Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
3 MEI 2019. - Decreet houdende de havenkapiteinsdienst(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-07-2019 en tekstbijwerking tot 26-04-2024)
Titre
3 MAI 2019. - Décret portant la capitainerie de port(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-07-2019 et mise à jour au 26-04-2024)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (26)
Texte (26)
Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.
Article 1er. Le présent décret règle une matière régionale.
Art.2. In dit decreet wordt verstaan onder:
  1° het decreet van 2 maart 1999: het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens;
  2° havenbedrijf: een havenbedrijf als vermeld in artikel 2, 1°, van het decreet van 2 maart 1999;
  3° havengebied: een havengebied als vermeld in artikel 2, 4°, van het decreet van 2 maart 1999 [2 of indien het de toepassing van een havenverkeersverordening betreft een havengebied als vermeld in artikel 14bis, § 1, van het decreet van 2 maart 1999]2;
  4° havenpolitieverordening: een door het havenbedrijf uitgevaardigd reglement van bijzondere administratieve politie inzake de goederenbehandeling en opslag, het in- en ontschepen van passagiers, [1 de toegankelijkheid van en de verkeersafwikkeling in het havengebied, de vrijwaring van het milieu en de veiligheid van het havengebied en de regeling van de vrijheid van handel en nijverheid op het vlak van havengebonden dienstverlening]1;
  5° gezagvoerder: elke persoon aan wie het bevel over het vervoermiddel is toevertrouwd of die het feitelijke bevel voert;
  6° vervoermiddel: elk bemand of onbemand vaar- of voertuig over land, te water of in de lucht dat zich al dan niet op eigen krachten kan verplaatsen;
  7° lading: de vracht die door middel van een vervoermiddel wordt verplaatst, met inbegrip van het eventuele toebehoren en de verpakking;
  [3 8° havenverkeersverordening: een door de Vlaamse Regering vastgesteld reglement van bijzondere administratieve politie inzake het verkeer te land van havenvoertuigen in het havengebied;]3
  [3 9° havenvoertuig: een voertuig als vermeld in artikel 14bis, § 1, laatste lid, van het decreet van 2 maart 1999;]3
  [3 10° bevel: een onderrichting, aanwijzing, opdracht, of verbod gegeven of uitgevaardigd door een havenkapitein, haveninspecteur of havenagent ongeacht de wijze waarop dit gegeven wordt, of voorwaarden opgelegd in een door de havenkapiteinsdienst verleende vergunning of toelating.]3
  
Art.2. Dans le présent décret, on entend par :
  1° le décret du 2 mars 1999 : le décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes ;
  2° régie portuaire : une régie portuaire telle que visée à l'article 2, 1°, du décret du 2 mars 1999 ;
  3° zone portuaire : une zone portuaire telle que visée à l'article 2, 4°, du décret du 2 mars 1999 [2 ou s'il s'agit de l'application d'un règlement de trafic portuaire, une zone portuaire telle que visée à l'article 14bis, § 1, du décret du 2 mars 1999]2 ;
  4° règlement de police portuaire : un règlement de police administrative spéciale, émis par la régie portuaire, concernant la manutention et le stockage des marchandises, l'embarquement et le débarquement des passagers, [1 l'accessibilité et la gestion du trafic dans la zone portuaire, la conservation de l'environnement et la sécurité de la zone portuaire et le règlement de la liberté du commerce et de l'industrie au niveau des services liés aux ports]1 ;
  5° commandant : toute personne à qui le commandement sur le moyen de transport a été confié ou qui exerce le commandement effectif ;
  6° moyen de transport : tout navire ou véhicule, avec ou sans équipage, par terre, par eau ou par air, qui peut ou non se déplacer par ses propres moyens ;
  7° cargaison : la charge qui est transportée par un moyen de transport, y compris les accessoires et emballages éventuels;
  [3 8° règlement de circulation portuaire : un règlement du Gouvernement flamand de police administrative spéciale concernant la circulation terrestre des véhicules portuaires dans la zone portuaire ;]3
  [3 9° véhicule portuaire : un véhicule tel que visé à l'article 14bis, § 1, dernier alinéa, du décret du 2 mars 1999 ;]3
  [3 10° ordre : une instruction, désignation, ordre ou interdiction, délivré ou émis par un capitaine de port, un inspecteur portuaire ou un agent portuaire, quelle que soit la manière dont cette information est donnée, ou des conditions imposées dans une autorisation ou une admission délivrée par le service du capitaine de port.]3
  
Art.3. Dit decreet is van toepassing op de havenkapiteinsdienst die ressorteert onder een havenbedrijf.
Art.3. Le présent décret s'applique à la capitainerie de port qui relève d'une régie portuaire.
Art.4. [1 De havenkapiteinsdienst is belast met het nemen van alle maatregelen in uitvoering van de reglementen van bijzondere administratieve politie inzake onder meer:
   1° de goederenbehandeling en -opslag;
   2° het in- en ontschepen van passagiers;
   3° de toegankelijkheid van en de verkeersafwikkeling in het havengebied;
   4° de vrijwaring van het milieu en de veiligheid van het havengebied;
   5° de regeling van de vrijheid van handel en nijverheid op het vlak van havengebonden dienstverlening [2 en de havenverkeersverordeningen]2.]1

  Het havenbedrijf legt de havenpolitieverordeningen ter goedkeuring voor aan de Vlaamse Regering. Het besluit van de Vlaamse Regering houdende goedkeuring of weigering van de havenpolitieverordeningen wordt genomen binnen negentig dagen na ontvangst van het verzoek tot goedkeuring. Als binnen die termijn geen beslissing is genomen, wordt de goedkeuring geacht te zijn verworven. Nadat de goedkeuring is verworven of wordt geacht te zijn verworven, laat het havenbedrijf de vaststelling van havenpolitieverordeningen in het Belgisch Staatsblad bekendmaken. De havenpolitieverordeningen treden in werking op de dag van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.
  Het havenbedrijf bepaalt de betrokkenheid van de havenkapiteinsdienst bij de uitoefening van de havenbestuurlijke bevoegdheden, vermeld in artikel 2, 2°, van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, die niet behoren tot de bijzondere administratieve politie in het havengebied.
  
Art.4. [1 La capitainerie de port est chargée de prendre toutes les mesures en exécution des règlements de police administrative spéciale concernant notamment :
   1° la manutention et le stockage des marchandises ;
   2° l'embarquement et le débarquement des passagers ;
   3° l'accessibilité et la gestion du trafic dans la zone portuaire ;
   4° la conservation de l'environnement et la sécurité de la zone portuaire ;
   5° le règlement de la liberté du commerce et de l'industrie au niveau de services liés aux ports [2 et les règlements de circulation portuaire]2.]1

  La régie portuaire soumet les règlements de police portuaire à l'approbation du Gouvernement flamand. L'arrêté du Gouvernement flamand portant approbation ou refus des règlements de police portuaire est pris dans les nonante jours suivant la réception de la demande d'approbation. Si aucune décision n'est prise dans ce délai, l'approbation est censée être acquise. Après que l'approbation est acquise ou est censée acquise, la régie portuaire fait publier l'établissement de règlements de police portuaire au Moniteur belge. Les règlements de police portuaire entrent en vigueur le jour de leur publication au Moniteur belge.
  La régie portuaire détermine la participation de la capitainerie de port à l'exercice des compétences administratives portuaires, visées à l'article 2, 2°, du décret du 2 mars 1999 portant sur la politique et la gestion des ports maritimes, qui ne relèvent pas de la police administrative spéciale dans la zone portuaire.
  
Art.5. Het havenbedrijf bepaalt de werking van de havenkapiteinsdienst.
  Een havenbedrijf kan met andere instanties een overeenkomst sluiten met betrekking tot de samenwerking bij de uitvoering van politionele taken, onder meer wat de geografische afbakening van hun bevoegdheden of taakverdeling betreft. Een dergelijke overeenkomst, die in het Belgisch Staatsblad wordt gepubliceerd, heeft bindende kracht ten aanzien van derden.
Art.5. La régie portuaire détermine le fonctionnement de la capitainerie de port.
  Une régie portuaire peut conclure un accord avec d'autres instances concernant la coopération lors de l'exécution de tâches policières, entre autres en ce qui concerne la délimitation géographique de leurs compétences ou la répartition des tâches. Un tel accord, publié au Moniteur belge, a force obligatoire à l'égard des tiers.
Art.6. De personeelsleden van de havenkapiteinsdienst aan wie politionele bevoegdheden zijn toegekend, kunnen zowel statutaire als contractuele personeelsleden zijn.
Art.6. Les membres du personnel de la capitainerie de port auxquels des compétences policières ont été conférées peuvent être tant des membres du personnel statutaires que contractuels.
Art.7. In het kader van de activiteiten, vermeld in artikel 4, eerste lid, treden de personeelsleden van het havenbedrijf die behoren tot de havenkapiteinsdienst, onafhankelijk van het havenbedrijf op.
Art.7. Dans le cadre des activités visées à l'article 4, alinéa 1er, les membres du personnel de la régie portuaire appartenant à la capitainerie de port agissent indépendamment de la régie portuaire.
Art.8. Indien in het kader van een activiteit als vermeld in artikel 4, eerste lid, door een handeling, door een beslissing of door verzuim van een personeelslid van het havenbedrijf dat behoort tot de havenkapiteinsdienst, schade is veroorzaakt, is dat personeelslid niet aansprakelijk, tenzij opzet of grove schuld van het betrokken personeelslid kan worden aangetoond.
  Het personeelslid is tot het vergoeden van de door zijn grove schuld of opzet veroorzaakte schade slechts gehouden tot een beperkt bedrag per schadeverwekkende gebeurtenis. De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag, zonder dat dit hoger mag zijn dan 10.000 euro per schadeverwekkende gebeurtenis.
Art.8. Si, dans le cadre d'une activité telle que visée à l'article 4, alinéa 1er, un dommage a été causé par un acte, une décision ou une omission d'un membre du personnel de la régie portuaire appartenant à la capitainerie de port, ce membre du personnel n'est responsable à moins qu'il ne puisse être démontré que le dommage a été causé par une faute grave ou intentionnelle du membre du personnel concerné.
  Le membre du personnel n'est tenu de réparer les dommages causés par sa faute grave ou intentionnelle qu'à concurrence d'un montant limité pour chaque événement dommageable. Le Gouvernement flamand arrête le montant, qui ne peut dépasser 10.000 euros par événement dommageable.
Art.9. Elke havenkapiteinsdienst staat onder het gezag en de leiding van een of meer havenkapiteins, eventueel bijgestaan in hun ambtsplichten door havenluitenants, haveninspecteurs en havenagenten. Het havenbedrijf legt de functies vast die door personeelsleden met de rang van havenluitenant, haveninspecteur of havenagent moeten worden bekleed.
  Als verschillende havenkapiteins benoemd of aangesteld zijn, wijst het havenbedrijf de havenkapitein aan, aan wie de andere havenkapiteins ondergeschikt zijn.
Art.9. Chaque capitainerie de port est placée sous l'autorité et la direction d'un ou de plusieurs capitaines de port, éventuellement assistés dans les devoirs de leur fonction par des lieutenants de port, des inspecteurs de port et des agents de port. La régie portuaire détermine les fonctions à remplir par les membres du personnel ayant le rang de lieutenant de port, d'inspecteur de port ou d'agent de port.
  Si plusieurs capitaines de port ont été nommés ou désignés, la régie portuaire désigne le capitaine de port auquel les autres capitaines de port sont subordonnés.
Art.10. § 1. De havenkapiteins zijn bevoegd om ter uitvoering van de havenpolitieverordeningen [1 en de havenverkeersverordeningen]1 bevelen te geven, inbreuken vast te stellen en er proces-verbaal van op te stellen.
  Ze worden door het havenbedrijf benoemd of aangeworven, en ontslagen of uit hun functie ontheven. De beslissing van een havenbedrijf om een havenkapitein te ontslaan of uit zijn functie te ontheffen, is onderworpen aan de goedkeuring van de Vlaamse Regering [2 , met als uitzondering de beëindiging met het oog op pensionering]2. In afwachting van de goedkeuring daarvan wordt de havenkapitein tijdelijk uit zijn functie ontheven. Het besluit van de Vlaamse Regering houdende goedkeuring of weigering van ontslag of ontheffing uit de functie wordt genomen binnen negentig kalenderdagen na de ontvangst van het per aangetekende brief verstuurde verzoek tot goedkeuring van het ontslag of de ontheffing uit de functie. Als de Vlaamse Regering binnen die termijn geen beslissing heeft genomen, wordt de goedkeuring geacht te zijn verworven en is het ontslag of de ontheffing uit de functie definitief. Als de Vlaamse Regering het ontslag of de ontheffing uit de functie heeft goedgekeurd of als de termijn van negentig dagen is verstreken zonder dat de Vlaamse Regering een beslissing heeft genomen, gaat dat ontslag of die ontheffing uit de functie in op de datum van de beslissing van het havenbedrijf.
  De vereiste van een beslissing van de Vlaamse Regering, vermeld in het -tweede lid, vindt evenwel geen toepassing indien het gaat om een personeelslid dat in dienst is genomen met een arbeidsovereenkomst en ten aanzien van wie het havenbedrijf zich gehouden ziet tot een ontslag om dringende reden.
  § 2. Naast de bijzondere politiebevoegdheden, vermeld in artikel 4, eerste lid, en onverminderd de ambtsplichten die aan alle andere bevoegde officieren en agenten van gerechtelijke politie zijn opgelegd, kunnen de havenkapiteins de overtredingen van alle andere wetten en reglementen dan die, vermeld in artikel 4, eerste lid, alsmede alle andere misdrijven binnen het havengebied, opsporen, vaststellen en er proces-verbaal van opstellen.
  § 3. De havenkapiteins zijn, in de uitoefening van hun ambtsplichten, officieren van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings.
  § 4. Om benoemd te worden tot of aangeworven te worden als havenkapitein moet de kandidaat voldoen aan één van de volgende voorwaarden:
  1° houder zijn of geweest zijn van een STCW'95-certificaat van master voor zeeschepen met een brutotonnage van 3000 of meer, en houder zijn van een bachelor- of masterdiploma in de nautische wetenschappen;
  2° houder zijn van een brevet van kapitein ter lange omvaart;
  3° houder zijn van een diploma van licentiaat of master in de nautische wetenschappen, ten minste 24 maanden effectieve vaart verricht hebben als hoofd van de wacht op zeeschepen met een brutotonnage van 3000 of meer, en gedurende ten minste drie jaar een door het havenbedrijf als relevant omschreven ambt hebben uitgeoefend;
  4° officier zijn of geweest zijn bij de marine, ten minste 24 maanden effectieve vaart verricht hebben op zeeschepen met een brutotonnage van 3000 of meer en er een functie hebben uitgeoefend die direct betrekking had op het vaarwezen of de veiligheid van het schip in effectieve vaart.
  Alvorens in dienst te treden leggen de havenkapiteins de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg.
  § 5. Het havenbedrijf bepaalt de tuchtstraffen of sancties voor een havenkapitein. Het havenbedrijf kan tuchtstraffen of sancties, met uitzondering van ontslag of ontheffing uit de functie met toepassing van artikel 10, § 1, wegens een fout die werd begaan in de uitoefening van het ambt van gerechtelijke politie, alleen opleggen na een advies van de procureur-generaal dat het voorstel van het havenbedrijf daartoe goedkeurt.
  
Art.10. § 1er. Les capitaines des ports sont compétents pour donner des ordres, constater des infractions et en établir des procès-verbaux, en exécution des règlements de police portuaire [1 et des règlements de circulation portuaire]1.
  Ils sont nommés ou recrutés, et licenciés ou relevés de leur fonction par la régie portuaire. La décision d'une régie portuaire de licencier ou de relever un capitaine de port de sa fonction est soumise à l'approbation du Gouvernement flamand [2 , à l'exception de la cessation en vue de la retraite]2. En attendant l'approbation, le capitaine de port est temporairement suspendu de sa fonction. L'arrêté du Gouvernement flamand portant approbation ou refus du licenciement ou de la destitution de la fonction est pris dans les nonante jours calendaires suivant la réception de la demande d'approbation du licenciement ou de la destitution de la fonction, adressée par lettre recommandée. Si le Gouvernement flamand n'a pas pris de décision dans ce délai, l'approbation est censée être acquise et le licenciement ou la destitution de la fonction sont définitifs. Si le Gouvernement flamand a approuvé le licenciement ou la destitution de la fonction ou si le délai de nonante jours s'est écoulé sans que le Gouvernement flamand ait pris une décision, ce licenciement ou cette destitution de la fonction prend effet à la date de la décision de la régie portuaire.
  L'exigence d'une décision du Gouvernement flamand, visée à l'alinéa 2, ne s'applique toutefois pas lorsqu'il s'agit d'un membre du personnel qui a été engagé sous contrat de travail et à l'égard duquel la régie portuaire se voit obligée de procéder au licenciement pour motif impérieux.
  § 2. Outre les compétences policières particulières, visées à l'article 4, alinéa 1er, et sans préjudice des devoirs de la fonction imposés à tous les autres officiers et agents de police judiciaire compétents, les capitaines de port peuvent détecter, constater et établir des procès-verbaux sur les infractions à toutes les lois et réglementations autres que celles visées à l'article 4, alinéa 1er, ainsi que sur toutes les autres infractions dans la zone portuaire.
  § 3. Lors de l'exercice des devoirs de leur fonction, les capitaines de port sont des officiers de police judiciaire, des auxiliaires du procureur du Roi.
  § 4. Pour être nommé ou recruté comme capitaine de port, le candidat doit remplir l'une des conditions suivantes :
  1° être ou avoir été détenteur d'un Certificat de Master STCW'95 pour navires d'un tonnage brut de 3000 ou plus, et être détenteur d'un diplôme de bachelor ou de master en sciences nautiques ;
  2° être détenteur d'un brevet de capitaine au long cours ;
  3° être détenteur d'un diplôme de licencié ou de master en sciences nautiques, avoir effectué au moins 24 mois de navigation effective en tant que chef de quart à bord de navires au tonnage brut de 3000 ou plus et avoir exercé pendant au moins 3 ans une fonction jugée pertinente par la régie portuaire ;
  4° être ou avoir été officier de marine, avoir effectué au moins 24 mois de navigation effective à bord de navires au tonnage brut de 3000 ou plus, et y avoir exercé une fonction directement liée à la navigation ou à la sécurité du navire en navigation effective.
  Avant d'entrer en service, les capitaines de port prêtent serment devant le tribunal de première instance.
  § 5. La régie portuaire détermine les sanctions disciplinaires ou les sanctions pour un capitaine de port. La régie portuaire ne peut imposer des sanctions disciplinaires ou des sanctions, à l'exception du licenciement ou de la destitution de la fonction en application de l'article 10, § 1er, pour une erreur commise dans l'exercice de la fonction de police judiciaire, qu'après un avis du procureur général approuvant la proposition de la régie portuaire à cet effet.
  
Art.11. Voor zover de aard en de uitgebreidheid van de bevoegdheden van de havenkapiteinsdienst dat vereisen, kan het havenbedrijf havenluitenants aanwerven of benoemen. De havenluitenants werken onder het gezag van een havenkapitein. Ze staan de havenkapitein bij in al zijn ambtsplichten. Ze brengen over alle vastgestelde [1 inbreuken]1 verslag uit bij de havenkapitein, die proces-verbaal opmaakt.
  
Art.11. Dans la mesure où la nature et l'étendue des compétences de la capitainerie de port l'exigent, la régie portuaire peut recruter ou nommer des lieutenants de port. Les lieutenants du port travaillent sous l'autorité d'un capitaine de port. Ils assistent le capitaine de port dans tous les devoirs de sa fonction. Ils rendent compte au capitaine de port de toutes les infractions constatées, qui établit un procès-verbal.
  

Modifications

[2]pas en version françaiseArt.12.Dans la mesure où la nature et l'étendue des compétences de la capitainerie de port l'exigent, la régie portuaire peut recruter ou nommer des inspecteurs de port. La décision d'une régie portuaire de licencier ou de relever un inspecteur de port de sa fonction est soumise à l'avis du capitaine de port chargé de la direction de la capitainerie de port reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[2 , à l'exception de la cessation en vue de la retraite<span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span>.
[1]Les inspecteurs de port travaillent sous l'autorité d'un capitaine de port. Ils sont compétents pour donner des ordres, constater des infractions et en établir des procès-verbaux, en exécution des règlements de police portuaire reference-highlight#highlight mouseleave->reference-highlight#unhighlight"><span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap">[1 et des règlements de circulation portuaire<span class="ref-marker inline-block whitespace-nowrap"></span></span>.
Lors de l'exercice des devoirs de leur fonction dans le cadre de l'article 4, alinéa 1er, les inspecteurs de port sont des officiers de police judiciaire.
Pour être nommé ou recruté comme inspecteur de port, le candidat doit être détenteur d'un diplôme de master ou de licencié, ou avoir exercé pendant au moins 5 ans une fonction jugée pertinente par la régie portuaire.
Avant d'entrer en service, les inspecteurs portuaires prêtent serment devant le tribunal de première instance.
Les inspecteurs de port rendent compte de toutes les infractions autres que celles visées à l'article 4, alinéa 1er, au capitaine de port, qui peut établir un procès-verbal.
----------
Art.12. Voor zover de aard en de uitgebreidheid van de bevoegdheden van de havenkapiteinsdienst dat vereisen, kan het havenbedrijf haveninspecteurs aanwerven of benoemen. De beslissing van een havenbedrijf om een haveninspecteur te ontslaan of uit zijn functie te ontheffen is onderworpen aan het advies van de havenkapitein die de leiding heeft over de havenkapiteinsdienst [2 , met als uitzondering de beëindiging met het oog op pensionering]2.
  De haveninspecteurs werken onder het gezag van een havenkapitein. Ze zijn bevoegd om ter uitvoering van de havenpolitieverordeningen [1 en de havenverkeersverordeningen]1 bevelen te geven, inbreuken vast te stellen en er proces-verbaal van op te stellen.
  De haveninspecteurs zijn in de uitoefening van hun ambtsplichten in het kader van artikel 4, eerste lid, officieren van gerechtelijke politie.
  Om benoemd te worden tot of aangeworven te worden als haveninspecteur moet de kandidaat houder zijn van een master- of licentiaatsdiploma, of gedurende ten minste vijf jaar een door het havenbedrijf als relevant omschreven functie hebben uitgeoefend.
  Alvorens in dienst te treden leggen de haveninspecteurs de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg.
  De haveninspecteurs brengen over alle andere misdrijven dan die, vermeld in artikel 4, eerste lid, verslag uit bij de havenkapitein, die proces-verbaal kan opmaken.
  
Art. 12. Dans la mesure où la nature et l'étendue des compétences de la capitainerie de port l'exigent, la régie portuaire peut recruter ou nommer des inspecteurs de port. La décision d'une régie portuaire de licencier ou de relever un inspecteur de port de sa fonction est soumise à l'avis du capitaine de port chargé de la direction de la capitainerie de port [2 , à l'exception de la cessation en vue de la retraite]2.
  Les inspecteurs de port travaillent sous l'autorité d'un capitaine de port. Ils sont compétents pour donner des ordres, constater des infractions et en établir des procès-verbaux, en exécution des règlements de police portuaire [1 et des règlements de circulation portuaire]1.
  Lors de l'exercice des devoirs de leur fonction dans le cadre de l'article 4, alinéa 1er, les inspecteurs de port sont des officiers de police judiciaire.
  Pour être nommé ou recruté comme inspecteur de port, le candidat doit être détenteur d'un diplôme de master ou de licencié, ou avoir exercé pendant au moins 5 ans une fonction jugée pertinente par la régie portuaire.
  Avant d'entrer en service, les inspecteurs portuaires prêtent serment devant le tribunal de première instance.
  Les inspecteurs de port rendent compte de toutes les infractions autres que celles visées à l'article 4, alinéa 1er, au capitaine de port, qui peut établir un procès-verbal.
  
Art.13. § 1. Voor zover de aard en de uitgebreidheid van de bevoegdheden van de havenkapiteinsdienst dat vereisen, kan het havenbedrijf havenagenten aanwerven of benoemen. De beslissing van een havenbedrijf om een havenagent te ontslaan of uit zijn functie te ontheffen is onderworpen aan het advies van de havenkapitein die de leiding heeft over de havenkapiteinsdienst [2 , met als uitzondering de beëindiging met het oog op pensionering]2. De havenagenten werken onder het gezag van een havenkapitein of een haveninspecteur.
  Alvorens in dienst te treden leggen de havenagenten de eed af voor de rechtbank van eerste aanleg.
  § 2. De havenagenten zijn bevoegd om ter uitvoering van de havenpolitieverordeningen [1 en de havenverkeersverordeningen]1 bevelen te geven, inbreuken vast te stellen en er proces-verbaal van op te stellen. Die politiebevoegdheid is beperkt tot het domein van de taakomschrijving die het havenbedrijf voor de havenagent heeft opgesteld.
  § 3. De havenagenten kunnen het vervoermiddel waarvan een overtreder vermoedelijk gebruik heeft gemaakt, aanhouden tot de tussenkomst van een havenkapitein of een haveninspecteur, die ze onmiddellijk op de hoogte brengen. Het vervoermiddel kan vervolgens onder de voorwaarden, vermeld in artikel 18, worden doorzocht.
  
Art.14. Les procès-verbaux établis par les membres de la capitainerie de port, visés aux articles 10, 12 et 13, sont enregistrés à la capitainerie de port et mis à la disposition du procureur du Roi. Ces procès-verbaux font foi jusqu'à preuve du contraire.
  [1 De vaststellingen die de havenkapiteins, haveninspecteurs of havenagenten hebben gedaan met beeldmateriaal als vermeld in artikel 18, § 1, derde en vierde lid, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel als de voormelde vaststellingen het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal dat de volgende gegevens bevat:
   1° bij mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, de identiteit van het personeelslid dat het beeldmateriaal heeft gemaakt of de instructie daarvoor heeft gegeven;
   2° de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
   3° de identificatie van het technische hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
   4° een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal te zien is, en ook het verband met de vastgestelde inbreuk;
   5° een afdruk van het beeldmateriaal of, als dat onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, en ook een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dat beeldmateriaal te kunnen bekijken;
   6° als er verschillende afdrukken of dragers zijn, een nummering van die afdrukken of die dragers, die ook moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien]1
.
  
Art.14. De processen-verbaal die de leden van de havenkapiteinsdienst, vermeld in artikel 10, 12 en 13, hebben opgemaakt, worden op de havenkapiteinsdienst geregistreerd en ter beschikking gesteld van de procureur des Konings. De processen-verbaal gelden tot bewijs van het tegendeel.
  [1 De vaststellingen die de havenkapiteins, haveninspecteurs of havenagenten hebben gedaan met beeldmateriaal als vermeld in artikel 18, § 1, derde en vierde lid, hebben bewijskracht tot bewijs van het tegendeel als de voormelde vaststellingen het voorwerp uitmaken van een proces-verbaal dat de volgende gegevens bevat:
   1° bij mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, de identiteit van het personeelslid dat het beeldmateriaal heeft gemaakt of de instructie daarvoor heeft gegeven;
   2° de dag, de datum, het uur waarop en de exacte beschrijving van de plaats waar het beeldmateriaal is gemaakt;
   3° de identificatie van het technische hulpmiddel waarmee het beeldmateriaal is gemaakt;
   4° een beschrijving van wat op dat beeldmateriaal te zien is, en ook het verband met de vastgestelde inbreuk;
   5° een afdruk van het beeldmateriaal of, als dat onmogelijk is, een kopie ervan op een drager als bijlage bij het proces-verbaal, en ook een volledige opgave van alle nodige technische specificaties om de kopie van dat beeldmateriaal te kunnen bekijken;
   6° als er verschillende afdrukken of dragers zijn, een nummering van die afdrukken of die dragers, die ook moet voorkomen in de ermee overeenstemmende beschrijving, in het proces-verbaal, van wat op het beeldmateriaal is te zien]1
.
  
Art.15. [1 § 1. Mesures de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de police portuaire :
   1° quiconque commet une violation d'une obligation purement administrative, sera puni d'une amende de 25 à 1.000 euros. Les règlements de police portuaire déterminent quelles sont leurs prescriptions qui impliquent une obligation administrative ;
   2° quiconque ignore un ordre exprès d'un capitaine de port, d'un inspecteur de port ou d'un agent de port, sera puni d'une amende de 50 à 2500 euros ;
   3° le comportement intentionnel ou par manque de précaution ou de prudence, contraire aux règlements de police portuaire, sera puni d'une amende de 125 à 25.000 euros.
   4° si le comportement visé aux alinéas 1 à 3 compromettent ou peuvent compromettre la sécurité, l'environnement ou l'exploitation du port, il sera puni d'une amende de 250 à 50.000 euros.
   § 2. Dispositions de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de circulation portuaire :
   1° les violations des procédures administratives, ou les violations des exigences administratives sont punies d'une amende de 25 à 1 000 euros. Les règlements de circulation portuaire déterminent quelles sont ses dispositions qui contiennent des procédures et/ou des exigences administratives ;
   2° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire, sans mettre en danger la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 50 à 2 500 euros ;
   3° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire et qui peut compromettre la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 125 euros à 25 000 euros.]1

  
Art.15. [1 § 1. Sanctiebepalingen van toepassing op inbreuken op de bepalingen van de havenpolitieverordeningen:
   1° eenieder die een schending begaat van een louter administratieve verplichting, wordt gesanctioneerd met een geldboete van 25 euro tot 1000 euro. De havenpolitieverordeningen bepalen welke van hun voorschriften een administratieve verplichting inhouden;
   2° eenieder die een uitdrukkelijk bevel van een havenkapitein, een haveninspecteur of een havenagent negeert wordt gesanctioneerd met een geldboete van 50 euro tot 2500 euro;
   3° opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenpolitieverordeningen, worden gesanctioneerd met een geldboete van 125 euro tot 25.000 euro;
   4° als de gedragingen, vermeld in het eerste tot en met het derde lid, de veiligheid, het milieu of de exploitatie van de haven in het gedrang brengen of kunnen brengen, worden ze gesanctioneerd met een geldboete van 250 euro tot 50.000 euro.
   § 2. Sanctiebepalingen van toepassing op inbreuken op de bepalingen van de havenverkeersverordeningen:
   1° schendingen van administratieve procedures, of schendingen van administratieve vereisten worden gesanctioneerd met een geldboete van 25 euro tot 1000 euro. De havenverkeersverordeningen bepalen welke van hun voorschriften administratieve procedures en/of vereisten bevatten;
   2° de schending van een door de havenkapiteinsdienst opgelegd bevel, of opzettelijke of door gebrek aan voorzorg gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenverkeersverordeningen, zonder dat de veiligheid in het gedrang komt of schade aan de weginfrastructuur of kunstwerken en hun toebehoren wordt toegebracht, worden gesanctioneerd met een geldboete van 50 euro tot 2500 euro;
   3° de schending van een door de havenkapiteinsdienst opgelegd bevel of opzettelijke of door gebrek aan voorzorg gepleegde gedragingen die in strijd zijn met de havenverkeersverordeningen, waarbij de veiligheid in het gedrang kan komen of schade aan de weginfrastructuur of kunstwerken en hun toebehoren kan worden toegebracht, worden gesanctioneerd met een geldboete van 125 euro tot 25.000 euro.]1

  
Art. 15. [1 § 1. Mesures de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de police portuaire :
   1° quiconque commet une violation d'une obligation purement administrative, sera puni d'une amende de 25 à 1.000 euros. Les règlements de police portuaire déterminent quelles sont leurs prescriptions qui impliquent une obligation administrative ;
   2° quiconque ignore un ordre exprès d'un capitaine de port, d'un inspecteur de port ou d'un agent de port, sera puni d'une amende de 50 à 2500 euros ;
   3° le comportement intentionnel ou par manque de précaution ou de prudence, contraire aux règlements de police portuaire, sera puni d'une amende de 125 à 25.000 euros.
   4° si le comportement visé aux alinéas 1 à 3 compromettent ou peuvent compromettre la sécurité, l'environnement ou l'exploitation du port, il sera puni d'une amende de 250 à 50.000 euros.
   § 2. Dispositions de sanction applicables aux infractions aux dispositions des règlements de circulation portuaire :
   1° les violations des procédures administratives, ou les violations des exigences administratives sont punies d'une amende de 25 à 1 000 euros. Les règlements de circulation portuaire déterminent quelles sont ses dispositions qui contiennent des procédures et/ou des exigences administratives ;
   2° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire, sans mettre en danger la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 50 à 2 500 euros ;
   3° la violation d'un ordre imposé par la capitainerie de port ou le comportement intentionnel ou négligent contraire aux règlements de circulation portuaire et qui peut compromettre la sécurité ou causer des dommages aux infrastructures routières ou aux ouvrages d'art et à leurs accessoires, sont punies d'une amende de 125 euros à 25 000 euros.]1

  
Art.16. De bepalingen van boek I van het Strafwetboek zijn zonder uitzondering toepasselijk op de [1 inbreuken ]1 vermeld in artikel 15.
  
Art.17. § 1er.[1 Si une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 1° et 2°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 1° et 2° a été constatée, le capitaine de port, l'inspecteur de port ou l'agent de port peut proposer au contrevenant de payer immédiatement le montant d'une amende établie par le Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette perception immédiate, y compris le montant de l'amende à percevoir immédiatement, par rapport à la nature, l'ampleur et la gravité de l'infraction. Le montant pour la perception immédiate de l'amende pour une infraction individuelle ne dépasse pas 1 000 euros. Le Gouvernement flamand fixe également le montant maximum qui peut être payé dans le cadre d'une perception immédiate en cas de concours d'infractions, réel ou multiple.
   Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer cette amende et la manière dont ce paiement peut être effectué.]1

  § 2. [1 Dans la mesure où il s'agit d'une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 3° ou 4°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 3°, ou dans la mesure où il s'agit d'une infraction ou d'un concours d'infractions pour lesquelles la perception immédiate de l'amende en application du paragraphe 1 ne peut être proposée, le capitaine de port peut déterminer le montant de l'amende [2 et proposer un accord à l'amiable pour son paiement ]2. Cette amende ne peut excéder le montant maximal de l'amende visée à l'article 15, § 1, 3° et 4°, et § 2, 3°, majoré des décimes additionnels, et doit être proportionnée à la nature, à l'ampleur et à la gravité de l'infraction. Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer l'amende au plus tard et la manière dont ce paiement peut être effectué. Le délai de paiement fixé par le Gouvernement flamand est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.]1
  § 3. Si le contrevenant procède, en respectant les dispositions visées au paragraphes 1er et 2, au paiement de la somme qui y est mentionnée, ce paiement entraîne l'extinction de l'action publique, sauf si, dans un délai de trois mois à compter de la date du paiement, le ministère public informe le contrevenant de son intention de demander une sanction autre que l'amende imposée par le capitaine de port, l'inspecteur du port ou l'agent de port et sans préjudice du droit de la partie lésée de demander l'indemnisation des dommages causés devant le tribunal pénal.
  Le droit de proposer au contrevenant le paiement d'une amende dont le paiement entraîne l'extinction de l'action publique ne peut être exercé si le tribunal a déjà été saisi de l'affaire ou si le juge d'instruction a demandé l'ouverture d'une enquête.
  Si le contrevenant ne procède pas à temps au paiement, il est censé ne pas avoir accepté l'amende et il n'y a pas d'extinction de l'action publique.
  § 4. [1 En outre, le contrevenant peut être tenu de fournir une caution ou de payer une certaine somme afin de garantir le recouvrement éventuel des amendes et/ou des indemnisations auxquelles il peut être condamné. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet.
   En cas d'impossibilité ou de refus de se conformer à cette obligation, le moyen de transport avec lequel l'infraction a été commise peut être retenu par les capitaines de port.
   Dans ce cas, le motif du refus de sortie est notifié par écrit au commandant, ou bien au propriétaire ou au gestionnaire du moyen de transport retenu. Le risque et les frais pour le moyen de transport restent à la charge du contrevenant pendant la durée de la retenue. La retenue du moyen de transport est levée après justification de la fourniture de la caution ou du paiement de la somme à verser à titre de garantie, et du paiement des frais de conservation éventuels du moyen de transport.]1

  § 5. Si le ministère public intente l'action publique qui aboutit à la condamnation de l'intéressé, la somme prélevée ou garantie pour les amendes est imputée sur les frais de justice dus à l'Etat et sur l'amende prononcée. L'excédent éventuel est remboursé. Le moyen de transport retenu, le cas échéant, est libéré après le paiement des frais de justice et de l'amende prononcée, et après la justification du paiement des frais de conservation éventuels du moyen de transport.
  En cas d'acquittement, la somme prélevée est remboursée ou la somme garantie pour les amendes est libérée et le moyen de transport retenu, le cas échéant, est rendu.
  En cas de condamnation conditionnelle, la somme prélevée est remboursée ou la somme garantie pour les amendes est libérée après déduction des frais de justice. Le moyen de transport retenu, le cas échéant, est rendu après que les frais de justice ont été payés et que la preuve a été apportée que les frais de conservation éventuels du véhicule ont été payés.
  La somme garantie pour les amendes ou le véhicule saisi sont à nouveau libérés lorsque le ministère public décide de ne pas poursuivre, ou lorsque l'action publique est éteinte ou est prescrite.
  § 6. A la demande expresse de l'instance concernée, les capitaines de port retiennent également un moyen de transport à charge duquel demeurent des amendes ou autres créances de la Communauté flamande, de la Région flamande ou d'une régie portuaire non valablement cautionnées ou garanties. Dans ce cas, le motif de refus de sortie est notifié par écrit au commandant, ou bien au propriétaire ou au gestionnaire du moyen de transport retenu.
  [1 § 7. Lorsqu'une infraction au règlements de police portuaire ou au règlement de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne au nom de laquelle :
   1° le numéro OMI du navire de mer (OMI : Organisation maritime internationale) ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure (ENI : Numéro européen d'identification) est enregistré ;
   2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ;
   3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
   Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction et il doit fournir l'identité du commandant ou du conducteur indubitable. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
   § 8. Lorsqu'une infraction aux règlements de police portuaire ou au règlements de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne physique représentant en justice la personne morale, au nom de laquelle :
   1° le numéro OMI du navire de mer ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure est enregistré ;
   2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ; ou
   3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
   Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction. Il doit fournir l'identité du commandant ou conducteur indubitable au moment de l'infraction. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
   § 9. L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes et frais auxquels ses mandataires ou préposés ont été condamnés.
   § 10. Le donneur d'ordre et l'affréteur sont sanctionnés en application des dispositions de sanction prévues à l'article 15, § 2, s'ils ont donné des instructions ou des actes ayant conduit à une infraction au règlement de circulation portuaire.
   § 11. Le Gouvernement flamand fixe les autres modalités d'application relatives aux délais et à la procédure d'application des paragraphes 7 et 8.]1

  
Art.17. § 1. [1 Als een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 1° en 2°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 1° en 2°, werd vastgesteld, kan de havenkapitein, de haveninspecteur of de havenagent de overtreder voorstellen het bedrag van een door de Vlaamse Regering vastgestelde geldboete onmiddellijk te betalen.
   De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die onmiddellijke inning, waaronder het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete, in verhouding tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. Het bedrag voor onmiddellijke inning van de geldboete voor een individuele inbreuk bedraagt maximaal 1000 euro. De Vlaamse Regering bepaalt ook het maximumbedrag dat in het kader van een onmiddellijke inning kan worden betaald in geval van de eendaadse of meerdaadse samenloop van inbreuken.
   De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder die geldboete moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren.]1

  § 2. [1 Voor zover het gaat om een inbreuk als vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, of als vermeld in artikel 15, § 2, 3°, of voor zover het gaat om een inbreuk of een samenloop van inbreuken waarvoor geen onmiddellijke inning van de geldboete met toepassing van paragraaf 1 kan worden voorgesteld, kan de havenkapitein het bedrag van de geldboete bepalen [2 en voor de betaling ervan een minnelijke schikking voorstellen]2. Die geldboete mag niet meer bedragen dan het maximumbedrag van de geldboete, vermeld in artikel 15, § 1, 3° en 4°, en § 2, 3°, verhoogd met de opdeciemen, en moet in verhouding staan tot de aard, de omvang en de ernst van de inbreuk. De Vlaamse Regering bepaalt de termijn waarbinnen de overtreder de geldboete uiterlijk moet betalen en de wijze waarop die betaling kan gebeuren. De betalingstermijn die de Vlaamse Regering heeft vastgesteld, bedraagt ten minste vijftien dagen en ten hoogste drie maanden.]1
  § 3. Indien de overtreder met inachtneming van de bepalingen, vermeld in paragraaf 1 en 2, overgaat tot de betaling van de daarin vermelde som, heeft die betaling verval van strafvordering tot gevolg, behalve indien het openbaar ministerie binnen drie maanden, te rekenen vanaf de dag van de betaling, de overtreder op de hoogte brengt van zijn voornemen om een andere straf te vorderen dan de geldboete die de havenkapitein, de haveninspecteur of de havenagent heeft opgelegd en onverminderd het recht dat de benadeelde partij heeft om voor het strafgerecht de vergoeding van de veroorzaakte schade te eisen.
  Het recht om aan de overtreder de betaling van een geldboete voor te stellen waarvan de betaling de strafvordering doet vervallen, kan niet worden uitgeoefend als de zaak reeds bij de rechtbank aanhangig is gemaakt of als de onderzoeksrechter het instellen van een onderzoek heeft gevorderd.
  Indien de overtreder niet tijdig overgaat tot betaling, wordt hij geacht de geldboete niet te hebben aanvaard en is er geen verval van strafvordering.
  § 4. [1 De overtreder kan bovendien verplicht worden een borg te stellen of een bepaalde som te storten als waarborg voor de eventuele invordering van de geldboeten en/of schadevergoedingen waartoe hij kan worden veroordeeld. De Vlaamse Regering stelt hiervoor de nadere regels vast.
   Bij onmogelijkheid of weigering om aan die verplichting te voldoen kan het vervoermiddel waarmee de overtreding begaan werd, door de havenkapiteins aangehouden worden.
   In dat geval wordt de gezagvoerder, dan wel de eigenaar of beheerder van het aangehouden vervoermiddel schriftelijk op de hoogte gebracht van de reden van de weigering tot vertrek. Het risico en de kosten voor het vervoermiddel blijven tijdens de duur van de aanhouding ten laste van de overtreder. De aanhouding van het vervoermiddel wordt opgeheven nadat het bewijs geleverd werd dat de borg werd gesteld of de som die als waarborg moet worden gegeven, werd gestort en de eventuele bewaringskosten van het vervoermiddel betaald werden.]1

  § 5. Indien het openbaar ministerie de strafvordering instelt en dat leidt tot een veroordeling van de betrokkene, wordt de geheven of de gewaarborgde som voor de geldboetes toegerekend op de aan de Staat verschuldigde gerechtskosten en op de uitgesproken geldboete. Het eventuele overschot wordt terugbetaald. Het in voorkomend geval aangehouden vervoermiddel wordt vrijgegeven na betaling van de gerechtskosten en de uitgesproken geldboete, en nadat het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het vervoermiddel betaald zijn.
  In geval van vrijspraak wordt de geheven som terugbetaald of wordt de gewaarborgde som voor de geldboetes vrijgegeven, en wordt het in voorkomend geval aangehouden vervoermiddel teruggegeven.
  In geval van voorwaardelijke veroordeling wordt de geheven som terugbetaald of wordt de gewaarborgde som voor de geldboetes vrijgegeven na aftrek van de gerechtskosten. Het in voorkomend geval aangehouden vervoermiddel wordt teruggegeven nadat de gerechtskosten betaald zijn en het bewijs geleverd wordt dat de eventuele bewaringskosten van het voertuig betaald zijn.
  De gewaarborgde som voor de geldboetes of het in beslag genomen voertuig wordt opnieuw vrijgegeven nadat het openbaar ministerie beslist heeft geen vervolging in te stellen, of als de strafvordering vervallen of verjaard is.
  § 6. De havenkapiteins houden op expliciet verzoek van de betrokken instantie ook een vervoermiddel aan ten laste waarvan geldboeten of andere schuldvorderingen van de Vlaamse Gemeenschap, van het Vlaamse Gewest of van een havenbedrijf die niet deugdelijk werden gewaarborgd, zijn blijven bestaan. In dat geval wordt de gezagvoerder, dan wel de eigenaar of beheerder van het aangehouden vervoermiddel schriftelijk op de hoogte gebracht van de reden waarom het vervoermiddel niet mag vertrekken.
  [1 § 7. Wanneer een inbreuk op de havenpolitieverordeningen of de havenverkeersverordeningen is begaan met een vaartuig of een (haven)voertuig dat is ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de gezagvoerder respectievelijk de bestuurder bij de vaststelling van de inbreuk niet werd geïdentificeerd, wordt verondersteld dat de inbreuk is begaan door diegene op wiens naam:
   1° het IMO-nummer van het zeeschip (IMO: Internationale Maritieme Organisatie) of het ENI-nummer van het binnenschip (ENI: European Number of Identification) is geregistreerd;
   2° de kentekenplaat van het voertuig is geregistreerd;
   3° het havenvoertuig bij de havenkapiteinsdienst geregistreerd is als eigenaar van het havenvoertuig.
   Deze veronderstelde overtreder kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de gezagvoerder van het vaartuig of de bestuurder van het (haven)voertuig was op het ogenblik van de inbreuk en hij moet de identiteit van de onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder meedelen. De onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder wordt dan beschouwd als aangeduide overtreder.
   § 8. Wanneer een inbreuk op de havenpolitieverordeningen of de havenverkeersverordeningen is begaan met een vaartuig of een (haven)voertuig dat is geregistreerd op naam van een rechtspersoon, en de gezagvoerder respectievelijk de bestuurder bij de vaststelling van de inbreuk niet werd geïdentificeerd, wordt verondersteld dat de inbreuk is begaan door de natuurlijke persoon die in rechte de rechtspersoon vertegenwoordigt, op wiens naam:
   1° het IMO-nummer van het zeeschip of het ENI-nummer van het binnenschip is geregistreerd;
   2° de kentekenplaat van het voertuig is geregistreerd; of
   3° het havenvoertuig bij de havenkapiteinsdienst geregistreerd is als eigenaar van het havenvoertuig.
   Deze veronderstelde overtreder kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de gezagvoerder van het vaartuig of de bestuurder van het (haven)voertuig was op het ogenblik van de inbreuk. Hij moet de identiteit meedelen van de onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder op het ogenblik van de inbreuk. De onmiskenbare gezagvoerder of bestuurder wordt dan beschouwd als aangeduide overtreder.
   § 9. De werkgever is burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboetes en kosten waartoe zijn lasthebbers of aangestelden zijn veroordeeld.
   § 10. De opdrachtgever en de verlader worden met toepassing van de sanctiebepalingen voorzien in artikel 15, § 2, beboet als ze instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die hebben geleid tot een inbreuk op een havenverkeersverordening.
   § 11. De Vlaamse Regering stelt de verdere uitvoeringsmodaliteiten inzake termijnen en procedure vast voor de toepassing van paragrafen 7 en 8.]1

  
Art. 17. § 1er.[1 Si une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 1° et 2°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 1° et 2° a été constatée, le capitaine de port, l'inspecteur de port ou l'agent de port peut proposer au contrevenant de payer immédiatement le montant d'une amende établie par le Gouvernement flamand.
   Le Gouvernement flamand arrête les modalités de cette perception immédiate, y compris le montant de l'amende à percevoir immédiatement, par rapport à la nature, l'ampleur et la gravité de l'infraction. Le montant pour la perception immédiate de l'amende pour une infraction individuelle ne dépasse pas 1 000 euros. Le Gouvernement flamand fixe également le montant maximum qui peut être payé dans le cadre d'une perception immédiate en cas de concours d'infractions, réel ou multiple.
   Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer cette amende et la manière dont ce paiement peut être effectué.]1

  § 2. [1 Dans la mesure où il s'agit d'une infraction telle que visée à l'article 15, § 1, 3° ou 4°, ou telle que visée à l'article 15, § 2, 3°, ou dans la mesure où il s'agit d'une infraction ou d'un concours d'infractions pour lesquelles la perception immédiate de l'amende en application du paragraphe 1 ne peut être proposée, le capitaine de port peut déterminer le montant de l'amende [2 et proposer un accord à l'amiable pour son paiement ]2. Cette amende ne peut excéder le montant maximal de l'amende visée à l'article 15, § 1, 3° et 4°, et § 2, 3°, majoré des décimes additionnels, et doit être proportionnée à la nature, à l'ampleur et à la gravité de l'infraction. Le Gouvernement flamand arrête le délai dans lequel le contrevenant doit payer l'amende au plus tard et la manière dont ce paiement peut être effectué. Le délai de paiement fixé par le Gouvernement flamand est de quinze jours au moins et de trois mois au plus.]1
  § 3. Si le contrevenant procède, en respectant les dispositions visées au paragraphes 1er et 2, au paiement de la somme qui y est mentionnée, ce paiement entraîne l'extinction de l'action publique, sauf si, dans un délai de trois mois à compter de la date du paiement, le ministère public informe le contrevenant de son intention de demander une sanction autre que l'amende imposée par le capitaine de port, l'inspecteur du port ou l'agent de port et sans préjudice du droit de la partie lésée de demander l'indemnisation des dommages causés devant le tribunal pénal.
  Le droit de proposer au contrevenant le paiement d'une amende dont le paiement entraîne l'extinction de l'action publique ne peut être exercé si le tribunal a déjà été saisi de l'affaire ou si le juge d'instruction a demandé l'ouverture d'une enquête.
  Si le contrevenant ne procède pas à temps au paiement, il est censé ne pas avoir accepté l'amende et il n'y a pas d'extinction de l'action publique.
  § 4. [1 En outre, le contrevenant peut être tenu de fournir une caution ou de payer une certaine somme afin de garantir le recouvrement éventuel des amendes et/ou des indemnisations auxquelles il peut être condamné. Le Gouvernement flamand arrête les modalités à cet effet.
   En cas d'impossibilité ou de refus de se conformer à cette obligation, le moyen de transport avec lequel l'infraction a été commise peut être retenu par les capitaines de port.
   Dans ce cas, le motif du refus de sortie est notifié par écrit au commandant, ou bien au propriétaire ou au gestionnaire du moyen de transport retenu. Le risque et les frais pour le moyen de transport restent à la charge du contrevenant pendant la durée de la retenue. La retenue du moyen de transport est levée après justification de la fourniture de la caution ou du paiement de la somme à verser à titre de garantie, et du paiement des frais de conservation éventuels du moyen de transport.]1

  § 5. Si le ministère public intente l'action publique qui aboutit à la condamnation de l'intéressé, la somme prélevée ou garantie pour les amendes est imputée sur les frais de justice dus à l'Etat et sur l'amende prononcée. L'excédent éventuel est remboursé. Le moyen de transport retenu, le cas échéant, est libéré après le paiement des frais de justice et de l'amende prononcée, et après la justification du paiement des frais de conservation éventuels du moyen de transport.
  En cas d'acquittement, la somme prélevée est remboursée ou la somme garantie pour les amendes est libérée et le moyen de transport retenu, le cas échéant, est rendu.
  En cas de condamnation conditionnelle, la somme prélevée est remboursée ou la somme garantie pour les amendes est libérée après déduction des frais de justice. Le moyen de transport retenu, le cas échéant, est rendu après que les frais de justice ont été payés et que la preuve a été apportée que les frais de conservation éventuels du véhicule ont été payés.
  La somme garantie pour les amendes ou le véhicule saisi sont à nouveau libérés lorsque le ministère public décide de ne pas poursuivre, ou lorsque l'action publique est éteinte ou est prescrite.
  § 6. A la demande expresse de l'instance concernée, les capitaines de port retiennent également un moyen de transport à charge duquel demeurent des amendes ou autres créances de la Communauté flamande, de la Région flamande ou d'une régie portuaire non valablement cautionnées ou garanties. Dans ce cas, le motif de refus de sortie est notifié par écrit au commandant, ou bien au propriétaire ou au gestionnaire du moyen de transport retenu.
  [1 § 7. Lorsqu'une infraction au règlements de police portuaire ou au règlement de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne au nom de laquelle :
   1° le numéro OMI du navire de mer (OMI : Organisation maritime internationale) ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure (ENI : Numéro européen d'identification) est enregistré ;
   2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ;
   3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
   Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction et il doit fournir l'identité du commandant ou du conducteur indubitable. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
   § 8. Lorsqu'une infraction aux règlements de police portuaire ou au règlements de circulation portuaire a été commise avec un navire ou un véhicule (portuaire) immatriculé au nom d'une personne physique, et que le commandant ou le conducteur respectivement n'a pas été identifié lors de la constatation de l'infraction, il est présumé que l'infraction a été commise par la personne physique représentant en justice la personne morale, au nom de laquelle :
   1° le numéro OMI du navire de mer ou le numéro ENI du bateau de navigation intérieure est enregistré ;
   2° la plaque d'immatriculation du véhicule est enregistrée ; ou
   3° le véhicule portuaire est enregistré auprès de la capitainerie du port en tant que propriétaire du véhicule portuaire.
   Ce contrevenant présumé peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen qu'il n'était pas le commandant du navire ou le conducteur du véhicule (portuaire) au moment de l'infraction. Il doit fournir l'identité du commandant ou conducteur indubitable au moment de l'infraction. Le commandant ou le conducteur indubitable est alors considéré comme le contrevenant désigné.
   § 9. L'employeur est civilement responsable du paiement des amendes et frais auxquels ses mandataires ou préposés ont été condamnés.
   § 10. Le donneur d'ordre et l'affréteur sont sanctionnés en application des dispositions de sanction prévues à l'article 15, § 2, s'ils ont donné des instructions ou des actes ayant conduit à une infraction au règlement de circulation portuaire.
   § 11. Le Gouvernement flamand fixe les autres modalités d'application relatives aux délais et à la procédure d'application des paragraphes 7 et 8.]1

  
Art.18. § 1. De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten mogen op elk moment een vervoermiddel en/of lading, alsook plaatsen in publieke en private gebouwen die zich binnen het havengebied bevinden, betreden, onderzoeken en verzegelen, op voorwaarde dat die plaatsen geen woning uitmaken in de zin van artikel 15 van de Grondwet en de bepalingen van het internationaal zeerecht worden nageleefd. Ze mogen daarbij het benodigde materiaal meenemen en in beslag nemen. Ze mogen hierbij geen afbreuk doen aan de uitoefening van overheidsdiensten, noch aan de vereisten inzake inbeslagname van domeingoederen.
  [1 De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten kunnen vaststellingen doen met detectieapparatuur, met inbegrip van radar en marifoon]1.
  [1 Voor het toezicht op en de handhaving van de reglementen van bijzondere administratieve politie inzake de in artikel 4 vermelde aangelegenheden, kunnen de havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten vaststellingen doen met beeldmateriaal van vaste en mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, ongeacht de drager daarvan.
   De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten kunnen beeldmateriaal gebruiken dat is gemaakt door een derde partij op instructie van de havenkapiteinsdienst, of ander beeldmateriaal van derden gebruiken, als die personen dat beeldmateriaal rechtmatig hebben gemaakt of verkregen.]1

  Bij de uitoefening van hun rechten, vermeld in deze paragraaf, mogen de havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten zich laten bijstaan door personen die ze daartoe op grond van hun deskundigheid hebben aangewezen.
  De havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten mogen zich alle nodige inlichtingen en documenten doen verstrekken, en kunnen inzage vorderen van alle noodzakelijke documenten, stukken, titels en andere informatiedragers. Ze mogen zich die informatiedragers laten voorleggen op de plaats die ze zelf aanwijzen. Ze mogen van de documenten en informatiedragers een afschrift vragen of nemen, of die tegen ontvangstbewijs bij zich houden of meenemen voor de periode die vereist is om hun taken uit te voeren. Ze kunnen de identiteit van personen controleren, hen verhoren en alle nuttige vaststellingen doen.
  Eenieder die een vervoermiddel, lading of gebouw als in dit artikel vermeld onder zijn beheer heeft, is ertoe gehouden zijn medewerking te verlenen aan de havenkapiteins, haveninspecteurs en havenagenten.
  Voor zover dat noodzakelijk is voor het onderzoek mogen de havenkapiteins, de haveninspecteurs en de havenagenten vervoermiddelen onderzoeken of laten onderzoeken, of voor onderzoek aanhouden, daartoe naar een bepaalde plaats overbrengen of het bevel geven om het vervoermiddel te lossen of te laden.
  Ze kunnen alle ladingen onderzoeken, met inbegrip van ladingen die zich op kades, op publieke of private haventerreinen, of in opslagplaatsen bevinden en die bestemd zijn voor of afkomstig zijn van vervoer.
  Ze kunnen zaken meten of laten meten en ze analyseren of laten analyseren. Ze kunnen verpakkingen openen, monsters nemen en zaken tegen ontvangstbewijs voor verder onderzoek meenemen voor de tijd die nodig is om hun taken uit te voeren. Ze kunnen de technische middelen en het personeel die nodig zijn om de monsterneming of het onderzoek uit te voeren, opvorderen van de houder van de te onderzoeken zaken of ladingen. Ze mogen gedurende de tijd die noodzakelijk is voor het onderzoek het vervoer, het gebruik en de verwerking van zaken verbieden.
  De monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses worden uitgevoerd door de bevoegde personeelsleden van de havenkapiteinsdienst of door daartoe erkende laboratoria of deskundigen. Als er voor een specifieke monsterneming, meting, beproeving of analyse geen erkenning bestaat, wordt die monsterneming, meting, beproeving of analyse uitgevoerd door de bevoegde personeelsleden van de havenkapiteinsdienst of door de geaccrediteerde laboratoria, volgens een referentiemeetmethode of, bij gebrek daaraan, volgens een methode die de door de Vlaamse Regering daarvoor aangewezen instantie aanvaardt. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het uitvoeren van monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses. Ze kan de regels bepalen voor de erkenning van laboratoria en deskundigen. Ze kan tevens de voorwaarden bepalen waaraan bij gebruik van de erkenning moet worden voldaan.
  De analysemethoden die worden aanvaard, worden verondersteld wetenschappelijk geldig te zijn tot bewijs van het tegendeel. Er wordt van uitgegaan dat de bevoegde personeelsleden van de havenkapiteinsdienst en de erkende laboratoria of deskundigen de monsterneming, de analyses van monsters en de bewaarprocedures hebben uitgevoerd in overeenstemming met de geldende normen, tot bewijs van het tegendeel. Indien wordt aangetoond dat eventuele onregelmatigheden niet tot een afwijkend analyseresultaat hebben geleid, blijven de resultaten van de analyses geldig. Personen tegen wie de analyseresultaten worden ingeroepen, hebben het recht om binnen veertien dagen nadat ze van de analyseresultaten op de hoogte werden gebracht, een tweede monster te laten onderzoeken door een erkend laboratorium of een erkende deskundige van hun keuze.
  Als er op basis van het onderzoek een inbreuk wordt vastgesteld, zijn de overtreders ertoe gehouden de uitgaven van de havenkapiteinsdienst als gevolg van de onderzoeksdaden, vermeld in deze paragraaf, terug te betalen, zelfs indien op de vaststelling geen strafrechtelijke veroordeling volgt.
  Behoudens in geval van onredelijke belemmering van de normale handelsexploitatie kunnen de rechtsonderhorigen die aan de onderzoeksdaden of bevelen, vermeld in deze paragraaf, worden onderworpen, geen aanspraak maken op enige vorm van schadeloosstelling.
  § 2. In geval van een ongeval of als de veiligheid, het milieu of de exploitatie van de haven in het gedrang komt, kunnen de havenkapiteins en de haveninspecteurs, bijgestaan door de havenagenten, veiligheidsmaatregelen opleggen ten aanzien van een gezagvoerder, dan wel de eigenaar of beheerder van een vervoermiddel en/of de lading waarvoor de veiligheidsmaatregelen zich opdringen. Indien de gezagvoerder, dan wel de eigenaar of beheerder afwezig is of weigert mee te werken aan de veiligheidsmaatregelen die de havenkapiteins en haveninspecteurs hebben opgelegd, kunnen de maatregelen gedwongen uitgevoerd worden op risico en op kosten van de betrokken gezagvoerder, dan wel de eigenaar of beheerder. Het desbetreffende vervoermiddel en/of de lading kunnen geheel of gedeeltelijk op risico en op kosten van de voornoemde personen worden aangehouden zolang de gemaakte kosten niet werden terugbetaald of zolang geen door de havenkapiteinsdienst aanvaarde waarborg werd verstrekt die voldoende is voor de dekking van alle gemaakte kosten, met inbegrip van de bewaringskosten.
  
Art. 18. § 1er. Les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port peuvent à tout moment entrer dans un moyen de transport et/ou une cargaison, ainsi que dans les bâtiments publics et privés situés dans la zone portuaire, les examiner et les sceller, à condition que ces lieux ne constituent pas un domicile au sens de l'article 15 de la Constitution et que les dispositions du droit maritime international soient respectées. Ils peuvent emporter et saisir le matériel nécessaire. Ce faisant, ils ne peuvent porter préjudice à l'exercice des services publics ni aux exigences en matière de saisie des biens domaniaux.
  [1 Les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port peuvent faire des constatations avec des appareils de détection, y compris des radars et des mariphones.]1
  [1 Pour la surveillance et le maintien des règlements de police administrative spéciale en ce qui concerne les affaires visées à l'article 4, les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port peuvent faire des constatations avec du matériel graphique de caméras fixes et mobiles qui, le cas échéant, sont intelligentes, quel qu'en soit le support.
   Les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port peuvent utiliser du matériel graphique qui a été réalisé par une tierce partie sur instruction de la capitainerie du port, ou utiliser un autre matériel graphique de tiers, si ces personnes ont réalisé ou obtenu légalement ce matériel graphique. ]1

  Lors de l'exercice de leurs droits, visés au présent paragraphe, les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port peuvent se faire assister par des personnes qu'ils ont désignées sur la base de leur expertise.
  Les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port peuvent se faire remettre tous les renseignements et documents nécessaires et peuvent exiger de consulter tous les documents, pièces, titres et autres supports d'information nécessaires. A cet effet, ils peuvent se faire présenter ces supports d'information à l'endroit qu'ils désignent. Ils peuvent demander ou prendre une copie des documents et supports d'information, ou en conserver ou emporter une copie, contre récépissé, pour la période nécessaire à l'accomplissement de leurs tâches. Ils peuvent vérifier l'identité des personnes, les interroger et faire toutes les constatations nécessaires.
  Quiconque gère un moyen de transport, une cargaison ou un bâtiment tel que visé au présent article, est tenu de coopérer avec les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port.
  Dans la mesure où cela est nécessaire à l'examen, les capitaines de port, les inspecteurs de port et les agents de port peuvent examiner ou faire examiner des moyens de transport ou les retenir pour examen, les transférer en un lieu déterminé à cet effet ou ordonner le déchargement ou le chargement du moyen de transport.
  Ils peuvent examiner toutes les cargaisons, y compris celles qui se trouvent à quai, sur des sites portuaires publics ou privés ou dans des entrepôts et qui sont destinées au transport ou en proviennent.
  Ils peuvent mesurer ou faire mesurer des choses et les analyser ou les faire analyser. Ils peuvent ouvrir des emballages, prélever des échantillons et emporter des objets contre récépissé pour examen complémentaire pendant le temps nécessaire à l'exécution de leurs tâches. Ils peuvent exiger du détenteur des choses ou cargaisons à examiner, les moyens techniques et le personnel nécessaires afin d'exécuter l'échantillonnage ou l'examen. Pendant la période nécessaire à effectuer l'examen, ils peuvent interdire le transport, l'utilisation et la transformation de choses.
  L'échantillonnage, les mesures, les essais et les analyses sont effectués par les membres du personnel compétents de la capitainerie de port ou par des laboratoires ou experts agréés à cet effet. Si pour un échantillonnage, mesurage, essai ou analyse spécifique, il n'existe pas d'agrément, cet échantillonnage, mesurage, essai ou analyse est effectué par les membres du personnel compétents de la capitainerie de port ou par les laboratoires accrédités, selon une méthode de mesurage de référence ou, à défaut d'une telle méthode, selon une méthode acceptée par l'instance désignée à cet effet par le Gouvernement flamand. Le Gouvernement flamand peut arrêter les modalités d'exécution des échantillonnages, mesurages, essais et analyses. Il peut arrêter les règles d'agrément des laboratoires et des experts. Il peut également arrêter les conditions auxquelles l'utilisation de l'agrément doit répondre.
  Les méthodes d'analyse acceptées sont censées être scientifiquement valables jusqu'à preuve du contraire. Il est présumé que les membres du personnel compétents de la capitainerie de port et les laboratoires ou experts agréés ont effectué l'échantillonnage, l'analyse des échantillons et les procédures de conservation conformément aux normes applicables, jusqu'à preuve du contraire. S'il est démontré que des irrégularités éventuelles n'ont pas conduit à un résultat d'analyse anormal, les résultats des analyses restent valables. Les personnes contre lesquelles les résultats d'analyses sont invoqués ont le droit de faire examiner un deuxième échantillon par un laboratoire agréé ou un expert agréé de leur choix dans un délai de quatorze jours après avoir été informées des résultats des analyses.
  Si, sur la base de l'examen, une infraction est constatée, les contrevenants sont tenus de rembourser les dépenses encourues par la capitainerie de port à la suite des actes d'enquête visés au présent paragraphe, même si la constatation n'est pas suivie par une condamnation pénale.
  Sauf en cas d'entrave déraisonnable à l'exploitation commerciale normale, les justiciables qui sont soumis aux actes d'instruction ou ordres visés au présent paragraphe, ne peuvent prétendre à aucune forme d'indemnisation.
  § 2. En cas d'accident ou si la sécurité, l'environnement ou l'exploitation du port sont menacés, les capitaines de port et les inspecteurs de port, assistés par les agents de port, peuvent imposer des mesures de sécurité à l'égard d'un commandant, ou bien du propriétaire ou gestionnaire d'un moyen de transport et/ou de la cargaison pour laquelle les mesures de sécurité s'imposent. Si le commandant, ou bien le propriétaire ou le gestionnaire est absent ou refuse de coopérer aux mesures de sécurité imposées par les capitaines de port et les inspecteurs de port, ces mesures peuvent être exécutées par voie de contrainte aux risques et frais du commandant concerné, ou bien du propriétaire ou gestionnaire concerné. Le moyen de transport et/ou la cargaison en question peuvent être retenus en tout ou en partie, aux risques et frais des personnes susmentionnées tant que les frais encourus n'ont pas été remboursés ou qu'aucune garantie acceptée par la capitainerie de port n'a été fournie qui soit suffisante pour couvrir tous les frais encourus, y compris les frais de conservation.
  
Art. 18/1.. [1 Het beeldmateriaal dat verzameld wordt met vaste en mobiele camera's, die in voorkomend geval intelligent zijn, kan geregistreerd en bewaard worden voor een duur van niet meer dan twaalf maanden vanaf het moment van opname.
   Het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, kan alleen langer dan de termijn, vermeld in het eerste lid, bewaard en gebruikt worden om vastgestelde inbreuken of schadeverwekkende daden te bewijzen of om de daders ervan te identificeren. In dat geval kunnen de beelden maximaal vijf jaar bewaard worden, tenzij de camerabeelden een onderdeel zijn van een gerechtelijke procedure, in welk geval de camerabeelden uitzonderlijk langer bewaard mogen worden tot op het moment dat er geen enkel gewoon of buitengewoon rechtsmiddel meer open staat tegen de definitieve beslissing in het kader van die gerechtelijke procedure.
   De toegang tot het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, is beperkt tot:
   1° de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst op voorwaarde dat dit operationeel gemotiveerd is;
   2° de personeelsleden met specifieke taken in het kader van de verwerking van de door de camera's verkregen gegevens;
   3° de personen, diensten of entiteiten die op basis van bijzondere wetgeving toegang hebben tot de camerabeelden.
   De toegang tot deze gegevens is beveiligd.
   Het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, kan na anonimisering worden gebruikt voor didactische en pedagogische doeleinden in het kader van opleiding.
   De camera's, vermeld in het eerste lid, leveren geen beelden op die de intimiteit van een persoon schenden, of beelden die gericht zijn op het inwinnen van informatie over de filosofische, religieuze, politieke, syndicale gezindheid, etnische of sociale origine, het seksuele leven of de gezondheidstoestand.
   De personen die toegang hebben tot het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, hebben een geheimhoudingsverplichting voor de persoonsgegevens die die beelden opleveren.
   Bij incidenten of vermoeden van gevaar voor de openbare veiligheid of voor het milieu kan het beeldmateriaal, vermeld in het eerste lid, realtime of achteraf gedeeld worden met brandweerdiensten, civiele bescherming en andere veiligheidsdiensten. ]1

  
Art.18/2. [1 § 1er. En vue de l'exercice de leurs tâches, visées dans le présent décret, les membres du personnel de la capitainerie du port traitent des données à caractère personnel.
   Les données, visées à l'alinéa 1er, sont en particulier des données sur l'identité, l'adresse, les coordonnées, les données relatives aux navires et véhicules, et les images de contrevenants, de contrevenants potentiels ou, dans les cas visés à l'article 17, § 7 ou § 8, du contrevenant présumé, des personnes pouvant être jugées civilement responsables d'une infraction, des témoins et des autres personnes impliquées dans les faits.
   § 2. La capitainerie du port tient un registre où sont conservées les données suivantes :
   1° une copie du procès-verbal ;
   2° le cas échéant, les documents sur l'envoi d'une copie du procès-verbal au contrevenant ou, dans les cas visés à l'article 17, § 7 ou § 8, au contrevenant présumé,
   3° la proposition de paiement d'une amende, visée à l'article 17, § 1er ou § 2 ;
   4° le cas échéant, tous les documents disponibles sur la caution, visée à l'article 17, § 4 ;
   5° si les données suivantes sont connues, l'identité et l'adresse du domicile ou du siège social du contrevenant ou, dans les cas visés à l'article 17, § 7 ou § 8, le contrevenant présumé ;
   6° le cas échéant et si les données suivantes sont connues, l'identité et l'adresse du domicile ou du siège social de toute personne étant jugée civilement responsable d'une infraction ;
   7° la qualification des infractions constatées ou des infractions.
   Le ministère public près des cours et des tribunaux et les juges d'instruction ont accès aux données, visées à l'alinéa 1er, dans le cadre de l'exercice de leur mission légale.
   § 3. Pour le traitement de données à caractère personnel, visées au présent article, la régie portuaire concernée est le responsable du traitement, visé à l'article 4, 7), règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la Directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données).
   Le traitement des données, visées au présent article, est nécessaire pour l'accomplissement d'une tâche dans le cadre de l'exercice de l'autorité publique dont est investie la capitainerie du port. Plus exactement, les données à caractère personnel sont collectées et traitées en vue du maintien de règlements de police portuaire et de règlements de circulation portuaire dans les zones portuaires.
   Sans préjudice du paragraphe 2, alinéa 2, les membres du personnel de la capitainerie du port ont uniquement accès aux données à caractère personnel traitées dans l'exercice de leurs tâches, visées au présent décret.
   Les données à caractère personnel, visées au présent article, sont conservées pendant dix ans après la fin de l'infraction ou, si aucune infraction n'est constatée, pendant cinq ans après la fin de l'enquête. ]1

  
Art. 18/2. [1 Met het oog op de uitoefening van hun taken, vermeld in dit decreet, verwerken de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst persoonsgegevens.
   De gegevens, vermeld in het eerste lid, zijn in het bijzonder gegevens over de identiteit, het adres, de contactgegevens, vaar- en voertuiggegevens en afbeeldingen van overtreders, van mogelijke overtreders of, in de gevallen, vermeld in artikel 17, § 7 of § 8, van veronderstelde overtreders, van personen die burgerrechtelijk aansprakelijk kunnen worden geacht voor een inbreuk, van getuigen en van andere personen die bij de feiten zijn betrokken.
   § 2. De havenkapiteinsdienst stelt een register op waarin de volgende gegevens worden bewaard:
   1° een kopie van het proces-verbaal;
   2° in voorkomend geval, de stukken over de verzending van een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder, of, in de gevallen, vermeld in artikel 17, § 7 of § 8, de veronderstelde overtreder;
   3° het voorstel tot betaling van een geldboete, vermeld in artikel 17, § 1 of § 2;
   4° in voorkomend geval, alle beschikbare stukken over de borgstelling, vermeld in artikel 17, § 4;
   5° als de volgende gegevens bekend zijn, de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van de overtreder of, in de gevallen, vermeld in artikel 17, § 7 of § 8, de veronderstelde overtreder;
   6° in voorkomend geval en als de volgende gegevens bekend zijn, de identiteit en het adres van de woonplaats of de maatschappelijke zetel van iedere persoon die burgerrechtelijk aansprakelijk geacht wordt voor een inbreuk;
   7° de kwalificatie van de vastgestelde inbreuken of inbreuken.
   Het openbaar ministerie bij de hoven en rechtbanken en de onderzoeksrechters hebben toegang tot de gegevens, vermeld in het eerste lid, in het kader van de uitoefening van hun wettelijke opdracht.
   § 3. Voor de verwerking van persoonsgegevens, vermeld in dit artikel, is het betrokken havenbedrijf de verwerkingsverantwoordelijke, vermeld in artikel 4, 7), van verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).
   De verwerking van de gegevens, vermeld in dit artikel, is noodzakelijk voor de vervulling van een taak in het kader van de uitoefening van het openbaar gezag dat aan de betrokken havenkapiteinsdienst is opgedragen. Meer bepaald worden de persoonsgegevens verzameld en verwerkt met het oog op de handhaving van havenpolitieverordeningen en havenverkeersverordeningen in de havengebieden.
   Met behoud van paragraaf 2, tweede lid, hebben de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst alleen toegang tot de verwerkte persoonsgegevens bij de uitoefening van hun taken, vermeld in dit decreet.
   De persoonsgegevens, vermeld in dit artikel, worden tien jaar bijgehouden na het einde van de inbreuk of, als geen inbreuk is vastgesteld, vijf jaar na het einde van het onderzoek. ]1

  
Art.18/3. [1 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h) du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les membres du personnel de la capitainerie du port peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité, au traitement de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête concernant une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas deux à neuf sont remplies.
   La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des travaux préparatoires à ces fins, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires de la capitainerie du port, et à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne dépasse pas un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité.
   La possibilité de dérogation, visée à l'alinéa premier, ne porte pas sur les données indépendantes de l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa premier.
   Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, la personne concernée soumet durant la période visée à l'alinéa deux une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
   Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de toute décision du responsable de traitement de refus ou de restriction des droits visés à l'alinéa premier. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela portait atteinte aux missions décrétales et réglementaires de la capitainerie du port, sans préjudice de l'application de l'alinéa huit. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre et de la complexité des demandes. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
   Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
   Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision, et tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande précitée.
   Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
   Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er a été envoyé au ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, les membres du personnel de la capitainerie du port ne peuvent répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que le ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé aux membres du personnel concernés de la capitainerie du port qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête. ]1

  
Art. 18/03.. [1 Met toepassing van artikel 23, lid 1, e) en h), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) kunnen de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst beslissen om de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet toe te passen bij de verwerkingen van persoonsgegevens in het kader van een onderzoek dat betrekking heeft op een welbepaalde natuurlijke persoon, als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in het tweede tot en met het negende lid.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, geldt alleen gedurende de periode waarin de betrokkene het voorwerp uitmaakt van een controle, een onderzoek of de voorbereidende werkzaamheden die daarmee verband houden, in het kader van de decretale en reglementaire opdrachten van de havenkapiteinsdienst, en op voorwaarde dat het voor het goede verloop van het onderzoek noodzakelijk is of kan zijn dat de verplichtingen en de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, niet worden toegepast. De duur van de voorbereidende werkzaamheden bedraagt in voorkomend geval niet meer dan een jaar vanaf de ontvangst van een verzoek tot uitoefening van een van de rechten, vermeld in artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening.
   De afwijkingsmogelijkheid, vermeld in het eerste lid, heeft geen betrekking op de gegevens die losstaan van het voorwerp van het onderzoek dat of van de controle die de weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid, rechtvaardigt.
   Als de betrokkene in het geval, vermeld in het eerste lid, tijdens de periode, vermeld in het tweede lid, een verzoek indient op basis van artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening, bevestigt de bevoegde functionaris voor gegevensbescherming de ontvangst daarvan.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming brengt de betrokkene schriftelijk, zo snel mogelijk en in elk geval binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van elke beslissing van de verwerkingsverantwoordelijke tot weigering of beperking van de rechten, vermeld in het eerste lid. De verdere informatie over de nadere redenen voor die weigering of die beperking hoeft niet te worden verstrekt als dat de decretale en reglementaire opdrachten van de havenkapiteinsdienst zou ondermijnen, met behoud van de toepassing van het achtste lid. Als het nodig is, kan de voormelde termijn met twee maanden worden verlengd, rekening houdend met het aantal aanvragen en de complexiteit ervan. De verwerkingsverantwoordelijke brengt de betrokkene binnen een maand vanaf de dag die volgt op de dag waarop hij het verzoek heeft ontvangen, op de hoogte van die verlenging en van de redenen voor het uitstel.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming informeert de betrokkene ook over de mogelijkheid om een verzoek in te dienen bij de Vlaamse toezichtcommissie voor de verwerking van persoonsgegevens conform artikel 10/5 van het decreet van 18 juli 2008 betreffende het elektronische bestuurlijke gegevensverkeer en om een beroep in rechte in te stellen.
   De bevoegde functionaris voor gegevensbescherming noteert de feitelijke of juridische gronden waarop de beslissing is gebaseerd, en houdt die informatie ter beschikking van de voormelde Vlaamse toezichtcommissie.
   Nadat het onderzoek afgesloten is, worden de rechten, vermeld in artikel 13 tot en met 22 van de voormelde verordening, in voorkomend geval opnieuw toegepast, conform artikel 12 van de voormelde verordening.
   Als een dossier dat persoonsgegevens als vermeld in het eerste lid bevat, is verzonden naar het Openbaar Ministerie en kan leiden tot activiteiten onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, en er onduidelijkheid is over het geheim van het onderzoek onder leiding van het Openbaar Ministerie of een onderzoeksrechter, mogen de personeelsleden van de havenkapiteinsdienst op verzoek van de betrokkene overeenkomstig artikel 12 tot en met 22 van de voormelde verordening pas antwoorden nadat het Openbaar Ministerie of, in voor- komend geval de onderzoeksrechter aan de betrokken personeelsleden van de havenkapiteinsdienst heeft bevestigd dat een antwoord het onderzoek niet in het gedrang brengt of kan brengen. ]1

  
Art.18/3. [1 En application de l'article 23, paragraphe 1, e) et h) du règlement (UE) n° 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données), les membres du personnel de la capitainerie du port peuvent décider de ne pas appliquer les obligations et les droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité, au traitement de données à caractère personnel dans le cadre d'une enquête concernant une personne physique déterminée, si les conditions énoncées aux alinéas deux à neuf sont remplies.
   La possibilité de dérogation visée à l'alinéa 1er ne s'applique que pendant la période au cours de laquelle l'intéressé fait l'objet d'un contrôle, d'une enquête ou des travaux préparatoires à ces fins, dans le cadre des missions décrétales et réglementaires de la capitainerie du port, et à condition qu'il soit ou puisse être nécessaire pour le bon déroulement de l'enquête que les obligations et droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité ne soient pas appliqués. Le cas échéant, la durée des travaux préparatoires ne dépasse pas un an à compter de la réception d'une demande d'exercice de l'un des droits visés aux articles 12 à 22 du règlement précité.
   La possibilité de dérogation, visée à l'alinéa premier, ne porte pas sur les données indépendantes de l'objet de l'enquête ou du contrôle justifiant le refus ou la limitation des droits visés à l'alinéa premier.
   Si, dans le cas visé à l'alinéa premier, la personne concernée soumet durant la période visée à l'alinéa deux une demande sur la base des articles 12 à 22 du règlement précité, le fonctionnaire compétent en matière de protection des données en confirme la réception.
   Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé par écrit, dans les plus brefs délais et en tout cas dans le mois à compter du jour suivant la réception de la demande, de toute décision du responsable de traitement de refus ou de restriction des droits visés à l'alinéa premier. Aucun motif de refus ou de limitation ne doit être fourni si cela portait atteinte aux missions décrétales et réglementaires de la capitainerie du port, sans préjudice de l'application de l'alinéa huit. Si nécessaire, le délai précité peut être prolongé de deux mois, compte tenu du nombre et de la complexité des demandes. Le responsable du traitement informe l'intéressé de la prolongation et des motifs du report dans un délai d'un mois à compter du jour suivant la réception de la demande.
   Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données informe l'intéressé également sur la possibilité d'introduire une demande auprès de la Commission de contrôle flamande pour le traitement des données à caractère personnel conformément à l'article 10/5 du décret du 18 juillet 2008 relatif à l'échange électronique de données administratives, et de former un recours en justice.
   Le fonctionnaire compétent en matière de protection des données consigne les motifs de fait ou de droit sur lesquels se fonde la décision, et tient ces informations à la disposition de la Commission de contrôle flamande précitée.
   Une fois l'enquête terminée, les droits énoncés aux articles 13 à 22 du règlement précité sont, le cas échéant, appliqués à nouveau, conformément à l'article 12 du règlement précité.
   Si un dossier contenant des données à caractère personnel visées à l'alinéa 1er a été envoyé au ministère public et peut conduire à des activités sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, et qu'il existe une incertitude quant au secret de l'enquête sous la direction du ministère public ou d'un juge d'instruction, les membres du personnel de la capitainerie du port ne peuvent répondre à la demande de la personne concernée conformément aux articles 12 à 22 du règlement précité, qu'après que le ministère public ou, le cas échéant, le juge d'instruction, a confirmé aux membres du personnel concernés de la capitainerie du port qu'une réponse ne compromet pas ou ne peut pas compromettre l'enquête. ]1

  
Art.19. In artikel 14 van het decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens wordt de zinsnede "havenkapiteindienst opgericht overeenkomstig de wettelijke regeling van 15 mei 1936 op de havenkapiteindiensten" vervangen door het woord "havenkapiteinsdienst".
Art.20. Dans l'article 14bis, paragraphe 4, du même décret, inséré par le décret du 28 mars 2014, la phrase " Les articles 13 et 14, alinéas premier et deux, de la loi du 5 mai 1936 fixant le statut des capitaines de port s'appliquent aux infractions au règlement, visé au paragraphe 1er. " est remplacée par la phrase " Les infractions au règlement, visé au paragraphe 1er, relèvent de la compétence de la capitainerie de port. ".
Art.20. In artikel 14bis, paragraaf 4, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 28 maart 2014, wordt de zin "De artikelen 13 en 14, eerste en tweede lid, van de wet van 5 mei 1936 tot vaststelling van het statuut der havenkapiteins gelden voor de inbreuken op de verordening, vermeld in paragraaf 1." vervangen door de zin "Inbreuken op de verordening, vermeld in paragraaf 1, behoren tot de bevoegdheid van de havenkapiteinsdienst.".
Art. 20. Dans l'article 14bis, paragraphe 4, du même décret, inséré par le décret du 28 mars 2014, la phrase " Les articles 13 et 14, alinéas premier et deux, de la loi du 5 mai 1936 fixant le statut des capitaines de port s'appliquent aux infractions au règlement, visé au paragraphe 1er. " est remplacée par la phrase " Les infractions au règlement, visé au paragraphe 1er, relèvent de la compétence de la capitainerie de port. ".
Art.21. In artikel 18bis van het decreet van 2 april 2004 betreffende het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigde agentschap De Vlaamse Waterweg nv, naamloze vennootschap van publiek recht, ingevoegd bij het decreet van 23 -december 2016, wordt de zin "De werking en de organisatie van de havenkapiteinsdienst worden geregeld door de wet van 5 mei 1936 tot vaststelling van het statuut der havenkapiteins." opgeheven.
Art. 21. Dans l'article 18bis du décret du 2 avril 2004 relatif à l'agence autonomisée externe de droit public De Vlaamse Waterweg SA, société anonyme de droit public, inséré par le décret du 23 décembre 2016, la phrase " Le fonctionnement et l'organisation de la capitainerie du port sont réglés par la loi du 5 mai 1936 fixant le statut des capitaines de port. " est abrogée.
Art.22. De havenpolitieverordeningen die bestaan op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, blijven geldig tot ze vervangen worden door een verordening die op basis van artikel 4, tweede lid, van dit decreet is vastgesteld.
Art. 22. Les règlements de police portuaire en vigueur à la date d'entrée en vigueur du présent décret, restent en vigueur jusqu'à leur remplacement par un règlement adopté sur la base de l'article 4, alinéa 2, du présent décret.
Art. 23. De wet van 5 mei 1936 tot vaststelling van het statuut der havenkapiteins, gewijzigd bij de wet van 3 mei 1999, het decreet van 16 juni 2006 en het decreet van 27 mei 2011, wordt opgeheven voor wat het Vlaamse Gewest betreft.
Art. 23. La loi du 5 mai 1936 fixant le statut des capitaines de port, modifiée par la loi du 3 mai 1999, le décret du 16 juin 2006 et le décret du 27 mai 2011, est abrogée en ce qui concerne la Région flamande.