Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
1) "het koninklijk besluit nr. 38": het koninklijk besluit nr.38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen;
2) "de zelfstandige": de zelfstandige bedoeld in artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 38;
3) "de helper": de helper bedoeld in artikel 6 van het koninklijk besluit nr. 38, die geen meewerkende echtgenoot is;
4) "de meewerkende echtgenoot": de meewerkende echtgenoot bedoeld in artikel 7bis van het koninklijk besluit nr. 38;
5) "de aanvrager": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die een aanvraag indient tot het bekomen van de in dit besluit bedoelde uitkeringen;
6) "de begunstigde": de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot die de in dit besluit bedoelde uitkeringen geniet;
7) "het sociaal verzekeringsfonds": de sociale verzekeringskas voor zelfstandigen bedoeld in artikel 20, § § 1 en 3, van het koninklijk besluit nr. 38;
8) "familielid": de persoon bedoeld in artikel 18ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
20 DECEMBER 2021. - Koninklijk besluit houdende toekenning van een uitkering ten voordele van de zelfstandige die zijn beroepsactiviteit tijdelijk onderbreekt naar aanleiding van het overlijden van een familielid(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 31-12-2021 en tekstbijwerking tot 06-10-2025)
Titre
20 DECEMBRE 2021. - Arrêté royal accordant une allocation en faveur du travailleur indépendant qui interrompt temporairement son activité professionnelle en raison du décès d'un membre de la famille(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 31-12-2021 et mise à jour au 06-10-2025)
Informations sur le document
Numac: 2021206148
Datum: 2021-12-20
Info du document
Numac: 2021206148
Date: 2021-12-20
Table des matières
Tekst (12)
Texte (12)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, il y a lieu d'entendre par :
1) " l'arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2) " le travailleur indépendant " : le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
3) " l'aidant " : l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
4) " le conjoint aidant " : le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
5) " le demandeur " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir les allocations visées dans le présent arrêté;
6) " le bénéficiaire ": le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie des allocations visées dans le présent arrêté;
7) " la caisse d'assurances sociales " : la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § § 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
8) " membre de la famille " : la personne visée à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38.
1) " l'arrêté royal n° 38 " : l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants;
2) " le travailleur indépendant " : le travailleur indépendant visé à l'article 3 de l'arrêté royal n° 38;
3) " l'aidant " : l'aidant visé à l'article 6 de l'arrêté royal n° 38, qui n'est pas conjoint aidant;
4) " le conjoint aidant " : le conjoint aidant visé à l'article 7bis de l'arrêté royal n° 38;
5) " le demandeur " : le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui introduit une demande en vue d'obtenir les allocations visées dans le présent arrêté;
6) " le bénéficiaire ": le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant qui bénéficie des allocations visées dans le présent arrêté;
7) " la caisse d'assurances sociales " : la caisse d'assurances sociales pour travailleurs indépendants visée à l'article 20, § § 1er et 3, de l'arrêté royal n° 38;
8) " membre de la famille " : la personne visée à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38.
HOOFDSTUK 2. - De uitkering in geval van overlijden van een familielid
CHAPITRE 2. - L'allocation en cas de décès d'un membre de la famille
Art.2. De uitkering wordt toegekend aan de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot, die beantwoordt aan de volgende cumulatieve voorwaarden:
1° Hij is onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 38 zowel gedurende de twee kwartalen die het kwartaal van overlijden van het familielid voorafgaan, als gedurende het kwartaal van overlijden, als tijdens de kwartalen waarin de beroepsactiviteit onderbroken wordt in het kader van dit besluit.
De zelfstandige die niet onderworpen was aan het koninklijk besluit nr. 38 tijdens één of twee van de twee kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van het overlijden, wordt geacht dit wel te zijn, indien hij, respectievelijk tijdens dat ene kwartaal of die beide kwartalen, onderworpen was aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid.
2° Hij is, voor de in 1° bedoelde periode, de in de [2 artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9]2, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit]2.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, § 1, tweede lid, § 1bis, eerste lid of § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.]2
3° Hij heeft de wettelijke verschuldigde voorlopige sociale bijdragen voor de twee kwartalen die het kwartaal van het overlijden van het familielid voorafgaan betaald of wordt geacht deze te hebben betaald.
De zelfstandige die op basis van een onderwerping aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid, in aanmerking komt voor de in dit besluit bedoelde uitkering, overeenkomstig de bepaling in de tweede zin van 1°, wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen.
4° Hij onderbreekt tijdelijk elke beroepsactiviteit naar aanleiding van het overlijden van het familielid. [1 Wanneer het kind bedoeld in artikel 18ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, levenloos geboren wordt, kan de uitkering slechts worden toegekend, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd te rekenen van de verwekking.]1
De onderbreking moet plaatsvinden in de periode die aanvangt op de dag van het overlijden en eindigt op de laatste dag van het jaar na de dag van het overlijden.
De maximale periode van onderbreking, zoals bedoeld in artikel 18ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, hoeft niet noodzakelijk een aaneengesloten periode te zijn.
Tijdens de periode van onderbreking oefent de begunstigde, ten persoonlijke titel, geen enkele beroepsactiviteit uit.
5° Hij dient een aanvraag in overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 3.
De onderbreking kan over verschillende aanvragen gespreid worden, op voorwaarde dat de totale duur van de onderbreking de maximale periode van onderbreking, zoals bedoeld in artikel 18ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 niet overschrijdt.
1° Hij is onderworpen aan het koninklijk besluit nr. 38 zowel gedurende de twee kwartalen die het kwartaal van overlijden van het familielid voorafgaan, als gedurende het kwartaal van overlijden, als tijdens de kwartalen waarin de beroepsactiviteit onderbroken wordt in het kader van dit besluit.
De zelfstandige die niet onderworpen was aan het koninklijk besluit nr. 38 tijdens één of twee van de twee kwartalen voorafgaand aan het kwartaal van het overlijden, wordt geacht dit wel te zijn, indien hij, respectievelijk tijdens dat ene kwartaal of die beide kwartalen, onderworpen was aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid.
2° Hij is, voor de in 1° bedoelde periode, de in de [2 artikelen 12, §§ 1, 1bis of 1ter, 13, § 2 of 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9]2, van het koninklijk besluit nr. 38 bedoelde bijdragen verschuldigd.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 12, § 2, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in artikel 12, § 1, tweede lid van hetzelfde besluit]2.
[2 De zelfstandige beoogd door artikel 13, § 3 of § 4, eerste lid, van hetzelfde besluit, voldoet aan deze voorwaarde, voor zover het bedrag van zijn wettelijk verschuldigde voorlopige sociale bijdragen tijdens de vereiste kwartalen gebaseerd is op een inkomen dat minstens gelijk is aan het inkomen bedoeld in, naargelang het geval, artikel 12, § 1, tweede lid, § 1bis, eerste lid of § 1ter, eerste lid, van hetzelfde besluit.]2
3° Hij heeft de wettelijke verschuldigde voorlopige sociale bijdragen voor de twee kwartalen die het kwartaal van het overlijden van het familielid voorafgaan betaald of wordt geacht deze te hebben betaald.
De zelfstandige die op basis van een onderwerping aan een ander stelsel van de Belgische sociale zekerheid, in aanmerking komt voor de in dit besluit bedoelde uitkering, overeenkomstig de bepaling in de tweede zin van 1°, wordt geacht aan deze voorwaarde te voldoen.
4° Hij onderbreekt tijdelijk elke beroepsactiviteit naar aanleiding van het overlijden van het familielid. [1 Wanneer het kind bedoeld in artikel 18ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, levenloos geboren wordt, kan de uitkering slechts worden toegekend, op voorwaarde dat de zwangerschap minimaal honderdtachtig dagen heeft geduurd te rekenen van de verwekking.]1
De onderbreking moet plaatsvinden in de periode die aanvangt op de dag van het overlijden en eindigt op de laatste dag van het jaar na de dag van het overlijden.
De maximale periode van onderbreking, zoals bedoeld in artikel 18ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38, hoeft niet noodzakelijk een aaneengesloten periode te zijn.
Tijdens de periode van onderbreking oefent de begunstigde, ten persoonlijke titel, geen enkele beroepsactiviteit uit.
5° Hij dient een aanvraag in overeenkomstig de modaliteiten bepaald in artikel 3.
De onderbreking kan over verschillende aanvragen gespreid worden, op voorwaarde dat de totale duur van de onderbreking de maximale periode van onderbreking, zoals bedoeld in artikel 18ter, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 38 niet overschrijdt.
Art.2. L'allocation est octroyée au travailleur indépendant, à l'aidant ou au conjoint aidant qui répond aux conditions cumulatives suivantes :
1° Il est assujetti à l'arrêté royal n°38 pendant les deux trimestres qui précèdent celui du décès du membre de la famille, ainsi que pendant le trimestre du décès et les trimestres durant lesquels l'activité professionnelle est interrompue dans le cadre du présent arrêté.
Le travailleur indépendant qui n'était pas assujetti à l'arrêté royal n° 38 pendant un ou deux des deux trimestres qui précèdent celui du décès, est censé l'être s'il était assujetti à un autre système de sécurité sociale belge pendant, respectivement, ce trimestre ou ces deux trimestres.
2° Il est redevable, pour la période visée au 1°, des cotisations visées [2 aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ]2 de l'arrêté royal n° 38.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 12, § 2, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2 du même arrêté. ]2.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, § 1er, alinéa 2 § 1erbis, alinéa 1er ou § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté. ]2
3° Il a payé les cotisations sociales provisoires légalement dues pour les deux trimestres qui précèdent celui du décès du membre de la famille ou il est censé les avoir payées.
Le travailleur indépendant qui, sur base d'un assujettissement à un autre système de sécurité sociale belge, a droit à l'allocation visée par le présent arrêté en vertu de la disposition reprise à la deuxième phrase du 1°, est censé satisfaire à cette condition.
4° Il interrompt temporairement toute activité professionnelle à l'occasion du décès du membre de la famille. [1 Lorsque l'enfant visé à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, est mort-né, l'allocation ne peut être octroyée que pour autant que la grossesse ait duré un minimum de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception.]1
L'interruption doit avoir lieu au cours de la période qui débute le jour du décès et prend fin le dernier jour de l'année qui suit le jour du décès.
La période maximale d'interruption visée à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, ne doit pas nécessairement être une période continue.
Pendant la période d'interruption, le bénéficiaire n'exerce aucune activité professionnelle à titre personnel.
5° Il introduit une demande selon les modalités prévues à l'article 3.
L'interruption peut être répartie en plusieurs demandes à condition que la durée totale de l'interruption ne dépasse pas la période maximale d'interruption visée à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal nr° 38.
1° Il est assujetti à l'arrêté royal n°38 pendant les deux trimestres qui précèdent celui du décès du membre de la famille, ainsi que pendant le trimestre du décès et les trimestres durant lesquels l'activité professionnelle est interrompue dans le cadre du présent arrêté.
Le travailleur indépendant qui n'était pas assujetti à l'arrêté royal n° 38 pendant un ou deux des deux trimestres qui précèdent celui du décès, est censé l'être s'il était assujetti à un autre système de sécurité sociale belge pendant, respectivement, ce trimestre ou ces deux trimestres.
2° Il est redevable, pour la période visée au 1°, des cotisations visées [2 aux articles 12, §§ 1er, 1erbis ou 1erter, 13, § 2, ou 13bis, § 2, 1°, 2°, 3°, 7°, 8° of 9° ]2 de l'arrêté royal n° 38.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 12, § 2, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé à l'article 12, § 1er, alinéa 2 du même arrêté. ]2.
[2 Le travailleur indépendant visé à l'article 13, § 3 ou § 4, alinéa 1er, du même arrêté répond à cette condition pour autant que le montant de ses cotisations sociales provisoires légalement dues au cours des trimestres requis est basé sur un revenu qui atteint au moins le revenu visé, selon le cas, à l'article 12, § 1er, alinéa 2 § 1erbis, alinéa 1er ou § 1erter, alinéa 1er, du même arrêté. ]2
3° Il a payé les cotisations sociales provisoires légalement dues pour les deux trimestres qui précèdent celui du décès du membre de la famille ou il est censé les avoir payées.
Le travailleur indépendant qui, sur base d'un assujettissement à un autre système de sécurité sociale belge, a droit à l'allocation visée par le présent arrêté en vertu de la disposition reprise à la deuxième phrase du 1°, est censé satisfaire à cette condition.
4° Il interrompt temporairement toute activité professionnelle à l'occasion du décès du membre de la famille. [1 Lorsque l'enfant visé à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, est mort-né, l'allocation ne peut être octroyée que pour autant que la grossesse ait duré un minimum de cent-quatre-vingts jours à dater de la conception.]1
L'interruption doit avoir lieu au cours de la période qui débute le jour du décès et prend fin le dernier jour de l'année qui suit le jour du décès.
La période maximale d'interruption visée à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 38, ne doit pas nécessairement être une période continue.
Pendant la période d'interruption, le bénéficiaire n'exerce aucune activité professionnelle à titre personnel.
5° Il introduit une demande selon les modalités prévues à l'article 3.
L'interruption peut être répartie en plusieurs demandes à condition que la durée totale de l'interruption ne dépasse pas la période maximale d'interruption visée à l'article 18ter, alinéa 1er, de l'arrêté royal nr° 38.
Art.3. § 1. Om de uitkering te ontvangen, moet de zelfstandige, helper of meewerkende echtgenoot een aanvraag indienen bij zijn sociaal verzekeringsfonds, met een aangetekende zending of elk ander middel dat de datum en de verzekerde aflevering van de zending waarborgt.
§ 2. De aanvraag moet, op straffe van verval, ten laatste op de laatste dag van het jaar na de dag van het overlijden worden ingediend.
§ 3. De aanvraag moet het volgende bevatten:
a) een ereverklaring, waarin de aanvrager aangeeft welke dagen hij elke beroepsactiviteit heeft onderbroken of zal onderbreken;
b) de naam, band van verwantschap en een uittreksel uit de overlijdensakte van het overleden familielid, voor zover het sociaal verzekeringsfonds zelf nog niet over deze informatie beschikt.
§ 2. De aanvraag moet, op straffe van verval, ten laatste op de laatste dag van het jaar na de dag van het overlijden worden ingediend.
§ 3. De aanvraag moet het volgende bevatten:
a) een ereverklaring, waarin de aanvrager aangeeft welke dagen hij elke beroepsactiviteit heeft onderbroken of zal onderbreken;
b) de naam, band van verwantschap en een uittreksel uit de overlijdensakte van het overleden familielid, voor zover het sociaal verzekeringsfonds zelf nog niet over deze informatie beschikt.
Art.3. § 1er. Pour prétendre au bénéfice de l'allocation, le travailleur indépendant, l'aidant ou le conjoint aidant doit introduire une demande auprès de sa caisse d'assurances sociales par envoi recommandé ou tout autre moyen garantissant la date et l'assurance de la délivrance de cet envoi.
§ 2. Sous peine de forclusion, la demande doit être introduite au plus tard le dernier jour de l'année qui suit le jour du décès.
§ 3. La demande doit contenir ce qui suit :
a) une déclaration sur l'honneur dans laquelle le demandeur indique quels jours il a interrompu ou interrompra toute activité professionnelle;
b) le nom, le lien de parenté et un extrait de l'acte de décès du membre de la famille décédé, dans la mesure où la caisse d'assurances sociales ne dispose pas encore elle-même de cette information.
§ 2. Sous peine de forclusion, la demande doit être introduite au plus tard le dernier jour de l'année qui suit le jour du décès.
§ 3. La demande doit contenir ce qui suit :
a) une déclaration sur l'honneur dans laquelle le demandeur indique quels jours il a interrompu ou interrompra toute activité professionnelle;
b) le nom, le lien de parenté et un extrait de l'acte de décès du membre de la famille décédé, dans la mesure où la caisse d'assurances sociales ne dispose pas encore elle-même de cette information.
Art.4. Het dagelijks bedrag van de uitkering bedraagt [1 86,63 euro]1. Dit bedrag is gekoppeld aan de spilindex 109,34 (basis 2013 = 100).
Modifications
Art.4. Le montant journalier de l'allocation s'élève à [1 86,63 euros]1. Ce montant est rattaché à l'indice-pivot 109,34 (base 2013 = 100).
Modifications
Art.5. Het recht op rouwverlof, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 28 augustus 1963 betreffende het behoud van het normaal loon van werknemers voor afwezigheidsdagen ter gelegenheid van familiegebeurtenissen of voor de vervulling van staatsburgerlijke verplichtingen of van burgerlijke opdrachten, dat wordt toegekend naar aanleiding van het overlijden van dezelfde persoon, sluit, in voorkomend geval, het recht op de uitkering bedoeld in huidig besluit uit.
Hetzelfde geldt voor het recht op omstandigheidsverlof, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, dat wordt toegekend naar aanleiding van het overlijden van dezelfde persoon.
De uitkering bedoeld in dit besluit is evenmin verschuldigd voor de dagen waarop de aanvrager reeds een uitkering geniet in het kader van de artikelen 18 en 18bis, van het koninklijk besluit nr. 38.
Hetzelfde geldt voor het recht op omstandigheidsverlof, zoals bedoeld in het koninklijk besluit van 19 november 1998 betreffende de verloven en afwezigheden toegestaan aan de personeelsleden van de rijksbesturen, dat wordt toegekend naar aanleiding van het overlijden van dezelfde persoon.
De uitkering bedoeld in dit besluit is evenmin verschuldigd voor de dagen waarop de aanvrager reeds een uitkering geniet in het kader van de artikelen 18 en 18bis, van het koninklijk besluit nr. 38.
Art.5. Le droit au congé de deuil, tel que visé dans l'arrêté royal du 28 août 1963 relatif au maintien de la rémunération normale des travailleurs pour les jours d'absence à l'occasion d'événements familiaux ou en vue de l'accomplissement d'obligations civiques ou de missions civiles, qui a été octroyé à l'occasion du décès de la même personne exclut, le cas échéant, le droit à l'allocation visée dans le présent arrêté.
La même règle s'applique au droit aux congés de circonstances tel que visé dans l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, octroyé suite au décès de la même personne.
L'allocation visée dans le présent arrêté n'est pas due non plus pour les jours pendant lesquels le demandeur bénéficie déjà d'une prestation visée aux articles 18 et 18bis de l'arrêté royal n° 38.
La même règle s'applique au droit aux congés de circonstances tel que visé dans l'arrêté royal du 19 novembre 1998 relatif aux congés et aux absences accordés aux membres du personnel des administrations de l'Etat, octroyé suite au décès de la même personne.
L'allocation visée dans le présent arrêté n'est pas due non plus pour les jours pendant lesquels le demandeur bénéficie déjà d'une prestation visée aux articles 18 et 18bis de l'arrêté royal n° 38.
Art.6. § 1. De uitbetaling van de in dit besluit bedoelde uitkering door het sociaal verzekeringsfonds gebeurt uiterlijk op het einde van de kalendermaand volgend op de kalendermaand van de onderbreking.
Als de onderbreking afloopt voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 3, gebeurt de uitbetaling uiterlijk op het einde van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de genoemde aanvraag werd ingediend.
§ 2. De begunstigde verwittigt zijn sociaal verzekeringsfonds van elk element dat een beletsel kan vormen voor het genot van de uitkering en dat niet reeds zou zijn meegedeeld aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
Als de onderbreking afloopt voorafgaandelijk aan de indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 3, gebeurt de uitbetaling uiterlijk op het einde van de kalendermaand die volgt op de maand waarin de genoemde aanvraag werd ingediend.
§ 2. De begunstigde verwittigt zijn sociaal verzekeringsfonds van elk element dat een beletsel kan vormen voor het genot van de uitkering en dat niet reeds zou zijn meegedeeld aan zijn sociaal verzekeringsfonds.
Art.6. § 1er. Le paiement de l'allocation visée dans le présent arrêté par la caisse d'assurances sociales survient au plus tard à la fin du mois civil qui suit celui de l'interruption.
Si l'interruption prend fin préalablement à l'introduction de la demande visée à l'article 3, le paiement survient au plus tard à la fin du mois civil qui suit celui au cours duquel ladite demande a été introduite.
§ 2. Le bénéficiaire informe sa caisse d'assurances sociales de tout élément pouvant faire obstacle au bénéfice de l'allocation qui n'aurait pas déjà été communiqué à sa caisse d'assurances sociales.
Si l'interruption prend fin préalablement à l'introduction de la demande visée à l'article 3, le paiement survient au plus tard à la fin du mois civil qui suit celui au cours duquel ladite demande a été introduite.
§ 2. Le bénéficiaire informe sa caisse d'assurances sociales de tout élément pouvant faire obstacle au bénéfice de l'allocation qui n'aurait pas déjà été communiqué à sa caisse d'assurances sociales.
Art.7. § 1. De vordering tot uitbetaling van de in dit besluit bedoelde uitkering verjaart na verloop van één jaar te rekenen van de eerste dag van de kalendermaand die volgt op de kalendermaand van de onderbreking.
§ 2. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkering verjaart na verloop van één jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling met betrekking tot de aanvraag werd uitgevoerd.
§ 2. De vordering tot terugbetaling van de ten onrechte uitbetaalde uitkering verjaart na verloop van één jaar te rekenen van de datum waarop de uitbetaling met betrekking tot de aanvraag werd uitgevoerd.
Art.7. Art. 7. § 1er. L'action en paiement de l' allocation visée dans le présent arrêté se prescrit par un an à compter du premier jour du mois civil qui suit celui de l'interruption.
§ 2. L'action en récupération de l'allocation payée indument se prescrit par un an à compter de la date à laquelle le paiement relatif à la demande a été effectué.
§ 2. L'action en récupération de l'allocation payée indument se prescrit par un an à compter de la date à laquelle le paiement relatif à la demande a été effectué.
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition modificative
Art.8. In artikel 51, § 1, van het koninklijk besluit van 19 december 1967 houdende algemeen reglement in uitvoering van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 december 2019, worden de woorden "en de uitkering in geval van overlijden van een familielid" ingevoegd tussen de woorden "de geboortehulp" en "wanneer deze betaling binnen de vijf dagen dient te geschieden".
Art.8. Dans l'article 51, § 1er, l'arrêté royal portant règlement général en exécution de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 décembre 2019, les mots " et de l'allocation en cas de décès d'un membre de la famille " sont insérés entre les mots " l'aide à la naissance " et " lorsque ce paiement doit intervenir dans les cinq jours".
Art. 9. De minister die het sociaal statuut der zelfstandigen onder zijn bevoegdheid heeft is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 9. Le ministre qui a le statut social des travailleurs indépendants dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.