Artikel 1. Artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de toekenning en de erkenning van bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 3. Dit besluit regelt de toekenning en erkenning van de bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis die vanaf 1 januari 2017 opgenomen zijn in de planning.".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
28 APRIL 2017. - Besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 april 2016 houdende de toekenning en de erkenning van bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis
Titre
28 AVRIL 2017. - Arrêté du Gouvernement flamand modifiant l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 portant attribution et agrément de lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins
Informations sur le document
Info du document
Tekst (6)
Texte (6)
Article 1er. L'article 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 15 avril 2016 portant attribution et agrément de lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 3. Le présent arrêté règle l'attribution et l'agrément des lits disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins qui ont été repris dans la planification à partir du 1er janvier 2017. ".
" Art. 3. Le présent arrêté règle l'attribution et l'agrément des lits disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins qui ont été repris dans la planification à partir du 1er janvier 2017. ".
Art. 2. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 4. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° berekening van het instellingsforfait: de berekening van de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in hoofdstuk III van het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden;
2° bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D: de bewoners met een afhankelijkheidscategorie als vermeld in artikel 148, 3° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 2. De bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, vermeld in artikel 3, worden toegekend aan woonzorgcentra die als rust- en verzorgingstehuis erkend zijn op 30 juni 2016. Daarbij wordt rekening gehouden met de RVT-dekkingsgraad in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
Woonzorgcentra met een lagere RVT-dekkingsgraad krijgen een hogere prioriteit dan woonzorgcentra met een hogere RVT-dekkingsgraad.
De RVT-dekkingsgraad, vermeld in het eerste lid, wordt als volgt berekend: het aantal RVT-bedden erkend op 30 juni 2016 + het aantal RVT-bedden dat erkend is na 30 juni 2016 met toepassing van dit besluit, gedeeld door het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D in rob en RVT tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
Het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 wordt berekend op basis van de gefactureerde ligdagen, die meegedeeld zijn in het kader van de berekening van het instellingsforfait 2017.
Bij woonzorgcentra waaraan een eerste erkenning als woonzorgcentrum is verleend tijdens de periode van 1 juni 2016 tot en met 30 juni 2016, wordt bij de berekening van het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D rekening gehouden met de ingangsdatum van de eerste erkenning.
Bij woonzorgcentra waarvan het erkenningsnummer tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 vrijwillig wordt stopgezet omdat de erkenning van de woongelegenheden overgedragen worden aan een ander woonzorgcentrum, worden de gegevens over het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D toegevoegd aan de gegevens van het andere woonzorgcentrum voor de berekening van het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
§ 3. Woonzorgcentra waarvan de erkenning als rust- en verzorgingstehuis of de erkenning als woonzorgcentrum na 30 juni 2016 is ingetrokken en woonzorgcentra waarvan de uitbating vrijwillig is stopgezet na 30 juni 2016, komen niet in aanmerking voor de toekenning conform paragraaf 2.
§ 4. Woonzorgcentra waarvan een gedeelte van de erkenning als rust- en verzorgingstehuis tijdens de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 op eigen initiatief overgedragen is aan een ander woonzorgcentrum komen niet in aanmerking voor de toekenning conform paragraaf 2.".
"Art. 4. § 1. In dit artikel wordt verstaan onder:
1° berekening van het instellingsforfait: de berekening van de forfaitaire tegemoetkoming, vermeld in hoofdstuk III van het ministerieel besluit van 6 november 2003 tot vaststelling van het bedrag en de voorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 12, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de rust- en verzorgingstehuizen en in de rustoorden voor bejaarden;
2° bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D: de bewoners met een afhankelijkheidscategorie als vermeld in artikel 148, 3° van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994.
§ 2. De bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis, vermeld in artikel 3, worden toegekend aan woonzorgcentra die als rust- en verzorgingstehuis erkend zijn op 30 juni 2016. Daarbij wordt rekening gehouden met de RVT-dekkingsgraad in de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
Woonzorgcentra met een lagere RVT-dekkingsgraad krijgen een hogere prioriteit dan woonzorgcentra met een hogere RVT-dekkingsgraad.
De RVT-dekkingsgraad, vermeld in het eerste lid, wordt als volgt berekend: het aantal RVT-bedden erkend op 30 juni 2016 + het aantal RVT-bedden dat erkend is na 30 juni 2016 met toepassing van dit besluit, gedeeld door het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D in rob en RVT tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
Het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 wordt berekend op basis van de gefactureerde ligdagen, die meegedeeld zijn in het kader van de berekening van het instellingsforfait 2017.
Bij woonzorgcentra waaraan een eerste erkenning als woonzorgcentrum is verleend tijdens de periode van 1 juni 2016 tot en met 30 juni 2016, wordt bij de berekening van het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D rekening gehouden met de ingangsdatum van de eerste erkenning.
Bij woonzorgcentra waarvan het erkenningsnummer tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016 vrijwillig wordt stopgezet omdat de erkenning van de woongelegenheden overgedragen worden aan een ander woonzorgcentrum, worden de gegevens over het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D toegevoegd aan de gegevens van het andere woonzorgcentrum voor de berekening van het gemiddelde aantal bewoners met een zorgprofiel B, C, Cd, Cc of D tijdens de periode van 1 januari 2016 tot en met 30 juni 2016.
§ 3. Woonzorgcentra waarvan de erkenning als rust- en verzorgingstehuis of de erkenning als woonzorgcentrum na 30 juni 2016 is ingetrokken en woonzorgcentra waarvan de uitbating vrijwillig is stopgezet na 30 juni 2016, komen niet in aanmerking voor de toekenning conform paragraaf 2.
§ 4. Woonzorgcentra waarvan een gedeelte van de erkenning als rust- en verzorgingstehuis tijdens de periode van 1 juli 2015 tot en met 30 juni 2016 op eigen initiatief overgedragen is aan een ander woonzorgcentrum komen niet in aanmerking voor de toekenning conform paragraaf 2.".
Art. 2. L'article 4 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
" Art. 4. § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° calcul du forfait des institutions : le calcul de l'intervention forfaitaire visée au chapitre III de l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées ;
2° habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D : les habitants ayant une catégorie de dépendance telle que visée à l'article 148, 3°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
§ 2. Les lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins, visés à l'article 3, sont attribués aux centres de soins résidentiels agréés comme maison de repos et de soins au 30 juin 2016. Il est dans ce contexte tenu compte du degré de couverture RVT dans la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016.
Les centres de soins résidentiels ayant un degré de couverture RVT inférieur bénéficient d'une plus haute priorité que les centres de soins résidentiels ayant un degré de couverture RVT plus élevé.
Le degré de couverture RVT, visé à l'alinéa 1er, est calculé comme suit : le nombre de lits RVT agréés au 30 juin 2016 + le nombre de lits RVT agréés après le 30 juin 2016 en application du présent arrêté, divisé par le nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D dans les ROB (maisons de repos pour personnes âgées) et les RVT (maison de repos et de soins) pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus.
Le nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus est calculé sur la base des journées d'hospitalisation facturées, ayant été communiquées dans le cadre du calcul du forfait des institutions 2017.
En ce qui concerne les centres de soins résidentiels auxquels a été octroyé un premier agrément comme centre de soins résidentiels pendant la période du 1er juin 2016 au 30 juin 2016 inclus, il est tenu compte de la date d'entrée du premier agrément lors du calcul du nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D.
Pour ce qui est les centres de soins résidentiels dont le numéro d'agrément est volontairement arrêté pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus parce que l'agrément des logements est transféré à un autre centre de soins résidentiels, les données sur le nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D sont ajoutées aux données de l'autre centre de soins résidentiels pour le calcul du nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus.
§ 3. Les centres de soins résidentiels dont l'agrément comme maison de repos et de soins ou l'agrément comme centre de soins résidentiels a été retiré après le 30 juin 2016 et les centres de soins résidentiels dont l'exploitation a été volontairement arrêtée après le 30 juin 2016, n'entrent pas en ligne de compte pour l'attribution conformément au paragraphe 2.
§ 4. Les centres de soins résidentiels dont une partie de l'agrément comme maison de repos et de soins pendant la période du 1er juillet 2015 au 30 juin 2016 inclus a été transférée de leur propre initiative à un autre centre de soins résidentiels, n'entrent pas en ligne de compte pour l'attribution conformément au paragraphe 2. ".
" Art. 4. § 1er. Dans le présent article, on entend par :
1° calcul du forfait des institutions : le calcul de l'intervention forfaitaire visée au chapitre III de l'arrêté ministériel du 6 novembre 2003 fixant le montant et les conditions d'octroi de l'intervention visée à l'article 37, § 12, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans les maisons de repos et de soins et dans les maisons de repos pour personnes âgées ;
2° habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D : les habitants ayant une catégorie de dépendance telle que visée à l'article 148, 3°, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994.
§ 2. Les lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins, visés à l'article 3, sont attribués aux centres de soins résidentiels agréés comme maison de repos et de soins au 30 juin 2016. Il est dans ce contexte tenu compte du degré de couverture RVT dans la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016.
Les centres de soins résidentiels ayant un degré de couverture RVT inférieur bénéficient d'une plus haute priorité que les centres de soins résidentiels ayant un degré de couverture RVT plus élevé.
Le degré de couverture RVT, visé à l'alinéa 1er, est calculé comme suit : le nombre de lits RVT agréés au 30 juin 2016 + le nombre de lits RVT agréés après le 30 juin 2016 en application du présent arrêté, divisé par le nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D dans les ROB (maisons de repos pour personnes âgées) et les RVT (maison de repos et de soins) pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus.
Le nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus est calculé sur la base des journées d'hospitalisation facturées, ayant été communiquées dans le cadre du calcul du forfait des institutions 2017.
En ce qui concerne les centres de soins résidentiels auxquels a été octroyé un premier agrément comme centre de soins résidentiels pendant la période du 1er juin 2016 au 30 juin 2016 inclus, il est tenu compte de la date d'entrée du premier agrément lors du calcul du nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D.
Pour ce qui est les centres de soins résidentiels dont le numéro d'agrément est volontairement arrêté pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus parce que l'agrément des logements est transféré à un autre centre de soins résidentiels, les données sur le nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D sont ajoutées aux données de l'autre centre de soins résidentiels pour le calcul du nombre moyen d'habitants ayant un profil de soins B, C, Cd, Cc ou D pendant la période du 1er janvier 2016 au 30 juin 2016 inclus.
§ 3. Les centres de soins résidentiels dont l'agrément comme maison de repos et de soins ou l'agrément comme centre de soins résidentiels a été retiré après le 30 juin 2016 et les centres de soins résidentiels dont l'exploitation a été volontairement arrêtée après le 30 juin 2016, n'entrent pas en ligne de compte pour l'attribution conformément au paragraphe 2.
§ 4. Les centres de soins résidentiels dont une partie de l'agrément comme maison de repos et de soins pendant la période du 1er juillet 2015 au 30 juin 2016 inclus a été transférée de leur propre initiative à un autre centre de soins résidentiels, n'entrent pas en ligne de compte pour l'attribution conformément au paragraphe 2. ".
Art. 3. Artikel 7 van hetzelfde besluit wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 7. § 1. Woonzorgcentra die erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis en met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, kunnen voor de bijkomende bedden erkend worden als rust- en verzorgingstehuis, op voorwaarde dat ze een aanvraag tot erkenning aangetekend indienen bij het agentschap. Die woonzorgcentra hebben de keuze om de erkenning te laten ingaan op 1 januari 2017, 1 april 2017, 1 juli 2017 of 1 oktober 2017.
In afwijking van artikel 32 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen is een aanvraag tot erkenning ontvankelijk als ze de volgende documenten bevat:
1° een nota met vermelding van het statuut van de aanvrager, de voor- en achternaam van de verantwoordelijke beheerder en de ingangsdatum van de erkenning;
2° een lijst van de personeelsleden met vermelding van hun voor- en achternaam, hun kwalificatie en hun arbeidsduur per week waaruit blijkt dat aan de personeelsnormen voldaan is vanaf de gevraagde ingangsdatum van de erkenning;
3° voor woonzorgcentra die in toepassing van artikel 5 van dit besluit een voornemen tot planningsvergunning ontvangen voor vijf of meer bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis: het verslag van de gebruikersraad waaruit blijkt dat de gebruikers geïnformeerd zijn over de bestemming van de bijkomende RVT-middelen.
§ 3. Woonzorgcentra met meerdere vestigingen die zijn erkend onder hetzelfde erkenningsnummer met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de regels voor de erkenning van meerdere vestigingen van een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een rust- en verzorgingstehuis als één woonzorgcentrum, één centrum voor kortverblijf of één rust- en verzorgingstehuis delen bij de aanvraag tot erkenning aan het agentschap mee hoeveel bedden ze in welke vestiging willen laten erkennen.
§ 4. Voor woonzorgcentra waarvoor een procedure tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning loopt en die met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, wordt de erkenning van nieuwe RVT-bedden opgeschort in afwachting van de beslissing in dat dossier. De beslissing over de weigering, schorsing en intrekking van de erkenning vermeldt of en, als dat van toepassing is, vanaf welke ingangsdatum de erkenning kan worden aangevraagd voor de RVT-bedden waarvoor de initiatiefnemer met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning heeft ontvangen.
"Art. 7. § 1. Woonzorgcentra die erkend zijn als rust- en verzorgingstehuis en met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, kunnen voor de bijkomende bedden erkend worden als rust- en verzorgingstehuis, op voorwaarde dat ze een aanvraag tot erkenning aangetekend indienen bij het agentschap. Die woonzorgcentra hebben de keuze om de erkenning te laten ingaan op 1 januari 2017, 1 april 2017, 1 juli 2017 of 1 oktober 2017.
In afwijking van artikel 32 van het besluit van de Vlaamse Regering van 25 april 2014 tot vaststelling van de procedures voor de gezondheidszorgvoorzieningen is een aanvraag tot erkenning ontvankelijk als ze de volgende documenten bevat:
1° een nota met vermelding van het statuut van de aanvrager, de voor- en achternaam van de verantwoordelijke beheerder en de ingangsdatum van de erkenning;
2° een lijst van de personeelsleden met vermelding van hun voor- en achternaam, hun kwalificatie en hun arbeidsduur per week waaruit blijkt dat aan de personeelsnormen voldaan is vanaf de gevraagde ingangsdatum van de erkenning;
3° voor woonzorgcentra die in toepassing van artikel 5 van dit besluit een voornemen tot planningsvergunning ontvangen voor vijf of meer bijkomende bedden met een bijzondere erkenning als rust- en verzorgingstehuis: het verslag van de gebruikersraad waaruit blijkt dat de gebruikers geïnformeerd zijn over de bestemming van de bijkomende RVT-middelen.
§ 3. Woonzorgcentra met meerdere vestigingen die zijn erkend onder hetzelfde erkenningsnummer met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 9 mei 2014 houdende de regels voor de erkenning van meerdere vestigingen van een woonzorgcentrum, een centrum voor kortverblijf of een rust- en verzorgingstehuis als één woonzorgcentrum, één centrum voor kortverblijf of één rust- en verzorgingstehuis delen bij de aanvraag tot erkenning aan het agentschap mee hoeveel bedden ze in welke vestiging willen laten erkennen.
§ 4. Voor woonzorgcentra waarvoor een procedure tot weigering, schorsing of intrekking van de erkenning loopt en die met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning ontvangen, wordt de erkenning van nieuwe RVT-bedden opgeschort in afwachting van de beslissing in dat dossier. De beslissing over de weigering, schorsing en intrekking van de erkenning vermeldt of en, als dat van toepassing is, vanaf welke ingangsdatum de erkenning kan worden aangevraagd voor de RVT-bedden waarvoor de initiatiefnemer met toepassing van artikel 5 een voornemen tot planningsvergunning heeft ontvangen.
Art. 3. L'article 7 du même arrêté est remplacé par la disposition suivante :
" Art. 7. § 1er. Les centres de soins résidentiels qui sont agréés comme maison de repos et de soins et qui reçoivent une intention d'autorisation de planification en application de l'article 5, peuvent être agréés comme maison de repos et de soins pour les lits supplémentaires, à condition qu'ils introduisent auprès de l'agence une demande d'agrément par lettre recommandée. Ces centres de soins résidentiels ont le choix de faire entrer en vigueur l'agrément le 1er janvier 2017, le 1er avril 2017, le 1er juillet 2017 ou le 1er octobre 2017.
Par dérogation à l'article 32 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé, une demande d'agrément est recevable si elle comprend les documents suivants :
1° une note avec mention du statut du demandeur, du nom et prénom de l'administrateur responsable et de la date d'entrée de l'agrément ;
2° une liste des membres du personnel avec mention de leur nom et prénom, de leur qualification et durée de travail par semaine dont il ressort que les normes du personnel sont remplies à partir de la date d'entrée demandée de l'agrément ;
3° en ce qui concerne les centres de soins résidentiels qui, en application de l'article 5 du présent arrêté, reçoivent une intention d'autorisation de planification pour au moins cinq lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins : le rapport du conseil des usagers dont il ressort que les usagers ont été mis au courant de la destination des moyens RVT supplémentaires.
§ 3. Les centres de soins résidentiels à plusieurs implantations étant agréées sous le même numéro d'agrément en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014 fixant les règles régissant l'agrément de plusieurs implantations d'un centre de services de soins et de logement, d'un centre de court séjour ou d'une maison de repos et de soins comme un seul centre de services de soins et de logement, un seul centre de court séjour ou une seule maison de repos et de soins, communiquent à l'agence lors de la demande d'agrément, le nombre de lits qu'ils entendent laisser agréer et dans quelle implantation cela doit avoir lieu.
§ 4. Pour les centres de soins résidentiels faisant l'objet d'une procédure de refus, de suspension ou de retrait de l'agrément et qui, en application de l'article 5, reçoivent une intention d'autorisation de planification, l'agrément de nouveaux lits RVT est suspendu dans l'attente de la décision dans ce dossier. La décision quant au refus, à la suspension et au retrait de l'agrément mentionne si l'agrément peut être demandé pour les lits RVT pour lesquels l'initiateur a reçu une intention d'autorisation de planification en application de l'article 5 et, si d'application, la date d'entrée à partir de laquelle l'agrément peut être demandée.
" Art. 7. § 1er. Les centres de soins résidentiels qui sont agréés comme maison de repos et de soins et qui reçoivent une intention d'autorisation de planification en application de l'article 5, peuvent être agréés comme maison de repos et de soins pour les lits supplémentaires, à condition qu'ils introduisent auprès de l'agence une demande d'agrément par lettre recommandée. Ces centres de soins résidentiels ont le choix de faire entrer en vigueur l'agrément le 1er janvier 2017, le 1er avril 2017, le 1er juillet 2017 ou le 1er octobre 2017.
Par dérogation à l'article 32 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 25 avril 2014 fixant les procédures pour les structures de soins de santé, une demande d'agrément est recevable si elle comprend les documents suivants :
1° une note avec mention du statut du demandeur, du nom et prénom de l'administrateur responsable et de la date d'entrée de l'agrément ;
2° une liste des membres du personnel avec mention de leur nom et prénom, de leur qualification et durée de travail par semaine dont il ressort que les normes du personnel sont remplies à partir de la date d'entrée demandée de l'agrément ;
3° en ce qui concerne les centres de soins résidentiels qui, en application de l'article 5 du présent arrêté, reçoivent une intention d'autorisation de planification pour au moins cinq lits supplémentaires disposant d'un agrément spécial comme maison de repos et de soins : le rapport du conseil des usagers dont il ressort que les usagers ont été mis au courant de la destination des moyens RVT supplémentaires.
§ 3. Les centres de soins résidentiels à plusieurs implantations étant agréées sous le même numéro d'agrément en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 9 mai 2014 fixant les règles régissant l'agrément de plusieurs implantations d'un centre de services de soins et de logement, d'un centre de court séjour ou d'une maison de repos et de soins comme un seul centre de services de soins et de logement, un seul centre de court séjour ou une seule maison de repos et de soins, communiquent à l'agence lors de la demande d'agrément, le nombre de lits qu'ils entendent laisser agréer et dans quelle implantation cela doit avoir lieu.
§ 4. Pour les centres de soins résidentiels faisant l'objet d'une procédure de refus, de suspension ou de retrait de l'agrément et qui, en application de l'article 5, reçoivent une intention d'autorisation de planification, l'agrément de nouveaux lits RVT est suspendu dans l'attente de la décision dans ce dossier. La décision quant au refus, à la suspension et au retrait de l'agrément mentionne si l'agrément peut être demandé pour les lits RVT pour lesquels l'initiateur a reçu une intention d'autorisation de planification en application de l'article 5 et, si d'application, la date d'entrée à partir de laquelle l'agrément peut être demandée.
Art. 4. In artikel 8, § 1, eerste en tweede lid van hetzelfde besluit wordt het woord "twee" telkens vervangen door het woord "vier".
Art. 4. Dans l'article 8, § 1er, alinéas 1er et 2, du même arrêté, le mot " deux " est chaque fois remplacé par le mot " quatre ".
Art. 5. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2017.
Art. 5. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2017.
Art. 6. De Vlaamse minister, bevoegd voor het gezondheidsbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 6. Le Ministre flamand ayant la politique de la santé dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.