maatwerkbedrijf wordt afgetopt op het toegekende contingent arbeidsmatige activiteiten op jaarbasis. De subsidie wordt toegekend op basis van de reëel gepresteerde begeleidingsperiode van de deelnemers.
  De subsidie wordt uitbetaald aan het maatwerkbedrijf via twaalf maandelijkse voorschotten en een afrekening per jaar. Het voorschot bedraagt 80% van de subsidie, vermeld in het eerste lid, voor het toegekende contingent en wordt uitbetaald in de maand waarvoor het voorschot is bestemd.
  Het voorschot wordt uitbetaald op de vijfde werkdag van iedere maand. De jaarafrekening is beschikbaar uiterlijk op de laatste werkdag van maart.
  Het teveel aan uitbetaalde subsidies wordt automatisch, zonder ingebrekestelling, ingehouden op een toekomstige voorschotbetaling.
  Om te onderzoeken of en in welke mate het maatwerkbedrijf recht heeft op de subsidie, bezorgt het maatwerkbedrijf uiterlijk één maand na afloop van het kwartaal een kwartaaloverzicht van alle lopende en beëindigde begeleidingen.
  De subsidie, vermeld in het eerste lid, is uitgedrukt tegen 100% van de spilindex die van toepassing is op 1 april 2022. De looncomponent van dat bedrag wordt binnen de beschikbare begrotingskredieten geïndexeerd conform de wet van 1 maart 1977 houdende inrichting van een stelsel waarbij sommige uitgaven in de overheidssector aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld. De indexatie, vermeld in het zesde lid, wordt berekend en toegepast conform artikel 2 van het koninklijk besluit van 24 december 1993 tot uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
  Het nieuwe bedrag heeft ingang na verloop van een wachtmaand.
  Om te onderzoeken of en in welke mate het maatwerkbedrijf recht heeft op een subsidie, kan het Departement WSE de noodzakelijke gegevens bij de authentieke gegevensbronnen raadplegen, vermeld in artikel 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende de uitvoering van artikel III.66, III.67 en III.68 van het bestuursdecreet van 7 december 2018.
Art.68. Dans les limites du crédit budgétaire approuvé annuellement, l'entreprise de travail adapté perçoit une subvention de 2 812,20 euros maximum par participant accompagné par année civile. La subvention totale accordée à l'entreprise de travail adapté est plafonnée au contingent d'activités de travail alloué sur une base annuelle. La subvention est accordée sur la base de la période d'accompagnement des participants effectivement prestée.
  La subvention est versée à l'entreprise de travail adapté en douze avances mensuelles et un décompte annuel. L'avance s'élève à 80 % de la subvention mentionnée à l'alinéa 1er pour le contingent attribué et est versée dans le mois auquel se rapporte l'avance.
  L'avance est versée le cinquième jour ouvrable de chaque mois. Le décompte annuel est disponible au plus tard le dernier jour ouvrable du mois de mars.
  L'excédent des subventions versées est retenu automatiquement sur un prochain paiement d'avance, sans mise en demeure.
  Aux fins de l'examen permettant d'établir si et dans quelle mesure elle a droit à la subvention, l'entreprise de travail adapté transmet au plus tard un mois après la fin du trimestre un relevé trimestriel de tous les accompagnements en cours et terminés.
  La subvention mentionnée à l'alinéa 1er est exprimée à 100 % de l'indice pivot en vigueur au 1er avril 2022. La composante salariale de ce montant est indexée, dans les limites des crédits budgétaires disponibles, conformément à la loi du 1er mars 1977 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation du Royaume de certaines dépenses dans le secteur public. L'indexation mentionnée à l'alinéa 6 est calculée et appliquée conformément à l'article 2 de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
  Le nouveau montant prend effet à l'issue d'un mois d'attente.
  Afin d'examiner si et dans quelle mesure l'entreprise de travail adapté a droit à une subvention, le Département WSE peut consulter les données nécessaires auprès des sources de données authentiques mentionnées à l'article 5 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 mai 2009 portant exécution des articles III.66, III.67 et III.68 du décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
HOOFDSTUK 4. - Ondersteunende of aanvullende dienstverlening
CHAPITRE 4. - Services d'appui ou complémentaires
Art.69. § 1. De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, kunnen samen, overeenkomstig artikel 35 van het decreet werk- en zorgtrajecten, een subsidie verlenen aan een of meer organisaties die ondersteunende of aanvullende dienstverlening verrichten voor de samenwerkingsverbanden zorg, de begeleiders van arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid of de werkposten, vermeld in artikel 44, § 1, eerste lid.
  De dienstverlening, vermeld in het eerste lid, omvat:
  1° de ondersteunende of aanvullende dienstverlening, in de ruime betekenis, op het vlak van methodiekontwikkeling, begeleiding en coaching, deskundigheidstransfer, innovatief optreden, documentaire onderbouw en kennisopbouw;
  2° de uitvoering van projecten met een experimenteel, aanvullend of vernieuwend karakter, die beantwoorden aan maatschappelijk relevante behoeften op het vlak van arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid of casemanagement zorg.
  De subsidiëring wordt geregeld via een overeenkomst.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepalen samen het subsidiebedrag, de subsidieperiode, de subsidievoorwaarden en de aanvraagprocedure.
  § 2. De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, of de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, kunnen ieder wat hen betreft, overeenkomstig artikel 35 van het decreet werk- en zorgtrajecten, een subsidie verlenen aan een of meer organisaties die ondersteunende of aanvullende dienstverlening verrichten voor de casemanager Werk of de begeleiders van arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, vermeld in artikel 58.
  De dienstverlening, vermeld in het eerste lid, omvat:
  1° de ondersteunende of aanvullende dienstverlening, in de ruime betekenis, op het vlak van methodiekontwikkeling, begeleiding en coaching, deskundigheidstransfer, innovatief optreden, documentaire onderbouw en kennisopbouw;
  2° de tijdelijke ondersteuning van de uitvoering van projecten met een experimenteel, aanvullend of vernieuwend karakter, die beantwoorden aan maatschappelijk relevante behoeften op het vlak van casemanagement Werk of arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, bepalen ieder wat hen betreft het subsidiebedrag, de subsidieperiode, de subsidievoorwaarden en de aanvraagprocedure.
  § 3. De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, kunnen samen, overeenkomstig artikel 35 van het decreet werk- en zorgtrajecten, een subsidie verlenen aan een of meer organisaties die ondersteunende of aanvullende dienstverlening verrichten op het vlak van het casemanagementteam en arbeidsmatige activiteiten.
  De dienstverlening, vermeld in het eerste lid, omvat:
  1° de ondersteunende of aanvullende dienstverlening, in de ruime betekenis, op het vlak van methodiekontwikkeling, begeleiding en coaching, deskundigheidstransfer, innovatief optreden, documentaire onderbouw en kennisopbouw;
  2° de tijdelijke ondersteuning van de uitvoering van projecten met een experimenteel, aanvullend of vernieuwend karakter, die beantwoorden aan maatschappelijk relevante behoeften op het vlak van casemanagementteam of de arbeidsmatige activiteiten.
  De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, de Vlaamse minister bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, bepalen samen het subsidiebedrag, de subsidieperiode, de subsidievoorwaarden en de aanvraagprocedure.
Art.69. § 1er. Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées peuvent accorder conjointement, conformément à l'article 35 du décret parcours de travail et de soins, une subvention à une ou plusieurs organisations qui fournissent des services d'appui ou complémentaires aux partenariats soins, aux accompagnateurs des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, ou aux postes d'emploi mentionnés, à l'article 44, § 1er, alinéa 1er.
  Les services mentionnés à l'alinéa 1er comprennent :
  1° les services d'appui ou complémentaires, au sens large, en termes de développement méthodologique, d'accompagnement et de coaching, de transfert d'expertise, d'action innovante, d'étayage documentaire et de renforcement des connaissances ;
  2° la mise en oeuvre de projets à caractère expérimental, complémentaire ou innovant, qui répondent à des besoins socialement pertinents dans le domaine des activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être ou de la gestion des cas Soins.
  Le subventionnement est réglé par un contrat.
  Le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées déterminent conjointement le montant, la période et les conditions de subvention ainsi que la procédure de demande.
  § 2. Le ministre flamand chargé de l'emploi ou le ministre flamand chargé de l'économie sociale peuvent, chacun en ce qui le concerne, conformément à l'article 35 du décret parcours de travail et de soins, accorder une subvention à une ou plusieurs organisations qui fournissent des services d'appui ou complémentaires au gestionnaire des cas Emploi ou aux accompagnateurs des activités de travail dans l'économie sociale, mentionnés à l'article 58.
  Les services mentionnés à l'alinéa 1er comprennent :
  1° les services d'appui ou complémentaires, au sens large, en termes de développement méthodologique, d'accompagnement et de coaching, de transfert d'expertise, d'action innovante, d'étayage documentaire et de renforcement des connaissances ;
  2° le soutien temporaire à la mise en oeuvre de projets à caractère expérimental, complémentaire ou innovant, qui répondent à des besoins socialement pertinents dans le domaine de la gestion des cas Emploi ou des activités de travail dans l'économie sociale.
  Le ministre flamand chargé de l'emploi et le ministre flamand chargé de l'économie sociale déterminent, chacun en ce qui le concerne, le montant, la période et les conditions de subvention, ainsi que la procédure de demande.
  § 3. Le ministre flamand chargé de l'emploi, le ministre flamand chargé de l'économie sociale, le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées, peuvent accorder conjointement, conformément à l'article 35 du décret parcours de travail et de soins, une subvention à une ou plusieurs organisations qui fournissent des services d'appui ou complémentaires dans le domaine de l'équipe de gestion des cas et des activités de travail.
  Les services mentionnés à l'alinéa 1er comprennent :
  1° les services d'appui ou complémentaires, au sens large, en termes de développement méthodologique, d'accompagnement et de coaching, de transfert d'expertise, d'action innovante, d'étayage documentaire et de renforcement des connaissances ;
  2° le soutien temporaire à la mise en oeuvre de projets à caractère expérimental, complémentaire ou innovant, qui répondent à des besoins socialement pertinents dans le domaine de l'équipe de gestion des cas ou des activités de travail.
  Le ministre flamand chargé de l'emploi, le ministre flamand chargé de l'économie sociale, le ministre flamand chargé du bien-être, le ministre flamand chargé des soins de santé et résidentiels et le ministre flamand chargé des personnes handicapées déterminent conjointement le montant, la période et les conditions de subvention ainsi que la procédure de demande.
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE 5. - Disposition de modification
Art.70. In artikel 5, derde lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2019, wordt de zinsnede "artikel 44 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten, wat betreft de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten" vervangen door de zinsnede "hoofdstuk 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 18 november 2022 houdende de uitvoering van het decreet van 8 juli 2022 over de werk- en zorgtrajecten.".
Art.70. A l'article 5, alinéa 3, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 juin 2016 relatif à l'affectation du budget pour les soins et le soutien non directement accessibles pour personnes handicapées majeures ainsi qu'aux frais liés à l'organisation pour les offreurs de soins autorisés, ajouté par l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 janvier 2019, le membre de phrase " à l'article 44 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2018 portant exécution du décret du 25 avril 2014 portant les parcours de travail et de soins, en ce qui concerne les parcours d'activation et les activités professionnelles " est remplacé par le membre de phrase " au chapitre 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 novembre 2022. portant exécution du décret du 8 juillet 2022 relatif aux parcours de travail et de soins. ".
Art.71. In hoofdstuk III van het besluit de Vlaamse Regering van 18 juli 2008 betreffende de professionele integratie van personen met een arbeidshandicap, het laatst gewijzigd bij het besluit van 15 juli 2022, wordt een afdeling II/4 ingevoegd die luidt als volgt:
  "Afdeling II/4. Tegemoetkoming in de kosten van arbeidsgereedschap en -kledij voor deelnemers arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie, vermeld in hoofdstuk 5 van het decreet van 8 juli 2022 over de werk- en zorgtrajecten ".
Art.71. Dans le chapitre III de l'arrêté du Gouvernement flamand du 18 juillet 2008 relatif à l'intégration professionnelle des personnes atteintes d'un handicap à l'emploi, modifié en dernier lieu par l'arrêté du 15 juillet 2022, il est inséré une section II/4, rédigée comme suit :
  " Section II/4. Intervention dans les frais d'outils et vêtements de travail pour les participants aux activités de travail dans l'économie sociale, au sens du chapitre 5 du décret du 8 juillet 2022 relatif aux parcours de travail et de soins ".
Art.72. In hetzelfde besluit wordt in afdeling II/4, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 8/10 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 8/10. Conform artikel 8/11 en 8/12 komt de VDAB tijdens de duur van de deelname in de arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie tegemoet in de kosten van de aankoop van het arbeidsgereedschap en de arbeidskledij voor de personen met een arbeidshandicap.
  De VDAB blijft eigenaar van het arbeidsgereedschap dat en de arbeidskledij die ter beschikking is gesteld.
  De VDAB kan tijdens de duur van de deelname aan arbeidsmatige activiteiten in de sociale economie ook een tegemoetkoming verlenen in bijkomende kosten voor het gebruik van het persoonlijk materiaal op de werkplek.".
Art.72. Dans le même arrêté, il est inséré dans la section II/4, insérée par l'article 71, un article 8/10, rédigé comme suit :
  " Art. 8/10. Conformément aux articles 8/11 et 8/12, pendant la période de participation aux activités de travail dans l'économie sociale, le VDAB intervient dans les frais d'achat d'outils et vêtements de travail pour les personnes atteintes d'un handicap à l'emploi.
  Le VDAB reste propriétaire des outils de travail et des vêtements de travail mis à disposition.
  Le VDAB peut également intervenir, pendant la période de participation aux activités de travail dans l'économie sociale, dans les frais supplémentaires liés à l'utilisation du matériel personnel sur le lieu de travail. ".
Art.73. In hetzelfde besluit wordt in afdeling II/4, ingevoegd bij artikel 71, een artikel 8/11 ingevoegd, dat luidt als volgt:
  "Art. 8/11. Om aanspraak te maken op de tegemoetkoming, vermeld in artikel 8/10, toont de persoon met een arbeidshandicap aan dat:
  1° het arbeidsgereedschap of de -kledij niet courant gebruikt wordt in de beroepstak waarin hij opgeleid wordt, en rechtstreeks noodzakelijk is of zal zijn voor de uitoefening van zijn professionele activiteit;
  2° de werkgever er niet toe gehouden is de kosten voor de aankoop van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij te dragen, of dat hij van de werkgever het nodige gereedschap of arbeidskledij niet kan krijgen, noch de tegenwaarde in speciën voor de aankoop ervan;
  3° de noodzaak, de gebruiksfrequentie, de werkzaamheid en de doelmatigheid van het arbeidsgereedschap of de arbeidskledij betrekking hebben op de arbeidshandicap, en in verhouding staan tot de gevraagde ondersteuning;
  4° hij zich in een van de volgende gevallen bevindt:
  a) hij woont op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest;
  b) hij woont op het grondgebied van een van de andere lidstaten van de Europese Unie (EU) of van de Europese Economische Ruimte (EER) en werkt op het grondgebied van het Vlaamse Gewest of het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest.".
Art.73. Dans le même arrêté, il est inséré dans la section II/4, insérée par l'article 71, un article 8/11, rédigé comme suit :
  " Art. 8/11. Pour prétendre à l'intervention mentionnée à l'article 8/10, la personne atteinte d'un handicap à l'emploi démontre que :
  1° les outils ou vêtements de travail ne sont pas d'usage courant dans la profession à laquelle il est formé, et sont ou seront directement nécessaires à l'exercice de son activité professionnelle ;
  2° l'employeur n'est pas tenu de supporter les frais d'achat des outils ou vêtements de travail, ou qu'elle ne peut obtenir de l'employeur les outils ou vêtements de travail nécessaires, ni l'équivalent en espèces pour leur achat ;
  3° la nécessité, la fréquence d'utilisation, l'efficacité et l'efficience des outils ou vêtements de travail sont liées au handicap à l'emploi, et sont proportionnées à l'aide demandée ;
  4° elle se trouve dans un des cas suivants :
  a) elle habite sur le territoire de la Région flamande ou de la Région de Bruxelles-Capitale ;
  b) elle habite sur le territoire de l'un des autres Etats-membres de l'Union européenne (UE) ou de l'Espace économique européen (EEE) et travaille sur le territoire de la Région flamande ou de la région de Bruxelles-Capitale. ".
Art.74. In hetzelfde besluit wordt in afdeling II/4 een artikel 8/12 ingevoegd dat luidt als volgt:
  "Art. 8/12. Met behoud van de toepassing van artikel 15 en 16 dekt de tegemoetkoming alleen de bijkomende kosten die de persoon met een arbeidshandicap door zijn handicap moet dragen, ten opzichte van de kosten die een persoon zonder arbeidshandicap voor zijn arbeidsgereedschap en -kledij moet dragen.
  De tegemoetkoming van de VDAB dekt alleen de aanpassingskosten van het arbeidsgereedschap als die volstaan om te kunnen voldoen aan de specifieke behoeften van de persoon met een arbeidshandicap.".
Art.74. Dans le même arrêté, il est inséré dans la section II/4 un article 8/12, rédigé comme suit :
  " Art. 8/12. Sans préjudice de l'application des articles 15 et 16, l'intervention ne couvre que les frais supplémentaires que la personne atteinte d'un handicap à l'emploi doit supporter en raison de son handicap, par rapport aux frais qu'une personne sans handicap à l'emploi doit supporter pour ses outils et vêtements de travail.
  L'intervention du VDAB ne couvre les frais d'adaptation des outils de travail que s'ils sont suffisants pour répondre aux besoins spécifiques de la personne atteinte d'un handicap à l'emploi. ".
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Afdeling 1. - Overgangsbepalingen
Section 1re. - Dispositions transitoires
Art.75. Voor activeringstrajecten die uiterlijk op 30 juni 2023 worden opgestart, blijven de volgende bepalingen gelden tot uiterlijk 31 december 2025 zoals ze van kracht waren voor de inwerkingtreding van dit besluit:
  1° hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, hoofdstuk 3, hoofdstuk 4, met uitzondering van afdeling 5, hoofdstuk 6, hoofdstuk 7, hoofdstuk 8, hoofdstuk 9, en hoofdstuk 10 van het decreet van 25 april 2014;
  2° hoofdstuk 1, hoofdstuk 2, 4 en 5 van het besluit van 2 februari 2018;
  3° het ministerieel besluit van 11 april 2018 tot uitvoering van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten, wat betreft de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten;
  4° het ministerieel besluit van 24 mei 2018 houdende uitvoering van artikel 15 en 16 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 februari 2018 houdende de uitvoering van het decreet van 25 april 2014 houdende de werk- en zorgtrajecten, wat betreft de activeringstrajecten en de arbeidsmatige activiteiten.
  Mandaataanvragen ter in uitvoering van het artikel 10, § 2, van het decreet van 25 april 2014 kunnen worden ingediend tot de datum van inwerkingtreding van artikel 14 van dit besluit.
Art.75. Pour les parcours d'activation commencés au plus tard le 30 juin 2023, les dispositions suivantes continueront à s'appliquer jusqu'au 31 décembre 2025 au plus tard, telles qu'elles étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent arrêté :
  1° chapitre 1er, chapitre 2, chapitre 3, chapitre 4, à l'exclusion de la section 5, chapitre 6, chapitre 7, chapitre 8, chapitre 9, et chapitre 10 du décret du 25 avril 2014 ;
  2° chapitre 1er, chapitres 2, 4 et 5 de l'arrêté du 2 février 2018 ;
  3° l'arrêté ministériel du 11 avril 2018 portant exécution de l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2018 portant exécution du décret du 25 avril 2014 portant les parcours de travail et de soins, en ce qui concerne les parcours d'activation et les activités de travail ;
  4° l'arrêté ministériel du 24 mai 2018 portant exécution des articles 15 et 16 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 2 février 2018 portant exécution du décret du 25 avril 2014 portant les parcours de travail et de soins, en ce qui concerne les parcours d'activation et les activités de travail.
  Les demandes de mandat en exécution de l'article 10, § 2 du décret du 25 avril 2014 peuvent être introduites jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'article 14 du présent arrêté.
Art.76. Voor de begeleiders arbeidsmatige activiteiten, die op 31 december 2023 beschikken over een erkenning als begeleider arbeidsmatige activiteiten, toegekend door het [1 Departement Zorg ]1, met een duurtijd die nog loopt op 1 januari 2024, wordt op 1 januari 2024 van rechtswege de lopende erkenning opgeheven en een erkenning als begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, vermeld in artikel 49, toegekend door het Departement WVG.
  In afwijking van artikel 49, § 2, wordt de erkenning als begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, vermeld in het eerste lid, toegekend voor de resterende duurtijd van de lopende erkenning als begeleider arbeidsmatige activiteiten, vermeld in het eerste lid.
  
Art.76. Pour les accompagnateurs des activités de travail qui, au 31 décembre 2023, disposent d'un agrément en tant qu'accompagnateur d'activités de travail, accordé par le [1 Département Soins ]1, en cours de validité au 1er janvier 2024, l'agrément en cours est résilié de plein droit le 1er janvier 2024 et un agrément en tant qu'accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, tel que mentionné à l'article 49, est accordé par le Département WVG.
  Par dérogation à l'article 49, § 2, l'agrément en tant qu'accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, mentionné à l'alinéa 1er, est accordé pour la durée restante de l'agrément en tant qu'accompagnateur d'activités de travail en cours, mentionné à l'alinéa 1er.
  
Art.77. De aanvragen tot toekenning of verlenging van de erkenning van een begeleider arbeidsmatige activiteiten die voor 1 januari 2024 bij het [1 Departement Zorg]1 zijn ingediend, en waarover het Departement WVG op 31 december 2023 geen beslissing heeft genomen, worden door het [1 Departement Zorg]1 verder behandeld met toepassing van de erkenningsvoorwaarden en de erkenningsprocedure die op 31 december 2023 van toepassing zijn. In geval van een beslissing tot toekenning van de erkenning wordt van rechtswege een erkenning als begeleider arbeidsmatige activiteiten in het kader van het gezondheids- en welzijnsbeleid, vermeld in artikel 49, toegekend door het [1 Departement Zorg]1.
  
Art.77. Les demandes d'octroi ou de renouvellement de l'agrément en tant qu'accompagnateur d'activités de travail, soumises au Département WVG avant le 1er janvier 2024, et sur lesquelles le Département WVG n'a pas encore statué au 31 décembre 2023, continuent à être traitées par le Département WVG selon les conditions et la procédure d'agrément applicables au 31 décembre 2023. En cas de décision d'octroi de l'agrément, le [1 Département Soins ]1 accorde de plein droit l'agrément en tant qu'accompagnateur d'activités de travail dans le cadre de la politique de santé et de bien-être, mentionné à l'article 49.
  
Art.78. In afwijking van artikel 76 en 77 gelden voor de voorzieningen, vermeld in artikel 46, § 1, tweede lid, 1°, f) en j), van het besluit van 2 februari 2018, de volgende overgangsbepalingen:
  1° de erkenning als begeleider arbeidsmatige activiteiten, toegekend door het [1 Departement Zorg]1, eindigt op 31 december 2023;
  2° er kan geen aanvraag tot erkenning of verlenging van de erkenning meer worden ingediend, in afwijking van artikel 46 van het besluit van 2 februari 2018.
  
Art.78. Par dérogation aux articles 76 et 77, les structures mentionnées à l'article 46, § 1er, alinéa 2, 1°, f) et j) de l'arrêté du 2 février 2018 sont soumises aux dispositions transitoires suivantes :
  1° l'agrément en tant qu'accompagnateur d'activités de travail, accordé par le [1 Département Soins ]1, prend fin le 31 décembre 2023 ;
  2° aucune demande d'agrément ou de renouvellement de l'agrément ne peut plus être soumise, par dérogation à l'article 46 de l'arrêté du 2 février 2018.
  
Art.79. De erkende begeleiders arbeidsmatige activiteiten, de werkposten en de deelnemers moeten voor hun lopende overeenkomsten, vermeld in artikel 49 van het besluit van 2 februari 2018, met ingang van 1 januari 2024 te voldoen aan de vereisten van artikel 44, § 2, van dit besluit.
Art.79. A compter du 1er janvier 2024 les accompagnateurs d'activités de travail agréés, les postes d'emploi et les participants doivent répondre aux exigences de l'article 44, § 2, du présent arrêté pour leurs contrats en cours, mentionnés à l'article 49 de l'arrêté du 2 février 2018.
Art.80. De contingenten die uiterlijk op 31 december 2023 zijn toegekend aan maatwerkbedrijven en hun samenwerkingsverbanden overeenkomstig artikel 49/10, eerste lid, van het besluit van 2 februari 2018, blijven van kracht vanaf 1 januari 2024.
Art.80. Les contingents alloués jusqu'au 31 décembre 2023 aux entreprises de travail adapté et à leurs partenariats conformément à l'article 49/10, alinéa 1er, de l'arrêté du 2 février 2018, restent en vigueur après le 1er janvier 2024.
Afdeling 2. - Opheffings- en inwerkingtredingsbepalingen
Section 2. - Dispositions abrogatoires et d'entrée en vigueur
Art.81. Met behoud van de toepassing van artikel 75 en 77 van dit besluit, wordt het besluit van 2 februari 2018, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 juli 2021, opgeheven met ingang van 1 juli 2023, met uitzondering van:
  1° hoofdstuk 1, hoofdstuk 3, hoofdstuk 3/1, hoofdstuk 4 en de bijlage, die worden opgeheven met ingang van 1 januari 2024;
  2° artikel 49/10, dat wordt opgeheven met ingang van 15 juli 2024.
Art.81. Sans préjudice de l'application des articles 75 et 77 du présent arrêté, l'arrêté du 2 février 2018, modifié en dernier lieu par l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 juillet 2021, est abrogé à compter du 1er juillet 2023, à l'exception :
  1° des chapitres 1er, 3, 3/1, 4 et de l'annexe, qui sont abrogés à compter du 1er janvier 2024 ;
  2° de l'article 49/10, qui est abrogé à compter du 15 juillet 2024.
Art.82. Het decreet werk- en zorgtrajecten treedt in werking op 1 juli 2023, met uitzondering van:
  1° artikel 12 en 39, die in werking treden tien dagen na de bekendmaking van dit besluit in het Belgisch Staatsblad;
  2° artikel 13 en 17, die in werking treden op 1 oktober 2022;
  3° artikel 28 tot en met 33, die in werking treden op 1 januari 2024.
  Met behoud van de toepassing van artikel 75 en 77 van dit besluit, wordt het decreet van 25 april 2014, gewijzigd bij de decreten van 19 januari 2018, 8 juni 2018, 15 februari 2019 en 11 maart 2022, opgeheven met ingang van 1 juli 2023, met uitzondering van hoofdstuk 1, hoofdstuk 5, hoofdstuk 7, artikel 44 en artikel 45, die worden opgeheven met ingang van 1 januari 2024.
Art.82. Le décret parcours de travail et de soins entre en vigueur le 1er juillet 2023, à l'exception :
  1° des articles 12 et 39, qui entrent en vigueur dix jours après la publication du présent arrêté au Moniteur belge ;
  2° des articles 13 et 17, qui entrent en vigueur le 1er octobre 2022 ;
  3° des articles 28 à 33, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2024.
  Sans préjudice de l'application des articles 75 et 77 du présent arrêté, le décret du 25 avril 2014, modifié par les décrets des 19 janvier 2018, 8 juin 2018, 15 février 2019 et 11 mars 2022, est abrogé à compter du 1er juillet 2023, à l'exception du chapitre 1er, du chapitre 5, du chapitre 7, de l'article 44 et de l'article 45, qui sont abrogés à compter du 1er janvier 2024.
Art.83. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2023, met uitzondering van:
  1° artikel 7, § 2, artikel 12 tot en met 19 en artikel 75 tot en met 80, die in werking treden tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad;
  2° artikel 7, § 1 en § 3, artikel 22 tot en met 25 en artikel 32, die in werking treden op 1 oktober 2022;
  3° artikel 42 tot en met 68 en artikel 70 tot en met 74, die in werking treden op 1 januari 2024.
Art.83. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2023, à l'exception :
  1° de l'article 7, § 2, des articles 12 à 19 et des articles 75 à 80, qui entrent en vigueur dix jours après leur publication au Moniteur belge ;
  2° de l'article 7, §§ 1er et 3, des articles 22 à 25 et de l'article 32, qui entrent en vigueur le 1er octobre 2022 ;
  3° des articles 42 à 68 et des articles 70 à 74, qui entrent en vigueur le 1er janvier 2024.
Afdeling 3. - Uitvoeringsbepaling
Section 3. - Disposition d'exécution
Art.84. De Vlaamse minister, bevoegd voor werk, de Vlaamse minister, bevoegd voor de sociale economie, de Vlaamse minister, bevoegd voor het welzijn, de Vlaamse minister, bevoegd voor de gezondheids- en woonzorg, en de Vlaamse minister, bevoegd voor de personen met een beperking, zijn, ieder wat hem of haar betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.84. Le ministre flamand qui a l'emploi dans ses attributions, le ministre flamand qui a l'économie sociale dans ses attributions, le ministre flamand qui a le bien-être dans ses attributions, le ministre flamand qui a les soins de santé et les soins résidentiels dans ses attributions, et le ministre flamand qui a les personnes handicapées dans ses attributions, sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.   (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 06-02-2023, p. 19428)
Art. N.   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 06-02-2023, p. 19454)