Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
21 JANUARI 2022. - Scheepvaartdecreet(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 06-05-2022 en tekstbijwerking tot 31-05-2024)
Titre
21 JANVIER 2022. - Décret sur la navigation(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 06-05-2022 et mise à jour au 31-05-2024)
Informations sur le document
Numac: 2022031332
Datum: 2022-01-21
Info du document
Numac: 2022031332
Date: 2022-01-21
Table des matières
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITEL 2. - De scheepvaartwegen
HOOFDSTUK 1. - Taken van het Vlaamse Gewest als...
HOOFDSTUK 2. - Burgerlijke aansprakelijkheid va...
HOOFDSTUK 3. - Instandhouding en functionaliteit
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Ruiming van gestrande, gezonken e...
Afdeling 3. - Jaagpaden
HOOFDSTUK 4. - Openbaar gebruik
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Jaagpaden
Afdeling 3. - Verkeerstekens
Afdeling 4. - Nautische publicaties
HOOFDSTUK 5. - Watercaptatie
TITEL 3. - De scheepvaart
HOOFDSTUK 1. - Reglementering van de scheepvaart
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Afdeling 2. - Algemene meldplicht van schepen
Afdeling 3. - Scheepvaartongevallen
Afdeling 4. - Boorddocumenten
Afdeling 5. - Veiligheid van schepen en bemanni...
Afdeling 6. - Vervoer van gevaarlijke goederen
Afdeling 7. - Bijzondere transporten, evenement...
Afdeling 8. - Innovatie
Afdeling 9. - Laden en lossen van bulkschepen
HOOFDSTUK 2. - Scheepvaartrechten en andere ret...
TITEL 4. - Voorrechten
TITEL 5. - Onderzoeksinstantie voor Scheepvaart...
TITEL 6. - Handhaving
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Toezicht en controle
HOOFDSTUK 3. - Sancties
Afdeling 1. - Strafsancties
Afdeling 2. - Bestuurlijke sancties
HOOFDSTUK 4. - Maatregelen van ambtswege
Afdeling 1. - Ophouden van schepen
Afdeling 2. - Ruiming van gestrande, gezonken e...
Afdeling 3. - Veiligheid van schepen en bemanni...
Afdeling 4. - Vervoer van gevaarlijke goederen
Afdeling 5. - Laden en lossen van bulkschepen
TITEL 7. - Machtigingsbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Internationale verplichtingen
HOOFDSTUK 2. - Reglementen
TITEL 8. - Slotbepalingen
HOOFDSTUK 1. - Wijzigings- en opheffingbepalingen
HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtreding
Table des matières
TITRE 1er. - Dispositions générales
TITRE 2. - Les voies navigables
CHAPITRE 1er. - Tâches de la Région flamande en...
CHAPITRE 2. - Responsabilité civile du gestionn...
CHAPITRE 3. - Préservation et fonctionnalité
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Dégagement des navires échoués, co...
Section 3. - Chemins de halage
CHAPITRE 4. - Utilisation publique
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Chemins de halage
Section 3. - Signalisation
Section 4. - Publications nautiques
CHAPITRE 5. - Prélèvement d'eau
TITRE 3. - La navigation
CHAPITRE 1er. - Réglementation de la navigation
Section 1re. - Dispositions générales
Section 2. - Obligation générale de notificatio...
Section 3. - Accidents maritimes
Section 4. - Documents de bord
Section 5. - Sécurité des navires et prescripti...
Section 6. - Transport de marchandises dangereuses
Section 7. - Transports spéciaux, événements su...
Section 8. - Innovation
Section 9. - Chargement et déchargement de vraq...
CHAPITRE 2. - Droits de navigation et autres re...
TITRE 4. - Privilèges
TITRE 5. - Organisme d'enquête sur les accident...
TITRE 6. - Maintien
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Surveillance et contrôle
CHAPITRE 3. - Sanctions
Section 1re. - Sanctions pénales
Section 2. - Sanctions administratives
CHAPITRE 4. - Mesures d'office
Section 1re. - Arrêt de navires
Section 2. - Dégagement des navires échoués, co...
Section 3. - Sécurité des navires et prescripti...
Section 4. - Transport de marchandises dangereuses
Section 5. - Chargement et déchargement de vraq...
TITRE 7. - Dispositions relatives à l'autorisation
CHAPITRE 1er. - Obligations internationales
CHAPITRE 2. - Règlements
TITRE 8. - Dispositions finales
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives et a...
CHAPITRE 2. - Entrée en vigueur
Tekst (245)
Texte (245)
TITEL 1. - Algemene bepalingen
TITRE 1er. - Dispositions générales
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Art.2. Voor zover in bepaalde hoofdstukken of afdelingen van dit decreet geen afwijkende definities zijn opgenomen, wordt voor de toepassing van dit decreet verstaan onder:
1° bevoegde autoriteit: de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst of de openbare instelling die afhangt van het Vlaamse Gewest, belast met de uitvoering en de handhaving van de bepalingen van dit decreet of delen ervan;
2° bijzonder transport: een schip dat in zodanige staat verkeert of zodanige buitengewone lading vervoert en daarbij zodanige kenmerken vertoont, zoals de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid en de snelheid, die niet verenigbaar zijn met de karakteristieke afmetingen van de vaarweg, de kunstwerken of de andere infrastructuur, waardoor er een ernstige kans bestaat dat het bij de vaart de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengt of schade aan de kunstwerken of de infrastructuur veroorzaakt, dan wel zinkt of lading verliest;
3° binnenschip: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren, met inbegrip van een estuair schip; de teboekstelling van het schip in een register van binnenschepen geldt als vermoeden dat het schip een binnenschip is;
4° binnenwateren: de openbare wateren in het Vlaamse Gewest die voor de scheepvaart kunnen worden gebruikt, daarin begrepen de zeehavens en de kustwateren aan de landzijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
5° capteren: het met om het even welk middel onttrekken van water uit de water weg of de haven;
6° De Vlaamse Waterweg nv: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap, naamloze vennootschap van publiek recht, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
7° estuair schip: een schip dat overeenkomstig een Belgische reglementering beschikt over een certificaat waaruit blijkt dat het voldoet aan de specifieke veiligheidseisen om te varen op de binnenwateren en daarenboven gerechtigd is om te varen in een beperkt vaargebied tussen de Zeeschelde en de havens van de Belgische kust, of tussen deze laatste havens;
8° exploitant: degene die als eigenaar, vruchtgebruiker, rompbevrachter of huurkoper het economisch zeggenschap heeft over het schip;
9° gezagvoerder: ieder die belast is met de leiding van een schip of deze leiding in feite neemt, alsmede ieder die hem rechtmatig vervangt;
10° haven: een plaats of samenhangend gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die dienen of zijn bestemd voor het aanmeren van schepen met het oog op uitwisseling en interactie met de oever, zoals voor het laden en lossen van schepen, voor het in en ontschepen van personen of voor het te water laten of uit het water lichten van schepen;
11° havenbedrijf: een havenbedrijf als vermeld in het decreet van 2 maart 1999 betreffende het beleid en het beheer van de zeehavens;
12° incident: een voorval veroorzaakt door de exploitatie van een schip of in verband daarmee zodat het schip, de lading of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het schip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;
13° jaagpad: de voor het beheer en de exploitatie van de waterwegen dienstige wegen en paden ongeacht hun eigendomsstatuut;
14° luchtkussenvaartuig: elk schip dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water met behulp van een luchtkussen dat in stand wordt gehouden tussen het toestel en het oppervlak van het water of de aarde;
15° nautische publicaties: officiële berichten van de waterwegbeheerder of van een andere autoriteit die zijn gericht aan de gebruikers van een scheepvaartweg, waaronder de Berichten aan de Schipperij, de Bekendmakingen aan de Scheldescheepvaart, de Berichten aan Zeevarenden en de Kennisgevingen en Bekendmakingen;
16° onbeheerd schip: een schip dat zich zonder te zijn verplaatst zestig dagen of meer op dezelfde plaats in de waterweg of in een haven bevindt, zonder het recht te hebben verkregen om hetzij gedurende de gehele periode, hetzij ononderbroken vanaf een bepaald ogenblik binnen die periode op die plaats te mogen stilliggen;
17° openbaar personenvervoer over water: de personenvervoerdiensten van algemeen belang over water, die op permanente en niet-discriminerende basis aan het publiek worden aangeboden, vermeld in het decreet van 26 april 2019 betreffende de basisbereikbaarheid;
18° openbare wateren: alle wateren die overeenkomstig de toepasselijke reglementen voor het openbaar verkeer openstaan, ongeacht of zij behoren tot een maritiem rechtsgebied of tot de binnenwateren;
19° passagiersschip: een schip ingericht of gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
20° pleziervaartuig: elk schip dat bestemd is voor sportieve of recreatieve doeleinden met uitsluiting van de passagiersschepen;
21° reis: elke verplaatsing van een schip tussen twee havens;
22° scheepsbestanddeel: al hetgeen onderdeel van een schip uitmaakt, in het bijzonder:
a) de romp, de opbouw, de masten, het roer en de overige stuurinrichting;
b) de bijzaken die zodanig met een schip worden verbonden dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat aan hen of aan het schip beschadiging van betekenis wordt toegebracht;
c) de definitief ingebouwde voortbewegingswerktuigen, ladingbehandelingstuigen en inrichtingen en andere werktuigen;
23° scheepstoebehoren: de zich aan boord bevindende, voor het normale gebruik van het schip nodige of nuttige verbruiksgoederen, alsmede de zaken, met uitsluiting van scheepsbestanddelen, die aan boord zijn gebracht om het schip duurzaam te dienen, in het bijzonder wanneer:
a) hun aanwezigheid aan boord is opgelegd door regelgeving; of
b) zij door hun vorm als zodanig zijn te herkennen; of
c) zij nodig of nuttig zijn voor het normale gebruik van het schip;
24° schip: elk tuig of samenstel van tuigen, met of zonder eigen beweegkracht, met of zonder waterverplaatsing, dat drijft of heeft gedreven en dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen doch met uitsluiting van vaste tuigen;
25° verkeer te water: elke, zelfs stationaire vorm van deelname aan het verkeer in, onder of over openbare wateren;
26° vast tuig: elk tuig dat zijn geschiktheid als middel van verkeer te water heeft verloren doordat het blijvend met het land of de bodem is verbonden;
27° veer: een schip dat op geregelde tijdstippen, al dan niet met winstoogmerk, heen en weer vaart binnen een haven, tussen twee oevers van een waterweg of tussen een oever en een eiland in de waterweg om personen of goederen over te zetten en dat toelating gekregen heeft van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf;
28° verkeersteken: een teken of combinatie van tekens waarmee inlichtingen worden gegeven over de toestand van de waterweg, de haven of een deel ervan, of waarbij een aanbeveling, gebod of verbod wordt gericht tot de gebruikers van de waterweg of de haven, alsmede de voorwerpen aangebracht met het oog op de markering van de vaarweg of de signalisatie van sluizen, bruggen of andere kunstwerken;
29° watergebonden gebied: het geheel van de gronden die aan of in de nabije omgeving van de waterwegen liggen, zoals dit door de Vlaamse Regering in een besluit nader wordt omschreven;
30° waterweg: een in het Vlaamse Gewest gelegen bevaarbare waterloop of kanaal, met inbegrip van aanhorigheden, maar met uitsluiting van de wateren gelegen in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven;
31° waterwegbeheerder: de overheid die een of meer waterwegen, of de kustwateren aan de landzijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, beheert of haar gemachtigde;
32° waterwegklasse: de klasse van een waterweg of van havenwateren overeenkomstig de classificatie van Europese binnenwateren zoals vastgesteld in resolutie nr. 30 van 12 november 1992 van de UNECE, zoals opgenomen als bijlage in het decreet van 19 december 2008 betreffende de River Information Services op de binnenwateren;
33° woonvaartuig: een schip of een drijvend vast tuig dat als hoofdbestemming voor bewoning is ingericht en als hoofdverblijfplaats dienstig is;
34° zeeschip: elk schip dat geen binnenschip is.
1° bevoegde autoriteit: de door de Vlaamse Regering aangewezen dienst of de openbare instelling die afhangt van het Vlaamse Gewest, belast met de uitvoering en de handhaving van de bepalingen van dit decreet of delen ervan;
2° bijzonder transport: een schip dat in zodanige staat verkeert of zodanige buitengewone lading vervoert en daarbij zodanige kenmerken vertoont, zoals de lengte, de breedte, de hoogte boven water, de diepgang, de manoeuvreerbaarheid en de snelheid, die niet verenigbaar zijn met de karakteristieke afmetingen van de vaarweg, de kunstwerken of de andere infrastructuur, waardoor er een ernstige kans bestaat dat het bij de vaart de veiligheid van de scheepvaart in gevaar brengt of schade aan de kunstwerken of de infrastructuur veroorzaakt, dan wel zinkt of lading verliest;
3° binnenschip: een schip dat uitsluitend of overwegend bestemd is voor de vaart op de binnenwateren, met inbegrip van een estuair schip; de teboekstelling van het schip in een register van binnenschepen geldt als vermoeden dat het schip een binnenschip is;
4° binnenwateren: de openbare wateren in het Vlaamse Gewest die voor de scheepvaart kunnen worden gebruikt, daarin begrepen de zeehavens en de kustwateren aan de landzijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten;
5° capteren: het met om het even welk middel onttrekken van water uit de water weg of de haven;
6° De Vlaamse Waterweg nv: het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap, naamloze vennootschap van publiek recht, vermeld in artikel 3, § 1, van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
7° estuair schip: een schip dat overeenkomstig een Belgische reglementering beschikt over een certificaat waaruit blijkt dat het voldoet aan de specifieke veiligheidseisen om te varen op de binnenwateren en daarenboven gerechtigd is om te varen in een beperkt vaargebied tussen de Zeeschelde en de havens van de Belgische kust, of tussen deze laatste havens;
8° exploitant: degene die als eigenaar, vruchtgebruiker, rompbevrachter of huurkoper het economisch zeggenschap heeft over het schip;
9° gezagvoerder: ieder die belast is met de leiding van een schip of deze leiding in feite neemt, alsmede ieder die hem rechtmatig vervangt;
10° haven: een plaats of samenhangend gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die dienen of zijn bestemd voor het aanmeren van schepen met het oog op uitwisseling en interactie met de oever, zoals voor het laden en lossen van schepen, voor het in en ontschepen van personen of voor het te water laten of uit het water lichten van schepen;
11° havenbedrijf: een havenbedrijf als vermeld in het decreet van 2 maart 1999 betreffende het beleid en het beheer van de zeehavens;
12° incident: een voorval veroorzaakt door de exploitatie van een schip of in verband daarmee zodat het schip, de lading of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het schip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;
13° jaagpad: de voor het beheer en de exploitatie van de waterwegen dienstige wegen en paden ongeacht hun eigendomsstatuut;
14° luchtkussenvaartuig: elk schip dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water met behulp van een luchtkussen dat in stand wordt gehouden tussen het toestel en het oppervlak van het water of de aarde;
15° nautische publicaties: officiële berichten van de waterwegbeheerder of van een andere autoriteit die zijn gericht aan de gebruikers van een scheepvaartweg, waaronder de Berichten aan de Schipperij, de Bekendmakingen aan de Scheldescheepvaart, de Berichten aan Zeevarenden en de Kennisgevingen en Bekendmakingen;
16° onbeheerd schip: een schip dat zich zonder te zijn verplaatst zestig dagen of meer op dezelfde plaats in de waterweg of in een haven bevindt, zonder het recht te hebben verkregen om hetzij gedurende de gehele periode, hetzij ononderbroken vanaf een bepaald ogenblik binnen die periode op die plaats te mogen stilliggen;
17° openbaar personenvervoer over water: de personenvervoerdiensten van algemeen belang over water, die op permanente en niet-discriminerende basis aan het publiek worden aangeboden, vermeld in het decreet van 26 april 2019 betreffende de basisbereikbaarheid;
18° openbare wateren: alle wateren die overeenkomstig de toepasselijke reglementen voor het openbaar verkeer openstaan, ongeacht of zij behoren tot een maritiem rechtsgebied of tot de binnenwateren;
19° passagiersschip: een schip ingericht of gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers;
20° pleziervaartuig: elk schip dat bestemd is voor sportieve of recreatieve doeleinden met uitsluiting van de passagiersschepen;
21° reis: elke verplaatsing van een schip tussen twee havens;
22° scheepsbestanddeel: al hetgeen onderdeel van een schip uitmaakt, in het bijzonder:
a) de romp, de opbouw, de masten, het roer en de overige stuurinrichting;
b) de bijzaken die zodanig met een schip worden verbonden dat zij daarvan niet kunnen worden afgescheiden zonder dat aan hen of aan het schip beschadiging van betekenis wordt toegebracht;
c) de definitief ingebouwde voortbewegingswerktuigen, ladingbehandelingstuigen en inrichtingen en andere werktuigen;
23° scheepstoebehoren: de zich aan boord bevindende, voor het normale gebruik van het schip nodige of nuttige verbruiksgoederen, alsmede de zaken, met uitsluiting van scheepsbestanddelen, die aan boord zijn gebracht om het schip duurzaam te dienen, in het bijzonder wanneer:
a) hun aanwezigheid aan boord is opgelegd door regelgeving; of
b) zij door hun vorm als zodanig zijn te herkennen; of
c) zij nodig of nuttig zijn voor het normale gebruik van het schip;
24° schip: elk tuig of samenstel van tuigen, met of zonder eigen beweegkracht, met of zonder waterverplaatsing, dat drijft of heeft gedreven en dat wordt gebruikt of geschikt is om te worden gebruikt als middel van verkeer te water, met inbegrip van luchtkussenvaartuigen doch met uitsluiting van vaste tuigen;
25° verkeer te water: elke, zelfs stationaire vorm van deelname aan het verkeer in, onder of over openbare wateren;
26° vast tuig: elk tuig dat zijn geschiktheid als middel van verkeer te water heeft verloren doordat het blijvend met het land of de bodem is verbonden;
27° veer: een schip dat op geregelde tijdstippen, al dan niet met winstoogmerk, heen en weer vaart binnen een haven, tussen twee oevers van een waterweg of tussen een oever en een eiland in de waterweg om personen of goederen over te zetten en dat toelating gekregen heeft van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf;
28° verkeersteken: een teken of combinatie van tekens waarmee inlichtingen worden gegeven over de toestand van de waterweg, de haven of een deel ervan, of waarbij een aanbeveling, gebod of verbod wordt gericht tot de gebruikers van de waterweg of de haven, alsmede de voorwerpen aangebracht met het oog op de markering van de vaarweg of de signalisatie van sluizen, bruggen of andere kunstwerken;
29° watergebonden gebied: het geheel van de gronden die aan of in de nabije omgeving van de waterwegen liggen, zoals dit door de Vlaamse Regering in een besluit nader wordt omschreven;
30° waterweg: een in het Vlaamse Gewest gelegen bevaarbare waterloop of kanaal, met inbegrip van aanhorigheden, maar met uitsluiting van de wateren gelegen in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven;
31° waterwegbeheerder: de overheid die een of meer waterwegen, of de kustwateren aan de landzijde van de basislijn van waar de breedte van de territoriale zee wordt gemeten, beheert of haar gemachtigde;
32° waterwegklasse: de klasse van een waterweg of van havenwateren overeenkomstig de classificatie van Europese binnenwateren zoals vastgesteld in resolutie nr. 30 van 12 november 1992 van de UNECE, zoals opgenomen als bijlage in het decreet van 19 december 2008 betreffende de River Information Services op de binnenwateren;
33° woonvaartuig: een schip of een drijvend vast tuig dat als hoofdbestemming voor bewoning is ingericht en als hoofdverblijfplaats dienstig is;
34° zeeschip: elk schip dat geen binnenschip is.
Art.2. Dans la mesure où des définitions différentes ne figurent pas dans certains chapitres ou sections du présent décret, les définitions suivantes s'appliquent aux fins du présent décret :
1° autorité compétente : le service désigné par le Gouvernement flamand ou l'organisme public dépendant de la Région flamande, chargé de la mise en oeuvre et du maintien des dispositions du présent décret ou de parties de celui-ci ;
2° transport spécial : un navire dans un tel état ou transportant une telle charge exceptionnelle et présentant de telles caractéristiques, telles que la longueur, la largeur, la hauteur au-dessus de l'eau, le tirant d'eau, la manoeuvrabilité et la vitesse, qui sont incompatibles avec les dimensions caractéristiques de la voie navigable, des ouvrages d'art ou des autres infrastructures, de sorte qu'il existe un risque sérieux que, pendant la navigation, il compromette la sécurité de la navigation ou cause des dommages aux ouvrages d'art ou aux infrastructures, ou qu'il coule ou perde sa cargaison ;
3° bateau de navigation intérieure : un bateau destiné exclusivement ou principalement à la navigation sur les voies navigables intérieures, y compris un bateau d'estuaire ; l'enregistrement du bateau dans un registre de bateaux de navigation intérieure constitue une présomption que le bateau est un bateau de navigation intérieure ;
4° voies navigables intérieures : les eaux publiques en Région flamande qui peuvent être utilisées pour la navigation, y compris les ports maritimes et les eaux côtières du côté terre de la ligne de base à partir de laquelle la largeur de la mer territoriale est mesurée ;
5° prélèvement : le prélèvement d'eau dans la voie navigable ou le port par quelque moyen que ce soit ;
6° De Vlaamse Waterweg nv (" Les Voies navigables flamandes sa ") : l'agence autonomisée externe de droit public, société anonyme de droit public visée à l'article 3, § 1, du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public " De Vlaamse Waterweg nv ", société anonyme de droit public ;
7° navire estuaire : un navire qui, conformément à la réglementation belge, dispose d'un certificat prouvant qu'il satisfait aux exigences spécifiques de sécurité pour la navigation sur les voies navigables intérieures et qui est en outre autorisé à naviguer dans une zone de navigation limitée entre l'Escaut maritime et les ports de la côte belge, ou entre ces derniers ;
8° exploitant ; la personne qui, en tant que propriétaire, usufruitier, affréteur coque nue ou locataire-acheteur, a le contrôle économique du navire ;
9° commandant : toute personne qui a la charge d'un navire ou qui en prend effectivement la charge, ainsi que toute personne qui prend légalement sa place ;
10° port : un lieu ou une zone cohérente avec des travaux d'amélioration et des installations servant ou destinés à servir à l'amarrage des navires à des fins d'échange et d'interaction avec la berge, comme pour le chargement et le déchargement des navires, l'embarquement et le débarquement des personnes ou le lancement et le renflouement des navires ;
11° régie portuaire : une régie portuaire telle que visée au décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes ;
12° incident : Une survenance causée par l'exploitation d'un navire ou en rapport avec celui-ci, qui met en danger le navire, la cargaison ou une personne ou qui pourrait causer des dommages graves soit au navire ou à sa construction, soit à l'environnement ;
13° chemin de halage : les routes et sentiers utilisés pour la gestion et l'exploitation des voies navigables, quel que soit leur statut de propriété ;
14° aéroglisseur : tout navire utilisé ou pouvant être utilisé comme moyen de transport par voie d'eau au moyen d'un coussin d'air maintenu entre l'engin et la surface de l'eau ou de la terre ;
15° publications nautiques : les avis officiels du gestionnaire de voies navigables ou d'une autre autorité qui sont adressés aux usagers d'une voie navigable, notamment les " Berichten aan de Schipperij " (Avis à la Batellerie), les " Bekendmakingen aan de Scheldescheepvaart " (Notifications à la Navigation sur l'Escaut), les " Berichten aan de Zeevarenden " (Avis aux Marins) et les " Kennisgevingen en Bekendmakingen " (Notifications et Publications) ;
16° navire non surveillé : un navire qui, sans être déplacé, se trouve dans la voie d'eau ou dans un port pendant soixante jours ou plus au même endroit, sans avoir obtenu le droit de s'immobiliser à cet endroit, soit pendant toute la période, soit de manière ininterrompue à partir d'un moment donné au cours de cette période ;
17° le transport public de personnes par voie d'eau : les services de transport de personnes d'intérêt général par voie d'eau, offerts au public de manière permanente et non discriminatoire visés à l'arrêté du 26 avril 2019 relatif à l'accessibilité de base ;
18° eaux publiques : toutes les eaux ouvertes à la circulation publique conformément aux règlements applicables, qu'elles appartiennent à une juridiction maritime ou aux voies navigables intérieures ;
19° navire à passagers : un navire conçu ou utilisé pour transporter plus de douze passagers ;
20° bateau de plaisance : tout navire conçu à des fins sportives ou récréatives, à l'exclusion des navires à passagers ;
21° voyage : tout déplacement d'un navire entre deux ports ;
22° composante du navire : tout ce qui fait partie d'un navire, en particulier :
a) la coque, la superstructure, les mâts, le gouvernail et les autres équipements de pilotage ;
b) les éléments auxiliaires qui sont fixés à un navire de telle manière qu'ils ne peuvent en être séparés sans causer des dommages importants à celui-ci ou au navire ;
c) les machines de propulsion, les équipements et dispositifs de manutention des cargaisons et autres outils installés de manière permanente ;
23° accessoires du navire : les biens de consommation nécessaires ou utiles à l'usage normal du navire, se trouvant à bord, ainsi que les biens, à l'exclusion des éléments constitutifs du navire, mis à bord pour servir le navire de manière durable, notamment lorsque :
a) leur présence à bord est requise par la réglementation ; ou
b) ils sont reconnaissables en tant que tels par leur forme ; ou
c) ils sont nécessaires ou utiles à l'usage normal du navire ;
24° navire : tout gréement ou ensemble de gréements, autopropulsé ou non, flottant ou ayant bougé, utilisé ou pouvant être utilisé comme moyen de transport par eau, y compris les aéroglisseurs mais à l'exclusion des gréements fixes ;
25° navigation : toute forme de participation, même stationnaire, à la circulation dans, sous ou au-dessus des eaux publiques ;
26° gréement fixe : tout gréement qui a perdu son aptitude à circuler sur l'eau en raison de son rattachement permanent au sol ou au sol ;
27° bac : un navire qui fait régulièrement des allers et retours dans un port, entre deux rives d'une voie navigable ou entre une rive et une île de la voie navigable pour transférer des personnes ou des marchandises, dans un but lucratif ou non, et qui a été autorisé par le gestionnaire des voies navigables ou l'entreprise portuaire ;
28° signalisation : tout panneau ou combinaison de panneaux destinés à donner des informations sur l'état de la voie navigable, du port ou d'une partie ou à imposer une recommandation, un ordre ou une interdiction aux usagers de la voie navigable ou du port, ainsi que les objets destinés à marquer la voie navigable ou à indiquer les écluses, ponts ou autres ouvrages d'art ;
29° zone proche de l'eau : l'ensemble des terrains situés sur ou à proximité des voies navigables, tels que définis par le Gouvernement flamand dans un arrêté ;
30° voie navigable : un cours d'eau ou canal navigable, y compris ses dépendances, situé en Région flamande, mais à l'exclusion des eaux situées dans les zones portuaires gérées et exploitées par les régies portuaires ;
31° gestionnaire des voies navigables : l'autorité qui gère une ou plusieurs voies navigables, ou les eaux côtières du côté terre de la ligne de base à partir de laquelle la largeur de la mer territoriale est mesurée, ou son mandataire ;
32° classe de voie navigable : la classe d'une voie navigable ou des eaux portuaires conformément à la classification des voies navigables intérieures européennes telle qu'établie dans la résolution n° 30 de la CEE-ONU du 12 novembre 1992, annexée au décret du 19 décembre 2008 relatif aux Services d'information fluviale sur les voies navigables ;
33° péniche : un navire ou une plate-forme fixe flottante qui est conçu pour l'habitation et qui sert de résidence principale ;
34° navire de mer : tout navire qui n'est pas un bateau de navigation intérieure.
1° autorité compétente : le service désigné par le Gouvernement flamand ou l'organisme public dépendant de la Région flamande, chargé de la mise en oeuvre et du maintien des dispositions du présent décret ou de parties de celui-ci ;
2° transport spécial : un navire dans un tel état ou transportant une telle charge exceptionnelle et présentant de telles caractéristiques, telles que la longueur, la largeur, la hauteur au-dessus de l'eau, le tirant d'eau, la manoeuvrabilité et la vitesse, qui sont incompatibles avec les dimensions caractéristiques de la voie navigable, des ouvrages d'art ou des autres infrastructures, de sorte qu'il existe un risque sérieux que, pendant la navigation, il compromette la sécurité de la navigation ou cause des dommages aux ouvrages d'art ou aux infrastructures, ou qu'il coule ou perde sa cargaison ;
3° bateau de navigation intérieure : un bateau destiné exclusivement ou principalement à la navigation sur les voies navigables intérieures, y compris un bateau d'estuaire ; l'enregistrement du bateau dans un registre de bateaux de navigation intérieure constitue une présomption que le bateau est un bateau de navigation intérieure ;
4° voies navigables intérieures : les eaux publiques en Région flamande qui peuvent être utilisées pour la navigation, y compris les ports maritimes et les eaux côtières du côté terre de la ligne de base à partir de laquelle la largeur de la mer territoriale est mesurée ;
5° prélèvement : le prélèvement d'eau dans la voie navigable ou le port par quelque moyen que ce soit ;
6° De Vlaamse Waterweg nv (" Les Voies navigables flamandes sa ") : l'agence autonomisée externe de droit public, société anonyme de droit public visée à l'article 3, § 1, du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public " De Vlaamse Waterweg nv ", société anonyme de droit public ;
7° navire estuaire : un navire qui, conformément à la réglementation belge, dispose d'un certificat prouvant qu'il satisfait aux exigences spécifiques de sécurité pour la navigation sur les voies navigables intérieures et qui est en outre autorisé à naviguer dans une zone de navigation limitée entre l'Escaut maritime et les ports de la côte belge, ou entre ces derniers ;
8° exploitant ; la personne qui, en tant que propriétaire, usufruitier, affréteur coque nue ou locataire-acheteur, a le contrôle économique du navire ;
9° commandant : toute personne qui a la charge d'un navire ou qui en prend effectivement la charge, ainsi que toute personne qui prend légalement sa place ;
10° port : un lieu ou une zone cohérente avec des travaux d'amélioration et des installations servant ou destinés à servir à l'amarrage des navires à des fins d'échange et d'interaction avec la berge, comme pour le chargement et le déchargement des navires, l'embarquement et le débarquement des personnes ou le lancement et le renflouement des navires ;
11° régie portuaire : une régie portuaire telle que visée au décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes ;
12° incident : Une survenance causée par l'exploitation d'un navire ou en rapport avec celui-ci, qui met en danger le navire, la cargaison ou une personne ou qui pourrait causer des dommages graves soit au navire ou à sa construction, soit à l'environnement ;
13° chemin de halage : les routes et sentiers utilisés pour la gestion et l'exploitation des voies navigables, quel que soit leur statut de propriété ;
14° aéroglisseur : tout navire utilisé ou pouvant être utilisé comme moyen de transport par voie d'eau au moyen d'un coussin d'air maintenu entre l'engin et la surface de l'eau ou de la terre ;
15° publications nautiques : les avis officiels du gestionnaire de voies navigables ou d'une autre autorité qui sont adressés aux usagers d'une voie navigable, notamment les " Berichten aan de Schipperij " (Avis à la Batellerie), les " Bekendmakingen aan de Scheldescheepvaart " (Notifications à la Navigation sur l'Escaut), les " Berichten aan de Zeevarenden " (Avis aux Marins) et les " Kennisgevingen en Bekendmakingen " (Notifications et Publications) ;
16° navire non surveillé : un navire qui, sans être déplacé, se trouve dans la voie d'eau ou dans un port pendant soixante jours ou plus au même endroit, sans avoir obtenu le droit de s'immobiliser à cet endroit, soit pendant toute la période, soit de manière ininterrompue à partir d'un moment donné au cours de cette période ;
17° le transport public de personnes par voie d'eau : les services de transport de personnes d'intérêt général par voie d'eau, offerts au public de manière permanente et non discriminatoire visés à l'arrêté du 26 avril 2019 relatif à l'accessibilité de base ;
18° eaux publiques : toutes les eaux ouvertes à la circulation publique conformément aux règlements applicables, qu'elles appartiennent à une juridiction maritime ou aux voies navigables intérieures ;
19° navire à passagers : un navire conçu ou utilisé pour transporter plus de douze passagers ;
20° bateau de plaisance : tout navire conçu à des fins sportives ou récréatives, à l'exclusion des navires à passagers ;
21° voyage : tout déplacement d'un navire entre deux ports ;
22° composante du navire : tout ce qui fait partie d'un navire, en particulier :
a) la coque, la superstructure, les mâts, le gouvernail et les autres équipements de pilotage ;
b) les éléments auxiliaires qui sont fixés à un navire de telle manière qu'ils ne peuvent en être séparés sans causer des dommages importants à celui-ci ou au navire ;
c) les machines de propulsion, les équipements et dispositifs de manutention des cargaisons et autres outils installés de manière permanente ;
23° accessoires du navire : les biens de consommation nécessaires ou utiles à l'usage normal du navire, se trouvant à bord, ainsi que les biens, à l'exclusion des éléments constitutifs du navire, mis à bord pour servir le navire de manière durable, notamment lorsque :
a) leur présence à bord est requise par la réglementation ; ou
b) ils sont reconnaissables en tant que tels par leur forme ; ou
c) ils sont nécessaires ou utiles à l'usage normal du navire ;
24° navire : tout gréement ou ensemble de gréements, autopropulsé ou non, flottant ou ayant bougé, utilisé ou pouvant être utilisé comme moyen de transport par eau, y compris les aéroglisseurs mais à l'exclusion des gréements fixes ;
25° navigation : toute forme de participation, même stationnaire, à la circulation dans, sous ou au-dessus des eaux publiques ;
26° gréement fixe : tout gréement qui a perdu son aptitude à circuler sur l'eau en raison de son rattachement permanent au sol ou au sol ;
27° bac : un navire qui fait régulièrement des allers et retours dans un port, entre deux rives d'une voie navigable ou entre une rive et une île de la voie navigable pour transférer des personnes ou des marchandises, dans un but lucratif ou non, et qui a été autorisé par le gestionnaire des voies navigables ou l'entreprise portuaire ;
28° signalisation : tout panneau ou combinaison de panneaux destinés à donner des informations sur l'état de la voie navigable, du port ou d'une partie ou à imposer une recommandation, un ordre ou une interdiction aux usagers de la voie navigable ou du port, ainsi que les objets destinés à marquer la voie navigable ou à indiquer les écluses, ponts ou autres ouvrages d'art ;
29° zone proche de l'eau : l'ensemble des terrains situés sur ou à proximité des voies navigables, tels que définis par le Gouvernement flamand dans un arrêté ;
30° voie navigable : un cours d'eau ou canal navigable, y compris ses dépendances, situé en Région flamande, mais à l'exclusion des eaux situées dans les zones portuaires gérées et exploitées par les régies portuaires ;
31° gestionnaire des voies navigables : l'autorité qui gère une ou plusieurs voies navigables, ou les eaux côtières du côté terre de la ligne de base à partir de laquelle la largeur de la mer territoriale est mesurée, ou son mandataire ;
32° classe de voie navigable : la classe d'une voie navigable ou des eaux portuaires conformément à la classification des voies navigables intérieures européennes telle qu'établie dans la résolution n° 30 de la CEE-ONU du 12 novembre 1992, annexée au décret du 19 décembre 2008 relatif aux Services d'information fluviale sur les voies navigables ;
33° péniche : un navire ou une plate-forme fixe flottante qui est conçu pour l'habitation et qui sert de résidence principale ;
34° navire de mer : tout navire qui n'est pas un bateau de navigation intérieure.
Art.3. Behoudens uitdrukkelijke andersluidende bepaling, zijn titel 2 en 3 van dit decreet van toepassing op de binnenwateren.
De Vlaamse Regering kan de binnenwateren waarop titel 2 en 3 van dit decreet toepassing vinden in een besluit oplijsten en, waar nodig, nader omschrijven.
De Vlaamse Regering kan de binnenwateren waarop titel 2 en 3 van dit decreet toepassing vinden in een besluit oplijsten en, waar nodig, nader omschrijven.
Art.3. Sauf disposition contraire explicite, les titres 2 et 3 du présent décret s'appliquent aux voies navigables intérieures.
Le Gouvernement flamand peut préciser dans un arrêté les voies navigables auxquelles s'appliquent les titres 2 et 3 du présent décret et les définir plus en détail, si nécessaire.
Le Gouvernement flamand peut préciser dans un arrêté les voies navigables auxquelles s'appliquent les titres 2 et 3 du présent décret et les définir plus en détail, si nécessaire.
Art.4. In zoverre zij niet bij decreet werden bepaald, wijst de Vlaamse Regering de bevoegde autoriteiten aan die belast zijn met de uitvoering en de handhaving van de bepalingen van dit decreet of delen ervan.
Art.4. Pour autant qu'elles n'aient pas été fixées par décret, le Gouvernement flamand désigne les autorités compétentes chargées de la mise en oeuvre et du maintien des dispositions du présent décret ou de parties de celui-ci.
Art.5. Voor zover in dit decreet geen expliciete wijzigingsbepaling is opgenomen, geldt onderhavig decreet met behoud van de toepassing van:
1° de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij en zijn uitvoeringsbesluiten;
2° artikel 3bis en 10, § 3, van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen;
3° het decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende de brevetten van havenloods, bootman en diepzeeloods en zijn uitvoeringsbesluiten;
4° het decreet van 2 maart 1999 betreffende het beleid en het beheer van de zeehavens en zijn uitvoeringsbesluiten;
5° het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
6° het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en zijn uitvoeringsbesluiten;
7° het decreet van 19 december 2008 betreffende de River Information Services op de binnenwateren en zijn uitvoeringsbesluiten.
Dit decreet geldt met behoud van de toepassing van de volkenrechtelijke en Unierechtelijke rechten en verplichtingen van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de erin geregelde aangelegenheden. In het bijzonder doet dit decreet geen afbreuk aan het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005.
1° de wet van 1 juli 1954 op de riviervisserij en zijn uitvoeringsbesluiten;
2° artikel 3bis en 10, § 3, van de wet van 3 november 1967 betreffende het loodsen van zeevaartuigen;
3° het decreet van 19 april 1995 betreffende de organisatie en de werking van de loodsdienst van het Vlaamse Gewest en betreffende de brevetten van havenloods, bootman en diepzeeloods en zijn uitvoeringsbesluiten;
4° het decreet van 2 maart 1999 betreffende het beleid en het beheer van de zeehavens en zijn uitvoeringsbesluiten;
5° het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht;
6° het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en zijn uitvoeringsbesluiten;
7° het decreet van 19 december 2008 betreffende de River Information Services op de binnenwateren en zijn uitvoeringsbesluiten.
Dit decreet geldt met behoud van de toepassing van de volkenrechtelijke en Unierechtelijke rechten en verplichtingen van het Vlaamse Gewest met betrekking tot de erin geregelde aangelegenheden. In het bijzonder doet dit decreet geen afbreuk aan het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005.
Art.5. Dans la mesure où le présent décret ne contient aucune disposition modificative explicite, le présent décret s'applique sans préjudice de l'application :
1° de la loi du 1 juillet 1954 sur la pêche fluviale et ses arrêtés d'exécution;
2° des articles 3bis et 10, § 3, de la loi du 3 novembre 1967 sur le pilotage des bâtiments de mer ;
3° du décret du 19 avril 1995 relatif à l'organisation et au fonctionnement du service de pilotage de la Région flamande et relatif aux brevets de pilote de port, de maître d'équipage et de pilote de haute mer et ses arrêtés d'exécution ;
4° du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes et ses arrêtés d'exécution ;
5° du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public " De Vlaamse Waterweg nv ", société anonyme de droit public ;
6° du décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du Centre de Coordination et de Sauvetage maritimes et ses arrêtés d'exécution ;
7° du décret du 19 décembre 2008 relatif aux Services d'information fluviale sur les voies navigables intérieures et ses arrêtés d'exécution.
Le présent décret s'applique sans préjudice de l'application des droits et obligations de la Région flamande en droit international et de l'Union en ce qui concerne les matières qui y sont réglées. En particulier, le présent décret ne porte pas atteinte à la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande relative à la gestion nautique commune dans la région de l'Escaut, signée à Middelburg le 21 décembre 2005.
1° de la loi du 1 juillet 1954 sur la pêche fluviale et ses arrêtés d'exécution;
2° des articles 3bis et 10, § 3, de la loi du 3 novembre 1967 sur le pilotage des bâtiments de mer ;
3° du décret du 19 avril 1995 relatif à l'organisation et au fonctionnement du service de pilotage de la Région flamande et relatif aux brevets de pilote de port, de maître d'équipage et de pilote de haute mer et ses arrêtés d'exécution ;
4° du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes et ses arrêtés d'exécution ;
5° du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public " De Vlaamse Waterweg nv ", société anonyme de droit public ;
6° du décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du Centre de Coordination et de Sauvetage maritimes et ses arrêtés d'exécution ;
7° du décret du 19 décembre 2008 relatif aux Services d'information fluviale sur les voies navigables intérieures et ses arrêtés d'exécution.
Le présent décret s'applique sans préjudice de l'application des droits et obligations de la Région flamande en droit international et de l'Union en ce qui concerne les matières qui y sont réglées. En particulier, le présent décret ne porte pas atteinte à la convention entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande relative à la gestion nautique commune dans la région de l'Escaut, signée à Middelburg le 21 décembre 2005.
TITEL 2. - De scheepvaartwegen
TITRE 2. - Les voies navigables
HOOFDSTUK 1. - Taken van het Vlaamse Gewest als waterwegbeheerder
CHAPITRE 1er. - Tâches de la Région flamande en tant que gestionnaire des voies navigables
Art.6. Met behoud van de toepassing van de overige bepalingen van dit decreet, en onder voorbehoud van de bepalingen van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, staat het Vlaamse Gewest als waterwegbeheerder in voor het beheer en de exploitatie van de waterweg en het watergebonden gebied.
Deze taak kan onder meer de volgende activiteiten omvatten:
1° het bouwen, vernieuwen, onderhouden, herstellen, bedienen en uitrusten van de sluizen, bruggen en stuwen;
2° het aanleggen, verbeteren, inrichten en uitrusten van de basisinfrastructuur en de laad- en losinstallaties, alsmede het regelen van het gebruik daarvan;
3° het huren of verhuren, het in concessie nemen of geven van het watergebonden gebied of een deel ervan en het vestigen of verwerven van andere rechten op het watergebonden gebied of een deel ervan;
4° het geheel of gedeeltelijk bouwrijp maken van het watergebonden gebied;
5° het voeren van een specifiek op watergebonden bedrijvigheden en op watergebonden overslag gericht industrialisatiebeleid;
6° het creëren van nieuwe, watergebonden bedrijfszones;
7° het bouwen, onderhouden, inrichten en beheer van oevers, jaagpaden evenals dijken en waterkeringen;
8° het verrichten van de nodige baggerwerkzaamheden voor de instandhouding van de diepten;
9° het peilbeheer en het beheren van de bevloeiingen;
10° het innen van rechten van welke aard ook, wegens het gebruik van de waterweg;
11° het uitvoeren van onderhoudstaken op kleine kanalen.
Deze taak kan onder meer de volgende activiteiten omvatten:
1° het bouwen, vernieuwen, onderhouden, herstellen, bedienen en uitrusten van de sluizen, bruggen en stuwen;
2° het aanleggen, verbeteren, inrichten en uitrusten van de basisinfrastructuur en de laad- en losinstallaties, alsmede het regelen van het gebruik daarvan;
3° het huren of verhuren, het in concessie nemen of geven van het watergebonden gebied of een deel ervan en het vestigen of verwerven van andere rechten op het watergebonden gebied of een deel ervan;
4° het geheel of gedeeltelijk bouwrijp maken van het watergebonden gebied;
5° het voeren van een specifiek op watergebonden bedrijvigheden en op watergebonden overslag gericht industrialisatiebeleid;
6° het creëren van nieuwe, watergebonden bedrijfszones;
7° het bouwen, onderhouden, inrichten en beheer van oevers, jaagpaden evenals dijken en waterkeringen;
8° het verrichten van de nodige baggerwerkzaamheden voor de instandhouding van de diepten;
9° het peilbeheer en het beheren van de bevloeiingen;
10° het innen van rechten van welke aard ook, wegens het gebruik van de waterweg;
11° het uitvoeren van onderhoudstaken op kleine kanalen.
Art.6. Sans préjudice de l'application des autres dispositions du présent décret, et sous réserve des dispositions du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public " De Vlaamse Waterweg NV ", société anonyme de droit public, la Région flamande, en tant que gestionnaire de voies navigables, assure la gestion et l'exploitation de l'eau. Le présent décret s'applique sans préjudice de l'application des droits et obligations de la Région flamande en droit international et du droit de l'Union en ce qui concerne les matières qui y sont réglées et la zone proche de l'eau.
Cette tâche peut inclure les activités suivantes :
1° la construction, le renouvellement, l'entretien, la réparation, l'exploitation et l'équipement des écluses, ponts et barrages ;
2° la construction, l'amélioration, l'aménagement et l'équipement de l'infrastructure de base et des installations de chargement et de déchargement, ainsi que le réglage de leur utilisation ;
3° la location ou la mise en location, la concession ou l'octroi de tout ou partie de la zone proche de l'eau et l'établissement ou l'acquisition d'autres droits dans la zone proche de l'eau ou d'une partie de celle-ci ;
4° rendre la zone proche de l'eau prête à être aménagée, en tout ou en partie ;
5° la poursuite d'une politique d'industrialisation axée spécifiquement sur les activités proches de l'eau et sur les transbordements liés à l'eau ;
6° la création de nouvelles zones d'activités proches de l'eau ;
7° la construction, l'entretien, l'aménagement et la gestion des berges, des chemins de halage ainsi que des digues et des barrières d'eau ;
8° l'exécution des travaux de dragage nécessaires au maintien des profondeurs ;
9° la gestion des sondages et des irrigations ;
10° la perception de redevances de toute nature, dues à l'utilisation de la voie d'eau ;
11° l'exécution de travaux d'entretien des petits canaux.
Cette tâche peut inclure les activités suivantes :
1° la construction, le renouvellement, l'entretien, la réparation, l'exploitation et l'équipement des écluses, ponts et barrages ;
2° la construction, l'amélioration, l'aménagement et l'équipement de l'infrastructure de base et des installations de chargement et de déchargement, ainsi que le réglage de leur utilisation ;
3° la location ou la mise en location, la concession ou l'octroi de tout ou partie de la zone proche de l'eau et l'établissement ou l'acquisition d'autres droits dans la zone proche de l'eau ou d'une partie de celle-ci ;
4° rendre la zone proche de l'eau prête à être aménagée, en tout ou en partie ;
5° la poursuite d'une politique d'industrialisation axée spécifiquement sur les activités proches de l'eau et sur les transbordements liés à l'eau ;
6° la création de nouvelles zones d'activités proches de l'eau ;
7° la construction, l'entretien, l'aménagement et la gestion des berges, des chemins de halage ainsi que des digues et des barrières d'eau ;
8° l'exécution des travaux de dragage nécessaires au maintien des profondeurs ;
9° la gestion des sondages et des irrigations ;
10° la perception de redevances de toute nature, dues à l'utilisation de la voie d'eau ;
11° l'exécution de travaux d'entretien des petits canaux.
HOOFDSTUK 2. - Burgerlijke aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder
CHAPITRE 2. - Responsabilité civile du gestionnaire des voies navigables
Art.7. De aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in een waterweg als gevolg van natuurlijke processen vormt voor de toepassing van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen gebrek of abnormaal kenmerk van de waterweg.
Art.7. Pour l'application de l'article 1384, alinéa 1, du Code civil, la présence d'objets et de déviations par rapport aux possibilités de navigation fixées ou usuelles dans une voie navigable par suite de processus naturels ne constitue pas un défaut ou une caractéristique anormale de la voie d'eau.
Art.8. De waterwegbeheerder is niet aansprakelijk op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor de niet uit een natuurlijk proces volgende aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in een waterweg die van boven de waterspiegel niet met het blote oog waarneembaar zijn.
Art.8. Le gestionnaire des voies navigables n'est pas responsable, en vertu de l'article 1384, alinéa 1, du Code civil, de la présence, ne résultant pas de processus naturels, d'objets et de déviations par rapport aux possibilités de navigation établies ou usuelles dans une voie navigable, qui ne sont pas visibles à l'oeil nu depuis la surface de l'eau.
Art.9. De waterwegbeheerder is niet aansprakelijk voor de volgende vormen van schade:
1° schade die te wijten is aan maatregelen die in het algemeen belang worden genomen;
2° averij of scheepvaartstremming veroorzaakt door een aanvaring of een raak met kunstwerken in hoofde van derde partijen.
1° schade die te wijten is aan maatregelen die in het algemeen belang worden genomen;
2° averij of scheepvaartstremming veroorzaakt door een aanvaring of een raak met kunstwerken in hoofde van derde partijen.
Art.9. Le gestionnaire des voies navigables n'est pas responsable des dommages suivants :
1° les dommages imputables à des mesures prises dans l'intérêt public ;
2° les dommages ou les entraves à la navigation causés par une collision ou un accrochage avec des ouvrages d'art par des tiers.
1° les dommages imputables à des mesures prises dans l'intérêt public ;
2° les dommages ou les entraves à la navigation causés par une collision ou un accrochage avec des ouvrages d'art par des tiers.
Art. 10. § 1. In geval van schade te wijten aan een fout of verzuim in hoofde van de waterwegbeheerder of zijn aangestelden of veroorzaakt door een gebrek van de zaak die de waterwegbeheerder onder zijn bewaring heeft, is de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder beperkt tot het overeenkomstig paragraaf 2 vastgestelde bedrag indien de schade voortvloeit uit één van de volgende oorzaken:
1° een defect aan of een gebrek in de verkeerstekens en de apparaten die dienen om inlichtingen of instructies aan schepen te geven, zoals bakens en boeien;
2° een defect aan of een gebrek in de kunstwerken, zoals sluizen, bruggen en taluds.
§ 2. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder per schadeverwekkend feit is beperkt, is afhankelijk van de waterwegklasse van de waterweg waarop het schadeverwekkende feit zich voordoet.
Per schadeverwekkend feit worden de bedragen voor elke waterwegklasse als volgt vastgesteld:
1° een defect aan of een gebrek in de verkeerstekens en de apparaten die dienen om inlichtingen of instructies aan schepen te geven, zoals bakens en boeien;
2° een defect aan of een gebrek in de kunstwerken, zoals sluizen, bruggen en taluds.
§ 2. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder per schadeverwekkend feit is beperkt, is afhankelijk van de waterwegklasse van de waterweg waarop het schadeverwekkende feit zich voordoet.
Per schadeverwekkend feit worden de bedragen voor elke waterwegklasse als volgt vastgesteld:
Art. 10. § 1. En cas de dommage dû à une erreur ou une négligence dans le chef du gestionnaire des voies navigables ou de ses préposés ou causé par un défaut du bien dont il a la garde, la responsabilité du gestionnaire des voies navigables est limitée au montant déterminé conformément au paragraphe 2 si le dommage résulte de l'une des causes suivantes :
1° un défaut ou une déficience des panneaux de signalisation et des dispositifs qui servent à fournir des informations ou des instructions aux navires, tels que les balises et les bouées ;
2° un défaut ou une déficience des ouvrages d'art, tels que les écluses, les ponts et les talus.
§ 2. Le montant auquel la responsabilité du gestionnaire des voies navigables est limitée par fait dommageable, dépend de la classe de la voie d'eau sur laquelle le fait dommageable se produit.
Les montants pour chaque fait dommageable par classe de voies navigables sont fixés comme suit :
1° un défaut ou une déficience des panneaux de signalisation et des dispositifs qui servent à fournir des informations ou des instructions aux navires, tels que les balises et les bouées ;
2° un défaut ou une déficience des ouvrages d'art, tels que les écluses, les ponts et les talus.
§ 2. Le montant auquel la responsabilité du gestionnaire des voies navigables est limitée par fait dommageable, dépend de la classe de la voie d'eau sur laquelle le fait dommageable se produit.
Les montants pour chaque fait dommageable par classe de voies navigables sont fixés comme suit :
| Klasse | Bedrag |
| I | 50.000,00 EUR |
| II | 81.250,00 EUR |
| III | 125.000,00 EUR |
| IV | 187.500,00 EUR |
| Va | 375.000,00 EUR |
| Vb | 400.000,00 EUR |
| VIa | 750.000,00 EUR |
| VIb | 1.500.000,00 EUR |
| VIc | 2.250.000,00 EUR |
| VII | 3.375.000,00 EUR |
§ 3. De beperking van de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder geldt niet wanneer zijnerzijds opzet of grove schuld aanwezig is.
§ 4. Alle bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex van december van het voorgaande jaar, waarbij het aanvangsindexcijfer datgene is van december 2021. Onder de gezondheidsindex wordt verstaan de afgevlakte gezondheidsindex, vermeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.
| Classe | Montant |
| I | 50.000,00 EUR |
| II | 81.250,00 EUR |
| III | 125.000,00 EUR |
| IV | 187.500,00 EUR |
| Va | 375.000,00 EUR |
| Vb | 400.000,00 EUR |
| VIa | 750.000,00 EUR |
| VIb | 1.500.000,00 EUR |
| VIc | 2.250.000,00 EUR |
| VII | 3.375.000,00 EUR |
§ 3. La limitation de la responsabilité du gestionnaire des voies navigables ne s'applique pas en cas d'intention ou de négligence grave de sa part.
§ 4. Tous les montants sont adaptés le 1 janvier de chaque année en fonction à l'indice de santé du mois de décembre de l'année précédente, l'indice de départ étant celui du mois de décembre 2021. Par indice santé, on entend l'indice santé lissé visé à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays.
Art.11. § 1. Wanneer de waterwegbeheerder kennis krijgt van een tegen hem gerichte vordering tot schadevergoeding, in of buiten rechte, met betrekking tot een schadeverwekkend feit waarvoor de beperking van aansprakelijkheid als vermeld in artikel 10 van dit decreet geldt, kan hij een bekendmaking laten verrichten.
Indien de waterwegbeheerder een bekendmaking verricht, geschiedt deze:
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° indien nuttig, in een of meer op de scheepvaart gerichte publicaties of in een publicatie die verschijnt in het arrondissement waar de desgevallend geadieerde rechtbank zetelt;
3° op de desgevallend bijkomend door de Vlaamse Regering voorgeschreven elektronische wijze.
In de bekendmaking wordt eenieder die schade lijdt als gevolg van hetzelfde schadeverwekkend feit uitgenodigd om binnen de drie maanden vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad zijn vordering in te dienen.
Wanneer een gerechtelijke procedure aanhangig is, wordt de vordering ingesteld middels een verzoek tot tussenkomst. Wanneer geen gerechtelijke procedure aanhangig werd gemaakt, wordt de vordering bij aangetekend schrijven gericht tot de waterwegbeheerder. Wordt na de bekendmaking alsnog een gerechtelijke procedure aangevat, dan stelt de waterwegbeheerder eenieder die een vordering tot hem heeft gericht in kennis van de mogelijkheid om een verzoek tot tussenkomst in te stellen.
§ 2. De waterwegbeheerder die heeft gehandeld overeenkomstig paragraaf 1, kan de beperking van aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 10 van dit decreet inroepen tegen alle personen die een vordering instellen. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid wordt beperkt, wordt onder de eisers van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen verdeeld in evenredigheid met de bedragen van hun gegrond bevonden vorderingen.
§ 3. Indien de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder overeenkomstig artikel 10 van dit decreet is beperkt, wordt wie meer dan drie maanden na de bekendmaking een ontvankelijke en gegronde vordering tot schadevergoeding instelt slechts vergoed voor zover de waterwegbeheerder uit hoofde van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen minder schadevergoeding dient te betalen dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt. De waterwegbeheerder is niet gehouden tot de betaling van een totaalbedrag aan schadevergoedingen dat hoger ligt dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt.
Indien de waterwegbeheerder een bekendmaking verricht, geschiedt deze:
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° indien nuttig, in een of meer op de scheepvaart gerichte publicaties of in een publicatie die verschijnt in het arrondissement waar de desgevallend geadieerde rechtbank zetelt;
3° op de desgevallend bijkomend door de Vlaamse Regering voorgeschreven elektronische wijze.
In de bekendmaking wordt eenieder die schade lijdt als gevolg van hetzelfde schadeverwekkend feit uitgenodigd om binnen de drie maanden vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad zijn vordering in te dienen.
Wanneer een gerechtelijke procedure aanhangig is, wordt de vordering ingesteld middels een verzoek tot tussenkomst. Wanneer geen gerechtelijke procedure aanhangig werd gemaakt, wordt de vordering bij aangetekend schrijven gericht tot de waterwegbeheerder. Wordt na de bekendmaking alsnog een gerechtelijke procedure aangevat, dan stelt de waterwegbeheerder eenieder die een vordering tot hem heeft gericht in kennis van de mogelijkheid om een verzoek tot tussenkomst in te stellen.
§ 2. De waterwegbeheerder die heeft gehandeld overeenkomstig paragraaf 1, kan de beperking van aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 10 van dit decreet inroepen tegen alle personen die een vordering instellen. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid wordt beperkt, wordt onder de eisers van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen verdeeld in evenredigheid met de bedragen van hun gegrond bevonden vorderingen.
§ 3. Indien de aansprakelijkheid van de waterwegbeheerder overeenkomstig artikel 10 van dit decreet is beperkt, wordt wie meer dan drie maanden na de bekendmaking een ontvankelijke en gegronde vordering tot schadevergoeding instelt slechts vergoed voor zover de waterwegbeheerder uit hoofde van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen minder schadevergoeding dient te betalen dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt. De waterwegbeheerder is niet gehouden tot de betaling van een totaalbedrag aan schadevergoedingen dat hoger ligt dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt.
Art.11. § 1. Si le gestionnaire des voies navigables a connaissance d'un recours en indemnité formulé à son encontre, en justice ou à l'amiable, à l'occasion d'un fait dommageable pour lequel la limitation de responsabilité visée à l'article 10 du présent décret s'applique, il peut faire procéder à une publication.
Si le gestionnaire des voies navigables fait procéder à un publication, celle-ci doit être faite :
1° au Moniteur belge ;
2° s'il y a lieu, dans une ou plusieurs publications destinées à la navigation ou dans une publication qui paraîtra dans l'arrondissement où siège le tribunal saisi, le cas échéant ;
3° de la manière électronique supplémentaire prescrite par le Gouvernement flamand, le cas échéant.
La publication invite toute personne subissant un dommage à la suite du même fait dommageable à introduire une demande dans les trois mois suivant la publication au Moniteur belge.
Si une procédure judiciaire est en cours, la demande est introduite par le biais d'une requête en intervention. Lorsqu'aucune procédure judiciaire n'a été introduite, la demande est adressée au gestionnaire des voies navigables par lettre recommandée. Si une procédure judiciaire est encore engagée après la publication, le gestionnaire des voies navigables informe toute personne qui lui a adressé une action de la possibilité d'introduire une demande en intervention.
§ 2. Le gestionnaire des voies navigables qui a agi conformément au paragraphe 1 peut invoquer la limitation de responsabilité conformément à l'article 10 du présent décret à l'encontre de toutes les personnes qui introduisent une demande. Le montant auquel la responsabilité est limitée est réparti entre les parties demanderesses de toutes les demandes qui ont été introduites à temps et qui ont été jugées justifiées, au prorata des montants de leurs demandes jugées justifiées.
§ 3. Lorsque la responsabilité du gestionnaire des voies navigables est limitée conformément à l'article 10 du présent décret, celui qui introduit un recours en indemnité recevable et fondé plus de trois mois après la publication n'est indemnisé que pour autant que le gestionnaire des voies navigables soit tenu de payer moins d'indemnité que le montant auquel sa responsabilité est limitée, du fait de toutes les recours introduits dans les délais et jugés fondés. Le gestionnaire des voie navigables n'est pas tenu de payer des indemnités supérieures au montant auquel sa responsabilité est limitée.
Si le gestionnaire des voies navigables fait procéder à un publication, celle-ci doit être faite :
1° au Moniteur belge ;
2° s'il y a lieu, dans une ou plusieurs publications destinées à la navigation ou dans une publication qui paraîtra dans l'arrondissement où siège le tribunal saisi, le cas échéant ;
3° de la manière électronique supplémentaire prescrite par le Gouvernement flamand, le cas échéant.
La publication invite toute personne subissant un dommage à la suite du même fait dommageable à introduire une demande dans les trois mois suivant la publication au Moniteur belge.
Si une procédure judiciaire est en cours, la demande est introduite par le biais d'une requête en intervention. Lorsqu'aucune procédure judiciaire n'a été introduite, la demande est adressée au gestionnaire des voies navigables par lettre recommandée. Si une procédure judiciaire est encore engagée après la publication, le gestionnaire des voies navigables informe toute personne qui lui a adressé une action de la possibilité d'introduire une demande en intervention.
§ 2. Le gestionnaire des voies navigables qui a agi conformément au paragraphe 1 peut invoquer la limitation de responsabilité conformément à l'article 10 du présent décret à l'encontre de toutes les personnes qui introduisent une demande. Le montant auquel la responsabilité est limitée est réparti entre les parties demanderesses de toutes les demandes qui ont été introduites à temps et qui ont été jugées justifiées, au prorata des montants de leurs demandes jugées justifiées.
§ 3. Lorsque la responsabilité du gestionnaire des voies navigables est limitée conformément à l'article 10 du présent décret, celui qui introduit un recours en indemnité recevable et fondé plus de trois mois après la publication n'est indemnisé que pour autant que le gestionnaire des voies navigables soit tenu de payer moins d'indemnité que le montant auquel sa responsabilité est limitée, du fait de toutes les recours introduits dans les délais et jugés fondés. Le gestionnaire des voie navigables n'est pas tenu de payer des indemnités supérieures au montant auquel sa responsabilité est limitée.
HOOFDSTUK 3. - Instandhouding en functionaliteit
CHAPITRE 3. - Préservation et fonctionnalité
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.12. De Vlaamse Regering stelt voor elke waterweg of elk waterweggedeelte de waterwegklasse vast.
Wat betreft de waterwegen of waterweggedeelten beheerd door De Vlaamse Waterweg nv, stelt de Vlaamse Regering de waterwegklasse vast na advies van de raad van bestuur van De Vlaamse Waterweg nv.
Wat betreft de waterwegen of waterweggedeelten beheerd door De Vlaamse Waterweg nv, stelt de Vlaamse Regering de waterwegklasse vast na advies van de raad van bestuur van De Vlaamse Waterweg nv.
Art.12. Le Gouvernement flamand détermine la classe de voie navigable pour chaque voie navigable ou section de voie navigable.
En ce qui concerne les voies navigables ou les sections de voies navigables gérées par " De Vlaamse Waterweg nv ", le Gouvernement flamand détermine la classe de voies navigables après avoir recueilli l'avis du Conseil d'administration de " De Vlaamse Waterweg nv ".
En ce qui concerne les voies navigables ou les sections de voies navigables gérées par " De Vlaamse Waterweg nv ", le Gouvernement flamand détermine la classe de voies navigables après avoir recueilli l'avis du Conseil d'administration de " De Vlaamse Waterweg nv ".
Art.13. De waterwegen zijn goederen van het openbaar domein met een functie als scheepvaartweg. Het gebruik voor de scheepvaart heeft er voorrang op andere activiteiten.
Art.13. Les voies navigables sont des biens du domaine public ayant une fonction de voie navigable. L'utilisation pour la navigation a la priorité sur les autres activités.
Art.14. Met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 2 van titel 2 en los van de mogelijkheid voor de waterwegbeheerder om het scheepvaartverkeer op bepaalde waterwegen of delen daarvan om veiligheidsredenen of andere reden van algemeen belang geheel of gedeeltelijk te beperken of te verbieden, treft de waterwegbeheerder de nodige maatregelen opdat het verkeer van de schepen ten minste overeenkomstig de vastgestelde waterwegklasse kan worden verzekerd.
Art.14. Sans préjudice de l'application des dispositions du chapitre 2 du titre 2 et sans préjudice de la possibilité pour le gestionnaire des voies navigables de restreindre ou d'interdire en tout ou en partie la navigation sur certaines voies navigables ou sections de voies navigables pour des raisons de sécurité ou pour d'autres raisons d'intérêt général, le gestionnaire des voies navigables prend les mesures nécessaires pour que le trafic maritime puisse être assuré au moins conformément à la classe de voies navigables déterminée.
Art.15. In geval een voorwerp in de door een waterwegbeheerder beheerde waterweg terechtkomt of dreigt terecht te komen, dient eenieder door wiens toedoen zulks geschiedt dit onverwijld te melden aan de waterwegbeheerder. Bij deze melding dienen alle gegevens te worden meegedeeld die van belang zijn of kunnen zijn voor de instandhouding of het herstel van de waterweg.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.
Art.15. En cas de déversement ou de risque de déversement d'un objet dans la voie navigable gérée par un gestionnaire des voies navigables, toute personne responsable doit en informer sans délai le gestionnaire des voies navigables. Cette notification doit comprendre toutes les données qui sont ou peuvent être pertinentes pour la conservation ou la restauration de la voie navigable.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à cette notification.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à cette notification.
Afdeling 2. - Ruiming van gestrande, gezonken en onbeheerde schepen en andere obstakels
Section 2. - Dégagement des navires échoués, coulés, non gérés et autres obstacles
Art.16. Deze afdeling, evenals artikel 88, artikel 120 en afdeling 2 van hoofdstuk 4 van titel 6 zijn van toepassing op de binnenwateren.
Voormelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de territoriale zee en de exclusieve economische zone wat betreft de schepen, wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen die een aantasting van de bereikbaarheid van de Vlaamse havens en waterwegen vormen.
In het geval, vermeld in het tweede lid, komen de bevoegdheden toe aan de Vlaamse Regering.
Voormelde bepalingen zijn van overeenkomstige toepassing op de territoriale zee en de exclusieve economische zone wat betreft de schepen, wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen die een aantasting van de bereikbaarheid van de Vlaamse havens en waterwegen vormen.
In het geval, vermeld in het tweede lid, komen de bevoegdheden toe aan de Vlaamse Regering.
Art.16. La présente section, ainsi que l'article 88, l'article 120 et la section 2 du chapitre 4 du titre 6 s'appliquent aux voies navigables intérieures.
Les dispositions susmentionnées s'appliquent mutatis mutandis à la mer territoriale et à la zone économique exclusive en ce qui concerne les navires, les épaves, les bateaux coulés ou les objets qui constituent un obstacle à l'accessibilité des ports et des voies navigables flamands.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, les compétences reviennent au Gouvernement flamand.
Les dispositions susmentionnées s'appliquent mutatis mutandis à la mer territoriale et à la zone économique exclusive en ce qui concerne les navires, les épaves, les bateaux coulés ou les objets qui constituent un obstacle à l'accessibilité des ports et des voies navigables flamands.
Dans le cas visé à l'alinéa 2, les compétences reviennent au Gouvernement flamand.
Art.17. De eigenaar, huurder, of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip dat is gestrand of gezonken of van een onbeheerd schip, moet dit schip, met inbegrip van alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, inzonderheid de lading, vlot brengen en verwijderen naar de daartoe door de bevoegde autoriteit aangewezen plaats.
Wrakstukken, gezonken tuigen en alles wat vanop een schip in het water is terechtgekomen, alsmede alle andere voorwerpen die in het water zijn terechtgekomen, moeten eveneens door hun respectieve eigenaars, worden gelicht en worden verwijderd.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daartoe verplichtingen opleggen, zoals een termijn waarbinnen het vlotbrengen of verwijderen dient te geschieden.
De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.
Wrakstukken, gezonken tuigen en alles wat vanop een schip in het water is terechtgekomen, alsmede alle andere voorwerpen die in het water zijn terechtgekomen, moeten eveneens door hun respectieve eigenaars, worden gelicht en worden verwijderd.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daartoe verplichtingen opleggen, zoals een termijn waarbinnen het vlotbrengen of verwijderen dient te geschieden.
De uitvoering van de voormelde verplichtingen kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.
Art.17. Le propriétaire, le locataire ou l'affréteur à qui le navire est mis à disposition pour son propre usage, ainsi que l'exploitant d'un navire échoué ou coulé ou d'un navire sans surveillance, doit renflouer le navire, y compris tout ce qui se trouve ou se trouvait à bord, notamment la cargaison, et l'enlever vers l'endroit désigné à cet effet par l'autorité compétente.
Les épaves, les engins coulés et tout autre objet tombé à l'eau d'un navire, ainsi que tout autre objet tombé à l'eau, doivent également être relevés et enlevés par leurs propriétaires respectifs.
Le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité portuaire peut imposer des obligations à cet égard, comme un délai dans lequel le renflouage ou l'enlèvement doit avoir lieu.
L'exécution des obligations susmentionnées ne peut être empêchée par une quelconque saisie ou mesure coercitive.
Les épaves, les engins coulés et tout autre objet tombé à l'eau d'un navire, ainsi que tout autre objet tombé à l'eau, doivent également être relevés et enlevés par leurs propriétaires respectifs.
Le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité portuaire peut imposer des obligations à cet égard, comme un délai dans lequel le renflouage ou l'enlèvement doit avoir lieu.
L'exécution des obligations susmentionnées ne peut être empêchée par une quelconque saisie ou mesure coercitive.
Art.18. Degene die aansprakelijk is voor de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of waardoor enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen en, bij gebreke van zulke aansprakelijke, de persoon, vermeld in artikel 17, eerste of tweede lid, is aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf de betaling verschuldigd van de kosten die voor deze waterwegbeheerder of dit havenbedrijf voortvloeien uit de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen.
De bedragen die de verzekeraars van de eigen schade of van de aansprakelijkheid, inbegrepen de onderlinge verzekeringsmaatschappijen, verschuldigd zijn wegens het verlies van het schip of van enig ander voorwerp of wegens de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen, aan de personen die krachtens artikel 141 of krachtens dit artikel schuldenaar zijn van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden, ter voldoening van de in het eerste lid bedoelde kosten, door de betreffende verzekeraars rechtstreeks aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betaald.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf bezit een eigen recht jegens de verzekeraars.
Geen betaling door deze verzekeraars aan de verzekerde bevrijdt zolang de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf niet volledig werden voldaan.
De bedragen die de verzekeraars van de eigen schade of van de aansprakelijkheid, inbegrepen de onderlinge verzekeringsmaatschappijen, verschuldigd zijn wegens het verlies van het schip of van enig ander voorwerp of wegens de gebeurtenis waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is of enig ander voorwerp in het water is terechtgekomen, aan de personen die krachtens artikel 141 of krachtens dit artikel schuldenaar zijn van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden, ter voldoening van de in het eerste lid bedoelde kosten, door de betreffende verzekeraars rechtstreeks aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betaald.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf bezit een eigen recht jegens de verzekeraars.
Geen betaling door deze verzekeraars aan de verzekerde bevrijdt zolang de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf niet volledig werden voldaan.
Art.18. Celui qui est responsable de l'événement par lequel le navire a échoué, coulé ou est non géré ou par lequel tout autre objet est tombé dans l'eau et, à défaut de ce responsable, la personne visée à l'article 17, alinéa premier ou deuxième, est redevable au gestionnaire de la voie d'eau ou à la régie portuaire du paiement des frais résultant pour ce gestionnaire de la voie d'eau ou cette régie portuaire des mesures et opérations d'office ordonnées en vertu de l'article 140.
Les sommes dues par les assureurs du propre dommage ou de la responsabilité, en ce compris les mutuelles d'assurances, en raison de la perte du navire ou de tout autre objet ou en raison de l'événement par lequel le navire s'est échoué, coulé ou non géré ou par lequel tout autre objet a été immergé dans l'eau, aux personnes qui, en vertu de l'article 141 ou en vertu du présent article sont des débiteurs au gestionnaire des voies navigables ou à la régie portuaire, sont payées par les assureurs concernés directement au gestionnaire des voies navigables ou à la régie portuaire en règlement des frais visés au premier alinéa.
Le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire a son propre droit contre les assureurs.
Aucun paiement de ces assureurs ne libère l'assuré tant que les créances du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire n'ont pas été entièrement réglées.
Les sommes dues par les assureurs du propre dommage ou de la responsabilité, en ce compris les mutuelles d'assurances, en raison de la perte du navire ou de tout autre objet ou en raison de l'événement par lequel le navire s'est échoué, coulé ou non géré ou par lequel tout autre objet a été immergé dans l'eau, aux personnes qui, en vertu de l'article 141 ou en vertu du présent article sont des débiteurs au gestionnaire des voies navigables ou à la régie portuaire, sont payées par les assureurs concernés directement au gestionnaire des voies navigables ou à la régie portuaire en règlement des frais visés au premier alinéa.
Le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire a son propre droit contre les assureurs.
Aucun paiement de ces assureurs ne libère l'assuré tant que les créances du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire n'ont pas été entièrement réglées.
Art.19. § 1. Voor zover het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), ondertekend te Straatsburg op 27 september 2012, niet van toepassing is, kan de eigenaar van een schip, die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten, daarbij zijn aansprakelijkheid beperken. Hetzelfde geldt voor de huurder of bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van een schip die op grond van artikel 18 schuldenaar is van de betaling van de kosten.
§ 2. Voor de schepen onderworpen aan het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen, kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de volgende bedragen:
1° voor een schip van niet meer dan 500 ton: tot 370.000 euro;
2° voor een schip van meer dan 500 ton wordt het onder punt 1° vermelde bedrag vermeerderd met:
a) 445 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 501 tot en met 6000 ton;
b) 175 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 6001 tot 70.000 ton;
c) 125 euro voor elke toename van de tonnenmaat met één ton boven 70.000 ton.
Voor de overige schepen kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de waarde van het schip op het ogenblik van de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen, met een minimum evenwel van 375.00 euro.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder tonnenmaat verstaan: de brutotonnenmaat berekend overeenkomstig de voorschriften van meting, vervat in Bijlage I van het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen.
De Vlaamse Regering is gemachtigd de voormelde bedragen aan te passen, rekening houdend met de economische toestand.
§ 3. De verzekeraar van de in paragraaf 1 bedoelde persoon kan zich op dezelfde beperking beroepen.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken als wordt bewezen dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat zodanige schade er waarschijnlijk zou uit voortvloeien.
§ 2. Voor de schepen onderworpen aan het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen, kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de volgende bedragen:
1° voor een schip van niet meer dan 500 ton: tot 370.000 euro;
2° voor een schip van meer dan 500 ton wordt het onder punt 1° vermelde bedrag vermeerderd met:
a) 445 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 501 tot en met 6000 ton;
b) 175 euro per ton voor elke toename van de tonnenmaat met één ton van 6001 tot 70.000 ton;
c) 125 euro voor elke toename van de tonnenmaat met één ton boven 70.000 ton.
Voor de overige schepen kan de aansprakelijkheid worden beperkt tot de waarde van het schip op het ogenblik van de ambtshalve, krachtens artikel 140 bevolen maatregelen en uitgevoerde verrichtingen, met een minimum evenwel van 375.00 euro.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder tonnenmaat verstaan: de brutotonnenmaat berekend overeenkomstig de voorschriften van meting, vervat in Bijlage I van het Internationaal Verdrag van 23 juni 1969 betreffende de meting van schepen.
De Vlaamse Regering is gemachtigd de voormelde bedragen aan te passen, rekening houdend met de economische toestand.
§ 3. De verzekeraar van de in paragraaf 1 bedoelde persoon kan zich op dezelfde beperking beroepen.
§ 4. De in paragraaf 1 bedoelde persoon is niet gerechtigd zijn aansprakelijkheid te beperken als wordt bewezen dat de schade het gevolg is van zijn persoonlijk handelen of nalaten, begaan hetzij met het opzet zodanige schade te veroorzaken, hetzij roekeloos en met het bewustzijn dat zodanige schade er waarschijnlijk zou uit voortvloeien.
Art.19. § 1. Dans la mesure où la Convention de Strasbourg de 2012 sur la limitation de la responsabilité en navigation intérieure (CLNI 2012), signée à Strasbourg le 27 septembre 2012, n'est pas applicable, le propriétaire d'un navire qui est tenu au paiement des frais en vertu de l'article 18, peut ainsi limiter sa responsabilité. Il en est de même pour le locataire ou l'affréteur à qui le navire est mis à disposition pour son propre usage, ainsi que pour l'exploitant d'un navire qui est responsable du paiement des frais en vertu de l'article 18.
§ 2. Pour les navires soumis à la Convention internationale sur le jaugeage des navires du 23 juin 1969, la responsabilité peut être limitée aux montants suivants :
1° pour un navire n'excédant pas 500 tonnes : 370.000 euros ;
2° pour un navire excédant 500 tonnes, le montant visé au 1° est augmenté de :
a) 445 euros par tonne pour chaque augmentation du tonnage d'une tonne de 501 à 6 000 tonnes ;
b) 175 euros par tonne pour chaque augmentation de tonnage d'une tonne de 6 001 à 70 000 tonnes ;
c) 125 euros par augmentation de tonnage d'une tonne au-dessus 70 000 tonnes
Pour les autres navires, la responsabilité peut être limitée à la valeur du navire au moment des mesures et opérations ordonnées et exécutées d'office conformément à l'article 140, sous réserve d'un minimum de 375.000 euros.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par tonnage : le tonnage brut calculé conformément aux prescriptions de jaugeage contenues dans l'annexe I de la Convention internationale sur le jaugeage des navires du 23 juin 1969.
Le Gouvernement flamand est autorisé à adapter les montants susmentionnés, en tenant compte de la situation économique.
§ 3. L'assureur de la personne visée au paragraphe 1 peut invoquer la même restriction.
§ 4. La personne visée au paragraphe 1 n'est pas en droit de limiter sa responsabilité s'il est prouvé que le dommage résulte de ses actes ou omissions personnels, commis soit avec l'intention de causer un tel dommage, soit témérairement et avec la conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
§ 2. Pour les navires soumis à la Convention internationale sur le jaugeage des navires du 23 juin 1969, la responsabilité peut être limitée aux montants suivants :
1° pour un navire n'excédant pas 500 tonnes : 370.000 euros ;
2° pour un navire excédant 500 tonnes, le montant visé au 1° est augmenté de :
a) 445 euros par tonne pour chaque augmentation du tonnage d'une tonne de 501 à 6 000 tonnes ;
b) 175 euros par tonne pour chaque augmentation de tonnage d'une tonne de 6 001 à 70 000 tonnes ;
c) 125 euros par augmentation de tonnage d'une tonne au-dessus 70 000 tonnes
Pour les autres navires, la responsabilité peut être limitée à la valeur du navire au moment des mesures et opérations ordonnées et exécutées d'office conformément à l'article 140, sous réserve d'un minimum de 375.000 euros.
Pour l'application du présent paragraphe, on entend par tonnage : le tonnage brut calculé conformément aux prescriptions de jaugeage contenues dans l'annexe I de la Convention internationale sur le jaugeage des navires du 23 juin 1969.
Le Gouvernement flamand est autorisé à adapter les montants susmentionnés, en tenant compte de la situation économique.
§ 3. L'assureur de la personne visée au paragraphe 1 peut invoquer la même restriction.
§ 4. La personne visée au paragraphe 1 n'est pas en droit de limiter sa responsabilité s'il est prouvé que le dommage résulte de ses actes ou omissions personnels, commis soit avec l'intention de causer un tel dommage, soit témérairement et avec la conscience qu'un tel dommage en résulterait probablement.
Afdeling 3. - Jaagpaden
Section 3. - Chemins de halage
Art.20. De waterwegbeheerder beheert de jaagpaden bij de waterwegen die onder zijn beheer vallen.
Indien het jaagpad tevens fungeert als rijbaan in de zin van de federale regelgeving betreffende de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wordt het beheerd door de betrokken wegbeheerder.
De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van het beheer van de jaagpaden bepalen.
Indien het jaagpad tevens fungeert als rijbaan in de zin van de federale regelgeving betreffende de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wordt het beheerd door de betrokken wegbeheerder.
De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van het beheer van de jaagpaden bepalen.
Art.20. Le gestionnaire des voies navigables gère les chemins de halage des voies navigables dont il a la charge.
Si le chemin de halage fait également office de route au sens de la réglementation fédérale sur la police de la circulation routière et de l'utilisation de la voie publique, il est géré par le gestionnaire de la voirie compétent.
Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités relatives à la gestion des chemins de halage.
Si le chemin de halage fait également office de route au sens de la réglementation fédérale sur la police de la circulation routière et de l'utilisation de la voie publique, il est géré par le gestionnaire de la voirie compétent.
Le Gouvernement flamand peut préciser les modalités relatives à la gestion des chemins de halage.
Art.21. Op de langs waterwegen gelegen erven die niet aan de waterwegbeheerder toebehoren en waarop deze geen recht van erfpacht, opstal of vruchtgebruik heeft, rust ten behoeve van het gebruik van de waterweg een erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf.
De erfdienstbaarheid houdt in dat de houders van zakelijke rechten op de bedoelde erven moeten gedogen dat een jaagpad wordt aangelegd of in stand gehouden en dat het erf wordt gebruikt ten behoeve van de waterweg en dit gebruik niet mogen hinderen. De Vlaamse Regering bepaalt nader welke lasten op de erven rusten en wie de begunstigden zijn, evenals in welke gevallen deze lasten onevenredige nadelige gevolgen uitmaken en de vergoeding die daarvoor verschuldigd is, en kan daarbij een onderscheid maken naar de kenmerken en de bestemming van de waterwegen.
Overeenkomstig de modaliteiten en binnen de grenzen vastgesteld door de Vlaamse Regering, bepaalt de waterwegbeheerder de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf.
De erfdienstbaarheid houdt in dat de houders van zakelijke rechten op de bedoelde erven moeten gedogen dat een jaagpad wordt aangelegd of in stand gehouden en dat het erf wordt gebruikt ten behoeve van de waterweg en dit gebruik niet mogen hinderen. De Vlaamse Regering bepaalt nader welke lasten op de erven rusten en wie de begunstigden zijn, evenals in welke gevallen deze lasten onevenredige nadelige gevolgen uitmaken en de vergoeding die daarvoor verschuldigd is, en kan daarbij een onderscheid maken naar de kenmerken en de bestemming van de waterwegen.
Overeenkomstig de modaliteiten en binnen de grenzen vastgesteld door de Vlaamse Regering, bepaalt de waterwegbeheerder de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf.
Art.21. La servitude des chemins de halage et des terrains riverains pour l'usage de la voie navigable porte sur les fonds situés le long des voies d'eau qui n'appartiennent pas au gestionnaire des voies navigables et sur lesquels il n'a pas de droit d'emphytéose, de superficie ou d'usufruit.
La servitude signifie que les titulaires de droits réels sur lesdits fonds doivent tolérer la construction ou l'entretien d'un chemin de halage et l'utilisation du fonds au profit de la voie navigable et ne peuvent pas faire obstacle à cette utilisation. Le Gouvernement flamand spécifie les redevances à percevoir sur les fonds et les bénéficiaires, ainsi que les cas dans lesquels ces redevances constituent un préjudice disproportionné et l'indemnité due pour ce préjudice, et peut faire une distinction selon les caractéristiques et la destination des voies navigables.
Conformément aux modalités et dans les limites fixées par le Gouvernement flamand, le gestionnaire des voies navigables détermine l'étendue spatiale de la servitude pour le chemin de halage et les terrains riverains.
La servitude signifie que les titulaires de droits réels sur lesdits fonds doivent tolérer la construction ou l'entretien d'un chemin de halage et l'utilisation du fonds au profit de la voie navigable et ne peuvent pas faire obstacle à cette utilisation. Le Gouvernement flamand spécifie les redevances à percevoir sur les fonds et les bénéficiaires, ainsi que les cas dans lesquels ces redevances constituent un préjudice disproportionné et l'indemnité due pour ce préjudice, et peut faire une distinction selon les caractéristiques et la destination des voies navigables.
Conformément aux modalités et dans les limites fixées par le Gouvernement flamand, le gestionnaire des voies navigables détermine l'étendue spatiale de la servitude pour le chemin de halage et les terrains riverains.
Art.22. Op de langs waterwegen gelegen erven die met een erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf zijn bezwaard, mogen binnen de ruimtelijke uitgestrektheid van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf door anderen dan de waterwegbeheerder geen werken of beplantingen worden uitgevoerd zonder de voorafgaande machtiging van de waterwegbeheerder.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het verlenen van dergelijke machtiging.
De Vlaamse Regering bepaalt de procedure voor het verlenen van dergelijke machtiging.
Art.22. Sur les fonds situés le long des voies d'eau grevées d'une servitude de chemin de halage et de terrain riverain, aucun travail ou plantation ne peut être effectué dans l'étendue spatiale de la servitude de chemin de halage et de terrain riverain par une personne autre que le gestionnaire des voies navigables sans l'autorisation préalable du gestionnaire des voies navigables.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure d'octroi d'une telle autorisation.
Le Gouvernement flamand détermine la procédure d'octroi d'une telle autorisation.
Art.23. De houders van zakelijke rechten op erven die voorheen niet langs waterwegen gelegen waren maar die, door de aanleg van een nieuwe waterweg of doordat een niet-bevaarbare waterloop wordt ingedeeld bij de waterwegen, vanaf een bepaald tijdstip langs waterwegen gelegen erven worden, hebben in de mate dat hun zakelijk recht in waarde vermindert als gevolg van de erfdienstbaarheid van jaagpad en oevererf recht op een billijke vergoeding van die waardevermindering.
Art.23. Les titulaires de droits réels sur des fonds qui, auparavant, n'étaient pas situés le long de voies navigables mais qui, en raison de la construction d'une nouvelle voie navigable ou du fait qu'une voie non navigable est classée comme voie navigable, deviennent à partir d'un certain moment des fonds situés le long de voies navigables, ont droit à une indemnisation équitable pour la diminution de la valeur de leurs droits réels en raison de la servitude de chemin de halage et de terrain riverain.
Art.24. Het is verboden het gebruik van het jaagpad voor de dienst van de waterwegbeheerder of voor scheepvaartdoeleinden te hinderen.
Art.24. Il est interdit d'entraver l'utilisation du chemin de halage pour le service du gestionnaire des voies navigables ou pour la navigation.
HOOFDSTUK 4. - Openbaar gebruik
CHAPITRE 4. - Utilisation publique
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.25. Elke gebruiker van de waterweg dient zijn gedrag aan te passen aan de plaatsgesteldheid, de belemmeringen, de verkeersdichtheid en de aanwezigheid van andere waterweggebruikers, het zicht, de staat van de waterweg, de weersomstandigheden en de aard en staat van zijn schip en lading.
Art.25. Chaque usager de la voie navigable est tenu d'adapter son comportement aux conditions du site, aux obstacles, à la densité du trafic et à la présence d'autres usagers de la voie navigable, à la visibilité, à l'état de la voie d'eau, aux conditions météorologiques ainsi qu'à la nature et à l'état de son navire et de sa cargaison.
Art.26. De gebruikers van de waterweg zijn verplicht de aanwijzingen en bevelen op te volgen welke in bijzondere gevallen, met betrekking tot de door dit decreet geregelde aangelegenheden worden gegeven door de bevoegde personen, als mede gevolg te geven aan dan wel rekening te houden met de overeenkomstig de bepalingen van dit decreet uitgevaardigde nautische publicaties en aangebrachte verkeerstekens.
De aanwijzingen en bevelen gaan boven de nautische publicaties en de verkeerstekens.
De voorschriften in de nautische publicaties gaan boven de verkeerstekens, tenzij het tegendeel in de betreffende nautische publicatie uitdrukkelijk wordt aangegeven.
De Vlaamse Regering duidt de personen aan die, naast de personen bevoegd voor het opsporen van overtredingen, aanwijzingen en bevelen mogen geven.
De aanwijzingen en bevelen gaan boven de nautische publicaties en de verkeerstekens.
De voorschriften in de nautische publicaties gaan boven de verkeerstekens, tenzij het tegendeel in de betreffende nautische publicatie uitdrukkelijk wordt aangegeven.
De Vlaamse Regering duidt de personen aan die, naast de personen bevoegd voor het opsporen van overtredingen, aanwijzingen en bevelen mogen geven.
Art.26. Les usagers de la voie navigable sont tenus de suivre les instructions et les ordres donnés par les personnes compétentes dans les cas particuliers relatifs aux matières réglementées par le présent décret, ainsi que de se conformer ou de tenir compte des publications nautiques et de la signalisation émises conformément aux dispositions du présent décret.
Les instructions et les ordres ont la priorité sur les publications nautiques et la signalisation.
Les règlements figurant dans les publications nautiques ont la priorité sur la signalisation, sauf si le contraire est explicitement indiqué dans la publication nautique concernée.
Le Gouvernement flamand désigne les personnes qui, outre les personnes compétentes pour la recherche des infractions, peuvent donner des instructions et des ordres.
Les instructions et les ordres ont la priorité sur les publications nautiques et la signalisation.
Les règlements figurant dans les publications nautiques ont la priorité sur la signalisation, sauf si le contraire est explicitement indiqué dans la publication nautique concernée.
Le Gouvernement flamand désigne les personnes qui, outre les personnes compétentes pour la recherche des infractions, peuvent donner des instructions et des ordres.
Art.27. Indien een gebruiker van de door een waterwegbeheerder beheerde waterweg schade berokkent aan de waterweg stelt hij de waterwegwegbeheerder hiervan onverwijld in kennis. Bij deze melding dienen alle gegevens te worden meegedeeld die voor de instandhouding of het herstel van de waterweg van belang zijn of kunnen zijn.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.
Art.27. Si un usager de la voie navigable gérée par un gestionnaire des voies navigables cause des dommages à la voie navigable, il doit en informer sans délai le gestionnaire des voies navigables. Cette notification comprend toutes les informations qui sont ou peuvent être pertinentes pour la conservation ou la restauration de la voie navigable.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à cette notification.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à cette notification.
Afdeling 2. - Jaagpaden
Section 2. - Chemins de halage
Art.28. Voor zover dit verenigbaar is met het gebruik door de waterwegbeheerder of in zijn opdracht optredende personen in het raam van het beheer, het onderhoud en de exploitatie van de waterweg en met het gebruik voor scheepvaartdoeleinden of voor overslagactiviteiten van aanpalende bedrijven, zijn de jaagpaden eveneens bestemd voor het verkeer per rijwiel of te voet. Het verkeer met voortbewegingstoestellen, bromfietsen klasse A of speedpedelecs kan er eveneens worden toegelaten.
Waar het in het licht van de lokale omstandigheden passend wordt geacht en wanneer verenigbaar met het gebruik door de waterwegbeheerder, kunnen de jaagpaden worden ingericht als fietspaden in de zin van de federale regelgeving betreffende de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen betreffende de inrichting van de jaagpaden ten behoeve van het gebruik door fietsers en voetgangers.
Waar het in het licht van de lokale omstandigheden passend wordt geacht en wanneer verenigbaar met het gebruik door de waterwegbeheerder, kunnen de jaagpaden worden ingericht als fietspaden in de zin van de federale regelgeving betreffende de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg. De Vlaamse Regering kan regels vaststellen betreffende de inrichting van de jaagpaden ten behoeve van het gebruik door fietsers en voetgangers.
Art.28. Dans la mesure où cela est compatible avec l'utilisation par le gestionnaire des voies navigables ou par des personnes agissant pour son compte dans le cadre de la gestion, de l'entretien et de l'exploitation de la voie navigable et avec l'utilisation à des fins maritimes ou pour des activités de transbordement d'entreprises voisines, les chemins de halage sont également destinés à la circulation à bicyclette ou à pied. La circulation avec des engins mobiles, des cyclomoteurs de classe A ou des speed pédélecs peut également y être autorisée.
Lorsque cela est jugé opportun compte tenu des conditions locales et compatible avec l'utilisation par le gestionnaire des voies navigables, les chemins de halage peuvent être aménagés en pistes cyclables au sens du règlement fédéral sur la police de la circulation routière et de l'utilisation de la voie publique. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles concernant l'aménagement des chemins de halage pour l'usage par des cyclistes et des piétons.
Lorsque cela est jugé opportun compte tenu des conditions locales et compatible avec l'utilisation par le gestionnaire des voies navigables, les chemins de halage peuvent être aménagés en pistes cyclables au sens du règlement fédéral sur la police de la circulation routière et de l'utilisation de la voie publique. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles concernant l'aménagement des chemins de halage pour l'usage par des cyclistes et des piétons.
Art.29. Ingeval ze het normale openbaar gebruik kunnen hinderen of leiden tot het geheel of gedeeltelijk afsluiten van het jaagpad, moet, zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheden van andere overheden, voor activiteiten en evenementen op de jaagpaden vooraf een toelating worden verkregen van de beheerder van het jaagpad. Aan dergelijke toelating kunnen door de beheerder voorwaarden worden verbonden.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, geldigheidsduur en de procedure tot het verkrijgen van de toelating, vermeld in het eerste lid, evenals de door de beheerder van het jaagpad minimaal te hanteren criteria.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, geldigheidsduur en de procedure tot het verkrijgen van de toelating, vermeld in het eerste lid, evenals de door de beheerder van het jaagpad minimaal te hanteren criteria.
Art.29. Lorsqu'ils sont susceptibles de gêner l'usage normal public ou d'entraîner la fermeture totale ou partielle du chemin de halage, les activités et les événements sur les chemins de halage doivent être préalablement autorisés par le gestionnaire du chemin de halage, sans préjudice des compétences des autres autorités. Cette autorisation peut être soumise à des conditions de la part du gestionnaire.
Le Gouvernement flamand détermine la forme, la durée de validité et la procédure d'obtention de l'autorisation visée à l'alinéa premier, ainsi que les critères minimaux à appliquer par le gestionnaire du chemin de halage.
Le Gouvernement flamand détermine la forme, la durée de validité et la procédure d'obtention de l'autorisation visée à l'alinéa premier, ainsi que les critères minimaux à appliquer par le gestionnaire du chemin de halage.
Art.30. Het gebruik van de jaagpaden geschiedt op risico van de gebruiker, die te allen tijde rekening moet houden met de plaatselijke gesteldheid en met het gebruik voor scheepvaartdoeleinden en de overige noden van het waterwegenbeheer.
Art.30. L'utilisation des chemins de halage se fait aux risques de l'utilisateur, qui doit à tout moment tenir compte des conditions locales et de l'utilisation à des fins de navigation et des autres besoins de la gestion des voies navigables.
Afdeling 3. - Verkeerstekens
Section 3. - Signalisation
Art.31. Met uitzondering van artikel 33 en artikel 34, eerste lid, tweede zin, en zonder afbreuk te doen aan de bevoegdheid van andere overheden om nadere regels vast te stellen, is deze afdeling van overeenkomstige toepassing in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven.
Art.31. A l'exception de l'article 33 et de l'article 34, alinéa 1, deuxième phrase, et sans préjudice des compétences d'autres autorités de fixer les modalités, la présente section s'applique mutatis mutandis dans les zones portuaires gérées et exploitées par les régies portuaires.
Art.32. Overeenkomstig de ter zake geldende volken- en Unierechtelijke verplichtingen van het Vlaamse Gewest, bepaalt de Vlaamse Regering de vorm en het uitzicht van de verkeerstekens nodig voor het beheer van de waterweg.
Art.32. Conformément aux obligations de la Région flamande en la matière, en droit de la population et du droit de l'Union, le Gouvernement flamand détermine la forme et l'aspect de la signalisation nécessaire à la gestion de la voie navigable.
Art.33. Verkeerstekens die een gebod of een verbod inhouden worden geplaatst en verwijderd door de waterwegbeheerder die de maatregel heeft genomen of, onder door deze waterwegbeheerder bepaalde voorwaarden, door derden.
Met behoud van de toepassing van artikel 34, worden alle andere verkeerstekens geplaatst en verwijderd door de waterwegbeheerder, of, onder door de waterwegbeheerder bepaalde voorwaarden, door derden.
Met behoud van de toepassing van artikel 34, worden alle andere verkeerstekens geplaatst en verwijderd door de waterwegbeheerder, of, onder door de waterwegbeheerder bepaalde voorwaarden, door derden.
Art.33. Les panneaux de signalisation contenant un ordre ou une interdiction sont placés et enlevés par le gestionnaire des voies navigables qui a pris la mesure ou, dans les conditions déterminées par ce gestionnaire, par des tiers.
Sans préjudice de l'application de l'article 34, tous les autres panneaux de signalisation sont posés et enlevés par le gestionnaire des voies navigables ou, dans les conditions déterminées par ce gestionnaire, par des tiers.
Sans préjudice de l'application de l'article 34, tous les autres panneaux de signalisation sont posés et enlevés par le gestionnaire des voies navigables ou, dans les conditions déterminées par ce gestionnaire, par des tiers.
Art.34. Verkeersbelemmeringen worden, op de wijze bepaald door de Vlaamse Regering, aangeduid door degene die ze heeft doen ontstaan. Indien hij hierin tekortschiet, neemt de waterwegbeheerder deze verplichting op zich.
Werken in uitvoering worden, onder door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf bepaalde voorwaarden, aangeduid door degene die de werken uitvoert. Indien hij hierin tekortschiet, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, zonder afbreuk te doen aan de exclusieve verantwoordelijkheid ter zake van de uitvoerder der werken en zonder zelf enige aansprakelijkheid op te nemen, de nodige signalisatie aanbrengen.
Werken in uitvoering worden, onder door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf bepaalde voorwaarden, aangeduid door degene die de werken uitvoert. Indien hij hierin tekortschiet, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, zonder afbreuk te doen aan de exclusieve verantwoordelijkheid ter zake van de uitvoerder der werken en zonder zelf enige aansprakelijkheid op te nemen, de nodige signalisatie aanbrengen.
Art.34. Les entraves à la circulation sont désignées, de la manière déterminée par le Gouvernement flamand, par la personne qui les a causées. S'il ne s'y conforme pas, le gestionnaire des voies navigables assume cette obligation.
Les travaux en cours sont, dans les conditions déterminées par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, désignés par la personne qui exécute les travaux. S'il ne s'y conforme pas, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire peuvent, sans préjudice de la responsabilité exclusive de l'exploitant des ouvrages et sans assumer eux-mêmes une quelconque responsabilité, mettre en place la signalisation nécessaire.
Les travaux en cours sont, dans les conditions déterminées par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, désignés par la personne qui exécute les travaux. S'il ne s'y conforme pas, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire peuvent, sans préjudice de la responsabilité exclusive de l'exploitant des ouvrages et sans assumer eux-mêmes une quelconque responsabilité, mettre en place la signalisation nécessaire.
Art.35. Behoudens artikel 33 en 34, is het verboden, zonder daartoe bevoegd te zijn, een verkeersteken aan te brengen of te doen aanbrengen dan wel te verwijderen of te doen verwijderen.
Het is verboden om een voorwerp van welke aard ook, dat de gebruiker van de waterweg of de aanhorigheden in verwarring zou kunnen brengen, langs, in of boven een verkeersteken aan te brengen, te doen aanbrengen of te houden.
Het is verboden om een voorwerp van welke aard ook, dat de gebruiker van de waterweg of de aanhorigheden in verwarring zou kunnen brengen, langs, in of boven een verkeersteken aan te brengen, te doen aanbrengen of te houden.
Art.35. Sans préjudice des articles 33 et 34, il est interdit de poser ou de faire poser un panneau de signalisation, de l'enlever ou de le faire enlever, sans y être autorisé.
Il est interdit de poser, faire poser ou mettre, le long, dans ou au-dessus d'un panneau de signalisation, tout objet de quelque nature que ce soit susceptible de créer une confusion entre les usagers de la voie navigable ou de ses dépendances.
Il est interdit de poser, faire poser ou mettre, le long, dans ou au-dessus d'un panneau de signalisation, tout objet de quelque nature que ce soit susceptible de créer une confusion entre les usagers de la voie navigable ou de ses dépendances.
Art.36. De kosten verbonden aan het plaatsen, onderhouden, vernieuwen en verwijderen van de verkeerstekens worden gedragen door degene die de betrokken handeling heeft verricht.
De kosten van de aanduiding van verkeersbelemmeringen door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf indien de persoon die de verkeersbelemmering heeft veroorzaakt dit nalaat, worden gedragen door deze laatste.
De kosten van de aanduiding van werken in uitvoering door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf indien de persoon die de werken uitvoert dit nalaat, worden gedragen door deze laatste.
De kosten van de aanduiding van verkeersbelemmeringen door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf indien de persoon die de verkeersbelemmering heeft veroorzaakt dit nalaat, worden gedragen door deze laatste.
De kosten van de aanduiding van werken in uitvoering door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf indien de persoon die de werken uitvoert dit nalaat, worden gedragen door deze laatste.
Art.36. Les frais liés à la pose, à l'entretien, au renouvellement et à l'enlèvement des panneaux de signalisation sont à la charge de la personne qui a accompli l'acte en question.
Les frais de l'indication des entraves à la circulation par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, si la personne qui a causé l'entrave à la circulation ne le fait pas, sont à la charge de cette dernière.
Les frais d'indication des travaux en cours par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, en cas de défaillance de l'exécutant des travaux, sont à la charge de ce dernier.
Les frais de l'indication des entraves à la circulation par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, si la personne qui a causé l'entrave à la circulation ne le fait pas, sont à la charge de cette dernière.
Les frais d'indication des travaux en cours par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, en cas de défaillance de l'exécutant des travaux, sont à la charge de ce dernier.
Afdeling 4. - Nautische publicaties
Section 4. - Publications nautiques
Art.37. De waterwegbeheerder en andere bevoegde autoriteiten kunnen tot de gebruikers van de waterweg nautische publicaties richten.
De nautische publicaties bevatten bekendmakingen aan de gebruiker van de waterweg, waarbij door de waterwegbeheerder of de bevoegde autoriteit ten aanzien van de door of krachtens dit decreet geregelde aangelegenheden een gebod of verbod wordt uitgevaardigd dan wel een inlichting wordt verstrekt met betrekking tot een waterweg, een waterweggedeelte of het gebruik ervan. De in nautische publicaties vervatte voorschriften zijn beperkt tot aangelegenheden van tijdelijke aard en met een beperkte draagwijdte, die verband houden met een lokale toestand of gebeurtenis. Zij hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar.
De nautische publicaties worden bekendgemaakt op een website van de waterwegbeheerder of andere bevoegde autoriteit.
De nautische publicaties bevatten bekendmakingen aan de gebruiker van de waterweg, waarbij door de waterwegbeheerder of de bevoegde autoriteit ten aanzien van de door of krachtens dit decreet geregelde aangelegenheden een gebod of verbod wordt uitgevaardigd dan wel een inlichting wordt verstrekt met betrekking tot een waterweg, een waterweggedeelte of het gebruik ervan. De in nautische publicaties vervatte voorschriften zijn beperkt tot aangelegenheden van tijdelijke aard en met een beperkte draagwijdte, die verband houden met een lokale toestand of gebeurtenis. Zij hebben een geldigheidsduur van ten hoogste drie jaar.
De nautische publicaties worden bekendgemaakt op een website van de waterwegbeheerder of andere bevoegde autoriteit.
Art.37. Le gestionnaire des voies navigables et les autres autorités compétentes peuvent adresser des publications nautiques aux usagers de la voie navigable.
Les publications nautiques contiennent des avis aux usagers de la voie navigable par lesquelles le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité compétente émet un ordre ou une interdiction ou fournit des informations concernant une voie navigable, une section de voie navigable ou son utilisation en ce qui concerne les questions réglementées par le présent décret ou en vertu de celui-ci. Les règles contenues dans les publications nautiques se limitent à des questions de nature temporaire et limitée, relatives à une situation ou un événement local. Leur durée de validité est de trois ans maximum.
Les publications nautiques sont publiées sur un site web du gestionnaire des voies navigables ou d'une autre autorité compétente.
Les publications nautiques contiennent des avis aux usagers de la voie navigable par lesquelles le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité compétente émet un ordre ou une interdiction ou fournit des informations concernant une voie navigable, une section de voie navigable ou son utilisation en ce qui concerne les questions réglementées par le présent décret ou en vertu de celui-ci. Les règles contenues dans les publications nautiques se limitent à des questions de nature temporaire et limitée, relatives à une situation ou un événement local. Leur durée de validité est de trois ans maximum.
Les publications nautiques sont publiées sur un site web du gestionnaire des voies navigables ou d'une autre autorité compétente.
HOOFDSTUK 5. - Watercaptatie
CHAPITRE 5. - Prélèvement d'eau
Art.38. Dit hoofdstuk is van toepassing op de waterwegen en in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven.
Art.38. Le présent chapitre s'applique aux voies navigables et aux zones portuaires gérées et exploitées par les régies portuaires.
Art.39. In alle waterwegen en havens moet degene die water capteert:
1° melding maken van het capteren van minder dan 500 kubieke meter per jaar, hierna genoemd de melding van een watervang; of
2° een vergunning verkrijgen voor het capteren van 500 kubieke meter en meer per jaar, hierna genoemd de vergunning voor een watervang.
Captatie van water is enkel toegestaan op de vaste captatielocaties, aangeduid door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Aangelanden mogen echter wel vanaf de aangelande grond die zij bezitten water capteren.
1° melding maken van het capteren van minder dan 500 kubieke meter per jaar, hierna genoemd de melding van een watervang; of
2° een vergunning verkrijgen voor het capteren van 500 kubieke meter en meer per jaar, hierna genoemd de vergunning voor een watervang.
Captatie van water is enkel toegestaan op de vaste captatielocaties, aangeduid door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Aangelanden mogen echter wel vanaf de aangelande grond die zij bezitten water capteren.
Art.39. Dans toutes les voies navigables et tous les ports, celui qui prélève l'eau :
1° doit notifier le captage de moins de 500 mètres cubes par an, ci-après dénommé la déclaration de captage d'eau ; ou
2° doit obtenir un permis de captage de 500 mètres cubes et plus par an, ci-après dénommé permis de captage d'eau.
Le captage de l'eau n'est autorisé qu'aux endroits fixes de captage, indiqués par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire. Toutefois, les riverains sont autorisés à capter l'eau sur les terres qu'ils possèdent.
1° doit notifier le captage de moins de 500 mètres cubes par an, ci-après dénommé la déclaration de captage d'eau ; ou
2° doit obtenir un permis de captage de 500 mètres cubes et plus par an, ci-après dénommé permis de captage d'eau.
Le captage de l'eau n'est autorisé qu'aux endroits fixes de captage, indiqués par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire. Toutefois, les riverains sont autorisés à capter l'eau sur les terres qu'ils possèdent.
Art.40. § 1. De melding van een watervang gebeurt bij de waterwegbeheerder of het havenbedrijf.
De vergunning voor een watervang wordt afgeleverd door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van de melding van een watervang en de voorwaarden en procedure voor de afgifte van de vergunning voor een watervang omschrijven.
§ 3. Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf is de verantwoordelijke voor de verwerking.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit hoofdstuk heeft betrekking op identificatiegegevens van natuurlijke en/of rechtspersonen die water capteren uit de waterweg of de haven. De doelstelling van deze verwerking van persoonsgegevens betreft het overzicht van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf op de hoeveelheid van water die uit hun waterwegen of havens wordt gecapteerd om ervoor te kunnen zorgen dat alle functies van de waterweg of de haven kunnen worden gegarandeerd.
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden verwerkt en van welke betrokkenen, stelt de wijze vast waarop die gegevens worden verwerkt en stelt de maximale bewaartermijn van de gegevens vast. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, en maximaal voor een periode van 5 jaar.
Voor de bescherming van de persoonsgegevens neemt de waterwegbeheerder of het havenbedrijf gepaste technische en organisatorische maatregelen, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiële risico's.
De vergunning voor een watervang wordt afgeleverd door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf.
§ 2. De Vlaamse Regering kan de nadere modaliteiten van de melding van een watervang en de voorwaarden en procedure voor de afgifte van de vergunning voor een watervang omschrijven.
§ 3. Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf is de verantwoordelijke voor de verwerking.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit hoofdstuk heeft betrekking op identificatiegegevens van natuurlijke en/of rechtspersonen die water capteren uit de waterweg of de haven. De doelstelling van deze verwerking van persoonsgegevens betreft het overzicht van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf op de hoeveelheid van water die uit hun waterwegen of havens wordt gecapteerd om ervoor te kunnen zorgen dat alle functies van de waterweg of de haven kunnen worden gegarandeerd.
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden verwerkt en van welke betrokkenen, stelt de wijze vast waarop die gegevens worden verwerkt en stelt de maximale bewaartermijn van de gegevens vast. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, en maximaal voor een periode van 5 jaar.
Voor de bescherming van de persoonsgegevens neemt de waterwegbeheerder of het havenbedrijf gepaste technische en organisatorische maatregelen, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiële risico's.
Art.40. § 1. La notification d'un captage d'eau se fait auprès du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire.
Le permis pour le captage d'eau est délivré par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités plus détaillées de la notification d'un captage d'eau et les conditions et la procédure de délivrance du permis de captage d'eau.
§ 3. Aux fins de l'exercice des compétences et de l'exécution des tâches visées par ou en exécution du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution, les données à caractère personnel sont traitées. Le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire est responsable du traitement.
Le traitement des données à caractère personnel dans le cadre de ce chapitre concerne les données d'identification des personnes physiques et/ou morales qui prélèvent de l'eau de la voie navigable ou du port. L'objectif de ce traitement de données à caractère personnel est de fournir au gestionnaire des voies navigables ou à la société portuaire une vue d'ensemble du volume d'eau qui est prélevé dans leurs voies navigables ou leurs ports afin de garantir toutes les fonctions de la voie navigable ou du port.
Le Gouvernement flamand détermine quelles données sont traitées et de quels intéressés, fixe la manière dont ces données sont traitées et fixe la durée maximale de conservation des données. En tout état de cause, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, et pour une durée maximale de 5 ans.
Afin de protéger les données à caractère personnel, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire prend les mesures techniques et organisationnelles appropriées compte tenu de l'état de la technique et du coût de leur mise en oeuvre ainsi que de la nature des données à protéger et des risques.
Le permis pour le captage d'eau est délivré par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire.
§ 2. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités plus détaillées de la notification d'un captage d'eau et les conditions et la procédure de délivrance du permis de captage d'eau.
§ 3. Aux fins de l'exercice des compétences et de l'exécution des tâches visées par ou en exécution du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution, les données à caractère personnel sont traitées. Le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire est responsable du traitement.
Le traitement des données à caractère personnel dans le cadre de ce chapitre concerne les données d'identification des personnes physiques et/ou morales qui prélèvent de l'eau de la voie navigable ou du port. L'objectif de ce traitement de données à caractère personnel est de fournir au gestionnaire des voies navigables ou à la société portuaire une vue d'ensemble du volume d'eau qui est prélevé dans leurs voies navigables ou leurs ports afin de garantir toutes les fonctions de la voie navigable ou du port.
Le Gouvernement flamand détermine quelles données sont traitées et de quels intéressés, fixe la manière dont ces données sont traitées et fixe la durée maximale de conservation des données. En tout état de cause, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire au regard des finalités pour lesquelles elles sont traitées, et pour une durée maximale de 5 ans.
Afin de protéger les données à caractère personnel, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire prend les mesures techniques et organisationnelles appropriées compte tenu de l'état de la technique et du coût de leur mise en oeuvre ainsi que de la nature des données à protéger et des risques.
Art.41. Bij uitzonderlijk lage waterstanden, waarbij captatie van water gevaar kan opleveren voor de scheepvaart of voor de waterwegen of de havens, of bij slechte waterkwaliteit, kan door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf een tijdelijk verbod of een tijdelijk beperking van captatie worden opgelegd.
De Vlaamse Regering bepaalt hiervan de modaliteiten.
De Vlaamse Regering bepaalt hiervan de modaliteiten.
Art.41. En cas de niveaux d'eau exceptionnellement bas, où le captage de l'eau peut mettre en danger la navigation ou les voies navigables ou les ports, ou en cas de mauvaise qualité de l'eau, le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité portuaire peut imposer une interdiction ou une restriction temporaire du captage.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet égard.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet égard.
Art.42. § 1. Het bedrag verschuldigd voor het bekomen van een vergunning voor een watervang wordt bepaald door het totale volume water dat door middel van pompen, hevels of andere goedgekeurde installaties uit de waterweg of de haven wordt gecapteerd.
§ 2. Het bedrag verschuldigd voor het capteren van water bedraagt minimum 0,0046 euro per kubieke meter gecapteerd water en maximum 0,1 euro per kubieke meter gecapteerd water. De Vlaamse Regering bepaalt een methodologie gebaseerd op economische en ecologische indicatoren, inclusief de tariefstructuur en -zetting, om de hoogte van de bedragen voor watercaptatie te onderbouwen.
§ 3. Het minimum verschuldigde bedrag wordt forfaitair vastgesteld op 225 euro per jaar. De captatie van minder dan 500 kubieke meter per jaar is gratis.
Voor het aftappen van water door de vergunninghouders die onder de toepassing van de wet van 20 juni 1855 inzake de irrigaties in de Kempen vallen, wordt het verschuldigde bedrag forfaitair vastgesteld op 225 euro per jaar.
§ 4. De Vlaamse Regering kan de in dit artikel vastgestelde bedragen zo nodig jaarlijks actualiseren.
De Vlaamse Regering kan de toe te passen verhogingen en interestvoeten in geval van laattijdige betaling vaststellen en de nadere betalingsmodaliteiten bepalen.
§ 5. Aan de vergunninghouders die het gecapteerde water na gebruik terugstorten in de waterweg of de haven waar het werd gecapteerd kan een vermindering van het verschuldigde bedrag worden toegekend in functie van het volume dat effectief wordt teruggestort.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
§ 2. Het bedrag verschuldigd voor het capteren van water bedraagt minimum 0,0046 euro per kubieke meter gecapteerd water en maximum 0,1 euro per kubieke meter gecapteerd water. De Vlaamse Regering bepaalt een methodologie gebaseerd op economische en ecologische indicatoren, inclusief de tariefstructuur en -zetting, om de hoogte van de bedragen voor watercaptatie te onderbouwen.
§ 3. Het minimum verschuldigde bedrag wordt forfaitair vastgesteld op 225 euro per jaar. De captatie van minder dan 500 kubieke meter per jaar is gratis.
Voor het aftappen van water door de vergunninghouders die onder de toepassing van de wet van 20 juni 1855 inzake de irrigaties in de Kempen vallen, wordt het verschuldigde bedrag forfaitair vastgesteld op 225 euro per jaar.
§ 4. De Vlaamse Regering kan de in dit artikel vastgestelde bedragen zo nodig jaarlijks actualiseren.
De Vlaamse Regering kan de toe te passen verhogingen en interestvoeten in geval van laattijdige betaling vaststellen en de nadere betalingsmodaliteiten bepalen.
§ 5. Aan de vergunninghouders die het gecapteerde water na gebruik terugstorten in de waterweg of de haven waar het werd gecapteerd kan een vermindering van het verschuldigde bedrag worden toegekend in functie van het volume dat effectief wordt teruggestort.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels.
Art.42. § 1. Le montant dû pour l'obtention d'un permis de captage d'eau est déterminé par le volume total d'eau capté dans la voie navigable ou le port au moyen de pompes, de siphons ou d'autres installations agréées.
§ 2. Le montant dû pour le captage d'eau est au minimum de 0,0046 euros par mètre cube d'eau captée et au maximum de 0,1 euros par mètre cube d'eau captée. Le Gouvernement flamand détermine une méthodologie basée sur des indicateurs économiques et écologiques, y compris la structure et la présentation tarifaires, pour justifier les montants pour le captage de l'eau.
§ 3. Le montant minimum dû est fixé forfaitairement à 225 euros par an. Le captage de moins de 500 mètres cubes par an est gratuit.
Pour le captage d'eau par des titulaires de permis auxquels s'applique la loi du 20 juin 1855 sur la police des irrigations en Campine, le montant dû est fixé à 225 euros par an.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut actualiser annuellement, si nécessaire, les montants déterminés dans le présent article.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les majorations et les taux d'intérêt à appliquer en cas de retard de paiement, et fixer les modalités de paiement.
§ 5. Les titulaires du permis qui, après utilisation, retournent l'eau captée à la voie navigable ou au port où elle a été captée peuvent bénéficier d'une réduction du montant dû en fonction du volume qui est effectivement retourné.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
§ 2. Le montant dû pour le captage d'eau est au minimum de 0,0046 euros par mètre cube d'eau captée et au maximum de 0,1 euros par mètre cube d'eau captée. Le Gouvernement flamand détermine une méthodologie basée sur des indicateurs économiques et écologiques, y compris la structure et la présentation tarifaires, pour justifier les montants pour le captage de l'eau.
§ 3. Le montant minimum dû est fixé forfaitairement à 225 euros par an. Le captage de moins de 500 mètres cubes par an est gratuit.
Pour le captage d'eau par des titulaires de permis auxquels s'applique la loi du 20 juin 1855 sur la police des irrigations en Campine, le montant dû est fixé à 225 euros par an.
§ 4. Le Gouvernement flamand peut actualiser annuellement, si nécessaire, les montants déterminés dans le présent article.
Le Gouvernement flamand peut déterminer les majorations et les taux d'intérêt à appliquer en cas de retard de paiement, et fixer les modalités de paiement.
§ 5. Les titulaires du permis qui, après utilisation, retournent l'eau captée à la voie navigable ou au port où elle a été captée peuvent bénéficier d'une réduction du montant dû en fonction du volume qui est effectivement retourné.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités.
Art.43. Voor het vaststellen van het totale volume gecapteerd water per jaar worden alle bestaande en nog te bouwen watervangen uitgerust met een debietmetingssysteem. Dit wordt geplaatst op kosten van de vergunninghouder.
Voor het gebeurlijk vaststellen van het totale volume teruggestort water per jaar zal de vergunninghouder in een bijkomend debietmetingssysteem voorzien.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan deze debietmetingssystemen moeten voldoen.
Voor het gebeurlijk vaststellen van het totale volume teruggestort water per jaar zal de vergunninghouder in een bijkomend debietmetingssysteem voorzien.
De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaraan deze debietmetingssystemen moeten voldoen.
Art.43. Afin de déterminer le volume total d'eau captée par an, tous les réservoirs d'eau existants et futurs sont équipés d'un système de mesure du débit. Celui-ci est installé à la charge du titulaire du permis.
Le titulaire du permis doit fournir un système supplémentaire de mesure du débit pour déterminer le volume total d'eau retournée par an.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions minimales auxquelles doivent satisfaire ces systèmes de mesure du débit.
Le titulaire du permis doit fournir un système supplémentaire de mesure du débit pour déterminer le volume total d'eau retournée par an.
Le Gouvernement flamand détermine les conditions minimales auxquelles doivent satisfaire ces systèmes de mesure du débit.
Art.44. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf is belast met de inning en de invordering van de verschuldigde bedragen en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de watervang.
De Vlaamse Regering regelt de uitvoering van dit artikel. Zij bepaalt de vergoeding die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde beheerders toekomt, onverminderd de bevoegdheid ter zake van het agentschap De Vlaamse Waterweg nv om die inning en vorderingen in de door hen beheerde kanalen en waterwegen voor eigen rekening uit te voeren.
De Vlaamse Regering regelt de uitvoering van dit artikel. Zij bepaalt de vergoeding die aan de in het eerste lid van dit artikel genoemde beheerders toekomt, onverminderd de bevoegdheid ter zake van het agentschap De Vlaamse Waterweg nv om die inning en vorderingen in de door hen beheerde kanalen en waterwegen voor eigen rekening uit te voeren.
Art.44. Le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire est chargé de la perception et du recouvrement des montants dus et du contrôle du respect des obligations en matière du captage d'eau.
Le Gouvernement flamand règle l'exécution du présent article. Il fixe la redevance qui revient aux gestionnaires visés à l'alinéa premier du présent article, sans préjudice de la compétence en la matière de l'agence " De Vlaamse Waterweg nv " d'effectuer pour son propre compte cette perception et ces créances dans les canaux et voies navigables qu'elle gère.
Le Gouvernement flamand règle l'exécution du présent article. Il fixe la redevance qui revient aux gestionnaires visés à l'alinéa premier du présent article, sans préjudice de la compétence en la matière de l'agence " De Vlaamse Waterweg nv " d'effectuer pour son propre compte cette perception et ces créances dans les canaux et voies navigables qu'elle gère.
TITEL 3. - De scheepvaart
TITRE 3. - La navigation
HOOFDSTUK 1. - Reglementering van de scheepvaart
CHAPITRE 1er. - Réglementation de la navigation
Afdeling 1. - Algemene bepalingen
Section 1re. - Dispositions générales
Art.45. Met behoud van de toepassing van het bepaalde in artikel 69 omtrent de bijzondere transporten, mag geen schip zich op de waterweg begeven indien de afmetingen ervan of van zijn lading niet beantwoorden aan de waterwegklasse.
Art.45. Sans préjudice de l'application des dispositions de l'article 69 relatives aux transports particuliers, aucun bateau ne peut se rendre sur la voie navigable si ses dimensions ou sa cargaison ne correspondent pas à la classe de la voie navigable.
Art.46. In geval de gezagvoerder van een schip een hindernis in de door een waterwegbeheerder beheerde waterweg aantreft of kennis krijgt van de aanwezigheid van dergelijke hindernis in die waterweg, geeft hij daarvan onverwijld kennis aan de waterwegbeheerder. Hetzelfde geldt wanneer hij een defect of een gebrek opmerkt aan de verkeerstekens en de apparaten die dienen om inlichtingen of instructies aan schepen te geven, zoals bakens en boeien, of aan kunstwerken zoals sluizen, bruggen, kaaien en taluds. Bij deze melding dienen alle gegevens te worden meegedeeld die van belang zijn of kunnen zijn voor de instandhouding of het herstel van de waterweg.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.
De Vlaamse Regering kan betreffende deze melding de nadere regels vaststellen.
Art.46. Si le commandant d'un navire rencontre un obstacle dans une voie navigable gérée par un gestionnaire des voies navigables ou s'il a connaissance de la présence d'un tel obstacle dans cette voie navigable, il doit en informer sans délai le gestionnaire des voies navigables. Il en est de même lorsqu'il constate une défaillance ou une défectuosité des panneaux de signalisation et des appareils servant à fournir des renseignements ou des instructions aux navires, tels que des balises et des bouées, ou des ouvrages d'art tels que écluses, ponts, quais et talus. Cette notification doit contenir toutes les informations qui sont ou peuvent être pertinentes pour le maintien ou la restauration de la voie navigable.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à cette notification.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités relatives à cette notification.
Afdeling 2. - Algemene meldplicht van schepen
Section 2. - Obligation générale de notification des navires
Art.47. De Vlaamse Regering kan aan schepen die zich op de binnenwateren bevinden of zullen bevinden de verplichting opleggen om gegevens betreffende de reis, de lading, het aantal opvarenden en het schip te melden. Het toepassingsgebied van deze verplichting, de nadere regels ter zake, alsook de wijze waarop de gegevens worden uitgewisseld tussen bij de scheepvaart betrokken overheidsinstellingen en private actoren, worden bepaald door de Vlaamse Regering.
Art.47. Le Gouvernement flamand peut imposer aux navires qui se trouvent ou se trouveront sur les voies navigables intérieures l'obligation de communiquer des informations sur le voyage, la cargaison, le nombre de personnes à bord et le navire. Le Gouvernement flamand détermine le champ d'application de cette obligation, les modalités d'exécution et la manière dont les informations doivent être échangées entre les organismes publics et les acteurs privés concernés par la navigation.
Afdeling 3. - Scheepvaartongevallen
Section 3. - Accidents maritimes
Art.48. Deze afdeling is van toepassing in de havengebieden beheerd en geëxploiteerd door de havenbedrijven en op de waterwegen.
Art.48. Cette section s'applique dans les zones portuaires gérées et exploitées par les régies portuaires et sur les voies navigables.
Art.49. § 1. De eigenaar of de gezagvoerder van een schip dat dreigt te zinken of vast te lopen, dat onvoldoende of onrechtmatig is gemeerd of dat derwijze ligt dat het de doorvaart hindert of anderszins de vrijheid of de veiligheid van de scheepvaart of het leefmilieu in het gedrang brengt of kan brengen, neemt onverwijld alle maatregelen om hieraan te verhelpen.
§ 2. Wanneer een schip gezonken is of dreigt te zinken of vast te lopen, wanneer het onvoldoende of onrechtmatig gemeerd is of derwijze ligt dat het de doorvaart hindert en, in het algemeen, telkens als het nodig is de vrijheid of veiligheid van de scheepvaart te verzekeren, de afvoer van het water te vergemakkelijken of de belangen van het regime van de waterweg of de haven te vrijwaren, mag de waterwegbeheerder of het havenbedrijf en, bij dringendheid, elke ambtenaar, vermeld in artikel 112, aan de eigenaar of de gezagvoerder de nodig geachte maatregelen voorschrijven, zelfs wanneer deze niet in enige verordening voorzien zijn.
De eigenaar en de gezagvoerder moeten aan de gegeven bevelen onmiddellijk gevolg geven. Indien zij hierbij in gebreke blijven of indien zij afwezig zijn, mogen de voorgeschreven maatregelen van ambtswege op hun kosten worden uitgevoerd.
Deze bepalingen gelden met behoud van de toepassing van artikel 17 en 140.
§ 2. Wanneer een schip gezonken is of dreigt te zinken of vast te lopen, wanneer het onvoldoende of onrechtmatig gemeerd is of derwijze ligt dat het de doorvaart hindert en, in het algemeen, telkens als het nodig is de vrijheid of veiligheid van de scheepvaart te verzekeren, de afvoer van het water te vergemakkelijken of de belangen van het regime van de waterweg of de haven te vrijwaren, mag de waterwegbeheerder of het havenbedrijf en, bij dringendheid, elke ambtenaar, vermeld in artikel 112, aan de eigenaar of de gezagvoerder de nodig geachte maatregelen voorschrijven, zelfs wanneer deze niet in enige verordening voorzien zijn.
De eigenaar en de gezagvoerder moeten aan de gegeven bevelen onmiddellijk gevolg geven. Indien zij hierbij in gebreke blijven of indien zij afwezig zijn, mogen de voorgeschreven maatregelen van ambtswege op hun kosten worden uitgevoerd.
Deze bepalingen gelden met behoud van de toepassing van artikel 17 en 140.
Art.49. § 1. Le propriétaire ou le capitaine d'un navire qui risque de couler ou de s'échouer, qui est insuffisamment ou illégalement amarré, ou qui est amarré de manière à entraver le passage ou à compromettre de toute autre manière la liberté ou la sécurité de la navigation ou l'environnement, doit immédiatement prendre toutes les mesures pour remédier à la situation.
§ 2. Lorsqu'un navire a coulé ou menace de couler ou de s'échouer, lorsqu'il est insuffisamment ou illégalement amarré ou lorsqu'il est amarré de manière à entraver le passage et, en général, chaque fois qu'il est nécessaire d'assurer la liberté ou la sécurité de la navigation, faciliter le déversement des eaux ou protéger les intérêts de la voie navigable ou du régime portuaire, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire et, en cas d'urgence, tout fonctionnaire visé à l'article 112 peuvent prescrire au propriétaire ou au commandant les mesures jugées nécessaires, même si elles ne sont pas prévues par un règlement.
Le propriétaire et le commandant doivent se conformer immédiatement aux ordres donnés. S'ils ne s'y conforment pas ou sont absents, les mesures prescrites peuvent être exécutées d'office à leurs frais.
Ces dispositions s'appliquent sans préjudice de l'application des articles 17 et 140.
§ 2. Lorsqu'un navire a coulé ou menace de couler ou de s'échouer, lorsqu'il est insuffisamment ou illégalement amarré ou lorsqu'il est amarré de manière à entraver le passage et, en général, chaque fois qu'il est nécessaire d'assurer la liberté ou la sécurité de la navigation, faciliter le déversement des eaux ou protéger les intérêts de la voie navigable ou du régime portuaire, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire et, en cas d'urgence, tout fonctionnaire visé à l'article 112 peuvent prescrire au propriétaire ou au commandant les mesures jugées nécessaires, même si elles ne sont pas prévues par un règlement.
Le propriétaire et le commandant doivent se conformer immédiatement aux ordres donnés. S'ils ne s'y conforment pas ou sont absents, les mesures prescrites peuvent être exécutées d'office à leurs frais.
Ces dispositions s'appliquent sans préjudice de l'application des articles 17 et 140.
Art.50. Wanneer een schip op de waterweg of in de haven bij een incident is betrokken of indien het is vastgelopen of gezonken, geeft de eigenaar van het schip of de gezagvoerder daarvan onverwijld kennis aan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Eenzelfde verplichting rust op de eigenaar van het schip of de gezagvoerder wanneer het schip dreigt vast te lopen, te zinken of onbestuurbaar te worden.
Art.50. Lorsqu'un navire est impliqué dans un incident sur la voie navigable ou au port, ou s'il s'échoue ou coule, le propriétaire ou le commandant du navire doit en informer sans délai le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire. Une même obligation incombe au propriétaire du navire ou au commandant de bord lorsque le navire risque de s'échouer, de couler ou de devenir incontrôlable.
Art.51. Een schip dat bij een incident was betrokken, mag de plaats van het incident niet verlaten zonder de voorafgaande toelating van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, tenzij om zich te begeven naar een nabije veilige ligplaats teneinde verdere schade te voorkomen.
In geval van miskenning van de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het betrokken schip door elke waterwegbeheerder en elk havenbedrijf worden opgehouden totdat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf van de plaats van het incident de toelating geeft om verder te varen.
In geval van miskenning van de in het eerste lid bedoelde verplichting, kan het betrokken schip door elke waterwegbeheerder en elk havenbedrijf worden opgehouden totdat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf van de plaats van het incident de toelating geeft om verder te varen.
Art.51. Un navire impliqué dans un incident ne peut pas quitter le lieu de l'incident sans l'autorisation préalable du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire, sauf pour se rendre à un quai d'amarrage sûr situé à proximité afin d'éviter d'autres dommages.
En cas de non-respect de l'obligation visée à l'alinéa 1, le navire concerné peut être immobilisé par tout gestionnaire des voies navigables et toute régie portuaire jusqu'à ce que le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire du lieu de l'incident l'autorise à poursuivre sa route.
En cas de non-respect de l'obligation visée à l'alinéa 1, le navire concerné peut être immobilisé par tout gestionnaire des voies navigables et toute régie portuaire jusqu'à ce que le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire du lieu de l'incident l'autorise à poursuivre sa route.
Art.52. Zolang de waterwegbeheerder of het havenbedrijf hem niet heeft gemachtigd zich te verwijderen, blijft de gezagvoerder van een schip aan boord van het schip of in de nabijheid van de plaats waar het voorval, vermeld in artikel 50, zich heeft voorgedaan.
Art.52. Tant que le gestionnaires des voies navigables ou la régie portuaire ne l'a pas autorisé à s'éloigner, le commandant d'un navire reste à bord du navire ou à proximité du lieu où s'est produit l'incident visé à l'article 50.
Afdeling 4. - Boorddocumenten
Section 4. - Documents de bord
Art.53. De Vlaamse Regering bepaalt de documenten die ingevolge dit decreet aan boord van het schip voor inzage beschikbaar moeten zijn en stelt de nadere regels hieromtrent vast. De Vlaamse Regering kan eveneens voorzien in vrijstellingen voor bepaalde categorieën van schepen.
Art.53. Le Gouvernement flamand détermine les documents qui, en vertu du présent décret, doivent être disponibles à bord du navire pour consultation et en fixe les modalités. Le Gouvernement flamand peut également prévoir des exemptions pour certaines catégories de navires.
Afdeling 5. - Veiligheid van schepen en bemanningsvoorschriften in de binnenvaart
Section 5. - Sécurité des navires et prescriptions d'équipage dans la navigation intérieure
Art.54. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn (EU) 2016/1629 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 tot vaststelling van de technische voorschriften voor binnenschepen, tot wijziging van Richtlijn 2009/100/EG en tot intrekking van Richtlijn 2006/87/EG en van richtlijn (EU) 2017/2397 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties in de binnenvaart en tot intrekking van de Richtlijnen 91/672/EEG en 96/50/EG van de Raad.
Art.54. La présente section prévoit la transposition partielle de la directive (UE) 2016/1629 du Parlement européen et du Conseil du 14 septembre 2016 établissant les prescriptions techniques applicables aux bateaux de navigation intérieure, modifiant la directive 2009/100/CE et abrogeant la directive 2006/87/CE et la directive (UE) 2017/2397 du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2017 relative à la reconnaissance des qualifications professionnelles dans le domaine de la navigation intérieure et abrogeant les directives du Conseil 91/672/CEE et 96/50/CE.
Art.55. Deze afdeling, evenals artikel 116, artikel 121 tot en met 123 en afdeling 3 van hoofdstuk 4 van titel 6, zijn van toepassing op:
1° elk binnenschip, met uitzondering van de pleziervaartuigen; en
2° andere schepen, met uitzondering van pleziervaartuigen en marineschepen en met uitzondering van zeeschepen, zeesleepboten en zeeduwboten die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
a) in getijdenwateren varen of stilliggen;
b) tijdelijk op binnenwateren varen als ze minstens beschikken over:
1) al de volgende certificaten:
i) een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS) of een gelijkwaardig certificaat;
ii) een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, of een gelijkwaardig certificaat;
iii) een internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie (International Oil Pollution Prevention (IOPP)) als bewijs voor de conformiteit met het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973/78 (MARPOL);
2) in geval van zeeschepen die niet onder het SOLAS-verdrag, noch het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, noch het MARPOL-verdrag vallen: de relevante certificaten en de uitwateringsmerken die wettelijk verplicht zijn in hun vlaggenstaat;
3) in geval van passagiersschepen die niet vallen onder de verdragen, vermeld in punt 1): een certificaat inzake veiligheidsvoorschriften en normen voor passagiersschepen dat afgegeven is overeenkomstig richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen.
Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt, inclusief de gegevens, vermeld in artikel 9, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden verwerkt en van welke betrokkenen, stelt de wijze vast waarop die gegevens worden verwerkt, wijst de verantwoordelijke voor de verwerking aan, bepaalt, onverminderd de in het tweede lid vermelde doeleinden, de bijkomende doeleinden van de verwerking en stelt de maximale bewaartermijn van de gegevens vast. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Indien de gegevens openbaar worden gemaakt of aan derden kunnen worden overgemaakt, stelt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkenen op de hoogte van de categorieën van ontvangers.
1° elk binnenschip, met uitzondering van de pleziervaartuigen; en
2° andere schepen, met uitzondering van pleziervaartuigen en marineschepen en met uitzondering van zeeschepen, zeesleepboten en zeeduwboten die aan een van de volgende voorwaarden voldoen:
a) in getijdenwateren varen of stilliggen;
b) tijdelijk op binnenwateren varen als ze minstens beschikken over:
1) al de volgende certificaten:
i) een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee van 1974 (SOLAS) of een gelijkwaardig certificaat;
ii) een certificaat van conformiteit met het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, of een gelijkwaardig certificaat;
iii) een internationaal certificaat van voorkoming van verontreiniging door olie (International Oil Pollution Prevention (IOPP)) als bewijs voor de conformiteit met het Internationaal Verdrag ter voorkoming van verontreiniging door schepen van 1973/78 (MARPOL);
2) in geval van zeeschepen die niet onder het SOLAS-verdrag, noch het Internationaal Verdrag betreffende de uitwatering van schepen van 1966, noch het MARPOL-verdrag vallen: de relevante certificaten en de uitwateringsmerken die wettelijk verplicht zijn in hun vlaggenstaat;
3) in geval van passagiersschepen die niet vallen onder de verdragen, vermeld in punt 1): een certificaat inzake veiligheidsvoorschriften en normen voor passagiersschepen dat afgegeven is overeenkomstig richtlijn 2009/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 inzake veiligheidsvoorschriften en -normen voor passagiersschepen.
Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van deze afdeling en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt, inclusief de gegevens, vermeld in artikel 9, lid 1, van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden verwerkt en van welke betrokkenen, stelt de wijze vast waarop die gegevens worden verwerkt, wijst de verantwoordelijke voor de verwerking aan, bepaalt, onverminderd de in het tweede lid vermelde doeleinden, de bijkomende doeleinden van de verwerking en stelt de maximale bewaartermijn van de gegevens vast. De persoonsgegevens worden in ieder geval niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Indien de gegevens openbaar worden gemaakt of aan derden kunnen worden overgemaakt, stelt de verwerkingsverantwoordelijke de betrokkenen op de hoogte van de categorieën van ontvangers.
Art.55. La présente section, ainsi que l'article 116, les articles 121 à 123 et la section 3 du chapitre 4 du titre 6 s'appliquent :
1° à tout bateau de navigation intérieure, à l'exception des bateaux de plaisance ; et
2° aux autres navires, à l'exception des bateaux de plaisance et des navires de la marine ainsi que des navires de mer, des remorqueurs de mer et des pousseurs de mer qui remplissent l'une des conditions suivantes :
a) naviguer ou s'arrêter dans les eaux de marée ;
b) naviguer temporairement sur les voies navigables intérieures s'ils disposent au moins :
1) de tous les certificats suivants :
i) un certificat de conformité à la Convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer (SOLAS) ou un certificat équivalent ;
ii) un certificat de conformité à la Convention internationale sur les lignes de charge, 1966, ou un certificat équivalent ;
iii) un certificat international de prévention de la pollution par les hydrocarbures (IOPP) comme preuve de conformité avec la Convention internationale pour la prévention de la pollution par les navires, 1973/78 (MARPOL) ;
2) dans le cas des navires de mer non couverts par la convention SOLAS, ni par la Convention Internationale de 1966 sur les lignes de charge et ni par la convention MARPOL : les certificats pertinents et les lignes de charge exigés par la loi dans leur Etat de pavillon ;
3) dans le cas des navires à passagers non couverts par les conventions visées au point 1) : un certificat sur les exigences de sécurité et les normes pour les navires à passagers délivrées conformément à la directive 2009/45/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 mai 2009 établissant des règles et normes de sécurité pour les navires à passagers.
Aux fins de l'exécution des compétences et des tâches visées dans la présente section et ses actes d'exécution ou en exécution de celle-ci, les données à caractère personnel sont traitées, y compris les données visées à l'article 9, alinéa 1, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
Le Gouvernement flamand détermine quelles données sont traitées et de quels intéressés, fixe la manière dont ces données sont traitées, désigne le responsable du traitement, détermine, sans préjudice des finalités visées à l'alinéa deux les finalités supplémentaires du traitement et détermine la durée maximale de conservation des données. En tout état de cause, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins pour lesquelles elles sont traitées. " ; Lorsque les données sont rendues publiques ou peuvent être transmises à des tiers, le responsable du traitement informe les personnes concernées des catégories de destinataires.
1° à tout bateau de navigation intérieure, à l'exception des bateaux de plaisance ; et
2° aux autres navires, à l'exception des bateaux de plaisance et des navires de la marine ainsi que des navires de mer, des remorqueurs de mer et des pousseurs de mer qui remplissent l'une des conditions suivantes :
a) naviguer ou s'arrêter dans les eaux de marée ;
b) naviguer temporairement sur les voies navigables intérieures s'ils disposent au moins :
1) de tous les certificats suivants :
i) un certificat de conformité à la Convention internationale de 1974 pour la sauvegarde de la vie humaine en mer (SOLAS) ou un certificat équivalent ;
ii) un certificat de conformité à la Convention internationale sur les lignes de charge, 1966, ou un certificat équivalent ;
iii) un certificat international de prévention de la pollution par les hydrocarbures (IOPP) comme preuve de conformité avec la Convention internationale pour la prévention de la pollution par les navires, 1973/78 (MARPOL) ;
2) dans le cas des navires de mer non couverts par la convention SOLAS, ni par la Convention Internationale de 1966 sur les lignes de charge et ni par la convention MARPOL : les certificats pertinents et les lignes de charge exigés par la loi dans leur Etat de pavillon ;
3) dans le cas des navires à passagers non couverts par les conventions visées au point 1) : un certificat sur les exigences de sécurité et les normes pour les navires à passagers délivrées conformément à la directive 2009/45/CE du Parlement européen et du Conseil du 6 mai 2009 établissant des règles et normes de sécurité pour les navires à passagers.
Aux fins de l'exécution des compétences et des tâches visées dans la présente section et ses actes d'exécution ou en exécution de celle-ci, les données à caractère personnel sont traitées, y compris les données visées à l'article 9, alinéa 1, du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relative à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
Le Gouvernement flamand détermine quelles données sont traitées et de quels intéressés, fixe la manière dont ces données sont traitées, désigne le responsable du traitement, détermine, sans préjudice des finalités visées à l'alinéa deux les finalités supplémentaires du traitement et détermine la durée maximale de conservation des données. En tout état de cause, les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins pour lesquelles elles sont traitées. " ; Lorsque les données sont rendues publiques ou peuvent être transmises à des tiers, le responsable du traitement informe les personnes concernées des catégories de destinataires.
Art.56. Geen schip mag vanuit een Vlaamse haven zee kiezen of op de binnenwateren varen of stilliggen zonder in staat van veiligheid te zijn en zonder voorzien te zijn van de certificaten zoals vastgesteld door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 57 met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart en met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door schepen in zoverre laatst genoemde certificaten technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu betreffen.
Art.56. Aucun navire ne peut partir d'un port flamand, ni naviguer ou se trouver à l'arrêt sur les eaux intérieures s'il n'est pas en état de sécurité et s'il n'est pas muni des certificats tels que déterminés par le Gouvernement flamand conformément à l'article 57 en ce qui concerne la sécurité de la navigation et la prévention de la pollution par les navires, dans la mesure où ces derniers certificats concernent des exigences techniques relatives à l'équipement et à l'exploitation du navire en vue de la protection de l'environnement.
Art.57. De Vlaamse Regering bepaalt:
1° de in artikel 56 bedoelde certificaten;
2° de voorwaarden tot aflevering van de onder punt 1° bedoelde certificaten;
3° de voorwaarden waaraan elk schip moet voldoen om in staat van veiligheid te zijn, inzonderheid de voorschriften betreffende:
a) de bouw en de staat van onderhoud;
b) de reddingsmiddelen;
c) het tuigage en de reserveonderdelen, met inbegrip van de middelen tegen brand en de wisselstukken;
d) de nautische instrumenten, de seintoestellen, de telecommunicatiemiddelen en hun gebruik;
e) de motoren, de mechanische en elektrische toestellen;
f) de lichamelijke geschiktheid, de brevetten, vergunningen en andere soortgelijke attesten, welke kunnen worden vereist van de bemanning alsmede het aantal bemanningsleden;
g) het aantal passagiers dat mag worden vervoerd;
h) de bewoonbaarheid van de inrichtingen, de hygiëne en de gezondheidsvoorwaarden;
i) de diepgangschalen en de vrijboordmerken;
j) de stabiliteit, het stouwen van de lading en het ballasten;
k) het laad- en losgerei;
l) de lading;
m) het vervoer van gevaarlijke stoffen;
4° de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteit, in bijzondere gevallen, vrijstelling kan verlenen van de toepassing van een of meer bepalingen van de ter uitvoering van deze afdeling genomen besluiten;
5° de bemanningsvoorschriften en de verplichtingen van de bemanning en andere opvarenden, alsook van de eigenaars van schepen in verband met de veiligheid van de scheepvaart, de opvarenden en de lading en in verband met het milieu in zoverre die laatste verplichtingen betrekking hebben op technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu;
6° de voorwaarden waaronder de organisaties kunnen worden erkend en gemachtigd tot het uitvoeren van gehele of gedeeltelijke inspecties en controles van schepen in verband met certificaten met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart en certificaten met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door schepen in zoverre laatstgenoemde certificaten technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu betreffen en in voorkomend geval tot het afgeven en vernieuwen van de in dit punt vermelde certificaten;
7° bijzondere regels voor onbemande schepen.
1° de in artikel 56 bedoelde certificaten;
2° de voorwaarden tot aflevering van de onder punt 1° bedoelde certificaten;
3° de voorwaarden waaraan elk schip moet voldoen om in staat van veiligheid te zijn, inzonderheid de voorschriften betreffende:
a) de bouw en de staat van onderhoud;
b) de reddingsmiddelen;
c) het tuigage en de reserveonderdelen, met inbegrip van de middelen tegen brand en de wisselstukken;
d) de nautische instrumenten, de seintoestellen, de telecommunicatiemiddelen en hun gebruik;
e) de motoren, de mechanische en elektrische toestellen;
f) de lichamelijke geschiktheid, de brevetten, vergunningen en andere soortgelijke attesten, welke kunnen worden vereist van de bemanning alsmede het aantal bemanningsleden;
g) het aantal passagiers dat mag worden vervoerd;
h) de bewoonbaarheid van de inrichtingen, de hygiëne en de gezondheidsvoorwaarden;
i) de diepgangschalen en de vrijboordmerken;
j) de stabiliteit, het stouwen van de lading en het ballasten;
k) het laad- en losgerei;
l) de lading;
m) het vervoer van gevaarlijke stoffen;
4° de voorwaarden waaronder de bevoegde autoriteit, in bijzondere gevallen, vrijstelling kan verlenen van de toepassing van een of meer bepalingen van de ter uitvoering van deze afdeling genomen besluiten;
5° de bemanningsvoorschriften en de verplichtingen van de bemanning en andere opvarenden, alsook van de eigenaars van schepen in verband met de veiligheid van de scheepvaart, de opvarenden en de lading en in verband met het milieu in zoverre die laatste verplichtingen betrekking hebben op technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu;
6° de voorwaarden waaronder de organisaties kunnen worden erkend en gemachtigd tot het uitvoeren van gehele of gedeeltelijke inspecties en controles van schepen in verband met certificaten met betrekking tot de veiligheid van de scheepvaart en certificaten met betrekking tot het voorkomen van verontreiniging door schepen in zoverre laatstgenoemde certificaten technische voorschriften inzake uitrusting en exploitatie van het schip met het oog op het beschermen van het milieu betreffen en in voorkomend geval tot het afgeven en vernieuwen van de in dit punt vermelde certificaten;
7° bijzondere regels voor onbemande schepen.
Art.57. Le Gouvernement flamand détermine :
1° les certificats visés à l'article 56 ;
2° les conditions de délivrance des certificats visés au point 1° ;
3° les conditions auxquelles tout navire doit satisfaire pour être en état de sécurité, notamment les prescriptions concernant :
a) la construction et l'état d'entretien ;
b) l'équipement de sauvetage ;
c) le gréement et les pièces de rechange, y compris le matériel de lutte contre l'incendie et les pièces de rechange ;
d) les instruments nautiques, les transmetteurs d'ordres et les équipements de télécommunications et leur utilisation ;
e) les moteurs, les dispositifs mécaniques et électriques ;
f) l'aptitude physique, les brevets, autorisations et autres certificats similaires qui peuvent être exigés de l'équipage et le nombre de membres de l'équipage ;
g) le nombre de passagers qui peuvent être transportés ;
h) l'habitabilité des établissements, l'hygiène et les conditions sanitaires ;
i) les échelles de tirant d'eau et les marques de franc-bord ;
j) la stabilité, l'arrimage de la cargaison et le lestage ;
k) l'équipement de chargement et de déchargement ;
l) la cargaison ;
m) le transport de substances dangereuses ;
4° les conditions dans lesquelles l'autorité compétente peut, dans des cas particuliers, accorder une dispense de l'application d'une ou plusieurs dispositions des décisions prises en exécution de la présente section ;
5° le règlement de l'équipage et les obligations de l'équipage et des autres personnes à bord, ainsi que des propriétaires de navires, en ce qui concerne la sécurité de la navigation, des personnes à bord et de la cargaison, et en ce qui concerne l'environnement, dans la mesure où ces dernières obligations ont trait à des règles techniques concernant l'équipement et l'exploitation du navire en vue de protéger l'environnement ;
6° les conditions dans lesquelles les organisations peuvent être agréées et autorisées à effectuer des inspections et des contrôles complets ou partiels des navires en rapport avec les certificats relatifs à la sécurité de la navigation et les certificats relatifs à la prévention de la pollution par les navires, dans la mesure où ces derniers certificats concernent des prescriptions techniques relatives à l'équipement et à l'exploitation du navire aux fins de la protection de l'environnement, et, le cas échéant, à la délivrance et au renouvellement des certificats visés à ce point ;
7° les règles spéciales pour les navires sans équipage.
1° les certificats visés à l'article 56 ;
2° les conditions de délivrance des certificats visés au point 1° ;
3° les conditions auxquelles tout navire doit satisfaire pour être en état de sécurité, notamment les prescriptions concernant :
a) la construction et l'état d'entretien ;
b) l'équipement de sauvetage ;
c) le gréement et les pièces de rechange, y compris le matériel de lutte contre l'incendie et les pièces de rechange ;
d) les instruments nautiques, les transmetteurs d'ordres et les équipements de télécommunications et leur utilisation ;
e) les moteurs, les dispositifs mécaniques et électriques ;
f) l'aptitude physique, les brevets, autorisations et autres certificats similaires qui peuvent être exigés de l'équipage et le nombre de membres de l'équipage ;
g) le nombre de passagers qui peuvent être transportés ;
h) l'habitabilité des établissements, l'hygiène et les conditions sanitaires ;
i) les échelles de tirant d'eau et les marques de franc-bord ;
j) la stabilité, l'arrimage de la cargaison et le lestage ;
k) l'équipement de chargement et de déchargement ;
l) la cargaison ;
m) le transport de substances dangereuses ;
4° les conditions dans lesquelles l'autorité compétente peut, dans des cas particuliers, accorder une dispense de l'application d'une ou plusieurs dispositions des décisions prises en exécution de la présente section ;
5° le règlement de l'équipage et les obligations de l'équipage et des autres personnes à bord, ainsi que des propriétaires de navires, en ce qui concerne la sécurité de la navigation, des personnes à bord et de la cargaison, et en ce qui concerne l'environnement, dans la mesure où ces dernières obligations ont trait à des règles techniques concernant l'équipement et l'exploitation du navire en vue de protéger l'environnement ;
6° les conditions dans lesquelles les organisations peuvent être agréées et autorisées à effectuer des inspections et des contrôles complets ou partiels des navires en rapport avec les certificats relatifs à la sécurité de la navigation et les certificats relatifs à la prévention de la pollution par les navires, dans la mesure où ces derniers certificats concernent des prescriptions techniques relatives à l'équipement et à l'exploitation du navire aux fins de la protection de l'environnement, et, le cas échéant, à la délivrance et au renouvellement des certificats visés à ce point ;
7° les règles spéciales pour les navires sans équipage.
Art.58. § 1. De Vlaamse Regering kan bepalen dat nader aangeduide binnenschepen moeten of mogen worden opgenomen in een Vlaams Register voor Binnenschepen.
De Vlaamse Regering:
1° bepaalt welke binnenschepen moeten of mogen worden geregistreerd, alsook de voorwaarden waaraan het binnenschip, zijn eigenaar of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen;
2° stelt de vorm van het Vlaams Register voor Binnenschepen vast, evenals de wijze waarop het register wordt beheerd;
3° stelt de vorm en de inhoud vast van de aanvraag die bij het register wordt gedaan;
4° duidt aan welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd of waarvan de voorlegging bij het onderzoek daarvan kan worden geëist;
5° kan bepalen dat het nummer waaronder het binnenschip is geregistreerd en de datum van de registratie moeten worden aangetekend op het document van registratie;
6° wijst de personen aan die gehouden zijn of gemachtigd worden om de aanvraag in te dienen en stelt daartoe een termijn vast;
7° stelt de termijn vast waarin de aanvraag moet gebeuren;
8° regelt de overmaking van gegevens en de vorm van het daartoe opgemaakte register;
9° bepaalt de wijzigingen die bij het Vlaams Register voor Binnenschepen moeten worden aangemeld alsook de modaliteiten en de termijn van indiening van de betreffende wijzigende aanmelding;
10° regelt de doorhaling van de registratie;
11° regelt de openbaarheid en overmaking van gegevens.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw als binnenschip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
§ 2. De bevoegde autoriteit treedt op als de verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel.
De verwerking van persoonsgegevens is nodig om eigenaren en/of exploitanten van schepen te kunnen contacteren. Dit draagt bij tot een efficiënt waterwegenbeheer en een vlot corridormanagement en aan een veilig waterwegennetwerk in het bijzonder in het kader van calamiteitenmanagement.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel heeft betrekking op identificatiegegevens van de eigenaar en/of exploitant van schepen (naam, adres, rijksregisternummer, telefoonnummer, mailadres).
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel heeft betrekking op eigenaars en/of exploitanten.
Ter bevordering van de samenwerking in de uitvoering van de taken die zijn toegewezen kan de bevoegde autoriteit de gegevens die worden verwerkt in het kader van de opdrachten delen met de politiediensten, de waterwegbeheerders, de havenbedrijven en de andere bevoegde autoriteiten.
De persoonsgegevens, vermeld in het derde lid, worden bewaard voor een periode van 5 jaar na de doorhaling van de registratie.
De Vlaamse Regering:
1° bepaalt welke binnenschepen moeten of mogen worden geregistreerd, alsook de voorwaarden waaraan het binnenschip, zijn eigenaar of zijn exploitant daartoe vooraf moeten voldoen;
2° stelt de vorm van het Vlaams Register voor Binnenschepen vast, evenals de wijze waarop het register wordt beheerd;
3° stelt de vorm en de inhoud vast van de aanvraag die bij het register wordt gedaan;
4° duidt aan welke documenten bij de aanvraag moeten worden gevoegd of waarvan de voorlegging bij het onderzoek daarvan kan worden geëist;
5° kan bepalen dat het nummer waaronder het binnenschip is geregistreerd en de datum van de registratie moeten worden aangetekend op het document van registratie;
6° wijst de personen aan die gehouden zijn of gemachtigd worden om de aanvraag in te dienen en stelt daartoe een termijn vast;
7° stelt de termijn vast waarin de aanvraag moet gebeuren;
8° regelt de overmaking van gegevens en de vorm van het daartoe opgemaakte register;
9° bepaalt de wijzigingen die bij het Vlaams Register voor Binnenschepen moeten worden aangemeld alsook de modaliteiten en de termijn van indiening van de betreffende wijzigende aanmelding;
10° regelt de doorhaling van de registratie;
11° regelt de openbaarheid en overmaking van gegevens.
Met het oog op de toepassing van dit artikel wordt een binnenschip in aanbouw als binnenschip beschouwd zodra de aanbouw ervan begonnen is.
§ 2. De bevoegde autoriteit treedt op als de verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens, vermeld in artikel 4, 7), van de algemene verordening gegevensbescherming, voor de verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel.
De verwerking van persoonsgegevens is nodig om eigenaren en/of exploitanten van schepen te kunnen contacteren. Dit draagt bij tot een efficiënt waterwegenbeheer en een vlot corridormanagement en aan een veilig waterwegennetwerk in het bijzonder in het kader van calamiteitenmanagement.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel heeft betrekking op identificatiegegevens van de eigenaar en/of exploitant van schepen (naam, adres, rijksregisternummer, telefoonnummer, mailadres).
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van dit artikel heeft betrekking op eigenaars en/of exploitanten.
Ter bevordering van de samenwerking in de uitvoering van de taken die zijn toegewezen kan de bevoegde autoriteit de gegevens die worden verwerkt in het kader van de opdrachten delen met de politiediensten, de waterwegbeheerders, de havenbedrijven en de andere bevoegde autoriteiten.
De persoonsgegevens, vermeld in het derde lid, worden bewaard voor een periode van 5 jaar na de doorhaling van de registratie.
Art.58. § 1. Le Gouvernement flamand peut déterminer que certains bateaux de navigation intérieure doivent ou peuvent être inscrits dans un " Vlaams Register voor Binnenschepen ".
Le Gouvernement flamand :
1° détermine les bateaux de navigation intérieure qui doivent ou peuvent être immatriculés, ainsi que les conditions auxquelles le bateau de navigation intérieure, son propriétaire ou son exploitant doivent se conformer au préalable ;
2° établit la forme du " Vlaams Register voor Binnenschepen " et la manière dont le registre est géré ;
3° établit la forme et le contenu de la demande effectuée auprès du registre ;
4° indique les documents qui doivent être joints à la demande ou dont la présentation peut être exigée lors de l'examen de celle-ci ;
5° peut prévoir que le numéro sous lequel le bateau de navigation intérieure a été immatriculé et la date d'immatriculation doivent être inscrits sur le document d'immatriculation ;
6° désigne les personnes qui sont tenues ou autorisées à présenter la demande et fixe un délai à cet effet ;
7° fixe le délai dans lequel la demande doit être introduite ;
8° règle la transmission des données et la forme du registre établi à cet effet ;
9° détermine les modifications qui doivent être notifiées au " Vlaams Register voor Binnenschepen " ainsi que les modalités et le délai d'introduction de la notification modificative en question ;
10° règle la radiation de l'enregistrement ;
11° règle la publicité et la transmission des données.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction est considéré comme bateau de navigation intérieure dès que sa construction a commencé.
§ 2. L'autorité compétente agit en tant que responsable du traitement des données à caractère personnel visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, aux fins du traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent article.
Le traitement des données à caractère personnel est nécessaire pour contacter les propriétaires et/ou les exploitants des navires. Cela contribue à une gestion efficace des voies navigables et à une gestion fluide des corridors, ainsi qu'à un réseau de voies navigables sûr, notamment dans le cadre de la gestion des situations d'urgence.
Le traitement des données à caractère personnel dans le cadre du présent article concerne les données d'identification du propriétaire et/ou de l'exploitant des navires (nom, adresse, numéro de registre national, numéro de téléphone, adresse électronique).
Le traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent article concerne les propriétaires et/ou exploitants.
Afin de faciliter la coopération dans l'exécution des missions attribuées, l'autorité compétente peut partager les données traitées dans le cadre des missions avec les services de police, les gestionnaires des voies navigables, les régies portuaires et d'autres autorités compétentes.
Les données à caractère personnel visées au troisième alinéa sont conservées pendant une période de 5 ans après la radiation de l'enregistrement.
Le Gouvernement flamand :
1° détermine les bateaux de navigation intérieure qui doivent ou peuvent être immatriculés, ainsi que les conditions auxquelles le bateau de navigation intérieure, son propriétaire ou son exploitant doivent se conformer au préalable ;
2° établit la forme du " Vlaams Register voor Binnenschepen " et la manière dont le registre est géré ;
3° établit la forme et le contenu de la demande effectuée auprès du registre ;
4° indique les documents qui doivent être joints à la demande ou dont la présentation peut être exigée lors de l'examen de celle-ci ;
5° peut prévoir que le numéro sous lequel le bateau de navigation intérieure a été immatriculé et la date d'immatriculation doivent être inscrits sur le document d'immatriculation ;
6° désigne les personnes qui sont tenues ou autorisées à présenter la demande et fixe un délai à cet effet ;
7° fixe le délai dans lequel la demande doit être introduite ;
8° règle la transmission des données et la forme du registre établi à cet effet ;
9° détermine les modifications qui doivent être notifiées au " Vlaams Register voor Binnenschepen " ainsi que les modalités et le délai d'introduction de la notification modificative en question ;
10° règle la radiation de l'enregistrement ;
11° règle la publicité et la transmission des données.
En vue de l'application du présent article, un bateau de navigation intérieure en construction est considéré comme bateau de navigation intérieure dès que sa construction a commencé.
§ 2. L'autorité compétente agit en tant que responsable du traitement des données à caractère personnel visé à l'article 4, 7), du règlement général sur la protection des données, aux fins du traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent article.
Le traitement des données à caractère personnel est nécessaire pour contacter les propriétaires et/ou les exploitants des navires. Cela contribue à une gestion efficace des voies navigables et à une gestion fluide des corridors, ainsi qu'à un réseau de voies navigables sûr, notamment dans le cadre de la gestion des situations d'urgence.
Le traitement des données à caractère personnel dans le cadre du présent article concerne les données d'identification du propriétaire et/ou de l'exploitant des navires (nom, adresse, numéro de registre national, numéro de téléphone, adresse électronique).
Le traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent article concerne les propriétaires et/ou exploitants.
Afin de faciliter la coopération dans l'exécution des missions attribuées, l'autorité compétente peut partager les données traitées dans le cadre des missions avec les services de police, les gestionnaires des voies navigables, les régies portuaires et d'autres autorités compétentes.
Les données à caractère personnel visées au troisième alinéa sont conservées pendant une période de 5 ans après la radiation de l'enregistrement.
Art.59. § 1. Elk schip dat is ingeschreven in een register van een erkende classificatiemaatschappij en er in de hoogste klasse van zijn categorie is ondergebracht, is ontslagen van de door de bevoegde autoriteit of door de deskundigen te verrichten vaststellingen betreffende de punten waarover door die maatschappij toezicht is uitgeoefend.
Dezelfde vrijstelling kan worden verleend wanneer certificaten worden afgegeven door een bevoegde vreemde openbare dienst.
De bevoegde autoriteit kan evenwel nazien of, op een door haar te bepalen wijze, doen nazien of de voorwaarden gesteld voor het bekomen van het classificatiecertificaat of van andere certificaten, zijn vervuld en, zo nodig, nadere vaststellingen gelasten.
§ 2. De Vlaamse Regering wijst de classificatiemaatschappijen en de bevoegde buitenlandse openbare diensten aan, waarvan de certificaten kunnen worden aanvaard en bepaalt onder welke voorwaarden dit zal geschieden.
Dezelfde vrijstelling kan worden verleend wanneer certificaten worden afgegeven door een bevoegde vreemde openbare dienst.
De bevoegde autoriteit kan evenwel nazien of, op een door haar te bepalen wijze, doen nazien of de voorwaarden gesteld voor het bekomen van het classificatiecertificaat of van andere certificaten, zijn vervuld en, zo nodig, nadere vaststellingen gelasten.
§ 2. De Vlaamse Regering wijst de classificatiemaatschappijen en de bevoegde buitenlandse openbare diensten aan, waarvan de certificaten kunnen worden aanvaard en bepaalt onder welke voorwaarden dit zal geschieden.
Art.59. § 1. Tout navire inscrit au registre d'une société de classification agréée et affecté à la classe la plus élevée de sa catégorie est exempté des visites à effectuer par l'autorité compétente ou par les inspecteurs sur les éléments ayant fait l'objet d'un contrôle par cette société.
La même exemption peut être accordée lorsque les certificats sont délivrés par un service public étranger compétent.
Toutefois, l'autorité compétente peut vérifier ou faire vérifier, selon des modalités qu'elle détermine, si les conditions prévues pour l'obtention du certificat de classification ou d'autres certificats sont remplies et peut, le cas échéant, exiger d'autres déterminations.
§ 2. Le Gouvernement flamand désigne les sociétés de classification et les services publics étrangers compétents dont les certificats peuvent être acceptés et détermine les conditions de cette désignation.
La même exemption peut être accordée lorsque les certificats sont délivrés par un service public étranger compétent.
Toutefois, l'autorité compétente peut vérifier ou faire vérifier, selon des modalités qu'elle détermine, si les conditions prévues pour l'obtention du certificat de classification ou d'autres certificats sont remplies et peut, le cas échéant, exiger d'autres déterminations.
§ 2. Le Gouvernement flamand désigne les sociétés de classification et les services publics étrangers compétents dont les certificats peuvent être acceptés et détermine les conditions de cette désignation.
Art.60. Indien een bemanningslid oordeelt dat het schip niet alle nodige waarborgen van veiligheid oplevert, mag het te allen tijde een met redenen omkleed verzoekschrift aan de bevoegde autoriteit richten.
De bevoegde autoriteit moet het bemanningslid horen alvorens de maatregelen welke de omstandigheden vereisen, te treffen.
De bevoegde autoriteit moet het bemanningslid horen alvorens de maatregelen welke de omstandigheden vereisen, te treffen.
Art.60. Si un membre d'équipage est d'avis que le navire ne présente pas toutes les garanties nécessaires à la sécurité, il peut à tout moment adresser une demande motivée à l'autorité compétente.
L'autorité compétente doit entendre le membre de l'équipage avant de prendre toute mesure requise par les circonstances.
L'autorité compétente doit entendre le membre de l'équipage avant de prendre toute mesure requise par les circonstances.
Art.61. § 1. De Vlaamse Regering bepaalt de omstandigheden waarin bemanningsleden en andere personen die dienst doen aan boord of actief zijn bij scheepsoperaties uit hoofde van hun activiteiten of het schip waarop zij dienst doen, verplicht zijn om te beschikken over een kwalificatiecertificaat of een vergunning.
De personen op wie een dergelijke verplichting rust, moeten houder zijn van het bedoelde kwalificatiecertificaat of de bedoelde vergunning, of van een getuigschrift dat onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden als gelijkwaardig wordt beschouwd. Zij moeten het certificaat, de vergunning of het getuigschrift steeds bij zich ter inzage beschikbaar hebben.
Tot op een door de Vlaamse Regering vastgestelde datum moet ieder die een schip als vermeld in artikel 55, 1°, bestuurt houder zijn van een bijzonder kwalificatiecertificaat, met name een vaarbewijs, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, of van een getuigschrift dat onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden als gelijkwaardig wordt beschouwd, en dat tevens bij zich hebben. Dit vaarbewijs of dit getuigschrift moet geldig zijn voor de categorie waarin het schip dat wordt bestuurd, is ingedeeld.
De Vlaamse Regering kan, onder de algemene voorwaarden die zij vaststelt, vrijstellen van de in deze paragraaf voorgeschreven verplichtingen uit hoofde van de categorie van schepen of de aard van de uitgevoerde activiteiten.
§ 2. Het kwalificatiecertificaat, de vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift moet worden vertoond telkens als daarom wordt verzocht door de in artikel 112 bedoelde personen.
De personen op wie een dergelijke verplichting rust, moeten houder zijn van het bedoelde kwalificatiecertificaat of de bedoelde vergunning, of van een getuigschrift dat onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden als gelijkwaardig wordt beschouwd. Zij moeten het certificaat, de vergunning of het getuigschrift steeds bij zich ter inzage beschikbaar hebben.
Tot op een door de Vlaamse Regering vastgestelde datum moet ieder die een schip als vermeld in artikel 55, 1°, bestuurt houder zijn van een bijzonder kwalificatiecertificaat, met name een vaarbewijs, afgegeven overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, of van een getuigschrift dat onder de door de Vlaamse Regering bepaalde voorwaarden als gelijkwaardig wordt beschouwd, en dat tevens bij zich hebben. Dit vaarbewijs of dit getuigschrift moet geldig zijn voor de categorie waarin het schip dat wordt bestuurd, is ingedeeld.
De Vlaamse Regering kan, onder de algemene voorwaarden die zij vaststelt, vrijstellen van de in deze paragraaf voorgeschreven verplichtingen uit hoofde van de categorie van schepen of de aard van de uitgevoerde activiteiten.
§ 2. Het kwalificatiecertificaat, de vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift moet worden vertoond telkens als daarom wordt verzocht door de in artikel 112 bedoelde personen.
Art.61. § 1. Le Gouvernement flamand détermine les circonstances dans lesquelles les membres d'équipage et les autres personnes servant à bord ou actives dans les organisations de bord sont tenus, en raison de leurs activités ou du navire sur lequel ils servent, d'être obligés à disposer d'un certificat de qualification ou d'un permis.
Les personnes soumises à cette obligation doivent être titulaires du certificat de qualification ou du permis visé, ou d'un certificat considéré comme équivalent aux conditions fixées par le Gouvernement flamand. Elles doivent avoir le certificat, le permis ou l'attestation à disposition à tout moment pour inspection.
Jusqu'à une date fixée par le Gouvernement flamand, toute personne conduisant un navire visé à l'article 55, 1°, doit être titulaire et porteuse d'un certificat de qualification spécial, à savoir un permis de navigation délivré conformément aux dispositions du présent décret ou d'un certificat considéré comme équivalent dans les conditions déterminées par le Gouvernement flamand. Ce permis de navigation ou ce certificat doit être valable pour la catégorie dans laquelle le navire conduit est classé.
Le Gouvernement flamand peut, aux conditions générales qu'il fixe, dispenser de l'obligation prescrite au présent paragraphe en raison de la catégorie de navires ou de la nature des activités exercées.
§ 2. Le certificat de qualification, le permis ou le certificat équivalent doivent être présentés à toute réquisition des personnes visées à l'article 112.
Les personnes soumises à cette obligation doivent être titulaires du certificat de qualification ou du permis visé, ou d'un certificat considéré comme équivalent aux conditions fixées par le Gouvernement flamand. Elles doivent avoir le certificat, le permis ou l'attestation à disposition à tout moment pour inspection.
Jusqu'à une date fixée par le Gouvernement flamand, toute personne conduisant un navire visé à l'article 55, 1°, doit être titulaire et porteuse d'un certificat de qualification spécial, à savoir un permis de navigation délivré conformément aux dispositions du présent décret ou d'un certificat considéré comme équivalent dans les conditions déterminées par le Gouvernement flamand. Ce permis de navigation ou ce certificat doit être valable pour la catégorie dans laquelle le navire conduit est classé.
Le Gouvernement flamand peut, aux conditions générales qu'il fixe, dispenser de l'obligation prescrite au présent paragraphe en raison de la catégorie de navires ou de la nature des activités exercées.
§ 2. Le certificat de qualification, le permis ou le certificat équivalent doivent être présentés à toute réquisition des personnes visées à l'article 112.
Art.62. De Vlaamse Regering bepaalt de modellen van de kwalificatiecertificaten, de vergunningen en de documenten waarin zij desgevallend worden opgenomen.
De Vlaamse Regering bepaalt de categorieën van schepen en activiteiten waarvoor zij worden afgegeven.
De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast betreffende de afgifte, de geldigheid, de vervanging, de verlenging, de schorsing en de intrekking van de kwalificatiecertificaten en de vergunningen en betreffende het aantonen van het behoud van de medische geschiktheid.
De Vlaamse Regering bepaalt de categorieën van schepen en activiteiten waarvoor zij worden afgegeven.
De Vlaamse Regering stelt de voorwaarden vast betreffende de afgifte, de geldigheid, de vervanging, de verlenging, de schorsing en de intrekking van de kwalificatiecertificaten en de vergunningen en betreffende het aantonen van het behoud van de medische geschiktheid.
Art.62. Le Gouvernement flamand détermine les modèles des certificats de qualification, des permis et des documents dans lesquels ils doivent être inclus, le cas échéant.
Le Gouvernement flamand détermine les catégories de navires et d'activités pour lesquelles elles sont délivrées.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions de délivrance, de validité, de remplacement, de prolongation, de suspension et de retrait des certificats de qualification et des permis, ainsi que les conditions de la preuve du maintien de l'aptitude médicale.
Le Gouvernement flamand détermine les catégories de navires et d'activités pour lesquelles elles sont délivrées.
Le Gouvernement flamand fixe les conditions de délivrance, de validité, de remplacement, de prolongation, de suspension et de retrait des certificats de qualification et des permis, ainsi que les conditions de la preuve du maintien de l'aptitude médicale.
Art.63. De kwalificatiecertificaten en vergunningen worden afgegeven indien de aanvrager voldoet aan de door de Vlaamse Regering bepaalde minimumeisen die onder meer betrekking kunnen hebben op het competentieniveau, de minimumleeftijd, de medische geschiktheid en de vereiste vaaruren.
Tot op een door de Vlaamse Regering vastgestelde datum wordt het vaarbewijs afgegeven indien de aanvrager aan volgende voorwaarden voldoet:
1° ten minste 18 jaar zijn;
2° met goed gevolg het geneeskundig onderzoek hebben ondergaan waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald en waaruit blijkt dat de aanvrager niet lijdt aan een van de lichaamsgebreken of kwalen door haar bepaald;
3° geslaagd zijn voor het examen over de beroepskennis waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald;
4° aan boord van een of meer schepen werkelijke diensten aan dek gepresteerd hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de minimumduur en de aard van deze diensten alsook de nadere regels om deze te evalueren en te valideren.
Tot op een door de Vlaamse Regering vastgestelde datum wordt het vaarbewijs afgegeven indien de aanvrager aan volgende voorwaarden voldoet:
1° ten minste 18 jaar zijn;
2° met goed gevolg het geneeskundig onderzoek hebben ondergaan waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald en waaruit blijkt dat de aanvrager niet lijdt aan een van de lichaamsgebreken of kwalen door haar bepaald;
3° geslaagd zijn voor het examen over de beroepskennis waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald;
4° aan boord van een of meer schepen werkelijke diensten aan dek gepresteerd hebben. De Vlaamse Regering bepaalt de minimumduur en de aard van deze diensten alsook de nadere regels om deze te evalueren en te valideren.
Art.63. Les certificats de qualification et les permis sont délivrés si le demandeur satisfait aux exigences minimales fixées par le Gouvernement flamand, qui peuvent porter, entre autres, sur le niveau de compétence, l'âge minimum, l'aptitude médicale et les heures de navigation requises.
Le permis de navigation est délivré jusqu'à une date déterminée par le Gouvernement flamand si le demandeur remplit les conditions suivantes :
1° être âgé d'au moins 18 ans ;
2° avoir subi avec succès l'examen médical dont les modalités sont fixées par le Gouvernement flamand et dont il ressort que le demandeur ne souffre d'aucune des anomalies physiques ou pathologies qu'il détermine;
3° avoir réussi l'examen de connaissances professionnelles dont les modalités sont fixées par le Gouvernement flamand ;
4° avoir effectué des services effectifs sur le pont à bord d'un ou plusieurs navires. Le Gouvernement flamand détermine la durée minimale et la nature de ces services ainsi que les modalités de leur évaluation et de leur validation.
Le permis de navigation est délivré jusqu'à une date déterminée par le Gouvernement flamand si le demandeur remplit les conditions suivantes :
1° être âgé d'au moins 18 ans ;
2° avoir subi avec succès l'examen médical dont les modalités sont fixées par le Gouvernement flamand et dont il ressort que le demandeur ne souffre d'aucune des anomalies physiques ou pathologies qu'il détermine;
3° avoir réussi l'examen de connaissances professionnelles dont les modalités sont fixées par le Gouvernement flamand ;
4° avoir effectué des services effectifs sur le pont à bord d'un ou plusieurs navires. Le Gouvernement flamand détermine la durée minimale et la nature de ces services ainsi que les modalités de leur évaluation et de leur validation.
Art.64. De houder van een in artikel 61 bedoeld kwalificatiecertificaat of een in artikel 61 bedoelde vergunning die er zich ervan bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering bepaald, is verplicht binnen tien dagen zijn kwalificatiecertificaat of vergunning in te leveren bij de bevoegde autoriteit die het afgegeven heeft.
Het kwalificatiecertificaat of de vergunning, ingeleverd met toepassing van het eerste lid, wordt teruggegeven aan de houder wanneer deze met goed gevolg het geneeskundig onderzoek heeft ondergaan waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald.
Het kwalificatiecertificaat of de vergunning, ingeleverd met toepassing van het eerste lid, wordt teruggegeven aan de houder wanneer deze met goed gevolg het geneeskundig onderzoek heeft ondergaan waarvan de nadere regels door de Vlaamse Regering worden bepaald.
Art.64. Le titulaire d'un certificat de qualification visé à l'article 61 ou d'un permis visé à l'article 61, qui est conscient de souffrir d'une des déficiences ou d'une des affections déterminées par le Gouvernement flamand, est tenu de remettre son certificat de qualification ou son permis dans les dix jours à l'autorité compétente qui l'a délivré.
Le certificat de qualification ou le permis remis en application du premier alinéa est restitué à son titulaire lorsque celui-ci a subi avec succès l'examen médical dont les modalités sont déterminées par le Gouvernement flamand.
Le certificat de qualification ou le permis remis en application du premier alinéa est restitué à son titulaire lorsque celui-ci a subi avec succès l'examen médical dont les modalités sont déterminées par le Gouvernement flamand.
Afdeling 6. - Vervoer van gevaarlijke goederen
Section 6. - Transport de marchandises dangereuses
Art.65. Deze afdeling voorziet in de gedeeltelijke omzetting, met betrekking tot het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, van richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land.
Art.65. La présente section prévoit la transposition partielle, en ce qui concerne le transport des marchandises dangereuses par voie de navigation intérieure, de la directive 2008/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 24 septembre 2008 relative au transport intérieur des marchandises dangereuses.
Art.66. Deze afdeling is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, met inbegrip van de activiteiten met betrekking tot laden en lossen, de overbrenging van of naar een ander vervoermiddel en het noodzakelijke oponthoud tijdens het vervoer.
Deze afdeling is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen:
1° door schepen die eigendom zijn van of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten;
2° door zeeschepen over de maritieme waterwegen die deel uitmaken van de binnenwateren;
3° door veerboten die uitsluitend een waterweg oversteken;
4° dat volledig binnen de begrenzing van een afgesloten gebied plaatsvindt.
Deze afdeling is evenmin van toepassing op het vervoer van radioactieve stoffen, het vervoer van explosieven en het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking.
Deze afdeling is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen:
1° door schepen die eigendom zijn van of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten;
2° door zeeschepen over de maritieme waterwegen die deel uitmaken van de binnenwateren;
3° door veerboten die uitsluitend een waterweg oversteken;
4° dat volledig binnen de begrenzing van een afgesloten gebied plaatsvindt.
Deze afdeling is evenmin van toepassing op het vervoer van radioactieve stoffen, het vervoer van explosieven en het vervoer van dierlijke stoffen die een gevaar vormen voor de bevolking.
Art.66. La présente section s'applique au transport de marchandises dangereuses par voie de navigation intérieure, y compris les activités de chargement et de déchargement, le transfert vers ou depuis un autre moyen de transport et les arrêts nécessaires pendant le transport.
La présente section ne s'applique pas au transport de marchandises dangereuses :
1° par des navires appartenant à ou sous la responsabilité des forces armées ;
2° par des navires de mer sur les voies d'eau maritimes qui font partie des voies de navigation intérieures ;
3° par des transbordeurs qui ne font que traverser une voie navigable ;
4° qui se déroule entièrement dans les limites d'une zone fermée.
La présente section ne s'applique pas non plus au transport de matières radioactives, au transport d'explosifs et au transport de matières animales présentant un danger pour la population.
La présente section ne s'applique pas au transport de marchandises dangereuses :
1° par des navires appartenant à ou sous la responsabilité des forces armées ;
2° par des navires de mer sur les voies d'eau maritimes qui font partie des voies de navigation intérieures ;
3° par des transbordeurs qui ne font que traverser une voie navigable ;
4° qui se déroule entièrement dans les limites d'une zone fermée.
La présente section ne s'applique pas non plus au transport de matières radioactives, au transport d'explosifs et au transport de matières animales présentant un danger pour la population.
Art.67. Met behoud van de toepassing van artikel 68, worden gevaarlijke goederen niet over de binnenwateren vervoerd wanneer zulks door dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten verboden is.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren. De Vlaamse Regering kan daarbij onder meer alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze verdragen genomen internationale akten.
De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren. De Vlaamse Regering kan daarbij onder meer alle vereiste maatregelen treffen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens deze verdragen genomen internationale akten.
Art.67. Sans préjudice de l'application de l'article 68, les marchandises dangereuses ne sont pas transportées par les voies navigables intérieures lorsque cela est interdit par le présent décret et ses arrêtés d'exécution.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités du transport de marchandises dangereuses par les voies navigables intérieures. Ce faisant, le Gouvernement flamand peut notamment prendre toutes les mesures nécessaires pour mettre en oeuvre les obligations découlant des traités internationaux et des actes internationaux adoptés en application de ces traités.
Le Gouvernement flamand fixe les modalités du transport de marchandises dangereuses par les voies navigables intérieures. Ce faisant, le Gouvernement flamand peut notamment prendre toutes les mesures nécessaires pour mettre en oeuvre les obligations découlant des traités internationaux et des actes internationaux adoptés en application de ces traités.
Art.68. De bevoegde autoriteit kan, als de veiligheid niet in het gevaar komt en in uitzonderlijke gevallen, individuele toestemming verlenen voor het vervoer van gevaarlijke goederen op een bepaald traject over de binnenwateren dat krachtens dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan verboden is of erin toestemmen dat het vervoer onder andere voorwaarden plaatsvindt dan de voorwaarden bepaald door de Vlaamse Regering, op voorwaarde dat het vervoer duidelijk is gespecificeerd, van tijdelijke aard is en dat de gepaste maatregelen worden genomen om een vergelijkbaar veiligheidsniveau te bereiken.
Art.68. L'autorité compétente peut, si la sécurité n'est pas compromise et dans des cas exceptionnels, accorder une autorisation individuelle pour le transport de marchandises dangereuses sur un itinéraire particulier de la navigation intérieure qui est interdit en vertu du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, ou une autorisation pour que le transport ait lieu dans des conditions autres que celles fixées par le Gouvernement flamand, à condition que le transport soit clairement spécifié, qu'il soit temporaire et que les mesures appropriées soient prises pour atteindre un niveau de sécurité comparable.
Afdeling 7. - Bijzondere transporten, evenementen op het water en bijzondere gebeurtenissen op het water
Section 7. - Transports spéciaux, événements sur l'eau et événements spéciaux sur l'eau
Art.69. Een bijzonder transport mag slechts op een waterweg varen met de toelating van de waterwegbeheerder. Aan dergelijke toelating kunnen door de waterwegbeheerder voorwaarden worden verbonden.
Een evenement op het water en bijzondere gebeurtenissen op het water kunnen slechts op een waterweg plaatsvinden met de toelating van de waterwegbeheerder. Aan dergelijke toelating kunnen door de waterwegbeheerder voorwaarden worden verbonden.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, geldigheidsduur en de procedure tot het verkrijgen van de toelating, vermeld in het eerste en tweede lid, evenals de door de waterwegbeheerder minimaal te hanteren criteria.
Deze bepaling is niet van toepassing binnen het VBS-werkingsgebied en het opsporings- en reddingsgebied, zoals gedefinieerd in het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en zijn uitvoeringsbesluiten, en het Scheldegebied, zoals gedefinieerd in het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005.
Een evenement op het water en bijzondere gebeurtenissen op het water kunnen slechts op een waterweg plaatsvinden met de toelating van de waterwegbeheerder. Aan dergelijke toelating kunnen door de waterwegbeheerder voorwaarden worden verbonden.
De Vlaamse Regering bepaalt de vorm, geldigheidsduur en de procedure tot het verkrijgen van de toelating, vermeld in het eerste en tweede lid, evenals de door de waterwegbeheerder minimaal te hanteren criteria.
Deze bepaling is niet van toepassing binnen het VBS-werkingsgebied en het opsporings- en reddingsgebied, zoals gedefinieerd in het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum en zijn uitvoeringsbesluiten, en het Scheldegebied, zoals gedefinieerd in het verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaamse Gewest inzake het gemeenschappelijk nautisch beheer in het Scheldegebied, ondertekend in Middelburg op 21 december 2005.
Art.69. Un transport spécial ne peut naviguer sur une voie navigable que moyennant l'autorisation du gestionnaires des voies navigables. Cette autorisation peut être soumise à des conditions de la part du gestionnaire des voies navigables.
Un événement sur l'eau et des événements spéciaux sur l'eau ne peuvent avoir lieu sur une voie navigable qu'avec l'autorisation du gestionnaire des voies navigables. Cette autorisation peut être soumise à des conditions de la part du gestionnaire des voies navigables.
Le Gouvernement flamand détermine la forme, la durée de validité et la procédure d'obtention de l'autorisation visée aux alinéas premier et deux, ainsi que les critères minimaux à appliquer par le gestionnaire des voies navigables.
Cette disposition ne s'applique pas à l'intérieur du secteur VBS et de la zone de recherche et de sauvetage, telles que définies dans le décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du " Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum " (Centre de coordination et de sauvetage maritimes) et ses arrêtés d'exécution, et du bassin de l'Escaut, tel que défini dans le traité entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut, signé à Middelburg le 21 décembre 2005.
Un événement sur l'eau et des événements spéciaux sur l'eau ne peuvent avoir lieu sur une voie navigable qu'avec l'autorisation du gestionnaire des voies navigables. Cette autorisation peut être soumise à des conditions de la part du gestionnaire des voies navigables.
Le Gouvernement flamand détermine la forme, la durée de validité et la procédure d'obtention de l'autorisation visée aux alinéas premier et deux, ainsi que les critères minimaux à appliquer par le gestionnaire des voies navigables.
Cette disposition ne s'applique pas à l'intérieur du secteur VBS et de la zone de recherche et de sauvetage, telles que définies dans le décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du " Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum " (Centre de coordination et de sauvetage maritimes) et ses arrêtés d'exécution, et du bassin de l'Escaut, tel que défini dans le traité entre le Royaume des Pays-Bas et la Région flamande relatif à la gestion nautique commune dans le bassin de l'Escaut, signé à Middelburg le 21 décembre 2005.
Afdeling 8. - Innovatie
Section 8. - Innovation
Art.70. § 1. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan toelating geven voor het uitvoeren, binnen het gebied dat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf beheert, van experimenten of pilootprojecten, waaronder het uitvoeren van proefreizen, waarbij gebruik wordt gemaakt van innovatieve systemen. Dergelijke systemen omvatten onder meer geautomatiseerde systemen in vaartuigen of aan wal.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daarbij, voor zover noodzakelijk, tijdelijke afwijkingen toelaten van bepalingen van wetten, decreten of uitvoeringsbesluiten die betrekking hebben op de bemanning en het besturen van het vaartuig, de technische kenmerken of uitrusting van het vaartuig, de regeling van het scheepvaartverkeer, de voorschriften met betrekking tot de activiteiten aan boord en aan wal en de boorddocumenten.
De afwijkingen, vermeld in het tweede lid, kunnen geen betrekking hebben op bepalingen over toezicht en handhaving en op bepalingen van strafrechtelijke aard. Zij hebben een maximale geldingsduur van één jaar en kunnen in functie van de noden worden hernieuwd, zonder dat de totale geldingsduur van een afwijking [1 tien]1 jaren mag overschrijden.
§ 2. Bij de toelating voor de experimenten of pilootprojecten, vermeld in paragraaf 1, worden in ieder geval de volgende zaken bepaald:
1° wat het doel van de experimenten of de pilootprojecten is;
2° op welke waterwegen, waterwegweggedeelten of delen van het havengebied de experimenten of de pilootprojecten worden uitgevoerd;
3° voor welke termijn de toelating geldt;
4° van welke regels kan worden afgeweken en, voor zover relevant, onder welke voorwaarden afwijkingen zijn toegestaan;
5° welke veiligheidsmaatregelen voor de uitvoering van de experimenten of de pilootprojecten worden getroffen.
§ 3. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan de toelating geheel of gedeeltelijk intrekken als naar zijn oordeel de veiligheid als gevolg of mede als gevolg van de experimenten of de pilootprojecten in gevaar komt.
De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan daarbij, voor zover noodzakelijk, tijdelijke afwijkingen toelaten van bepalingen van wetten, decreten of uitvoeringsbesluiten die betrekking hebben op de bemanning en het besturen van het vaartuig, de technische kenmerken of uitrusting van het vaartuig, de regeling van het scheepvaartverkeer, de voorschriften met betrekking tot de activiteiten aan boord en aan wal en de boorddocumenten.
De afwijkingen, vermeld in het tweede lid, kunnen geen betrekking hebben op bepalingen over toezicht en handhaving en op bepalingen van strafrechtelijke aard. Zij hebben een maximale geldingsduur van één jaar en kunnen in functie van de noden worden hernieuwd, zonder dat de totale geldingsduur van een afwijking [1 tien]1 jaren mag overschrijden.
§ 2. Bij de toelating voor de experimenten of pilootprojecten, vermeld in paragraaf 1, worden in ieder geval de volgende zaken bepaald:
1° wat het doel van de experimenten of de pilootprojecten is;
2° op welke waterwegen, waterwegweggedeelten of delen van het havengebied de experimenten of de pilootprojecten worden uitgevoerd;
3° voor welke termijn de toelating geldt;
4° van welke regels kan worden afgeweken en, voor zover relevant, onder welke voorwaarden afwijkingen zijn toegestaan;
5° welke veiligheidsmaatregelen voor de uitvoering van de experimenten of de pilootprojecten worden getroffen.
§ 3. De waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan de toelating geheel of gedeeltelijk intrekken als naar zijn oordeel de veiligheid als gevolg of mede als gevolg van de experimenten of de pilootprojecten in gevaar komt.
Modifications
Art.70. § 1. Le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire peut donner l'autorisation à l'exécution, dans la zone gérée par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, d'expérimentations ou de projets pilotes, dont des voyages d'essai, employant des systèmes innovants. Ces systèmes comprennent notamment des systèmes automatisés dans les navires ou à terre.
Le gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire peut, dans la mesure où cela est nécessaire, autoriser des dérogations temporaires aux dispositions des lois, des décrets ou des arrêtés d'exécution relatifs à l'équipage et à la navigation du navire, aux caractéristiques techniques ou à l'équipement du navire, à la réglementation du trafic maritime, aux prescriptions relatives aux activités à bord et à terre et aux documents de bord.
Les dérogations visées à l'alinéa deux ne peuvent pas concerner les dispositions relatives au contrôle et au maintien ni les dispositions de nature pénale. Elles ont une durée de validité maximale d'un an et peuvent être renouvelés en fonction des besoins, sans que la durée totale de validité d'une dérogation puisse excéder [1 dix]1 ans.
§ 2. Lors de l'autorisation pour les expériences ou projets pilotes visés au paragraphe 1, les éléments suivants sont au moins déterminés :
1° l'objectif des expériences ou projets pilotes ;
2° sur quelles voies navigables, parties de voies navigables ou parties de la zone portuaire des expériences ou projets pilotes sont menés ;
3° la durée de validité de l'autorisation ;
4° les règles auxquelles il est possible de déroger et, pour autant que cela soit pertinent, les conditions d'autorisation des dérogations ;
5° les mesures de sécurité prises pour effectuer les expériences ou projets pilotes.
§ 3. Le gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire peut retirer tout ou partie de l'autorisation s'il estime que la sécurité est compromise par les expériences ou les projets pilotes, ou en partie par ceux-ci.
Le gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire peut, dans la mesure où cela est nécessaire, autoriser des dérogations temporaires aux dispositions des lois, des décrets ou des arrêtés d'exécution relatifs à l'équipage et à la navigation du navire, aux caractéristiques techniques ou à l'équipement du navire, à la réglementation du trafic maritime, aux prescriptions relatives aux activités à bord et à terre et aux documents de bord.
Les dérogations visées à l'alinéa deux ne peuvent pas concerner les dispositions relatives au contrôle et au maintien ni les dispositions de nature pénale. Elles ont une durée de validité maximale d'un an et peuvent être renouvelés en fonction des besoins, sans que la durée totale de validité d'une dérogation puisse excéder [1 dix]1 ans.
§ 2. Lors de l'autorisation pour les expériences ou projets pilotes visés au paragraphe 1, les éléments suivants sont au moins déterminés :
1° l'objectif des expériences ou projets pilotes ;
2° sur quelles voies navigables, parties de voies navigables ou parties de la zone portuaire des expériences ou projets pilotes sont menés ;
3° la durée de validité de l'autorisation ;
4° les règles auxquelles il est possible de déroger et, pour autant que cela soit pertinent, les conditions d'autorisation des dérogations ;
5° les mesures de sécurité prises pour effectuer les expériences ou projets pilotes.
§ 3. Le gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire peut retirer tout ou partie de l'autorisation s'il estime que la sécurité est compromise par les expériences ou les projets pilotes, ou en partie par ceux-ci.
Modifications
Afdeling 9. - Laden en lossen van bulkschepen
Section 9. - Chargement et déchargement de vraquiers
Art.71. Voor de toepassing van deze afdeling, van artikel 117 en van afdeling 5 van hoofdstuk 4 van titel 6 wordt verstaan onder:
1° administratie van de vlaggenstaat: de bevoegde autoriteiten van de staat waarvan het bulkschip is gerechtigd de vlag te voeren;
2° BLU-code: de gedragscode voor veilig laden en lossen van bulkschepen, opgenomen in de bijlage bij resolutie A.862(20) van 27 november 1997 van de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie, in de versie die van kracht is;
3° bulkschip: een schip zoals omschreven in voorschrift IX/1.6 van het SOLAS-verdrag van 1974 en geïnterpreteerd in resolutie 6 van de SOLAS-conferentie van 1997, dat aan een van de volgende omschrijvingen voldoet:
a) een schip dat is geconstrueerd met een enkel dek, top-zijtanks en hopper-zijtanks in de laadruimten, dat voornamelijk voor het vervoer van vaste lading in bulk is bestemd;
b) een ertsschip, dat wil zeggen een zeeschip met enkel dek, met twee langsschotten en een dubbele bodem in het gehele ladinggedeelte, dat is bestemd om uitsluitend in de middenruimen ertsladingen te vervoeren;
c) een combination carrier zoals omschreven in voorschrift II2/3.27 van het SOLAS-verdrag van 1974;
4° graan: graan zoals omschreven in voorschrift VI/8.2 van het SOLAS-verdrag van 1974;
5° havenstaatcontrole-instantie: de met de scheepvaartcontrole belaste dienst;
6° kapitein: de persoon die het gezag voert over een bulkschip, of de scheepsofficier die door de gezagvoerder voor laad- of losverrichtingen is aangewezen;
7° SOLAS-verdrag van 1974: het internationaal verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee samen met de protocollen en wijzigingen daarvan, in de versie die van kracht is;
8° terminal: iedere vaste, drijvende of mobiele voorziening die is uitgerust voor het laden en lossen van vaste bulklading in of uit bulkschepen en die daarvoor wordt gebruikt;
9° terminalexploitant: de eigenaar van een terminal, of een andere organisatie of persoon aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor laad- en losverrichtingen in de terminal voor een bepaald bulkschip heeft overgedragen;
10° terminalvertegenwoordiger: iedere door de terminalexploitant aangestelde persoon die de algemene verantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft voor de controle op de voorbereiding, uitvoering en voltooiing van laad- en losverrichtingen door de terminal voor een bepaald bulkschip;
11° vaste bulklading: vaste stortlading zoals omschreven in voorschrift XII/1.4 van het SOLAS-verdrag van 1974, met uitzondering van graan.
Deze afdeling regelt de omzetting, binnen de in artikel 1 van dit decreet vermelde aangelegenheden, van richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor het veilig laden en lossen van bulkschepen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 houdende wijziging van de richtlijnen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen en bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft.
1° administratie van de vlaggenstaat: de bevoegde autoriteiten van de staat waarvan het bulkschip is gerechtigd de vlag te voeren;
2° BLU-code: de gedragscode voor veilig laden en lossen van bulkschepen, opgenomen in de bijlage bij resolutie A.862(20) van 27 november 1997 van de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie, in de versie die van kracht is;
3° bulkschip: een schip zoals omschreven in voorschrift IX/1.6 van het SOLAS-verdrag van 1974 en geïnterpreteerd in resolutie 6 van de SOLAS-conferentie van 1997, dat aan een van de volgende omschrijvingen voldoet:
a) een schip dat is geconstrueerd met een enkel dek, top-zijtanks en hopper-zijtanks in de laadruimten, dat voornamelijk voor het vervoer van vaste lading in bulk is bestemd;
b) een ertsschip, dat wil zeggen een zeeschip met enkel dek, met twee langsschotten en een dubbele bodem in het gehele ladinggedeelte, dat is bestemd om uitsluitend in de middenruimen ertsladingen te vervoeren;
c) een combination carrier zoals omschreven in voorschrift II2/3.27 van het SOLAS-verdrag van 1974;
4° graan: graan zoals omschreven in voorschrift VI/8.2 van het SOLAS-verdrag van 1974;
5° havenstaatcontrole-instantie: de met de scheepvaartcontrole belaste dienst;
6° kapitein: de persoon die het gezag voert over een bulkschip, of de scheepsofficier die door de gezagvoerder voor laad- of losverrichtingen is aangewezen;
7° SOLAS-verdrag van 1974: het internationaal verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee samen met de protocollen en wijzigingen daarvan, in de versie die van kracht is;
8° terminal: iedere vaste, drijvende of mobiele voorziening die is uitgerust voor het laden en lossen van vaste bulklading in of uit bulkschepen en die daarvoor wordt gebruikt;
9° terminalexploitant: de eigenaar van een terminal, of een andere organisatie of persoon aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor laad- en losverrichtingen in de terminal voor een bepaald bulkschip heeft overgedragen;
10° terminalvertegenwoordiger: iedere door de terminalexploitant aangestelde persoon die de algemene verantwoordelijkheid en bevoegdheid heeft voor de controle op de voorbereiding, uitvoering en voltooiing van laad- en losverrichtingen door de terminal voor een bepaald bulkschip;
11° vaste bulklading: vaste stortlading zoals omschreven in voorschrift XII/1.4 van het SOLAS-verdrag van 1974, met uitzondering van graan.
Deze afdeling regelt de omzetting, binnen de in artikel 1 van dit decreet vermelde aangelegenheden, van richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor het veilig laden en lossen van bulkschepen, zoals gewijzigd bij Richtlijn 2002/84/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 november 2002 houdende wijziging van de richtlijnen op het gebied van maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen en bij verordening (EG) nr. 1137/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 tot aanpassing aan Besluit 1999/468/EG van de Raad van een aantal besluiten waarop de procedure van artikel 251 van het Verdrag van toepassing is, wat de regelgevingsprocedure met toetsing betreft.
Art.71. Aux fins de la présente section, de l'article 117 et de la section 5 du chapitre 4 du titre 6, il est entendu par :
1° l'administration de l'Etat du pavillon : les autorités compétentes de l'Etat dont le vraquier a droit de battre le pavillon ;
2° recueilBLU : le recueil de règles pratiques pour la sécurité du chargement et du déchargement des vraquiers, tel qu'il figure à l'annexe de la résolution A.862(20) de l'assemblée de l'Organisation Maritime Internationale du 27 novembre 1997, en son état actuel ;
3° vraquier : un vraquier tel que défini dans la règle IX/1.6 de la convention SOLAS de 1974, dans l'interprétation de la résolution 6 de la conférence SOLAS de 1997, qui répond à l'une des définitions suivantes :
a) un navire comptant un seul pont, des citernes supérieures et des citernes latérales en trémies dans ses espaces à cargaison, qui est destiné essentiellement à transporter des cargaisons sèches en vrac ;
b) un minéralier, c'est-à-dire un navire de mer à un seul pont comportant deux cloisons longitudinales et un double fond sous toute la tranche à cargaison, qui est destiné au transport de minerais dans les cales centrales ;
c) un transporteur mixte tel que défini dans la règle II-2/3.27 de la convention SOLAS de 1974 ;
4° grains : les grains tels que définis à la règle VI/8.2 de la convention SOLAS de 1974 ;
5° autorité de contrôle de l'Etat du port : le service chargé du contrôle de la navigation ;
6° le capitaine : la personne qui a le commandement d'un vraquier, ou l'officier du navire chargé par le capitaine des opérations de chargement et de déchargement ;
7° Convention SOLAS de 1974 : la Convention internationale pour la sauvegarde de la vie humaine en mer, ainsi que les protocoles et amendements y afférents, dans son état actuel ;
8° terminal : toute installation fixe, flottante ou mobile équipée et utilisée pour le chargement et le déchargement dans des vraquiers ou hors de vraquiers de cargaisons sèches en vrac ;
9° exploitant de terminal : le propriétaire d'un terminal, ou tout organisme ou personne à qui le propriétaire a confié la responsabilité des opérations de chargement et de déchargement d'un vraquier particulier effectuées au terminal ;
10° représentant du terminal : toute personne nommée par l'exploitant de terminal qui a la responsabilité générale de la préparation, de l'exécution et du déroulement des opérations de chargement et de déchargement d'un vraquier particulier effectuées par le terminal et l'autorité pour contrôler l'ensemble ;
11° cargaison sèche en vrac : la cargaisons solides en vrac telle que définie dans la règle XII/1.4 de la convention SOLAS de 1974, à l'exclusion des grains.
La présente section prévoit la transposition, dans les matières visées à l'article 1 du présent décret, de la Directive 2001/96/CE du Parlement européen et du Conseil du 4 décembre 2001 établissant des exigences et des procédures harmonisées pour le chargement et le déchargement sûrs des vraquiers, telle que modifiée par la Directive 2002/84/CE du Parlement européen et du Conseil du 5 novembre 2002 portant modification des directives relatives à la sécurité maritime et à la prévention de la pollution par les navires, et par le règlement (CE) n° 1137/2008 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2008 portant adaptation à la décision 1999/468/CE du Conseil de certains actes soumis à la procédure visée à l'article 251 du Traité, en ce qui concerne la procédure de réglementation avec contrôle.
1° l'administration de l'Etat du pavillon : les autorités compétentes de l'Etat dont le vraquier a droit de battre le pavillon ;
2° recueilBLU : le recueil de règles pratiques pour la sécurité du chargement et du déchargement des vraquiers, tel qu'il figure à l'annexe de la résolution A.862(20) de l'assemblée de l'Organisation Maritime Internationale du 27 novembre 1997, en son état actuel ;
3° vraquier : un vraquier tel que défini dans la règle IX/1.6 de la convention SOLAS de 1974, dans l'interprétation de la résolution 6 de la conférence SOLAS de 1997, qui répond à l'une des définitions suivantes :
a) un navire comptant un seul pont, des citernes supérieures et des citernes latérales en trémies dans ses espaces à cargaison, qui est destiné essentiellement à transporter des cargaisons sèches en vrac ;
b) un minéralier, c'est-à-dire un navire de mer à un seul pont comportant deux cloisons longitudinales et un double fond sous toute la tranche à cargaison, qui est destiné au transport de minerais dans les cales centrales ;
c) un transporteur mixte tel que défini dans la règle II-2/3.27 de la convention SOLAS de 1974 ;
4° grains : les grains tels que définis à la règle VI/8.2 de la convention SOLAS de 1974 ;
5° autorité de contrôle de l'Etat du port : le service chargé du contrôle de la navigation ;
6° le capitaine : la personne qui a le commandement d'un vraquier, ou l'officier du navire chargé par le capitaine des opérations de chargement et de déchargement ;
7° Convention SOLAS de 1974 : la Convention internationale pour la sauvegarde de la vie humaine en mer, ainsi que les protocoles et amendements y afférents, dans son état actuel ;
8° terminal : toute installation fixe, flottante ou mobile équipée et utilisée pour le chargement et le déchargement dans des vraquiers ou hors de vraquiers de cargaisons sèches en vrac ;
9° exploitant de terminal : le propriétaire d'un terminal, ou tout organisme ou personne à qui le propriétaire a confié la responsabilité des opérations de chargement et de déchargement d'un vraquier particulier effectuées au terminal ;
10° représentant du terminal : toute personne nommée par l'exploitant de terminal qui a la responsabilité générale de la préparation, de l'exécution et du déroulement des opérations de chargement et de déchargement d'un vraquier particulier effectuées par le terminal et l'autorité pour contrôler l'ensemble ;
11° cargaison sèche en vrac : la cargaisons solides en vrac telle que définie dans la règle XII/1.4 de la convention SOLAS de 1974, à l'exclusion des grains.
La présente section prévoit la transposition, dans les matières visées à l'article 1 du présent décret, de la Directive 2001/96/CE du Parlement européen et du Conseil du 4 décembre 2001 établissant des exigences et des procédures harmonisées pour le chargement et le déchargement sûrs des vraquiers, telle que modifiée par la Directive 2002/84/CE du Parlement européen et du Conseil du 5 novembre 2002 portant modification des directives relatives à la sécurité maritime et à la prévention de la pollution par les navires, et par le règlement (CE) n° 1137/2008 du Parlement européen et du Conseil du 22 octobre 2008 portant adaptation à la décision 1999/468/CE du Conseil de certains actes soumis à la procédure visée à l'article 251 du Traité, en ce qui concerne la procédure de réglementation avec contrôle.
Art.72. Deze afdeling is van toepassing op alle terminals die worden aangedaan door bulkschepen, voor het laden en lossen van vaste bulklading.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen in voorschrift VI/7 van het SOLAS-verdrag van 1974 is dit decreet niet van toepassing:
1° op voorzieningen die alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt voor het laden en lossen van vaste bulklading in of uit bulkschepen;
2° als voor het laden en lossen uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de uitrusting van het bulkschip.
Met behoud van de toepassing van de bepalingen in voorschrift VI/7 van het SOLAS-verdrag van 1974 is dit decreet niet van toepassing:
1° op voorzieningen die alleen in uitzonderlijke omstandigheden worden gebruikt voor het laden en lossen van vaste bulklading in of uit bulkschepen;
2° als voor het laden en lossen uitsluitend gebruik wordt gemaakt van de uitrusting van het bulkschip.
Art.72. La présente section s'applique à tous les terminaux auxquels les vraquiers font appel pour le chargement ou le déchargement de cargaisons solides en vrac.
Sans préjudice de l'application des dispositions de la règle VI/7 de la convention SOLAS de 1974, le présent décret ne s'applique pas :
1° aux installations qui ne sont utilisées que de manière exceptionnelle pour le chargement, dans des vraquiers, et le déchargement, hors de vraquiers, de cargaisons solides en vrac ;
2° lorsque les opérations de chargement et de déchargement sont effectuées uniquement au moyen des équipements à bord du vraquier.
Sans préjudice de l'application des dispositions de la règle VI/7 de la convention SOLAS de 1974, le présent décret ne s'applique pas :
1° aux installations qui ne sont utilisées que de manière exceptionnelle pour le chargement, dans des vraquiers, et le déchargement, hors de vraquiers, de cargaisons solides en vrac ;
2° lorsque les opérations de chargement et de déchargement sont effectuées uniquement au moyen des équipements à bord du vraquier.
Art.73. § 1. De terminalexploitanten zorgen ervoor dat de terminals waarvoor zij overeenkomstig deze afdeling verantwoordelijk zijn:
1° aan de eisen in verband met de geschiktheid van terminals voor het laden en lossen van vaste bulklading voldoen;
2° een of meer terminalvertegenwoordigers hebben aangesteld;
3° handleidingen hebben opgesteld waarin de voorschriften van de terminal en de bevoegde autoriteiten en de informatie over de haven en de terminal, vermeld in aanhangsel 1, punt 1.2, van de BLU-code, zijn opgenomen, en die handleidingen ter beschikking stellen van de kapiteins die de terminal aandoen om vaste bulklading te laden of te lossen;
4° geïntegreerd zijn in een globale ISO 9001:2000-certificatie of behoren tot een vennootschap die een gecertificeerd kwaliteitszorgsysteem heeft ontwikkeld en ingevoerd, of een gecertificeerd kwaliteitszorgsysteem hebben ontwikkeld en ingevoerd overeenkomstig ISO 9001:2000-normen - of overeenkomstig een gelijkwaardige norm die tenminste aan alle aspecten van ISO 9001:2000 voldoet - en deze systemen onderhouden, welke overeenkomstig de richtsnoeren van de ISO 10011:1991-norm of een gelijkwaardige norm die aan alle aspecten van ISO 10011:1991 voldoet, aan audits wordt onderworpen. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat met betrekking tot gelijkwaardige normen wordt voldaan aan richtlijn 98/34/EG.
De bevoegde autoriteit controleert of de terminalexploitanten aan de hen opgelegde eisen voldoen.
§ 2. De Vlaamse Regering legt de in paragraaf 1, 1°, vermelde eisen voor geschiktheid vast, waaraan terminals voor het laden en lossen van vaste bulklading moeten voldoen.
§ 3. Terminalexploitanten zorgen voor de ontwikkeling van het kwaliteitszorgsysteem.
§ 4. De terminalexploitant controleert tevens of het bulkschip, dat zich aan een van zijn terminals aanbiedt voor het laden of lossen van vaste bulklading, hiervoor operationeel geschikt is en of het bulkschip voldoet aan de eisen van operationele geschiktheid voor het laden en lossen van vaste bulklading, die worden vastgesteld door de federale overheid.
1° aan de eisen in verband met de geschiktheid van terminals voor het laden en lossen van vaste bulklading voldoen;
2° een of meer terminalvertegenwoordigers hebben aangesteld;
3° handleidingen hebben opgesteld waarin de voorschriften van de terminal en de bevoegde autoriteiten en de informatie over de haven en de terminal, vermeld in aanhangsel 1, punt 1.2, van de BLU-code, zijn opgenomen, en die handleidingen ter beschikking stellen van de kapiteins die de terminal aandoen om vaste bulklading te laden of te lossen;
4° geïntegreerd zijn in een globale ISO 9001:2000-certificatie of behoren tot een vennootschap die een gecertificeerd kwaliteitszorgsysteem heeft ontwikkeld en ingevoerd, of een gecertificeerd kwaliteitszorgsysteem hebben ontwikkeld en ingevoerd overeenkomstig ISO 9001:2000-normen - of overeenkomstig een gelijkwaardige norm die tenminste aan alle aspecten van ISO 9001:2000 voldoet - en deze systemen onderhouden, welke overeenkomstig de richtsnoeren van de ISO 10011:1991-norm of een gelijkwaardige norm die aan alle aspecten van ISO 10011:1991 voldoet, aan audits wordt onderworpen. De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat met betrekking tot gelijkwaardige normen wordt voldaan aan richtlijn 98/34/EG.
De bevoegde autoriteit controleert of de terminalexploitanten aan de hen opgelegde eisen voldoen.
§ 2. De Vlaamse Regering legt de in paragraaf 1, 1°, vermelde eisen voor geschiktheid vast, waaraan terminals voor het laden en lossen van vaste bulklading moeten voldoen.
§ 3. Terminalexploitanten zorgen voor de ontwikkeling van het kwaliteitszorgsysteem.
§ 4. De terminalexploitant controleert tevens of het bulkschip, dat zich aan een van zijn terminals aanbiedt voor het laden of lossen van vaste bulklading, hiervoor operationeel geschikt is en of het bulkschip voldoet aan de eisen van operationele geschiktheid voor het laden en lossen van vaste bulklading, die worden vastgesteld door de federale overheid.
Art.73. § 1. Les exploitants de terminal veillent à ce que les terminaux dont ils sont responsables conformément à la présente section :
1° répondent aux exigences relatives à l'aptitude des terminaux au chargement et au déchargement des cargaisons solides en vrac ;
2° aient nommé un ou plusieurs représentants de terminal ;
3° aient préparé des manuels indiquant les exigences propres au terminal et celles des autorités compétentes ainsi que les renseignements concernant le port et le terminal visés à l'appendice 1, point 1.2, du recueil BLU, et qu'ils mettent ces manuels à la disposition des capitaines faisant escale au terminal pour charger ou décharger des cargaisons solides en vrac ;
4° soient intégrés dans une certification globale ISO 9001:2000 ou appartiennent à une société qui a développé et mis en oeuvre un système de gestion de la qualité certifié, ou qui a développé et mis en oeuvre un système de gestion de la qualité certifié conformément aux normes ISO 9001:2000 - ou conformément à une norme équivalente qui satisfait au moins à tous les aspects de la norme ISO 9001:2000 - et qui maintient ces systèmes, qui est soumis à des audits conformément aux lignes directrices de la norme ISO 10011:1991 ou d'une norme équivalente qui satisfait à tous les aspects de la norme ISO 10011:1991. L'autorité compétente veille au respect de la directive 98/34/CE en ce qui concerne les normes équivalentes.
L'autorité compétente vérifie que les exploitants du terminal respectent les exigences qui leur sont imposées.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe les exigences d'aptitude visées au paragraphe 1, 1°, auxquelles doivent satisfaire les terminaux de chargement et de déchargement de cargaisons solides en vrac.
§ 3. Les exploitants du terminal assurent le développement du système de gestion de la qualité.
§ 4. L'exploitant du terminal vérifie également que le vraquier faisant escale à l'un de ses terminaux pour le chargement ou le déchargement de cargaisons solides en vrac est opérationnellement adapté à cette fin et que le vraquier satisfait aux exigences d'aptitude opérationnelle au chargement et au déchargement de cargaisons solides en vrac établies par l'autorité fédérale.
1° répondent aux exigences relatives à l'aptitude des terminaux au chargement et au déchargement des cargaisons solides en vrac ;
2° aient nommé un ou plusieurs représentants de terminal ;
3° aient préparé des manuels indiquant les exigences propres au terminal et celles des autorités compétentes ainsi que les renseignements concernant le port et le terminal visés à l'appendice 1, point 1.2, du recueil BLU, et qu'ils mettent ces manuels à la disposition des capitaines faisant escale au terminal pour charger ou décharger des cargaisons solides en vrac ;
4° soient intégrés dans une certification globale ISO 9001:2000 ou appartiennent à une société qui a développé et mis en oeuvre un système de gestion de la qualité certifié, ou qui a développé et mis en oeuvre un système de gestion de la qualité certifié conformément aux normes ISO 9001:2000 - ou conformément à une norme équivalente qui satisfait au moins à tous les aspects de la norme ISO 9001:2000 - et qui maintient ces systèmes, qui est soumis à des audits conformément aux lignes directrices de la norme ISO 10011:1991 ou d'une norme équivalente qui satisfait à tous les aspects de la norme ISO 10011:1991. L'autorité compétente veille au respect de la directive 98/34/CE en ce qui concerne les normes équivalentes.
L'autorité compétente vérifie que les exploitants du terminal respectent les exigences qui leur sont imposées.
§ 2. Le Gouvernement flamand fixe les exigences d'aptitude visées au paragraphe 1, 1°, auxquelles doivent satisfaire les terminaux de chargement et de déchargement de cargaisons solides en vrac.
§ 3. Les exploitants du terminal assurent le développement du système de gestion de la qualité.
§ 4. L'exploitant du terminal vérifie également que le vraquier faisant escale à l'un de ses terminaux pour le chargement ou le déchargement de cargaisons solides en vrac est opérationnellement adapté à cette fin et que le vraquier satisfait aux exigences d'aptitude opérationnelle au chargement et au déchargement de cargaisons solides en vrac établies par l'autorité fédérale.
Art.74. De bevoegde autoriteit kan, in afwijking van [1 artikel 73, § 1, eerste lid, 4°]1, aan nieuwe terminals een tijdelijke exploitatievergunning met een geldigheidsduur van ten hoogste twaalf maanden uitreiken. De terminal moet echter aantonen voornemens te zijn een kwaliteitszorgsysteem in te voeren overeenkomstig de ISO 9001:2000-norm of een gelijkwaardige norm als vermeld in [1 artikel 73, § 1, eerste lid, 4°]1.
Modifications
Art.74. L'autorité compétente peut, par dérogation à [1 l'article 73, § 1er, alinéa 1er, 4°]1, délivrer aux nouveaux terminaux une autorisation temporaire d'exploitation d'une validité maximale de douze mois. Toutefois, le terminal doit démontrer son intention de mettre en oeuvre un système de gestion de la qualité conforme à la norme ISO 9001:2000 ou à une norme équivalente visée à [1 l'article 73, § 1er, alinéa 1er, 4°]1.
Modifications
Art.75. Door de terminalvertegenwoordigers worden de volgende beginselen in acht genomen en toegepast:
1° nadat de terminalvertegenwoordiger de eerste aankondiging van het vermoedelijke aankomsttijdstip van het schip heeft ontvangen, verstrekt hij aan de kapitein een aantal gegevens;
2° de terminalvertegenwoordiger vergewist zich ervan dat de kapitein in een zo vroeg mogelijk stadium in kennis wordt gesteld van de gegevens die op het ladingverklaringsformulier zijn vermeld;
3° de terminalvertegenwoordiger stelt de kapitein, de agent, de bevrachter en de havenstaatcontrole-instantie onverwijld in kennis van de door hem aan boord van een bulkschip vastgestelde tekortkomingen waardoor de veiligheid van het laden of lossen van vaste bulklading in gevaar kan komen;
4° voordat met laden en lossen wordt begonnen en tijdens het laden en lossen, kwijt de terminalvertegenwoordiger zich van zijn taken.
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens op basis van het eerste lid, 1°, door de terminalvertegenwoordiger aan de kapitein moeten worden verstrekt.
De Vlaamse Regering legt de in het eerste lid, 4°, vermelde taken van de terminalvertegenwoordiger voor en tijdens de laad- en losverrichtingen vast.
1° nadat de terminalvertegenwoordiger de eerste aankondiging van het vermoedelijke aankomsttijdstip van het schip heeft ontvangen, verstrekt hij aan de kapitein een aantal gegevens;
2° de terminalvertegenwoordiger vergewist zich ervan dat de kapitein in een zo vroeg mogelijk stadium in kennis wordt gesteld van de gegevens die op het ladingverklaringsformulier zijn vermeld;
3° de terminalvertegenwoordiger stelt de kapitein, de agent, de bevrachter en de havenstaatcontrole-instantie onverwijld in kennis van de door hem aan boord van een bulkschip vastgestelde tekortkomingen waardoor de veiligheid van het laden of lossen van vaste bulklading in gevaar kan komen;
4° voordat met laden en lossen wordt begonnen en tijdens het laden en lossen, kwijt de terminalvertegenwoordiger zich van zijn taken.
De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens op basis van het eerste lid, 1°, door de terminalvertegenwoordiger aan de kapitein moeten worden verstrekt.
De Vlaamse Regering legt de in het eerste lid, 4°, vermelde taken van de terminalvertegenwoordiger voor en tijdens de laad- en losverrichtingen vast.
Art.75. Les principes suivants sont observés et appliqués par les représentants du terminal :
1° à la réception de la notification initiale de l'heure d'arrivée probable du navire, le représentant du terminal fournit au capitaine certaines informations ;
2° le représentant du terminal s'assure que le capitaine a été avisé dès que possible des informations contenues dans le formulaire de déclaration concernant la cargaison ;
3° le représentant du terminal informe sans délai le capitaine, l'agent, l'affréteur et l'autorité de contrôle par l'Etat du port des anomalies constatées par lui-même à bord d'un vraquier et susceptibles de compromettre la sécurité du chargement ou du déchargement de cargaisons solides en vrac ;
4° avant le commencement et au cours du chargement ou du déchargement, le représentant du terminal s'acquitte de ses tâches.
Le Gouvernement flamand détermine quelles informations doivent être fournies au capitaine par le représentant du terminal en vertu du premier alinéa, 1°.
Le Gouvernement flamand fixe les tâches du représentant du terminal visées à l'alinéa 1, 4°, avant et pendant les opérations de chargement et de déchargement.
1° à la réception de la notification initiale de l'heure d'arrivée probable du navire, le représentant du terminal fournit au capitaine certaines informations ;
2° le représentant du terminal s'assure que le capitaine a été avisé dès que possible des informations contenues dans le formulaire de déclaration concernant la cargaison ;
3° le représentant du terminal informe sans délai le capitaine, l'agent, l'affréteur et l'autorité de contrôle par l'Etat du port des anomalies constatées par lui-même à bord d'un vraquier et susceptibles de compromettre la sécurité du chargement ou du déchargement de cargaisons solides en vrac ;
4° avant le commencement et au cours du chargement ou du déchargement, le représentant du terminal s'acquitte de ses tâches.
Le Gouvernement flamand détermine quelles informations doivent être fournies au capitaine par le représentant du terminal en vertu du premier alinéa, 1°.
Le Gouvernement flamand fixe les tâches du représentant du terminal visées à l'alinéa 1, 4°, avant et pendant les opérations de chargement et de déchargement.
Art.76. De Vlaamse Regering bepaalt de procedures die tijdens het laden en lossen van bulkschepen door de terminalvertegenwoordiger moeten worden gevolgd.
Art.76. Le Gouvernement flamand détermine les procédures à suivre par le représentant du terminal lors du chargement et du déchargement des vraquiers.
Art.77. Als de bevoegde autoriteit vaststelt dat er een meningsverschil bestaat over de toepassing van de procedures van artikel 76 tussen de terminalvertegenwoordiger en de kapitein, treedt zij op zodra de veiligheid dit vereist.
Art.77. Si l'autorité compétente constate qu'il existe un désaccord sur l'application des procédures de l'article 76 entre le représentant du terminal et le capitaine, elle intervient dès que la sécurité l'exige.
Art.78. Als de structuur of de uitrusting van het bulkschip tijdens het laden of lossen wordt beschadigd, wordt die schade door de terminalvertegenwoordiger aan de kapitein gemeld en zo nodig gerepareerd.
Art.78. Si une avarie de la structure ou des équipements du vraquier survient au cours du chargement ou du déchargement, elle est signalée par le représentant du terminal au capitaine et, si nécessaire, réparée.
HOOFDSTUK 2. - Scheepvaartrechten en andere retributies
CHAPITRE 2. - Droits de navigation et autres redevances
Art.79. § 1. Het gebruik voor scheepvaartdoeleinden van de waterwegen, met uitzondering van die welke aan het getij onderhevig zijn, het kanaal van Gent naar Terneuzen vanaf de Meulestedebrug (de brug niet inbegrepen) tot de Belgisch Nederlandse grens in Zelzate, de Gemeenschappelijke Maas, de ScheldeRijn-verbinding en de Zuid-Willemsvaart op Vlaams grondgebied, kan worden onderworpen aan de betaling van scheepvaartrechten en andere retributies.
De eigenaar en de exploitant van het schip zijn hoofdelijk tot de betaling van de scheepvaartrechten en andere retributies gehouden.
§ 2. De waterwegbeheerder stelt het tarief en de eventuele nadere voorwaarden van de scheepvaartrechten en andere retributies vast.
§ 3. De waterwegbeheerder is belast met de inning van de in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies.
De invordering van aan het Vlaamse Gewest toekomende in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies, geldboeten, eventuele interesten en kosten welke niet werden voldaan, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van [2 het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2.
Met het oog op de invordering van aan haar verschuldigde onbetwiste en opeisbare in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies, eventuele interesten en kosten, kan De Vlaamse Waterweg nv een dwangbevel uitvaardigen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gedelegeerd bestuurder. Een dergelijk dwangbevel wordt aan de schuldenaar betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot en stuit de verjaring. Een bevel kan door de gedelegeerd bestuurder alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief. De Vlaamse Waterweg nv kan administratieve kosten aanrekenen voor deze aangetekende brief. Deze kosten vallen ten laste van de schuldenaar en kunnen eveneens ingevorderd worden via het dwangbevel. Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel worden ingevorderd. Verzet kan tegen dat exploot worden ingediend binnen één maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde voor de ondernemingsrechtbank.
§ 4. De Vlaamse Regering is gemachtigd, behalve wat betreft de door De Vlaamse Waterweg nv beheerde waterwegen en het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen, de wijze van bekendmaking van de tarieven, de wijze van inning en het toezicht op de naleving van deze bepalingen nader te regelen.
De eigenaar en de exploitant van het schip zijn hoofdelijk tot de betaling van de scheepvaartrechten en andere retributies gehouden.
§ 2. De waterwegbeheerder stelt het tarief en de eventuele nadere voorwaarden van de scheepvaartrechten en andere retributies vast.
§ 3. De waterwegbeheerder is belast met de inning van de in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies.
De invordering van aan het Vlaamse Gewest toekomende in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies, geldboeten, eventuele interesten en kosten welke niet werden voldaan, geschiedt overeenkomstig de bepalingen van [2 het decreet van 19 april 2024 tot regeling van de invordering van niet-fiscale schuldvorderingen]2.
Met het oog op de invordering van aan haar verschuldigde onbetwiste en opeisbare in paragraaf 1 bedoelde scheepvaartrechten en andere retributies, eventuele interesten en kosten, kan De Vlaamse Waterweg nv een dwangbevel uitvaardigen. Het dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gedelegeerd bestuurder. Een dergelijk dwangbevel wordt aan de schuldenaar betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot en stuit de verjaring. Een bevel kan door de gedelegeerd bestuurder alleen worden geviseerd en uitvoerbaar verklaard als de schuld opeisbaar, vaststaand en zeker is. De schuldenaar moet bovendien vooraf aangemaand zijn met een aangetekende brief. De Vlaamse Waterweg nv kan administratieve kosten aanrekenen voor deze aangetekende brief. Deze kosten vallen ten laste van de schuldenaar en kunnen eveneens ingevorderd worden via het dwangbevel. Schulden van een publieke rechtspersoon kunnen nooit via een dwangbevel worden ingevorderd. Verzet kan tegen dat exploot worden ingediend binnen één maand na de betekening ervan bij verzoekschrift of door een dagvaarding ten gronde voor de ondernemingsrechtbank.
§ 4. De Vlaamse Regering is gemachtigd, behalve wat betreft de door De Vlaamse Waterweg nv beheerde waterwegen en het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen, de wijze van bekendmaking van de tarieven, de wijze van inning en het toezicht op de naleving van deze bepalingen nader te regelen.
Art.79. § 1. L'utilisation à des fins de navigation des voies de navigation, à l'exception de celles qui sont soumises aux marées, du canal de Gand à Terneuzen, du pont de Meulestede (pont non compris) à la frontière belgo-néerlandaise à Zelzate, la Meuse commune, la jonction Escaut/Rhin et le ZuidWillemsvaart sur le territoire flamand, peut être soumis au paiement de droits de navigation et aux autres redevances.
Le propriétaire et l'exploitant du navire sont conjointement et solidairement responsables du paiement des droits de navigation et d'autres redevances.
§ 2. Le gestionnaire des voies navigables fixe le taux et les autres conditions éventuelles des droits de navigation et autres redevances.
§ 3. Le gestionnaire des voies navigables est chargé de percevoir les droits de navigation et les autres redevances visés au paragraphe 1.
Le recouvrement des droits de navigation et autres rétributions, amendes, intérêts et frais éventuels revenant à la Région flamande visés au paragraphe 1, qui n'ont pas été acquittés, s'effectue conformément aux dispositions [2 du décret du 19 avril 2024 réglementant le recouvrement des créances non fiscales]2.
En vue du recouvrement des droits de navigation et autres redevances, intérêts et frais éventuels, incontestés et exigibles qui lui sont dus, visés au paragraphe 1, " De Vlaamse Waterweg nv " peut émettre une contrainte. La contrainte est visée et déclarée exécutoire par l'administrateur délégué. Une telle contrainte est notifiée au débiteur par exploit d'huissier de justice et interrompt la prescription. Une contrainte ne peut être visée et déclarée exécutoire par l'administrateur délégué que si la dette est exigible, certaine et liquide. En outre, le débiteur doit être averti au préalable par lettre recommandée. " De Vlaamse Waterweg nv " peut facturer des frais administratifs pour cette lettre recommandée. Ces frais sont à la charge du débiteur et peuvent également être recouvrés au moyen de la contrainte. Les dettes d'une personne morale publique ne peuvent jamais être recouvrées au moyen d'une contrainte. L'opposition à cet exploit peut être introduite dans le mois de sa notification par requête ou par une citation au fond devant le tribunal d'entreprise.
§ 4. Le Gouvernement flamand est autorisé, à l'exception des voies navigables gérées par " De Vlaamse Waterweg nv " et de la zone proche de l'eau le long de ces voies navigables, à réglementer davantage le mode de publication des tarifs, le mode de perception et le contrôle du respect de ces dispositions.
Le propriétaire et l'exploitant du navire sont conjointement et solidairement responsables du paiement des droits de navigation et d'autres redevances.
§ 2. Le gestionnaire des voies navigables fixe le taux et les autres conditions éventuelles des droits de navigation et autres redevances.
§ 3. Le gestionnaire des voies navigables est chargé de percevoir les droits de navigation et les autres redevances visés au paragraphe 1.
Le recouvrement des droits de navigation et autres rétributions, amendes, intérêts et frais éventuels revenant à la Région flamande visés au paragraphe 1, qui n'ont pas été acquittés, s'effectue conformément aux dispositions [2 du décret du 19 avril 2024 réglementant le recouvrement des créances non fiscales]2.
En vue du recouvrement des droits de navigation et autres redevances, intérêts et frais éventuels, incontestés et exigibles qui lui sont dus, visés au paragraphe 1, " De Vlaamse Waterweg nv " peut émettre une contrainte. La contrainte est visée et déclarée exécutoire par l'administrateur délégué. Une telle contrainte est notifiée au débiteur par exploit d'huissier de justice et interrompt la prescription. Une contrainte ne peut être visée et déclarée exécutoire par l'administrateur délégué que si la dette est exigible, certaine et liquide. En outre, le débiteur doit être averti au préalable par lettre recommandée. " De Vlaamse Waterweg nv " peut facturer des frais administratifs pour cette lettre recommandée. Ces frais sont à la charge du débiteur et peuvent également être recouvrés au moyen de la contrainte. Les dettes d'une personne morale publique ne peuvent jamais être recouvrées au moyen d'une contrainte. L'opposition à cet exploit peut être introduite dans le mois de sa notification par requête ou par une citation au fond devant le tribunal d'entreprise.
§ 4. Le Gouvernement flamand est autorisé, à l'exception des voies navigables gérées par " De Vlaamse Waterweg nv " et de la zone proche de l'eau le long de ces voies navigables, à réglementer davantage le mode de publication des tarifs, le mode de perception et le contrôle du respect de ces dispositions.
Art.80. [1 § 1.]1 De volgende categorieën van vaartuigen zijn van de betaling van scheepvaartrechten of andere retributies als vermeld in artikel 79 vrijgesteld:
1° vaartuigen die bestemd zijn voor openbaar personenvervoer te water, zoals veren waarmee door of in opdracht van een overheid veerdiensten worden aangeboden;
2° schepen die zich voor de vervulling van openbare diensten door of in opdracht van een overheid verplaatsen;
3° niet-gemotoriseerde schepen die over de hele lengte gemeten maximum 6 meter lang zijn, zonder winstgevend doel varen en geen personen tegen vergoeding vervoeren;
4° ijsbrekers, wanneer zij worden ingezet om ijsvorming te bestrijden;
5° schepen die bij vloed of wanneer het nodig is het water geheel of gedeeltelijk af te laten worden verhaald naar plaatsen waar ze de vrije loop van het water niet kunnen hinderen, en die later, wanneer de oorzaak van verplaatsing opgehouden heeft, naar hun eerste ligplaats terugkeren;
6° schepen gebruikt voor de uitvoering van werkzaamheden van onderhoud of verbetering der waterwegen door of in opdracht van de waterwegbeheerder, of voor vervoer verband houdende met deze werkzaamheden, voor zover die schepen zich met het oog op de uitvoering van de opdracht verplaatsen.
[1 7° bijboten terwijl ze worden ingezet voor het aan en van boord brengen van personen en goederen, en bij redding, berging en werkzaamheden.]1
Met uitzondering van de categorieën van vaartuigen, [1 vermeld in het eerste lid, 1°, 3° en 7°,]1, moet een schip dat in een van de hierboven vermelde uitzonderingsgevallen verkeert, zich bij het binnenvaren in het bevoegdheidsgebied van een waterwegbeheerder of bij de afvaart binnen het bevoegdheidsgebied melden bij de waterwegbeheerder, die het kosteloos een vaarvergunning verleent.
[1 § 2. Woonvaartuigen die beschikken over een geldige vergunning of concessie om een ligplaats in te nemen, als ze zich op hun ligplaats bevinden, of als ze gesleept worden naar een andere locatie, zijn vrijgesteld van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 79, om een waterwegenvergunning te verkrijgen.]1
1° vaartuigen die bestemd zijn voor openbaar personenvervoer te water, zoals veren waarmee door of in opdracht van een overheid veerdiensten worden aangeboden;
2° schepen die zich voor de vervulling van openbare diensten door of in opdracht van een overheid verplaatsen;
3° niet-gemotoriseerde schepen die over de hele lengte gemeten maximum 6 meter lang zijn, zonder winstgevend doel varen en geen personen tegen vergoeding vervoeren;
4° ijsbrekers, wanneer zij worden ingezet om ijsvorming te bestrijden;
5° schepen die bij vloed of wanneer het nodig is het water geheel of gedeeltelijk af te laten worden verhaald naar plaatsen waar ze de vrije loop van het water niet kunnen hinderen, en die later, wanneer de oorzaak van verplaatsing opgehouden heeft, naar hun eerste ligplaats terugkeren;
6° schepen gebruikt voor de uitvoering van werkzaamheden van onderhoud of verbetering der waterwegen door of in opdracht van de waterwegbeheerder, of voor vervoer verband houdende met deze werkzaamheden, voor zover die schepen zich met het oog op de uitvoering van de opdracht verplaatsen.
[1 7° bijboten terwijl ze worden ingezet voor het aan en van boord brengen van personen en goederen, en bij redding, berging en werkzaamheden.]1
Met uitzondering van de categorieën van vaartuigen, [1 vermeld in het eerste lid, 1°, 3° en 7°,]1, moet een schip dat in een van de hierboven vermelde uitzonderingsgevallen verkeert, zich bij het binnenvaren in het bevoegdheidsgebied van een waterwegbeheerder of bij de afvaart binnen het bevoegdheidsgebied melden bij de waterwegbeheerder, die het kosteloos een vaarvergunning verleent.
[1 § 2. Woonvaartuigen die beschikken over een geldige vergunning of concessie om een ligplaats in te nemen, als ze zich op hun ligplaats bevinden, of als ze gesleept worden naar een andere locatie, zijn vrijgesteld van de betaling van de retributie, vermeld in artikel 79, om een waterwegenvergunning te verkrijgen.]1
Modifications
Art.80. [1 § 1. ]1 Les catégories de navires suivantes sont exemptées du paiement des droits de navigation ou autres droits visés à l'article 79 :
1° les navires destinés au transport public de personnes sur l'eau, tels que les services de transbordeurs fournis par ou pour le compte d'une autorité publique ;
2° les bateaux voyageant pour l'exécution de services publics par ou pour le compte d'une autorité publique ;
3° les bateaux non motorisés d'une longueur maximale de 6 mètres mesurée sur toute leur longueur, naviguant sans but lucratif et ne transportant pas de personnes contre rémunération ;
4° les brise-glaces, lorsqu'ils sont utilisés pour combattre la formation de glace ;
5° les bateaux qui, à marée haute ou lorsqu'il est nécessaire d'assécher tout ou partie de l'eau, sont déplacés dans des endroits où ils ne peuvent faire obstacle au libre écoulement de l'eau, et qui, par la suite, lorsque la cause du mouvement a cessé, reviennent à leur premier poste d'amarrage ;
6° les bateaux utilisés pour l'exécution de travaux d'entretien ou d'amélioration des voies navigables par le gestionnaire des voies navigables ou sur ses instructions, ou pour le transport lié à ces travaux, dans la mesure où ces bateaux voyagent en vue de l'exécution de la tâche.
[1 7° les canots lorsqu'ils sont mis en oeuvre pour amener des personnes et des marchandises à bord, et en cas de sauvetage, de renflouement et d'activités. ]1
A l'exception des catégories de navires visées [1 visées à l'alinéa 1er, 1°, 3° et 7°,]1, un bateau qui se trouve dans l'une des exceptions visées ci-dessus doit, lors de son entrée dans la zone de compétence d'un gestionnaire des voies navigables ou lors de sa sortie de la zone de compétence, se présenter au gestionnaire des voies navigables, qui lui accordera gratuitement un permis de navigation.
[1 § 2. Les navires résidentiels qui disposent d'une autorisation ou concession valable pour occuper un poste d'amarrage, lorsqu'ils se trouvent à leur poste d'amarrage, ou lorsqu'ils sont remorqués vers un autre lieu, sont exonérés du paiement de la rétribution, visée à l'article 79, pour obtenir un permis de voies navigables. ]1
1° les navires destinés au transport public de personnes sur l'eau, tels que les services de transbordeurs fournis par ou pour le compte d'une autorité publique ;
2° les bateaux voyageant pour l'exécution de services publics par ou pour le compte d'une autorité publique ;
3° les bateaux non motorisés d'une longueur maximale de 6 mètres mesurée sur toute leur longueur, naviguant sans but lucratif et ne transportant pas de personnes contre rémunération ;
4° les brise-glaces, lorsqu'ils sont utilisés pour combattre la formation de glace ;
5° les bateaux qui, à marée haute ou lorsqu'il est nécessaire d'assécher tout ou partie de l'eau, sont déplacés dans des endroits où ils ne peuvent faire obstacle au libre écoulement de l'eau, et qui, par la suite, lorsque la cause du mouvement a cessé, reviennent à leur premier poste d'amarrage ;
6° les bateaux utilisés pour l'exécution de travaux d'entretien ou d'amélioration des voies navigables par le gestionnaire des voies navigables ou sur ses instructions, ou pour le transport lié à ces travaux, dans la mesure où ces bateaux voyagent en vue de l'exécution de la tâche.
[1 7° les canots lorsqu'ils sont mis en oeuvre pour amener des personnes et des marchandises à bord, et en cas de sauvetage, de renflouement et d'activités. ]1
A l'exception des catégories de navires visées [1 visées à l'alinéa 1er, 1°, 3° et 7°,]1, un bateau qui se trouve dans l'une des exceptions visées ci-dessus doit, lors de son entrée dans la zone de compétence d'un gestionnaire des voies navigables ou lors de sa sortie de la zone de compétence, se présenter au gestionnaire des voies navigables, qui lui accordera gratuitement un permis de navigation.
[1 § 2. Les navires résidentiels qui disposent d'une autorisation ou concession valable pour occuper un poste d'amarrage, lorsqu'ils se trouvent à leur poste d'amarrage, ou lorsqu'ils sont remorqués vers un autre lieu, sont exonérés du paiement de la rétribution, visée à l'article 79, pour obtenir un permis de voies navigables. ]1
Modifications
Art.81. § 1. De volgende categorieën van vaartuigen kunnen een korting op scheepvaartrechten of andere retributies als vermeld in artikel 79 verkrijgen:
1° varend erfgoed als vermeld in het artikel 3/9 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed en andere schepen die met een maatschappelijk of cultureel doel varen;
2° vaartuigen die ingevolge innovatieve of technische maatregelen een bepaald milieuvoordeel teweegbrengen;
3° vaartuigen die bepaalde goederensegmenten transporteren.
De Vlaamse Regering kan bijkomende categorieën van vaartuigen bepalen die overeenkomstig paragraaf 2 eveneens een korting kunnen verkrijgen.
§ 2. De omvang van de korting van de scheepvaartrechten en andere retributies alsook de nadere modaliteiten waaraan de in paragraaf 1 genoemde categorieën van vaartuigen moeten voldoen om de korting te verkrijgen, worden vastgesteld in het tarief, vermeld in artikel 79, § 2.
1° varend erfgoed als vermeld in het artikel 3/9 van het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed en andere schepen die met een maatschappelijk of cultureel doel varen;
2° vaartuigen die ingevolge innovatieve of technische maatregelen een bepaald milieuvoordeel teweegbrengen;
3° vaartuigen die bepaalde goederensegmenten transporteren.
De Vlaamse Regering kan bijkomende categorieën van vaartuigen bepalen die overeenkomstig paragraaf 2 eveneens een korting kunnen verkrijgen.
§ 2. De omvang van de korting van de scheepvaartrechten en andere retributies alsook de nadere modaliteiten waaraan de in paragraaf 1 genoemde categorieën van vaartuigen moeten voldoen om de korting te verkrijgen, worden vastgesteld in het tarief, vermeld in artikel 79, § 2.
Art.81. § 1. Les catégories de navires suivantes peuvent bénéficier d'une réduction des droits de navigation ou d'autres redevances, telles que visées à l'article 79 :
1° le patrimoine nautique tel que visé à l'article 3/9 du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique et d'autres bateaux à vocation sociale ou culturelle ;
2° les navires qui, suite à des mesures innovatrices ou techniques, présentent un certain avantage environnemental ;
3° les navires transportant certains segments de marchandises.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des catégories supplémentaires de navires qui peuvent également bénéficier d'une réduction conformément au paragraphe 2.
§ 2. Le montant de la réduction des droits de navigation et autres redevances ainsi que les modalités auxquelles les catégories de navires visées au paragraphe 1 doivent satisfaire pour bénéficier de la réduction, sont fixées dans le tarif visé à l'article 79, § 2.
1° le patrimoine nautique tel que visé à l'article 3/9 du décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique et d'autres bateaux à vocation sociale ou culturelle ;
2° les navires qui, suite à des mesures innovatrices ou techniques, présentent un certain avantage environnemental ;
3° les navires transportant certains segments de marchandises.
Le Gouvernement flamand peut déterminer des catégories supplémentaires de navires qui peuvent également bénéficier d'une réduction conformément au paragraphe 2.
§ 2. Le montant de la réduction des droits de navigation et autres redevances ainsi que les modalités auxquelles les catégories de navires visées au paragraphe 1 doivent satisfaire pour bénéficier de la réduction, sont fixées dans le tarif visé à l'article 79, § 2.
Art.82. Voor bijzondere waterwegen en bijzondere categorieën van schepen kan de Vlaamse Regering afwijkende regelingen aannemen.
Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt. De verwerkte gegevens zijn de contact- en betaalgegevens van de schuldenaars van de retributies. De waterwegbeheerder of de bevoegde autoriteit is de verantwoordelijke voor de verwerking. De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. De Vlaamse Regering kan de verwerking van persoonsgegevens nader regelen.
Met het oog op de uitvoering van de bevoegdheden en de taken, vermeld in of ter uitvoering van dit hoofdstuk en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden persoonsgegevens verwerkt. De verwerkte gegevens zijn de contact- en betaalgegevens van de schuldenaars van de retributies. De waterwegbeheerder of de bevoegde autoriteit is de verantwoordelijke voor de verwerking. De persoonsgegevens worden niet langer bewaard dan nodig is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. De Vlaamse Regering kan de verwerking van persoonsgegevens nader regelen.
Art.82. Pour les voies navigables spéciales et les catégories spéciales de bateaux, le Gouvernement flamand peut adopter des règlements différents.
Aux fins de l'exercice des compétences et de l'exécution des tâches visées au ou en exécution du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution, les données à caractère personnel sont traitées. Les données traitées sont les données de contact et de paiement des redevables. Le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité compétente est le responsable du traitement. Les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins pour lesquels elles sont traitées. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités pour le traitement des données à caractère personnel.
Aux fins de l'exercice des compétences et de l'exécution des tâches visées au ou en exécution du présent chapitre et de ses arrêtés d'exécution, les données à caractère personnel sont traitées. Les données traitées sont les données de contact et de paiement des redevables. Le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité compétente est le responsable du traitement. Les données à caractère personnel ne sont pas conservées plus longtemps que nécessaire aux fins pour lesquels elles sont traitées. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités pour le traitement des données à caractère personnel.
Art.83. De Vlaamse Regering is gemachtigd retributies, waarbij zij, behoudens afwijking bij decreet, de bedragen vaststelt, te heffen:
1° voor het opmaken, het afgeven of het wijzigen van documenten die bij de decreten en verordeningen betreffende de scheepvaart zijn voorgeschreven;
2° voor de levering van publicaties en het afgeven van platen en andere kentekens, welke door dezelfde decreten en verordeningen zijn voorgeschreven;
3° voor het verstrekken van diensten en het in bruikleen geven van materieel.
1° voor het opmaken, het afgeven of het wijzigen van documenten die bij de decreten en verordeningen betreffende de scheepvaart zijn voorgeschreven;
2° voor de levering van publicaties en het afgeven van platen en andere kentekens, welke door dezelfde decreten en verordeningen zijn voorgeschreven;
3° voor het verstrekken van diensten en het in bruikleen geven van materieel.
Art.83. Le Gouvernement flamand est autorisé à percevoir des redevances dont il fixe les montants, sauf dérogation prévue par décret :
1° pour la préparation, la délivrance ou la modification de documents prescrits par les décrets et ordonnances relatifs à la navigation ;
2° pour la délivrance des publications et la délivrance de plaques et d'autres signes prescrits par les mêmes décrets et ordonnances ;
3° pour la prestation de services et le prêt de matériel.
1° pour la préparation, la délivrance ou la modification de documents prescrits par les décrets et ordonnances relatifs à la navigation ;
2° pour la délivrance des publications et la délivrance de plaques et d'autres signes prescrits par les mêmes décrets et ordonnances ;
3° pour la prestation de services et le prêt de matériel.
TITEL 4. - Voorrechten
TITRE 4. - Privilèges
Art.84. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing wanneer de betrokken schuldvorderingen zijn ontstaan in het Vlaamse Gewest.
Art.84. Les dispositions du présent titre s'appliquent lorsque les créances concernées ont leur origine en Région flamande.
Art.85. § 1. Onverminderd artikel 88 zijn de volgende vorderingen bevoorrecht op het schip en het scheepstoebehoren:
1° de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van:
a) havengelden;
b) loodsgelden, verschuldigd zowel wegens prestaties van overheidsloodsdiensten als van concessionarissen van de loodsdiensten;
c) retributies voor het gebruik van het verkeersbegeleidingssysteem;
d) scheepvaartrechten en andere retributies als vermeld in artikel 79;
2° de vorderingen tot vergoeding van schade aan de waterwegen en de havens.
§ 2. Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 1°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten met de hoogste rang zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld met dien verstande dat het onderling rang inneemt na de vorderingen van de gezagvoerder en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken zee- of binnenschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriëringskosten.
Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 2°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten ter zake van vorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen, zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld.
De schuldvorderingen genoemd onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk en worden naar evenredigheid betaald indien de opbrengst ontoereikend is.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.
1° de tijdens de laatste reis ontstane vorderingen tot betaling van:
a) havengelden;
b) loodsgelden, verschuldigd zowel wegens prestaties van overheidsloodsdiensten als van concessionarissen van de loodsdiensten;
c) retributies voor het gebruik van het verkeersbegeleidingssysteem;
d) scheepvaartrechten en andere retributies als vermeld in artikel 79;
2° de vorderingen tot vergoeding van schade aan de waterwegen en de havens.
§ 2. Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 1°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten met de hoogste rang zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld met dien verstande dat het onderling rang inneemt na de vorderingen van de gezagvoerder en de bemanningsleden die voortspruiten uit een arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst en die verband houden met arbeid aan boord van het betrokken zee- of binnenschip, inbegrepen deze ter vergoeding van overlijden of letselschade, voor de terugbetaling van kosten en voor repatriëringskosten.
Het voorrecht, vermeld in paragraaf 1, 2°, neemt dezelfde rang in als de scheepsvoorrechten ter zake van vorderingen tot vergoeding van schade veroorzaakt door aanvaring of andere scheepvaartongevallen, zoals bepaald in de toepasselijke federale wetgeving of in de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld.
De schuldvorderingen genoemd onder eenzelfde nummer staan in rang gelijk en worden naar evenredigheid betaald indien de opbrengst ontoereikend is.
§ 3. De in paragraaf 1 bedoelde vorderingen zijn alleen bevoorrecht in hoofdsom.
Art.85. § 1. Sans préjudice de l'article 88, les créances suivantes sont privilégiées sur le navire et ses accessoires :
1° les créances nées au cours du dernier voyage destinées au paiement :
a) des droits portuaires ;
b) des droits de pilotage, dus à la fois pour les services fournis par les services de pilotage publics et par les concessionnaires de services de pilotage ;
c) des redevances pour l'usage du système de gestion du trafic :
d) des droits de navigation et d'autres redevances tels que visés à l'article 79 ;
2° les demandes d'indemnisation pour les dommages causés aux voies navigables et aux ports.
§ 2. Le privilège visé au paragraphe 1, 1°, prend le même rang que les privilèges maritimes de rang le plus élevé prévus par la législation fédérale applicable ou par la législation applicable de l'Etat dans lequel le navire est immatriculé ou enregistré, étant entendu qu'il prime sur les prétentions du commandant et des membres de l'équipage qui découlent d'un contrat de travail pour le service à bord et qui sont liées au travail à bord du navire ou du bateau de navigation intérieure concerné, y compris celles qui concernent l'indemnisation en cas de décès ou de préjudice corporel, le remboursement des frais et les frais de rapatriement.
Le privilège visé au paragraphe 1, 2°, prend le même rang que les privilèges maritimes en ce qui concerne les demandes d'indemnisation pour des dommages causés par une collision ou d'autres incidents de navigation, tel que visé par la législation fédérale applicable ou la législation applicable de l'Etat où le navire est immatriculé ou enregistré.
Les créances visées sous le même numéro ont le même rang et sont payées au prorata si le produit est insuffisant.
§ 3. Les créances visées au paragraphe 1 ne sont privilégiées qu'en principal.
1° les créances nées au cours du dernier voyage destinées au paiement :
a) des droits portuaires ;
b) des droits de pilotage, dus à la fois pour les services fournis par les services de pilotage publics et par les concessionnaires de services de pilotage ;
c) des redevances pour l'usage du système de gestion du trafic :
d) des droits de navigation et d'autres redevances tels que visés à l'article 79 ;
2° les demandes d'indemnisation pour les dommages causés aux voies navigables et aux ports.
§ 2. Le privilège visé au paragraphe 1, 1°, prend le même rang que les privilèges maritimes de rang le plus élevé prévus par la législation fédérale applicable ou par la législation applicable de l'Etat dans lequel le navire est immatriculé ou enregistré, étant entendu qu'il prime sur les prétentions du commandant et des membres de l'équipage qui découlent d'un contrat de travail pour le service à bord et qui sont liées au travail à bord du navire ou du bateau de navigation intérieure concerné, y compris celles qui concernent l'indemnisation en cas de décès ou de préjudice corporel, le remboursement des frais et les frais de rapatriement.
Le privilège visé au paragraphe 1, 2°, prend le même rang que les privilèges maritimes en ce qui concerne les demandes d'indemnisation pour des dommages causés par une collision ou d'autres incidents de navigation, tel que visé par la législation fédérale applicable ou la législation applicable de l'Etat où le navire est immatriculé ou enregistré.
Les créances visées sous le même numéro ont le même rang et sont payées au prorata si le produit est insuffisant.
§ 3. Les créances visées au paragraphe 1 ne sont privilégiées qu'en principal.
Art.86. In afwijking van artikel 85 is geen voorrecht verbonden aan de vorderingen tot vergoeding van schade aan de waterwegen en de havens die betrekking hebben op:
1° schade in verband met het vervoer van olie, bunkerolie of andere gevaarlijke of schadelijke stoffen waarvoor aan de schuldeiser een vergoeding is verschuldigd op grond van een internationaal verdrag of een nationale regeling waar door een objectieve aansprakelijkheid wordt ingevoerd alsmede een verplichte verzekering of een andere zekerheid;
2° schade als gevolg van de radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met toxische, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van hetzij nucleaire brandstof, hetzij radioactieve producten of afval.
1° schade in verband met het vervoer van olie, bunkerolie of andere gevaarlijke of schadelijke stoffen waarvoor aan de schuldeiser een vergoeding is verschuldigd op grond van een internationaal verdrag of een nationale regeling waar door een objectieve aansprakelijkheid wordt ingevoerd alsmede een verplichte verzekering of een andere zekerheid;
2° schade als gevolg van de radioactieve eigenschappen of een combinatie van radioactieve eigenschappen met toxische, explosieve of andere gevaarlijke eigenschappen van hetzij nucleaire brandstof, hetzij radioactieve producten of afval.
Art.86. Par dérogation à l'article 85, aucune privilège n'est attaché aux demandes d'indemnisation pour des dommages aux voies navigables et aux ports qui concernent :
1° les dommages liés au transport de pétrole, de mazout de soute ou d'autres substances dangereuses ou nocives pour lesquels une indemnisation est due au créancier en vertu d'une convention internationale ou d'une réglementation nationale instaurant une responsabilité objective, ainsi qu'une assurance obligatoire ou une autre garantie ;
2° les dommages résultant des propriétés radioactives ou d'une combinaison de propriétés radioactives avec des propriétés toxiques, explosives ou autres propriétés dangereuses du combustible nucléaire ou des produits ou déchets radioactifs.
1° les dommages liés au transport de pétrole, de mazout de soute ou d'autres substances dangereuses ou nocives pour lesquels une indemnisation est due au créancier en vertu d'une convention internationale ou d'une réglementation nationale instaurant une responsabilité objective, ainsi qu'une assurance obligatoire ou une autre garantie ;
2° les dommages résultant des propriétés radioactives ou d'une combinaison de propriétés radioactives avec des propriétés toxiques, explosives ou autres propriétés dangereuses du combustible nucléaire ou des produits ou déchets radioactifs.
Art.87. Wat betreft de aspecten die niet door dit decreet worden geregeld, worden de voorrechten, vermeld in artikel 85, beheerst door de toepasselijke federale wetgeving betreffende de scheepsvoorrechten of de toepasselijke wetgeving van de staat waar het schip is geregistreerd of teboekgesteld, naargelang het geval.
Art.87. En ce qui concerne les aspects non réglementés par le présent décret, les privilèges visés à l'article 85 sont régis par la législation fédérale applicable en matière de privilèges maritimes ou par la législation applicable de l'état dans lequel le navire est immatriculé ou enregistré, selon le cas.
Art.88. § 1. De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die gebruikmaken van een of meer van de bevoegdheden hen toegekend door artikel 140, kunnen het schip, de wrakstukken, gezonken tuigen of voorwerpen evenals de lading vasthouden en in beslag nemen.
De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die vermoeden schade te hebben geleden door de schuld van een schip, kunnen elk schip waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang komt vasthouden en in beslag nemen.
De personeelsleden van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf belast met het vasthouden of in beslag nemen, worden op voordracht van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf aangewezen door de Vlaamse Regering.
Het in beslag genomen schip of goed wordt vrijgegeven indien:
1° voor de vorderingen vermeld in artikel 18, de som is voorgeschoten of de garantie gesteld zoals bepaald in artikel 141;
2° voor de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf waarvoor rechtens de beperking van de aansprakelijkheid zou kunnen worden ingeroepen, het beperkingsfonds is gevormd waarop die vorderingen kunnen worden verhaald;
3° voor de overige vorderingen, een garantie is gesteld die beantwoordt aan de voorschriften van artikel 141.
De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die een schip of een ander goed hebben laten verwijderen, of die schuldeiser zijn voor schade veroorzaakt door de schuld van een schip, hebben in geval van niet-betaling het recht het schip of de andere goederen, daaronder begrepen de lading, te verkopen en zich bij voorrang op elke andere schuldeiser, te betalen uit de prijs.
De rest van de opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de eigenaars, indien deze gekend zijn, of van degene die zijn rechten zal doen blijken.
§ 2. Als de schepen, lading, wrakstukken, tuigen of voorwerpen die het voorwerp uitmaken van een maatregel als vermeld in artikel 140 door hun respectieve eigenaar niet worden teruggenomen, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf ze verkopen.
Daartoe laat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, met behoud van de toepassing van paragraaf 4 van dit artikel, vóór de verkoop in twee ter plaatse verschijnende nieuwsbladen en met vijftien dagen tussentijd, twee mededelingen van de verrichte berging of verwijdering verschijnen, met opgave van de merken en kentekens van de voorwerpen en met het verzoek tot elke rechthebbende, zijn rechten te doen blijken en de kosten van de berging of verwijdering te betalen binnen de dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste mededeling.
Na het verstrijken van die termijn verkoopt de waterwegbeheerder of het havenbedrijf het schip, de lading, de wrakstukken, de tuigen of de voorwerpen.
De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van degene die van zijn rechten zal doen blijken, onder aftrek van de door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf gemaakte kosten.
§ 3. De bedragen die bij toepassing van de vorige paragrafen in de Deposito- en Consignatiekas werden gestort, vervallen aan de betrokken waterwegbeheerder of het betrokken havenbedrijf na verloop van één jaar te rekenen van de datum van de storting, als binnen die periode niemand van zijn rechten heeft doen blijken.
§ 4. Is de geborgen of verwijderde lading aan bederf onderhevig of reeds beschadigd, of is van wat werd geborgen of verwijderd een grotere netto-opbrengst bij onderhandse verkoop te verwachten, een en ander ter beoordeling van de betrokken waterwegbeheerder of het betrokken havenbedrijf, kan de verkoop geheel of gedeeltelijk onderhands geschieden, zonder dat de in paragraaf 2 vermelde publiciteits- en termijnvoorwaarden moeten worden nageleefd.
De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die vermoeden schade te hebben geleden door de schuld van een schip, kunnen elk schip waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang komt vasthouden en in beslag nemen.
De personeelsleden van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf belast met het vasthouden of in beslag nemen, worden op voordracht van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf aangewezen door de Vlaamse Regering.
Het in beslag genomen schip of goed wordt vrijgegeven indien:
1° voor de vorderingen vermeld in artikel 18, de som is voorgeschoten of de garantie gesteld zoals bepaald in artikel 141;
2° voor de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf waarvoor rechtens de beperking van de aansprakelijkheid zou kunnen worden ingeroepen, het beperkingsfonds is gevormd waarop die vorderingen kunnen worden verhaald;
3° voor de overige vorderingen, een garantie is gesteld die beantwoordt aan de voorschriften van artikel 141.
De waterwegbeheerders of de havenbedrijven die een schip of een ander goed hebben laten verwijderen, of die schuldeiser zijn voor schade veroorzaakt door de schuld van een schip, hebben in geval van niet-betaling het recht het schip of de andere goederen, daaronder begrepen de lading, te verkopen en zich bij voorrang op elke andere schuldeiser, te betalen uit de prijs.
De rest van de opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van de eigenaars, indien deze gekend zijn, of van degene die zijn rechten zal doen blijken.
§ 2. Als de schepen, lading, wrakstukken, tuigen of voorwerpen die het voorwerp uitmaken van een maatregel als vermeld in artikel 140 door hun respectieve eigenaar niet worden teruggenomen, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf ze verkopen.
Daartoe laat de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, met behoud van de toepassing van paragraaf 4 van dit artikel, vóór de verkoop in twee ter plaatse verschijnende nieuwsbladen en met vijftien dagen tussentijd, twee mededelingen van de verrichte berging of verwijdering verschijnen, met opgave van de merken en kentekens van de voorwerpen en met het verzoek tot elke rechthebbende, zijn rechten te doen blijken en de kosten van de berging of verwijdering te betalen binnen de dertig dagen te rekenen van de datum van verschijning van de laatste mededeling.
Na het verstrijken van die termijn verkoopt de waterwegbeheerder of het havenbedrijf het schip, de lading, de wrakstukken, de tuigen of de voorwerpen.
De opbrengst van de verkoop wordt in de Deposito- en Consignatiekas gestort ten name van degene die van zijn rechten zal doen blijken, onder aftrek van de door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf gemaakte kosten.
§ 3. De bedragen die bij toepassing van de vorige paragrafen in de Deposito- en Consignatiekas werden gestort, vervallen aan de betrokken waterwegbeheerder of het betrokken havenbedrijf na verloop van één jaar te rekenen van de datum van de storting, als binnen die periode niemand van zijn rechten heeft doen blijken.
§ 4. Is de geborgen of verwijderde lading aan bederf onderhevig of reeds beschadigd, of is van wat werd geborgen of verwijderd een grotere netto-opbrengst bij onderhandse verkoop te verwachten, een en ander ter beoordeling van de betrokken waterwegbeheerder of het betrokken havenbedrijf, kan de verkoop geheel of gedeeltelijk onderhands geschieden, zonder dat de in paragraaf 2 vermelde publiciteits- en termijnvoorwaarden moeten worden nageleefd.
Art.88. § 1. Les gestionnaires de voies navigables ou les régies portuaires qui font usage d'une ou de plusieurs des compétences qui leur sont attribuées par l'article 140, peuvent retenir et saisir le bateau, les épaves, les engins ou objets coulés ainsi que la cargaison.
Les gestionnaires des voies navigables ou les régies portuaires qui soupçonnent avoir subi un dommage du fait de la faute d'un navire peuvent retenir et saisir tout bateau dont la responsabilité est mise en cause.
Les membres du personnel du gestionnaire des voies navigable ou de la régie portuaire chargés de l'immobilisation ou de la saisie sont nommés par le Gouvernement flamand sur proposition du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire.
Le navire ou la marchandise saisi est remis en liberté si :
1° pour les créances visées à l'article 18, la somme a été avancée ou la garantie fournie comme prévu à l'article 141 ;
2° pour les créances du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire pour lesquelles la limitation de responsabilité pourrait être invoquée en droit, le fonds de limitation a été constitué sur lequel ces créances pouvaient être recouvrées ;
3° pour les autres créances, une garantie a été fournie qui répond aux prescriptions de l'article 141.
En cas de non-paiement, les gestionnaires des voies navigables ou les régies portuaires qui ont fait enlever un navire ou un autre bien, ou qui sont créanciers pour des dommages causés par la faute d'un navire, ont le droit de vendre le navire ou les autres biens, y compris la cargaison, et de déduire leur créance en priorité sur tout autre créancier du montant de la vente.
Le reste du produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations au nom des propriétaires, s'ils sont connus, ou de la personne qui fera valoir ses droits.
§ 2. Si les navires, cargaisons, épaves, engins ou objets qui font l'objet d'une mesure visée à l'article 140 ne sont pas repris par leurs propriétaires respectifs, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire peut les vendre.
A cette fin, le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité portuaire, sans préjudice de l'application du paragraphe 4 du présent article, publie, avant la vente, dans deux journaux locaux, à quinze jours d'intervalle, deux annonces des opérations de sauvetage ou d'enlèvement effectuées, en précisant les marques et les signes distinctifs des objets et en invitant chaque ayant droit à déclarer ses droits et à payer les frais de renflouement ou d'enlèvement dans les trente jours de la date de publication de la dernière annonce.
Après l'expiration de ce délai, le gestionnaires des voies navigables ou la régie portuaire vend le navire, la cargaison, l'épave, les engins ou les objets.
Le produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations au nom de la personne qui fera valoir ses droits, déduction faite des frais engagés par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire.
§ 3. Les montants qui ont été déposés à la Caisse des Dépôts et Consignations en application des paragraphes précédents, reviennent au gestionnaire des voies navigables ou à l'autorité portuaire concernée après l'expiration d'un an, à compter de la date du versement, si personne n'a exercé ses droits dans ce délai.
§ 4. Si la cargaison sauvée ou enlevée est périssable ou déjà endommagée, ou si un produit net plus important peut être attendu de la cargaison sauvée ou enlevée lorsqu'elle est vendue de gré à gré, à la discrétion du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire concernée, tout ou partie de la vente peut être effectuée de gré à gré sans que les conditions de publicité et de périodicité visées au paragraphe 2 doivent être respectées.
Les gestionnaires des voies navigables ou les régies portuaires qui soupçonnent avoir subi un dommage du fait de la faute d'un navire peuvent retenir et saisir tout bateau dont la responsabilité est mise en cause.
Les membres du personnel du gestionnaire des voies navigable ou de la régie portuaire chargés de l'immobilisation ou de la saisie sont nommés par le Gouvernement flamand sur proposition du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire.
Le navire ou la marchandise saisi est remis en liberté si :
1° pour les créances visées à l'article 18, la somme a été avancée ou la garantie fournie comme prévu à l'article 141 ;
2° pour les créances du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire pour lesquelles la limitation de responsabilité pourrait être invoquée en droit, le fonds de limitation a été constitué sur lequel ces créances pouvaient être recouvrées ;
3° pour les autres créances, une garantie a été fournie qui répond aux prescriptions de l'article 141.
En cas de non-paiement, les gestionnaires des voies navigables ou les régies portuaires qui ont fait enlever un navire ou un autre bien, ou qui sont créanciers pour des dommages causés par la faute d'un navire, ont le droit de vendre le navire ou les autres biens, y compris la cargaison, et de déduire leur créance en priorité sur tout autre créancier du montant de la vente.
Le reste du produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations au nom des propriétaires, s'ils sont connus, ou de la personne qui fera valoir ses droits.
§ 2. Si les navires, cargaisons, épaves, engins ou objets qui font l'objet d'une mesure visée à l'article 140 ne sont pas repris par leurs propriétaires respectifs, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire peut les vendre.
A cette fin, le gestionnaire des voies navigables ou l'autorité portuaire, sans préjudice de l'application du paragraphe 4 du présent article, publie, avant la vente, dans deux journaux locaux, à quinze jours d'intervalle, deux annonces des opérations de sauvetage ou d'enlèvement effectuées, en précisant les marques et les signes distinctifs des objets et en invitant chaque ayant droit à déclarer ses droits et à payer les frais de renflouement ou d'enlèvement dans les trente jours de la date de publication de la dernière annonce.
Après l'expiration de ce délai, le gestionnaires des voies navigables ou la régie portuaire vend le navire, la cargaison, l'épave, les engins ou les objets.
Le produit de la vente est versé à la Caisse des Dépôts et Consignations au nom de la personne qui fera valoir ses droits, déduction faite des frais engagés par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire.
§ 3. Les montants qui ont été déposés à la Caisse des Dépôts et Consignations en application des paragraphes précédents, reviennent au gestionnaire des voies navigables ou à l'autorité portuaire concernée après l'expiration d'un an, à compter de la date du versement, si personne n'a exercé ses droits dans ce délai.
§ 4. Si la cargaison sauvée ou enlevée est périssable ou déjà endommagée, ou si un produit net plus important peut être attendu de la cargaison sauvée ou enlevée lorsqu'elle est vendue de gré à gré, à la discrétion du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire concernée, tout ou partie de la vente peut être effectuée de gré à gré sans que les conditions de publicité et de périodicité visées au paragraphe 2 doivent être respectées.
TITEL 5. - Onderzoeksinstantie voor Scheepvaartongevallen en -incidenten op de Binnenwateren
TITRE 5. - Organisme d'enquête sur les accidents de navigation et les incidents survenant sur les voies navigables intérieures
Art.89. Deze titel voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Art.89. Le présent titre prévoit la transposition partielle de la directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant les principes fondamentaux régissant les enquêtes sur les accidents dans le secteur des transports maritimes et modifiant la Directive 1999/35/CE du Conseil et la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil.
Art.90. In deze titel wordt verstaan onder:
1° onderzoeker: het personeelslid dat ermee belast is een veiligheidsonderzoek uit te voeren;
2° Onderzoekinstantie voor Scheepvaartongevallen en- incidenten op de Binnenwateren, afgekort OSB: de onderzoeksinstantie, vermeld in artikel 92;
3° scheepvaartongeval: een gebeurtenis of een opeenvolging van gebeurtenissen die een van de volgende feiten, die rechtstreeks in verband staan met de activiteiten van een zeeschip, met zich heeft meegebracht:
a) de dood of de ernstige verwonding van een persoon die veroorzaakt is door de exploitatie van een zeeschip of die verband houdt met die exploitatie;
b) het overboord slaan van een persoon dat veroorzaakt is door de bewegingen van het zeeschip of dat in verband staat met die bewegingen;
c) het verlies, het veronderstelde verlies of het verlaten van een zeeschip;
d) materiële schade die een zeeschip geleden heeft;
e) de stranding van een zeeschip, de beschadiging ervan of de betrokkenheid ervan bij een aanvaring;
f) materiële schade die veroorzaakt is door de exploitatie van een zeeschip of die verband houdt met die exploitatie;
g) milieuschade die voortvloeit uit de schade aan een of meer zeeschepen die is veroorzaakt door de exploitatie van een of meer zeeschepen;
4° veiligheidsaanbeveling: elk voorstel, ook ten behoeve van registratie en controle, gedaan door de onderzoeksinstantie die het veiligheidsonderzoek verricht of leidt op basis van informatie die uit dat onderzoek verkregen is, of, in voorkomend geval, door de Europese Commissie op basis van een abstracte gegevensanalyse en de resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken;
5° veiligheidsonderzoek: een onderzoek, bij een scheepvaartongeval of -incident, dat tot doel heeft ongevallen en incidenten met een zeeschip in de toekomst te voorkomen, met inbegrip van het verzamelen en het analyseren van gegevens, het identificeren van de oorzakelijke factoren en het formuleren van de nodige veiligheidsaanbevelingen;
6° scheepvaartincident: een voorval dat is veroorzaakt door de exploitatie van een zeeschip of dat verband houdt met die exploitatie, waardoor het zeeschip of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het zeeschip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;
7° ernstig scheepvaartongeval: een scheepvaartongeval dat niet als een zeer ernstig scheepvaartongeval wordt beschouwd en dat ten gevolge van een brand, een ontploffing, een aanvaring, een stranding, een contact, schade door zwaar weer, ijsschade, een scheur of vermoedelijke schade aan de romp of een andere gebeurtenis een van de volgende zaken met zich meegebracht heeft:
a) structurele schade die de zeewaardigheid van het zeeschip aantast;
b) vervuiling, ongeacht de omvang ervan;
c) een defect waardoor het zeeschip moet gesleept worden of waardoor er bijstand van de wal nodig is;
8° zeer ernstig scheepvaartongeval: een scheepvaartongeval dat een van de volgende zaken met zich meegebracht heeft:
a) het volledige verlies van het zeeschip;
b) het verlies van mensenlevens;
c) zware vervuiling;
9° in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid: de staat of de gewestelijke overheid die de verantwoordelijkheid voor het veiligheidsonderzoek opneemt conform het onderling akkoord tussen de staten die een aanzienlijk belang hebben;
10° overheid die een aanzienlijk belang heeft: een staat of een gewestelijke overheid die een van de volgende banden heeft met het scheepvaartongeval of -incident:
a) hij is de vlagstaat van een zeeschip dat het voorwerp van het onderzoek uitmaakt;
b) het scheepvaartongeval heeft plaatsgevonden in zijn binnenwateren of territoriale zee;
c) het scheepvaartongeval heeft ernstige schade toegebracht of gedreigd toe te brengen aan zijn leefmilieu of aan de zeegebieden waarover de staat krachtens internationaal recht rechtsbevoegdheid heeft;
d) de gevolgen van het scheepvaartongeval hebben ernstige schade toegebracht of gedreigd toe te brengen hetzij aan de staat of het gewest zelf hetzij aan de kunstmatige eilanden, installaties of werken waarover de staat of het gewest rechtsbevoegdheid heeft;
e) het scheepvaartongeval heeft het leven gekost of heeft ernstige verwondingen toegebracht aan onderdanen van de staat;
f) de staat of het gewest beschikt over belangrijke informatie die nuttig kan zijn voor het onderzoek;
g) de staat of het gewest werd laatst aangelopen door een roroveerboot of een hogesnelheidspassagiersschip, betrokken bij het scheepvaartongeval of -incident buiten de territoriale zee van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
h) de staat of het gewest doet, om welke andere reden ook, belangen gelden die belangrijk worden geacht door de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid;
11° ernstige verwondingen: verwondingen van een persoon opgelopen tijdens een scheepvaartongeval die een werkonbekwaamheid van tweeënzeventig uur met zich brengen. Deze werkonbekwaamheid vangt aan binnen zeven dagen volgend op de dag waarop de verwondingen veroorzaakt zijn;
12° roroveerboot: een roropassagiersschip als vermeld in artikel 2, lid 1, van de richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad;
13° hogesnelheidspassagiersvaartuig: een hogesnelheidspassagiersvaartuig als vermeld in artikel 2, lid 2, van de richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad;
14° bevoegde onderzoeksinstantie: de OSB of een andere onderzoeksinstantie van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de federale overheid of een van de gewesten in België die is aangeduid als onderzoeksinstantie in uitvoering van artikel 8 van richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad.
1° onderzoeker: het personeelslid dat ermee belast is een veiligheidsonderzoek uit te voeren;
2° Onderzoekinstantie voor Scheepvaartongevallen en- incidenten op de Binnenwateren, afgekort OSB: de onderzoeksinstantie, vermeld in artikel 92;
3° scheepvaartongeval: een gebeurtenis of een opeenvolging van gebeurtenissen die een van de volgende feiten, die rechtstreeks in verband staan met de activiteiten van een zeeschip, met zich heeft meegebracht:
a) de dood of de ernstige verwonding van een persoon die veroorzaakt is door de exploitatie van een zeeschip of die verband houdt met die exploitatie;
b) het overboord slaan van een persoon dat veroorzaakt is door de bewegingen van het zeeschip of dat in verband staat met die bewegingen;
c) het verlies, het veronderstelde verlies of het verlaten van een zeeschip;
d) materiële schade die een zeeschip geleden heeft;
e) de stranding van een zeeschip, de beschadiging ervan of de betrokkenheid ervan bij een aanvaring;
f) materiële schade die veroorzaakt is door de exploitatie van een zeeschip of die verband houdt met die exploitatie;
g) milieuschade die voortvloeit uit de schade aan een of meer zeeschepen die is veroorzaakt door de exploitatie van een of meer zeeschepen;
4° veiligheidsaanbeveling: elk voorstel, ook ten behoeve van registratie en controle, gedaan door de onderzoeksinstantie die het veiligheidsonderzoek verricht of leidt op basis van informatie die uit dat onderzoek verkregen is, of, in voorkomend geval, door de Europese Commissie op basis van een abstracte gegevensanalyse en de resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken;
5° veiligheidsonderzoek: een onderzoek, bij een scheepvaartongeval of -incident, dat tot doel heeft ongevallen en incidenten met een zeeschip in de toekomst te voorkomen, met inbegrip van het verzamelen en het analyseren van gegevens, het identificeren van de oorzakelijke factoren en het formuleren van de nodige veiligheidsaanbevelingen;
6° scheepvaartincident: een voorval dat is veroorzaakt door de exploitatie van een zeeschip of dat verband houdt met die exploitatie, waardoor het zeeschip of een persoon in gevaar wordt gebracht of waardoor ernstige schade zou kunnen worden toegebracht hetzij aan het zeeschip of zijn constructie, hetzij aan het leefmilieu;
7° ernstig scheepvaartongeval: een scheepvaartongeval dat niet als een zeer ernstig scheepvaartongeval wordt beschouwd en dat ten gevolge van een brand, een ontploffing, een aanvaring, een stranding, een contact, schade door zwaar weer, ijsschade, een scheur of vermoedelijke schade aan de romp of een andere gebeurtenis een van de volgende zaken met zich meegebracht heeft:
a) structurele schade die de zeewaardigheid van het zeeschip aantast;
b) vervuiling, ongeacht de omvang ervan;
c) een defect waardoor het zeeschip moet gesleept worden of waardoor er bijstand van de wal nodig is;
8° zeer ernstig scheepvaartongeval: een scheepvaartongeval dat een van de volgende zaken met zich meegebracht heeft:
a) het volledige verlies van het zeeschip;
b) het verlies van mensenlevens;
c) zware vervuiling;
9° in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid: de staat of de gewestelijke overheid die de verantwoordelijkheid voor het veiligheidsonderzoek opneemt conform het onderling akkoord tussen de staten die een aanzienlijk belang hebben;
10° overheid die een aanzienlijk belang heeft: een staat of een gewestelijke overheid die een van de volgende banden heeft met het scheepvaartongeval of -incident:
a) hij is de vlagstaat van een zeeschip dat het voorwerp van het onderzoek uitmaakt;
b) het scheepvaartongeval heeft plaatsgevonden in zijn binnenwateren of territoriale zee;
c) het scheepvaartongeval heeft ernstige schade toegebracht of gedreigd toe te brengen aan zijn leefmilieu of aan de zeegebieden waarover de staat krachtens internationaal recht rechtsbevoegdheid heeft;
d) de gevolgen van het scheepvaartongeval hebben ernstige schade toegebracht of gedreigd toe te brengen hetzij aan de staat of het gewest zelf hetzij aan de kunstmatige eilanden, installaties of werken waarover de staat of het gewest rechtsbevoegdheid heeft;
e) het scheepvaartongeval heeft het leven gekost of heeft ernstige verwondingen toegebracht aan onderdanen van de staat;
f) de staat of het gewest beschikt over belangrijke informatie die nuttig kan zijn voor het onderzoek;
g) de staat of het gewest werd laatst aangelopen door een roroveerboot of een hogesnelheidspassagiersschip, betrokken bij het scheepvaartongeval of -incident buiten de territoriale zee van de lidstaten van de Europese Economische Ruimte;
h) de staat of het gewest doet, om welke andere reden ook, belangen gelden die belangrijk worden geacht door de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid;
11° ernstige verwondingen: verwondingen van een persoon opgelopen tijdens een scheepvaartongeval die een werkonbekwaamheid van tweeënzeventig uur met zich brengen. Deze werkonbekwaamheid vangt aan binnen zeven dagen volgend op de dag waarop de verwondingen veroorzaakt zijn;
12° roroveerboot: een roropassagiersschip als vermeld in artikel 2, lid 1, van de richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad;
13° hogesnelheidspassagiersvaartuig: een hogesnelheidspassagiersvaartuig als vermeld in artikel 2, lid 2, van de richtlijn (EU) 2017/2110 van het Europees Parlement en de Raad van 15 november 2017 betreffende een inspectiesysteem voor de veilige exploitatie van ro-ro-passagiersschepen en hogesnelheidspassagiersvaartuigen op geregelde diensten en tot wijziging van Richtlijn 2009/16/EG en tot intrekking van Richtlijn 1999/35/EG van de Raad;
14° bevoegde onderzoeksinstantie: de OSB of een andere onderzoeksinstantie van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte of van de federale overheid of een van de gewesten in België die is aangeduid als onderzoeksinstantie in uitvoering van artikel 8 van richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van de grondbeginselen voor het onderzoek van ongevallen in de zeescheepvaartsector en tot wijziging van de Richtlijn 1999/35/EG van de Raad en Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad.
Art.90. Dans le présent titre, on entend par :
1° chercheur : le membre du personnel chargé d'effectuer un contrôle de sécurité ;
2° Organisme d'enquête pour les accidents et incidents de navigation sur les voies navigables intérieures, en abrégé OSB : l'organisme d'enquête visé à l'article 92 ;
3° accident de navigation : un événement ou une série d'événements qui a l'une des conséquences suivantes et qui est directement lié à l'activité d'un navire de mer :
a) la mort ou les blessures graves de toute personne causées par ou en relation avec l'exploitation d'un navire de mer ;
b) le passage par-dessus bord d'une personne causé par les mouvements du navire de mer ou lié à ces mouvements ;
c) la perte, la perte présumée ou l'abandon d'un navire de mer ;
d) les dommages matériels subis par un navire de mer ;
e) l'échouement d'un navire de mer, son avarie ou son implication dans une collision ;
f) les dommages matériels causés par l'exploitation d'un navire de mer ou liés à cette exploitation ;
g) les dommages environnementaux résultant des dommages causés à un ou plusieurs navires de mer par l'exploitation d'un ou de plusieurs navires de mer ;
4° recommandation de sécurité : toute proposition, y compris aux fins de l'enregistrement et du contrôle, faite par l'organisme d'enquête qui effectue ou dirige l'enquête de sécurité sur la base des informations obtenues de cette enquête ou, le cas échéant, par la Commission européenne sur la base d'une analyse des données abstraite et des résultats des enquêtes de sécurité effectuées ;
5° enquête de sécurité : une enquête, à la suite d'un accident ou d'un incident de mer, dont l'objectif est de prévenir de futurs accidents et incidents de mer, y compris la collecte et l'analyse de données, l'identification des facteurs de causalité et la formulation des recommandations de sécurité nécessaires ;
6° incident de navigation : une survenance causée par l'exploitation d'un navire de mer ou liée à cette exploitation, qui met en danger le navire de mer ou une personne ou qui pourrait causer des dommages graves soit au navire de mer ou à sa construction, soit à l'environnement ;
7° accident de navigation grave : un accident de navigation qui n'est pas considéré comme un accident de navigation très grave et qui résulte d'un incendie, d'une explosion, d'une collision, d'un échouement, d'un contact, d'une avarie due au mauvais temps, d'une avarie due à la glace, d'une fissure ou d'une avarie présumée de la coque ou de tout autre événement :
a) des dommages structurels affectant l'état de navigabilité du navire de mer ;
b) la pollution, quelle que soit son ampleur ;
c) une panne nécessitant le remorquage du navire de mer ou une assistance depuis la terre ;
8° accident de navigation très grave : un accident de navigation ayant entraîné l'une des conséquences suivantes :
a) la perte totale du navire de mer ;
b) la perte de vies humaines ;
c) une forte pollution ;
9° autorité principalement responsable de l'enquête : l'Etat ou l'autorité régionale qui assume la responsabilité de l'enquête de sécurité conformément à l'accord mutuel des Etats ayant un intérêt significatif ;
10° autorité qui a un intérêt significatif : un Etat ou une autorité régionale qui a l'un des liens suivants avec l'accident de mer ou l'incident :
a) il est l'Etat du pavillon d'un navire de mer qui fait l'objet de l'enquête ;
b) l'accident de navigation est survenu dans les eaux navigables intérieures ou en mer territoriale ;
c) l'accident de navigation a causé ou menacé de causer des dommages graves à son environnement ou aux zones marines relevant de la juridiction de l'Etat en vertu du droit international ;
d) les conséquences de l'accident de navigation ont causé ou menacé de causer des dommages graves soit à l'Etat ou à la région elle-même, soit aux îles artificielles, installations ou ouvrages relevant de la juridiction de l'Etat ou la région ;
e) l'accident de navigation a causé la mort ou des blessures graves à des ressortissants de l'Etat ;
f) l'Etat ou la région dispose d'informations importantes qui pourraient être utiles à l'enquête ;
g) l'Etat ou la région a été contacté pour la dernière fois par un transbordeur roulier ou un engin à passagers à grande vitesse impliqué dans l'accident ou l'incident de navigation en dehors de la mer territoriale des Etats membres de l'Espace économique européen ;
h) l'Etat ou la région fait valoir, pour quelque autre raison que ce soit, des intérêts jugés importants par l'autorité principalement responsable de l'enquête;
11° blessures graves ; blessures subies par une personne lors d'un accident de navigation et entraînant une incapacité de travail de septante-deux heures. Cette incapacité de travail commence dans les sept jours qui suivent le jour où les lésions ont été causées ;
12° transbordeur roulier : un navire roulier à passagers tel que visé à l'article 2, alinéa 1, de la directive (UE) 2017/2110 du Parlement européen et du Conseil du 15 novembre 2017 relative à un système d'inspections pour l'exploitation en toute sécurité de services réguliers de navires rouliers à passagers et d'engins à passagers à grande vitesse et modifiant la directive 2009/16/CE et abrogeant la directive 1999/35/CE du Conseil ;
13° engin à passagers à grande vitesse : un engin à passagers à grande vitesse tel que visé à l'article 2, alinéa 2, de la directive (UE) 2017/2110 du Parlement européen et du Conseil du 15 novembre 2017 relative à un système d'inspections pour l'exploitation en toute sécurité de services réguliers de navires rouliers à passagers et d'engins à passagers à grande vitesse et modifiant la directive 2009/16/CE et abrogeant la directive 1999/35/CE du Conseil ;
14° organisme d'enquête compétent : l'Organisme d'enquête pour les accidents et incidents de navigation sur les voies navigables intérieures (OSB) ou un autre organisme d'enquête d'un Etat membre de l'Espace économique européen, de l'autorité fédérale ou d'une des régions en Belgique désigné comme organisme d'enquête en exécution de l'article 8 de la directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant les principes fondamentaux régissant les enquêtes sur les accidents dans le secteur des transports maritimes et modifiant la Directive 1999/35/CE du Conseil et la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil.
1° chercheur : le membre du personnel chargé d'effectuer un contrôle de sécurité ;
2° Organisme d'enquête pour les accidents et incidents de navigation sur les voies navigables intérieures, en abrégé OSB : l'organisme d'enquête visé à l'article 92 ;
3° accident de navigation : un événement ou une série d'événements qui a l'une des conséquences suivantes et qui est directement lié à l'activité d'un navire de mer :
a) la mort ou les blessures graves de toute personne causées par ou en relation avec l'exploitation d'un navire de mer ;
b) le passage par-dessus bord d'une personne causé par les mouvements du navire de mer ou lié à ces mouvements ;
c) la perte, la perte présumée ou l'abandon d'un navire de mer ;
d) les dommages matériels subis par un navire de mer ;
e) l'échouement d'un navire de mer, son avarie ou son implication dans une collision ;
f) les dommages matériels causés par l'exploitation d'un navire de mer ou liés à cette exploitation ;
g) les dommages environnementaux résultant des dommages causés à un ou plusieurs navires de mer par l'exploitation d'un ou de plusieurs navires de mer ;
4° recommandation de sécurité : toute proposition, y compris aux fins de l'enregistrement et du contrôle, faite par l'organisme d'enquête qui effectue ou dirige l'enquête de sécurité sur la base des informations obtenues de cette enquête ou, le cas échéant, par la Commission européenne sur la base d'une analyse des données abstraite et des résultats des enquêtes de sécurité effectuées ;
5° enquête de sécurité : une enquête, à la suite d'un accident ou d'un incident de mer, dont l'objectif est de prévenir de futurs accidents et incidents de mer, y compris la collecte et l'analyse de données, l'identification des facteurs de causalité et la formulation des recommandations de sécurité nécessaires ;
6° incident de navigation : une survenance causée par l'exploitation d'un navire de mer ou liée à cette exploitation, qui met en danger le navire de mer ou une personne ou qui pourrait causer des dommages graves soit au navire de mer ou à sa construction, soit à l'environnement ;
7° accident de navigation grave : un accident de navigation qui n'est pas considéré comme un accident de navigation très grave et qui résulte d'un incendie, d'une explosion, d'une collision, d'un échouement, d'un contact, d'une avarie due au mauvais temps, d'une avarie due à la glace, d'une fissure ou d'une avarie présumée de la coque ou de tout autre événement :
a) des dommages structurels affectant l'état de navigabilité du navire de mer ;
b) la pollution, quelle que soit son ampleur ;
c) une panne nécessitant le remorquage du navire de mer ou une assistance depuis la terre ;
8° accident de navigation très grave : un accident de navigation ayant entraîné l'une des conséquences suivantes :
a) la perte totale du navire de mer ;
b) la perte de vies humaines ;
c) une forte pollution ;
9° autorité principalement responsable de l'enquête : l'Etat ou l'autorité régionale qui assume la responsabilité de l'enquête de sécurité conformément à l'accord mutuel des Etats ayant un intérêt significatif ;
10° autorité qui a un intérêt significatif : un Etat ou une autorité régionale qui a l'un des liens suivants avec l'accident de mer ou l'incident :
a) il est l'Etat du pavillon d'un navire de mer qui fait l'objet de l'enquête ;
b) l'accident de navigation est survenu dans les eaux navigables intérieures ou en mer territoriale ;
c) l'accident de navigation a causé ou menacé de causer des dommages graves à son environnement ou aux zones marines relevant de la juridiction de l'Etat en vertu du droit international ;
d) les conséquences de l'accident de navigation ont causé ou menacé de causer des dommages graves soit à l'Etat ou à la région elle-même, soit aux îles artificielles, installations ou ouvrages relevant de la juridiction de l'Etat ou la région ;
e) l'accident de navigation a causé la mort ou des blessures graves à des ressortissants de l'Etat ;
f) l'Etat ou la région dispose d'informations importantes qui pourraient être utiles à l'enquête ;
g) l'Etat ou la région a été contacté pour la dernière fois par un transbordeur roulier ou un engin à passagers à grande vitesse impliqué dans l'accident ou l'incident de navigation en dehors de la mer territoriale des Etats membres de l'Espace économique européen ;
h) l'Etat ou la région fait valoir, pour quelque autre raison que ce soit, des intérêts jugés importants par l'autorité principalement responsable de l'enquête;
11° blessures graves ; blessures subies par une personne lors d'un accident de navigation et entraînant une incapacité de travail de septante-deux heures. Cette incapacité de travail commence dans les sept jours qui suivent le jour où les lésions ont été causées ;
12° transbordeur roulier : un navire roulier à passagers tel que visé à l'article 2, alinéa 1, de la directive (UE) 2017/2110 du Parlement européen et du Conseil du 15 novembre 2017 relative à un système d'inspections pour l'exploitation en toute sécurité de services réguliers de navires rouliers à passagers et d'engins à passagers à grande vitesse et modifiant la directive 2009/16/CE et abrogeant la directive 1999/35/CE du Conseil ;
13° engin à passagers à grande vitesse : un engin à passagers à grande vitesse tel que visé à l'article 2, alinéa 2, de la directive (UE) 2017/2110 du Parlement européen et du Conseil du 15 novembre 2017 relative à un système d'inspections pour l'exploitation en toute sécurité de services réguliers de navires rouliers à passagers et d'engins à passagers à grande vitesse et modifiant la directive 2009/16/CE et abrogeant la directive 1999/35/CE du Conseil ;
14° organisme d'enquête compétent : l'Organisme d'enquête pour les accidents et incidents de navigation sur les voies navigables intérieures (OSB) ou un autre organisme d'enquête d'un Etat membre de l'Espace économique européen, de l'autorité fédérale ou d'une des régions en Belgique désigné comme organisme d'enquête en exécution de l'article 8 de la directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil du 23 avril 2009 établissant les principes fondamentaux régissant les enquêtes sur les accidents dans le secteur des transports maritimes et modifiant la Directive 1999/35/CE du Conseil et la Directive 2002/59/CE du Parlement européen et du Conseil.
Art.91. Deze titel is van toepassing op scheepvaartongevallen en -incidenten die plaatsvinden op de binnenwateren.
Deze titel is niet van toepassing op scheepvaartongevallen en -incidenten waarbij uitsluitend zijn betrokken:
1° oorlogsschepen, troepenschepen of andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een lidstaat die uitsluitend worden gebruikt voor een niet-commerciële overheidsdienst;
2° schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd, houten schepen van eenvoudige bouw, en niet voor handelsdoeleinden gebruikte plezierjachten en -vaartuigen, tenzij ze worden of zullen worden bemand en gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers met commercieel oogmerk;
3° binnenschepen die op de binnenwateren worden geëxploiteerd;
4° vissersschepen met een lengte van minder dan 15 meter;
5° vaste booreilanden.
Deze titel is niet van toepassing op scheepvaartongevallen en -incidenten waarbij uitsluitend zijn betrokken:
1° oorlogsschepen, troepenschepen of andere schepen in eigendom van of geëxploiteerd door een lidstaat die uitsluitend worden gebruikt voor een niet-commerciële overheidsdienst;
2° schepen die niet mechanisch worden voortgestuwd, houten schepen van eenvoudige bouw, en niet voor handelsdoeleinden gebruikte plezierjachten en -vaartuigen, tenzij ze worden of zullen worden bemand en gebruikt voor het vervoer van meer dan twaalf passagiers met commercieel oogmerk;
3° binnenschepen die op de binnenwateren worden geëxploiteerd;
4° vissersschepen met een lengte van minder dan 15 meter;
5° vaste booreilanden.
Art.91. Le présent titre s'applique aux accidents et aux incidents de mer survenant sur les voies navigables intérieures.
Le présent titre ne s'applique pas aux accidents et incidents de mer qui impliquent uniquement :
1° des navires de guerre, des navires destinés au transport de troupes ou d'autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés exclusivement à des fins gouvernementales non commerciales ;
2° des navires qui ne sont pas propulsés par des moyens mécaniques, des navires en bois de construction primitive, des yachts et des bateaux de plaisance utilisés à des fins non commerciales, sauf s'ils sont ou seront pourvus d'un équipage et s'ils transportent ou transporteront plus de douze passagers à des fins commerciales ;
3° des bateaux de navigation intérieure exploités sur des voies navigables intérieures ;
4° des bateaux de pêche d'une longueur inférieure à 15 mètres ;
5° des unités fixes de forage.
Le présent titre ne s'applique pas aux accidents et incidents de mer qui impliquent uniquement :
1° des navires de guerre, des navires destinés au transport de troupes ou d'autres navires appartenant à un Etat membre ou exploités par lui et utilisés exclusivement à des fins gouvernementales non commerciales ;
2° des navires qui ne sont pas propulsés par des moyens mécaniques, des navires en bois de construction primitive, des yachts et des bateaux de plaisance utilisés à des fins non commerciales, sauf s'ils sont ou seront pourvus d'un équipage et s'ils transportent ou transporteront plus de douze passagers à des fins commerciales ;
3° des bateaux de navigation intérieure exploités sur des voies navigables intérieures ;
4° des bateaux de pêche d'une longueur inférieure à 15 mètres ;
5° des unités fixes de forage.
Art.92. Er wordt een OSB opgericht.
De OSB werkt samen met de onderzoeksinstantie voor scheepvaartongevallen van de federale overheid. De organisatie, de samenstelling en de werking van de OSB en de bekwaamheden van het personeel worden geregeld in een samenwerkingsakkoord in de zin van artikel 92bis van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen.
De onderzoekers van de OSB zijn naar behoren gekwalificeerd en beschikken over deskundigheid op het gebied van scheepvaartongevallen en -incidenten. Zij beschikken over een legitimatiekaart waarvan de Vlaamse Regering de vorm en het model bepaalt.
Bij de nadere uitwerking van de organisatie, de werking en de samenwerking met de onderzoeksinstantie voor scheepvaartongevallen van de federale overheid, wordt de functionaris voor gegevensbescherming van de OSB betrokken.
De OSB werkt samen met de onderzoeksinstantie voor scheepvaartongevallen van de federale overheid. De organisatie, de samenstelling en de werking van de OSB en de bekwaamheden van het personeel worden geregeld in een samenwerkingsakkoord in de zin van artikel 92bis van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen.
De onderzoekers van de OSB zijn naar behoren gekwalificeerd en beschikken over deskundigheid op het gebied van scheepvaartongevallen en -incidenten. Zij beschikken over een legitimatiekaart waarvan de Vlaamse Regering de vorm en het model bepaalt.
Bij de nadere uitwerking van de organisatie, de werking en de samenwerking met de onderzoeksinstantie voor scheepvaartongevallen van de federale overheid, wordt de functionaris voor gegevensbescherming van de OSB betrokken.
Art.92. Un organisme d'enquête pour les accidents et incidents de navigation sur les voies navigables intérieures (OSB) est créé.
L'OSB coopère avec l'organisme d'enquête pour les accidents de mer de l'autorité fédérale. L'organisation, la composition et le fonctionnement de l'OSB ainsi que les compétences de son personnel sont régis par un accord de coopération au sens de l'article 92bis de la loi spéciale sur la réforme des institutions.
Les enquêteurs de l'OSB sont dûment qualifiés et possèdent une expertise en matière d'accidents et d'incidents de mer. Ils disposent d'une carte de légitimité, dont la forme et le modèle sont déterminés par le Gouvernement flamand.
Le fonctionnaire en matière de protection des données de l'OSB est associé à l'élaboration de l'organisation, du fonctionnement et de la coopération avec l'organisme d'enquête fédéral sur les accidents de mer.
L'OSB coopère avec l'organisme d'enquête pour les accidents de mer de l'autorité fédérale. L'organisation, la composition et le fonctionnement de l'OSB ainsi que les compétences de son personnel sont régis par un accord de coopération au sens de l'article 92bis de la loi spéciale sur la réforme des institutions.
Les enquêteurs de l'OSB sont dûment qualifiés et possèdent une expertise en matière d'accidents et d'incidents de mer. Ils disposent d'une carte de légitimité, dont la forme et le modèle sont déterminés par le Gouvernement flamand.
Le fonctionnaire en matière de protection des données de l'OSB est associé à l'élaboration de l'organisation, du fonctionnement et de la coopération avec l'organisme d'enquête fédéral sur les accidents de mer.
Art.93. Deze titel heeft tot doel de maritieme veiligheid te verhogen en verontreiniging door zeeschepen te voorkomen en daarmee de kans op toekomstige scheepvaartongevallen en -incidenten te verminderen door:
1° een spoedige uitvoering van het veiligheidsonderzoek en een gedegen analyse van scheepvaartongevallen en -incidenten te bevorderen, om de oorzaken ervan vast te stellen;
2° ervoor te zorgen dat tijdig en nauwgezet verslag over het veiligheidsonderzoek wordt uitgebracht en voorstellen voor herstelmaatregelen worden gedaan;
3° ervoor te zorgen dat wordt nagegaan of er al dan niet gevolg wordt gegeven aan de veiligheidsaanbevelingen en de genomen herstelmaatregelen worden onderzocht om eventueel bijkomende veiligheidsaanbevelingen te geven.
Het veiligheidsonderzoek dient niet om de aansprakelijkheid te bepalen of om de schuldvraag te beantwoorden. De OSB mag evenwel niet nalaten om de oorzaken van een scheepvaartongeval of -incident onverkort te rapporteren omdat uit haar bevindingen conclusies in verband met schuld of aansprakelijkheid zouden kunnen worden getrokken.
1° een spoedige uitvoering van het veiligheidsonderzoek en een gedegen analyse van scheepvaartongevallen en -incidenten te bevorderen, om de oorzaken ervan vast te stellen;
2° ervoor te zorgen dat tijdig en nauwgezet verslag over het veiligheidsonderzoek wordt uitgebracht en voorstellen voor herstelmaatregelen worden gedaan;
3° ervoor te zorgen dat wordt nagegaan of er al dan niet gevolg wordt gegeven aan de veiligheidsaanbevelingen en de genomen herstelmaatregelen worden onderzocht om eventueel bijkomende veiligheidsaanbevelingen te geven.
Het veiligheidsonderzoek dient niet om de aansprakelijkheid te bepalen of om de schuldvraag te beantwoorden. De OSB mag evenwel niet nalaten om de oorzaken van een scheepvaartongeval of -incident onverkort te rapporteren omdat uit haar bevindingen conclusies in verband met schuld of aansprakelijkheid zouden kunnen worden getrokken.
Art.93. L'objectif du présent titre est de renforcer la sécurité maritime et de prévenir la pollution par les navires de mer et donc de réduire le risque d'accidents et d'incidents de mer à l'avenir :
1° promouvoir la mise en oeuvre rapide de l'enquête de sécurité et d'une analyse approfondie des incidents et accidents de mer afin d'en déterminer les causes ;
2° veiller à ce que les enquêtes de sécurité fassent l'objet d'un rapport précis et en temps utile sur l'enquête de sécurité et les propositions de mesures correctives ;
3° veiller à ce que la mise en oeuvre des recommandations de sécurité fasse l'objet d'un suivi et que les mesures correctives prises soient examinées en vue d'émettre des recommandations de sécurité supplémentaires si nécessaire.
L'enquête de sécurité n'a pas pour but de déterminer la responsabilité ou de répondre à la question de la culpabilité. Toutefois, l'OSB ne devrait pas s'abstenir de communiquer pleinement les causes d'un accident ou d'un incident de mer, car ses conclusions pourraient être fondées sur des conclusions en matière de culpabilité ou de responsabilité.
1° promouvoir la mise en oeuvre rapide de l'enquête de sécurité et d'une analyse approfondie des incidents et accidents de mer afin d'en déterminer les causes ;
2° veiller à ce que les enquêtes de sécurité fassent l'objet d'un rapport précis et en temps utile sur l'enquête de sécurité et les propositions de mesures correctives ;
3° veiller à ce que la mise en oeuvre des recommandations de sécurité fasse l'objet d'un suivi et que les mesures correctives prises soient examinées en vue d'émettre des recommandations de sécurité supplémentaires si nécessaire.
L'enquête de sécurité n'a pas pour but de déterminer la responsabilité ou de répondre à la question de la culpabilité. Toutefois, l'OSB ne devrait pas s'abstenir de communiquer pleinement les causes d'un accident ou d'un incident de mer, car ses conclusions pourraient être fondées sur des conclusions en matière de culpabilité ou de responsabilité.
Art.94. § 1. De OSB stelt een veiligheidsonderzoek in na een zeer ernstig scheepvaartongeval, ongeacht de vlag van het zeeschip of de zeeschepen die bij het ongeval zijn betrokken.
§ 2. Daarnaast verricht de OSB, in het geval van een ernstig scheepvaartongeval, een voorafgaande beoordeling om te besluiten om al dan niet een veiligheidsonderzoek te verrichten. Wanneer de OSB besluit om geen veiligheidsonderzoek te verrichten, worden de redenen voor dit besluit genoteerd en kenbaar gemaakt overeenkomstig artikel 108, § 2.
In het geval van een ander scheepvaartongeval of -incident besluit de OSB of er al dan niet een veiligheidsonderzoek moet worden verricht.
Bij de besluiten, vermeld in het eerste en tweede lid, houdt de OSB rekening met de ernst van het scheepvaartongeval of -incident, het betrokken type vaartuig en/of lading en de mogelijkheid dat de bevindingen van het veiligheidsonderzoek bijdragen tot de voorkoming van toekomstige ongevallen en -incidenten.
§ 3. Als het Vlaamse Gewest de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is, stelt de OSB de omvang en praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast in samenwerking met de overeenkomstige instanties van de andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, op de wijze die de OSB het meest geschikt acht om de doelstellingen van deze titel te verwezenlijken en om toekomstige ongevallen en -incidenten te voorkomen.
Als het Vlaamse Gewest een overheid is die een aanzienlijk belang heeft, werkt de OSB samen met de bevoegde onderzoeksinstantie van de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat om de omvang en de praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast te stellen.
§ 4. Bij het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken, wordt door de OSB de gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar scheepvaartongevallen en -incidenten gevolgd die werd vastgesteld bij verordening (EU) Nr. 1286/2011 van de Commissie van 9 december 2011 tot vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en -incidenten op zee, krachtens artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad. Onderzoekers mogen in specifieke gevallen van die methodologie afwijken wanneer dit, naar hun professioneel oordeel, noodzakelijk is, en voor zover nodig, om de onderzoeksdoelstellingen te bereiken.
§ 5. Het veiligheidsonderzoek wordt zo spoedig mogelijk na een scheepvaartongeval of scheepvaartincident en in ieder geval uiterlijk twee maanden na het voorvallen ervan ingeleid.
§ 2. Daarnaast verricht de OSB, in het geval van een ernstig scheepvaartongeval, een voorafgaande beoordeling om te besluiten om al dan niet een veiligheidsonderzoek te verrichten. Wanneer de OSB besluit om geen veiligheidsonderzoek te verrichten, worden de redenen voor dit besluit genoteerd en kenbaar gemaakt overeenkomstig artikel 108, § 2.
In het geval van een ander scheepvaartongeval of -incident besluit de OSB of er al dan niet een veiligheidsonderzoek moet worden verricht.
Bij de besluiten, vermeld in het eerste en tweede lid, houdt de OSB rekening met de ernst van het scheepvaartongeval of -incident, het betrokken type vaartuig en/of lading en de mogelijkheid dat de bevindingen van het veiligheidsonderzoek bijdragen tot de voorkoming van toekomstige ongevallen en -incidenten.
§ 3. Als het Vlaamse Gewest de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is, stelt de OSB de omvang en praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast in samenwerking met de overeenkomstige instanties van de andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, op de wijze die de OSB het meest geschikt acht om de doelstellingen van deze titel te verwezenlijken en om toekomstige ongevallen en -incidenten te voorkomen.
Als het Vlaamse Gewest een overheid is die een aanzienlijk belang heeft, werkt de OSB samen met de bevoegde onderzoeksinstantie van de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat om de omvang en de praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast te stellen.
§ 4. Bij het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken, wordt door de OSB de gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar scheepvaartongevallen en -incidenten gevolgd die werd vastgesteld bij verordening (EU) Nr. 1286/2011 van de Commissie van 9 december 2011 tot vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en -incidenten op zee, krachtens artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad. Onderzoekers mogen in specifieke gevallen van die methodologie afwijken wanneer dit, naar hun professioneel oordeel, noodzakelijk is, en voor zover nodig, om de onderzoeksdoelstellingen te bereiken.
§ 5. Het veiligheidsonderzoek wordt zo spoedig mogelijk na een scheepvaartongeval of scheepvaartincident en in ieder geval uiterlijk twee maanden na het voorvallen ervan ingeleid.
Art.94. § 1. L'OSB ouvre une enquête de sécurité après un accident de mer très grave, quel que soit le pavillon du ou des navires de mer impliqués dans l'accident.
§ 2. En outre, dans le cas d'un accident de mer grave, l'OSB procède à une évaluation préliminaire afin de décider s'il convient ou non de mener une enquête de sécurité. Lorsque l'OSB décide de ne pas effectuer d'enquête de sécurité, les motifs de cette décision sont enregistrés et notifiés conformément à l'article 108, § 2.
Dans le cas d'un autre accident ou incident de mer, l'OSB décide si une enquête de sécurité doit être menée ou non.
Dans les décisions visées aux alinéas 1 et 2, l'OSB tient compte de la gravité de l'accident ou de l'incident de mer, du type de navire et/ou de cargaison en cause et de la possibilité que les conclusions de l'enquête de sécurité contribuent à la prévention d'accidents et d'incidents futurs.
§ 3. Si la Région flamande est l'autorité principalement responsable de l'enquête, l'OSB établit l'étendue et les modalités pratiques de l'exécution d'enquêtes de sécurité en coopération avec les organismes correspondants des autres autorités ayant un intérêt significatif, de la manière que l'OSB juge la plus appropriée, pour réaliser les objectifs du présent titre et prévenir les accidents et incidents futurs.
Lorsque la Région flamande est une autorité ayant un intérêt significatif, l'OSB coopère avec l'organisme d'enquête compétent de l'Etat membre principalement responsable de l'enquête pour déterminer la portée et les modalités pratiques de la conduite des enquêtes de sécurité.
§ 4. Lorsqu'il effectue des enquêtes de sécurité, l'OSB utilise la méthodologie commune d'enquête sur les accidents et les incidents de mer établie par le règlement (UE) n° 1286/2011 de la Commission du 9 décembre 2011 portant adoption d'une méthodologie commune pour enquêter sur les accidents et incidents de mer conformément à l'article 5, paragraphe 4, de la directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil. Les enquêteurs peuvent déroger à cette méthodologie dans des cas particuliers, lorsque leur jugement professionnel le requiert et, le cas échéant, pour atteindre les objectifs de l'enquête.
§ 5. L'enquête de sécurité est ouverte dès que possible après un accident ou un incident de mer et, en tout état de cause, au plus tard deux mois après son apparition.
§ 2. En outre, dans le cas d'un accident de mer grave, l'OSB procède à une évaluation préliminaire afin de décider s'il convient ou non de mener une enquête de sécurité. Lorsque l'OSB décide de ne pas effectuer d'enquête de sécurité, les motifs de cette décision sont enregistrés et notifiés conformément à l'article 108, § 2.
Dans le cas d'un autre accident ou incident de mer, l'OSB décide si une enquête de sécurité doit être menée ou non.
Dans les décisions visées aux alinéas 1 et 2, l'OSB tient compte de la gravité de l'accident ou de l'incident de mer, du type de navire et/ou de cargaison en cause et de la possibilité que les conclusions de l'enquête de sécurité contribuent à la prévention d'accidents et d'incidents futurs.
§ 3. Si la Région flamande est l'autorité principalement responsable de l'enquête, l'OSB établit l'étendue et les modalités pratiques de l'exécution d'enquêtes de sécurité en coopération avec les organismes correspondants des autres autorités ayant un intérêt significatif, de la manière que l'OSB juge la plus appropriée, pour réaliser les objectifs du présent titre et prévenir les accidents et incidents futurs.
Lorsque la Région flamande est une autorité ayant un intérêt significatif, l'OSB coopère avec l'organisme d'enquête compétent de l'Etat membre principalement responsable de l'enquête pour déterminer la portée et les modalités pratiques de la conduite des enquêtes de sécurité.
§ 4. Lorsqu'il effectue des enquêtes de sécurité, l'OSB utilise la méthodologie commune d'enquête sur les accidents et les incidents de mer établie par le règlement (UE) n° 1286/2011 de la Commission du 9 décembre 2011 portant adoption d'une méthodologie commune pour enquêter sur les accidents et incidents de mer conformément à l'article 5, paragraphe 4, de la directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil. Les enquêteurs peuvent déroger à cette méthodologie dans des cas particuliers, lorsque leur jugement professionnel le requiert et, le cas échéant, pour atteindre les objectifs de l'enquête.
§ 5. L'enquête de sécurité est ouverte dès que possible après un accident ou un incident de mer et, en tout état de cause, au plus tard deux mois après son apparition.
Art.94 TOEKOMSTIG RECHT. § 1. De OSB stelt een veiligheidsonderzoek in na een zeer ernstig scheepvaartongeval, ongeacht de vlag van het zeeschip of de zeeschepen die bij het ongeval zijn betrokken.
§ 2. Daarnaast verricht de OSB, in het geval van een ernstig scheepvaartongeval, een voorafgaande beoordeling om te besluiten om al dan niet een veiligheidsonderzoek te verrichten. Wanneer de OSB besluit om geen veiligheidsonderzoek te verrichten, worden de redenen voor dit besluit genoteerd en kenbaar gemaakt overeenkomstig [1 artikel 108, tweede lid]1.
In het geval van een ander scheepvaartongeval of -incident besluit de OSB of er al dan niet een veiligheidsonderzoek moet worden verricht.
Bij de besluiten, vermeld in het eerste en tweede lid, houdt de OSB rekening met de ernst van het scheepvaartongeval of -incident, het betrokken type vaartuig en/of lading en de mogelijkheid dat de bevindingen van het veiligheidsonderzoek bijdragen tot de voorkoming van toekomstige ongevallen en -incidenten.
§ 3. Als het Vlaamse Gewest de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is, stelt de OSB de omvang en praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast in samenwerking met de overeenkomstige instanties van de andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, op de wijze die de OSB het meest geschikt acht om de doelstellingen van deze titel te verwezenlijken en om toekomstige ongevallen en -incidenten te voorkomen.
Als het Vlaamse Gewest een overheid is die een aanzienlijk belang heeft, werkt de OSB samen met de bevoegde onderzoeksinstantie van de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat om de omvang en de praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast te stellen.
§ 4. Bij het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken, wordt door de OSB de gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar scheepvaartongevallen en -incidenten gevolgd die werd vastgesteld bij verordening (EU) Nr. 1286/2011 van de Commissie van 9 december 2011 tot vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en -incidenten op zee, krachtens artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad. Onderzoekers mogen in specifieke gevallen van die methodologie afwijken wanneer dit, naar hun professioneel oordeel, noodzakelijk is, en voor zover nodig, om de onderzoeksdoelstellingen te bereiken.
§ 5. Het veiligheidsonderzoek wordt zo spoedig mogelijk na een scheepvaartongeval of scheepvaartincident en in ieder geval uiterlijk twee maanden na het voorvallen ervan ingeleid.
§ 2. Daarnaast verricht de OSB, in het geval van een ernstig scheepvaartongeval, een voorafgaande beoordeling om te besluiten om al dan niet een veiligheidsonderzoek te verrichten. Wanneer de OSB besluit om geen veiligheidsonderzoek te verrichten, worden de redenen voor dit besluit genoteerd en kenbaar gemaakt overeenkomstig [1 artikel 108, tweede lid]1.
In het geval van een ander scheepvaartongeval of -incident besluit de OSB of er al dan niet een veiligheidsonderzoek moet worden verricht.
Bij de besluiten, vermeld in het eerste en tweede lid, houdt de OSB rekening met de ernst van het scheepvaartongeval of -incident, het betrokken type vaartuig en/of lading en de mogelijkheid dat de bevindingen van het veiligheidsonderzoek bijdragen tot de voorkoming van toekomstige ongevallen en -incidenten.
§ 3. Als het Vlaamse Gewest de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is, stelt de OSB de omvang en praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast in samenwerking met de overeenkomstige instanties van de andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, op de wijze die de OSB het meest geschikt acht om de doelstellingen van deze titel te verwezenlijken en om toekomstige ongevallen en -incidenten te voorkomen.
Als het Vlaamse Gewest een overheid is die een aanzienlijk belang heeft, werkt de OSB samen met de bevoegde onderzoeksinstantie van de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke lidstaat om de omvang en de praktische regelingen voor het verrichten van veiligheidsonderzoeken vast te stellen.
§ 4. Bij het uitvoeren van veiligheidsonderzoeken, wordt door de OSB de gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar scheepvaartongevallen en -incidenten gevolgd die werd vastgesteld bij verordening (EU) Nr. 1286/2011 van de Commissie van 9 december 2011 tot vaststelling van een gemeenschappelijke methodologie voor het onderzoek naar ongevallen en -incidenten op zee, krachtens artikel 5, lid 4, van Richtlijn 2009/18/EG van het Europees Parlement en de Raad. Onderzoekers mogen in specifieke gevallen van die methodologie afwijken wanneer dit, naar hun professioneel oordeel, noodzakelijk is, en voor zover nodig, om de onderzoeksdoelstellingen te bereiken.
§ 5. Het veiligheidsonderzoek wordt zo spoedig mogelijk na een scheepvaartongeval of scheepvaartincident en in ieder geval uiterlijk twee maanden na het voorvallen ervan ingeleid.
Modifications
Art.94 DROIT FUTUR. § 1. L'OSB ouvre une enquête de sécurité après un accident de mer très grave, quel que soit le pavillon du ou des navires de mer impliqués dans l'accident.
§ 2. En outre, dans le cas d'un accident de mer grave, l'OSB procède à une évaluation préliminaire afin de décider s'il convient ou non de mener une enquête de sécurité. Lorsque l'OSB décide de ne pas effectuer d'enquête de sécurité, les motifs de cette décision sont enregistrés et notifiés conformément à [1 l'article 108, alinéa 2]1.
Dans le cas d'un autre accident ou incident de mer, l'OSB décide si une enquête de sécurité doit être menée ou non.
Dans les décisions visées aux alinéas 1 et 2, l'OSB tient compte de la gravité de l'accident ou de l'incident de mer, du type de navire et/ou de cargaison en cause et de la possibilité que les conclusions de l'enquête de sécurité contribuent à la prévention d'accidents et d'incidents futurs.
§ 3. Si la Région flamande est l'autorité principalement responsable de l'enquête, l'OSB établit l'étendue et les modalités pratiques de l'exécution d'enquêtes de sécurité en coopération avec les organismes correspondants des autres autorités ayant un intérêt significatif, de la manière que l'OSB juge la plus appropriée, pour réaliser les objectifs du présent titre et prévenir les accidents et incidents futurs.
Lorsque la Région flamande est une autorité ayant un intérêt significatif, l'OSB coopère avec l'organisme d'enquête compétent de l'Etat membre principalement responsable de l'enquête pour déterminer la portée et les modalités pratiques de la conduite des enquêtes de sécurité.
§ 4. Lorsqu'il effectue des enquêtes de sécurité, l'OSB utilise la méthodologie commune d'enquête sur les accidents et les incidents de mer établie par le règlement (UE) n° 1286/2011 de la Commission du 9 décembre 2011 portant adoption d'une méthodologie commune pour enquêter sur les accidents et incidents de mer conformément à l'article 5, paragraphe 4, de la directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil. Les enquêteurs peuvent déroger à cette méthodologie dans des cas particuliers, lorsque leur jugement professionnel le requiert et, le cas échéant, pour atteindre les objectifs de l'enquête.
§ 5. L'enquête de sécurité est ouverte dès que possible après un accident ou un incident de mer et, en tout état de cause, au plus tard deux mois après son apparition.
§ 2. En outre, dans le cas d'un accident de mer grave, l'OSB procède à une évaluation préliminaire afin de décider s'il convient ou non de mener une enquête de sécurité. Lorsque l'OSB décide de ne pas effectuer d'enquête de sécurité, les motifs de cette décision sont enregistrés et notifiés conformément à [1 l'article 108, alinéa 2]1.
Dans le cas d'un autre accident ou incident de mer, l'OSB décide si une enquête de sécurité doit être menée ou non.
Dans les décisions visées aux alinéas 1 et 2, l'OSB tient compte de la gravité de l'accident ou de l'incident de mer, du type de navire et/ou de cargaison en cause et de la possibilité que les conclusions de l'enquête de sécurité contribuent à la prévention d'accidents et d'incidents futurs.
§ 3. Si la Région flamande est l'autorité principalement responsable de l'enquête, l'OSB établit l'étendue et les modalités pratiques de l'exécution d'enquêtes de sécurité en coopération avec les organismes correspondants des autres autorités ayant un intérêt significatif, de la manière que l'OSB juge la plus appropriée, pour réaliser les objectifs du présent titre et prévenir les accidents et incidents futurs.
Lorsque la Région flamande est une autorité ayant un intérêt significatif, l'OSB coopère avec l'organisme d'enquête compétent de l'Etat membre principalement responsable de l'enquête pour déterminer la portée et les modalités pratiques de la conduite des enquêtes de sécurité.
§ 4. Lorsqu'il effectue des enquêtes de sécurité, l'OSB utilise la méthodologie commune d'enquête sur les accidents et les incidents de mer établie par le règlement (UE) n° 1286/2011 de la Commission du 9 décembre 2011 portant adoption d'une méthodologie commune pour enquêter sur les accidents et incidents de mer conformément à l'article 5, paragraphe 4, de la directive 2009/18/CE du Parlement européen et du Conseil. Les enquêteurs peuvent déroger à cette méthodologie dans des cas particuliers, lorsque leur jugement professionnel le requiert et, le cas échéant, pour atteindre les objectifs de l'enquête.
§ 5. L'enquête de sécurité est ouverte dès que possible après un accident ou un incident de mer et, en tout état de cause, au plus tard deux mois après son apparition.
Modifications
Art.95. De OSB is onpartijdig en is voor haar organisatie, juridische structuur en besluitvorming autonoom en functioneel onafhankelijk van iedere partij of instantie waarvan de belangen strijdig zouden kunnen zijn met de opdrachten die aan de OSB toevertrouwd zijn.
Art.95. L'OSB est impartial et est, pour son organisation, sa structure juridique et sa prise de décision, autonome et fonctionnellement indépendant de toute partie ou tout organisme dont les intérêts pourraient entrer en conflit avec les tâches qui lui sont confiées.
Art.96. De OSB verricht het veiligheidsonderzoek onafhankelijk van strafrechtelijke of parallelle onderzoeken om de aansprakelijkheid te bepalen of om de schuldvraag te beantwoorden. Het veiligheidsonderzoek wordt door dergelijke onderzoeken niet onnodig belet, opgeschort of vertraagd.
Art.96. L'OSB mène l'enquête de sécurité indépendamment des enquêtes pénales ou parallèles afin de déterminer la responsabilité ou de répondre à la question de la culpabilité. Ces enquêtes n'empêchent pas, ne suspendent ni ne retardent inutilement l'enquête de sécurité.
Art.97. De verslagen en de veiligheidsaanbevelingen, vermeld in artikel 93, eerste lid, 2° en 3°, kunnen niet in een strafrechtelijke, tuchtrechtelijke of civielrechtelijke procedure als bewijs worden gebruikt.
Een onderzoeker en een externe deskundige mogen niet als getuige of deskundige worden opgeroepen in een gerechtelijke procedure bij een scheepvaartongeval of -incident als die betrokken zijn of geweest zijn bij het veiligheidsonderzoek.
Een onderzoeker en een externe deskundige mogen niet als getuige of deskundige worden opgeroepen in een gerechtelijke procedure bij een scheepvaartongeval of -incident als die betrokken zijn of geweest zijn bij het veiligheidsonderzoek.
Art.97. Les rapports et recommandations de sécurité visés à l'article 93, premier alinéa, 2° et 3° ne peuvent être utilisés comme éléments de preuve dans une procédure pénale, disciplinaire ou civile.
Un enquêteur et un expert externe ne peuvent être appelés en tant que témoins ou experts dans une procédure judiciaire devant un navire en cas de cas ou d'incident de mer, s'ils sont ou ont été impliqués dans l'enquête de sécurité.
Un enquêteur et un expert externe ne peuvent être appelés en tant que témoins ou experts dans une procédure judiciaire devant un navire en cas de cas ou d'incident de mer, s'ils sont ou ont été impliqués dans l'enquête de sécurité.
Art.98. De onderzoekers van de OSB of van een andere bevoegde onderzoeksinstantie, waaraan de OSB haar onderzoekstaak heeft gedelegeerd, hebben, waar nodig in samenwerking met de autoriteiten die voor het gerechtelijk onderzoek verantwoordelijk zijn, de volgende bevoegdheden om alle informatie te verkrijgen die relevant is om het veiligheidsonderzoek te verrichten:
1° ze krijgen vrije toegang tot de relevante gebieden of de plaats van het ongeval, en ook tot elk schip, elk wrak of elke andere constructie, met inbegrip van het woongedeelte van een schip, de lading, de uitrusting en de wrakstukken. Een woning, al dan niet aan boord van een schip, wordt alleen betreden met toestemming van de bewoner of na voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter;
2° ze mogen een onmiddellijke inventarisatie van bewijsmateriaal maken en ze mogen overgaan tot een gecontroleerde opsporing en verwijdering van wrakgoed, wrakstukken en andere onderdelen of materialen voor het onderzoek of de analyse;
3° ze mogen de voorwerpen, vermeld in punt 2°, onderzoeken of analyseren en ze krijgen vrije toegang tot de resultaten van dergelijke onderzoeken of analyses;
4° ze mogen alle relevante informatie en geregistreerde gegevens, met inbegrip van de gegevens van de VDR, over een schip, reis, lading, bemanning of andere persoon, voorwerp, toestand of omstandigheid vrij inzien, kopiëren en gebruiken;
5° ze krijgen vrije toegang tot de resultaten van de onderzoeken op de lichamen van slachtoffers of van testen op monsters die genomen zijn van de lichamen van slachtoffers;
6° ze mogen de resultaten eisen van onderzoeken of analyses van monsters van degenen die bij de exploitatie van een schip zijn betrokken of van andere relevante personen, en ze krijgen de vrije toegang tot die resultaten;
7° ze mogen getuigen horen in afwezigheid van personen van wie de belangen geacht zouden kunnen worden het veiligheidsonderzoek te belemmeren;
8° ze krijgen toegang tot archiefgegevens en relevante informatie waarover de eigenaars, de classificatiebureaus en andere betrokken partijen beschikken, als die partijen of hun vertegenwoordigers in het Vlaamse Gewest zijn gevestigd;
9° ze kunnen een beroep doen op ondersteuning door de betrokken autoriteiten van de Vlaamse overheid en op operatoren van verkeersbegeleidingsdiensten voor de scheepvaart, opsporings- en reddingsbrigades, loodsen en ander personeel van haven- of scheepvaartdiensten.
In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder VDR: een reisgegevensrecorder die voldoet aan de prestatienormen van resolutie A.861 (20) van de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie van 27 november 1997 en van resolutie MSC.163(78) van de maritieme veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie van 17 mei 2004 en aan de keuringsnormen van IEC-norm nr. 61996.
In het eerste lid wordt verstaan onder de Vlaamse overheid: de Vlaamse overheid, zoals gedefinieerd in het bestuursdecreet van 7 december 2018.
De persoonsgegevens die worden verzameld en verwerkt op basis van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, zijn deze die noodzakelijk zijn om betrokkenen bij het scheepvaartongeval of -incident te identificeren en hun rol bij het ongeval of -incident te bepalen, met inbegrip van de relevante medische gegevens. Tenzij de strikte noodzakelijkheid hiervan zou blijken uit het onderzoek worden geen gegevens van de betrokkenen verzameld of verwerkt betreffende strafrechtelijke veroordelingen of strafbare feiten.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze titel heeft betrekking op volgende categorieën van persoonsgegevens:
1° identificatiegegevens;
2° gegevens met betrekking tot de functie van alle betrokkenen bij een incident of ongeval;
3° opleidingsgegevens en gegevens over expertise;
4° communicatiegegevens (vastleggingen vanuit face-to-facecontacten, contacten via telefoon, email, app, brief, vastleggingen van gesprekken over producten en diensten, vastleggingen van klachten en vragen);
5° financiële gegevens (resultaten van ondernemingen, bankafschriften, boekingen, fiscale documenten enzovoort);
6° informatie over wetsovertredingen of strafrechtelijke veroordelingen;
7° medische gegevens over gezondheid, onderzoeken op de lichamen van slachtoffers of van testen op monsters die genomen zijn van de lichamen van slachtoffers, enzovoort.
1° ze krijgen vrije toegang tot de relevante gebieden of de plaats van het ongeval, en ook tot elk schip, elk wrak of elke andere constructie, met inbegrip van het woongedeelte van een schip, de lading, de uitrusting en de wrakstukken. Een woning, al dan niet aan boord van een schip, wordt alleen betreden met toestemming van de bewoner of na voorafgaande machtiging van de onderzoeksrechter;
2° ze mogen een onmiddellijke inventarisatie van bewijsmateriaal maken en ze mogen overgaan tot een gecontroleerde opsporing en verwijdering van wrakgoed, wrakstukken en andere onderdelen of materialen voor het onderzoek of de analyse;
3° ze mogen de voorwerpen, vermeld in punt 2°, onderzoeken of analyseren en ze krijgen vrije toegang tot de resultaten van dergelijke onderzoeken of analyses;
4° ze mogen alle relevante informatie en geregistreerde gegevens, met inbegrip van de gegevens van de VDR, over een schip, reis, lading, bemanning of andere persoon, voorwerp, toestand of omstandigheid vrij inzien, kopiëren en gebruiken;
5° ze krijgen vrije toegang tot de resultaten van de onderzoeken op de lichamen van slachtoffers of van testen op monsters die genomen zijn van de lichamen van slachtoffers;
6° ze mogen de resultaten eisen van onderzoeken of analyses van monsters van degenen die bij de exploitatie van een schip zijn betrokken of van andere relevante personen, en ze krijgen de vrije toegang tot die resultaten;
7° ze mogen getuigen horen in afwezigheid van personen van wie de belangen geacht zouden kunnen worden het veiligheidsonderzoek te belemmeren;
8° ze krijgen toegang tot archiefgegevens en relevante informatie waarover de eigenaars, de classificatiebureaus en andere betrokken partijen beschikken, als die partijen of hun vertegenwoordigers in het Vlaamse Gewest zijn gevestigd;
9° ze kunnen een beroep doen op ondersteuning door de betrokken autoriteiten van de Vlaamse overheid en op operatoren van verkeersbegeleidingsdiensten voor de scheepvaart, opsporings- en reddingsbrigades, loodsen en ander personeel van haven- of scheepvaartdiensten.
In het eerste lid, 4°, wordt verstaan onder VDR: een reisgegevensrecorder die voldoet aan de prestatienormen van resolutie A.861 (20) van de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie van 27 november 1997 en van resolutie MSC.163(78) van de maritieme veiligheidscommissie van de Internationale Maritieme Organisatie van 17 mei 2004 en aan de keuringsnormen van IEC-norm nr. 61996.
In het eerste lid wordt verstaan onder de Vlaamse overheid: de Vlaamse overheid, zoals gedefinieerd in het bestuursdecreet van 7 december 2018.
De persoonsgegevens die worden verzameld en verwerkt op basis van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, zijn deze die noodzakelijk zijn om betrokkenen bij het scheepvaartongeval of -incident te identificeren en hun rol bij het ongeval of -incident te bepalen, met inbegrip van de relevante medische gegevens. Tenzij de strikte noodzakelijkheid hiervan zou blijken uit het onderzoek worden geen gegevens van de betrokkenen verzameld of verwerkt betreffende strafrechtelijke veroordelingen of strafbare feiten.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van deze titel heeft betrekking op volgende categorieën van persoonsgegevens:
1° identificatiegegevens;
2° gegevens met betrekking tot de functie van alle betrokkenen bij een incident of ongeval;
3° opleidingsgegevens en gegevens over expertise;
4° communicatiegegevens (vastleggingen vanuit face-to-facecontacten, contacten via telefoon, email, app, brief, vastleggingen van gesprekken over producten en diensten, vastleggingen van klachten en vragen);
5° financiële gegevens (resultaten van ondernemingen, bankafschriften, boekingen, fiscale documenten enzovoort);
6° informatie over wetsovertredingen of strafrechtelijke veroordelingen;
7° medische gegevens over gezondheid, onderzoeken op de lichamen van slachtoffers of van testen op monsters die genomen zijn van de lichamen van slachtoffers, enzovoort.
Art.98. Les enquêteurs de l'OSB ou d'un autre organisme d'enquête compétent auquel l'OSB a délégué sa fonction d'enquête disposent, le cas échéant en collaboration avec les autorités responsables de l'enquête judiciaire, des compétences suivantes pour obtenir toutes les informations pertinentes pour l'enquête de sécurité :
1° ils ont libre accès aux zones pertinentes ou au site de l'accident, ainsi qu'à tout navire, épave ou autre construction, y compris les quartiers d'habitation d'un navire, la cargaison, l'équipement et l'épave. L'entrée d'un logement, qu'il soit à bord d'un navire ou non, ne se fait qu'avec le consentement de l'occupant ou avec l'autorisation préalable du juge d'instruction ;
2° ils peuvent procéder à un inventaire immédiat des preuves et à une fouille contrôlée et à l'enlèvement de l'épave, des éléments de l'épave et d'autres composants ou matériaux pour examen ou analyse ;
3° ils peuvent examiner ou analyser les objets visés au point 2° et ils ont libre accès aux résultats de ces examens ou analyses ;
4° ils peuvent librement consulter, copier et utiliser toutes les informations pertinentes et les données enregistrées, y compris les données du VDR, concernant un navire, un voyage, une cargaison, un équipage ou toute autre personne, objet, condition ou circonstance ;
5° ils ont libre accès aux résultats des examens des corps des victimes ou des tests effectués sur des échantillons prélevés sur les corps des victimes ;
6° ils peuvent demander les résultats d'examens ou d'analyses d'échantillons aux personnes impliquées dans l'exploitation d'un navire ou à d'autres personnes concernées, et ils ont librement accès à ces résultats ;
7° ils peuvent interroger les témoins en l'absence de personnes dont les intérêts pourraient être considérés comme interférant avec l'enquête de sécurité ;
8° ils ont accès aux données d'archives et aux informations pertinentes détenues par les propriétaires, les sociétés de classification et les autres parties concernées, si ces parties ou leurs représentants sont établis en Région flamande ;
9° ils peuvent faire appel à l'appui des autorités flamandes concernées et aux opérateurs des services d'assistance au trafic pour la navigation, les brigades de recherche et de sauvetage, les pilotes et autres membres du personnel des ports ou des services de navigation.
A l'alinéa premier, 4°, on entend par VDR : un enregistreur des données du voyage répondant aux normes de performance de la résolution A.861(20) de l'assemblée de l'Organisation maritime internationale du 27 novembre 1997 et de la résolution MSC.163(78) du comité de sécurité maritime de l'Organisation maritime internationale du 17 mai 2004, ainsi qu'aux normes d'essai définies dans la norme CEI n° 61996.
A l'alinéa premier, on entend par autorité flamande : l'autorité flamande, tel que visée dans le décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
Les données à caractère personnel collectées et traitées en vertu des compétences visées à l'alinéa premier sont celles qui sont nécessaires pour identifier les personnes impliquées dans l'accident ou l'incident de mer et pour déterminer leur rôle dans l'accident ou l'incident, y compris les données médicales pertinentes. A moins que l'enquête n'en démontre la nécessité absolue, aucune donnée relative à des condamnations pénales ou des infractions pénales n'est collectée ou traitée auprès des personnes concernées.
Le traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent titre concerne les catégories suivantes de données à caractère personnel :
1° données d'identification des données d'identification ;
2° des données relatives à la fonction de toutes les personnes concernées dans un incident ou un accident ;
3° des données de formation et les données sur l'expertise ;
4° des données de communication (enregistrements des contacts en face à face, des contacts par téléphone, par e-mail, par application, par lettre, enregistrements des conversations sur les produits et services, enregistrements des plaintes et des questions) ;
5° des données financières (résultats de l'entreprise, relevés bancaires, comptabilisations, documents fiscaux, etc.) ;
6° des informations sur des violations de la loi ou des condamnations pénales ;
7° des données médicales sur la santé, des examens du corps des victimes ou des tests effectués sur des échantillons prélevés sur le corps des victimes, etc.
1° ils ont libre accès aux zones pertinentes ou au site de l'accident, ainsi qu'à tout navire, épave ou autre construction, y compris les quartiers d'habitation d'un navire, la cargaison, l'équipement et l'épave. L'entrée d'un logement, qu'il soit à bord d'un navire ou non, ne se fait qu'avec le consentement de l'occupant ou avec l'autorisation préalable du juge d'instruction ;
2° ils peuvent procéder à un inventaire immédiat des preuves et à une fouille contrôlée et à l'enlèvement de l'épave, des éléments de l'épave et d'autres composants ou matériaux pour examen ou analyse ;
3° ils peuvent examiner ou analyser les objets visés au point 2° et ils ont libre accès aux résultats de ces examens ou analyses ;
4° ils peuvent librement consulter, copier et utiliser toutes les informations pertinentes et les données enregistrées, y compris les données du VDR, concernant un navire, un voyage, une cargaison, un équipage ou toute autre personne, objet, condition ou circonstance ;
5° ils ont libre accès aux résultats des examens des corps des victimes ou des tests effectués sur des échantillons prélevés sur les corps des victimes ;
6° ils peuvent demander les résultats d'examens ou d'analyses d'échantillons aux personnes impliquées dans l'exploitation d'un navire ou à d'autres personnes concernées, et ils ont librement accès à ces résultats ;
7° ils peuvent interroger les témoins en l'absence de personnes dont les intérêts pourraient être considérés comme interférant avec l'enquête de sécurité ;
8° ils ont accès aux données d'archives et aux informations pertinentes détenues par les propriétaires, les sociétés de classification et les autres parties concernées, si ces parties ou leurs représentants sont établis en Région flamande ;
9° ils peuvent faire appel à l'appui des autorités flamandes concernées et aux opérateurs des services d'assistance au trafic pour la navigation, les brigades de recherche et de sauvetage, les pilotes et autres membres du personnel des ports ou des services de navigation.
A l'alinéa premier, 4°, on entend par VDR : un enregistreur des données du voyage répondant aux normes de performance de la résolution A.861(20) de l'assemblée de l'Organisation maritime internationale du 27 novembre 1997 et de la résolution MSC.163(78) du comité de sécurité maritime de l'Organisation maritime internationale du 17 mai 2004, ainsi qu'aux normes d'essai définies dans la norme CEI n° 61996.
A l'alinéa premier, on entend par autorité flamande : l'autorité flamande, tel que visée dans le décret de gouvernance du 7 décembre 2018.
Les données à caractère personnel collectées et traitées en vertu des compétences visées à l'alinéa premier sont celles qui sont nécessaires pour identifier les personnes impliquées dans l'accident ou l'incident de mer et pour déterminer leur rôle dans l'accident ou l'incident, y compris les données médicales pertinentes. A moins que l'enquête n'en démontre la nécessité absolue, aucune donnée relative à des condamnations pénales ou des infractions pénales n'est collectée ou traitée auprès des personnes concernées.
Le traitement de données à caractère personnel dans le cadre du présent titre concerne les catégories suivantes de données à caractère personnel :
1° données d'identification des données d'identification ;
2° des données relatives à la fonction de toutes les personnes concernées dans un incident ou un accident ;
3° des données de formation et les données sur l'expertise ;
4° des données de communication (enregistrements des contacts en face à face, des contacts par téléphone, par e-mail, par application, par lettre, enregistrements des conversations sur les produits et services, enregistrements des plaintes et des questions) ;
5° des données financières (résultats de l'entreprise, relevés bancaires, comptabilisations, documents fiscaux, etc.) ;
6° des informations sur des violations de la loi ou des condamnations pénales ;
7° des données médicales sur la santé, des examens du corps des victimes ou des tests effectués sur des échantillons prélevés sur le corps des victimes, etc.
Art.99. De OSB neemt de nodige maatregelen opdat de volgende gegevens niet voor andere doeleinden dan het veiligheidsonderzoek beschikbaar worden, tenzij de OSB beslist dat met de openbaarmaking een hoger openbaar belang is gediend:
1° alle getuigenissen en andere verklaringen, verslagen en notities die door de OSB in het kader van het veiligheidsonderzoek worden opgetekend of ontvangen;
2° documenten die de identiteit onthullen van personen die in het kader van het veiligheidsonderzoek zijn gehoord;
3° informatie betreffende bij het scheepvaartongeval of -incident betrokken personen die bijzonder gevoelig of privé van aard is, informatie over hun gezondheid inbegrepen.
Extern aangestelde deskundigen delen de informatie die ze bij de uitoefening van hun taken hebben gekregen, uitsluitend mee aan de OSB.
Voor de bescherming van de persoonsgegevens die op basis van de bevoegdheden, vermeld in artikel 98, eerste lid, worden verzameld neemt de OSB gepaste technische en organisatorische maatregelen, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiële risico's. De persoonsgegevens worden zo veel mogelijk geanonimiseerd dan wel gepseudonimiseerd in overeenstemming met de doeleinden van het onderzoek, vermeld in artikel 93.
1° alle getuigenissen en andere verklaringen, verslagen en notities die door de OSB in het kader van het veiligheidsonderzoek worden opgetekend of ontvangen;
2° documenten die de identiteit onthullen van personen die in het kader van het veiligheidsonderzoek zijn gehoord;
3° informatie betreffende bij het scheepvaartongeval of -incident betrokken personen die bijzonder gevoelig of privé van aard is, informatie over hun gezondheid inbegrepen.
Extern aangestelde deskundigen delen de informatie die ze bij de uitoefening van hun taken hebben gekregen, uitsluitend mee aan de OSB.
Voor de bescherming van de persoonsgegevens die op basis van de bevoegdheden, vermeld in artikel 98, eerste lid, worden verzameld neemt de OSB gepaste technische en organisatorische maatregelen, rekening houdend, enerzijds, met de stand van de techniek ter zake en de kosten voor het toepassen van de maatregelen en, anderzijds, met de aard van de te beveiligen gegevens en de potentiële risico's. De persoonsgegevens worden zo veel mogelijk geanonimiseerd dan wel gepseudonimiseerd in overeenstemming met de doeleinden van het onderzoek, vermeld in artikel 93.
Art.99. L'OSB prend les mesures nécessaires pour s'assurer que les données suivantes ne sont pas mises à disposition à des fins autres que l'enquête de sécurité, à moins que l'OSB ne décide qu'il existe un intérêt public prépondérant à leur publication :
1° tous les témoignages et autres déclarations, rapports et notes qui sont enregistrés ou reçus par l'OSB dans le cadre de l'enquête de sécurité
2° les documents révélant l'identité des personnes qui ont été interrogées dans le cadre de l'enquête de sécurité ;
3° les informations relatives aux personnes impliquées dans l'accident ou l'incident de mer qui sont de nature particulièrement sensible ou privée, y compris les informations sur leur santé.
Les experts nommés à l'extérieur ne communiquent à l'OSB que les informations qu'ils ont obtenues dans le cadre de leurs fonctions.
Pour la protection des données à caractère personnel collectées sur la base des compétences visées à l'article 98, alinéa premier, l'OSB prend les mesures techniques et organisationnelles appropriées, compte tenu, d'une part, de l'état de la technique en la matière et des coûts de mise en oeuvre des mesures et, d'autre part, de la nature des données à sécuriser et des risques potentiels. Les données à caractère personnel sont anonymisées ou pseudonymisées dans la mesure du possible, conformément aux objectifs de l'enquête visés à l'article 93.
1° tous les témoignages et autres déclarations, rapports et notes qui sont enregistrés ou reçus par l'OSB dans le cadre de l'enquête de sécurité
2° les documents révélant l'identité des personnes qui ont été interrogées dans le cadre de l'enquête de sécurité ;
3° les informations relatives aux personnes impliquées dans l'accident ou l'incident de mer qui sont de nature particulièrement sensible ou privée, y compris les informations sur leur santé.
Les experts nommés à l'extérieur ne communiquent à l'OSB que les informations qu'ils ont obtenues dans le cadre de leurs fonctions.
Pour la protection des données à caractère personnel collectées sur la base des compétences visées à l'article 98, alinéa premier, l'OSB prend les mesures techniques et organisationnelles appropriées, compte tenu, d'une part, de l'état de la technique en la matière et des coûts de mise en oeuvre des mesures et, d'autre part, de la nature des données à sécuriser et des risques potentiels. Les données à caractère personnel sont anonymisées ou pseudonymisées dans la mesure du possible, conformément aux objectifs de l'enquête visés à l'article 93.
Art.100. § 1. In beginsel wordt naar elk scheepvaartongeval of -incident maar één veiligheidsonderzoek verricht.
Bij veiligheidsonderzoeken waarbij twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties, waaronder de OSB, zijn betrokken, werkt de OSB samen met de bevoegde overheidsinstanties van de andere overheden die een aanzienlijk belang hebben om spoedig overeen te komen welke de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is. De OSB stelt alles in het werk om overeenstemming over de onderzoeksprocedures te bereiken. In het kader van die overeenstemming hebben de bevoegde onderzoeksinstanties van andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, dezelfde rechten en dezelfde toegang tot getuigen en bewijsmateriaal als de OSB. Als het Vlaamse Gewest de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is, neemt de OSB het standpunt van de bevoegde onderzoeksinstanties van andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, in overweging.
De OSB beperkt parallelle veiligheidsonderzoeken naar hetzelfde scheepvaartongeval of -incident strikt tot uitzonderlijke gevallen. In dergelijke gevallen meldt de OSB aan de Europese Commissie de redenen om een parallel onderzoek te verrichten. De OSB werkt samen met de bevoegde onderzoeksinstanties die parallelle veiligheidsonderzoeken verrichten. In het bijzonder wisselt de OSB met de betrokken bevoegde onderzoeksinstanties alle relevante informatie uit die ze in de loop van haar veiligheidsonderzoek verzamelt, om, als dat mogelijk is, gedeelde conclusies te bereiken.
De OSB neemt geen maatregelen die de uitvoering van een veiligheidsonderzoek onnodig beletten, opschorten of vertragen.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 blijft de OSB verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met de bevoegde onderzoeksinstanties van andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welke de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is.
§ 3. De OSB mag de leiding van een veiligheidsonderzoek of specifieke taken van een dergelijk veiligheidsonderzoek per geval en in onderlinge overeenstemming aan een andere bevoegde onderzoeksinstantie delegeren. De OSB behoudt in dergelijke gevallen wel de verantwoordelijkheid voor de leiding van het veiligheidsonderzoek of de betrokken specifieke taken.
§ 4. Wanneer een ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersvaartuig betrokken is bij een scheepvaartongeval of -incident, wordt de veiligheidsonderzoeksprocedure ingeleid door de OSB. Vervolgens is paragraaf 2 van toepassing.
§ 5. De medewerking van de OSB aan een veiligheidsonderzoek dat wordt verricht door een overheid die een aanzienlijk belang heeft maar die niet behoort tot de Europese Economische Ruimte, doet niets af aan de uit deze titel voortvloeiende gedrags- en rapportagevoorschriften inzake veiligheidsonderzoeken.
Indien een overheid die een aanzienlijk belang heeft maar die niet behoort tot de Europese Economische Ruimte een veiligheidsonderzoek leidt waarbij de OSB betrokken is, kan de OSB beslissen om geen parallel veiligheidsonderzoek te verrichten, op voorwaarde dat het door die overheid geleide veiligheidsonderzoek wordt verricht overeenkomstig de meest actuele versie van de code voor onderzoek naar scheepvaartongevallen en -incidenten, die is gehecht aan resolutie A.849(20) van 27 november 1997 van de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie.
§ 6. De OSB is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, voor de verwerking van de persoonsgegevens tijdens het veiligheidsonderzoek. In de gevallen waar meer dan een bevoegde onderzoeksinstantie betrokken is bij het veiligheidsonderzoek, gelden de betrokken instanties als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in artikel 26 van de voormelde verordening.
Bij veiligheidsonderzoeken waarbij twee of meer bevoegde onderzoeksinstanties, waaronder de OSB, zijn betrokken, werkt de OSB samen met de bevoegde overheidsinstanties van de andere overheden die een aanzienlijk belang hebben om spoedig overeen te komen welke de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is. De OSB stelt alles in het werk om overeenstemming over de onderzoeksprocedures te bereiken. In het kader van die overeenstemming hebben de bevoegde onderzoeksinstanties van andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, dezelfde rechten en dezelfde toegang tot getuigen en bewijsmateriaal als de OSB. Als het Vlaamse Gewest de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is, neemt de OSB het standpunt van de bevoegde onderzoeksinstanties van andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, in overweging.
De OSB beperkt parallelle veiligheidsonderzoeken naar hetzelfde scheepvaartongeval of -incident strikt tot uitzonderlijke gevallen. In dergelijke gevallen meldt de OSB aan de Europese Commissie de redenen om een parallel onderzoek te verrichten. De OSB werkt samen met de bevoegde onderzoeksinstanties die parallelle veiligheidsonderzoeken verrichten. In het bijzonder wisselt de OSB met de betrokken bevoegde onderzoeksinstanties alle relevante informatie uit die ze in de loop van haar veiligheidsonderzoek verzamelt, om, als dat mogelijk is, gedeelde conclusies te bereiken.
De OSB neemt geen maatregelen die de uitvoering van een veiligheidsonderzoek onnodig beletten, opschorten of vertragen.
§ 2. Onverminderd paragraaf 1 blijft de OSB verantwoordelijk voor het veiligheidsonderzoek en de coördinatie met de bevoegde onderzoeksinstanties van andere overheden die een aanzienlijk belang hebben, totdat in onderling overleg is vastgesteld welke de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is.
§ 3. De OSB mag de leiding van een veiligheidsonderzoek of specifieke taken van een dergelijk veiligheidsonderzoek per geval en in onderlinge overeenstemming aan een andere bevoegde onderzoeksinstantie delegeren. De OSB behoudt in dergelijke gevallen wel de verantwoordelijkheid voor de leiding van het veiligheidsonderzoek of de betrokken specifieke taken.
§ 4. Wanneer een ro-ro-veerboot of hogesnelheidspassagiersvaartuig betrokken is bij een scheepvaartongeval of -incident, wordt de veiligheidsonderzoeksprocedure ingeleid door de OSB. Vervolgens is paragraaf 2 van toepassing.
§ 5. De medewerking van de OSB aan een veiligheidsonderzoek dat wordt verricht door een overheid die een aanzienlijk belang heeft maar die niet behoort tot de Europese Economische Ruimte, doet niets af aan de uit deze titel voortvloeiende gedrags- en rapportagevoorschriften inzake veiligheidsonderzoeken.
Indien een overheid die een aanzienlijk belang heeft maar die niet behoort tot de Europese Economische Ruimte een veiligheidsonderzoek leidt waarbij de OSB betrokken is, kan de OSB beslissen om geen parallel veiligheidsonderzoek te verrichten, op voorwaarde dat het door die overheid geleide veiligheidsonderzoek wordt verricht overeenkomstig de meest actuele versie van de code voor onderzoek naar scheepvaartongevallen en -incidenten, die is gehecht aan resolutie A.849(20) van 27 november 1997 van de algemene vergadering van de Internationale Maritieme Organisatie.
§ 6. De OSB is de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, voor de verwerking van de persoonsgegevens tijdens het veiligheidsonderzoek. In de gevallen waar meer dan een bevoegde onderzoeksinstantie betrokken is bij het veiligheidsonderzoek, gelden de betrokken instanties als gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, vermeld in artikel 26 van de voormelde verordening.
Art.100. § 1. En principe, chaque accident ou incident de mer ne doit faire l'objet que d'une seule enquête de sécurité.
Dans le cas d'enquêtes de sécurité impliquant deux organismes d'enquête compétents, dont l'OSB, l'OSB coopère avec les instances publiques compétentes des autres autorités publiques ayant un intérêt important à convenir rapidement de l'autorité principalement responsable de l'enquête. L'OSB met tout en oeuvre pour parvenir à un accord sur les procédures d'enquête. Dans le cadre de cet accord, les organismes d'enquête compétents des autres autorités ayant un intérêt significatif ont les mêmes droits et accès aux témoins et aux preuves que l'OSB. Si la Région flamande est l'autorité principalement responsable de l'enquête, l'OSB prend en considération la position des organismes d'enquête compétents des autres autorités qui ont un intérêt significatif.
L'OSB limite strictement les enquêtes de sécurité parallèles concernant le même accident ou incident de mer à des cas exceptionnels. Dans de tels cas, l'OSB communique à la Commission européenne les raisons de la réalisation d'une enquête parallèle. L'OSB coopère avec les organismes d'enquête compétents qui mènent des enquêtes de sécurité parallèles. En particulier, l'OSB échange avec les organismes compétents chargés des enquêtes toute information pertinente qu'il recueille au cours de son enquête de sécurité afin de parvenir, si possible, à des conclusions communes.
L'OSB ne prend aucune mesure qui empêche, suspend ou retarde inutilement la mise en oeuvre d'une enquête de sécurité.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1, l'OSB reste responsable de l'enquête de sécurité et de la coordination avec les organismes d'enquête compétents des autres autorités ayant des intérêts significatifs jusqu'à ce qu'il soit mutuellement convenu lequel d'entre eux sera l'autorité d'enquête principalement responsable.
§ 3. L'OSB peut déléguer la direction d'une enquête de sécurité ou des tâches spécifiques d'une telle enquête de sécurité à un autre organisme d'enquête compétent, au cas par cas et d'un commun accord. Dans ce cas, l'OSB conserve toutefois la responsabilité de la direction de l'enquête de sécurité ou des tâches spécifiques concernées.
§ 4. Lorsqu'un transbordeur roulier ou un engin à passagers à grande vitesse est impliqué dans un accident ou un incident de mer, la procédure d'enquête de sécurité est lancée par l'OSB. Ensuite, le paragraphe 2 s'applique.
§ 5. La coopération de l'OSB à une enquête de sécurité menée par une autorité publique ayant un intérêt significatif mais n'appartenant pas à l'Espace économique européen n'affecte en rien le comportement et les exigences relatives aux rapports en matière d'enquêtes de sécurité qui découlent du présent titre.
Lorsqu'une autorité publique ayant un intérêt significatif mais qui n'appartient pas à l'Espace économique européen mène une enquête de sécurité à laquelle l'OSB est associé, l'OSB peut décider de ne pas effectuer d'enquête de sécurité parallèle, à condition que l'enquête de sécurité qu'elle dirige soit menée conformément à la version la plus récente du code d'enquête sur les accidents et incidents de mer, annexé à la résolution A.849(20) du 27 novembre 1997 de l'assemblée générale de l'Organisation maritime internationale.
§ 6. L'OSB est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, pour le traitement des données à caractère personnel lors de l'enquête de sécurité. Dans les cas où plus d'un organisme d'enquête compétent est impliqué dans l'enquête de sécurité, les organismes impliqués sont considérés comme des responsables de traitement conjoints au sens de l'article 26 dudit règlement.
Dans le cas d'enquêtes de sécurité impliquant deux organismes d'enquête compétents, dont l'OSB, l'OSB coopère avec les instances publiques compétentes des autres autorités publiques ayant un intérêt important à convenir rapidement de l'autorité principalement responsable de l'enquête. L'OSB met tout en oeuvre pour parvenir à un accord sur les procédures d'enquête. Dans le cadre de cet accord, les organismes d'enquête compétents des autres autorités ayant un intérêt significatif ont les mêmes droits et accès aux témoins et aux preuves que l'OSB. Si la Région flamande est l'autorité principalement responsable de l'enquête, l'OSB prend en considération la position des organismes d'enquête compétents des autres autorités qui ont un intérêt significatif.
L'OSB limite strictement les enquêtes de sécurité parallèles concernant le même accident ou incident de mer à des cas exceptionnels. Dans de tels cas, l'OSB communique à la Commission européenne les raisons de la réalisation d'une enquête parallèle. L'OSB coopère avec les organismes d'enquête compétents qui mènent des enquêtes de sécurité parallèles. En particulier, l'OSB échange avec les organismes compétents chargés des enquêtes toute information pertinente qu'il recueille au cours de son enquête de sécurité afin de parvenir, si possible, à des conclusions communes.
L'OSB ne prend aucune mesure qui empêche, suspend ou retarde inutilement la mise en oeuvre d'une enquête de sécurité.
§ 2. Sans préjudice du paragraphe 1, l'OSB reste responsable de l'enquête de sécurité et de la coordination avec les organismes d'enquête compétents des autres autorités ayant des intérêts significatifs jusqu'à ce qu'il soit mutuellement convenu lequel d'entre eux sera l'autorité d'enquête principalement responsable.
§ 3. L'OSB peut déléguer la direction d'une enquête de sécurité ou des tâches spécifiques d'une telle enquête de sécurité à un autre organisme d'enquête compétent, au cas par cas et d'un commun accord. Dans ce cas, l'OSB conserve toutefois la responsabilité de la direction de l'enquête de sécurité ou des tâches spécifiques concernées.
§ 4. Lorsqu'un transbordeur roulier ou un engin à passagers à grande vitesse est impliqué dans un accident ou un incident de mer, la procédure d'enquête de sécurité est lancée par l'OSB. Ensuite, le paragraphe 2 s'applique.
§ 5. La coopération de l'OSB à une enquête de sécurité menée par une autorité publique ayant un intérêt significatif mais n'appartenant pas à l'Espace économique européen n'affecte en rien le comportement et les exigences relatives aux rapports en matière d'enquêtes de sécurité qui découlent du présent titre.
Lorsqu'une autorité publique ayant un intérêt significatif mais qui n'appartient pas à l'Espace économique européen mène une enquête de sécurité à laquelle l'OSB est associé, l'OSB peut décider de ne pas effectuer d'enquête de sécurité parallèle, à condition que l'enquête de sécurité qu'elle dirige soit menée conformément à la version la plus récente du code d'enquête sur les accidents et incidents de mer, annexé à la résolution A.849(20) du 27 novembre 1997 de l'assemblée générale de l'Organisation maritime internationale.
§ 6. L'OSB est le responsable du traitement visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, pour le traitement des données à caractère personnel lors de l'enquête de sécurité. Dans les cas où plus d'un organisme d'enquête compétent est impliqué dans l'enquête de sécurité, les organismes impliqués sont considérés comme des responsables de traitement conjoints au sens de l'article 26 dudit règlement.
Art.101. Uiterlijk op 30 september van elk jaar dient de OSB bij de Vlaamse minister bevoegd voor de waterinfrastructuur en het waterbeleid, en bij het Vlaams Parlement een jaarverslag in waarin ze rapporteert over haar werking en over de veiligheidsonderzoeken die ze het voorafgaande jaar heeft verricht, de veiligheidsaanbevelingen die ze heeft geformuleerd en de herstelmaatregelen die zijn genomen naar aanleiding van eerdere veiligheidsaanbevelingen.
De OSB stelt het jaarverslag elektronisch ter beschikking van het publiek.
De OSB stelt het jaarverslag elektronisch ter beschikking van het publiek.
Art.101. Au plus tard le 30 septembre de chaque année, l'OSB soumet au Ministre flamand compétent pour l'infrastructure et de la politique de l'eau et au Parlement flamand un rapport annuel dans lequel il rend compte de son fonctionnement et des enquêtes de sécurité qu'il a menées l'année précédente, des recommandations de sécurité qu'il a formulées et des mesures correctives prises à l'occasion des recommandations de sécurité antérieures.
L'OSB met le rapport annuel à la disposition du public par voie électronique.
L'OSB met le rapport annuel à la disposition du public par voie électronique.
Art.102. Iedere overheid die en ieder personeelslid van de overheid dat bij de uitoefening van publiekrechtelijke taken kennis krijgt van een scheepvaartongeval of -incident binnen het toepassingsgebied van deze titel, meldt dat onmiddellijk aan de OSB en verstrekt aan de OSB alle relevante informatie en, in voorkomend geval, een afschrift van de processen-verbaal en van alle andere relevante documenten.
Ook de kapitein van het betrokken zeeschip meldt een scheepvaartongeval of -incident dadelijk aan de OSB en verstrekt aan de OSB alle relevante informatie.
Als de OSB een veiligheidsonderzoek verricht naar een scheepvaartongeval of -incident meldt de OSB dat onmiddellijk aan de bevoegde onderzoeksinstanties van overheden die een aanzienlijk belang hebben.
Ook de kapitein van het betrokken zeeschip meldt een scheepvaartongeval of -incident dadelijk aan de OSB en verstrekt aan de OSB alle relevante informatie.
Als de OSB een veiligheidsonderzoek verricht naar een scheepvaartongeval of -incident meldt de OSB dat onmiddellijk aan de bevoegde onderzoeksinstanties van overheden die een aanzienlijk belang hebben.
Art.102. Toute autorité publique et tout membre du personnel de l'autorité publique qui, dans l'exercice de ses fonctions de droit public, a connaissance d'un accident ou incident de mer relevant du champ d'application du présent titre, le signale immédiatement à l'OSB et fournit à ce dernier toutes les informations pertinentes et, le cas échéant, une copie des procès-verbaux et de tout autre document pertinent.
Le capitaine du navire de mer concerné signale également immédiatement un accident ou incident de mer à l'OSB et fournit à ce dernier toutes les informations pertinentes.
Si l'OSB mène une enquête de sécurité sur un accident ou un incident de mer, il en fait immédiatement part aux organismes d'enquête compétents des autorités ayant un intérêt significatif.
Le capitaine du navire de mer concerné signale également immédiatement un accident ou incident de mer à l'OSB et fournit à ce dernier toutes les informations pertinentes.
Si l'OSB mène une enquête de sécurité sur un accident ou un incident de mer, il en fait immédiatement part aux organismes d'enquête compétents des autorités ayant un intérêt significatif.
Art.103. Als het Vlaamse Gewest de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheid is, kan de OSB op verzoek van een onderzoeksinstantie van een overheid die een aanzienlijk belang heeft, toestaan dat een of meer vertegenwoordigers van die onderzoeksinstantie aan het veiligheidsonderzoek deelnemen.
Als het Vlaamse Gewest een overheid is die een aanzienlijk belang heeft, kan de OSB zelf een dergelijk verzoek richten tot de onderzoeksinstanties van de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheden.
Als het Vlaamse Gewest een overheid is die een aanzienlijk belang heeft, kan de OSB zelf een dergelijk verzoek richten tot de onderzoeksinstanties van de in hoofdzaak voor het onderzoek verantwoordelijke overheden.
Art.103. Si la Région flamande est l'autorité principalement responsable de l'enquête, l'OSB peut, à la demande d'un organisme d'enquête d'une autorité ayant un intérêt substantiel, autoriser un ou plusieurs représentants de cet organisme d'enquête à participer à l'enquête de sécurité.
Si la Région flamande est une autorité ayant un intérêt significatif, l'OSB peut lui-même adresser une telle demande aux instances d'enquête des autorités principalement responsables de l'enquête.
Si la Région flamande est une autorité ayant un intérêt significatif, l'OSB peut lui-même adresser une telle demande aux instances d'enquête des autorités principalement responsables de l'enquête.
Art.104. Iedereen is verplicht alle medewerking te verlenen die de onderzoeker bij de uitoefening van zijn bevoegdheden redelijkerwijs kan vorderen, binnen de termijn die hij daarvoor stelt.
Als de informatieverstrekker daarom verzoekt, wordt de informatie niet openbaar gemaakt.
Als de getuigen van een scheepvaartongeval daarom verzoeken, nemen de onderzoekers en de externe deskundigen de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuigen te waarborgen.
Als de informatieverstrekker daarom verzoekt, wordt de informatie niet openbaar gemaakt.
Als de getuigen van een scheepvaartongeval daarom verzoeken, nemen de onderzoekers en de externe deskundigen de nodige maatregelen om de anonimiteit van de getuigen te waarborgen.
Art.104. Toute personne est tenue de prêter toute coopération que l'enquêteur peut raisonnablement exiger dans l'exercice de ses compétences, dans le délai qu'il lui impartit.
Si le fournisseur des informations le demande, les informations ne sont pas rendues publiques.
Si les témoins d'un accident de mer le demandent, les enquêteurs et les experts externes prennent les mesures nécessaires pour garantir l'anonymat des témoins.
Si le fournisseur des informations le demande, les informations ne sont pas rendues publiques.
Si les témoins d'un accident de mer le demandent, les enquêteurs et les experts externes prennent les mesures nécessaires pour garantir l'anonymat des témoins.
Art.105. Informatie over een scheepvaartongeval of -incident mag niet worden vernietigd. De bij een scheepvaartongeval of -incident betrokken partijen nemen alle mogelijke maatregelen om geen informatie te laten verdwijnen.
De persoonsgegevens die verzameld en verwerkt werden door de OSB of een andere onderzoeksinstantie in de loop van het veiligheidsonderzoek, worden gedurende 5 jaar na afloop van dit onderzoek bewaard.
De persoonsgegevens die verzameld en verwerkt werden door de OSB of een andere onderzoeksinstantie in de loop van het veiligheidsonderzoek, worden gedurende 5 jaar na afloop van dit onderzoek bewaard.
Art.105. Les informations concernant un accident ou un incident de mer ne doivent pas être détruites. Les parties impliquées dans un accident ou un incident de mer prennent toutes les mesures possibles pour ne pas faire disparaître des informations.
Les données à caractère personnel collectées et traitées par l'OSB ou tout autre organisme d'enquête dans le cadre de l'enquête de sécurité seront conservées pendant une période de 5 ans après la fin de cette enquête.
Les données à caractère personnel collectées et traitées par l'OSB ou tout autre organisme d'enquête dans le cadre de l'enquête de sécurité seront conservées pendant une période de 5 ans après la fin de cette enquête.
Art.106. § 1. Over een veiligheidsonderzoek dat uit hoofde van deze titel wordt verricht, wordt overeenkomstig de door de Vlaamse Regering bepaalde inhoud een verslag bekendgemaakt, dat elektronisch toegankelijk is voor het publiek.
De OSB kan over een veiligheidsonderzoek dat geen betrekking heeft op een zeer ernstig dan wel ernstig scheepvaartongeval en waarvan de bevindingen niet kunnen leiden tot het voorkomen van toekomstige scheepvaartongevallen of -incidenten, besluiten om een vereenvoudigd verslag bekend te maken, dat elektronisch toegankelijk is voor het publiek.
§ 2. De OSB doet al het mogelijke om de in paragraaf 1 bedoelde verslagen, met inbegrip van de conclusies ervan en eventuele veiligheidsaanbevelingen, binnen twaalf maanden vanaf de dag van het scheepvaartongeval of -incident voor het publiek beschikbaar te maken, en met name voor de scheepvaartsector. Als het niet mogelijk is het verslag, vermeld in paragraaf 1, binnen die termijn beschikbaar te maken, wordt binnen twaalf maanden na de dag van het scheepvaartongeval of -incident een tussentijds verslag opgesteld, dat elektronisch toegankelijk is voor het publiek.
§ 3. De OSB zendt aan de Europese Commissie een afschrift toe van het verslag, het vereenvoudigde verslag of het tussentijdse verslag, vermeld in de paragrafen 1 en 2. Ter verbetering van de kwaliteit van de in paragraaf 1 bedoelde verslagen en op de wijze die het meest geschikt is teneinde de doelstellingen, vermeld in artikel 93, te verwezenlijken, houdt de OSB, ongeacht de bevindingen ten gronde, rekening met de desgevallend door de Commissie bij deze verslagen gemaakte technische opmerkingen.
De OSB kan over een veiligheidsonderzoek dat geen betrekking heeft op een zeer ernstig dan wel ernstig scheepvaartongeval en waarvan de bevindingen niet kunnen leiden tot het voorkomen van toekomstige scheepvaartongevallen of -incidenten, besluiten om een vereenvoudigd verslag bekend te maken, dat elektronisch toegankelijk is voor het publiek.
§ 2. De OSB doet al het mogelijke om de in paragraaf 1 bedoelde verslagen, met inbegrip van de conclusies ervan en eventuele veiligheidsaanbevelingen, binnen twaalf maanden vanaf de dag van het scheepvaartongeval of -incident voor het publiek beschikbaar te maken, en met name voor de scheepvaartsector. Als het niet mogelijk is het verslag, vermeld in paragraaf 1, binnen die termijn beschikbaar te maken, wordt binnen twaalf maanden na de dag van het scheepvaartongeval of -incident een tussentijds verslag opgesteld, dat elektronisch toegankelijk is voor het publiek.
§ 3. De OSB zendt aan de Europese Commissie een afschrift toe van het verslag, het vereenvoudigde verslag of het tussentijdse verslag, vermeld in de paragrafen 1 en 2. Ter verbetering van de kwaliteit van de in paragraaf 1 bedoelde verslagen en op de wijze die het meest geschikt is teneinde de doelstellingen, vermeld in artikel 93, te verwezenlijken, houdt de OSB, ongeacht de bevindingen ten gronde, rekening met de desgevallend door de Commissie bij deze verslagen gemaakte technische opmerkingen.
Art.106. § 1. Une enquête de sécurité effectuée en vertu du présent titre fait l'objet d'un rapport publié conformément au contenu fixé par le Gouvernement flamand et accessible au public par voie électronique.
L'OSB peut décider de publier un rapport simplifié, accessible par voie électronique au public, concernant une enquête de sécurité qui ne concerne pas un accident de mer très grave ou grave et dont les résultats ne permettent pas de prévenir de futurs accidents ou incidents de mer.
§ 2. L'OSB met tout en oeuvre pour que les rapports visés au paragraphe 1, y compris leurs conclusions et toute recommandation de sécurité, soient mis à la disposition du public, notamment du secteur des transports maritimes, dans les douze mois suivant la date de l'accident ou de l'incident de mer. S'il n'est pas possible de rendre le rapport visé au paragraphe 1, disponible dans ce délai, un rapport intermédiaire est établi dans les douze mois suivant le jour de l'accident ou incident de mer, qui est accessible au public par voie électronique.
§ 3. L'OSB envoie à la Commission européenne une copie du rapport, du rapport simplifié ou du rapport intermédiaire visé aux paragraphes 1 et 2. En vue d'améliorer la qualité des rapports visés au paragraphe 1 et de la manière la plus appropriée pour réaliser les objectifs visés à l'article 93, l'OSB tient compte, indépendamment des conclusions de fond, de toute observation technique formulée par la Commission sur ces rapports.
L'OSB peut décider de publier un rapport simplifié, accessible par voie électronique au public, concernant une enquête de sécurité qui ne concerne pas un accident de mer très grave ou grave et dont les résultats ne permettent pas de prévenir de futurs accidents ou incidents de mer.
§ 2. L'OSB met tout en oeuvre pour que les rapports visés au paragraphe 1, y compris leurs conclusions et toute recommandation de sécurité, soient mis à la disposition du public, notamment du secteur des transports maritimes, dans les douze mois suivant la date de l'accident ou de l'incident de mer. S'il n'est pas possible de rendre le rapport visé au paragraphe 1, disponible dans ce délai, un rapport intermédiaire est établi dans les douze mois suivant le jour de l'accident ou incident de mer, qui est accessible au public par voie électronique.
§ 3. L'OSB envoie à la Commission européenne une copie du rapport, du rapport simplifié ou du rapport intermédiaire visé aux paragraphes 1 et 2. En vue d'améliorer la qualité des rapports visés au paragraphe 1 et de la manière la plus appropriée pour réaliser les objectifs visés à l'article 93, l'OSB tient compte, indépendamment des conclusions de fond, de toute observation technique formulée par la Commission sur ces rapports.
Art.107. Degenen voor wie de veiligheidsaanbevelingen van de OSB bestemd zijn, houden er op passende wijze rekening mee. Ze geven er, waar nodig, een passend gevolg aan conform het recht.
De OSB doet, wanneer zulks noodzakelijk is, veiligheidsaanbevelingen op basis van een abstracte analyse van gegevens en de algemene resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken.
In een veiligheidsaanbeveling wordt onder geen beding de aansprakelijkheid voor een scheepvaartongeval of -incident bepaald of de schuldvraag beantwoord.
De OSB is bevoegd om te onderzoeken hoe de betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of overheden, waarvan het handelen of nalaten blijkens het oordeel van de OSB heeft bijgedragen tot het ontstaan van het scheepvaartongeval of -incident, de veiligheidsaanbevelingen hebben opgevolgd. De OSB kan de genomen herstelmaatregelen onderzoeken teneinde desgevallend bijkomende veiligheidsaanbevelingen te doen.
De OSB doet, wanneer zulks noodzakelijk is, veiligheidsaanbevelingen op basis van een abstracte analyse van gegevens en de algemene resultaten van uitgevoerde veiligheidsonderzoeken.
In een veiligheidsaanbeveling wordt onder geen beding de aansprakelijkheid voor een scheepvaartongeval of -incident bepaald of de schuldvraag beantwoord.
De OSB is bevoegd om te onderzoeken hoe de betrokken natuurlijke personen, rechtspersonen of overheden, waarvan het handelen of nalaten blijkens het oordeel van de OSB heeft bijgedragen tot het ontstaan van het scheepvaartongeval of -incident, de veiligheidsaanbevelingen hebben opgevolgd. De OSB kan de genomen herstelmaatregelen onderzoeken teneinde desgevallend bijkomende veiligheidsaanbevelingen te doen.
Art.107. Les destinataires des recommandations de sécurité de l'OSB en tiennent dûment compte. Le cas échéant, ils y donnent suite conformément au droit.
L'OSB formule des recommandations de sécurité lorsque cela est nécessaire, sur la base d'une analyse abstraite des données et des résultats généraux des enquêtes de sécurité effectuées.
En aucun cas, une recommandation de sécurité ne détermine la responsabilité d'un accident ou d'un incident de mer ou ne répond à la question de la culpabilité.
L'OSB est autorisé à enquêter sur la manière dont les personnes physiques ou morales ou les autorités concernées, dont les actes ou omissions ont, selon l'OSB, contribué à la survenance de l'accident ou incident de mer, ont respecté les recommandations de sécurité. L'OSB peut examiner les mesures correctives prises afin de formuler, le cas échéant, des recommandations de sécurité supplémentaires.
L'OSB formule des recommandations de sécurité lorsque cela est nécessaire, sur la base d'une analyse abstraite des données et des résultats généraux des enquêtes de sécurité effectuées.
En aucun cas, une recommandation de sécurité ne détermine la responsabilité d'un accident ou d'un incident de mer ou ne répond à la question de la culpabilité.
L'OSB est autorisé à enquêter sur la manière dont les personnes physiques ou morales ou les autorités concernées, dont les actes ou omissions ont, selon l'OSB, contribué à la survenance de l'accident ou incident de mer, ont respecté les recommandations de sécurité. L'OSB peut examiner les mesures correctives prises afin de formuler, le cas échéant, des recommandations de sécurité supplémentaires.
Art.108. Onverminderd haar recht om een vroegtijdige waarschuwing te geven, brengt de OSB, ongeacht de fase van het veiligheidsonderzoek, de Europese Commissie onverwijld op de hoogte van de noodzaak om een vroegtijdige waarschuwing te geven wanneer zij van mening is dat er op het niveau van de Europese Unie dringende maatregelen moeten worden genomen teneinde het risico van nieuwe scheepvaartongevallen te voorkomen.
De OSB brengt de Europese Commissie op de hoogte van scheepvaartongevallen en -incidenten in de door de Vlaamse Regering beschreven vorm. De OSB verstrekt de Europese Commissie tevens gegevens die het veiligheidsonderzoek oplevert overeenkomstig de regeling van de Europese elektronische databank die door de Europese Commissie wordt opgezet onder de naam Europees Informatieplatform voor scheepvaartongevallen (EMCIP).
De OSB brengt de Europese Commissie op de hoogte van scheepvaartongevallen en -incidenten in de door de Vlaamse Regering beschreven vorm. De OSB verstrekt de Europese Commissie tevens gegevens die het veiligheidsonderzoek oplevert overeenkomstig de regeling van de Europese elektronische databank die door de Europese Commissie wordt opgezet onder de naam Europees Informatieplatform voor scheepvaartongevallen (EMCIP).
Art.108. Sans préjudice de son droit d'alerte rapide, quel que soit le stade de l'enquête de sécurité, l'OSB informe sans délai la Commission européenne de la nécessité d'une alerte rapide lorsqu'elle estime qu'il est nécessaire de prendre des mesures urgentes au niveau de l'Union européenne pour prévenir le risque de nouveaux accidents de mer.
L'OSB informe la Commission européenne des accidents et incidents de mer sous la forme décrite par le Gouvernement flamand. L'OSB fournit également à la Commission européenne les données résultant de l'enquête de sécurité conformément au régime de la base de données électronique européenne mise en place par la Commission européenne sous le nom de European Marine Casualty Information Platform (EMCIP).
L'OSB informe la Commission européenne des accidents et incidents de mer sous la forme décrite par le Gouvernement flamand. L'OSB fournit également à la Commission européenne les données résultant de l'enquête de sécurité conformément au régime de la base de données électronique européenne mise en place par la Commission européenne sous le nom de European Marine Casualty Information Platform (EMCIP).
Art.109. Bij het veiligheidsonderzoek wordt rekening gehouden met de relevante bepalingen van de richtsnoeren betreffende de billijke behandeling van zeelieden bij scheepvaartongevallen, in de bijlage bij resolutie LEG.3(91) van de juridische commissie van de Internationale Maritieme Organisatie van 27 april 2006 zoals goedgekeurd door de raad van bestuur van de Internationale Arbeidsorganisatie in haar 296e zitting van 12 tot 16 juni 2006.
Art.109. L'enquête de sécurité tient compte des dispositions pertinentes des lignes directrices sur le traitement équitable des gens de mer en cas d'accident de mer, telles qu'elles figurent à l'annexe de la résolution LEG.3(91) de la commission juridique de l'Organisation maritime internationale du 27 avril 2006, telles qu'approuvées par le conseil d'administration de l'Organisation internationale du travail lors de sa 296ème session du 12 au 16 juin 2006.
TITEL 6. - Handhaving
TITRE 6. - Maintien
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions générales
Art.110. Het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving is, met uitzondering van artikel 62 van voormeld kaderdecreet, van toepassing op de handhaving van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten.
Aanvullend op artikel 26, § 3, van voormeld kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, zijn de personeelsleden van de scheepvaartpolitie vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt eveneens bevoegd voor de bestuurlijke opsporing van de inbreuken, vermeld in artikel [1 133, eerste lid, 1° tot en met 6°]1.
De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaronder de scheepvaartpolitie wordt ingeschakeld.
Hoofdstuk 5. van voormeld kaderdecreet is van toepassing, met dien verstande dat het bedrag van de onmiddellijke inning, vermeld in artikel 32 van dit kaderdecreet, gelijk is aan 200 euro voor natuurlijke personen en 1250 euro voor rechtspersonen.
Bestuurlijke geldelijke sancties worden geïnd en ingevorderd ten voordele van het [2 Vlaamse Gewest]2. In de mate dat zij werden opgelegd door De Vlaamse Waterweg nv als beboetingsinstantie, worden zij evenwel geïnd en ingevorderd ten voordele van De Vlaamse Waterweg nv. In de mate dat zij werden opgelegd door de beboetingsinstantie, vermeld in artikel 135, tweede lid, worden zij geïnd en ingevorderd ten voordele van de stad Antwerpen.
In afwijking van artikel 70 van voormeld kaderdecreet, is de Vlaamse Belastingdienst niet betrokken bij de uitvoering van bestuurlijke sancties, opgelegd door de beboetingsinstantie, vermeld in artikel 135, tweede lid.
Aanvullend op artikel 26, § 3, van voormeld kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, zijn de personeelsleden van de scheepvaartpolitie vermeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt eveneens bevoegd voor de bestuurlijke opsporing van de inbreuken, vermeld in artikel [1 133, eerste lid, 1° tot en met 6°]1.
De Vlaamse Regering kan nadere voorwaarden bepalen waaronder de scheepvaartpolitie wordt ingeschakeld.
Hoofdstuk 5. van voormeld kaderdecreet is van toepassing, met dien verstande dat het bedrag van de onmiddellijke inning, vermeld in artikel 32 van dit kaderdecreet, gelijk is aan 200 euro voor natuurlijke personen en 1250 euro voor rechtspersonen.
Bestuurlijke geldelijke sancties worden geïnd en ingevorderd ten voordele van het [2 Vlaamse Gewest]2. In de mate dat zij werden opgelegd door De Vlaamse Waterweg nv als beboetingsinstantie, worden zij evenwel geïnd en ingevorderd ten voordele van De Vlaamse Waterweg nv. In de mate dat zij werden opgelegd door de beboetingsinstantie, vermeld in artikel 135, tweede lid, worden zij geïnd en ingevorderd ten voordele van de stad Antwerpen.
In afwijking van artikel 70 van voormeld kaderdecreet, is de Vlaamse Belastingdienst niet betrokken bij de uitvoering van bestuurlijke sancties, opgelegd door de beboetingsinstantie, vermeld in artikel 135, tweede lid.
Art.110. Le décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif est, à l'exception de l'article 62 du décret-cadre précité, applicable au maintien du présent décret et de ses arrêtés d'application.
En complément de l'article 26, § 3, du décret-cadre du 22 mars 2019 précité relatif au maintien administratif, les membres du personnel de la police de la navigation visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police sont également compétents pour la recherche administrative des infractions visées à l'article [1 133, alinéa 1er, 1° à 6°]1.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités auxquelles sont soumises les activités de la police de la navigation.
Le chapitre 5 du décret-cadre précité est applicable, étant entendu que le montant de la perception immédiate, telle que visée à l'article 32 du présent décret-cadre, est de 200 euros pour les personnes physiques et de 1250 euros pour les personnes morales.
Les sanctions financières administratives sont collectées et recouvrées au profit [2 de la Région flamande]2. Dans la mesure où elles ont été imposées par " De Vlaamse Waterweg nv " en tant qu'instance verbalisante, elles seront toutefois perçues et réclamées en faveur de " De Vlaamse Waterweg nv ". Dans la mesure où elles ont été imposées par l'instance verbalisante visée à l'article 135, deuxième alinéa, elles sont perçues et recouvrées en faveur de la ville d'Anvers.
Par dérogation à l'article 70 du décret-cadre précité, le Service flamand des impôts n'est pas associé à l'exécution de sanctions administratives, imposées par l'instance verbalisante visée à l'article 135, alinéa deux.
En complément de l'article 26, § 3, du décret-cadre du 22 mars 2019 précité relatif au maintien administratif, les membres du personnel de la police de la navigation visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police sont également compétents pour la recherche administrative des infractions visées à l'article [1 133, alinéa 1er, 1° à 6°]1.
Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités auxquelles sont soumises les activités de la police de la navigation.
Le chapitre 5 du décret-cadre précité est applicable, étant entendu que le montant de la perception immédiate, telle que visée à l'article 32 du présent décret-cadre, est de 200 euros pour les personnes physiques et de 1250 euros pour les personnes morales.
Les sanctions financières administratives sont collectées et recouvrées au profit [2 de la Région flamande]2. Dans la mesure où elles ont été imposées par " De Vlaamse Waterweg nv " en tant qu'instance verbalisante, elles seront toutefois perçues et réclamées en faveur de " De Vlaamse Waterweg nv ". Dans la mesure où elles ont été imposées par l'instance verbalisante visée à l'article 135, deuxième alinéa, elles sont perçues et recouvrées en faveur de la ville d'Anvers.
Par dérogation à l'article 70 du décret-cadre précité, le Service flamand des impôts n'est pas associé à l'exécution de sanctions administratives, imposées par l'instance verbalisante visée à l'article 135, alinéa deux.
Art.111. Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de op grond van dit decreet daartoe bevoegde overheden beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheden, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke tot weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheden zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse Toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie of de vervolgingsinstantie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie, een onderzoeksrechter of een vervolgingsinstantie, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie, een onderzoeksrechter of een vervolgingsinstantie, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat respectievelijk het Openbaar Ministerie, de onderzoeksrechter of de vervolgingsinstantie heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheden, op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden mag in voorkomend geval niet meer bedragen dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke tot weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de daartoe bevoegde overheden zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse Toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd. Die informatie houdt hij ter beschikking van de voormelde Vlaamse Toezichtcommissie.
Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval, conform artikel 12 van de voormelde verordening opnieuw toegepast.
Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid, bevat, naar het Openbaar Ministerie of de vervolgingsinstantie is gestuurd en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie, een onderzoeksrechter of een vervolgingsinstantie, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie, een onderzoeksrechter of een vervolgingsinstantie, mag de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat respectievelijk het Openbaar Ministerie, de onderzoeksrechter of de vervolgingsinstantie heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen.
Art.111. En application de l'article 23, alinéa 1, e) et h), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), en vertu du présent décret, les autorités compétentes peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 inclus du règlement précité, aux traitements de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête portant sur une personne physique déterminée, si les conditions, visées aux alinéas deux à neuf inclus, sont remplies.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des autorités compétentes, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement susmentionné ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne peut pas dépasser un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité.
La possibilité de dérogation, visée à l'alinéa premier, ne porte pas sur les données indépendantes de l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, la personne concernée soumet durant la période visée à l'alinéa deux une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de toute décision du responsable de traitement de refus ou de restriction des droits visés à l'alinéa premier. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des autorités compétentes visées à l'alinéa premier, sans préjudice de l'application de l'alinéa huit. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre et de la complexité des demandes. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Il tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande.
Une fois l'enquête terminée, les droits visés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère Public ou à l'instance verbalisante et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère Public ou d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que respectivement le Ministère Public ou le juge d'instruction ou l'instance verbalisante a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête.
La possibilité de dérogation visée à l'alinéa premier ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle la personne concernée fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des activités préparatoires y afférentes, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires des autorités compétentes, à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement susmentionné ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne peut pas dépasser un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité.
La possibilité de dérogation, visée à l'alinéa premier, ne porte pas sur les données indépendantes de l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa premier.
Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, la personne concernée soumet durant la période visée à l'alinéa deux une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de toute décision du responsable de traitement de refus ou de restriction des droits visés à l'alinéa premier. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela porterait atteinte aux missions décrétales et réglementaires des autorités compétentes visées à l'alinéa premier, sans préjudice de l'application de l'alinéa huit. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre et de la complexité des demandes. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision. Il tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande.
Une fois l'enquête terminée, les droits visés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa premier a été transmis au Ministère Public ou à l'instance verbalisante et peut conduire à des activités sous la direction du Ministère Public ou d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du Ministère public ou d'un juge d'instruction ou d'une instance verbalisante, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données ne peut répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que respectivement le Ministère Public ou le juge d'instruction ou l'instance verbalisante a confirmé qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête.
HOOFDSTUK 2. - Toezicht en controle
CHAPITRE 2. - Surveillance et contrôle
Art.112. Personeelsleden van bevoegde autoriteiten, waterwegbeheerders, havenbedrijven of het loodswezen kunnen door deze autoriteiten, waterwegbeheerders, havenbedrijven of het loodswezen worden aangewezen als toezichthouder, agent van gerechtelijke politie of bestuurlijk opsporingsagent wanneer zij voldoen aan de Vlaamse Regering bepaalde opleidings- en ervaringsvereisten en andere voorwaarden.
Voor de zone van de Scheldekaaien in de stad Antwerpen (Scheldekaaien zone stad) kunnen personeelsleden van de stad Antwerpen door het college van burgemeester en schepenen onder dezelfde voorwaarden worden aangewezen als toezichthouder of bestuurlijk opsporingsagent bevoegd voor de volgende bepalingen en voorschriften:
1° de bepalingen over de politie van de Beneden-Zeeschelde, vastgesteld overeenkomstig artikel 148 van dit decreet;
2° artikel 30, § 2 tot en met § 4, artikel 31, § 3 en § 4, artikel 41, § 7, en artikel 43, van het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende scheepvaartreglement voor de Beneden-Zeeschelde.
De Vlaamse Regering stelt nader de grenzen vast van de zone, vermeld in het tweede lid.
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden kunnen op voordracht van de bevoegde autoriteiten, waterwegbeheerders, havenbedrijven of het loodswezen door de Vlaamse Regering worden aangesteld [1 als officier van gerechtelijke politie, officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings]1, of bestuurlijk opsporingsagent in de zin van artikel 30, § 1, van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving.
Voor de zone van de Scheldekaaien in de stad Antwerpen (Scheldekaaien zone stad) kunnen personeelsleden van de stad Antwerpen door het college van burgemeester en schepenen onder dezelfde voorwaarden worden aangewezen als toezichthouder of bestuurlijk opsporingsagent bevoegd voor de volgende bepalingen en voorschriften:
1° de bepalingen over de politie van de Beneden-Zeeschelde, vastgesteld overeenkomstig artikel 148 van dit decreet;
2° artikel 30, § 2 tot en met § 4, artikel 31, § 3 en § 4, artikel 41, § 7, en artikel 43, van het koninklijk besluit van 23 september 1992 houdende scheepvaartreglement voor de Beneden-Zeeschelde.
De Vlaamse Regering stelt nader de grenzen vast van de zone, vermeld in het tweede lid.
De in het eerste lid bedoelde personeelsleden kunnen op voordracht van de bevoegde autoriteiten, waterwegbeheerders, havenbedrijven of het loodswezen door de Vlaamse Regering worden aangesteld [1 als officier van gerechtelijke politie, officier van gerechtelijke politie-hulpofficier van de procureur des Konings]1, of bestuurlijk opsporingsagent in de zin van artikel 30, § 1, van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving.
Modifications
Art.112. Les membres du personnel des autorités compétentes, des gestionnaires des voies navigables, des régies portuaires ou du service de pilotage peuvent être désignés par ces autorités, des gestionnaires des voies navigables, des régies portuaires ou le service de pilotage comme superviseur, agent de police judiciaire ou agent de recherche administratif lorsqu'ils répondent à certaines exigences de formation et d'expérience et à d'autres conditions. fixées par le Gouvernement flamand.
Pour la zone des quais de l'Escaut dans la ville d'Anvers (quais de l'Escaut de la zone `ville'), des membres du personnel de la ville d'Anvers peuvent être désignés par le collège des bourgmestre et échevins comme superviseur ou agent de recherche administratif chargé des dispositions et prescriptions suivants aux mêmes conditions :
1° les dispositions relatives à la police de l'Escaut maritime inférieur fixées conformément à l'article 148 du présent décret ;
2° l'article 30, § 2 à § 4 inclus, l'article 31, § 3 et § 4, l'article 41, § 7, et l'article 43 de l'arrêté royal du 23 septembre 1992 portant règlement de navigation de l'Escaut maritime inférieur.
Le Gouvernement flamand fixe les frontières de la zone visée au deuxième alinéa.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1 peuvent, sur la proposition des autorités compétentes, des gestionnaires des voies navigables, des régies portuaires ou du service de pilotage, être désignés par le Gouvernement flamand [1 comme officier de police judiciaire, officier de police judiciaire-auxiliaire du procureur du Roi,]1 ou agent de recherche administratif au sens de l'article 30, § 1, du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif.
Pour la zone des quais de l'Escaut dans la ville d'Anvers (quais de l'Escaut de la zone `ville'), des membres du personnel de la ville d'Anvers peuvent être désignés par le collège des bourgmestre et échevins comme superviseur ou agent de recherche administratif chargé des dispositions et prescriptions suivants aux mêmes conditions :
1° les dispositions relatives à la police de l'Escaut maritime inférieur fixées conformément à l'article 148 du présent décret ;
2° l'article 30, § 2 à § 4 inclus, l'article 31, § 3 et § 4, l'article 41, § 7, et l'article 43 de l'arrêté royal du 23 septembre 1992 portant règlement de navigation de l'Escaut maritime inférieur.
Le Gouvernement flamand fixe les frontières de la zone visée au deuxième alinéa.
Les membres du personnel visés à l'alinéa 1 peuvent, sur la proposition des autorités compétentes, des gestionnaires des voies navigables, des régies portuaires ou du service de pilotage, être désignés par le Gouvernement flamand [1 comme officier de police judiciaire, officier de police judiciaire-auxiliaire du procureur du Roi,]1 ou agent de recherche administratif au sens de l'article 30, § 1, du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif.
Modifications
Art.113. Met behoud van artikel 20, § 2 en § 3, van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, kunnen de in artikel 112 vermelde personeelsleden, een afschrift van het proces-verbaal of het verslag van vaststelling, wanneer het is opgesteld ten laste van buitenlandse personen, ook bezorgen aan de vertegenwoordigers van deze personen in België of, bij ontstentenis, aan de diplomatieke vertegenwoordiging van de staat waarvan zij onderdaan zijn.
Art.113. Sans préjudice de l'article 20, §§ 2 et 3, du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, les membres du personnel visés à l'article 112 peuvent obtenir une copie du procès-verbal ou du rapport de constatation, lorsqu'il est établi à charge de personnes étrangères, le transmettre également aux représentants de ces personnes en Belgique ou, à défaut, à la représentation diplomatique de l'Etat dont elles sont ressortissantes.
Art.114. Met behoud van de bepalingen van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, kan de Vlaamse Regering specifieke detectiemiddelen toelaten voor de vaststelling van misdrijven en inbreuken, omschreven door dit decreet, onder de voorwaarden die ze daaraan verbindt.
De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, moeten, voor zover zij metingen uitvoeren, goedgekeurd of gehomologeerd worden volgens de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering.
Indien een maximum toegelaten snelheid aan het scheepvaartverkeer wordt opgelegd, kan de naleving hiervan door de in artikel 112 vermelde personeelsleden worden gecontroleerd door het vaststellen van de snelheid op basis van het tijdsverloop tussen de doortocht aan twee fysieke punten, zoals sluizen of bruggen, twee geografisch gedefinieerde punten op de waterlijn, of op elke andere manier door de Vlaamse Regering bepaald.
De automatisch werkende toestellen, gebruikt om toezicht te houden op de naleving van dit decreet en zijn uitvoeringsbesluiten, moeten, voor zover zij metingen uitvoeren, goedgekeurd of gehomologeerd worden volgens de modaliteiten bepaald door de Vlaamse Regering.
Indien een maximum toegelaten snelheid aan het scheepvaartverkeer wordt opgelegd, kan de naleving hiervan door de in artikel 112 vermelde personeelsleden worden gecontroleerd door het vaststellen van de snelheid op basis van het tijdsverloop tussen de doortocht aan twee fysieke punten, zoals sluizen of bruggen, twee geografisch gedefinieerde punten op de waterlijn, of op elke andere manier door de Vlaamse Regering bepaald.
Art.114. Sans préjudice des dispositions du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, le Gouvernement flamand peut autoriser des moyens de détection spécifiques pour la constatation des délits et des infractions tels que définis par le présent décret, sous réserve des conditions qu'il y attache.
Les appareils fonctionnant automatiquement, utilisés pour surveiller le respect du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, doivent, pour autant qu'ils réalisent des mesures, être approuvés ou homologués selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand.
Lorsqu'une vitesse maximale autorisée est imposée au trafic maritime, le respect de cette vitesse peut être contrôlé par les membres du personnel visés à l'article 112 en déterminant la vitesse sur la base du temps écoulé entre le passage à deux points physiques, tels que des écluses ou des ponts, deux points géographiquement définis sur la ligne d'eau, ou de toute autre manière fixée par le Gouvernement flamand.
Les appareils fonctionnant automatiquement, utilisés pour surveiller le respect du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, doivent, pour autant qu'ils réalisent des mesures, être approuvés ou homologués selon les modalités fixées par le Gouvernement flamand.
Lorsqu'une vitesse maximale autorisée est imposée au trafic maritime, le respect de cette vitesse peut être contrôlé par les membres du personnel visés à l'article 112 en déterminant la vitesse sur la base du temps écoulé entre le passage à deux points physiques, tels que des écluses ou des ponts, deux points géographiquement définis sur la ligne d'eau, ou de toute autre manière fixée par le Gouvernement flamand.
Art.115. De in artikel 112 vermelde personeelsleden kunnen aanwijzingen en bevelen geven aan de vermoedelijke pleger van een misdrijf of inbreuk.
Art.115. Les membres du personnel visés à l'article 112 peuvent donner des instructions et des ordres à l'auteur présumé du délit ou de l'infraction.
Art.116. Teneinde de toepassing van afdeling 5 van hoofdstuk 1 van titel 3 van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten te verzekeren, hebben toezichthouders van de bevoegde autoriteit het recht te eisen dat hun alle scheepspapieren worden voorgelegd en kunnen zij te allen tijde de nodig geachte richtlijnen geven, onder meer het op het droge zetten of het ledig vertonen van het schip en het uitvoeren van bepaalde werken.
Art.116. Afin d'assurer l'application de la section 5 du chapitre 1 du titre 3 du présent décret et de ses arrêtés d'exécution, les superviseurs de l'autorité compétente ont le droit d'exiger que tous les documents de bord du navire leur soient présentés et peuvent à tout moment émettre les directives qu'ils jugent nécessaires, y compris la mise en cale sèche ou à vide du navire et l'exécution de certains travaux.
Art.117. De bevoegde autoriteit verifieert regelmatig of de terminals aan de voorschriften van [1 artikel 73, § 1, eerste lid, 1°, artikel 75, eerste lid,]1 en artikel 76 voldoen. Daarbij voert ze tijdens laad- en losverrichtingen onaangekondigde inspecties uit.
Daarnaast verifieert de bevoegde autoriteit aan het einde van de in artikel 74 vermelde termijn of de nieuwe terminals aan de in [1 artikel 73, § 1, eerste lid, 4°,]1 vermelde vereisten voldoen.
Daarnaast verifieert de bevoegde autoriteit aan het einde van de in artikel 74 vermelde termijn of de nieuwe terminals aan de in [1 artikel 73, § 1, eerste lid, 4°,]1 vermelde vereisten voldoen.
Modifications
Art.117. L'autorité compétente vérifie régulièrement que les terminaux satisfont aux exigences de [1 l'article 73, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'article 75, alinéa 1er]1 et de l'article 76. Ce faisant, elle effectue des inspections inopinées lors des opérations de chargement et de déchargement.
En outre, à la fin du délai visé à l'article 74, l'autorité compétente vérifie si les nouveaux terminaux sont conformes aux exigences visées à [1 l'article 73, § 1er, alinéa 1er, 4°]1.
En outre, à la fin du délai visé à l'article 74, l'autorité compétente vérifie si les nouveaux terminaux sont conformes aux exigences visées à [1 l'article 73, § 1er, alinéa 1er, 4°]1.
Modifications
HOOFDSTUK 3. - Sancties
CHAPITRE 3. - Sanctions
Afdeling 1. - Strafsancties
Section 1re. - Sanctions pénales
Art.118. De volgende personen worden gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 100 tot 2000 euro of met een van deze straffen:
1° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 15;
2° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 24;
3° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 25;
4° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 26, eerste lid, behalve als artikel 53, § 1, 8°, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum voor het betrokken feit reeds in een straf voorziet;
5° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 27;
6° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 35;
7° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 49 tot en met 52;
8° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 69.
1° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 15;
2° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 24;
3° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 25;
4° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 26, eerste lid, behalve als artikel 53, § 1, 8°, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de begeleiding van de scheepvaart op de maritieme toegangswegen en de organisatie van het Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum voor het betrokken feit reeds in een straf voorziet;
5° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 27;
6° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 35;
7° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 49 tot en met 52;
8° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 69.
Art.118. Les personnes suivantes sont punies d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 100 euros à 2000 euros ou de l'une de ces peines seulement :
1° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 15 ;
2° celui qui se rend coupable d'une infraction à l'article 24 ;
3° celui qui se rend coupable d'une infraction à l'article 25 ;
4° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 26, alinéa 1, sauf si l'article 53, § 1, 8°, du décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du " Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum " (Centre de coordination et de sauvetage maritimes) prévoit déjà une peine pour le fait concerné ;
5° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 27 ;
6° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 35 ;
7° la personne qui se rend coupable d'une infraction aux articles 49 à 52 inclus ;
8° la personne qui s'est rendu coupable d'une infraction à l'article 69.
1° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 15 ;
2° celui qui se rend coupable d'une infraction à l'article 24 ;
3° celui qui se rend coupable d'une infraction à l'article 25 ;
4° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 26, alinéa 1, sauf si l'article 53, § 1, 8°, du décret du 16 juin 2006 relatif à l'assistance à la navigation sur les voies d'accès maritimes et à l'organisation du " Maritiem Reddings- en Coördinatiecentrum " (Centre de coordination et de sauvetage maritimes) prévoit déjà une peine pour le fait concerné ;
5° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 27 ;
6° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 35 ;
7° la personne qui se rend coupable d'une infraction aux articles 49 à 52 inclus ;
8° la personne qui s'est rendu coupable d'une infraction à l'article 69.
Art.119. Eenieder die de personeelsleden, vermeld in artikel 112, opzettelijk belemmert of hindert bij de uitvoering van hun opdrachten, wordt gestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden of met een geldboete van 200 euro tot 10.000 euro, of met beide straffen, met behoud van de toepassing van de straffen, bepaald in artikel 271 tot en met 274 van het Strafwetboek.
Art.119. Toute personne qui, de propos délibéré, entrave ou gêne les membres du personnel visés à l'article 112, à l'exécution de leurs missions, est punie d'un emprisonnement de huit jours à six mois ou d'une amende de 200 euros à 10.000 euros, ou des deux peines, sans préjudice de l'application des peines prévues aux articles 271 à 274 inclus du Code pénal.
Art.120. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van 200 euro tot 50.000 euro of met één van deze straffen, degene die artikel 17 en 140 overtreedt.
Art.120. Les personnes suivantes sont punies d'un emprisonnement de quinze jours à un an et d'une amende de 200 euros à 50.000 euros ou de l'une de ces peines, celui qui contrevient aux articles 17 et 140.
Art.121. § 1. Met gevangenisstraf van een maand tot twee jaar en met een geldboete van 50 tot 5000 euro wordt gestraft, de gezagvoerder, de eigenaar of de exploitant van een schip die, in strijd met de bepalingen van artikel 56, vanuit een haven een schip zee doet kiezen of op de binnenwateren een schip doet varen, als de toestand ervan de veiligheid van de bemanning, van de passagiers of van de lading of het milieu in gevaar brengt.
§ 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 300 euro of met één van die straffen alleen:
1° ieder die de bepalingen van artikel 56 tot en met 60 of artikel 116, alsook de bepalingen van de ter uitvoering van deze artikelen genomen besluiten heeft overtreden;
2° ieder die de opdracht van de bevoegde autoriteit en deskundigen, krachtens artikel 56 tot en met 60, artikel 116, en de uitvoeringsbesluiten uitgeoefend, heeft belemmerd.
§ 3. De in paragraaf 2 gestelde sancties zijn ook van toepassing wanneer de overtreding van artikel 116 of [1 de strafbare feiten, vermeld in paragraaf 2, 2°,]1 door de gezagvoerder, de officieren of door personen van Belgische nationaliteit buiten België zijn gepleegd.
§ 4. De in dit artikel gestelde straffen kunnen ten aanzien van de gezagvoerder verminderd worden tot één vierde van de straffen waarmee de eigenaar of de exploitant van het schip kan gestraft worden, indien bewezen is dat de gezagvoerder van de eigenaar of de exploitant schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen in strijd met artikel 56 tot en met 60, artikel 116, of de uitvoeringsbesluiten te handelen.
§ 5. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 1 tot 25 euro wordt gestraft elk lid van de bemanning dat de retentie van een schip heeft uitgelokt door onjuist bevonden beweringen.
Indien de onjuiste beweringen willens en wetens zijn geuit, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 26 tot 100 euro.
§ 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 26 tot 300 euro of met één van die straffen alleen:
1° ieder die de bepalingen van artikel 56 tot en met 60 of artikel 116, alsook de bepalingen van de ter uitvoering van deze artikelen genomen besluiten heeft overtreden;
2° ieder die de opdracht van de bevoegde autoriteit en deskundigen, krachtens artikel 56 tot en met 60, artikel 116, en de uitvoeringsbesluiten uitgeoefend, heeft belemmerd.
§ 3. De in paragraaf 2 gestelde sancties zijn ook van toepassing wanneer de overtreding van artikel 116 of [1 de strafbare feiten, vermeld in paragraaf 2, 2°,]1 door de gezagvoerder, de officieren of door personen van Belgische nationaliteit buiten België zijn gepleegd.
§ 4. De in dit artikel gestelde straffen kunnen ten aanzien van de gezagvoerder verminderd worden tot één vierde van de straffen waarmee de eigenaar of de exploitant van het schip kan gestraft worden, indien bewezen is dat de gezagvoerder van de eigenaar of de exploitant schriftelijk of mondeling bevel heeft gekregen in strijd met artikel 56 tot en met 60, artikel 116, of de uitvoeringsbesluiten te handelen.
§ 5. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 1 tot 25 euro wordt gestraft elk lid van de bemanning dat de retentie van een schip heeft uitgelokt door onjuist bevonden beweringen.
Indien de onjuiste beweringen willens en wetens zijn geuit, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met een geldboete van 26 tot 100 euro.
Modifications
Art.121. § 1. Est puni d'un emprisonnement d'un mois à deux ans et d'une amende de 50 à 5.000 euros le commandant, le propriétaire ou l'exploitant d'un navire qui, contrairement aux dispositions de l'article 56, fait sortir un navire d'un port ou naviguer sur des voies navigables intérieures si son état met en danger la sécurité de l'équipage, des passagers, de la cargaison ou de l'environnement.
§ 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1, les personnes suivantes sont punies d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 26 euros à 300 euros ou de l'une de ces peines :
1° quiconque a violé les dispositions des articles 56 à 60 ou de l'article 116, ainsi que les dispositions des arrêtés pris en exécution de ces articles ;
2° quiconque a fait obstacle à la mission de l'autorité compétente et des experts, en vertu des articles 56 à 60 inclus, de l'article 116 et des arrêtés d'exécution.
§ 3. Les sanctions prévues au paragraphe 2 sont également applicables si les infractions visées à l'article 116 ou [1 les faits punissables visés au paragraphe 2, 2°,]1 ont été commis par le commandant, les officiers ou par des personnes de nationalité belge hors de Belgique.
§ 4. Les peines prévues au présent article peuvent être réduites, en ce qui concerne le commandant, à un quart des peines dont peut être puni le propriétaire ou l'exploitant du navire, s'il est prouvé que le commandant a reçu du propriétaire ou de l'exploitant des ordres écrits ou verbaux d'agir en violation des articles 56 à 60, de l'article 116 ou des arrêtés d'exécution.
§ 5. Est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 1 à 25 euros, tout membre de l'équipage qui a provoqué la rétention d'un navire par de fausses déclarations.
Si les fausses déclarations ont été faites sciemment, le coupable est puni d'une peine d'emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de 26 à 100 euros.
§ 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1, les personnes suivantes sont punies d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 26 euros à 300 euros ou de l'une de ces peines :
1° quiconque a violé les dispositions des articles 56 à 60 ou de l'article 116, ainsi que les dispositions des arrêtés pris en exécution de ces articles ;
2° quiconque a fait obstacle à la mission de l'autorité compétente et des experts, en vertu des articles 56 à 60 inclus, de l'article 116 et des arrêtés d'exécution.
§ 3. Les sanctions prévues au paragraphe 2 sont également applicables si les infractions visées à l'article 116 ou [1 les faits punissables visés au paragraphe 2, 2°,]1 ont été commis par le commandant, les officiers ou par des personnes de nationalité belge hors de Belgique.
§ 4. Les peines prévues au présent article peuvent être réduites, en ce qui concerne le commandant, à un quart des peines dont peut être puni le propriétaire ou l'exploitant du navire, s'il est prouvé que le commandant a reçu du propriétaire ou de l'exploitant des ordres écrits ou verbaux d'agir en violation des articles 56 à 60, de l'article 116 ou des arrêtés d'exécution.
§ 5. Est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 1 à 25 euros, tout membre de l'équipage qui a provoqué la rétention d'un navire par de fausses déclarations.
Si les fausses déclarations ont été faites sciemment, le coupable est puni d'une peine d'emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de 26 à 100 euros.
Modifications
Art.122. Met de straffen gesteld in artikel 276 en 280 van het Strafwetboek naar het aldaar voorziene onderscheid en met behoud van de toepassing van artikel 399, 400 en 401 van hetzelfde wetboek, wordt gestraft ieder die de personeelsleden van de bevoegde autoriteit in de uitoefening of naar aanleiding van de uitoefening van hun ambt smaadt of slaat.
Gezegde personeelsleden hebben het recht de bij dit artikel bedoelde strafbare handelingen op staande voet vast te stellen door middel van een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
Gezegde personeelsleden hebben het recht de bij dit artikel bedoelde strafbare handelingen op staande voet vast te stellen door middel van een proces-verbaal dat bewijskracht heeft tot het tegenbewijs is geleverd.
Art.122. Est punie des peines prévues aux articles 276 et 280 du Code pénal selon la distinction qui y est prévue et sans préjudice de l'application des articles 399, 400 et 401 du même Code, quiconque diffame ou frappe les membres du personnel de l'autorité compétente dans l'exercice ou à l'occasion de l'exercice de leurs fonctions.
Les membres du personnel désignés ont le droit de constater de manière immédiate les actes punissables visés au présent article par un procès-verbal faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Les membres du personnel désignés ont le droit de constater de manière immédiate les actes punissables visés au présent article par un procès-verbal faisant foi jusqu'à preuve du contraire.
Art.123. Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 26 euro tot 500 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft:
1° hij die, in strijd met artikel 61, het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet bij zich heeft of ter inzage beschikbaar heeft;
2° hij die, in strijd met artikel 61, het kwalificatiecertificaat, de vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet vertoont aan de in artikel 112 bedoelde persoon die erom verzoekt;
3° hij die, in strijd met artikel 64, zijn in artikel 61 bedoelde kwalificatiecertificaat of vergunning niet binnen tien dagen inlevert bij de bevoegde autoriteit die het kwalificatiecertificaat of de vergunning afgegeven heeft wanneer hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering bepaald.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 250 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft:
1° hij die, in strijd met artikel 61, niet beschikt over het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift;
2° hij die de activiteiten verricht waarvoor hij overeenkomstig artikel 61 moet beschikken over een kwalificatiecertificaat, een vergunning of een gelijkwaardig getuigschrift, terwijl hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 64 bepaald.
3° hij die op een andere wijze de bepalingen van de ter uitvoering van artikel 61 tot 64 genomen besluiten heeft overtreden.
De straffen, vermeld in dit artikel, worden verdubbeld bij herhaling binnen het jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Dit lid vindt geen toepassing in het geval dat een overtreding als vermeld in het tweede lid volgt op een overtreding als vermeld in het eerste lid.
1° hij die, in strijd met artikel 61, het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet bij zich heeft of ter inzage beschikbaar heeft;
2° hij die, in strijd met artikel 61, het kwalificatiecertificaat, de vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift niet vertoont aan de in artikel 112 bedoelde persoon die erom verzoekt;
3° hij die, in strijd met artikel 64, zijn in artikel 61 bedoelde kwalificatiecertificaat of vergunning niet binnen tien dagen inlevert bij de bevoegde autoriteit die het kwalificatiecertificaat of de vergunning afgegeven heeft wanneer hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering bepaald.
Met gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met geldboete van 250 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft:
1° hij die, in strijd met artikel 61, niet beschikt over het vereiste kwalificatiecertificaat, de vereiste vergunning of het gelijkwaardige getuigschrift;
2° hij die de activiteiten verricht waarvoor hij overeenkomstig artikel 61 moet beschikken over een kwalificatiecertificaat, een vergunning of een gelijkwaardig getuigschrift, terwijl hij er zich van bewust is te lijden aan een van de gebreken of een van de kwalen door de Vlaamse Regering in uitvoering van artikel 64 bepaald.
3° hij die op een andere wijze de bepalingen van de ter uitvoering van artikel 61 tot 64 genomen besluiten heeft overtreden.
De straffen, vermeld in dit artikel, worden verdubbeld bij herhaling binnen het jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan. Dit lid vindt geen toepassing in het geval dat een overtreding als vermeld in het tweede lid volgt op een overtreding als vermeld in het eerste lid.
Art.123. Est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 26 euros à 500 euros ou d'une de ces peines seulement :
1° celui qui, en violation de l'article 61, n'a pas le certificat de qualification requis, le permis requis ou le certificat équivalent requis ou n'a pas la possibilité de le consulter ;
2° celui qui, en violation de l'article 61, ne présente pas le certificat de qualification, le permis ou le certificat équivalent à la personne visée à l'article 112 qui en fait la demande ;
3° celui qui, en violation de l'article 64, ne remet pas, dans les dix jours, le certificat de qualification ou le permis visé à l'article 61 à l'autorité compétente qui a délivré le certificat de qualification ou le permis, lorsqu'il sait qu'il est atteint d'un des défauts ou d'une des maladies prévus par le Gouvernement flamand.
Est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 250 euros à 2000 euros ou d'une de ces peines seulement :
1° celui qui, contrairement à l'article 61, ne possède pas le certificat de qualification requis, l'autorisation requise ou le certificat équivalent ;
2° celui qui exerce les activités pour lesquelles il doit disposer d'un certificat de qualification, d'une autorisation ou d'un certificat équivalent conformément à l'article 61, alors qu'il est conscient de souffrir d'une des déficiences ou affections déterminées par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 64.
3° celui qui a autrement violé les dispositions des décisions prises en exécution des articles 61 à 64.
Les peines, visées au présent article, sont doublées en cas de récidive dans l'année à compter du jour du prononcé d'un jugement de condamnation précédent passé en force de chose jugée. Le présent alinéa ne s'applique pas dans le cas où une infraction visée au deuxième alinéa suit une infraction visée au premier alinéa.
1° celui qui, en violation de l'article 61, n'a pas le certificat de qualification requis, le permis requis ou le certificat équivalent requis ou n'a pas la possibilité de le consulter ;
2° celui qui, en violation de l'article 61, ne présente pas le certificat de qualification, le permis ou le certificat équivalent à la personne visée à l'article 112 qui en fait la demande ;
3° celui qui, en violation de l'article 64, ne remet pas, dans les dix jours, le certificat de qualification ou le permis visé à l'article 61 à l'autorité compétente qui a délivré le certificat de qualification ou le permis, lorsqu'il sait qu'il est atteint d'un des défauts ou d'une des maladies prévus par le Gouvernement flamand.
Est puni d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 250 euros à 2000 euros ou d'une de ces peines seulement :
1° celui qui, contrairement à l'article 61, ne possède pas le certificat de qualification requis, l'autorisation requise ou le certificat équivalent ;
2° celui qui exerce les activités pour lesquelles il doit disposer d'un certificat de qualification, d'une autorisation ou d'un certificat équivalent conformément à l'article 61, alors qu'il est conscient de souffrir d'une des déficiences ou affections déterminées par le Gouvernement flamand en exécution de l'article 64.
3° celui qui a autrement violé les dispositions des décisions prises en exécution des articles 61 à 64.
Les peines, visées au présent article, sont doublées en cas de récidive dans l'année à compter du jour du prononcé d'un jugement de condamnation précédent passé en force de chose jugée. Le présent alinéa ne s'applique pas dans le cas où une infraction visée au deuxième alinéa suit une infraction visée au premier alinéa.
Art.124. De overtredingen van de in uitvoering van artikel 67 genomen besluiten en de overtreding van de voorwaarden die zijn verbonden aan de individuele toestemming, bepaald in artikel 68, worden bestraft met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 50 tot 500 euro of met één van die straffen.
Art.124. Les infractions aux décisions prises en exécution de l'article 67 et l'infraction aux conditions liées au consentement individuel, visées à l'article 68, sont punies d'un emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 50 à 500 euros ou d'une de ces peines.
Art.125. Wordt gestraft met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot één jaar en met een geldboete van 200 euro tot 50.000 euro of met één van deze straffen, degene die de bepalingen van afdeling 9 van hoofdstuk 1 van titel 3, alsook de bepalingen van de ter uitvoering van deze afdeling genomen besluiten heeft overtreden.
Art.125. Est puni d'une peine d'emprisonnement de quinze jours à un an et d'une amende de 200 à 50 000 euros ou d'une de ces peines, celui qui a violé les dispositions de la section 9 du chapitre 1 du titre 3, ainsi que les dispositions des décisions prises en application de cette section.
Art.126. Met gevangenisstraf van zes maanden tot twee jaar en met geldboete van 50 euro tot 5000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, eenieder die de bepalingen van titel 5 en zijn uitvoeringsbesluiten heeft overtreden of die de uitvoering van de opdracht van de OSB of een andere onderzoeksinstantie uitgeoefend krachtens deze bepalingen heeft belemmerd.
Art.126. Est puni d'un emprisonnement de six mois à deux ans et d'une amende de 50 à 5.000 euros ou d'une de ces peines seulement, celui qui a violé les dispositions du titre 5 et de ses arrêtés d'exécution ou qui a entravé l'exécution de la mission de l'OSB ou de tout autre organe d'enquête exercée en vertu de ces dispositions.
Art.127. Met gevangenisstraf van acht dagen tot zes maanden en met geldboete van 50 euro tot 10.000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, eenieder die zich schuldig maakt aan een overtreding van de besluiten die werden genomen bij toepassing van artikel 147.
Art.127. Est puni d'un emprisonnement de huit jours à six mois et d'une amende de 50 à 10.000 euros ou d'une de ces peines seulement, celui qui se rend coupable d'une infraction aux décisions prises en application de l'article 147.
Art.128. Elke overtreding van artikel 99, tweede lid, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
Art.128. Toute violation de l'article 99, alinéa 2, est punie de la peine prévue à l'article 458 du code pénal.
Art.129. Met behoud van artikel 123, § 3, kunnen de maximale straffen, vermeld in deze afdeling, worden verdubbeld in geval van herhaling binnen vijf jaar.
Art.129. Sans préjudice de l'article 123, § 3, les peines maximales visées à la présente section sont doublées en cas de récidive dans un délai de cinq ans.
Art.130. Alle bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn van toepassing op de bij of krachtens dit decreet vastgestelde misdrijven. In geval van herhaling is artikel 85 van het Strafwetboek evenwel niet van toepassing.
Art.130. Toutes les dispositions du livre I du Code pénal sont applicables aux infractions établies par ou en vertu du présent décret. Toutefois, en cas de récidive, l'article 85 du Code pénal ne s'applique pas.
Art.131. De vervolging van misdrijven verjaart na verloop van vijf jaar na het feit waaruit de strafvordering is ontstaan.
Art.131. La poursuite des infractions se prescrit par cinq ans à compter du fait qui a donné lieu à l'action publique.
Art.132. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes en kosten waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.
De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de schadevergoedingen, kosten en geldboetes waartoe hun organen zijn veroordeeld.
De rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de schadevergoedingen, kosten en geldboetes waartoe hun organen zijn veroordeeld.
Art.132. L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes et frais infligés à leurs mandataires ou préposés.
Les personnes morales sont civilement responsables du paiement des dommages, frais et amendes infligés à leurs organes.
Les personnes morales sont civilement responsables du paiement des dommages, frais et amendes infligés à leurs organes.
Afdeling 2. - Bestuurlijke sancties
Section 2. - Sanctions administratives
Art.133. De volgende personen worden gesanctioneerd met een exclusieve bestuurlijke geldboete:
1° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van de overeenkomstig artikel 148 vastgestelde verbods- of gebodsbepalingen;
2° de organisator van een activiteit of evenement als vermeld in artikel 29 die niet beschikt over een toelating van de beheerder van het jaagpad;
3° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 34;
[1 3° /1 degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 39;
3° /2 degene die zich schuldig maakt aan de miskenning van een tijdelijk verbod of een tijdelijke beperking als vermeld in artikel 41.]1
4° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 46;
5° de eigenaar of de exploitant van een schip dat de binnenwateren bevaart zonder aan de krachtens artikel 47 opgelegde verplichting te hebben voldaan;
6° de eigenaar of de exploitant van een schip dat, in overtreding van het door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 53 vastgestelde besluit, niet over een verplicht boorddocument beschikt;
7° degene die gebruik maakt van de waterweg zonder te voldoen aan artikel 79 tot en met 82 of de krachtens deze artikelen uitgevaardigde besluiten.
De bestuurlijke geldboete bedraagt, per inbreuk, maximum 1000 euro voor natuurlijke personen en 5000 euro voor rechtspersonen.
1° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van de overeenkomstig artikel 148 vastgestelde verbods- of gebodsbepalingen;
2° de organisator van een activiteit of evenement als vermeld in artikel 29 die niet beschikt over een toelating van de beheerder van het jaagpad;
3° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 34;
[1 3° /1 degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 39;
3° /2 degene die zich schuldig maakt aan de miskenning van een tijdelijk verbod of een tijdelijke beperking als vermeld in artikel 41.]1
4° degene die zich schuldig maakt aan een overtreding van artikel 46;
5° de eigenaar of de exploitant van een schip dat de binnenwateren bevaart zonder aan de krachtens artikel 47 opgelegde verplichting te hebben voldaan;
6° de eigenaar of de exploitant van een schip dat, in overtreding van het door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 53 vastgestelde besluit, niet over een verplicht boorddocument beschikt;
7° degene die gebruik maakt van de waterweg zonder te voldoen aan artikel 79 tot en met 82 of de krachtens deze artikelen uitgevaardigde besluiten.
De bestuurlijke geldboete bedraagt, per inbreuk, maximum 1000 euro voor natuurlijke personen en 5000 euro voor rechtspersonen.
Modifications
Art.133. Les personnes suivantes sont sanctionnées d'une amende administrative exclusive :
1° la personne qui se rend coupable d'une infraction aux interdictions ou commandements établis conformément à l'article 148 ;
2° l'organisateur d'une activité ou d'un événement visé à l'article 29 qui ne dispose pas d'une autorisation du gestionnaire du chemin de halage ;
3° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 34 ;
[1 3° /1 la personne qui s'est rendue coupable d'une infraction à l'article 39 ;
3° /2 la personne qui s'est rendue coupable de non-respect d'une interdiction temporaire ou d'une restriction temporaire telles que visées à l'article 41.]1
4° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 46 ;
5° le propriétaire ou l'exploitant d'un bateau naviguant dans les eaux intérieures sans avoir satisfait à l'obligation imposée en vertu de l'article 47 ;
6° le propriétaire ou l'exploitant d'un bateau qui, en violation de l'arrêté pris par le Gouvernement flamand conformément à l'article 53, ne dispose pas d'un document de bord obligatoire ;
7° celui qui fait usage de la voie navigable sans satisfaire aux articles 79 à 82 inclus ou aux arrêtés promulgués en application de ces articles.
L'amende administrative ne dépasse pas 1 000 euros pour les personnes physiques et 5 000 euros pour les personnes morales pour chaque infraction.
1° la personne qui se rend coupable d'une infraction aux interdictions ou commandements établis conformément à l'article 148 ;
2° l'organisateur d'une activité ou d'un événement visé à l'article 29 qui ne dispose pas d'une autorisation du gestionnaire du chemin de halage ;
3° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 34 ;
[1 3° /1 la personne qui s'est rendue coupable d'une infraction à l'article 39 ;
3° /2 la personne qui s'est rendue coupable de non-respect d'une interdiction temporaire ou d'une restriction temporaire telles que visées à l'article 41.]1
4° la personne qui se rend coupable d'une infraction à l'article 46 ;
5° le propriétaire ou l'exploitant d'un bateau naviguant dans les eaux intérieures sans avoir satisfait à l'obligation imposée en vertu de l'article 47 ;
6° le propriétaire ou l'exploitant d'un bateau qui, en violation de l'arrêté pris par le Gouvernement flamand conformément à l'article 53, ne dispose pas d'un document de bord obligatoire ;
7° celui qui fait usage de la voie navigable sans satisfaire aux articles 79 à 82 inclus ou aux arrêtés promulgués en application de ces articles.
L'amende administrative ne dépasse pas 1 000 euros pour les personnes physiques et 5 000 euros pour les personnes morales pour chaque infraction.
Modifications
Art.134. Voor de misdrijven, vermeld in artikel 118 tot en met 128, kan een alternatieve bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
Art.134. Pour les infractions visées aux articles 118 à 128, une amende administrative alternative peut être infligée.
Art.135. Binnen haar taakomschrijving als bepaald bij artikel 5 en 5bis van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, is De Vlaamse Waterweg nv de vervolgingsinstantie en de beboetingsinstantie in de zin van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving.
Voor de zone van de Scheldekaaien in de stad Antwerpen (Scheldekaaien zone stad), vastgesteld overeenkomstig artikel 112, derde lid, kunnen personeelsleden van de stad Antwerpen door het college van burgemeester en schepenen worden aangewezen als vervolgingsinstantie of als beboetingsinstantie in de zin van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, bevoegd voor de in artikel 112, tweede lid, vermelde bepalingen en voorschriften.
Voor de zone van de Scheldekaaien in de stad Antwerpen (Scheldekaaien zone stad), vastgesteld overeenkomstig artikel 112, derde lid, kunnen personeelsleden van de stad Antwerpen door het college van burgemeester en schepenen worden aangewezen als vervolgingsinstantie of als beboetingsinstantie in de zin van het kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving, bevoegd voor de in artikel 112, tweede lid, vermelde bepalingen en voorschriften.
Art.135. Dans le cadre de sa description des tâches prévue par les articles 5 et 5bis du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public " De Vlaamse Waterweg nv ", société anonyme de droit public, " De Vlaamse Waterweg nv " est l'autorité de poursuite et d'amende au sens du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif.
Pour la zone des quais de l'Escaut de la ville d'Anvers (quais de l'Escaut de la zone `ville'), établie conformément à l'article 112, troisième alinéa, des membres du personnel de la ville d'Anvers peuvent être désignés par le collège des bourgmestre et échevins comme instance de poursuite ou instance verbalisante au sens du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, compétente pour les dispositions et prescriptions visés à l'article 112, deuxième alinéa.
Pour la zone des quais de l'Escaut de la ville d'Anvers (quais de l'Escaut de la zone `ville'), établie conformément à l'article 112, troisième alinéa, des membres du personnel de la ville d'Anvers peuvent être désignés par le collège des bourgmestre et échevins comme instance de poursuite ou instance verbalisante au sens du décret-cadre du 22 mars 2019 relatif au maintien administratif, compétente pour les dispositions et prescriptions visés à l'article 112, deuxième alinéa.
Art.136. § 1. Met uitzondering van de personeelsleden, vermeld in artikel 135, tweede lid, wijst de Vlaamse Regering de personeelsleden van de vervolgingsinstantie aan die bevoegd zijn voor het nemen van beslissingen over de bestuurlijke vervolging en de personeelsleden van de beboetingsinstantie die bevoegd zijn voor het opleggen van de bestuurlijke sancties. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden waaraan de personeelsleden moeten voldoen.
§ 2. De vervolgingsinstantie en de beboetingsinstantie, evenals de personeelsleden die binnen die instanties aangesteld zijn om te beslissen over de bestuurlijke vervolging en om de bestuurlijke sancties op te leggen, dienen die bevoegdheid uit te oefenen onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Deze personeelsleden mogen geen beslissing nemen in een dossier waarin ze reeds zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben.
§ 2. De vervolgingsinstantie en de beboetingsinstantie, evenals de personeelsleden die binnen die instanties aangesteld zijn om te beslissen over de bestuurlijke vervolging en om de bestuurlijke sancties op te leggen, dienen die bevoegdheid uit te oefenen onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen.
Deze personeelsleden mogen geen beslissing nemen in een dossier waarin ze reeds zijn opgetreden in een andere hoedanigheid, noch rechtstreeks of onrechtstreeks belang hebben.
Art.136. § 1. A l'exception des membres du personnel visés à l'article 135, alinéa deux, le Gouvernement flamand désigne les membres du personnel de l'instance de poursuite qui sont compétents pour prendre des décisions concernant les poursuites administratives et les membres du personnel de l'instance verbalisante qui sont compétents pour l'imposition de sanctions administratives. Le Gouvernement flamand précise les conditions spécifiques auxquelles doivent satisfaire les membres du personnel.
§ 2. L'instance de poursuite et l'instance verbalisante, ainsi que les membres du personnel désignés au sein de ces instances pour décider des poursuites administratives et pour imposer les sanctions administratives, doivent exercer cette compétence dans des conditions qui garantissent leur indépendance et leur impartialité.
Ces membres du personnel ne peuvent prendre aucune décision dans un dossier dans lequel ils sont déjà intervenus à un autre titre, ni avoir un intérêt direct ou indirect.
§ 2. L'instance de poursuite et l'instance verbalisante, ainsi que les membres du personnel désignés au sein de ces instances pour décider des poursuites administratives et pour imposer les sanctions administratives, doivent exercer cette compétence dans des conditions qui garantissent leur indépendance et leur impartialité.
Ces membres du personnel ne peuvent prendre aucune décision dans un dossier dans lequel ils sont déjà intervenus à un autre titre, ni avoir un intérêt direct ou indirect.
Art.137. Een bestuurlijke geldboete kan niet worden opgelegd als:
1° voor het betrokken feit reeds eerder een bestuurlijke geldboete werd opgelegd;
2° door de strafrechter voor het betrokken feit al eerder een straf werd opgelegd;
3° het betrokken feit eerder al heeft geleid tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldverklaring zonder straf, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een minnelijke schikking.
1° voor het betrokken feit reeds eerder een bestuurlijke geldboete werd opgelegd;
2° door de strafrechter voor het betrokken feit al eerder een straf werd opgelegd;
3° het betrokken feit eerder al heeft geleid tot een vrijspraak, een eenvoudige schuldverklaring zonder straf, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een minnelijke schikking.
Art.137. Une amende administrative ne peut être infligée si :
1° une amende administrative a déjà été infligée pour le fait concerné ;
2° une peine a déjà été prononcée par le juge pénal pour le fait en question ;
3° le fait en question a déjà donné lieu à un acquittement, à une simple déclaration de créance sans peine, à une suspension de l'arrêt de la condamnation ou à un accord à l'amiable.
1° une amende administrative a déjà été infligée pour le fait concerné ;
2° une peine a déjà été prononcée par le juge pénal pour le fait en question ;
3° le fait en question a déjà donné lieu à un acquittement, à une simple déclaration de créance sans peine, à une suspension de l'arrêt de la condamnation ou à un accord à l'amiable.
HOOFDSTUK 4. - Maatregelen van ambtswege
CHAPITRE 4. - Mesures d'office
Afdeling 1. - Ophouden van schepen
Section 1re. - Arrêt de navires
Art.138. Met behoud van de toepassing van de sancties bepaald in hoofdstuk 3 van titel 6, hebben de bevoegde autoriteiten het recht om van elk schip dat de bepalingen van dit decreet en de krachtens dit decreet vastgestelde reglementen heeft overtreden de boorddocumenten tijdelijk in te houden totdat de gezagvoerder alle voorschriften nagekomen is, of om het schip stil te doen houden en van ambtswege naar een door hen aan te wijzen plaats te verhalen, waar het zal opgehouden worden totdat de gezagvoerder alle voorschriften nagekomen is. De overeenkomstig artikel 112, tweede lid, aangewezen personeelsleden van de stad Antwerpen hebben hetzelfde recht.
Nochtans, wanneer de gezagvoerder van een geladen schip geen meetbrief kan tonen, of een vervallen meetbrief voorlegt, kan hem door de bevoegde autoriteit de toelating worden gegeven om zijn reis voort te zetten, mits hij zijn schip dadelijk na het lossen zal doen hermeten.
Nochtans, wanneer de gezagvoerder van een geladen schip geen meetbrief kan tonen, of een vervallen meetbrief voorlegt, kan hem door de bevoegde autoriteit de toelating worden gegeven om zijn reis voort te zetten, mits hij zijn schip dadelijk na het lossen zal doen hermeten.
Art.138. Sans préjudice de l'application des sanctions visées au chapitre 3 du titre 6, les autorités compétentes ont le droit de retenir temporairement les documents de bord de tout navire qui a enfreint les dispositions du présent décret et les règlements arrêtés en vertu de ce décret, jusqu'à ce que le commandant se soit conformé à toutes les prescriptions, ou de faire immobiliser le navire et de le ramener d'office à un endroit qu'elles désignent, où il sera retenu jusqu'à ce que le commandant se soit conformé à toutes les prescriptions. Les membres du personnel de la ville d'Anvers désignés conformément à l'article 112, deuxième alinéa, ont le même droit.
Toutefois, lorsque le commandant d'un navire chargé ne peut présenter un certificat de jaugeage ou présente un certificat de jaugeage périmé, il peut être autorisé par l'autorité compétente à poursuivre son voyage, à condition de faire remesurer son navire immédiatement après le déchargement.
Toutefois, lorsque le commandant d'un navire chargé ne peut présenter un certificat de jaugeage ou présente un certificat de jaugeage périmé, il peut être autorisé par l'autorité compétente à poursuivre son voyage, à condition de faire remesurer son navire immédiatement après le déchargement.
Art.139. Naast de sancties voorzien in hoofdstuk 3 van titel 6, kan elk schip dat aan overdreven snelheid vaart, worden opgehouden bij de eerste beweegbare brug of voor de eerste sluis die het moet doorvaren, gedurende het dubbele van de tijd ingewonnen door de overdreven snelheid.
Elk schip waarvan de gezagvoerder de vaart van een ander schip gehinderd of vertraagd heeft, wordt bij de eerste sluis of brug opgehouden, tot na de doorvaart van dit laatste schip.
Elk schip waarvan de gezagvoerder de vaart van een ander schip gehinderd of vertraagd heeft, wordt bij de eerste sluis of brug opgehouden, tot na de doorvaart van dit laatste schip.
Art.139. Outre les sanctions visées au chapitre 3 du titre 6, tout navire naviguant à une vitesse excessive peut être retenu au premier pont mobile ou devant la première écluse qu'il est obligé de franchir, pour une durée égale au double de celle de la vitesse excessive.
Tout navire dont le commandant a entravé ou retardé le passage d'un autre navire doit être retenu à la première écluse ou au premier pont jusqu'au passage de ce dernier navire.
Tout navire dont le commandant a entravé ou retardé le passage d'un autre navire doit être retenu à la première écluse ou au premier pont jusqu'au passage de ce dernier navire.
Afdeling 2. - Ruiming van gestrande, gezonken en onbeheerde schepen en andere obstakels
Section 2. - Dégagement des navires échoués, coulés, non gérés et d'autres obstacles
Art.140. Als niet wordt voldaan aan artikel 17 of in gevallen waarover de waterwegbeheerder of het havenbedrijf oordeelt of als de eigenaar, de huurder, de bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, alsmede de exploitant van het schip onbekend zijn, kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf ambtshalve en op risico van de eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant en van de persoon die aansprakelijk wordt gehouden voor de omstandigheden waardoor het schip gestrand, gezonken of onbeheerd is:
1° een gestrand, gezonken of onbeheerd schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, vlot brengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken;
2° de lading van het schip verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken;
3° het reeds geborgen of verwijderde schip of lading uit de waterweg of de haven wegruimen;
4° alle andere nodige maatregelen treffen voor de veiligheid, de vrijheid van de scheepvaart en de vrijwaring van de functionaliteit van de waterweg of de haven of met het oog op de instandhouding van de waterweg of de haven.
De uitoefening van de door dit artikel toegekende bevoegdheden door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.
Het besluit van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf om, ten aanzien van een schip gebruik te maken van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in een nautische publicatie.
In spoedeisende gevallen, waarover de waterwegbeheerder of het havenbedrijf oordeelt, kan deze bekendmaking achterwege worden gelaten.
Zodra het besluit van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf werd bekendgemaakt, is het verboden het op te ruimen of te verwijderen schip, de voorwerpen of goederen te verwijderen zonder vergunning van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Deze vergunning wordt niet geweigerd voor de scheepspapieren en de persoonlijke bezittingen van de gezagvoerder, de bemanningsleden en de passagiers.
Hulp en berging omvatten mede de verrichtingen en maatregelen, vermeld in het eerste lid.
1° een gestrand, gezonken of onbeheerd schip, daarbij inbegrepen alles wat zich aan boord bevindt of heeft bevonden, vlot brengen, verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken;
2° de lading van het schip verwijderen, vernietigen of onschadelijk maken;
3° het reeds geborgen of verwijderde schip of lading uit de waterweg of de haven wegruimen;
4° alle andere nodige maatregelen treffen voor de veiligheid, de vrijheid van de scheepvaart en de vrijwaring van de functionaliteit van de waterweg of de haven of met het oog op de instandhouding van de waterweg of de haven.
De uitoefening van de door dit artikel toegekende bevoegdheden door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf kan niet worden verhinderd door enige beslag- of dwangmaatregel.
Het besluit van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf om, ten aanzien van een schip gebruik te maken van de bevoegdheden, vermeld in het eerste lid, wordt bekendgemaakt in een nautische publicatie.
In spoedeisende gevallen, waarover de waterwegbeheerder of het havenbedrijf oordeelt, kan deze bekendmaking achterwege worden gelaten.
Zodra het besluit van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf werd bekendgemaakt, is het verboden het op te ruimen of te verwijderen schip, de voorwerpen of goederen te verwijderen zonder vergunning van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf. Deze vergunning wordt niet geweigerd voor de scheepspapieren en de persoonlijke bezittingen van de gezagvoerder, de bemanningsleden en de passagiers.
Hulp en berging omvatten mede de verrichtingen en maatregelen, vermeld in het eerste lid.
Art.140. En cas de non-respect de l'article 17 ou dans les cas jugés par le gestionnaire des voies navigables ou par la régie portuaire ou si le propriétaire, le locataire, l'affréteur, à qui le navire est mis à disposition pour son propre usage ainsi que l'exploitant du navire sont inconnus, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire peut, d'office et aux risques du propriétaire, locataire, affréteur, auxquels le navire est mis à disposition pour leur propre usage, et l'exploitant et de la personne tenue responsable des conditions d'échouement, de naufrage ou de non-gestion du navire :
1° renflouer, enlever, détruire ou rendre inoffensif un navire échoué, coulé ou non géré, y compris tout ce qui se trouve ou se trouvait à bord ;
2° enlever, détruire ou rendre inoffensive la cargaison du navire ;
3° enlever le navire ou la cargaison déjà ramenés ou retirés de la voie navigable ou du port ;
4° prendre toute autre mesure nécessaire à la sécurité, à la liberté de navigation et à la conservation de la fonctionnalité de la voie navigable ou du port ou en vue de la préservation de la voie navigable ou du port.
L'exercice par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire des compétences attribuées par le présent article ne peut être entravé par aucune saisie ou mesure de contrainte.
La décision de l'autorité des voies navigables ou de la régie portuaire de faire usage des compétences visées au premier alinéa à l'égard d'un navire est annoncée dans une publication nautique.
En cas d'urgence, à la discrétion du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire, cette publication peut être omise.
Dès que la décision du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire a été publiée, il est interdit d'enlever le navire, les objets ou les biens à ramener ou à retirer sans autorisation du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire. Cette autorisation ne peut être refusée pour les documents du navire et les effets personnels du commandant, des membres de l'équipage et des passagers.
L'aide et le sauvetage comprennent les opérations et mesures visées à l'alinéa premier.
1° renflouer, enlever, détruire ou rendre inoffensif un navire échoué, coulé ou non géré, y compris tout ce qui se trouve ou se trouvait à bord ;
2° enlever, détruire ou rendre inoffensive la cargaison du navire ;
3° enlever le navire ou la cargaison déjà ramenés ou retirés de la voie navigable ou du port ;
4° prendre toute autre mesure nécessaire à la sécurité, à la liberté de navigation et à la conservation de la fonctionnalité de la voie navigable ou du port ou en vue de la préservation de la voie navigable ou du port.
L'exercice par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire des compétences attribuées par le présent article ne peut être entravé par aucune saisie ou mesure de contrainte.
La décision de l'autorité des voies navigables ou de la régie portuaire de faire usage des compétences visées au premier alinéa à l'égard d'un navire est annoncée dans une publication nautique.
En cas d'urgence, à la discrétion du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire, cette publication peut être omise.
Dès que la décision du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire a été publiée, il est interdit d'enlever le navire, les objets ou les biens à ramener ou à retirer sans autorisation du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire. Cette autorisation ne peut être refusée pour les documents du navire et les effets personnels du commandant, des membres de l'équipage et des passagers.
L'aide et le sauvetage comprennent les opérations et mesures visées à l'alinéa premier.
Art.141. Vóór elke uitvoering van de in artikel 140 vermelde maatregelen of verrichtingen kan de waterwegbeheerder of het havenbedrijf eisen dat de eigenaar, de huurder, de bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, of de exploitant van het schip of enige persoon van wie de aansprakelijkheid in het geding kan komen of, rechtstreeks, dat de verzekeraar van hun respectieve aansprakelijkheid, hem de som voorschiet die de waterwegbeheerder of het havenbedrijf voldoende acht om de kosten van die maatregelen of verrichtingen te dekken.
Voor de eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant van het gestrand, gezonken of onbeheerd schip en voor die van het schip waarvan de aansprakelijkheid in het geding kan komen, alsmede voor hun respectieve verzekeraar mag deze som niet meer bedragen dan die waartoe de betrokken eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18 of het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), ondertekend te Straatsburg op 27 september 2012.
Het voorschieten kan, zonder lasten voor de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden vervangen door het stellen van een garantie die de waterwegbeheerder of het havenbedrijf aanvaardbaar en toereikend acht.
De garantie is aanvaardbaar als haar bedrag werkelijk beschikbaar is en vrij overdraagbaar is zodra zij is gesteld.
De garantie is toereikend als haar bedrag overeenstemt met de som, vermeld in het eerste of het tweede lid.
De som voorgeschoten of de garantie gegeven door een van de personen waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen dan wel door zijn verzekeraar, wordt geacht te zijn voorgeschoten of gegeven door al die personen.
De voorgeschoten som en eventueel de garantie, mogen door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf worden aangewend voor de financiering van de uitvoering van de maatregelen en verrichtingen, vermeld in artikel 140.
De voorgeschoten som en de garantie zijn uitsluitend bestemd voor de voldoening van de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betreffende de kosten, vermeld in artikel 18. Zij zijn niet vatbaar voor beslag op verzoek van andere schuldeisers.
Het vonnis dat na het voorschieten van de som of het verlenen van de garantie het faillissement uitspreekt, uitspraak doet over de homologatieaanvraag van het reorganisatieplan of dat de overdracht onder gerechtelijk gezag beveelt, van degene die de som heeft voorgeschoten of de garantie heeft gesteld, heeft geen gevolg voor die som of die garantie.
Voor de eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant van het gestrand, gezonken of onbeheerd schip en voor die van het schip waarvan de aansprakelijkheid in het geding kan komen, alsmede voor hun respectieve verzekeraar mag deze som niet meer bedragen dan die waartoe de betrokken eigenaar, huurder, bevrachter, aan wie het schip voor eigen gebruik ter beschikking gesteld wordt, en exploitant zijn aansprakelijkheid kan beperken op grond van artikel 18 of het Verdrag van Straatsburg van 2012 inzake de beperking van aansprakelijkheid in de binnenvaart (CLNI 2012), ondertekend te Straatsburg op 27 september 2012.
Het voorschieten kan, zonder lasten voor de waterwegbeheerder of het havenbedrijf, worden vervangen door het stellen van een garantie die de waterwegbeheerder of het havenbedrijf aanvaardbaar en toereikend acht.
De garantie is aanvaardbaar als haar bedrag werkelijk beschikbaar is en vrij overdraagbaar is zodra zij is gesteld.
De garantie is toereikend als haar bedrag overeenstemt met de som, vermeld in het eerste of het tweede lid.
De som voorgeschoten of de garantie gegeven door een van de personen waarvan de aansprakelijkheid in het gedrang kan komen dan wel door zijn verzekeraar, wordt geacht te zijn voorgeschoten of gegeven door al die personen.
De voorgeschoten som en eventueel de garantie, mogen door de waterwegbeheerder of het havenbedrijf worden aangewend voor de financiering van de uitvoering van de maatregelen en verrichtingen, vermeld in artikel 140.
De voorgeschoten som en de garantie zijn uitsluitend bestemd voor de voldoening van de vorderingen van de waterwegbeheerder of het havenbedrijf betreffende de kosten, vermeld in artikel 18. Zij zijn niet vatbaar voor beslag op verzoek van andere schuldeisers.
Het vonnis dat na het voorschieten van de som of het verlenen van de garantie het faillissement uitspreekt, uitspraak doet over de homologatieaanvraag van het reorganisatieplan of dat de overdracht onder gerechtelijk gezag beveelt, van degene die de som heeft voorgeschoten of de garantie heeft gesteld, heeft geen gevolg voor die som of die garantie.
Art.141. Avant toute exécution des mesures ou opérations visées à l'article 140, le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire peut exiger que le propriétaire, le locataire, l'affréteur, à qui le navire est mis à sa disposition pour son propre usage, ou l'exploitant du navire ou toute personne dont la responsabilité peut être mise en cause ou, directement, que l'assureur de leur responsabilité respective lui avance la somme que le gestionnaire de voies navigables ou la régie portuaire estime suffisante pour couvrir les coûts de ces mesures ou opérations.
Pour le propriétaire, le locataire, l'affréteur, auquel le navire est mis à disposition pour son propre usage, et l'exploitant du navire échoué, coulé ou non exploité et pour celui du navire dont la responsabilité peut être mise en cause, ainsi que pour leur assureur respectif, cette somme ne peut excéder celle à laquelle le propriétaire, le locataire, l'affréteur, auquel le navire est mis à disposition pour son propre usage, et l'exploitant peuvent limiter leur responsabilité en vertu de l'article 18 ou la Convention de Strasbourg de 2012 sur la limitation de la responsabilité en navigation intérieure (CLNI 2012), signée à Strasbourg le 27 septembre 2012.
L'avance peut être remplacée, sans que cela ne pèse sur le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, par la constitution d'une garantie que le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire juge acceptable et suffisante.
La garantie est acceptable si son montant est effectivement disponible et librement transférable une fois qu'elle a été constituée.
La garantie est suffisante si son montant correspond à la somme visée au premier ou au deuxième alinéa.
La somme avancée ou la garantie donnée par l'une des personnes dont la responsabilité peut être mise en cause ou par son assureur est réputée avoir été avancée ou donnée par toutes ces personnes.
La somme avancée et éventuellement la garantie peuvent être utilisées par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire pour financer la réalisation des mesures et opérations visées à l'article 140.
La somme avancée et la garantie sont destinées exclusivement à satisfaire les réclamations du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire concernant les frais visés à l'article 18. Elles ne sont pas saisissables à la demande d'autres créanciers.
Le jugement qui, après l'avance de la somme ou l'octroi de la garantie, prononce la faillite, se prononce sur la demande d'homologation du plan de réorganisation ou ordonne le transfert sous autorité judiciaire, de celui qui a avancé la somme ou a constitué la garantie, n'a pas d'effet sur cette somme ou cette garantie.
Pour le propriétaire, le locataire, l'affréteur, auquel le navire est mis à disposition pour son propre usage, et l'exploitant du navire échoué, coulé ou non exploité et pour celui du navire dont la responsabilité peut être mise en cause, ainsi que pour leur assureur respectif, cette somme ne peut excéder celle à laquelle le propriétaire, le locataire, l'affréteur, auquel le navire est mis à disposition pour son propre usage, et l'exploitant peuvent limiter leur responsabilité en vertu de l'article 18 ou la Convention de Strasbourg de 2012 sur la limitation de la responsabilité en navigation intérieure (CLNI 2012), signée à Strasbourg le 27 septembre 2012.
L'avance peut être remplacée, sans que cela ne pèse sur le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire, par la constitution d'une garantie que le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire juge acceptable et suffisante.
La garantie est acceptable si son montant est effectivement disponible et librement transférable une fois qu'elle a été constituée.
La garantie est suffisante si son montant correspond à la somme visée au premier ou au deuxième alinéa.
La somme avancée ou la garantie donnée par l'une des personnes dont la responsabilité peut être mise en cause ou par son assureur est réputée avoir été avancée ou donnée par toutes ces personnes.
La somme avancée et éventuellement la garantie peuvent être utilisées par le gestionnaire des voies navigables ou la régie portuaire pour financer la réalisation des mesures et opérations visées à l'article 140.
La somme avancée et la garantie sont destinées exclusivement à satisfaire les réclamations du gestionnaire des voies navigables ou de la régie portuaire concernant les frais visés à l'article 18. Elles ne sont pas saisissables à la demande d'autres créanciers.
Le jugement qui, après l'avance de la somme ou l'octroi de la garantie, prononce la faillite, se prononce sur la demande d'homologation du plan de réorganisation ou ordonne le transfert sous autorité judiciaire, de celui qui a avancé la somme ou a constitué la garantie, n'a pas d'effet sur cette somme ou cette garantie.
Afdeling 3. - Veiligheid van schepen en bemanningsvoorschriften in de binnenvaart
Section 3. - Sécurité des navires et prescriptions d'équipage dans la navigation intérieure
Art.142. De bevoegde autoriteit heeft het recht elk schip dat niet aan de voorwaarden van afdeling 5 van hoofdstuk 1 van titel 3 van dit decreet en van zijn uitvoeringsbesluiten voldoet op te houden of de toegang tot een sluis of een haven te weigeren.
Indien deze decretale en reglementaire voorwaarden wel vervuld zijn, doch ernstige vermoedens niettemin doen aannemen dat het schip niet kan varen zonder de veiligheid van de bemanning, de passagiers en de lading of het milieu in gevaar te brengen, mag de bevoegde autoriteit het schip eveneens ophouden.
Behoudens in spoedeisende gevallen oefent de bevoegde autoriteit het in het eerste en tweede lid bedoelde recht ten aanzien van vreemde schepen uit nadat de consul van het land waarvan het schip de vlag voert, is ingelicht over de te nemen maatregelen en de redenen welke daartoe aanleiding hebben gegeven.
In spoedeisende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen.
Het schip wordt vrijgelaten zodra de gestelde voorwaarden ten genoegen van de bevoegde autoriteit zijn vervuld.
Indien deze decretale en reglementaire voorwaarden wel vervuld zijn, doch ernstige vermoedens niettemin doen aannemen dat het schip niet kan varen zonder de veiligheid van de bemanning, de passagiers en de lading of het milieu in gevaar te brengen, mag de bevoegde autoriteit het schip eveneens ophouden.
Behoudens in spoedeisende gevallen oefent de bevoegde autoriteit het in het eerste en tweede lid bedoelde recht ten aanzien van vreemde schepen uit nadat de consul van het land waarvan het schip de vlag voert, is ingelicht over de te nemen maatregelen en de redenen welke daartoe aanleiding hebben gegeven.
In spoedeisende gevallen geschiedt deze mededeling onmiddellijk nadat de maatregelen zijn genomen.
Het schip wordt vrijgelaten zodra de gestelde voorwaarden ten genoegen van de bevoegde autoriteit zijn vervuld.
Art.142. L'autorité compétente a le droit de retenir ou de refuser l'accès à une écluse ou à un port à tout navire qui ne remplit pas les conditions prévues à la section 5 du chapitre 1 du titre 3 du présent décret et de ses arrêtés d'exécution.
Si ces conditions décrétales et réglementaires sont remplies mais qu'il existe néanmoins des raisons sérieuses de penser que le navire ne peut pas naviguer sans mettre en danger la sécurité de l'équipage, des passagers et de la cargaison ou l'environnement, l'autorité compétente peut également retenir le navire.
Sauf en cas d'urgence, l'autorité compétente exerce le droit visé aux alinéas 1 et 2 à l'égard des navires étrangers après que le consul du pays dont le navire bat pavillon a été informé des mesures à prendre et des motifs qui l'ont amené à le faire.
En cas d'urgence, cette communication est effectuée immédiatement après l'adoption des mesures.
Le navire est libéré dès que les conditions requises sont remplies à la satisfaction de l'autorité compétente.
Si ces conditions décrétales et réglementaires sont remplies mais qu'il existe néanmoins des raisons sérieuses de penser que le navire ne peut pas naviguer sans mettre en danger la sécurité de l'équipage, des passagers et de la cargaison ou l'environnement, l'autorité compétente peut également retenir le navire.
Sauf en cas d'urgence, l'autorité compétente exerce le droit visé aux alinéas 1 et 2 à l'égard des navires étrangers après que le consul du pays dont le navire bat pavillon a été informé des mesures à prendre et des motifs qui l'ont amené à le faire.
En cas d'urgence, cette communication est effectuée immédiatement après l'adoption des mesures.
Le navire est libéré dès que les conditions requises sont remplies à la satisfaction de l'autorité compétente.
Art.143. Indien een schip wordt opgehouden, maakt de bevoegde autoriteit een gemotiveerd proces-verbaal op, waarvan een afschrift binnen vierentwintig uur na de beslissing aan de gezagvoerder wordt toegezonden bij aangetekende zending met ontvangstbewijs, afgegeven tegen ontvangstbewijs of toegezonden op een door de gezagvoerder uitdrukkelijk geaccepteerde elektronische wijze. In het laatste geval zal het afschrift worden geacht te zijn ontvangen op het ogenblik van het verzenden.
Art.143. Lorsqu'un navire est retenu, l'autorité compétente dresse un procès-verbal motivé dont une copie est envoyée au commandant par envoi recommandé dans les vingt-quatre heures suivant la décision avec accusé de réception, remis contre récépissé ou envoyé par des moyens électroniques expressément acceptés par le commandant. Dans ce dernier cas, la copie est réputée avoir été reçue au moment de l'envoi.
Art.144. Binnen veertien dagen na de ontvangst van het afschrift van het gemotiveerd proces-verbaal overeenkomstig artikel 143, kan beroep worden ingesteld tegen de beslissingen, vermeld in artikel 142.
Het beroep wordt ingesteld door de gezagvoerder, eigenaar of exploitant van het schip door middel van een verzoekschrift gericht aan de Vlaamse Regering of haar gemachtigde.
Het beroep heeft geen opschortende kracht.
Het beroep wordt ingesteld door de gezagvoerder, eigenaar of exploitant van het schip door middel van een verzoekschrift gericht aan de Vlaamse Regering of haar gemachtigde.
Het beroep heeft geen opschortende kracht.
Art.144. Dans les quatorze jours suivant la réception de la copie du procès-verbal motivé conformément à l'article 143, un recours peut être formé contre les décisions visées à l'article 142.
Le recours est introduit par le commandant, le propriétaire ou l'exploitant du navire au moyen d'une requête adressée au Gouvernement flamand ou à son mandataire.
Le recours n'a pas d'effet suspensif.
Le recours est introduit par le commandant, le propriétaire ou l'exploitant du navire au moyen d'une requête adressée au Gouvernement flamand ou à son mandataire.
Le recours n'a pas d'effet suspensif.
Afdeling 4. - Vervoer van gevaarlijke goederen
Section 4. - Transport de marchandises dangereuses
Art.145. Na de vaststelling van een inbreuk als vermeld in artikel 124 kunnen de personeelsleden die belast zijn met het toezicht, vermeld in artikel 112, passende maatregelen nemen, en inzonderheid:
1° een schip of ander tuig de toegang tot of het verblijf in de haven verbieden;
2° een schip ophouden en naar een nabijgelegen plaats brengen of laten brengen;
3° een schip verbieden af te varen;
4° een schip, ander tuig of gevaarlijke goederen ambtshalve verwijderen;
5° laad- en losverrichtingen laten stilleggen.
1° een schip of ander tuig de toegang tot of het verblijf in de haven verbieden;
2° een schip ophouden en naar een nabijgelegen plaats brengen of laten brengen;
3° een schip verbieden af te varen;
4° een schip, ander tuig of gevaarlijke goederen ambtshalve verwijderen;
5° laad- en losverrichtingen laten stilleggen.
Art.145. Après la constatation d'une infraction telle que visée à l'article 124, les membres du personnel chargés du contrôle visé à l'article 112 peuvent prendre des mesures appropriées, notamment :
1° interdire à un navire ou autre engin d'entrer ou de séjourner dans le port;
2° arrêter et amener ou faire amener un navire à un endroit voisin ;
3° interdire à un navire de prendre la mer ;
4° enlever d'office un navire, d'autres engins ou de marchandises dangereuses ;
5° faire arrêter des opérations de chargement et de déchargement.
1° interdire à un navire ou autre engin d'entrer ou de séjourner dans le port;
2° arrêter et amener ou faire amener un navire à un endroit voisin ;
3° interdire à un navire de prendre la mer ;
4° enlever d'office un navire, d'autres engins ou de marchandises dangereuses ;
5° faire arrêter des opérations de chargement et de déchargement.
Afdeling 5. - Laden en lossen van bulkschepen
Section 5. - Chargement et déchargement de vraquiers
Art.146. Met behoud van de toepassing van de andere wettelijke of decretale bepalingen op grond waarvan de bevoegde autoriteit sancties kan opleggen aan de terminal, kan de bevoegde autoriteit op basis van de door haar uitgevoerde inspecties de volgende maatregelen nemen:
1° als de terminal niet voldoet aan de eisen waaraan een terminal moet voldoen voor het laden en lossen van vaste bulklading, vermeld in artikel 73 of 74, geeft de bevoegde autoriteit de terminal de mogelijkheid om binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn aan de eisen voor terminals te voldoen. Als de terminal binnen de gestelde termijn niet aan de eisen voor terminals voldoet, laat de bevoegde autoriteit de laad- of losverrichtingen van de terminal stilleggen. Vanaf het ogenblik dat de terminal voldoet aan de door de bevoegde autoriteit opgelegde eisen op grond van artikel 73 en 74, geeft ze de toelating om de laad- of losverrichtingen van de terminal opnieuw op te starten;
2° als de terminalvertegenwoordiger niet voldoet aan zijn plichten op grond van artikel 75 of als hij de procedures zoals bepaald op grond van artikel 76 niet volgt of indien zich een meningsverschil voordoet in de zin van artikel 77 en de bevoegde autoriteit vaststelt dat de veiligheid van het bulkschip en de bemanning hierdoor tijdens de laad- of losverrichtingen in gevaar wordt gebracht, geeft de bevoegde autoriteit de terminalvertegenwoordiger de mogelijkheid om binnen een door haar vastgestelde termijn aan zijn plichten of aan de te volgen procedures te voldoen. Als de terminalvertegenwoordiger binnen de gestelde termijn niet aan zijn plichten of de te volgen procedures voldoet, laat de bevoegde autoriteit de laad- of losverrichtingen stilleggen. Vanaf het ogenblik dat de terminalvertegenwoordiger voldoet aan de opgelegde eisen op grond van artikel 75 of de in artikel 76 opgelegde procedures volgt en het gevaar voor de veiligheid van het bulkschip en de bemanning is geweken, geeft de bevoegde autoriteit de toelating om de laad- of losverrichtingen opnieuw op te starten.
1° als de terminal niet voldoet aan de eisen waaraan een terminal moet voldoen voor het laden en lossen van vaste bulklading, vermeld in artikel 73 of 74, geeft de bevoegde autoriteit de terminal de mogelijkheid om binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn aan de eisen voor terminals te voldoen. Als de terminal binnen de gestelde termijn niet aan de eisen voor terminals voldoet, laat de bevoegde autoriteit de laad- of losverrichtingen van de terminal stilleggen. Vanaf het ogenblik dat de terminal voldoet aan de door de bevoegde autoriteit opgelegde eisen op grond van artikel 73 en 74, geeft ze de toelating om de laad- of losverrichtingen van de terminal opnieuw op te starten;
2° als de terminalvertegenwoordiger niet voldoet aan zijn plichten op grond van artikel 75 of als hij de procedures zoals bepaald op grond van artikel 76 niet volgt of indien zich een meningsverschil voordoet in de zin van artikel 77 en de bevoegde autoriteit vaststelt dat de veiligheid van het bulkschip en de bemanning hierdoor tijdens de laad- of losverrichtingen in gevaar wordt gebracht, geeft de bevoegde autoriteit de terminalvertegenwoordiger de mogelijkheid om binnen een door haar vastgestelde termijn aan zijn plichten of aan de te volgen procedures te voldoen. Als de terminalvertegenwoordiger binnen de gestelde termijn niet aan zijn plichten of de te volgen procedures voldoet, laat de bevoegde autoriteit de laad- of losverrichtingen stilleggen. Vanaf het ogenblik dat de terminalvertegenwoordiger voldoet aan de opgelegde eisen op grond van artikel 75 of de in artikel 76 opgelegde procedures volgt en het gevaar voor de veiligheid van het bulkschip en de bemanning is geweken, geeft de bevoegde autoriteit de toelating om de laad- of losverrichtingen opnieuw op te starten.
Art.146. Sans préjudice de l'application des autres dispositions légales ou décrétales en vertu desquelles l'autorité compétente peut imposer des sanctions au terminal, l'autorité compétente peut prendre les mesures suivantes sur la base des inspections qu'elle a effectuées :
1° lorsque le terminal ne satisfait pas aux exigences en matière de chargement et de déchargement des cargaisons solides en vrac visées aux articles 73 ou 74, l'autorité compétente donne au terminal la possibilité de se conformer aux exigences applicables aux terminaux dans un délai fixé par l'autorité compétente. Si le terminal ne se conforme pas aux exigences applicables aux terminaux dans le délai imparti, l'autorité compétente fait arrêter les opérations de chargement ou de déchargement du terminal. A partir du moment où le terminal satisfait aux exigences imposées par l'autorité compétente en vertu des articles 73 et 74, celle-ci autorise la réouverture des opérations de chargement ou de déchargement du terminal ;
2° si le représentant du terminal ne se conforme pas à ses obligations en vertu de l'article 75 ou ne respecte pas les procédures telles que prévues à l'article 76, ou si une divergence d'opinion survient telle que visée à l'article 77, et l'autorité compétente constate que la sécurité du vraquier et de son équipage est mise en danger par ce fait au cours des opérations de chargement ou de déchargement, l'autorité compétente donne au représentant du terminal la possibilité de se conformer à ses obligations ou aux procédures à suivre dans un délai qu'elle précise. Si le représentant du terminal ne se conforme pas à ses obligations ou aux procédures à suivre dans le délai imparti, l'autorité compétente fait arrêter les opérations de chargement ou de déchargement. A partir du moment où le représentant du terminal satisfait aux exigences imposées en vertu de l'article 75 ou se conforme aux procédures imposées à l'article 76, et le danger pour la sécurité du vraquier et de l'équipage est écarté, l'autorité compétente autorise la réouverture des opérations de chargement ou de déchargement.
1° lorsque le terminal ne satisfait pas aux exigences en matière de chargement et de déchargement des cargaisons solides en vrac visées aux articles 73 ou 74, l'autorité compétente donne au terminal la possibilité de se conformer aux exigences applicables aux terminaux dans un délai fixé par l'autorité compétente. Si le terminal ne se conforme pas aux exigences applicables aux terminaux dans le délai imparti, l'autorité compétente fait arrêter les opérations de chargement ou de déchargement du terminal. A partir du moment où le terminal satisfait aux exigences imposées par l'autorité compétente en vertu des articles 73 et 74, celle-ci autorise la réouverture des opérations de chargement ou de déchargement du terminal ;
2° si le représentant du terminal ne se conforme pas à ses obligations en vertu de l'article 75 ou ne respecte pas les procédures telles que prévues à l'article 76, ou si une divergence d'opinion survient telle que visée à l'article 77, et l'autorité compétente constate que la sécurité du vraquier et de son équipage est mise en danger par ce fait au cours des opérations de chargement ou de déchargement, l'autorité compétente donne au représentant du terminal la possibilité de se conformer à ses obligations ou aux procédures à suivre dans un délai qu'elle précise. Si le représentant du terminal ne se conforme pas à ses obligations ou aux procédures à suivre dans le délai imparti, l'autorité compétente fait arrêter les opérations de chargement ou de déchargement. A partir du moment où le représentant du terminal satisfait aux exigences imposées en vertu de l'article 75 ou se conforme aux procédures imposées à l'article 76, et le danger pour la sécurité du vraquier et de l'équipage est écarté, l'autorité compétente autorise la réouverture des opérations de chargement ou de déchargement.
TITEL 7. - Machtigingsbepalingen
TITRE 7. - Dispositions relatives à l'autorisation
HOOFDSTUK 1. - Internationale verplichtingen
CHAPITRE 1er. - Obligations internationales
Art.147. De Vlaamse Regering kan, met betrekking tot de materies die bij dit decreet worden geregeld, de nodige maatregelen nemen ter uitvoering van de verplichtingen die voortvloeien uit de internationale verdragen en uit de krachtens de verdragen tot stand gekomen internationale akten, inzonderheid de verplichtingen die voortvloeien uit de verordeningen en de richtlijnen van de Europese Unie.
Voor zover het gaat om aangelegenheden die niet krachtens de Grondwet aan de decreetgever zijn voorbehouden, kunnen de besluiten die krachtens het eerste lid worden genomen, de bepalingen van dit decreet wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
Voor zover het gaat om aangelegenheden die niet krachtens de Grondwet aan de decreetgever zijn voorbehouden, kunnen de besluiten die krachtens het eerste lid worden genomen, de bepalingen van dit decreet wijzigen, aanvullen, vervangen of opheffen.
Art.147. Le Gouvernement flamand peut, en ce qui concerne les matières régies par le présent décret, prendre les mesures nécessaires pour mettre en oeuvre les obligations découlant des traités internationaux et des actes internationaux conclus en vertu de ces traités, et en particulier les obligations découlant des règlements et directives de l'Union européenne.
Dans la mesure où elles concernent des matières qui ne sont pas réservées au législateur décrétal par la Constitution, les arrêtés prises en vertu du premier alinéa peuvent modifier, compléter, remplacer ou supprimer les dispositions du présent décret.
Dans la mesure où elles concernent des matières qui ne sont pas réservées au législateur décrétal par la Constitution, les arrêtés prises en vertu du premier alinéa peuvent modifier, compléter, remplacer ou supprimer les dispositions du présent décret.
HOOFDSTUK 2. - Reglementen
CHAPITRE 2. - Règlements
Art.148. § 1. Met behoud van de toepassing van artikel 5, stelt de Vlaamse Regering de algemene reglementen vast betreffende de politie over het verkeer op en het gebruik van de binnenwateren en de waterwegen, alsmede de reglementen ter vrijwaring van de functionaliteit en met het oog op de instandhouding van de binnenwateren, de waterwegen en het watergebonden gebied.
Deze reglementen kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° het beheer, het onderhoud, de instandhouding, het gebruik en de uitbreiding van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, en de uitvoering van werkzaamheden in dit verband;
2° de vrijwaring van het milieu, de gezondheid en de veiligheid van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied;
3° de toegelaten activiteiten op de waterwegen en in het watergebonden gebied;
4° de vrijheid van handel en nijverheid in waterweg- en havengebonden activiteiten;
5° de toegankelijkheid van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, omvattende mede de maximum toegelaten afmetingen en diepgang van de schepen;
6° het gebruik van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, met inbegrip van de vergoedingen;
7° de afgifte van vaarvergunningen;
8° de regeling van het scheepvaartverkeer;
9° de voorschriften na te leven bij ongevallen;
10° de maximum toegelaten snelheid en de aanduiding van snelvaartzones;
11° de plaatsen waar scheepvaartbewegingen, ankeren, plaatsen van spudpalen, meren, laden en lossen toegelaten of verboden zijn;
12° bijzondere regels voor specifieke categorieën van schepen, zoals veerponten, woonvaartuigen, pleziervaartuigen, passagiersschepen en het varend erfgoed, vermeld in het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed;
13° de regels inzake klachtenregistratie;
14° de regels inzake scheepsmeting, de schouwing en het slopen van schepen;
15° de goederenbehandeling en -opslag;
16° het in- en ontschepen van passagiers;
17° het bunkeren;
18° de nautische publicaties;
19° de scheepvaarturen;
20° de bediening en doorvaart van sluizen, bruggen en andere kunstwerken;
21° de dienstverlening aan de scheepvaart, zoals het loodsen en slepen, en de beperkingen van de vrijheid van handel en nijverheid in dit verband;
22° de marifoonkanalen waarop dient te worden uitgeluisterd en de andere communicatiemiddelen;
23° de melding van gegevens betreffende schip, lading en reis.
§ 2. De reglementen, vermeld in paragraaf 1, die toepasselijk zijn op de door De Vlaamse Waterweg nv beheerde waterwegen of op het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen, worden door de Vlaamse Regering vastgesteld na advies van de raad van bestuur van De Vlaamse Waterweg nv.
§ 3. Zonder afbreuk te kunnen doen aan de in paragraaf 1 bedoelde algemene reglementen, kan De Vlaamse Waterweg nv aanvullende reglementen opstellen betreffende de door haar beheerde waterwegen of het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen. De door De Vlaamse Waterweg nv op grond van die bepaling vastgestelde aanvullende reglementen kunnen de voor de inwerkingtreding van het Vlaams scheepvaartdecreet bij koninklijk besluit of besluit van de Vlaamse Regering uitgevaardigde bijzondere reglementen van sommige scheepvaartwegen wijzigen of opheffen.
Deze reglementen kunnen onder meer betrekking hebben op:
1° het beheer, het onderhoud, de instandhouding, het gebruik en de uitbreiding van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, en de uitvoering van werkzaamheden in dit verband;
2° de vrijwaring van het milieu, de gezondheid en de veiligheid van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied;
3° de toegelaten activiteiten op de waterwegen en in het watergebonden gebied;
4° de vrijheid van handel en nijverheid in waterweg- en havengebonden activiteiten;
5° de toegankelijkheid van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, omvattende mede de maximum toegelaten afmetingen en diepgang van de schepen;
6° het gebruik van de waterwegen evenals van het watergebonden gebied, met inbegrip van de vergoedingen;
7° de afgifte van vaarvergunningen;
8° de regeling van het scheepvaartverkeer;
9° de voorschriften na te leven bij ongevallen;
10° de maximum toegelaten snelheid en de aanduiding van snelvaartzones;
11° de plaatsen waar scheepvaartbewegingen, ankeren, plaatsen van spudpalen, meren, laden en lossen toegelaten of verboden zijn;
12° bijzondere regels voor specifieke categorieën van schepen, zoals veerponten, woonvaartuigen, pleziervaartuigen, passagiersschepen en het varend erfgoed, vermeld in het decreet van 29 maart 2002 tot bescherming van varend erfgoed;
13° de regels inzake klachtenregistratie;
14° de regels inzake scheepsmeting, de schouwing en het slopen van schepen;
15° de goederenbehandeling en -opslag;
16° het in- en ontschepen van passagiers;
17° het bunkeren;
18° de nautische publicaties;
19° de scheepvaarturen;
20° de bediening en doorvaart van sluizen, bruggen en andere kunstwerken;
21° de dienstverlening aan de scheepvaart, zoals het loodsen en slepen, en de beperkingen van de vrijheid van handel en nijverheid in dit verband;
22° de marifoonkanalen waarop dient te worden uitgeluisterd en de andere communicatiemiddelen;
23° de melding van gegevens betreffende schip, lading en reis.
§ 2. De reglementen, vermeld in paragraaf 1, die toepasselijk zijn op de door De Vlaamse Waterweg nv beheerde waterwegen of op het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen, worden door de Vlaamse Regering vastgesteld na advies van de raad van bestuur van De Vlaamse Waterweg nv.
§ 3. Zonder afbreuk te kunnen doen aan de in paragraaf 1 bedoelde algemene reglementen, kan De Vlaamse Waterweg nv aanvullende reglementen opstellen betreffende de door haar beheerde waterwegen of het watergebonden gebied langsheen deze waterwegen. De door De Vlaamse Waterweg nv op grond van die bepaling vastgestelde aanvullende reglementen kunnen de voor de inwerkingtreding van het Vlaams scheepvaartdecreet bij koninklijk besluit of besluit van de Vlaamse Regering uitgevaardigde bijzondere reglementen van sommige scheepvaartwegen wijzigen of opheffen.
Art.148. § 1. Sans préjudice de l'application de l'article 5, le Gouvernement flamand arrête les règlements généraux relatifs à la police de la circulation et de l'utilisation des voies navigables intérieures et des voies d'eau ainsi que les règlements visant à préserver la fonctionnalité et en vue de la conservation des voies navigables intérieures, des voies d'eau et de la zone proche de l'eau.
Ces règlements peuvent entre autres avoir trait :
1° à la gestion, l'entretien, la conservation, l'utilisation et l'expansion des voies navigables ainsi que de la zone proche de l'eau, et à la mise en oeuvre de travaux à cet égard ;
2° à la protection de l'environnement, de la santé et de la sécurité des voies navigables et de la zone proche de l'eau ;
3° aux activités autorisées sur les voies navigables et dans la zone proche de l'eau ;
4° à la liberté du commerce et de l'industrie lors des activités liées aux voies navigables et aux ports ;
5° à l'accessibilité des voies navigables ainsi que de la zone proche de l'eau, y compris les dimensions maximales autorisées et le tirant d'eau des navires ;
6° à l'utilisation des voies navigables ainsi que de la zone proche de l'eau, y compris les indemnités ;
7° à la délivrance des permis de navigation ;
8° à la réglementation du trafic maritime ;
9° aux prescriptions à observer en cas d'accidents ;
10° à la vitesse maximale autorisée et l'indication des zones de navigation rapide ;
11° aux lieux où sont autorisés ou interdits les mouvements de navires, le mouillage, la pose de tuyaux d'amarrage de drague, l'amarrage, le chargement et le déchargement ;
12° aux règles particulières pour des catégories spécifiques de navires, telles que les bacs, les navires résidentiels, les bateaux de plaisance, les navires à passagers et le patrimoine nautique, telles que visées au décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique ;
13° aux règles relatives à l'enregistrement des plaintes ;
14° aux règles concernant le jaugeage, l'inspection et le démantèlement des navires ;
15° à la manutention et l'entreposage ;
16° à l'embarquement et au débarquement des passagers ;
17° à l'avitaillement ;
18° aux publications nautiques ;
19° aux heures de navigation ;
20° à la commande et au passage d'écluses, de ponts et d'autres ouvrages d'art ;
21° à la prestation de services à la navigation, tels que le pilotage et le remorquage, et aux restrictions à la liberté du commerce et de l'industrie dans ce contexte ;
22° aux canaux mariphones à écouter et aux autres moyens de communication ;
23° à la communication des renseignements relatifs au navire, à la cargaison et au voyage.
§ 2. Les règlements visés au paragraphe 1 qui sont applicables aux voies navigables gérées par " De Vlaamse Waterweg nv ", ou à la zone proche de l'eau le long de ces voies navigables, sont adoptés par le Gouvernement flamand après avis du conseil d'administration de " De Vlaamse Waterweg nv ".
§ 3. Sans pouvoir porter atteinte aux règlements généraux visés au paragraphe 1, " De Vlaamse Waterweg nv " peut établir des règlements complémentaires concernant les voies navigables qu'elle gère ou la zone proche de l'eau le long de ces voies navigables. Les règlements complémentaires adoptés par " De Vlaamse Waterweg nv " en vertu de cette disposition peuvent modifier ou supprimer les règlements spéciaux promulgués pour certaines voies navigables par arrêté royal ou par arrêté du Gouvernement flamand avant l'entrée en vigueur du décret flamand sur la navigation.
Ces règlements peuvent entre autres avoir trait :
1° à la gestion, l'entretien, la conservation, l'utilisation et l'expansion des voies navigables ainsi que de la zone proche de l'eau, et à la mise en oeuvre de travaux à cet égard ;
2° à la protection de l'environnement, de la santé et de la sécurité des voies navigables et de la zone proche de l'eau ;
3° aux activités autorisées sur les voies navigables et dans la zone proche de l'eau ;
4° à la liberté du commerce et de l'industrie lors des activités liées aux voies navigables et aux ports ;
5° à l'accessibilité des voies navigables ainsi que de la zone proche de l'eau, y compris les dimensions maximales autorisées et le tirant d'eau des navires ;
6° à l'utilisation des voies navigables ainsi que de la zone proche de l'eau, y compris les indemnités ;
7° à la délivrance des permis de navigation ;
8° à la réglementation du trafic maritime ;
9° aux prescriptions à observer en cas d'accidents ;
10° à la vitesse maximale autorisée et l'indication des zones de navigation rapide ;
11° aux lieux où sont autorisés ou interdits les mouvements de navires, le mouillage, la pose de tuyaux d'amarrage de drague, l'amarrage, le chargement et le déchargement ;
12° aux règles particulières pour des catégories spécifiques de navires, telles que les bacs, les navires résidentiels, les bateaux de plaisance, les navires à passagers et le patrimoine nautique, telles que visées au décret du 29 mars 2002 portant protection du patrimoine nautique ;
13° aux règles relatives à l'enregistrement des plaintes ;
14° aux règles concernant le jaugeage, l'inspection et le démantèlement des navires ;
15° à la manutention et l'entreposage ;
16° à l'embarquement et au débarquement des passagers ;
17° à l'avitaillement ;
18° aux publications nautiques ;
19° aux heures de navigation ;
20° à la commande et au passage d'écluses, de ponts et d'autres ouvrages d'art ;
21° à la prestation de services à la navigation, tels que le pilotage et le remorquage, et aux restrictions à la liberté du commerce et de l'industrie dans ce contexte ;
22° aux canaux mariphones à écouter et aux autres moyens de communication ;
23° à la communication des renseignements relatifs au navire, à la cargaison et au voyage.
§ 2. Les règlements visés au paragraphe 1 qui sont applicables aux voies navigables gérées par " De Vlaamse Waterweg nv ", ou à la zone proche de l'eau le long de ces voies navigables, sont adoptés par le Gouvernement flamand après avis du conseil d'administration de " De Vlaamse Waterweg nv ".
§ 3. Sans pouvoir porter atteinte aux règlements généraux visés au paragraphe 1, " De Vlaamse Waterweg nv " peut établir des règlements complémentaires concernant les voies navigables qu'elle gère ou la zone proche de l'eau le long de ces voies navigables. Les règlements complémentaires adoptés par " De Vlaamse Waterweg nv " en vertu de cette disposition peuvent modifier ou supprimer les règlements spéciaux promulgués pour certaines voies navigables par arrêté royal ou par arrêté du Gouvernement flamand avant l'entrée en vigueur du décret flamand sur la navigation.
TITEL 8. - Slotbepalingen
TITRE 8. - Dispositions finales
HOOFDSTUK 1. - Wijzigings- en opheffingbepalingen
CHAPITRE 1er. - Dispositions modificatives et abrogatoires
Art.149. Artikel 7 van titel XXVIII van de verordening van 13 augustus 1669 houdende algemeen reglement van de waters en bossen wordt opgeheven.
Art.149. L'article 7 du titre XXVIII de l'édit du 13 août 1669 portant règlement général pour les eaux et forêts est abrogé.
Art.150. In artikel 23, § 1, 1°, van boek II van het Wetboek van bepaalde voorrechten op zeeschepen en diverse bepalingen, wordt de zinsnede "de tonne-, vuur- of havengelden en soortgelijke openbare heffingen en belastingen, de loodslonen," opgeheven.
Art.150. A l'article 23, § 1, 1°, du livre II du Code des privilèges maritimes déterminés et des dispositions diverses, le membre de phrase " les droits de tonnage, de phare ou de port et les autres taxes et impôts publics de mêmes espèces, les frais de pilotage, " est supprimé.
Art.151. In artikel 23, § 1, 4°, van boek II van hetzelfde wetboek wordt de zinsnede "wegens schade aan kunstwerken van havens, dokken en waterwegen," opgeheven.
Art.151. A l'article 23, § 1, 4°, du livre II du même code, le membre de phrase " pour dommages causés aux ouvrages d'art des ports, docks et voies navigables, " est supprimé.
Art.152. Aan artikel 1 van de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg, het laatst gewijzigd bij de wet van 8 mei 2019, wordt een vijfde lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Deze wet is niet van toepassing op de aangelegenheden die worden beheerst door artikel 147 van het Scheepvaartdecreet.".
"Deze wet is niet van toepassing op de aangelegenheden die worden beheerst door artikel 147 van het Scheepvaartdecreet.".
Art.152. A l'article 1 de la loi du 18 février 1969 relative aux mesures d'exécution des traités et actes internationaux en matière de transport par mer, par route, par chemin de fer ou par voie navigable, modifié en dernier lieu par la loi du 8 mai 2019, il est ajouté un alinéa cinq, ainsi rédigé :
" La présente loi ne s'applique pas aux matières régies par l'article 147 du Décret sur la navigation. ".
" La présente loi ne s'applique pas aux matières régies par l'article 147 du Décret sur la navigation. ".
Art.153. Artikel 2 van de wet van 24 november 1975 houdende goedkeuring en uitvoering van het verdrag inzake de internationale bepalingen ter voorkoming van aanvaringen op zee, 1972, bijgevoegd Reglement en zijn Bijlagen, opgemaakt te Londen op 20 oktober 1972, gewijzigd bij de wet van 8 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.153. L'article 2 de la loi du 24 novembre 1975 portant approbation et exécution de la Convention sur le règlement international de 1972 pour prévenir les abordages en mer, Règlement y annexé et ses Annexes, faits à Londres le 20 octobre 1972, modifié par la loi du 8 mai 2019, est abrogé.
Art.154. Artikel 3 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 december 2016 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.154. L'article 3 de la même loi, modifié par la loi des 25 décembre 2016 et 8 mai 2019, est abrogé.
Art.155. Artikel 4 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.155. L'article 4 de la même loi est abrogé.
Art.156. Artikel 12 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 8 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.156. L'article 12 de la loi du 11 avril 1989 portant approbation et exécution de divers Actes internationaux en matière de navigation maritime, modifié par la loi du 8 mai 2019, est abrogé.
Art.157. Artikel 13 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 20 januari 1999 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.157. L'article 13 de la loi du 11 avril 1989 portant approbation et exécution de divers Actes internationaux en matière de navigation maritime, modifié par les lois des 20 janvier 1999 et 8 mai 2019, est abrogé.
Art.158. Artikel 14 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 20 januari 1999 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.158. L'article 14 de la loi du 11 avril 1989 portant approbation et exécution de divers Actes internationaux en matière de navigation maritime, modifié par les lois des 20 janvier 1999 et 8 mai 2019, est abrogé.
Art.159. Artikel 15 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 19 december 2010, wordt opgeheven.
Art.159. L'article 15 de la loi du 11 avril 1989 portant approbation et exécution de divers Actes internationaux en matière de navigation maritime, modifié par la loi du 19 décembre 2010, est abrogé.
Art.160. Artikel 16 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart wordt opgeheven.
Art.160. L'article 16 de la loi du 11 avril 1989 portant approbation et exécution de divers Actes internationaux en matière de navigation maritime, est abrogé.
Art.161. Artikel 17 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij de wet van 20 januari 1999 en 8 mei 2019, wordt opgeheven.
Art.161. L'article 17 de la loi du 11 avril 1989 portant approbation et exécution de divers Actes internationaux en matière de navigation maritime, modifié par les lois des 20 janvier 1999 et 8 mai 2019, est abrogé.
Art.162. Artikel 18 van de wet van 11 april 1989 houdende goedkeuring en uitvoering van diverse Internationale Akten inzake de zeevaart, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt opgeheven.
Art.162. L'article 18 de la loi du 11 avril 1989 portant approbation et exécution de divers Actes internationaux en matière de navigation maritime, modifié par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est abrogé.
Art.163. Artikel 80 van het decreet van 21 december 1990 houdende begrotingstechnische bepalingen alsmede bepalingen tot begeleiding van de begroting 1991, gewijzigd bij het decreet van 20 december 1996, wordt opgeheven.
Art.163. L'article 80 du décret du 21 décembre 1990 contenant des dispositions budgétaires techniques ainsi que des dispositions accompagnant le budget 1991, modifié par le décret du 20 décembre 1996, est abrogé.
Art.164. Artikel 81 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 20 december 1996, wordt opgeheven.
Art.164. L'article 81 du même décret, remplacé par le décret du 20 décembre 1996, est abrogé.
Art.165. Artikel 82 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.165. L'article 82 du même décret est abrogé.
Art.166. Artikel 83 van hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 21 december 2007, wordt opgeheven.
Art.166. L'article 83 du même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 21 décembre 2007, est abrogé.
Art.167. Artikel 84 van hetzelfde decreet, vervangen bij het decreet van 21 december 2007, wordt opgeheven.
Art.167. L'article 84 du même décret, remplacé par le décret du 21 décembre 2007, est abrogé.
Art.168. Artikel 85 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.168. L'article 85 du même décret est abrogé.
Art.169. Artikel 86 van hetzelfde decreet, gewijzigd bij het decreet van 21 april 2006, wordt opgeheven.
Art.169. L'article 86 du même décret, modifié par le décret du 21 avril 2006, est abrogé.
Art.170. Artikel 87 van hetzelfde decreet wordt opgeheven.
Art.170. L'article 87 du même décret est abrogé.
Art.171. In artikel 14bis van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° aan paragraaf 2 wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het besluit van de Vlaamse Regering houdende goedkeuring of weigering van de havenverkeersverordeningen wordt genomen binnen 180 dagen na ontvangst van het voorstel van het havenbedrijf.";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
1° aan paragraaf 2 wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt als volgt:
"Het besluit van de Vlaamse Regering houdende goedkeuring of weigering van de havenverkeersverordeningen wordt genomen binnen 180 dagen na ontvangst van het voorstel van het havenbedrijf.";
2° paragraaf 4 wordt opgeheven.
Art.171. A l'article 14bis du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 2, il est ajouté un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" L'arrêté du Gouvernement flamand portant approbation ou refus du règlement de trafic portuaire est adopté dans les 180 jours suivant la réception de la proposition de la régie portuaire. " ;
2° le paragraphe 4 est abrogé.
1° au paragraphe 2, il est ajouté un nouvel alinéa ainsi rédigé :
" L'arrêté du Gouvernement flamand portant approbation ou refus du règlement de trafic portuaire est adopté dans les 180 jours suivant la réception de la proposition de la régie portuaire. " ;
2° le paragraphe 4 est abrogé.
Art.172. In hoofdstuk 2 van hetzelfde decreet wordt na artikel 23 een afdeling 3 ingevoegd, die luidt als volgt:
"Afdeling 3. Aansprakelijkheid van het havenbedrijf".
"Afdeling 3. Aansprakelijkheid van het havenbedrijf".
Art.172. Dans le chapitre 2 du même décret, il est inséré après l'article 23, une section 3 ainsi rédigée :
" Section 3. Responsabilité de la régie portuaire ".
" Section 3. Responsabilité de la régie portuaire ".
Art.173. In hetzelfde decreet wordt in afdeling 3, ingevoegd bij artikel 172 van dit decreet, een artikel 23bis ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 23bis. De aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in de haven als gevolg van natuurlijke processen vormt voor de toepassing van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen gebrek of abnormaal kenmerk van de haven.".
"Art. 23bis. De aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in de haven als gevolg van natuurlijke processen vormt voor de toepassing van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek geen gebrek of abnormaal kenmerk van de haven.".
Art.173. Dans le même décret, il est inséré dans la section 3, insérée par l'article 172 du présent décret, un article 23bis ainsi rédigé :
" Art. 23bis. La présence d'objets et de déviations par rapport aux possibilités de navigation établies ou habituelles dans le port en raison de processus naturels ne constitue pas un défaut ou une caractéristique anormale du port au sens de l'article 1384, alinéa 1, du Code civil. ".
" Art. 23bis. La présence d'objets et de déviations par rapport aux possibilités de navigation établies ou habituelles dans le port en raison de processus naturels ne constitue pas un défaut ou une caractéristique anormale du port au sens de l'article 1384, alinéa 1, du Code civil. ".
Art.174. In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23ter ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 23ter. Het havenbedrijf is niet aansprakelijk op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor de niet uit een natuurlijk proces volgende aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in de haven die van boven de waterspiegel niet met het blote oog waarneembaar zijn.".
"Art. 23ter. Het havenbedrijf is niet aansprakelijk op grond van artikel 1384, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek voor de niet uit een natuurlijk proces volgende aanwezigheid van voorwerpen en afwijkingen van de vastgestelde of gangbare vaarmogelijkheden in de haven die van boven de waterspiegel niet met het blote oog waarneembaar zijn.".
Art.174. Dans le même décret, il est inséré, dans la même section 3, un article 23ter ainsi rédigé :
" Art. 23ter. La régie portuaire n'est pas responsable, en vertu de l'article 1384, alinéa 1, du Code civil, de la présence, non résultant d'un processus naturel, d'objets et de déviations par rapport aux possibilités de navigation établies ou habituelles dans le port qui ne sont pas visibles à l'oeil nu depuis le niveau de l'eau. ".
" Art. 23ter. La régie portuaire n'est pas responsable, en vertu de l'article 1384, alinéa 1, du Code civil, de la présence, non résultant d'un processus naturel, d'objets et de déviations par rapport aux possibilités de navigation établies ou habituelles dans le port qui ne sont pas visibles à l'oeil nu depuis le niveau de l'eau. ".
Art.175. In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23quater ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 23quater. Het havenbedrijf is niet aansprakelijk voor de volgende vormen van schade:
1° schade die te wijten is aan maatregelen die in het algemeen belang worden genomen;
2° averij of scheepvaartstremming veroorzaakt door een aanvaring of een raak met kunstwerken in hoofde van derde partijen.".
"Art. 23quater. Het havenbedrijf is niet aansprakelijk voor de volgende vormen van schade:
1° schade die te wijten is aan maatregelen die in het algemeen belang worden genomen;
2° averij of scheepvaartstremming veroorzaakt door een aanvaring of een raak met kunstwerken in hoofde van derde partijen.".
Art.175. Dans le même décret, il est inséré, dans la même section 3, un article 23quater ainsi rédigé :
" Art. 23quater. La régie portuaire n'est pas responsable des formes de dommages suivantes :
1° les dommages imputables à des mesures prises dans l'intérêt public ;
2° avarie ou blocage de la navigation provoqués par une collision ou un abordage avec des ouvrages d'art dans le chef de tiers. ".
" Art. 23quater. La régie portuaire n'est pas responsable des formes de dommages suivantes :
1° les dommages imputables à des mesures prises dans l'intérêt public ;
2° avarie ou blocage de la navigation provoqués par une collision ou un abordage avec des ouvrages d'art dans le chef de tiers. ".
Art. 176. In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23quinquies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 23quinquies. § 1. In geval van schade te wijten aan een fout of verzuim in hoofde van het havenbedrijf of zijn aangestelden of veroorzaakt door een gebrek van de zaak die het havenbedrijf onder zijn bewaring heeft, is de aansprakelijkheid van het havenbedrijf beperkt tot het overeenkomstig paragraaf 2 vastgestelde bedrag indien de schade voortvloeit uit één van de volgende oorzaken:
1° een defect aan of een gebrek in de verkeerstekens en de apparaten die dienen om inlichtingen of instructies aan schepen te geven, zoals bakens en boeien;
2° een defect aan of een gebrek in de kunstwerken, zoals sluizen, bruggen en taluds.
§ 2. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van het havenbedrijf per schadeverwekkend feit is beperkt, is afhankelijk van de waterwegklasse van de havenwateren waarop het schadeverwekkende feit zich voordoet.
Per schadeverwekkend feit worden de bedragen voor elke waterwegklasse als volgt vastgesteld:
"Art. 23quinquies. § 1. In geval van schade te wijten aan een fout of verzuim in hoofde van het havenbedrijf of zijn aangestelden of veroorzaakt door een gebrek van de zaak die het havenbedrijf onder zijn bewaring heeft, is de aansprakelijkheid van het havenbedrijf beperkt tot het overeenkomstig paragraaf 2 vastgestelde bedrag indien de schade voortvloeit uit één van de volgende oorzaken:
1° een defect aan of een gebrek in de verkeerstekens en de apparaten die dienen om inlichtingen of instructies aan schepen te geven, zoals bakens en boeien;
2° een defect aan of een gebrek in de kunstwerken, zoals sluizen, bruggen en taluds.
§ 2. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid van het havenbedrijf per schadeverwekkend feit is beperkt, is afhankelijk van de waterwegklasse van de havenwateren waarop het schadeverwekkende feit zich voordoet.
Per schadeverwekkend feit worden de bedragen voor elke waterwegklasse als volgt vastgesteld:
Art. 176. Dans le même décret, il est inséré, dans la même section 3, un article 23quinquies ainsi rédigé :
" Art. 23quinquies. § 1. En cas de dommage causé par une erreur ou une négligence dans le chef de la régie portuaire ou de ses préposés ou causé par un défaut du bien dont la régie portuaire a la garde, la responsabilité de la régie portuaire est limitée au montant déterminé conformément au paragraphe 2 si le dommage résulte de l'une des causes suivantes :
1° un défaut ou une déficience des panneaux de signalisation et des dispositifs qui servent à fournir des informations ou des instructions aux navires, tels que les balises et les bouées ;
2° un défaut ou une déficience des ouvrages d'art, tels que les écluses, les ponts et les talus.
§ 2. Le montant auquel la responsabilité de la régie portuaire est limitée par événement dommageable dépend de la classe de la voie navigable sur laquelle l'événement dommageable se produit.
Les montants pour chaque fait dommageable par classe de voies navigables sont fixés comme suit :
" Art. 23quinquies. § 1. En cas de dommage causé par une erreur ou une négligence dans le chef de la régie portuaire ou de ses préposés ou causé par un défaut du bien dont la régie portuaire a la garde, la responsabilité de la régie portuaire est limitée au montant déterminé conformément au paragraphe 2 si le dommage résulte de l'une des causes suivantes :
1° un défaut ou une déficience des panneaux de signalisation et des dispositifs qui servent à fournir des informations ou des instructions aux navires, tels que les balises et les bouées ;
2° un défaut ou une déficience des ouvrages d'art, tels que les écluses, les ponts et les talus.
§ 2. Le montant auquel la responsabilité de la régie portuaire est limitée par événement dommageable dépend de la classe de la voie navigable sur laquelle l'événement dommageable se produit.
Les montants pour chaque fait dommageable par classe de voies navigables sont fixés comme suit :
| Klasse | Bedrag |
| I | 50.000,00 EUR |
| II | 81.250,00 EUR |
| III | 125.000,00 EUR |
| IV | 187.500,00 EUR |
| Va | 375.000,00 EUR |
| Vb | 400.000,00 EUR |
| Via | 750.000,00 EUR |
| VIb | 1.500.000,00 EUR |
| Vic | 2.250.000,00 EUR |
| VII | 3.375.000,00 EUR |
Wanneer voor de havenwateren waarop het schadeverwekkende feit zich voordoet, geen waterwegklasse kan worden bepaald, is de aansprakelijkheid van het havenbedrijf per schadeverwekkend feit beperkt tot 1.500.000 euro.
§ 3. De beperking van de aansprakelijkheid van het havenbedrijf geldt niet wanneer zijnerzijds opzet of grove schuld aanwezig is.
§ 4. Alle bedragen worden op 1 januari van elk jaar aangepast aan het indexcijfer van de gezondheidsindex van december van het voorgaande jaar, waarbij het aanvangsindexcijfer datgene is van december 2021. Onder de gezondheidsindex wordt verstaan de afgevlakte gezondheidsindex, zoals vermeld in artikel 2, § 2, van het koninklijk besluit van 24 december 1993 ter uitvoering van de wet van 6 januari 1989 tot vrijwaring van 's lands concurrentievermogen.".
| Classe | Montant |
| I | 50.000,00 EUR |
| II | 81.250,00 EUR |
| III | 125.000,00 EUR |
| IV | 187.500,00 EUR |
| Va | 375.000,00 EUR |
| Vb | 400.000,00 EUR |
| VIa | 750.000,00 EUR |
| VIb | 1.500.000,00 EUR |
| VIc | 2.250.000,00 EUR |
| VII | 3.375.000,00 EUR |
Si aucune classe de voies navigables ne peut être déterminée pour les eaux portuaires sur lesquelles l'événement dommageable se produit, la responsabilité de la régie portuaire par événement dommageable est limitée à 1 500 000 EUR.
§ 3. La limitation de la responsabilité de la régie portuaire ne s'applique pas en cas d'intention ou de négligence grave de sa part.
§ 4. Tous les montants sont adaptés le 1 janvier de chaque année en fonction de l'indice de santé du mois de décembre de l'année précédente, l'indice de départ étant celui du mois de décembre 2021. Par indice santé, on entend l'indice santé lissé tel que visé à l'article 2, § 2, de l'arrêté royal du 24 décembre 1993 portant exécution de la loi du 6 janvier 1989 de sauvegarde de la compétitivité du pays. ".
Art.177. In hetzelfde decreet wordt in dezelfde afdeling 3 een artikel 23sexies ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 23sexies. § 1. Wanneer het havenbedrijf kennis krijgt van een tegen hem gerichte vordering tot schadevergoeding, in of buiten rechte, met betrekking tot een schadeverwekkend feit waarvoor de beperking van aansprakelijkheid, vermeld in artikel 23quinquies van dit decreet, geldt, kan het een bekendmaking laten verrichten.
Indien het havenbedrijf een bekendmaking verricht, geschiedt deze:
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° indien nuttig, in een of meer op de scheepvaart gerichte publicaties of in een publicatie die verschijnt in het arrondissement waar de desgevallend geadieerde rechtbank zetelt;
3° op de desgevallend bijkomend door de Vlaamse Regering voorgeschreven elektronische wijze.
In de bekendmaking wordt eenieder die schade lijdt als gevolg van hetzelfde schadeverwekkend feit uitgenodigd om binnen de drie maanden vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad zijn vordering in te dienen.
Wanneer een gerechtelijke procedure aanhangig is, wordt de vordering ingesteld middels een verzoek tot tussenkomst. Wanneer geen gerechtelijke procedure aanhangig werd gemaakt, wordt de vordering bij aangetekend schrijven gericht tot het havenbedrijf. Wordt na de bekendmaking alsnog een gerechtelijke procedure aangevat, dan stelt het havenbedrijf eenieder die een vordering tot hem heeft gericht in kennis van de mogelijkheid om een verzoek tot tussenkomst in te stellen.
§ 2. Het havenbedrijf dat heeft gehandeld overeenkomstig paragraaf 1, kan de beperking van aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 23quinquies van dit decreet inroepen tegen alle personen die een vordering instellen. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid wordt beperkt, wordt onder de eisers van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen verdeeld in evenredigheid met de bedragen van hun gegrond bevonden vorderingen.
§ 3. Indien de aansprakelijkheid van het havenbedrijf overeenkomstig artikel 23quinquies van dit decreet is beperkt, wordt wie meer dan drie maanden na de bekendmaking een ontvankelijke en gegronde vordering tot schadevergoeding instelt slechts vergoed voor zover het havenbedrijf uit hoofde van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen minder schadevergoeding dient te betalen dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt. Het havenbedrijf is niet gehouden tot de betaling van een totaalbedrag aan schadevergoedingen dat hoger ligt dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt.".
"Art. 23sexies. § 1. Wanneer het havenbedrijf kennis krijgt van een tegen hem gerichte vordering tot schadevergoeding, in of buiten rechte, met betrekking tot een schadeverwekkend feit waarvoor de beperking van aansprakelijkheid, vermeld in artikel 23quinquies van dit decreet, geldt, kan het een bekendmaking laten verrichten.
Indien het havenbedrijf een bekendmaking verricht, geschiedt deze:
1° in het Belgisch Staatsblad;
2° indien nuttig, in een of meer op de scheepvaart gerichte publicaties of in een publicatie die verschijnt in het arrondissement waar de desgevallend geadieerde rechtbank zetelt;
3° op de desgevallend bijkomend door de Vlaamse Regering voorgeschreven elektronische wijze.
In de bekendmaking wordt eenieder die schade lijdt als gevolg van hetzelfde schadeverwekkend feit uitgenodigd om binnen de drie maanden vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad zijn vordering in te dienen.
Wanneer een gerechtelijke procedure aanhangig is, wordt de vordering ingesteld middels een verzoek tot tussenkomst. Wanneer geen gerechtelijke procedure aanhangig werd gemaakt, wordt de vordering bij aangetekend schrijven gericht tot het havenbedrijf. Wordt na de bekendmaking alsnog een gerechtelijke procedure aangevat, dan stelt het havenbedrijf eenieder die een vordering tot hem heeft gericht in kennis van de mogelijkheid om een verzoek tot tussenkomst in te stellen.
§ 2. Het havenbedrijf dat heeft gehandeld overeenkomstig paragraaf 1, kan de beperking van aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 23quinquies van dit decreet inroepen tegen alle personen die een vordering instellen. Het bedrag waartoe de aansprakelijkheid wordt beperkt, wordt onder de eisers van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen verdeeld in evenredigheid met de bedragen van hun gegrond bevonden vorderingen.
§ 3. Indien de aansprakelijkheid van het havenbedrijf overeenkomstig artikel 23quinquies van dit decreet is beperkt, wordt wie meer dan drie maanden na de bekendmaking een ontvankelijke en gegronde vordering tot schadevergoeding instelt slechts vergoed voor zover het havenbedrijf uit hoofde van alle tijdig ingediende en gegrond bevonden vorderingen minder schadevergoeding dient te betalen dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt. Het havenbedrijf is niet gehouden tot de betaling van een totaalbedrag aan schadevergoedingen dat hoger ligt dan het bedrag waartoe zijn aansprakelijkheid is beperkt.".
Art.177. Dans le même décret, il est inséré, dans la même section 3, un article 23sexies ainsi rédigé :
" Art. 23sexies. § 1. Lorsque la régie portuaire a connaissance d'un recours en indemnité, judiciaire ou extrajudiciaire, dirigé contre elle, relatif à un fait dommageable faisant l'objet de la limitation de responsabilité visée à l'article 23quinquies du présent décret, elle peut faire procéder à une publication.
Si la régie portuaire procède à une publication, celle-ci doit être faite :
1° au Moniteur belge ;
2° s'il y a lieu, dans une ou plusieurs publications destinées à la navigation ou dans une publication qui paraîtra dans l'arrondissement où siège le tribunal saisi, le cas échéant ;
3° de la manière électronique supplémentaire prescrite par le Gouvernement flamand, le cas échéant.
La publication invite toute personne subissant un dommage à la suite du même fait dommageable à introduire une demande dans les trois mois suivant la publication au Moniteur belge.
Lorsqu'une procédure judiciaire est en cours, l'action est introduite par le biais d'une requête en intervention. Lorsqu'aucune procédure judiciaire n'a été engagée, la demande est adressée à la régie portuaire par lettre recommandée. Si une procédure judiciaire est engagée après la publication, la régie portuaire informe toute personne ayant formulé une demande à son encontre de la possibilité d'introduire une requête en intervention.
§ 2. La régie portuaire qui a agi conformément au paragraphe 1 peut invoquer la limitation de responsabilité conformément à l'article 23quinquies du présent décret à l'encontre de toute personne qui intente une action. Le montant auquel la responsabilité est limitée est réparti entre les demandeurs de toutes les actions qui ont été intentées à temps et qui ont été jugées justifiées, au prorata des montants de leurs actions jugées justifiées
§ 3. Lorsque la responsabilité de la régie portuaire est limitée conformément à l'article 23quinquies du présent décret, celui qui introduit un recours en indemnité recevable et fondé plus de trois mois après la publication n'est indemnisé que pour autant que la régie portuaire soit tenue de payer moins de dommages et intérêts que le montant auquel sa responsabilité est limitée, du fait de tous les recours introduits en temps utile et jugés fondés. La régie portuaire n'est pas tenue de payer un montant total d'indemnités supérieur au montant auquel sa responsabilité est limitée. ".
" Art. 23sexies. § 1. Lorsque la régie portuaire a connaissance d'un recours en indemnité, judiciaire ou extrajudiciaire, dirigé contre elle, relatif à un fait dommageable faisant l'objet de la limitation de responsabilité visée à l'article 23quinquies du présent décret, elle peut faire procéder à une publication.
Si la régie portuaire procède à une publication, celle-ci doit être faite :
1° au Moniteur belge ;
2° s'il y a lieu, dans une ou plusieurs publications destinées à la navigation ou dans une publication qui paraîtra dans l'arrondissement où siège le tribunal saisi, le cas échéant ;
3° de la manière électronique supplémentaire prescrite par le Gouvernement flamand, le cas échéant.
La publication invite toute personne subissant un dommage à la suite du même fait dommageable à introduire une demande dans les trois mois suivant la publication au Moniteur belge.
Lorsqu'une procédure judiciaire est en cours, l'action est introduite par le biais d'une requête en intervention. Lorsqu'aucune procédure judiciaire n'a été engagée, la demande est adressée à la régie portuaire par lettre recommandée. Si une procédure judiciaire est engagée après la publication, la régie portuaire informe toute personne ayant formulé une demande à son encontre de la possibilité d'introduire une requête en intervention.
§ 2. La régie portuaire qui a agi conformément au paragraphe 1 peut invoquer la limitation de responsabilité conformément à l'article 23quinquies du présent décret à l'encontre de toute personne qui intente une action. Le montant auquel la responsabilité est limitée est réparti entre les demandeurs de toutes les actions qui ont été intentées à temps et qui ont été jugées justifiées, au prorata des montants de leurs actions jugées justifiées
§ 3. Lorsque la responsabilité de la régie portuaire est limitée conformément à l'article 23quinquies du présent décret, celui qui introduit un recours en indemnité recevable et fondé plus de trois mois après la publication n'est indemnisé que pour autant que la régie portuaire soit tenue de payer moins de dommages et intérêts que le montant auquel sa responsabilité est limitée, du fait de tous les recours introduits en temps utile et jugés fondés. La régie portuaire n'est pas tenue de payer un montant total d'indemnités supérieur au montant auquel sa responsabilité est limitée. ".
Art.178. Artikel 18 van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, wordt opgeheven.
Art.178. L'article 18 du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public " De Vlaamse Waterweg nv ", société anonyme de droit public, est abrogé.
Art.179. In artikel 19, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 26 april 2019, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in punt 1° worden de woorden "om vaartuigen voor de binnenvaart te certificeren en te meten" vervangen door de woorden "inzake het certificeren en meten van vaartuigen voor de binnenvaart";
2° in punt 2° worden de woorden "de bemanningsvoorschriften en de bekwaamheidsbewijzen" vervangen door de zinsnede "prestaties inzake de bemanningsvoorschriften en de bekwaamheidsbewijzen, met inbegrip van het afnemen van examens";
3° in punt 3° worden tussen het woord "voor" en het woord "de" de woorden "prestaties inzake" ingevoegd.
1° in punt 1° worden de woorden "om vaartuigen voor de binnenvaart te certificeren en te meten" vervangen door de woorden "inzake het certificeren en meten van vaartuigen voor de binnenvaart";
2° in punt 2° worden de woorden "de bemanningsvoorschriften en de bekwaamheidsbewijzen" vervangen door de zinsnede "prestaties inzake de bemanningsvoorschriften en de bekwaamheidsbewijzen, met inbegrip van het afnemen van examens";
3° in punt 3° worden tussen het woord "voor" en het woord "de" de woorden "prestaties inzake" ingevoegd.
Art.179. A l'article 19, alinéa 2, du même décret, inséré par le décret du 26 avril 2019, les modifications suivantes sont apportées :
1° au point 1° les mots " pour les prestations concernant les certifications et le jaugeage des bâtiments de navigation intérieure " sont remplacés par les mots " relatives à la certification et le jaugeage de bateaux pour la navigation intérieure " ;
2° au point 2°, les mots " les prescriptions d'équipage et les titres " sont remplacés par les mots " les prestations relatives aux prescriptions d'équipage et les titres, y compris l'organisation d'examens " ;
3° au point 3°, les mots " les prestations relatives à " sont insérés entre le mot " pour " et le mot " la ".
1° au point 1° les mots " pour les prestations concernant les certifications et le jaugeage des bâtiments de navigation intérieure " sont remplacés par les mots " relatives à la certification et le jaugeage de bateaux pour la navigation intérieure " ;
2° au point 2°, les mots " les prescriptions d'équipage et les titres " sont remplacés par les mots " les prestations relatives aux prescriptions d'équipage et les titres, y compris l'organisation d'examens " ;
3° au point 3°, les mots " les prestations relatives à " sont insérés entre le mot " pour " et le mot " la ".
Art.180. In hetzelfde decreet, het laatst gewijzigd bij het decreet van 9 oktober 2020, wordt een artikel 20ter/1 ingevoegd, dat luidt als volgt:
"Art. 20ter/1. Onder de vennootschap ressorteert een examencommissie.
De examencommissie is onder meer belast met de volgende taken:
1° het afnemen van examens waarmee deelnemers hun bekwaamheden kunnen aantonen met het oog op het verkrijgen van bekwaamheidsbewijzen in de binnenvaart, met inbegrip van bekwaamheidsbewijzen voor bemanningsleden in verband met het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren;
2° het nemen van alle bestuurlijke beslissingen in verband met de examens, vermeld in punt 1°, in overeenstemming met de regelgeving over de bekwaamheidsbewijzen in de binnenvaart.
De Vlaamse Regering kan, ter uitvoering van internationale of Unierechtelijke regels die met de hierboven vermelde taken samenhangen, de taken, vermeld in het tweede lid, nader omschrijven en bijkomende taken aan de examencommissie opdragen.
De examencommissie telt onder haar leden personen met een bijzondere deskundigheid in verband met de in het tweede lid bedoelde bekwaamheden. De Vlaamse Regering kan nadere voorschriften vaststellen betreffende de samenstelling van de examencommissie en de aanstelling van de leden ervan.".
"Art. 20ter/1. Onder de vennootschap ressorteert een examencommissie.
De examencommissie is onder meer belast met de volgende taken:
1° het afnemen van examens waarmee deelnemers hun bekwaamheden kunnen aantonen met het oog op het verkrijgen van bekwaamheidsbewijzen in de binnenvaart, met inbegrip van bekwaamheidsbewijzen voor bemanningsleden in verband met het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren;
2° het nemen van alle bestuurlijke beslissingen in verband met de examens, vermeld in punt 1°, in overeenstemming met de regelgeving over de bekwaamheidsbewijzen in de binnenvaart.
De Vlaamse Regering kan, ter uitvoering van internationale of Unierechtelijke regels die met de hierboven vermelde taken samenhangen, de taken, vermeld in het tweede lid, nader omschrijven en bijkomende taken aan de examencommissie opdragen.
De examencommissie telt onder haar leden personen met een bijzondere deskundigheid in verband met de in het tweede lid bedoelde bekwaamheden. De Vlaamse Regering kan nadere voorschriften vaststellen betreffende de samenstelling van de examencommissie en de aanstelling van de leden ervan.".
Art.180. Dans le même décret, modifié en dernier lieu par le décret du 9 octobre 2020, il est inséré un article 20ter/1 rédigé comme suit :
" Art. 20ter/1. Un jury relève de la société.
Le jury est chargé, entre autres, des tâches suivantes :
1° l'organisation d'examens permettant aux participants de faire valoir leurs compétences en vue de l'obtention de titres en navigation intérieure, y compris les titres des membres d'équipage relatifs au transport de marchandises dangereuses par les voies navigables intérieures ;
2° la prise de toutes les décisions administratives relatives aux examens visés au point 1°, conformément à la réglementation relative aux titres en navigation intérieure.
Le Gouvernement flamand peut, en exécution de règles internationales ou du droit de l'Union qui sont liées aux tâches précitées, préciser les tâches visées à l'alinéa deux et confier des tâches supplémentaires au jury.
Le jury compte parmi ses membres des personnes ayant une expertise particulière en rapport avec les compétences visées au deuxième alinéa. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles plus détaillées concernant la composition du jury et la désignation de ses membres. ".
" Art. 20ter/1. Un jury relève de la société.
Le jury est chargé, entre autres, des tâches suivantes :
1° l'organisation d'examens permettant aux participants de faire valoir leurs compétences en vue de l'obtention de titres en navigation intérieure, y compris les titres des membres d'équipage relatifs au transport de marchandises dangereuses par les voies navigables intérieures ;
2° la prise de toutes les décisions administratives relatives aux examens visés au point 1°, conformément à la réglementation relative aux titres en navigation intérieure.
Le Gouvernement flamand peut, en exécution de règles internationales ou du droit de l'Union qui sont liées aux tâches précitées, préciser les tâches visées à l'alinéa deux et confier des tâches supplémentaires au jury.
Le jury compte parmi ses membres des personnes ayant une expertise particulière en rapport avec les compétences visées au deuxième alinéa. Le Gouvernement flamand peut fixer des règles plus détaillées concernant la composition du jury et la désignation de ses membres. ".
Art.181. Artikel 50 en 51 van het decreet van 26 april 2019 houdende diverse bepalingen over het mobiliteitsbeleid, de openbare werken en het vervoer, het verkeersveiligheidsbeleid en VVM - De Lijn, worden opgeheven.
Art.181. Les articles 50 et 51 du décret du 26 avril 2019 portant diverses dispositions concernant la politique de la mobilité, les travaux publics et le transport, la politique en matière de sécurité routière et la VVM - De Lijn, sont abrogés.
Art.182. In het decreet van 3 mei 2019 houdende de havenkapiteinsdienst wordt in artikel 2, 3°, na de zinsnede "een havengebied als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 2 maart 1999" de zinsnede "of indien het de toepassing van een havenverkeersverordening betreft een havengebied als vermeld in artikel 14bis, § 1, van het decreet van 2 maart 1999" toegevoegd.
Art.182. Dans le décret du 3 mai 2019 portant la capitainerie de port, il est ajouté à l'article 2, 3°, après le membre de phrase " une zone portuaire telle que visée à l'article 2, 4°, du décret du 2 mars 1999 ", le membre de phrase " ou s'il s'agit de l'application d'un règlement de trafic portuaire, une zone portuaire telle que visée à l'article 14bis, § 1, du décret du 2 mars 1999 ".
Art.183. In artikel 2 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aan gebracht:
1° er wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"8° havenverkeersverordening: een door de Vlaamse Regering vastgesteld reglement van bijzondere administratieve politie inzake het verkeer te land van havenvoertuigen in het havengebied;";
2° er wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"9° havenvoertuig: een voertuig als vermeld in artikel 14bis, § 1, laatste lid, van het decreet van 2 maart 1999;";
3° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"10° bevel: een onderrichting, aanwijzing, opdracht, of verbod gegeven of uitgevaardigd door een havenkapitein, haveninspecteur of havenagent ongeacht de wijze waarop dit gegeven wordt, of voorwaarden opgelegd in een door de havenkapiteinsdienst verleende vergunning of toelating.".
1° er wordt een punt 8° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"8° havenverkeersverordening: een door de Vlaamse Regering vastgesteld reglement van bijzondere administratieve politie inzake het verkeer te land van havenvoertuigen in het havengebied;";
2° er wordt een punt 9° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"9° havenvoertuig: een voertuig als vermeld in artikel 14bis, § 1, laatste lid, van het decreet van 2 maart 1999;";
3° er wordt een punt 10° toegevoegd, dat luidt als volgt:
"10° bevel: een onderrichting, aanwijzing, opdracht, of verbod gegeven of uitgevaardigd door een havenkapitein, haveninspecteur of havenagent ongeacht de wijze waarop dit gegeven wordt, of voorwaarden opgelegd in een door de havenkapiteinsdienst verleende vergunning of toelating.".
Art.183. A l'article 2 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° il est ajouté un point 8° ainsi rédigé :
" 8° règlement de circulation portuaire : un règlement du Gouvernement flamand de police administrative spéciale concernant la circulation terrestre des véhicules portuaires dans la zone portuaire ; " ;
2° il est ajouté un point 9° ainsi rédigé :
" véhicule portuaire : un véhicule tel que visé à l'article 14bis, § 1, dernier alinéa, du décret du 2 mars 1999 ; ";
3° il est ajouté un point 10° ainsi rédigé :
" 10° ordre : une instruction, désignation, ordre ou interdiction, délivré ou émis par un capitaine de port, un inspecteur portuaire ou un agent portuaire, quelle que soit la manière dont cette information est donnée, ou des conditions imposées dans une autorisation ou une admission délivrée par le service du capitaine de port. ".
1° il est ajouté un point 8° ainsi rédigé :
" 8° règlement de circulation portuaire : un règlement du Gouvernement flamand de police administrative spéciale concernant la circulation terrestre des véhicules portuaires dans la zone portuaire ; " ;
2° il est ajouté un point 9° ainsi rédigé :
" véhicule portuaire : un véhicule tel que visé à l'article 14bis, § 1, dernier alinéa, du décret du 2 mars 1999 ; ";
3° il est ajouté un point 10° ainsi rédigé :
" 10° ordre : une instruction, désignation, ordre ou interdiction, délivré ou émis par un capitaine de port, un inspecteur portuaire ou un agent portuaire, quelle que soit la manière dont cette information est donnée, ou des conditions imposées dans une autorisation ou une admission délivrée par le service du capitaine de port. ".
Art.184. In artikel 4, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden de woorden "en de havenverkeersverordeningen" toegevoegd.
Art.184. A l'article 4, alinéa premier, du même décret, sont ajoutés les mots " et les règlements de circulation portuaire ".
Art.185. In artikel 10, § 1, eerste lid, van hetzelfde decreet, worden tussen het woord "havenpolitieverordeningen" en het woord "bevelen" de woorden "en de havenverkeersverordeningen" ingevoegd.
Art.185. A l'article 10, § 1, alinéa premier, du même décret, les mots " et des règlements de circulation portuaire " sont insérés après les mots " des règlements de police portuaire ".
Art.186. In artikel 12, tweede lid, van hetzelfde decreet worden tussen het woord "havenpolitieverordeningen" en het woord "bevelen" de woorden "en de havenverkeersverordeningen" ingevoegd.
Art.186. A l'article 12, deuxième alinéa, du même décret, les mots " et des règlements de circulation portuaire " sont insérés après les mots " des règlements de police portuaire ".
Art.187. In artikel 13, § 2, van hetzelfde decreet worden tussen het woord "havenpolitieverordeningen" en het woord "bevelen" de woorden "en de havenverkeersverordeningen" ingevoegd.
Art.187. A l'article 13, § 2, du même décret, les mots " et des règlements de circulation portuaire " sont insérés après le mot " portuaire ".
Art.188. Artikel 15 van hetzelfde decreet wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 15. § 1. Sanctiebepalingen van toepassing op inbreuken op de bepalingen van de havenpolitieverordeningen:
1° eenieder die een schending begaat van een louter administratieve verplichting, wordt gesanctioneerd met een geldboete van 25 euro tot 1000 euro. De havenpolitieverordeningen bepalen welke van hun voorschriften een administratieve verplichting inhouden;
2° eenieder die een uitdrukkelijk bevel van een havenkapitein, een haveninspecteur of een havenagent negeert wordt gesanctioneerd met een geldboete van 50 euro tot 2500 euro;
3° opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenpolitieverordeningen, worden gesanctioneerd met een geldboete van 125 euro tot 25.000 euro;
4° als de gedragingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, de veiligheid, het milieu of de exploitatie van de haven in het gedrang brengen of kunnen brengen, worden ze gesanctioneerd met een geldboete van 250 euro tot 50.000 euro.
§ 2. Sanctiebepalingen van toepassing op inbreuken op de bepalingen van de havenverkeersverordeningen:
1° schendingen van administratieve procedures, of schendingen van administratieve vereisten worden gesanctioneerd met een geldboete van 25 euro tot 1000 euro. De havenverkeersverordeningen bepalen welke van hun voorschriften administratieve procedures en/of vereisten bevatten;
2° de schending van een door de havenkapiteinsdienst opgelegd bevel, of opzettelijke of door gebrek aan voorzorg gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenverkeersverordeningen, zonder dat de veiligheid in het gedrang komt of schade aan de weginfrastructuur of kunstwerken en hun toebehoren wordt toegebracht, worden gesanctioneerd met een geldboete van 50 euro tot 2500 euro;
3° de schending van een door de havenkapiteinsdienst opgelegd bevel of opzettelijke of door gebrek aan voorzorg gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenverkeersverordeningen, waarbij de veiligheid in het gedrang kan komen of schade aan de weginfrastructuur of kunstwerken en hun toebehoren kan worden toegebracht, worden gesanctioneerd met een geldboete van 125 euro tot 25.000 euro.".
"Art. 15. § 1. Sanctiebepalingen van toepassing op inbreuken op de bepalingen van de havenpolitieverordeningen:
1° eenieder die een schending begaat van een louter administratieve verplichting, wordt gesanctioneerd met een geldboete van 25 euro tot 1000 euro. De havenpolitieverordeningen bepalen welke van hun voorschriften een administratieve verplichting inhouden;
2° eenieder die een uitdrukkelijk bevel van een havenkapitein, een haveninspecteur of een havenagent negeert wordt gesanctioneerd met een geldboete van 50 euro tot 2500 euro;
3° opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenpolitieverordeningen, worden gesanctioneerd met een geldboete van 125 euro tot 25.000 euro;
4° als de gedragingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, de veiligheid, het milieu of de exploitatie van de haven in het gedrang brengen of kunnen brengen, worden ze gesanctioneerd met een geldboete van 250 euro tot 50.000 euro.
§ 2. Sanctiebepalingen van toepassing op inbreuken op de bepalingen van de havenverkeersverordeningen:
1° schendingen van administratieve procedures, of schendingen van administratieve vereisten worden gesanctioneerd met een geldboete van 25 euro tot 1000 euro. De havenverkeersverordeningen bepalen welke van hun voorschriften administratieve procedures en/of vereisten bevatten;
2° de schending van een door de havenkapiteinsdienst opgelegd bevel, of opzettelijke of door gebrek aan voorzorg gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenverkeersverordeningen, zonder dat de veiligheid in het gedrang komt of schade aan de weginfrastructuur of kunstwerken en hun toebehoren wordt toegebracht, worden gesanctioneerd met een geldboete van 50 euro tot 2500 euro;
3° de schending van een door de havenkapiteinsdienst opgelegd bevel of opzettelijke of door gebrek aan voorzorg gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenverkeersverordeningen, waarbij de veiligheid in het gedrang kan komen of schade aan de weginfrastructuur of kunstwerken en hun toebehoren kan worden toegebracht, worden gesanctioneerd met een geldboete van 125 euro tot 25.000 euro.".
Art.188. L'article 15 du même décret est remplacé par ce qui suit :
" Art. 15. § 1. Mesures de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de police portuaire :
1° quiconque commet une violation d'une obligation purement administrative, sera puni d'une amende de 25 à 1.000 euros. Les règlements de police portuaire déterminent quelles sont leurs prescriptions qui impliquent une obligation administrative ;
2° quiconque ignore un ordre exprès d'un capitaine de port, d'un inspecteur de port ou d'un agent de port, sera puni d'une amende de 50 à 2500 euros ;
3° le comportement intentionnel ou par manque de précaution ou de prudence, contraire aux règlements de police portuaire, sera puni d'une amende de 125 à 25.000 euros.
4° si le comportement visé aux alinéas 1 à 3 compromettent ou peuvent compromettre la sécurité, l'environnement ou l'exploitation du port, il sera puni d'une amende de 250 à 50.000 euros.
§ 2. Dispositions de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de circulation portuaire :
1° les violations des procédures administratives, ou les violations des exigences administratives sont punies d'une amende de 25 à 1 000 euros. Les règlements de circulation portuaire déterminent quelles sont ses dispositions qui contiennent des procédures et/ou des exigences administratives ;
2° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire, sans mettre en danger la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 50 à 2 500 euros ;
3° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire et qui peut compromettre la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 125 euros à 25 000 euros. ".
" Art. 15. § 1. Mesures de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de police portuaire :
1° quiconque commet une violation d'une obligation purement administrative, sera puni d'une amende de 25 à 1.000 euros. Les règlements de police portuaire déterminent quelles sont leurs prescriptions qui impliquent une obligation administrative ;
2° quiconque ignore un ordre exprès d'un capitaine de port, d'un inspecteur de port ou d'un agent de port, sera puni d'une amende de 50 à 2500 euros ;
3° le comportement intentionnel ou par manque de précaution ou de prudence, contraire aux règlements de police portuaire, sera puni d'une amende de 125 à 25.000 euros.
4° si le comportement visé aux alinéas 1 à 3 compromettent ou peuvent compromettre la sécurité, l'environnement ou l'exploitation du port, il sera puni d'une amende de 250 à 50.000 euros.
§ 2. Dispositions de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de circulation portuaire :
1° les violations des procédures administratives, ou les violations des exigences administratives sont punies d'une amende de 25 à 1 000 euros. Les règlements de circulation portuaire déterminent quelles sont ses dispositions qui contiennent des procédures et/ou des exigences administratives ;
2° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire, sans mettre en danger la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 50 à 2 500 euros ;
3° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire et qui peut compromettre la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 125 euros à 25 000 euros. ".
Art.189. In artikel 17 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Als een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 1° en 2°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 1° en 2°, werd vastgesteld, kan de havenkapitein, de haveninspecteur of de havenagent de overtreder voorstellen het bedrag van een door de Vlaamse Regering vastgestelde geldboete onmiddellijk te betalen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die onmiddellijke inning, waaronder het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete, in verhouding tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. Het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete voor een individuele inbreuk bedraagt maximaal 1000 euro. De Vlaamse Regering bepaalt ook het maximumbedrag dat in het kader van een onmiddellijke inning kan worden betaald in geval van de eendaadse of meerdaadse samenloop van inbreuken.
De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder die geldboete moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Voor zover het gaat om een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 3°, of voor zover het gaat om een inbreuk of een samenloop van inbreuken waarvoor geen onmiddellijke inning van de geldboete met toepassing van paragraaf 1 kan worden voorgesteld, kan de havenkapitein het bedrag van de geldboete bepalen. Die geldboete mag niet meer bedragen dan het maximumbedrag van de geldboete, vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, en § 2, 3°, verhoogd met de opdeciemen, en moet in verhouding staan tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder de geldboete uiterlijk moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren. De betalingstermijn die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, bedraagt ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden.";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. De overtreder kan bovendien verplicht worden een borg te stellen of een bepaalde som te storten als waarborg voor de eventuele invordering van de geldboeten en/of schadevergoedingen waartoe hij kan worden veroordeeld. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere regels vast.
Bij onmogelijkheid of weigering om aan die verplichting te voldoen kan het vervoermiddel waarmee de overtreding begaan werd, door de havenkapiteins aangehouden worden.
In dat geval wordt de gezagvoerder, dan wel de eigenaar of beheerder van het aangehouden vervoermiddel schriftelijk op de hoogte gebracht van de reden van de weigering tot vertrek. Het risico en de kosten voor het vervoermiddel blijven tijdens de duur van de aanhouding ten laste van de overtreder. De aanhouding van het vervoermiddel wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de borg werd gesteld of de som die als waarborg moet worden gegeven, werd gestort en de eventuele bewaringskosten van het vervoermiddel betaald werden.";
4° er worden een paragraaf 7, 8, 9, 10 en 11 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 7. Wanneer een inbreuk op de havenpolitieverordeningen of de havenverkeersverordeningen is begaan met een vaartuig of een (haven)voertuig dat is ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de gezagvoerder respectievelijk de bestuurder bij de vaststelling van de inbreuk niet werd geïdentificeerd, wordt verondersteld dat de inbreuk is begaan door diegene op wiens naam:
1° het IMO-nummer van het zeeschip (IMO: Internationale Maritieme Organisatie) of het ENI-nummer van het binnenschip (ENI: European Number of Identification) is geregistreerd;
2° de kentekenplaat van het voertuig is geregistreerd;
3° het havenvoertuig bij de havenkapiteinsdienst geregistreerd is als eigenaar van het havenvoertuig.
Deze veronderstelde overtreder kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de gezagvoerder van het vaartuig of de bestuurder van het (haven)voertuig was op het ogenblik van de inbreuk en hij moet de identiteit van de onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder meedelen. De onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder wordt dan beschouwd als aangeduide overtreder.
§ 8. Wanneer een inbreuk op de havenpolitieverordeningen of de havenverkeersverordeningen is begaan met een vaartuig of een (haven)voertuig dat is geregistreerd op naam van een rechtspersoon, en de gezagvoerder respectievelijk de bestuurder bij de vaststelling van de inbreuk niet werd geïdentificeerd, wordt verondersteld dat de inbreuk is begaan door de natuurlijke persoon die in rechte de rechtspersoon vertegenwoordigt, op wiens naam:
1° het IMO-nummer van het zeeschip of het ENI-nummer van het binnenschip is geregistreerd;
2° de kentekenplaat van het voertuig is geregistreerd; of
3° het havenvoertuig bij de havenkapiteinsdienst geregistreerd is als eigenaar van het havenvoertuig.
Deze veronderstelde overtreder kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de gezagvoerder van het vaartuig of de bestuurder van het (haven)voertuig was op het ogenblik van de inbreuk. Hij moet de identiteit meedelen van de onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder op het ogenblik van de inbreuk. De onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder wordt dan beschouwd als aangeduide overtreder.
§ 9. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes en kosten waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.
§ 10. De opdrachtgever en de verlader worden met toepassing van de sanctiebepalingen voorzien in artikel 15, § 2, beboet als ze instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot een inbreuk op een havenverkeersverordening.
§ 11. De Vlaamse Regering stelt de verdere uitvoeringsmodaliteiten inzake termijnen en procedure vast voor de toepassing van paragrafen 7 en 8.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen door wat volgt:
" § 1. Als een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 1° en 2°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 1° en 2°, werd vastgesteld, kan de havenkapitein, de haveninspecteur of de havenagent de overtreder voorstellen het bedrag van een door de Vlaamse Regering vastgestelde geldboete onmiddellijk te betalen.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die onmiddellijke inning, waaronder het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete, in verhouding tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. Het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete voor een individuele inbreuk bedraagt maximaal 1000 euro. De Vlaamse Regering bepaalt ook het maximumbedrag dat in het kader van een onmiddellijke inning kan worden betaald in geval van de eendaadse of meerdaadse samenloop van inbreuken.
De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder die geldboete moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren.";
2° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt:
" § 2. Voor zover het gaat om een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 3°, of voor zover het gaat om een inbreuk of een samenloop van inbreuken waarvoor geen onmiddellijke inning van de geldboete met toepassing van paragraaf 1 kan worden voorgesteld, kan de havenkapitein het bedrag van de geldboete bepalen. Die geldboete mag niet meer bedragen dan het maximumbedrag van de geldboete, vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, en § 2, 3°, verhoogd met de opdeciemen, en moet in verhouding staan tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder de geldboete uiterlijk moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren. De betalingstermijn die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, bedraagt ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden.";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt:
" § 4. De overtreder kan bovendien verplicht worden een borg te stellen of een bepaalde som te storten als waarborg voor de eventuele invordering van de geldboeten en/of schadevergoedingen waartoe hij kan worden veroordeeld. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere regels vast.
Bij onmogelijkheid of weigering om aan die verplichting te voldoen kan het vervoermiddel waarmee de overtreding begaan werd, door de havenkapiteins aangehouden worden.
In dat geval wordt de gezagvoerder, dan wel de eigenaar of beheerder van het aangehouden vervoermiddel schriftelijk op de hoogte gebracht van de reden van de weigering tot vertrek. Het risico en de kosten voor het vervoermiddel blijven tijdens de duur van de aanhouding ten laste van de overtreder. De aanhouding van het vervoermiddel wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de borg werd gesteld of de som die als waarborg moet worden gegeven, werd gestort en de eventuele bewaringskosten van het vervoermiddel betaald werden.";
4° er worden een paragraaf 7, 8, 9, 10 en 11 toegevoegd, die luiden als volgt:
" § 7. Wanneer een inbreuk op de havenpolitieverordeningen of de havenverkeersverordeningen is begaan met een vaartuig of een (haven)voertuig dat is ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de gezagvoerder respectievelijk de bestuurder bij de vaststelling van de inbreuk niet werd geïdentificeerd, wordt verondersteld dat de inbreuk is begaan door diegene op wiens naam:
1° het IMO-nummer van het zeeschip (IMO: Internationale Maritieme Organisatie) of het ENI-nummer van het binnenschip (ENI: European Number of Identification) is geregistreerd;
2° de kentekenplaat van het voertuig is geregistreerd;
3° het havenvoertuig bij de havenkapiteinsdienst geregistreerd is als eigenaar van het havenvoertuig.
Deze veronderstelde overtreder kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de gezagvoerder van het vaartuig of de bestuurder van het (haven)voertuig was op het ogenblik van de inbreuk en hij moet de identiteit van de onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder meedelen. De onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder wordt dan beschouwd als aangeduide overtreder.
§ 8. Wanneer een inbreuk op de havenpolitieverordeningen of de havenverkeersverordeningen is begaan met een vaartuig of een (haven)voertuig dat is geregistreerd op naam van een rechtspersoon, en de gezagvoerder respectievelijk de bestuurder bij de vaststelling van de inbreuk niet werd geïdentificeerd, wordt verondersteld dat de inbreuk is begaan door de natuurlijke persoon die in rechte de rechtspersoon vertegenwoordigt, op wiens naam:
1° het IMO-nummer van het zeeschip of het ENI-nummer van het binnenschip is geregistreerd;
2° de kentekenplaat van het voertuig is geregistreerd; of
3° het havenvoertuig bij de havenkapiteinsdienst geregistreerd is als eigenaar van het havenvoertuig.
Deze veronderstelde overtreder kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de gezagvoerder van het vaartuig of de bestuurder van het (haven)voertuig was op het ogenblik van de inbreuk. Hij moet de identiteit meedelen van de onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder op het ogenblik van de inbreuk. De onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder wordt dan beschouwd als aangeduide overtreder.
§ 9. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes en kosten waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.
§ 10. De opdrachtgever en de verlader worden met toepassing van de sanctiebepalingen voorzien in artikel 15, § 2, beboet als ze instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot een inbreuk op een havenverkeersverordening.
§ 11. De Vlaamse Regering stelt de verdere uitvoeringsmodaliteiten inzake termijnen en procedure vast voor de toepassing van paragrafen 7 en 8.".
Art.189. A l'article 17 du même décret, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. Si une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 1° et 2°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 1° et 2° a été constatée, le capitaine de port, l'inspecteur de port ou l'agent de port peut proposer au contrevenant de payer immédiatement le montant d'une amende établie par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette perception immédiate, y compris le montant de l'amende à percevoir immédiatement, par rapport à la nature, l'ampleur et la gravité de l'infraction. Le montant pour la perception immédiate de l'amende pour une infraction individuelle ne dépasse pas 1 000 euros. Le Gouvernement flamand fixe également le montant maximum qui peut être payé dans le cadre d'une perception immédiate en cas de concours d'infractions, réel ou multiple.
Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer cette amende et la manière dont ce paiement peut être effectué. " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Dans la mesure où il s'agit d'une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 3° ou 4°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 3°, ou dans la mesure où il s'agit d'une infraction ou d'un concours d'infractions pour lesquelles la perception immédiate de l'amende en application du paragraphe 1 ne peut être proposée, le capitaine de port peut déterminer le montant de l'amende. Cette amende ne peut excéder le montant maximal de l'amende visée à l'article 15, § 1, 3° et 4°, et § 2, 3°, majoré des décimes additionnels, et doit être proportionnée à la nature, à l'ampleur et à la gravité de l'infraction. Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer l'amende au plus tard et la manière dont ce paiement peut être effectué. Le délai de paiement fixé par le Gouvernement flamand est de quinze jours au moins et de trois mois au plus. " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. En outre, le contrevenant peut être tenu de fournir une caution ou de payer une certaine somme afin de garantir le recouvrement éventuel des amendes et/ou des indemnisations auxquelles il peut être condamné. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet.
En cas d'impossibilité ou de refus de se conformer à cette obligation, le moyen de transport avec lequel l'infraction a été commise peut être retenu par les capitaines de port.
Dans ce cas, le motif du refus de sortie est notifié par écrit au commandant, ou bien au propriétaire ou au gestionnaire du moyen de transport retenu. Le risque et les frais pour le moyen de transport restent à la charge du contrevenant pendant la durée de la retenue. La retenue du moyen de transport est levée après justification de la fourniture de la caution ou du paiement de la somme à verser à titre de garantie, et du paiement des frais de conservation éventuels du moyen de transport. " ;
4° un paragraphe 7, 8, 9, 10 et 11 sont ajoutés, rédigés comme suit :
" § 7. Lorsqu'une infraction au règlements de police portuaire ou au règlement de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne au nom de laquelle :
1° le numéro OMI du navire de mer (OMI : Organisation maritime internationale) ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure (ENI : Numéro européen d'identification) est enregistré ;
2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ;
3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction et il doit fournir l'identité du commandant ou du conducteur indubitable. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
§ 8. Lorsqu'une infraction aux règlements de police portuaire ou au règlements de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne physique représentant en justice la personne morale, au nom de laquelle :
1° le numéro OMI du navire de mer ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure est enregistré ;
2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ; ou
3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction. Il doit fournir l'identité du commandant ou conducteur indubitable au moment de l'infraction. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
§ 9. L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes et frais auxquels ses mandataires ou préposés ont été condamnés.
§ 10. Le donneur d'ordre et l'affréteur sont sanctionnés en application des dispositions de sanction prévues à l'article 15, § 2, s'ils ont donné des instructions ou des actes ayant conduit à une infraction au règlement de circulation portuaire.
§ 11. Le Gouvernement flamand fixe les autres modalités d'application relatives aux délais et à la procédure d'application des paragraphes 7 et 8. ".
1° le paragraphe 1 est remplacé par ce qui suit :
" § 1. Si une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 1° et 2°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 1° et 2° a été constatée, le capitaine de port, l'inspecteur de port ou l'agent de port peut proposer au contrevenant de payer immédiatement le montant d'une amende établie par le Gouvernement flamand.
Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette perception immédiate, y compris le montant de l'amende à percevoir immédiatement, par rapport à la nature, l'ampleur et la gravité de l'infraction. Le montant pour la perception immédiate de l'amende pour une infraction individuelle ne dépasse pas 1 000 euros. Le Gouvernement flamand fixe également le montant maximum qui peut être payé dans le cadre d'une perception immédiate en cas de concours d'infractions, réel ou multiple.
Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer cette amende et la manière dont ce paiement peut être effectué. " ;
2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
" § 2. Dans la mesure où il s'agit d'une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 3° ou 4°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 3°, ou dans la mesure où il s'agit d'une infraction ou d'un concours d'infractions pour lesquelles la perception immédiate de l'amende en application du paragraphe 1 ne peut être proposée, le capitaine de port peut déterminer le montant de l'amende. Cette amende ne peut excéder le montant maximal de l'amende visée à l'article 15, § 1, 3° et 4°, et § 2, 3°, majoré des décimes additionnels, et doit être proportionnée à la nature, à l'ampleur et à la gravité de l'infraction. Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer l'amende au plus tard et la manière dont ce paiement peut être effectué. Le délai de paiement fixé par le Gouvernement flamand est de quinze jours au moins et de trois mois au plus. " ;
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. En outre, le contrevenant peut être tenu de fournir une caution ou de payer une certaine somme afin de garantir le recouvrement éventuel des amendes et/ou des indemnisations auxquelles il peut être condamné. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet.
En cas d'impossibilité ou de refus de se conformer à cette obligation, le moyen de transport avec lequel l'infraction a été commise peut être retenu par les capitaines de port.
Dans ce cas, le motif du refus de sortie est notifié par écrit au commandant, ou bien au propriétaire ou au gestionnaire du moyen de transport retenu. Le risque et les frais pour le moyen de transport restent à la charge du contrevenant pendant la durée de la retenue. La retenue du moyen de transport est levée après justification de la fourniture de la caution ou du paiement de la somme à verser à titre de garantie, et du paiement des frais de conservation éventuels du moyen de transport. " ;
4° un paragraphe 7, 8, 9, 10 et 11 sont ajoutés, rédigés comme suit :
" § 7. Lorsqu'une infraction au règlements de police portuaire ou au règlement de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne au nom de laquelle :
1° le numéro OMI du navire de mer (OMI : Organisation maritime internationale) ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure (ENI : Numéro européen d'identification) est enregistré ;
2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ;
3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction et il doit fournir l'identité du commandant ou du conducteur indubitable. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
§ 8. Lorsqu'une infraction aux règlements de police portuaire ou au règlements de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne physique représentant en justice la personne morale, au nom de laquelle :
1° le numéro OMI du navire de mer ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure est enregistré ;
2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ; ou
3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction. Il doit fournir l'identité du commandant ou conducteur indubitable au moment de l'infraction. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
§ 9. L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes et frais auxquels ses mandataires ou préposés ont été condamnés.
§ 10. Le donneur d'ordre et l'affréteur sont sanctionnés en application des dispositions de sanction prévues à l'article 15, § 2, s'ils ont donné des instructions ou des actes ayant conduit à une infraction au règlement de circulation portuaire.
§ 11. Le Gouvernement flamand fixe les autres modalités d'application relatives aux délais et à la procédure d'application des paragraphes 7 et 8. ".
Art.190. Het decreet van 22 januari 1808 waarbij artikel 7, titel XXVIII van de ordonnantie van 1669 van toepassing wordt verklaard op alle bevaarbare rivieren van het rijk, wordt opgeheven.
Art.190. Le décret du 22 janvier 1808 déclarant l'article 7, titre XXVIII de l'ordonnance de 1669 applicable à toutes les rivières navigables du royaume, est abrogé.
Art.191. De wet van 15 maart 1971 betreffende de scheepvaartrechten te heffen op de waterwegen onder het beheer van de Staat wordt opgeheven.
Art.191. La loi du 15 mars 1971 concernant les droits de navigation à percevoir sur les voies navigables administrées par l'Etat est abrogée.
Art.192. De wet van 21 mei 1991 betreffende het invoeren van een stuurbrevet voor het bevaren van de scheepvaartwegen van het Rijk wordt opgeheven.
Art.192. La loi du 21 mai 1991 relative à l'instauration d'un brevet de conduite pour la navigation sur les voies navigables du Royaume est abrogée.
Art.193. De wet van 5 juni 1972 op de veiligheid van de vaartuigen, het laatst gewijzigd bij de wet van 16 juni 2020, wordt opgeheven.
Art.193. La loi du 5 juin 1972 sur la sécurité des navires, modifiée en dernier lieu par la loi du 16 juin 2020, est abrogée.
Art.194. Het decreet van 17 maart 2006 tot omzetting van Richtlijn 2001/96/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2001 tot vaststelling van geharmoniseerde voorschriften en procedures voor het veilig laden en lossen van bulkschepen wordt opgeheven.
Art.194. Le décret du 17 mars 2006 convertissant de la Directive 2001/96/CE du Parlement européen et du Conseil du 4 décembre 2001 établissant des exigences et des procédures harmonisées pour le chargement et le déchargement sûrs des vraquiers est abrogé.
Art.195. Het decreet van 6 juli 2012 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, gewijzigd bij het decreet van 8 juni 2018, wordt opgeheven.
Art.195. Le décret du 6 juillet 2012 concernant le transport de marchandises dangereuses par voies navigables, modifié par le décret du 8 juin 2018, est abrogé.
HOOFDSTUK 2. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 2. - Entrée en vigueur
Art.196. Dit decreet treedt in werking op de eerste dag van de maand die volgt op het verstrijken van een termijn van tien dagen, die ingaat op de dag na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
De Vlaamse Regering kan voor bepaalde artikelen, of onderdelen ervan, en de daarmee overeenstemmende wijzigings- en opheffingsbepalingen, een vroegere datum van inwerkingtreding vaststellen.
De Vlaamse Regering kan voor bepaalde artikelen, of onderdelen ervan, en de daarmee overeenstemmende wijzigings- en opheffingsbepalingen, een vroegere datum van inwerkingtreding vaststellen.
Art.196. Le présent décret entre en vigueur le premier jour du mois suivant l'expiration d'un délai de dix jours, qui prend cours le jour après sa publication au Moniteur belge.
Le Gouvernement flamand peut fixer une date antérieure d'entrée en vigueur pour certains articles ou parties d'articles, ainsi que pour les dispositions modificatives et abrogatoires correspondantes.
Le Gouvernement flamand peut fixer une date antérieure d'entrée en vigueur pour certains articles ou parties d'articles, ainsi que pour les dispositions modificatives et abrogatoires correspondantes.
Art.197. In afwijking van artikel 196, treedt titel 5 in werking op de datum waarop het samenwerkingsakkoord, vermeld in artikel 92, in werking treedt.
Art.197. Par dérogation à l'article 196, le titre 5 entre en vigueur à la date d'entrée en vigueur de l'accord de coopération visé à l'article 92.
Art. 198. In afwijking van artikel 196, treden artikel 42, 166 en 167 in werking op [1 1 januari 2026]1.
Modifications
Art. 198. Par dérogation à l'article 196, les articles 42, 166 et 167 entrent en vigueur le [1 1er janvier 2026]1.