Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
31 JULI 2017. - Wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-09-2017 en tekstbijwerking tot 14-03-2022)
Titre
31 JUILLET 2017. - Loi modifiant le Code civil en ce qui concerne les successions et les libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette matière(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-09-2017 et mise à jour au 14-03-2022)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (85)
Texte (85)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modifications du Code civil
Afdeling 1. - Wijzigingen van boek I van het Burgerlijk Wetboek
Section 1re. - Modifications du livre Ier du Code civil
Art.2. In artikel 205bis van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 mei 1981 en gewijzigd bij de wet van 10 december 2012, wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
  " § 2. De nalatenschap van degene die overleden is zonder nakomelingen achter te laten is levensonderhoud verschuldigd aan de bloedverwanten in opgaande lijn van de erflater die ten tijde van het overlijden of door het overlijden behoeftig zijn. Dit levensonderhoud wordt toegekend ofwel in de vorm van een maandelijkse lijfrente vastgesteld zoals de rente, in voorkomend geval, verschuldigd tijdens het leven van de erflater in toepassing van artikel 205 zou zijn vastgesteld, ofwel in de vorm van een kapitaal dat overeenstemt met de gekapitaliseerde waarde van deze lijfrente.
  Het bedrag van het levensonderhoud toegekend in de vorm van een kapitaal of de gekapitaliseerde waarde van de lijfrende kan nooit één vierde van de massa bedoeld in artikel 922 overschrijden per opgaande lijn van bloedverwanten.
  Het bedrag van het kapitaal of de gekapitaliseerde waarde van de lijfrente wordt bepaald rekening houdende met de levensverwachting van de schuldeiser die volgt uit de Belgische prospectieve sterftetafels die jaarlijks worden gepubliceerd door het Federaal Planbureau en met de gemiddelde rentevoeten over het laatste jaar van de lineaire obligaties waarvan de maturiteit kleiner is dan de levensverwachting van de schuldeiser. De in aanmerking te nemen rentevoeten worden toegepast na aftrek van de roerende voorheffing en mogen niet lager zijn dan 0 % per jaar.
  [1 De minister van Justitie bepaalt jaarlijks, op voorstel van het Federaal Planbureau, twee tabellen, een voor mannen en een voor vrouwen, die toelaten om het bedrag van het kapitaal of de gekapitaliseerde waarde van de lijfrente te berekenen op de wijze zoals voorgeschreven in het derde lid. Met uitzondering van de eerste tabellen, worden deze tabellen, ieder jaar, op 1 juli bepaald. Ze worden elk jaar in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.]1".
  
Art.2. Dans l'article 205bis du Code civil, inséré par la loi du 14 mai 1981 et modifié par la loi du 10 décembre 2012, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. La succession de celui qui est décédé sans laisser de postérité doit des aliments aux ascendants du défunt qui sont dans le besoin au moment ou en raison du décès. Ces aliments sont alloués soit sous la forme d'une rente viagère mensuelle fixée comme l'aurait été la rente due, le cas échéant, du vivant du défunt en application de l'article 205, soit sous la forme d'un capital correspondant à la valeur capitalisée de cette rente viagère.
  Le montant des aliments octroyés sou la forme d'un capital ou de la valeur capitalisée de la rente viagère ne peut excéder le quart de la masse visée à l'article 922 par la ligne des ascendants.
  Le montant du capital ou la valeur capitalisée de la rente viagère est déterminé en tenant compte de l'espérance de vie du créancier telle qu'elle résulte des tables de mortalité prospectives belges publiées annuellement par le Bureau fédéral du Plan et des taux d'intérêt moyens sur la dernière année des obligations linéaires dont la maturité est inférieure à l'espérance de vie du créancier. Les taux d'intérêt à prendre en compte sont appliqués après déduction du précompte mobilier et ne peuvent être inférieurs à 0 % par an.
  [1 Le ministre de la Justice établit chaque année, sur la proposition du Bureau fédéral du Plan, deux tables, l'une pour les hommes et l'autre pour les femmes, qui permettent de calculer le montant du capital ou de la valeur capitalisée de la rente viagère selon le mode prévu à l'alinéa 3. A l'exception des premières tables, ces tables sont établies au 1er juillet de chaque année. Elles sont publiées chaque année au Moniteur belge.]1"
  
Art. 2/1. [1 In artikel 353-16, eerste lid, 1°, van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 28 maart 2007, worden de woorden "de artikelen 747 en 915 zijn niet van toepassing" vervangen door de woorden "artikel 747 is niet van toepassing;".]1
  
Art. 2/1. [1 Dans l'article 353-16, alinéa 1er, 1°, du Code civil, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 28 mars 2007, les mots "les articles 747 et 915 ne sont pas applicables" sont remplacées par les mots "l'article 747 ne s'applique pas;".]1
  
Art.3. In artikel 378, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001 en gewijzigd bij de wetten van 13 februari 2003 en 30 juli 2013, worden de woorden "de in artikel 410, § 1, 1° tot 6°, 8°, 9° en 11° tot 14° bepaalde handelingen" vervangen door de woorden "de in artikel 410, § 1, 1° tot 6° en 8° tot 14° bepaalde handelingen".
Art.3. Dans l'article 378, § 1er, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 29 avril 2001 et modifié par les lois du 13 février 2003 et 30 juillet 2013, les mots "les actes prévus à l'article 410, § 1er, 1° à 6°, 8°, 9° et 11° à 14° " sont remplacés par les mots "les actes prévus à l'article 410, § 1er, 1° à 6° et 8° à 14° ".
Art.4. Artikel 410, § 1, 10°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 29 april 2001 en opgeheven bij de wet van 13 februari 2003, wordt hersteld als volgt :
  "10° de minderjarige te vertegenwoordigen in de hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam bij een door de wet toegelaten erfovereenkomst, waarbij de vermelde erfovereenkomst echter niet, in hoofde van de minderjarige, de verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg kan hebben;".
Art.4. L'article 410, § 1er, 10°, du même Code, remplacé par la loi du 29 avril 2001 et abrogé par la loi du 13 février 2003, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "10° représenter le mineur en qualité d'héritier présomptif dans un pacte successoral autorisé par la loi, ledit pacte ne pouvant toutefois emporter, dans le chef du mineur, renonciation à des droits dans une succession non ouverte;".
Art.5. Artikel 492/1, § 2, derde lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met de bepaling onder 18°, luidende :
  "18° het aangaan van een door de wet toegelaten erfovereenkomst.".
Art.5. L'article 492/1, § 2, alinéa 3, du même Code, inséré par la loi du 17 mars 2013 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est complété par le 18° rédigé comme suit :
  "18° de conclure un pacte successoral autorisé par la loi.".
Art.6. In artikel 492/3 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 die gewijzigd is bij de wet van 12 mei 2014, wordt de eerste zin, die aanvangt met de woorden "De rechterlijke" en eindigt met de woorden "en 1478, vierde lid", aangevuld met de woorden "evenals de door de wet toegelaten erfovereenkomsten".
Art.6. Dans l'article 492/3 du même Code, inséré par la loi du 17 mars 2013, modifié par la loi du 12 mai 2014, la première phrase, commençant par les mots "La mesure" et finissant par les mots "et 1478, alinéa 4", est complétée par les mots "ainsi que les pactes successoraux autorisés par la loi".
Art.7. In artikel 493 van hetzelfde Wetboek, hersteld bij de wet van 17 maart 2013 die gewijzigd is bij de wet van 12 mei 2014, worden de volgende wijzigingen aangebracht
  1° in het eerste lid van paragraaf 2 worden de woorden ", evenals de door de wet toegelaten erfovereenkomsten," ingevoegd tussen de woorden "bedoelde handelingen" en de woorden "die door de beschermde persoon";
  2° in het derde lid van paragraaf 2 worden de woorden ", evenals de door de wet toegelaten erfovereenkomsten," ingevoegd tussen de woorden "1478, vierde lid" en de woorden "voorwaardelijk werden";
  3° in het eerste lid van paragraaf 3 worden de woorden "of een door de wet toegelaten erfovereenkomst," twee keer ingevoegd na de woorden "1478, vierde lid," en "1478, vierde lid, bedoelde handeling".
Art.7. A l'article 493 du même Code, rétabli par la loi du 17 mars 2013, modifiée par la loi du 12 mai 2014, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er du paragraphe 2, les mots "ainsi que les pactes successoraux autorisés par la loi," sont insérés entre les mots "1478, alinéa 4" et les mots "accomplis par la personne protégée";
  2° dans l'alinéa 3 du paragraphe 2, les mots "ainsi que les pactes successoraux autorisés par la loi" sont insérés entre les mots "1478, alinéa 4," et les mots "ont été autorisés";
  3° dans l'alinéa 1er du paragraphe 3, les mots "ou d'un pacte successoral autorisé par la loi," sont insérés deux fois après les mots "1478, alinéa 4,".
Art.8. Artikel 497/2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met de bepaling onder 27°, luidende :
  "27° het aangaan van een door de wet toegelaten erfovereenkomst, in de hoedanigheid van beschikker, of in de hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam wanneer de erfovereenkomst, in hoofde van de beschermde persoon, de verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg heeft.".
Art.8. L'article 497/2 du même Code, inséré par la loi du 17 mars 2013 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est complété par le 27° rédigé comme suit :
  "27° la conclusion d'un pacte successoral autorisé par la loi, en qualité de disposant, ou en qualité d'héritier présomptif quand ledit pacte emporte, dans le chef de la personne protégée, renonciation à des droits dans une succession non ouverte.".
Art.9. Artikel 499/7, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, wordt aangevuld met de bepaling onder 15°, luidende :
  "15° een door de wet toegelaten erfovereenkomst aan te gaan, in de hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam, waarbij de vermelde erfovereenkomst echter niet, in hoofde van de beschermde persoon, de verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg kan hebben.".
Art.9. L'article 499/7, § 2, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 17 mars 2013 et modifié par la loi du 25 avril 2014, est complété par le 15° rédigé comme suit :
  "15° conclure un pacte successoral autorisé par la loi, en qualité d'héritier présomptif, ledit pacte ne pouvant toutefois emporter, dans le chef de la personne protégée, renonciation à des droits dans une succession non ouverte.".
Afdeling 2. - Wijzigingen van boek III van het Burgerlijk Wetboek
Section 2. - Modifications du livre III du Code civil
Art.10. In artikel 745quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 mei 1981 en gewijzigd bij de wetten van 31 maart 1987, 1 juli 2006 en 30 juli 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het woord "vorderen" vervangen door het woord "vragen";
  2° een paragraaf 1/1 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 1/1. Onverminderd paragraaf 4 kan de omzetting die gevraagd wordt door een afstammeling, of door een geadopteerd kind, of door een afstammeling van deze, die niet tevens afstammeling of geadopteerd kind, of afstammeling van deze, van de langstlevende echtgenoot is, niet worden geweigerd, indien die vraag is gesteld binnen de termijnen bepaald in artikel 745sexies, § 2/1.
  Hetzelfde geldt voor de omzetting die gevraagd wordt door de langstlevende echtgenoot wanneer de blote eigendom geheel of gedeeltelijk behoort aan afstammelingen en geadopteerde kinderen zoals omschreven in het eerste lid.
  Tenzij alle blote eigenaars en de langstlevende echtgenoot anders zijn overeengekomen, wordt het vruchtgebruik in de gevallen vermeld in het eerste en tweede lid, omgezet in een onverdeeld aandeel van de nalatenschap in volle eigendom. Dit aandeel wordt bepaald op basis van de omzettingstabellen bedoeld in artikel 745sexies, § 3, en de leeftijd van de vruchtgebruiker op de datum van de vraag. De artikelen 745quinquies, § 3, en 745sexies, § 3, vierde tot en met zesde lid, zijn van overeenkomstige toepassing.
  Wanneer evenwel omwille van de gezondheidstoestand van de vruchtgebruiker zijn verwachte levensduur manifest lager is dan deze van de omzettingstabellen, kan de rechter, op vraag van een blote eigenaar of de langstlevende echtgenoot, de toepassing van de omzettingstabellen uitsluiten en andere omzettingsvoorwaarden bepalen.";
  3° in § 2, eerste lid, worden de woorden " § 1" vervangen door de woorden "de paragrafen 1 en 1/1";
  4° in § 2, vierde lid, worden de woorden " § 1" vervangen door de woorden "de paragrafen 1 en 1/1";
  5° in paragraaf 3 wordt de komma voor en na het woord "kan" opgeheven.
Art.10. Dans l'article 745quater du même Code, inséré par la loi du 14 mai 1981 et modifié par les lois des 31 mars 1987, 1er juillet 2006 et 30 juillet 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, dans le texte néerlandais, le mot "vorderen" est remplacé par le mot "vragen";
  2° il est inséré un paragraphe 1er/1 rédigé comme suit :
  " § 1er/1. Sans préjudice du paragraphe 4, la conversion demandée par un descendant ou par un enfant adopté, ou par un descendant de celui-ci, qui n'est pas simultanément un descendant ou un enfant adopté, ou un descendant de celui-ci, du conjoint survivant, ne peut être refusée si cette demande est formulée dans les délais prévus à l'article 745sexies, § 2/1.
  Il en va de même pour la conversion qui est demandée par le conjoint survivant lorsque la nue-propriété appartient, en tout ou en partie, à des descendants et à des enfants adoptés, tels que définis à l'alinéa 1er.
  Sauf si tous les nus-propriétaires et le conjoint survivant en conviennent autrement, l'usufruit visé aux alinéas 1er et 2 est converti en une part indivise de la succession en pleine propriété. Cette part est déterminée sur la base des tables de conversion visées à l'article 745sexies, § 3, et de l'âge de l'usufruitier à la date de la demande. Les articles 745quinquies, § 3, et 745sexies, § 3, alinéas 4 à 6, s'appliquent par analogie.
  Toutefois, lorsque, en raison de l'état de santé de l'usufruitier, sa durée de vie probable est manifestement inférieure à celle des tables statistiques, le juge peut, sur la demande d'un nu-propriétaire ou du conjoint survivant, écarter les tables de conversion et fixer d'autres conditions de conversion.";
  3° dans le § 2, alinéa 1er, les mots "au § 1er" sont remplacés par les mots "aux §§ 1er et 1er/1";
  4° dans le § 2, alinéa 4, les mots "dans le § 1er" sont remplacés par les mots "aux §§ 1er et 1er/1";
  5° dans le paragraphe 3, dans le texte néerlandais, les virgules avant et après le mot "kan" sont supprimées.
Art.11. In artikel 745sexies van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 mei 1981 en gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2013, 22 mei 2014 en 19 juni 2016 wordt een paragraaf 2/1 ingevoegd, luidende :
  " § 2/1. De omzetting waarvan sprake in artikel 745quater, § 1/1 kan echter enkel in het kader van de procedure van vereffening en verdeling worden gevraagd, uiterlijk bij de mededeling van de aanspraken vermeld in artikel 1218, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Is de vraag niet binnen die termijn gesteld, dan kan de omzetting later nog worden gevorderd, maar behoudt de rechtbank dezelfde beoordelingsbevoegdheid als bij een vraag tot omzetting op grond van artikel 745quater, § 1. Zo ook indien de omzetting van het vruchtgebruik wordt gevraagd nadat de nalatenschap minnelijk verdeeld is, met geheel of gedeeltelijk behoud van het vruchtgebruik voor de langstlevende.".
Art.11. Dans l'article 745sexies du même Code, inséré par la loi du 14 mai 1981 et modifié par les lois des 30 juillet 2013, 22 mai 2014 et 19 juin 2016, il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
  " § 2/1. La conversion visée à l'article 745quater, § 1/1, ne peut toutefois être demandée que dans le cadre de la procédure de liquidation-partage, au plus tard lors de la communication des revendications visée à l'article 1218, § 1er, alinéa 2, du Code judiciaire. Si la demande n'a pas été faite dans ce délai, la conversion peut encore être demandée ultérieurement, mais le tribunal conserve le même pouvoir d'appréciation que lors d'une demande de conversion fondée sur l'article 745quater, § 1er. Il en va de même si la conversion de l'usufruit est demandée après le partage amiable de la succession, avec maintien intégral ou partiel de l'usufruit pour le survivant.".
Art.12. In boek III, titel I, hoofdstuk VI van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling I vervangen als volgt : "Verdeling".
Art.12. Dans le livre III, titre Ier, chapitre VI du même Code, l'intitulé de la section Ire>> est remplacé par ce qui suit : "Du partage".
Art.13. Artikel 816 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 816. Wanneer alle mede-erfgenamen meerderjarig, aanwezig of vertegenwoordigd, en bekwaam zijn, kan de verdeling minnelijk gebeuren, in zodanige vorm en bij zodanige akte als de mede-erfgenamen dienstig oordelen.".
Art.13. L'article 816 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 816. Si tous les héritiers sont majeurs, présents ou représentés, et capables, le partage peut se faire à l'amiable, dans la forme et par tel acte que les cohéritiers jugent convenables.".
Art.14. Artikel 817 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 17 maart 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 817. Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevinden, of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, of andere personen zoals omschreven in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, geschiedt de minnelijke verdeling evenwel zoals in artikel 1206 van het Gerechtelijk Wetboek bepaald. Zo ook indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard.".
Art.14. L'article 817 du même Code, remplacé par la loi du 17 mars 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 817. Néanmoins, s'il y a parmi les cohéritiers des mineurs, ou des personnes protégées qui, en vertu de l'article 492/1, § 2, ont été déclarées incapables d'aliéner des biens, ou d'autres personnes visées à l'article 1225 du Code judiciaire, le partage amiable se fait conformément à l'article 1206 du Code judiciaire. Il en est de même si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire.".
Art.15. Artikel 818 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 14 juli 1976, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 818. Verdeling kan gevorderd worden, zelfs wanneer een van de mede-erfgenamen het afzonderlijk genot mocht hebben gehad van een gedeelte van de goederen der nalatenschap, tenzij er een akte van verdeling is geweest of een tot het verkrijgen van de verjaring voldoende bezit.".
Art.15. L'article 818 du même Code, abrogé par la loi du 14 juillet 1976, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 818. Le partage peut être demandé, même quand l'un des cohéritiers aurait joui séparément d'une partie des biens de la succession, s'il n'y a eu un acte de partage, ou possession suffisante pour acquérir la prescription.".
Art.16. Artikel 819 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 10 mei 1960, 29 april 2001 en 17 maart 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 819. De vordering tot verdeling ten aanzien van minderjarige of meerderjarige mede-erfgenamen die krachtens artikel 492/1, § 2, onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, kan worden ingesteld door hun voogd of bewindvoerder die daartoe bijzonder gemachtigd is door de vrederechter van het voogdijforum of het bewindsforum."
Art.16. L'article 819 du même Code, modifié par les lois des 10 mai 1960, 29 avril 2001 et 17 mars 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 819. L'action en partage à l'égard des cohéritiers mineurs ou majeurs déclarés incapables d'aliéner des biens en vertu de l'article 492/1, § 2, peut être exercée par leur tuteur ou administrateur spécialement habilité à cet effet par le juge de paix du for de la tutelle ou de l'administration."
Art.17. Artikel 820 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 820. § 1. Iedere mede-erfgenaam die tot betaling van de schulden en lasten van de nalatenschap gehouden is, kan eisen dat deze schulden en lasten worden betaald vooraleer tot verdeling in natura wordt overgegaan, en dat, zo nodig, onverdeelde goederen vooraf worden verkocht, indien het gereed geld en de bankrekeningen, behorend tot de massa, hiervoor niet voldoende lijken.
  § 2. De onverdeelde goederen worden in de onderstaande volgorde ter voldoening van het passief besteed :
  1° het geld en de bankrekeningen;
  2° de openbare fondsen, de effecten op naam, de schuldvorderingen en de andere onlichamelijke roerende goederen;
  3° de lichamelijke roerende goederen;
  4° de onroerende goederen.
  § 3. Iedere mede-erfgenaam kan evenwel de verkoop waarvan sprake in paragraaf 1 verhinderen door een voldoende zekerheid te verschaffen tegen ieder verhaal.
  § 4. Indien de mede-erfgenamen het over de aanwijzing van de bij voorrang te verkopen goederen niet eens zijn, wordt het geschil in het kader van de gerechtelijke verdeling behandeld en beoordeeld.".
Art.17. L'article 820 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 820. § 1er. Tout cohéritier qui est tenu au payement des dettes et charges de la succession peut exiger que ces dettes et charges soient payées avant de procéder au partage en nature, et que, si besoin est, des biens indivis soient préalablement vendus, si les comptes en banque et les valeurs de portefeuille n'y paraissent pas suffire.
  § 2. Les biens indivis sont affectés à l'acquit du passif dans l'ordre suivant :
  1° le numéraire et les comptes en banque;
  2° les fonds publics, les valeurs nominatives, les créances et autres meubles incorporels;
  3° les meubles corporels;
  4° les immeubles.
  § 3. Tout cohéritier peut néanmoins empêcher la vente dont il est question au paragraphe 1er, en fournissant une garantie suffisante contre tout recours.
  § 4. Si les cohéritiers ne s'accordent pas pour désigner les biens qui seront vendus par priorité, la question sera soumise et tranchée dans le cadre du partage judiciaire.".
Art.18. Artikel 821 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 oktober 1967, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 821. Iedere mede-erfgenaam doet, volgens de hierna te bepalen regels, in de massa inbreng van de giften die hem gedaan zijn en van de sommen die hij schuldig is.".
Art.18. L'article 821 du même Code, remplacé par la loi du 10 octobre 1967, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 821. Chaque cohéritier fait rapport à la masse, suivant les règles qui seront ci-après établies, des dons qui lui ont été faits et des sommes dont il est débiteur.".
Art.19. Artikel 822 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 oktober 1967, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 822. § 1. De verdeling van de nalatenschap gebeurt in principe in natura. Er wordt naar gestreefd voor elke mede-erfgenaam een kavel te vormen met goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid.
  De gelijkheid die tussen de mede-erfgenamen moet worden verwezenlijkt is echter een gelijkheid in waarde.
  § 2. Bij de verdeling in natura moet men de verbrokkeling van erven en de splitsing van bedrijven zoveel mogelijk vermijden.".
Art.19. L'article 822 du même Code, abrogé par la loi du 10 octobre 1967, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 822. § 1er. Le partage de la succession se fait en principe en nature. On tend à former pour chaque cohéritier un lot avec des biens de même nature, qualité et bonté.
  L'égalité qui doit être atteinte entre les cohéritiers est néanmoins une égalité en valeur.
  § 2. Lors du partage en nature, on évite autant que possible de morceler les héritages et de diviser les exploitations.".
Art.20. Artikel 823 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 oktober 1967, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 823. § 1. Van de regel van de verdeling in natura wordt afgeweken indien een mede-erfgenaam zich op een wettelijke, testamentaire of conventionele bepaling beroept, die hem het recht verleent zich bepaalde goederen uit de massa bij voorrang te laten toewijzen, dan wel dergelijke goederen bij voorkeur over te nemen of vooruit te nemen.
  § 2. Indien een mede-erfgenaam, die zich niet op een dergelijke wettelijke, testamentaire of conventionele bepaling kan beroepen, de toewijzing van een onverdeeld goed vraagt, en de andere mede-erfgenamen stemmen daarmee in, dan kunnen alle mede-erfgenamen in onderlinge overeenstemming ook bedingen dat de overnemende mede-erfgenaam het toegewezen goed gedurende een nader te bepalen periode niet vrijwillig ten bezwarende titel mag vervreemden, tenzij met instemming van alle mede-erfgenamen. Ze kunnen tevens een forfaitaire vergoeding bepalen voor het geval dit verbod wordt miskend.".
Art.20. L'article 823 du même Code, abrogé par la loi du 10 octobre 1967, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 823. § 1er. Il est dérogé à la règle du partage en nature si un des cohéritiers invoque une disposition légale, testamentaire ou conventionnelle qui lui accorde le droit de se faire attribuer ou de reprendre par préférence certains biens de la masse, ou encore de les prélever.
  § 2. Si un cohéritier qui ne peut pas invoquer une disposition légale, testamentaire ou conventionnelle en ce sens, demande l'attribution d'un bien indivis et que les autres cohéritiers y consentent, tous les héritiers peuvent convenir que le repreneur ne pourra pas aliéner volontairement, à titre onéreux, le bien attribué, pendant une période à déterminer, sauf de l'accord de tous les cohéritiers. Ils peuvent également décider qu'une indemnité forfaitaire sera due si cette interdiction n'est pas respectée.".
Art.21. Artikel 824 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 oktober 1967, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 824. Indien de samenstelling van de massa niet toelaat om kavels van gelijke waarde te vormen, wordt deze ongelijkheid door middel van een opleg verrekend.".
Art.21. L'article 824 du même Code, abrogé par la loi du 10 octobre 1967, est rétabli dans la rédaction suivante :
  "Art. 824. Si la consistance de la masse ne permet pas de constituer des lots d'égale valeur, leur inégalité se compense par une soulte.".
Art.22. Artikel 825 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 10 oktober 1967, wordt hersteld als volgt :
  "Art. 825. § 1. Bij een minnelijke verdeling worden onverdeelde goederen die geen van de mede-erfgenamen in zijn kavel wil of kan nemen, uit de hand of openbaar verkocht.
  Indien alle mede-erfgenamen het daarover eens zijn, kunnen ze ook beslissen dat de goederen bij opbod voor een notaris worden verkocht, waarbij derden niet worden toegelaten.
  § 2. Wanneer zich onder de mede-erfgenamen minderjarigen bevinden, of beschermde personen die krachtens artikel 492/1, § 2, onbekwaam zijn verklaard om goederen te vervreemden, of andere personen bedoeld in artikel 1225 van het Gerechtelijk Wetboek, heeft de verkoop echter plaats zoals bepaald in deel IV, Boek IV, Hoofdstuk IV, van het Gerechtelijk Wetboek. Zo ook indien de nalatenschap onder voorrecht van boedelbeschrijving is aanvaard. In al deze gevallen worden derden altijd tot de veiling opgeroepen.".
Art.22. L'article 825 du même Code, abrogé par la loi du 10 octobre 1967, est rétabli par ce qui suit :
  "Art. 825. § 1er. Dans un partage amiable, les biens indivis qu'aucun des cohéritiers ne peut ou ne veut prendre dans son lot, sont vendus de gré à gré ou en vente publique.
  Si les cohéritiers s'entendent sur ce point, ils peuvent également décider de vendre ces biens aux enchères, devant notaire, sans que des tiers y participent.
  § 2. S'il y a parmi les héritiers des mineurs, ou des personnes protégées qui, en vertu de l'article 492/1, § 2, ont été déclarées incapables d'aliéner des biens, ou d'autres personnes visées à l'article 1225 du Code judiciaire, la vente a néanmoins lieu comme il est dit dans la quatrième partie, livre IV, chapitre IV, du Code judiciaire. Il en est de même si la succession est acceptée sous bénéfice d'inventaire. Dans tous ces cas les tiers sont toujours appelés à la licitation.".
Art.23. Artikel 826 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 826. Bij een gerechtelijke verdeling worden onverdeelde goederen die niet gevoeglijk kunnen worden verdeeld, verkocht zoals bepaald in artikel 1224 van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art.23. L'article 826 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 30 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 826. Dans un partage judiciaire, les biens indivis qui ne sont pas commodément partageables, sont vendus comme il est dit à l'article 1224 du Code judiciaire.".
Art.24. Artikel 827 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 oktober 1967, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 827. Verdelingen, overeenkomstig de hierboven voorgeschreven regels gedaan, hetzij door voogden met machtiging van de vrederechter van de plaats waar de voogdij is opengevallen, hetzij door ontvoogde minderjarigen met bijstand van hun curator, hetzij namens vermoedelijk afwezigen of niet aanwezigen, zijn definitief; zij zijn slechts provisioneel, indien de voorgeschreven regels niet zijn nagekomen.".
Art.24. L'article 827 du même Code, remplacé par la loi du 10 octobre 1967, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 827. Les partages faits conformément aux règles ci-dessus prescrites, soit par les tuteurs, avec l'autorisation du juge de paix tutélaire, soit par les mineurs émancipés, assistés de leurs curateurs, soit au nom des présumés absents ou non-présents, sont définitifs; ils ne sont que provisionnels si les règles prescrites n'ont pas été observées.".
Art.25. De artikelen 829 tot 833 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.
Art.25. Les articles 829 à 833 du même Code sont abrogés.
Art.26. In hetzelfde Wetboek worden opgeheven :
  1° artikel 838, vervangen bij de wet van 18 juli 1991 en gewijzigd bij de wet van 17 maart 2013;
  2° artikel 839;
  3° artikel 840, gewijzigd bij de wetten van 29 april 2001 en 9 mei 2007.
Art.26. Dans le même Code, sont abrogés :
  1° l'article 838, remplacé par la loi du 18 juillet 1991 et modifié par la loi du 17 mars 2013;
  2° l'article 839;
  3° l'article 840, modifié par les lois du 29 avril 2001 et du 9 mai 2007.
Art.27. Artikel 843 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 843. § 1. Onverminderd de artikelen 858bis, § 2, en 1100/7, moet iedere erfgenaam in rechte nederdalende lijn, die tot een nalatenschap komt, zelfs indien hij onder voorrecht van boedelbeschrijving aanvaardt, aan zijn mede-erfgenamen inbreng doen van al hetgeen hij van de overledene, bij schenking onder de levenden of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, tenzij de schenkingen en legaten op zekere wijze zijn gedaan bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng.
  In afwijking van het eerste lid, worden de algemene legaten en de legaten onder algemene titel vermoed te zijn vrijgesteld van inbreng, tenzij op zekere wijze werd bepaald dat zij voor inbreng vatbaar zijn.
  § 2. De erfgenaam niet bedoeld in paragraaf 1, moet geen inbreng doen van hetgeen hij van de overledene, bij schenking onder de levenden of bij testament, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen heeft, tenzij op zekere wijze werd bepaald dat de schenkingen en legaten voor inbreng vatbaar zijn.".
Art.27. L'article 843 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 843. § 1er. Sans préjudice des articles 858bis, § 2, et 1100/7, tout héritier en ligne directe descendante venant à succession, même s'il accepte sous bénéfice d'inventaire, doit rapporter à ses cohéritiers tout ce qu'il a reçu du défunt, par donation entre vifs ou par testament, directement ou indirectement, à moins que les dons et legs aient été faits, de manière certaine, par préciput et hors part ou avec dispense de rapport.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, les legs universels et à titre universel sont présumés dispensés de rapport, à moins qu'ils aient, de manière certaine, été stipulés rapportables.
  § 2. L'héritier non visé au paragraphe 1er ne doit pas le rapport de ce qu'il a reçu du défunt, par donation entre vifs ou par testament, directement ou indirectement, à moins que les dons et legs aient été, de manière certaine, stipulés rapportables.".
Art.28. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 843/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 843/1. § 1. De schenking die oorspronkelijk voor inbreng vatbaar is, kan later van inbreng worden vrijgesteld, door een overeenkomst die tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten.
  § 2. De schenking die oorspronkelijk bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng is gedaan, kan later aan inbreng worden onderworpen, door een overeenkomst die tussen de schenker en de begiftigde wordt gesloten.
  § 3. De overeenkomst die deze modaliteit van de schenking wijzigt, zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2, wordt opgesteld in de vorm van een beschikking onder de levenden. [1 De artikelen 1100/5 en 1100/6 zijn niet van toepassing op deze overeenkomst.]1
  § 4. De schenker kan de aard van de schenking als zijnde voor inbreng vatbaar of als vooruitmaking ook bij testament wijzigen. In dat geval is de begiftigde slechts door deze wijziging gebonden indien hij ze na het overlijden van de schenker aanvaardt. Deze aanvaarding blijft zonder invloed op de uitoefening van het keuzerecht van de begiftigde in de nalatenschap van de schenker.
  § 5. De gift wordt overeenkomstig de regels bepaald in artikel 922/1, aangerekend op de datum van de overeenkomst bedoeld in paragraaf 3 of, indien de wijziging bij testament gebeurt, op de datum van het overlijden van de schenker.".
  
Art.28. Dans le même Code, il est inséré un article 843/1 rédigé comme suit :
  "Art. 843/1. § 1er. La donation initialement sujette à rapport peut être ultérieurement dispensée de rapport par une convention conclue entre le donateur et le donataire.
  § 2. La donation initialement consentie à titre de préciput et hors part ou avec dispense de rapport peut être ultérieurement soumise au rapport par une convention conclue entre le donateur et le donataire.
  § 3. La convention modifiant cette modalité de la donation visée aux paragraphes 1er et 2, est établie dans la forme des dispositions entre vifs. [1 Les articles 1100/5 et 1100/6 ne s'appliquent pas à cette convention.]1
  § 4. Le donateur peut également modifier le caractère rapportable ou préciputaire de la donation par testament. En ce cas, cette modification ne lie le donataire que pour autant qu'il l'accepte, postérieurement au décès du donateur. Cette acceptation est sans incidence sur l'option successorale du donataire dans le cadre de la succession du donateur.
  § 5. La libéralité est imputée, conformément aux règles énoncées à l'article 922/1, à la date de la convention visée au paragraphe 3 ou, lorsque la modification intervient par testament, à la date du décès du donateur.".
  
Art.29. Artikel 844 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 844. De schenkingen en legaten gedaan bij vooruitmaking of met vrijstelling van inbreng, worden aangerekend overeenkomstig artikel 922/1; het deel dat het beschikbaar gedeelte overschrijdt is aan inkorting onderworpen overeenkomstig artikel 920.
  Hetzelfde geldt voor de schenkingen en legaten die vatbaar zijn voor inbreng wanneer, na aanrekening op het globale voorbehouden erfdeel van de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, het overschot het beschikbaar gedeelte overschrijdt. In dat geval wordt enkel de waarde van het goed die overblijft na de inkorting, ingebracht.".
Art.29. L'article 844 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 844. Les dons et legs faits par préciput ou avec dispense de rapport s'imputent conformément à l'article 922/1; la part excédant la quotité disponible est sujette à réduction conformément à l'article 920.
  Il en est de même des dons et legs rapportables lorsque, après imputation sur la réserve globale des héritiers réservataires, le surplus excède la quotité disponible. En ce cas, le rapport ne se fera que de la valeur du bien subsistant après la réduction.".
Art.30. Artikel 845 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 december 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 845. § 1. Een erfgenaam gehouden tot inbreng, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap komt, is slechts gehouden tot inbreng van wat hij zelf heeft gekregen van de overledene, en niet van wat zijn vader of zijn moeder heeft gekregen, zelfs wanneer hij zijn of haar nalatenschap mocht aanvaard hebben. Behoudens andersluidend beding gemaakt overeenkomstig paragraaf 2, brengt hij evenmin in wat zijn kind of zijn afstammeling heeft gekregen.
  § 2. Het kind van de schenker kan zich echter, hetzij in de schenkingsakte, hetzij in een latere overeenkomst gesloten met de schenker en de begiftigde, ertoe verbinden de schenking aan zijn eigen kind in te brengen in de nalatenschap van de schenker, indien hij deze aanvaardt. De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn op deze verbintenis van toepassing.
  De goederen ontvangen door het begiftigde kleinkind worden in de nalatenschap van het kind dat zich heeft verbonden tot inbreng overeenkomstig het eerste lid, behandeld alsof hij de goederen gekregen heeft van deze laatste.".
Art.30. L'article 845 du même Code, remplacé par la loi du 10 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 845. § 1er. L'héritier tenu au rapport qui vient à la succession de son chef n'est tenu de rapporter que ce qu'il a lui-même reçu du défunt, et non ce qu'a reçu son père ou sa mère, même quand il aurait accepté la succession de celui-ci ou de celle-ci. Sauf stipulation contraire faite conformément au paragraphe 2, il ne rapporte pas davantage ce qu'a reçu son enfant ou son descendant.
  § 2. Toutefois, l'enfant du donateur peut, soit dans l'acte de donation soit par une convention postérieure conclue avec le donateur et le donataire, s'engager à rapporter à la succession du donateur, pour autant qu'il accepte celle-ci, la donation faite à son propre enfant. Les articles 1100/2 à 1100/6 sont applicables à cet engagement.
  Les biens reçus par le petit-enfant gratifié sont traités, dans la succession de l'enfant s'étant engagé au rapport conformément à l'alinéa 1er, comme s'il les tenait de ce dernier.".
Art.31. Artikel 846 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 846. De begiftigde die ten tijde van de schenking geen vermoedelijk erfgenaam was, maar erfgenaam is op de dag dat de erfenis openvalt, is eveneens tot inbreng gehouden, onder de voorwaarden bepaald in artikel 843.".
Art.31. L'article 846 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 846. Le donataire qui n'était pas héritier présomptif lors de la donation, mais qui se trouve héritier au jour de l'ouverture de la succession, doit également le rapport, dans les conditions définies à l'article 843.".
Art.32. Artikel 847, tweede zin, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 10 december 2012, wordt vervangen als volgt :
  "Zelfs ingeval zij diens nalatenschap mochten hebben verworpen, moeten zij ook de giften die hij, van wie ze de plaats vervullen, van de overledene heeft gekregen, inbrengen tenzij hij van inbreng werd vrijgesteld.".
Art.32. L'article 847, deuxième phrase, du même Code, remplacé par la loi du 10 décembre 2012, est remplacé par la phrase :
  "Ils sont également tenus de rapporter les libéralités reçues du défunt par la personne à laquelle ils se substituent même dans le cas où ils auraient renoncé à sa succession, à moins que celle-ci ait été dispensée de rapport.".
Art.33. Artikel 849 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 849. Schenkingen en legaten aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende van een erfgerechtigde zijn niet vatbaar voor inbreng.
  Zijn de schenkingen en legaten gezamenlijk aan twee echtgenoten of wettelijk samenwonenden gedaan, van wie slechts één erfgerechtigd is, dan brengt deze laatste de helft daarvan in; zijn de schenkingen en legaten gedaan aan de echtgenoot of de wettelijk samenwonende die erfgerechtigd is, dan brengt hij die geheel in.".
Art.33. L'article 849 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 849. Les dons et legs faits au conjoint ou au cohabitant légal d'un successible ne sont pas susceptibles de rapport.
  Si les dons et legs sont faits conjointement à deux époux ou cohabitants légaux, dont l'un seulement est successible, celui-ci en rapporte la moitié; si les dons et legs sont faits à l'époux ou au cohabitant légal successible, il les rapporte en entier.".
Art.34. Artikel 852 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 852. De kosten van voeding, van onderhoud, van opvoeding, van het aanleren van een ambacht, kosten van bruiloft en gebruikelijke geschenken zijn geen giften. De aard van gebruikelijk geschenk wordt beoordeeld op de dag waarop het wordt toegekend en rekening houdend met het vermogen van de beschikker.".
Art.34. L'article 852 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 852. Les frais de nourriture, d'entretien, d'éducation, d'apprentissage, les frais de noces et présents d'usage, ne sont pas des libéralités. Le caractère de présent d'usage s'apprécie à la date où il est consenti et compte tenu de la fortune du disposant.".
Art.35. Artikel 853 van hetzelfde Wetboek wordt opgeheven.
Art.35. L'article 853 du même Code est abrogé.
Art.36. Artikel 855 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 855. Zelfs wanneer het geschonken goed door toeval is teniet gegaan, is zijn waarde aan inbreng onderworpen overeenkomstig artikel 858.".
Art.36. L'article 855 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 855. Même lorsque le bien donné a péri par cas fortuit, sa valeur est sujette à rapport conformément à l'article 858.".
Art.37. Artikel 856 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 856. De waarde die overeenkomstig artikel 858 moet worden ingebracht, brengt van rechtswege interesten op aan de wettelijke rentevoet te rekenen van de dag van het overlijden van de beschikker.".
Art.37. L'article 856 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 856. La valeur à rapporter conformément à l'article 858 est, de plein droit, productrice d'intérêts au taux légal à dater du décès du disposant.".
Art.38. Artikel 858 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 858. § 1. Onverminderd [1 paragraaf 6]1, geschiedt de inbreng in waarde niettegenstaande elk andersluidend beding, hetzij door mindere ontvangst, hetzij door de betaling aan de massa van de waarde van het geschonken of het gelegateerde goed. De inbreng door mindere ontvangst gebeurt hetzij door vooruitneming, hetzij door verrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar.
  Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een deel van gelijke waarde vooraf uit de massa van de nalatenschap. De vooruitnemingen geschieden, zoveel mogelijk, in goederen van gelijke aard, gelijke hoedanigheid en gelijke deugdelijkheid als het voorwerp van de ingebrachte giften.
  Na deze vooruitnemingen worden uit hetgeen in de massa overblijft, zoveel gelijke kavels samengesteld als er deelhebbende erfgenamen of deelhebbende staken zijn.
  Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam schuldenaar, dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, geschiedt de inbreng door betaling van het overschot aan de massa. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de massa heeft, wordt het op zijn aandeel in te brengen bedrag slechts aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de massa toekomt.
  § 2. De inbreng van legaten geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het gelegateerde goed op de dag van het openvallen van de nalatenschap.
  § 3. De inbreng van schenkingen geschiedt volgens de intrinsieke waarde van het geschonken goed op de dag van de schenking, geïndexeerd vanaf deze dag tot op de dag van het overlijden, in functie van de index der consumptieprijzen van de maand van het overlijden van de schenker, met als basisindex deze van de maand waarin de schenking werd gedaan. Er wordt geen rekening gehouden met de vruchten die het geschonken goed heeft opgebracht tussen de dag van de schenking en deze van het overlijden van de beschikker, noch met het voordeel dat de begiftigde heeft gehaald uit het genot van het goed tijdens deze periode.
  Van het eerste lid wordt afgeweken wanneer de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom van het geschonken goed niet vanaf de dag van de schenking had. In dat geval, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden van de beschikker, indien de begiftigde het recht om te beschikken over de volle eigendom verkrijgt op het ogenblik van het overlijden. Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na het overlijden, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op de dag van het overlijden, verminderd met de waarde van de lasten die de uitoefening van het beschikkingsrecht over de volle eigendom verhinderen. Indien de begiftigde het recht om over de volle eigendom te beschikken verkrijgt op een datum na de schenking, doch voor het overlijden van de beschikker, geschiedt de inbreng volgens de waarde van het geschonken goed op deze datum, geïndexeerd vanaf deze dag tot de dag van het overlijden overeenkomstig het eerste lid.
  § 4. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking is deze vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, behoudens indien zij manifest onredelijk is gelet op de staat en de toestand van het goed op de dag van de schenking.
  § 5. De intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking vermeld in de akte of uitgedrukt op de dag van de schenking, geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een latere overeenkomst gesloten met de schenker en de begiftigde.
  De schenker en de begiftigde kunnen overeenkomen dat de inbreng van een schenking bedoeld in paragraaf 3, tweede lid, zal geschieden volgens de intrinsieke waarde van het goed op de dag van de schenking, geïndexeerd zoals bepaald in paragraaf 3, eerste lid. Deze waarde geldt voor iedere erfgenaam die ze aanvaard heeft in de akte of bij een latere overeenkomst gesloten met de schenker en de begiftigde.
  De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van toepassing op [1 de overeenkomst waarvan sprake in het tweede lid en]1 de aanvaarding waarvan sprake in het eerste en het tweede lid.
  De in het eerste en het tweede lid bedoelde verklaring van de erfgenamen ontneemt hen niet het recht om inkorting te vragen overeenkomstig de artikelen 920 tot 928.
  § 6. De erfgenaam die tot de inbreng is gehouden, heeft de mogelijkheid om zijn verplichting uit te voeren door het geschonken goed in natura in te brengen, voor zover dit hem nog toebehoort en dit vrij is van elke last of bezetting, waarmee het nog niet bezwaard was ten tijde van de schenking.
  Deze inbreng geeft aanleiding tot de betaling van een opleg ten laste van de massa, indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht de in te brengen waarde zoals bepaald in paragraaf 3 overschrijdt. Indien de waarde van het goed dat in natura wordt ingebracht lager is dan de in te brengen waarde, is een opleg verschuldigd aan de massa, ten laste van de erfgenaam die tot inbreng is gehouden.
  [1 § 7. Dit artikel is van toepassing niettegenstaande elk andersluidend beding, tenzij in de gevallen waarin dergelijk beding door de wet wordt toegelaten.]1".
  
Art.38. L'article 858 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 858. § 1er. Sans préjudice du [1 paragraphe 6]1, le rapport a lieu en valeur, nonobstant toute stipulation contraire, soit en moins prenant, soit par le paiement à la masse de la valeur du bien donné ou légué. Le rapport en moins prenant s'effectue soit par prélèvement soit par imputation sur la part du cohéritier débiteur.
  Lorsque le rapport en moins prenant s'opère par prélèvement, les cohéritiers à qui il est dû prélèvent une portion d'égale valeur sur la masse de la succession. Les prélèvements se font, autant que possible, en objets de même nature, qualité et bonté que l'objet des libéralités rapportées.
  Après ces prélèvements, il est procédé, sur ce qui reste dans la masse, à la composition d'autant de lots égaux qu'il y a d'héritiers copartageants, ou de souches copartageantes.
  Si le rapport s'opère par imputation sur la part du cohéritier débiteur, la dette s'éteint par confusion. Si le montant à rapporter excède la part du cohéritier, le rapport a lieu par le paiement du surplus à la masse. Lorsque le cohéritier a lui-même une créance à faire valoir à l'égard de la masse, l'imputation du montant à rapporter sur sa part n'a lieu qu'à concurrence du solde dû à la masse après compensation.
  § 2. Le rapport des legs se fait de la valeur intrinsèque du bien légué au jour de l'ouverture de la succession.
  § 3. Le rapport des donations se fait de la valeur intrinsèque du bien donné au jour de la donation, indexée depuis ce jour et jusqu'à la date du décès, en fonction de l'indice des prix à la consommation du mois du décès du donateur, l'indice de base étant celui du mois au cours duquel la donation est intervenue. Il n'est tenu compte ni des fruits produits par le bien donné entre le jour de la donation et celui du décès du disposant, ni de l'avantage résultant, pour le donataire, de la jouissance du bien durant cette période.
  Il est dérogé à l'alinéa 1er lorsque le donataire n'a pas eu le droit de disposer de la pleine propriété du bien donné dès le jour de la donation. Dans ce cas, le rapport se fait de la valeur du bien donné au jour du décès du disposant, si le donataire acquiert le droit de disposer de la pleine propriété au moment du décès. Si le donataire n'acquiert le droit de disposer de la pleine propriété qu'à une date postérieure au décès, le rapport se fait de la valeur du bien donné au jour du décès, déduction faite de la valeur des charges qui font obstacle à l'exercice du droit de disposition de la pleine propriété. Si le donataire acquiert le droit de disposer de la pleine propriété à une date postérieure à la donation, mais avant le décès du disposant, le rapport se fait de la valeur du bien donné à cette date, indexée depuis ce jour jusqu'à la date du décès conformément à l'alinéa 1er.
  § 4. La valeur intrinsèque du bien au jour de la donation est celle mentionnée dans l'acte ou exprimée au jour de la donation, sauf si elle est manifestement déraisonnable eu égard à l'état et à la situation du bien au jour de la donation.
  § 5. La valeur intrinsèque du bien au jour de la donation, mentionnée dans l'acte ou exprimée au jour de la donation, s'impose à tout héritier qui l'aurait acceptée dans l'acte ou par une convention postérieure conclue avec le donateur et le donataire.
  Le donateur et le donataire peuvent convenir que le rapport d'une donation visée au paragraphe 3, alinéa 2, se fera de la valeur intrinsèque du bien au jour de la donation, indexée conformément au paragraphe 3, alinéa 1er. Cette valeur s'impose à tout héritier qui l'aurait acceptée dans l'acte ou par une convention postérieure conclue avec le donateur et le donataire.
  Les articles 1100/2 à 1100/6 sont applicables à [1 la convention visée à l'alinéa 2 et]1 l'acceptation visée aux alinéas 1er et 2.
  La déclaration des héritiers visée aux alinéas 1er et 2 ne les prive pas du droit de demander la réduction conformément aux articles 920 à 928.
  § 6. L'héritier tenu au rapport a la faculté d'exécuter son obligation en rapportant le bien donné en nature, pour autant que celui-ci lui appartienne encore et qu'il soit libre de toute charge ou occupation dont il n'aurait pas déjà été grevé à l'époque de la donation.
  Ce rapport donne lieu au paiement d'une soulte à charge de la masse, si la valeur du bien rapporté en nature excède la valeur à rapporter telle que définie au paragraphe 3. Si la valeur du bien rapporté en nature est inférieure à la valeur à rapporter, une soulte est due à la masse à charge de l'héritier tenu au rapport.
  [1 § 7. Le présent article s'applique nonobstant toute clause contraire, sauf dans les cas où une telle clause est autorisée par la loi.]1
  
Art.39. Artikel 858bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 mei 1981 en gewijzigd bij de wet van 30 juli 2013, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 858bis. § 1. De giften gedaan aan de langstlevende echtgenoot of de langstlevende wettelijk samenwonende zijn niet vatbaar voor inbreng.
  § 2. Noch de langstlevende echtgenoot, noch de langstlevende wettelijk samenwonende kan de inbreng eisen van giften die aan andere erfgenamen zijn gedaan, ongeacht of deze giften tussen de andere erfgenamen aan inbreng zijn onderworpen of daarvan zijn vrijgesteld.
  § 3. [1 Bij overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt echter het vruchtgebruik van de goederen die de schenker heeft geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik heeft voorbehouden, op voorwaarde dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid heeft en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
   De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.]1

  § 4. [1 De langstlevende wettelijk samenwonende die tot de nalatenschap komt ontvangt bij overlijden van de schenker het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, indien de schenker zich bij de schenking van deze goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, en op voorwaarde dat de wettelijk samenwonende op het tijdstip van de schenking al die hoedanigheid had en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
   Artikel 745octies, § 3, is op dat vruchtgebruik van toepassing.]1

  [1 § 5. Bij het overlijden van de schenker ontvangt de langstlevende echtgenoot die tot de nalatenschap komt het vruchtgebruik van het onroerend goed dat tijdens het samenwonen het gezin tot gemeenschappelijke verblijfplaats diende en van het daarin aanwezige huisraad, op voorwaarde dat de schenker zich bij de schenking van die goederen het vruchtgebruik ervan had voorbehouden, dat de echtgenoot op het tijdstip van de schenking met de schenker wettelijk samenwoonde en dat de schenker de titularis van dit vruchtgebruik is gebleven tot de dag van zijn overlijden.
   De artikelen 745ter tot 745septies zijn op dat vruchtgebruik van toepassing.]1

  [1 § 6.]1 De echtgenoot of de wettelijk samenwonende kan aan dat vruchtgebruik verzaken. De artikelen 1100/2 tot [1 1100/6]1 zijn van toepassing op die verzaking wanneer ze plaatsvindt bij leven van de schenker.".
  
Art.39. L'article 858bis du même Code, inséré par la loi du 14 mai 1981 et modifié par la loi du 30 juillet 2013, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 858bis. § 1er. Les libéralités faites au conjoint survivant ou au cohabitant légal survivant ne sont pas susceptibles de rapport.
  § 2. Ni le conjoint survivant ni le cohabitant légal survivant ne peut exiger le rapport des libéralités faites à d'autres héritiers, que ces libéralités soient soumises au rapport entre les autres héritiers ou qu'elles en soient dispensées.
  § 3. [1 Cependant, le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit des biens que celui-ci a donnés et sur lesquels il s'est réservé l'usufruit, pour autant que le conjoint ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
   Les articles 745ter à 745septies s'appliquent à cet usufruit.]1

  § 4. [1 Le cohabitant légal survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté durant la vie commune à la résidence commune de la famille, et des meubles qui le garnissent, si le donateur a donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, pour autant que le cohabitant légal ait déjà cette qualité au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
   L'article 745octies, § 3, s'applique à cet usufruit.]1

  [1 § 5. Le conjoint survivant qui vient à la succession recueille, au décès du donateur, l'usufruit de l'immeuble affecté durant la vie commune à la résidence commune de la famille, et des meubles qui le garnissent, pour autant que le donateur ait donné ces biens en s'en réservant l'usufruit, que le conjoint cohabitait légalement avec le donateur au moment de la donation et que le donateur soit resté le titulaire de cet usufruit jusqu'au jour de son décès.
   Les articles 745ter à 745septies s'appliquent à cet usufruit.]1

  [1 § 6.]1 Le conjoint ou le cohabitant légal peut renoncer à cet usufruit. Les articles 1100/2 à [1 1100/6]1 sont applicables à cette renonciation, lorsqu'elle a lieu du vivant du donateur.".
  
Art. 39/1. [1 In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 858ter ingevoegd, luidende :
   "Art. 858ter. Wanneer de langstlevende echtgenoot recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap, wordt dat vruchtgebruik vastgesteld zoals bepaald in de volgende leden.
   Het vruchtgebruik zoals bedoeld in het eerste lid bezwaart de goederen die op de dag van het overlijden aanwezig waren.
   Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden bepaald in artikel 858bis, de goederen die door de overledene zijn geschonken en waarvan hij zich het vruchtgebruik had voorbehouden.
   Dat vruchtgebruik bezwaart eveneens, onder de voorwaarden en overeenkomstig de nadere regels bepaald in titel II, hoofdstuk III, de andere door de overledene geschonken goederen voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.
   In afwijking van het tweede lid, bezwaart dat vruchtgebruik, onder de voorwaarden en overeenkomstig de modaliteiten bepaald in titel II, hoofdstuk III, de door de overledene gelegateerde goederen enkel voor zover de langstlevende echtgenoot de inkorting ervan kan vragen of genieten.]1

  
Art. 39/1. [1 Dans le même Code, il est inséré un article 858ter rédigé comme suit :
   "Art. 858ter. Lorsque le conjoint survivant a droit à l'usufruit de toute la succession, cet usufruit est établi conformément aux alinéas suivants.
   L'usufruit visé à l'alinéa 1er grève les biens existants au jour du décès.
   Cet usufruit grève également, aux conditions prévues à l'article 858bis, les biens donnés par le défunt et dont il s'était réservé l'usufruit.
   Cet usufruit grève également, aux conditions et selon les modalités prévues au chapitre III du titre II, les biens donnés par le défunt dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.
   Par dérogation à l'alinéa 2, cet usufruit ne grève, aux conditions et selon les modalités prévues au chapitre III du titre II, les biens légués par le défunt que dans la mesure où le conjoint survivant peut solliciter leur réduction ou profiter de celle-ci.]1

  
Art.40. Artikel 859 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 859. § 1. Om de gelijke behandeling van de mede-erfgenamen in de verdeling te verzekeren, wordt de vaststaande schuld die een mede-erfgenaam tegenover de massa heeft, in de te verdelen massa ingebracht. [1 De regels betreffende de wijze van inbreng van schenkingen zijn van toepassing op de inbreng van schulden, met uitzondering van de regels betreffende de waardering van schenkingen.]1
  § 2. De inbreng van de schulden geschiedt derhalve hetzij door mindere ontvangst, hetzij door betaling van het verschuldigde bedrag aan de massa.
  Indien de inbreng door mindere ontvangst geschiedt door vooruitneming, nemen de mede-erfgenamen aan wie de inbreng verschuldigd is, een gelijk bedrag vooraf uit de massa van de nalatenschap.
  Indien de inbreng geschiedt door aanrekening op het aandeel van de mede-erfgenaam- schuldenaar, dan dooft de schuld uit door schuldvermenging. Indien het in te brengen bedrag het aandeel van de mede-erfgenaam overtreft, blijft de mede-erfgenaam het saldo verschuldigd met toepassing van de voorwaarden en termijnen die voor de oorspronkelijke schuld golden. Indien de mede-erfgenaam zelf een schuldvordering ten laste van de massa heeft, wordt zijn schuld slechts op zijn aandeel aangerekend ten belope van het saldo dat na schuldvergelijking aan de massa toekomt.
  § 3. Tenzij ze betrekking heeft op de prijs van verkochte goederen uit de onverdeeldheid, is de schuld pas opeisbaar vanaf het sluiten van de verdelingsverrichtingen. De mede-erfgenaamschuldenaar kan echter beslissen om de schuld eerder te voldoen.
  § 4. De interesten op de schuld lopen door zoals oorspronkelijk was bedongen of beslist. Indien geen interest was bedongen of opgelegd, dan lopen de interesten van rechtswege vanaf het overlijden, aan de wettelijke rentevoet. Indien de schuld tijdens de onverdeeldheid is ontstaan, lopen de interesten van rechtswege vanaf de datum van opeisbaarheid, aan de wettelijke rentevoet.".
  
Art.40. L'article 859 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 859. § 1er. Pour garantir l'égalité de traitement entre les cohéritiers, celui d'entre eux qui est tenu d'une dette liquide à l'égard de la masse, doit la rapporter à la masse. [1 Les règles relatives au mode de rapport des donations sont applicables au rapport des dettes, à l'exception des règles relatives à l'évaluation des donations.]1
  § 2. Le rapport des dettes a donc lieu, soit en moins prenant, soit par le paiement à la masse de la somme due.
  Lorsque le rapport en moins prenant s'opère par prélèvement, les cohéritiers à qui il est dû prélèvent une portion d'un même montant sur la masse de la succession.
  Si le rapport s'opère par imputation sur la part du cohéritier débiteur, la dette s'éteint par confusion. Si le montant à rapporter excède la part du cohéritier, ce dernier reste redevable du solde aux conditions et délais qui prévalaient pour la dette initiale. Lorsque le cohéritier a lui-même une créance à faire valoir à l'égard de la masse, l'imputation du montant à rapporter sur sa part n'a lieu qu'à concurrence du solde dû à la masse après compensation.
  § 3. Sauf lorsqu'elle est relative au prix de biens indivis vendus, la dette n'est exigible qu'à la clôture des opérations de partage. Toutefois, le cohéritier débiteur peut décider de s'en acquitter avant cette échéance.
  § 4. Les intérêts de la dette courent comme il en avait été convenu ou comme il en avait été décidé initialement. Si aucun intérêt n'a été convenu ni imposé, ceux-ci courent de plein droit à partir de la date du décès, au taux d'intérêt légal. Si la dette est née pendant l'indivision, les intérêts courent de plein droit à partir de la date de son exigibilité, au taux d'intérêt légal.".
  
Art.41. De artikelen 860 tot 869 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.
Art.41. Les articles 860 à 869 du même Code sont abrogés.
Art.42. Artikel 887, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Wanneer een mede-erfgenaam bewijst dat hij voor meer dan een vierde is benadeeld, kan hij tegen de anderen een vordering instellen tot aanvulling van het gedeelte dat hem bij de verdeling is toegekend.
  De aanvulling wordt hem in geld toegekend, tenzij de partijen anders overeenkomen.
  De vordering tot aanvulling verjaart na vijf jaar te rekenen vanaf de datum van de verdeling of, in geval van gedeeltelijke opeenvolgende verdelingen, vanaf de datum van afsluiting van de verdeling.".
Art.42. L'article 887, alinéa 2, du même Code, est remplacé par ce qui suit :
  "Lorsque l'un des cohéritiers établit, à son préjudice, une lésion de plus du quart, il peut intenter contre les autres une action en complément de la part qui lui a été attribuée lors du partage.
  Le complément de part lui est fourni en numéraire, à défaut d'accord entre les parties.
  L'action en complément de part se prescrit par cinq ans à compter du partage ou, en cas de partages partiels successifs, à compter de la clôture du partage.".
Art.43. Artikel 888 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 888. De vordering tot aanvulling is toegestaan tegen elke handeling, ongeacht de benaming ervan, die ertoe strekt de onverdeeldheid onder mede-erfgenamen te doen ophouden. In geval van opeenvolgende gedeeltelijke verdelingen wordt het nadeel slechts beoordeeld bij de afsluiting van de verdeling.
  Ingeval de verdeling of de daarmee gelijkstaande handeling deel uitmaakt van een dading, is de vordering niet toegestaan ten aanzien van die dading.".
Art.43. L'article 888 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 888. L'action en complément de part est admise contre tout acte, quelle que soit sa dénomination, dont l'objet est de faire cesser l'indivision entre cohéritiers. En cas de partages partiels successifs, la lésion ne s'apprécie qu'à la clôture du partage.
  Si le partage, ou l'acte qui en tient lieu, est inclus dans une transaction, l'action en complément de part n'est pas admissible à l'encontre de cette transaction.".
Art.44. In artikel 891 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "op grond van artikel 887, eerste lid," ingevoegd tussen de woorden "Hij tegen wie een vordering tot vernietiging is ingesteld" en de woorden ", kan die tegenhouden".
Art.44. Dans l'article 891 du même Code, les mots "sur la base de l'article 887, alinéa 1er" sont insérés entre les mots "Le défendeur à la demande en rescision" et les mots "peut en arrêter le cours".
Art.45. In artikel 892 van hetzelfde Wetboek worden de woorden "op grond van artikel 887, eerste lid," ingevoegd tussen de woorden "wegens bedrog of geweld" en de woorden ", indien hij de vervreemding".
Art.45. Dans l'article 892 du même Code, les mots "sur la base de l'article 887, alinéa 1er" sont insérés entre les mots "pour dol ou violence" et les mots ", si l'aliénation".
Art.46. Artikel 913 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 913. § 1. De giften, hetzij bij akten onder de levenden, hetzij bij testament, mogen de helft van de massa bedoeld in artikel 922 niet overschrijden, indien de beschikker bij zijn overlijden één of meer kinderen achterlaat.
  § 2. In de vorige paragraaf worden onder de naam kinderen begrepen, de afstammelingen in welke graad zij ook zijn; zij worden evenwel slechts gerekend voor het kind waarvan zij in de nalatenschap van de beschikker de plaats vervullen."
Art.46. L'article 913 du même Code, modifié par la loi du 31 mars 1987, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 913. § 1er. Les libéralités, soit par actes entre-vifs, soit par testament, ne pourront excéder la moitié de la masse visée à l'article 922, si le disposant laisse à son décès un ou plusieurs enfants.
  § 2. Sont compris dans le paragraphe précédent, sous le nom d'enfants, les descendants en quelque degré que ce soit; néanmoins ils ne sont comptés que pour l'enfant auquel ils se substituent dans la succession du disposant."
Art.47. Artikel 914 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 december 2012, wordt vervangen als volgt :
  [1 "Art. 914. § 1. Het deel van de nalatenschap dat overeenkomstig artikel 913 aan de kinderen is voorbehouden wordt enkel bezwaard met vruchtgebruik ten voordele van de langstlevende echtgenoot wanneer hij recht heeft op het vruchtgebruik van de gehele nalatenschap en in de mate als bepaald in artikel 858ter.
   § 2. In alle andere gevallen wordt het voorbehouden erfdeel van de kinderen enkel binnen onderstaande grenzen met dat vruchtgebruik bezwaard :
   1° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van een breukdeel van de nalatenschap, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot te voldoen in de hem toegekende rechten van vruchtgebruik, wordt het saldo van het vruchtgebruik dat hem toekomt ten laste gelegd van het voorbehouden erfdeel dat aan de kinderen is toegekend, elk voor een gelijk deel;
   2° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het gedeelte zoals bepaald in artikel 915bis, § 1, bezwaart dat vruchtgebruik eerst het saldo van het beschikbaar deel nadat hierop de giften werden aangerekend zoals bepaald in artikel 922/1, § 3. Indien dat saldo niet volstaat om de langstlevende echtgenoot in zijn rechten van vruchtgebruik te voldoen, kan hij de inkorting eisen van de op het beschikbaar deel aangerekende giften, in de volgorde zoals bepaald in artikel 923. Die inkorting gebeurt overeenkomstig het bepaalde in artikel 920;
   3° wanneer de rechten van de langstlevende echtgenoot werden beperkt tot het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, aan de kinderen zijn toegewezen, kunnen de kinderen een compensatie voor de last van dat vruchtgebruik vorderen, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
   In het geval bedoeld in het eerste lid, 2°, kan de langstlevende echtgenoot het vruchtgebruik waarvan hij de inkorting niet kan verkrijgen, hetzij omwille van artikel 915bis, § 2/1 hetzij omdat hij aan de vordering tot inkorting heeft verzaakt, niet ten laste van het voorbehouden erfdeel van de kinderen leggen.
   De compensatie bedoeld in het eerste lid, 3°, komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aan te rekenen legaten, zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf in de mate waarin zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook een deel of het geheel van het saldo van het beschikbaar deel ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, met uitzondering van het voorbehouden erfdeel van de kinderen.
   De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende echtgenoot, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3.
   § 3. Wanneer de langstlevende wettelijke samenwonende recht heeft op het vruchtgebruik van bepaalde goederen van de nalatenschap en die goederen, door de verdeling, zijn toegewezen aan de kinderen, kunnen zij een compensatie vorderen voor de last van dat vruchtgebruik, in de mate waarin dit hun recht op een voorbehouden erfdeel van de nalatenschap bezwaart.
   Die compensatie komt ten laste van de begunstigden van de op het beschikbaar deel aangerekende legaten zoals bepaald in artikel 922/1, § 3, alsook van de kinderen zelf voor zover zij, naast hun voorbehouden erfdeel, in de goederen van de nalatenschap ook het saldo van het beschikbaar deel geheel of gedeeltelijk ontvangen. Zij dragen allen de last van deze compensatie in verhouding tot de waarde van de goederen die zij ontvangen, behoudens het reservatair erfdeel van de kinderen.
   De globale compensatie is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van het vruchtgebruik van de langstlevende wettelijke samenwonende, bepaald overeenkomstig artikel 745sexies, § 3."]1

  
Art.47. L'article 914 du même Code, modifié par la loi du 10 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
  [1 Art. 914. § 1er. La portion de la succession qui est réservée aux enfants conformément à l'article 913, n'est grevée d'usufruit au profit du conjoint survivant que lorsque celui-ci a droit à l'usufruit de toute la succession, et dans la mesure déterminée à l'article 858ter.
   § 2. Dans tous les autres cas, la réserve des enfants n'est grevée de cet usufruit que dans les limites ci-après :
   1° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit d'une fraction de la succession, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est dit à l'article 922/1, § 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant des droits en usufruit qui lui ont été accordés, le solde d'usufruit qui lui revient est mis à charge de la part réservataire attribuée aux enfants, chacun pour une part égale;
   2° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à la portion déterminée par l'article 915bis, § 1er, cet usufruit grève d'abord le solde de la quotité disponible, après imputation sur celle-ci des libéralités comme il est dit à l'article 922/1, § 3. Si ce solde ne suffit pas pour remplir le conjoint survivant de ses droits en usufruit, il peut exiger la réduction des libéralités imputées sur la quotité disponible, dans l'ordre déterminé par l'article 923. Cette réduction se fait conformément à ce qui est dit à l'article 920;
   3° lorsque les droits du conjoint survivant ont été limités à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
   Dans le cas visé à l'alinéa 1er, 2°, le conjoint survivant ne peut mettre à charge de la réserve des enfants l'usufruit dont il ne peut obtenir la réduction, soit par application de l'article 915bis, § 2/1, soit parce qu'il a renoncé à l'action en réduction.
   La compensation visée à l'alinéa 1er, 3°, est à charge tant des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il est dit à l'article 922/1, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur part réservataire, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à la valeur des biens qu'ils recueillent, hormis la part réservataire des enfants.
   La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l'usufruit du conjoint survivant, déterminée comme il est dit à l'article 745sexies, § 3.
   § 3. Lorsque le cohabitant légal survivant a droit à l'usufruit de certains biens de la succession, et que ces biens sont, par le partage, attribués aux enfants, ceux-ci peuvent exiger une compensation pour la charge de cet usufruit, dans la mesure où il grève leur droit à une part réservataire de la succession.
   Cette compensation est à charge tant des bénéficiaires de legs imputables sur la quotité disponible comme il est dit à l'article 922/1, § 3, que des enfants eux-mêmes dans la mesure où ils recueillent dans les biens de la succession, outre leur part réservataire, une portion ou la totalité du solde de la quotité disponible. Ils supportent tous la charge de cette compensation proportionnellement à la valeur des biens qu'ils recueillent, hormis la part réservataire des enfants.
   La compensation globale est égale à la valeur capitalisée de l'usufruit du cohabitant légal survivant, déterminée comme il est dit à l'article 745sexies, § 3.]1

  
Art.48. Artikel 915 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 14 mei 1981 en 28 maart 2007, wordt opgeheven.
Art.48. L'article 915 du même Code, modifié par les lois du 14 mai 1981 et des 28 mars 2007, est abrogé.
Art.49. In artikel 915bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 14 mei 1981 en gewijzigd bij de wetten van 20 mei 1997 en 22 april 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "goederen van de nalatenschap" vervangen door de woorden "massa bedoeld in artikel 922";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden "of het recht op huur" ingevoegd tussen de woorden "het vruchtgebruik" en de woorden "verliest van";
  3° in paragraaf 2, tweede lid, worden de woorden "of dit recht op huur" ingevoegd tussen de woorden "dit vruchtgebruik" en de woorden "betrekking op", en worden de woorden "of dit recht op huur" ingevoegd tussen de woorden "dit vruchtgebruik" en de woorden "voldoet aan";
  4° een paragraaf 2/1 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 2/1. In elk geval, kan de langstlevende echtgenoot niet de inkorting vragen van de schenkingen gedaan door de overledene op een tijdstip waarop de echtgenoot deze hoedanigheid niet had, niettegenstaande de opname ervan in de massa bedoeld in artikel 922. Evenmin kan hij voordeel genieten van de inkorting van dergelijke schenkingen gevraagd door de afstammelingen van de overledene.";
  5° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt :
  " § 3. De rechten bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen bij testament aan de langstlevende echtgenoot worden ontnomen, indien de echtgenoten op de dag van het overlijden sinds meer dan zes maanden gescheiden leefden en indien de erflater of de langstlevende echtgenoot, bij een gerechtelijke akte, als eiser of als verweerder, ofwel een afzonderlijk verblijf had gevorderd, ofwel een vordering tot echtscheiding op grond van artikel 229 had ingeleid, en voor zover de echtgenoten na die akte niet opnieuw zijn gaan samenwonen.
  In het geval bedoeld in het eerste lid, houdt de aanstelling van een algemene legataris een weerlegbaar vermoeden in van de wil om de langstlevende echtgenoot deze rechten te ontnemen.
  Het eerste en het tweede lid zijn niet van toepassing indien de echtgenoten de overeenkomst bedoeld in artikel 1287, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek tot stand hebben gebracht. Deze overeenkomst heeft uitwerking vanaf de neerlegging van het verzoekschrift tot echtscheiding, tenzij de partijen in de overeenkomst hebben bepaald dat deze uitwerking heeft vanaf de ondertekening.";
  6° [1 paragraaf 4 wordt opgeheven.]1
  
Art.49. A l'article 915bis du même Code, inséré par la loi du 14 mai 1981 et modifié par les lois des 20 mai 1997 et 22 avril 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots " des biens de la succession" sont remplacés par les mots "la masse visée à l'article 922";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots "ou du droit au bail" sont insérés entre les mots "de l'usufruit" et les mots "de l'immeuble";
  3° dans le paragraphe 2, alinéa 2, les mots "ou ce droit au bail" sont insérés entre les mots "cet usufruit" et les mots "porte sur l'immeuble", et les mots "ou de ce droit au bail' sont insérés entre les mots "de cet usufruit" et les mots "soit conforme";
  4° il est inséré un paragraphe 2/1 rédigé comme suit :
  " § 2/1. En toute hypothèse, le conjoint survivant ne peut solliciter la réduction des donations consenties par le défunt à une époque où le conjoint n'avait pas cette qualité, nonobstant la comptabilisation de celles-ci dans la masse visée à l'article 922. Il ne peut pas non plus profiter de la réduction de telles donations demandée par les descendants du défunt.";
  5° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. Le conjoint survivant peut être privé par testament des droits visés aux paragraphes 1er et 2 lorsqu'au jour du décès les époux étaient séparés depuis plus de six mois et que, par un acte judiciaire, soit en demandant soit en défendant, le défunt ou le conjoint survivant a soit réclamé une résidence séparée de celle de son conjoint, soit introduit une demande de divorce sur la base de l'article 229, et pour autant que depuis cet acte les époux n'aient plus repris la vie commune.
  Dans le cas visé à l'alinéa 1er, la désignation d'un légataire universel constitue une présomption réfragable de la volonté de priver le conjoint survivant de ces droits.
  Les alinéas 1er et 2 ne sont pas applicables lorsque les époux ont établi la convention prévue à l'article 1287, alinéa 3, du Code judiciaire. Cette convention produit ses effets à partir du dépôt de la requête en divorce, sauf si les parties ont décidé dans la convention qu'elle produit ses effets au jour de la signature.";
  6° [1 le paragraphe 4 est abrogé.]1
  
Art.50. In artikel 916 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 mei 1981, worden de woorden ", van bloedverwanten in de opgaande en in de nederdalende lijn" vervangen door de woorden "en van bloedverwanten in de nederdalende lijn".
Art.50. Dans l'article 916 du même Code, remplacé par la loi du 14 mai 1981, les mots ", d'ascendants et de descendants" sont remplacés par les mots "et de descendants".
Art.51. Artikel 917 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 14 mei 1981, wordt opgeheven
Art.51. L'article 917 du même Code, remplacé par la loi du 14 mai 1981, est abrogé.
Art.52. Artikel 918 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 14 mei 1981, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 918. § 1. De inkorting van schenkingen kan niet worden gevraagd door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent die verzaakt hebben aan de vordering tot inkorting van de desbetreffende schenking, door middel van een eenzijdige verklaring, in de schenkingsakte of naderhand. De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van overeenkomstige toepassing op deze verzaking, onverminderd het eenzijdig karakter van de verzaking.
  De erfgenamen die hebben verzaakt aan de vordering tot inkorting kunnen geen voordeel meer genieten van de inkorting die door anderen zou worden gevraagd.
  § 2. Niettegenstaande de verzaking aan de vordering tot inkorting bedoeld in paragraaf 1, wordt de waarde van de goederen die het voorwerp uitmaken van de schenking opgenomen in de massa bedoeld in artikel 922.
  De verzaking aan de vordering tot inkorting kan niet tot gevolg hebben dat de andere giften een grotere inkorting zouden ondergaan dan de inkorting die zij zouden hebben ondergaan bij afwezigheid van dergelijke verzaking.
  § 3. De verzaking aan de vordering tot inkorting heeft, in voorkomend geval, geen uitwerking ten aanzien van de voor inbreng vatbare aard van de schenking.
  § 4. [1 ...]1".
  
Art.52. L'article 918 du même Code, modifié par la loi du 14 mai 1981, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 918. § 1er. La réduction des donations ne pourra pas être demandée par les héritiers réservataires qui auront renoncé à l'action en réduction à l'encontre de la donation concernée par une déclaration unilatérale dans l'acte de donation ou postérieure à celui-ci. Les articles 1100/2 à 1100/6 sont applicables à ladite renonciation, par analogie et sans préjudice du caractère unilatéral de la renonciation.
  Les héritiers ayant renoncé à l'action en réduction ne pourront profiter de la réduction qui serait demandée par d'autres.
  § 2. Nonobstant la renonciation à l'action en réduction visée au paragraphe 1er, la valeur des biens ayant fait l'objet de la donation est comprise dans la masse visée à l'article 922.
  La renonciation à l'action en réduction ne peut avoir pour conséquence de faire subir aux autres libéralités une réduction plus importante que celle qu'elles auraient subie en l'absence d'une telle renonciation.
  § 3. La renonciation à l'action en réduction est, le cas échéant, sans effet sur le caractère rapportable de la donation.
  § 4. [1 ...]1".
  
Art.53. In artikel 919 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden "beschikking uitdrukkelijk bij vooruitmaking" vervangen door de woorden "beschikking op zekere wijze bij vooruitmaking";
  2° het tweede lid wordt opgeheven.
Art.53. A l'article 919 du même Code, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, les mots "ait été faite expressément à titre de" sont remplacés par les mots "ait été faite, de manière certaine, à titre de";
  2° l'alinéa 2 est abrogé.
Art.54. Artikel 920 van hetzelfde Wetboek, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, wordt aangevuld met de volgende paragrafen 2 tot 4 :
  " § 2. Niettegenstaande elk andersluidend beding en behoudens het in artikel 915bis, § 2, bedoelde geval van het voorbehouden erfdeel geschiedt de inkorting enkel in waarde. Zij kan evenwel in natura geschieden op vraag van de begiftigde.
  § 3. De beschikkingen, hetzij onder de levenden, hetzij wegens overlijden, die enkel voor het vruchtgebruik moeten worden ingekort maar die betrekking hebben op andere goederen dan die welke worden bedoeld in artikel 915bis, § 2, worden eveneens ingekort in waarde. De vergoeding voor de inkorting is gelijk aan de gekapitaliseerde waarde van dit vruchtgebruik op de dag van het overlijden; ze wordt berekend door de bepalingen van de artikelen 745sexies, § 3, en [1 745quinquies, § 3]1, naar analogie toe te passen.
  § 4. In afwijking van paragraaf 2 geschiedt de inkorting [1 in volle of blote eigendom]1 van legaten in natura wanneer de begiftigde geen erfgenaam is.".
  
Art.54. L'article 920 du même Code, dont le texte actuel formera le paragraphe 1er, est complété par les paragraphes 2 à 4 suivants :
  " § 2. Nonobstant toute stipulation contraire, et sauf le cas de la réserve visée à l'article 915bis, § 2, la réduction n'a lieu qu'en valeur. Elle peut toutefois avoir lieu en nature à la demande du gratifié.
  § 3. Les dispositions, soit entre vifs, soit à cause de mort, qui doivent être réduites pour l'usufruit seulement, mais portent sur d'autres biens que ceux visés à l'article 915bis, § 2, sont également réduites en valeur. L'indemnité de réduction est égale à la valeur capitalisée, au jour du décès, de cet usufruit; elle se calcule en appliquant par analogie les dispositions des articles 745sexies, § 3, et [1 745quinquies, § 3]1."
  § 4. Par dérogation au paragraphe 2, la réduction [1 en pleine ou en nue-propriété]1 des legs a lieu en nature lorsque le gratifié n'est pas un héritier.".
  
Art.55. Artikel 922 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 december 1998, wordt vervangen als volgt :
  "Art. 922. Om de inkorting te bepalen, vormt men een massa uit alle goederen die bij het overlijden van de schenker of testator aanwezig waren. Na aftrek van de schulden, worden de goederen waarover hij bij schenking onder de levenden heeft beschikt, fictief daarbij gevoegd volgens hun staat en hun waarde zoals bepaald in artikel 858, §§ 3 tot 5. Over al die goederen berekent men het gedeelte waarover hij heeft mogen beschikken, met inachtneming van de hoedanigheid van de door hem achtergelaten erfgenamen.".
Art.55. L'article 922 du même Code, modifié par la loi du 22 décembre 1998, est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 922. La réduction se détermine en formant une masse de tous les biens existants au décès du donateur ou testateur. Après déduction des dettes, on y réunit fictivement ceux dont il a été disposé par donations entre-vifs, d'après leur état et leur valeur telle que définie à l'article 858, §§ 3 à 5. On calcule sur tous ces biens quelle est, eu égard à la qualité des héritiers qu'il laisse, la quotité dont il a pu disposer.".
Art.56. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 922/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. 922/1. § 1. De giften toegekend door de schenker of de testator worden aangerekend, naar gelang het geval, op de globale reserve van de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent of op het beschikbaar deel, in de volgorde waarin ze zijn toegekend, te beginnen met de oudste. De legaten worden aangerekend op de dag van openvallen van de nalatenschap.
  § 2. De giften die als voorschot op erfdeel worden vermaakt aan een erfgenaam aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, worden op de globale reserve van de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, aangerekend en, bijkomend, op het beschikbaar deel. Het meerdere wordt ingekort.
  Deze giften blijven voor inbreng vatbaar niettegenstaande, in voorkomend geval, hun gehele of gedeeltelijke aanrekening op het beschikbaar deel. In geval van gehele of gedeeltelijke inkorting, dienen zij evenwel slechts te worden ingebracht ten belope van hetgeen overblijft na inkorting.
  § 3. De giften die bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng aan een erfgenaam aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, worden vermaakt, evenals deze waarvan de begunstigde geen erfgenaam is aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, worden op het beschikbaar deel aangerekend. Het meerdere wordt ingekort.".
Art.56. Dans le même Code, il est inséré un article 922/1 rédigé comme suit :
  "Art. 922/1. § 1er. Les libéralités consenties par le donateur ou testateur s'imputent, selon le cas, sur la réserve globale des héritiers réservataires ou sur la quotité disponible, dans l'ordre où elles ont été consenties, en commençant par la plus ancienne. Les legs s'imputent à la date d'ouverture de la succession.
  § 2. Les libéralités faites à titre d'avance d'hoirie à un héritier réservataire s'imputent sur la réserve globale des héritiers réservataires et, subsidiairement, sur la quotité disponible. L'excédent est sujet à réduction.
  Ces libéralités demeurent rapportables nonobstant, le cas échéant, leur imputation partielle ou totale sur la quotité disponible. En cas de réduction partielle ou totale, elles ne sont toutefois rapportables qu'à concurrence du solde subsistant après réduction.
  § 3. Les libéralités faites à titre de préciput et hors part ou avec dispense de rapport à un héritier réservataire, de même que celles dont le bénéficiaire n'est pas un héritier réservataire, s'imputent sur la quotité disponible. L'excédent est sujet à réduction.".
Art.57. Artikel 924 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 924. Indien de gift, die in waarde wordt ingekort, het beschikbaar gedeelte overschrijdt, vergoedt de begiftigde, al dan niet erfgerechtigd, de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, ten belope van het overschrijdende gedeelte van de gift, wat ook het bedrag hiervan is.
  De betaling van de vergoeding door de erfgenaam geschiedt in mindere ontvangst en, indien hij erfgenaam is aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, bij voorrang door toerekening op zijn voorbehouden rechten.
  Na voorafgaandelijke uitwinning van de goederen van de schuldenaar van de vergoeding voor de inkorting en ingeval van onvermogen van deze laatste, kunnen de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, de inkorting vorderen tegen derden die de goederen die van de giften deel uitmaakten onder kosteloze titel hebben verworven van de begiftigde of van de opvolgende begunstigde ten kosteloze titel. De vordering geschiedt op dezelfde wijze als tegen de begiftigden zelf en volgens de dagtekeningen van de vervreemdingen, te beginnen met de laatste.
  De vordering tot inkorting kan niet worden uitgeoefend tegen de derden bedoeld in het derde lid door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent die, overeenkomstig artikel 1100/5, hetzij in de schenkingsakte, hetzij bij een latere uitdrukkelijke verklaring, hebben toegestemd in de vervreemding van het gegeven goed. De artikelen 1100/2, 1100/3, 1100/4 en 1100/6 zijn van toepassing op deze toestemming.
  De vordering tot inkorting kan door de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, niet worden uitgeoefend ten aanzien van legaten waarvan zij de afgifte hebben toegekend met kennis van de aantasting van het hun voorbehouden gedeelte. In dat geval kan voor de andere giften evenwel geen grotere inkorting gelden dan diegene die zou zijn toegepast zonder een dergelijke afgifte.
  De vergoeding voor de inkorting wordt uiterlijk betaald op het ogenblik van de verdeling, behoudens andersluidend akkoord tussen de mede-erfgenamen.".
Art.57. L'article 924 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 924. Lorsque la libéralité réductible en valeur excède la quotité disponible, le gratifié successible ou non successible indemnise les héritiers réservataires à concurrence de la portion excessive de la libéralité, quel que soit le montant de cet excédent.
  Le paiement de l'indemnité par l'héritier se fait en moins prenant et, s'il est héritier réservataire, en priorité par imputation sur ses droits réservataires.
  Après discussion préalable des biens du débiteur de l'indemnité de réduction et en cas d'insolvabilité de ce dernier, les héritiers réservataires peuvent exercer l'action en réduction contre les tiers ayant acquis à titre gratuit les biens faisant partie des libéralités du gratifié ou du bénéficiaire successeur à titre gratuit. L'action est exercée de la même manière que contre les gratifiés eux-mêmes et suivant l'ordre des dates des aliénations, en commençant par la plus récente.
  L'action en réduction ne peut être exercée contre les tiers visés à l'alinéa 3 par les héritiers réservataires qui ont consenti, conformément à l'article 1100/5, à l'aliénation du bien donné soit dans l'acte de donation, soit par une déclaration expresse postérieure. Les articles 1100/2, 1100/3, 1100/4 et 1100/6 sont applicables au dit consentement.
  L'action en réduction ne peut être exercée par les héritiers réservataires à l'égard des legs dont ils ont consenti la délivrance en connaissance de l'atteinte portée à leur réserve. Les autres libéralités ne peuvent toutefois, en pareille hypothèse, subir une réduction plus importante que celle qu'elles auraient subies en l'absence d'une telle délivrance.
  L'indemnité de réduction est payable au plus tard au moment du partage, sauf accord contraire entre les cohéritiers.".
Art.58. Artikel 925 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de woorden "bedoeld in artikel [1 920, § 4]1".
  
Art.58. A l'article 925 du même Code, les mots "visées à l'article [1 920, § 4]1," sont insérés entre les mots "dispositions testamentaires" et les mots "seront caduques".
  
Art.59. Artikel 928 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 928. § 1. De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een erfgenaam verjaart na dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap.
  De erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, zijn echter vervallen van het recht om de inkorting te vorderen indien zij, terwijl zij weet hebben van de aantasting van hun voorbehouden deel, de inkorting van de giften bedoeld in het eerste lid, niet hebben gevraagd op de dag van de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap.
  § 2. De vordering tot inkorting ten aanzien van een gift toegekend aan een begiftigde die geen erfgenaam is, verjaart na twee jaar te rekenen vanaf de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap voor zover uit deze vereffening de aantasting blijkt van het voorbehouden deel van de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent of, in elk geval, na maximum dertig jaar te rekenen vanaf het openvallen van de nalatenschap.
  De begiftigde kan evenwel, op elk ogenblik, de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, aanmanen om standpunt in te nemen over het principe en, in voorkomend geval, het bedrag van de inkorting van de gift die hem werd toegekend. In dat geval, nemen de erfgenamen aan wie de wet een voorbehouden erfdeel toekent, een standpunt in over het principe van de inkorting, op straffe van verval ten laatste binnen het jaar volgend op de ingebrekestelling en beschikken zij, te rekenen vanaf deze princiepsverklaring, over een termijn van twee jaar om de inkorting te vorderen en om het bedrag ervan vast te stellen.".
Art.59. L'article 928 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 928. § 1er. L'action en réduction à l'égard d'une libéralité consentie à un héritier se prescrit par trente ans à compter de l'ouverture de la succession.
  Toutefois, les héritiers réservataires sont déchus du droit de solliciter la réduction si, ayant connaissance de l'atteinte portée à leur réserve, ils n'ont pas demandé la réduction des libéralités visées à l'alinéa 1er au jour de la clôture de la liquidation-partage de la succession.
  § 2. L'action en réduction à l'égard d'une libéralité consentie au bénéfice d'un gratifié qui n'est pas un héritier se prescrit par deux ans à compter de la clôture de la liquidation-partage de la succession pour autant que ladite liquidation ait fait apparaître l'atteinte portée à la réserve des héritiers réservataires ou, en toute hypothèse, par trente ans maximum à compter de l'ouverture de la succession.
  Le gratifié peut toutefois, à tout moment, mettre les héritiers réservataires en demeure de se prononcer sur le principe et, le cas échéant, le montant de la réduction de la libéralité qui lui a été consentie. En ce cas, les héritiers réservataires se prononcent, à peine de déchéance, au plus tard dans l'année de la mise en demeure quant au principe de la réduction et disposent, à compter de cette déclaration de principe, d'un délai de deux ans pour formuler la demande de réduction et en déterminer le montant.".
Art.60. Artikelen 929 en 930 van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.
Art.60. Les articles 929 et 930 du même Code sont abrogés.
Art.61. Artikel 1076, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met de volgende zin :
  "De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van toepassing.".
Art.61. L'article 1076, alinéa 2, du même Code, est complété par la phrase suivante :
  "Les articles 1100/2 à 1100/6 sont applicables.".
Art.62. Artikel 1079 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen als volgt :
  "Art. 1079. De verdeling, door de bloedverwant in de opgaande lijn gemaakt, kan worden betwist uit hoofde van benadeling voor meer dan een vierde; onverminderd de mogelijkheid om de inkorting te vorderen overeenkomstig de artikelen 920 tot 928.".
Art.62. L'article 1079 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  "Art. 1079. Le partage fait par l'ascendant pourra être attaqué pour cause de lésion de plus du quart, sans préjudice de la possibilité de demander la réduction, conformément aux articles 920 à 928.".
Art.63. In boek III van hetzelfde Wetboek wordt een titel IIbis ingevoegd die de artikelen 1100/1 tot 1100/7 bevat, luidende :
  "TITEL IIbis. ERFOVEREENKOMSTEN
  HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen
  Art. 1100/1. § 1. Men kan geen erfkeuze maken omtrent een nalatenschap die nog niet is opengevallen, noch enige verbintenis aangaan of enige overeenkomst sluiten omtrent de attributen van de hoedanigheid van erfgenaam of legataris, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald. Evenmin kan men enig beding maken of enige overeenkomst sluiten betreffende de toekomstige nalatenschap van een derde, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
  Aldus is elke overeenkomst met betrekking tot de erfkeuze, tot het principe of de nadere regels van de inbreng, alsook tot het principe of de nadere regels van de inkorting betreffende een nalatenschap die nog niet is opengevallen, verboden, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
  § 2. Overeenkomsten of bedingen onder kosteloze titel betreffende de eigen toekomstige nalatenschap van een partij kunnen evenmin worden gesloten of opgemaakt, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
  § 3. [1 Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel betreffende de eigen toekomstige nalatenschap van een partij die de algemeenheid van de goederen betreffen die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, of een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, of al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden, zijn niet toegelaten, tenzij in de gevallen bij de wet bepaald.
   § 4. Overeenkomsten of bedingen onder bezwarende titel zijn altijd toegelaten, als ze onder bijzondere titel zijn gesloten of gemaakt, zelfs als ze de toekomstige nalatenschap van een partij betreffen, en zelfs als die partij zich het recht voorbehoudt om tijdens zijn leven over het voorwerp van die overeenkomst of dat beding te beschikken. Een overeenkomst of beding is onder bijzondere titel, wanneer de overeenkomst of het beding niet de algemeenheid van de goederen betreft die de partij bij zijn overlijden zal nalaten, en evenmin een gedeelte van de goederen die de partij zal nalaten, noch al zijn onroerende goederen, al zijn roerende goederen, of een gedeelte van al zijn onroerende goederen of van al zijn roerende goederen bij zijn overlijden.
   De artikelen 1100/5 en 1100/6 zijn niet van toepassing op de erfovereenkomsten in deze paragraaf vermeld.]1

  Art. 1100/2. § 1. Een minderjarige kan enkel partij zijn bij een erfovereenkomst in de hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam, waarbij de erfovereenkomst echter niet, in hoofde van de minderjarige, de verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg kan hebben. Artikel 410, § 1, 10° is van toepassing.
  § 2. De persoon die, krachtens artikel 492/1, § 2, onbekwaam werd verklaard om een erfovereenkomst aan te gaan, kan deze toch aangaan, met alle eraan verbonden gevolgen, na machtiging, op zijn verzoek,door de vrederechter bedoeld in artikel 628, 3° van het Gerechtelijk Wetboek. De vrederechter oordeelt over de wilsbekwaamheid van de beschermde persoon. De artikelen 1241 en 1246 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing.
  Bij gebrek aan de in het eerste lid bedoelde machtiging kan de beschermde persoon enkel partij zijn bij een erfovereenkomst in de hoedanigheid van vermoedelijk erfgenaam, waarbij de erfovereenkomst echter niet, in hoofde van de beschermde persoon, de verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg kan hebben. Artikel 499/7, § 2, 15° is van toepassing.
  HOOFDSTUK II. - Sanctionering van niet toegelaten erfovereenkomsten
  Art. 1100/3. Elke erfovereenkomst die niet door de wet is toegelaten, is absoluut nietig.
  Hetzelfde geldt voor de overeenkomsten opgesteld met miskenning van artikel 1100/5 en, in het geval het een overeenkomst bedoeld in artikel 1100/7 betreft, met miskenning van deze bepaling.
  [1 Wanneer het gaat om een overeenkomst inzake de eigen toekomstige nalatenschap van een partij, verandert de nietigheid bedoeld in het eerste en tweede lid evenwel in een relatieve nietigheid op de dag van het overlijden van die partij, onder voorbehoud van de miskenning van de vereiste opgelegd door artikel 1100/5, § 1, die behept blijft met een absolute nietigheid.]1
  HOOFDSTUK III. - Gevolgen van de erfovereenkomsten
  Art. 1100/4. § 1. De erfovereenkomst heeft, in hoofde van de ondertekenaar, niet de vervroegde aanvaarding van de nalatenschap waarop zij betrekking heeft tot gevolg.
  § 2. Elke erfovereenkomst toegelaten door de wet bindt degene die tot de nalatenschap komt bij plaatsvervulling van de ondertekenaar.
  § 3. Ingeval de erfovereenkomst in hoofde van de ondertekenaars een verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap tot gevolg heeft, kan deze verzaking door de verzaker worden herroepen in de volgende gevallen :
  1° indien de begunstigde van de verzaking een aanslag op het leven van de verzaker heeft gepleegd;
  2° indien hij zich tegenover hem heeft schuldig gemaakt aan mishandelingen, misdrijven of grove beledigingen.
  Behoudens andersluidend beding in de overeenkomst, heeft de herroeping enkel gevolgen ten aanzien van de verzaking verricht door de verzaker ten voordele van de begunstigde.
  De herroeping heeft nooit van rechtswege plaats. De eis tot herroeping moet ingesteld worden binnen een jaar, te rekenen van de dag van het feit waarvan de verzaker de begunstigde van de verzaking beschuldigt of van de dag waarop het feit de verzaker bekend kon zijn en uiterlijk op de dag van de afsluiting van de vereffening-verdeling van de nalatenschap.
  [1 § 4. Elke verzaking aan rechten in een niet opengevallen nalatenschap die voortvloeit uit een door de wet toegelaten erfovereenkomst wordt, ongeacht de nadere voorwaarden ervan, geacht geen gift te zijn. Dit vermoeden is onweerlegbaar.]1
  HOOFDSTUK IV. - Vorm van de erfovereenkomsten
  Art. 1100/5. § 1. Elke erfovereenkomst wordt in een notariële akte opgenomen.
  § 2. Het ontwerp van overeenkomst wordt door de instrumenterende notaris aan elke partij meegedeeld. De instrumenterende notaris legt tegelijk een vergadering vast waarop de inhoud van de overeenkomst en de gevolgen ervan aan alle partijen worden toegelicht. Bij die gelegenheid informeert hij elke partij over de mogelijkheid een aparte raadsman te kiezen of een individueel onderhoud met hem te hebben. Op de gezamenlijke, door hem te beleggen vergadering wijst hij nogmaals op die mogelijkheid.
  Deze vergadering kan pas worden gehouden na verloop van een termijn van vijftien dagen die ingaat op de dag waarop het ontwerp van overeenkomst wordt meegedeeld. De overeenkomst kan niet worden ondertekend vóór het verstrijken van een termijn van één maand die ingaat vanaf de dag waarop die vergadering heeft plaatsgevonden. Elke partij kan een beroep doen op een andere notaris, die haar zal bijstaan bij het verlijden van de akte.
  De datum van verzending van het ontwerp van de overeenkomst en de datum waarop de in het eerste lid bedoelde vergadering heeft plaatsgevonden, worden in de overeenkomst vermeld.
  Er kan niet worden afgeweken van de in het tweede lid bedoelde termijnen, zelfs niet met instemming van de partijen.
  § 3. De paragrafen 1 en 2 zijn niet van toepassing op de overeenkomst opgelegd door artikel 1287, derde lid van het Gerechtelijk Wetboek. Paragraaf 2 is niet van toepassing op schenkingen bij huwelijkscontract aan de echtgenoten en aan de kinderen die uit het huwelijk zullen worden geboren, bedoeld in de artikelen 1081 tot [1 1100]1.
  HOOFDSTUK V. - Publiciteit van de erfovereenkomsten
  Art. 1100/6. Elke erfovereenkomst wordt ingeschreven in het centraal register van testamenten bedoeld in de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972 en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister.
  HOOFDSTUK VI. - De globale erfovereenkomst
  Art. 1100/7. § 1. Op ieder ogenblik kan een ouder, samen met al zijn of haar vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn, een globale erfovereenkomst opstellen. Deze overeenkomst stelt het bestaan vast van een evenwicht tussen deze vermoedelijke erfgenamen, rekening houdende met onder meer de schenkingen die de ouder hen respectievelijk heeft toegestaan vóór de overeenkomst, als voorschot op erfdeel of bij vooruitmaking, met de schenkingen toegekend in de overeenkomst zelf en, in voorkomend geval, met de situatie van elk van de vermoedelijke erfgenamen.
  Teneinde dit evenwicht vast te stellen, kunnen de partijen overeenkomen dat andere voordelen die voordien of in de overeenkomst zelf aan de vermoedelijke erfgenamen zijn toegekend, met schenkingen worden gelijkgesteld.
  De overeenkomst kan eveneens één of meerdere vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn toebedelen door middel van een schuldvordering ten laste van de uitdrukkelijk in de overeenkomst aangeduide partijen.
  De overeenkomst vermeldt het geheel van de huidige en vroegere schenkingen en voordelen waarmee rekening wordt gehouden en vermeldt hoe de partijen dit evenwicht hebben opgevat en aanvaard.
  § 2. Eveneens kunnen de ouders gezamenlijk, op ieder ogenblik, samen met al hun respectievelijke vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn, de erfovereenkomst bedoeld in paragraaf 1 opstellen.
  In dit geval, kan het evenwicht tussen de vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn bedoeld in paragraaf 1 worden bereikt rekening houdende met onder meer het geheel van schenkingen en voordelen respectievelijk toegekend door ieder van de beschikkers.
  § 3. De schenkingen toegekend in de overeenkomst bedoeld in dit artikel door een ouder of door de ouders gezamenlijk worden beheerst door het gemeen recht inzake schenkingen, inzonderheid wat de bekwaamheid tot schenken en ontvangen betreft.
  § 4. Elke vermoedelijke erfgenaam in rechte nederdalende lijn van de beschikker kan erin toestemmen dat zijn eigen kinderen in zijn plaats worden toebedeeld. In die hypothese omvat de overeenkomst alle kinderen van de vermoedelijke erfgenaam in rechte nederdalende lijn die verzaakt om persoonlijk te worden toebedeeld.
  In de nalatenschap van de vermoedelijke erfgenaam in rechte nederdalende lijn die heeft toegestemd dat zijn eigen kinderen in zijn plaats worden toebedeeld, worden de door hen van de beschikker verkregen goederen behandeld alsof ze deze rechtstreeks van hun ouder hebben verkregen.
  § 5. Onverminderd het evenwicht bedoeld in paragraaf 1 tussen de vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn die de overeenkomst ondertekenen, mag de beschikker eveneens, in de overeenkomst, een of meerdere kinderen van zijn echtgenoot of wettelijk samenwonende partner toebedelen.
  § 6. De toestemming van de partijen in de overeenkomst brengt de verzaking mee, in hoofde van elk van hen, aan de vordering tot inkorting en aan het verzoek tot inbreng met betrekking tot de giften waarop de overeenkomst betrekking heeft. Dit wordt vermeld in de overeenkomst.
  Evenwel brengt de toestemming van de minderjarige niet de gevolgen bepaald in het eerste lid met zich mee, ten aanzien van schenkingen bedoeld in de overeenkomst toegekend aan zijn vermoedelijke mede-erfgenamen, hoewel de toestemming van de vermoedelijke mede-erfgenamen deze gevolgen met zich meebrengt, met betrekking tot de schenkingen bedoeld in de overeenkomst, toegekend aan de minderjarige.
  Niettegenstaande de verzaking aan de vordering tot inkorting bedoeld in het eerste lid, wordt de waarde van de overeenkomstig paragraaf 1 in de overeenkomst vermelde schenkingen opgenomen in de massa bedoeld in artikel 922.
  De verzaking aan de vordering tot inkorting kan evenwel niet tot gevolg hebben dat de giften gedaan aan derden onderworpen zijn aan een grotere inkorting dan deze die zij zouden hebben ondergaan bij afwezigheid van dergelijke verzaking.
  § 7. De echtgenoot van de beschikker kan tussenkomen in de [1 in de paragrafen 1 en 2]1 bedoelde overeenkomst teneinde hierin toe te stemmen. Behoudens andersluidende bepaling in de overeenkomst, heeft de toestemming van deze, in zijn hoofde, de verzaking aan de vordering tot inkorting ten aanzien van de giften bedoeld in de overeenkomst tot gevolg. Hiervan wordt melding gemaakt in de overeenkomst.
  § 8. Het opdagen, na de overeenkomst, van nieuwe vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn, die uit eigen hoofde tot de nalatenschap zouden geroepen zijn, heeft geen invloed op de geldigheid van de overeenkomst, maar deze blijft zonder uitwerking ten hunnen opzichte.
  Ten opzichte van de erfgenamen bedoeld in het eerste lid, worden de schenkingen bedoeld in de overeenkomst, wat betreft de inkorting en de inbreng, vermoed gezamenlijk te zijn gedaan aan het geheel van de vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn, partijen bij de overeenkomst.
  Hetzelfde geldt voor de langstlevende echtgenoot die, terwijl hij de hoedanigheid van echtgenoot had op het ogenblik van de ondertekening van de overeenkomst, hierin niet is tussengekomen teneinde hierin toe te stemmen.
  De langstlevende echtgenoot die deze hoedanigheid na de ondertekening van de overeenkomst heeft verkregen, kan de inkorting niet vragen van de erin begrepen schenkingen.
  § 9. De waardering van de voordelen en de schenkingen begrepen in de overeenkomst is definitief. De aldus toegestane verdeling kan bovendien niet worden betwist voor benadeling.
  § 10. De artikelen 1100/2 tot 1100/6 zijn van toepassing op de overeenkomst bedoeld in dit artikel.".
  
Art.63. Dans le livre III du même Code, il est inséré un titre IIbis, comportant les articles 1100/1 à 1100/7, rédigé comme suit :
  "TITRE IIbis. DES PACTES SUCCESSORAUX
  CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
  Art. 1100/1. § 1er. On ne peut exercer aucune option héréditaire relative à une succession non ouverte, ni contracter aucune obligation ou conclure aucune convention relative aux attributs de la qualité d'héritier ou de légataire, sauf dans les cas prévus par la loi. On ne peut davantage faire aucune stipulation ou conclure aucune convention relative à la succession future d'un tiers, sauf dans les cas prévus par la loi.
  Ainsi, toute convention relative à l'option héréditaire, au principe ou aux modalités du rapport ainsi qu'au principe ou aux modalités de la réduction concernant une succession non ouverte est prohibée, sauf dans les cas prévus par la loi.
  § 2. Les conventions ou stipulations à titre gratuit relatives à la propre succession future d'une partie ne peuvent davantage être conclues ou établies, sauf dans les cas prévus par la loi.
  § 3. [1 Les conventions ou stipulations à titre onéreux relatives à la propre succession future d'une partie qui concernent l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ou une quote-part des biens que la partie laissera, ou tous ses biens immeubles, tous ses biens meubles ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou tous ses biens meubles à son décès ne sont pas autorisées, sauf dans les cas prévus par la loi.
   § 4. Les conventions ou stipulations à titre onéreux sont toujours autorisées, si elles sont conclues ou faites à titre particulier, même si elles concernent la succession future d'une partie et même si cette partie se réserve le droit de disposer de l'objet de cette convention ou de cette stipulation de son vivant. Une convention ou une stipulation est à titre particulier lorsque la convention ou la stipulation ne concerne pas l'universalité des biens que la partie laissera à son décès, ni une quote-part des biens que la partie laissera à son décès, ni tous ses biens immeubles ou tous ses biens meubles, ou une quote-part de tous ses biens immeubles ou de tous ses biens meubles à son décès.
   Les articles 1100/5 et 1100/6 ne s'appliquent pas aux pactes successoraux mentionnés dans le présent paragraphe."]1

  Art. 1100/2. § 1er. Un mineur ne peut être partie à un pacte successoral qu'en qualité d'héritier présomptif, ledit pacte ne pouvant toutefois emporter, dans le chef du mineur, renonciation à des droits dans une succession non ouverte. L'article 410, § 1er, 10° est d'application.
  § 2. La personne qui, sur la base de l'article 492/1, § 2, a été déclarée incapable de conclure un pacte successoral, peut néanmoins conclure le pacte, avec tous les effets qui s'y attachent, après y avoir été autorisée, à sa demande, par le juge de paix visé à l'article 628, 3°, du Code judiciaire. Le juge de paix juge de la capacité de la personne protégée d'exprimer sa volonté. Les articles 1241 et 1246 du Code judiciaire sont d'application.
  A défaut de l'autorisation visée à l'alinéa 1er, la personne protégée ne peut être partie à un pacte successoral qu'en qualité d'héritier présomptif, ledit pacte ne pouvant toutefois emporter, dans le chef de la personne protégée, renonciation à des droits dans une succession non ouverte. L'article 499/7, § 2, 15° est d'application.
  CHAPITRE II. - De la sanction des pactes successoraux non autorisés
  Art. 1100/3. Tout pacte successoral non autorisé en vertu de la loi est frappé de nullité absolue.
  Il en va de même des pactes établis en méconnaissance de l'article 1100/5 et, lorsqu'il s'agit d'un pacte visé à l'article 1100/7, en méconnaissance de ladite disposition
  [1 Toutefois, lorsqu'il s'agit d'un pacte relatif à la propre succession future d'une partie, la nullité visée aux alinéas 1er et 2 se mue en une nullité relative au jour du décès de cette partie, sous réserve de la méconnaissance de la forme imposée par l'article 1100/5, § 1er, qui demeure frappée de nullité absolue.]1
  CHAPITRE III. - Des effets des pactes successoraux
  Art. 1100/4. § 1er. Le pacte successoral n'emporte pas, dans le chef du signataire, acceptation anticipée de la succession qu'il concerne.
  § 2. Tout pacte successoral autorisé en vertu de la loi s'impose à celui qui vient à la succession par substitution du signataire.
  § 3. Lorsque le pacte successoral emporte, dans le chef des signataires, une renonciation à des droits dans une succession non ouverte, ladite renonciation peut être révoquée par le renonçant dans les cas suivants :
  1° si le bénéficiaire de la renonciation a attenté à la vie du renonçant;
  2° s'il s'est rendu coupable envers lui de sévices, délits ou injures graves.
  Sauf disposition contraire contenue dans le pacte, la révocation n'a d'effet qu'à l'égard de la renonciation effectuée par le renonçant au profit du bénéficiaire.
  La révocation n'a jamais lieu de plein droit. La demande de révocation est formée dans l'année, à compter du jour du fait imputé par le renonçant au bénéficiaire de la renonciation ou du jour où le fait a pu être connu par le renonçant et, au plus tard, au jour de la clôture de la liquidation-partage de la succession.
  [1 § 4. Toute renonciation à des droits dans une succession non ouverte qui résulte d'un pacte successoral autorisé par la loi est présumée, quelles que soient ses modalités, ne pas constituer une libéralité. Cette présomption est irréfragable.]1
  CHAPITRE IV. - Du formalisme applicable aux pactes successoraux
  Art. 1100/5. § 1er. Tout pacte successoral est contenu dans un acte notarié.
  § 2. Le projet de pacte est communiqué à chacune des parties par le notaire instrumentant. Le notaire instrumentant fixe, dans le même temps, une réunion à l'occasion de laquelle le contenu du pacte et les conséquences de celui-ci seront explicitées à l'ensemble des parties. Il informe à cette occasion chacune d'elles de la possibilité de faire choix d'un conseil distinct ou de bénéficier d'un entretien individuel avec lui. Il rappelle cette possibilité au cours de la réunion commune qu'il doit tenir.
  Cette réunion ne peut être tenue avant l'écoulement d'un délai de quinze jours prenant cours au jour de la communication du projet de pacte. La signature du pacte ne peut intervenir avant l'écoulement d'un délai d'un mois prenant cours à dater du jour où s'est tenue cette réunion. Chacune des parties peut demander l'intervention d'un autre notaire qui l'assistera lors de la réception de l'acte.
  La date d'envoi du projet de pacte ainsi que la date à laquelle s'est tenue la réunion visée à l'alinéa 1er sont mentionnées dans le pacte.
  Il ne peut être dérogé aux délais visés à l'alinéa 2, même de l'accord des parties.
  § 3. Les paragraphes 1er et 2 ne sont pas applicables au pacte imposé par l'article 1287, alinéa 3, du Code judiciaire. Le paragraphe 2 n'est pas applicable aux donations faites par contrat de mariage aux époux, et aux enfants à naître du mariage, visées aux articles 1081 à [1 1100]1.
  CHAPITRE V. - De la publicité des pactes successoraux
  Art. 1100/6. Tout pacte successoral est inscrit dans le registre central des testaments visé par la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972 et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage.
  CHAPITRE VI. - Du pacte successoral global
  Art. 1100/7. § 1er. A tout moment, le père ou la mère peut établir, avec l'ensemble de ses héritiers présomptifs en ligne directe descendante, un pacte successoral global. Ce pacte constate l'existence d'un équilibre entre ces héritiers présomptifs eu égard notamment aux donations que le père ou la mère leur a respectivement consenties antérieurement au pacte, en avance d'hoirie ou par préciput, aux donations consenties aux termes du pacte lui-même et, le cas échéant, à la situation de chacun des héritiers présomptifs.
  A l'effet de constater cet équilibre, les parties peuvent convenir d'assimiler à des donations d'autres avantages consentis aux héritiers présomptifs antérieurement ou aux termes du pacte lui-même.
  Le pacte peut également allotir un ou plusieurs héritiers présomptifs en ligne directe descendante au moyen d'une créance à charge des parties expressément désignées par le pacte.
  Le pacte mentionne l'ensemble des donations et avantages actuels ou antérieurs pris en compte et décrit l'équilibre tel qu'il est conçu et accepté par les parties.
  § 2. De même, les père et mère peuvent, à tout moment, établir conjointement le pacte visé au paragraphe 1er avec l'ensemble de leurs héritiers présomptifs en ligne directe descendante respectifs.
  Dans ce cas, l'équilibre entre héritiers présomptifs en ligne directe descendante visé au paragraphe 1er peut être atteint notamment en tenant compte globalement des donations et avantages respectivement consentis par chacun des disposants.
  § 3. Les donations consenties aux termes du pacte visé au présent article par le père ou la mère ou par les père et mère sont soumises au droit commun des donations, s'agissant notamment de la capacité de donner et de recevoir.
  § 4. Chacun des héritiers présomptifs en ligne directe descendante du disposant peut consentir à ce que ses propres enfants soient allotis en ses lieu et place. En cette hypothèse, le pacte comprend l'ensemble des enfants issus de l'héritier présomptif en ligne directe descendante qui renonce à être personnellement alloti.
  Dans la succession de l'héritier présomptif en ligne directe descendante qui a consenti à ce que ses propres enfants soient allotis en ses lieu et place, les biens qu'ils ont reçus du disposant sont traités comme s'ils les tenaient de leur auteur direct.
  § 5. Sans préjudice de l'équilibre entre les héritiers présomptifs en ligne directe descendante signataires du pacte visé au paragraphe 1er, le disposant peut également, aux termes du pacte, allotir un ou plusieurs enfants de son conjoint ou cohabitant légal.
  § 6. Le consentement des parties au pacte emporte renonciation, dans le chef de chacune d'elles, à l'action en réduction et à la demande de rapport portant sur les libéralités visées par le pacte. Il en est fait mention dans le pacte.
  Toutefois, le consentement du mineur n'emporte pas les effets décrits à l'alinéa 1er, à l'égard des donations consenties à ses cohéritiers présomptifs visées par le pacte, bien que le consentement desdits cohéritiers emporte ces effets, s'agissant des donations consenties au mineur visées par le pacte.
  Nonobstant la renonciation à l'action en réduction visée à l'alinéa 1er, la valeur des donations mentionnées dans le pacte conformément au paragraphe 1er est comprise dans la masse visée à l'article 922.
  La renonciation à l'action en réduction ne peut toutefois avoir pour conséquence de faire subir aux libéralités consenties à des tiers une réduction plus importante que celle qu'elles auraient subie en l'absence d'une telle renonciation.
  § 7. Le conjoint du disposant peut intervenir au pacte visé [1 aux paragraphes 1er et 2]1 pour y consentir. Sauf disposition contraire contenue dans le pacte, le consentement de celui-ci emporte renonciation, dans son chef, à l'action en réduction à l'égard des libéralités visées par le pacte. Il en est fait mention dans le pacte.
  § 8. La survenance, postérieurement au pacte, de nouveaux héritiers présomptifs en ligne directe descendante qui seraient appelés à la succession de leur propre chef est sans incidence sur la validité du pacte, mais celui-ci demeure sans effet à leur égard.
  A l'égard des héritiers visés à l'alinéa 1er, les donations visées dans le pacte sont, pour les besoins de la réduction et du rapport, présumées consenties conjointement à l'ensemble des héritiers présomptifs en ligne directe descendante parties au pacte.
  Il en est le même pour le conjoint survivant qui, ayant la qualité de conjoint au moment de la signature du pacte, n'y est pas intervenu pour y consentir.
  Le conjoint survivant ayant acquis cette qualité postérieurement à la signature du pacte ne peut demander la réduction des donations comprises dans celui-ci.
  § 9. L'évaluation des avantages et donations compris dans le pacte est définitive. Le partage ainsi consenti ne peut, en outre, être attaqué pour cause de lésion.
  § 10. Les articles 1100/2 à 1100/6 sont applicables au pacte visé au présent article.".
  
Art.64. In artikel 1130 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 22 april 2003, wordt het tweede lid opgeheven.
Art.64. Dans l'article 1130 du même Code, modifié par la loi du 22 avril 2003, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.65. In artikel 1477 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 23 november 1998 en gewijzigd bij de wetten van 28 maart 2007 en 10 december 2012, wordt paragraaf 6 opgeheven.
Art.65. Dans l'article 1477 du même Code, inséré par la loi du 23 novembre 1998 et modifié par les lois des 28 mars 2007 et 10 décembre 2012, le paragraphe 6 est abrogé.
Afdeling 3. - Overgangsbepaling
Section 3. - Disposition transitoire
Art.66. § 1. De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de nalatenschappen die zijn opengevallen vanaf de inwerkingtreding van deze wet.
  De bepalingen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op de nalatenschappen bedoeld in het eerste lid, zo ook ten opzichte van de giften gedaan door de erflater voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van deze wet.
  § 2. In afwijking van § 1, tweede lid, worden de materiële en formele geldigheid van giften, erfovereenkomsten of verklaringen die zijn gedaan voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van deze wet bij toepassing van de dan geldende regels, onverlet gelaten door deze wet.
  Hetzelfde geldt voor de kwalificatie van een schenking die is gedaan voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van deze wet, als een schenking op voorschot van erfdeel, of als een schenking bij vooruitmaking en buiten erfdeel of met vrijstelling van inbreng, ongeacht of de kwalificatie voortvloeit uit de wet, een testament of een overeenkomst.
  Evenzo blijven de eerdere bepalingen met betrekking tot de wijze van inbreng van de schenkingen, met inbegrip van de waarderingsregels voor schenkingen met het oog op de inbreng, van toepassing op de schenkingen die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn gedaan, wanneer :
  1° er uitdrukkelijk is bedongen dat de schenking vatbaar is voor inbreng in natura;
  2° of wanneer de schenker, [1 ten laatste op 1 september 2019, met inbegrip van laatstgenoemde datum]1, voor een notaris door middel van een in authentieke vorm opgemaakte verklaring heeft aangegeven dat hij wenst dat die vroegere bepalingen van toepassing blijven op alle schenkingen die hij heeft gedaan vóór de inwerkingtreding van deze wet.
  Eveneens blijven de eerdere bepalingen met betrekking tot de wijze van inkorting van de schenkingen, met inbegrip van de waarderingsregels voor schenkingen met het oog op de inkorting, van toepassing op de schenkingen die vóór de inwerkingtreding van deze wet zijn gedaan, wanneer :
  1° er uitdrukkelijk is bedongen dat de schenking vatbaar is voor inkorting in natura;
  2° of wanneer de schenker, [1 ten laatste op 1 september 2019, met inbegrip van laatstgenoemde datum]1, voor een notaris door middel van een in authentieke vorm opgemaakte verklaring heeft aangegeven dat hij wenst dat die vroegere bepalingen van toepassing blijven op alle schenkingen die hij heeft gedaan vóór de inwerkingtreding van deze wet.
  § 3. Wanneer, met toepassing van paragraaf 2, tweede lid, een schenking moet worden ingebracht door de langstlevende echtgenoot dan wel ten aanzien van die laatste, blijft artikel 858bis van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat van toepassing was vóór de vervanging ervan bij artikel 39 van deze wet, van kracht voor zover dat voor die inbreng nodig is.
  Wanneer, vóór de inwerkingtreding van deze wet, een schenking wordt gedaan met vrijstelling van inbreng ten aanzien van de langstlevende echtgenoot, is artikel 858bis, § 3, zoals vervangen bij artikel 39 van deze wet, niet van toepassing.
  § 4. Artikel 918 van het Burgerlijk Wetboek, zoals dat bestond vóór de vervanging ervan bij artikel 52 van deze wet, blijft van toepassing op de vóór de inwerkingtreding van deze wet verleden akten waarop dat artikel van toepassing was.".
  
Art.66. § 1er. Les dispositions du présent chapitre sont applicables aux successions ouvertes à compter de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  Les dispositions du présent chapitre s'appliquent aux successions visées à l'alinéa 1er y compris à l'égard des libéralités qui auraient été consenties par le défunt antérieurement à l'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa 2, la validité quant au fond et à la forme des libéralités, pactes successoraux ou déclarations qui ont été réalisés avant l'entrée en vigueur de la présente loi en application des règles qui étaient alors applicables, n'est pas affectée par la présente loi.
  Il en est de même pour la qualification, en tant que donation à titre d'avance d'hoirie ou donation à titre de préciput et hors part ou avec dispense de rapport, d'une donation qui a été réalisée avant l'entrée en vigueur de la présente loi, que la qualification résulte de la loi, d'un testament ou d'une convention.
  De même, les dispositions antérieures relatives au mode de rapport des donations, en ce compris les règles d'évaluation des donations aux fins du rapport, restent applicables aux donations réalisées avant l'entrée en vigueur de la présente loi lorsque :
  1° la donation a été expressément stipulée rapportable en nature;
  2° ou que, [1 au plus tard le 1er septembre 2019, en ce compris cette dernière date]1, le donateur a déclaré devant notaire, par une déclaration reçue en la forme authentique, vouloir le maintien de l'application de ces dispositions antérieures à toutes les donations qu'il a réalisées avant l'entrée en vigueur de la présente loi.
  De même, les dispositions antérieures relatives au mode de réduction des donations, en ce compris les règles d'évaluation des donations aux fins de la réduction, restent applicables aux donations réalisées avant l'entrée en vigueur de la présente loi lorsque :
  1° la donation a été expressément stipulée réductible en nature;
  2° ou que, [1 au plus tard le 1er septembre 2019, en ce compris cette dernière date]1, le donateur a déclaré devant notaire, par une déclaration reçue en la forme authentique, vouloir le maintien de l'application de ces dispositions antérieures à toutes les donations qu'il a réalisées avant l'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 3. Lorsque, par application du paragraphe 2, alinéa 2, une donation doit être rapportée par le conjoint survivant ou à l'égard de celui-ci, l'article 858bis du Code civil, tel qu'il existait avant son remplacement par l'article 39 de la présente loi, est maintenu en vigueur pour les besoins de ce rapport.
  Lorsqu'une donation a été consentie avec dispense de rapport à l'égard du conjoint survivant avant l'entrée en vigueur de la présente loi, le paragraphe 3 de l'article 858bis, tel que remplacé par l'article 39 de la présente loi, ne s'applique pas.
  § 4. L'article 918 du Code civil, tel qu'il existait avant son remplacement par l'article 52 de la présente loi, reste applicable aux actes tombant sous son application passés avant l'entrée en vigueur de la présente loi.
  
HOOFDSTUK 3. - Wijziging van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 3. - Modification du Code judiciaire
Art.67. In artikel 1246 van het Gerechtelijk Wetboek, vervangen bij de wet van 17 maart 2013 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2014, worden de woorden "1100/2, § 2, eerste lid," ingevoegd tussen de woorden "905," en de woorden "1397/1,".
Art.67. Dans l'article 1246 du Code judiciaire, remplacé par la loi du 17 mars 2013 et modifié par la loi du 25 avril 2014, les mots "1100/2, § 2, alinéa 1er," sont insérés entre les mots "905," et les mots "1397/1,".
HOOFDSTUK 4. - Wijziging van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen
CHAPITRE 4. - Modification de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances
Art.68. [1 In artikel 188 van de wet van 4 april 2014 betreffende de verzekeringen worden de woorden "en, voor zover de verzekeringnemer dit uitdrukkelijk heeft bedongen, aan de inbreng." vervangen door de woorden "en aan de inbreng."]1
  
Art.68. [1 Dans l'article 188 de la loi du 4 avril 2014 relative aux assurances, les mots "et, pour autant que le preneur d'assurance l'a spécifié expressément, à rapport." sont remplacés par les mots "et à rapport."]1
  
Art.69. Artikel 68 is alleen van toepassing op de aanwijzingen van begunstigden die gebeuren na de inwerkingtreding van deze wet.
Art.69. L'article 68 n'est applicable qu'aux désignations d'un bénéficiaire intervenues après l'entrée en vigueur de la présente loi.
HOOFDSTUK 5. - Wijziging van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972, en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister
CHAPITRE 5. - Modification de la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972, et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage
Art.70. Artikel 4, § 1, van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972, en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister, gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, wordt aangevuld met de bepalingen onder 3° en 4°, luidende :
  "3° tot de erfovereenkomsten;
  4° de verklaringen als bedoeld in artikel 66, § 2, derde lid, 2° en vierde lid, 2° van de wet van 31 [juli] 2017 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat de erfenissen en de giften betreft en tot wijziging van diverse andere bepalingen ter zake." (ERRATUM, zie B.St. 21-02-2018, p. 14420)
Art.70. L'article 4, § 1er, de la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972, et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage, modifié par la loi du 6 mai 2009, est complété par les 3° et 4° rédigés comme suit :
  "3° aux pactes successoraux;
  4° aux déclarations visées à l'article 66, § 2, alinéas 3, 2° et 4, 2° de la loi du 31 juillet 2017 portant modifications du Code civil en ce qui concerne les successions et les libéralités et modifiant diverses autres dispositions en cette matière."
Art.71. In artikel 4/1 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 14 januari 2013 en gewijzigd bij de wet van 10 augustus 2015, wordt vóór het huidige enige lid een lid toegevoegd, luidende :
  "Het centraal register van testamenten kan, voor wat betreft de erfovereenkomsten als bedoeld in artikel 4, § 1, 3°, worden geraadpleegd tijdens het leven van de partijen [1 ...]1 bij de erfovereenkomst, door de partijen zelf, door de toekomstige erflater, door de vermoedelijke erfgenamen in rechte nederdalende lijn van de partijen [1 ...]1 bij de erfovereenkomst, door de notaris die de erfovereenkomst heeft verleden, en door de notaris die gelast wordt met de opmaak hetzij van een schenking, hetzij van een erfovereenkomst, hetzij van een uiterste wilsbeschikking voor dezelfde toekomstige erflater.".
  
Art.71. Dans l'article 4/1 de la même loi, inséré par la loi du 14 janvier 2013 et modifié par la loi du 10 août 2015, un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'actuel alinéa unique :
  "Le registre central des testaments peut, en ce qui concerne les pactes successoraux visés à l'article 4, § 1, 3°, être [1 consulté du vivant]1 des parties [1 ...]1 au pacte successoral, par les parties mêmes, par le futur défunt, par les héritiers présomptifs en ligne directe descendante des parties [1 ...]1 au pacte successoral, par le notaire qui a reçu le pacte successoral, et par le notaire qui est chargé de l'établissement soit d'une donation, soit d'un pacte successoral, soit d'une disposition de dernière volonté, pour le même futur défunt.".
  
HOOFDSTUK 6. - Hercodificatie
CHAPITRE 6. - Recodification
HOOFDSTUK 7. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 7. - Entrée en vigueur
Art. 73. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de twaalfde maand na die waarin ze is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Treden evenwel in werking op de dag van de bekendmaking van deze wet in het Belgisch Staatsblad :
  - Artikel 66, § 2, derde lid, 2°, en vierde lid, 2° ; en
  - Artikel 70, voor wat betreft de aanvulling van artikel 4, § 1, van de wet van 13 januari 1977 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake de vaststelling van een stelsel van registratie van testamenten, opgemaakt te Bazel op 16 mei 1972, en tot invoering van een centraal huwelijksovereenkomstenregister met de bepaling onder 4°.
Art. 73. La présente loi entre en vigueur le premier jour du douzième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge.
  Entrent toutefois en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge :
  - l'article 66, § 2, alinéa 3, 2°, et alinéa 4, 2° ; et
  - l'article 70, pour ce qui concerne l'ajout du 4° à l'article 4, § 1er, de la loi du 13 janvier 1977 portant approbation de la Convention relative à l'établissement d'un système d'inscription des testaments, faite à Bâle le 16 mai 1972, et portant introduction d'un registre central des contrats de mariage.