Artikel 1. In artikel 219ter van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 maart 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De zwangere of bevallen gerechtigde of de gerechtigde die borstvoeding geeft, die onder een maatregel valt als bedoeld in de artikelen 42, § 1, eerste lid, 1° of 2° of 43, § 1, tweede lid, 1°, van de voormelde wet van 16 maart 1971 en van wie het loon, ontvangen na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden of na de verandering van arbeidsplaats, lager ligt dan het loon uit haar gewone activiteit, kan aanspraak maken op een moederschapsuitkering waarvan het bedrag wordt vastgesteld op 60 % van het verschil, tussen, enerzijds, het gederfde loon bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet, zonder echter de toepassing van het maximumbedrag bedoeld in artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet, dat zij verdiende vóór de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden of vóór de verandering van arbeidsplaats en, anderzijds, het bedrag van het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen, dat de gerechtigde ontvangt, hetzij na de aanpassing van de arbeidsomstandigheden of de risicogebonden werktijden, hetzij na de verandering van de arbeidsplaats. Het maximumbedrag tot beloop waarvan dat verschil in aanmerking wordt genomen, is het bedrag dat is vastgesteld krachtens artikel 87, eerste lid, van de gecoördineerde wet.
Onder "beroepsinkomen" als bedoeld in het eerste lid, moet worden verstaan de bezoldigingen en andere voordelen die kunnen in aanmerking genomen worden om het gederfde loon, bedoeld in artikel 113, derde lid, van de gecoördineerde wet te bepalen, evenals het gewaarborgd loon tweede week en de vergoeding bedoeld in de collectieve arbeidsovereenkomsten nr. 12bis en nr. 13bis. Elke uitkering, vergoeding of rente die haar wegens het derven van dat inkomen wordt verleend, wordt eveneens in aanmerking genomen.";
2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid opgeheven.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
4 FEBRUARI 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-02-2018 en tekstbijwerking tot 30-11-2018)
Titre
4 FEVRIER 2018. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-02-2018 et mise à jour au 30-11-2018)
Informations sur le document
Numac: 2018200777
Datum: 2018-02-04
Info du document
Numac: 2018200777
Date: 2018-02-04
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1er. A l'article 219ter de l'arrêté royal du 3 juillet 1996, portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités coordonnée le 14 juillet 1994 modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 12 mars 2013, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante, qui fait l'objet d'une mesure visée aux articles 42, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2° ou 43, § 1er, alinéa 2, 1°, de la loi du 16 mars 1971 précitée et dont la rémunération perçue à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque soit du changement de poste de travail est inférieure à la rémunération découlant de son activité habituelle, peut prétendre à une indemnité de maternité, dont le montant est fixé à 60 % de la différence entre, d'une part, la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée sans toutefois l'application du montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, qu'elle percevait avant l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque ou le changement de poste de travail et, d'autre part, le montant du revenu professionnel évalué en jours ouvrables que la titulaire perçoit à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque, soit du changement de poste de travail. Le montant maximum à concurrence duquel cette différence est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée.
On entend par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, les rémunérations et autres avantages qui peuvent être pris en considération pour déterminer la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée ainsi que la rémunération garantie deuxième semaine et l'indemnité visée par les conventions collectives de travail n° 12bis et n° 13bis. Toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu est également prise en considération. ";
2° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé.
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. La titulaire enceinte, accouchée ou allaitante, qui fait l'objet d'une mesure visée aux articles 42, § 1er, alinéa 1er, 1° ou 2° ou 43, § 1er, alinéa 2, 1°, de la loi du 16 mars 1971 précitée et dont la rémunération perçue à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque soit du changement de poste de travail est inférieure à la rémunération découlant de son activité habituelle, peut prétendre à une indemnité de maternité, dont le montant est fixé à 60 % de la différence entre, d'une part, la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée sans toutefois l'application du montant maximum visé à l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée, qu'elle percevait avant l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque ou le changement de poste de travail et, d'autre part, le montant du revenu professionnel évalué en jours ouvrables que la titulaire perçoit à la suite soit de l'aménagement des conditions ou du temps de travail à risque, soit du changement de poste de travail. Le montant maximum à concurrence duquel cette différence est prise en considération est le montant fixé en vertu de l'article 87, alinéa 1er, de la loi coordonnée.
On entend par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, les rémunérations et autres avantages qui peuvent être pris en considération pour déterminer la rémunération perdue, visée à l'article 113, alinéa 3, de la loi coordonnée ainsi que la rémunération garantie deuxième semaine et l'indemnité visée par les conventions collectives de travail n° 12bis et n° 13bis. Toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu est également prise en considération. ";
2° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.2. In artikel 230 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 6 december 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten arbeid onder de in § 2 bepaalde voorwaarden waardoor hij op enerlei wijze valt onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals uit elke gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie, kan aanspraak maken op :
1° hetzij een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, zolang de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid geen 20 % overschrijdt;
2° hetzij een bedrag gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie en, anderzijds, de vermenigvuldiging van hetzelfde dagbedrag met het gedeelte van de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid dat 20 % overschrijdt.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Onder "tewerkstellingsbreuk" bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, de verhouding tussen het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de werknemer geacht wordt de toegelaten arbeid te verrichten en het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de maatpersoon geacht wordt deze arbeid te verrichten.
Onder "beroepsinkomen" bedoeld in eerste lid wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° of artikel 23, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend. De premies en gelijkaardige voordelen die worden toegekend onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het kwartaal van hun aangifte aan de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen, worden evenwel niet in aanmerking genomen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de gerechtigde die, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, een activiteit van onthaalouder, zoals bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hervat, aanspraak maken op :
1° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 25 %, gedurende het eerste jaar van uitoefening van deze activiteit;
2° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 50 %, vanaf het tweede jaar van uitoefening van deze activiteit.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt.
De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de mindervaliden hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée", en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.";
2° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt :
" § 1bis. De uitkeringen, in voorkomend geval verminderd overeenkomstig de bepalingen van § 1, worden geweigerd voor de dagen gedekt door vakantiegeld die de gerechtigde voor het einde van het vakantiejaar niet heeft opgenomen.";
3° een paragraaf 1ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 1ter. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten activiteit onder de in § 2 bepaalde voorwaarden die niet wordt bedoeld in § 1, kan aanspraak maken op een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 10 % zodra het tijdvak dat is gedekt door de toelating van de adviserend arts, een duur van zes maanden bereikt en dit tot en met 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als "beroepsinkomen" beschouwd, elk inkomen bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4° of artikel 90, eerste lid, 1° tot 2° en 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit het drempelbedrag van 18.562,28 euro met ten minste 15 % overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 % wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de inkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder "het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten activiteit en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het tweede lid is van toepassing op het beroepsinkomen verworven in 2018. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Als er tussen twee periodes gedekt door een toelating geen tijdvak ligt dat minstens gelijk is aan een volledig kalenderkwartaal, wordt de tweede periode geacht de onmiddellijke voortzetting te zijn van de eerste periode voor de eventuele vermindering van de uitkering overeenkomstig de vorige leden.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen, de inkomsten die voortvloeien uit:
1° een mandaat van gemeenteraadslid;
2° een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
3° een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken. ";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
" § 1. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten arbeid onder de in § 2 bepaalde voorwaarden waardoor hij op enerlei wijze valt onder het toepassingsgebied van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, evenals uit elke gelijkaardige bezigheid uitgeoefend in een vreemd land of in dienst van een internationale of supranationale organisatie, kan aanspraak maken op :
1° hetzij een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, zolang de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid geen 20 % overschrijdt;
2° hetzij een bedrag gelijk aan het verschil tussen, enerzijds, het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie en, anderzijds, de vermenigvuldiging van hetzelfde dagbedrag met het gedeelte van de tewerkstellingsbreuk van die toegelaten arbeid dat 20 % overschrijdt.
Voor de toepassing van het vorige lid, wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Onder "tewerkstellingsbreuk" bedoeld in het eerste lid wordt verstaan, de verhouding tussen het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de werknemer geacht wordt de toegelaten arbeid te verrichten en het gemiddeld aantal uren per week gedurende dewelke de maatpersoon geacht wordt deze arbeid te verrichten.
Onder "beroepsinkomen" bedoeld in eerste lid wordt verstaan, elk inkomen als bedoeld in artikel 17, § 1, 5° of artikel 23, § 1, 4°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend. De premies en gelijkaardige voordelen die worden toegekend onafhankelijk van het aantal effectief gewerkte dagen tijdens het kwartaal van hun aangifte aan de inningsinstelling van de sociale zekerheidsbijdragen, worden evenwel niet in aanmerking genomen.
In afwijking van de bepalingen van het eerste lid, kan de gerechtigde die, onder de in § 2 bepaalde voorwaarden, een activiteit van onthaalouder, zoals bedoeld in artikel 3, 9°, van het koninklijk besluit van 28 november 1969 tot uitvoering van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, hervat, aanspraak maken op :
1° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 25 %, gedurende het eerste jaar van uitoefening van deze activiteit;
2° het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 50 %, vanaf het tweede jaar van uitoefening van deze activiteit.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen de inkomsten die voortvloeien uit een tewerkstelling uitgeoefend, buiten het normale arbeidscircuit, in een onderneming die onder het paritair comité 327 voor de beschutte werkplaatsen, de sociale werkplaatsen en de "maatwerkbedrijven" valt.
De voordelen toegekend door de instellingen die als opdracht de sociale en beroepsreclassering van de mindervaliden hebben, of door de contracterende ondernemingen of openbare instellingen, overeenkomstig het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 13 december 2016 tot oprichting van een "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 7 mei 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", het decreet van de Franse Gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 17 januari 2014 "relatif à l'inclusion de la personne handicapée", en het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid van 29 september 2011, en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden niet in aanmerking genomen voor de beperking van de arbeidsongeschiktheidsuitkering overeenkomstig de bepalingen van het eerste lid. De gerechtigde vraagt aan de betrokken instelling, onderneming of openbare instelling een verklaring die vaststelt dat de voordelen toegekend worden in overeenstemming met het betrokken decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Deze verklaring wordt bij het dossier van de gerechtigde gevoegd.";
2° paragraaf 1bis wordt vervangen als volgt :
" § 1bis. De uitkeringen, in voorkomend geval verminderd overeenkomstig de bepalingen van § 1, worden geweigerd voor de dagen gedekt door vakantiegeld die de gerechtigde voor het einde van het vakantiejaar niet heeft opgenomen.";
3° een paragraaf 1ter wordt ingevoegd, luidende :
" § 1ter. De gerechtigde die een beroepsinkomen geniet dat voortvloeit uit een toegelaten activiteit onder de in § 2 bepaalde voorwaarden die niet wordt bedoeld in § 1, kan aanspraak maken op een bedrag gelijk aan het dagbedrag van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, toegekend bij afwezigheid van cumulatie, verminderd met 10 % zodra het tijdvak dat is gedekt door de toelating van de adviserend arts, een duur van zes maanden bereikt en dit tot en met 31 december van het derde jaar volgend op het jaar waarin de toegelaten activiteit een aanvang nam.
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt als "beroepsinkomen" beschouwd, elk inkomen bedoeld in artikel 17, § 1, 5°, artikel 23, § 1, 1°, 2° en 4° of artikel 90, eerste lid, 1° tot 2° en 12°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 dat een gerechtigde zich door een persoonlijke activiteit verschaft, evenals elke uitkering, vergoeding of rente die hem wegens het derven van dat inkomen wordt verleend.
Na het verstrijken van de periode bedoeld in het eerste lid wordt de betaling van de uitkeringen volledig geschorst als het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit het drempelbedrag van 18.562,28 euro met ten minste 15 % overschrijdt. Als het voormelde drempelbedrag met minder dan 15 % wordt overschreden, wordt het bedrag van de uitkering voor het betrokken kalenderjaar geschorst naar rata van een percentage van het bedrag van de uitkering dat gelijk is aan het percentage waarmee dit drempelbedrag wordt overschreden.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt het percentage van de overschrijding, in voorkomend geval, berekend tot op één honderdste. Het aldus bekomen percentage wordt voor de berekening van het bedrag van de vermindering van de uitkering tot de naast hogere eenheid afgerond wanneer de eerste decimaal ten minste 5 is; in het tegenovergestelde geval wordt de decimaal verwaarloosd.
Voor de toepassing van het tweede lid worden de inkomsten uit het derde volledige kalenderjaar dat voorafgaat aan het kalenderjaar waarin dat lid van toepassing is, in aanmerking genomen; de referentieperiode wordt op dezelfde manier vastgesteld voor de daaropvolgende jaren.
Voor de toepassing van het tweede lid wordt onder "het bedrag van het verworven beroepsinkomen uit de toegelaten activiteit" verstaan het netto belastbaar inkomen dat voortvloeit uit de toegelaten activiteit en dat in aanmerking genomen werd door het Bestuur der Directe Belastingen voor de vaststelling van de aanslag betreffende het betrokken jaar.
Het drempelbedrag bedoeld in het tweede lid is van toepassing op het beroepsinkomen verworven in 2018. Voor de toepassing van de cumulatieregel op de inkomsten verworven tijdens de daaropvolgende kalenderjaren wordt er rekening gehouden met het op 1 januari van de referentieperiode geïndexeerde drempelbedrag overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de Openbare Schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
Als er tussen twee periodes gedekt door een toelating geen tijdvak ligt dat minstens gelijk is aan een volledig kalenderkwartaal, wordt de tweede periode geacht de onmiddellijke voortzetting te zijn van de eerste periode voor de eventuele vermindering van de uitkering overeenkomstig de vorige leden.
Voor de toepassing van deze paragraaf worden nochtans niet in aanmerking genomen, de inkomsten die voortvloeien uit:
1° een mandaat van gemeenteraadslid;
2° een mandaat van lid van de raad van een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, met uitsluiting van het mandaat van voorzitter van die raad;
3° een ambt van rechter in sociale zaken, van rechter in handelszaken of van raadsheer in sociale zaken. ";
4° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Elke toelating wordt toegekend en, in voorkomend geval, hernieuwd voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.".
Art.2. A l'article 230 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 6 décembre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le titulaire bénéficiant d'un revenu professionnel découlant d'un travail autorisé dans les conditions fixées au § 2, par lequel il relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ainsi que de toute occupation similaire exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale, peut prétendre :
1° soit à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, tant que la fraction d'occupation de ce travail autorisé ne dépasse pas 20 % ;
2° soit à un montant égal à la différence entre, d'une part, le montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul et, d'autre part, la multiplication de ce même montant journalier par la partie de la fraction d'occupation de ce travail autorisé qui dépasse 20 % .
Pour l'application de l'alinéa précédent, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Par " fraction d'occupation " visée à l'alinéa 1er, on entend le rapport entre le nombre moyen d'heures par semaine durant lesquelles le travailleur est censé effectuer le travail autorisé et le nombre moyen d'heures par semaine pendant lesquelles la personne de référence est censée effectuer ce travail.
Il y lieu d'entendre par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5° ou l'article 23, § 1er, 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire se procure par une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu. Les primes et avantages similaires accordés, indépendamment du nombre de journées de travail prestées effectivement durant le trimestre de leur déclaration à l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, ne sont toutefois pas pris en considération.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, le titulaire qui reprend, dans les conditions fixées au § 2, une activité de gardien d'enfants, visée à l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs peut prétendre :
1° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 25 %, durant la première année d'exercice de cette activité;
2° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 50 %, à partir de la deuxième année d'exercice de cette activité.
Pour l'application du présent paragraphe, les revenus provenant d'une occupation exercée, en dehors du circuit normal du travail, dans une entreprise relevant de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven " ne sont toutefois pas pris en considération.
Les avantages accordés par les organismes ayant pour mission le reclassement social et professionnel des handicapés ou par les entreprises ou institutions publiques contractantes, conformément au décret de la Communauté germanophone du 13 décembre 2016 portant création d'un "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", au décret de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-capitale du 17 janvier 2014 relatif à l'inclusion de la personne handicapée, et au Code wallon de l'Action sociale et de la Santé du 29 septembre 2011, et à leurs arrêtés d'exécution, ne sont pas pris en considération pour opérer la réduction de l'indemnité d'incapacité de travail conformément aux dispositions de l'alinéa 1er. Le titulaire demande à l'organisme, l'entreprise ou l'institution publique concerné une attestation qui stipule que les avantages sont accordés en conformité avec le décret concerné et ses arrêtés d'exécution. Cette attestation est jointe au dossier du titulaire.";
2° le paragraphe 1erbis est remplacé par ce qui suit :
" § 1erbis. Les indemnités, le cas échéant réduites conformément aux dispositions du paragraphe 1er, sont refusées pour les jours couverts par le pécule de vacances que le titulaire n'a pas pris avant la fin de l'année de vacances. ";
3° il est inséré un paragraphe 1erter rédigé comme suit :
" § 1erter. Le titulaire qui bénéficie d'un revenu professionnel, découlant d'une activité autorisée dans les conditions fixées au § 2, qui n'est pas visé au § 1er, peut prétendre à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 10 % à partir du moment où la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil atteint une durée de six mois et jusqu'au 31 décembre de la troisième année suivant celle du début de l'activité autorisée.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérés comme " revenu professionnel " tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5°, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° et 4°, ou à l'article 90, alinéa 1er, 1° au 2° et 12°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire obtient par l'exercice d'une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente accordée en remplacement de ces revenus.
A l'expiration de la période visée à l'alinéa 1er, le paiement des indemnités est entièrement suspendu si le montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée dépasse le plafond de 18.562,28 euros à raison de 15 % au moins. Si le dépassement du plafond précité est inférieur à 15 %, le montant de l'indemnité pour l'année civile concernée est suspendu au prorata d'un pourcentage du montant de l'indemnité égal au pourcentage de dépassement dudit plafond.
Pour l'application de l'alinéa 2, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Les revenus pris en considération pour l'application de l'alinéa 2 sont ceux de la troisième année civile complète précédant celle de l'application de celui-ci; la période de référence est fixée de la même manière pour les années subséquentes.
Pour l'application de l'alinéa 2, on entend par " montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée " le montant net imposable découlant de l'activité autorisée et qui a été pris en compte par l'Administration des contributions directes pour l'imposition de l'année concernée.
Le plafond visé à l'alinéa 2 est applicable au revenu professionnel perçu en 2018. Pour l'application de la règle de cumul aux revenus perçus au cours des années civiles subséquentes, il est tenu compte du plafond indexé au 1er janvier de la période de référence conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor Public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
En l'absence d'interruption d'au moins un trimestre civil complet entre la période couverte par deux autorisations, la deuxième période est considérée comme la poursuite de la première période pour la réduction éventuelle de l'indemnité conformément aux alinéas précédents.
Pour l'application du présent paragraphe, ne sont toutefois pas pris en considération, les revenus provenant:
1° d'un mandat de conseiller communal;
2° d'un mandat de membre du conseil d'un centre public d'action sociale, à l'exclusion du mandat de président de ce conseil;
3° d'une fonction de juge social, de juge consulaire ou de conseiller social.";
4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Chaque autorisation est accordée et, si nécessaire, renouvelée pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Le titulaire bénéficiant d'un revenu professionnel découlant d'un travail autorisé dans les conditions fixées au § 2, par lequel il relève, d'une manière ou d'une autre, du champ d'application de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, ainsi que de toute occupation similaire exercée dans un pays étranger ou au service d'une organisation internationale ou supranationale, peut prétendre :
1° soit à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, tant que la fraction d'occupation de ce travail autorisé ne dépasse pas 20 % ;
2° soit à un montant égal à la différence entre, d'une part, le montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul et, d'autre part, la multiplication de ce même montant journalier par la partie de la fraction d'occupation de ce travail autorisé qui dépasse 20 % .
Pour l'application de l'alinéa précédent, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Par " fraction d'occupation " visée à l'alinéa 1er, on entend le rapport entre le nombre moyen d'heures par semaine durant lesquelles le travailleur est censé effectuer le travail autorisé et le nombre moyen d'heures par semaine pendant lesquelles la personne de référence est censée effectuer ce travail.
Il y lieu d'entendre par " revenu professionnel " visé à l'alinéa 1er, tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5° ou l'article 23, § 1er, 4°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire se procure par une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente compensant la perte de ce revenu. Les primes et avantages similaires accordés, indépendamment du nombre de journées de travail prestées effectivement durant le trimestre de leur déclaration à l'organisme percepteur des cotisations de sécurité sociale, ne sont toutefois pas pris en considération.
Par dérogation aux dispositions de l'alinéa 1er, le titulaire qui reprend, dans les conditions fixées au § 2, une activité de gardien d'enfants, visée à l'article 3, 9°, de l'arrêté royal du 28 novembre 1969 portant exécution de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs peut prétendre :
1° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 25 %, durant la première année d'exercice de cette activité;
2° au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 50 %, à partir de la deuxième année d'exercice de cette activité.
Pour l'application du présent paragraphe, les revenus provenant d'une occupation exercée, en dehors du circuit normal du travail, dans une entreprise relevant de la commission paritaire 327 pour les entreprises de travail adapté, les ateliers sociaux et les " maatwerkbedrijven " ne sont toutefois pas pris en considération.
Les avantages accordés par les organismes ayant pour mission le reclassement social et professionnel des handicapés ou par les entreprises ou institutions publiques contractantes, conformément au décret de la Communauté germanophone du 13 décembre 2016 portant création d'un "Dienststelle der Deutschsprachigen Gemeinschaft für Selbstbestimmtes Leben", au décret de la Communauté flamande du 7 mai 2004 relatif à la création de l'agence autonomisée externe de droit public " Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding ", au décret de la Commission communautaire française de la Région de Bruxelles-capitale du 17 janvier 2014 relatif à l'inclusion de la personne handicapée, et au Code wallon de l'Action sociale et de la Santé du 29 septembre 2011, et à leurs arrêtés d'exécution, ne sont pas pris en considération pour opérer la réduction de l'indemnité d'incapacité de travail conformément aux dispositions de l'alinéa 1er. Le titulaire demande à l'organisme, l'entreprise ou l'institution publique concerné une attestation qui stipule que les avantages sont accordés en conformité avec le décret concerné et ses arrêtés d'exécution. Cette attestation est jointe au dossier du titulaire.";
2° le paragraphe 1erbis est remplacé par ce qui suit :
" § 1erbis. Les indemnités, le cas échéant réduites conformément aux dispositions du paragraphe 1er, sont refusées pour les jours couverts par le pécule de vacances que le titulaire n'a pas pris avant la fin de l'année de vacances. ";
3° il est inséré un paragraphe 1erter rédigé comme suit :
" § 1erter. Le titulaire qui bénéficie d'un revenu professionnel, découlant d'une activité autorisée dans les conditions fixées au § 2, qui n'est pas visé au § 1er, peut prétendre à un montant égal au montant journalier de l'indemnité d'incapacité de travail allouée en l'absence de cumul, réduit de 10 % à partir du moment où la période couverte par l'autorisation du médecin-conseil atteint une durée de six mois et jusqu'au 31 décembre de la troisième année suivant celle du début de l'activité autorisée.
Pour l'application du présent paragraphe, sont considérés comme " revenu professionnel " tout revenu visé à l'article 17, § 1er, 5°, à l'article 23, § 1er, 1°, 2° et 4°, ou à l'article 90, alinéa 1er, 1° au 2° et 12°, du Code des impôts sur les revenus 1992 qu'un titulaire obtient par l'exercice d'une activité personnelle, ainsi que toute indemnité, allocation ou rente accordée en remplacement de ces revenus.
A l'expiration de la période visée à l'alinéa 1er, le paiement des indemnités est entièrement suspendu si le montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée dépasse le plafond de 18.562,28 euros à raison de 15 % au moins. Si le dépassement du plafond précité est inférieur à 15 %, le montant de l'indemnité pour l'année civile concernée est suspendu au prorata d'un pourcentage du montant de l'indemnité égal au pourcentage de dépassement dudit plafond.
Pour l'application de l'alinéa 2, le pourcentage de dépassement est, le cas échéant, calculé au centième près. Pour le calcul du montant de la réduction de l'indemnité, le pourcentage ainsi obtenu est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins 5; dans le cas contraire, la décimale est négligée.
Les revenus pris en considération pour l'application de l'alinéa 2 sont ceux de la troisième année civile complète précédant celle de l'application de celui-ci; la période de référence est fixée de la même manière pour les années subséquentes.
Pour l'application de l'alinéa 2, on entend par " montant du revenu professionnel découlant de l'activité autorisée " le montant net imposable découlant de l'activité autorisée et qui a été pris en compte par l'Administration des contributions directes pour l'imposition de l'année concernée.
Le plafond visé à l'alinéa 2 est applicable au revenu professionnel perçu en 2018. Pour l'application de la règle de cumul aux revenus perçus au cours des années civiles subséquentes, il est tenu compte du plafond indexé au 1er janvier de la période de référence conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor Public, de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
En l'absence d'interruption d'au moins un trimestre civil complet entre la période couverte par deux autorisations, la deuxième période est considérée comme la poursuite de la première période pour la réduction éventuelle de l'indemnité conformément aux alinéas précédents.
Pour l'application du présent paragraphe, ne sont toutefois pas pris en considération, les revenus provenant:
1° d'un mandat de conseiller communal;
2° d'un mandat de membre du conseil d'un centre public d'action sociale, à l'exclusion du mandat de président de ce conseil;
3° d'une fonction de juge social, de juge consulaire ou de conseiller social.";
4° le paragraphe 2 est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
" Chaque autorisation est accordée et, si nécessaire, renouvelée pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.".
Art.3. In artikel 236 van hetzelfde besluit, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "229, 230, 231" worden vervangen door de woorden "219ter, § 1, 229, 230";
2° de woorden "219ter, § 1, 229, 230" worden vervangen door de woorden "219ter, § 1, 229".
1° de woorden "229, 230, 231" worden vervangen door de woorden "219ter, § 1, 229, 230";
2° de woorden "219ter, § 1, 229, 230" worden vervangen door de woorden "219ter, § 1, 229".
Art.3. Dans l'article 236 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " 229, 230, 231 " sont remplacés par les mots " 219ter, § 1er, 229, 230 ";
2° les mots " 219ter, § 1er, 229, 230 " sont remplacés par les mots " 219ter, § 1er, 229 ".
1° les mots " 229, 230, 231 " sont remplacés par les mots " 219ter, § 1er, 229, 230 ";
2° les mots " 219ter, § 1er, 229, 230 " sont remplacés par les mots " 219ter, § 1er, 229 ".
Art.4. Twee jaar na de inwerkingtreding van artikel 2 van dit besluit vraagt de Minister bevoegd voor Sociale Zaken aan de sociale partners en aan de verzekeringsinstellingen om de doeltreffendheid en de effecten van dit besluit in de praktijk te evalueren. Deze evaluatie gebeurt uiterlijk zes maanden na het voormelde verzoek.
Art.4. Deux ans après l'entrée en vigueur de l'article 2 du présent arrêté, le ministre qui a les Affaires Sociales dans ses attributions demande aux partenaires sociaux et aux organismes assureurs d'évaluer l'efficacité et les effets du présent arrêté dans la pratique. Cette évaluation est réalisée au plus tard six mois après la demande précitée.
Art.5. Artikel 1 en artikel 3, 1° van dit besluit hebben uitwerking met ingang van 1 januari 2018.
Artikel 2 en artikel 3, 2° van dit besluit treden in werking op 1 april 2018.
De vóór 1 april 2018 van kracht zijnde bepalingen van artikel 230 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, blijven echter, zolang zij voor de gerechtigde gunstiger blijven, tot en met 30 juni 2018 van toepassing, op voorwaarde dat de gerechtigde al vóór de inwerkingtreding van dit besluit dezelfde toegelaten activiteit heeft uitgeoefend en de toelating sinds 1 april 2018 [1 in voorkomend geval na een hernieuwing voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt, niet gewijzigd is]1.
[1 Onverminderd de toepassing van de regeling bedoeld in artikel 230 ", § 1bis van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996, zoals vervangen bij artikel 2, 2° van onderhavig besluit, blijven voor de gerechtigde wiens uitkering verschuldigd voor 30 juni 2018 met toepassing van de garantiemaatregel bedoeld in het vorige lid is berekend, vanaf 1 juli 2018 de vóór 1 april 2018 van kracht zijnde bepalingen van artikel 230, § 1 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996, zolang zij voor hem gunstiger blijven, van toepassing, op voorwaarde dat de activiteit die effectief wordt verricht op basis van de toelating, in voorkomend geval na een hernieuwing, niet gewijzigd is.
Voor zover het voldoende representatief is voor de toegelaten activiteit die effectief wordt verricht, wordt voor de toepassing van het vorige lid echter steeds rekening gehouden met het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen verworven voor de referentiekalendermaand juni 2018. Als het niet mogelijk is om het voormelde beroepsinkomen in aanmerking te nemen, wordt rekening gehouden met het in werkdagen gewaardeerde verworven beroepsinkomen van de eerste voorafgaande referentiekalendermaand die na 31 december 2017 ligt en waarvoor het in werkdagen gewaardeerde verworven beroepsinkomen wel voldoende representatief is.
Het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen bedoeld in het vorige lid wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.]1
Voor de toepassing van artikel 230, § 1ter van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996, zoals ingevoegd bij artikel 2, 3° van onderhavig besluit, wordt de al vóór 1 april 2018 aangevatte toegelaten activiteit geacht op 1 april 2018 te zijn aangevat.
Vóór 1 april 2019 stelt de adviserend arts van de verzekeringsinstelling een einde aan elke nog lopende toelating die vóór 1 april 2018 voor een onbepaalde duur of voor meer dan twee jaar is toegekend en verleent hij, in voorkomend geval, een nieuwe toelating voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.
Artikel 2 en artikel 3, 2° van dit besluit treden in werking op 1 april 2018.
De vóór 1 april 2018 van kracht zijnde bepalingen van artikel 230 van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, blijven echter, zolang zij voor de gerechtigde gunstiger blijven, tot en met 30 juni 2018 van toepassing, op voorwaarde dat de gerechtigde al vóór de inwerkingtreding van dit besluit dezelfde toegelaten activiteit heeft uitgeoefend en de toelating sinds 1 april 2018 [1 in voorkomend geval na een hernieuwing voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt, niet gewijzigd is]1.
[1 Onverminderd de toepassing van de regeling bedoeld in artikel 230 ", § 1bis van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996, zoals vervangen bij artikel 2, 2° van onderhavig besluit, blijven voor de gerechtigde wiens uitkering verschuldigd voor 30 juni 2018 met toepassing van de garantiemaatregel bedoeld in het vorige lid is berekend, vanaf 1 juli 2018 de vóór 1 april 2018 van kracht zijnde bepalingen van artikel 230, § 1 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996, zolang zij voor hem gunstiger blijven, van toepassing, op voorwaarde dat de activiteit die effectief wordt verricht op basis van de toelating, in voorkomend geval na een hernieuwing, niet gewijzigd is.
Voor zover het voldoende representatief is voor de toegelaten activiteit die effectief wordt verricht, wordt voor de toepassing van het vorige lid echter steeds rekening gehouden met het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen verworven voor de referentiekalendermaand juni 2018. Als het niet mogelijk is om het voormelde beroepsinkomen in aanmerking te nemen, wordt rekening gehouden met het in werkdagen gewaardeerde verworven beroepsinkomen van de eerste voorafgaande referentiekalendermaand die na 31 december 2017 ligt en waarvoor het in werkdagen gewaardeerde verworven beroepsinkomen wel voldoende representatief is.
Het in werkdagen gewaardeerde beroepsinkomen bedoeld in het vorige lid wordt aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer overeenkomstig de bepalingen van artikel 237 van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996.]1
Voor de toepassing van artikel 230, § 1ter van het voormelde koninklijk besluit van 3 juli 1996, zoals ingevoegd bij artikel 2, 3° van onderhavig besluit, wordt de al vóór 1 april 2018 aangevatte toegelaten activiteit geacht op 1 april 2018 te zijn aangevat.
Vóór 1 april 2019 stelt de adviserend arts van de verzekeringsinstelling een einde aan elke nog lopende toelating die vóór 1 april 2018 voor een onbepaalde duur of voor meer dan twee jaar is toegekend en verleent hij, in voorkomend geval, een nieuwe toelating voor een beperkte duur die geen twee jaar overschrijdt.
Modifications
Art.5. L'article 1er et l'article 3, 1°, du présent arrêté produisent leurs effets le 1er janvier 2018.
L'article 2 et l'article 3, 2°, du présent arrêté entrent en vigueur le 1er avril 2018.
Les dispositions en vigueur avant le 1er avril 2018 de l'article 230 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, restent toutefois d'application jusqu'au 30 juin 2018, aussi longtemps qu'elles restent plus favorables pour le titulaire, à condition que le titulaire ait déjà exercé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté la même activité autorisée et que l'autorisation [1 le cas échéant, après un renouvellement pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans, n'ait pas été modifiée]1 depuis le 1er avril 2018.
[1 Sans préjudice de l'application des dispositions visées à l'article 230 ", § 1bis, de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996, telles que remplacées par l'article 2, 2°, du présent arrêté, les dispositions relatives à l'article 230, § 1er, de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996, en vigueur avant le 1er avril 2018, restent d'application à partir du 1er juillet 2018 pour le titulaire dont l'indemnité due pour le 30 juin 2018 a été calculée en application de la mesure de garantie visée à l'alinéa précédent, tant que ces dispositions lui sont plus favorables, à condition que l'activité qui est effectivement exercée sur base de l'autorisation, le cas échéant après un renouvellement, ne soit pas modifiée.
Pour autant que cela soit suffisamment représentatif pour l'activité autorisée qui est effectivement exercée, il est toutefois toujours tenu compte, pour l'application de l'alinéa précédent, du revenu professionnel acquis, converti en jours ouvrables, correspondant au mois civil de référence de juin 2018. S'il n'est pas possible de prendre en considération le revenu professionnel précité, il est tenu compte du revenu professionnel acquis, converti en jours ouvrables, correspondant au premier mois civil de référence précédent qui se situe après le 31 décembre 2017 et dont le revenu professionnel acquis, converti en jours ouvrables, est quant à lui suffisamment représentatif.
Le revenu professionnel, converti en jours ouvrables, visé à l'alinéa précédent est adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237 de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996.]1
Pour l'application de l'article 230, § 1erter, de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996, tel qu'inséré par l'article 2, 3°, du présent arrêté, l'activité autorisée qui a débuté avant le 1er avril 2018 est considérée comme ayant débuté le 1er avril 2018.
Avant le 1er avril 2019, le médecin-conseil de l'organisme assureur met fin, à toute autorisation encore en cours qui a été accordée avant le 1er avril 2018 pour une durée indéterminée ou pour plus de deux ans et accorde, le cas échéant, une nouvelle autorisation pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.
L'article 2 et l'article 3, 2°, du présent arrêté entrent en vigueur le 1er avril 2018.
Les dispositions en vigueur avant le 1er avril 2018 de l'article 230 de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, restent toutefois d'application jusqu'au 30 juin 2018, aussi longtemps qu'elles restent plus favorables pour le titulaire, à condition que le titulaire ait déjà exercé avant l'entrée en vigueur du présent arrêté la même activité autorisée et que l'autorisation [1 le cas échéant, après un renouvellement pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans, n'ait pas été modifiée]1 depuis le 1er avril 2018.
[1 Sans préjudice de l'application des dispositions visées à l'article 230 ", § 1bis, de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996, telles que remplacées par l'article 2, 2°, du présent arrêté, les dispositions relatives à l'article 230, § 1er, de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996, en vigueur avant le 1er avril 2018, restent d'application à partir du 1er juillet 2018 pour le titulaire dont l'indemnité due pour le 30 juin 2018 a été calculée en application de la mesure de garantie visée à l'alinéa précédent, tant que ces dispositions lui sont plus favorables, à condition que l'activité qui est effectivement exercée sur base de l'autorisation, le cas échéant après un renouvellement, ne soit pas modifiée.
Pour autant que cela soit suffisamment représentatif pour l'activité autorisée qui est effectivement exercée, il est toutefois toujours tenu compte, pour l'application de l'alinéa précédent, du revenu professionnel acquis, converti en jours ouvrables, correspondant au mois civil de référence de juin 2018. S'il n'est pas possible de prendre en considération le revenu professionnel précité, il est tenu compte du revenu professionnel acquis, converti en jours ouvrables, correspondant au premier mois civil de référence précédent qui se situe après le 31 décembre 2017 et dont le revenu professionnel acquis, converti en jours ouvrables, est quant à lui suffisamment représentatif.
Le revenu professionnel, converti en jours ouvrables, visé à l'alinéa précédent est adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation, conformément aux dispositions de l'article 237 de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996.]1
Pour l'application de l'article 230, § 1erter, de l'arrêté royal précité du 3 juillet 1996, tel qu'inséré par l'article 2, 3°, du présent arrêté, l'activité autorisée qui a débuté avant le 1er avril 2018 est considérée comme ayant débuté le 1er avril 2018.
Avant le 1er avril 2019, le médecin-conseil de l'organisme assureur met fin, à toute autorisation encore en cours qui a été accordée avant le 1er avril 2018 pour une durée indéterminée ou pour plus de deux ans et accorde, le cas échéant, une nouvelle autorisation pour une durée limitée qui ne dépasse pas deux ans.
Modifications
Art. 6. De Minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 6. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.