Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
26 MEI 2019. - Wet tot uitvoering van het ontwerp van interprofessioneel akkoord 2019-2020
Titre
26 MAI 2019. - Loi portant mise en oeuvre du projet d'accord interprofessionnel 2019-2020
Informations sur le document
Numac: 2019202602
Datum: 2019-05-26
Info du document
Numac: 2019202602
Date: 2019-05-26
Table des matières
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITEL 2. - Werk
HOOFDSTUK 1. - Bevorderen van de inzetbaarheid
HOOFDSTUK 2. - Verlenging van de innovatiepremies
HOOFDSTUK 3.-. Activering van de inspanningen t...
TITEL 3. - Sociale zaken
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de arbeidsongevall...
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van artikel 40 van de ...
TITEL 4. - Pensioenen
HOOFDSTUK 1. - Aanpassing aan de welvaart van h...
Afdeling 1. - Verhoging van het gewaarborgd ink...
Afdeling 2. -Verhoging van het gewaarborgd mini...
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk b...
TITEL 5. - Federale gezondheidszorgen
Table des matières
TITRE 1er. - Disposition générale
TITRE 2. Emploi
CHAPITRE 1er. - Promotion de l'employabilité
CHAPITRE 2. - Prolongation des primes d'innovation
CHAPITRE 3. - Activation des efforts en faveur ...
TITRE 3. - Affaires sociales
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 10 av...
CHAPITRE 2. - Modification de l'article 40 de l...
TITRE 4. - Pensions
CHAPITRE 1er. - Adaptation au bien-être du reve...
Section 1re. - Augmentation du revenu garanti a...
Section 2. - Augmentation de la pension minimum...
Section 3. - Entrée en vigueur
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté royal d...
TITRE 5. - Secteurs fédéraux de la Santé
Tekst (36)
Texte (36)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Werk
TITRE 2. Emploi
HOOFDSTUK 1. - Bevorderen van de inzetbaarheid
CHAPITRE 1er. - Promotion de l'employabilité
Art.2. In artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Per bedrijfstak dient tegen uiterlijk 30 september 2019 in het paritair comité of paritair subcomité een collectieve arbeidsovereenkomst, erin te voorzien dat een werknemer wiens arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd door middel van een opzeggingstermijn, berekend overeenkomstig de bepalingen van deze wet, van minstens 30 weken, of een vergoeding die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, recht heeft op een ontslagpakket bestaande uit een te presteren opzeggingstermijn of een opzeggingsvergoeding, overeenstemmende met de opzeggingstermijn die twee derden van het ontslagpakket beloopt en, voor het resterende derde, maatregelen die de inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt verhogen. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de datum van 30 september 2019 wijzigen in een latere datum die evenwel niet verder mag liggen dan 1 januari 2021.".
"Per bedrijfstak dient tegen uiterlijk 30 september 2019 in het paritair comité of paritair subcomité een collectieve arbeidsovereenkomst, erin te voorzien dat een werknemer wiens arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd door middel van een opzeggingstermijn, berekend overeenkomstig de bepalingen van deze wet, van minstens 30 weken, of een vergoeding die gelijk is aan het lopend loon dat overeenstemt hetzij met de duur van een opzeggingstermijn van minstens 30 weken, hetzij met het resterende gedeelte van die termijn, recht heeft op een ontslagpakket bestaande uit een te presteren opzeggingstermijn of een opzeggingsvergoeding, overeenstemmende met de opzeggingstermijn die twee derden van het ontslagpakket beloopt en, voor het resterende derde, maatregelen die de inzetbaarheid van de werknemer op de arbeidsmarkt verhogen. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de datum van 30 september 2019 wijzigen in een latere datum die evenwel niet verder mag liggen dan 1 januari 2021.".
Art.2. Dans l'article 39ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, inséré par la loi du 26 décembre 2013, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
"Par secteur d'activité, dans la commission paritaire ou sous-commission paritaire une convention collective de travail doit, au plus tard le 30 septembre 2019, prévoir qu'un travailleur dont le contrat de travail est rompu par l'employeur moyennant un préavis, calculé conformément aux dispositions de la présente loi d'au moins 30 semaines ou moyennant une indemnité égale à la rémunération en cours correspondant, soit à la durée d'un délai de préavis d'au moins 30 semaines, soit à la partie de ce délai restant à courir, a droit à un ensemble de mesures consistant en un délai de préavis à prester ou une indemnité de congé correspondant au délai de préavis, lequel forme les deux tiers de l'ensemble de mesures, et, pour le tiers restant, à des mesures qui augmentent l'employabilité du travailleur sur le marché du travail. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, reporter la date du 30 septembre 2019 à une date ultérieure qui ne peut toutefois excéder le 1er janvier 2021.".
"Par secteur d'activité, dans la commission paritaire ou sous-commission paritaire une convention collective de travail doit, au plus tard le 30 septembre 2019, prévoir qu'un travailleur dont le contrat de travail est rompu par l'employeur moyennant un préavis, calculé conformément aux dispositions de la présente loi d'au moins 30 semaines ou moyennant une indemnité égale à la rémunération en cours correspondant, soit à la durée d'un délai de préavis d'au moins 30 semaines, soit à la partie de ce délai restant à courir, a droit à un ensemble de mesures consistant en un délai de préavis à prester ou une indemnité de congé correspondant au délai de préavis, lequel forme les deux tiers de l'ensemble de mesures, et, pour le tiers restant, à des mesures qui augmentent l'employabilité du travailleur sur le marché du travail. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, reporter la date du 30 septembre 2019 à une date ultérieure qui ne peut toutefois excéder le 1er janvier 2021.".
Art.3. In artikel 38, § 3quaterdecies van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, ingevoegd bij de wet van 26 december 2013, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Wanneer na 30 september 2019 een werknemer die is ontslagen en die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een ontslagpakket dat inzetbaarheidsverhogende maatregelen omvat zoals bedoeld in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, het hele ontslagpakket als opzeggingstermijn presteert of een opzeggingsvergoeding krijgt uitbetaald voor het geheel van die opzeggingstermijn of het nog te lopen deel na onmiddellijke beëindiging tijdens de duurtijd van de opzeggingstermijn, is op het loon betaald tijdens het deel van de opzeggingstermijn dat één derde van het ontslagpakket vertegenwoordigt en dat alleszins 26 weken overschrijdt of op het corresponderende deel van de vervangende opzeggingsvergoeding een bijzondere bijdrage verschuldigd van 1 % ten laste van de werknemer en 3 % ten laste van de werkgever. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de datum van 30 september 2019 wijzigen in een latere datum die evenwel niet verder mag liggen dan 1 januari 2021.".
"Wanneer na 30 september 2019 een werknemer die is ontslagen en die voldoet aan de voorwaarden om recht te hebben op een ontslagpakket dat inzetbaarheidsverhogende maatregelen omvat zoals bedoeld in artikel 39ter van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, het hele ontslagpakket als opzeggingstermijn presteert of een opzeggingsvergoeding krijgt uitbetaald voor het geheel van die opzeggingstermijn of het nog te lopen deel na onmiddellijke beëindiging tijdens de duurtijd van de opzeggingstermijn, is op het loon betaald tijdens het deel van de opzeggingstermijn dat één derde van het ontslagpakket vertegenwoordigt en dat alleszins 26 weken overschrijdt of op het corresponderende deel van de vervangende opzeggingsvergoeding een bijzondere bijdrage verschuldigd van 1 % ten laste van de werknemer en 3 % ten laste van de werkgever. De Koning kan bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de datum van 30 september 2019 wijzigen in een latere datum die evenwel niet verder mag liggen dan 1 januari 2021.".
Art.3. Dans l'article 38, § 3quaterdecies, de la loi du 29 juin 1981 établissant les principes généraux de la sécurité sociale des travailleurs salariés, inséré par la loi du 26 décembre 2013, le premier alinéa est remplacé par ce qui suit :
"Lorsqu'un travailleur est licencié à partir du 30 septembre 2019 alors qu'il satisfait aux conditions pour avoir droit à un ensemble de mesures destinées à augmenter son employabilité comme prévu à l'article 39ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et preste cet ensemble de mesures pendant son préavis ou reçoit une indemnité de congé pour la totalité du délai de préavis ou pour la durée du préavis restant encore à courir, une cotisation spéciale de 1 % à charge du travailleur et de 3 % à charge de l'employeur est due sur la rémunération payée pendant la partie du délai de préavis représentant un tiers du préavis ou de l'indemnité due et qui dépasse de toute façon 26 semaines ou le correspondant en indemnité. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, reporter la date du 30 septembre 2019 à une date ultérieure qui ne peut toutefois excéder le 1er janvier 2021.".
"Lorsqu'un travailleur est licencié à partir du 30 septembre 2019 alors qu'il satisfait aux conditions pour avoir droit à un ensemble de mesures destinées à augmenter son employabilité comme prévu à l'article 39ter de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail, et preste cet ensemble de mesures pendant son préavis ou reçoit une indemnité de congé pour la totalité du délai de préavis ou pour la durée du préavis restant encore à courir, une cotisation spéciale de 1 % à charge du travailleur et de 3 % à charge de l'employeur est due sur la rémunération payée pendant la partie du délai de préavis représentant un tiers du préavis ou de l'indemnité due et qui dépasse de toute façon 26 semaines ou le correspondant en indemnité. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, reporter la date du 30 septembre 2019 à une date ultérieure qui ne peut toutefois excéder le 1er janvier 2021.".
HOOFDSTUK 2. - Verlenging van de innovatiepremies
CHAPITRE 2. - Prolongation des primes d'innovation
Art.4. In artikel 31, eerste en tweede lid, van de wet van 3 juli 2005 houdende diverse bepalingen betreffende het sociaal overleg, gewijzigd bij de wetten van 17 augustus 2013, 10 augustus 2015 en 30 september 2017, worden de woorden "1 januari 2019" telkens vervangen door de woorden "1 januari 2021".
Art.4. Dans l'article 31, alinéas 1er et 2, de la loi du 3 juillet 2005 portant des dispositions diverses relatives à la concertation sociale, modifié par les lois du 17 août 2013, 10 août 2015 et 30 septembre 2017, les mots "1er janvier 2019" sont chaque fois remplacés par les mots "1er janvier 2021".
HOOFDSTUK 3.-. Activering van de inspanningen ten voordele van personen die behoren tot de risicogroepen
CHAPITRE 3. - Activation des efforts en faveur des personnes appartenant aux groupes à risque
Art.5. Artikel 195 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met een paragraaf 2, luidende :
" § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1, gelden de bepalingen inzake de inspanning ten voordele van de personen die behoren tot de risicogroepen in de periode van 1 januari 2019 tot 31 december 2020.".
" § 2. In afwijking van de bepalingen van § 1, gelden de bepalingen inzake de inspanning ten voordele van de personen die behoren tot de risicogroepen in de periode van 1 januari 2019 tot 31 december 2020.".
Art.5. L'article 195 de la loi du 27 décembre 2006 portant des dispositions diverses (I) dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par un paragraphe 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par dérogation aux dispositions du § 1er, les dispositions concernant l'effort en faveur des personnes appartenant aux groupes à risque s'appliquent durant la période du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2020.".
" § 2. Par dérogation aux dispositions du § 1er, les dispositions concernant l'effort en faveur des personnes appartenant aux groupes à risque s'appliquent durant la période du 1er janvier 2019 au 31 décembre 2020.".
Art.6. De hoofdstukken 1 en 3 treden in werking de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Hoofdstuk 2 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Hoofdstuk 2 heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2019.
Art.6. Les chapitres 1er et 3 entrent en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
Le chapitre 2 produit ses effets le 1er janvier 2019.
Le chapitre 2 produit ses effets le 1er janvier 2019.
TITEL 3. - Sociale zaken
TITRE 3. - Affaires sociales
HOOFDSTUK 1. - Wijziging van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971
CHAPITRE 1er. - Modification de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail
Art.7. Artikel 39, eerste lid, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971, gewijzigd bij de wetten van 9 juli 2004, 27 december 2006, 27 maart 2009, 29 maart 2012, 28 juni 2013, 23 april 2015 en 30 september 2017 wordt aangevuld met de bepaling onder 10°, luidende :
"10° vanaf 1 januari 2020 : 36 044,63 EUR (index 102,10; basis 2004 = 100).".
"10° vanaf 1 januari 2020 : 36 044,63 EUR (index 102,10; basis 2004 = 100).".
Art.7. L'article 39, alinéa 1er, de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, modifié par les lois des 9 juillet 2004, 27 décembre 2006, 27 mars 2009, 29 mars 2012, 28 juin 2013, 23 avril 2015 et 30 septembre 2017 est complété par le 10° rédigé comme suit :
"10° à partir du 1er janvier 2020: 36 044,63 EUR (index 102,10; basis 2004 = 100).".
"10° à partir du 1er janvier 2020: 36 044,63 EUR (index 102,10; basis 2004 = 100).".
HOOFDSTUK 2. - Wijziging van artikel 40 van de wet van 27 juni 1969, tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, wat betreft de invordering door middel van dwangbevel door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid
CHAPITRE 2. - Modification de l'article 40 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, en ce qui concerne le recouvrement par voie de contrainte par l'Office national de sécurité sociale
Art.8. In artikel 40 van de wet van 27 juni 1969, tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, vervangen bij de wet van 1 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, wordt de volgende aanpassingen aangebracht :
1° de eerste paragraaf wordt aangevuld met vier leden, luidende :
"Alvorens over te gaan tot gerechtelijke invordering of invordering via dwangbevel, verzendt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de schuldenaar een laatste ingebrekestelling met een boekhoudkundige verantwoording van de bedragen waarop de invordering betrekking heeft, bij aangetekend schrijven of door middel van een elektronische techniek zoals bedoeld in artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
Deze ingebrekestelling moet, op straffe van nietigheid, vermelden dat de Rijksdienst, indien de schuldenaar niet overgaat tot betwisting van de verschuldigde bedragen en geen afbetalingstermijnen vraagt en verkrijgt, per aangetekende zending, binnen de maand te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de ingebrekestelling, kan overgaan tot de invordering van deze bedragen door middel van een dwangbevel.
De ingebrekestelling moet de mogelijkheden vermelden waarover de schuldenaar beschikt om de schuldvordering te betwisten alsook de nadere regels voor de betwisting. De ingebrekestelling moet eveneens de mogelijkheid vermelden om afbetalingstermijnen te vragen.
Het toestaan van afbetalingstermijnen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid schorst de uitvaardiging van een eventueel dwangbevel alsook de invordering via gerechtelijke weg, en dit in zoverre de toegekende afbetalingstermijnen strikt worden nageleefd.";
2° in de tweede paragraaf, eerste lid, worden de woorden ", indien zij niet het voorwerp uitmaken van betwisting," ingevoegd tussen de woorden "kunnen" en de woorden "worden ingevorderd";
3° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "door middel van een dagvaarding aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij deurwaardersexploot betekend binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel" vervangen door de woorden "hetzij door middel van een dagvaarding aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij deurwaardersexploot betekend, hetzij door middel van een verzoekschrift op tegenspraak, en dit binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel".
1° de eerste paragraaf wordt aangevuld met vier leden, luidende :
"Alvorens over te gaan tot gerechtelijke invordering of invordering via dwangbevel, verzendt de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid aan de schuldenaar een laatste ingebrekestelling met een boekhoudkundige verantwoording van de bedragen waarop de invordering betrekking heeft, bij aangetekend schrijven of door middel van een elektronische techniek zoals bedoeld in artikel 4/2 van de wet van 24 februari 2003 betreffende de modernisering van het beheer van de sociale zekerheid en betreffende de elektronische communicatie tussen ondernemingen en de federale overheid.
Deze ingebrekestelling moet, op straffe van nietigheid, vermelden dat de Rijksdienst, indien de schuldenaar niet overgaat tot betwisting van de verschuldigde bedragen en geen afbetalingstermijnen vraagt en verkrijgt, per aangetekende zending, binnen de maand te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de ingebrekestelling, kan overgaan tot de invordering van deze bedragen door middel van een dwangbevel.
De ingebrekestelling moet de mogelijkheden vermelden waarover de schuldenaar beschikt om de schuldvordering te betwisten alsook de nadere regels voor de betwisting. De ingebrekestelling moet eveneens de mogelijkheid vermelden om afbetalingstermijnen te vragen.
Het toestaan van afbetalingstermijnen door de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid schorst de uitvaardiging van een eventueel dwangbevel alsook de invordering via gerechtelijke weg, en dit in zoverre de toegekende afbetalingstermijnen strikt worden nageleefd.";
2° in de tweede paragraaf, eerste lid, worden de woorden ", indien zij niet het voorwerp uitmaken van betwisting," ingevoegd tussen de woorden "kunnen" en de woorden "worden ingevorderd";
3° in paragraaf 5, tweede lid, worden de woorden "door middel van een dagvaarding aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij deurwaardersexploot betekend binnen vijftien dagen te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel" vervangen door de woorden "hetzij door middel van een dagvaarding aan de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid bij deurwaardersexploot betekend, hetzij door middel van een verzoekschrift op tegenspraak, en dit binnen een termijn van één maand te rekenen vanaf de betekening van het dwangbevel".
Art.8. A l'article 40 de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, remplacé par la loi du 1er décembre 2016 et modifié par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est complété par quatre alinéas rédigés comme suit :
"Avant de procéder au recouvrement judiciaire ou au recouvrement par voie de contrainte, l' Office national de sécurité sociale envoie au débiteur une dernière mise en demeure reprenant une justification comptable des sommes sur lesquelles portera ledit recouvrement, par lettre recommandée ou au moyen d'une technique électronique visée à l'article 4/2 de la loi du 24 février 2003 concernant la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et concernant la communication électronique entre des entreprises et l'autorité fédérale.
Cette mise en demeure doit mentionner, à peine de nullité, qu'à défaut pour le débiteur de contester les sommes dues ou de solliciter et d'obtenir des termes et délais de paiement, par envoi recommandé, dans le mois à compter de la date de la notification de la mise en demeure, l'Office pourra procéder au recouvrement de ces sommes par la voie d'une contrainte.
La mise en demeure doit énoncer les possibilités dont dispose le débiteur pour contester la créance ainsi que les modalités de contestation. La mise en demeure doit également énoncer la possibilité de demander des termes et délais de paiement.
L'octroi de termes et délais par l'Office national de sécurité sociale suspend la délivrance d'une éventuelle contrainte ainsi que le recouvrement par voie judiciaire pour autant que les termes et délais octroyés soient strictement respectés.";
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", qui n'ont pas fait l'objet de contestation," sont insérés entre les mots "30ter" et les mots "peuvent être recouvrés";
3° au paragraphe 5, alinéa 2, les mots "au moyen d'une citation à l'Office national de sécurité sociale par exploit d'huissier dans les quinze jours à partir de la signification de la contrainte" sont remplacés par les mots "soit au moyen d'une citation à l'Office national de sécurité sociale par exploit d'huissier, soit au moyen d'une requête contradictoire et ce, dans un délai d'un mois à partir de la signification de la contrainte".
1° le paragraphe 1er est complété par quatre alinéas rédigés comme suit :
"Avant de procéder au recouvrement judiciaire ou au recouvrement par voie de contrainte, l' Office national de sécurité sociale envoie au débiteur une dernière mise en demeure reprenant une justification comptable des sommes sur lesquelles portera ledit recouvrement, par lettre recommandée ou au moyen d'une technique électronique visée à l'article 4/2 de la loi du 24 février 2003 concernant la modernisation de la gestion de la sécurité sociale et concernant la communication électronique entre des entreprises et l'autorité fédérale.
Cette mise en demeure doit mentionner, à peine de nullité, qu'à défaut pour le débiteur de contester les sommes dues ou de solliciter et d'obtenir des termes et délais de paiement, par envoi recommandé, dans le mois à compter de la date de la notification de la mise en demeure, l'Office pourra procéder au recouvrement de ces sommes par la voie d'une contrainte.
La mise en demeure doit énoncer les possibilités dont dispose le débiteur pour contester la créance ainsi que les modalités de contestation. La mise en demeure doit également énoncer la possibilité de demander des termes et délais de paiement.
L'octroi de termes et délais par l'Office national de sécurité sociale suspend la délivrance d'une éventuelle contrainte ainsi que le recouvrement par voie judiciaire pour autant que les termes et délais octroyés soient strictement respectés.";
2° au paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", qui n'ont pas fait l'objet de contestation," sont insérés entre les mots "30ter" et les mots "peuvent être recouvrés";
3° au paragraphe 5, alinéa 2, les mots "au moyen d'une citation à l'Office national de sécurité sociale par exploit d'huissier dans les quinze jours à partir de la signification de la contrainte" sont remplacés par les mots "soit au moyen d'une citation à l'Office national de sécurité sociale par exploit d'huissier, soit au moyen d'une requête contradictoire et ce, dans un délai d'un mois à partir de la signification de la contrainte".
Art.9. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art.9. Le présent chapitre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge.
TITEL 4. - Pensioenen
TITRE 4. - Pensions
HOOFDSTUK 1. - Aanpassing aan de welvaart van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden en het gewaarborgd minimumpensioen voor een onvolledige loopbaan in de werknemersregeling
CHAPITRE 1er. - Adaptation au bien-être du revenu garanti aux personnes âgées et de la pension minimum garantie pour une carrière incomplète dans le régime des travailleurs salariés
Afdeling 1. - Verhoging van het gewaarborgd inkomen voor bejaarden
Section 1re. - Augmentation du revenu garanti aux personnes âgées
Art.10. Artikel 18 van de wet van 22 maart 2001 tot instelling van een inkomensgarantie voor ouderen, vervangen bij de wet van 22 december 2008 en gewijzigd bij de wetten van 18 december 2015 en 21 juli 2017, wordt aangevuld met de paragrafen 5 en 6, luidende :
" § 5. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd de paragrafen 3 en 4, wordt het betaalde bedrag van het gewaarborgd inkomen met ingang van 1 juli 2019 vermenigvuldigd met 1,003.
§ 6. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd de paragrafen 3 tot 5, wordt het betaalde bedrag van het gewaarborgd inkomen met ingang van 1 januari 2020 vermenigvuldigd met 1,008973.".
" § 5. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd de paragrafen 3 en 4, wordt het betaalde bedrag van het gewaarborgd inkomen met ingang van 1 juli 2019 vermenigvuldigd met 1,003.
§ 6. In afwijking van de paragrafen 1 en 2 en onverminderd de paragrafen 3 tot 5, wordt het betaalde bedrag van het gewaarborgd inkomen met ingang van 1 januari 2020 vermenigvuldigd met 1,008973.".
Art.10. L'article 18 de la loi du 22 mars 2001 instituant la garantie de revenus aux personnes âgées, remplacé par la loi du 22 décembre 2008 et modifié par des lois du 18 décembre 2015 et du 21 juillet 2017, est complété par les paragraphes 5 et 6 rédigés comme suit :
" § 5. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et sans préjudice des paragraphes 3 et 4, le montant du revenu garanti payé est multiplié par 1,003 avec effet au 1er juillet 2019.
§ 6. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et sans préjudice des paragraphes 3 à 5, le montant du revenu garanti payé est multiplié par 1,008973 avec effet au 1er janvier 2020.".
" § 5. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et sans préjudice des paragraphes 3 et 4, le montant du revenu garanti payé est multiplié par 1,003 avec effet au 1er juillet 2019.
§ 6. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2 et sans préjudice des paragraphes 3 à 5, le montant du revenu garanti payé est multiplié par 1,008973 avec effet au 1er janvier 2020.".
Afdeling 2. -Verhoging van het gewaarborgd minimumpensioen voor een onvolledige loopbaan in de werknemersregeling
Section 2. - Augmentation de la pension minimum garantie pour une carrière incomplète dans le régime des travailleurs salariés
Art.11. In artikel 33 van de herstelwet van 10 februari 1981 inzake de pensioenen van de sociale sector, laatst gewijzigd bij de wet van 21 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid, worden de woorden "13 242,67 euro" en de woorden "10 597,48 euro" respectievelijk vervangen door de woorden "13 561,98 euro" en de woorden "10 853,01 euro";
2° het wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde bedragen verhogen.".
1° in het eerste lid, worden de woorden "13 242,67 euro" en de woorden "10 597,48 euro" respectievelijk vervangen door de woorden "13 561,98 euro" en de woorden "10 853,01 euro";
2° het wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde bedragen verhogen.".
Art.11. A l'article 33 de la loi de redressement du 10 février 1981 relative aux pensions du secteur social, modifié en dernier lieu par la loi du 21 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "13 242,67 euros" et les mots "10 597,48 euros" sont respectivement remplacés par les mots "13 561,98 euros" et les mots "10 853,01 euros";
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter les montants visés à l'alinéa 1er.".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "13 242,67 euros" et les mots "10 597,48 euros" sont respectivement remplacés par les mots "13 561,98 euros" et les mots "10 853,01 euros";
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter les montants visés à l'alinéa 1er.".
Art.12. In artikel 34 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de wet van 21 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "10 455,85 euro" vervangen door de woorden "10 707,96 euro";
2° het wordt aangevuld met een lid luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde bedragen verhogen.".
1° in het eerste lid worden de woorden "10 455,85 euro" vervangen door de woorden "10 707,96 euro";
2° het wordt aangevuld met een lid luidende :
"De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de in het eerste lid bedoelde bedragen verhogen.".
Art.12. A l'article 34 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 21 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots "10 455,85 euros" sont remplacés par les mots "10 707,96 euros";
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter les montants visés à l'alinéa 1er.".
1° dans l'alinéa 1er, les mots "10 455,85 euros" sont remplacés par les mots "10 707,96 euros";
2° il est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, augmenter les montants visés à l'alinéa 1er.".
Afdeling 3. - Inwerkingtreding
Section 3. - Entrée en vigueur
Art.13. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2019.
Art.13. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2019.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, voor wat betreft de welvaartsaanpassingen
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, en ce qui concerne les adaptations au bien-être
Art.14. In artikel 5, § 2, 1°, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001, worden de woorden "forfaitaire bedrijfsinkomsten van 8 133,63 EUR" vervangen door de woorden "forfaitaire bedrijfsinkomsten van 8 329,75 EUR".
Art.14. Dans l'article 5, § 2, 1°, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4°, de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 13 juillet 2001, les mots "un revenu professionnel forfaitaire de 8 133,63 EUR" sont remplacés par les mots "un revenu professionnel forfaitaire de 8 329,75 EUR".
Art.15. In artikel 6 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 april 2019 tot wijziging van diverse bepalingen inzake het pensioenstelsel van de zelfstandigen, wat de cumulatie van een gezinspensioen met een pensioen in hoofde van de andere echtgenoot betreft, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Met het oog op de berekening van het rustpensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan uitdrukt, bedoeld in artikel 4, § 1, in zes delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.";
2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd tussen de paragrafen 1 en 2, luidende :
" § 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2 van het koninklijk besluit nr. 72;
3° 0,691542.";
3° In paragraaf 2, eerste lid, die paragraaf 3, eerste lid, wordt, worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 1°" vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°";
4° In paragraaf 2bis, eerste lid, die paragraaf 4, eerste lid, wordt, worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°" vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°";
5° in paragraaf 3, eerste lid, die paragraaf 5, eerste lid, wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°" worden vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 4°";
2° in de bepaling onder 1° worden de woorden "bedoeld in § 2, 1°" vervangen door de woorden "bedoeld in § 3, 1°";
6° paragraaf 4, die paragraaf 6 wordt, wordt vervangen als volgt :
" § 6. Het gedeelte van het pensioen bedoeld in § 1, 5° en 6°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 5, 1° en 2°.";
7° paragraaf 5 wordt paragraaf 7;
8° paragraaf 6 wordt paragraaf 8.
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Met het oog op de berekening van het rustpensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan uitdrukt, bedoeld in artikel 4, § 1, in zes delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.";
2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd tussen de paragrafen 1 en 2, luidende :
" § 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze die is bedoeld in artikel 4, § 2. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 75 pct. of 60 pct., naargelang de betrokkene al dan niet beantwoordt aan de voorwaarden gesteld in artikel 9, § 1, 1°, of § 2 van het koninklijk besluit nr. 72;
3° 0,691542.";
3° In paragraaf 2, eerste lid, die paragraaf 3, eerste lid, wordt, worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 1°" vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°";
4° In paragraaf 2bis, eerste lid, die paragraaf 4, eerste lid, wordt, worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°" vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°";
5° in paragraaf 3, eerste lid, die paragraaf 5, eerste lid, wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°" worden vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 4°";
2° in de bepaling onder 1° worden de woorden "bedoeld in § 2, 1°" vervangen door de woorden "bedoeld in § 3, 1°";
6° paragraaf 4, die paragraaf 6 wordt, wordt vervangen als volgt :
" § 6. Het gedeelte van het pensioen bedoeld in § 1, 5° en 6°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 5, 1° en 2°.";
7° paragraaf 5 wordt paragraaf 7;
8° paragraaf 6 wordt paragraaf 8.
Art.15. A l'article 6 du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 26 avril 2019 modifiant diverses dispositions relatives au régime de pension des travailleurs indépendants, en ce qui concerne le cumul entre une pension au taux ménage et une pension dans le chef de l'autre conjoint, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. En vue du calcul de la pension de retraite, le numérateur de la fraction représentative de la carrière visée à l'article 4, § 1er, est scindé en six parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.";
2° il est inséré un nouveau paragraphe entre les paragraphes 1 et 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2 de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,691542.";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, qui devient le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 1°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 2°";
4° dans le paragraphe 2bis, alinéa 1er, qui devient le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 2°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 3°";
5° au paragraphe 3, alinéa 1er, qui devient le paragraphe 5, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "la carrière visée au § 1er, 3°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 4°";
2° au 1°, les mots "visée au § 2, 1°" sont remplacés par les mots "visée au § 3, 1°";
6° le paragraphe 4, qui devient le paragraphe 6, est remplacé par ce qui suit :
" § 6. La partie de la pension visée au § 1er, 5° et 6°, se calcule conformément aux dispositions du § 5, 1° et 2°.";
7° le paragraphe 5 devient le paragraphe 7;
8° le paragraphe 6 devient le paragraphe 8.
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. En vue du calcul de la pension de retraite, le numérateur de la fraction représentative de la carrière visée à l'article 4, § 1er, est scindé en six parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.";
2° il est inséré un nouveau paragraphe entre les paragraphes 1 et 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui qui est visé à l'article 4, § 2. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 75 p.c. ou 60 p.c., selon que l'intéressé répond ou non aux conditions fixées par l'article 9, § 1er, 1°, ou § 2 de l'arrêté royal n° 72;
3° 0,691542.";
3° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, qui devient le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 1°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 2°";
4° dans le paragraphe 2bis, alinéa 1er, qui devient le paragraphe 4, alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 2°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 3°";
5° au paragraphe 3, alinéa 1er, qui devient le paragraphe 5, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots "la carrière visée au § 1er, 3°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 4°";
2° au 1°, les mots "visée au § 2, 1°" sont remplacés par les mots "visée au § 3, 1°";
6° le paragraphe 4, qui devient le paragraphe 6, est remplacé par ce qui suit :
" § 6. La partie de la pension visée au § 1er, 5° et 6°, se calcule conformément aux dispositions du § 5, 1° et 2°.";
7° le paragraphe 5 devient le paragraphe 7;
8° le paragraphe 6 devient le paragraphe 8.
Art.16. In artikel 9 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Met het oog op de berekening van het overlevingspensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7, § 1, in zes delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.";
2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd tussen de paragrafen 1 en 2, luidende :
" § 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.";
3° in paragraaf 2, die paragraaf 3 wordt, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 1°" vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2, tweede tot vierde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 3, tweede tot vierde lid".";
4° in paragraaf 2bis, die paragraaf 4 wordt, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2bis, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 4, tweede en derde lid".";
5° paragraaf 3, die paragraaf 5 wordt, wordt vervangen als volgt :
" § 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° dezelfde breuk als die bedoeld in § 3, 1°;
2° 60 pct.;
3° de breuk bedoeld in artikel 6, § 5, 3°.";
6° paragraaf 4, die paragraaf 6 wordt, wordt vervangen als volgt :
" § 6. Het gedeelte van het pensioen bedoeld in § 1, 5° en 6°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 5, 1° en 2°.";
7° paragraaf vijf wordt paragraaf 7.
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Met het oog op de berekening van het overlevingspensioen wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7, § 1, in zes delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.";
2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd tussen de paragrafen 1 en 2, luidende :
" § 2. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.";
3° in paragraaf 2, die paragraaf 3 wordt, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 1°" vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2, tweede tot vierde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 3, tweede tot vierde lid".";
4° in paragraaf 2bis, die paragraaf 4 wordt, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2bis, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 4, tweede en derde lid".";
5° paragraaf 3, die paragraaf 5 wordt, wordt vervangen als volgt :
" § 5. Per kalenderjaar wordt het pensioen dat overeenstemt met de loopbaan van de overleden echtgenoot bedoeld in § 1, 4°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° dezelfde breuk als die bedoeld in § 3, 1°;
2° 60 pct.;
3° de breuk bedoeld in artikel 6, § 5, 3°.";
6° paragraaf 4, die paragraaf 6 wordt, wordt vervangen als volgt :
" § 6. Het gedeelte van het pensioen bedoeld in § 1, 5° en 6°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 5, 1° en 2°.";
7° paragraaf vijf wordt paragraaf 7.
Art.16. A l'article 9 du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 5 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. En vue du calcul de la pension de survie, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé, visée à l'article 7, § 1er, est scindé en six parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
6 ° une sixième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.";
2° il est inséré un nouveau paragraphe entre les paragraphes 1er et 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui de la fraction visée à l'article 7, § 2 ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.";
3° dans le paragraphe 2, qui devient le paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 1°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 2°";
2° à l'alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2, alinéas 2 à 4" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 3, alinéas 2 à 4".";
4° dans le paragraphe 2bis, qui devient le paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 2°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 3°";
2° à l'alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2bis, alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3".";
5° le paragraphe 3, qui devient le paragraphe 5, est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° la même fraction que celle visée au § 3, 1°;
2° 60 p.c.;
3° la fraction visée à l'article 6, § 5, 3°.";
6° le paragraphe 4, qui devient le paragraphe 6, est remplacé par ce qui suit :
" § 6. La partie de la pension visée au § 1er, 5° et 6°, se calcule conformément aux dispositions du § 5, 1° et 2°.";
7° le paragraphe 5 devient le paragraphe 7.
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. En vue du calcul de la pension de survie, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé, visée à l'article 7, § 1er, est scindé en six parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
6 ° une sixième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.";
2° il est inséré un nouveau paragraphe entre les paragraphes 1er et 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui de la fraction visée à l'article 7, § 2 ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.";
3° dans le paragraphe 2, qui devient le paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 1°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 2°";
2° à l'alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2, alinéas 2 à 4" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 3, alinéas 2 à 4".";
4° dans le paragraphe 2bis, qui devient le paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 2°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 3°";
2° à l'alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2bis, alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3".";
5° le paragraphe 3, qui devient le paragraphe 5, est remplacé par ce qui suit :
" § 5. Par année civile, la pension qui correspond à la carrière du conjoint décédé visée au § 1er, 4°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° la même fraction que celle visée au § 3, 1°;
2° 60 p.c.;
3° la fraction visée à l'article 6, § 5, 3°.";
6° le paragraphe 4, qui devient le paragraphe 6, est remplacé par ce qui suit :
" § 6. La partie de la pension visée au § 1er, 5° et 6°, se calcule conformément aux dispositions du § 5, 1° et 2°.";
7° le paragraphe 5 devient le paragraphe 7.
Art.17. In artikel 9bis van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 5 december 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Met het oog op de berekening van de overgangsuitkering wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7bis, § 1, in zes delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.";
2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd tussen de paragrafen 1 en 2, luidende :
" § 2. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.";
3° in paragraaf 2, die paragraaf 3 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 1°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 3, tweede en derde lid".";
4° in paragraaf 3, die paragraaf 4 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2bis, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 4, tweede en derde lid".";
5° in paragraaf 4, die paragraaf 5 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 4°";
2° in punt 3° worden de woorden "de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, vervangen door de woorden "de breuk bedoeld in artikel 6, § 5, 3°.";
6° paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt vervangen als volgt :
"Het gedeelte van de overgangsuitkering bedoeld in § 1, 5° en 6°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 5, 1° en 2°.";
7° in paragraaf 6, die paragraaf 7 wordt, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, § 7.";
8° in paragraaf 7, die paragraaf 8 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 en vervangen bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden "bedrag van 9 648,47 euro" vervangen door de woorden "bedrag van 9 648,57 euro";
2° in het derde lid, ingevoegd bij de wet van 30 maart 2018, worden de woorden "het bedoelde bedrag van 9 648,47 euro" vervangen door de woorden "het bedoelde bedrag van 9 648,57 euro";
9° paragraaf 8 wordt paragraaf 9.
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. Met het oog op de berekening van de overgangsuitkering wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7bis, § 1, in zes delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2018 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 en vóór 1 januari 2019 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° een vierde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
5° een vijfde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen vóór 1 januari 1984 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
6° een zesde deel dat de in toepassing van artikel 33 van het bovenvermelde koninklijk besluit van 22 december 1967 gelijkgestelde periodes uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25.";
2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd tussen de paragrafen 1 en 2, luidende :
" § 2. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met:
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is van de breuk bedoeld in artikel 7, § 2, of § 3. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,691542.";
3° in paragraaf 2, die paragraaf 3 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 1°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 3, tweede en derde lid".";
4° in paragraaf 3, die paragraaf 4 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 2°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°";
2° in het tweede lid worden de woorden "in artikel 6, § 2bis, tweede en derde lid" vervangen door de woorden "in artikel 6, § 4, tweede en derde lid".";
5° in paragraaf 4, die paragraaf 5 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de eerste zin worden de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 3°," vervangen door de woorden "de loopbaan bedoeld in § 1, 4°";
2° in punt 3° worden de woorden "de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°, vervangen door de woorden "de breuk bedoeld in artikel 6, § 5, 3°.";
6° paragraaf 5, die paragraaf 6 wordt, wordt vervangen als volgt :
"Het gedeelte van de overgangsuitkering bedoeld in § 1, 5° en 6°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 5, 1° en 2°.";
7° in paragraaf 6, die paragraaf 7 wordt, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
"De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, § 7.";
8° in paragraaf 7, die paragraaf 8 wordt, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 25 april 2014 en vervangen bij de wet van 10 augustus 2015, worden de woorden "bedrag van 9 648,47 euro" vervangen door de woorden "bedrag van 9 648,57 euro";
2° in het derde lid, ingevoegd bij de wet van 30 maart 2018, worden de woorden "het bedoelde bedrag van 9 648,47 euro" vervangen door de woorden "het bedoelde bedrag van 9 648,57 euro";
9° paragraaf 8 wordt paragraaf 9.
Art.17. A l'article 9bis du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 5 décembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. En vue du calcul de l'allocation de transition, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé visée à l'article 7bis, § 1er, est scindé en six parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.";
2° il est inséré un nouveau paragraphe entre les paragraphes 1er et 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui de la fraction visée à l'article 7, § 2 ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.";
3° dans le paragraphe 2, qui devient le paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 1°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 2°";
2° à l' alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2, alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 3, alinéas 2 et 3".";
4° dans le paragraphe 3, qui devient le paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 2°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 3°";
2° à l'alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2bis, alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3".";
5° au paragraphe 4, qui devient le paragraphe 5, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase liminaire, les mots "la carrière visée au § 1er, 3°"sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 4°";
2° au point 3°, les mots "la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°" sont remplacés par les mots "la fraction visée à l'article 6, § 5, 3°.";
6° le paragraphe 5, qui devient le paragraphe 6, est remplacé par ce qui suit :
"La partie de l'allocation de transition visée au § 1er, 5° et 6°, se calcule conformément aux dispositions du § 5, 1° et 2°.";
7° au paragraphe 6, qui devient le paragraphe 7, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"L'élimination des jours excédentaires s'effectue conformément à l'article 9, § 7.";
8° au le paragraphe 7, qui devient le paragraphe 8, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, inséré par la loi du 25 avril 2014 et remplacé par la loi du 10 août 2015, dans le texte néerlandais, les mots "bedrag van 9 648,47 euro" sont remplacés par les mots "bedrag van 9 648,57 euro".
2° dans l'alinéa 3, inséré par la loi du 30 mars 2018, dans le texte néerlandais, les mots "het bedoelde bedrag van 9 648,47 euro" sont remplacés par les mots "het bedoelde bedrag van 9 648,57 euro";
9° le paragraphe 8 devient le paragraphe 9.
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. En vue du calcul de l'allocation de transition, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé visée à l'article 7bis, § 1er, est scindé en six parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2018, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002 et avant le 1er janvier 2019, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
4° une quatrième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
5° une cinquième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés avant le 1er janvier 1984, tout trimestre valant 0,25;
6° une sixième partie qui représente les périodes assimilées en application de l'article 33 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 précité, tout trimestre valant 0,25.";
2° il est inséré un nouveau paragraphe entre les paragraphes 1er et 2, rédigé comme suit :
" § 2. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par:
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui de la fraction visée à l'article 7, § 2 ou § 3. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,691542.";
3° dans le paragraphe 2, qui devient le paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 1°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 2°";
2° à l' alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2, alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 3, alinéas 2 et 3".";
4° dans le paragraphe 3, qui devient le paragraphe 4, les modifications suivantes sont apportées :
1° à l'alinéa 1er, les mots "la carrière visée au § 1er, 2°" sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 3°";
2° à l'alinéa 2, les mots "l'article 6, § 2bis, alinéas 2 et 3" sont remplacés par les mots "l'article 6, § 4, alinéas 2 et 3".";
5° au paragraphe 4, qui devient le paragraphe 5, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans la phrase liminaire, les mots "la carrière visée au § 1er, 3°"sont remplacés par les mots "la carrière visée au § 1er, 4°";
2° au point 3°, les mots "la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°" sont remplacés par les mots "la fraction visée à l'article 6, § 5, 3°.";
6° le paragraphe 5, qui devient le paragraphe 6, est remplacé par ce qui suit :
"La partie de l'allocation de transition visée au § 1er, 5° et 6°, se calcule conformément aux dispositions du § 5, 1° et 2°.";
7° au paragraphe 6, qui devient le paragraphe 7, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"L'élimination des jours excédentaires s'effectue conformément à l'article 9, § 7.";
8° au le paragraphe 7, qui devient le paragraphe 8, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 2, inséré par la loi du 25 avril 2014 et remplacé par la loi du 10 août 2015, dans le texte néerlandais, les mots "bedrag van 9 648,47 euro" sont remplacés par les mots "bedrag van 9 648,57 euro".
2° dans l'alinéa 3, inséré par la loi du 30 mars 2018, dans le texte néerlandais, les mots "het bedoelde bedrag van 9 648,47 euro" sont remplacés par les mots "het bedoelde bedrag van 9 648,57 euro";
9° le paragraphe 8 devient le paragraphe 9.
Art.18. Artikel 10 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 december 2003, wordt vervangen als volgt :
"Art. 10. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de eerste coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° en in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° aanpassen in functie van de evolutie van de uitgaven voor de pensioenuitkeringen, met uitzondering van de uitgaven voor de pensioenbijslag bedoeld in artikel 14, in de totaliteit van de uitgaven in het sociaal statuut der zelfstandigen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de tweede coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° en in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° aanpassen in functie van de aanpassingen van de bedragen bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°en in artikel 5, § 2, tweede lid.
De in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen mogen evenwel geen weerslag hebben op de pensioenberekening voor loopbaanjaren die gelegen zijn vóór het jaar waarin deze aanpassingen gebeuren.
§ 2. De Koning kan, om de twee jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° en in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° verhogen door toepassing van een verhogingscoëfficiënt die gelijk dient te zijn aan de verhogingscoëfficiënt vastgesteld in uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.".
"Art. 10. § 1. De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de eerste coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° en in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° aanpassen in functie van de evolutie van de uitgaven voor de pensioenuitkeringen, met uitzondering van de uitgaven voor de pensioenbijslag bedoeld in artikel 14, in de totaliteit van de uitgaven in het sociaal statuut der zelfstandigen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de tweede coëfficiënt bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° en in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° aanpassen in functie van de aanpassingen van de bedragen bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°en in artikel 5, § 2, tweede lid.
De in de voorgaande leden bedoelde aanpassingen mogen evenwel geen weerslag hebben op de pensioenberekening voor loopbaanjaren die gelegen zijn vóór het jaar waarin deze aanpassingen gebeuren.
§ 2. De Koning kan, om de twee jaar, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het bedrag bedoeld in artikel 6, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3°, in artikel 9, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° en in artikel 9bis, § 3, eerste lid, 3° en § 4, eerste lid, 3° verhogen door toepassing van een verhogingscoëfficiënt die gelijk dient te zijn aan de verhogingscoëfficiënt vastgesteld in uitvoering van artikel 7 van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers.".
Art.18. L'article 10 du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2003, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 10. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le premier coefficient visé à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, en fonction de l'évolution des dépenses pour les prestations de pension, à l'exception des dépenses pour le supplément de pension visé à l'article 14, dans la totalité des dépenses dans le statut social des indépendants.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le deuxième coefficient visé à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, en fonction des adaptations des montants visés à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 5, § 2, alinéa 2.
Les adaptations visées aux alinéas précédents ne peuvent toutefois pas avoir un effet sur le calcul de la pension pour des années de carrière qui sont situées avant l'année au cours de laquelle ces adaptations ont lieu.
§ 2. Le Roi peut revaloriser tous les deux ans, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant visé à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° en appliquant un coefficient de revalorisation qui doit être égal au coefficient de revalorisation déterminé en exécution de l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.".
"Art. 10. § 1er. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le premier coefficient visé à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, en fonction de l'évolution des dépenses pour les prestations de pension, à l'exception des dépenses pour le supplément de pension visé à l'article 14, dans la totalité des dépenses dans le statut social des indépendants.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, adapter le deuxième coefficient visé à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, en fonction des adaptations des montants visés à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 5, § 2, alinéa 2.
Les adaptations visées aux alinéas précédents ne peuvent toutefois pas avoir un effet sur le calcul de la pension pour des années de carrière qui sont situées avant l'année au cours de laquelle ces adaptations ont lieu.
§ 2. Le Roi peut revaloriser tous les deux ans, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le montant visé à l'article 6, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3°, à l'article 9, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° et à l'article 9bis, § 3, alinéa 1er, 3° et § 4, alinéa 1er, 3° en appliquant un coefficient de revalorisation qui doit être égal au coefficient de revalorisation déterminé en exécution de l'article 7 de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés.".
Art.19. Met uitzondering van artikel 14 dat van toepassing is op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 juli 2019 en van artikel 17, 8°, dat van toepassing is op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 januari 2015 is dit hoofdstuk van toepassing op de pensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan vanaf 1 januari 2020.
Art.19. A l'exception de l'article 14 qui est d'application aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois à partir du 1er juillet 2019 et de l'article 17, 8°, qui est d'application aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la 1ère fois à partir du 1er janvier 2015, le présent chapitre est d'application aux pensions qui prennent cours effectivement et pour la première fois à partir du 1er janvier 2020.
Art.20. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 januari 2020, met uitzondering van artikel 14, dat in werking treedt op 1 juli 2019, en van artikel 17, 8°, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2015.
Art.20. Le présent chapitre entre en vigueur au 1er janvier 2020, à l'exception de l'article 14 qui entre en vigueur au 1er juillet 2019, et de l'article 17, 8°, qui produit ses effets le 1er janvier 2015.
TITEL 5. - Federale gezondheidszorgen
TITRE 5. - Secteurs fédéraux de la Santé
Art. 21. In artikel 55 van de programmawet van 20 juli 2006, laatst gewijzigd bij de wet van 21 december 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het negende lid worden de woorden "ln 2018" vervangen door de woorden "Vanaf 2018";
2° het volgende lid wordt ingevoegd tussen het tiende en het elfde lid :
"In 2019 wordt een bedrag van 4 646 336 euro en een bedrag van 13 792 390 euro van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering overgedragen naar het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren, ten gunste van de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector. Het bedrag van 13. 792 390 euro valt ten laste van de begroting 2018 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.";
3° in het vroegere elfde lid, dat het twaalfde lid wordt, worden de woorden "Een bedrag van 12 000 000 euro wordt" vervangen door de woorden "Vanaf 2019 wordt een bedrag van 12 000 000 euro";
4° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Op een door de Koning te bepalen tijdstip en meer bepaald na oprichting van het pensioenfonds voor de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector, worden de in uitvoering van de vorige leden gedane stortingen ten behoeve van de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector door het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren overgedragen aan dit nog op te richten pensioenfonds.
Op dat ogenblik zullen alle in de vorige leden voorziene stortingen ten behoeve van de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector niet langer aan het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren maar wel aan dit nieuw op te richten fonds voor de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector gebeuren.
Een overeenkomst opgesteld tussen de Federale Staat en het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren zal de modaliteiten organiseren van de overhevelingen bedoeld in de vorige leden met betrekking tot de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst met een werkgever van de publieke sector.".
1° in het negende lid worden de woorden "ln 2018" vervangen door de woorden "Vanaf 2018";
2° het volgende lid wordt ingevoegd tussen het tiende en het elfde lid :
"In 2019 wordt een bedrag van 4 646 336 euro en een bedrag van 13 792 390 euro van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering overgedragen naar het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren, ten gunste van de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector. Het bedrag van 13. 792 390 euro valt ten laste van de begroting 2018 van het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering.";
3° in het vroegere elfde lid, dat het twaalfde lid wordt, worden de woorden "Een bedrag van 12 000 000 euro wordt" vervangen door de woorden "Vanaf 2019 wordt een bedrag van 12 000 000 euro";
4° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"Op een door de Koning te bepalen tijdstip en meer bepaald na oprichting van het pensioenfonds voor de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector, worden de in uitvoering van de vorige leden gedane stortingen ten behoeve van de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector door het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren overgedragen aan dit nog op te richten pensioenfonds.
Op dat ogenblik zullen alle in de vorige leden voorziene stortingen ten behoeve van de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector niet langer aan het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren maar wel aan dit nieuw op te richten fonds voor de werknemers met een arbeidsovereenkomst bij een werkgever van de publieke sector gebeuren.
Een overeenkomst opgesteld tussen de Federale Staat en het Sectoraal Spaarfonds van de federale sectoren zal de modaliteiten organiseren van de overhevelingen bedoeld in de vorige leden met betrekking tot de werknemers verbonden door een arbeidsovereenkomst met een werkgever van de publieke sector.".
Art. 21. A l'article 55 de la loi-programme du 20 juillet 2006, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 9, les mots "En 2018" sont remplacés par les mots "A partir de 2018";
2° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 10 et 11 :
"En 2019, un montant de 4 646 336 euros et un montant de 13 792 390 euros sont transférés de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité vers le Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux, en faveur des travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public. Le montant de 13 792 390 euros est à charge du budget 2018 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.";
3° dans l'alinéa 11 ancien, devenant l'alinéa 12, les mots "Un montant de 12 000 000 euros" sont remplacés par les mots "A partir de 2019, un montant de 12 000 000 euros";
4° l'article est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"A une date à déterminer par le Roi, et notamment après la création du fonds de pensions pour les travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public, les versements effectués en exécution des alinéas précédents en faveur des travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public par le Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux sont transférés à ce fonds de pension à créer.
A cette date, tous les versements prévus dans les alinéas précédents en faveur des travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public ne seront plus effectuées au Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux mais à ce nouveau fonds à créer pour les travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public.
Une convention établie entre l'Etat fédéral et le Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux organisera les modalités de chacun des transferts vises aux alinéas précédents relatifs aux travailleurs salariés liés par un contrat de travail auprès d'un employeur du secteur public.".
1° dans l'alinéa 9, les mots "En 2018" sont remplacés par les mots "A partir de 2018";
2° l'alinéa suivant est inséré entre les alinéas 10 et 11 :
"En 2019, un montant de 4 646 336 euros et un montant de 13 792 390 euros sont transférés de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité vers le Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux, en faveur des travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public. Le montant de 13 792 390 euros est à charge du budget 2018 de l'Institut national d'assurance maladie-invalidité.";
3° dans l'alinéa 11 ancien, devenant l'alinéa 12, les mots "Un montant de 12 000 000 euros" sont remplacés par les mots "A partir de 2019, un montant de 12 000 000 euros";
4° l'article est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
"A une date à déterminer par le Roi, et notamment après la création du fonds de pensions pour les travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public, les versements effectués en exécution des alinéas précédents en faveur des travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public par le Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux sont transférés à ce fonds de pension à créer.
A cette date, tous les versements prévus dans les alinéas précédents en faveur des travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public ne seront plus effectuées au Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux mais à ce nouveau fonds à créer pour les travailleurs avec un contrat de travail chez un employeur du secteur public.
Une convention établie entre l'Etat fédéral et le Fonds d'épargne sectoriel des secteurs fédéraux organisera les modalités de chacun des transferts vises aux alinéas précédents relatifs aux travailleurs salariés liés par un contrat de travail auprès d'un employeur du secteur public.".