Artikel 1. Artikel 57 van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt vervangen als volgt:
"Art. 57. Voor de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, van dit artikel en van de artikelen 58 tot 60 dient verstaan te worden onder:
1° omgerekend bedrag: het resultaat bekomen na vermenigvuldiging van het bedrag van het in een andere regeling toegekende pensioen met het omgekeerde van de breuk die voor de berekening van het in die regeling toegekend pensioen van dezelfde aard in aanmerking genomen wordt.
Indien het pensioen in een andere regeling een pensioen betreft, bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, dan wordt de breuk, in voorkomend geval, beperkt tot de eenheid.
Indien het pensioen voor onvolledige prestaties wordt toegekend overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 206 van 29 augustus 1983 tot regeling van de berekening van het pensioen van de openbare sector voor diensten met onvolledige opdracht, dan wordt die breuk vastgesteld rekening houdend met de werkelijke duur van de diensten die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het pensioen;
2° forfaitair bedrag: het bedrag van 12.765,99 euro bedoeld in artikel 131ter, § 1, van de wet van 15 mei 1984. Dat bedrag wordt gekoppeld aan de spilindex 103,14 (basis 1996 =100) en aangepast aan de schommelingen van het indexcijfer der consumptieprijzen overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld;
3° breuk : de verhouding tussen de duur van de tijdvakken, het percentage of iedere andere maatstaf, behoudens het bedrag, die voor de vaststelling van het toegekend pensioen in aanmerking werd genomen, en het maximum van de duur, van het percentage of van iedere andere maatstaf op grond waarvan een volledig pensioen kan worden toegekend;
4° volledig pensioen: het pensioen dat, zonder dat rekening wordt gehouden met bijslagen, aanvullingen of prestaties van een andere aard dan het pensioen, het maximumbedrag bereikt dat kan worden toegekend in de categorie waartoe de gerechtigde behoort.
Wanneer het pensioen of het als zodanig geldend voordeel wordt toegekend in een regeling dat het begrip niet kent van maximumduur of -percentage of van maximum van een andere maatstaf, op basis waarvan een volledig pensioen kan worden toegekend, is de noemer van de breuk die in aanmerking genomen wordt voor de berekening van het pensioen in de andere regeling, bedoeld in artikel 60, § 1, gelijk aan de noemer van de breuk die de loopbaan uitdrukt in de regeling voor zelfstandigen.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
16 DECEMBER 2018. - Koninklijk besluit tot wijziging, wat de hervorming van het beginsel van eenheid van loopbaan in de pensioenregeling voor zelfstandigen betreft, van het koninklijk besluit van 22 december 1967 houdende algemeen reglement betreffende het rust-en overlevingspensioen der zelfstandigen
Titre
16 DECEMBRE 2018. - Arrêté royal modifiant, en ce qui concerne la réforme du principe de l'unité de carrière dans le régime de pensions des travailleurs indépendants, l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants
Informations sur le document
Numac: 2018015548
Datum: 2018-12-16
Info du document
Numac: 2018015548
Date: 2018-12-16
Tekst (7)
Texte (7)
Article 1er. L'article 57 de l'arrêté royal du 22 décembre 1967 portant règlement général relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, remplacé par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 57. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, du présent article et des articles 58 à 60, il faut entendre par:
1° montant converti: le résultat obtenu en multipliant le montant de la pension octroyée dans un autre régime par l'inverse de la fraction qui est prise en compte pour le calcul de la pension de même nature accordée dans cet autre régime.
Si la pension dans un autre régime concerne une pension visée à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, la fraction est, le cas échéant, limitée à l'unité.
Si la pension est accordée pour des prestations incomplètes conformément à l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes, cette fraction est fixée en tenant compte de la durée réelle des services pris en considération pour le calcul de la pension;
2° montant forfaitaire : le montant de 12.765,99 euros visé à l'article 131ter, § 1er, de la loi du 15 mai 1984. Ce montant est lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996=100) et adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants;
3° fraction : le rapport entre la durée des périodes, le pourcentage ou tout autre critère, à l'exclusion du montant, pris en considération pour la fixation de la pension accordée, et le maximum de la durée, du pourcentage ou de tout autre critère sur base duquel une pension complète peut être accordée;
4° pension complète : la pension qui, sans tenir compte d'allocations, suppléments ou prestations d'une nature autre que la pension, atteint le montant maximum qui peut être octroyé dans la catégorie à laquelle le bénéficiaire appartient.
Lorsque la pension ou l'avantage en tenant lieu est octroyé dans un régime qui ne connaît pas la notion du maximum de la durée, du pourcentage ou d'un autre critère sur base duquel une pension complète peut être accordée, le dénominateur de la fraction prise en considération pour le calcul de la pension dans l'autre régime, visée à l'article 60, § 1er, est égal au dénominateur de la fraction représentative de la carrière dans le régime des travailleurs indépendants.".
"Art. 57. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, du présent article et des articles 58 à 60, il faut entendre par:
1° montant converti: le résultat obtenu en multipliant le montant de la pension octroyée dans un autre régime par l'inverse de la fraction qui est prise en compte pour le calcul de la pension de même nature accordée dans cet autre régime.
Si la pension dans un autre régime concerne une pension visée à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, la fraction est, le cas échéant, limitée à l'unité.
Si la pension est accordée pour des prestations incomplètes conformément à l'arrêté royal n° 206 du 29 août 1983 réglant le calcul de la pension du secteur public pour les services à prestations incomplètes, cette fraction est fixée en tenant compte de la durée réelle des services pris en considération pour le calcul de la pension;
2° montant forfaitaire : le montant de 12.765,99 euros visé à l'article 131ter, § 1er, de la loi du 15 mai 1984. Ce montant est lié à l'indice-pivot 103,14 (base 1996=100) et adapté aux fluctuations de l'indice des prix à la consommation conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants;
3° fraction : le rapport entre la durée des périodes, le pourcentage ou tout autre critère, à l'exclusion du montant, pris en considération pour la fixation de la pension accordée, et le maximum de la durée, du pourcentage ou de tout autre critère sur base duquel une pension complète peut être accordée;
4° pension complète : la pension qui, sans tenir compte d'allocations, suppléments ou prestations d'une nature autre que la pension, atteint le montant maximum qui peut être octroyé dans la catégorie à laquelle le bénéficiaire appartient.
Lorsque la pension ou l'avantage en tenant lieu est octroyé dans un régime qui ne connaît pas la notion du maximum de la durée, du pourcentage ou d'un autre critère sur base duquel une pension complète peut être accordée, le dénominateur de la fraction prise en considération pour le calcul de la pension dans l'autre régime, visée à l'article 60, § 1er, est égal au dénominateur de la fraction représentative de la carrière dans le régime des travailleurs indépendants.".
Art.2. Artikel 58 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 september 1984, wordt vervangen als volgt :
"Art. 58. § 1. Voor de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 en van de artikelen 4, § 4, 6, § 5, 7, § 3, 7bis, § 1 en 9, § 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, dient verstaan te worden onder "voltijdse dagequivalenten als zelfstandige" de dagen vervat in elke periode van beroepsbezigheid als zelfstandige en elke periode van non-activiteit die door de Koning daarmee wordt gelijkgesteld, die het recht op een pensioen als zelfstandige kunnen openen.
Elk jaar en elk kwartaal dat het recht op pensioen kan openen, wordt geacht respectievelijk 312 en 78 voltijdse dagequivalenten als zelfstandige te omvatten.
Bij overschrijding van de eenheid, mag het aantal te verminderen voltijdse dagequivalenten 1.560 voltijdse dagequivalenten niet overschrijden.
Onder "pensioen" dient verstaan te worden: rustpensioen, overlevingspensioen, overgangsuitkering en pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot.
§ 2. Onder "voltijdse dagequivalenten in de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers" dient verstaan te worden deze die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het pensioen in die regeling.
Er wordt rekening gehouden:
1° met het aantal gepresteerde en gelijkgestelde voltijdse dagequivalenten met betrekking tot het jaar van de beroepsloopbaan van de gewezen echtgenoot die recht geven op het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot als werknemer, wanneer de betrokkene geen aanspraak kan maken op een rustpensioen als werknemer voor datzelfde jaar;
2° met het hoogste aantal gepresteerde en gelijkgestelde voltijdse dagequivalenten met betrekking tot ofwel het jaar van de beroepsloopbaan van de gewezen echtgenoot ofwel het jaar van de beroepsloopbaan van de gerechtigde, wanneer deze laatste aanspraak kan maken op een rustpensioen als werknemer en op een pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot als werknemer voor hetzelfde jaar.
§ 3. Onder "voltijdse dagequivalenten in een andere regeling dan de regeling voor zelfstandigen of deze bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967" dient verstaan te worden de dagen die de vatbare diensten bevatten, die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het pensioen in een andere regeling en die omgerekend worden in een voltijdse arbeidsregeling.
Elk jaar, elke maand of elke week die het recht op pensioen opent, wordt geacht respectievelijk 312, 26 of 6 voltijdse dagequivalenten te omvatten.
Wanneer het pensioen vastgesteld wordt op grond van een loopbaan die uitgedrukt wordt in kalenderdagen, dan moet het totaal van deze kalenderdagen vermenigvuldigd worden met 6 en gedeeld door 7.
§ 4. Onder "voltijdse dagequivalenten in een buitenlandse regeling" dient verstaan te worden de dagen die in aanmerking genomen worden voor de vaststelling van een pensioen krachtens een buitenlandse regeling die niet onder het toepassingsgebied valt van Europese verordeningen inzake sociale zekerheid of van een bilaterale overeenkomst van sociale zekerheid die voorziet in de samentelling van verzekeringstijdvakken die geregistreerd werden in de ondertekenende landen en in de toekenning van een nationaal pensioen ten laste van ieder van die landen, pro rata de verzekeringstijdvakken geregistreerd door ieder van hen of krachtens een regeling die van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
Elk jaar, elke maand of elke week die het recht op pensioen opent, wordt geacht respectievelijk 312, 26 of 6 voltijdse dagequivalenten te omvatten.
Wanneer het pensioen in één of meerdere vreemde landen vastgesteld wordt op grond van een loopbaan die uitgedrukt wordt in kalenderdagen, dan moet het totaal van deze kalenderdagen vermenigvuldigd worden met 6 en gedeeld door 7."
§ 5. Voor de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, dient verstaan te worden onder "voltijdse dagequivalenten in een andere regeling" de "voltijdse dagequivalenten in de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers", de "voltijdse dagequivalenten in een andere regeling dan de regeling voor zelfstandigen of deze bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967" en de "voltijdse dagequivalenten in een buitenlandse regeling", zoals gedefinieerd in paragraaf 2 tot 4. .
"Art. 58. § 1. Voor de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72 en van de artikelen 4, § 4, 6, § 5, 7, § 3, 7bis, § 1 en 9, § 5 van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, dient verstaan te worden onder "voltijdse dagequivalenten als zelfstandige" de dagen vervat in elke periode van beroepsbezigheid als zelfstandige en elke periode van non-activiteit die door de Koning daarmee wordt gelijkgesteld, die het recht op een pensioen als zelfstandige kunnen openen.
Elk jaar en elk kwartaal dat het recht op pensioen kan openen, wordt geacht respectievelijk 312 en 78 voltijdse dagequivalenten als zelfstandige te omvatten.
Bij overschrijding van de eenheid, mag het aantal te verminderen voltijdse dagequivalenten 1.560 voltijdse dagequivalenten niet overschrijden.
Onder "pensioen" dient verstaan te worden: rustpensioen, overlevingspensioen, overgangsuitkering en pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot.
§ 2. Onder "voltijdse dagequivalenten in de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers" dient verstaan te worden deze die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het pensioen in die regeling.
Er wordt rekening gehouden:
1° met het aantal gepresteerde en gelijkgestelde voltijdse dagequivalenten met betrekking tot het jaar van de beroepsloopbaan van de gewezen echtgenoot die recht geven op het pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot als werknemer, wanneer de betrokkene geen aanspraak kan maken op een rustpensioen als werknemer voor datzelfde jaar;
2° met het hoogste aantal gepresteerde en gelijkgestelde voltijdse dagequivalenten met betrekking tot ofwel het jaar van de beroepsloopbaan van de gewezen echtgenoot ofwel het jaar van de beroepsloopbaan van de gerechtigde, wanneer deze laatste aanspraak kan maken op een rustpensioen als werknemer en op een pensioen van uit de echt gescheiden echtgenoot als werknemer voor hetzelfde jaar.
§ 3. Onder "voltijdse dagequivalenten in een andere regeling dan de regeling voor zelfstandigen of deze bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967" dient verstaan te worden de dagen die de vatbare diensten bevatten, die in aanmerking genomen worden voor de berekening van het pensioen in een andere regeling en die omgerekend worden in een voltijdse arbeidsregeling.
Elk jaar, elke maand of elke week die het recht op pensioen opent, wordt geacht respectievelijk 312, 26 of 6 voltijdse dagequivalenten te omvatten.
Wanneer het pensioen vastgesteld wordt op grond van een loopbaan die uitgedrukt wordt in kalenderdagen, dan moet het totaal van deze kalenderdagen vermenigvuldigd worden met 6 en gedeeld door 7.
§ 4. Onder "voltijdse dagequivalenten in een buitenlandse regeling" dient verstaan te worden de dagen die in aanmerking genomen worden voor de vaststelling van een pensioen krachtens een buitenlandse regeling die niet onder het toepassingsgebied valt van Europese verordeningen inzake sociale zekerheid of van een bilaterale overeenkomst van sociale zekerheid die voorziet in de samentelling van verzekeringstijdvakken die geregistreerd werden in de ondertekenende landen en in de toekenning van een nationaal pensioen ten laste van ieder van die landen, pro rata de verzekeringstijdvakken geregistreerd door ieder van hen of krachtens een regeling die van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling.
Elk jaar, elke maand of elke week die het recht op pensioen opent, wordt geacht respectievelijk 312, 26 of 6 voltijdse dagequivalenten te omvatten.
Wanneer het pensioen in één of meerdere vreemde landen vastgesteld wordt op grond van een loopbaan die uitgedrukt wordt in kalenderdagen, dan moet het totaal van deze kalenderdagen vermenigvuldigd worden met 6 en gedeeld door 7."
§ 5. Voor de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, dient verstaan te worden onder "voltijdse dagequivalenten in een andere regeling" de "voltijdse dagequivalenten in de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers", de "voltijdse dagequivalenten in een andere regeling dan de regeling voor zelfstandigen of deze bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967" en de "voltijdse dagequivalenten in een buitenlandse regeling", zoals gedefinieerd in paragraaf 2 tot 4. .
Art.2. L'article 58 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 septembre 1984, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 58. § 1er. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 et des articles 4, § 4, 6, § 5, 7, § 3, 7bis, § 1er, et 9, § 5, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, il faut entendre par "jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant" les jours que comportent toute période d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant et toute période d'inactivité que le Roi y assimile susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de travailleur indépendant.
Toute année et tout trimestre susceptible d'ouvrir le droit à la pension est censé comprendre respectivement 312 et 78 jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant.
En cas de dépassement de l'unité, le nombre de jours équivalents temps plein à réduire ne peut pas dépasser 1.560 jours équivalents temps plein.
Par "pension" on entend : pension de retraite, pension de survie, allocation de transition et pension de conjoint divorcé.
§ 2. Par " jours équivalents temps plein dans le régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés " il faut entendre les jours qui sont pris en considération pour le calcul de la pension dans ce régime.
Il est tenu compte :
1° du nombre de jours équivalents temps plein prestés et assimilés afférents à l'année de carrière professionnelle de l'ex-conjoint qui donnent droit à la pension de conjoint divorcé de travailleur salarié, lorsque l'intéressé ne peut pas prétendre à une pension de retraite de travailleur salarié pour cette même année;
2° du nombre le plus élevé de jours équivalents temps plein prestés et assimilés afférents soit à l'année de carrière professionnelle de l'ex-conjoint, soit à l'année de carrière professionnelle de l'intéressé, lorsque ce dernier peut prétendre à la fois à une pension de retraite de travailleur salarié et à une pension de conjoint divorcé de travailleur salarié pour la même année.
§ 3. Par "jours équivalents temps plein dans un autre régime que le régime des travailleurs indépendants ou celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967" il faut entendre les jours que comportent les services admissibles pris en considération pour le calcul de la pension dans un autre régime et qui sont convertis en un régime de travail à temps plein.
Toute année, mois ou semaine qui ouvre le droit à la pension est censé comprendre respectivement 312, 26 ou 6 jours équivalents temps plein.
Lorsque la pension est établie sur base d'une carrière exprimée en jours calendrier, le total de ces jours calendrier doit être multiplié par 6 et divisé par 7.
§ 4. Par "jours équivalents temps plein dans un régime étranger", il faut entendre les jours qui sont pris en considération pour la détermination d'une pension en vertu d'un régime étranger qui ne relève pas du champ d'application des Règlements européens de sécurité sociale ou d'une convention bilatérale de sécurité sociale qui prévoit la totalisation des périodes d'assurances enregistrées dans les pays signataires et l'octroi d'une pension nationale à charge de chacun de ces pays, au prorata des périodes d'assurances enregistrées dans chacun d'entre eux, ou en vertu d'un régime qui est d'application au personnel d'une institution de droit international public.
Toute année, mois ou semaine qui ouvre le droit à la pension est censé comprendre respectivement 312, 26 ou 6 jours équivalents temps plein.
Lorsque la pension dans un ou plusieurs pays étrangers est établie sur base d'une carrière exprimée en jours calendrier, le total de ces jours calendrier doit être multiplié par 6 et divisé par 7."
§ 5. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, il faut entendre par " jours équivalents temps plein dans un autre régime", les "jours équivalents temps plein dans le régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés", les "jours équivalents temps plein dans un autre régime que le régime des travailleurs indépendants ou celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967" et les "jours équivalents temps plein dans un régime étranger", tels que définis aux paragraphes 2 à 4. .
"Art. 58. § 1er. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72 et des articles 4, § 4, 6, § 5, 7, § 3, 7bis, § 1er, et 9, § 5, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, il faut entendre par "jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant" les jours que comportent toute période d'activité professionnelle en qualité de travailleur indépendant et toute période d'inactivité que le Roi y assimile susceptibles d'ouvrir le droit à la pension de travailleur indépendant.
Toute année et tout trimestre susceptible d'ouvrir le droit à la pension est censé comprendre respectivement 312 et 78 jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant.
En cas de dépassement de l'unité, le nombre de jours équivalents temps plein à réduire ne peut pas dépasser 1.560 jours équivalents temps plein.
Par "pension" on entend : pension de retraite, pension de survie, allocation de transition et pension de conjoint divorcé.
§ 2. Par " jours équivalents temps plein dans le régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés " il faut entendre les jours qui sont pris en considération pour le calcul de la pension dans ce régime.
Il est tenu compte :
1° du nombre de jours équivalents temps plein prestés et assimilés afférents à l'année de carrière professionnelle de l'ex-conjoint qui donnent droit à la pension de conjoint divorcé de travailleur salarié, lorsque l'intéressé ne peut pas prétendre à une pension de retraite de travailleur salarié pour cette même année;
2° du nombre le plus élevé de jours équivalents temps plein prestés et assimilés afférents soit à l'année de carrière professionnelle de l'ex-conjoint, soit à l'année de carrière professionnelle de l'intéressé, lorsque ce dernier peut prétendre à la fois à une pension de retraite de travailleur salarié et à une pension de conjoint divorcé de travailleur salarié pour la même année.
§ 3. Par "jours équivalents temps plein dans un autre régime que le régime des travailleurs indépendants ou celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967" il faut entendre les jours que comportent les services admissibles pris en considération pour le calcul de la pension dans un autre régime et qui sont convertis en un régime de travail à temps plein.
Toute année, mois ou semaine qui ouvre le droit à la pension est censé comprendre respectivement 312, 26 ou 6 jours équivalents temps plein.
Lorsque la pension est établie sur base d'une carrière exprimée en jours calendrier, le total de ces jours calendrier doit être multiplié par 6 et divisé par 7.
§ 4. Par "jours équivalents temps plein dans un régime étranger", il faut entendre les jours qui sont pris en considération pour la détermination d'une pension en vertu d'un régime étranger qui ne relève pas du champ d'application des Règlements européens de sécurité sociale ou d'une convention bilatérale de sécurité sociale qui prévoit la totalisation des périodes d'assurances enregistrées dans les pays signataires et l'octroi d'une pension nationale à charge de chacun de ces pays, au prorata des périodes d'assurances enregistrées dans chacun d'entre eux, ou en vertu d'un régime qui est d'application au personnel d'une institution de droit international public.
Toute année, mois ou semaine qui ouvre le droit à la pension est censé comprendre respectivement 312, 26 ou 6 jours équivalents temps plein.
Lorsque la pension dans un ou plusieurs pays étrangers est établie sur base d'une carrière exprimée en jours calendrier, le total de ces jours calendrier doit être multiplié par 6 et divisé par 7."
§ 5. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, il faut entendre par " jours équivalents temps plein dans un autre régime", les "jours équivalents temps plein dans le régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés", les "jours équivalents temps plein dans un autre régime que le régime des travailleurs indépendants ou celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967" et les "jours équivalents temps plein dans un régime étranger", tels que définis aux paragraphes 2 à 4. .
Art.3. Artikel 59 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 20 september 1984 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 april 1985, wordt vervangen als volgt:
"Art. 59. Voor de vaststelling van het aantal voltijdse dagequivalenten, bedoeld in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, die krachtens een of meerdere andere regelingen in aanmerking genomen worden:
1° wordt, wat de Belgische pensioenen betreft, slechts met de enkelvoudige tijdvakken rekening gehouden indien, voor de berekening van het pensioen, deze tijdvakken om vaderlandslievende redenen dubbel of driedubbel werden geteld;
2° wordt geen rekening gehouden met de tijdvakken die voor de berekening van het pensioen in een andere regeling dan deze voor werknemers aanneembaar zijn, wanneer het voor die tijdvakken toegekend pensioen verminderd werd op grond van het pensioen als werknemer, het pensioen als zelfstandige of aanleiding geeft tot subrogatie van de andere regeling in de rechten op het pensioen als werknemer;
3° wordt geen rekening gehouden met de periodes vóór 1 juli 1974 gelegen, die in aanmerking wordt genomen om de rechten vast te stellen in de pensioenregeling van de instellingen beoogd in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 8 februari 1978 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1967 houdende vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
4° wordt geen rekening gehouden met de periodes gelegen tussen 30 juni 1974 en 1 januari 1984 die aanleiding geven tot de toekenning van een pensioen ten laste van de instellingen beoogd in sub 3°, wanneer diezelfde periodes in aanmerking kunnen worden genomen voor de vaststelling van het recht op pensioen in de regeling voor werknemers ingevolge vrijwillige stortingen die zijn verricht met toepassing van artikel 3, § 1, van het voornoemd koninklijk besluit van 8 februari 1978.".
"Art. 59. Voor de vaststelling van het aantal voltijdse dagequivalenten, bedoeld in artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, die krachtens een of meerdere andere regelingen in aanmerking genomen worden:
1° wordt, wat de Belgische pensioenen betreft, slechts met de enkelvoudige tijdvakken rekening gehouden indien, voor de berekening van het pensioen, deze tijdvakken om vaderlandslievende redenen dubbel of driedubbel werden geteld;
2° wordt geen rekening gehouden met de tijdvakken die voor de berekening van het pensioen in een andere regeling dan deze voor werknemers aanneembaar zijn, wanneer het voor die tijdvakken toegekend pensioen verminderd werd op grond van het pensioen als werknemer, het pensioen als zelfstandige of aanleiding geeft tot subrogatie van de andere regeling in de rechten op het pensioen als werknemer;
3° wordt geen rekening gehouden met de periodes vóór 1 juli 1974 gelegen, die in aanmerking wordt genomen om de rechten vast te stellen in de pensioenregeling van de instellingen beoogd in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 8 februari 1978 tot wijziging van het koninklijk besluit van 21 december 1967 houdende vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers;
4° wordt geen rekening gehouden met de periodes gelegen tussen 30 juni 1974 en 1 januari 1984 die aanleiding geven tot de toekenning van een pensioen ten laste van de instellingen beoogd in sub 3°, wanneer diezelfde periodes in aanmerking kunnen worden genomen voor de vaststelling van het recht op pensioen in de regeling voor werknemers ingevolge vrijwillige stortingen die zijn verricht met toepassing van artikel 3, § 1, van het voornoemd koninklijk besluit van 8 februari 1978.".
Art.3. L'article 59 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 20 septembre 1984 et modifié par l'arrêté royal du 15 avril 1985, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 59. Pour la fixation du nombre de jours équivalents temps plein, visés à l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, qui sont pris en considération dans un ou plusieurs autres régimes :
1° il n'est tenu compte, en ce qui concerne les pensions belges, que des périodes simples si, pour le calcul de la pension, ces périodes ont été comptées doubles ou triples pour des raisons patriotiques;
2° il n'est pas tenu compte des périodes admissibles pour le calcul de la pension dans un régime autre que celui des travailleurs salariés, lorsque la pension accordée pour ces périodes est réduite en fonction de la pension de travailleur salarié, de la pension de travailleur indépendant ou donne lieu à subrogation de l'autre régime dans les droits à la pension de travailleur salarié;
3° il n'est pas tenu compte des périodes antérieures au 1er juillet 1974, prises en considération pour déterminer les droits dans le régime de pension des organisations visées à l'article 3, § 2, de l'arrêté royal du 8 février 1978 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
4° il n'est pas tenu compte des périodes, situées entre le 30 juin 1974 et le 1er janvier 1984, donnant lieu à l'octroi d'une pension à charge des organisations visées au 3°, lorsque ces mêmes périodes peuvent être prises en considération pour déterminer le droit à la pension dans le régime des travailleurs salariés à la suite de versements volontaires effectués en application de l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 8 février 1978 précité.".
"Art. 59. Pour la fixation du nombre de jours équivalents temps plein, visés à l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, qui sont pris en considération dans un ou plusieurs autres régimes :
1° il n'est tenu compte, en ce qui concerne les pensions belges, que des périodes simples si, pour le calcul de la pension, ces périodes ont été comptées doubles ou triples pour des raisons patriotiques;
2° il n'est pas tenu compte des périodes admissibles pour le calcul de la pension dans un régime autre que celui des travailleurs salariés, lorsque la pension accordée pour ces périodes est réduite en fonction de la pension de travailleur salarié, de la pension de travailleur indépendant ou donne lieu à subrogation de l'autre régime dans les droits à la pension de travailleur salarié;
3° il n'est pas tenu compte des périodes antérieures au 1er juillet 1974, prises en considération pour déterminer les droits dans le régime de pension des organisations visées à l'article 3, § 2, de l'arrêté royal du 8 février 1978 modifiant l'arrêté royal du 21 décembre 1967 portant règlement général du régime de pension de retraite et de survie des travailleurs salariés;
4° il n'est pas tenu compte des périodes, situées entre le 30 juin 1974 et le 1er janvier 1984, donnant lieu à l'octroi d'une pension à charge des organisations visées au 3°, lorsque ces mêmes périodes peuvent être prises en considération pour déterminer le droit à la pension dans le régime des travailleurs salariés à la suite de versements volontaires effectués en application de l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 8 février 1978 précité.".
Art.4. Artikel 60 van hetzelfde besluit, laatstelijk gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 juli 1993, wordt vervangen als volgt :
" Art. 60. § 1. Voor de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, worden de voltijdse dagequivalenten in een andere regeling dan de regeling voor zelfstandigen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de noemer van de breuk die in aanmerking genomen wordt voor de berekening van het pensioen als zelfstandige, zoals vastgesteld, naargelang het geval, in artikel 4, § 2, of in artikel 7, § 2, of § 3, eerste lid, of in artikel 7bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, en de noemer van de breuk van het andere stelsel.
Wanneer de vermenigvuldiging bedoeld in het vorige lid niet leidt tot een geheel aantal voltijdse dagequivalenten, dan moet het resultaat afgerond worden tot de hogere eenheid indien de eerste decimaal ten minste 5 is; in het andere geval wordt de eerste decimaal verwaarloosd.
§ 2. Wanneer de betrokkene aanspraak kan maken op een pensioen als zelfstandige en op een pensioen krachtens de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, of op een pensioen als zelfstandige en op een pensioen of een als dusdanig geldend voordeel krachtens een andere regeling in de zin van artikel 19, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 72 dan die bedoeld in het vermeld koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, dan worden de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige samengeteld met de voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 58, §§ 2 tot 4.
Als het aldus bekomen resultaat 14.040 voltijdse dagequivalenten overschrijdt, bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72 of het aantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, naargelang het geval, dan worden de boventallige voltijdse dagequivalenten in mindering gebracht op het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72.
De in het vorige lid bedoelde vermindering mag echter niet groter zijn dan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat dat bekomen wordt door het verschil tussen het omgerekend bedrag en het forfaitair bedrag te delen door 10 pct. van het forfaitair bedrag en dat quotiënt te vermenigvuldigen met 104.
Het pensioen of het als dusdanig geldend voordeel krachtens een andere regeling, in de zin van artikel 19, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 72, waarvan het omgerekend bedrag kleiner is dan het forfaitair bedrag, wordt niet in aanmerking genomen.
§ 3. Wanneer de betrokkene aanspraak kan maken op een pensioen als zelfstandige, op een pensioen krachtens de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en op een pensioen of een als dusdanig geldend voordeel krachtens een of meerdere andere regelingen in de zin van artikel 19, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 72, dan die bedoeld in het vermeld koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, dan worden
1° de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige eerst samengeteld met de voltijdse dagequivalenten, bedoeld in artikel 58, § 2, en, in voorkomend geval, met de voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 58, § 4.
Als het aldus bekomen resultaat 14.040 voltijdse dagequivalenten overschrijdt, bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72 of het aantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, naargelang het geval, dan worden de boventallige voltijdse dagequivalenten in mindering gebracht op het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72.
De in het vorige lid bedoelde vermindering mag echter niet groter zijn dan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat dat bekomen wordt door het verschil tussen het omgerekend bedrag of de som van de omgerekende bedragen en het forfaitair bedrag te delen door 10 pct. van het forfaitair bedrag en dat quotiënt te vermenigvuldigen met 104.
De pensioenen of de als dusdanig geldende voordelen, waarvan de omgerekende bedragen kleiner zijn dan het forfaitair bedrag, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 19, § 1, eerste of tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, behoudens wanneer de som van die omgerekende bedragen, gelijk is aan of groter is dan het forfaitair bedrag;
2° vervolgens worden de, in voorkomend geval, in toepassing van deze paragraaf, 1°, verminderde voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, samengeteld met de voltijdse dagequivalenten, bedoeld in artikel 58, § 2, § 3 en, desgevallend, § 4.
Als het aldus bekomen resultaat 14.040 voltijdse dagequivalenten overschrijdt, bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72 of het aantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, naargelang het geval, worden de boventallige voltijdse dagequivalenten in mindering gebracht op het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72.
De in het vorige lid bedoelde vermindering mag echter niet groter zijn dan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat dat bekomen wordt door het verschil tussen het omgerekend bedrag of de som van de omgerekende bedragen en het forfaitair bedrag te delen door 10 pct. van het forfaitair bedrag en dat quotiënt te vermenigvuldigen met 104.
De pensioenen of de als dusdanig geldende voordelen, waarvan de omgerekende bedragen kleiner zijn dan het forfaitair bedrag, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 19, § 1, eerste of tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, behoudens wanneer de som van die omgerekende bedragen gelijk is aan of groter is dan het forfaitair bedrag.
§ 4. Het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat in toepassing van de paragrafen 2 of 3 in mindering moeten gebracht worden, stemt overeen met het laagste aantal voltijdse dagequivalenten, hetzij krachtens § 2, tweede of derde lid, hetzij krachtens § 3, 1° en 2°.
Dat aantal, vermeerderd met het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten in toepassing van artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, kan echter niet:
1° 1.560 voltijdse dagequivalenten overschrijden, voor de toepassing van artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72;
2° het aantal dat bekomen wordt door een derde van de noemer van de breuk als zelfstandige, bedoeld in, hetzij artikel 7, § 2, of § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, hetzij artikel 7bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, uitgedrukt in jaren, te vermenigvuldigen met 104, voor de toepassing van artikel 19, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72. Het resultaat wordt afgerond tot de hogere eenheid indien de eerste decimaal ten minste 5 is; in het andere geval wordt de eerste decimaal verwaarloosd.
Als de voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 58, § 2, verminderd werden in toepassing van artikel 10bis, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, dan wordt het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat in mindering moet gebracht worden in toepassing van de vorige leden verminderd met een getal dat gelijk is aan het in mindering gebracht aantal dagen van het aantal voltijdse dagequivalenten als werknemer.
§ 5. De vermindering van de beroeps-loopbaan betreft bij voorrang de voltijdse dagequivalenten die recht openen op het minst voordelige pensioen. Die dagen worden als volgt bepaald:
1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen dat per dag berekend wordt, het minst voordelig is;
3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2° lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.".
" Art. 60. § 1. Voor de toepassing van artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, worden de voltijdse dagequivalenten in een andere regeling dan de regeling voor zelfstandigen vermenigvuldigd met de verhouding tussen de noemer van de breuk die in aanmerking genomen wordt voor de berekening van het pensioen als zelfstandige, zoals vastgesteld, naargelang het geval, in artikel 4, § 2, of in artikel 7, § 2, of § 3, eerste lid, of in artikel 7bis, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, en de noemer van de breuk van het andere stelsel.
Wanneer de vermenigvuldiging bedoeld in het vorige lid niet leidt tot een geheel aantal voltijdse dagequivalenten, dan moet het resultaat afgerond worden tot de hogere eenheid indien de eerste decimaal ten minste 5 is; in het andere geval wordt de eerste decimaal verwaarloosd.
§ 2. Wanneer de betrokkene aanspraak kan maken op een pensioen als zelfstandige en op een pensioen krachtens de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, of op een pensioen als zelfstandige en op een pensioen of een als dusdanig geldend voordeel krachtens een andere regeling in de zin van artikel 19, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 72 dan die bedoeld in het vermeld koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, dan worden de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige samengeteld met de voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 58, §§ 2 tot 4.
Als het aldus bekomen resultaat 14.040 voltijdse dagequivalenten overschrijdt, bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72 of het aantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, naargelang het geval, dan worden de boventallige voltijdse dagequivalenten in mindering gebracht op het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72.
De in het vorige lid bedoelde vermindering mag echter niet groter zijn dan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat dat bekomen wordt door het verschil tussen het omgerekend bedrag en het forfaitair bedrag te delen door 10 pct. van het forfaitair bedrag en dat quotiënt te vermenigvuldigen met 104.
Het pensioen of het als dusdanig geldend voordeel krachtens een andere regeling, in de zin van artikel 19, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 72, waarvan het omgerekend bedrag kleiner is dan het forfaitair bedrag, wordt niet in aanmerking genomen.
§ 3. Wanneer de betrokkene aanspraak kan maken op een pensioen als zelfstandige, op een pensioen krachtens de regeling bedoeld in het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en op een pensioen of een als dusdanig geldend voordeel krachtens een of meerdere andere regelingen in de zin van artikel 19, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 72, dan die bedoeld in het vermeld koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967, dan worden
1° de voltijdse dagequivalenten als zelfstandige eerst samengeteld met de voltijdse dagequivalenten, bedoeld in artikel 58, § 2, en, in voorkomend geval, met de voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 58, § 4.
Als het aldus bekomen resultaat 14.040 voltijdse dagequivalenten overschrijdt, bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72 of het aantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, naargelang het geval, dan worden de boventallige voltijdse dagequivalenten in mindering gebracht op het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72.
De in het vorige lid bedoelde vermindering mag echter niet groter zijn dan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat dat bekomen wordt door het verschil tussen het omgerekend bedrag of de som van de omgerekende bedragen en het forfaitair bedrag te delen door 10 pct. van het forfaitair bedrag en dat quotiënt te vermenigvuldigen met 104.
De pensioenen of de als dusdanig geldende voordelen, waarvan de omgerekende bedragen kleiner zijn dan het forfaitair bedrag, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 19, § 1, eerste of tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, behoudens wanneer de som van die omgerekende bedragen, gelijk is aan of groter is dan het forfaitair bedrag;
2° vervolgens worden de, in voorkomend geval, in toepassing van deze paragraaf, 1°, verminderde voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, samengeteld met de voltijdse dagequivalenten, bedoeld in artikel 58, § 2, § 3 en, desgevallend, § 4.
Als het aldus bekomen resultaat 14.040 voltijdse dagequivalenten overschrijdt, bedoeld in artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72 of het aantal voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 19, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, naargelang het geval, worden de boventallige voltijdse dagequivalenten in mindering gebracht op het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige, onverminderd de bepalingen van artikel 19, § 2, van het koninklijk besluit nr. 72.
De in het vorige lid bedoelde vermindering mag echter niet groter zijn dan het tot de hogere eenheid afgerond resultaat dat bekomen wordt door het verschil tussen het omgerekend bedrag of de som van de omgerekende bedragen en het forfaitair bedrag te delen door 10 pct. van het forfaitair bedrag en dat quotiënt te vermenigvuldigen met 104.
De pensioenen of de als dusdanig geldende voordelen, waarvan de omgerekende bedragen kleiner zijn dan het forfaitair bedrag, worden niet in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 19, § 1, eerste of tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72, behoudens wanneer de som van die omgerekende bedragen gelijk is aan of groter is dan het forfaitair bedrag.
§ 4. Het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat in toepassing van de paragrafen 2 of 3 in mindering moeten gebracht worden, stemt overeen met het laagste aantal voltijdse dagequivalenten, hetzij krachtens § 2, tweede of derde lid, hetzij krachtens § 3, 1° en 2°.
Dat aantal, vermeerderd met het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten in toepassing van artikel 6, § 5, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, kan echter niet:
1° 1.560 voltijdse dagequivalenten overschrijden, voor de toepassing van artikel 19, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 72;
2° het aantal dat bekomen wordt door een derde van de noemer van de breuk als zelfstandige, bedoeld in, hetzij artikel 7, § 2, of § 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, hetzij artikel 7bis, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, uitgedrukt in jaren, te vermenigvuldigen met 104, voor de toepassing van artikel 19, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 72. Het resultaat wordt afgerond tot de hogere eenheid indien de eerste decimaal ten minste 5 is; in het andere geval wordt de eerste decimaal verwaarloosd.
Als de voltijdse dagequivalenten bedoeld in artikel 58, § 2, verminderd werden in toepassing van artikel 10bis, van het koninklijk besluit nr. 50 van 24 oktober 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers, dan wordt het aantal voltijdse dagequivalenten als zelfstandige dat in mindering moet gebracht worden in toepassing van de vorige leden verminderd met een getal dat gelijk is aan het in mindering gebracht aantal dagen van het aantal voltijdse dagequivalenten als werknemer.
§ 5. De vermindering van de beroeps-loopbaan betreft bij voorrang de voltijdse dagequivalenten die recht openen op het minst voordelige pensioen. Die dagen worden als volgt bepaald:
1° het pensioen verleend voor elk kalenderjaar wordt gedeeld door het aantal voltijdse dagequivalenten die in aanmerking genomen worden voor het desbetreffende jaar om hun aandeel in het pensioen te bepalen;
2° het aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel worden verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen dat per dag berekend wordt, het minst voordelig is;
3° wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten van het kalenderjaar bedoeld in de bepaling onder 2° lager is dan het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten, wordt het overblijvend aantal te verwijderen voltijdse dagequivalenten en hun overeenstemmend pensioenaandeel verwijderd uit het kalenderjaar waarvan het aandeel in het pensioen vervolgens het minst voordelig is;
4° er wordt één voor één beroep gedaan op de kalenderjaren waarvan het aandeel in het pensioen het minst voordelig wordt voor zover het aantal in mindering te brengen voltijdse dagequivalenten van de beroepsloopbaan niet bereikt is.".
Art.4. L'article 60 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 16 juillet 1993, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 60. § 1er. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, les jours équivalents temps plein dans un autre régime que le régime indépendant sont multipliés par le rapport entre le dénominateur de la fraction prise en considération pour le calcul de la pension de travailleur indépendant, tel que fixé, selon le cas, à l'article 4, § 2 ou à l'article 7, § 2 ou § 3, alinéa 1er, ou à l'article 7bis, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, et le dénominateur de la fraction de l'autre régime.
Lorsque la multiplication visée à l'alinéa précédent n'aboutit pas à un nombre entier de jours équivalents temps plein, le résultat est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins cinq ; dans le cas contraire, la première décimale est négligée.
§ 2. Lorsque l'intéressé peut prétendre à une pension de travailleur indépendant et à une pension en vertu du régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, ou à une pension de travailleur indépendant et à une pension ou un avantage en tenant lieu en vertu d'un autre régime au sens de l'article 19, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 72, autre que celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 précité, le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant est additionné aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, §§ 2 à 4.
Si le résultat ainsi obtenu dépasse 14.040 jours équivalents temps plein, visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72, ou le nombre de jours équivalents temps plein visé à l'article 19, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, selon le cas, les jours équivalents temps plein excédentaires sont déduits du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 2, de l'arrêté royal n° 72.
La diminution visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas être plus grande que le résultat arrondi à l'unité supérieure, obtenu en divisant la différence entre le montant converti et le montant forfaitaire, par un montant égal à 10 p.c. du montant forfaitaire et en multipliant ce quotient par 104.
La pension ou l'avantage en tenant lieu en vertu d'un autre régime, au sens de l'article 19, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 72, dont le montant converti est inférieur au montant forfaitaire n'est pas pris en considération.
§ 3. Lorsque l'intéressé peut prétendre à une pension de travailleur indépendant, à une pension en vertu du régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et à une pension ou un avantage en tenant lieu en vertu d'un ou plusieurs autres régimes au sens de l'article 19, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 72, autre que celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 précité,
1° les jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sont d'abord additionnés aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 2, et, le cas échéant, aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 4.
Si le résultat ainsi obtenu dépasse 14.040 jours équivalents temps plein, visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72, ou le nombre de jours équivalents temps plein visé à l'article 19, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, selon le cas, les jours équivalents temps plein excédentaires sont déduits du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 2, de l'arrêté royal n° 72.
La diminution visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas être plus grande que le résultat arrondi à l'unité supérieure, obtenu en divisant la différence entre le montant converti ou la somme des montants convertis et le montant forfaitaire, par un montant égal à 10 p.c. du montant forfaitaire et en multipliant ce quotient par 104.
Les pensions ou les avantages en tenant lieu, dont le montant converti est inférieur au montant forfaitaire ne sont pas pris en considération pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 1er ou 2, de l'arrêté royal n° 72, sauf si la somme de ces montants convertis, est égale ou supérieure au montant forfaitaire;
2° ensuite, le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, le cas échéant diminué en application du présent paragraphe, 1°, est additionné aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 2, § 3 et, le cas échéant, § 4.
Si le résultat ainsi obtenu dépasse 14.040 jours équivalents temps plein, visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72, ou le nombre de jours équivalents temps plein visé à l'article 19, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, selon le cas, les jours équivalents temps plein excédentaires sont déduits du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 2, de l'arrêté royal n° 72.
La diminution visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas être plus grande que le résultat arrondi à l'unité supérieure, obtenu en divisant la différence entre le montant converti ou la somme des montants convertis et le montant forfaitaire, par un montant égal à 10 p.c. du montant forfaitaire et en multipliant ce quotient par 104.
Les pensions ou les avantages en tenant lieu, dont le montant converti est inférieur au montant forfaitaire ne sont pas pris en considération pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 1er ou 2, de l'arrêté royal n° 72, sauf si la somme de ces montants convertis est égale ou supérieure au montant forfaitaire.
§ 4. Le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant qui doit être porté en déduction en application des paragraphes 2 ou 3, correspond au nombre de jours équivalents temps plein le moins élevé, soit en vertu du § 2, alinéa 2 ou 3, soit en vertu du § 3, 1° et 2°.
Ce nombre, augmenté du nombre de jours équivalents temps plein à porter en déduction en application de l'article 6, § 5, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, ne peut toutefois pas excéder:
1° 1.560 jours équivalents temps plein, pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72;
2° le nombre obtenu en multipliant par 104 le tiers du dénominateur de la fraction de travailleur indépendant visée soit à l'article 7, § 2 ou § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, soit à l'article 7bis, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, exprimé en années, pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 72. Le résultat est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale atteint au moins 5; dans le cas contraire, la première décimale est négligée.
Si les jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 2, ont été diminués conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant à porter en déduction en application des alinéas précédents est diminué d'un nombre égal au nombre de jours portés en déduction du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur salarié.
§ 5. La réduction de la carrière professionnelle affecte par priorité les jours équivalents temps plein qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse. Ces jours sont déterminés comme suit :
1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.".
"Art. 60. § 1er. Pour l'application de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, les jours équivalents temps plein dans un autre régime que le régime indépendant sont multipliés par le rapport entre le dénominateur de la fraction prise en considération pour le calcul de la pension de travailleur indépendant, tel que fixé, selon le cas, à l'article 4, § 2 ou à l'article 7, § 2 ou § 3, alinéa 1er, ou à l'article 7bis, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, et le dénominateur de la fraction de l'autre régime.
Lorsque la multiplication visée à l'alinéa précédent n'aboutit pas à un nombre entier de jours équivalents temps plein, le résultat est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale est au moins cinq ; dans le cas contraire, la première décimale est négligée.
§ 2. Lorsque l'intéressé peut prétendre à une pension de travailleur indépendant et à une pension en vertu du régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, ou à une pension de travailleur indépendant et à une pension ou un avantage en tenant lieu en vertu d'un autre régime au sens de l'article 19, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 72, autre que celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 précité, le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant est additionné aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, §§ 2 à 4.
Si le résultat ainsi obtenu dépasse 14.040 jours équivalents temps plein, visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72, ou le nombre de jours équivalents temps plein visé à l'article 19, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, selon le cas, les jours équivalents temps plein excédentaires sont déduits du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 2, de l'arrêté royal n° 72.
La diminution visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas être plus grande que le résultat arrondi à l'unité supérieure, obtenu en divisant la différence entre le montant converti et le montant forfaitaire, par un montant égal à 10 p.c. du montant forfaitaire et en multipliant ce quotient par 104.
La pension ou l'avantage en tenant lieu en vertu d'un autre régime, au sens de l'article 19, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 72, dont le montant converti est inférieur au montant forfaitaire n'est pas pris en considération.
§ 3. Lorsque l'intéressé peut prétendre à une pension de travailleur indépendant, à une pension en vertu du régime visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés et à une pension ou un avantage en tenant lieu en vertu d'un ou plusieurs autres régimes au sens de l'article 19, § 1er, alinéa 3, de l'arrêté royal n° 72, autre que celui visé à l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 précité,
1° les jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sont d'abord additionnés aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 2, et, le cas échéant, aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 4.
Si le résultat ainsi obtenu dépasse 14.040 jours équivalents temps plein, visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72, ou le nombre de jours équivalents temps plein visé à l'article 19, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, selon le cas, les jours équivalents temps plein excédentaires sont déduits du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 2, de l'arrêté royal n° 72.
La diminution visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas être plus grande que le résultat arrondi à l'unité supérieure, obtenu en divisant la différence entre le montant converti ou la somme des montants convertis et le montant forfaitaire, par un montant égal à 10 p.c. du montant forfaitaire et en multipliant ce quotient par 104.
Les pensions ou les avantages en tenant lieu, dont le montant converti est inférieur au montant forfaitaire ne sont pas pris en considération pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 1er ou 2, de l'arrêté royal n° 72, sauf si la somme de ces montants convertis, est égale ou supérieure au montant forfaitaire;
2° ensuite, le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, le cas échéant diminué en application du présent paragraphe, 1°, est additionné aux jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 2, § 3 et, le cas échéant, § 4.
Si le résultat ainsi obtenu dépasse 14.040 jours équivalents temps plein, visés à l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72, ou le nombre de jours équivalents temps plein visé à l'article 19, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, selon le cas, les jours équivalents temps plein excédentaires sont déduits du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant, sans préjudice des dispositions de l'article 19, § 2, de l'arrêté royal n° 72.
La diminution visée à l'alinéa précédent ne peut toutefois pas être plus grande que le résultat arrondi à l'unité supérieure, obtenu en divisant la différence entre le montant converti ou la somme des montants convertis et le montant forfaitaire, par un montant égal à 10 p.c. du montant forfaitaire et en multipliant ce quotient par 104.
Les pensions ou les avantages en tenant lieu, dont le montant converti est inférieur au montant forfaitaire ne sont pas pris en considération pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 1er ou 2, de l'arrêté royal n° 72, sauf si la somme de ces montants convertis est égale ou supérieure au montant forfaitaire.
§ 4. Le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant qui doit être porté en déduction en application des paragraphes 2 ou 3, correspond au nombre de jours équivalents temps plein le moins élevé, soit en vertu du § 2, alinéa 2 ou 3, soit en vertu du § 3, 1° et 2°.
Ce nombre, augmenté du nombre de jours équivalents temps plein à porter en déduction en application de l'article 6, § 5, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, ne peut toutefois pas excéder:
1° 1.560 jours équivalents temps plein, pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 1er, de l'arrêté royal n° 72;
2° le nombre obtenu en multipliant par 104 le tiers du dénominateur de la fraction de travailleur indépendant visée soit à l'article 7, § 2 ou § 3, alinéa 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, soit à l'article 7bis, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, exprimé en années, pour l'application de l'article 19, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal n° 72. Le résultat est arrondi à l'unité supérieure si la première décimale atteint au moins 5; dans le cas contraire, la première décimale est négligée.
Si les jours équivalents temps plein visés à l'article 58, § 2, ont été diminués conformément à l'article 10bis de l'arrêté royal n° 50 du 24 octobre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés, le nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur indépendant à porter en déduction en application des alinéas précédents est diminué d'un nombre égal au nombre de jours portés en déduction du nombre de jours équivalents temps plein en qualité de travailleur salarié.
§ 5. La réduction de la carrière professionnelle affecte par priorité les jours équivalents temps plein qui ouvrent le droit à la pension la moins avantageuse. Ces jours sont déterminés comme suit :
1° la pension accordée pour chaque année civile est divisée par le nombre de jours équivalents temps plein pris en considération pour l'année concernée afin de déterminer leur apport en pension;
2° le nombre de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension correspondant sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension calculé par jour est le moins avantageux;
3° lorsque le nombre de jours équivalents temps plein de l'année civile visée au 2° est inférieur au nombre de jours équivalents temps plein à déduire, le nombre excédentaire de jours équivalents temps plein à déduire et leur apport en pension sont éliminés de l'année civile dont l'apport en pension est désormais le moins avantageux;
4° il est fait appel au fur et à mesure aux années civiles dont l'apport en pension devient le moins avantageux tant que le nombre de jours équivalents temps plein à déduire de la carrière professionnelle n'est pas atteint.".
Art.5. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de pensioenen van de zelfstandigen die daadwerkelijk en voor de eerste maal ten vroegste ingaan op 1 januari 2015, met uitzondering van de overlevingspensioenen berekend op basis van rustpensioenen die daadwerkelijk en voor de eerste maal vóór 1 januari 2015 zijn ingegaan.
Art.5. Les dispositions du présent arrêté s'appliquent aux pensions des travailleurs indépendants qui prennent cours effectivement et pour la première fois au plus tôt le 1er janvier 2015, à l'exception des pensions de survie calculées sur la base de pensions de retraite qui ont pris cours effectivement et pour la première fois avant le 1er janvier 2015.
Art.6. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2015.
Art.6. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2015.
Art. 7. De minister bevoegd voor Pensioenen en de minister bevoegd voor de Zelfstandigen zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 7. Le ministre qui a les Pensions dans ses attributions et le ministre qui a les Indépendants dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.