Artikel 1. In artikel 1 van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques, laatst gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in 2°, a), worden de woorden "hoofd- of secundaire" ingevoegd tussen de woorden "in de" en "woonplaats";
2° punt 3° wordt vervangen door wat volgt :
"3° Actiris : de gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling, geregeld bij de ordonnantie van 18 januari 2001 houdende organisatie en werking van Actiris";
3° punt 4°, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004, wordt vervangen door wat volgt :
"4° het uitgiftebedrijf : het bedrijf aangewezen door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dat belast wordt met het beheer van het dienstenchequesysteem;"
4° in 6°, gewijzigd door het koninklijk besluit van 9 januari 2004, worden de woorden "de federale staat" vervangen door "het Brussels Hoofdstedelijk Gewest".
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
2 FEBRUARI 2017. - Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques
Titre
2 FEVRIER 2017. - Arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale modifiant l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services
Informations sur le document
Numac: 2017010641
Datum: 2017-02-02
Info du document
Numac: 2017010641
Date: 2017-02-02
Tekst (25)
Texte (25)
Article 1er. A l'article 1er de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services, dernièrement modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 1er octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° au 2°, a), les mots " principale ou secondaire " sont insérés entre les mots " au lieu de résidence " et les mots " de l'utilisateur : ";
2° le 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° Actiris : l'office régional de l'emploi, réglé par l'ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement d'Actiris ";
3° le 4°, modifié par l'arrêté royal du 9 janvier 2004, est remplacé par ce qui suit :
" 4° la société émettrice : la société désignée par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale qui est chargée de la gestion du système des titres-services; ";
4° au 6°, modifié par l'arrêté royal du 9 janvier 2004, les mots " l'Etat fédéral " sont remplacés par les mots " la Région de Bruxelles-Capitale ".
1° au 2°, a), les mots " principale ou secondaire " sont insérés entre les mots " au lieu de résidence " et les mots " de l'utilisateur : ";
2° le 3° est remplacé par ce qui suit :
" 3° Actiris : l'office régional de l'emploi, réglé par l'ordonnance du 18 janvier 2001 portant organisation et fonctionnement d'Actiris ";
3° le 4°, modifié par l'arrêté royal du 9 janvier 2004, est remplacé par ce qui suit :
" 4° la société émettrice : la société désignée par le Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale qui est chargée de la gestion du système des titres-services; ";
4° au 6°, modifié par l'arrêté royal du 9 janvier 2004, les mots " l'Etat fédéral " sont remplacés par les mots " la Région de Bruxelles-Capitale ".
Art.2. Artikel 2bis van voornoemd besluit, opnieuw ingevoerd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2012, wordt vervangen door wat volgt :
" § 1. Per jaar moet zestig procent van de door elke vestigingseenheid van de erkende onderneming nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden of begunstigden van het leefloon zijn.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° niet-werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende;
2° deeltijds werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekende voor de deeltijd waarin hij of zij niet tewerkgesteld is;
3° begunstigde van een leefloon:
a) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op het equivalent van leefloon toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een persoon die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigd was op een leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 26 mei 2002 of een equivalent leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 2 april 1965.
§ 3. De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 4. Als het aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig de eerste paragraaf moet toekennen aan niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden een cijfer na de komma bevat, wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, waarbij 0,5 naar boven wordt afgerond.
§ 5. De vestigingseenheid van de erkende onderneming waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden, moet in het bezit zijn van een attest van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in paragraaf 1. De attesten worden bewaard door de vestigingseenheid waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden.
De aanvraag van het in het vorige lid bedoelde attest moet door de werknemer ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling of het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De werkgever kan eveneens binnen dezelfde termijn het attest aanvragen.
§ 6. Het bestuur kan de vestigingseenheid van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een jaar, gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarvoor ze hierom op gemotiveerde wijze verzoekt, als het bestuur na raadpleging van Actiris oordeelt dat er zowel op kwalitatief als op kwantitatief vlak onvoldoende niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden als bedoeld in paragraaf 1 zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling bij de vestigingseenheid van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking als bepaald in artikel 51, paragraaf 2, 1° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering."
" § 1. Per jaar moet zestig procent van de door elke vestigingseenheid van de erkende onderneming nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden of begunstigden van het leefloon zijn.
§ 2. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder:
1° niet-werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende werkzoekende;
2° deeltijds werkende werkzoekende : een persoon die bij een bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling in België is ingeschreven als niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekende voor de deeltijd waarin hij of zij niet tewerkgesteld is;
3° begunstigde van een leefloon:
a) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op een leefloon zoals bedoeld in de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie;
b) een persoon die op het ogenblik van de indienstneming gerechtigd is op het equivalent van leefloon toegekend in het kader van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun, verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
c) een persoon die in de zes maanden voorafgaand aan de maand van indienstneming gedurende minstens drie maanden gerechtigd was op een leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 26 mei 2002 of een equivalent leefloon als bedoeld in de voornoemde wet van 2 april 1965.
§ 3. De werknemers die in de maand, gerekend van dag tot dag, voorafgaand aan de dag van hun indienstneming tewerkgesteld waren als werknemer met een arbeidsovereenkomst dienstencheques bij een andere erkende onderneming worden, binnen het kader van dit artikel, niet beschouwd als nieuw aangeworven werknemers met een arbeidsovereenkomst dienstencheques.
§ 4. Als het aantal arbeidsovereenkomsten dienstencheques die de erkende onderneming overeenkomstig de eerste paragraaf moet toekennen aan niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden een cijfer na de komma bevat, wordt dit aantal tot de dichtstbijzijnde eenheid afgerond, waarbij 0,5 naar boven wordt afgerond.
§ 5. De vestigingseenheid van de erkende onderneming waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden, moet in het bezit zijn van een attest van de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling waaruit blijkt dat de nieuw aangeworven werknemer voldoet aan de voorwaarde bedoeld in paragraaf 1. De attesten worden bewaard door de vestigingseenheid waar de werknemer werkt of waaraan hij/zij is verbonden.
De aanvraag van het in het vorige lid bedoelde attest moet door de werknemer ten laatste de dertigste dag volgend op de dag van de indienstneming ingediend worden bij de bevoegde gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling of het bevoegde openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn. De werkgever kan eveneens binnen dezelfde termijn het attest aanvragen.
§ 6. Het bestuur kan de vestigingseenheid van de erkende onderneming gelegen in zijn ambtsgebied voor een jaar, gedeeltelijk of geheel vrijstellen voor een contingent werknemers waarvoor ze hierom op gemotiveerde wijze verzoekt, als het bestuur na raadpleging van Actiris oordeelt dat er zowel op kwalitatief als op kwantitatief vlak onvoldoende niet-werkende of deeltijds werkende werkzoekenden als bedoeld in paragraaf 1 zijn met het vereiste profiel om de tewerkstelling bij de vestigingseenheid van de erkende onderneming in te vullen, daarbij rekening houdend met de toepassing van de regels van de passende dienstbetrekking als bepaald in artikel 51, paragraaf 2, 1° van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering."
Art.2. L'article 2bis du même arrêté, rétabli par l'arrêté royal du 3 août 2012, est remplacé par ce qui suit :
" § 1er. Par année, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services pour chaque unité d'établissement de l'entreprise agréée doivent être des demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel ou des bénéficiaires du revenu d'intégration.
§ 2. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° demandeur d'emploi inoccupé : la personne inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique;
2° demandeur d'emploi occupé à temps partiel : la personne sous contrat de travail à temps partiel, inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé ou occupé à temps partiel auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique pour le temps partiel où elle est inoccupée;
3° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) la personne qui a eu droit au revenu d'intégration visé par la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.
§ 3. Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
§ 4. Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel conformément au paragraphe 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
§ 5. L'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché, est en possession d'une attestation de l'office régional de l'emploi compétent prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er. Les attestations sont conservées par l'unité d'établissement auprès de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa précédent doit être introduite par le travailleur au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement auprès de l'office régional de l'emploi ou du centre public d'action sociale compétent. L'employeur peut également demander l'attestation pour le compte du travailleur dans le même délai.
§ 6. L'administration peut dispenser l'unité d'établissement de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour une année, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel elle fait une demande motivée, si elle estime, après consultation d'Actiris que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel, tels que visés au paragraphe 1er, avec le profil exigé pour remplir l'emploi auprès de l'unité d'établissement de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable, tel que défini à l'article 51, paragraphe 2, 1° de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage. ".
" § 1er. Par année, soixante pour cent des travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services pour chaque unité d'établissement de l'entreprise agréée doivent être des demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel ou des bénéficiaires du revenu d'intégration.
§ 2. Pour l'application du présent article, on entend par :
1° demandeur d'emploi inoccupé : la personne inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique;
2° demandeur d'emploi occupé à temps partiel : la personne sous contrat de travail à temps partiel, inscrite en qualité de demandeur d'emploi inoccupé ou occupé à temps partiel auprès d'un office public régional de l'emploi compétent en Belgique pour le temps partiel où elle est inoccupée;
3° bénéficiaire d'un revenu d'intégration :
a) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit au revenu d'intégration sociale visé dans la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale;
b) la personne qui, au moment de l'engagement, a droit à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'aide sociale;
c) la personne qui a eu droit au revenu d'intégration visé par la loi du 26 mai 2002 susmentionnée ou à l'équivalent du revenu d'intégration accordé dans le cadre de la loi du 2 avril 1965 susmentionnée pendant au moins trois mois au cours de la période des six mois qui précèdent le mois de l'engagement.
§ 3. Les travailleurs qui étaient employés comme travailleur avec un contrat de travail titres-services auprès d'une autre entreprise agréée dans le mois calculé de jour à jour qui précède le jour de leur engagement ne sont pas, dans le cadre de cet article, considérés comme travailleurs nouvellement engagés avec un contrat de travail titres-services.
§ 4. Lorsque le nombre de contrats de travail titres-services que l'entreprise agréée doit accorder aux demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel conformément au paragraphe 1er, a une décimale après la virgule, ce nombre est arrondi à l'unité la plus proche, 0,5 étant arrondi à l'unité supérieure.
§ 5. L'unité d'établissement de l'entreprise agréée au sein de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché, est en possession d'une attestation de l'office régional de l'emploi compétent prouvant que le travailleur nouvellement engagé satisfait aux conditions visées au paragraphe 1er. Les attestations sont conservées par l'unité d'établissement auprès de laquelle le travailleur est occupé ou à laquelle il est rattaché.
La demande de l'attestation visée à l'alinéa précédent doit être introduite par le travailleur au plus tard le trentième jour suivant celui de l'engagement auprès de l'office régional de l'emploi ou du centre public d'action sociale compétent. L'employeur peut également demander l'attestation pour le compte du travailleur dans le même délai.
§ 6. L'administration peut dispenser l'unité d'établissement de l'entreprise agréée sise dans son ressort pour une année, partiellement ou dans sa totalité, pour un contingent de travailleurs pour lequel elle fait une demande motivée, si elle estime, après consultation d'Actiris que, tant sur le plan qualitatif que quantitatif, il y a insuffisamment de demandeurs d'emploi inoccupés ou occupés à temps partiel, tels que visés au paragraphe 1er, avec le profil exigé pour remplir l'emploi auprès de l'unité d'établissement de l'entreprise agréée, en tenant compte de l'application des règles de l'emploi convenable, tel que défini à l'article 51, paragraphe 2, 1° de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage. ".
Art.3. In artikel 2ter van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 14 januari 2016, wordt paragraaf 4 vervangen als volgt:
" § 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen, moeten aanwezig of vertegenwoordigd zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° twee leden die de werknemers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
3° twee leden die de werkgevers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
4° een lid dat het bestuur vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger. ".
" § 4. Om op geldige wijze een advies te kunnen uitbrengen, moeten aanwezig of vertegenwoordigd zijn :
1° de voorzitter of zijn plaatsvervanger;
2° twee leden die de werknemers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
3° twee leden die de werkgevers vertegenwoordigen, of hun plaatsvervangers;
4° een lid dat het bestuur vertegenwoordigt, of zijn plaatsvervanger. ".
Art.3. A l'article 2ter du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale du 14 janvier 2016, le paragraphe 4 est remplacé comme suit :
" § 4. Doivent être présents ou représentés pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° deux membres représentant les travailleurs, ou leurs suppléants;
3° deux membres représentant les employeurs, ou leurs suppléants;
4° un membre représentant l'administration, ou son suppléant. ".
" § 4. Doivent être présents ou représentés pour pouvoir rendre un avis valablement :
1° le président ou son suppléant;
2° deux membres représentant les travailleurs, ou leurs suppléants;
3° deux membres représentant les employeurs, ou leurs suppléants;
4° un membre représentant l'administration, ou son suppléant. ".
Art.4. Aan artikel 2quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004 en laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 3, tweede lid, in punt 1°, wordt het woord "wachtuitkering" vervangen door het woord "inschakelingsuitkering";
2° in paragraaf 4, eerste lid, wordt punt 2°, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 april 2008, vervangen door wat volgt:
"2° de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren als bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wetten van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, in de algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten van 10 oktober 2008 van de Nationale Arbeidsraad, zijnde nr. 38sexies tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 38 van 6 december 1983 betreffende de werving en selectie van werknemers en nr. 95 betreffende de gelijke behandeling gedurende alle fasen van de arbeidsrelatie, en in de ordonnantie van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling;";
3° in dezelfde paragraaf 4 wordt een punt 2° bis ingevoegd, luidend als volgt :
"2° bis de onderneming verbindt zich ertoe een exemplaar van het "Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector", dat bij dit besluit is gevoegd en beschikbaar is op de website van het bestuur, aan het bestuur over te maken, gedateerd en ondertekend door een persoon die naar behoren gemachtigd is om de onderneming te binden. De geldigheidsduur van het charter bedraagt vijf jaar vanaf de dag van zijn ondertekening;";
4° in dezelfde paragraaf 4 wordt punt 8°, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2011, vervangen door wat volgt :
"8° De onderneming kan beslissen van haar gebruikers enkel dienstencheques in de gedematerialiseerde vorm bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, te aanvaarden;";
5° in dezelfde paragraaf 4 wordt punt 16°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2007, aangevuld met wat volgt :
"Ook verbindt de onderneming zich ertoe aan het uitgiftebedrijf al haar vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan te geven en zo nodig het uitgiftebedrijf de bijgewerkte lijst van al haar werknemers mee te delen, en daarbij uitdrukkelijk het soort overeenkomst (arbeidstijd, overeenkomst van bepaalde of onbepaalde tijd), hun identificatienummer van de Belgische sociale zekerheid (INSZ) en de vestigingseenheid te vermelden van de erkende onderneming waar de werknemers werken of waar ze aan zijn verbonden, alsook, voor de werknemers die meetellen voor het door artikel 2bis vastgelegde percentage, hun statuut op het ogenblik van de aanwerving. Het uitgiftebedrijf schort de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming op zolang laatstgenoemde deze verplichtingen nog niet is nagekomen;";
6° In paragraaf 4, eerste lid, wordt punt 17° vervangen door wat volgt :
"17° De onderneming verbindt zich ertoe om onder haar bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen personen te hebben die :
a) de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te binden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van artikel 2nonies, § 1, c);
b) de voorbije vijf jaar veroordeeld werden voor enig misdrijf begaan op fiscaal of sociaal vlak of krachtens hoofdstuk IV/1 van de wet;
c) ontzet werden uit hun burgerlijke en politieke rechten.".
7° in paragraaf 4 worden in punt 19°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 juli 2009, de woorden "de RVA" vervangen door de woorden "het bestuur".
1° in paragraaf 3, tweede lid, in punt 1°, wordt het woord "wachtuitkering" vervangen door het woord "inschakelingsuitkering";
2° in paragraaf 4, eerste lid, wordt punt 2°, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 april 2008, vervangen door wat volgt:
"2° de onderneming verbindt zich ertoe geen werknemers en klanten direct of indirect te discrimineren als bedoeld in de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de wetten van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie en ter bestrijding van discriminatie tussen vrouwen en mannen, in de algemeen bindend verklaarde collectieve arbeidsovereenkomsten van 10 oktober 2008 van de Nationale Arbeidsraad, zijnde nr. 38sexies tot wijziging van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 38 van 6 december 1983 betreffende de werving en selectie van werknemers en nr. 95 betreffende de gelijke behandeling gedurende alle fasen van de arbeidsrelatie, en in de ordonnantie van 4 september 2008 betreffende de strijd tegen discriminatie en de gelijke behandeling op het vlak van de tewerkstelling;";
3° in dezelfde paragraaf 4 wordt een punt 2° bis ingevoegd, luidend als volgt :
"2° bis de onderneming verbindt zich ertoe een exemplaar van het "Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector", dat bij dit besluit is gevoegd en beschikbaar is op de website van het bestuur, aan het bestuur over te maken, gedateerd en ondertekend door een persoon die naar behoren gemachtigd is om de onderneming te binden. De geldigheidsduur van het charter bedraagt vijf jaar vanaf de dag van zijn ondertekening;";
4° in dezelfde paragraaf 4 wordt punt 8°, vervangen bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2011, vervangen door wat volgt :
"8° De onderneming kan beslissen van haar gebruikers enkel dienstencheques in de gedematerialiseerde vorm bedoeld in artikel 3, § 1, tweede lid, te aanvaarden;";
5° in dezelfde paragraaf 4 wordt punt 16°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2007, aangevuld met wat volgt :
"Ook verbindt de onderneming zich ertoe aan het uitgiftebedrijf al haar vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan te geven en zo nodig het uitgiftebedrijf de bijgewerkte lijst van al haar werknemers mee te delen, en daarbij uitdrukkelijk het soort overeenkomst (arbeidstijd, overeenkomst van bepaalde of onbepaalde tijd), hun identificatienummer van de Belgische sociale zekerheid (INSZ) en de vestigingseenheid te vermelden van de erkende onderneming waar de werknemers werken of waar ze aan zijn verbonden, alsook, voor de werknemers die meetellen voor het door artikel 2bis vastgelegde percentage, hun statuut op het ogenblik van de aanwerving. Het uitgiftebedrijf schort de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming op zolang laatstgenoemde deze verplichtingen nog niet is nagekomen;";
6° In paragraaf 4, eerste lid, wordt punt 17° vervangen door wat volgt :
"17° De onderneming verbindt zich ertoe om onder haar bestuurders, zaakvoerders, lasthebbers of personen bevoegd om de onderneming te verbinden geen personen te hebben die :
a) de voorbije drie jaar bestuurder, zaakvoerder, lasthebber of persoon bevoegd om de onderneming te binden geweest zijn van een onderneming waarvan de erkenning werd ingetrokken met toepassing van de artikelen 2septies, 2octies en 2nonies, met uitzondering van artikel 2nonies, § 1, c);
b) de voorbije vijf jaar veroordeeld werden voor enig misdrijf begaan op fiscaal of sociaal vlak of krachtens hoofdstuk IV/1 van de wet;
c) ontzet werden uit hun burgerlijke en politieke rechten.".
7° in paragraaf 4 worden in punt 19°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 12 juli 2009, de woorden "de RVA" vervangen door de woorden "het bestuur".
Art.4. A l'article 2quater, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 9 janvier 2004 et modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 14 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 3, alinéa 2, dans le 1°, les mots " d'attente " sont remplacés par les mots " d'insertion ";
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, le 2°, remplacé par l'arrêté royal du 28 avril 2008, est remplacé par ce qui suit :
"2° l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie, aux lois du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination et tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes, aux conventions collectives de travail rendues obligatoires du 10 octobre 2008 du Conseil national du Travail, à savoir n° 38sexies modifiant la convention collective de travail n° 38 du 6 décembre 1983 concernant le recrutement et la sélection de travailleurs et n° 95 concernant l'égalité de traitement durant toutes les phases de la relation de travail, et à l'ordonnance du 4 septembre 2008 relative à la lutte contre à la discrimination et à l'égalité de traitement en matière d'emploi;";
3° au même paragraphe 4, il est inséré un 2° bis, rédigé comme suit :
" 2° bis l'entreprise s'engage à transmettre à l'administration un exemplaire, daté et signé par la personne dûment habilitée pour engager l'entreprise, de la " Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ", annexée au présent arrêté et disponible sur le site internet de l'administration. La durée de validité de la Charte est de cinq ans à dater de sa signature; ";
4° au même paragraphe 4, le 8°, remplacé par l'arrêté royal du 25 octobre 2011, est remplacé par ce qui suit :
" 8° L'entreprise peut décider de n'accepter de ses utilisateurs que des titres-services sous la forme dématérialisée visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2; ";
5° au même paragraphe 4, le 16°, inséré par l'arrêté royal du 13 juillet 2007, est complété par ce qui suit :
" L'entreprise s'engage également à déclarer à la société émettrice toutes ses unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale ainsi qu'à lui notifier la liste, mise à jour lorsque nécessaire, de tous ses travailleurs en mentionnant expressément le type de contrat (temps de travail, contrat à durée déterminée ou indéterminée) des travailleurs, leurs numéros d'identification à la sécurité sociale belge (NISS), l'unité d'établissement de l'entreprise agréée dans laquelle les travailleurs sont occupés ou à laquelle ils sont rattachés, et, pour les travailleurs pouvant être comptabilisés dans le cadre du pourcentage fixé par l'article 2bis, leur statut lors de l'engagement. La société émettrice suspend le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée aussi longtemps que celle-ci n'a pas rempli ces obligations; ";
6° Au paragraphe 4, alinéa 1er, le 17° est remplacé par ce qui suit :
" 17° L'entreprise s'engage à ne pas compter, ni directement ni par le biais d'une construction créée dans le but de contourner la présente condition d'agrément, parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, une personne qui :
a) dans les trois années écoulées, a été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de l'article 2nonies, § 1er, c);
b) dans les cinq années écoulées, a été condamnée pour toute infraction commise en matière fiscale, sociale ou en vertu du chapitre IV/1 de la loi;
c) a été privée de ses droits civils et politiques. ".
7° au paragraphe 4, dans le 19°, inséré par l'arrêté royal du 12 juillet 2009, le mot " ONEm " est à chaque fois remplacé par le mot " administration ".
1° au paragraphe 3, alinéa 2, dans le 1°, les mots " d'attente " sont remplacés par les mots " d'insertion ";
2° au paragraphe 4, alinéa 1er, le 2°, remplacé par l'arrêté royal du 28 avril 2008, est remplacé par ce qui suit :
"2° l'entreprise s'engage à ne pas pratiquer à l'encontre des travailleurs et des clients de discrimination directe ou indirecte visée à la loi du 30 juillet 1981 tendant à réprimer certains actes inspirés par le racisme ou la xénophobie, aux lois du 10 mai 2007 tendant à lutter contre certaines formes de discrimination et tendant à lutter contre la discrimination entre les femmes et les hommes, aux conventions collectives de travail rendues obligatoires du 10 octobre 2008 du Conseil national du Travail, à savoir n° 38sexies modifiant la convention collective de travail n° 38 du 6 décembre 1983 concernant le recrutement et la sélection de travailleurs et n° 95 concernant l'égalité de traitement durant toutes les phases de la relation de travail, et à l'ordonnance du 4 septembre 2008 relative à la lutte contre à la discrimination et à l'égalité de traitement en matière d'emploi;";
3° au même paragraphe 4, il est inséré un 2° bis, rédigé comme suit :
" 2° bis l'entreprise s'engage à transmettre à l'administration un exemplaire, daté et signé par la personne dûment habilitée pour engager l'entreprise, de la " Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ", annexée au présent arrêté et disponible sur le site internet de l'administration. La durée de validité de la Charte est de cinq ans à dater de sa signature; ";
4° au même paragraphe 4, le 8°, remplacé par l'arrêté royal du 25 octobre 2011, est remplacé par ce qui suit :
" 8° L'entreprise peut décider de n'accepter de ses utilisateurs que des titres-services sous la forme dématérialisée visée à l'article 3, § 1er, alinéa 2; ";
5° au même paragraphe 4, le 16°, inséré par l'arrêté royal du 13 juillet 2007, est complété par ce qui suit :
" L'entreprise s'engage également à déclarer à la société émettrice toutes ses unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale ainsi qu'à lui notifier la liste, mise à jour lorsque nécessaire, de tous ses travailleurs en mentionnant expressément le type de contrat (temps de travail, contrat à durée déterminée ou indéterminée) des travailleurs, leurs numéros d'identification à la sécurité sociale belge (NISS), l'unité d'établissement de l'entreprise agréée dans laquelle les travailleurs sont occupés ou à laquelle ils sont rattachés, et, pour les travailleurs pouvant être comptabilisés dans le cadre du pourcentage fixé par l'article 2bis, leur statut lors de l'engagement. La société émettrice suspend le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée aussi longtemps que celle-ci n'a pas rempli ces obligations; ";
6° Au paragraphe 4, alinéa 1er, le 17° est remplacé par ce qui suit :
" 17° L'entreprise s'engage à ne pas compter, ni directement ni par le biais d'une construction créée dans le but de contourner la présente condition d'agrément, parmi les administrateurs, gérants, mandataires ou personnes ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, une personne qui :
a) dans les trois années écoulées, a été administrateur, gérant, mandataire ou personne ayant le pouvoir d'engager l'entreprise, d'une entreprise dont l'agrément a été retiré en application des articles 2septies, 2octies et 2nonies, à l'exception de l'article 2nonies, § 1er, c);
b) dans les cinq années écoulées, a été condamnée pour toute infraction commise en matière fiscale, sociale ou en vertu du chapitre IV/1 de la loi;
c) a été privée de ses droits civils et politiques. ".
7° au paragraphe 4, dans le 19°, inséré par l'arrêté royal du 12 juillet 2009, le mot " ONEm " est à chaque fois remplacé par le mot " administration ".
Art.5. Aan artikel 2sexies van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004 en laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 3 augustus 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 :
a) punt 1° wordt aangevuld met de woorden ", het bankrekeningnummer dat gebruikt zal worden in het kader van de dienstenchequeactiviteit, het adres van de elektronische brievenbus voor de officiële communicatie met het bestuur en het uitgiftebedrijf, alsook alle vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en, in voorkomend geval, de vermelding van het erkenningsnummer van de onderneming, verstrekt door een of meerdere andere gewesten";
b) in punt 7°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2011, worden de woorden "de RVA" vervangen door de woorden " het bestuur";
2° in paragraaf 3, zesde lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 maart 2004, worden de woorden "van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg" vervangen door de woorden "van het bestuur";
3° paragraaf 5, opgeheven bij het koninklijk besluit van 12 juli 2009, wordt opnieuw ingevoerd als volgt :
" § 5. Overeenkomstig artikel 2ter van de wet informeert de onderneming waarnaar de erkenning overgaat het bestuur over de doorgevoerde veranderingen en de datum(s) waarop die in werking treden.
Binnen twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie, controleert het bestuur of het overdragen van de erkenning toelaatbaar is op basis van de voorwaarden bepaald in artikel 2ter van de wet en maakt het zijn advies over aan de minister van Tewerkstelling.
Als het advies niet wordt uitgebracht binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, wordt eraan voorbijgegaan en maakt het bestuur het dossier ter beslissing over aan de minister van Tewerkstelling.
De minister van Tewerkstelling spreekt zich uit binnen de twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie.
Bij ontstentenis van een beslissing van de minister van Tewerkstelling binnen voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het bestuur brengt de beslissing over de toelaatbaarheid van de erkenningsoverdracht ter kennis van de overnemende onderneming. Het bestuur bezorgt eveneens een kopie van de beslissing aan het secretariaat van de Commissie.".
1° in paragraaf 1 :
a) punt 1° wordt aangevuld met de woorden ", het bankrekeningnummer dat gebruikt zal worden in het kader van de dienstenchequeactiviteit, het adres van de elektronische brievenbus voor de officiële communicatie met het bestuur en het uitgiftebedrijf, alsook alle vestigingseenheden gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en, in voorkomend geval, de vermelding van het erkenningsnummer van de onderneming, verstrekt door een of meerdere andere gewesten";
b) in punt 7°, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 25 oktober 2011, worden de woorden "de RVA" vervangen door de woorden " het bestuur";
2° in paragraaf 3, zesde lid, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 31 maart 2004, worden de woorden "van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg" vervangen door de woorden "van het bestuur";
3° paragraaf 5, opgeheven bij het koninklijk besluit van 12 juli 2009, wordt opnieuw ingevoerd als volgt :
" § 5. Overeenkomstig artikel 2ter van de wet informeert de onderneming waarnaar de erkenning overgaat het bestuur over de doorgevoerde veranderingen en de datum(s) waarop die in werking treden.
Binnen twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie, controleert het bestuur of het overdragen van de erkenning toelaatbaar is op basis van de voorwaarden bepaald in artikel 2ter van de wet en maakt het zijn advies over aan de minister van Tewerkstelling.
Als het advies niet wordt uitgebracht binnen de in het tweede lid bedoelde termijn, wordt eraan voorbijgegaan en maakt het bestuur het dossier ter beslissing over aan de minister van Tewerkstelling.
De minister van Tewerkstelling spreekt zich uit binnen de twee maanden na ontvangst van de in het eerste lid bedoelde informatie.
Bij ontstentenis van een beslissing van de minister van Tewerkstelling binnen voornoemde termijn, wordt de beslissing geacht gunstig te zijn.
Het bestuur brengt de beslissing over de toelaatbaarheid van de erkenningsoverdracht ter kennis van de overnemende onderneming. Het bestuur bezorgt eveneens een kopie van de beslissing aan het secretariaat van de Commissie.".
Art.5. A l'article 2sexies du même arrêté, introduit par l'arrêté royal du 9 janvier 2004 et modifié dernièrement par l'arrêté royal du 3 août 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er :
a) le 1°, est complété par les mots ", le numéro de compte bancaire qui sera utilisé dans le cadre de l'activité titres-services, une adresse de messagerie électronique destinée à recevoir les communications officielles émanant de l'administration et de la société émettrice, ainsi que toutes les unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale et, le cas échéant, la mention du numéro d'agrément de l'entreprise délivré par une ou plusieurs autres régions ";
b) dans le 7°, introduit par l'arrêté royal du 25 octobre 2011, le mot " ONEm " est remplacé par le mot " administration ";
2° au paragraphe 3, sixième alinéa, modifié par l'arrêté royal du 31 mars 2004, les mots " du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale " sont remplacés par les mots " de l'administration ";
3° le paragraphe 5, abrogé par l'arrêté royal du 12 juillet 2009, est rétabli dans la version suivante :
" § 5. Conformément à l'article 2ter de la loi, l'entreprise cessionnaire du transfert d'agrément fait connaître à l'administration les informations relatives aux opérations de transformation intervenues et la ou les dates de l'entrée en vigueur de celles-ci.
Dans les deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, l'administration vérifie les conditions d'admissibilité du transfert d'agrément au regard des conditions prescrites par l'article 2ter de la loi et communique son avis au Ministre de l'Emploi.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa 2, il est passé outre et l'administration transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Dans un délai de deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, le Ministre de l'Emploi se prononce.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
L'administration notifie la décision relative à l'admissibilité du transfert d'agrément à l'entreprise cessionnaire. L'administration communique également une copie de la décision au secrétariat de la Commission. ".
1° au paragraphe 1er :
a) le 1°, est complété par les mots ", le numéro de compte bancaire qui sera utilisé dans le cadre de l'activité titres-services, une adresse de messagerie électronique destinée à recevoir les communications officielles émanant de l'administration et de la société émettrice, ainsi que toutes les unités d'établissement situées en Région de Bruxelles-Capitale et, le cas échéant, la mention du numéro d'agrément de l'entreprise délivré par une ou plusieurs autres régions ";
b) dans le 7°, introduit par l'arrêté royal du 25 octobre 2011, le mot " ONEm " est remplacé par le mot " administration ";
2° au paragraphe 3, sixième alinéa, modifié par l'arrêté royal du 31 mars 2004, les mots " du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale " sont remplacés par les mots " de l'administration ";
3° le paragraphe 5, abrogé par l'arrêté royal du 12 juillet 2009, est rétabli dans la version suivante :
" § 5. Conformément à l'article 2ter de la loi, l'entreprise cessionnaire du transfert d'agrément fait connaître à l'administration les informations relatives aux opérations de transformation intervenues et la ou les dates de l'entrée en vigueur de celles-ci.
Dans les deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, l'administration vérifie les conditions d'admissibilité du transfert d'agrément au regard des conditions prescrites par l'article 2ter de la loi et communique son avis au Ministre de l'Emploi.
A défaut d'avis rendu dans le délai visé à l'alinéa 2, il est passé outre et l'administration transmet pour décision le dossier au Ministre de l'Emploi.
Dans un délai de deux mois à dater de la réception des informations visées à l'alinéa 1er, le Ministre de l'Emploi se prononce.
En cas d'absence de décision du Ministre de l'Emploi endéans le délai précité, la décision est réputée favorable.
L'administration notifie la décision relative à l'admissibilité du transfert d'agrément à l'entreprise cessionnaire. L'administration communique également une copie de la décision au secrétariat de la Commission. ".
Art.6. In de artikelen 2septies, paragraaf 4, en 2octies, paragraaf 3, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004, en in artikel 2nonies, paragraaf 3, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 september 2008, worden de woorden "van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg" vervangen door de woorden "van het bestuur".
Art.6. Dans les articles 2septies, paragraphe 4, et 2octies, paragraphe 3, insérés par l'arrêté royal du 9 janvier 2004 et dans l'article 2nonies, paragraphe 3, remplacé par l'arrêté royal du 28 septembre 2008, les mots " du Service Public Fédéral Emploi, Travail et Concertation Sociale " sont remplacés par les mots " de l'administration ".
Art.7. In artikel 2nonies, paragraaf 1, van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 28 september 2008, wordt punt d) vervangen door wat volgt :
"d) niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 2quater, paragraaf 4, eerste lid, 15° tot 17° ;".
"d) niet voldoet aan de voorwaarden vermeld in artikel 2quater, paragraaf 4, eerste lid, 15° tot 17° ;".
Art.7. Dans l'article 2nonies, paragraphe 1er, du même arrêté remplacé par l'arrêté royal du 28 septembre 2008, le d) est remplacé par ce qui suit :
" d) ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article 2quater, paragraphe 4, alinéa 1er, 15° à 17° ; " .
" d) ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article 2quater, paragraphe 4, alinéa 1er, 15° à 17° ; " .
Art.8. Aan artikel 3 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 oktober 2015, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1 worden de woorden "het Beheerscomité van de RVA" en "dit Beheerscomité" telkens vervangen door de woorden "het bestuur" en wordt een derde lid ingevoegd, luidend als volgt :
"De minister van Tewerkstelling kan de minimale vermeldingen aanpassen die op de dienstencheques moeten voorkomen en er bijkomende vermeldingen aan toevoegen.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "achtste" vervangen door het woord "zesde";
3° in paragraaf 2, vierde lid, in de tweede zin, worden in de Franstalige versie de woorden "à charge" verplaatst en tussen de woorden "avec un enfant handicapé" en de woorden "ayant leur résidence";
4° in paragraaf 2, zesde lid, worden de woorden "de RVA" telkens vervangen door de woorden "het bestuur";
5° paragraaf 2 wordt aangevuld met een negende en laatste lid dat luidt als volgt :
"De aangeschafte dienstencheques kunnen niet aangewend worden voor de betaling van de diensten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, die meer dan een jaar vóór de datum van de uitgifte van de cheque werden gepresteerd. Indien de dienst niet binnen deze termijn werd vergoed door middel van een dienstencheque zal de gebruiker de volledige waarde van de dienstencheque, inclusief de in artikel 8 bedoelde tegemoetkoming, dienen te betalen aan de erkende onderneming.";
6° in paragraaf 3, in de tweede zin van het eerste lid, worden de woorden "van het lopende jaar" vervangen door het jaar "2016", worden de woorden "de RVA" vervangen door de woorden "het bestuur" en wordt er een nieuwe zin ingevoegd aan het eind van deze tweede zin, die luidt als volgt:
"De dienstencheques betaald aan het uitgiftebedrijf vanaf 1 januari 2016, kunnen slechts ten belope van 85% van de aankoopprijs aan de gebruiker terugbetaald worden in het jaar dat volgt op dat van de aankoop; in dat geval betaalt het uitgiftebedrijf 15% van de aankoopprijs aan het bestuur.
7° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "achtste" en "negende" respectievelijk vervangen door de woorden "zesde" en "zevende";
8° in paragraaf 3 wordt het laatste lid vervangen door wat volgt :
"Geen enkele gebruiker kan om de terugbetaling of vervanging vragen van dienstencheques die verloren of gestolen zijn. Als een zending evenwel verloren gaat in de post en de gebruiker dit aangeeft bij het uitgiftebedrijf, kan de gebruiker de vervanging verkrijgen van de dienstencheques die in de post verloren zijn gegaan.".
1° in paragraaf 1 worden de woorden "het Beheerscomité van de RVA" en "dit Beheerscomité" telkens vervangen door de woorden "het bestuur" en wordt een derde lid ingevoegd, luidend als volgt :
"De minister van Tewerkstelling kan de minimale vermeldingen aanpassen die op de dienstencheques moeten voorkomen en er bijkomende vermeldingen aan toevoegen.";
2° in paragraaf 2, eerste lid, wordt het woord "achtste" vervangen door het woord "zesde";
3° in paragraaf 2, vierde lid, in de tweede zin, worden in de Franstalige versie de woorden "à charge" verplaatst en tussen de woorden "avec un enfant handicapé" en de woorden "ayant leur résidence";
4° in paragraaf 2, zesde lid, worden de woorden "de RVA" telkens vervangen door de woorden "het bestuur";
5° paragraaf 2 wordt aangevuld met een negende en laatste lid dat luidt als volgt :
"De aangeschafte dienstencheques kunnen niet aangewend worden voor de betaling van de diensten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2°, die meer dan een jaar vóór de datum van de uitgifte van de cheque werden gepresteerd. Indien de dienst niet binnen deze termijn werd vergoed door middel van een dienstencheque zal de gebruiker de volledige waarde van de dienstencheque, inclusief de in artikel 8 bedoelde tegemoetkoming, dienen te betalen aan de erkende onderneming.";
6° in paragraaf 3, in de tweede zin van het eerste lid, worden de woorden "van het lopende jaar" vervangen door het jaar "2016", worden de woorden "de RVA" vervangen door de woorden "het bestuur" en wordt er een nieuwe zin ingevoegd aan het eind van deze tweede zin, die luidt als volgt:
"De dienstencheques betaald aan het uitgiftebedrijf vanaf 1 januari 2016, kunnen slechts ten belope van 85% van de aankoopprijs aan de gebruiker terugbetaald worden in het jaar dat volgt op dat van de aankoop; in dat geval betaalt het uitgiftebedrijf 15% van de aankoopprijs aan het bestuur.
7° in paragraaf 3, tweede lid, worden de woorden "achtste" en "negende" respectievelijk vervangen door de woorden "zesde" en "zevende";
8° in paragraaf 3 wordt het laatste lid vervangen door wat volgt :
"Geen enkele gebruiker kan om de terugbetaling of vervanging vragen van dienstencheques die verloren of gestolen zijn. Als een zending evenwel verloren gaat in de post en de gebruiker dit aangeeft bij het uitgiftebedrijf, kan de gebruiker de vervanging verkrijgen van de dienstencheques die in de post verloren zijn gegaan.".
Art.8. A l'article 3 du même arrêté, modifié dernièrement par l'arrêté du Gouvernement de la Région de Bruxelles-capitale du 1er octobre 2015, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, les mots " le Comité de gestion de l'ONEm " et " ce Comité de gestion " sont à chaque fois remplacés par les mots " l'administration " et un alinéa 3 est inséré, rédigé comme suit :
" Le Ministre de l'Emploi peut adapter les mentions minimales du modèle de titre-service et y ajouter des mentions supplémentaires. ";
2° au paragraphe 2, premier alinéa, le mot " huitième " est remplacé par le mot " sixième ";
3° au paragraphe 2, alinéa 4, dans la deuxième phrase, les mots " à charge " sont déplacés et insérés entre les mots " avec un enfant handicapé " et les mots " ayant leur résidence ";
4° au paragraphe 2, alinéa 6, le mot " ONEm " est à chaque fois remplacé par le mot " administration ";
5° le paragraphe 2 est complété par un 9ième et dernier alinéa rédigé comme suit :
" Les titres-services achetés ne peuvent pas être utilisés pour le paiement des prestations visées à l'article 1er, alinéa premier, 2°, qui ont été effectuées plus d'un an avant la date de l'émission du titre. Lorsque le service n'a pas été rémunéré dans ce délai au moyen d'un titre-services, l'utilisateur sera tenu de payer la valeur totale du titre-services, y compris l'intervention visée à l'article 8, à l'entreprise agréée. ";
6° au paragraphe 3, dans la deuxième phrase de l'alinéa premier, les mots " en cours " sont remplacés par l'année " 2016 ", le mot " ONEm " est remplacé par le mot " administration " et une nouvelle phrase est insérée à la fin de cette deuxième phrase rédigée comme suit :
" Les titres-services payés à la société émettrice à partir du 1er janvier de l'année 2016 ne peuvent être remboursés, dans l'année qui suit l'achat, à l'utilisateur qu'à concurrence de 85 % du prix d'achat; dans ce cas 15 % du prix d'achat est payé par la société émettrice à l'administration. ";
7° au paragraphe 3, deuxième alinéa, les mots " huitième " et " neuvième " sont respectivement remplacés par les mots " sixième " et " septième ";
8° au paragraphe 3, le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Aucun utilisateur ne peut demander le remboursement ou le remplacement de ses titres-services en cas de perte ou de vol. Toutefois, en cas de perte postale déclarée par l'utilisateur à la société émettrice, l'utilisateur peut obtenir le remplacement des titres-services concernés par cette perte postale. ".
1° au paragraphe 1er, les mots " le Comité de gestion de l'ONEm " et " ce Comité de gestion " sont à chaque fois remplacés par les mots " l'administration " et un alinéa 3 est inséré, rédigé comme suit :
" Le Ministre de l'Emploi peut adapter les mentions minimales du modèle de titre-service et y ajouter des mentions supplémentaires. ";
2° au paragraphe 2, premier alinéa, le mot " huitième " est remplacé par le mot " sixième ";
3° au paragraphe 2, alinéa 4, dans la deuxième phrase, les mots " à charge " sont déplacés et insérés entre les mots " avec un enfant handicapé " et les mots " ayant leur résidence ";
4° au paragraphe 2, alinéa 6, le mot " ONEm " est à chaque fois remplacé par le mot " administration ";
5° le paragraphe 2 est complété par un 9ième et dernier alinéa rédigé comme suit :
" Les titres-services achetés ne peuvent pas être utilisés pour le paiement des prestations visées à l'article 1er, alinéa premier, 2°, qui ont été effectuées plus d'un an avant la date de l'émission du titre. Lorsque le service n'a pas été rémunéré dans ce délai au moyen d'un titre-services, l'utilisateur sera tenu de payer la valeur totale du titre-services, y compris l'intervention visée à l'article 8, à l'entreprise agréée. ";
6° au paragraphe 3, dans la deuxième phrase de l'alinéa premier, les mots " en cours " sont remplacés par l'année " 2016 ", le mot " ONEm " est remplacé par le mot " administration " et une nouvelle phrase est insérée à la fin de cette deuxième phrase rédigée comme suit :
" Les titres-services payés à la société émettrice à partir du 1er janvier de l'année 2016 ne peuvent être remboursés, dans l'année qui suit l'achat, à l'utilisateur qu'à concurrence de 85 % du prix d'achat; dans ce cas 15 % du prix d'achat est payé par la société émettrice à l'administration. ";
7° au paragraphe 3, deuxième alinéa, les mots " huitième " et " neuvième " sont respectivement remplacés par les mots " sixième " et " septième ";
8° au paragraphe 3, le dernier alinéa est remplacé par ce qui suit :
" Aucun utilisateur ne peut demander le remboursement ou le remplacement de ses titres-services en cas de perte ou de vol. Toutefois, en cas de perte postale déclarée par l'utilisateur à la société émettrice, l'utilisateur peut obtenir le remplacement des titres-services concernés par cette perte postale. ".
Art.9. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"In geval van elektronische dienstencheques verzendt het uitgiftebedrijf, in afwijking van het eerste lid, de cheques naar de gebruiker binnen de 2 werkdagen na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde bedrag.";
2° in het vroegere tweede lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 maart 2006, worden de woorden "Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening" vervangen door de woorden "het bestuur" en worden de woorden "opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is" geschrapt.
1° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd dat luidt als volgt :
"In geval van elektronische dienstencheques verzendt het uitgiftebedrijf, in afwijking van het eerste lid, de cheques naar de gebruiker binnen de 2 werkdagen na ontvangst van het in artikel 3 bedoelde bedrag.";
2° in het vroegere tweede lid, vervangen bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 5 maart 2006, worden de woorden "Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening" vervangen door de woorden "het bestuur" en worden de woorden "opgesplitst volgens het Gewest waar de gebruiker gedomicilieerd is" geschrapt.
Art.9. Dans l'article 4 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° un alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit:
" Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les titres-services électroniques, la société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 2 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3. ";
2° à l'alinéa 2 ancien, remplacé par l'arrêté royal du 9 janvier 2004, et modifié par l'arrêté royal du 5 mars 2006, les mots " Office National de l'Emploi " sont remplacés par le mot " administration " et les mots " et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur " sont abrogés.
1° un alinéa est inséré entre les alinéas 1er et 2, rédigé comme suit:
" Par dérogation à l'alinéa 1er, pour les titres-services électroniques, la société émettrice envoie le titre-service à l'utilisateur dans les 2 jours ouvrables après réception du montant visé à l'article 3. ";
2° à l'alinéa 2 ancien, remplacé par l'arrêté royal du 9 janvier 2004, et modifié par l'arrêté royal du 5 mars 2006, les mots " Office National de l'Emploi " sont remplacés par le mot " administration " et les mots " et répartie par Région sur base du domicile de l'utilisateur " sont abrogés.
Art.10. In artikel 5 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 1 oktober 2015, worden de woorden "de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel" telkens vervangen door de woorden "het bestuur".
Art.10. A l'article 5 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du 1er octobre 2015 du Gouvernement de la Région de Bruxelles-Capitale, les mots " le Service public régional de Bruxelles " sont chaque fois remplacés par les mots " l'administration ".
Art.11. In artikel 7 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 12 juli 2009, wordt het woord "negende" vervangen door het woord "zevende".
Art.11. A l'article 7 du même arrêté, modifié dernièrement par l'arrêté royal du 12 juillet 2009, le mot " neuvième " est remplacé par le mot " septième ".
Art.12. Aan artikel 8 van hetzelfde besluit worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "tien" vervangen door het woord "vijf", en wordt het lid als volgt aangevuld :
"Wat de dienstencheques in gedematerialiseerde vorm betreft, bedraagt deze termijn evenwel twee werkdagen.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de bedragen "13,04" en "12,04" respectievelijk vervangen door de bedragen "13,36" en "12,36";
3° in dezelfde paragraaf 1, in het derde lid, wordt het getal "73" vervangen door het getal "100" en wordt dit lid als volgt aangevuld :
"De erkende onderneming heeft automatisch recht op de betaling van deze verhoging ten belope van 73% van die 2% volgens de voorwaarden bepaald in het vijfde lid. Om recht te hebben op de betaling van de resterende 27% van deze verhoging moet de erkende onderneming de voorwaarden bepaald in het zesde tot het achtste lid naleven.";
4° paragraaf 1 wordt aangevuld met drie leden, respectievelijk het zesde, zevende en achtste lid, die luiden als volgt :
"Om recht te hebben op de resterende verhoging, die overeenstemt met 2% van 27% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, moet de erkende onderneming aantonen de volgende voorwaarden nageleefd te hebben tijdens het jaar in kwestie :
1° de onderneming heeft de voorwaarde nageleefd waarin artikel 2bis van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques voorziet;
2° de onderneming heeft een geldig exemplaar van het "Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector", aan het bestuur overgemaakt, gedateerd en ondertekend door een persoon die naar behoren gemachtigd is om de onderneming te binden;
3° behalve wanneer ze minder dan 2.000 dienstencheques bij het uitgiftebedrijf voor het referentiejaar heeft ingediend, beschikt de onderneming over een vormingsplan aangepast aan de behoeften van het personeel dat is opgegeven als dienstenchequewerknemers met toepassing van artikel 2quater, § 4, 16°, goedgekeurd door de commissie opgericht bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 betreffende het opleidingsfonds dienstencheques. De geldigheidsduur van het vormingsplan bedraagt drie jaar vanaf de goedkeuring door de commissie.
De minister van Tewerkstelling kan de inhoud van de dossiers en de termijn en de nadere praktische regels voor de indiening ervan bij het bestuur of de commissie opleidingsfonds dienstencheques preciseren, evenals de nadere regels voor de validering van het in 3° bedoelde plan.
In de loop van het jaar waarin de betaling van de resterende verhoging moet plaatsvinden, controleert het bestuur of deze voorwaarden, die cumulatief gelden voor het jaar in kwestie, vervuld zijn. Als het bestuur vaststelt dat ze vervuld zijn, geeft ze aan het uitgiftebedrijf de opdracht de resterende verhoging rechtstreeks te betalen. Deze opdracht wordt binnen de maand door het uitgiftebedrijf uitgevoerd. Als de voorwaarden niet vervuld zijn, geeft het bestuur aan de erkende onderneming kennis van de weigeringsbeslissing.".
1° in paragraaf 1, eerste lid, wordt het woord "tien" vervangen door het woord "vijf", en wordt het lid als volgt aangevuld :
"Wat de dienstencheques in gedematerialiseerde vorm betreft, bedraagt deze termijn evenwel twee werkdagen.";
2° in paragraaf 1, tweede lid, worden de bedragen "13,04" en "12,04" respectievelijk vervangen door de bedragen "13,36" en "12,36";
3° in dezelfde paragraaf 1, in het derde lid, wordt het getal "73" vervangen door het getal "100" en wordt dit lid als volgt aangevuld :
"De erkende onderneming heeft automatisch recht op de betaling van deze verhoging ten belope van 73% van die 2% volgens de voorwaarden bepaald in het vijfde lid. Om recht te hebben op de betaling van de resterende 27% van deze verhoging moet de erkende onderneming de voorwaarden bepaald in het zesde tot het achtste lid naleven.";
4° paragraaf 1 wordt aangevuld met drie leden, respectievelijk het zesde, zevende en achtste lid, die luiden als volgt :
"Om recht te hebben op de resterende verhoging, die overeenstemt met 2% van 27% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, moet de erkende onderneming aantonen de volgende voorwaarden nageleefd te hebben tijdens het jaar in kwestie :
1° de onderneming heeft de voorwaarde nageleefd waarin artikel 2bis van het koninklijk besluit van 12 december 2001 betreffende de dienstencheques voorziet;
2° de onderneming heeft een geldig exemplaar van het "Brussels diversiteitscharter in de dienstenchequesector", aan het bestuur overgemaakt, gedateerd en ondertekend door een persoon die naar behoren gemachtigd is om de onderneming te binden;
3° behalve wanneer ze minder dan 2.000 dienstencheques bij het uitgiftebedrijf voor het referentiejaar heeft ingediend, beschikt de onderneming over een vormingsplan aangepast aan de behoeften van het personeel dat is opgegeven als dienstenchequewerknemers met toepassing van artikel 2quater, § 4, 16°, goedgekeurd door de commissie opgericht bij artikel 4 van het koninklijk besluit van 7 juni 2007 betreffende het opleidingsfonds dienstencheques. De geldigheidsduur van het vormingsplan bedraagt drie jaar vanaf de goedkeuring door de commissie.
De minister van Tewerkstelling kan de inhoud van de dossiers en de termijn en de nadere praktische regels voor de indiening ervan bij het bestuur of de commissie opleidingsfonds dienstencheques preciseren, evenals de nadere regels voor de validering van het in 3° bedoelde plan.
In de loop van het jaar waarin de betaling van de resterende verhoging moet plaatsvinden, controleert het bestuur of deze voorwaarden, die cumulatief gelden voor het jaar in kwestie, vervuld zijn. Als het bestuur vaststelt dat ze vervuld zijn, geeft ze aan het uitgiftebedrijf de opdracht de resterende verhoging rechtstreeks te betalen. Deze opdracht wordt binnen de maand door het uitgiftebedrijf uitgevoerd. Als de voorwaarden niet vervuld zijn, geeft het bestuur aan de erkende onderneming kennis van de weigeringsbeslissing.".
Art.12. A l'article 8 du même arrêté, les modifications suivantes sont apportées :
1° au paragraphe 1er, 1er alinéa, le mot " dix " est remplacé par le mot " cinq ", et l'alinéa est complété par ce qui suit :
" Toutefois, en ce qui concerne les titres-services sous forme dématérialisée, ce délai est de deux jours ouvrables. ";
2° au paragraphe 1er, 2ième alinéa, les montants de " 13,04 " et de " 12,04 ", sont respectivement remplacés par les montants de " 13,36 " et " 12,36 ";
3° au même paragraphe 1er, dans l'alinéa 3, le chiffre " 73 " est remplacé par le chiffre " 100 " et cet alinéa est complété par ce qui suit :
" L'entreprise agréée a automatiquement droit au paiement de cette augmentation à concurrence de 73 % de ces 2% dans les conditions de l'alinéa 5. Pour avoir droit au paiement des 27 % résiduels de cette augmentation, l'entreprise agréée doit respecter les conditions prévues aux alinéas 6 à 8. ";
4° le paragraphe 1er est complété par trois alinéas 6, 7 et 8, rédigés comme suit :
" Pour avoir droit à l'augmentation résiduelle correspondant au 2 % de 27 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée, l'entreprise agréée doit démontrer le respect des conditions suivantes pour l'année concernée :
1° elle a respecté la condition prévue à l'article 2bis de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services;
2° elle a transmis à l'administration un exemplaire daté, signé par la personne dûment habilitée pour engager l'entreprise, et en cours de validité, de la " Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ", annexée au présent arrêté et disponible sur le site internet de l'administration;
3° sauf si elle a rentré moins de 2.000 titres-services auprès de la société émettrice pour l'année de référence, elle dispose d'un plan de formation, adapté aux besoins du personnel renseigné comme travailleurs en titres-services en application de l'article 2quater, § 4, 16°, approuvé par la Commission instituée par l'article 4 de l'arrêté royal du 7 juin 2007 concernant le fonds de formation titres-services. La durée de validité du plan de formation est de trois ans à dater de l'approbation par la Commission.
Le Ministre de l'Emploi peut préciser le contenu, les délais et modalités d'introduction des dossiers auprès de l'administration ou auprès de la Commission fonds de formation, et les modalités de validation du plan visé au 3°.
Au cours de l'année où le paiement de l'augmentation résiduelle doit avoir lieu, l'administration vérifie le respect de ces conditions qui sont cumulatives pour l'année concernée. Si l'administration constate qu'elles sont respectées, elle donne instruction de payer l'augmentation résiduelle directement à la société émettrice qui s'exécute dans le mois. Si les conditions ne sont pas respectées, l'administration notifie à l'entreprise agréée la décision de refus. ".
1° au paragraphe 1er, 1er alinéa, le mot " dix " est remplacé par le mot " cinq ", et l'alinéa est complété par ce qui suit :
" Toutefois, en ce qui concerne les titres-services sous forme dématérialisée, ce délai est de deux jours ouvrables. ";
2° au paragraphe 1er, 2ième alinéa, les montants de " 13,04 " et de " 12,04 ", sont respectivement remplacés par les montants de " 13,36 " et " 12,36 ";
3° au même paragraphe 1er, dans l'alinéa 3, le chiffre " 73 " est remplacé par le chiffre " 100 " et cet alinéa est complété par ce qui suit :
" L'entreprise agréée a automatiquement droit au paiement de cette augmentation à concurrence de 73 % de ces 2% dans les conditions de l'alinéa 5. Pour avoir droit au paiement des 27 % résiduels de cette augmentation, l'entreprise agréée doit respecter les conditions prévues aux alinéas 6 à 8. ";
4° le paragraphe 1er est complété par trois alinéas 6, 7 et 8, rédigés comme suit :
" Pour avoir droit à l'augmentation résiduelle correspondant au 2 % de 27 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée, l'entreprise agréée doit démontrer le respect des conditions suivantes pour l'année concernée :
1° elle a respecté la condition prévue à l'article 2bis de l'arrêté royal du 12 décembre 2001 concernant les titres-services;
2° elle a transmis à l'administration un exemplaire daté, signé par la personne dûment habilitée pour engager l'entreprise, et en cours de validité, de la " Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ", annexée au présent arrêté et disponible sur le site internet de l'administration;
3° sauf si elle a rentré moins de 2.000 titres-services auprès de la société émettrice pour l'année de référence, elle dispose d'un plan de formation, adapté aux besoins du personnel renseigné comme travailleurs en titres-services en application de l'article 2quater, § 4, 16°, approuvé par la Commission instituée par l'article 4 de l'arrêté royal du 7 juin 2007 concernant le fonds de formation titres-services. La durée de validité du plan de formation est de trois ans à dater de l'approbation par la Commission.
Le Ministre de l'Emploi peut préciser le contenu, les délais et modalités d'introduction des dossiers auprès de l'administration ou auprès de la Commission fonds de formation, et les modalités de validation du plan visé au 3°.
Au cours de l'année où le paiement de l'augmentation résiduelle doit avoir lieu, l'administration vérifie le respect de ces conditions qui sont cumulatives pour l'année concernée. Si l'administration constate qu'elles sont respectées, elle donne instruction de payer l'augmentation résiduelle directement à la société émettrice qui s'exécute dans le mois. Si les conditions ne sont pas respectées, l'administration notifie à l'entreprise agréée la décision de refus. ".
Art.13. Artikel 10 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 14 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Art. 10. § 1. De erkende onderneming stort 25.000 euro als borgsom bedoeld in artikel 2bis, § 1 van de wet, op een rekening van het bestuur. De eventuele rentevergoeding die deze rekening genereert, blijft verworven door het bestuur voor alle borgsommen, ongeacht of ze vóór of na 1 januari 2016 door de bedrijven gesteld werden.
§ 2. Bij weigering van de erkenning wordt de borgsom volledig terugbetaald.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid van de wet, of bij vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° van dit koninklijk besluit, of bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning, gaat het bestuur na of de onderneming nog bedragen verschuldigd is aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, om welke reden ook. Als dit het geval is, wordt het bedrag van de borgsom aangewend voor het aanzuiveren van die schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.
Elke beslissing tot inhouding, terugvordering of schorsing van erkenning onderbreekt de in het vorige lid bedoelde termijn van vijf jaar. In dat geval gaat het niet-verlopen gedeelte van de termijn pas in vanaf de dag waarop de onderneming niet langer het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot inhouding, of in geval van terugvordering, vanaf de dag waarop de onderneming de teruggevorderde bedragen heeft terugbetaald, of in geval van schorsing, vanaf de dag waarop die schorsing wordt opgeheven.
§ 3. Het bedrag of deel van de borgsom dat teruggestort moet worden maar waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, blijft verworven door het bestuur vanaf 24 maanden na het tijdstip waarop de betaling had moeten plaatsvinden.
§ 4. In opdracht van het bestuur, als er aanwijzingen zijn van fraude, blokkeert het uitgiftebedrijf onmiddellijk de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming. In dat geval zijn de in artikel 8 vermelde terugbetalingstermijnen niet van toepassing. Deze blokkering duurt maximaal 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag waarop ze door het uitgiftebedrijf wordt ingesteld.".
"Art. 10. § 1. De erkende onderneming stort 25.000 euro als borgsom bedoeld in artikel 2bis, § 1 van de wet, op een rekening van het bestuur. De eventuele rentevergoeding die deze rekening genereert, blijft verworven door het bestuur voor alle borgsommen, ongeacht of ze vóór of na 1 januari 2016 door de bedrijven gesteld werden.
§ 2. Bij weigering van de erkenning wordt de borgsom volledig terugbetaald.
In het geval de erkenning wordt ingetrokken overeenkomstig artikel 2, § 2, vierde, vijfde en zesde lid van de wet, of bij vrijwillige stopzetting van de activiteiten bedoeld in artikel 1, eerste lid, 2° van dit koninklijk besluit, of bij het verstrijken van een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de toekenningsdatum van de erkenning, gaat het bestuur na of de onderneming nog bedragen verschuldigd is aan het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, om welke reden ook. Als dit het geval is, wordt het bedrag van de borgsom aangewend voor het aanzuiveren van die schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.
Elke beslissing tot inhouding, terugvordering of schorsing van erkenning onderbreekt de in het vorige lid bedoelde termijn van vijf jaar. In dat geval gaat het niet-verlopen gedeelte van de termijn pas in vanaf de dag waarop de onderneming niet langer het voorwerp uitmaakt van een beslissing tot inhouding, of in geval van terugvordering, vanaf de dag waarop de onderneming de teruggevorderde bedragen heeft terugbetaald, of in geval van schorsing, vanaf de dag waarop die schorsing wordt opgeheven.
§ 3. Het bedrag of deel van de borgsom dat teruggestort moet worden maar waarvan de bestemmeling niet bereikbaar is, blijft verworven door het bestuur vanaf 24 maanden na het tijdstip waarop de betaling had moeten plaatsvinden.
§ 4. In opdracht van het bestuur, als er aanwijzingen zijn van fraude, blokkeert het uitgiftebedrijf onmiddellijk de terugbetaling van de dienstencheques aan de erkende onderneming. In dat geval zijn de in artikel 8 vermelde terugbetalingstermijnen niet van toepassing. Deze blokkering duurt maximaal 30 kalenderdagen, te rekenen vanaf de dag waarop ze door het uitgiftebedrijf wordt ingesteld.".
Art.13. L'article 10 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 14 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 10. § 1er. L'entreprise agréée verse 25.000 euros au titre du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, sur un compte de l'administration. L'éventuelle bonification d'intérêts générée par ce compte reste acquise à l'administration pour tous les cautionnements qu'ils aient été constitués par les entreprises avant ou après le 1er janvier 2016.
§ 2. En cas de refus de l'agrément, le cautionnement est intégralement remboursé.
En cas de retrait de l'agrément, conformément à l'article 2, § 2, alinéas quatre, cinq et six de la loi ou lors de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa premier, 2° du présent arrêté royal, ou à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément, l'administration vérifie si l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.
Toute décision de retenue, de récupération ou de suspension d'agrément interrompt le délai de cinq ans prévu à l'alinéa précédent. Dans ce cas, la partie restante du délai ne court qu'à partir du jour où l'entreprise n'est plus sujette à une décision de retenue, ou en cas de récupération, à partir du jour où l'entreprise a remboursé les montants à récupérer, ou encore en cas de suspension, à partir du jour où la suspension est levée.
§ 3. Le montant du cautionnement, ou d'une partie de celui-ci à reverser, dont le destinataire n'est pas joignable, sont acquis à l'administration et ce, 24 mois après le moment où le paiement aurait dû être effectué.
§ 4. Sur instruction de l'administration, en cas d'indices de fraude, la société émettrice bloque immédiatement le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée. Dans ce cas, les délais de remboursement mentionnés à l'article 8 ne sont pas applicables. Ce blocage est de maximum 30 jours de calendrier à compter du jour où le blocage est mis en oeuvre par la société émettrice. ".
" Art. 10. § 1er. L'entreprise agréée verse 25.000 euros au titre du cautionnement visé à l'article 2bis, § 1er de la loi, sur un compte de l'administration. L'éventuelle bonification d'intérêts générée par ce compte reste acquise à l'administration pour tous les cautionnements qu'ils aient été constitués par les entreprises avant ou après le 1er janvier 2016.
§ 2. En cas de refus de l'agrément, le cautionnement est intégralement remboursé.
En cas de retrait de l'agrément, conformément à l'article 2, § 2, alinéas quatre, cinq et six de la loi ou lors de la cessation volontaire des activités visées à l'article 1er, alinéa premier, 2° du présent arrêté royal, ou à l'expiration d'un délai de cinq ans à compter de la date d'octroi de l'agrément, l'administration vérifie si l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit. Si tel est le cas, le montant du cautionnement sera utilisé pour l'apurement de ces créances. Le montant restant sera remboursé.
Toute décision de retenue, de récupération ou de suspension d'agrément interrompt le délai de cinq ans prévu à l'alinéa précédent. Dans ce cas, la partie restante du délai ne court qu'à partir du jour où l'entreprise n'est plus sujette à une décision de retenue, ou en cas de récupération, à partir du jour où l'entreprise a remboursé les montants à récupérer, ou encore en cas de suspension, à partir du jour où la suspension est levée.
§ 3. Le montant du cautionnement, ou d'une partie de celui-ci à reverser, dont le destinataire n'est pas joignable, sont acquis à l'administration et ce, 24 mois après le moment où le paiement aurait dû être effectué.
§ 4. Sur instruction de l'administration, en cas d'indices de fraude, la société émettrice bloque immédiatement le remboursement des titres-services à l'entreprise agréée. Dans ce cas, les délais de remboursement mentionnés à l'article 8 ne sont pas applicables. Ce blocage est de maximum 30 jours de calendrier à compter du jour où le blocage est mis en oeuvre par la société émettrice. ".
Art.14. Aan artikel 10bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in de paragrafen 2 tot 7 worden de woorden "de RVA" telkens vervangen door de woorden "het bestuur";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt het getal "10" vervangen door het getal "5" en worden de woorden "of binnen de twee werkdagen als het gaat om dienstencheques in gedematerialiseerde vorm" worden ingevoegd tussen de woorden "opgestuurd door de erkende onderneming" en de woorden "een bedrag gelijk aan";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Als de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden bepaald in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, en als de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen enkel bedrag verschuldigd is, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Als er vastgesteld wordt dat de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen verschuldigd blijft, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 gebruikt voor de aanzuivering van deze schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.".
1° in de paragrafen 2 tot 7 worden de woorden "de RVA" telkens vervangen door de woorden "het bestuur";
2° in paragraaf 2, tweede lid, wordt het getal "10" vervangen door het getal "5" en worden de woorden "of binnen de twee werkdagen als het gaat om dienstencheques in gedematerialiseerde vorm" worden ingevoegd tussen de woorden "opgestuurd door de erkende onderneming" en de woorden "een bedrag gelijk aan";
3° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Als de onderneming het bewijs levert van de naleving van alle voorwaarden bepaald in artikel 2, § 2, eerste en tweede lid van de wet, en als de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen enkel bedrag verschuldigd is, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 alsnog overgemaakt aan de onderneming.
Als er vastgesteld wordt dat de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen verschuldigd blijft, om welke reden dan ook, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 gebruikt voor de aanzuivering van deze schulden. Het resterende bedrag wordt terugbetaald.".
Art.14. A l'article 10bis du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° aux paragraphes 2 à 7, le mot " ONEm " est chaque fois remplacé par le mot " administration ";
2° au paragraphe 2, 2ième alinéa, le chiffre " 10 " est remplacé par le chiffre " 5 " et les mots " ou dans les 2 jours ouvrables en cas de titres-services sous forme dématérialisée, " sont insérés entre les mots " envoyé par celle-ci, " et les mots " un montant égal au ";
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et si l'entreprise n'est débitrice d'aucune somme due à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté que l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces dettes. Le montant restant est remboursé. ".
1° aux paragraphes 2 à 7, le mot " ONEm " est chaque fois remplacé par le mot " administration ";
2° au paragraphe 2, 2ième alinéa, le chiffre " 10 " est remplacé par le chiffre " 5 " et les mots " ou dans les 2 jours ouvrables en cas de titres-services sous forme dématérialisée, " sont insérés entre les mots " envoyé par celle-ci, " et les mots " un montant égal au ";
3° le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Si l'entreprise apporte la preuve du respect de l'ensemble des conditions prévues à l'article 2, § 2, alinéas 1er et 2, de la loi, et si l'entreprise n'est débitrice d'aucune somme due à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont encore transmis à l'entreprise.
S'il est constaté que l'entreprise reste débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 sont utilisés pour l'apurement de ces dettes. Le montant restant est remboursé. ".
Art.15. Artikel 10ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 2012, wordt vervangen door wat volgt:
"Als de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen verschuldigd is, om welke reden dan ook, wanneer de erkenning wordt ingetrokken of op het moment dat de activiteiten vrijwillig worden stopgezet, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 van artikel 10bis bij voorrang gebruikt voor de aanzuivering van deze schulden.".
"Als de onderneming het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bedragen verschuldigd is, om welke reden dan ook, wanneer de erkenning wordt ingetrokken of op het moment dat de activiteiten vrijwillig worden stopgezet, worden de ingehouden bedragen bedoeld in paragrafen 2 en 3 van artikel 10bis bij voorrang gebruikt voor de aanzuivering van deze schulden.".
Art.15. L'article 10ter, du même arrêté, inséré par l'arrêté royal du 14 décembre 2012, est remplacé par ce qui suit :
" Si l'entreprise est débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 de l'article 10bis seront prioritairement utilisés pour l'apurement de ces dettes. ".
" Si l'entreprise est débitrice de sommes dues à la Région de Bruxelles-Capitale, à quelque titre que ce soit, lorsque l'agrément est retiré ou au moment de la cessation volontaire des activités, les montants retenus visés aux paragraphes 2 et 3 de l'article 10bis seront prioritairement utilisés pour l'apurement de ces dettes. ".
Art.16. Artikel 11 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 11. Het bestuur vervolgt de onwillige schuldenaars met het oog op terugvordering van de bedragen bedoeld in artikel 10octies van de wet.
De rekenplichtige van ontvangsten belast met fiscale zaken is belast met de invordering bedoeld in artikel 10octies van de wet.
De directeurs-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid en Brussel Fiscaliteit bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel sluiten een protocol dat de wijze regelt waarop Brussel Fiscaliteit de in artikel 10octies bedoelde bedragen invordert in naam en voor rekening van Brussel Economie en Werkgelegenheid. De toezichthoudende ministers van de overeenkomstsluitende partijen ontvangen een afschrift van het oorspronkelijke protocol en van elke latere wijziging, toevoeging en vervanging.
Dit protocol regelt ten minste volgende zaken :
1° de rolverdeling tussen beide algemene directies op het vlak van de invorderingsprocedure;
2° de financiering van de kosten van de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
3° de opleidingsmogelijkheden voor de ambtenaren van beide algemene directies in het kader van de invordering van de terug te betalen bedragen;
4° de inhoud en de regelmaat van de terugkerende en de gerichte rapportering over de werkzaamheden in verband met de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
5° de te gebruiken onderlinge communicatiekanalen;
6° de nadere regelen tot heronderhandeling van het protocol.".
"Art. 11. Het bestuur vervolgt de onwillige schuldenaars met het oog op terugvordering van de bedragen bedoeld in artikel 10octies van de wet.
De rekenplichtige van ontvangsten belast met fiscale zaken is belast met de invordering bedoeld in artikel 10octies van de wet.
De directeurs-generaal van Brussel Economie en Werkgelegenheid en Brussel Fiscaliteit bij de Gewestelijke Overheidsdienst Brussel sluiten een protocol dat de wijze regelt waarop Brussel Fiscaliteit de in artikel 10octies bedoelde bedragen invordert in naam en voor rekening van Brussel Economie en Werkgelegenheid. De toezichthoudende ministers van de overeenkomstsluitende partijen ontvangen een afschrift van het oorspronkelijke protocol en van elke latere wijziging, toevoeging en vervanging.
Dit protocol regelt ten minste volgende zaken :
1° de rolverdeling tussen beide algemene directies op het vlak van de invorderingsprocedure;
2° de financiering van de kosten van de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
3° de opleidingsmogelijkheden voor de ambtenaren van beide algemene directies in het kader van de invordering van de terug te betalen bedragen;
4° de inhoud en de regelmaat van de terugkerende en de gerichte rapportering over de werkzaamheden in verband met de gedwongen invordering van de terug te betalen bedragen;
5° de te gebruiken onderlinge communicatiekanalen;
6° de nadere regelen tot heronderhandeling van het protocol.".
Art.16. L'article 11 du même arrêté, modifié par l'arrêté royal du 13 juillet 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 11. L'administration poursuit les débiteurs récalcitrants aux fins de récupération des montants visés à l'article 10octies de la loi.
Le comptable des recettes chargé de matières fiscales est chargé du recouvrement visé à l'article 10octies de la loi.
Les Directeurs généraux de Bruxelles Economie et Emploi et de Bruxelles Fiscalité auprès du Service public régional de Bruxelles concluent un protocole organisant la manière dont Bruxelles Fiscalité procède au recouvrement des montants visés à l'article 10octies au nom et pour le compte de Bruxelles Economie et Emploi. Les Ministres de tutelle des parties contractantes reçoivent copie de la version originale du protocole ainsi que de toute modification, annexe ou substitution ultérieure.
Ce protocole règle à tout le moins les points suivants :
1° la répartition des tâches entre les deux directions générales au niveau de la procédure relative au recouvrement;
2° le financement des frais du recouvrement forcé des montants à rembourser;
3° les possibilités de formation des agents des deux directions générales dans le cadre du recouvrement des montants à rembourser;
4° la teneur et la fréquence des rapports périodiques ou ponctuels qui seront établis sur les activités liées au recouvrement forcé des montants à rembourser;
5° la détermination des canaux de communication à utiliser;
6° les modalités de renégociation du protocole. ".
" Art. 11. L'administration poursuit les débiteurs récalcitrants aux fins de récupération des montants visés à l'article 10octies de la loi.
Le comptable des recettes chargé de matières fiscales est chargé du recouvrement visé à l'article 10octies de la loi.
Les Directeurs généraux de Bruxelles Economie et Emploi et de Bruxelles Fiscalité auprès du Service public régional de Bruxelles concluent un protocole organisant la manière dont Bruxelles Fiscalité procède au recouvrement des montants visés à l'article 10octies au nom et pour le compte de Bruxelles Economie et Emploi. Les Ministres de tutelle des parties contractantes reçoivent copie de la version originale du protocole ainsi que de toute modification, annexe ou substitution ultérieure.
Ce protocole règle à tout le moins les points suivants :
1° la répartition des tâches entre les deux directions générales au niveau de la procédure relative au recouvrement;
2° le financement des frais du recouvrement forcé des montants à rembourser;
3° les possibilités de formation des agents des deux directions générales dans le cadre du recouvrement des montants à rembourser;
4° la teneur et la fréquence des rapports périodiques ou ponctuels qui seront établis sur les activités liées au recouvrement forcé des montants à rembourser;
5° la détermination des canaux de communication à utiliser;
6° les modalités de renégociation du protocole. ".
Art.17. Artikel 11bis, ingevoegd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2004, en artikel 11ter, vervangen bij het koninklijk besluit van 17 augustus 2013, van hetzelfde besluit worden opgeheven.
Artikel 11quater wordt artikel 11bis.
Artikel 11quater wordt artikel 11bis.
Art.17. L'article 11bis, inséré par l'arrêté royal du 9 janvier 2004 et l'article 11ter remplacé par l'arrêté royal du 17 août 2013, du même arrêté, sont abrogés.
L'article 11quater devient l'article 11bis.
L'article 11quater devient l'article 11bis.
Art.18. In artikel 12 van hetzelfde besluit, vervangen bij het koninklijk besluit van 5 maart 2006, worden de woorden "de RVA" telkens vervangen door de woorden "het bestuur".
Art.18. Dans l'article 12 du même arrêté, remplacé par l'arrêté royal du 5 mars 2006, le mot " ONEm " est chaque fois remplacé par le mot " administration ".
Art.19. In hetzelfde besluit wordt een artikel 12bis ingevoegd, dat luidt als volgt :
"Art. 12bis. De dienstencheques aangekocht in de loop van 2017 die de indexering van juni 2016 hebben genoten, ten belope van 2% van 73% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, zullen in 2018 de betaling genieten van een bijkomende verhoging van 2% van 27% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, als de erkende onderneming die deze dienstencheques heeft ingediend, aantoont de voorwaarden bedoeld in het zesde lid van artikel 8 na te leven.".
"Art. 12bis. De dienstencheques aangekocht in de loop van 2017 die de indexering van juni 2016 hebben genoten, ten belope van 2% van 73% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, zullen in 2018 de betaling genieten van een bijkomende verhoging van 2% van 27% van de som van de aanschafprijs van de dienstencheque en de daaraan gekoppelde tegemoetkoming, als de erkende onderneming die deze dienstencheques heeft ingediend, aantoont de voorwaarden bedoeld in het zesde lid van artikel 8 na te leven.".
Art.19. Dans le même arrêté, il est inséré un article 12bis, rédigé comme suit :
" Art. 12bis. Les titres-services achetés au cours de l'année 2017 qui ont bénéficié de l'indexation survenue en juin 2016 à concurrence de 2 % de 73 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée, bénéficieront, en 2018, du paiement d'une augmentation complémentaire de 2 % de 27 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée, si l'entreprise agréée qui a rentré ces titres-services démontre le respect des conditions visées à l'alinéa 6 de l'article 8. ".
" Art. 12bis. Les titres-services achetés au cours de l'année 2017 qui ont bénéficié de l'indexation survenue en juin 2016 à concurrence de 2 % de 73 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée, bénéficieront, en 2018, du paiement d'une augmentation complémentaire de 2 % de 27 % de la somme du prix de l'acquisition du titre-service et l'intervention qui y est liée, si l'entreprise agréée qui a rentré ces titres-services démontre le respect des conditions visées à l'alinéa 6 de l'article 8. ".
Art.20. In hetzelfde besluit wordt het opschrift van de bijlage, laatst vervangen door het koninklijk besluit van 26 januari 2010, vervangen als volgt :
"Bijlage 1. Model van dienstencheque".
"Bijlage 1. Model van dienstencheque".
Art.20. Dans le même arrêté, le titre de l'annexe, remplacée en dernier lieu par l'arrêté royal du 26 janvier 2010, est remplacé comme suit :
" Annexe 1 - Modèle du titre-service ".
" Annexe 1 - Modèle du titre-service ".
Art.21. In hetzelfde besluit wordt de bijlage 2 ingevoegd, luidende :
"Bijlage 2. Brussel diversiteitscharter in de dienstenchequesector".
"Bijlage 2. Brussel diversiteitscharter in de dienstenchequesector".
Art.21. Dans le même arrêté, il est inséré une annexe 2, comme suit :
" Annexe 2 - Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ".
" Annexe 2 - Charte Bruxelloise de la Diversité dans le secteur des titres-services ".
Art.22. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2017, met uitzondering van :
1° de artikelen 12, 1° en 14, 2°, die in werking treden op 1 januari 2018;
2° de artikelen 5, 1°, a), 8, 2°, 5°, 7° en 8° en 11, die in werking treden op 1 maart 2017;
3° de artikelen 5, 3° en 16, waarvan de Regering de datum van inwerkingtreding bepaalt.
De artikelen 2 en 8, 6° hebben uitwerking vanaf 1 januari 2016.
Artikel 12, 2° heeft uitwerking vanaf 1 juni 2016.
1° de artikelen 12, 1° en 14, 2°, die in werking treden op 1 januari 2018;
2° de artikelen 5, 1°, a), 8, 2°, 5°, 7° en 8° en 11, die in werking treden op 1 maart 2017;
3° de artikelen 5, 3° en 16, waarvan de Regering de datum van inwerkingtreding bepaalt.
De artikelen 2 en 8, 6° hebben uitwerking vanaf 1 januari 2016.
Artikel 12, 2° heeft uitwerking vanaf 1 juni 2016.
Art.22. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2017, à l'exception :
1° des articles 12, 1° et 14, 2° qui entrent en vigueur le 1er janvier 2018;
2° des articles 5, 1°, a), 8, 2°, 5°, 7° et 8° et 11 qui entrent en vigueur le 1er mars 2017;
3° des articles 5, 3° et 16 qui entreront en vigueur à la date fixée par le Gouvernement.
Les articles 2 et 8, 6° produisent leurs effets le 1er janvier 2016.
L'article 12, 2° produit ses effets le 1er juin 2016.
1° des articles 12, 1° et 14, 2° qui entrent en vigueur le 1er janvier 2018;
2° des articles 5, 1°, a), 8, 2°, 5°, 7° et 8° et 11 qui entrent en vigueur le 1er mars 2017;
3° des articles 5, 3° et 16 qui entreront en vigueur à la date fixée par le Gouvernement.
Les articles 2 et 8, 6° produisent leurs effets le 1er janvier 2016.
L'article 12, 2° produit ses effets le 1er juin 2016.
(NOTE : Entrée en vigueur des articles 5, 3° et 16 fixée au 01-09-2017 par ARR 2017-06-22/20, art. 1)
Art.23. De minister van Tewerkstelling wordt belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.23. Le Ministre chargé de l'Emploi est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Bijlage 2.
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-02-2017, p. 23908)
(Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 14-02-2017, p. 23908)
Art. N. Annexe 1.
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 14-02-2017, p. 23907)
(Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 14-02-2017, p. 23907)