Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
10 JULI 2022. - Koninklijk besluit tot invoeging van hoofdstuk 7.22. van Boek 1 en tot wijziging van sommige delen van de Boeken 1 en 3, ingevoerd door het koninklijk besluit van 8 september 2019 tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie
Titre
10 JUILLET 2022. - Arrêté royal insérant le chapitre 7.22. du Livre 1 et modifiant certaines parties des Livres 1 et 3, introduits par l'arrêté royal du 8 septembre 2019 établissant le Livre 1 sur les installations électriques à basse tension et à très basse tension, le Livre 2 sur les installations électriques à haute tension et le Livre 3 sur les installations pour le transport et la distribution de l'énergie électrique
Informations sur le document
Numac: 2022015445
Datum: 2022-07-10
Info du document
Numac: 2022015445
Date: 2022-07-10
Tekst (7)
Texte (7)
Artikel 1. In bijlage 1, boek 1, deel 7, van het koninklijk besluit van 8 september 2019 tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie, wordt een hoofdstuk 7.22. opgenomen in de bijlage bij dit besluit ingevoegd.
Article 1er. A l'annexe 1, livre 1, partie 7, de l'arrêté royal du 8 septembre 2019 établissant le Livre 1 sur les installations électriques à basse tension et à très basse tension, le Livre 2 sur les installations électriques à haute tension et le Livre 3 sur les installations pour le transport et la distribution de l'énergie électrique, un chapitre 7.22. figurant à l'annexe du présent arrêté est inséré.
Art.2. In bijlage 1 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in boek 1, deel 2, hoofdstuk 2.6., afdeling 2.6.1., wordt tussen de definities van "elementaire stroombaan" en "stroombaan" de volgende definitie ingevoegd:
"Exclusief toegekende stroombaan (in dit Boek ook toegekende stroombaan genoemd): elementaire stroombaan (hoofdstroombaan of eindstroombaan) bedoeld voor de exclusieve voeding van een of meerdere verbruikstoestellen bestemd voor een specifiek doel.";
2° in de Franse tekst van boek 1, worden de woorden "dispositif(s) à courant différentiel résiduel", "dispositif(s) à courant différentiel-résiduel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel" en "dispositif différentiel" telkens vervangen door de woorden "dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel";
3° in de Nederlandse tekst van boek 1, wordt het woord "differentieelstroominrichting(en)" telkens vervangen door het woord "differentieelstroombeschermingsinrichting(en)";
4° in de Franse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.1., onderafdeling 5.2.1.2., zevende alinea, worden de woorden "circuit(s) exclusivement dédié(s)" telkens vervangen door de woorden "circuit(s) dédié(s)";
5° in de Franse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.9., onderafdeling 5.2.9.13., punten b.11. en c.11., worden de woorden "circuit exclusivement dédié" vervangen door de woorden "circuit dédié";
6° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.1., onderafdeling 5.2.1.2., zevende alinea, worden de woorden "exclusief toegekende stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)";
7° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.9., onderafdeling 5.2.9.13., punten b.11. en c.11., worden de woorden "gescheiden stroombaan" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan";
8° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.5., afdeling 5.5.7., onderafdeling 5.5.7.2., vijfde en zesde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)";
9° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.6., afdeling 5.6.2., onderafdeling 5.6.2.1., derde en vierde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)".
1° in boek 1, deel 2, hoofdstuk 2.6., afdeling 2.6.1., wordt tussen de definities van "elementaire stroombaan" en "stroombaan" de volgende definitie ingevoegd:
"Exclusief toegekende stroombaan (in dit Boek ook toegekende stroombaan genoemd): elementaire stroombaan (hoofdstroombaan of eindstroombaan) bedoeld voor de exclusieve voeding van een of meerdere verbruikstoestellen bestemd voor een specifiek doel.";
2° in de Franse tekst van boek 1, worden de woorden "dispositif(s) à courant différentiel résiduel", "dispositif(s) à courant différentiel-résiduel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel" en "dispositif différentiel" telkens vervangen door de woorden "dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel";
3° in de Nederlandse tekst van boek 1, wordt het woord "differentieelstroominrichting(en)" telkens vervangen door het woord "differentieelstroombeschermingsinrichting(en)";
4° in de Franse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.1., onderafdeling 5.2.1.2., zevende alinea, worden de woorden "circuit(s) exclusivement dédié(s)" telkens vervangen door de woorden "circuit(s) dédié(s)";
5° in de Franse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.9., onderafdeling 5.2.9.13., punten b.11. en c.11., worden de woorden "circuit exclusivement dédié" vervangen door de woorden "circuit dédié";
6° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.1., onderafdeling 5.2.1.2., zevende alinea, worden de woorden "exclusief toegekende stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)";
7° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.2., afdeling 5.2.9., onderafdeling 5.2.9.13., punten b.11. en c.11., worden de woorden "gescheiden stroombaan" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan";
8° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.5., afdeling 5.5.7., onderafdeling 5.5.7.2., vijfde en zesde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)";
9° in de Nederlandse tekst van boek 1, deel 5, hoofdstuk 5.6., afdeling 5.6.2., onderafdeling 5.6.2.1., derde en vierde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)".
Art.2. Dans l'annexe 1 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au livre 1, partie 2, chapitre 2.6., section 2.6.1., la définition suivante est insérée entre les définitions de " circuit élémentaire " et celle de " circuit " :
" Circuit exclusivement dédié (aussi dénommé dans ce Livre circuit dédié) : circuit élémentaire (circuit principal ou circuit terminal) destiné à l'alimentation exclusive d'un ou plusieurs appareils d'utilisation destiné(s) à un usage spécifique. " ;
2° dans le texte français du livre 1, les mots " dispositif(s) à courant différentiel résiduel ", " dispositif(s) à courant différentiel-résiduel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel " et " dispositif différentiel " sont chaque fois remplacés par les mots " dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel " ;
3° dans le texte néerlandais du livre 1, le mot " differentieelstroominrichting(en) " est chaque fois remplacé par le mot " differentieelstroombeschermingsinrichting(en) " ;
4° dans le texte français du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.1., sous-section 5.2.1.2., alinéa 7, les mots " circuit(s) exclusivement dédié(s) " sont chaque fois remplacés par les mots " circuit(s) dédié(s) " ;
5° dans le texte français du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.9., sous-section 5.2.9.13., points b.11. et c.11., les mots " circuit exclusivement dédié " sont remplacés par les mots " circuit dédié " ;
6° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.1., sous-section 5.2.1.2., alinéa 7, les mots " exclusief toegekende stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) " ;
7° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.9., sous-section 5.2.9.13., points b.11. et c.11., les mots " gescheiden stroombaan " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan " ;
8° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.5., section 5.5.7., sous-section 5.5.7.2., alinéas 5 et 6, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) " ;
9° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.6., section 5.6.2., sous-section 5.6.2.1., alinéas 3 et 4, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) ".
1° au livre 1, partie 2, chapitre 2.6., section 2.6.1., la définition suivante est insérée entre les définitions de " circuit élémentaire " et celle de " circuit " :
" Circuit exclusivement dédié (aussi dénommé dans ce Livre circuit dédié) : circuit élémentaire (circuit principal ou circuit terminal) destiné à l'alimentation exclusive d'un ou plusieurs appareils d'utilisation destiné(s) à un usage spécifique. " ;
2° dans le texte français du livre 1, les mots " dispositif(s) à courant différentiel résiduel ", " dispositif(s) à courant différentiel-résiduel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel " et " dispositif différentiel " sont chaque fois remplacés par les mots " dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel " ;
3° dans le texte néerlandais du livre 1, le mot " differentieelstroominrichting(en) " est chaque fois remplacé par le mot " differentieelstroombeschermingsinrichting(en) " ;
4° dans le texte français du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.1., sous-section 5.2.1.2., alinéa 7, les mots " circuit(s) exclusivement dédié(s) " sont chaque fois remplacés par les mots " circuit(s) dédié(s) " ;
5° dans le texte français du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.9., sous-section 5.2.9.13., points b.11. et c.11., les mots " circuit exclusivement dédié " sont remplacés par les mots " circuit dédié " ;
6° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.1., sous-section 5.2.1.2., alinéa 7, les mots " exclusief toegekende stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) " ;
7° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.2., section 5.2.9., sous-section 5.2.9.13., points b.11. et c.11., les mots " gescheiden stroombaan " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan " ;
8° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.5., section 5.5.7., sous-section 5.5.7.2., alinéas 5 et 6, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) " ;
9° dans le texte néerlandais du livre 1, partie 5, chapitre 5.6., section 5.6.2., sous-section 5.6.2.1., alinéas 3 et 4, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) ".
Art.3. In bijlage 3 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in boek 3, deel 2, hoofdstuk 2.6., afdeling 2.6.1., onderafdeling 2.6.1.1., wordt tussen de definities van "elementaire stroombaan" en "stroombaan" de volgende definitie ingevoegd:
"Exclusief toegekende stroombaan (in dit Boek ook toegekende stroombaan genoemd): elementaire stroombaan (hoofdstroombaan of eindstroombaan) bedoeld voor de exclusieve voeding van een of meerdere verbruikstoestellen bestemd voor een specifiek doel.";
2° in de Franse tekst van boek 3, worden de woorden "dispositif(s) à courant différentiel résiduel", "dispositif(s) à courant différentiel-résiduel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel" en "dispositif différentiel" telkens vervangen door de woorden "dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel";
3° in de Nederlandse tekst van boek 3, worden de woorden "differentieelstroominrichting(en)" en "differentieelinrichting" telkens vervangen door het woord "differentieelstroombeschermings-inrichting(en)";
4° in de Nederlandse tekst van boek 3, deel 5, hoofdstuk 5.6., afdeling 5.6.7., onderafdeling 5.6.7.2., vijfde en zesde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)";
5° in de Nederlandse tekst van boek 3, deel 5, hoofdstuk 5.7., afdeling 5.7.2., onderafdeling 5.7.2.1., derde en vierde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)".
1° in boek 3, deel 2, hoofdstuk 2.6., afdeling 2.6.1., onderafdeling 2.6.1.1., wordt tussen de definities van "elementaire stroombaan" en "stroombaan" de volgende definitie ingevoegd:
"Exclusief toegekende stroombaan (in dit Boek ook toegekende stroombaan genoemd): elementaire stroombaan (hoofdstroombaan of eindstroombaan) bedoeld voor de exclusieve voeding van een of meerdere verbruikstoestellen bestemd voor een specifiek doel.";
2° in de Franse tekst van boek 3, worden de woorden "dispositif(s) à courant différentiel résiduel", "dispositif(s) à courant différentiel-résiduel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel", "dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel" en "dispositif différentiel" telkens vervangen door de woorden "dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel";
3° in de Nederlandse tekst van boek 3, worden de woorden "differentieelstroominrichting(en)" en "differentieelinrichting" telkens vervangen door het woord "differentieelstroombeschermings-inrichting(en)";
4° in de Nederlandse tekst van boek 3, deel 5, hoofdstuk 5.6., afdeling 5.6.7., onderafdeling 5.6.7.2., vijfde en zesde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)";
5° in de Nederlandse tekst van boek 3, deel 5, hoofdstuk 5.7., afdeling 5.7.2., onderafdeling 5.7.2.1., derde en vierde alinea, worden de woorden "afzonderlijke stroombaan (stroombanen)" vervangen door de woorden "toegekende stroombaan (stroombanen)".
Art.3. Dans l'annexe 3 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au livre 3, partie 2, chapitre 2.6., section 2.6.1., sous-section 2.6.1.1., la définition suivante est insérée entre les définitions de " circuit élémentaire " et celle de " circuit " :
" Circuit exclusivement dédié (aussi dénommé dans ce Livre circuit dédié) : circuit élémentaire (circuit principal ou circuit terminal) destiné à l'alimentation exclusive d'un ou plusieurs appareils d'utilisation destiné(s) à un usage spécifique. " ;
2° dans le texte français du livre 3, les mots " dispositif(s) à courant différentiel résiduel ", " dispositif(s) à courant différentiel-résiduel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel " et " dispositif différentiel " sont chaque fois remplacés par les mots " dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel " ;
3° dans le texte néerlandais du livre 3, les mots " differentieelstroominrichting(en) " et " differentieelinrichting " sont chaque fois remplacés par le mot " differentieelstroombeschermings-inrichting(en) " ;
4° dans le texte néerlandais du livre 3, partie 5, chapitre 5.6., section 5.6.7., sous-section 5.6.7.2., alinéas 5 et 6, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) " ;
5° dans le texte néerlandais du livre 3, partie 5, chapitre 5.7., section 5.7.2., sous-section 5.7.2.1., alinéas 3 et 4, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) ".
1° au livre 3, partie 2, chapitre 2.6., section 2.6.1., sous-section 2.6.1.1., la définition suivante est insérée entre les définitions de " circuit élémentaire " et celle de " circuit " :
" Circuit exclusivement dédié (aussi dénommé dans ce Livre circuit dédié) : circuit élémentaire (circuit principal ou circuit terminal) destiné à l'alimentation exclusive d'un ou plusieurs appareils d'utilisation destiné(s) à un usage spécifique. " ;
2° dans le texte français du livre 3, les mots " dispositif(s) à courant différentiel résiduel ", " dispositif(s) à courant différentiel-résiduel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel ", " dispositif(s) de protection à courant différentiel résiduel " et " dispositif différentiel " sont chaque fois remplacés par les mots " dispositif(s) de protection à courant différentiel-résiduel " ;
3° dans le texte néerlandais du livre 3, les mots " differentieelstroominrichting(en) " et " differentieelinrichting " sont chaque fois remplacés par le mot " differentieelstroombeschermings-inrichting(en) " ;
4° dans le texte néerlandais du livre 3, partie 5, chapitre 5.6., section 5.6.7., sous-section 5.6.7.2., alinéas 5 et 6, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) " ;
5° dans le texte néerlandais du livre 3, partie 5, chapitre 5.7., section 5.7.2., sous-section 5.7.2.1., alinéas 3 et 4, les mots " afzonderlijke stroombaan (stroombanen) " sont remplacés par les mots " toegekende stroombaan (stroombanen) ".
Art.4. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art.4. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit sa publication au Moniteur belge.
Art.5. De minister bevoegd voor Werk en de minister bevoegd voor Energie zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.5. Le ministre qui a le Travail dans ses attributions et le ministre qui a l'Energie dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
Bijlage
ANNEXE.
Art. N. Hoofdstuk 7.22. Voeding van elektrische wegvoertuigen
Afdeling 7.22.1. Toepassingsgebied De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn ook van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.22. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen, waarvan hun uitvoering of hun vervanging vanaf de inwerkingtreding van dit hoofdstuk wordt aangevangen, en op hun stroombanen:
1° bedoeld voor elektrische energieoverdracht naar elektrische voertuigen, en eventueel;
2° bedoeld voor het terugleveren van elektrische energie van batterijen van elektrische voertuigen.
De stroombanen, bedoeld in de voorgaande alinea, eindigen op het verbindingspunt.
De bepalingen van Boek 1 met uitzondering van dit hoofdstuk blijven derhalve van toepassing op:
1° de bestaande conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen waarvan de uitvoering ter plaatse vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk werd aangevangen;
2° de conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen, waarvan de uitvoering van het project of de installatie- of vervangingswerkzaamheden is aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, onverminderd dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname zal plaatsvinden vanaf de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Indien een bestaande conductieve laadinrichting bedoeld in de 4de alinea, 1°, wordt aangepast aan de bepalingen van hoofdstuk 7.22., wordt zij onderworpen aan een gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 7.22.
Indien een conductieve laadinrichting bedoeld in de 4de alinea, 2°, wordt aangepast aan de bepalingen van hoofdstuk 7.22, wordt het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname hiervan op de hoogte gesteld. Dit laatste maakt daarvan melding in het controleverslag.
De vaste elektrische installatie die bestemd is voor de voeding van een elektrisch voertuig dat verbonden is met een elektrische bron zonder vaste specifieke conductieve laadinrichting voor elektrische voertuigen, valt onder de algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek.
Afdeling 7.22.2. Begrippen en definities Elektrisch wegvoertuig (in dit hoofdstuk elektrisch voertuig genoemd): elk voertuig aangedreven door een elektromotor die stroom onttrekt aan een oplaadbaar energie-opslagsysteem, voornamelijk bedoeld voor gebruik op de openbare weg.
Laadinrichting voor elektrisch voertuig (in dit hoofdstuk laadinrichting genoemd): vast aangesloten uitrusting of geheel van uitrustingen van de vaste installatie, die de functies vervullen die bestemd zijn voor het overbrengen van elektrische energie tussen een elektrisch voertuig en de elektrische bron.
Verbindingspunt van een laadinrichting voor elektrisch voertuig (in dit hoofdstuk verbindingspunt genoemd): eindpunt dat deel uitmaakt van de laadinrichting waardoor de energie wordt overgebracht naar of van een elektrisch voertuig.
Voorbeeld: een laadpaalcontactdoos of een voertuigconnector.
Afdeling 7.22.3. Bepaling van de algemene karakteristieken - Indeling van de installaties Het is verboden een laadinrichting op een vaste elektrische installatie door middel van een stopcontact aan te sluiten.
Een toegekende stroombaan wordt voorzien voor elk verbindingspunt.
Aan de vereiste van de vorige alinea wordt voldaan door gebruik te maken van de aangepaste beschermingsinrichtingen hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide).
De figuren 7.17. tot 7.20. geven ter verduidelijking enkele mogelijke configuraties weer. Deze zijn niet limitatief:
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 16-08-2022, p. 62366)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 16-08-2022, p. 62367)
Afdeling 7.22.4. Beschermingsmaatregelen
Onderafdeling 7.22.4.1. Bescherming tegen onrechtstreekse aanraking Ten minste een van volgende beschermingsmaatregelen is van toepassing:
a. Passieve bescherming zonder automatische onderbreking van de voeding
De toegekende stroombaan wordt beschermd door middel van een veiligheidsscheiding van de stroombanen overeenkomstig punt c. van onderafdeling 4.2.3.3., en door middel van een beschermingstransformator.
b. Actieve bescherming met automatische onderbreking van de voeding
Toepassen van een TN-C-netsysteem voor de toegekende stroombaan is verboden.
Elke toegekende stroombaan in wisselstroom wordt individueel door een differentieelstroombeschermingsinrichting met een aanspreekstroom van ten hoogste 30mA beschermd.
Het verbindingspunt wordt dus beschermd:
1° hetzij door een differentieelstroombeschermingsinrichting die zo is gebouwd dat haar werking gegarandeerd blijft bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent;
2° hetzij door een differentieelstroombeschermingsinrichting samen en in coördinatie met een detectieapparaat voor residuele gelijkstroom die de laadinrichting uitschakelen bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent.
Aan de in de tweede en derde alinea bedoelde vereiste wordt voldaan door gebruik te maken van de eerder vermelde beschermingsinrichtingen hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide).
In geval van een IT-netsysteem, is het toegelaten dat:
1° de in de tweede alinea bedoelde differentieelstroombeschermingsinrichting achterwege wordt gelaten, op voorwaarde dat elke toegekende stroombaan afzonderlijk gevoed wordt door een individuele elektrische bron zoals bijvoorbeeld een scheidingstransformator;
2° een toestel voor permanente isolatiecontrole voorzien wordt voor meer dan één toegekende stroombaan, indien deze stroombanen worden gevoed door dezelfde elektrische bron zoals bijvoorbeeld een transformator. Aan deze vereiste wordt voldaan door gebruik te maken van dit toestel hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting. Zodra een toestel voor permanente isolatiecontrole het ontstaan van een eerste massa- of aardfout meldt, worden de nodige maatregelen genomen om deze fout op te sporen en te verwijderen.
Onderafdeling 7.22.4.2. Elektrische bescherming tegen overstroom Elke toegekende stroombaan wordt individueel beschermd door een aangepaste beschermingsinrichting tegen overstroom.
Hieraan wordt voldaan door gebruik te maken van een aangepaste beschermingsinrichting tegen overstroom die beantwoordt aan de voorschriften van hoofdstuk 4.4. en die hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide) geplaatst wordt.
In afwijking van de 1ste alinea is het toegelaten dat, indien de laadinrichting meerdere verbindingspunten heeft die niet tegelijkertijd worden gebruikt, deze laatste over gemeenschappelijke beschermingsinrichtingen tegen overstroom beschikken, op voorwaarde dat dergelijke inrichtingen de vereiste bescherming bieden voor elk verbindingspunt (bijvoorbeeld: de toegekende stroom van de gemeenschappelijke beschermingsinrichting is niet groter dan de laagste toegekende stroom van de verbindingspunten).
Afdeling 7.22.5. Keuze en gebruik van elektrisch materieel
Onderafdeling 7.22.5.1. Uitwendige invloeden De laadinrichting wordt beschermd tegen de te verwachten uitwendige invloeden van de ruimte waarin de laadinrichting wordt geplaatst.
Als de laadinrichting in open lucht wordt geïnstalleerd, beschikt het materieel over een beschermingsgraad van ten minste IP44.
Ter aanvulling op de maatregelen tegen de te verwachten uitwendige invloeden, worden er bijkomende maatregelen getroffen ter bescherming tegen mechanische belastingen veroorzaakt door elke redelijkerwijs te verwachten aanrijding.
Onderafdeling 7.22.5.2. Elektrische noodonderbreking De laadinrichtingen ondergebracht in een gebouw zijn voorzien van een elektrische noodonderbreking overeenkomstig punt c. van onderafdeling 5.3.3.1. Elk bedieningsorgaan van de elektrische noodonderbreking wordt zichtbaar opgesteld, duidelijk gesignaleerd, is gemakkelijk bereikbaar en vlot bedienbaar, en wordt voorzien aan elke voertuigeninrit tot de gemeenschappelijke parkeerplaats, tenzij de opdrachtgever, vóór het ontwerp en de uitvoering van de installatie, in overleg met de brandweer een andere opstellingsplaats bepaalt. Het advies van de brandweer wordt bewaard in het dossier van de elektrische installatie en ter plaatse ter beschikking gehouden van eenieder die belast is met het uitvoeren van bouw-, onderhouds-, toezichts- of controlewerkzaamheden.
De elektrische noodonderbreking verzekert een lastscheidingsfunctie.
Deze onderafdeling is niet van toepassing op laadinrichtingen die deel uitmaken van de elektrische installatie van een wooneenheid.
Onderafdeling 7.22.5.3. Verbindingspunt Het verbindingspunt wordt zo dicht mogelijk bij de parkeerlaadplaats van het elektrisch voertuig geplaatst.
Een verbindingspunt wordt slechts met één elektrisch voertuig tegelijkertijd elektrisch verbonden.
Onderafdeling 7.22.5.4. Decentrale laagspanning productie-eenheden In geval dat de laadinrichting elektrische energie in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie kan terugleveren:
1. is het noodzakelijk om aan de voorschriften te beantwoorden die van toepassing zijn op decentrale productie-eenheden, namelijk voor de bescherming tegen elektrische schokken, de bescherming tegen overstroom en de veiligheidsonderbreking;
2. wordt de waarschuwing: "Opgelet: mogelijke teruglevering van elektrische energie in de installatie" aangebracht op de laadinrichting(en) en het (de) schakel- en verdeelbord(en) die erdoor gevoed worden.
Onderafdeling 7.22.5.5. Ruimte van laadinrichtingen en hun bijhorende parkeerplaatsen Laadinrichtingen en hun bijhorende parkeerplaatsen zijn niet gelegen in ruimten die door uitwendige invloed BE3 worden gekenmerkt.
Afdeling 7.22.1. Toepassingsgebied De algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek zijn ook van toepassing op de bijzondere installaties en ruimten behandeld in dit hoofdstuk 7.22. De voorschriften van dit hoofdstuk vullen deze algemene eisen aan.
Dit hoofdstuk is van toepassing op de conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen, waarvan hun uitvoering of hun vervanging vanaf de inwerkingtreding van dit hoofdstuk wordt aangevangen, en op hun stroombanen:
1° bedoeld voor elektrische energieoverdracht naar elektrische voertuigen, en eventueel;
2° bedoeld voor het terugleveren van elektrische energie van batterijen van elektrische voertuigen.
De stroombanen, bedoeld in de voorgaande alinea, eindigen op het verbindingspunt.
De bepalingen van Boek 1 met uitzondering van dit hoofdstuk blijven derhalve van toepassing op:
1° de bestaande conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen waarvan de uitvoering ter plaatse vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk werd aangevangen;
2° de conductieve laadinrichtingen voor elektrische wegvoertuigen, waarvan de uitvoering van het project of de installatie- of vervangingswerkzaamheden is aangevangen vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, onverminderd dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname zal plaatsvinden vanaf de inwerkingtreding van dit hoofdstuk.
Indien een bestaande conductieve laadinrichting bedoeld in de 4de alinea, 1°, wordt aangepast aan de bepalingen van hoofdstuk 7.22., wordt zij onderworpen aan een gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk 7.22.
Indien een conductieve laadinrichting bedoeld in de 4de alinea, 2°, wordt aangepast aan de bepalingen van hoofdstuk 7.22, wordt het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname hiervan op de hoogte gesteld. Dit laatste maakt daarvan melding in het controleverslag.
De vaste elektrische installatie die bestemd is voor de voeding van een elektrisch voertuig dat verbonden is met een elektrische bron zonder vaste specifieke conductieve laadinrichting voor elektrische voertuigen, valt onder de algemene voorschriften van de andere delen van dit Boek.
Afdeling 7.22.2. Begrippen en definities Elektrisch wegvoertuig (in dit hoofdstuk elektrisch voertuig genoemd): elk voertuig aangedreven door een elektromotor die stroom onttrekt aan een oplaadbaar energie-opslagsysteem, voornamelijk bedoeld voor gebruik op de openbare weg.
Laadinrichting voor elektrisch voertuig (in dit hoofdstuk laadinrichting genoemd): vast aangesloten uitrusting of geheel van uitrustingen van de vaste installatie, die de functies vervullen die bestemd zijn voor het overbrengen van elektrische energie tussen een elektrisch voertuig en de elektrische bron.
Verbindingspunt van een laadinrichting voor elektrisch voertuig (in dit hoofdstuk verbindingspunt genoemd): eindpunt dat deel uitmaakt van de laadinrichting waardoor de energie wordt overgebracht naar of van een elektrisch voertuig.
Voorbeeld: een laadpaalcontactdoos of een voertuigconnector.
Afdeling 7.22.3. Bepaling van de algemene karakteristieken - Indeling van de installaties Het is verboden een laadinrichting op een vaste elektrische installatie door middel van een stopcontact aan te sluiten.
Een toegekende stroombaan wordt voorzien voor elk verbindingspunt.
Aan de vereiste van de vorige alinea wordt voldaan door gebruik te maken van de aangepaste beschermingsinrichtingen hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide).
De figuren 7.17. tot 7.20. geven ter verduidelijking enkele mogelijke configuraties weer. Deze zijn niet limitatief:
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 16-08-2022, p. 62366)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 16-08-2022, p. 62367)
Afdeling 7.22.4. Beschermingsmaatregelen
Onderafdeling 7.22.4.1. Bescherming tegen onrechtstreekse aanraking Ten minste een van volgende beschermingsmaatregelen is van toepassing:
a. Passieve bescherming zonder automatische onderbreking van de voeding
De toegekende stroombaan wordt beschermd door middel van een veiligheidsscheiding van de stroombanen overeenkomstig punt c. van onderafdeling 4.2.3.3., en door middel van een beschermingstransformator.
b. Actieve bescherming met automatische onderbreking van de voeding
Toepassen van een TN-C-netsysteem voor de toegekende stroombaan is verboden.
Elke toegekende stroombaan in wisselstroom wordt individueel door een differentieelstroombeschermingsinrichting met een aanspreekstroom van ten hoogste 30mA beschermd.
Het verbindingspunt wordt dus beschermd:
1° hetzij door een differentieelstroombeschermingsinrichting die zo is gebouwd dat haar werking gegarandeerd blijft bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent;
2° hetzij door een differentieelstroombeschermingsinrichting samen en in coördinatie met een detectieapparaat voor residuele gelijkstroom die de laadinrichting uitschakelen bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent.
Aan de in de tweede en derde alinea bedoelde vereiste wordt voldaan door gebruik te maken van de eerder vermelde beschermingsinrichtingen hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide).
In geval van een IT-netsysteem, is het toegelaten dat:
1° de in de tweede alinea bedoelde differentieelstroombeschermingsinrichting achterwege wordt gelaten, op voorwaarde dat elke toegekende stroombaan afzonderlijk gevoed wordt door een individuele elektrische bron zoals bijvoorbeeld een scheidingstransformator;
2° een toestel voor permanente isolatiecontrole voorzien wordt voor meer dan één toegekende stroombaan, indien deze stroombanen worden gevoed door dezelfde elektrische bron zoals bijvoorbeeld een transformator. Aan deze vereiste wordt voldaan door gebruik te maken van dit toestel hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting. Zodra een toestel voor permanente isolatiecontrole het ontstaan van een eerste massa- of aardfout meldt, worden de nodige maatregelen genomen om deze fout op te sporen en te verwijderen.
Onderafdeling 7.22.4.2. Elektrische bescherming tegen overstroom Elke toegekende stroombaan wordt individueel beschermd door een aangepaste beschermingsinrichting tegen overstroom.
Hieraan wordt voldaan door gebruik te maken van een aangepaste beschermingsinrichting tegen overstroom die beantwoordt aan de voorschriften van hoofdstuk 4.4. en die hetzij in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie, hetzij in de laadinrichting (of een combinatie van beide) geplaatst wordt.
In afwijking van de 1ste alinea is het toegelaten dat, indien de laadinrichting meerdere verbindingspunten heeft die niet tegelijkertijd worden gebruikt, deze laatste over gemeenschappelijke beschermingsinrichtingen tegen overstroom beschikken, op voorwaarde dat dergelijke inrichtingen de vereiste bescherming bieden voor elk verbindingspunt (bijvoorbeeld: de toegekende stroom van de gemeenschappelijke beschermingsinrichting is niet groter dan de laagste toegekende stroom van de verbindingspunten).
Afdeling 7.22.5. Keuze en gebruik van elektrisch materieel
Onderafdeling 7.22.5.1. Uitwendige invloeden De laadinrichting wordt beschermd tegen de te verwachten uitwendige invloeden van de ruimte waarin de laadinrichting wordt geplaatst.
Als de laadinrichting in open lucht wordt geïnstalleerd, beschikt het materieel over een beschermingsgraad van ten minste IP44.
Ter aanvulling op de maatregelen tegen de te verwachten uitwendige invloeden, worden er bijkomende maatregelen getroffen ter bescherming tegen mechanische belastingen veroorzaakt door elke redelijkerwijs te verwachten aanrijding.
Onderafdeling 7.22.5.2. Elektrische noodonderbreking De laadinrichtingen ondergebracht in een gebouw zijn voorzien van een elektrische noodonderbreking overeenkomstig punt c. van onderafdeling 5.3.3.1. Elk bedieningsorgaan van de elektrische noodonderbreking wordt zichtbaar opgesteld, duidelijk gesignaleerd, is gemakkelijk bereikbaar en vlot bedienbaar, en wordt voorzien aan elke voertuigeninrit tot de gemeenschappelijke parkeerplaats, tenzij de opdrachtgever, vóór het ontwerp en de uitvoering van de installatie, in overleg met de brandweer een andere opstellingsplaats bepaalt. Het advies van de brandweer wordt bewaard in het dossier van de elektrische installatie en ter plaatse ter beschikking gehouden van eenieder die belast is met het uitvoeren van bouw-, onderhouds-, toezichts- of controlewerkzaamheden.
De elektrische noodonderbreking verzekert een lastscheidingsfunctie.
Deze onderafdeling is niet van toepassing op laadinrichtingen die deel uitmaken van de elektrische installatie van een wooneenheid.
Onderafdeling 7.22.5.3. Verbindingspunt Het verbindingspunt wordt zo dicht mogelijk bij de parkeerlaadplaats van het elektrisch voertuig geplaatst.
Een verbindingspunt wordt slechts met één elektrisch voertuig tegelijkertijd elektrisch verbonden.
Onderafdeling 7.22.5.4. Decentrale laagspanning productie-eenheden In geval dat de laadinrichting elektrische energie in de vaste stroomopwaartse elektrische installatie kan terugleveren:
1. is het noodzakelijk om aan de voorschriften te beantwoorden die van toepassing zijn op decentrale productie-eenheden, namelijk voor de bescherming tegen elektrische schokken, de bescherming tegen overstroom en de veiligheidsonderbreking;
2. wordt de waarschuwing: "Opgelet: mogelijke teruglevering van elektrische energie in de installatie" aangebracht op de laadinrichting(en) en het (de) schakel- en verdeelbord(en) die erdoor gevoed worden.
Onderafdeling 7.22.5.5. Ruimte van laadinrichtingen en hun bijhorende parkeerplaatsen Laadinrichtingen en hun bijhorende parkeerplaatsen zijn niet gelegen in ruimten die door uitwendige invloed BE3 worden gekenmerkt.
Art. N. Chapitre 7.22. Alimentation des véhicules électriques routiers
Section 7.22.1. Domaine d'application Les prescriptions générales des autres parties de ce Livre sont également applicables aux installations et emplacements spéciaux traités dans ce chapitre 7.22. Les prescriptions du présent chapitre complètent ces prescriptions générales.
Le présent chapitre est applicable aux bornes de charge conductives pour véhicules électriques routiers dont leur réalisation ou leur remplacement est entamé(e) à partir de l'entrée en vigueur du présent chapitre et à leurs circuits :
1° destinés à fournir de l'énergie électrique aux véhicules électriques, et éventuellement ;
2° destinés à réinjecter de l'électricité provenant des batteries de véhicules électriques.
Les circuits visés à l'alinéa précédent se terminent au point de connexion.
Dès lors les dispositions du Livre 1 à l'exception du présent chapitre restent applicables :
1° aux bornes de charge conductives existantes pour véhicules électriques routiers dont la réalisation sur place a été entamée avant l'entrée en vigueur du présent chapitre ;
2° aux bornes de charges conductives pour véhicules électriques routiers, dont la réalisation du projet ou des travaux d'installation ou de remplacement est entamée avant l'entrée en vigueur du présent chapitre, sans préjudice que le contrôle de conformité avant la mise en usage aura lieu à partir de l'entrée en vigueur du présent chapitre.
Si une borne de charge conductive existante visée au 4ème alinéa, 1°, est adaptée aux dispositions du chapitre 7.22., elle est soumise à un contrôle de conformité avant la mise en usage conformément aux dispositions du chapitre 7.22.
Si une borne de charge conductive visée au 4ème alinéa, 2°, est adaptée aux dispositions du chapitre 7.22., l'organisme agréé qui est chargé du contrôle de conformité avant la mise en usage en est informé. Ce dernier en fait mention dans le rapport de contrôle.
L'installation électrique fixe destinée pour l'alimentation d'un véhicule électrique qui est connecté avec une source électrique sans borne de charge conductive fixe spécifique pour véhicules électriques, tombe sous les prescriptions générales des autres parties de ce Livre.
Section 7.22.2. Termes et définitions Véhicule électrique routier (dénommé dans ce chapitre véhicule électrique) : tout véhicule propulsé par un moteur électrique dont le courant électrique provient d'un système de stockage d'énergie rechargeable, destiné principalement à l'utilisation sur la voie publique.
Borne de charge pour véhicule électrique (dénommée dans ce chapitre borne de charge) : équipement ou ensemble d'équipements de l'installation fixe raccordé à demeure assurant des fonctions dédiées au transfert de l'énergie électrique entre un véhicule électrique et la source électrique.
Point de connexion d'une borne de charge pour véhicule électrique (dénommé dans ce chapitre point de connexion) : point de terminaison faisant partie de la borne de charge à travers lequel l'énergie est transmise à ou depuis un véhicule électrique.
Exemple : un socle de prise de courant sur borne de charge ou une prise mobile de véhicule.
Section 7.22.3. Détermination des caractéristiques générales - Division des installations Il est interdit de connecter une borne de charge sur une installation électrique fixe au moyen d'une prise de courant.
Un circuit dédié est prévu pour chaque point de connexion.
L'exigence de l'alinéa précédent est satisfaite par la mise en oeuvre des dispositifs de protection adéquats soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge (ou une combinaison des deux).
Les figures 7.17. à 7.20. illustrent certaines configurations possibles à des fins de clarification. Celles-ci ne sont pas exhaustives :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 16-08-2022, p. 62366)
(Image non reprise pour des techniques, voir M.B. du 16-08-2022, p. 62367)
Section 7.22.4. Mesures de protection
Sous-section 7.22.4.1. Protection contre les contacts indirects Au moins une des mesures de protection suivantes est d'application :
a. Protection passive sans coupure automatique de l'alimentation
Le circuit dédié est protégé au moyen de la séparation de sécurité des circuits conformément au point c. de la sous-section 4.2.3.3. et par le biais d'un transformateur de séparation des circuits.
b. Protection active avec coupure automatique de l'alimentation
L'application d'un schéma de mise à la terre TN-C pour le circuit dédié est interdit.
Chaque circuit dédié en courant alternatif est protégé individuellement par un dispositif de protection à courant différentiel-résiduel avec un courant de fonctionnement de maximum 30mA.
Le point de connexion est donc protégé :
1° soit par un dispositif de protection à courant différentiel-résiduel qui est construit de telle manière que son fonctionnement reste garanti lors de l'apparition d'une faute d'isolation avec une composante continue perturbatrice ;
2° soit par un dispositif de protection à courant différentiel-résiduel conjointement et en coordination avec un dispositif de détection à courant différentiel-résiduel continu qui mettent hors service la borne de charge lors de l'apparition d'une faute d'isolation avec une composante continue perturbatrice.
L'exigence visée dans le deuxième et troisième alinéa est satisfaite par la mise en oeuvre des dispositifs de protection mentionnés ci-avant soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge (ou une combinaison des deux).
Dans le cas d'un schéma de mise à la terre IT, il est autorisé :
1° que le dispositif de protection à courant différentiel-résiduel visé au deuxième alinéa soit omis, à condition que chaque circuit dédié soit alimenté séparément par une source électrique individuelle comme par exemple un transformateur à enroulements séparés ;
2° qu'un contrôleur permanent d'isolement soit prévu pour plus d'un circuit dédié, si ces circuits sont alimentés par la même source électrique comme par exemple un transformateur. Cette exigence est satisfaite par la mise en oeuvre de ce dispositif soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge. Dès le moment où un contrôleur permanent d'isolement a signalé l'existence d'un premier défaut à la masse ou à la terre, les mesures nécessaires pour la recherche et l'élimination de ce défaut sont prises.
Sous-section 7.22.4.2. Protection électrique contre les surintensités Chaque circuit dédié est protégé individuellement par un dispositif de protection adéquat contre les surintensités.
Ceci est satisfait par la mise en oeuvre d'un dispositif de protection adéquat contre les surintensités répondant aux prescriptions du chapitre 4.4. et placé soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge (ou une combinaison des deux).
En dérogation au 1er alinéa, si la borne de charge comporte plusieurs points de connexion qui ne sont pas utilisés simultanément, il est autorisé que ces derniers aient des dispositifs de protection communs contre les surintensités, sous réserve que de tels dispositifs assurent la protection exigée pour chacun des points de connexion (par exemple, le courant assigné du dispositif de protection commun n'est pas plus élevé que le courant assigné le plus bas des points de connexion).
Section 7.22.5. Choix et mise en oeuvre des matériels électriques
Sous-section 7.22.5.1. Influences externes La borne de charge est protégée contre les influences externes prévisibles du lieu dans lequel la borne de charge est installée.
Lorsque la borne de charge est installée à ciel ouvert, le matériel a un degré de protection d'au moins IP44.
En complément des mesures contre les influences externes prévisibles, des mesures complémentaires sont prises pour protéger contre les contraintes mécaniques dues à toute collision raisonnablement prévisible.
Sous-section 7.22.5.2. Coupure électrique d'urgence Les bornes de charge installées dans un bâtiment sont prévues d'une coupure électrique d'urgence conformément au point c. de la sous-section 5.3.3.1. Chaque organe de commande de la coupure électrique d'urgence est placé de manière visible et clairement signalé, ainsi que facilement accessible et rapidement manoeuvrable. Ils sont prévus à chaque entrée accessible aux véhicules vers l'emplacement de parking commun, à moins que le maître d'ouvrage détermine, avant la conception et la réalisation de l'installation, un autre lieu d'implantation en concertation avec les pompiers. L'avis des pompiers est conservé dans le dossier de l'installation électrique et il est tenu sur place à disposition de toute personne qui est chargée avec la réalisation des travaux d'installation, d'entretien, de surveillance et de contrôle.
La coupure électrique d'urgence assure une fonction de sectionnement à coupure en charge.
Cette sous-section n'est pas d'application sur les bornes de charges qui font partie de l'installation électrique d'une unité d'habitation.
Sous-section 7.22.5.3. Point de connexion Le point de connexion est situé aussi près que possible de la place de stationnement pour la charge du véhicule électrique.
Un point de connexion est seulement connecté électriquement avec un seul véhicule électrique à la fois.
Sous-section 7.22.5.4. Unités de production décentralisées basse tension Dans le cas où la borne de charge permet de réinjecter de l'énergie électrique dans l'installation électrique fixe en amont :
1. il y a lieu de répondre aux prescriptions applicables aux unités de production décentralisées, notamment pour la protection contre les chocs électriques, la protection contre les surintensités et la coupure de sécurité ;
2. l'avertissement : " Attention : réinjection possible de l'énergie électrique dans l'installation " est apporté sur la ou les borne(s) de charge et le ou les tableau(x) de manoeuvre et de répartition qui en sont alimentés.
Sous-section 7.22.5.5. Lieu des bornes de charge et de leurs places de stationnement attenantes Les bornes de charge et leurs places de stationnement attenantes ne sont pas situées dans des lieux caractérisés par l'influence externe BE3.
Section 7.22.1. Domaine d'application Les prescriptions générales des autres parties de ce Livre sont également applicables aux installations et emplacements spéciaux traités dans ce chapitre 7.22. Les prescriptions du présent chapitre complètent ces prescriptions générales.
Le présent chapitre est applicable aux bornes de charge conductives pour véhicules électriques routiers dont leur réalisation ou leur remplacement est entamé(e) à partir de l'entrée en vigueur du présent chapitre et à leurs circuits :
1° destinés à fournir de l'énergie électrique aux véhicules électriques, et éventuellement ;
2° destinés à réinjecter de l'électricité provenant des batteries de véhicules électriques.
Les circuits visés à l'alinéa précédent se terminent au point de connexion.
Dès lors les dispositions du Livre 1 à l'exception du présent chapitre restent applicables :
1° aux bornes de charge conductives existantes pour véhicules électriques routiers dont la réalisation sur place a été entamée avant l'entrée en vigueur du présent chapitre ;
2° aux bornes de charges conductives pour véhicules électriques routiers, dont la réalisation du projet ou des travaux d'installation ou de remplacement est entamée avant l'entrée en vigueur du présent chapitre, sans préjudice que le contrôle de conformité avant la mise en usage aura lieu à partir de l'entrée en vigueur du présent chapitre.
Si une borne de charge conductive existante visée au 4ème alinéa, 1°, est adaptée aux dispositions du chapitre 7.22., elle est soumise à un contrôle de conformité avant la mise en usage conformément aux dispositions du chapitre 7.22.
Si une borne de charge conductive visée au 4ème alinéa, 2°, est adaptée aux dispositions du chapitre 7.22., l'organisme agréé qui est chargé du contrôle de conformité avant la mise en usage en est informé. Ce dernier en fait mention dans le rapport de contrôle.
L'installation électrique fixe destinée pour l'alimentation d'un véhicule électrique qui est connecté avec une source électrique sans borne de charge conductive fixe spécifique pour véhicules électriques, tombe sous les prescriptions générales des autres parties de ce Livre.
Section 7.22.2. Termes et définitions Véhicule électrique routier (dénommé dans ce chapitre véhicule électrique) : tout véhicule propulsé par un moteur électrique dont le courant électrique provient d'un système de stockage d'énergie rechargeable, destiné principalement à l'utilisation sur la voie publique.
Borne de charge pour véhicule électrique (dénommée dans ce chapitre borne de charge) : équipement ou ensemble d'équipements de l'installation fixe raccordé à demeure assurant des fonctions dédiées au transfert de l'énergie électrique entre un véhicule électrique et la source électrique.
Point de connexion d'une borne de charge pour véhicule électrique (dénommé dans ce chapitre point de connexion) : point de terminaison faisant partie de la borne de charge à travers lequel l'énergie est transmise à ou depuis un véhicule électrique.
Exemple : un socle de prise de courant sur borne de charge ou une prise mobile de véhicule.
Section 7.22.3. Détermination des caractéristiques générales - Division des installations Il est interdit de connecter une borne de charge sur une installation électrique fixe au moyen d'une prise de courant.
Un circuit dédié est prévu pour chaque point de connexion.
L'exigence de l'alinéa précédent est satisfaite par la mise en oeuvre des dispositifs de protection adéquats soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge (ou une combinaison des deux).
Les figures 7.17. à 7.20. illustrent certaines configurations possibles à des fins de clarification. Celles-ci ne sont pas exhaustives :
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 16-08-2022, p. 62366)
(Image non reprise pour des techniques, voir M.B. du 16-08-2022, p. 62367)
Section 7.22.4. Mesures de protection
Sous-section 7.22.4.1. Protection contre les contacts indirects Au moins une des mesures de protection suivantes est d'application :
a. Protection passive sans coupure automatique de l'alimentation
Le circuit dédié est protégé au moyen de la séparation de sécurité des circuits conformément au point c. de la sous-section 4.2.3.3. et par le biais d'un transformateur de séparation des circuits.
b. Protection active avec coupure automatique de l'alimentation
L'application d'un schéma de mise à la terre TN-C pour le circuit dédié est interdit.
Chaque circuit dédié en courant alternatif est protégé individuellement par un dispositif de protection à courant différentiel-résiduel avec un courant de fonctionnement de maximum 30mA.
Le point de connexion est donc protégé :
1° soit par un dispositif de protection à courant différentiel-résiduel qui est construit de telle manière que son fonctionnement reste garanti lors de l'apparition d'une faute d'isolation avec une composante continue perturbatrice ;
2° soit par un dispositif de protection à courant différentiel-résiduel conjointement et en coordination avec un dispositif de détection à courant différentiel-résiduel continu qui mettent hors service la borne de charge lors de l'apparition d'une faute d'isolation avec une composante continue perturbatrice.
L'exigence visée dans le deuxième et troisième alinéa est satisfaite par la mise en oeuvre des dispositifs de protection mentionnés ci-avant soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge (ou une combinaison des deux).
Dans le cas d'un schéma de mise à la terre IT, il est autorisé :
1° que le dispositif de protection à courant différentiel-résiduel visé au deuxième alinéa soit omis, à condition que chaque circuit dédié soit alimenté séparément par une source électrique individuelle comme par exemple un transformateur à enroulements séparés ;
2° qu'un contrôleur permanent d'isolement soit prévu pour plus d'un circuit dédié, si ces circuits sont alimentés par la même source électrique comme par exemple un transformateur. Cette exigence est satisfaite par la mise en oeuvre de ce dispositif soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge. Dès le moment où un contrôleur permanent d'isolement a signalé l'existence d'un premier défaut à la masse ou à la terre, les mesures nécessaires pour la recherche et l'élimination de ce défaut sont prises.
Sous-section 7.22.4.2. Protection électrique contre les surintensités Chaque circuit dédié est protégé individuellement par un dispositif de protection adéquat contre les surintensités.
Ceci est satisfait par la mise en oeuvre d'un dispositif de protection adéquat contre les surintensités répondant aux prescriptions du chapitre 4.4. et placé soit dans l'installation électrique fixe en amont soit dans la borne de charge (ou une combinaison des deux).
En dérogation au 1er alinéa, si la borne de charge comporte plusieurs points de connexion qui ne sont pas utilisés simultanément, il est autorisé que ces derniers aient des dispositifs de protection communs contre les surintensités, sous réserve que de tels dispositifs assurent la protection exigée pour chacun des points de connexion (par exemple, le courant assigné du dispositif de protection commun n'est pas plus élevé que le courant assigné le plus bas des points de connexion).
Section 7.22.5. Choix et mise en oeuvre des matériels électriques
Sous-section 7.22.5.1. Influences externes La borne de charge est protégée contre les influences externes prévisibles du lieu dans lequel la borne de charge est installée.
Lorsque la borne de charge est installée à ciel ouvert, le matériel a un degré de protection d'au moins IP44.
En complément des mesures contre les influences externes prévisibles, des mesures complémentaires sont prises pour protéger contre les contraintes mécaniques dues à toute collision raisonnablement prévisible.
Sous-section 7.22.5.2. Coupure électrique d'urgence Les bornes de charge installées dans un bâtiment sont prévues d'une coupure électrique d'urgence conformément au point c. de la sous-section 5.3.3.1. Chaque organe de commande de la coupure électrique d'urgence est placé de manière visible et clairement signalé, ainsi que facilement accessible et rapidement manoeuvrable. Ils sont prévus à chaque entrée accessible aux véhicules vers l'emplacement de parking commun, à moins que le maître d'ouvrage détermine, avant la conception et la réalisation de l'installation, un autre lieu d'implantation en concertation avec les pompiers. L'avis des pompiers est conservé dans le dossier de l'installation électrique et il est tenu sur place à disposition de toute personne qui est chargée avec la réalisation des travaux d'installation, d'entretien, de surveillance et de contrôle.
La coupure électrique d'urgence assure une fonction de sectionnement à coupure en charge.
Cette sous-section n'est pas d'application sur les bornes de charges qui font partie de l'installation électrique d'une unité d'habitation.
Sous-section 7.22.5.3. Point de connexion Le point de connexion est situé aussi près que possible de la place de stationnement pour la charge du véhicule électrique.
Un point de connexion est seulement connecté électriquement avec un seul véhicule électrique à la fois.
Sous-section 7.22.5.4. Unités de production décentralisées basse tension Dans le cas où la borne de charge permet de réinjecter de l'énergie électrique dans l'installation électrique fixe en amont :
1. il y a lieu de répondre aux prescriptions applicables aux unités de production décentralisées, notamment pour la protection contre les chocs électriques, la protection contre les surintensités et la coupure de sécurité ;
2. l'avertissement : " Attention : réinjection possible de l'énergie électrique dans l'installation " est apporté sur la ou les borne(s) de charge et le ou les tableau(x) de manoeuvre et de répartition qui en sont alimentés.
Sous-section 7.22.5.5. Lieu des bornes de charge et de leurs places de stationnement attenantes Les bornes de charge et leurs places de stationnement attenantes ne sont pas situées dans des lieux caractérisés par l'influence externe BE3.