Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
11 JULI 2018. - Wet houdende diverse bepalingen in strafzaken
Titre
11 JUILLET 2018. - Loi portant des dispositions diverses en matière pénale
Informations sur le document
Numac: 2018040294
Datum: 2018-07-11
Info du document
Numac: 2018040294
Date: 2018-07-11
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van ...
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Strafwetboek
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande ti...
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk...
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 20 juli...
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 dece...
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 29 ma...
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de basiswet van ...
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 17 m...
HOOFDSTUK 11. - Bekrachtiging van besluiten gen...
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtredingsbepaling
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'Instructi...
CHAPITRE 3. - Modifications du Code pénal
CHAPITRE 4. - Modification du titre préliminair...
CHAPITRE 5. - Modifications du Code judiciaire
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 20 juil...
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 19 déce...
CHAPITRE 8. - Modifications de la loi du 29 mar...
CHAPITRE 9. - Modifications de la loi de princi...
CHAPITRE 10. - Modifications de la loi du 17 ma...
CHAPITRE 11. - Confirmation d'arrêtés pris en a...
CHAPITRE 12. - Disposition d'entrée en vigueur
Tekst (93)
Texte (93)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
CHAPITRE 2. - Modifications du Code d'Instruction criminelle
Art.2. In artikel 443 van het Wetboek van strafvordering, vervangen bij de wet van 18 juni 1894 en gewijzigd bij de wet van 10 juni 1967, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid, worden in de bepaling onder 2° de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek";
2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
"3° Wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.";
3° in het derde lid worden de woorden "die tien jaar ingeschreven zijn" vervangen door de woorden "die tenminste tien jaar ingeschreven zijn" en worden de woorden "bij het hof van beroep" opgeheven;
4° in het laatste lid worden de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek".
1° in het eerste lid, worden in de bepaling onder 2° de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek";
2° in het eerste lid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
"3° Wanneer er sprake is van een gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en waarvan de veroordeelde het bestaan niet heeft kunnen aantonen ten tijde van het geding en dat, op zichzelf of in verband met de vroeger geleverde bewijzen, met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt, zodanig dat het ernstige vermoeden ontstaat dat indien dit gegeven bekend zou zijn geweest, het onderzoek van de zaak zou hebben geleid, hetzij tot een vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot het verval van de strafvordering, hetzij tot het ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot de toepassing van een minder strenge strafwet.";
3° in het derde lid worden de woorden "die tien jaar ingeschreven zijn" vervangen door de woorden "die tenminste tien jaar ingeschreven zijn" en worden de woorden "bij het hof van beroep" opgeheven;
4° in het laatste lid worden de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek".
Art.2. A l'article 443 du Code d'Instruction criminelle, remplacé par la loi du 18 juin 1894 et modifié par la loi du 10 juillet 1967, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, 2°, le mot "contumace" est remplacé par le mot "défaut";
2° dans l'alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° Si un élément qui n'était pas connu du juge au moment de l'instruction faite à l'audience et que le condamné n'a pas été à même d'établir lors du procès et que cet élément, en lui-même ou conjugué aux preuves qui avaient été fournies, paraît incompatible avec le jugement, de manière à faire naître une présomption grave que si cet élément avait été connu, l'instruction de l'affaire aurait donné lieu soit à un acquittement du condamné, soit à l'extinction de l'action publique, soit à l'absolution, soit à l'application d'une loi pénale moins sévère.";
3° dans l'alinéa 3, les mots "ayant dix années d'inscription" sont remplacés par les mots "ayant au moins dix années d'inscription" et les mots "à la cour d'appel" sont abrogés;
4° au dernier alinéa, le mot "contumace" est remplacé par le mot "défaut".
1° dans l'alinéa 1er, 2°, le mot "contumace" est remplacé par le mot "défaut";
2° dans l'alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° Si un élément qui n'était pas connu du juge au moment de l'instruction faite à l'audience et que le condamné n'a pas été à même d'établir lors du procès et que cet élément, en lui-même ou conjugué aux preuves qui avaient été fournies, paraît incompatible avec le jugement, de manière à faire naître une présomption grave que si cet élément avait été connu, l'instruction de l'affaire aurait donné lieu soit à un acquittement du condamné, soit à l'extinction de l'action publique, soit à l'absolution, soit à l'application d'une loi pénale moins sévère.";
3° dans l'alinéa 3, les mots "ayant dix années d'inscription" sont remplacés par les mots "ayant au moins dix années d'inscription" et les mots "à la cour d'appel" sont abrogés;
4° au dernier alinéa, le mot "contumace" est remplacé par le mot "défaut".
Art.3. In artikel 444 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juni 1894, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
"3° Aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"Deze worden bij het Hof aanhangig gemaakt, hetzij door een vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie of een procureur-generaal bij het hof van beroep, hetzij door een verzoekschrift dat getekend is door een advocaat bij het Hof van Cassatie, een omstandige opgave van de feiten bevat en de grond tot herziening bepaalt, evenals de stukken toevoegt waaruit die grond tot herziening blijkt.".
1° in het eerste lid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt:
"3° Aan de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie en aan de procureurs-generaal bij de hoven van beroep.";
2° het derde lid wordt vervangen als volgt:
"Deze worden bij het Hof aanhangig gemaakt, hetzij door een vordering van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie of een procureur-generaal bij het hof van beroep, hetzij door een verzoekschrift dat getekend is door een advocaat bij het Hof van Cassatie, een omstandige opgave van de feiten bevat en de grond tot herziening bepaalt, evenals de stukken toevoegt waaruit die grond tot herziening blijkt.".
Art.3. A l'article 444 du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 1894, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° Au procureur général près la Cour de cassation et aux procureurs généraux près les cours d'appel.";
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Elle en est saisie, soit par le réquisitoire du procureur général près la Cour de cassation ou d'un procureur général près la cour d'appel, soit par une requête signée d'un avocat à la Cour de cassation, détaillant les faits, spécifiant la cause de révision et joignant les pièces dont cette cause de révision ressort.".
1° dans l'alinéa 1er, le 3° est remplacé par ce qui suit:
"3° Au procureur général près la Cour de cassation et aux procureurs généraux près les cours d'appel.";
2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"Elle en est saisie, soit par le réquisitoire du procureur général près la Cour de cassation ou d'un procureur général près la cour d'appel, soit par une requête signée d'un avocat à la Cour de cassation, détaillant les faits, spécifiant la cause de révision et joignant les pièces dont cette cause de révision ressort.".
Art.4. In artikel 445 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 18 juni 1894, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid wordt de zin "In geval van overlijden, onbekwaamverklaring, afwezigheid, weerspannigheid aan de wet of verstek van de veroordeelde te wiens behoeve geen verzoekschrift als vermeld in artikel 444 is ingediend, benoemt het Hof van Cassatie een curator voor zijn verdediging, die hem bij de rechtspleging in herziening zal vertegenwoordigen" opgeheven;
2° het derde lid wordt vervangen door de volgende leden:
"Wanneer de aanvraag tot herziening steunt op een van de in artikel 443, 3°, vermelde gronden en het Hof van Cassatie de aanvraag niet dadelijk als niet-ontvankelijk verwerpt, onderzoekt het Hof of er voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening.
Indien het Hof van Cassatie oordeelt dat dit niet het geval is, verwerpt het Hof de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond.
Indien dit wel het geval is, beveelt het Hof dat de aanvraag wordt onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken.
Naargelang de taal van de rechtspleging bestaat deze Commissie uit de volgende leden, aangesteld door de minister bevoegd voor Justitie:
- op voordracht van het College van de hoven en de rechtbanken, een magistraat van de zetel;
- op voordracht van het College van procureurs - generaal, een parketmagistraat;
- twee advocaten voorgedragen door de Orde van Vlaamse Balies, respectievelijk twee advocaten voorgedragen door de ``Ordre des barreaux francophones et germanophone";
- een lid aangewezen op grond van zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Commissie zijn toevertrouwd.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden van de Commissie.
Hij bepaalt de nadere regels voor de werking van de Commissie.
De Commissie kan overgaan tot het horen van personen die bij het onderzoek in de zaak betrokken waren, evenals van deskundigen. De Commissie kan een deskundige een opdracht geven. De Commissie verleent aan het Hof van Cassatie een advies, dat niet bindend is. De Commissie kan, voorafgaandelijk aan het verlenen van het advies, aan het Hof van Cassatie vragen dat bijkomende onderzoekshandelingen worden gesteld. Indien het Hof van Cassatie oordeelt dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is, wordt het dossier overgemaakt aan de procureur-generaal die het uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen opdraagt aan het openbaar ministerie bij de rechtbank die of het hof van beroep dat van de zaak nog geen kennis heeft genomen. Het Hof van Cassatie motiveert zijn beslissing wanneer niet wordt ingegaan op de vraag van de Commissie om bijkomende onderzoekshandelingen te stellen. Het Hof van Cassatie kan ook zelf oordelen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden gesteld. Nadat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd of indien het Hof van Cassatie oordeelt dat bijkomend onderzoek niet noodzakelijk is, wordt de zaak opnieuw voorgelegd aan de Commissie, die een advies verleent, dat niet bindend is.";
3° het vierde lid, dat het tiende lid wordt, wordt vervangen als volgt:
"Nadat de Commissie zijn advies heeft verleend, vernietigt het Hof van Cassatie ofwel de veroordeling en verwijst de zaak naar een hof van beroep of een hof van assisen, overeenkomstig het eerste lid, ofwel verwerpt het de aanvraag tot herziening. Zodra het Hof van Cassatie het arrest heeft uitgesproken, wordt het advies van de Commissie publiek gemaakt";
4° in het vijfde lid, dat het elfde lid wordt, wordt de zin "verklaart het hof van beroep zulks in zijn arrest" vervangen als volgt: "verklaart de Commissie zulks in haar advies".
1° in het eerste lid wordt de zin "In geval van overlijden, onbekwaamverklaring, afwezigheid, weerspannigheid aan de wet of verstek van de veroordeelde te wiens behoeve geen verzoekschrift als vermeld in artikel 444 is ingediend, benoemt het Hof van Cassatie een curator voor zijn verdediging, die hem bij de rechtspleging in herziening zal vertegenwoordigen" opgeheven;
2° het derde lid wordt vervangen door de volgende leden:
"Wanneer de aanvraag tot herziening steunt op een van de in artikel 443, 3°, vermelde gronden en het Hof van Cassatie de aanvraag niet dadelijk als niet-ontvankelijk verwerpt, onderzoekt het Hof of er voldoende aanwijzingen zijn dat er mogelijk sprake is van een grond tot herziening.
Indien het Hof van Cassatie oordeelt dat dit niet het geval is, verwerpt het Hof de aanvraag tot herziening als kennelijk ongegrond.
Indien dit wel het geval is, beveelt het Hof dat de aanvraag wordt onderzocht door de Commissie voor herziening in strafzaken.
Naargelang de taal van de rechtspleging bestaat deze Commissie uit de volgende leden, aangesteld door de minister bevoegd voor Justitie:
- op voordracht van het College van de hoven en de rechtbanken, een magistraat van de zetel;
- op voordracht van het College van procureurs - generaal, een parketmagistraat;
- twee advocaten voorgedragen door de Orde van Vlaamse Balies, respectievelijk twee advocaten voorgedragen door de ``Ordre des barreaux francophones et germanophone";
- een lid aangewezen op grond van zijn deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Commissie zijn toevertrouwd.
De Koning bepaalt de nadere regels voor de indiening van de kandidaturen en voor de voordracht van de leden van de Commissie.
Hij bepaalt de nadere regels voor de werking van de Commissie.
De Commissie kan overgaan tot het horen van personen die bij het onderzoek in de zaak betrokken waren, evenals van deskundigen. De Commissie kan een deskundige een opdracht geven. De Commissie verleent aan het Hof van Cassatie een advies, dat niet bindend is. De Commissie kan, voorafgaandelijk aan het verlenen van het advies, aan het Hof van Cassatie vragen dat bijkomende onderzoekshandelingen worden gesteld. Indien het Hof van Cassatie oordeelt dat bijkomend onderzoek noodzakelijk is, wordt het dossier overgemaakt aan de procureur-generaal die het uitvoeren van bijkomende onderzoekshandelingen opdraagt aan het openbaar ministerie bij de rechtbank die of het hof van beroep dat van de zaak nog geen kennis heeft genomen. Het Hof van Cassatie motiveert zijn beslissing wanneer niet wordt ingegaan op de vraag van de Commissie om bijkomende onderzoekshandelingen te stellen. Het Hof van Cassatie kan ook zelf oordelen dat bijkomende onderzoekshandelingen moeten worden gesteld. Nadat de onderzoekshandelingen zijn uitgevoerd of indien het Hof van Cassatie oordeelt dat bijkomend onderzoek niet noodzakelijk is, wordt de zaak opnieuw voorgelegd aan de Commissie, die een advies verleent, dat niet bindend is.";
3° het vierde lid, dat het tiende lid wordt, wordt vervangen als volgt:
"Nadat de Commissie zijn advies heeft verleend, vernietigt het Hof van Cassatie ofwel de veroordeling en verwijst de zaak naar een hof van beroep of een hof van assisen, overeenkomstig het eerste lid, ofwel verwerpt het de aanvraag tot herziening. Zodra het Hof van Cassatie het arrest heeft uitgesproken, wordt het advies van de Commissie publiek gemaakt";
4° in het vijfde lid, dat het elfde lid wordt, wordt de zin "verklaart het hof van beroep zulks in zijn arrest" vervangen als volgt: "verklaart de Commissie zulks in haar advies".
Art.4. A l'article 445 du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 1894, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er, la phrase "En cas de décès, d'interdiction, d'absence, de contumace ou de défaut du condamné pour lequel la requête mentionnée à l'article 444 n'aura pas été présentée, la Cour de cassation nommera un curateur à sa défense, lequel le représentera dans la procédure en révision" est abrogée;
2° l'alinéa 3 est remplacé par les alinéas suivants:
"Lorsque la demande en révision s'appuie sur une des causes énumérées à l'article 443, 3°, et que la Cour de cassation ne rejette pas immédiatement la demande comme n'étant pas recevable, la Cour examinera s'il y a des indices suffisants selon lesquels il peut être question d'une cause de révision.
Si la Cour de cassation estime que ce n'est pas le cas, elle rejettera la demande en révision comme étant manifestement infondée.
Si la Cour de cassation estime que c'est bien le cas, elle ordonnera que la demande soit instruite par la Commission de révision en matière pénale.
Selon la langue de la procédure, cette Commission est composée des membres suivants, désignés par le ministre qui a la Justice dans ses attributions:
- sur présentation du Collège des cours et tribunaux, un magistrat du siège;
- sur présentation du Collège des procureurs généraux, un magistrat de parquet;
- deux avocats présentés par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, respectivement deux avocats présentés par l'"Orde van Vlaamse Balies";
- un membre désigné sur la base de sa compétence ou de son expérience en rapport avec les missions qui sont confiées à la Commission.
Le Roi fixe les modalités du dépôt des candidatures et de la présentation des membres de la Commission.
Il fixe les modalités de fonctionnement de la Commission.
La Commission peut procéder à l'audition de personnes impliquées dans l'instruction ainsi que d'experts. La Commission peut confier une mission à un expert. La Commission rend un avis non contraignant à la Cour de cassation. Avant de rendre son avis, la Commission peut demander l'accomplissement d'actes d'instruction complémentaires à la Cour de cassation. Si la Cour de cassation estime que des actes d'instruction complémentaires sont nécessaires, le dossier est transmis au procureur général, qui charge le ministère public près le tribunal ou la cour d'appel qui n'a pas encore pris connaissance de l'affaire de les accomplir. La Cour de cassation motive sa décision lorsqu'il n'est pas accédé à la demande de la Commission de poser des actes d'instruction complémentaires. La Cour de cassation elle-même peut également estimer que des actes d'instruction complémentaires doivent être posés. Après que les actes d'instruction ont été posés ou si la Cour de cassation estime qu'il n'est pas nécessaire de poser des actes d'instruction complémentaires, l'affaire est à nouveau soumise à la Commission, qui rend un avis non contraignant.";
3° l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 10, est remplacé par ce qui suit:
"Après que la Commission a rendu son avis, la Cour de cassation soit annulera la condamnation et renverra l'affaire à une cour d'appel ou une cour d'assises, conformément à l'alinéa 1er, soit rejettera la demande en révision. L'avis de la Commission sera rendu public dès que la Cour de cassation aura prononcé l'arrêt.";
4° dans l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 11, les mots "la cour d'appel le déclarera dans son arrêt" sont remplacés par les mots "la Commission le déclarera dans son avis".
1° dans l'alinéa 1er, la phrase "En cas de décès, d'interdiction, d'absence, de contumace ou de défaut du condamné pour lequel la requête mentionnée à l'article 444 n'aura pas été présentée, la Cour de cassation nommera un curateur à sa défense, lequel le représentera dans la procédure en révision" est abrogée;
2° l'alinéa 3 est remplacé par les alinéas suivants:
"Lorsque la demande en révision s'appuie sur une des causes énumérées à l'article 443, 3°, et que la Cour de cassation ne rejette pas immédiatement la demande comme n'étant pas recevable, la Cour examinera s'il y a des indices suffisants selon lesquels il peut être question d'une cause de révision.
Si la Cour de cassation estime que ce n'est pas le cas, elle rejettera la demande en révision comme étant manifestement infondée.
Si la Cour de cassation estime que c'est bien le cas, elle ordonnera que la demande soit instruite par la Commission de révision en matière pénale.
Selon la langue de la procédure, cette Commission est composée des membres suivants, désignés par le ministre qui a la Justice dans ses attributions:
- sur présentation du Collège des cours et tribunaux, un magistrat du siège;
- sur présentation du Collège des procureurs généraux, un magistrat de parquet;
- deux avocats présentés par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone, respectivement deux avocats présentés par l'"Orde van Vlaamse Balies";
- un membre désigné sur la base de sa compétence ou de son expérience en rapport avec les missions qui sont confiées à la Commission.
Le Roi fixe les modalités du dépôt des candidatures et de la présentation des membres de la Commission.
Il fixe les modalités de fonctionnement de la Commission.
La Commission peut procéder à l'audition de personnes impliquées dans l'instruction ainsi que d'experts. La Commission peut confier une mission à un expert. La Commission rend un avis non contraignant à la Cour de cassation. Avant de rendre son avis, la Commission peut demander l'accomplissement d'actes d'instruction complémentaires à la Cour de cassation. Si la Cour de cassation estime que des actes d'instruction complémentaires sont nécessaires, le dossier est transmis au procureur général, qui charge le ministère public près le tribunal ou la cour d'appel qui n'a pas encore pris connaissance de l'affaire de les accomplir. La Cour de cassation motive sa décision lorsqu'il n'est pas accédé à la demande de la Commission de poser des actes d'instruction complémentaires. La Cour de cassation elle-même peut également estimer que des actes d'instruction complémentaires doivent être posés. Après que les actes d'instruction ont été posés ou si la Cour de cassation estime qu'il n'est pas nécessaire de poser des actes d'instruction complémentaires, l'affaire est à nouveau soumise à la Commission, qui rend un avis non contraignant.";
3° l'alinéa 4, qui devient l'alinéa 10, est remplacé par ce qui suit:
"Après que la Commission a rendu son avis, la Cour de cassation soit annulera la condamnation et renverra l'affaire à une cour d'appel ou une cour d'assises, conformément à l'alinéa 1er, soit rejettera la demande en révision. L'avis de la Commission sera rendu public dès que la Cour de cassation aura prononcé l'arrêt.";
4° dans l'alinéa 5, qui devient l'alinéa 11, les mots "la cour d'appel le déclarera dans son arrêt" sont remplacés par les mots "la Commission le déclarera dans son avis".
Art.5. In artikel 446 van hetzelfde Wetboek vervangen bij de wet van 18 juni 1894, worden de woorden "weerspannigheid aan de wet" vervangen door het woord "verstek".
Art.5. Dans l'article 446 du même Code, remplacé par la loi du 18 juin 1897, le mot "contumace" est remplacé par le mot "défaut".
Art.6. Artikel 447bis van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 9 april 1930, wordt vervangen als volgt:
"Art. 447bis. De beslissingen, waarbij internering wordt gelast van verdachten en beschuldigen, kunnen worden herzien overeenkomstig de artikelen 443 tot 447.".
"Art. 447bis. De beslissingen, waarbij internering wordt gelast van verdachten en beschuldigen, kunnen worden herzien overeenkomstig de artikelen 443 tot 447.".
Art.6. L'article 447bis du même Code, inséré par la loi du 9 avril 1930, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 447bis. Sont susceptibles de révision, conformément aux articles 443 à 447, les décisions ordonnant l'internement d'inculpés et d'accusés.".
"Art. 447bis. Sont susceptibles de révision, conformément aux articles 443 à 447, les décisions ordonnant l'internement d'inculpés et d'accusés.".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het Strafwetboek
CHAPITRE 3. - Modifications du Code pénal
Art.7. In de Franse tekst van artikel 37ter, § 2, tweede lid, eerste zin, van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 7 februari 2014, worden de woorden "doit être exécutée" vervangen door de woorden "doit débuter".
Art.7. Dans l'article 37ter, § 2, alinéa 2, première phrase, du Code pénal, inséré par la loi du 7 février 2014 et modifié par la loi du 5 février 2016, les mots "doit être exécutée" sont remplacés par les mots "doit débuter".
Art.8. In artikel 85, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 17 april 2002 en 5 februari 2016, worden de volgende wijzingen aangebracht:
1° de woorden "de straffen onder elektronisch toezicht," worden opgeheven;
2° de woorden "een maand," worden opgeheven.
1° de woorden "de straffen onder elektronisch toezicht," worden opgeheven;
2° de woorden "een maand," worden opgeheven.
Art.8. Dans l'article 85, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois des 17 avril 2002 et 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "les peines de surveillance électronique," sont abrogés;
2° les mots "d'un mois," sont abrogés.
1° les mots "les peines de surveillance électronique," sont abrogés;
2° les mots "d'un mois," sont abrogés.
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering
CHAPITRE 4. - Modification du titre préliminaire du Code de procédure pénale
Art.9. In artikel 21, eerste lid, 2°, tweede streepje, van de wet van 17 april 1878 houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering, vervangen bij de wet van 5 februari 2016 en gewijzigd bij de wetten van 1 februari en 31 mei 2016, worden de woorden "artikelen 371/1 tot 377" vervangen door de woorden "artikelen 371/1 tot 375, 376, tweede en derde lid, en 377".
Art.9. Dans l'article 21, alinéa 1er, 2°, second tiret, de la loi du 17 avril 1878 contenant le titre préliminaire du Code de procédure pénale, remplacé par la loi du 5 février 2016 et modifié par les lois des 1er février et 31 mai 2016, les mots "articles 371/1 à 377" sont remplacés par les mots "articles 371/1 à 375, 376, alinéas 2 et 3, et 377".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 5. - Modifications du Code judiciaire
Art.10. In artikel 92bis van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wetten van 19 oktober 2015 en 4 mei 2016, worden de woorden "vrijheidsstraf van dertig jaar" vervangen door de woorden "correctionele gevangenisstraf van dertig jaar tot veertig jaar, een opsluiting van dertig jaar of meer".
Art.10. Dans l'article 92bis du Code judiciaire, inséré par la loi du 17 mars 2013 et modifié par les lois des 19 octobre 2015 et 4 mai 2016, les mots "privative de liberté de trente ans" sont remplacés par les mots "correctionnelle de trente ans à quarante ans d'emprisonnement, à une réclusion de trente ans ou plus".
Art.11. In artikel 196ter van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 mei 2006 en gewijzigd bij de wetten van 5 mei 2014 en 4 mei 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De benoeming tot werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt, voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming. Voor de berekening van het rustpensioen worden de in die hoedanigheid gepresteerde diensten in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst.";
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "assessor";
3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "de" en het woord "assessor";
4° in paragraaf 3, vierde lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "assessor";
5° in paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden " § 3, eerste en vierde lid," vervangen door de woorden "het eerste en vierde lid".
1° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De benoeming tot werkend assessor in de strafuitvoeringsrechtbank wordt, voor de opening van het recht en de berekening van het pensioen, gelijkgesteld met een vaste benoeming. Voor de berekening van het rustpensioen worden de in die hoedanigheid gepresteerde diensten in aanmerking genomen naar rata van 1/60 per jaar dienst.";
2° in paragraaf 3, eerste lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "assessor";
3° in paragraaf 3, tweede lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "de" en het woord "assessor";
4° in paragraaf 3, vierde lid, wordt het woord "werkend" ingevoegd tussen het woord "De" en het woord "assessor";
5° in paragraaf 3, zevende lid, worden de woorden " § 3, eerste en vierde lid," vervangen door de woorden "het eerste en vierde lid".
Art.11. Dans l'article 196ter du Code judiciaire, inséré par la loi du 17 mai 2006 et modifié par les lois du 5 mai 2014 et du 4 mai 2016, sont apportées les modifications suivantes:
1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"La nomination comme assesseur au tribunal de l'application des peines effectif est, pour l'ouverture du droit et le calcul de la pension, assimilée à une nomination à titre définitif. Pour le calcul de la pension de retraite, les services effectués en cette qualité sont pris en compte à raison de 1/60e par année de service.";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le mot "effectif" est inséré entre le mot "assesseur" et le mot "qui";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 2, le mot "effectif" est inséré entre le mot "assesseur" et le mot "est";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 4, le mot "effectif" est inséré entre le mot "assesseur" et le mot "qui";
5° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les mots "au § 3," sont remplacés par le mot "aux".
1° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"La nomination comme assesseur au tribunal de l'application des peines effectif est, pour l'ouverture du droit et le calcul de la pension, assimilée à une nomination à titre définitif. Pour le calcul de la pension de retraite, les services effectués en cette qualité sont pris en compte à raison de 1/60e par année de service.";
2° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, le mot "effectif" est inséré entre le mot "assesseur" et le mot "qui";
3° dans le paragraphe 3, alinéa 2, le mot "effectif" est inséré entre le mot "assesseur" et le mot "est";
4° dans le paragraphe 3, alinéa 4, le mot "effectif" est inséré entre le mot "assesseur" et le mot "qui";
5° dans le paragraphe 3, alinéa 7, les mots "au § 3," sont remplacés par le mot "aux".
HOOFDSTUK 6. - Wijziging van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
CHAPITRE 6. - Modification de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive
Art.12. In de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis wordt een artikel 28/1 ingevoegd, luidend als volgt:
"Art. 28/1. De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval dat de verdachte niet persoonlijk kan verschijnen omwille van een hechtenis in het buitenland en hijzelf gevraagd heeft om persoonlijk aanwezig te kunnen zijn.".
"Art. 28/1. De rechtbank of het hof, naargelang van het geval, kan een bevel tot aanhouding uitvaardigen in het geval dat de verdachte niet persoonlijk kan verschijnen omwille van een hechtenis in het buitenland en hijzelf gevraagd heeft om persoonlijk aanwezig te kunnen zijn.".
Art.12. Dans la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, il est inséré un article 28/1, rédigé comme suit:
"Art. 28/1. Le tribunal ou la cour, selon le cas, peut décerner un mandat d'arrêt dans le cas où le suspect ne peut pas comparaître en personne en raison d'une détention à l'étranger et a lui-même demandé à pouvoir être présent en personne.".
"Art. 28/1. Le tribunal ou la cour, selon le cas, peut décerner un mandat d'arrêt dans le cas où le suspect ne peut pas comparaître en personne en raison d'une détention à l'étranger et a lui-même demandé à pouvoir être présent en personne.".
HOOFDSTUK 7. - Wijziging van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel
CHAPITRE 7. - Modification de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen
Art.13. In artikel 32 van de wet van 19 december 2003 betreffende het Europees aanhoudingsbevel worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden ", of de procureur des Konings ter uitvoering van een bevel tot aanhouding uitgevaardigd, naar gelang van het geval, door de rechtbank of het hof," ingevoegd tussen de woorden "de onderzoeksrechter" en de woorden "een Europees aanhoudingsbevel".
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. Indien grond bestaat te denken dat een minderjarige, die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten en ten aanzien van wie een voorlopige vrijheidsbenemende maatregel werd uitgesproken door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank op grond van de bepalingen uitgevaardigd krachtens de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet en krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een Europees aanhoudingsbevel uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.".
3° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 2/1. Indien grond bestaat te denken dat een minderjarige, die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten en ten aanzien van wie een vrijheidsbenemende maatregel werd uitgesproken door de jeugdrechtbank op grond van de bepalingen uitgevaardigd krachtens de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet en krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een Europees aanhoudingsbevel uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.
In voorkomend geval is paragraaf 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden ", of de procureur des Konings ter uitvoering van een bevel tot aanhouding uitgevaardigd, naar gelang van het geval, door de rechtbank of het hof," ingevoegd tussen de woorden "de onderzoeksrechter" en de woorden "een Europees aanhoudingsbevel".
2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 1/1. Indien grond bestaat te denken dat een minderjarige, die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten en ten aanzien van wie een voorlopige vrijheidsbenemende maatregel werd uitgesproken door de jeugdrechter of de jeugdrechtbank op grond van de bepalingen uitgevaardigd krachtens de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet en krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een Europees aanhoudingsbevel uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.".
3° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende:
" § 2/1. Indien grond bestaat te denken dat een minderjarige, die de volle leeftijd van zestien jaar heeft bereikt op het tijdstip van de feiten en ten aanzien van wie een vrijheidsbenemende maatregel werd uitgesproken door de jeugdrechtbank op grond van de bepalingen uitgevaardigd krachtens de artikelen 128, 130 en 135 van de Grondwet en krachtens artikel 5, § 1, II, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zich op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie bevindt, vaardigt de procureur des Konings een Europees aanhoudingsbevel uit in de vormen en onder de voorwaarden omschreven in de artikelen 2 en 3.
In voorkomend geval is paragraaf 2, tweede lid, van overeenkomstige toepassing.".
Art.13. A l'article 32 de la loi du 19 décembre 2003 relative au mandat d'arrêt européen, sont apportées les modifications suivantes:
1° au paragraphe premier, les mots ", ou le procureur du Roi en exécution du mandat d'arrêt décerné, selon le cas, par le tribunal ou la cour," sont insérés entre les mots "le juge d'instruction" et les mots "émet un mandat d'arrêt européen".
2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1er/1. Lorsqu'il y a lieu de croire qu'un mineur ayant atteint l'âge de seize ans accomplis au moment des faits et à l'encontre duquel une mesure provisoire privative de liberté a été prononcée par le juge ou le tribunal de la jeunesse sur la base des dispositions prises en vertu des articles 128, 130 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, se trouve sur le territoire d'un autre Etat membre de l'Union européenne, le procureur du Roi émet un mandat d'arrêt européen selon les formes et dans les conditions prévues aux articles 2 et 3.".
3° un paragraphe 2/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 2/1. Lorsqu'il y a lieu de croire qu'un mineur ayant atteint l'âge de seize ans accomplis au moment des faits et à l'encontre duquel une mesure privative de liberté a été prononcée par le tribunal de la jeunesse sur la base des dispositions prises en vertu des articles 128, 130 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, se trouve sur le territoire d'un autre Etat membre de l'Union européenne, le procureur du Roi émet un mandat d'arrêt européen selon les formes et dans les conditions prévues aux articles 2 et 3.
Le cas échéant, l'alinéa 2 du paragraphe 2 est d'application par analogie.".
1° au paragraphe premier, les mots ", ou le procureur du Roi en exécution du mandat d'arrêt décerné, selon le cas, par le tribunal ou la cour," sont insérés entre les mots "le juge d'instruction" et les mots "émet un mandat d'arrêt européen".
2° un paragraphe 1er/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 1er/1. Lorsqu'il y a lieu de croire qu'un mineur ayant atteint l'âge de seize ans accomplis au moment des faits et à l'encontre duquel une mesure provisoire privative de liberté a été prononcée par le juge ou le tribunal de la jeunesse sur la base des dispositions prises en vertu des articles 128, 130 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, se trouve sur le territoire d'un autre Etat membre de l'Union européenne, le procureur du Roi émet un mandat d'arrêt européen selon les formes et dans les conditions prévues aux articles 2 et 3.".
3° un paragraphe 2/1 est inséré, rédigé comme suit:
" § 2/1. Lorsqu'il y a lieu de croire qu'un mineur ayant atteint l'âge de seize ans accomplis au moment des faits et à l'encontre duquel une mesure privative de liberté a été prononcée par le tribunal de la jeunesse sur la base des dispositions prises en vertu des articles 128, 130 et 135 de la Constitution et de l'article 5, § 1er, II, 6°, de la loi spéciale du 8 août 1980 de réformes institutionnelles, se trouve sur le territoire d'un autre Etat membre de l'Union européenne, le procureur du Roi émet un mandat d'arrêt européen selon les formes et dans les conditions prévues aux articles 2 et 3.
Le cas échéant, l'alinéa 2 du paragraphe 2 est d'application par analogie.".
HOOFDSTUK 8. - Wijzigingen van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen
CHAPITRE 8. - Modifications de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux
Art.14. In het opschrift van de wet van 29 maart 2004 betreffende de samenwerking met het Internationaal Strafgerechtshof en de internationale straftribunalen wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".
Art.14. Dans le texte néerlandais de l'intitulé de la loi du 29 mars 2004 concernant la coopération avec la Cour pénale internationale et les tribunaux pénaux internationaux, le mot "Strafgerechtshof" est remplacé par le mot "Strafhof".
Art.15. In het opschrift van titel II van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".
Art.15. Dans le texte néerlandais de l'intitulé du titre II de la même loi, le mot "Strafgerechtshof" est remplacé par le mot "Strafhof".
Art.16. In artikel 2 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, wordt het woord "Strafgerechtshof" telkens vervangen door het woord "Strafhof".
Art.16. Dans le texte néerlandais de l'article 2 de la même loi, modifié par la loi du 26 mars 2014, le mot "Strafgerechtshof" est, chaque fois, remplacé par le mot "Strafhof".
Art.17. In het opschrift van titel II, hoofdstuk VII van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".
Art.17. Dans le texte néerlandais de l'intitulé du titre II, chapitre VII de la même loi, le mot "Strafgerechtshof" est remplacé par le mot "Strafhof".
Art.18. In artikel 41 van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".
Art.18. Dans le texte néerlandais de l'article 41 de la même loi, le mot "Strafgerechtshof" est remplacé par le mot "Strafhof".
Art.19. In het opschrift van titel II, hoofdstuk VIII van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".
Art.19. Dans le texte néerlandais de l'intitulé du titre II, chapitre VIII de la même loi, le mot "Strafgerechtshof" est remplacé par le mot "Strafhof".
Art.20. In artikel 42, § 1, van dezelfde wet, wordt het woord "Strafgerechtshof" vervangen door het woord "Strafhof".
Art.20. Dans le texte néerlandais de l'article 42, § 1er, de la même loi, le mot "Strafgerechtshof" est remplacé par le mot "Strafhof".
Art.21. In dezelfde wet wordt een titel VIter ingevoegd, luidende "Samenwerking met de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo".
Art.21. Dans la même loi, il est inséré un titre VIter intitulé "Coopération avec les Chambres spécialisées pour le Kosovo".
Art.22. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk I ingevoegd, luidende "Algemeen".
Art.22. Dans le titre VIter, inséré par l'article 21, il est inséré un chapitre Ier intitulé "Généralités".
Art.23. In hoofdstuk I, ingevoegd bij artikel 22, wordt een artikel 80 ingevoegd, luidende:
"Art. 80. Voor de toepassing van titel VIter van deze wet wordt verstaan onder:
- "Gespecialiseerde Kamers": de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo en het Bureau van de gespecialiseerde aanklager, opgericht bij de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Statuut": artikel 162 van de Grondwet van de Republiek Kosovo, de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager, en de residuele regelingen die zouden worden aangenomen op grond van artikel 60 van de wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Reglement voor de proces- en bewijsvoering": het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, aangenomen op 17 maart 2017, herzien op 29 mei 2017 en in werking getreden op 5 juli 2017, zoals vervolledigd door de procedureregels voor de Gespecialiseerde Kamer van het Grondwettelijk Hof, aangenomen en in werking getreden op 21 juli 2017;
- "Aanklager": de aanklager van de Gespecialiseerde Kamers alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit": de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie": de federale procureur.".
"Art. 80. Voor de toepassing van titel VIter van deze wet wordt verstaan onder:
- "Gespecialiseerde Kamers": de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo en het Bureau van de gespecialiseerde aanklager, opgericht bij de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Statuut": artikel 162 van de Grondwet van de Republiek Kosovo, de Kosovaarse wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en het Bureau van de Gespecialiseerde Aanklager, en de residuele regelingen die zouden worden aangenomen op grond van artikel 60 van de wet van 3 augustus 2015 betreffende de Gespecialiseerde Kamers en de Gespecialiseerde Aanklager;
- "Reglement voor de proces- en bewijsvoering": het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, aangenomen op 17 maart 2017, herzien op 29 mei 2017 en in werking getreden op 5 juli 2017, zoals vervolledigd door de procedureregels voor de Gespecialiseerde Kamer van het Grondwettelijk Hof, aangenomen en in werking getreden op 21 juli 2017;
- "Aanklager": de aanklager van de Gespecialiseerde Kamers alsmede eenieder die door hem is gemachtigd of onder zijn gezag werkt in het kader van de functies die hij op grond van het Statuut uitoefent;
- "Centrale autoriteit": de autoriteit die bevoegd is voor samenwerking tussen België en de Gespecialiseerde Kamers voor Kosovo, te weten, binnen de Federale Overheidsdienst Justitie, de dienst internationaal humanitair recht, aangewezen bij het koninklijk besluit van 17 september 2005 houdende oprichting van een dienst internationaal humanitair recht;
- "Openbaar ministerie": de federale procureur.".
Art.23. Dans le chapitre Ier, inséré par l'article 22, il est inséré un article 80 rédigé comme suit:
"Art. 80. Aux fins du titre VIter de la présente loi, les termes ci-après désignent:
- "Chambres spécialisées": les Chambres spécialisées pour le Kosovo et le Bureau du Procureur spécialisé créés par la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Statut": l'article 162 de la Constitution de la République du Kosovo, la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé et les arrangements résiduels qui seraient adoptés sur la base de l'article 60 de la loi du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Règlement de procédure et de preuve": le Règlement de procédure et de preuve des Chambres spécialisées pour le Kosovo, adopté le 17 mars 2017, révisé le 29 mai 2017 et entré en vigueur le 5 juillet 2017, tel que complété par les règles de procédure pour la Chambre spécialisée de la Cour constitutionnelle, adoptées et entrées en vigueur le 21 juillet 2017;
- "Procureur": le procureur des Chambres spécialisées ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale": l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres spécialisées pour le Kosovo, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public": le procureur fédéral.".
"Art. 80. Aux fins du titre VIter de la présente loi, les termes ci-après désignent:
- "Chambres spécialisées": les Chambres spécialisées pour le Kosovo et le Bureau du Procureur spécialisé créés par la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Statut": l'article 162 de la Constitution de la République du Kosovo, la loi kosovare du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé et les arrangements résiduels qui seraient adoptés sur la base de l'article 60 de la loi du 3 août 2015 sur les Chambres spécialisées et le Bureau du Procureur spécialisé;
- "Règlement de procédure et de preuve": le Règlement de procédure et de preuve des Chambres spécialisées pour le Kosovo, adopté le 17 mars 2017, révisé le 29 mai 2017 et entré en vigueur le 5 juillet 2017, tel que complété par les règles de procédure pour la Chambre spécialisée de la Cour constitutionnelle, adoptées et entrées en vigueur le 21 juillet 2017;
- "Procureur": le procureur des Chambres spécialisées ainsi que toute personne autorisée par lui ou travaillant sous son autorité dans le cadre des fonctions qui lui incombent en vertu du Statut;
- "Autorité centrale": l'autorité compétente en matière de coopération entre la Belgique et les Chambres spécialisées pour le Kosovo, soit, au sein du Service public fédéral Justice, le service de droit international humanitaire, désigné par l'arrêté royal du 17 septembre 2005 relatif à la création d'un service de droit international humanitaire;
- "Ministère public": le procureur fédéral.".
Art.24. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 81 ingevoegd, luidende:
"Art. 81. België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers.".
"Art. 81. België kan overeenkomstig de bepalingen van deze wet gevolg geven aan de verzoeken om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers.".
Art.24. Dans le même chapitre Ier, il est inséré un article 81 rédigé comme suit:
"Art. 81. Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par les Chambres spécialisées.".
"Art. 81. Conformément aux dispositions de la présente loi, la Belgique peut donner suite aux demandes de coopération formulées par les Chambres spécialisées.".
Art.25. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 82 ingevoegd, luidende:
"Art. 82. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de Gespecialiseerde Kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers, en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de Gespecialiseerde Kamers kan vallen, over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van de Gespecialiseerde Kamers worden aan de centrale autoriteit gericht via elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de Gespecialiseerde Kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de Gespecialiseerde Kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de Gespecialiseerde Kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
"Art. 82. § 1. De centrale autoriteit is bevoegd om de verzoeken uitgaande van de Gespecialiseerde Kamers in ontvangst te nemen, om de verzoeken om samenwerking uitgaande van de bevoegde Belgische autoriteiten over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers, en om elke informatie van gerechtelijke aard die onder de bevoegdheid van de Gespecialiseerde Kamers kan vallen, over te zenden aan de Gespecialiseerde Kamers. Zij staat in voor de opvolging ervan.
§ 2. De verzoeken van de Gespecialiseerde Kamers worden aan de centrale autoriteit gericht via elk communicatiemiddel dat een geschrift nalaat. Zij moeten worden opgesteld in een van de officiële talen van België of, zoniet, vergezeld gaan van een voor eensluidend verklaarde vertaling in een van deze talen.
§ 3. De bevoegde Belgische autoriteiten kunnen om de medewerking van de Gespecialiseerde Kamers verzoeken. De verzoeken worden overgezonden door toedoen van de centrale autoriteit. De Belgische autoriteiten moeten de voorwaarden in acht nemen waarvan de Gespecialiseerde Kamers de tenuitvoerlegging van het verzoek afhankelijk stellen. Indien de stukken tot staving niet zijn opgesteld in een van de werktalen van de Gespecialiseerde Kamers, moeten zij vergezeld gaan van een vertaling in een van deze talen.".
Art.25. Dans le même chapitre Ier, il est inséré un article 82 rédigé comme suit:
"Art. 82. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant des Chambres spécialisées, pour transmettre aux Chambres spécialisées les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre aux Chambres spécialisées toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence des Chambres spécialisées. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes des Chambres spécialisées sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres spécialisées. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres spécialisées assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres spécialisées, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
"Art. 82. § 1er. L'autorité centrale est compétente pour recevoir les demandes émanant des Chambres spécialisées, pour transmettre aux Chambres spécialisées les demandes de coopération provenant des autorités belges compétentes et pour transmettre aux Chambres spécialisées toute information à caractère judiciaire pouvant relever de la compétence des Chambres spécialisées. Elle en assure le suivi.
§ 2. Les demandes des Chambres spécialisées sont adressées à l'autorité centrale par tout moyen de communication laissant une trace écrite. Elles doivent être rédigées dans une des langues officielles de la Belgique ou, à défaut, être accompagnées d'une traduction certifiée conforme dans l'une de ces langues.
§ 3. Les autorités belges compétentes peuvent solliciter la coopération des Chambres spécialisées. Les demandes sont transmises par l'intermédiaire de l'autorité centrale. Les autorités belges sont tenues de respecter les conditions dont les Chambres spécialisées assortissent l'exécution de la demande. Les pièces justificatives, si elles ne sont pas rédigées dans une des langues de travail des Chambres spécialisées, doivent être accompagnées d'une traduction dans l'une de ces langues.".
Art.26. In hetzelfde hoofdstuk I wordt een artikel 83 ingevoegd, luidende:
"Art. 83. De bevoegde autoriteiten verlenen aan de Gespecialiseerde Kamers hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers waaraan de centrale autoriteit beslist heeft gevolg te geven.".
"Art. 83. De bevoegde autoriteiten verlenen aan de Gespecialiseerde Kamers hun volledige gerechtelijke samenwerking in alle procedures die voortvloeien uit een verzoek om samenwerking van de Gespecialiseerde Kamers waaraan de centrale autoriteit beslist heeft gevolg te geven.".
Art.26. Dans le même chapitre Ier, il est inséré un article 83 rédigé comme suit:
"Art. 83. Les autorités compétentes accordent aux Chambres spécialisées leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération des Chambres spécialisées à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.".
"Art. 83. Les autorités compétentes accordent aux Chambres spécialisées leur pleine et entière coopération judiciaire dans toutes les procédures découlant d'une demande de coopération des Chambres spécialisées à laquelle l'autorité centrale a décidé de donner suite.".
Art.27. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk II ingevoegd, luidende "Wederzijdse rechtshulp".
Art.27. Dans le titre VIter, inséré par l'article 21, il est inséré un chapitre II intitulé "Entraide judiciaire".
Art.28. In hoofdstuk II, ingevoegd bij artikel 27, wordt een artikel 84 ingevoegd, luidende:
"Art. 84. § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van de Gespecialiseerde Kamers die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van de Gespecialiseerde Kamers, die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de Gespecialiseerde Kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers iemand het statuut van beschermde getuige hebben verleend en België vragen om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf gewijzigd is. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer de Gespecialiseerde Kamers de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontnemen, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers tijdelijk naar de Gespecialiseerde Kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de Gespecialiseerde Kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de Gespecialiseerde Kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de Gespecialiseerde Kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de Gespecialiseerde Kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de Gespecialiseerde Kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
"Art. 84. § 1. De verzoeken van de aanklager of de beschikkingen van de Gespecialiseerde Kamers die gericht zijn op de uitvoering van maatregelen inzake inzameling en overlegging van gegevens die inzonderheid betrekking hebben op de vaststelling van de identiteit en het opsporen van personen, het verzamelen van getuigenissen, het overleggen van bewijzen en het toezenden van stukken, en die noodzakelijk zijn voor het onderzoek of voor het goede verloop van het proces, worden ten uitvoer gelegd volgens de procedure bepaald in de Belgische wetgeving en op de wijze omschreven in het verzoek, tenzij voornoemde wetgeving zulks verbiedt.
§ 2. Het verzoek van de aanklager of de beschikking van de Gespecialiseerde Kamers, die betrekking heeft op een dwangmaatregel waarvoor enkel een onderzoeksrechter bevoegd is, wordt ten uitvoer gelegd door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de maatregel moet worden uitgevoerd.
Indien echter verschillende uitvoeringsmaatregelen worden gevraagd, kan het openbaar ministerie een van de territoriaal bevoegde rechters belasten met de uitvoering van al die maatregelen.
§ 3. Huiszoekingen en inbeslagnemingen waar de Gespecialiseerde Kamers om verzoeken, worden ten uitvoer gelegd overeenkomstig de Belgische wetgeving zonder dat het verzoek uitvoerbaar moet worden verklaard. Alvorens de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers toe te zenden, doet de raadkamer van de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waar de stukken zijn neergelegd, binnen vijf dagen nadat de zaak bij haar aanhangig is gemaakt, uitspraak over de overzending van de stukken aan de Gespecialiseerde Kamers en, in voorkomend geval, over de vordering van derden-bezitters of van derden die beweren recht te hebben op de in beslag genomen zaak, die de griffie van de raadkamer vooraf heeft opgeroepen bij aangetekende zending. Zij doet uitspraak in laatste aanleg, zonder mogelijkheid tot derdenverzet.
§ 4. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers iemand het statuut van beschermde getuige hebben verleend en België vragen om de nodige beschermingsmaatregelen te nemen, beslist de centrale autoriteit, na overleg met de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie opgericht bij artikel 103 van het Wetboek van strafvordering, welke maatregelen als bedoeld in artikel 104 van hetzelfde Wetboek ten aanzien van deze persoon moeten worden genomen. Los van de maatregelen die ten aanzien van de beschermde getuige zijn genomen, kan de centrale autoriteit, wanneer zij dat nodig acht, ook beschermingsmaatregelen als bedoeld in artikel 104 nemen ten aanzien van de verwanten van deze persoon. Deze maatregelen worden uitgevoerd op dezelfde wijze als de maatregelen die zijn genomen ten aanzien van een bedreigde getuige, een gezinslid of een andere bloedverwant bedoeld in artikel 102 van hetzelfde Wetboek. Met inachtneming van het beginsel van proportionaliteit kunnen samen of achtereenvolgens gewone en bijzondere beschermingsmaatregelen worden toegekend.
In afwijking van artikel 106 van het Wetboek van strafvordering kan een identiteitswijziging worden toegekend aan een beschermde getuige en aan zijn verwanten, op beslissing van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie.
De nieuwe identiteit wordt vastgesteld op voorstel van de Getuigenbeschermingsdienst, na overleg met de betrokken persoon of zijn wettelijke vertegenwoordiger, en wordt door tussenkomst van de voorzitter van de getuigenbeschermingscommissie aan de centrale autoriteit meegedeeld.
De procedure van identiteitswijziging is niet enkel beperkt tot de personen die de Belgische nationaliteit bezitten.
De centrale autoriteit kan elke bevoegde autoriteit verzoeken om te zorgen voor de tenuitvoerlegging van deze beslissing. In dat kader kan de centrale autoriteit bijzondere voorwaarden of aanvullende maatregelen opleggen om de bescherming van de getuigen te kunnen waarborgen.
De verandering van naam, voornamen, geboortedatum en -plaats is vrijgesteld van registratierecht.
In afwijking van artikel 45 van het Burgerlijk Wetboek kan enkel met de uitdrukkelijke toestemming van de centrale autoriteit, na raadpleging van de voorzitter van de Getuigenbeschermingscommissie, een uittreksel of afschrift worden afgegeven van een akte van de burgerlijke stand betreffende een persoon van wie de identiteit overeenkomstig deze paragraaf gewijzigd is. Hetzelfde geldt voor elk document of attest dat het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen of de Dienst Vreemdelingenzaken moet afgeven op verzoek van de centrale autoriteit.
Er kan geen misdrijf zijn wanneer strikt noodzakelijke feiten worden gepleegd in het kader van het tweede tot het zevende lid van deze paragraaf, ter verzekering van de bescherming van de getuige.
Wanneer de Gespecialiseerde Kamers de in het eerste lid bedoelde persoon het statuut van beschermde getuige ontnemen, beslist de centrale autoriteit of de maatregelen ten aanzien van die persoon of ten aanzien van andere personen moeten worden behouden.
§ 5. Elke in België gedetineerde persoon kan op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers tijdelijk naar de Gespecialiseerde Kamers worden overgebracht om hem te kunnen identificeren, zijn getuigenis te horen of van hem enige andere vorm van bijstand te verkrijgen.
Deze persoon kan worden overgebracht indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1° de persoon stemt vrijelijk en met kennis van zaken in met de overbrenging; en
2° de centrale autoriteit stemt in met de overbrenging naar de Gespecialiseerde Kamers, onder voorbehoud van de eventueel overeengekomen voorwaarden.
De centrale autoriteit regelt de tijdelijke overbrenging van gedetineerde personen in samenwerking met de griffier en met de autoriteiten van de Gaststaat van de Gespecialiseerde Kamers.
De termijnen inzake voorlopige hechtenis worden geschorst zolang de betrokkene zich niet op het grondgebied bevindt.
§ 6. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere persoon die door een andere Staat aan de Gespecialiseerde Kamers overgedragen wordt, behalve wanneer de doorvoer de overdracht zou hinderen of vertragen.
Ingeval een onvoorziene landing plaatsvindt op het Belgische grondgebied, kan van de Gespecialiseerde Kamers een verzoek tot doorvoer worden geëist. De vervoerde persoon wordt in detentie geplaatst in afwachting van de ontvangst van het verzoek en de totstandbrenging van de doorvoer. De detentie mag evenwel niet langer duren dan zesennegentig uur te rekenen vanaf de onvoorziene landing, indien het verzoek niet binnen die termijn wordt ontvangen.
§ 7. Op verzoek van de Gespecialiseerde Kamers stemt de centrale autoriteit in met het vervoer over het Belgische grondgebied van iedere in het buitenland gedetineerde persoon, in het kader van de tenuitvoerlegging van een verzoek om wederzijdse rechtshulp op de zetel van de Gespecialiseerde Kamers. Het bevel tot aanhouding van de betrokkene heeft uitwerking op het Belgische grondgebied gedurende de tijd die nodig is voor zijn doortocht.".
Art.28. Dans le chapitre II, inséré par l'article 27, il est inséré un article 84 rédigé comme suit:
"Art. 84. § 1er. Les demandes du procureur ou les ordonnances des Chambres spécialisées visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance des Chambres spécialisées qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres spécialisées sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres spécialisées, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres spécialisées et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque les Chambres spécialisées ont octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demandent à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque les Chambres spécialisées mettent fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres spécialisées, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies:
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres spécialisées, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres spécialisées.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres spécialisées par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres spécialisées. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège des Chambres spécialisées. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
"Art. 84. § 1er. Les demandes du procureur ou les ordonnances des Chambres spécialisées visant à l'accomplissement de mesures relatives à la collecte et à la production d'éléments qui concernent notamment l'identification et la recherche des personnes, la réunion de témoignages, la production de preuves et l'expédition de documents, et qui sont nécessaires à l'instruction ou à la bonne conduite du procès, sont exécutées selon la procédure prévue par la législation belge et, à moins que cette législation ne l'interdise, comme il est dit dans la demande.
§ 2. La demande du procureur ou l'ordonnance des Chambres spécialisées qui porte sur une mesure de contrainte pour laquelle un juge d'instruction est seul compétent est exécutée par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la mesure doit être exécutée.
Toutefois, si plusieurs mesures d'exécution sont sollicitées, le ministère public peut charger un des juges territorialement compétents de l'exécution de l'ensemble de ces mesures.
§ 3. Les perquisitions et saisies demandées par les Chambres spécialisées sont exécutées conformément à la loi belge sans qu'il soit requis que la demande soit rendue exécutoire. Avant de transmettre les pièces aux Chambres spécialisées, la chambre du conseil du tribunal de première instance de l'arrondissement où les pièces ont été déposées statue, dans les cinq jours de sa saisine, sur la transmission des pièces aux Chambres spécialisées et se prononce, le cas échéant, sur la réclamation des tiers détenteurs ou des tiers prétendant droit sur la chose saisie, que le greffe de la chambre du conseil aura préalablement convoqués par envoi recommandé. Elle statue en dernier ressort et sans possibilité de tierce opposition.
§ 4. Lorsque les Chambres spécialisées ont octroyé le statut de témoin protégé à une personne et demandent à la Belgique de mettre en oeuvre des mesures de protection en sa faveur, l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins établie par l'article 103 du Code d'instruction criminelle, décide quelles sont les mesures visées à l'article 104 du même Code dont il convient de faire bénéficier cette personne. Indépendamment des mesures accordées au témoin protégé, et lorsqu'elle le juge nécessaire, l'autorité centrale peut également accorder aux proches de cette personne des mesures de protection visées à l'article 104. Ces mesures sont mises en oeuvre de la même manière que les mesures octroyées au bénéfice d'un témoin menacé, d'un membre de sa famille ou d'un autre parent, visés à l'article 102 du même Code. Compte tenu du principe de proportionnalité, il peut être accordé cumulativement ou successivement des mesures de protection ordinaires et spéciales.
Par dérogation à l'article 106 du Code d'instruction criminelle, un changement d'identité peut être accordé à un témoin protégé et à ses proches, par décision de l'autorité centrale, après avoir consulté le président de la Commission de protection des témoins.
La nouvelle identité est déterminée sur proposition du service de protection des témoins, après concertation avec la personne concernée ou son représentant légal, et est communiquée à l'autorité centrale par l'intermédiaire du président de la Commission de protection des témoins.
La procédure de changement d'identité n'est pas uniquement limitée aux personnes qui possèdent la nationalité belge.
L'autorité centrale peut requérir toute autorité compétente pour assurer la mise en oeuvre de cette décision. Dans ce cadre, l'autorité centrale peut imposer des conditions particulières ou des mesures complémentaires permettant de garantir la protection des témoins.
Le changement des nom, prénoms, date et lieu de naissance est exempté du droit d'enregistrement.
Par dérogation à l'article 45 du Code civil, il ne peut être délivré un extrait ou une copie d'un acte de l'état civil concernant une personne qui a fait l'objet d'un changement d'identité en application du présent paragraphe qu'avec l'autorisation expresse de l'autorité centrale, après consultation du président de la Commission de protection des témoins. Il en va de même pour tout document ou certificat que le Commissariat général aux réfugiés et aux apatrides ou l'Office des Etrangers serait amené à délivrer à la requête de l'autorité centrale.
Il ne peut y avoir d'infraction quand des faits absolument nécessaires sont commis dans le cadre des alinéas 2 à 7 du présent paragraphe, en vue de garantir la protection du témoin.
Lorsque les Chambres spécialisées mettent fin au statut de témoin protégé en faveur d'une personne visée à l'alinéa 1er, l'autorité centrale détermine s'il convient de maintenir les mesures mises en oeuvre à son égard ou à l'égard des autres personnes.
§ 5. Toute personne qui est détenue en Belgique peut être, à la demande des Chambres spécialisées, transférée temporairement à celles-ci afin qu'elles puissent l'identifier, entendre son témoignage ou obtenir d'elle un quelque autre concours d'assistance.
Cette personne peut être transférée, si les conditions suivantes sont remplies:
1° la personne donne, librement et en connaissance de cause, son consentement au transfèrement; et
2° l'autorité centrale donne son accord au transfèrement aux Chambres spécialisées, sous réserve des conditions dont elles peuvent convenir.
Le transfert temporaire de détenus est organisé par l'autorité centrale en liaison avec le greffier et les autorités de l'Etat hôte des Chambres spécialisées.
Les délais en matière de détention préventive sont suspendus pendant la durée de l'absence du territoire de la personne concernée.
§ 6. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne transférée aux Chambres spécialisées par un autre Etat, sauf dans le cas où le transit gênerait ou retarderait la remise.
Si un atterrissage imprévu a lieu sur le territoire belge, une demande de transit peut être exigée des Chambres spécialisées. La personne transportée est placée en détention en attendant la demande et l'accomplissement du transit. Toutefois, la détention ne peut se prolonger au-delà de nonante-six heures après l'atterrissage imprévu si la demande n'est pas reçue dans ce délai.
§ 7. Sur demande des Chambres spécialisées, l'autorité centrale autorise le transport à travers le territoire de la Belgique de toute personne détenue à l'étranger, dans le cadre de l'exécution d'une demande d'entraide au siège des Chambres spécialisées. Le titre de détention de l'intéressé produira ses effets sur le territoire belge le temps nécessaire à son passage.".
Art.29. In hetzelfde hoofdstuk II wordt een artikel 85 ingevoegd, luidende:
"Art. 85. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt de Gespecialiseerde Kamers in kennis van de datum en de plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.".
"Art. 85. De bevoegde gerechtelijke autoriteit waarbij de zaak aanhangig is, stelt de Gespecialiseerde Kamers in kennis van de datum en de plaats van tenuitvoerlegging van de gevorderde maatregel. De aanklager of de vorderende rechter is gemachtigd de tenuitvoerlegging bij te wonen.".
Art.29. Dans le même chapitre II, il est inséré un article 85 rédigé comme suit:
"Art. 85. L'autorité judiciaire compétente saisie informe les Chambres spécialisées de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.".
"Art. 85. L'autorité judiciaire compétente saisie informe les Chambres spécialisées de la date et du lieu de l'exécution de la mesure requise. Le procureur ou le juge requérant sont autorisés à assister à cette exécution.".
Art.30. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk III ingevoegd, luidende "Aanhouding en overbrenging".
Art.30. Dans le titre VIter, inséré par l'article 21, il est inséré un chapitre III intitulé "Arrestation et transfert".
Art.31. In hoofdstuk III, ingevoegd bij artikel 30, wordt een artikel 86 ingevoegd, luidende:
"Art. 86. § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door de Gespecialiseerde Kamers ten aanzien van een persoon die zich op het Belgisch grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze laatste beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding, bedoeld in het Statuut en in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of van de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.
§ 3. De aangehouden persoon heeft het recht de kamer van inbeschuldigingstelling te verzoeken om zijn voorlopige invrijheidstelling, door middel van een verzoekschrift, in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of de Gespecialiseerde Kamers het bevel tot aanhouding op geldige wijze hebben uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden vast die moeten waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan de Gespecialiseerde Kamers over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kunnen de Gespecialiseerde Kamers de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald in artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding zoals bedoeld in het vierde lid in fine.".
"Art. 86. § 1. Het bevel tot aanhouding uitgevaardigd door de Gespecialiseerde Kamers ten aanzien van een persoon die zich op het Belgisch grondgebied bevindt, wordt uitvoerbaar verklaard door de raadkamer van diens verblijfplaats of van de plaats waar hij is aangetroffen.
De raadkamer gaat na of de stukken vereist voor de aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Binnen vierentwintig uur te rekenen van de beschikking van de raadkamer houdende weigering het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar te verklaren, kan het openbaar ministerie tegen deze beslissing hoger beroep instellen bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Deze laatste doet uitspraak binnen acht dagen. Het arrest is uitvoerbaar.
Binnen vierentwintig uur na de vrijheidsbeneming wordt de beslissing die het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers uitvoerbaar verklaart, aan de aangehouden persoon betekend. Deze laatste beschikt over een termijn van vierentwintig uur te rekenen van de betekening om in beroep te gaan bij de kamer van inbeschuldigingstelling. Dat beroep wordt ingesteld door middel van een verklaring neergelegd ter correctionele griffie of door middel van een verklaring van de aangehouden persoon aan de directeur van het huis van arrest of aan zijn afgevaardigde.
De kamer van inbeschuldigingstelling hoort het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman en doet uitspraak uiterlijk binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het beroep. Het arrest is uitvoerbaar. De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de kamer van inbeschuldigingstelling uitspraak heeft gedaan.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan geen cassatieberoep worden ingesteld.
De overdracht van de aangehouden persoon kan enkel plaatsvinden wanneer de beslissing die het verzoek om aanhouding en overdracht uitvoerbaar verklaart definitief is geworden.
Wanneer het bevel tot aanhouding van de Gespecialiseerde Kamers definitief uitvoerbaar is verklaard, vindt de overbrenging van de aangehouden persoon plaats binnen drie maanden.
§ 2. Het verzoek tot voorlopige aanhouding, bedoeld in het Statuut en in het Reglement voor de proces- en bewijsvoering, dat in spoedeisende gevallen door de aanklager wordt gedaan, wordt ten uitvoer gelegd op grond van een bevel tot aanhouding afgegeven door de onderzoeksrechter van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats is gelegen waar de persoon op wie het bevel betrekking heeft, zijn verblijfplaats heeft of van de plaats waar hij is aangetroffen. De onderzoeksrechter gaat na of de stukken vereist voor de voorlopige aanhouding zijn overgelegd en of er geen dwaling betreffende de persoon bestaat.
Het bevel tot aanhouding moet worden betekend binnen vierentwintig uur te rekenen van de vrijheidsberoving.
Tegen het bevel tot aanhouding kan geen beroep worden ingesteld.
§ 3. De aangehouden persoon heeft het recht de kamer van inbeschuldigingstelling te verzoeken om zijn voorlopige invrijheidstelling, door middel van een verzoekschrift, in afwachting van zijn overdracht.
De kamer van inbeschuldigingstelling doet uitspraak binnen vijftien dagen te rekenen van de indiening van het verzoek, na het openbaar ministerie, de aangehouden persoon en zijn raadsman te hebben gehoord. De kamer van inbeschuldigingstelling overweegt, gelet op de ernst van de ten laste gelegde misdaden, of een dringende noodzakelijkheid en uitzonderlijke omstandigheden de voorlopige invrijheidstelling verantwoorden.
De kamer van inbeschuldigingstelling is niet gemachtigd om te onderzoeken of de Gespecialiseerde Kamers het bevel tot aanhouding op geldige wijze hebben uitgevaardigd.
In geval van voorlopige invrijheidstelling stelt de kamer van inbeschuldigingstelling de voorwaarden vast die moeten waarborgen dat België zijn verplichting om de persoon aan de Gespecialiseerde Kamers over te dragen, kan nakomen. Wanneer de voorwaarden niet in acht worden genomen, vaardigt de onderzoeksrechter, op vordering van het openbaar ministerie, een bevel tot aanhouding uit.
Ingeval met de voorlopige invrijheidstelling wordt ingestemd, kunnen de Gespecialiseerde Kamers de centrale autoriteit verzoeken regelmatig verslag uit te brengen over het regime van de voorlopige invrijheidstelling.
Tegen de door de kamer van inbeschuldigingstelling genomen beslissing kan cassatieberoep worden ingesteld op de wijze en binnen de termijnen bepaald in artikel 31 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis.
De aangehouden persoon blijft in hechtenis tot de beslissing over het cassatieberoep, voor zover zij binnen de termijn van vijftien dagen van de verklaring van cassatieberoep geschiedt; de persoon wordt in vrijheid gesteld als de beslissing niet binnen die termijn gewezen is.
Wanneer het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift wordt verworpen, kan de aangehouden persoon slechts een nieuw verzoek tot invrijheidstelling indienen na het verstrijken van een termijn van een maand te rekenen van het arrest tot verwerping.
De bepalingen van deze paragraaf zijn van toepassing op het bevel tot aanhouding zoals bedoeld in het vierde lid in fine.".
Art.31. Dans le chapitre III, inséré par l'article 30, il est inséré un article 86 rédigé comme suit:
"Art. 86. § 1er. Le mandat d'arrêt décerné par les Chambres spécialisées à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est rendu exécutoire par la chambre du conseil du lieu de sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée.
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La demande d'arrestation provisoire visée au Statut et au Règlement de procédure et de preuve, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.
§ 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par les Chambres spécialisées.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne aux Chambres spécialisées. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, les Chambres spécialisées peuvent demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.".
"Art. 86. § 1er. Le mandat d'arrêt décerné par les Chambres spécialisées à l'égard d'une personne qui se trouve sur le territoire belge est rendu exécutoire par la chambre du conseil du lieu de sa résidence ou du lieu où elle a été trouvée.
La chambre du conseil vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le ministère public, dans les vingt-quatre heures de l'ordonnance de la chambre du conseil refusant de rendre exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées, peut interjeter appel de cette décision devant la chambre des mises en accusation. Celle-ci statue dans les huit jours. L'arrêt est exécutoire.
Dans les vingt-quatre heures de la privation de liberté, la décision rendant exécutoire le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est signifiée à la personne arrêtée. Celle-ci dispose d'un délai de vingt-quatre heures à dater de la signification, pour introduire un recours devant la chambre des mises en accusation. Ce recours est formé par déclaration au greffe correctionnel ou par déclaration de la personne arrêtée au directeur de la maison d'arrêt ou à son délégué.
La chambre des mises en accusation entend le ministère public, la personne arrêtée et son conseil et statue au plus tard dans les quinze jours de l'introduction du recours. L'arrêt est exécutoire. La personne arrêtée restera en détention jusqu'à ce que la chambre des mises en accusation statue.
La décision prise par la chambre des mises en accusation n'est pas susceptible de pourvoi en cassation.
La remise de la personne arrêtée ne peut avoir lieu que lorsque la décision rendant exécutoire la demande d'arrestation et de remise est devenue définitive.
Lorsque le mandat d'arrêt des Chambres spécialisées est définitivement rendu exécutoire, le transfert de la personne arrêtée doit intervenir dans les trois mois.
§ 2. La demande d'arrestation provisoire visée au Statut et au Règlement de procédure et de preuve, qui est formulée en cas d'urgence par le procureur, est exécutée sur la base d'un mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu où la personne faisant l'objet de ce mandat a sa résidence, ou le lieu où elle a été trouvée. Le juge d'instruction vérifie si les pièces nécessaires à l'arrestation provisoire ont été fournies et s'il n'y a pas erreur sur la personne.
Le mandat d'arrêt doit être signifié dans les vingt-quatre heures à compter de la privation de liberté.
Le mandat d'arrêt n'est pas susceptible de recours.
§ 3. La personne arrêtée a le droit de demander à la chambre des mises en accusation, par requête, sa mise en liberté provisoire dans l'attente de sa remise.
La chambre des mises en accusation se prononce dans les quinze jours de l'introduction de la demande, après avoir entendu le ministère public, la personne arrêtée et son conseil. Lorsqu'elle se prononce, la chambre des mises en accusation examine si, eu égard à la gravité des crimes allégués, l'urgence et des circonstances exceptionnelles justifient la mise en liberté provisoire.
La chambre des mises en accusation n'est pas habilitée à examiner si le mandat d'arrêt a été régulièrement délivré par les Chambres spécialisées.
En cas de mise en liberté provisoire, la chambre des mises en accusation fixe les conditions qui permettent de s'assurer que la Belgique peut s'acquitter de son obligation de remettre la personne aux Chambres spécialisées. Lorsque les conditions ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, décerne un mandat d'arrêt.
Si la mise en liberté provisoire est accordée, les Chambres spécialisées peuvent demander à l'autorité centrale des rapports périodiques sur le régime de la libération provisoire.
La décision prise par la chambre des mises en accusation est susceptible de pourvoi en cassation dans les formes et délais prévus à l'article 31 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
La personne arrêtée reste en détention jusqu'à la décision sur le pourvoi en cassation pourvu qu'elle intervienne dans les quinze jours de la déclaration de pourvoi; la personne est mise en liberté si la décision n'est pas rendue dans ce délai.
Lorsque la requête prévue à l'alinéa 1er est rejetée, la personne arrêtée ne peut former une nouvelle demande de mise en liberté qu'à l'expiration d'un délai d'un mois à compter de l'arrêt de rejet.
Les dispositions du présent paragraphe sont applicables au mandat d'arrêt visé à l'alinéa 4 in fine.".
Art.32. In hetzelfde hoofdstuk III wordt een artikel 87 ingevoegd, luidende:
"Art. 87. Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers ".
"Art. 87. Met inachtneming van hetgeen in het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is bepaald, brengt de regering de aangehouden persoon over overeenkomstig het Reglement voor de proces- en bewijsvoering van de Gespecialiseerde Kamers ".
Art.32. Dans le même chapitre III, il est inséré un article 87 rédigé comme suit:
"Art. 87. Dans le respect de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le gouvernement transfère la personne arrêtée, conformément au Règlement de procédure et de preuve des Chambres spécialisées.".
"Art. 87. Dans le respect de la Convention européenne de sauvegarde des droits de l'homme et des libertés fondamentales, le gouvernement transfère la personne arrêtée, conformément au Règlement de procédure et de preuve des Chambres spécialisées.".
Art.33. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende "Voorlopige invrijheidstelling".
Art.33. Dans le titre VIter, inséré par l'article 21, il est inséré un chapitre IV intitulé "Libération provisoire".
Art.34. In hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 33, wordt een artikel 88 ingevoegd, luidende:
"Art. 88. § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig bepaling 57 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling zoals beoogd door het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de voorwaarden opgelegd door de Gespecialiseerde Kamers.
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dat stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk de Gespecialiseerde Kamers ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit binnen die termijn geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen.".
"Art. 88. § 1. Met de instemming van de centrale autoriteit en overeenkomstig bepaling 57 van het Reglement voor de proces- en de bewijsvoering, kan een persoon in België een voorlopige invrijheidstelling zoals beoogd door het Statuut, genieten, in voorkomend geval onder de voorwaarden opgelegd door de Gespecialiseerde Kamers.
§ 2. Wanneer de voorwaarden waaraan de voorlopige invrijheidstelling onderworpen is, niet worden nageleefd, kan de onderzoeksrechter op vordering van het openbaar ministerie, ambtshalve of op verzoek van de centrale autoriteit, een bevel tot aanhouding uitvaardigen tegen de voorlopig in vrijheid gestelde persoon. Zijn met redenen omklede beschikking, waartegen geen rechtsmiddel open staat, wordt onmiddellijk meegedeeld aan het openbaar ministerie. Dat stelt onverwijld de centrale autoriteit ervan in kennis, die onmiddellijk de Gespecialiseerde Kamers ervan op de hoogte brengt.
§ 3. Het door de onderzoeksrechter uitgevaardigde bevel tot aanhouding is vijftien dagen geldig, te rekenen vanaf de tenuitvoerlegging ervan.
De betrokkene wordt onder dezelfde voorwaarden opnieuw in vrijheid gesteld indien de centrale autoriteit binnen die termijn geen verzoek tot voorlopige aanhouding of verzoek tot aanhouding en overdracht heeft ontvangen.".
Art.34. Dans le chapitre IV, inséré par l'article 33, il est inséré un article 88 rédigé comme suit:
"Art. 88. § 1er. Moyennant l'accord de l'autorité centrale et conformément à la règle 57 du Règlement de procédure et de preuve, une personne peut bénéficier, en Belgique, d'une libération provisoire visée par le Statut, le cas échéant aux conditions édictées par les Chambres spécialisées.
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement les Chambres spécialisées.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise.".
"Art. 88. § 1er. Moyennant l'accord de l'autorité centrale et conformément à la règle 57 du Règlement de procédure et de preuve, une personne peut bénéficier, en Belgique, d'une libération provisoire visée par le Statut, le cas échéant aux conditions édictées par les Chambres spécialisées.
§ 2. Lorsque les conditions auxquelles la libération provisoire est soumise ne sont pas respectées, le juge d'instruction, sur réquisition du ministère public, agissant d'office ou à la demande de l'autorité centrale, peut décerner un mandat d'arrêt à l'encontre de la personne libérée provisoirement. Son ordonnance motivée, qui n'est susceptible d'aucun recours, est communiquée immédiatement au ministère public. Celui-ci en avise sans délai l'autorité centrale, qui en informe immédiatement les Chambres spécialisées.
§ 3. Le mandat d'arrêt délivré par le juge d'instruction est valable pour une durée de quinze jours à compter de son exécution.
L'intéressé est remis en liberté aux mêmes conditions si, dans ce délai, l'autorité centrale n'a pas reçu de demande d'arrestation provisoire ou de demande d'arrestation et de remise.".
Art.35. In titel VIter, ingevoegd bij artikel 21, wordt een hoofdstuk V ingevoegd, luidende "Strafuitvoering".
Art.35. Dans le titre VIter, inséré par l'article 21, il est inséré un chapitre V intitulé "Exécution des peines".
Art.36. In hoofdstuk V, ingevoegd bij artikel 35, wordt een artikel 89 ingevoegd, luidende:
"Art. 89. § 1. Voor zover België met de Gespecialiseerde Kamers een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van de Gespecialiseerde Kamers de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers. De beslissingen gewezen door de Gespecialiseerde Kamers zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door de Gespecialiseerde Kamers uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer de Gespecialiseerde Kamers, bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoeken.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit de Gespecialiseerde Kamers, die als enige bevoegd zijn om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van de Gespecialiseerde Kamers inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers, alsmede door de bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering gesloten tussen België en de Gespecialiseerde Kamers.".
"Art. 89. § 1. Voor zover België met de Gespecialiseerde Kamers een bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering heeft gesloten, is de gevangenisstraf rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na aankomst van de overgebrachte persoon in de strafinrichting die hem is aangewezen, verschijnt hij voor de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg van het gerechtelijk arrondissement waarin de plaats van detentie is gelegen. De procureur des Konings ondervraagt hem over zijn identiteit, maakt daarvan proces-verbaal op en gelast op grond van het origineel of van een uitgifte van het vonnis van de Gespecialiseerde Kamers de onmiddellijke opsluiting van de veroordeelde.
§ 3. De procedures inzake vervroegde invrijheidstelling worden uitsluitend geregeld in het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers. De beslissingen gewezen door de Gespecialiseerde Kamers zijn onmiddellijk uitvoerbaar in België.
In dit kader zijn de bepalingen van de Belgische wetgeving met betrekking tot de wijze van strafuitvoering niet van toepassing op de gedetineerde die in België een door de Gespecialiseerde Kamers uitgesproken vrijheidsbenemende straf ondergaat.
§ 4. Na raadpleging van de penitentiaire administratie geeft de centrale autoriteit een omstandig advies wanneer de Gespecialiseerde Kamers, bij de uitoefening van hun bevoegdheden op het vlak van vervroegde invrijheidstelling, haar daarom verzoeken.
§ 5. In geval van medische redenen die een vervroegde invrijheidstelling nodig zouden maken, brengt de centrale autoriteit de Gespecialiseerde Kamers, die als enige bevoegd zijn om over een dergelijke invrijheidstelling te beslissen, hiervan zo snel mogelijk op de hoogte.
§ 6. Het verzoek tot herziening van de beslissing van de Gespecialiseerde Kamers inzake de schuld of de straf, de beslissing inzake herziening en de toepassing ervan worden beheerst door het Statuut van de Gespecialiseerde Kamers, alsmede door de bilaterale overeenkomst inzake strafuitvoering gesloten tussen België en de Gespecialiseerde Kamers.".
Art.36. Dans le chapitre V, inséré par l'article 35, il est inséré un article 89 rédigé comme suit:
"Art. 89. § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec les Chambres spécialisées, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement des Chambres spécialisées, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut des Chambres spécialisées. Les décisions rendues par les Chambres spécialisées sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par les Chambres spécialisées.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque les Chambres spécialisées, dans l'exercice de leurs compétences en matière de libération anticipée, le lui demandent.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible les Chambres spécialisées, seules compétentes pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision des Chambres spécialisées sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut des Chambres spécialisées ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et les Chambres spécialisées.".
"Art. 89. § 1er. Dans la mesure où la Belgique a conclu un accord bilatéral d'exécution des peines avec les Chambres spécialisées, la peine d'emprisonnement est directement et immédiatement exécutoire en Belgique.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures suivant son arrivée dans l'établissement pénitentiaire qui lui a été assigné, la personne transférée comparaît devant le procureur du Roi près le tribunal de première instance de l'arrondissement judiciaire où est situé le lieu de la détention. Le procureur du Roi procède à son interrogatoire d'identité, en dresse procès-verbal et, au vu de l'original ou d'une expédition du jugement des Chambres spécialisées, ordonne l'incarcération immédiate du condamné.
§ 3. Les procédures de libération anticipée sont régies exclusivement par le Statut des Chambres spécialisées. Les décisions rendues par les Chambres spécialisées sont exécutoires immédiatement en Belgique.
Dans ce cadre, les dispositions de la législation belge relatives aux modalités d'exécution des peines ne s'appliquent pas au détenu qui exécute, en Belgique, une peine privative de liberté prononcée par les Chambres spécialisées.
§ 4. L'autorité centrale, après consultation de l'administration pénitentiaire, rend un avis circonstancié lorsque les Chambres spécialisées, dans l'exercice de leurs compétences en matière de libération anticipée, le lui demandent.
§ 5. En cas de raisons médicales qui nécessiteraient une libération anticipée, l'autorité centrale en avise dès que possible les Chambres spécialisées, seules compétentes pour décider d'une telle libération.
§ 6. La demande de révision de la décision des Chambres spécialisées sur la culpabilité ou sur la peine, la décision de révision et son application sont régies par le Statut des Chambres spécialisées ainsi que par l'accord bilatéral d'exécution des peines conclu entre la Belgique et les Chambres spécialisées.".
Art.37. In hetzelfde hoofdstuk V wordt een artikel 90 ingevoegd, luidende:
"Art. 90. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de Gespecialiseerde Kamers hebben bevolen. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest uitgesproken door de Gespecialiseerde Kamers, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan de Gespecialiseerde Kamers.".
"Art. 90. Onverminderd de rechten van derden te goeder trouw legt België de maatregelen houdende verbeurdverklaring ten uitvoer die de Gespecialiseerde Kamers hebben bevolen. Wanneer de Gespecialiseerde Kamers België verzoeken een beslissing tot verbeurdverklaring ten uitvoer te leggen, verklaart de correctionele rechtbank van het gerechtelijk arrondissement waarin de goederen gelegen zijn waarop de verbeurdverklaring betrekking heeft, die beslissing uitvoerbaar, na het openbaar ministerie en de veroordeelde persoon of zijn raadsman te hebben gehoord. Indien het onmogelijk is gevolg te geven aan het bevel tot verbeurdverklaring, worden gelijkwaardige maatregelen genomen zoals bedoeld in artikel 43bis, tweede lid, van het Strafwetboek, onverminderd de rechten van derden te goeder trouw. De goederen of de opbrengst uit de verkoop van onroerende goederen of, in voorkomend geval, van andere goederen verkregen ingevolge de tenuitvoerlegging van een arrest uitgesproken door de Gespecialiseerde Kamers, worden door de centrale autoriteit overgedragen aan de Gespecialiseerde Kamers.".
Art.37. Dans le même chapitre V, il est inséré un article 90 rédigé comme suit:
"Art. 90. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par les Chambres spécialisées sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par les Chambres spécialisées à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par les Chambres spécialisées, sont transférés aux Chambres spécialisées par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
"Art. 90. La Belgique exécute les mesures de confiscation ordonnées par les Chambres spécialisées sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Lorsqu'une demande tendant à l'exécution d'une décision de confiscation est adressée par les Chambres spécialisées à la Belgique, le tribunal correctionnel de l'arrondissement judiciaire où les biens sur lesquels porte la confiscation sont situés rend cette décision exécutoire, après avoir entendu le ministère public et la personne condamnée ou son conseil. Lorsqu'il est impossible de donner effet à l'ordonnance de confiscation, des mesures de confiscation par équivalent, visées à l'article 43bis, alinéa 2, du Code pénal, sont prises sans préjudice des droits des tiers de bonne foi. Les biens ou le produit de la vente de biens immobiliers ou, le cas échéant, d'autres biens, obtenus en exécution d'un arrêt prononcé par les Chambres spécialisées, sont transférés aux Chambres spécialisées par l'intermédiaire de l'autorité centrale.".
Art.38. Artikel 80 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 26 maart 2014, wordt vernummerd tot artikel 91.
Art.38. L'article 80 de la même loi, modifié par la loi du 26 mars 2014, est renuméroté article 91.
HOOFDSTUK 9. - Wijzigingen van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden
CHAPITRE 9. - Modifications de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus
Art.39. In artikel 24 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. De Centrale Raad bestaat uit twaalf effectieve leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangers, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.
Bij de samenstelling van Centrale Raad wordt de taalpariteit in acht genomen, op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in paragraaf 3, op basis van hun diploma.";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De leden genieten de burgerlijke en politieke rechten.";
3° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "De Centrale Raad is samengesteld uit ten minste" worden vervangen door de woorden "De Centrale Raad telt onder haar effectieve leden en onder haar plaatsvervangende leden ten minste";
b) in de bepaling onder 1° worden de woorden "licentiaat of" opgeheven;
4° in paragraaf 4, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) het woord "effectieve" wordt ingevoegd tussen de woorden "wijst onder de" en de woorden "leden van de Centrale Raad;
b) het woord "vast" wordt opgeheven;
c) de woorden "licentiaat of" worden opgeheven;
5° in paragraaf 5 wordt het woord "vast" opgeheven en worden de woorden "dienen van een verschillende taalrol te zijn" vervangen door de woorden "zijn van een verschillende taalrol";
6° in paragraaf 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht";
a) in de bepaling onder 3° wordt het woord "minister" vervangen door het woord "regeringslid";
b) paragraaf 6 wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
"5° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank".
7° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt:
" § 7. De effectieve leden van de Centrale Raad worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de eedaflegging. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de eedaflegging van hun opvolger.
De plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden, en die begint te lopen vanaf de eedaflegging van het lid van wie ze de plaatsvervanging verzekeren.
Het lid wiens mandaat een einde neemt voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar, wordt voor de resterende duur van het mandaat vervangen door zijn plaatsvervanger. In dit geval valt de opvolger onder de toepassing van het eerste lid. Indien de resterende duur van het mandaat minder dan een jaar bedraagt, geldt dit niet als een mandaat voor de toepassing van de beperking van het aantal mandaten vastgesteld in deze bepaling.
Bij het openvallen van een plaats van plaatsvervangend lid gaat de Kamer van volksvertegenwoordigers onverwijld over tot de benoeming van een nieuw plaatsvervangend lid.";
8° er wordt een paragraaf 7/1 ingevoegd, luidende:
" § 7/1. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de effectieve leden en de plaatsvervangende leden in handen van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers de volgende eed af: "Ik zweer de plichten van mijn opdracht gewetensvol en onpartijdig te vervullen.".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. De Centrale Raad bestaat uit twaalf effectieve leden en uit een gelijk aantal plaatsvervangers, die door de Kamer van volksvertegenwoordigers worden benoemd met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.
Bij de samenstelling van Centrale Raad wordt de taalpariteit in acht genomen, op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in paragraaf 3, op basis van hun diploma.";
2° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De leden genieten de burgerlijke en politieke rechten.";
3° in paragraaf 3 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) de woorden "De Centrale Raad is samengesteld uit ten minste" worden vervangen door de woorden "De Centrale Raad telt onder haar effectieve leden en onder haar plaatsvervangende leden ten minste";
b) in de bepaling onder 1° worden de woorden "licentiaat of" opgeheven;
4° in paragraaf 4, eerste lid, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) het woord "effectieve" wordt ingevoegd tussen de woorden "wijst onder de" en de woorden "leden van de Centrale Raad;
b) het woord "vast" wordt opgeheven;
c) de woorden "licentiaat of" worden opgeheven;
5° in paragraaf 5 wordt het woord "vast" opgeheven en worden de woorden "dienen van een verschillende taalrol te zijn" vervangen door de woorden "zijn van een verschillende taalrol";
6° in paragraaf 6 worden de volgende wijzigingen aangebracht";
a) in de bepaling onder 3° wordt het woord "minister" vervangen door het woord "regeringslid";
b) paragraaf 6 wordt aangevuld met een bepaling onder 5°, luidende:
"5° de uitoefening van een ambt bij de strafuitvoeringsrechtbank".
7° paragraaf 7 wordt vervangen als volgt:
" § 7. De effectieve leden van de Centrale Raad worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de eedaflegging. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de eedaflegging van hun opvolger.
De plaatsvervangers worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden, en die begint te lopen vanaf de eedaflegging van het lid van wie ze de plaatsvervanging verzekeren.
Het lid wiens mandaat een einde neemt voor het verstrijken van de termijn van vijf jaar, wordt voor de resterende duur van het mandaat vervangen door zijn plaatsvervanger. In dit geval valt de opvolger onder de toepassing van het eerste lid. Indien de resterende duur van het mandaat minder dan een jaar bedraagt, geldt dit niet als een mandaat voor de toepassing van de beperking van het aantal mandaten vastgesteld in deze bepaling.
Bij het openvallen van een plaats van plaatsvervangend lid gaat de Kamer van volksvertegenwoordigers onverwijld over tot de benoeming van een nieuw plaatsvervangend lid.";
8° er wordt een paragraaf 7/1 ingevoegd, luidende:
" § 7/1. Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen de effectieve leden en de plaatsvervangende leden in handen van de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers de volgende eed af: "Ik zweer de plichten van mijn opdracht gewetensvol en onpartijdig te vervullen.".
Art.39. A l'article 24 de la loi de principes du 12 janvier 2005 concernant l'administration pénitentiaire ainsi que le statut juridique des détenus, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Le Conseil central est composé de douze membres effectifs et d'un nombre équivalent de suppléants, qui sont nommés par la Chambre des représentants à la majorité des deux tiers des suffrages émis.
La parité linguistique est respectée pour la composition du Conseil central, sur la base de la langue dans laquelle les candidats-membres ont posé leur candidature et, pour les membres visés au paragraphe 3, sur la base de leur diplôme.";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les membres jouissent des droits civils et politiques.";
3° au paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées:
a) les mots "Le Conseil central se compose d'au moins" sont remplacés par les mots "Le conseil central compte parmi ses membres effectifs et ses membres suppléants au moins";
b) au 1°, les mots "d'une licence ou" sont abrogés;
4° au paragraphe 4, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées:
a) le mot "effectifs" est inséré entre les mots "désigne parmi les membres" et les mots "du Conseil central";
b) le mot "permanent" est abrogé;
c) les mots "d'une licence ou" sont abrogés;
5° au paragraphe 5, le mot "permanent" est abrogé et les mots "doivent appartenir" sont remplacés par le mot "appartiennent";
6° au paragraphe 6 les modifications suivantes sont apportées:
a) au 3°, le mot "ministre" est remplacé par le mot "membre du gouvernement";
b) le paragraphe 6 est complété par un 5°, rédigé comme suit:
"5° l'exercice d'une fonction auprès du tribunal de l'application des peines.".
7° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit:
" § 7. Les membres effectifs du Conseil central sont nommés pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la prestation de serment. Après cette période, les membres continuent à exercer leur fonction jusqu'à la prestation de serment de leur successeur.
Les suppléants sont nommés pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la prestation de serment du membre dont ils assurent la suppléance.
Le membre dont le mandat prend fin avant l'expiration de la période de cinq ans est remplacé par son suppléant pour la période restante du mandat. Dans ce cas, le successeur tombe sous l'application de l'alinéa 1er. Si la durée restante du mandat est de moins d'un an, celui-ci n'entre pas en ligne de compte pour l'application de la limitation du nombre de mandats prévue dans cette disposition.
Lors de la vacance d'une place de suppléant, la Chambre des représentants nomme sans délai un nouveau membre suppléant.";
8° il est inséré un paragraphe 7/1 rédigé comme suit:
" § 7/1. Avant d'accepter leur fonction, les membres effectifs et les membres suppléants prêtent le serment suivant entre les mains du président de la Chambre des représentants: "Je jure de remplir en toute conscience et impartialité les devoirs de ma charge.".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Le Conseil central est composé de douze membres effectifs et d'un nombre équivalent de suppléants, qui sont nommés par la Chambre des représentants à la majorité des deux tiers des suffrages émis.
La parité linguistique est respectée pour la composition du Conseil central, sur la base de la langue dans laquelle les candidats-membres ont posé leur candidature et, pour les membres visés au paragraphe 3, sur la base de leur diplôme.";
2° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les membres jouissent des droits civils et politiques.";
3° au paragraphe 3, les modifications suivantes sont apportées:
a) les mots "Le Conseil central se compose d'au moins" sont remplacés par les mots "Le conseil central compte parmi ses membres effectifs et ses membres suppléants au moins";
b) au 1°, les mots "d'une licence ou" sont abrogés;
4° au paragraphe 4, alinéa 1er, les modifications suivantes sont apportées:
a) le mot "effectifs" est inséré entre les mots "désigne parmi les membres" et les mots "du Conseil central";
b) le mot "permanent" est abrogé;
c) les mots "d'une licence ou" sont abrogés;
5° au paragraphe 5, le mot "permanent" est abrogé et les mots "doivent appartenir" sont remplacés par le mot "appartiennent";
6° au paragraphe 6 les modifications suivantes sont apportées:
a) au 3°, le mot "ministre" est remplacé par le mot "membre du gouvernement";
b) le paragraphe 6 est complété par un 5°, rédigé comme suit:
"5° l'exercice d'une fonction auprès du tribunal de l'application des peines.".
7° le paragraphe 7 est remplacé par ce qui suit:
" § 7. Les membres effectifs du Conseil central sont nommés pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la prestation de serment. Après cette période, les membres continuent à exercer leur fonction jusqu'à la prestation de serment de leur successeur.
Les suppléants sont nommés pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la prestation de serment du membre dont ils assurent la suppléance.
Le membre dont le mandat prend fin avant l'expiration de la période de cinq ans est remplacé par son suppléant pour la période restante du mandat. Dans ce cas, le successeur tombe sous l'application de l'alinéa 1er. Si la durée restante du mandat est de moins d'un an, celui-ci n'entre pas en ligne de compte pour l'application de la limitation du nombre de mandats prévue dans cette disposition.
Lors de la vacance d'une place de suppléant, la Chambre des représentants nomme sans délai un nouveau membre suppléant.";
8° il est inséré un paragraphe 7/1 rédigé comme suit:
" § 7/1. Avant d'accepter leur fonction, les membres effectifs et les membres suppléants prêtent le serment suivant entre les mains du président de la Chambre des représentants: "Je jure de remplir en toute conscience et impartialité les devoirs de ma charge.".
Art.40. In artikel 25, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de tweede zin "De leden van het secretariaat zijn geen lid van de Centrale Raad." wordt vervangen als volgt:
"De taalpariteit van de leden van het secretariaat wordt in acht genomen op basis van hun diploma.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid:
"Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.".
1° de tweede zin "De leden van het secretariaat zijn geen lid van de Centrale Raad." wordt vervangen als volgt:
"De taalpariteit van de leden van het secretariaat wordt in acht genomen op basis van hun diploma.";
2° de paragraaf wordt aangevuld met het volgende lid:
"Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.".
Art.40. A l'article 25, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, sont apportées les modifications suivantes:
1° la seconde phrase "Les membres du secrétariat ne sont pas membres du Conseil central." est remplacée par ce qui suit:
"La parité linguistique des membres du secrétariat est respectée sur la base de leur diplôme.";
2° le paragraphe est complété par l'alinéa suivant:
"Le statut et le mode de recrutement des membres du secrétariat sont fixés par le Conseil central.".
1° la seconde phrase "Les membres du secrétariat ne sont pas membres du Conseil central." est remplacée par ce qui suit:
"La parité linguistique des membres du secrétariat est respectée sur la base de leur diplôme.";
2° le paragraphe est complété par l'alinéa suivant:
"Le statut et le mode de recrutement des membres du secrétariat sont fixés par le Conseil central.".
Art.41. In artikel 25/1, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"De leden van de Centrale Raad nemen geen kennis van zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben en laten zich in voorkomend geval vervangen.";
2° het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.".
1° tussen het tweede en het derde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
"De leden van de Centrale Raad nemen geen kennis van zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben en laten zich in voorkomend geval vervangen.";
2° het derde lid, dat het vierde lid wordt, wordt aangevuld met de woorden "en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.".
Art.41. A l'article 25/1, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3:
"Les membres du Conseil central ne connaissent pas des affaires dans lesquelles ils ont un intérêt personnel ou dans lesquelles leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel et, le cas échéant, se font remplacer.";
2° l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, est complété par les mots "et publié au Moniteur belge.".
1° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 2 et l'alinéa 3:
"Les membres du Conseil central ne connaissent pas des affaires dans lesquelles ils ont un intérêt personnel ou dans lesquelles leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel et, le cas échéant, se font remplacer.";
2° l'alinéa 3, qui devient l'alinéa 4, est complété par les mots "et publié au Moniteur belge.".
Art.42. In artikel 25/3 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 20016, wordt paragraaf 1 vervangen als volgt:
" § 1. De leden van de Centrale Raad die lid zijn van het bureau genieten een jaarlijkse wedde van 54 990 euro. De magistraten en ambtenaren die lid zijn van het bureau behouden tenminste hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
De leden van de Centrale Raad en van de Beroepscommissie die geen lid zijn van het bureau hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 150 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld.
De wedde bedoeld in het eerste lid en het presentiegeld bedoeld in het tweede lid vallen onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Zij worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.".
" § 1. De leden van de Centrale Raad die lid zijn van het bureau genieten een jaarlijkse wedde van 54 990 euro. De magistraten en ambtenaren die lid zijn van het bureau behouden tenminste hun wedde met de daaraan verbonden verhogingen en voordelen.
De leden van de Centrale Raad en van de Beroepscommissie die geen lid zijn van het bureau hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 150 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld.
De wedde bedoeld in het eerste lid en het presentiegeld bedoeld in het tweede lid vallen onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Zij worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.".
Art.42. A l'article 25/3 de la même loi, inséré par la loi du 25 décembre 2016, le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Les membres du Conseil central qui sont membres du bureau bénéficient d'un traitement annuel de 54 990 euros. Les magistrats et les fonctionnaires qui sont membres du bureau conservent au moins leur traitement ainsi que les augmentations et avantages y afférents.
Les membres du Conseil central et de la Commission d'appel qui ne sont pas membres du bureau ont droit à un jeton de présence dont le montant s'élève à 150 euros par jour presté. Les activités d'une durée inférieure à quatre heures par jour donnent droit à la moitié du jeton de présence fixé.
Le traitement visé au premier alinéa et le jeton de présence visé au deuxième alinéa sont soumis aux règles d'indexation applicables aux traitements du personnel des services publics fédéraux. Ils sont rattachés à l'indice-pivot 138,01.".
" § 1er. Les membres du Conseil central qui sont membres du bureau bénéficient d'un traitement annuel de 54 990 euros. Les magistrats et les fonctionnaires qui sont membres du bureau conservent au moins leur traitement ainsi que les augmentations et avantages y afférents.
Les membres du Conseil central et de la Commission d'appel qui ne sont pas membres du bureau ont droit à un jeton de présence dont le montant s'élève à 150 euros par jour presté. Les activités d'une durée inférieure à quatre heures par jour donnent droit à la moitié du jeton de présence fixé.
Le traitement visé au premier alinéa et le jeton de présence visé au deuxième alinéa sont soumis aux règles d'indexation applicables aux traitements du personnel des services publics fédéraux. Ils sont rattachés à l'indice-pivot 138,01.".
Art.43. In artikel 28 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Elke Commissie van toezicht bestaat uit ten minste zes en maximum achttien leden.
De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Commissie van toezicht worden toevertrouwd.";
b) in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1° de woorden "licentiaat of" opgeheven;
c) in paragraaf 3 wordt het tweede lid aangevuld met de woorden ", wat bepaald wordt op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in § 2, op basis van hun diploma.";
d) in paragraaf 4 wordt in de bepaling onder 4° het woord "minister" vervangen door het woord "regeringslid";
e) er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, luidende:
" § 4/1. De leden van de Commissie van toezicht worden, na schriftelijk advies van de voorzitter van de Commissie van toezicht, door de Centrale Raad benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de aanwijzing. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de aanwijzing van hun opvolger.".
a) paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Elke Commissie van toezicht bestaat uit ten minste zes en maximum achttien leden.
De leden worden benoemd op grond van hun deskundigheid of ervaring met betrekking tot de taken die aan de Commissie van toezicht worden toevertrouwd.";
b) in paragraaf 2 worden in de bepaling onder 1° de woorden "licentiaat of" opgeheven;
c) in paragraaf 3 wordt het tweede lid aangevuld met de woorden ", wat bepaald wordt op basis van de taal waarin de kandidaat-leden hun kandidatuur hebben ingediend en voor de leden bedoeld in § 2, op basis van hun diploma.";
d) in paragraaf 4 wordt in de bepaling onder 4° het woord "minister" vervangen door het woord "regeringslid";
e) er wordt een paragraaf 4/1 ingevoegd, luidende:
" § 4/1. De leden van de Commissie van toezicht worden, na schriftelijk advies van de voorzitter van de Commissie van toezicht, door de Centrale Raad benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwd kan worden en die begint te lopen vanaf de aanwijzing. Na afloop van die termijn blijven de leden hun functie uitoefenen tot de aanwijzing van hun opvolger.".
Art.43. Dans l'article 28 de la même loi, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Chaque Commission de surveillance se compose d'un minimum de six membres et d'un maximum de dix-huit membres.
Les membres sont nommés sur la base de leur compétence ou de leur expérience par rapport aux missions confiées à la Commission de surveillance.";
b) au paragraphe 2, 1°, les mots "d'une licence ou" sont abrogés;
c) le deuxième alinéa du paragraphe 3 est complété par les mots "sur la base de la langue dans laquelle les candidats-membres ont posé leur candidature et, pour les membres visés au paragraphe 2, sur la base de leur diplôme.";
d) dans le paragraphe 4, 4°, le mot "ministre" est remplacé par les mots "membre du gouvernement";
e) il est inséré un paragraphe 4/1 rédigé comme suit:
" § 4/1. Les membres de la Commission de surveillance sont nommés, après avis écrit du président de la Commission de surveillance, par le Conseil central pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la désignation. Après cette période, les membres continuent à exercer leur fonction jusqu'à la désignation de leur successeur.".
a) le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Chaque Commission de surveillance se compose d'un minimum de six membres et d'un maximum de dix-huit membres.
Les membres sont nommés sur la base de leur compétence ou de leur expérience par rapport aux missions confiées à la Commission de surveillance.";
b) au paragraphe 2, 1°, les mots "d'une licence ou" sont abrogés;
c) le deuxième alinéa du paragraphe 3 est complété par les mots "sur la base de la langue dans laquelle les candidats-membres ont posé leur candidature et, pour les membres visés au paragraphe 2, sur la base de leur diplôme.";
d) dans le paragraphe 4, 4°, le mot "ministre" est remplacé par les mots "membre du gouvernement";
e) il est inséré un paragraphe 4/1 rédigé comme suit:
" § 4/1. Les membres de la Commission de surveillance sont nommés, après avis écrit du président de la Commission de surveillance, par le Conseil central pour une période de cinq ans, renouvelable deux fois et prenant cours au moment de la désignation. Après cette période, les membres continuent à exercer leur fonction jusqu'à la désignation de leur successeur.".
Art.44. In artikel 29 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretariaat, waarvan de leden niet behoren tot de penitentiaire administratie. De leden van het secretariaat worden op voordracht van de Commissie van toezicht aangewezen door de Centrale Raad.
Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "secretaris of plaatsvervangend secretaris" vervangen door de woorden "een lid van het secretariaat";
3° in paragraaf 3 worden de woorden "de secretaris" vervangen door de woorden "de leden van het secretariaat".
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Elke Commissie van toezicht wordt bijgestaan door een secretariaat, waarvan de leden niet behoren tot de penitentiaire administratie. De leden van het secretariaat worden op voordracht van de Commissie van toezicht aangewezen door de Centrale Raad.
Het statuut en de wijze van aanwerving van de leden van het secretariaat worden bepaald door de Centrale Raad.";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "secretaris of plaatsvervangend secretaris" vervangen door de woorden "een lid van het secretariaat";
3° in paragraaf 3 worden de woorden "de secretaris" vervangen door de woorden "de leden van het secretariaat".
Art.44. A l'article 29 de la même loi, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Chaque Commission de surveillance est assistée par un secrétariat, dont les membres n'appartiennent pas à l'administration pénitentiaire. Les membres du secrétariat sont désignés par le Conseil central sur proposition de la Commission de surveillance.
Le statut et le mode de recrutement des membres du secrétariat sont fixés par le Conseil central.";
2° dans le paragraphe 2, les mots "du secrétaire ou du secrétaire suppléant" sont remplacés par les mots "d'un membre du secrétariat";
3° dans le paragraphe 3, les mots du secrétaire" sont remplacés par les mots "des membres du secrétariat".
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Chaque Commission de surveillance est assistée par un secrétariat, dont les membres n'appartiennent pas à l'administration pénitentiaire. Les membres du secrétariat sont désignés par le Conseil central sur proposition de la Commission de surveillance.
Le statut et le mode de recrutement des membres du secrétariat sont fixés par le Conseil central.";
2° dans le paragraphe 2, les mots "du secrétaire ou du secrétaire suppléant" sont remplacés par les mots "d'un membre du secrétariat";
3° dans le paragraphe 3, les mots du secrétaire" sont remplacés par les mots "des membres du secrétariat".
Art.45. In artikel 30 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De leden van de Commissie van toezicht onthouden zich bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben.";
2° in paragraaf 2 wordt de tweede zin opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "en 3° ".
1° paragraaf 1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
"De leden van de Commissie van toezicht onthouden zich bij een beraadslaging over zaken waarbij zij een persoonlijk belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk belang hebben.";
2° in paragraaf 2 wordt de tweede zin opgeheven;
3° in paragraaf 3 wordt het eerste lid aangevuld met de woorden "en 3° ".
Art.45. A l'article 30 de la même loi, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les membres de la Commission de surveillance s'abstiennent de délibérer sur les affaires dans lesquelles ils ont un intérêt personnel ou dans lesquelles leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel.";
2° dans le paragraphe 2, la deuxième phrase est abrogée;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est complété par les mots "et 3° ".
1° le paragraphe 1er est complété par un alinéa rédigé comme suit:
"Les membres de la Commission de surveillance s'abstiennent de délibérer sur les affaires dans lesquelles ils ont un intérêt personnel ou dans lesquelles leurs parents ou alliés jusqu'au quatrième degré ont un intérêt personnel.";
2° dans le paragraphe 2, la deuxième phrase est abrogée;
3° dans le paragraphe 3, l'alinéa 1er est complété par les mots "et 3° ".
Art.46. In artikel 31 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 december 2016, worden in paragraaf 1, eerste lid, de woorden "licentiaat of" opgeheven.
Art.46. A l'article 31 de la même loi, remplacé par la loi du 25 décembre 2016, dans le premier alinéa du paragraphe 1er, les mots "d'une licence ou" sont supprimés.
Art.47. Artikel 31/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 december 2016, wordt vervangen als volgt:
"Art. 31/1. De leden van de Commissies van toezicht en de leden van de klachtencommissie hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 90 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld. Dit presentiegeld valt onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Het wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.".
"Art. 31/1. De leden van de Commissies van toezicht en de leden van de klachtencommissie hebben recht op een presentiegeld waarvan het bedrag per gepresteerde dag 90 euro bedraagt. Werkzaamheden die per dag minder dan vier uur bestrijken, geven recht op de helft van het vastgesteld presentiegeld. Dit presentiegeld valt onder de indexeringsregeling die geldt voor de wedden van het personeel van de federale overheidsdiensten. Het wordt gekoppeld aan de spilindex 138,01.".
Art.47. L'article 31/1 de la même loi, inséré par la loi du 25 décembre 2016, est remplacé par ce qui suit:
"Art. 31/1. Les membres des Commissions de surveillance et les membres de la Commission des plaintes ont droit à un jeton de présence dont le montant s'élève à 90 euros par jour presté. Les activités d'une durée inférieure à quatre heures par jour donnent droit à la moitié du jeton de présence fixé. Ce jeton de présence est soumis aux règles d'indexation applicables aux traitements du personnel des services publics fédéraux. Il est lié à l'indice-pivot 138,01.".
"Art. 31/1. Les membres des Commissions de surveillance et les membres de la Commission des plaintes ont droit à un jeton de présence dont le montant s'élève à 90 euros par jour presté. Les activités d'une durée inférieure à quatre heures par jour donnent droit à la moitié du jeton de présence fixé. Ce jeton de présence est soumis aux règles d'indexation applicables aux traitements du personnel des services publics fédéraux. Il est lié à l'indice-pivot 138,01.".
Art.48. In het opschrift van hoofdstuk VII van titel V van dezelfde wet, worden de woorden "en gezondheidsbescherming" opgeheven.
Art.48. Dans l'intitulé du chapitre VII du titre V de la même loi, les mots "et de la protection de la santé" sont abrogés.
Art.49. In hoofdstuk VII van titel V van dezelfde wet, wordt het opschrift van afdeling I geschrapt.
Art.49. Dans le chapitre VII du titre V de la même loi, l'intitulé de la section Ire est supprimé.
Art.50. Artikel 87 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt:
"Art. 87. De gezondheidszorg in de gevangenissen beoogt het lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn van de gedetineerden te bevorderen, te behouden of te herstellen.".
"Art. 87. De gezondheidszorg in de gevangenissen beoogt het lichamelijk, geestelijk en sociaal welzijn van de gedetineerden te bevorderen, te behouden of te herstellen.".
Art.50. L'article 87 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
"Art. 87. Les soins de santé en milieu pénitentiaire visent à promouvoir, conserver ou restaurer pour les détenus un état de bien être à la fois physique, psychique et social.".
"Art. 87. Les soins de santé en milieu pénitentiaire visent à promouvoir, conserver ou restaurer pour les détenus un état de bien être à la fois physique, psychique et social.".
Art.51. In artikel 88 van dezelfde wet worden de woorden "en die aangepast is aan zijn specifieke noden" opgeheven.
Art.51. A l'article 88 de la même loi, les mots "et qui sont adaptés à ses besoins spécifiques" sont abrogés.
Art.52. In artikel 89 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de eerste zin wordt opgeheven;
2° de tweede zin wordt vervangen als volgt:
"De gedetineerde wordt zo spoedig mogelijk na zijn opname door een aan de gevangenis verbonden arts gezien en daarna op de raadpleging ingeschreven telkens hij erom verzoekt.".
1° de eerste zin wordt opgeheven;
2° de tweede zin wordt vervangen als volgt:
"De gedetineerde wordt zo spoedig mogelijk na zijn opname door een aan de gevangenis verbonden arts gezien en daarna op de raadpleging ingeschreven telkens hij erom verzoekt.".
Art.52. A l'article 89 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° la première phrase est abrogée;
2° la deuxième phrase est remplacée par:
"Le détenu est vu par un médecin attaché à la prison le plus rapidement possible après son incarcération et inscrit à la consultation chaque fois qu'il le demande.".
1° la première phrase est abrogée;
2° la deuxième phrase est remplacée par:
"Le détenu est vu par un médecin attaché à la prison le plus rapidement possible après son incarcération et inscrit à la consultation chaque fois qu'il le demande.".
Art.53. Artikel 90 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.53. L'article 90 de la même loi est abrogé.
Art.54. In artikel 91, § 2, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "het diensthoofd van de dienst voor gezondheidszorg bij de penitentiaire administratie" vervangen door de woorden "de referentiearts van de centrale dienst ter coördinatie van de medische zorg bij de penitentiaire administratie";
2° in het tweede lid worden de woorden "het diensthoofd" telkens vervangen door de woorden "de referentiearts".
1° in het eerste lid worden de woorden "het diensthoofd van de dienst voor gezondheidszorg bij de penitentiaire administratie" vervangen door de woorden "de referentiearts van de centrale dienst ter coördinatie van de medische zorg bij de penitentiaire administratie";
2° in het tweede lid worden de woorden "het diensthoofd" telkens vervangen door de woorden "de referentiearts".
Art.54. A l'article 91, § 2, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le premier alinéa, les mots "du chef de service du service des soins de santé de l'administration pénitentiaire" sont remplacés par les mots "du médecin référent du service de coordination central des soins médicaux de l'administration pénitentiaire";
2° dans le deuxième alinéa, les mots "le chef de service" sont chaque fois remplacés par les mots "le médecin référent".
1° dans le premier alinéa, les mots "du chef de service du service des soins de santé de l'administration pénitentiaire" sont remplacés par les mots "du médecin référent du service de coordination central des soins médicaux de l'administration pénitentiaire";
2° dans le deuxième alinéa, les mots "le chef de service" sont chaque fois remplacés par les mots "le médecin référent".
Art.55. Artikel 92 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.55. L'article 92 de la même loi est abrogé.
Art.56. In artikel 93 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Wanneer een gedetineerde een diagnostisch onderzoek of een medisch aanbevolen gespecialiseerde behandeling nodig heeft waarvoor de gevangenis niet of onvoldoende is uitgerust, wordt hij op verzoek van de aan de gevangenis verbonden arts overgebracht naar een gespecialiseerde gevangenis of doorverwezen naar een ziekenhuis of naar een instelling voor gezondheidszorg die over de vereiste uitrusting beschikt.";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
4° in paragraaf 4 worden de woorden ", zonder dat dit afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de zorgverstrekking. De Koning stelt de nadere regels vast inzake de overbrenging en de bewaking" opgeheven.
1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
" § 1. Wanneer een gedetineerde een diagnostisch onderzoek of een medisch aanbevolen gespecialiseerde behandeling nodig heeft waarvoor de gevangenis niet of onvoldoende is uitgerust, wordt hij op verzoek van de aan de gevangenis verbonden arts overgebracht naar een gespecialiseerde gevangenis of doorverwezen naar een ziekenhuis of naar een instelling voor gezondheidszorg die over de vereiste uitrusting beschikt.";
2° paragraaf 2 wordt opgeheven;
3° paragraaf 3 wordt opgeheven;
4° in paragraaf 4 worden de woorden ", zonder dat dit afbreuk kan doen aan de kwaliteit van de zorgverstrekking. De Koning stelt de nadere regels vast inzake de overbrenging en de bewaking" opgeheven.
Art.56. A l'article 93 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Lorsqu'un détenu a besoin d'un examen diagnostique ou d'un traitement spécialisé médicalement recommandé pour lequel la prison n'est pas, ou pas suffisamment, équipée, il est transféré, à la demande du médecin attaché à la prison, vers une prison spécialisée ou orienté vers un hôpital ou un établissement de soins disposant des équipements requis.";
2° le paragraphe 2 est abrogé;
3° le paragraphe 3 est abrogé;
4° dans le paragraphe 4 les mots ", sans que cela puisse porter atteinte à la qualité des soins prodigués. Le Roi détermine les modalités de transfert et de surveillance" sont abrogés.
1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
" § 1er. Lorsqu'un détenu a besoin d'un examen diagnostique ou d'un traitement spécialisé médicalement recommandé pour lequel la prison n'est pas, ou pas suffisamment, équipée, il est transféré, à la demande du médecin attaché à la prison, vers une prison spécialisée ou orienté vers un hôpital ou un établissement de soins disposant des équipements requis.";
2° le paragraphe 2 est abrogé;
3° le paragraphe 3 est abrogé;
4° dans le paragraphe 4 les mots ", sans que cela puisse porter atteinte à la qualité des soins prodigués. Le Roi détermine les modalités de transfert et de surveillance" sont abrogés.
Art.57. In artikel 95 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 17 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het eerste lid worden de woorden "zijn samenwonende echtgenoot, wettelijk samenwonende partner, zijn naastbestaanden, diegene die met hem een feitelijk gezin vormt en desgevallend zijn voogd of bewindvoerder en de door de gedetineerde patiënt aangewezen vertegenwoordiger" vervangen door de woorden "de door de gedetineerde aangewezen personen, of bij gebreke daarvan, zijn naastbestaanden en in voorkomend geval, zijn voogd of zijn bewindvoerder";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
1° in het eerste lid worden de woorden "zijn samenwonende echtgenoot, wettelijk samenwonende partner, zijn naastbestaanden, diegene die met hem een feitelijk gezin vormt en desgevallend zijn voogd of bewindvoerder en de door de gedetineerde patiënt aangewezen vertegenwoordiger" vervangen door de woorden "de door de gedetineerde aangewezen personen, of bij gebreke daarvan, zijn naastbestaanden en in voorkomend geval, zijn voogd of zijn bewindvoerder";
2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.57. A l'article 95 de la même loi, modifié par la loi du 17 mars 2003, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 1er les mots "son conjoint cohabitant, son partenaire cohabitant légal, ses proches parents, la personne avec laquelle il vit maritalement et, le cas échéant, son tuteur ou son administrateur et le représentant désigné par le patient détenu" sont remplacés par les mots "la personne désignée par le détenu ou, à défaut, ses proches et le cas échéant, son tuteur ou son administrateur";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
1° dans l'alinéa 1er les mots "son conjoint cohabitant, son partenaire cohabitant légal, ses proches parents, la personne avec laquelle il vit maritalement et, le cas échéant, son tuteur ou son administrateur et le représentant désigné par le patient détenu" sont remplacés par les mots "la personne désignée par le détenu ou, à défaut, ses proches et le cas échéant, son tuteur ou son administrateur";
2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art.58. Artikel 96, § 3, van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.58. Le paragraphe 3 de l'article 96 de la même loi est abrogé.
Art.59. Artikel 97 van dezelfde wet wordt opgeheven.
Art.59. L'article 97 de la même loi est abrogé.
Art.60. In artikel 98 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "uit aan de gevangenis verbonden artsen, tandartsen en verplegers samengestelde" worden opgeheven;
2° de woorden "bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor Volksgezondheid" worden ingevoegd tussen de woorden "aan de minister" en het woord "adviezen".
1° de woorden "uit aan de gevangenis verbonden artsen, tandartsen en verplegers samengestelde" worden opgeheven;
2° de woorden "bevoegd voor Justitie en de minister bevoegd voor Volksgezondheid" worden ingevoegd tussen de woorden "aan de minister" en het woord "adviezen".
Art.60. A l'article 98 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° les mots "composé de médecins, de dentistes et d'infirmiers attachés à la prison" sont abrogés;
2° les mots "chargé de la Justice et au ministre chargé de la Santé publique" sont insérés entre les mots "au ministre" et les mots "des avis".
1° les mots "composé de médecins, de dentistes et d'infirmiers attachés à la prison" sont abrogés;
2° les mots "chargé de la Justice et au ministre chargé de la Santé publique" sont insérés entre les mots "au ministre" et les mots "des avis".
Art.61. In hoofdstuk VII van titel V van dezelfde wet, wordt afdeling II, dat artikel 99 bevat, opgeheven.
Art.61. Dans le chapitre VII du titre V de la même loi, la section II, qui comporte l'article 99, est abrogée.
Art.62. In titel V van dezelfde wet, wordt hoofdstuk VIII, dat de artikelen 100, gewijzigd bij wet van 23 december 2005, en 101 bevat, opgeheven.
Art.62. Dans le titre V de la même loi, le chapitre VIII, qui comporte les articles 100, modifié par la loi du 23 décembre 2005, et 101, est abrogé.
Art.63. In artikel 118 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 maart 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 5 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts";
2° in paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".
1° in paragraaf 5 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts";
2° in paragraaf 6, tweede lid, worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".
Art.63. A l'article 118 de la même loi, modifié par la loi du 2 mars 2010, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 5, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin";
2° dans le paragraphe 6, alinéa 2, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin".
1° dans le paragraphe 5, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin";
2° dans le paragraphe 6, alinéa 2, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin".
Art.64. In artikel 137 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in paragraaf 1 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts";
2° in paragraaf 2 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".
Art.64. A l'article 137 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans le paragraphe 1er, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin";
2° dans le paragraphe 2, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin".
1° dans le paragraphe 1er, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin";
2° dans le paragraphe 2, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin".
Art.65. In artikel 141 worden de woorden "adviserende arts" vervangen door het woord "arts".
Art.65. A l'article 141 de la même loi, le mot "médecin-conseil" est remplacé par le mot "médecin".
Art.66. In artikel 144, § 6, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 2 maart 2010, wordt het derde lid, opgeheven.
Art.66. A l'article 144, § 6, de la même loi, modifié par la loi du 2 mars 2010, l'alinéa 3, est abrogé.
Art.67. In artikel 164, § 2, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 december 2016, wordt het woord "indiening" vervangen door het woord "ontvangst".
Art.67. Dans l'article 164, § 2, de la même loi, modifiée par la loi du 25 décembre 2016, les mots "l'introduction" sont remplacés par les mots "la réception".
HOOFDSTUK 10. - Wijzigingen van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten
CHAPITRE 10. - Modifications de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine
Art.68. In titel IV van de wet van 17 mei 2006 betreffende de externe rechtspositie van de veroordeelden tot een vrijheidsstraf en de aan het slachtoffer toegekende rechten in het raam van de strafuitvoeringsmodaliteiten, wordt een hoofdstuk IIbis ingevoegd, luidende:
"Hoofdstuk IIbis. De plaatsing in een transitiehuis".
"Hoofdstuk IIbis. De plaatsing in een transitiehuis".
Art.68. Dans le titre IV de la loi du 17 mai 2006 relative au statut juridique externe des personnes condamnées à une peine privative de liberté et aux droits reconnus à la victime dans le cadre des modalités d'exécution de la peine, il est inséré un chapitre IIbis intitulé comme suit:
"Chapitre IIbis. Le placement en maison de transition".
"Chapitre IIbis. Le placement en maison de transition".
Art.69. In hoofdstuk IIbis van dezelfde wet, ingevoegd bij artikel 68, wordt een artikel 9/1 ingevoegd, luidende:
"Art. 9/1. De plaatsing in een transitiehuis is een vorm van detentie waarbij de veroordeelde gedetineerde zijn vrijheidsstraf ondergaat op basis van een plaatsingsplan.
De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de plaatsing in een transitiehuis.".
"Art. 9/1. De plaatsing in een transitiehuis is een vorm van detentie waarbij de veroordeelde gedetineerde zijn vrijheidsstraf ondergaat op basis van een plaatsingsplan.
De uitvoering van de vrijheidsstraf loopt voort tijdens de duur van de plaatsing in een transitiehuis.".
Art.69. Dans le chapitre IIbis de la même loi, inséré par l'article 68, il est inséré un article 9/1 rédigé comme suit:
"Art. 9/1. Le placement en maison de transition est une forme de détention sous laquelle le détenu condamné subit sa peine privative de liberté sur la base d'un plan de placement.
L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée du placement en maison de transition.".
"Art. 9/1. Le placement en maison de transition est une forme de détention sous laquelle le détenu condamné subit sa peine privative de liberté sur la base d'un plan de placement.
L'exécution de la peine privative de liberté se poursuit pendant la durée du placement en maison de transition.".
Art.70. In hetzelfde hoofdstuk IIbis wordt een artikel 9/2 ingevoegd, luidende:
"Art. 9/2. § 1. Een transitiehuis is een bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad erkende inrichting waar veroordeelden kunnen geplaatst worden om hun vrijheidsstraf te ondergaan.
§ 2. De verantwoordelijke van het transitiehuis heeft toegang tot de gegevens uit het dossier van de veroordeelde die van aard zijn om de opdrachten die verbonden zijn aan de plaatsing te kunnen uitvoeren.
§ 3. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:
1° de normen waaraan een inrichting dient te voldoen om als transitiehuis erkend te kunnen worden.
2° de financiële tussenkomst van de Federale Staat voor de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing.
De normen bedoeld in het eerste lid, 1°, hebben betrekking op de architectonische, de organisatorische, de personele en de functionele eisen waaraan de inrichting moet voldoen evenals op het huishoudelijk reglement.
§ 4. Met oog op de uitvoering van de plaatsingen in een transitiehuis, wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister en de verantwoordelijke van het transitiehuis op basis van een door de Koning bepaald model.".
"Art. 9/2. § 1. Een transitiehuis is een bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad erkende inrichting waar veroordeelden kunnen geplaatst worden om hun vrijheidsstraf te ondergaan.
§ 2. De verantwoordelijke van het transitiehuis heeft toegang tot de gegevens uit het dossier van de veroordeelde die van aard zijn om de opdrachten die verbonden zijn aan de plaatsing te kunnen uitvoeren.
§ 3. De Koning bepaalt bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad:
1° de normen waaraan een inrichting dient te voldoen om als transitiehuis erkend te kunnen worden.
2° de financiële tussenkomst van de Federale Staat voor de kosten die verbonden zijn aan de plaatsing.
De normen bedoeld in het eerste lid, 1°, hebben betrekking op de architectonische, de organisatorische, de personele en de functionele eisen waaraan de inrichting moet voldoen evenals op het huishoudelijk reglement.
§ 4. Met oog op de uitvoering van de plaatsingen in een transitiehuis, wordt een overeenkomst gesloten tussen de minister en de verantwoordelijke van het transitiehuis op basis van een door de Koning bepaald model.".
Art.70. Dans le même chapitre IIbis, il est inséré un article 9/2 rédigé comme suit:
"Art. 9/2. § 1er. Une maison de transition est un établissement agréé par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres dans lequel des condamnés peuvent être placés afin d'y subir leur peine privative de liberté.
§ 2. Le responsable de la maison de transition a accès aux données du dossier du condamné qui sont de nature à lui permettre d'exercer les missions relatives au placement.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres:
1° les normes auxquelles un établissement doit satisfaire afin de pouvoir être agréé comme maison de transition.
2° l'intervention financière de l'Etat fédéral pour les frais liés au placement.
Les normes visées à l'alinéa 1er, 1°, concernent les exigences architecturales, organisationnelles, de personnel et fonctionnelles auxquelles l'établissement doit satisfaire ainsi que le règlement d'ordre intérieur.
§ 4. En vue de l'exécution des placements dans une maison de transition, une convention est établie entre le ministre et le responsable de la maison de transition sur la base d'un modèle déterminé par le Roi.".
"Art. 9/2. § 1er. Une maison de transition est un établissement agréé par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres dans lequel des condamnés peuvent être placés afin d'y subir leur peine privative de liberté.
§ 2. Le responsable de la maison de transition a accès aux données du dossier du condamné qui sont de nature à lui permettre d'exercer les missions relatives au placement.
§ 3. Le Roi détermine, par arrêté délibéré en Conseil des ministres:
1° les normes auxquelles un établissement doit satisfaire afin de pouvoir être agréé comme maison de transition.
2° l'intervention financière de l'Etat fédéral pour les frais liés au placement.
Les normes visées à l'alinéa 1er, 1°, concernent les exigences architecturales, organisationnelles, de personnel et fonctionnelles auxquelles l'établissement doit satisfaire ainsi que le règlement d'ordre intérieur.
§ 4. En vue de l'exécution des placements dans une maison de transition, une convention est établie entre le ministre et le responsable de la maison de transition sur la base d'un modèle déterminé par le Roi.".
Art.71. In hetzelfde hoofdstuk IIbis, wordt een artikel 9/3 ingevoegd, luidende:
"Art. 9/3. § 1. De veroordeelden die voldoen aan de volgende voorwaarden, kunnen worden geplaatst in een transitiehuis:
1° de veroordeelde bevindt zich op achttien maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
2° de veroordeelde beschikt over de vaardigheid om in een open gemeenschapsregime te verblijven;
3° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet kan tegemoet komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich tijdens de periode van plaatsing in een transitiehuis aan de strafuitvoering zou onttrekken, ernstige strafbare feiten zou plegen of de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het plaatsingsplan zoals bepaald bij paragraaf 2 en met de voorwaarden die aan de plaatsing in het transitiehuis verbonden worden overeenkomstig artikel 11, § 3;
5° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het huishoudelijk reglement zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3.
§ 2. Het plaatsingsplan beschrijft het programma dat de veroordeelde dient te volgen en geeft minstens de verplichte activiteiten weer waaraan de veroordeelde moet deelnemen met het oog op zijn re-integratie.".
"Art. 9/3. § 1. De veroordeelden die voldoen aan de volgende voorwaarden, kunnen worden geplaatst in een transitiehuis:
1° de veroordeelde bevindt zich op achttien maanden na, in de tijdsvoorwaarden voor de toekenning van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
2° de veroordeelde beschikt over de vaardigheid om in een open gemeenschapsregime te verblijven;
3° er bestaan in hoofde van de veroordeelde geen tegenaanwijzingen waaraan men niet kan tegemoet komen door het opleggen van bijzondere voorwaarden; deze tegenaanwijzingen hebben betrekking op het gevaar dat de veroordeelde zich tijdens de periode van plaatsing in een transitiehuis aan de strafuitvoering zou onttrekken, ernstige strafbare feiten zou plegen of de slachtoffers zou lastig vallen;
4° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het plaatsingsplan zoals bepaald bij paragraaf 2 en met de voorwaarden die aan de plaatsing in het transitiehuis verbonden worden overeenkomstig artikel 11, § 3;
5° de veroordeelde stemt schriftelijk in met het huishoudelijk reglement zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3.
§ 2. Het plaatsingsplan beschrijft het programma dat de veroordeelde dient te volgen en geeft minstens de verplichte activiteiten weer waaraan de veroordeelde moet deelnemen met het oog op zijn re-integratie.".
Art.71. Dans le même chapitre IIbis, il est inséré un article 9/3, rédigé comme suit:
"Art. 9/3. § 1er. Les condamnés qui satisfont aux conditions suivantes peuvent être placés en maison de transition:
1° le condamné qui se trouve, à dix-huit mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi d'une libération conditionnelle;
2° le condamné est apte à séjourner dans un régime communautaire ouvert;
3° il n'existe pas de contre-indications dans le chef du condamné auxquelles l'imposition de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que, durant la période de placement en maison de transition, le condamné se soustraie à l'exécution de la peine, commette des infractions graves ou importune les victimes;
4° le condamné consent par écrit au plan de placement visé au paragraphe 2 et aux conditions liées au placement en maison de transition, conformément à l'article 11, § 3;
5° le condamné consent par écrit au règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3.
§ 2. Le plan de placement décrit le programme que doit suivre le condamné et indique au minimum, les activités obligatoires auxquelles doit participer le condamné en vue de sa réinsertion.".
"Art. 9/3. § 1er. Les condamnés qui satisfont aux conditions suivantes peuvent être placés en maison de transition:
1° le condamné qui se trouve, à dix-huit mois près, dans les conditions de temps pour l'octroi d'une libération conditionnelle;
2° le condamné est apte à séjourner dans un régime communautaire ouvert;
3° il n'existe pas de contre-indications dans le chef du condamné auxquelles l'imposition de conditions particulières ne puisse répondre; ces contre-indications portent sur le risque que, durant la période de placement en maison de transition, le condamné se soustraie à l'exécution de la peine, commette des infractions graves ou importune les victimes;
4° le condamné consent par écrit au plan de placement visé au paragraphe 2 et aux conditions liées au placement en maison de transition, conformément à l'article 11, § 3;
5° le condamné consent par écrit au règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3.
§ 2. Le plan de placement décrit le programme que doit suivre le condamné et indique au minimum, les activités obligatoires auxquelles doit participer le condamné en vue de sa réinsertion.".
Art.72. In het opschrift van hoofdstuk III van dezelfde wet, worden de cijfers "I en II" vervangen door de cijfers "I, II en IIbis".
Art.72. Dans l'intitulé du chapitre III de la même loi, les chiffres "I et II" sont remplacés par les chiffres "Ier, II et IIbis".
Art.73. Het opschrift van afdeling I van hoofdstuk III van dezelfde wet, wordt vervangen door:
"De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis".
"De procedure tot toekenning van de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof en de plaatsing in het transitiehuis".
Art.73. L'intitulé de la section Ire du chapitre III de la même loi, est remplacé par les mots suivants:
"De la procédure d'octroi de la permission de sortie, du congé pénitentiaire et du placement en maison de transition".
"De la procédure d'octroi de la permission de sortie, du congé pénitentiaire et du placement en maison de transition".
Art.74. In artikel 10 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende:
" § 1bis. De plaatsing in een transitiehuis wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de directeur, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies.";
2° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.";
3° paragraaf 2, vierde lid, wordt aangevuld met de woorden ", of van de plaatsing in een transitiehuis".
1° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende:
" § 1bis. De plaatsing in een transitiehuis wordt toegekend door de minister of zijn gemachtigde, op schriftelijk verzoek van de directeur, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies.";
2° in paragraaf 2 wordt het derde lid vervangen als volgt:
"De beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in het transitiehuis wordt binnen vierentwintig uur meegedeeld aan de procureur des Konings van het arrondissement waar de uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis zal plaatsvinden.";
3° paragraaf 2, vierde lid, wordt aangevuld met de woorden ", of van de plaatsing in een transitiehuis".
Art.74. Dans l'article 10 de la même loi, modifié par les lois des 27 décembre 2006 et 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées:
1° un paragraphe 1bis est inséré, rédigé comme suit:
" § 1bis. Le placement dans une maison de transition est décidé par le ministre ou son délégué, à la demande écrite du directeur, accompagné de son avis motivé.";
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"La décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition se déroulera.";
3° le paragraphe 2, alinéa 4, est complété par les mots ", ou du placement en maison de transition".
1° un paragraphe 1bis est inséré, rédigé comme suit:
" § 1bis. Le placement dans une maison de transition est décidé par le ministre ou son délégué, à la demande écrite du directeur, accompagné de son avis motivé.";
2° dans le paragraphe 2, l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit:
"La décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition est communiquée dans les vingt-quatre heures au procureur du Roi de l'arrondissement où la permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement dans une maison de transition se déroulera.";
3° le paragraphe 2, alinéa 4, est complété par les mots ", ou du placement en maison de transition".
Art.75. Artikel 11, § 3, van dezelfde wet, wordt als volgt vervangen:
" § 3. De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Aan de beslissing tot toekenning van een plaatsing in een transitiehuis wordt tevens de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde het huishoudelijk reglement, zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3, en het plaatsingsplan, zoals bepaald bij artikel 9/3, § 2, moet naleven. In voorkomend geval bepaalt de minister of zijn gemachtigde de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, 7, 2° en 9/3, § 1, 3°.
In geval van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis duidt de minister of zijn gemachtigde eveneens de gevangenis aan die tijdens de duur van de plaatsing het detentiedossier van de veroordeelde zal beheren.".
" § 3. De minister of zijn gemachtigde verbindt aan de beslissing tot toekenning van een uitgaansvergunning, een penitentiair verlof of een plaatsing in een transitiehuis, de algemene voorwaarde dat de veroordeelde geen nieuwe strafbare feiten mag plegen. Aan de beslissing tot toekenning van een plaatsing in een transitiehuis wordt tevens de voorwaarde verbonden dat de veroordeelde het huishoudelijk reglement, zoals bepaald bij artikel 9/2, § 3, en het plaatsingsplan, zoals bepaald bij artikel 9/3, § 2, moet naleven. In voorkomend geval bepaalt de minister of zijn gemachtigde de bijzondere voorwaarden rekening houdend met de bepalingen van de artikelen 5, 2°, 7, 2° en 9/3, § 1, 3°.
In geval van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis duidt de minister of zijn gemachtigde eveneens de gevangenis aan die tijdens de duur van de plaatsing het detentiedossier van de veroordeelde zal beheren.".
Art.75. L'article 11, § 3, de la même loi, est remplacé comme suit:
" § 3. Le ministre ou son délégué assortit la décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition de la condition générale que le condamné ne peut commettre de nouvelles infractions. La décision d'octroi d'un placement en maison de transition est également assortie de la condition que le condamné doit respecter le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3, et le plan de placement visé à l'article 9/3, § 2. Le cas échéant, le ministre ou son délégué détermine les conditions particulières compte tenu des dispositions des articles 5, 2°, 7, 2° et 9/3, § 1er, 3°.
En cas d'une décision de placement en maison de transition, le ministre ou son délégué désigne également la prison qui gèrera le dossier de détention pendant la durée du placement.".
" § 3. Le ministre ou son délégué assortit la décision d'octroi d'une permission de sortie, d'un congé pénitentiaire ou d'un placement dans une maison de transition de la condition générale que le condamné ne peut commettre de nouvelles infractions. La décision d'octroi d'un placement en maison de transition est également assortie de la condition que le condamné doit respecter le règlement d'ordre intérieur visé à l'article 9/2, § 3, et le plan de placement visé à l'article 9/3, § 2. Le cas échéant, le ministre ou son délégué détermine les conditions particulières compte tenu des dispositions des articles 5, 2°, 7, 2° et 9/3, § 1er, 3°.
En cas d'une décision de placement en maison de transition, le ministre ou son délégué désigne également la prison qui gèrera le dossier de détention pendant la durée du placement.".
Art.76. In artikel 12 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet 5 februari 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
a) er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende:
" § 2bis. Indien de voorwaarden van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis niet worden nageleefd, of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van de beslissing tot plaatsing, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te herroepen.
De verantwoordelijke van het transitiehuis bezorgt aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, na deze gehoord te hebben, een verslag omtrent de niet-naleving van de voorwaarden of omtrent het ontstaan van een tegenaanwijzing.
De directeur bezorgt het verslag van de verantwoordelijke en desgevallend de opmerkingen van de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid. Ingeval van hoogdringendheid, kan de directeur deze beslissing nemen die onverwijld ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde.".
b) paragraaf 3 wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"In geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de beslissing tot plaatsing in principe herroepen.
De minister of zijn gemachtigde kan niettemin na het advies te hebben ingewonnen bij de directeur en mits specifieke motivatie beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te handhaven.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid.".
a) er wordt een paragraaf 2bis ingevoegd, luidende:
" § 2bis. Indien de voorwaarden van een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis niet worden nageleefd, of indien er in hoofde van de veroordeelde een tegenaanwijzing ontstaat die niet bestond op het moment van de beslissing tot plaatsing, kan de minister of zijn gemachtigde beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te herroepen.
De verantwoordelijke van het transitiehuis bezorgt aan de directeur die instaat voor het beheer en de opvolging van het detentiedossier van de veroordeelde, na deze gehoord te hebben, een verslag omtrent de niet-naleving van de voorwaarden of omtrent het ontstaan van een tegenaanwijzing.
De directeur bezorgt het verslag van de verantwoordelijke en desgevallend de opmerkingen van de veroordeelde aan de minister of zijn gemachtigde.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid. Ingeval van hoogdringendheid, kan de directeur deze beslissing nemen die onverwijld ter bekrachtiging moet worden voorgelegd aan de minister of zijn gemachtigde.".
b) paragraaf 3 wordt aangevuld met drie leden, luidende:
"In geval de veroordeelde niet meer aan de tijdsvoorwaarden voldoet voor een beslissing tot plaatsing in een transitiehuis, wordt de beslissing tot plaatsing in principe herroepen.
De minister of zijn gemachtigde kan niettemin na het advies te hebben ingewonnen bij de directeur en mits specifieke motivatie beslissen om:
1° de voorwaarden aan te passen;
2° de beslissing te handhaven.
In geval van herroeping van de beslissing tot plaatsing, wordt de veroordeelde terug overgebracht naar de gevangenis zoals bepaald in artikel 11, § 3, tweede lid.".
Art.76. Dans l'article 12 de la même loi modifié par la loi du 5 février 2016, les modifications suivantes sont apportées:
a) il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit:
" § 2bis. En cas de non-respect des conditions d'une décision de placement en maison de transition ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de la décision de placement, le ministre ou son délégué peut décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de révoquer la décision.
Le responsable de la maison de transition transmet au directeur chargé de la gestion et du suivi du dossier de détention du condamné, après l'avoir entendu, un rapport sur le non-respect des conditions ou l'apparition d'une contre-indication.
Le directeur transmet le rapport du responsable et, le cas échéant, les remarques du condamné au ministre ou son délégué.
En cas de de révocation de la décision de placement en maison de transition, le condamné est transféré dans la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2. En cas d'urgence, le directeur peut prendre cette décision qui doit être soumise sans délai au ministre ou son délégué pour approbation.".
b) Le paragraphe 3 est complété par trois alinéas, rédigés comme suit:
"Si le condamné ne remplit plus les conditions de temps pour une décision de placement dans une maison de transition, la décision de placement est en principe revoquée.
Le ministre ou son délégué peut néanmoins, après avoir récolté l'avis du directeur et sur la base d'une motivation spécifique, décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de maintenir la décision.
En cas de révocation de la décision de placement, le condamné est transféré vers la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2.".
a) il est inséré un paragraphe 2bis, rédigé comme suit:
" § 2bis. En cas de non-respect des conditions d'une décision de placement en maison de transition ou s'il apparaît dans le chef du condamné une contre-indication qui n'existait pas au moment de la décision de placement, le ministre ou son délégué peut décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de révoquer la décision.
Le responsable de la maison de transition transmet au directeur chargé de la gestion et du suivi du dossier de détention du condamné, après l'avoir entendu, un rapport sur le non-respect des conditions ou l'apparition d'une contre-indication.
Le directeur transmet le rapport du responsable et, le cas échéant, les remarques du condamné au ministre ou son délégué.
En cas de de révocation de la décision de placement en maison de transition, le condamné est transféré dans la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2. En cas d'urgence, le directeur peut prendre cette décision qui doit être soumise sans délai au ministre ou son délégué pour approbation.".
b) Le paragraphe 3 est complété par trois alinéas, rédigés comme suit:
"Si le condamné ne remplit plus les conditions de temps pour une décision de placement dans une maison de transition, la décision de placement est en principe revoquée.
Le ministre ou son délégué peut néanmoins, après avoir récolté l'avis du directeur et sur la base d'une motivation spécifique, décider:
1° d'adapter les conditions;
2° de maintenir la décision.
En cas de révocation de la décision de placement, le condamné est transféré vers la prison visée à l'article 11, § 3, alinéa 2.".
Art.77. In artikel 13, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 15 december 2013, worden de woorden " § 2," vervangen door de woorden " §§ 2 en 2bis".
Art.77. Dans l'article 13, alinéa 2, de la même loi, modifié par la loi du 15 décembre 2013, les mots " § 2," sont remplacés par les mots " §§ 2 et 2bis".
Art.78. In artikel 14 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 27 december 2006 en 15 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° in het tweede lid worden de woorden "uitgangsvergunning of het penitentiair verlof" vervangen door de woorden "uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis";
2° in het derde lid worden de woorden"of een plaatsing in een transitiehuis" ingevoegd tussen de woorden "een penitentiair verlof" en ", wordt het slachtoffer".
1° in het tweede lid worden de woorden "uitgangsvergunning of het penitentiair verlof" vervangen door de woorden "uitgaansvergunning, het penitentiair verlof of de plaatsing in het transitiehuis";
2° in het derde lid worden de woorden"of een plaatsing in een transitiehuis" ingevoegd tussen de woorden "een penitentiair verlof" en ", wordt het slachtoffer".
Art.78. A l'article 14 de la même loi, modifié par les lois des 27 décembre 2006 et 15 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées:
1° dans l'alinéa 2 les mots "permission de sortie ou le congé pénitentiaire" sont remplacés par les mots "permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement en maison de transition";
2° dans l'alinéa 3 les mots "ou un placement en maison de transition" sont insérés entre les mots "un congé pénitentiaire" et les mots ", la victime en est informée".
1° dans l'alinéa 2 les mots "permission de sortie ou le congé pénitentiaire" sont remplacés par les mots "permission de sortie, le congé pénitentiaire ou le placement en maison de transition";
2° dans l'alinéa 3 les mots "ou un placement en maison de transition" sont insérés entre les mots "un congé pénitentiaire" et les mots ", la victime en est informée".
Art.79. In het opschrift van hoofdstuk IVbis, ingevoegd bij de wet van 5 februari 2016, worden de woorden "II, III en IV" vervangen door de woorden "II, IIbis, III en IV".
Art.79. Dans l'intitulé du chapitre IVbis, inséré par la loi du 5 février 2016, les mots "II, II et IV" sont remplacés par les mots "II, IIbis, III et IV".
HOOFDSTUK 11. - Bekrachtiging van besluiten genomen met toepassing van art. 6, tweede lid, van de programmawet (II) van 27 december 2006 inzake gerechtskosten
CHAPITRE 11. - Confirmation d'arrêtés pris en application de l'art. 6, alinéa 2, de la loi-programme (II) du 27 décembre 2006 en matière de frais de justice
Art.80. Worden bekrachtigd met uitwerking op de datum van hun inwerkingtreding:
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 2015 tot vaststelling van het tarief voor prestaties van gerechtsdeurwaarders in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden;
2° het koninklijk besluit van 27 november 2015 houdende uitvoering van artikel 6 van de programmawet (II) van 27 december 2006 tot bepaling van de tarieven in strafzaken voor het deskundigenonderzoek in genetische analyse in opdracht van een gerechtelijke overheid;
3° het koninklijk besluit van 8 november 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking;
4° het koninklijk besluit van 22 december 2016 tot vaststelling van het tarief voor prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden.
1° het koninklijk besluit van 23 augustus 2015 tot vaststelling van het tarief voor prestaties van gerechtsdeurwaarders in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden;
2° het koninklijk besluit van 27 november 2015 houdende uitvoering van artikel 6 van de programmawet (II) van 27 december 2006 tot bepaling van de tarieven in strafzaken voor het deskundigenonderzoek in genetische analyse in opdracht van een gerechtelijke overheid;
3° het koninklijk besluit van 8 november 2016 tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 januari 2003 houdende modaliteiten voor de wettelijke medewerkingsplicht bij gerechtelijke vorderingen met betrekking tot elektronische communicatie, betreffende de tarieven voor de vergoeding van de medewerking;
4° het koninklijk besluit van 22 december 2016 tot vaststelling van het tarief voor prestaties van vertalers en tolken in strafzaken op vordering van de gerechtelijke overheden.
Art.80. Sont confirmés avec effet à la date de leur entrée en vigueur:
1° l'arrêté royal du 23 août 2015 fixant le tarif des prestations des huissiers de justice en matière répressive sur réquisition des autorités judiciaires;
2° l'arrêté royal du 27 novembre 2015 portant exécution de l'article 6 de la loi-programme (II) du 27 décembre 2006 fixant les tarifs pour les expertises en matière pénale pour l'analyse génétique requises par une autorité judiciaire;
3° l'arrêté royal du 8 novembre 2016 modifiant l'arrêté royal du 9 janvier 2003 déterminant les modalités de l'obligation de collaboration légale en cas de demandes judiciaires concernant les communications électroniques, relatif aux tarifs rétribuant la collaboration;
4° l'arrêté royal du 22 décembre 2016 fixant le tarif des prestations des traducteurs et interprètes en matière répressive sur réquisition des autorités judiciaires.
1° l'arrêté royal du 23 août 2015 fixant le tarif des prestations des huissiers de justice en matière répressive sur réquisition des autorités judiciaires;
2° l'arrêté royal du 27 novembre 2015 portant exécution de l'article 6 de la loi-programme (II) du 27 décembre 2006 fixant les tarifs pour les expertises en matière pénale pour l'analyse génétique requises par une autorité judiciaire;
3° l'arrêté royal du 8 novembre 2016 modifiant l'arrêté royal du 9 janvier 2003 déterminant les modalités de l'obligation de collaboration légale en cas de demandes judiciaires concernant les communications électroniques, relatif aux tarifs rétribuant la collaboration;
4° l'arrêté royal du 22 décembre 2016 fixant le tarif des prestations des traducteurs et interprètes en matière répressive sur réquisition des autorités judiciaires.
HOOFDSTUK 12. - Inwerkingtredingsbepaling
CHAPITRE 12. - Disposition d'entrée en vigueur
Art. 81. De bepalingen van hoofdstuk 2 treden in werking op de door de Koning te bepalen data en uiterlijk op 1 maart 2019.
Art. 81. Les dispositions du chapitre 2 entrent en vigueur aux dates à déterminer par le Roi et au plus tard le 1er mars 2019.