Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
6 MAART 2018. - Wet ter verbetering van de verkeersveiligheid
Titre
6 MARS 2018. - Loi relative à l'amélioration de la sécurité routière
Informations sur le document
Numac: 2018010649
Datum: 2018-03-06
Info du document
Numac: 2018010649
Date: 2018-03-06
Table des matières
Tekst (31)
Texte (31)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Bepaling tot wijziging van de wet op het gebruik der talen in gerechtszaken
TITRE 2. - Disposition modifiant la loi concernant l'emploi des langues en matière judiciaire
Art.2. Artikel 23 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, vervangen bij de wet van 23 september 1985 en gewijzigd bij de wet van 17 mei 2006, wordt aangevuld met een lid, luidende:
" De verjaring van de strafvordering wordt geschorst voor een termijn van maximum één jaar vanaf het moment van de vraag tot verwijzing tot op de dag van de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde, opnieuw door de rechtbank zal worden hervat. ".
" De verjaring van de strafvordering wordt geschorst voor een termijn van maximum één jaar vanaf het moment van de vraag tot verwijzing tot op de dag van de eerste terechtzitting waarop de behandeling van de zaak ten gronde, opnieuw door de rechtbank zal worden hervat. ".
Art.2. L'article 23 de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire, remplacé par la loi du 23 septembre 1985 et modifié par la loi du 17 mai 2006, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" La prescription de l'action publique est suspendue pour un délai de maximum un an à partir de la demande de renvoi jusqu'au jour de la première audience où l'affaire sera reprise de nouveau par le tribunal qui poursuivra la procédure au fond. ".
" La prescription de l'action publique est suspendue pour un délai de maximum un an à partir de la demande de renvoi jusqu'au jour de la première audience où l'affaire sera reprise de nouveau par le tribunal qui poursuivra la procédure au fond. ".
TITEL 3. - Bepaling tot wijziging van het Strafwetboek
TITRE 3. - Disposition modifiant le Code pénal
Art.3. Artikel 406, derde lid, van het Strafwetboek wordt aangevuld met de volgende zin :
"De rechter kan bovendien het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar of levenslang overeenkomstig de artikelen 38 tot 49/1 van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.".
"De rechter kan bovendien het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar of levenslang overeenkomstig de artikelen 38 tot 49/1 van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer.".
Art.3. L'article 406, alinéa 3, du Code pénal, est complété par la phrase suivante :
" En outre, le juge peut prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur pour une durée de huit jours au moins et de cinq ans au plus ou à vie conformément aux articles 38 à 49/1 des lois coordonnées du 16 mars 1968 relatives à la police de la circulation routière. ".
" En outre, le juge peut prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur pour une durée de huit jours au moins et de cinq ans au plus ou à vie conformément aux articles 38 à 49/1 des lois coordonnées du 16 mars 1968 relatives à la police de la circulation routière. ".
TITEL 4. - Bepalingen tot wijziging van de wet betreffende de politie over het wegverkeer
TITRE 4. - Dispositions modifiant la loi relative à la police de la circulation routière
Art.4. In artikel 24, eerste lid, 1°, van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, vervangen bij de wet van 18 juli 1990, worden de woorden "artikel 23, 3° " vervangen door de woorden "artikel 23, § 1, 3° ".
Art.4. Dans l'article 24, alinéa 1er, 1°, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, remplacé par la loi de 18 juillet 1990, les mots " article 23, 3° " sont remplacés par les mots " article 23, § 1er, 3° ".
Art.5. In artikel 29ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996 en gewijzigd bij de wetten van 7 februari 2003 en 2 december 2011, wordt een tweede lid ingevoegd, luidende :
"Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van 50 euro tot 4000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, hij die de verplichting bedoeld in artikel 67bis, tweede lid, tweede zin, niet nakomt. De rechter kan bovendien het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar of levenslang. Deze straffen worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.".
"Met gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met geldboete van 50 euro tot 4000 euro of met een van die straffen alleen, wordt gestraft, hij die de verplichting bedoeld in artikel 67bis, tweede lid, tweede zin, niet nakomt. De rechter kan bovendien het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreken voor een duur van ten minste acht dagen en ten hoogste vijf jaar of levenslang. Deze straffen worden verdubbeld bij herhaling binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan.".
Art.5. Dans l'article 29ter de la même loi, inséré par la loi du 4 août 1996 et modifié par les lois du 7 février 2003 et 2 décembre 2011, un alinéa 2 est ajouté, rédigé comme suit :
" Est puni d'un emprisonnement de quinze jours à deux ans et d'une amende de 50 euros à 4000 euros, ou d'une de ces peines seulement, celui qui ne satisfait pas à l'obligation visée à l'article 67bis, alinéa 2, deuxième phrase. De plus, le juge peut prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur pour une durée de huit jours au moins et de cinq ans au plus ou à titre définitif. Ces peines sont doublées en cas de récidive dans les trois ans à dater d'un jugement antérieur portant condamnation et passé en force de chose jugée. ".
" Est puni d'un emprisonnement de quinze jours à deux ans et d'une amende de 50 euros à 4000 euros, ou d'une de ces peines seulement, celui qui ne satisfait pas à l'obligation visée à l'article 67bis, alinéa 2, deuxième phrase. De plus, le juge peut prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur pour une durée de huit jours au moins et de cinq ans au plus ou à titre définitif. Ces peines sont doublées en cas de récidive dans les trois ans à dater d'un jugement antérieur portant condamnation et passé en force de chose jugée. ".
Art.6. In artikel 30, § 3, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 2 maart 2016, artikel 35, laatstelijk vervangen bij de wet van 7 februari 2003, en artikel 48, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 maart 2014, wordt het woord "voorgoed" telkens vervangen door het woord "levenslang".
Art.6. Dans le texte de l'article 30, § 3, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 2 mars 2016, de l'article 35, modifié en dernier lieu par la loi du 7 février 2003, et de l'article 48, modifié en dernier lieu par la loi du 9 mars 2014, le mot " voorgoed " est remplacé chaque fois par le mot " levenslang ".
Art.7. In artikel 30 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 7 februari 2003, 20 juli 2005, 2 december 2011, 9 maart 2014 en 2 maart 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Met geldboete van 200 euro tot 2000 euro" vervangen door de woorden "Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 200 euro tot 2000 euro of met één van deze straffen alleen";
2° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 2° hersteld als volgt:
"2° een motorvoertuig bestuurt zonder de voorwaarden of de beperkingen, vermeld op het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, onder meer in de vorm van codes, na te leven, onverminderd de toepassing van eventuele specifieke bepalingen vervat in deze wet;";
3° in paragraaf 3, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
4° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
"De gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld bij herhaling van de bepalingen van § 1, § 2 of § 3, binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis met toepassing van een van deze bepalingen, dat in kracht van gewijsde is gegaan.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Met geldboete van 200 euro tot 2000 euro" vervangen door de woorden "Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee jaar en met geldboete van 200 euro tot 2000 euro of met één van deze straffen alleen";
2° in paragraaf 1, wordt de bepaling onder 2° hersteld als volgt:
"2° een motorvoertuig bestuurt zonder de voorwaarden of de beperkingen, vermeld op het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, onder meer in de vorm van codes, na te leven, onverminderd de toepassing van eventuele specifieke bepalingen vervat in deze wet;";
3° in paragraaf 3, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar";
4° paragraaf 4 wordt vervangen als volgt :
"De gevangenisstraffen en geldboeten worden verdubbeld bij herhaling van de bepalingen van § 1, § 2 of § 3, binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis met toepassing van een van deze bepalingen, dat in kracht van gewijsde is gegaan.".
Art.7. A l'article 30 de la même loi, remplacé par la loi du 18 juillet 1990 et modifié par les lois du 7 février 2003, 20 juillet 2005, 2 décembre 2011, 9 mars 2014 et 2 mars 2016, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots " et d'une amende de 200 euros à 2000 euros " sont remplacés par les mots " d'une peine d'emprisonnement de huit jours à deux ans et d'une amende de 200 euros à 2000 euros ou d'une de ces peines seulement " ;
2° dans le paragraphe 1er, le 2° est rétabli dans la rédaction suivante :
" 2° conduit un véhicule à moteur sans respecter les conditions ou limitations mentionnées sur le permis de conduire ou le titre qui en tient lieu notamment sous forme de codes, sans préjudice de l'application d'éventuelles dispositions spécifiques contenues dans la présente loi ; " ;
3° dans le paragraphe 3, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
4° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" Les peines d'emprisonnement et amendes sont doublées en cas de répétition des dispositions du § 1er, § 2 ou § 3, dans les trois ans à dater du prononcé d'un jugement antérieur portant condamnation en application d'une de ces dispositions est passé en force de chose jugée. ".
1° dans le paragraphe 1er, les mots " et d'une amende de 200 euros à 2000 euros " sont remplacés par les mots " d'une peine d'emprisonnement de huit jours à deux ans et d'une amende de 200 euros à 2000 euros ou d'une de ces peines seulement " ;
2° dans le paragraphe 1er, le 2° est rétabli dans la rédaction suivante :
" 2° conduit un véhicule à moteur sans respecter les conditions ou limitations mentionnées sur le permis de conduire ou le titre qui en tient lieu notamment sous forme de codes, sans préjudice de l'application d'éventuelles dispositions spécifiques contenues dans la présente loi ; " ;
3° dans le paragraphe 3, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " ;
4° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" Les peines d'emprisonnement et amendes sont doublées en cas de répétition des dispositions du § 1er, § 2 ou § 3, dans les trois ans à dater du prononcé d'un jugement antérieur portant condamnation en application d'une de ces dispositions est passé en force de chose jugée. ".
Art.8. In artikel 33 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 9 juni 1975 en gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990, 7 februari 2003, 4 juni 2007, 2 december 2011 en 9 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, 1°, wordt het woord " ongeval " vervangen door het woord " verkeersongeval ";
2° in paragraaf 1, 2°, worden in de Franse tekst de woorden "accident de roulage" vervangen door de woorden "accident de la circulation";
3° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Heeft het ongeval voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang.";
4° in paragraaf 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"Heeft het ongeval voor een ander de dood tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot vier jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang.";
5° in paragraaf 3, worden in de bepaling onder 1°, de woorden "twee jaar" vervangen door de woorden "vier jaar";
6° in paragraaf 3, worden in de bepaling onder 2°, de woorden "te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan" ingevoegd tussen de woorden "binnen de drie jaar" en de woorden "artikel 33, § 2";
7° in paragraaf 3, worden in de bepaling onder 2°, de woorden "vier jaar" vervangen door de woorden "acht jaar".
1° in paragraaf 1, 1°, wordt het woord " ongeval " vervangen door het woord " verkeersongeval ";
2° in paragraaf 1, 2°, worden in de Franse tekst de woorden "accident de roulage" vervangen door de woorden "accident de la circulation";
3° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt :
"Heeft het ongeval voor een ander slagen of verwondingen tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot drie jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5.000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang.";
4° in paragraaf 2 wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"Heeft het ongeval voor een ander de dood tot gevolg gehad, dan wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot vier jaar en met een geldboete van 400 euro tot 5000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een duur van ten minste drie maanden en ten hoogste vijf jaar of levenslang.";
5° in paragraaf 3, worden in de bepaling onder 1°, de woorden "twee jaar" vervangen door de woorden "vier jaar";
6° in paragraaf 3, worden in de bepaling onder 2°, de woorden "te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan" ingevoegd tussen de woorden "binnen de drie jaar" en de woorden "artikel 33, § 2";
7° in paragraaf 3, worden in de bepaling onder 2°, de woorden "vier jaar" vervangen door de woorden "acht jaar".
Art.8. A l'article 33 de la même loi, remplacé par la loi du 9 juin 1975 et modifié par les lois du 18 juillet 1990, 7 février 2003, 4 juin 2007, 2 décembre 2011 et 9 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, 1°, le mot " accident " est remplacé par le mot " accident de la circulation " ;
2° dans le paragraphe 1er, 2°, les mots " accident de roulage " sont remplacés par les mots " accident de la circulation " ;
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Si l'accident a entraîné pour autrui des coups ou des blessures, le coupable est puni d'un emprisonnement de quinze jours à trois ans et d'une amende de 400 euros à 5.000 euros ou d'une de ces peines seulement et d'une déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur d'une durée de trois mois au moins et cinq ans au plus ou à titre définitif. " ;
4° dans le paragraphe 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré entres les alinéas 1er et 2 :
" Si l'accident a entraîné pour autrui la mort, le coupable est puni d'un emprisonnement de quinze jours à quatre ans et d'une amende de 400 euros à 5000 euros ou d'une de ces peines seulement et d'une déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur d'une durée de trois mois au moins et cinq ans au plus ou à titre définitif. " ;
5° dans le paragraphe 3, au 1°, les mots " deux ans " sont remplacés par les mots " quatre ans " ;
6° dans le paragraphe 3, au 2°, les mots " à dater d'un jugement antérieur portant condamnation et passé en force de chose jugée " sont insérés entre les mots " dans les trois années " et " une infraction " ;
7° dans le paragraphe 3, au 2°, les mots " quatre ans " sont remplacés par les mots " huit ans ".
1° dans le paragraphe 1er, 1°, le mot " accident " est remplacé par le mot " accident de la circulation " ;
2° dans le paragraphe 1er, 2°, les mots " accident de roulage " sont remplacés par les mots " accident de la circulation " ;
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
" Si l'accident a entraîné pour autrui des coups ou des blessures, le coupable est puni d'un emprisonnement de quinze jours à trois ans et d'une amende de 400 euros à 5.000 euros ou d'une de ces peines seulement et d'une déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur d'une durée de trois mois au moins et cinq ans au plus ou à titre définitif. " ;
4° dans le paragraphe 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré entres les alinéas 1er et 2 :
" Si l'accident a entraîné pour autrui la mort, le coupable est puni d'un emprisonnement de quinze jours à quatre ans et d'une amende de 400 euros à 5000 euros ou d'une de ces peines seulement et d'une déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur d'une durée de trois mois au moins et cinq ans au plus ou à titre définitif. " ;
5° dans le paragraphe 3, au 1°, les mots " deux ans " sont remplacés par les mots " quatre ans " ;
6° dans le paragraphe 3, au 2°, les mots " à dater d'un jugement antérieur portant condamnation et passé en force de chose jugée " sont insérés entre les mots " dans les trois années " et " une infraction " ;
7° dans le paragraphe 3, au 2°, les mots " quatre ans " sont remplacés par les mots " huit ans ".
Art.9. In artikel 34, § 1, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 16 maart 1999, 7 februari 2003, 2 december 2011 en 9 maart 2014, worden de woorden "met toepassing van het eerste lid of van artikel 35 of 37bis, § 1," ingevoegd tussen de woorden "van een vorig veroordelend vonnis" en de woorden "dat in kracht van gewijsde is gegaan".
Art.9. Dans l'article 34, § 1er, alinéa 2, de la même loi, remplacé par la loi du 18 juillet 1990 et modifié par les lois du 16 mars 1999, 7 février 2003, 2 décembre 2011 et 9 mars 2014, les mots " par application de l'alinéa 1er ou de l'article 35 ou 37bis, § 1er, " sont insérés entre les mots " un jugement antérieur portant condamnation " et les mots " et passé en force de chose jugée " .
Art.10. Artikel 37/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 juli 2009 en gewijzigd bij de wet van 9 maart 2014, wordt vervangen als volgt :
"Art. 37/1. § 1. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, artikel 35 in geval van dronkenschap of van artikel 36, kan de rechter, indien hij geen definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt of geen toepassing maakt van artikel 42, voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, op voorwaarde dat de overtreder als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3, bedoelde omkaderingsprogramma.
In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, indien de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,78 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 1,8 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid. Indien de rechter evenwel verkiest om deze sanctie niet op te leggen, motiveert hij dit uitdrukkelijk.
In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 36, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de bepaling van artikel 38, § 6.
§ 2. Evenwel kan de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt overeenkomstig § 1. De beperkte geldigheid moet wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van § 1 werd begaan.
§ 3. De rechter kan de geldboete verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot in een voertuig evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen.
§ 4. Met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van 500 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode die ten minste even lang is als de periode waarin de geldigheid van het rijbewijs werd beperkt, wordt gestraft hij die is veroordeeld wegens overtreding van dit artikel en een motorvoertuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is en dat niet uitgerust is met het opgelegde alcoholslot, of die als bestuurder niet voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma.".
"Art. 37/1. § 1. In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, artikel 35 in geval van dronkenschap of van artikel 36, kan de rechter, indien hij geen definitief verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig uitspreekt of geen toepassing maakt van artikel 42, voor een periode van ten minste één jaar en ten hoogste drie jaar of levenslang, de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder beperken tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot, op voorwaarde dat de overtreder als bestuurder voldoet aan de voorwaarden van het in artikel 61quinquies, § 3, bedoelde omkaderingsprogramma.
In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 34, § 2, indien de ademanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 0,78 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse een alcoholconcentratie van ten minste 1,8 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid. Indien de rechter evenwel verkiest om deze sanctie niet op te leggen, motiveert hij dit uitdrukkelijk.
In geval van een veroordeling wegens overtreding van artikel 36, indien het gaat om een bestraffing na een veroordeling met toepassing van artikel 34, § 2 indien de ademanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 0,50 milligram per liter uitgeademde alveolaire lucht meet of de bloedanalyse telkens een alcoholconcentratie van ten minste 1,2 gram per liter bloed aangeeft, beperkt de rechter de geldigheid van het rijbewijs van de overtreder tot alle motorvoertuigen die zijn uitgerust met een alcoholslot volgens dezelfde modaliteiten als bedoeld in het eerste lid, onverminderd de bepaling van artikel 38, § 6.
§ 2. Evenwel kan de rechter, indien hij zijn beslissing motiveert, een of meerdere voertuigcategorieën aanduiden overeenkomstig de bepalingen vastgesteld door de Koning krachtens artikel 26, waarvoor hij de geldigheid van het rijbewijs niet beperkt overeenkomstig § 1. De beperkte geldigheid moet wel ten minste betrekking hebben op de voertuigcategorie waarmee de overtreding die aanleiding heeft gegeven tot toepassing van § 1 werd begaan.
§ 3. De rechter kan de geldboete verminderen met de volledige of gedeeltelijke kosten van de installatie en het gebruik van een alcoholslot in een voertuig evenals de kosten van het omkaderingsprogramma, zonder dat ze minder dan één euro mag bedragen.
§ 4. Met een gevangenisstraf van vijftien dagen tot twee jaar en met een geldboete van 500 euro tot 2000 euro of met een van die straffen alleen en met het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig voor een periode die ten minste even lang is als de periode waarin de geldigheid van het rijbewijs werd beperkt, wordt gestraft hij die is veroordeeld wegens overtreding van dit artikel en een motorvoertuig bestuurt waarvoor een rijbewijs vereist is en dat niet uitgerust is met het opgelegde alcoholslot, of die als bestuurder niet voldoet aan de voorwaarden van het omkaderingsprogramma.".
Art.10. L'article 37/1 de la même loi, inséré par la loi du 12 juillet 2009 et modifié par la loi du 9 mars 2014, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 37/1. § 1er. En cas de condamnation du chef d'une infraction à l'article 34, § 2, à l'article 35 en cas d'ivresse ou à l'article 36, le juge peut, s'il ne prononce pas la déchéance définitive du droit de conduire un véhicule à moteur ou s'il ne fait pas application de l'article 42, limiter la validité du permis de conduire du contrevenant, pour une période d'au moins un an à trois ans au plus ou à titre définitif, à tous les véhicules à moteur équipés d'un éthylotest antidémarrage, à condition que celui-ci remplisse, en tant que conducteur, les conditions du programme d'encadrement visé à l'article 61quinquies, § 3.
En cas de condamnation du chef d'une infraction à l'article 34, § 2, si l'analyse de l'haleine mesure une concentration d'alcool d'au moins 0,78 milligramme par litre d'air alvéolaire expiré ou si l'analyse sanguine révèle une concentration d'alcool par litre de sang d'au moins 1,8 gramme, le juge limite la validité du permis de conduire du contrevenant aux véhicules à moteur équipés d'un éthylotest antidémarrage selon les mêmes modalités que celles visées à l'alinéa 1er. Toutefois, si le juge choisit de ne pas recourir à cette sanction, il le motive expressément.
En cas de condamnation du chef d'une infraction à l'article 36, s'il s'agit d'une peine après une condamnation en application de l'article 34, § 2, si l'analyse de l'haleine mesure à chaque fois une concentration d'alcool d'au moins 0,50 milligramme par litre d'air alvéolaire expiré ou si l'analyse sanguine révèle à chaque fois une concentration d'alcool par litre de sang d'au moins 1,2 gramme, le juge limite la validité du permis de conduire du contrevenant à tous les véhicules à moteur qui sont équipés d'un éthylotest antidémarrage selon les mêmes modalités que celles visées à l'alinéa 1er, sans préjudice de l'article 38, § 6.
§ 2. Toutefois, lorsqu'il motive sa décision, le juge peut indiquer une ou plusieurs catégories de véhicules qu'il indique conformément aux dispositions arrêtées par le Roi en vertu de l'article 26, pour lesquelles il ne limite pas la validité du permis de conduire conformément au § 1er. Cependant, la validité limitée doit s'appliquer au moins à la catégorie de véhicules avec laquelle l'infraction qui donne lieu à l'application du § 1er a été commise.
§ 3. Le juge peut diminuer l'amende de tout ou partie du coût de l'installation et de l'utilisation d'un éthylotest antidémarrage dans un véhicule, ainsi que du coût du programme d'encadrement, sans qu'elle ne puisse s'élever à moins d'un euro.
§ 4. Est puni d'un emprisonnement de quinze jours à deux ans et d'une amende de 500 euros à 2000 euros, ou d'une de ces peines seulement, et d'une déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur d'une durée équivalente ou supérieure à la période pendant laquelle la validité du permis de conduire a été limitée, quiconque est condamné du chef d'une infraction à cet article et conduit un véhicule à moteur pour lequel un permis de conduire est exigé et qui n'est pas équipé de l'éthylotest antidémarrage imposé ou, en tant que conducteur, ne remplit pas les conditions du programme d'encadrement. ".
" Art. 37/1. § 1er. En cas de condamnation du chef d'une infraction à l'article 34, § 2, à l'article 35 en cas d'ivresse ou à l'article 36, le juge peut, s'il ne prononce pas la déchéance définitive du droit de conduire un véhicule à moteur ou s'il ne fait pas application de l'article 42, limiter la validité du permis de conduire du contrevenant, pour une période d'au moins un an à trois ans au plus ou à titre définitif, à tous les véhicules à moteur équipés d'un éthylotest antidémarrage, à condition que celui-ci remplisse, en tant que conducteur, les conditions du programme d'encadrement visé à l'article 61quinquies, § 3.
En cas de condamnation du chef d'une infraction à l'article 34, § 2, si l'analyse de l'haleine mesure une concentration d'alcool d'au moins 0,78 milligramme par litre d'air alvéolaire expiré ou si l'analyse sanguine révèle une concentration d'alcool par litre de sang d'au moins 1,8 gramme, le juge limite la validité du permis de conduire du contrevenant aux véhicules à moteur équipés d'un éthylotest antidémarrage selon les mêmes modalités que celles visées à l'alinéa 1er. Toutefois, si le juge choisit de ne pas recourir à cette sanction, il le motive expressément.
En cas de condamnation du chef d'une infraction à l'article 36, s'il s'agit d'une peine après une condamnation en application de l'article 34, § 2, si l'analyse de l'haleine mesure à chaque fois une concentration d'alcool d'au moins 0,50 milligramme par litre d'air alvéolaire expiré ou si l'analyse sanguine révèle à chaque fois une concentration d'alcool par litre de sang d'au moins 1,2 gramme, le juge limite la validité du permis de conduire du contrevenant à tous les véhicules à moteur qui sont équipés d'un éthylotest antidémarrage selon les mêmes modalités que celles visées à l'alinéa 1er, sans préjudice de l'article 38, § 6.
§ 2. Toutefois, lorsqu'il motive sa décision, le juge peut indiquer une ou plusieurs catégories de véhicules qu'il indique conformément aux dispositions arrêtées par le Roi en vertu de l'article 26, pour lesquelles il ne limite pas la validité du permis de conduire conformément au § 1er. Cependant, la validité limitée doit s'appliquer au moins à la catégorie de véhicules avec laquelle l'infraction qui donne lieu à l'application du § 1er a été commise.
§ 3. Le juge peut diminuer l'amende de tout ou partie du coût de l'installation et de l'utilisation d'un éthylotest antidémarrage dans un véhicule, ainsi que du coût du programme d'encadrement, sans qu'elle ne puisse s'élever à moins d'un euro.
§ 4. Est puni d'un emprisonnement de quinze jours à deux ans et d'une amende de 500 euros à 2000 euros, ou d'une de ces peines seulement, et d'une déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur d'une durée équivalente ou supérieure à la période pendant laquelle la validité du permis de conduire a été limitée, quiconque est condamné du chef d'une infraction à cet article et conduit un véhicule à moteur pour lequel un permis de conduire est exigé et qui n'est pas équipé de l'éthylotest antidémarrage imposé ou, en tant que conducteur, ne remplit pas les conditions du programme d'encadrement. ".
Art.11. In artikel 38 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996, 16 maart 1999, 7 februari 2003, 20 juli 2005, 21 april 2007, 4 juni 2007, 2 december 2011 en 9 maart 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "of voorgoed indien de schuldige binnen de drie jaar" vervangen door de woorden "of levenslang indien de schuldige veroordeeld wordt voor een inbreuk op artikel 419 van het Strafwetboek of binnen de drie jaar";
2° in paragraaf 2bis worden de woorden " , eerste lid, " opgeheven;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "specifieke scholingen" vervangen door de woorden "een specifieke opleiding";
4° in paragraaf 3 wordt het tweede lid opgeheven;
5° paragraaf 4 wordt opgeheven ;
6° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt :
" § 6. De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen opnieuw wordt veroordeeld voor één van deze overtredingen.
Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.
Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.";
7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 8, luidende :
" § 8. De examens en onderzoeken waarvan het herstel in het recht tot sturen afhankelijk wordt gemaakt, bedoeld in dit artikel, zijn niet van toepassing in de volgende gevallen :
1° indien de vervallenverklaarde niet voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te kunnen verkrijgen;
2° wanneer een levenslang verval van het recht tot sturen als straf is uitgesproken.".
1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "of voorgoed indien de schuldige binnen de drie jaar" vervangen door de woorden "of levenslang indien de schuldige veroordeeld wordt voor een inbreuk op artikel 419 van het Strafwetboek of binnen de drie jaar";
2° in paragraaf 2bis worden de woorden " , eerste lid, " opgeheven;
3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "specifieke scholingen" vervangen door de woorden "een specifieke opleiding";
4° in paragraaf 3 wordt het tweede lid opgeheven;
5° paragraaf 4 wordt opgeheven ;
6° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt :
" § 6. De rechter moet het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van ten minste drie maanden uitspreken en het herstel van het recht tot sturen afhankelijk maken van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid, wanneer de schuldige, in de periode van drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één of meer van de overtredingen bedoeld in de artikelen 29, § 1, eerste lid, 29, § 3, derde lid, 30, §§ 1, 2 en 3, 33, §§ 1 en 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1, 48, 62bis of artikel 22 van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen opnieuw wordt veroordeeld voor één van deze overtredingen.
Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het eerste lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste zes maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.
Wanneer de schuldige binnen drie jaar te rekenen van de dag van de uitspraak van een vorig veroordelend vonnis, waarin toepassing is gemaakt van het tweede lid, en dat in kracht van gewijsde is gegaan voor één van de in het eerste lid bedoelde overtredingen, opnieuw veroordeeld wordt voor één of meer van deze overtredingen, bedraagt het verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig ten minste negen maanden en is het herstel van het recht tot sturen afhankelijk van het slagen voor de vier examens en onderzoeken bedoeld in § 3, eerste lid.";
7° het artikel wordt aangevuld met een paragraaf 8, luidende :
" § 8. De examens en onderzoeken waarvan het herstel in het recht tot sturen afhankelijk wordt gemaakt, bedoeld in dit artikel, zijn niet van toepassing in de volgende gevallen :
1° indien de vervallenverklaarde niet voldoet aan de door de Koning bepaalde voorwaarden om een Belgisch rijbewijs te kunnen verkrijgen;
2° wanneer een levenslang verval van het recht tot sturen als straf is uitgesproken.".
Art.11. A l'article 38 de la même loi, remplacé par la loi du 18 juillet 1990 et modifié par les lois du 4 août 1996, 16 mars 1999, 7 février 2003, 20 juillet 2005, 21 avril 2007, 4 juin 2007, 2 décembre 2011 et 9 mars 2014, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " ou à titre définitif, si dans les trois ans précédant " sont remplacés par " ou à titre définitif, si le coupable est condamné du chef d'une infraction à l'article 419 du Code pénal ou si, dans les trois ans précédant " ;
2° dans le paragraphe 2bis, les mots " , alinéa 1er, " sont supprimés ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " des formations spécifiques déterminées " sont remplacés par les mots " une formation spécifique déterminée " ;
4° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2 est abrogé ;
5° le paragraphe 4 est abrogé ;
6° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
" § 6. Le juge doit prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur pour une période de trois mois au moins et subordonner la réintégration dans le droit de conduire à la réussite des quatre examens visés au § 3, alinéa 1er, si le coupable, dans la période de trois ans à compter du jour du prononcé d'un précédent jugement de condamnation coulé en force de chose jugée du chef de l'une ou plus des infractions visées aux articles 29, § 1er, alinéa 1er, 29, § 3, alinéa 3, 30, §§ 1er, 2 et 3, 33, §§ 1er et 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1er, 48, 62bis ou à l'article 22 de la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, est à nouveau condamné du chef de l'une de ces infractions.
Si le coupable, dans les trois ans à compter du jour du prononcé d'un précédent jugement de condamnation dans lequel il est fait application de l'alinéa 1er, et lequel est coulé en force de chose jugée du chef de l'une des infractions visées à l'alinéa 1er, est à nouveau condamné du chef d'une ou plusieurs de ces infractions, la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur est de six mois au moins et la réintégration dans le droit de conduire est subordonnée à la réussite des quatre examens visés au § 3, alinéa 1er.
Si le coupable, dans les trois ans à compter du jour du prononcé d'un précédent jugement de condamnation dans lequel il est fait application de l'alinéa 2, et lequel est coulé en force de chose jugée du chef de l'une des infractions visées à l'alinéa 1er, est à nouveau condamné du chef d'une ou plus de ces infractions, la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur est de neuf mois au moins et la réintégration dans le droit de conduire est subordonnée à la réussite des quatre examens visés au § 3, alinéa 1er. " ;
7° l'article est complété par un paragraphe 8, rédigé comme suit :
" § 8. Les examens auxquels la réintégration dans le droit de conduire est subordonnée, visés dans le présent article, ne sont pas applicables dans les cas suivants :
1° lorsque le déchu ne répond pas aux conditions fixées par le Roi pour pouvoir obtenir un permis de conduire belge ;
2° lorsque une déchéance du droit de conduire à vie est prononcée à titre de peine. ".
1° dans le paragraphe 1er, alinéa 2, les mots " ou à titre définitif, si dans les trois ans précédant " sont remplacés par " ou à titre définitif, si le coupable est condamné du chef d'une infraction à l'article 419 du Code pénal ou si, dans les trois ans précédant " ;
2° dans le paragraphe 2bis, les mots " , alinéa 1er, " sont supprimés ;
3° dans le paragraphe 3, alinéa 1er, les mots " des formations spécifiques déterminées " sont remplacés par les mots " une formation spécifique déterminée " ;
4° dans le paragraphe 3, l'alinéa 2 est abrogé ;
5° le paragraphe 4 est abrogé ;
6° le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit :
" § 6. Le juge doit prononcer la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur pour une période de trois mois au moins et subordonner la réintégration dans le droit de conduire à la réussite des quatre examens visés au § 3, alinéa 1er, si le coupable, dans la période de trois ans à compter du jour du prononcé d'un précédent jugement de condamnation coulé en force de chose jugée du chef de l'une ou plus des infractions visées aux articles 29, § 1er, alinéa 1er, 29, § 3, alinéa 3, 30, §§ 1er, 2 et 3, 33, §§ 1er et 2, 34, § 2, 35, 37, 37bis, § 1er, 48, 62bis ou à l'article 22 de la loi du 21 novembre 1989 relative à l'assurance obligatoire de la responsabilité en matière de véhicules automoteurs, est à nouveau condamné du chef de l'une de ces infractions.
Si le coupable, dans les trois ans à compter du jour du prononcé d'un précédent jugement de condamnation dans lequel il est fait application de l'alinéa 1er, et lequel est coulé en force de chose jugée du chef de l'une des infractions visées à l'alinéa 1er, est à nouveau condamné du chef d'une ou plusieurs de ces infractions, la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur est de six mois au moins et la réintégration dans le droit de conduire est subordonnée à la réussite des quatre examens visés au § 3, alinéa 1er.
Si le coupable, dans les trois ans à compter du jour du prononcé d'un précédent jugement de condamnation dans lequel il est fait application de l'alinéa 2, et lequel est coulé en force de chose jugée du chef de l'une des infractions visées à l'alinéa 1er, est à nouveau condamné du chef d'une ou plus de ces infractions, la déchéance du droit de conduire un véhicule à moteur est de neuf mois au moins et la réintégration dans le droit de conduire est subordonnée à la réussite des quatre examens visés au § 3, alinéa 1er. " ;
7° l'article est complété par un paragraphe 8, rédigé comme suit :
" § 8. Les examens auxquels la réintégration dans le droit de conduire est subordonnée, visés dans le présent article, ne sont pas applicables dans les cas suivants :
1° lorsque le déchu ne répond pas aux conditions fixées par le Roi pour pouvoir obtenir un permis de conduire belge ;
2° lorsque une déchéance du droit de conduire à vie est prononcée à titre de peine. ".
Art.12. Artikel 42 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990 en 20 juli 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 42. Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig.
De uitspraak van dit verval is mogelijk in elke graad van veroordeling, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld.
De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen."
"Art. 42. Verval van het recht tot sturen moet uitgesproken worden wanneer, naar aanleiding van een veroordeling of opschorting van straf of internering wegens overtreding van de politie over het wegverkeer of wegens een verkeersongeval te wijten aan het persoonlijk toedoen van de dader, de schuldige lichamelijk of geestelijk ongeschikt wordt bevonden tot het besturen van een motorvoertuig.
De uitspraak van dit verval is mogelijk in elke graad van veroordeling, ongeacht wie het rechtsmiddel heeft ingesteld.
De duur van het verval van het recht tot sturen is afhankelijk van het bewijs dat betrokkene niet meer ongeschikt is om een motorvoertuig te besturen."
Art.12. L'article 42 de la même loi, modifié par les lois du 18 juillet 1990 et 20 juillet 2005, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 42. La déchéance du droit de conduire doit être prononcée si, à l'occasion d'une condamnation ou d'une suspension de peine ou d'un internement pour infraction à la police de la circulation routière ou pour accident de roulage imputable au fait personnel de son auteur, le coupable est reconnu physiquement ou psychiquement incapable de conduire un véhicule à moteur.
Cette déchéance peut être prononcée à chaque degré de condamnation, quelle que soit la personne qui a introduit le recours.
La durée de la déchéance du droit de conduire dépend de la preuve que l'intéressé n'est plus inapte à conduire un véhicule à moteur. ".
" Art. 42. La déchéance du droit de conduire doit être prononcée si, à l'occasion d'une condamnation ou d'une suspension de peine ou d'un internement pour infraction à la police de la circulation routière ou pour accident de roulage imputable au fait personnel de son auteur, le coupable est reconnu physiquement ou psychiquement incapable de conduire un véhicule à moteur.
Cette déchéance peut être prononcée à chaque degré de condamnation, quelle que soit la personne qui a introduit le recours.
La durée de la déchéance du droit de conduire dépend de la preuve que l'intéressé n'est plus inapte à conduire un véhicule à moteur. ".
Art.13. Artikel 44 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 16 maart 1999 en 20 juli 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 44. Hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken. Tegen de uitspraak van dit gerecht staat geen hoger beroep open.
Wordt het verzoek afgewezen dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend voordat een termijn van zes maanden te rekenen van de datum van de afwijzing, is verstreken.".
"Art. 44. Hij die wegens lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van het recht tot sturen vervallen is verklaard, kan, na minstens zes maanden te rekenen van de dag van de uitspraak van het vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan, een herziening vragen via een aan het openbaar ministerie gericht verzoekschrift voor het gerecht dat het verval heeft uitgesproken. Tegen de uitspraak van dit gerecht staat geen hoger beroep open.
Wordt het verzoek afgewezen dan kan geen nieuw verzoek worden ingediend voordat een termijn van zes maanden te rekenen van de datum van de afwijzing, is verstreken.".
Art.13. L'article 44 de la même loi, remplacé par la loi du 18 juillet 1990 et modifié par les lois du 16 mars 1999 et 20 juillet 2005, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 44. Celui qui a été déchu du droit de conduire pour incapacité physique ou psychique peut, après au moins six mois à compter de la date du prononcé du jugement passé en force de chose jugée, demander une révision, au moyen d'une requête adressée au ministère public, devant la juridiction qui a prononcé la déchéance. La décision de cette juridiction n'est pas susceptible d'appel.
En cas de rejet de la requête, aucune nouvelle requête ne peut être introduite avant l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date du rejet. ".
" Art. 44. Celui qui a été déchu du droit de conduire pour incapacité physique ou psychique peut, après au moins six mois à compter de la date du prononcé du jugement passé en force de chose jugée, demander une révision, au moyen d'une requête adressée au ministère public, devant la juridiction qui a prononcé la déchéance. La décision de cette juridiction n'est pas susceptible d'appel.
En cas de rejet de la requête, aucune nouvelle requête ne peut être introduite avant l'expiration d'un délai de six mois à compter de la date du rejet. ".
Art.14. In artikel 45, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 20 juli 2005 en 9 maart 2014, worden de woorden ", eerste lid," opgeheven.
Art.14. Dans l'article 45, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 18 juillet 1990 et modifié par les lois du 20 juillet 2005 et 9 mars 2014, les mots " alinéa 1er, " sont abrogés.
Art.15. In artikel 48, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 9 juli 1976 en gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990, 7 februari 2003, 18 juli 2012 en 9 maart 2014, worden de woorden "een jaar" vervangen door de woorden "twee jaar".
Art.15. Dans l'article 48, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 9 juillet 1976 et modifié par les lois du 18 juillet 1990, 7 février 2003, 18 juillet 2012 et 9 mars 2014, les mots " un an " sont remplacés par les mots " deux ans " .
Art.16. In artikel 51 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 maart 2014, worden in de bepaling onder 4°, de woorden " tweede lid " vervangen door " § 4 ".
Art.16. Dans l'article 51 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 9 mars 2014, au 4°, les mots " alinéa 2 " sont remplacés par " § 4 ".
Art.17. Artikel 55, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 4 augustus 1996, 16 maart 1999, 20 juli 2005 en 9 maart 2014, wordt aangevuld met de bepaling onder 8°, luidende :
"8° indien de bestuurder een overtreding bedoeld in artikel 406, derde lid, van het Strafwetboek heeft begaan.".
"8° indien de bestuurder een overtreding bedoeld in artikel 406, derde lid, van het Strafwetboek heeft begaan.".
Art.17. Dans l'article 55, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 18 juillet 1990 et modifié par les lois du 4 août 1996, 16 mars 1999, 20 juillet 2005 et 9 mars 2014, un 8° est ajouté, rédigé comme suit :
" 8° si le conducteur a commis une infraction visée à l'article 406, alinéa 3, du Code pénal. ".
" 8° si le conducteur a commis une infraction visée à l'article 406, alinéa 3, du Code pénal. ".
Art.18. In artikel 56, tweede lid, 4°, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 20 juli 2005, worden de woorden "houder van een buitenlands rijbewijs" vervangen door de woorden "rijbewijshouder".
Art.18. Dans l'article 56, alinéa 2, 4°, de la même loi, remplacé par la loi du 20 juillet 2005, les mots " titulaire d'un permis de conduire étranger " sont remplacés par les mots " titulaire du permis de conduire ".
Art.19. In artikel 61 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 9 juli 1976 en gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990, 16 maart 1999, 20 juli 2005 en 9 maart 2014, worden de woorden ", §§ 2, 3, 4 en 4bis" opgeheven.
Art.19. Dans l'article 61 de la même loi, remplacé par la loi du 9 juillet 1976 et modifié par les lois du 18 juillet 1990, 16 mars 1999, 20 juillet 2005 et 9 mars 2014, les mots " , §§ 2, 3, 4 et 4bis, " sont abrogés.
Art.20. In artikel 61quinquies, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 12 juli 2009, worden de woorden ", eerste lid" opgeheven.
Art.20. Dans l'article 61quinquies, paragraphe 1er, de la même loi, inséré par la loi du 12 juillet 2009, les mots " , alinéa 1er " sont abrogés.
Art.21. In artikel 65, § 3, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 29 februari 1984 en gewijzigd bij de wetten van 18 juli 1990, 7 februari 2003, 26 maart 2007 en 9 maart 2014, wordt tussen het eerste en het tweede lid een lid ingevoegd, luidende :
"Bij het vaststellen van een van de speciaal door de Koning aangewezen overtredingen, moet hij aan de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren of beambten een som in consignatie geven bestemd om de eventuele geldboete te dekken.".
"Bij het vaststellen van een van de speciaal door de Koning aangewezen overtredingen, moet hij aan de in paragraaf 1 bedoelde ambtenaren of beambten een som in consignatie geven bestemd om de eventuele geldboete te dekken.".
Art.21. Dans l'article 65, § 3, de la même loi, remplacé par la loi du 29 février 1984 et modifié par les lois du 18 juillet 1990, 7 février 2003, 26 mars 2007 et 9 mars 2014, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1er et 2 :
" Lors de la constatation d'une des infractions, qui sont spécialement désignées par le Roi, il doit consigner entre les mains des fonctionnaires ou agents visés au paragraphe 1er une somme destinée à couvrir l'amende éventuelle. ".
" Lors de la constatation d'une des infractions, qui sont spécialement désignées par le Roi, il doit consigner entre les mains des fonctionnaires ou agents visés au paragraphe 1er une somme destinée à couvrir l'amende éventuelle. ".
Art.22. In artikel 65/1 van dezelfde wet, vervangen bij de programmawet van 25 december 2016 en gewijzigd bij de wet van 6 juli 2017, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Wanneer zowel de in artikel 65, § 1, bedoelde som als de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn worden betaald," vervangen door de woorden "Wanneer de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald,";
2° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin : "De procureur des Konings bepaalt op welke wijze de betaling geschiedt.";
3° in paragraaf 2 wordt het vierde lid vervangen als volgt :
"De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis.";
4° in paragraaf 2 wordt tussen het vijfde en het zesde lid een lid ingevoegd, luidende :
"De griffier deelt onverwijld de definitieve beslissing inzake de ontvankelijkheid van het beroep mee aan de procureur des Konings.";
5° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Op basis van de informatie die door de griffier wordt meegedeeld, zoals bepaald in paragraaf 2, stelt de procureur des Konings of de door hem aangestelde parketjurist een lijst op met niet-betaalde bevelen tot betalen die invorderbaar zijn.";
6° in paragraaf 7 worden de woorden ", de betalingen" opgeheven;
7° in paragraaf 10 wordt het zesde lid vervangen als volgt :
"Indien de overtreder toch het geheel van het bedrag van het bevel tot betalen betaalt vooraleer de schorsing van kracht is, zal er geen schorsing van het recht tot sturen worden uitgevoerd.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "Wanneer zowel de in artikel 65, § 1, bedoelde som als de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn worden betaald," vervangen door de woorden "Wanneer de in artikel 216bis, § 1, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde geldsom niet binnen de bepaalde termijn wordt betaald,";
2° paragraaf 1, eerste lid, wordt aangevuld met de volgende zin : "De procureur des Konings bepaalt op welke wijze de betaling geschiedt.";
3° in paragraaf 2 wordt het vierde lid vervangen als volgt :
"De verjaring van de strafvordering wordt geschorst vanaf de dag dat het verzoekschrift wordt ingediend, tot de dag van het definitieve vonnis.";
4° in paragraaf 2 wordt tussen het vijfde en het zesde lid een lid ingevoegd, luidende :
"De griffier deelt onverwijld de definitieve beslissing inzake de ontvankelijkheid van het beroep mee aan de procureur des Konings.";
5° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
" § 3. Op basis van de informatie die door de griffier wordt meegedeeld, zoals bepaald in paragraaf 2, stelt de procureur des Konings of de door hem aangestelde parketjurist een lijst op met niet-betaalde bevelen tot betalen die invorderbaar zijn.";
6° in paragraaf 7 worden de woorden ", de betalingen" opgeheven;
7° in paragraaf 10 wordt het zesde lid vervangen als volgt :
"Indien de overtreder toch het geheel van het bedrag van het bevel tot betalen betaalt vooraleer de schorsing van kracht is, zal er geen schorsing van het recht tot sturen worden uitgevoerd.".
Art.22. A l'article 65/1 de la même loi, remplacé par la loi-programme du 25 décembre 2016 et modifié par la loi du 6 juillet 2017, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le paragraphe 1er, les mots "Lorsque ni la somme visée à l'article 65, § 1er, ni la somme d'argent visée à l'article 216bis, § 1er, du Code d'Instruction criminelle n'ont été payées dans le délai fixé," sont remplacés par les mots "Lorsque la somme d'argent visée à l'article 216bis, § 1er, du Code d'Instruction criminelle n'a pas été payée dans le délai fixé,";
2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante: "Le procureur du Roi fixe les modalités de paiement.";
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"La prescription de l'action publique est suspendue à partir de la date de l'introduction de la requête jusqu'au jour du jugement définitif.";
4° dans le paragraphe 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré entres les alinéas 5 et 6 :
"Le greffier communique sans délai au procureur du Roi la décision définitive statuant sur la recevabilité du recours.";
5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Sur la base de l'information communiquée par le greffier, comme visé dans le paragraphe 2, le procureur du Roi ou le juriste de parquet mandaté par lui établit une liste avec les ordres de paiements non-payés qui sont exigibles.";
6° dans le paragraphe 7, les mots ", les paiements" sont abrogés;
7° dans le paragraphe 10, l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
"Si le contrevenant s'acquitte du montant de l'ordre de paiement avant la prise en cours de la suspension du droit de conduire, celle-ci ne sera pas exécutée.".
1° dans le paragraphe 1er, les mots "Lorsque ni la somme visée à l'article 65, § 1er, ni la somme d'argent visée à l'article 216bis, § 1er, du Code d'Instruction criminelle n'ont été payées dans le délai fixé," sont remplacés par les mots "Lorsque la somme d'argent visée à l'article 216bis, § 1er, du Code d'Instruction criminelle n'a pas été payée dans le délai fixé,";
2° le paragraphe 1er, alinéa 1er, est complété par la phrase suivante: "Le procureur du Roi fixe les modalités de paiement.";
3° dans le paragraphe 2, l'alinéa 4 est remplacé par ce qui suit :
"La prescription de l'action publique est suspendue à partir de la date de l'introduction de la requête jusqu'au jour du jugement définitif.";
4° dans le paragraphe 2, un alinéa rédigé comme suit est inséré entres les alinéas 5 et 6 :
"Le greffier communique sans délai au procureur du Roi la décision définitive statuant sur la recevabilité du recours.";
5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
" § 3. Sur la base de l'information communiquée par le greffier, comme visé dans le paragraphe 2, le procureur du Roi ou le juriste de parquet mandaté par lui établit une liste avec les ordres de paiements non-payés qui sont exigibles.";
6° dans le paragraphe 7, les mots ", les paiements" sont abrogés;
7° dans le paragraphe 10, l'alinéa 6 est remplacé par ce qui suit :
"Si le contrevenant s'acquitte du montant de l'ordre de paiement avant la prise en cours de la suspension du droit de conduire, celle-ci ne sera pas exécutée.".
Art.23. Artikel 67bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt vervangen als volgt :
"Art. 67bis. Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig.
De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.
De politierechtbank van de plaats waar de overtreding, bedoeld in het eerste lid, is gepleegd, is bevoegd.".
"Art. 67bis. Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een natuurlijke persoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, wordt vermoed dat deze is begaan door de houder van de kentekenplaat van het voertuig.
De houder van de kentekenplaat kan dit vermoeden weerleggen door met elk middel te bewijzen dat hij niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten. In dat geval is hij ertoe gehouden om de identiteit van de onmiskenbare bestuurder kenbaar te maken, behalve wanneer hij diefstal, fraude of overmacht kan bewijzen.
De politierechtbank van de plaats waar de overtreding, bedoeld in het eerste lid, is gepleegd, is bevoegd.".
Art.23. L'article 67bis de la même loi, inséré par la loi du 4 août 1996, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 67bis. Lorsqu'une infraction à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution est commise avec un véhicule à moteur, immatriculé au nom d'une personne physique et que le conducteur n'a pas été identifié au moment de la constatation de l'infraction, cette infraction est censée avoir été commise par le titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
Le titulaire de la plaque d'immatriculation peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen de droit qu'il n'était pas le conducteur au moment des faits. Dans ce cas, il est tenu de communiquer l'identité du conducteur incontestable, sauf s'il peut prouver le vol, la fraude ou la force majeure.
Le tribunal de police compétent est celui du lieu où l'infraction visée à l'alinéa 1er a été commise. ".
" Art. 67bis. Lorsqu'une infraction à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution est commise avec un véhicule à moteur, immatriculé au nom d'une personne physique et que le conducteur n'a pas été identifié au moment de la constatation de l'infraction, cette infraction est censée avoir été commise par le titulaire de la plaque d'immatriculation du véhicule.
Le titulaire de la plaque d'immatriculation peut renverser cette présomption en prouvant par tout moyen de droit qu'il n'était pas le conducteur au moment des faits. Dans ce cas, il est tenu de communiquer l'identité du conducteur incontestable, sauf s'il peut prouver le vol, la fraude ou la force majeure.
Le tribunal de police compétent est celui du lieu où l'infraction visée à l'alinéa 1er a été commise. ".
Art.24. Artikel 67ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 4 augustus 1996, wordt vervangen als volgt :
"Art. 67ter. Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, zijn de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen.
De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd.
Indien de persoon die verantwoordelijk is voor voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de onmiskenbare bestuurder meedelen.
De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen.
De politierechtbank van de plaats waar de overtreding werd gepleegd die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van dit artikel, is bevoegd.
Wanneer de overtreding evenwel werd begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon die de gebruikelijke bestuurder in de Kruispuntbank Voertuigen heeft laten registreren, wordt de gebruikelijke bestuurder gelijkgesteld met de houder van de kentekenplaat en is artikel 67bis van toepassing.".
"Art. 67ter. Wanneer een overtreding van deze wet en haar uitvoeringsbesluiten is begaan met een motorvoertuig, ingeschreven op naam van een rechtspersoon, en de bestuurder bij de vaststelling van de overtreding niet geïdentificeerd werd, zijn de rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt, ertoe gehouden de identiteit van de onmiskenbare bestuurder op het ogenblik van de feiten mee te delen of, indien zij die niet kennen, de identiteit van de persoon die verantwoordelijk is voor het voertuig, behalve wanneer zij diefstal, fraude of overmacht kunnen bewijzen.
De mededeling moet gebeuren binnen een termijn van vijftien dagen te rekenen vanaf de datum waarop de vraag om inlichtingen werd verstuurd.
Indien de persoon die verantwoordelijk is voor voertuig niet de bestuurder was op het ogenblik van de feiten moet hij eveneens, op de wijze hierboven vermeld, de identiteit van de onmiskenbare bestuurder meedelen.
De rechtspersoon of de natuurlijke persoon die de rechtspersoon in rechte vertegenwoordigt als houder van de kentekenplaat of als houder van het voertuig, zijn ertoe gehouden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichting te voldoen.
De politierechtbank van de plaats waar de overtreding werd gepleegd die aanleiding heeft gegeven tot de toepassing van dit artikel, is bevoegd.
Wanneer de overtreding evenwel werd begaan met een motorvoertuig ingeschreven op naam van een rechtspersoon die de gebruikelijke bestuurder in de Kruispuntbank Voertuigen heeft laten registreren, wordt de gebruikelijke bestuurder gelijkgesteld met de houder van de kentekenplaat en is artikel 67bis van toepassing.".
Art.24. L'article 67ter de la même loi, inséré par la loi du 4 aout 1996, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 67ter. Lorsqu'une infraction à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution est commise avec un véhicule à moteur, immatriculé au nom d'une personne morale et que le conducteur n'a pas été identifié au moment de la constatation de l'infraction, la personne morale ou la personne physique qui représente la personne morale en droit, sont tenues de communiquer l'identité du conducteur incontestable au moment des faits ou, si elles ne la connaissent pas, de communiquer l'identité de la personne responsable du véhicule, sauf si elles peuvent prouver le vol, la fraude ou la force majeure.
La communication doit avoir lieu dans les quinze jours de l'envoi de la demande de renseignements.
Si la personne responsable du véhicule n'était pas le conducteur au moment des faits, elle est également tenue de communiquer l'identité du conducteur incontestable selon les modalités définies ci-dessus.
La personne morale ou la personne physique qui représente la personne morale en droit en tant que titulaire de la plaque d'immatriculation ou en tant que détenteur du véhicule sont tenues de prendre les mesures nécessaires en vue d'assurer le respect de cette obligation.
Le tribunal de police compétent est celui du lieu où l'infraction, ayant entraîné l'application de cet article, a été commise.
Toutefois, lorsque l'infraction a été commise avec un véhicule à moteur immatriculé au nom d'une personne morale, qui a fait enregistrer le conducteur habituel à la Banque-Carrefour Véhicules, le conducteur habituel est assimilé au titulaire de la plaque d'immatriculation et l'article 67bis est d'application. ".
" Art. 67ter. Lorsqu'une infraction à la présente loi et à ses arrêtés d'exécution est commise avec un véhicule à moteur, immatriculé au nom d'une personne morale et que le conducteur n'a pas été identifié au moment de la constatation de l'infraction, la personne morale ou la personne physique qui représente la personne morale en droit, sont tenues de communiquer l'identité du conducteur incontestable au moment des faits ou, si elles ne la connaissent pas, de communiquer l'identité de la personne responsable du véhicule, sauf si elles peuvent prouver le vol, la fraude ou la force majeure.
La communication doit avoir lieu dans les quinze jours de l'envoi de la demande de renseignements.
Si la personne responsable du véhicule n'était pas le conducteur au moment des faits, elle est également tenue de communiquer l'identité du conducteur incontestable selon les modalités définies ci-dessus.
La personne morale ou la personne physique qui représente la personne morale en droit en tant que titulaire de la plaque d'immatriculation ou en tant que détenteur du véhicule sont tenues de prendre les mesures nécessaires en vue d'assurer le respect de cette obligation.
Le tribunal de police compétent est celui du lieu où l'infraction, ayant entraîné l'application de cet article, a été commise.
Toutefois, lorsque l'infraction a été commise avec un véhicule à moteur immatriculé au nom d'une personne morale, qui a fait enregistrer le conducteur habituel à la Banque-Carrefour Véhicules, le conducteur habituel est assimilé au titulaire de la plaque d'immatriculation et l'article 67bis est d'application. ".
Art.25. In artikel 68 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 18 juli 1990 en gewijzigd bij de wetten van 16 maart 1999 en 20 juli 2005, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
1° de woorden "een jaar" worden vervangen door de woorden "twee jaar";
2° de woorden "en 37bis, § 1, 1° en 4° tot 6° " worden vervangen door de woorden ", 37/1, § 4, 37bis, § 1, 1° en 4° tot 6°, en 48".
1° de woorden "een jaar" worden vervangen door de woorden "twee jaar";
2° de woorden "en 37bis, § 1, 1° en 4° tot 6° " worden vervangen door de woorden ", 37/1, § 4, 37bis, § 1, 1° en 4° tot 6°, en 48".
Art.25. A l'article 68 de la même loi, remplacé par la loi du 18 juillet 1990 et modifié par les lois du 16 mars 1999 et 20 juillet 2005, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " un an révolu " sont remplacés par les mots " deux ans révolus " ;
2° les mots " et 37bis, § 1er, 1° et 4° à 6° " sont remplacés par les mots " , 37/1, § 4, 37bis, § 1er, 1° et 4° à 6°, et 48 ".
1° les mots " un an révolu " sont remplacés par les mots " deux ans révolus " ;
2° les mots " et 37bis, § 1er, 1° et 4° à 6° " sont remplacés par les mots " , 37/1, § 4, 37bis, § 1er, 1° et 4° à 6°, et 48 ".
TITEL 5. - Inwerkingtreding
TITRE 5. - Entrée en vigueur
Art. 26. Deze wet treedt in werking op 15 februari 2018, met uitzondering van de artikelen 10, 14, 16 en 20, en artikel 25, 2°, die in werking treden op 1 juli 2018.
Artikel 37/1, § 1, van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals vervangen bij artikel 10 , geldt enkel voor de feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan.
Artikel 37/1, § 1, van de gecoördineerde wetten van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, zoals vervangen bij artikel 10 , geldt enkel voor de feiten gepleegd na de inwerkingtreding ervan.
Art. 26. La présente loi entre en vigueur le 15 février 2018, à l'exception des articles 10, 14, 16 et 20, et de l'article 25, 2°, qui entrent en vigueur le 1er juillet 2018.
L'article 37/1, § 1er, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, tel que remplacé par l'article 10, ne s'applique qu'aux faits commis après son entrée en vigueur.
L'article 37/1, § 1er, de la loi relative à la police de la circulation routière, coordonnée le 16 mars 1968, tel que remplacé par l'article 10, ne s'applique qu'aux faits commis après son entrée en vigueur.