Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
5 MEI 2019. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wat bepaalde categorieën van werknemers betreft
Titre
5 MAI 2019. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers en ce qui concerne certaines catégories de travailleurs
Informations sur le document
Numac: 2019013566
Datum: 2019-05-05
Info du document
Numac: 2019013566
Date: 2019-05-05
Table des matières
Tekst (43)
Texte (43)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
Art.2. Deze wet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van :
1° richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan;
2° richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven;
3° richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
1° richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan;
2° richtlijn 2011/98/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende één enkele aanvraagprocedure voor een gecombineerde vergunning voor onderdanen van derde landen om te verblijven en te werken op het grondgebied van een lidstaat, alsmede inzake een gemeenschappelijk pakket rechten voor werknemers uit derde landen die legaal in een lidstaat verblijven;
3° richtlijn 2014/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op tewerkstelling als seizoenarbeider.
Art.2. La présente loi transpose partiellement :
1° la directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié;
2° la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis unique autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers qui résident légalement dans un Etat membre;
3° la directive 2014/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi en tant que travailleur saisonnier.
1° la directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi hautement qualifié;
2° la directive 2011/98/UE du Parlement européen et du Conseil du 13 décembre 2011 établissant une procédure de demande unique en vue de la délivrance d'un permis unique autorisant les ressortissants de pays tiers à résider et à travailler sur le territoire d'un Etat membre et établissant un socle commun de droits pour les travailleurs issus de pays tiers qui résident légalement dans un Etat membre;
3° la directive 2014/36/UE du Parlement européen et du Conseil du 26 février 2014 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fins d'un emploi en tant que travailleur saisonnier.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art.3. In artikel 1, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 november 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 15° wordt opgeheven;
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepalingen onder 21° tot 26°, luidende :
"21° "luchthaventransitvisum" : het visum dat krachtens de Visumcode vereist is voor een transit door de internationale transitzone van de luchthavens op het grondgebied en dat overeenkomstig de genoemde Code afgegeven wordt;
22° "visum kort verblijf" : het visum dat, krachtens de verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, vereist is om gedurende een maximale duur van negentig dagen op het grondgebied door te reizen of erop te verblijven en dat overeenkomstig de Visumcode afgegeven wordt;
23° "visum lang verblijf" : het visum dat overeenkomstig artikel 18 van de Schengenovereenkomst vereist is om meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven en dat zijn houder in staat stelt om aan te tonen dat hij gemachtigd of toegelaten werd om, in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven;
24° "Visumcode" : de verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode);
25° "Schengengrenscode" : verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);
26° "Schengenovereenkomst" : overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.".
1° de bepaling onder 15° wordt opgeheven;
2° paragraaf 1 wordt aangevuld met de bepalingen onder 21° tot 26°, luidende :
"21° "luchthaventransitvisum" : het visum dat krachtens de Visumcode vereist is voor een transit door de internationale transitzone van de luchthavens op het grondgebied en dat overeenkomstig de genoemde Code afgegeven wordt;
22° "visum kort verblijf" : het visum dat, krachtens de verordening (EU) 2018/1806 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld, vereist is om gedurende een maximale duur van negentig dagen op het grondgebied door te reizen of erop te verblijven en dat overeenkomstig de Visumcode afgegeven wordt;
23° "visum lang verblijf" : het visum dat overeenkomstig artikel 18 van de Schengenovereenkomst vereist is om meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven en dat zijn houder in staat stelt om aan te tonen dat hij gemachtigd of toegelaten werd om, in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven;
24° "Visumcode" : de verordening (EG) nr. 810/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot vaststelling van een gemeenschappelijke visumcode (Visumcode);
25° "Schengengrenscode" : verordening (EU) 2016/399 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende een Uniecode voor de overschrijding van de grenzen door personen (Schengengrenscode);
26° "Schengenovereenkomst" : overeenkomst ter uitvoering van het tussen de regeringen van de staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.".
Art.3. A l'article 1er, § 1er, de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, modifié en dernier lieu par la loi du 21 novembre 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 15° est abrogé;
2° le paragraphe 1er est complété par les 21° à 26°, rédigés comme suit :
"21° "visa de transit aéroportuaire" : le visa qui est requis en vertu du Code des visa pour passer par la zone internationale de transit des aéroports situés sur le territoire et qui est délivré conformément audit Code;
22° "visa de court séjour" : le visa qui est requis pour transiter ou pour séjourner sur le territoire pendant une durée maximale de nonante jours, en vertu du règlement (UE) 2018/1806 du Parlement européen et du Conseil du 14 novembre 2018 fixant la liste des pays tiers dont les ressortissants sont soumis à l'obligation de visa pour franchir les frontières extérieures des Etats membres et la liste de ceux dont les ressortissants sont exemptés de cette obligation, et qui est délivré conformément au Code des visas ;
23° "visa de long séjour" : le visa qui, conformément à l'article 18, de la Convention de Schengen, est requis pour séjourner plus de nonante jours sur le territoire et qui permet à son titulaire d'attester qu'il a été autorisé ou admis à séjourner plus de nonante jours sur le territoire, conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables ;
24° "Code des visas" : le règlement (CE) n° 810/2009 du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 établissant un code communautaire des visas (code des visas);
25° "Code frontières Schengen" : règlement (UE) 2016/399 du parlement européen et du conseil du 9 mars 2016 concernant un code de l'Union relatif au régime de franchissement des frontières par les personnes (code frontières Schengen);
26° "Convention de Schengen" : la convention d'application de l'accord de Schengen du 14 juin 1985 entre les gouvernements des Etats de l'Union économique Benelux, de la République fédérale d'Allemagne et de la République française relatif à la suppression graduelle des contrôles aux frontières communes.".
1° le 15° est abrogé;
2° le paragraphe 1er est complété par les 21° à 26°, rédigés comme suit :
"21° "visa de transit aéroportuaire" : le visa qui est requis en vertu du Code des visa pour passer par la zone internationale de transit des aéroports situés sur le territoire et qui est délivré conformément audit Code;
22° "visa de court séjour" : le visa qui est requis pour transiter ou pour séjourner sur le territoire pendant une durée maximale de nonante jours, en vertu du règlement (UE) 2018/1806 du Parlement européen et du Conseil du 14 novembre 2018 fixant la liste des pays tiers dont les ressortissants sont soumis à l'obligation de visa pour franchir les frontières extérieures des Etats membres et la liste de ceux dont les ressortissants sont exemptés de cette obligation, et qui est délivré conformément au Code des visas ;
23° "visa de long séjour" : le visa qui, conformément à l'article 18, de la Convention de Schengen, est requis pour séjourner plus de nonante jours sur le territoire et qui permet à son titulaire d'attester qu'il a été autorisé ou admis à séjourner plus de nonante jours sur le territoire, conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables ;
24° "Code des visas" : le règlement (CE) n° 810/2009 du Parlement européen et du Conseil du 13 juillet 2009 établissant un code communautaire des visas (code des visas);
25° "Code frontières Schengen" : règlement (UE) 2016/399 du parlement européen et du conseil du 9 mars 2016 concernant un code de l'Union relatif au régime de franchissement des frontières par les personnes (code frontières Schengen);
26° "Convention de Schengen" : la convention d'application de l'accord de Schengen du 14 juin 1985 entre les gouvernements des Etats de l'Union économique Benelux, de la République fédérale d'Allemagne et de la République française relatif à la suppression graduelle des contrôles aux frontières communes.".
Art.4. In artikel 1/1, § 2, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 19 december 2014 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 22 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt :
"10° artikel 61/26";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 12°, luidende :
"12° artikel 61/29-4.".
1° de bepaling onder 10° wordt vervangen als volgt :
"10° artikel 61/26";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een bepaling onder 12°, luidende :
"12° artikel 61/29-4.".
Art.4. A l'article 1er/1, § 2, de la même loi, inséré par la loi du 19 décembre 2014 et modifié en dernier lieu par la loi du 22 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° le 10° est remplacé par ce qui suit :
"10° l'article 61/26";
2° le paragraphe 2 est complété par un 12°, rédigé comme suit :
"12° l'article 61/29-4.".
1° le 10° est remplacé par ce qui suit :
"10° l'article 61/26";
2° le paragraphe 2 est complété par un 12°, rédigé comme suit :
"12° l'article 61/29-4.".
Art.5. Artikel 1/2, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 18 december 2016, wordt aangevuld met de bepalingen onder 10°, 11° en 12°, luidende :
"10° artikel 61/26;
11° artikel 61/29-4;
12° artikel 10bis, § 4.".
"10° artikel 61/26;
11° artikel 61/29-4;
12° artikel 10bis, § 4.".
Art.5. L'article 1er/2, § 1er, alinéa 2, de la même loi, inséré par la loi du 18 décembre 2016, est complété par les 10°, 11° et 12°, rédigés comme suit :
"10° l'article 61/26;
11° l'article 61/29-4;
12° l'article 10bis, § 4.".
"10° l'article 61/26;
11° l'article 61/29-4;
12° l'article 10bis, § 4.".
Art.6. In hoofdstuk II van titel I van dezelfde wet, wordt een artikel 2/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 2/1. Er zijn verschillende soorten visa, met name in functie van het doel van de beoogde reis en de beoogde duur van het verblijf.
Visa kort verblijf en luchthaventransitvisa worden overeenkomstig de Visumcode afgegeven.
Visa lang verblijf worden afgegeven wanneer de vereiste machtiging tot verblijf of de toelating tot verblijf voor een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, werd toegekend.
Onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels met betrekking tot de afgifte van visa, met inbegrip van de regels met betrekking tot hun opheffing en nietigverklaring, preciseren.".
"Art. 2/1. Er zijn verschillende soorten visa, met name in functie van het doel van de beoogde reis en de beoogde duur van het verblijf.
Visa kort verblijf en luchthaventransitvisa worden overeenkomstig de Visumcode afgegeven.
Visa lang verblijf worden afgegeven wanneer de vereiste machtiging tot verblijf of de toelating tot verblijf voor een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, werd toegekend.
Onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de regels met betrekking tot de afgifte van visa, met inbegrip van de regels met betrekking tot hun opheffing en nietigverklaring, preciseren.".
Art.6. Dans le chapitre II du titre Ier de la même loi, il est inséré un article 2/1, rédigé comme suit :
"Art. 2/1. Il existe différents types de visas en fonction notamment de l'objet du voyage envisagé et de la durée envisagée du séjour.
Des visas de court séjour et des visas de transit aéroportuaire sont délivrés conformément au Code des visas.
Des visas de long séjour sont délivrés lorsque l'autorisation de séjour requise ou l'admission au séjour requise pour un séjour de plus de nonante jours sur le territoire a été accordée, conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables.
Sans préjudice des dispositions pertinentes de l'acquis de Schengen, le Roi peut préciser, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles relatives à la délivrance des visas, en ce compris celles relatives à leur abrogation et à leur annulation.".
"Art. 2/1. Il existe différents types de visas en fonction notamment de l'objet du voyage envisagé et de la durée envisagée du séjour.
Des visas de court séjour et des visas de transit aéroportuaire sont délivrés conformément au Code des visas.
Des visas de long séjour sont délivrés lorsque l'autorisation de séjour requise ou l'admission au séjour requise pour un séjour de plus de nonante jours sur le territoire a été accordée, conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables.
Sans préjudice des dispositions pertinentes de l'acquis de Schengen, le Roi peut préciser, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les règles relatives à la délivrance des visas, en ce compris celles relatives à leur abrogation et à leur annulation.".
Art.7. In hoofdstuk II van titel I van dezelfde wet, wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidende :
"Art. 8ter. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot de grensoverschrijdingen en het kort verblijf, in het bijzonder de Schengengrenscode, de Visumcode en de Schengenovereenkomst, van toepassing.".
"Art. 8ter. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn onverminderd de relevante bepalingen van het Schengenacquis met betrekking tot de grensoverschrijdingen en het kort verblijf, in het bijzonder de Schengengrenscode, de Visumcode en de Schengenovereenkomst, van toepassing.".
Art.7. Dans le chapitre II du titre Ier de la même loi, il est inséré un article 8ter, rédigé comme suit :
"Art. 8ter. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de l'acquis de Schengen relatives aux franchissements des frontières et au court séjour, en particulier le Code frontières Schengen, le Code des visas et la Convention de Schengen.".
"Art. 8ter. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de l'acquis de Schengen relatives aux franchissements des frontières et au court séjour, en particulier le Code frontières Schengen, le Code des visas et la Convention de Schengen.".
Art.8. In artikel 10bis, § 4, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 mei 2016, worden de woorden "artikel 61/27" vervangen door de woorden "artikel 61/27-4".
Art.8. Dans l'article 10bis, § 4, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par loi du 8 juillet 2011 et modifié en dernier lieu par la loi du 4 mai 2016, les mots "article 61/27" sont remplacés par les mots "article 61/27-4".
Art.9. In artikel 61/25-1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 juli 2018, worden de woorden "met uitzondering van de onderdanen van derde landen bedoeld in hoofdstuk VIII van titel II." vervangen door de woorden "met uitzondering van de onderdanen van derde landen die onderworpen zijn aan de bepalingen van hoofdstuk VIII en van hoofdstuk VIIIbis.".
Art.9. Dans l'article 61/25-1, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 22 juillet 2018, les mots "à l'exception des ressortissants de pays tiers visés par le chapitre VIII du titre II." sont remplacés par les mots "à l'exception des ressortissants de pays tiers qui sont soumis aux dispositions du chapitre VIII et du chapitre VIIIbis.".
Art.10. In artikel 61/25-5, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 22 juli 2018, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de bepaling onder 1° de woorden "artikel 3, 5° tot 10° " worden vervangen door de woorden "artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ";
2° de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
"4° hij voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid.".
1° in de bepaling onder 1° de woorden "artikel 3, 5° tot 10° " worden vervangen door de woorden "artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ";
2° de paragraaf wordt aangevuld met de bepaling onder 4°, luidende :
"4° hij voldoet aan de voorwaarden voorzien in artikel 61/25-2, § 1, tweede lid.".
Art.10. A l'article 61/25-5, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 22 juillet 2018, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le 1°, les mots "l'article 3, 5° à 10° " sont remplacés par les mots "l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ";
2° le paragraphe 1er, est complété par un 4°, rédigé comme suit :
"4° il satisfasse aux conditions prévues à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2.".
1° dans le 1°, les mots "l'article 3, 5° à 10° " sont remplacés par les mots "l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ";
2° le paragraphe 1er, est complété par un 4°, rédigé comme suit :
"4° il satisfasse aux conditions prévues à l'article 61/25-2, § 1er, alinéa 2.".
Art.11. In hoofdstuk VIII van titel II van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, wordt een afdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 61/26 en 61/27 bevat, luidende :
"Afdeling 1 - Toepassingsgebied en definities."
"Afdeling 1 - Toepassingsgebied en definities."
Art.11. Dans le chapitre VIII du titre II de la même loi, inséré par la loi du 15 mai 2012, il est inséré une section 1re, comportant les articles 61/26 et 61/27, rédigée comme suit :
"Section 1re - Champ d'application et définitions."
"Section 1re - Champ d'application et définitions."
Art.12. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 11, wordt artikel 61/26, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, vervangen als volgt :
"Art. 61/26. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die in het Rijk een aanvraag voor een arbeidsvergunning of de vernieuwing van deze vergunning bij de bevoegde overheid indienen, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.
De indiening van deze aanvraag geldt als indiening van een verblijfsaanvraag.
§ 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
1° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
2° het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten .".
"Art. 61/26. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die in het Rijk een aanvraag voor een arbeidsvergunning of de vernieuwing van deze vergunning bij de bevoegde overheid indienen, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.
De indiening van deze aanvraag geldt als indiening van een verblijfsaanvraag.
§ 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
1° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
2° het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten .".
Art.12. Dans la section 1re, insérée par l'article 11, l'article 61/26, inséré par la loi du 15 mai 2012, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 61/26. § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail, ou de renouvellement de cette autorisation, dans le Royaume, auprès de l'autorité compétente, afin d'occuper un travail hautement qualifié.
L'introduction de cette demande vaut introduction d'une demande de séjour.
§ 2. Elles s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de :
1° l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
2° l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.".
"Art. 61/26. § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail, ou de renouvellement de cette autorisation, dans le Royaume, auprès de l'autorité compétente, afin d'occuper un travail hautement qualifié.
L'introduction de cette demande vaut introduction d'une demande de séjour.
§ 2. Elles s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de :
1° l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
2° l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.".
Art.13. In dezelfde afdeling 1 wordt artikel 61/27 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, vervangen als volgt :
"Art. 61/27. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde overheid" : de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018" : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
3° "samenwerkingsakkoord van 6 december 2018" : het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;
4° "Europese blauwe kaart" : de verblijfstitel zoals gedefinieerd in artikel 6, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
"Art. 61/27. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde overheid" : de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018" : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
3° "samenwerkingsakkoord van 6 december 2018" : het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018;
4° "Europese blauwe kaart" : de verblijfstitel zoals gedefinieerd in artikel 6, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
Art.13. Dans la même section 1re, l'article 61/27, de la même loi, inséré par la loi du 15 mai 2012, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 61/27. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° "autorité compétente" : l'autorité régionale ou communautaire qui, conformément aux décrets, ordonnances et arrêtés régionaux ou communautaires, a l'occupation des travailleurs étrangers dans ses attributions;
2° "accord de coopération du 2 février 2018" : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
3° "accord de coopération du 6 décembre 2018" : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution à l'accord de coopération du 2 février 2018;
4° "carte bleue européenne" : le titre de séjour tel que défini à l'article 6, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
"Art. 61/27. Pour l'application du présent chapitre, on entend par :
1° "autorité compétente" : l'autorité régionale ou communautaire qui, conformément aux décrets, ordonnances et arrêtés régionaux ou communautaires, a l'occupation des travailleurs étrangers dans ses attributions;
2° "accord de coopération du 2 février 2018" : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
3° "accord de coopération du 6 décembre 2018" : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la Région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la Communauté germanophone portant exécution à l'accord de coopération du 2 février 2018;
4° "carte bleue européenne" : le titre de séjour tel que défini à l'article 6, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
Art.14. In hoofdstuk VIII van titel II van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 61/27-1 en 61/27-2 bevat, luidende :
"Afdeling 2 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure inzake de tewerkstelling van hooggekwalificeerde werknemers."
"Afdeling 2 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure inzake de tewerkstelling van hooggekwalificeerde werknemers."
Art.14. Dans le chapitre VIII du titre II de la même loi, inséré par la loi du 15 mai 2012, il est inséré une section 2, comprenant les articles 61/27-1 et 61/27-2, rédigée comme suit :
"Section 2 - Dispositions relatives à la procédure conjointe en matière d'occupation de travailleurs hautement qualifiés."
"Section 2 - Dispositions relatives à la procédure conjointe en matière d'occupation de travailleurs hautement qualifiés."
Art.15. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 14, wordt een artikel 61/27-1 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-1. § 1. De minister of zijn gemachtigde beslist over de in artikel 61/26 bedoelde verblijfsaanvraag.
Onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om aanvullende inlichtingen of documenten te eisen overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 baseert de minister of zijn gemachtigde zich met name op de volgende documenten en inlichtingen om over de aanvraag te beslissen :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel;
2° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan een van de in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
3° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, het bewijs van de betaling van de retributie, zoals die geëist wordt door artikel 1/1;
4° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
5° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor hemzelf en zijn gezinsleden dekt.
Bij behoorlijk bewezen onmogelijkheid de in het tweede lid, 2° en 4°, bedoelde documenten voor te leggen, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de onderdaan van een derde land echter machtigen in België te verblijven.
§ 2. De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, kan een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen bedoeld in artikel 61/26.
Onverminderd de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen of documenten te eisen, worden de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, 3° en 5° bedoelde documenten en inlichtingen aan de aanvraag toegevoegd.
§ 3. De onderdaan van een derde land die al achttien maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere lidstaat van de Europese Unie verblijft, kan overeenkomstig paragraaf 1 en op voorlegging van zijn geldige Europese blauwe kaart een aanvraag voor een in artikel 61/26 bedoelde arbeidsvergunning indienen.
De in het eerste lid bedoelde onderdaan van een derde land kan zijn aanvraag eveneens overeenkomstig paragraaf 2 en op voorlegging van zijn Europese blauwe kaart indienen, en dit zo spoedig mogelijk en uiterlijk één maand nadat hij het Rijk is binnengekomen.
§ 4. Overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gemachtigd wordt om op het grondgebied te verblijven, brengt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde overheid daarvan per brief, fax of e-mail op de hoogte.
Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
§ 5. Wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze afdeling tot een verblijf gemachtigd wordt en door de bevoegde overheid gemachtigd wordt om te werken, betekent de minister of zijn gemachtigde hem een beslissing waarmee de Europese blauwe kaart wordt toegekend.
Deze beslissing neemt de vorm aan van een gecombineerde administratieve akte die tegelijkertijd het verblijf en het werk toestaat.
De minister of zijn gemachtigde brengt de werkgever daarvan op de hoogte.
§ 6. Overeenkomstig de artikelen 26, derde lid, en 36, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 brengt de minister of zijn gemachtigde, wanneer hij een beslissing tot weigering of tot beëindiging van het verblijf neemt, de bevoegde overheid daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
§ 7. Overeenkomstig artikel 36, §§ 1 en 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wordt de onderdaan van een derde land kennisgegeven van elke beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde over een op grond van artikel 61/26 ingediende aanvraag. De minister of zijn gemachtigde brengt zijn werkgever daarvan op de hoogte.
De onderdaan van een derde land wordt kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de machtiging betreffende een aanvraag ingediend op grond van artikel 61/26.
De onderdaan van een derde land en zijn werkgever worden door de minister of zijn gemachtigde kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de arbeidsvergunning genomen door de bevoegde overheid. De minister of zijn gemachtigde informeert de bevoegde overheid over deze kennisgeving.".
"Art. 61/27-1. § 1. De minister of zijn gemachtigde beslist over de in artikel 61/26 bedoelde verblijfsaanvraag.
Onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om aanvullende inlichtingen of documenten te eisen overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 baseert de minister of zijn gemachtigde zich met name op de volgende documenten en inlichtingen om over de aanvraag te beslissen :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel;
2° behalve bij het hernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, een geneeskundig getuigschrift waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan een van de in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
3° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, het bewijs van de betaling van de retributie, zoals die geëist wordt door artikel 1/1;
4° behalve bij het vernieuwen van de aanvraag voor de machtiging tot verblijf ingediend op basis van artikel 61/26, een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document, en in voorkomend geval zijn gelegaliseerde vertaling, afgegeven door het land van oorsprong of het land van zijn laatste verblijfplaats, dat niet ouder is dan zes maanden en bevestigt dat hij niet veroordeeld is geweest voor misdaden of wanbedrijven van gemeen recht;
5° het bewijs dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die alle risico's in België voor hemzelf en zijn gezinsleden dekt.
Bij behoorlijk bewezen onmogelijkheid de in het tweede lid, 2° en 4°, bedoelde documenten voor te leggen, kan de minister of zijn gemachtigde, rekening houdend met de omstandigheden, de onderdaan van een derde land echter machtigen in België te verblijven.
§ 2. De onderdaan van een derde land die toegelaten of gemachtigd is op het grondgebied van het Rijk te verblijven voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig titel I, hoofdstuk II, of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig titel I, hoofdstuk III, kan een aanvraag voor een arbeidsvergunning indienen bedoeld in artikel 61/26.
Onverminderd de mogelijkheid om aanvullende inlichtingen of documenten te eisen, worden de in paragraaf 1, tweede lid, 1°, 3° en 5° bedoelde documenten en inlichtingen aan de aanvraag toegevoegd.
§ 3. De onderdaan van een derde land die al achttien maanden als houder van een Europese blauwe kaart in een andere lidstaat van de Europese Unie verblijft, kan overeenkomstig paragraaf 1 en op voorlegging van zijn geldige Europese blauwe kaart een aanvraag voor een in artikel 61/26 bedoelde arbeidsvergunning indienen.
De in het eerste lid bedoelde onderdaan van een derde land kan zijn aanvraag eveneens overeenkomstig paragraaf 2 en op voorlegging van zijn Europese blauwe kaart indienen, en dit zo spoedig mogelijk en uiterlijk één maand nadat hij het Rijk is binnengekomen.
§ 4. Overeenkomstig artikel 29, eerste lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk gemachtigd wordt om op het grondgebied te verblijven, brengt de minister of zijn gemachtigde de bevoegde overheid daarvan per brief, fax of e-mail op de hoogte.
Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
§ 5. Wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van deze afdeling tot een verblijf gemachtigd wordt en door de bevoegde overheid gemachtigd wordt om te werken, betekent de minister of zijn gemachtigde hem een beslissing waarmee de Europese blauwe kaart wordt toegekend.
Deze beslissing neemt de vorm aan van een gecombineerde administratieve akte die tegelijkertijd het verblijf en het werk toestaat.
De minister of zijn gemachtigde brengt de werkgever daarvan op de hoogte.
§ 6. Overeenkomstig de artikelen 26, derde lid, en 36, § 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 brengt de minister of zijn gemachtigde, wanneer hij een beslissing tot weigering of tot beëindiging van het verblijf neemt, de bevoegde overheid daarvan op de hoogte per brief, fax of e-mail.
§ 7. Overeenkomstig artikel 36, §§ 1 en 3, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wordt de onderdaan van een derde land kennisgegeven van elke beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde over een op grond van artikel 61/26 ingediende aanvraag. De minister of zijn gemachtigde brengt zijn werkgever daarvan op de hoogte.
De onderdaan van een derde land wordt kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de machtiging betreffende een aanvraag ingediend op grond van artikel 61/26.
De onderdaan van een derde land en zijn werkgever worden door de minister of zijn gemachtigde kennisgegeven van elke beslissing tot beëindiging van de arbeidsvergunning genomen door de bevoegde overheid. De minister of zijn gemachtigde informeert de bevoegde overheid over deze kennisgeving.".
Art.15. Dans la section 2, insérée par l'article 14, il est inséré un article 61/27-1, rédigé comme suit :
"Art. 61/27-1. § 1er. Le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour visée à l'article 61/26.
Sans préjudice de la possibilité pour le ministre ou son délégué de demander des informations ou des documents complémentaires conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué se base notamment sur les documents et informations suivants pour statuer sur la demande :
1° un passeport ou un titre de voyage en tenant lieu en cours de validité;
2° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
3° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, la preuve du paiement de la redevance tel qu'exigé par l'article 1er/1er;
4° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
5 ° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de pouvoir produire les documents visés à l'alinéa 2, 2° et 4°, le ministre ou son délégué peut néanmoins, compte tenu des circonstances, autoriser le ressortissant d'un pays tiers à séjourner en Belgique.
§ 2. Le ressortissant d'un pays tiers admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours, conformément au titre I, chapitre II, ou pour une période de plus de nonante jours, conformément au titre I, chapitre III, peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/26.
Sans préjudice de la possibilité de demander des informations ou documents complémentaires, les documents et informations visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, 3° et 5°, sont produits à l'appui de la demande.
§ 3. Le ressortissant d'un pays tiers qui réside depuis dix-huit mois dans un autre Etat membre de l'Union européenne en tant que titulaire d'une carte bleue européenne, peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/26 conformément au paragraphe 1er, sur présentation de sa carte bleue européenne en cours de validité.
Le ressortissant d'un pays tiers visé à l'alinéa 1er peut également introduire sa demande conformément au paragraphe 2 dans les plus brefs délais et au plus tard un mois après son entrée dans le Royaume, sur présentation de sa carte bleue européenne.
§ 4. Conformément à l'article 29, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner sur le territoire en application des dispositions du présent chapitre, le ministre ou son délégué en informe l'autorité compétente par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que sous la condition que l'autorité compétente prenne une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
§ 5. Lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente section et autorisé à travailler par l'autorité compétente, le ministre ou son délégué lui notifie une décision accordant la carte bleue européenne.
Cette décision prend la forme d'un acte administratif unique autorisant à la fois le séjour et le travail.
Le ministre ou son délégué en informe l'employeur.
§ 6. Conformément aux articles 26, alinéa 3, et 36, § 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ministre ou son délégué prend une décision de refus ou de fin de séjour, il en informe l'autorité compétente par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
§ 7. Conformément à l'article 36, §§ 1er et 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, toute décision relative à une demande introduite sur base de l'article 61/26 prise par le ministre, ou son délégué, est notifiée au ressortissant d'un pays tiers. Le ministre ou son délégué en informe son employeur.
Toute décision de fin d'autorisation relative à une demande introduite sur base de l'article 61/26 est notifiée au ressortissant d'un pays tiers.
Toute décision de fin d'autorisation de travail prise par l'autorité compétente est notifiée par le ministre ou son délégué au ressortissant d'un pays tiers et à son employeur. Le ministre, ou son délégué, informe l'autorité compétente de cette notification.".
"Art. 61/27-1. § 1er. Le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour visée à l'article 61/26.
Sans préjudice de la possibilité pour le ministre ou son délégué de demander des informations ou des documents complémentaires conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, le ministre ou son délégué se base notamment sur les documents et informations suivants pour statuer sur la demande :
1° un passeport ou un titre de voyage en tenant lieu en cours de validité;
2° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, un certificat médical attestant qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe de la présente loi;
3° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, la preuve du paiement de la redevance tel qu'exigé par l'article 1er/1er;
4° sauf en cas de renouvellement de la demande d'autorisation de séjour introduite sur base de l'article 61/26, un extrait du casier judiciaire ou un document équivalent, et le cas échéant sa traduction légalisée, délivré par le pays d'origine ou par le pays de sa dernière résidence, datant de moins de six mois, et attestant qu'il n'a pas été condamné pour des crimes ou des délits de droit commun;
5 ° la preuve qu'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique pour lui-même et les membres de sa famille.
En cas d'impossibilité dûment justifiée de pouvoir produire les documents visés à l'alinéa 2, 2° et 4°, le ministre ou son délégué peut néanmoins, compte tenu des circonstances, autoriser le ressortissant d'un pays tiers à séjourner en Belgique.
§ 2. Le ressortissant d'un pays tiers admis ou autorisé à séjourner sur le territoire du Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours, conformément au titre I, chapitre II, ou pour une période de plus de nonante jours, conformément au titre I, chapitre III, peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/26.
Sans préjudice de la possibilité de demander des informations ou documents complémentaires, les documents et informations visés au paragraphe 1er, alinéa 2, 1°, 3° et 5°, sont produits à l'appui de la demande.
§ 3. Le ressortissant d'un pays tiers qui réside depuis dix-huit mois dans un autre Etat membre de l'Union européenne en tant que titulaire d'une carte bleue européenne, peut introduire une demande d'autorisation de travail visée à l'article 61/26 conformément au paragraphe 1er, sur présentation de sa carte bleue européenne en cours de validité.
Le ressortissant d'un pays tiers visé à l'alinéa 1er peut également introduire sa demande conformément au paragraphe 2 dans les plus brefs délais et au plus tard un mois après son entrée dans le Royaume, sur présentation de sa carte bleue européenne.
§ 4. Conformément à l'article 29, alinéa 1er, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner sur le territoire en application des dispositions du présent chapitre, le ministre ou son délégué en informe l'autorité compétente par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour n'est valable que sous la condition que l'autorité compétente prenne une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
§ 5. Lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions de la présente section et autorisé à travailler par l'autorité compétente, le ministre ou son délégué lui notifie une décision accordant la carte bleue européenne.
Cette décision prend la forme d'un acte administratif unique autorisant à la fois le séjour et le travail.
Le ministre ou son délégué en informe l'employeur.
§ 6. Conformément aux articles 26, alinéa 3, et 36, § 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ministre ou son délégué prend une décision de refus ou de fin de séjour, il en informe l'autorité compétente par courrier, par télécopie ou par courrier électronique.
§ 7. Conformément à l'article 36, §§ 1er et 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, toute décision relative à une demande introduite sur base de l'article 61/26 prise par le ministre, ou son délégué, est notifiée au ressortissant d'un pays tiers. Le ministre ou son délégué en informe son employeur.
Toute décision de fin d'autorisation relative à une demande introduite sur base de l'article 61/26 est notifiée au ressortissant d'un pays tiers.
Toute décision de fin d'autorisation de travail prise par l'autorité compétente est notifiée par le ministre ou son délégué au ressortissant d'un pays tiers et à son employeur. Le ministre, ou son délégué, informe l'autorité compétente de cette notification.".
Art.16. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/27-2 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-2. Overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de aanvraag om vernieuwing op grond van artikel 61/26 die de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden vervult, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de vorige vergunning ingediend.
Indien, bij deze aanvraag om vernieuwing, de verblijfstitel vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt, in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde of, in voorkomend geval, door de bevoegde overheid. De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.".
"Art. 61/27-2. Overeenkomstig artikel 21 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 wordt de aanvraag om vernieuwing op grond van artikel 61/26 die de door de bevoegde overheid bepaalde voorwaarden vervult, ten laatste twee maanden voor het verstrijken van de geldigheid van de vorige vergunning ingediend.
Indien, bij deze aanvraag om vernieuwing, de verblijfstitel vervalt, ontvangt de onderdaan van een derde land een document dat voorlopig zijn verblijf dekt, in afwachting van een beslissing genomen door de minister of zijn gemachtigde of, in voorkomend geval, door de bevoegde overheid. De Koning bepaalt het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land wordt afgegeven.".
Art.16. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/27-2, rédigé comme suit :
"Art. 61/27-2. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, la demande de renouvellement introduite sur base de l'article 61/26 et répondant aux conditions déterminées par l'autorité compétente est introduite au plus tard deux mois avant l'expiration de la validité de l'autorisation précédente.
Lors de la demande de renouvellement, si le titre de séjour vient à échéance, le ressortissant d'un pays tiers reçoit un document qui couvre provisoirement son séjour dans l'attente d'une décision prise par le ministre ou son délégué ou, le cas échéant, par l'autorité compétente. Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers.".
"Art. 61/27-2. Conformément à l'article 21 de l'accord de coopération du 2 février 2018, la demande de renouvellement introduite sur base de l'article 61/26 et répondant aux conditions déterminées par l'autorité compétente est introduite au plus tard deux mois avant l'expiration de la validité de l'autorisation précédente.
Lors de la demande de renouvellement, si le titre de séjour vient à échéance, le ressortissant d'un pays tiers reçoit un document qui couvre provisoirement son séjour dans l'attente d'une décision prise par le ministre ou son délégué ou, le cas échéant, par l'autorité compétente. Le Roi détermine le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers.".
Art.17. In hoofdstuk VIII van titel II van dezelde wet, wordt een afdeling 3 ingevoegd, die de artikelen 61/27-3 tot 61/27-6 bevat, luidende :
"Afdeling 3 - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf op het grondgebied, met het oog op hooggekwalificeerd werk.".
"Afdeling 3 - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf op het grondgebied, met het oog op hooggekwalificeerd werk.".
Art.17. Dans le chapitre VIII du titre II de la même loi, il est inséré une section 3, comprenant les articles 61/27-3 à 61/27-6, rédigée comme suit :
"Section 3 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjourner sur le territoire à des fins d'emploi hautement qualifié.".
"Section 3 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjourner sur le territoire à des fins d'emploi hautement qualifié.".
Art.18. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 17, wordt een artikel 61/27-3 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-3. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die een aanvraag voor een toelating tot arbeid, overeenkomstig artikel 61/26, indienen en die voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk wensen te verblijven of voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk worden gemachtigd te verblijven, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.".
"Art. 61/27-3. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die een aanvraag voor een toelating tot arbeid, overeenkomstig artikel 61/26, indienen en die voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk wensen te verblijven of voor een periode van meer dan negentig dagen in het Rijk worden gemachtigd te verblijven, om hooggekwalificeerd werk uit te oefenen.".
Art.18. Dans la section 3, insérée par l'article 17, il est inséré un article 61/27-3, rédigé comme suit :
"Art. 61/27-3. Les dispositions de la présente section s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail conformément à l'article 61/26 et qui souhaitent séjourner ou sont autorisés à séjourner dans le Royaume pour une période de plus de nonante jours afin d'occuper un emploi hautement qualifié.".
"Art. 61/27-3. Les dispositions de la présente section s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui introduisent une demande d'autorisation de travail conformément à l'article 61/26 et qui souhaitent séjourner ou sont autorisés à séjourner dans le Royaume pour une période de plus de nonante jours afin d'occuper un emploi hautement qualifié.".
Art.19. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/27-4 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-4. § 1. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/27-3 wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits :
1° hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 61/27-1, §§ 1 tot 3, die op hem van toepassing zijn;
2° hij zich niet bevindt in een van de gevallen opgesomd in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° in het geval waarin de onderdaan van een derde land zich reeds op het grondgebied van het Rijk bevindt wanneer hij de aanvraag bedoeld in artikel 61/26 indient, is hij reeds toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig hoofdstuk II van titel I, of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig hoofdstuk III van titel I.
§ 2. Overeenkomstig artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, beslist de minister of zijn gemachtigde over de verblijfsaanvraag, of over de aanvraag voor vernieuwing, binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag.
De in het eerste lid bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.
Indien de minister of zijn gemachtigde binnen de termijn bedoeld in het eerste lid geen beslissing neemt, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd.
§ 3. Overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en onverminderd de termijn voorzien in paragraaf 2 kan tijdens het onderzoek van de aanvraag van de onderdaan van een derde land geëist worden dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
Indien de aanvullende inlichtingen en documenten niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn zijn voorgelegd, wordt de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan geweigerd.".
"Art. 61/27-4. § 1. De onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/27-3 wordt gemachtigd om het grondgebied van het Rijk binnen te komen en er meer dan negentig dagen te verblijven om er te werken, of zijn machtiging tot verblijf wordt vernieuwd, mits :
1° hij voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 61/27-1, §§ 1 tot 3, die op hem van toepassing zijn;
2° hij zich niet bevindt in een van de gevallen opgesomd in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10° ;
3° in het geval waarin de onderdaan van een derde land zich reeds op het grondgebied van het Rijk bevindt wanneer hij de aanvraag bedoeld in artikel 61/26 indient, is hij reeds toegelaten of gemachtigd tot een verblijf in het Rijk voor een periode die negentig dagen niet overschrijdt, overeenkomstig hoofdstuk II van titel I, of voor een periode van meer dan negentig dagen, overeenkomstig hoofdstuk III van titel I.
§ 2. Overeenkomstig artikel 9 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, beslist de minister of zijn gemachtigde over de verblijfsaanvraag, of over de aanvraag voor vernieuwing, binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag.
De in het eerste lid bedoelde termijn kan in geen geval verlengd worden.
Indien de minister of zijn gemachtigde binnen de termijn bedoeld in het eerste lid geen beslissing neemt, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd.
§ 3. Overeenkomstig artikel 25, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en onverminderd de termijn voorzien in paragraaf 2 kan tijdens het onderzoek van de aanvraag van de onderdaan van een derde land geëist worden dat hij binnen een termijn van vijftien dagen aanvullende inlichtingen of documenten voorlegt.
Indien de aanvullende inlichtingen en documenten niet binnen de in het eerste lid bedoelde termijn zijn voorgelegd, wordt de machtiging tot verblijf of de vernieuwing ervan geweigerd.".
Art.19. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/27-4 rédigé comme suit :
"Art. 61/27-4. § 1er. Le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/27-3, est autorisé à entrer et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume afin d'y travailler, ou son autorisation de séjour est renouvelée, si :
1° il satisfait aux conditions visées à l'article 61/27-1, §§ 1er à 3, qui lui sont applicables;
2° il ne se trouve pas dans un des cas énumérés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° dans le cas où le ressortissant de pays tiers se trouve sur le territoire du Royaume lors de l'introduction de la demande visée à l'article 61/26, il est déjà admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au chapitre II du titre Ier, ou pour une période de plus de nonante jours conformément au chapitre III du titre Ier.
§ 2. Conformément à l'article 9 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour, ou de son renouvellement, au plus tard dans les nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
Le délai visé à l'alinéa 1er ne peut en aucun cas être prolongé.
Si le ministre ou son délégué ne statue pas dans le délai visé à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers est autorisé au séjour.
§ 3. Conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et sans préjudice du délai prévu au paragraphe 2, lors de l'examen de la demande, il peut être exigé du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Si les informations et documents complémentaires ne sont pas produits dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'autorisation de séjour ou le renouvellement de celle-ci, est refusé.".
"Art. 61/27-4. § 1er. Le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/27-3, est autorisé à entrer et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire du Royaume afin d'y travailler, ou son autorisation de séjour est renouvelée, si :
1° il satisfait aux conditions visées à l'article 61/27-1, §§ 1er à 3, qui lui sont applicables;
2° il ne se trouve pas dans un des cas énumérés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° dans le cas où le ressortissant de pays tiers se trouve sur le territoire du Royaume lors de l'introduction de la demande visée à l'article 61/26, il est déjà admis ou autorisé à séjourner dans le Royaume pour une période n'excédant pas nonante jours conformément au chapitre II du titre Ier, ou pour une période de plus de nonante jours conformément au chapitre III du titre Ier.
§ 2. Conformément à l'article 9 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué statue sur la demande de séjour, ou de son renouvellement, au plus tard dans les nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
Le délai visé à l'alinéa 1er ne peut en aucun cas être prolongé.
Si le ministre ou son délégué ne statue pas dans le délai visé à l'alinéa 1er, le ressortissant d'un pays tiers est autorisé au séjour.
§ 3. Conformément à l'article 25, § 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et sans préjudice du délai prévu au paragraphe 2, lors de l'examen de la demande, il peut être exigé du ressortissant d'un pays tiers de produire dans un délai de quinze jours des informations ou documents complémentaires.
Si les informations et documents complémentaires ne sont pas produits dans le délai visé à l'alinéa 1er, l'autorisation de séjour ou le renouvellement de celle-ci, est refusé.".
Art.20. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/27-5 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-5. § 1. Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het samenwerkingsakoord van 6 december 2018, wordt aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/26, die zich op de datum van de beslissing die hem tegelijkertijd machtigt om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf afgegeven, zodat hij het grondgebied kan binnenkomen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de afgifte van het visum bepalen.
§ 2. Overeenkomstig artikel 10, derde en vierde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die tot het verblijf gemachtigd is en gemachtigd is om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer te werken in het vreemdelingenregister ingeschreven. Een Europese blauwe kaart wordt aan hem afgegeven.
De Koning bepaalt :
1° het model van de Europese blauwe kaart;
2° de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart;
3° het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land, in afwachting van de afgifte van de Europese blauwe kaart, wordt afgegeven.
§ 3. Indien de machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 61/27-4, § 2, eerste lid, wordt toegekend en indien binnen een termijn van negentig dagen, vanaf de kennisgeving van het volledig/ontvankelijk karakter van de aanvraag, geen enkele beslissing die tegelijkertijd op de machtiging tot verblijf en de arbeidsvergunning betrekking heeft genomen werd, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd en wordt hij tegelijkertijd gemachtigd om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer te werken. De paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing.".
"Art. 61/27-5. § 1. Overeenkomstig artikel 10, tweede lid, van het samenwerkingsakoord van 6 december 2018, wordt aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/26, die zich op de datum van de beslissing die hem tegelijkertijd machtigt om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer op het grondgebied te verblijven en te werken, op zijn verzoek, een visum lang verblijf afgegeven, zodat hij het grondgebied kan binnenkomen.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de afgifte van het visum bepalen.
§ 2. Overeenkomstig artikel 10, derde en vierde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die tot het verblijf gemachtigd is en gemachtigd is om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer te werken in het vreemdelingenregister ingeschreven. Een Europese blauwe kaart wordt aan hem afgegeven.
De Koning bepaalt :
1° het model van de Europese blauwe kaart;
2° de geldigheidsduur van de Europese blauwe kaart;
3° het verblijfsdocument dat aan de onderdaan van een derde land, in afwachting van de afgifte van de Europese blauwe kaart, wordt afgegeven.
§ 3. Indien de machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 61/27-4, § 2, eerste lid, wordt toegekend en indien binnen een termijn van negentig dagen, vanaf de kennisgeving van het volledig/ontvankelijk karakter van de aanvraag, geen enkele beslissing die tegelijkertijd op de machtiging tot verblijf en de arbeidsvergunning betrekking heeft genomen werd, wordt de onderdaan van een derde land tot het verblijf gemachtigd en wordt hij tegelijkertijd gemachtigd om in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer te werken. De paragrafen 1 en 2 zijn van toepassing.".
Art.20. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/27-5 rédigé comme suit :
"Art. 61/27-5. § 1er. Conformément à l'article 10, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, si le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/26 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande, en vue de son entrée sur le territoire.
Le Roi peut préciser par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités relatives à la délivrance du visa.
§ 2. Conformément à l'article 10, alinéas 3 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié est inscrit au registre des étrangers. Une carte bleue européenne lui est délivrée.
Le Roi détermine :
1° le modèle de la carte bleue européenne;
2° la durée de validité de la carte bleue européenne;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance de la carte bleue européenne.
§ 3. Si l'autorisation de séjour est accordée en application de l'article 61/27-4, § 2, alinéa 1er, et si aucune décision relative à la fois à l'autorisation de séjour et à l'autorisation de travail n'a été prise dans un délai de nonante jours à compter de la notification du caractère complet/recevable de la demande, le ressortissant de pays tiers est autorisé à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié. Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent.".
"Art. 61/27-5. § 1er. Conformément à l'article 10, alinéa 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, si le ressortissant d'un pays tiers visé à l'article 61/26 se trouve à l'étranger à la date de la décision l'autorisant à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié, un visa de long séjour lui est délivré, à sa demande, en vue de son entrée sur le territoire.
Le Roi peut préciser par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les modalités relatives à la délivrance du visa.
§ 2. Conformément à l'article 10, alinéas 3 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié est inscrit au registre des étrangers. Une carte bleue européenne lui est délivrée.
Le Roi détermine :
1° le modèle de la carte bleue européenne;
2° la durée de validité de la carte bleue européenne;
3° le document de séjour délivré au ressortissant d'un pays tiers dans l'attente de la délivrance de la carte bleue européenne.
§ 3. Si l'autorisation de séjour est accordée en application de l'article 61/27-4, § 2, alinéa 1er, et si aucune décision relative à la fois à l'autorisation de séjour et à l'autorisation de travail n'a été prise dans un délai de nonante jours à compter de la notification du caractère complet/recevable de la demande, le ressortissant de pays tiers est autorisé à la fois à séjourner et à travailler en qualité de travailleur hautement qualifié. Les paragraphes 1er et 2 s'appliquent.".
Art.21. In dezelfde afdeling 3 wordt een artikel 61/27-6 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/27-6. § 1. De minister of zijn gemachtigde maakt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer, of weigert om die machtiging te vernieuwen, wanneer de onderdaan van een derde land de in artikel 61/27-4, § 1, 1° en 2°, bedoelde voorwaarden niet of niet meer vervult.
§ 2. In de volgende gevallen kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer of weigeren die te vernieuwen :
1° indien de onderdaan van een derde land niet over voldoende bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn gezinsleden beschikt, om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de vreemdeling en, meer bepaald, de aard en de regelmaat van zijn inkomsten en het aantal gezinsleden die te zijnen laste zijn;
2° de onderdaan van een derde land verblijft voor andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd.".
"Art. 61/27-6. § 1. De minister of zijn gemachtigde maakt een einde aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer, of weigert om die machtiging te vernieuwen, wanneer de onderdaan van een derde land de in artikel 61/27-4, § 1, 1° en 2°, bedoelde voorwaarden niet of niet meer vervult.
§ 2. In de volgende gevallen kan de minister of zijn gemachtigde een einde maken aan de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van hooggekwalificeerde werknemer of weigeren die te vernieuwen :
1° indien de onderdaan van een derde land niet over voldoende bestaansmiddelen ten behoeve van zichzelf en van zijn gezinsleden beschikt, om te voorkomen dat ze ten laste van de openbare overheden vallen. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de vreemdeling en, meer bepaald, de aard en de regelmaat van zijn inkomsten en het aantal gezinsleden die te zijnen laste zijn;
2° de onderdaan van een derde land verblijft voor andere doeleinden dan die waarvoor hij tot het verblijf werd gemachtigd.".
Art.21. Dans la même section 3, il est inséré un article 61/27-6, rédigé comme suit :
"Art. 61/27-6. § 1er . Le ministre ou son délégué met fin à l'autorisation de séjour en tant que travailleur hautement qualifié ou refuse de renouveler celle-ci lorsque le ressortissant d'un pays tiers ne remplit pas ou plus les conditions visées à l'article 61/27-4, § 1er, 1° et 2°.
§ 2. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour en tant que travailleur hautement qualifié ou refuser de renouveler celle-ci dans les cas suivants :
1° lorsque le ressortissant d'un pays tiers ne dispose pas de ressources suffisantes pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille, afin de ne pas devenir une charge pour les autorités publiques. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle de l'étranger et, notamment, de la nature et de la régularité de ses revenus et du nombre de membres de la famille qui sont à sa charge;
2° le ressortissant d'un pays tiers séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour.".
"Art. 61/27-6. § 1er . Le ministre ou son délégué met fin à l'autorisation de séjour en tant que travailleur hautement qualifié ou refuse de renouveler celle-ci lorsque le ressortissant d'un pays tiers ne remplit pas ou plus les conditions visées à l'article 61/27-4, § 1er, 1° et 2°.
§ 2. Le ministre ou son délégué peut mettre fin à l'autorisation de séjour en tant que travailleur hautement qualifié ou refuser de renouveler celle-ci dans les cas suivants :
1° lorsque le ressortissant d'un pays tiers ne dispose pas de ressources suffisantes pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille, afin de ne pas devenir une charge pour les autorités publiques. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle de l'étranger et, notamment, de la nature et de la régularité de ses revenus et du nombre de membres de la famille qui sont à sa charge;
2° le ressortissant d'un pays tiers séjourne à des fins autres que celles pour lesquelles il a été autorisé au séjour.".
Art.22. In titel II van dezelfde wet, wordt een hoofdstuk VIIIbis ingevoegd dat de artikelen 61/28 tot 61/29-9 bevat, luidende :
"Hoofdstuk VIIIbis - Seizoenarbeiders"
"Hoofdstuk VIIIbis - Seizoenarbeiders"
Art.22. Dans le titre II de la même loi, il est inséré un chapitre VIIIbis comportant les articles 61/28 à 61/29-9, rédigé comme suit :
"Chapitre VIIIbis - Travailleurs saisonniers."
"Chapitre VIIIbis - Travailleurs saisonniers."
Art.23. In hoofdstuk VIIIbis, ingevoegd bij artikel 22, wordt een afdeling 1 ingevoegd die de artikelen 61/28 en 61/28-1 bevat, luidende :
"Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities."
"Afdeling 1. - Toepassingsgebied en definities."
Art.23. Dans le chapitre VIIIbis, inséré par l'article 22, il est inséré une section 1ère, comportant les articles 61/28 et 61/28-1, intitulée :
"Section 1re - Champ d'application et définitions."
"Section 1re - Champ d'application et définitions."
Art.24. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 23, wordt artikel 61/28, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2012, vervangen als volgt :
"Art. 61/28. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die zich buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie bevinden en die het Rijk wensen binnen te komen en er te verblijven om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken, en op de onderdanen van derde landen die gemachtigd worden om in deze hoedanigheid in het Rijk te verblijven en er te werken.
§ 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
1° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
2° het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.".
"Art. 61/28. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de onderdanen van derde landen die zich buiten het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie bevinden en die het Rijk wensen binnen te komen en er te verblijven om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken, en op de onderdanen van derde landen die gemachtigd worden om in deze hoedanigheid in het Rijk te verblijven en er te werken.
§ 2. Ze zijn van toepassing, onverminderd de relevante bepalingen van :
1° het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
2° het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten.".
Art.24. Dans la section 1re, insérée par l'article 23, l'article 61/28, inséré par la loi du 15 mai 2012, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 61/28. § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui, se trouvant en-dehors du territoire des Etats membres de l'Union européenne, souhaitent entrer et séjourner dans le Royaume pour y travailler en qualité de travailleurs saisonniers ainsi qu'aux ressortissants de pays tiers qui sont autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en cette qualité.
§ 2. Elles s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de :
1° l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
2° l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.".
"Art. 61/28. § 1er. Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux ressortissants de pays tiers qui, se trouvant en-dehors du territoire des Etats membres de l'Union européenne, souhaitent entrer et séjourner dans le Royaume pour y travailler en qualité de travailleurs saisonniers ainsi qu'aux ressortissants de pays tiers qui sont autorisés à séjourner et à travailler dans le Royaume en cette qualité.
§ 2. Elles s'appliquent sans préjudice des dispositions pertinentes de :
1° l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
2° l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers.".
Art.25. In dezelfde afdeling 1 wordt een artikel 61/28-1 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/28-1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde overheid" : de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018" : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
3° "samenwerkingsakkoord van 6 december 2018" : het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
4° "seizoenarbeider" : de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 12, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
5° "seizoenarbeidersvergunning" : de verblijfstitel bedoeld in artikel 12, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
"Art. 61/28-1. Voor de toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
1° "bevoegde overheid" : de gewest- of gemeenschapsoverheid die, overeenkomstig de gewestelijke of communautaire decreten, verordeningen en besluiten, bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers;
2° "samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018" : het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
3° "samenwerkingsakkoord van 6 december 2018" : het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap houdende uitvoering van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten;
4° "seizoenarbeider" : de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 12, 1°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018;
5° "seizoenarbeidersvergunning" : de verblijfstitel bedoeld in artikel 12, 3°, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018.".
Art.25. Dans la même section 1re, il est inséré un article 61/28-1, rédigé comme suit :
"Art. 61/28-1. Pour l'application des dispositions du présent chapitre, on entend par :
1° "autorité compétente" : l'autorité régionale ou communautaire qui, conformément aux décrets, ordonnances et arrêté régionaux et communautaires, a l'occupation des travailleurs étrangers dans ses attributions;
2° "accord de coopération du 2 février 2018" : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
3° "accord de coopération du 6 décembre 2018" : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
4° "travailleur saisonnier" : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 12, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
5° "permis pour travailleur saisonnier" : le titre de séjour visé à l'article 12, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
"Art. 61/28-1. Pour l'application des dispositions du présent chapitre, on entend par :
1° "autorité compétente" : l'autorité régionale ou communautaire qui, conformément aux décrets, ordonnances et arrêté régionaux et communautaires, a l'occupation des travailleurs étrangers dans ses attributions;
2° "accord de coopération du 2 février 2018" : l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
3° "accord de coopération du 6 décembre 2018" : l'accord de coopération du 6 décembre 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant exécution de l'accord de coopération du 2 février 2018 entre l'Etat fédéral, la région wallonne, la Région flamande, la Région de Bruxelles-Capitale et la communauté germanophone portant sur la coordination des politiques d'octroi d'autorisations de travail et d'octroi du permis de séjour, ainsi que les normes relatives à l'emploi et au séjour des travailleurs étrangers;
4° "travailleur saisonnier" : le ressortissant de pays tiers visé à l'article 12, 1°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018;
5° "permis pour travailleur saisonnier" : le titre de séjour visé à l'article 12, 3°, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018.".
Art.26. In hoofdstuk VIIIbis, ingevoegd bij artikel 22, wordt een afdeling 2 ingevoegd, die de artikelen 61/29 tot61/29-3 bevat, luidende :
"Afdeling 2 - Toegang tot het grondgebied en kort verblijf - Vereiste documenten."
"Afdeling 2 - Toegang tot het grondgebied en kort verblijf - Vereiste documenten."
Art.26. Dans le chapitre VIIIbis inséré par l'article 22, il est inséré une section 2, comportant les articles 61/29 à 61/29-3, rédigée comme suit :
"Section 2 - Accès au territoire et court séjour - Documents requis."
"Section 2 - Accès au territoire et court séjour - Documents requis."
Art.27. In afdeling 2 ingevoegd bij artikel 26, wordt artikel 61/29 vervangen als volgt :
"Art. 61/29. § 1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied, voor een maximale duur van negentig dagen, wenst binnen te komen en er wenst te verblijven, en dit in de hoedanigheid van seizoenarbeider, over de volgende documenten beschikken :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden die voorzien worden door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode;
2° een visum kort verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid werd afgegeven, behalve indien hij vrijgesteld is van de visumplicht, krachtens artikel 6, § 1, b), van de Schengengrenscode;
3° de vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid.
§ 2. Voor de beoogde duur van zijn verblijf moet de onderdaan van een derde land ook beschikken over :
1° een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt;
2° toereikende bestaansmiddelen om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
3° voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 3. Het visum kort verblijf met het oog op seizoenarbeid wordt overeenkomstig de Visumcode afgegeven, vernieuwd of verlengd.
De vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid wordt voorgelegd om de aanvraag voor de afgifte, de verlenging of de vernieuwing van het visum te ondersteunen.
Onverminderd de door de Visumcode voorziene voorwaarden wordt het visum niet afgegeven, vernieuwd of verlengd indien :
1° de betrokkene de in paragraaf 1, 1° en 3°, genoemde documenten niet voorlegt om zijn aanvraag te ondersteunen;
2° de betrokkene de in paragraaf 2 voorziene voorwaarden niet vervult;
3° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
§ 4. Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 3 kunnen de met de grenscontrole belaste overheden of de minister of zijn gemachtigde de toegang weigeren aan de onderdaan van een derde land die op het grondgebied wenst te verblijven in de hoedanigheid van seizoenarbeider voor een maximale duur van negentig dagen, indien :
1° hij de in paragrafen 1 en 2 voorziene voorwaarden niet of niet meer vervult;
2° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 7 kan de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot een verblijf van maximum negentig dagen, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, het bevel geven om het grondgebied te verlaten om dezelfde redenen als voorzien in het eerste lid, 1° en 2°.
§ 5. Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 moet de onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, tot een verblijf van maximum negentig dagen op het grondgebied gemachtigd is en die zijn verblijf in die hoedanigheid wenst te verlengen de machtiging daarvoor aanvragen vooraleer zijn verblijf verstrijkt.
Indien de onderdaan van een derde land van plan is om zijn verblijf te verlengen voor een duur die niet langer is dan de maximale toegestane duur van het kort verblijf wordt de machtiging tot verblijf onder de voorwaarden en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels aan hem toegekend.
Indien de onderdaan van een derde land langer dan de maximale duur van een kort verblijf wenst te blijven wordt de machtiging tot verblijf overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3 aan hem toegekend.
§ 6. De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in paragrafen 1 en 2 moeten worden geleverd.".
"Art. 61/29. § 1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied, voor een maximale duur van negentig dagen, wenst binnen te komen en er wenst te verblijven, en dit in de hoedanigheid van seizoenarbeider, over de volgende documenten beschikken :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel dat of die voldoet aan de geldigheidsvoorwaarden die voorzien worden door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode;
2° een visum kort verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid werd afgegeven, behalve indien hij vrijgesteld is van de visumplicht, krachtens artikel 6, § 1, b), van de Schengengrenscode;
3° de vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid.
§ 2. Voor de beoogde duur van zijn verblijf moet de onderdaan van een derde land ook beschikken over :
1° een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt;
2° toereikende bestaansmiddelen om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
3° voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek.
§ 3. Het visum kort verblijf met het oog op seizoenarbeid wordt overeenkomstig de Visumcode afgegeven, vernieuwd of verlengd.
De vereiste arbeidsvergunning voor de voorziene seizoenarbeid wordt voorgelegd om de aanvraag voor de afgifte, de verlenging of de vernieuwing van het visum te ondersteunen.
Onverminderd de door de Visumcode voorziene voorwaarden wordt het visum niet afgegeven, vernieuwd of verlengd indien :
1° de betrokkene de in paragraaf 1, 1° en 3°, genoemde documenten niet voorlegt om zijn aanvraag te ondersteunen;
2° de betrokkene de in paragraaf 2 voorziene voorwaarden niet vervult;
3° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
§ 4. Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 3 kunnen de met de grenscontrole belaste overheden of de minister of zijn gemachtigde de toegang weigeren aan de onderdaan van een derde land die op het grondgebied wenst te verblijven in de hoedanigheid van seizoenarbeider voor een maximale duur van negentig dagen, indien :
1° hij de in paragrafen 1 en 2 voorziene voorwaarden niet of niet meer vervult;
2° de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2 bereikt wordt.
Onverminderd de andere redenen voorzien in artikel 7 kan de minister of zijn gemachtigde de onderdaan van een derde land die gemachtigd is tot een verblijf van maximum negentig dagen, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, het bevel geven om het grondgebied te verlaten om dezelfde redenen als voorzien in het eerste lid, 1° en 2°.
§ 5. Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 moet de onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, tot een verblijf van maximum negentig dagen op het grondgebied gemachtigd is en die zijn verblijf in die hoedanigheid wenst te verlengen de machtiging daarvoor aanvragen vooraleer zijn verblijf verstrijkt.
Indien de onderdaan van een derde land van plan is om zijn verblijf te verlengen voor een duur die niet langer is dan de maximale toegestane duur van het kort verblijf wordt de machtiging tot verblijf onder de voorwaarden en volgens de door de Koning bepaalde nadere regels aan hem toegekend.
Indien de onderdaan van een derde land langer dan de maximale duur van een kort verblijf wenst te blijven wordt de machtiging tot verblijf overeenkomstig de bepalingen van afdeling 3 aan hem toegekend.
§ 6. De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in paragrafen 1 en 2 moeten worden geleverd.".
Art.27. Dans la section 2 insérée par l'article 26, l'article 61/29 est remplacé par ce qui suit :
"Art. 61/29. § 1er. Sans préjudice des dispositions du chapitre II du titre Ier, pour pouvoir entrer et séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée maximale de nonante jours, le ressortissant de pays tiers doit disposer des documents suivants :
1° un passeport valable ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen;
2° un visa de court séjour comportant une mention indiquant qu'il a été délivré aux fins d'un travail saisonnier, sauf s'il est dispensé de satisfaire à l'obligation de visa, en vertu de l'article 6, § 1er, b), du Code frontières Schengen;
3° le permis de travail requis pour le travail saisonnier envisagé.
§ 2. Le ressortissant de pays tiers doit en outre disposer pour la durée envisagée de son séjour :
1° d'une assurance-maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique;
2° de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas tomber à charge des pouvoirs publics, compte tenu notamment des revenus qu'il percevra durant son séjour en tant que travailleur saisonnier;
3° d'un logement suffisant qui répond aux conditions auxquelles doit satisfaire un immeuble qui est donné en location à titre de résidence principale, conformément à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2, du Code civil.
§ 3. Le visa de court séjour aux fins d'un travail saisonnier est délivré, renouvelé ou prorogé conformément au Code des visas.
Le permis de travail requis pour le travail saisonnier envisagé est produit à l'appui de la demande de délivrance, de prorogation ou de renouvellement du visa.
Sans préjudice des conditions prévues par le Code des visas, le visa n'est pas délivré, renouvelé ou prorogé si :
1° l'intéressé ne produit pas les documents visés au paragraphe 1er, 1° et 3°, à l'appui de sa demande;
2° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 2;
3° la durée maximale prévue à l'article 61/29-2, est atteinte.
§ 4. Sans préjudice des autres motifs prévus à l'article 3, les autorités chargées du contrôle aux frontières ou le ministre ou son délégué peuvent refuser l'entrée au ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée maximale de nonante jours si :
1° il ne remplit pas ou plus les conditions prévues aux paragraphes 1er et 2;
2° la durée maximale de séjour prévue à l'article 61/29-2, est atteinte.
Sans préjudice des autres motifs prévus à l'article 7, le ministre ou son délégué peut donner l'ordre de quitter le territoire au ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée maximale de nonante jours pour les mêmes motifs que ceux prévus à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
§ 5. Conformément à l'article 21, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de travailleur pendant une durée maximale de nonante jours et qui souhaite prolonger son séjour en cette qualité doit en demander l'autorisation avant l'expiration de son séjour.
Si le ressortissant de pays tiers envisage de prolonger son séjour pour une durée ne dépassant pas la durée maximale autorisée de court séjour, l'autorisation de séjour lui est accordée aux conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi.
Si le ressortissant de pays tiers envisage de prolonger son séjour au-delà de la durée maximale de court séjour, l'autorisation de séjour lui est accordée conformément aux dispositions de la section 3.
§ 6. Le Roi peut déterminer les modalités suivant lesquelles la preuve des conditions visées aux paragraphes 1er et 2, doit être apportée.".
"Art. 61/29. § 1er. Sans préjudice des dispositions du chapitre II du titre Ier, pour pouvoir entrer et séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée maximale de nonante jours, le ressortissant de pays tiers doit disposer des documents suivants :
1° un passeport valable ou un titre de voyage en tenant lieu remplissant les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen;
2° un visa de court séjour comportant une mention indiquant qu'il a été délivré aux fins d'un travail saisonnier, sauf s'il est dispensé de satisfaire à l'obligation de visa, en vertu de l'article 6, § 1er, b), du Code frontières Schengen;
3° le permis de travail requis pour le travail saisonnier envisagé.
§ 2. Le ressortissant de pays tiers doit en outre disposer pour la durée envisagée de son séjour :
1° d'une assurance-maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique;
2° de moyens de subsistance suffisants afin de ne pas tomber à charge des pouvoirs publics, compte tenu notamment des revenus qu'il percevra durant son séjour en tant que travailleur saisonnier;
3° d'un logement suffisant qui répond aux conditions auxquelles doit satisfaire un immeuble qui est donné en location à titre de résidence principale, conformément à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2, du Code civil.
§ 3. Le visa de court séjour aux fins d'un travail saisonnier est délivré, renouvelé ou prorogé conformément au Code des visas.
Le permis de travail requis pour le travail saisonnier envisagé est produit à l'appui de la demande de délivrance, de prorogation ou de renouvellement du visa.
Sans préjudice des conditions prévues par le Code des visas, le visa n'est pas délivré, renouvelé ou prorogé si :
1° l'intéressé ne produit pas les documents visés au paragraphe 1er, 1° et 3°, à l'appui de sa demande;
2° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 2;
3° la durée maximale prévue à l'article 61/29-2, est atteinte.
§ 4. Sans préjudice des autres motifs prévus à l'article 3, les autorités chargées du contrôle aux frontières ou le ministre ou son délégué peuvent refuser l'entrée au ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée maximale de nonante jours si :
1° il ne remplit pas ou plus les conditions prévues aux paragraphes 1er et 2;
2° la durée maximale de séjour prévue à l'article 61/29-2, est atteinte.
Sans préjudice des autres motifs prévus à l'article 7, le ministre ou son délégué peut donner l'ordre de quitter le territoire au ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée maximale de nonante jours pour les mêmes motifs que ceux prévus à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
§ 5. Conformément à l'article 21, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de travailleur pendant une durée maximale de nonante jours et qui souhaite prolonger son séjour en cette qualité doit en demander l'autorisation avant l'expiration de son séjour.
Si le ressortissant de pays tiers envisage de prolonger son séjour pour une durée ne dépassant pas la durée maximale autorisée de court séjour, l'autorisation de séjour lui est accordée aux conditions et suivant les modalités déterminées par le Roi.
Si le ressortissant de pays tiers envisage de prolonger son séjour au-delà de la durée maximale de court séjour, l'autorisation de séjour lui est accordée conformément aux dispositions de la section 3.
§ 6. Le Roi peut déterminer les modalités suivant lesquelles la preuve des conditions visées aux paragraphes 1er et 2, doit être apportée.".
Art.28. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/29-1 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied wenst binnen te komen om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider meer dan negentig dagen te verblijven over de volgende documenten beschikken :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel waarvan de geldigheidsduur op zijn minst die van de door de bevoegde overheid afgegeven arbeidsvergunning met het oog op seizoensarbeid dekt en de door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode voorziene geldigheidsvoorwaarden vervult;
2° een visum lang verblijf dat overeenkomstig artikel 61/29-7, afgegeven wordt.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.".
"Art. 61/29-1. Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk II van titel I, moet de onderdaan van een derde land die het grondgebied wenst binnen te komen om er in de hoedanigheid van seizoenarbeider meer dan negentig dagen te verblijven over de volgende documenten beschikken :
1° een geldig paspoort of een daarmee gelijkgestelde reistitel waarvan de geldigheidsduur op zijn minst die van de door de bevoegde overheid afgegeven arbeidsvergunning met het oog op seizoensarbeid dekt en de door artikel 6, § 1, a), van de Schengengrenscode voorziene geldigheidsvoorwaarden vervult;
2° een visum lang verblijf dat overeenkomstig artikel 61/29-7, afgegeven wordt.
De Koning kan het paspoort en de daarmee gelijkgestelde reistitel onderwerpen aan geldigheidsvoorwaarden die preciezer of aanvullend zijn.".
Art.28. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/29-1, rédigé comme suit :
"Art. 61/29-1. Sans préjudice des dispositions du chapitre II du titre I, le ressortissant de pays tiers qui souhaite entrer et séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée de plus de nonante jours doit disposer des documents suivants :
1° un passeport valable ou un titre de voyage en tenant lieu dont la durée de validité couvre au moins celle de l'autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier délivrée par l'autorité compétente et qui remplit les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen;
2° un visa de long séjour délivré en application de l'article 61/29-7.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.".
"Art. 61/29-1. Sans préjudice des dispositions du chapitre II du titre I, le ressortissant de pays tiers qui souhaite entrer et séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier pendant une durée de plus de nonante jours doit disposer des documents suivants :
1° un passeport valable ou un titre de voyage en tenant lieu dont la durée de validité couvre au moins celle de l'autorisation de travail aux fins d'un travail saisonnier délivrée par l'autorité compétente et qui remplit les conditions de validité prévues par l'article 6, § 1er, a), du Code frontières Schengen;
2° un visa de long séjour délivré en application de l'article 61/29-7.
Le Roi peut soumettre le passeport et le titre de voyage en tenant lieu à des conditions de validité plus précises ou supplémentaires.".
Art.29. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/29-2 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-2. De periode gedurende dewelke de onderdaan van een derde land in de hoedanigheid van seizoenarbeider kan verblijven is beperkt tot honderdvijftig dagen per periode van driehonderdvijfenzestig dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de driehonderdvijfenzestig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de eerste dag van het verblijf op het grondgebied als de datum van binnenkomst beschouwd en wordt de laatste dag van verblijf op het grondgebied als de datum van vertrek beschouwd. Voor de berekening van de duur van het verblijf wordt rekening gehouden met het totaal van de toegestane verblijfsperiodes in de hoedanigheid van seizoenarbeider, met inbegrip van de verblijfsperiode(s) in het kader van een kort verblijf.
De Koning kan de manier waarop de maximale duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider berekend wordt preciseren. Hij kan de nadere regels die voorzien worden in het eerste en tweede lid opheffen, vervangen of aanvullen, om zich aan het recht van de Unie te houden.".
"Art. 61/29-2. De periode gedurende dewelke de onderdaan van een derde land in de hoedanigheid van seizoenarbeider kan verblijven is beperkt tot honderdvijftig dagen per periode van driehonderdvijfenzestig dagen, waarbij voor iedere dag van het verblijf de driehonderdvijfenzestig voorafgaande dagen in aanmerking worden genomen.
Voor de toepassing van het eerste lid wordt de eerste dag van het verblijf op het grondgebied als de datum van binnenkomst beschouwd en wordt de laatste dag van verblijf op het grondgebied als de datum van vertrek beschouwd. Voor de berekening van de duur van het verblijf wordt rekening gehouden met het totaal van de toegestane verblijfsperiodes in de hoedanigheid van seizoenarbeider, met inbegrip van de verblijfsperiode(s) in het kader van een kort verblijf.
De Koning kan de manier waarop de maximale duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider berekend wordt preciseren. Hij kan de nadere regels die voorzien worden in het eerste en tweede lid opheffen, vervangen of aanvullen, om zich aan het recht van de Unie te houden.".
Art.29. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/29-2, rédigé comme suit :
"Art. 61/29-2. La durée pendant laquelle le ressortissant de pays tiers peut séjourner en qualité de travailleur saisonnier est limitée à cent-cinquante jours par période de trois-cent-soixante jours, ce qui implique d'examiner la période de trois-cent-soixante jours précédant chaque jour de séjour.
Pour l'application de l'alinéa 1er, la date d'entrée est considérée comme le premier jour de séjour sur le territoire et la date de sortie est considérée comme le dernier jour de séjour sur le territoire. La totalité des périodes de séjour autorisées en qualité de travailleur saisonnier sont prises en considération pour le calcul de la durée du séjour, y compris la ou les périodes de séjour effectuées au titre d'un court séjour.
Le Roi peut préciser la manière dont est calculée la durée maximale du séjour en qualité de travailleurs saisonnier. Il peut abroger, remplacer ou compléter les modalités prévues aux alinéas 1er et 2, pour se conformer au droit de l'Union.".
"Art. 61/29-2. La durée pendant laquelle le ressortissant de pays tiers peut séjourner en qualité de travailleur saisonnier est limitée à cent-cinquante jours par période de trois-cent-soixante jours, ce qui implique d'examiner la période de trois-cent-soixante jours précédant chaque jour de séjour.
Pour l'application de l'alinéa 1er, la date d'entrée est considérée comme le premier jour de séjour sur le territoire et la date de sortie est considérée comme le dernier jour de séjour sur le territoire. La totalité des périodes de séjour autorisées en qualité de travailleur saisonnier sont prises en considération pour le calcul de la durée du séjour, y compris la ou les périodes de séjour effectuées au titre d'un court séjour.
Le Roi peut préciser la manière dont est calculée la durée maximale du séjour en qualité de travailleurs saisonnier. Il peut abroger, remplacer ou compléter les modalités prévues aux alinéas 1er et 2, pour se conformer au droit de l'Union.".
Art.30. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 61/29-3 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-3. De Koning kan aan de bepalingen van dit hoofdstuk afwijken om de afgifte van het vereiste visum te vergemakkelijken voor de onderdanen van derde landen die in de loop van de vijf jaar die onmiddellijk aan de aanvraag voorafgaan reeds als seizoenarbeider op het grondgebied of in een andere lidstaat verbleven hebben en die de voorwaarden die gelden voor de seizoenarbeiders tijdens elk van hun verblijven nageleefd hebben. Hij kan de voorwaarden voor de toepassing van deze afwijkingen preciseren.".
"Art. 61/29-3. De Koning kan aan de bepalingen van dit hoofdstuk afwijken om de afgifte van het vereiste visum te vergemakkelijken voor de onderdanen van derde landen die in de loop van de vijf jaar die onmiddellijk aan de aanvraag voorafgaan reeds als seizoenarbeider op het grondgebied of in een andere lidstaat verbleven hebben en die de voorwaarden die gelden voor de seizoenarbeiders tijdens elk van hun verblijven nageleefd hebben. Hij kan de voorwaarden voor de toepassing van deze afwijkingen preciseren.".
Art.30. Dans la même section 2, il est inséré un article 61/29-3, rédigé comme suit :
"Art.61/29-3. Le Roi peut déroger aux dispositions du présent chapitre afin de faciliter la délivrance du visa requis en ce qui concerne les ressortissants de pays tiers qui ont déjà séjourné en qualité de travailleur saisonnier sur le territoire ou dans un autre Etat membre au cours des cinq années précédant immédiatement la demande et qui ont pleinement respecté, lors de chacun de leurs séjours, les conditions applicables aux travailleurs saisonniers. Il peut préciser les conditions d'application de ces dérogations.".
"Art.61/29-3. Le Roi peut déroger aux dispositions du présent chapitre afin de faciliter la délivrance du visa requis en ce qui concerne les ressortissants de pays tiers qui ont déjà séjourné en qualité de travailleur saisonnier sur le territoire ou dans un autre Etat membre au cours des cinq années précédant immédiatement la demande et qui ont pleinement respecté, lors de chacun de leurs séjours, les conditions applicables aux travailleurs saisonniers. Il peut préciser les conditions d'application de ces dérogations.".
Art.31. In hoofdstuk VIIIbis ingevoegd bij artikel 22, wordt een afdeling 3 ingevoegd, die de artikelen 61/29-4 tot 61/29-9 bevat, luidende :
"Afdeling 3. - Seizoenarbeidersvergunning."
"Afdeling 3. - Seizoenarbeidersvergunning."
Art.31. Dans le chapitre VIIIbis inséré par l'article 22, il est inséré une section 3, comprenant les articles 61/29-4 à 61/29-9, rédigée comme suit :
"Section 3. - Permis pour travailleur saisonnier."
"Section 3. - Permis pour travailleur saisonnier."
Art.32. In afdeling 3 ingevoegd bij artikel 31, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, die de artikelen 61/29-4 tot 61/29-7 bevat, luidende :
"Onderafdeling 1 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers."
"Onderafdeling 1 - Bepalingen met betrekking tot de gezamenlijke procedure met de overheid die bevoegd is voor de tewerkstelling van buitenlandse werknemers."
Art.32. Dans la section 3 insérée par l'article 31, il est inséré une sous-section 1, comportant les articles 61/29-4 à 61/29-7 rédigée comme suit :
"Sous-section 1re - Dispositions relatives à la procédure conjointe avec l'autorité compétente en matière d'occupation des travailleurs étrangers."
"Sous-section 1re - Dispositions relatives à la procédure conjointe avec l'autorité compétente en matière d'occupation des travailleurs étrangers."
Art.33. In onderafdeling 1 ingevoegd bij artikel 32, wordt een artikel 61/29-4 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-4. § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de bevoegde overheid, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
De aanvraag om te mogen werken geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
§ 2. Enkel de onderdaan van een derde land die zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt wanneer de aanvraag wordt ingediend of die zich in het geval bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, bevindt, is gemachtigd om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf krachtens dit artikel in te dienen.
§ 3. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
1° het bewijs van de betaling van de retributie die in artikel 1/1 voorzien wordt;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen.
§ 4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1, 2 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot zestig dagen verminderd indien de onderdaan van een derde land in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal gemachtigd werd om als seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en tijdens elk van deze verblijven de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft nageleefd.
De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot dertig dagen verminderd indien de aanvraag wordt ingediend door een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
§ 5. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de toekenning van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten.
§ 6. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geïnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
§ 7. Indien de duur gedurende dewelke de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.
§ 8. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven.".
"Art. 61/29-4. § 1. De onderdaan van een derde land die, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied wenst te verblijven dient een aanvraag in bij de bevoegde overheid, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
De aanvraag om te mogen werken geldt als aanvraag voor een verblijfsvergunning.
§ 2. Enkel de onderdaan van een derde land die zich buiten het grondgebied van de lidstaten bevindt wanneer de aanvraag wordt ingediend of die zich in het geval bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, bevindt, is gemachtigd om een aanvraag voor een machtiging tot verblijf krachtens dit artikel in te dienen.
§ 3. De volgende documenten worden aan de aanvraag toegevoegd :
1° het bewijs van de betaling van de retributie die in artikel 1/1 voorzien wordt;
2° de documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen.
§ 4. Overeenkomstig artikel 17, §§ 1, 2 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 neemt de minister of zijn gemachtigde ten laatste binnen negentig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag een beslissing met betrekking tot de machtiging tot verblijf.
De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot zestig dagen verminderd indien de onderdaan van een derde land in de loop van de voorafgaande vijf jaar ten minste eenmaal gemachtigd werd om als seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en tijdens elk van deze verblijven de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van buitenlandse werknemers en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen heeft nageleefd.
De in het eerste lid voorziene termijn wordt tot dertig dagen verminderd indien de aanvraag wordt ingediend door een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
§ 5. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de toekenning van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten.
§ 6. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geïnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
§ 7. Indien de duur gedurende dewelke de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument.
§ 8. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, worden de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven.".
Art.33. Dans la sous-section 1re insérée par l'article 32, il est inséré un article 61/29-4, rédigé comme suit :
"Art. 61/29-4. § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier introduit sa demande auprès de l'autorité compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de séjour.
§ 2. Seul le ressortissant de pays tiers qui se trouve en-dehors du territoire des Etats membres lors de l'introduction de la demande ou qui se trouve dans le cas visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, est autorisé à introduire une demande d'autorisation de séjour en vertu du présent article.
§ 3. Les documents suivants sont joints à la demande :
1° la preuve du paiement de la redevance prévue à l'article 1er/1er;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/29-8, § 1er.
§ 4. Conformément à l'article 17, §§ 1er, 2 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
Le délai prévu à l'alinéa 1er est réduit à soixante jours lorsque le ressortissant de pays tiers a déjà été autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq dernières années et a respecté, lors de chacun de ses séjours, la législation relative à l'occupation des travailleurs étrangers et la législation relative à l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers.
Le délai prévu à l'alinéa 1er est réduit à trente jours lorsque la demande est introduite par un ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3.
§ 5. Lors de l'examen de la demande, il est vérifié si l'intéressé remplit les conditions d'octroi. Une attention particulière est accordée à l'évaluation du risque d'immigration illégale ou du risque pour la sécurité des Etats membres que présenterait l'intéressé ainsi qu'à sa volonté de quitter le territoire des Etats membres au plus tard à la date d'expiration de son séjour.
§ 6. Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de traitement visé au paragraphe 4, le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers ou de son employeur qu'ils produisent des documents ou des renseignements complémentaires dans un délai de dix jours. Ils sont informés des documents ou des renseignements qu'ils doivent produire.
§ 7. Si la durée pendant laquelle le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, est autorisé à séjourné en qualité de travailleur saisonnier expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué dessus. Le Roi détermine les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.
§ 8. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
"Art. 61/29-4. § 1er. Le ressortissant de pays tiers qui souhaite séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier introduit sa demande auprès de l'autorité compétente sous la forme d'une demande d'autorisation de travail.
La demande d'autorisation de travail vaut demande d'autorisation de séjour.
§ 2. Seul le ressortissant de pays tiers qui se trouve en-dehors du territoire des Etats membres lors de l'introduction de la demande ou qui se trouve dans le cas visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, est autorisé à introduire une demande d'autorisation de séjour en vertu du présent article.
§ 3. Les documents suivants sont joints à la demande :
1° la preuve du paiement de la redevance prévue à l'article 1er/1er;
2° les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/29-8, § 1er.
§ 4. Conformément à l'article 17, §§ 1er, 2 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ministre ou son délégué prend une décision relative à l'autorisation de séjour au plus tard dans un délai de nonante jours suivant la notification du caractère complet de la demande.
Le délai prévu à l'alinéa 1er est réduit à soixante jours lorsque le ressortissant de pays tiers a déjà été autorisé à séjourner sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier au moins une fois au cours des cinq dernières années et a respecté, lors de chacun de ses séjours, la législation relative à l'occupation des travailleurs étrangers et la législation relative à l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers.
Le délai prévu à l'alinéa 1er est réduit à trente jours lorsque la demande est introduite par un ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3.
§ 5. Lors de l'examen de la demande, il est vérifié si l'intéressé remplit les conditions d'octroi. Une attention particulière est accordée à l'évaluation du risque d'immigration illégale ou du risque pour la sécurité des Etats membres que présenterait l'intéressé ainsi qu'à sa volonté de quitter le territoire des Etats membres au plus tard à la date d'expiration de son séjour.
§ 6. Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de traitement visé au paragraphe 4, le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers ou de son employeur qu'ils produisent des documents ou des renseignements complémentaires dans un délai de dix jours. Ils sont informés des documents ou des renseignements qu'ils doivent produire.
§ 7. Si la durée pendant laquelle le ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, est autorisé à séjourné en qualité de travailleur saisonnier expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué dessus. Le Roi détermine les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.
§ 8. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à séjourner et à travailler plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier, l'autorisation de travail et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
Art.34. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/29-5 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-5. § 1. Overeenkomstig artikel 21, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, dient de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te verlengen ten laatste een maand voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde overheid, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
§ 2. De documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen worden aan de aanvraag toegevoegd.
§ 3. Overeenkomstig artikel 17, §§ 3 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 wordt een beslissing met betrekking tot het feit of de machtiging tot verblijf al dan niet vernieuwd wordt ten laatste binnen een, niet verlengbare termijn van dertig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag genomen.
§ 4. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de vernieuwing van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten
§ 5. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geïnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
§ 6. Indien de duur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument
§ 7. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de vereiste arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider te verlengen.".
"Art. 61/29-5. § 1. Overeenkomstig artikel 21, § 1, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, dient de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is tot een verblijf van meer dan negentig dagen en die zijn verblijf in deze hoedanigheid wenst te verlengen ten laatste een maand voor het verstrijken van zijn verblijf een aanvraag in bij de bevoegde overheid, in de vorm van een aanvraag voor een arbeidsvergunning.
§ 2. De documenten die toelaten de voorwaarden bedoeld in artikel 61/29-8, § 1, vast te stellen worden aan de aanvraag toegevoegd.
§ 3. Overeenkomstig artikel 17, §§ 3 en 4, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018 wordt een beslissing met betrekking tot het feit of de machtiging tot verblijf al dan niet vernieuwd wordt ten laatste binnen een, niet verlengbare termijn van dertig dagen na de kennisgeving van het volledig karakter van de aanvraag genomen.
§ 4. Tijdens het onderzoek van de aanvraag wordt nagegaan of de betrokkene de voorwaarden voor de vernieuwing van de machtiging tot verblijf vervult. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan de evaluatie van het risico op illegale immigratie of het risico dat de betrokkene voor de veiligheid van de lidstaten zou vormen, en aan zijn intentie om het grondgebied van de lidstaten ten laatste op de datum waarop zijn verblijf verstrijkt te verlaten
§ 5. Ten laatste vijftien dagen voor het verstrijken van de in paragraaf 4 bedoelde behandelingstermijn kan de minister of zijn gemachtigde van de onderdaan van een derde land of zijn werkgever eisen dat ze binnen een termijn van tien dagen aanvullende documenten of inlichtingen voorleggen. Ze worden geïnformeerd over de documenten of de inlichtingen die ze moeten voorleggen.
§ 6. Indien de duur gedurende dewelke de betrokkene tot een verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider gemachtigd is tijdens het onderzoek van de aanvraag verstrijkt, ontvangt hij een document dat zijn verblijf voorlopig dekt, totdat er een beslissing over wordt genomen. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels van de afgifte van het verblijfsdocument
§ 7. Overeenkomstig artikel 33 van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 worden de vereiste arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte aan de betrokkene betekend, indien hij gemachtigd is om zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider te verlengen.".
Art.34. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 61/29-5, rédigé comme suit :
"Art. 61/29-5. § 1er. Conformément à l'article 21, § 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier pendant plus de nonante jours en application de l'article 61/29-4 et qui souhaite prolonger son séjour en cette qualité introduit une demande sous la forme d'une demande d'autorisation de travail auprès de l'autorité compétente au plus tard un mois avant l'expiration de son séjour.
§ 2. Les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/29-8, § 1er, sont joints à la demande.
§ 3. Conformément à l'article 17, §§ 3 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, une décision concernant le renouvellement ou non de l'autorisation de séjour est prise au plus tard dans un délai de trente jours, non prorogeable, suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 4. Lors de l'examen de la demande, il est vérifié si l'intéressé remplit les conditions de renouvellement de l'autorisation de séjour et une attention particulière est accordée à l'évaluation du risque d'immigration illégale ou du risque pour la sécurité des Etats membres que présenterait l'intéressé ainsi qu'à sa volonté de quitter le territoire des Etats membres au plus tard à la date d'expiration de son séjour.
§ 5. Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de traitement visé au paragraphe 4, le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers ou de son employeur qu'ils produisent des documents ou des renseignements complémentaires dans un délai de dix jours. Ils sont informés des documents ou des renseignements qu'ils doivent produire.
§ 6. Si la durée pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué dessus. Le Roi détermine les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.
§ 7. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à prolonger son séjour en qualité de travailleur saisonnier, l'autorisation de travail requise et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
"Art. 61/29-5. § 1er. Conformément à l'article 21, § 1er, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier pendant plus de nonante jours en application de l'article 61/29-4 et qui souhaite prolonger son séjour en cette qualité introduit une demande sous la forme d'une demande d'autorisation de travail auprès de l'autorité compétente au plus tard un mois avant l'expiration de son séjour.
§ 2. Les documents permettant d'établir les conditions visées à l'article 61/29-8, § 1er, sont joints à la demande.
§ 3. Conformément à l'article 17, §§ 3 et 4, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, une décision concernant le renouvellement ou non de l'autorisation de séjour est prise au plus tard dans un délai de trente jours, non prorogeable, suivant la notification du caractère complet de la demande.
§ 4. Lors de l'examen de la demande, il est vérifié si l'intéressé remplit les conditions de renouvellement de l'autorisation de séjour et une attention particulière est accordée à l'évaluation du risque d'immigration illégale ou du risque pour la sécurité des Etats membres que présenterait l'intéressé ainsi qu'à sa volonté de quitter le territoire des Etats membres au plus tard à la date d'expiration de son séjour.
§ 5. Au plus tard quinze jours avant l'expiration du délai de traitement visé au paragraphe 4, le ministre ou son délégué peut exiger du ressortissant de pays tiers ou de son employeur qu'ils produisent des documents ou des renseignements complémentaires dans un délai de dix jours. Ils sont informés des documents ou des renseignements qu'ils doivent produire.
§ 6. Si la durée pendant laquelle l'intéressé est autorisé à séjourner en qualité de travailleur saisonnier expire durant l'examen de la demande, il lui est délivré un document qui couvre provisoirement son séjour jusqu'à ce qu'il soit statué dessus. Le Roi détermine les conditions et les modalités de délivrance du document de séjour.
§ 7. Conformément à l'article 33 de l'accord de coopération du 2 février 2018, si l'intéressé est autorisé à prolonger son séjour en qualité de travailleur saisonnier, l'autorisation de travail requise et l'autorisation de séjour lui sont notifiées sous la forme d'un acte administratif unique.".
Art.35. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/29-6 ingevoegd, luidende :
"Art.61/29-6. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land :
1° de beslissingen die een einde maken aan de door de bevoegde overheid uitgevaardigde arbeidsvergunning;
2° de beslissingen tot weigering van de machtiging van verblijf, om de machtiging tot verblijf niet te vernieuwen of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf, die krachtens deze afdeling genomen worden;
3° de beslissing tot toekenning of vernieuwing van de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden die voorzien worden door het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°. ".
"Art.61/29-6. De minister of zijn gemachtigde betekent de volgende beslissingen aan de onderdaan van een derde land :
1° de beslissingen die een einde maken aan de door de bevoegde overheid uitgevaardigde arbeidsvergunning;
2° de beslissingen tot weigering van de machtiging van verblijf, om de machtiging tot verblijf niet te vernieuwen of die een einde maken aan de machtiging tot verblijf, die krachtens deze afdeling genomen worden;
3° de beslissing tot toekenning of vernieuwing van de arbeidsvergunning en de machtiging tot verblijf in de vorm van een gecombineerde administratieve akte.
In de gevallen en onder de voorwaarden die voorzien worden door het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 informeert de minister of zijn gemachtigde de werkgever over de beslissingen bedoeld in het eerste lid, 1° en 3°. ".
Art.35. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 61/29-6, rédigé comme suit :
"Art.61/29-6. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers :
1° les décisions mettant fin à l'autorisation de travail prises par l'autorité compétente;
2° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de non-renouvellement ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente section;
3° les décisions d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Le ministre ou son délégué informe l'employeur des décisions visées à l'alinéa 1er, 1° et 3°, dans les cas et conditions prévues par l'accord de coopération du 2 février 2018.".
"Art.61/29-6. Le ministre ou son délégué notifie les décisions suivantes au ressortissant de pays tiers :
1° les décisions mettant fin à l'autorisation de travail prises par l'autorité compétente;
2° les décisions de refus de l'autorisation de séjour, de non-renouvellement ou mettant fin à l'autorisation de séjour prises en vertu de la présente section;
3° les décisions d'octroi ou de renouvellement de l'autorisation de travail et de l'autorisation de séjour sous la forme d'un acte administratif unique.
Le ministre ou son délégué informe l'employeur des décisions visées à l'alinéa 1er, 1° et 3°, dans les cas et conditions prévues par l'accord de coopération du 2 février 2018.".
Art.36. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 61/29-7 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-7. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en de artikelen 18, tweede lid, en 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, op zijn verzoek, een visum lang verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid wordt afgegeven, overeenkomstig de verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel afgegeven aan de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4 gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en te werken.
§ 2. Wanneer het visum wordt afgegeven aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, is de geldigheidsduur van het visum gelijk aan de toegestane duur van zijn verblijf. Deze onderdaan wordt onder dekking van zijn paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel en het geldig visum dat met toepassing van paragraaf 1 aan hem werd afgegeven tot een verblijf op het grondgebied gemachtigd.
Behalve in geval van een door de Koning voorziene afwijking wordt de in het eerste lid bedoelde onderdaan van een derde land niet in het vreemdelingenregister ingeschreven. De Koning kan hem onderwerpen aan andere nadere regels voor de inschrijving of de registratie die door Hem bepaald worden, met name in het wachtregister.
§ 3. Overeenkomstig artikel 18, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, op zijn verzoek, een seizoenarbeidersvergunning aan hem afgegeven. De geldigheidsduur van de seizoenarbeidersvergunning is gelijk aan de duur van de machtiging tot verblijf.
Het eerste lid is niet van toepassing aan de onderdaan van een derde land bedoeld in paragraaf 2.
§ 4. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/29-5 wordt de seizoenarbeidersvergunning of het visum lang verblijf waarvan de onderdaan van een derde land houder is verlengd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.
§ 5. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot de inschrijving van de betrokkene en de afgifte en de vernieuwing van het visum en de seizoenarbeidersvergunning.".
"Art. 61/29-7. § 1. Overeenkomstig artikel 34, tweede lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, en de artikelen 18, tweede lid, en 21, § 2, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt, op zijn verzoek, een visum lang verblijf met een vermelding dat het met het oog op seizoenarbeid wordt afgegeven, overeenkomstig de verordening (EG) nr. 1683/95 van de Raad van 29 mei 1995 betreffende de invoering van een uniform visummodel afgegeven aan de onderdaan van een derde land die met toepassing van artikel 61/29-4 gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het grondgebied te verblijven en te werken.
§ 2. Wanneer het visum wordt afgegeven aan een onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid, is de geldigheidsduur van het visum gelijk aan de toegestane duur van zijn verblijf. Deze onderdaan wordt onder dekking van zijn paspoort of de daarmee gelijkgestelde reistitel en het geldig visum dat met toepassing van paragraaf 1 aan hem werd afgegeven tot een verblijf op het grondgebied gemachtigd.
Behalve in geval van een door de Koning voorziene afwijking wordt de in het eerste lid bedoelde onderdaan van een derde land niet in het vreemdelingenregister ingeschreven. De Koning kan hem onderwerpen aan andere nadere regels voor de inschrijving of de registratie die door Hem bepaald worden, met name in het wachtregister.
§ 3. Overeenkomstig artikel 18, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de onderdaan van een derde land die gemachtigd is om meer dan negentig dagen op het grondgebied in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken en te verblijven, in het vreemdelingenregister ingeschreven en wordt, op zijn verzoek, een seizoenarbeidersvergunning aan hem afgegeven. De geldigheidsduur van de seizoenarbeidersvergunning is gelijk aan de duur van de machtiging tot verblijf.
Het eerste lid is niet van toepassing aan de onderdaan van een derde land bedoeld in paragraaf 2.
§ 4. In geval van vernieuwing van het verblijf met toepassing van artikel 61/29-5 wordt de seizoenarbeidersvergunning of het visum lang verblijf waarvan de onderdaan van een derde land houder is verlengd met een duur die gelijk is aan de toegestane duur van zijn verblijf.
§ 5. De Koning bepaalt de voorwaarden en de nadere regels met betrekking tot de inschrijving van de betrokkene en de afgifte en de vernieuwing van het visum en de seizoenarbeidersvergunning.".
Art.36. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 61/29-7, rédigé comme suit :
"Art. 61/29-7. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et aux articles 18, alinéa 2, et 21, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, un visa de long séjour comportant une mention indiquant qu'il est délivré aux fins d'un travail saisonnier, conformément au règlement (CE) n° 1683/95 du Conseil, du 29 mai 1995, établissant un modèle type de visa est délivré au ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier en application de l'article 61/29-4, à sa demande.
§ 2. Lorsque le visa est délivré à un ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, sa durée de validité est égale à la durée autorisée de son séjour. Celui-ci est autorisé à séjourner sur le territoire sous le couvert de son passeport ou du titre de voyage en tenant lieu et du visa qui lui a été délivré en application du paragraphe 1er, en cours de validité.
Sauf dérogation prévue par le Roi, le ressortissant de pays tiers visé à l'alinéa 1er n'est pas inscrit au registre des étrangers. Le Roi peut le soumettre à d'autres modalités d'inscription ou d'enregistrement déterminées par Lui, notamment dans le registre d'attente.
§ 3. Conformément à l'article 18, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier est inscrit au registre des étrangers et un permis pour travailleur saisonnier lui est délivré, à sa demande. La durée de validité du permis pour travailleur saisonnier est égale à la durée de l'autorisation de séjour.
L'alinéa 1er ne s'applique pas au ressortissant de pays tiers visé au paragraphe 2.
§ 4. En cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/29-5, le permis pour travailleur saisonnier ou le visa de long séjour dont le ressortissant de pays tiers est titulaire est prolongé d'une durée égale à la durée autorisée de son séjour.
§ 5. Le Roi détermine les conditions et les modalités relatives à l'inscription de l'intéressé et à la délivrance et au renouvellement du visa et du permis pour travailleur saisonnier.".
"Art. 61/29-7. § 1er. Conformément à l'article 34, alinéa 2, de l'accord de coopération du 2 février 2018, et aux articles 18, alinéa 2, et 21, § 2, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, un visa de long séjour comportant une mention indiquant qu'il est délivré aux fins d'un travail saisonnier, conformément au règlement (CE) n° 1683/95 du Conseil, du 29 mai 1995, établissant un modèle type de visa est délivré au ressortissant de pays tiers qui est autorisé à séjourner et à travailler sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier en application de l'article 61/29-4, à sa demande.
§ 2. Lorsque le visa est délivré à un ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3, sa durée de validité est égale à la durée autorisée de son séjour. Celui-ci est autorisé à séjourner sur le territoire sous le couvert de son passeport ou du titre de voyage en tenant lieu et du visa qui lui a été délivré en application du paragraphe 1er, en cours de validité.
Sauf dérogation prévue par le Roi, le ressortissant de pays tiers visé à l'alinéa 1er n'est pas inscrit au registre des étrangers. Le Roi peut le soumettre à d'autres modalités d'inscription ou d'enregistrement déterminées par Lui, notamment dans le registre d'attente.
§ 3. Conformément à l'article 18, alinéa 3, de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, le ressortissant de pays tiers autorisé à travailler et à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier est inscrit au registre des étrangers et un permis pour travailleur saisonnier lui est délivré, à sa demande. La durée de validité du permis pour travailleur saisonnier est égale à la durée de l'autorisation de séjour.
L'alinéa 1er ne s'applique pas au ressortissant de pays tiers visé au paragraphe 2.
§ 4. En cas de renouvellement du séjour en application de l'article 61/29-5, le permis pour travailleur saisonnier ou le visa de long séjour dont le ressortissant de pays tiers est titulaire est prolongé d'une durée égale à la durée autorisée de son séjour.
§ 5. Le Roi détermine les conditions et les modalités relatives à l'inscription de l'intéressé et à la délivrance et au renouvellement du visa et du permis pour travailleur saisonnier.".
Art.37. In afdeling 3 ingevoegd bij artikel 31, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd die de artikelen 61/29-8 en 61/29-9 bevat, luidende :
"Onderafdeling 2. - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider."
"Onderafdeling 2. - Bepalingen met betrekking tot de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider."
Art.37. Dans la section 3 insérée par l'article 31, il est inséré une sous-section 2, comprenant les articles 61/29-8 et 61/29-9, intitulée :
"Sous-section 2 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjour en qualité de travailleur saisonnier."
"Sous-section 2 - Dispositions relatives à l'autorisation de séjour en qualité de travailleur saisonnier."
Art.38. In onderafdeling 2 ingevoegd bij artikel 37, wordt een artikel 61/29-8 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-8. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de paragrafen 2 en 3 en van artikel 61/29-9 wordt de onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/29-4 of 61/29-5 indient gemachtigd om, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
1° hij bewijst dat hij over een reisdocument of een daarmee gelijkgestelde reistitel, zoals bedoeld in artikel 61/29-1, eerste lid, 1°, beschikt;
2° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
3° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, beschikt;
4° hij bewijst dat hij over voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek beschikt;
5° hij een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
6° een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt, indien hij ouder is dan achttien jaar.
In geval van aanvraag om vernieuwing is de verplichting om de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, voor te leggen enkel van toepassing op de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid moet worden geleverd. Hij kan ook de voorwaarden bepalen waaraan de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, moeten voldoen.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider van meer dan negentig dagen toe te kennen of te vernieuwen indien :
1° de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voorzien in paragraaf 1;
2° de betrokkene zich in één van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10°, bedoelde gevallen bevindt;
3° de betrokkene langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft;
4° er redelijke twijfels bestaan met betrekking tot de authenticiteit van de bewijsstukken die ter ondersteuning van de aanvraag worden voorgelegd of de echtheid van hun inhoud, de betrouwbaarheid van de door de betrokkene afgelegde verklaringen of zijn intentie om het grondgebied te verlaten vooraleer de duur van het beoogde verblijf verstrijkt;
5° de vereiste aanvullende documenten of inlichtingen die niet binnen de voorgeschreven termijn voorgelegd werden.
De minister of zijn gemachtigde kan weigeren de machtiging tot verblijf van meer dan negentig dagen in de hoedanigheid van seizoenarbeider toe te kennen of te vernieuwen indien :
1° de betrokkene de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders of de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet nageleefd heeft tijdens een vorig verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het Belgisch grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat;
2° de betrokkene zijn aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn heeft ingediend.
Indien de documenten bedoeld in paragraaf 1, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of vernieuwen.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf van de onderdaan van een derde land die tot een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is, indien :
1° hij niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden die voorzien worden in paragraaf 1, 1° tot 4° ;
2° hij om andere redenen dan die waarvoor zijn verblijf werd toegestaan op het grondgebied verblijft;
3° hij langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
Er wordt met name rekening gehouden met het feit dat de betrokkene in de loop van de vijf jaar die aan zijn aanvraag voorafgingen al op het grondgebied verbleven heeft en tijdens elk van deze verblijven de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders heeft nageleefd, krachtens de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.".
"Art. 61/29-8. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van de paragrafen 2 en 3 en van artikel 61/29-9 wordt de onderdaan van een derde land die een aanvraag met toepassing van artikel 61/29-4 of 61/29-5 indient gemachtigd om, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, meer dan negentig dagen op het grondgebied te verblijven of om zijn verblijf in die hoedanigheid te verlengen, indien :
1° hij bewijst dat hij over een reisdocument of een daarmee gelijkgestelde reistitel, zoals bedoeld in artikel 61/29-1, eerste lid, 1°, beschikt;
2° hij bewijst dat hij voor de beoogde duur van het verblijf over toereikende bestaansmiddelen beschikt, om niet ten laste te vallen van de openbare overheden. Hierbij wordt met name rekening gehouden met de inkomsten die hij tijdens zijn verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider zal ontvangen;
3° hij bewijst dat hij over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, beschikt;
4° hij bewijst dat hij over voldoende huisvesting die voldoet aan de voorwaarden die gesteld worden aan een onroerend goed dat wordt verhuurd als hoofdverblijfplaats zoals bepaald in artikel 2 van Boek III, Titel VIII, Hoofdstuk II, Afdeling 2, van het Burgerlijk Wetboek beschikt;
5° hij een geneeskundig getuigschrift voorlegt waaruit blijkt dat hij niet lijdt aan één der in bijlage bij deze wet opgesomde ziekten;
6° een uittreksel uit het strafregister of een gelijkwaardig document voorlegt, indien hij ouder is dan achttien jaar.
In geval van aanvraag om vernieuwing is de verplichting om de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, voor te leggen enkel van toepassing op de onderdaan van een derde land bedoeld in artikel 61/29, § 5, derde lid.
De Koning kan de nadere regels bepalen volgens dewelke het bewijs van de voorwaarden bedoeld in het eerste lid moet worden geleverd. Hij kan ook de voorwaarden bepalen waaraan de documenten bedoeld in het eerste lid, 5° en 6°, moeten voldoen.
§ 2. De minister of zijn gemachtigde weigert de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider van meer dan negentig dagen toe te kennen of te vernieuwen indien :
1° de betrokkene niet voldoet aan de voorwaarden voorzien in paragraaf 1;
2° de betrokkene zich in één van de in artikel 3, eerste lid, 5° tot 10°, bedoelde gevallen bevindt;
3° de betrokkene langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft;
4° er redelijke twijfels bestaan met betrekking tot de authenticiteit van de bewijsstukken die ter ondersteuning van de aanvraag worden voorgelegd of de echtheid van hun inhoud, de betrouwbaarheid van de door de betrokkene afgelegde verklaringen of zijn intentie om het grondgebied te verlaten vooraleer de duur van het beoogde verblijf verstrijkt;
5° de vereiste aanvullende documenten of inlichtingen die niet binnen de voorgeschreven termijn voorgelegd werden.
De minister of zijn gemachtigde kan weigeren de machtiging tot verblijf van meer dan negentig dagen in de hoedanigheid van seizoenarbeider toe te kennen of te vernieuwen indien :
1° de betrokkene de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders of de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen niet nageleefd heeft tijdens een vorig verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider op het Belgisch grondgebied of op het grondgebied van een andere lidstaat;
2° de betrokkene zijn aanvraag niet binnen de voorgeschreven termijn heeft ingediend.
Indien de documenten bedoeld in paragraaf 1, 5° en 6°, niet kunnen worden voorgelegd kan de minister of zijn gemachtigde de machtiging tot verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, rekening houdend met de omstandigheden, echter toekennen of vernieuwen.
§ 3. De minister of zijn gemachtigde stelt een einde aan het verblijf van de onderdaan van een derde land die tot een verblijf van meer dan negentig dagen op het grondgebied, in de hoedanigheid van seizoenarbeider, gemachtigd is, indien :
1° hij niet of niet meer voldoet aan de verblijfsvoorwaarden die voorzien worden in paragraaf 1, 1° tot 4° ;
2° hij om andere redenen dan die waarvoor zijn verblijf werd toegestaan op het grondgebied verblijft;
3° hij langer dan de maximale toegestane duur van het verblijf in de hoedanigheid van seizoenarbeider, voorzien in artikel 61/29-2, verblijft.
§ 4. Elke beslissing die krachtens dit artikel genomen wordt, wordt genomen na een individueel onderzoek dat rekening houdt met alle omstandigheden die eigen zijn aan elk geval, met inbegrip van het belang van de onderdaan van een derde land, en met respect voor het evenredigheidsbeginsel.
Er wordt met name rekening gehouden met het feit dat de betrokkene in de loop van de vijf jaar die aan zijn aanvraag voorafgingen al op het grondgebied verbleven heeft en tijdens elk van deze verblijven de voorwaarden die van toepassing zijn op seizoenarbeiders heeft nageleefd, krachtens de wetgeving met betrekking tot de tewerkstelling van seizoenarbeiders en de wetgeving met betrekking tot de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.".
Art.38. Dans la sous-section 2 insérée par l'article 37, il est inséré un article 61/29-8, rédigé comme suit :
"Art. 61/29-8. § 1er. Sous réserve de l'application des paragraphes 2 et 3 et de l'article 61/29-9, le ressortissant de pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/29-4 ou 61/29-5, est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier ou à prolonger son séjour en cette qualité si :
1° il prouve qu'il dispose d'un passeport ou d'un titre de voyage en tenant lieu tel que visé à l'article 61/29-1, alinéa 1er, 1° ;
2° il prouve qu'il dispose de moyens de subsistance suffisants pour la durée du séjour envisagée afin de ne pas tomber à charge des pouvoirs public, compte tenu notamment des revenus qu'il percevra durant son séjour en tant que travailleur saisonnier;
3° il prouve qu'il dispose d'une assurance-maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique;
4° il prouve qu'il dispose d'un logement suffisant qui répond aux conditions auxquelles doit satisfaire un immeuble qui est donné en location à titre de résidence principale, conformément à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2, du Code civil;
5° il produit un certificat médical d'où il résulte qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe à la présente loi;
6° il produit un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, s'il est âgé de plus de dix-huit ans.
En cas de demande de renouvellement, l'obligation de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°, s'applique uniquement au ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3.
Le Roi peut déterminer les modalités suivant lesquelles la preuve des conditions visées à l'alinéa 1er, doit être apportée. Il peut aussi déterminer des conditions auxquelles doit satisfaire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse d'accorder l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de travailleur saisonnier ou de la renouveler si :
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er ;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé séjourne sur le territoire au-delà de la durée maximale autorisée de séjour en qualité de travailleur saisonnier, prévue à l'article 61/29- 2;
4° il existe des doutes raisonnables sur l'authenticité des documents justificatifs présentés à l'appui de la demande ou sur la véracité de leur contenu, sur la fiabilité des déclarations effectuées par l'intéressé ou sur sa volonté de quitter le territoire avant l'expiration de la durée du séjour envisagé;
5° les documents ou renseignements complémentaires requis n'ont pas été produits dans le délai prescrit.
Le ministre ou son délégué peut refuser d'accorder ou de renouveler l'autorisation de séjour de plus nonante jours en qualité de travailleur saisonnier si :
1° l'intéressé n'a pas respecté la législation sur l'occupation des travailleurs saisonniers ou la législation sur l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers lors d'un précédent séjour en qualité de travailleur saisonnier sur le territoire belge ou d'un autre Etat membre;
2° l'intéressé n'a pas introduit sa demande dans le délai prescrit.
En cas d'impossibilité de produire les documents visés au paragraphe 1er, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois accorder ou renouveler l'autorisation de séjour en tant que travailleur saisonnier, compte tenu des circonstances.
§ 3. Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier si :
1° il ne remplit pas ou plus les conditions de séjour prévue au paragraphe 1er, 1° à 4° ;
2° il séjourne sur le territoire à d'autres fins que celles pour lesquelles il a été autorisé à y séjourner;
3° il séjourne sur le territoire au-delà de la durée maximale autorisée de séjour en qualité de travailleur saisonnier, prévue à l'article 61/29- 2.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.
Il est tenu compte notamment du fait que l'intéressé a déjà séjourné sur le territoire durant les cinq années précédant sa demande et a respecté, lors de chacun de ses séjours, la législation sur l'occupation des travailleurs saisonniers et la législation sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.".
"Art. 61/29-8. § 1er. Sous réserve de l'application des paragraphes 2 et 3 et de l'article 61/29-9, le ressortissant de pays tiers qui introduit une demande en application de l'article 61/29-4 ou 61/29-5, est autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier ou à prolonger son séjour en cette qualité si :
1° il prouve qu'il dispose d'un passeport ou d'un titre de voyage en tenant lieu tel que visé à l'article 61/29-1, alinéa 1er, 1° ;
2° il prouve qu'il dispose de moyens de subsistance suffisants pour la durée du séjour envisagée afin de ne pas tomber à charge des pouvoirs public, compte tenu notamment des revenus qu'il percevra durant son séjour en tant que travailleur saisonnier;
3° il prouve qu'il dispose d'une assurance-maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique;
4° il prouve qu'il dispose d'un logement suffisant qui répond aux conditions auxquelles doit satisfaire un immeuble qui est donné en location à titre de résidence principale, conformément à l'article 2 du Livre III, Titre VIII, Chapitre II, Section 2, du Code civil;
5° il produit un certificat médical d'où il résulte qu'il n'est pas atteint d'une des maladies énumérées à l'annexe à la présente loi;
6° il produit un extrait de casier judiciaire ou un document équivalent, s'il est âgé de plus de dix-huit ans.
En cas de demande de renouvellement, l'obligation de produire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°, s'applique uniquement au ressortissant de pays tiers visé à l'article 61/29, § 5, alinéa 3.
Le Roi peut déterminer les modalités suivant lesquelles la preuve des conditions visées à l'alinéa 1er, doit être apportée. Il peut aussi déterminer des conditions auxquelles doit satisfaire les documents visés à l'alinéa 1er, 5° et 6°.
§ 2. Le ministre ou son délégué refuse d'accorder l'autorisation de séjour de plus de nonante jours en qualité de travailleur saisonnier ou de la renouveler si :
1° l'intéressé ne remplit pas les conditions prévues au paragraphe 1er ;
2° l'intéressé se trouve dans un des cas visés à l'article 3, alinéa 1er, 5° à 10° ;
3° l'intéressé séjourne sur le territoire au-delà de la durée maximale autorisée de séjour en qualité de travailleur saisonnier, prévue à l'article 61/29- 2;
4° il existe des doutes raisonnables sur l'authenticité des documents justificatifs présentés à l'appui de la demande ou sur la véracité de leur contenu, sur la fiabilité des déclarations effectuées par l'intéressé ou sur sa volonté de quitter le territoire avant l'expiration de la durée du séjour envisagé;
5° les documents ou renseignements complémentaires requis n'ont pas été produits dans le délai prescrit.
Le ministre ou son délégué peut refuser d'accorder ou de renouveler l'autorisation de séjour de plus nonante jours en qualité de travailleur saisonnier si :
1° l'intéressé n'a pas respecté la législation sur l'occupation des travailleurs saisonniers ou la législation sur l'accès au territoire, au séjour, à l'établissement et à l'éloignement des étrangers lors d'un précédent séjour en qualité de travailleur saisonnier sur le territoire belge ou d'un autre Etat membre;
2° l'intéressé n'a pas introduit sa demande dans le délai prescrit.
En cas d'impossibilité de produire les documents visés au paragraphe 1er, 5° et 6°, le ministre ou son délégué peut toutefois accorder ou renouveler l'autorisation de séjour en tant que travailleur saisonnier, compte tenu des circonstances.
§ 3. Le ministre ou son délégué met fin au séjour du ressortissant de pays tiers autorisé à séjourner plus de nonante jours sur le territoire en qualité de travailleur saisonnier si :
1° il ne remplit pas ou plus les conditions de séjour prévue au paragraphe 1er, 1° à 4° ;
2° il séjourne sur le territoire à d'autres fins que celles pour lesquelles il a été autorisé à y séjourner;
3° il séjourne sur le territoire au-delà de la durée maximale autorisée de séjour en qualité de travailleur saisonnier, prévue à l'article 61/29- 2.
§ 4. Toute décision prise en vertu du présent article est prise après un examen individuel, qui tient compte de l'ensemble des circonstances propres à chaque cas, en ce compris l'intérêt du ressortissant de pays tiers, et dans le respect du principe de proportionnalité.
Il est tenu compte notamment du fait que l'intéressé a déjà séjourné sur le territoire durant les cinq années précédant sa demande et a respecté, lors de chacun de ses séjours, la législation sur l'occupation des travailleurs saisonniers et la législation sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.".
Art.39. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 61/29-9 ingevoegd, luidende :
"Art. 61/29-9. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig de artikelen 3 en 19 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling word toegekend, beperkt tot de duur van de arbeidsvergunning, zonder langer te mogen zijn dan de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2.
§ 2. Overeenkomstig artikel 22 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, eindigt de machtiging tot verblijf die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling werd toegekend van rechtswege wanneer de betrokken onderdaan van een derde land niet meer gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken.".
"Art. 61/29-9. § 1. Overeenkomstig artikel 17, derde lid, van het samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018, wanneer de onderdaan van een derde land met toepassing van de bepalingen van dit hoofdstuk tot het verblijf wordt gemachtigd, is de machtiging tot verblijf enkel geldig als de bevoegde overheid een definitieve beslissing neemt waarbij de onderdaan van een derde land gemachtigd wordt om op het grondgebied van het Rijk te werken.
Overeenkomstig de artikelen 3 en 19 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, wordt de duur van de machtiging tot verblijf, die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling word toegekend, beperkt tot de duur van de arbeidsvergunning, zonder langer te mogen zijn dan de maximale duur voorzien in artikel 61/29-2.
§ 2. Overeenkomstig artikel 22 van het samenwerkingsakkoord van 6 december 2018, eindigt de machtiging tot verblijf die met toepassing van de bepalingen van deze afdeling werd toegekend van rechtswege wanneer de betrokken onderdaan van een derde land niet meer gemachtigd is om in de hoedanigheid van seizoenarbeider te werken.".
Art.39. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 61/29-9, rédigé comme suit :
"Art. 61/29-9. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour est valable uniquement si l'autorité compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément aux articles 3 et 19 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à la durée de l'autorisation de travail, sans pouvoir dépasser la durée maximale prévue à l'article 61/29-2.
§ 2. Conformément à l'article 22 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section prend fin de plein droit lorsque le ressortissant d'un pays tiers concerné n'est plus autorisé à travailler en qualité de travailleur saisonnier.".
"Art. 61/29-9. § 1er. Conformément à l'article 17, alinéa 3, de l'accord de coopération du 2 février 2018, lorsque le ressortissant d'un pays tiers est autorisé à séjourner en application des dispositions du présent chapitre, l'autorisation de séjour est valable uniquement si l'autorité compétente prend une décision définitive autorisant le ressortissant d'un pays tiers à travailler sur le territoire du Royaume.
Conformément aux articles 3 et 19 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, la durée de l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section est limitée à la durée de l'autorisation de travail, sans pouvoir dépasser la durée maximale prévue à l'article 61/29-2.
§ 2. Conformément à l'article 22 de l'accord de coopération du 6 décembre 2018, l'autorisation de séjour accordée en application des dispositions de la présente section prend fin de plein droit lorsque le ressortissant d'un pays tiers concerné n'est plus autorisé à travailler en qualité de travailleur saisonnier.".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire
Art. 40. De aanvragen voor een machtiging tot verblijf voor een verblijf van meer dan negentig dagen, met het oog op het uitoefenen van hooggekwalificeerd werk, die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet werden ingediend en die op die datum nog hangende zijn, worden overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die voor dezelfde datum van toepassing zijn behandeld.
Art. 40. Les demandes d'autorisations de séjour pour un séjour de plus de nonante jours afin d'occuper un travail hautement qualifié qui ont été introduites avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi et qui sont encore pendantes à cette date sont traitées conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables avant cette même date.