Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
7 DECEMBER 2016. - Wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-12-2016 en tekstbijwerking tot 20-12-2024)
Titre
7 DECEMBRE 2016. - Loi portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-12-2016 et mise à jour au 20-12-2024)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Tekst (197)
Texte (197)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 74 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 74 de la Constitution.
TITEL 2. - Omzetting van de richtlijn en de tenuitvoerlegging van de verordening
TITRE 2. - Transposition de la directive et mise en oeuvre du règlement
Art.2. Deze wet voorziet in de omzetting van richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad, gewijzigd door richtlijn 2014/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014.
  Zij implementeert ook gedeeltelijk verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie.
Art.2. La présente loi transpose la directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés et modifiant les directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil, et abrogeant la directive 84/253/CEE du Conseil, modifiée par la directive 2014/56/UE du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014.
  La présente loi met également partiellement en oeuvre le règlement (UE) n° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission.
TITEL 3. - Organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren
TITRE 3. - Organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises
HOOFDSTUK 1. - Definities
CHAPITRE 1er. - Définitions
Art.3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
  1° bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon: een natuurlijk persoon ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren;
  2° bedrijfsrevisorenkantoor: een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, andere dan een natuurlijk persoon, ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren;
  3° bedrijfsrevisor: een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of een bedrijfsrevisorenkantoor;
  4° [5 wettelijke auditor: een natuurlijke persoon die de toelating heeft om in een andere lidstaat het beroep van wettelijke auditor in de zin van Richtlijn 2006/43/EG uit te oefenen en die, in voorkomend geval, eveneens de toelating heeft de assurance van duurzaamheidsinformatie uit te voeren;]5
  5° [5 auditkantoor: een entiteit, andere dan een natuurlijk persoon, die de toelating heeft om in een andere lidstaat het beroep van wettelijke auditor in de zin van Richtlijn 2006/43/EG uit te oefenen en die, in voorkomend geval, eveneens de toelating heeft om de assurance van duurzaamheidsinformatie uit te voeren;]5
  6° [5 auditor of auditorganisatie van een derde land: een natuurlijk persoon of een entiteit, met om het even welke rechtsvorm, andere dan een natuurlijk persoon, die de controle uitvoert van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming en/of, in voorkomend geval, eveneens de assurance van duurzaamheidsinformatie uitvoert van een onderneming met maatschappelijke zetel in een derde land, en aan wie geen toelating is verleend als wettelijke auditor of auditkantoor in een andere lidstaat;]5
  7° organisaties van openbaar belang: de organisaties als bedoeld in [3 artikel 1:12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]3;
  8° netwerk: het netwerk als bedoeld in [3 artikel 3:56 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]3;
  9° wettelijke controle van de jaarrekening: de wettelijke controle als bedoeld in [3 artikel 3:55 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]3;
  10° [5 revisorale opdracht: elke opdracht, inclusief de opdracht van de wettelijke controle van de jaarrekening, die ertoe strekt een deskundig oordeel te geven over de getrouwheid en de waarachtigheid van een jaarrekening, van een tussentijdse financiële staat, van een waardering of van andere economische en financiële informatie, verschaft door een onderneming of instelling; dit begrip omvat eveneens de ontleding en de verklaring van de economische en financiële inlichtingen aan de leden van de ondernemingsraad, alsook de opdracht van assurance van duurzaamheidsinformatie;]5
  11° Instituut: het Instituut van de Bedrijfsrevisoren, als bedoeld in artikel 64;
  12° Raad: de Raad van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren;
  13° Hoge Raad: de Hoge Raad voor de economische beroepen opgericht bij artikel 54 van de wet van 22 april 1999 betreffende de boekhoudkundige en fiscale beroepen;
  14° FOD Economie: de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie;
  15° College: het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, opgericht bij artikel 32;
  16° FSMA: de Autoriteit voor financiële diensten en markten als bedoeld in artikel 44 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  17° Bank: de Nationale Bank van België als bedoeld in de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België;
  18° sanctiecommissie: de sanctiecommissie van de FSMA als bedoeld in artikel 47 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  19° bevoegde autoriteiten: de bij wet aangewezen autoriteiten die zijn belast met de regelgeving betreffende en/of het toezicht op wettelijke auditors en de auditkantoren, of met de uitvoering van specifieke aspecten daarvan;
  20° richtlijn 2006/43/EG: de richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  21° verordening (EU) nr. 537/2014: de verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;
  22° [2 het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader:
   - deze wet;
   - de door de Koning ter uitvoering van haar bepalingen genomen besluiten;
   - het [3 Wetboek van vennootschappen en verenigingen]3;
   - de op bedrijfsrevisoren toepasbare normen;
   - de Verordening (EU) nr. 537/2014;
   - de door de Commissie goedgekeurde verordeningen krachtens de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en Verordening (EU) nr. 537/2014; en
   - de bepalingen van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, de ter uitvoering van voornoemde wet van 18 september 2017 genomen besluiten en reglementen, de uitvoeringsmaatregelen van Richtlijn (EU) 2015/849 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 inzake de voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld of terrorismefinanciering, van Verordening (EU) 2015/847 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2015 betreffende bij geldovermakingen te voegen informatie, en van de waakzaamheidsplicht waarvan sprake in de bindende bepalingen betreffende financiële embargo's, in de mate waarin ze van toepassing zijn op de in artikel 85, § 1, 6°, van voornoemde wet van 18 september 2017 bedoelde onderworpen entiteiten;]2

  [4 - hoofdstuk 3 en artikel 22 van de wet van 28 november 2022 betreffende de bescherming van melders van inbreuken op het Unie- of nationale recht vastgesteld binnen een juridische entiteit in de private sector]4;
  23° de wet van 2 augustus 2002: de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  24° internationale controlestandaarden: de International Standards on Auditing, zoals desgevallend goedgekeurd door de Europese Commissie, en de andere daarmee verband houdende standaarden die zijn uitgebracht door de International Auditing and Assurance Standards Board (IAASB) en gepubliceerd door de International Federation of Accountants (IFAC), voor zover deze voor de wettelijke controle van de jaarrekening van belang zijn;
  [5 24/1° assurancestandaarden: de standaarden met betrekking tot de assurance van duurzaamheidsinformatie aangenomen volgens de bepalingen van deze wet;]5
  25° vennoot: de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die zijn beroepsactiviteit in een bedrijfsrevisorenkantoor uitoefent;
  26° [5 vaste vertegenwoordiger:
   a) de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die door een bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor voor een bepaalde controleopdracht is aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening namens het bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor, respectievelijk voor een bepaalde assuranceopdracht is aangewezen als hoofdverantwoordelijke voor de uitvoering van de opdracht van assurance van duurzaamheidsinformatie namens het bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor, of
   b) in het geval van een groepscontrole, de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die door een bedrijfsrevisorenkantoor of auditkantoor als hoofdverantwoordelijke is aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening op groepsniveau, respectievelijk voor de uitvoering van de assuranceopdracht van duurzaamheidsinformatie op groepsniveau, en de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of wettelijke auditor die als hoofdverantwoordelijke is aangewezen voor de uitvoering van de wettelijke controle van de jaarrekening bij de belangrijke dochterondernemingen, respectievelijk voor de uitvoering van de assuranceopdracht van duurzaamheidsinformatie op het niveau van de belangrijke dochterondernemingen, of
   c) de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of de wettelijke auditor die het controleverslag, respectievelijk het assuranceverslag over de duurzaamheidsinformatie ondertekent;]5

  27° aandeelhouder: een persoon die participeert in het kapitaal van een bedrijfsrevisorenkantoor;
  28° persoon die geen beroepsbeoefenaar is: elk natuurlijk persoon die geen revisorale opdracht verricht en de voorbije drie jaar geen revisorale opdracht heeft verricht, die geen stemrechten in een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor bezit of de voorbije drie jaar heeft bezeten, die geen lid is of de voorbije drie jaar is geweest van het administratieve, leidinggevende of bestuursorgaan van een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor, die niet in dienst is of de voorbije drie jaar is geweest van dan wel op een andere manier verbonden is of de voorbije drie jaar is geweest aan een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor, dan wel op een andere wijze door een bedrijfsrevisorenkantoor of een auditkantoor is of de voorbije drie jaar was gecontracteerd;
  29° [5 groepsauditor: de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor bedoeld in artikel 3:79 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, of de bedrijfsrevisor bedoeld in artikel 3:82/4 van hetzelfde Wetboek die overgaat tot de assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie;]5
  30° derde land: land dat geen deel uitmaakt van de Europese Unie of de Europese Economische Ruimte;
  31° lidstaat: een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
  32° lidstaat van herkomst: een lidstaat waar een wettelijke auditor of een auditkantoor is toegelaten overeenkomstig richtlijn 2006/43/EG;
  33° ESMA: de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten als opgericht bij verordening nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;
  34° EIOPA: de Europese Autoriteit voor Verzekeringen en Bedrijfspensioenen als opgericht bij verordening nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;
  35° EBA: de Europese Bankautoriteit als opgericht bij verordening nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010;
  36° CEAOB: het Comité van Europese auditorstoezichthouders, bedoeld in artikel 30 van verordening (EU) nr. 537/2014.
  [1 37° "Verordening 2016/679": Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming);]1
  [5 38° duurzaamheidsinformatie: duurzaamheidsinformatie als gedefinieerd in artikel 1:31/2, 2° en 3°, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
   39° assurance van duurzaamheidsinformatie: de assurance bedoeld in artikel 3:55, tweede en derde lid, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.]5

  
Art.3. Pour l'application de la présente loi, il faut entendre par:
  1° réviseur d'entreprises personne physique: une personne physique inscrite au registre public des réviseurs d'entreprises;
  2° cabinet de révision: une personne morale ou une autre entité, quelle que soit sa forme juridique, autre qu'une personne physique, inscrite au registre public des réviseurs d'entreprises;
  3° réviseur d'entreprises: un réviseur d'entreprises personne physique ou un cabinet de révision;
  4° [5 contrôleur légal des comptes: une personne physique qui est agréée pour exercer dans un autre Etat membre la profession de contrôleur légal des comptes au sens de la directive 2006/43/CE et qui est également, le cas échéant, agréée pour procéder à l'assurance de l'information en matière de durabilité;]5
  5° [5 cabinet d'audit: une entité, autre qu'une personne physique, qui est agréée pour exercer dans un autre Etat membre la profession de contrôleur légal des comptes au sens de la directive 2006/43/CE et qui est également, le cas échéant, agréée pour procéder à l'assurance de l'information en matière de durabilité;]5
  6° [5 contrôleur ou entité d'audit de pays tiers: une personne physique ou une entité, quelle que soit sa forme juridique autre qu'une personne physique, qui réalise le contrôle des comptes annuels ou consolidés et/ou procède également, le cas échéant, à l'assurance de l'information en matière de durabilité d'une entreprise ayant son siège social dans un pays tiers et qui n'est pas agréé en tant que contrôleur légal des comptes ou cabinet d'audit dans un autre Etat membre;]5
  7° entités d'intérêt public: les entités visées à l'[3 article 1:12 du Code des sociétés et des associations]3;
  8° réseau: le réseau tel que visé à l'[3 article 3:56 du Code des sociétés et des associations]3;
  9° contrôle légal des comptes: le contrôle légal visé à l'[3 article 3:55 du Code des sociétés et des associations]3;
  10° [5 mission révisorale: toute mission, y inclus la mission de contrôle légal des comptes, qui a pour objet de donner une opinion d'expert sur le caractère fidèle et sincère des comptes annuels, d'un état financier intermédiaire, d'une évaluation, ou d'une autre information économique et financière fournie par une entité ou une institution; est également incluse dans cette notion, l'analyse et l'explication des informations économiques et financières à l'attention des membres du conseil d'entreprise, ainsi que la mission d'assurance de l'information en matière de durabilité;]5
  11° Institut: l'Institut des Réviseurs d'Entreprises visé par l'article 64;
  12° Conseil: le Conseil de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises;
  13° Conseil supérieur: le Conseil supérieur des professions économiques, créé par l'article 54 de la loi du 22 avril 1999 relative aux professions comptables et fiscales;
  14° SPF Economie: le Service Public Fédéral Economie, P.M.E., Classes moyennes et Energie;
  15° Collège: le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises, créé par l'article 32;
  16° FSMA: l'Autorité des services et marchés financiers visée par l'article 44 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
  17° Banque: la Banque Nationale de Belgique, visée dans la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique;
  18° commission des sanctions: la commission des sanctions de la FSMA visée à l'article 47 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
  19° autorités compétentes: les autorités désignées par une loi ayant pour mission la régulation et/ou la supervision des contrôleurs légaux des comptes et cabinets d'audit ou l'exécution de certains aspects de celles-ci;
  20° directive 2006/43/CE: la directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés et modifiant les directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil, et abrogeant la directive 84/253/CEE du Conseil;
  21° règlement (UE) n° 537/2014: le règlement (UE) n° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission;
  22° [2 le cadre législatif et réglementaire applicable:
   - la présente loi;
   - les arrêtés pris par le Roi en vertu de ses dispositions;
   - le [3 Code des sociétés et des associations]3;
   - les normes applicables aux réviseurs d'entreprises;
   - le Règlement (UE) n° 537/2014;
   - les règlements adoptés par la Commission en vertu des dispositions de la directive 2006/43/CE et du Règlement (UE) n° 537/2014; et
   - les dispositions de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, des arrêtés et règlements pris pour l'exécution de la loi du 18 septembre 2017 précitée, des mesures d'exécution de la Directive (UE) 2015/849 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux ou du financement du terrorisme, du Règlement (UE) 2015/847 du Parlement européen et du Conseil du 20 mai 2015 sur les informations accompagnant les transferts de fonds, et les devoirs de vigilance prévus par les dispositions contraignantes relatives aux embargos financiers, dans la mesure où elles sont applicables aux entités assujetties visées à l'article 85, § 1er, 6° de la loi du 18 septembre 2017 précitée;]2

  [4 - le chapitre 3 et l'article 22 de la loi du 28 novembre 2022 sur la protection des personnes qui signalent des violations au droit de l'Union ou au droit national constatées au sein d'une entité juridique du secteur privé]4;
  23° la loi du 2 août 2002: la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers;
  24° normes internationales d'audit: les normes internationales d'audit telles qu'approuvées le cas échéant par la Commission européenne et les normes connexes élaborées par le conseil international des normes d'audit et d'assurance (IAASB) et publiées par la Fédération internationale d'experts-comptables (IFAC), dans la mesure où elles sont applicables au contrôle légal des comptes;
  [5 24/1° normes d'assurance: les normes relatives à l'assurance de l'information en matière de durabilité adoptées conformément aux dispositions de la présente loi;]5
  25° associé: le réviseur d'entreprises personne physique qui exerce son activité professionnelle au sein d'un cabinet de révision;
  26° [5 représentant permanent:
   a) le réviseur d'entreprises personne physique ou le contrôleur légal des comptes désigné par un cabinet de révision ou par un cabinet d'audit, dans le contexte d'une mission d'audit déterminée comme principal responsable du contrôle légal des comptes à effectuer au nom du cabinet de révision ou du cabinet d'audit, respectivement dans le contexte d'une mission d'assurance de l'information en matière de durabilité comme principal responsable de la mission d'assurance à effectuer au nom du cabinet de révision ou du cabinet d'audit, ou
   b) en cas d'audit de groupe, le réviseur d'entreprises personne physique ou le contrôleur légal des comptes désigné par un cabinet de révision ou par un cabinet d'audit respectivement comme le principal responsable du contrôle légal des comptes à réaliser au niveau du groupe ou comme le principal responsable de la mission d'assurance de l'information en matière de durabilité à réaliser au niveau du groupe, et le réviseur d'entreprises personne physique ou le contrôleur légal des comptes désigné respectivement comme le principal responsable du contrôle légal des comptes à effectuer au niveau des entreprises filiales importantes ou comme le principal responsable de la mission de l'information en matière de durabilité à effectuer au niveau des entreprises filiales importantes, ou
   c) le réviseur d'entreprises personne physique ou le contrôleur légal des comptes qui signe respectivement le rapport d'audit ou le rapport d'assurance sur l'information en matière de durabilité;]5

  27° actionnaire: une personne qui participe au capital d'un cabinet de révision;
  28° non-praticien: toute personne physique qui ne réalise pas de mission révisorale et n'a pas réalisé de mission révisorale au cours des trois dernières années, ne détient pas et n'a pas détenu au cours des trois dernières années de droits de vote dans un cabinet de révision ou un cabinet d'audit, ne fait pas partie ou n'a pas fait partie au cours des trois dernières années de l'organe d'administration, de direction ou de surveillance d'un cabinet de révision ou cabinet d'audit et n'est pas ou n'a pas été employée par un cabinet de révision ou un cabinet d'audit au cours des trois dernières années ou n'est pas ou n'y a pas été associée au cours des trois dernières années d'une autre manière ou n'est pas ou n'a pas été liée par contrat d'une autre manière à un cabinet de révision ou un cabinet d'audit au cours des trois dernières années;
  29° [5 contrôleur du groupe: le réviseur d'entreprises ou le cabinet d'audit enregistré visés à l'article 3:79 du Code des sociétés et des associations, ou le réviseur d'entreprises visé à l'article 3:82/4 du même Code qui procède à l'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité;]5
  30° pays tiers: pays qui ne fait pas partie de l'Union européenne ou de l'Espace économique européen;
  31° Etat membre: un Etat membre de l'Union européenne ou un Etat partie à l'Accord sur l'Espace économique européen;
  32° Etat membre d'origine: l'Etat membre dans lequel un contrôleur légal des comptes ou un cabinet d'audit est agréé conformément à la directive 2006/43/CE;
  33° ESMA: l'Autorité européenne des marchés financiers, telle qu'établie par le règlement n° 1095/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010;
  34° EIOPA: l'Autorité européenne des Assurances et des pensions professionnelles, telle qu'établie par le règlement n° 1094/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010;
  35° EBA: l'Autorité bancaire européenne, telle qu'établie par le règlement n° 1093/2010 du Parlement européen et du Conseil du 24 novembre 2010;
  36° CEAOB: le comité européen des organes de supervision de l'audit visé à l'article 30 du règlement (UE) n° 537/2014.
  [1 37° "le Règlement 2016/679": le Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE (règlement général sur la protection des données);]1
  [5 38° information en matière de durabilité: l'information telle que définie à l'article 1:31/2, 2° et 3°, du Code des sociétés et des associations;
   39° assurance de l'information en matière de durabilité: l'assurance visée à l'article 3:55, alinéas 2 et 3, du Code des sociétés et des associations.]5

  
HOOFDSTUK 2. - De bedrijfsrevisor
CHAPITRE 2. - Le réviseur d'entreprises
Afdeling 1. - De functie
Section 1re. - La fonction
Art.4. De bedrijfsrevisor heeft als hoofdtaak alle opdrachten uit te voeren die bij of krachtens de wet uitsluitend aan de bedrijfsrevisoren zijn toevertrouwd, en in het bijzonder alle revisorale opdrachten ter uitvoering van of krachtens de wet.
Art.4. La fonction de réviseur d'entreprises consiste, à titre principal, à exécuter toutes les missions dont l'accomplissement est exclusivement réservé par la loi ou en vertu de celle-ci aux réviseurs d'entreprises et en particulier, les missions révisorales effectuées en exécution de la loi ou en vertu de celle-ci.
Afdeling 2. - Toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, inschrijving en registratie
Section 2. - Octroi de la qualité de réviseur d'entreprises, inscription et enregistrement
Art.5. § 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan ieder natuurlijk persoon die erom verzoekt en die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° onderdaan zijn van een lidstaat en beschikken over een vestiging in een lidstaat, of over een vestiging in België beschikken;
  2° [1 betrouwbaar zijn, wat betekent :
   a) niet beroofd zijn of zijn geweest van de burgerlijke en politieke rechten;
   b) niet in staat van faillissement zijn of verklaard zijn geweest zonder eerherstel te hebben gekregen;
   c) niet veroordeeld zijn tot een gevangenisstraf, zelfs voorwaardelijk, van ten minste drie maanden op grond van de volgende Belgische regelgeving of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben :
   i) een van de strafbare feiten vermeld in artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 22 van 24 oktober 1934 betreffende het rechterlijk verbod aan bepaalde veroordeelden en gefailleerden om bepaalde ambten, beroepen of werkzaamheden uit te oefenen;
   ii) een inbreuk op de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
   iii) een inbreuk op het Wetboek van Vennootschappen of het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en hun uitvoeringsbesluiten;
   iv) een inbreuk op het Wetboek van economisch recht en haar uitvoeringsbesluiten;
   v) een inbreuk op de fiscale wetgeving;
   d) niet veroordeeld zijn tot een criminele straf;
   e) niet veroordeeld zijn voor een inbreuk op artikel 140, 140septies, 141 of 505, 2°, 3° en 4°, van het Strafwetboek of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben;
   f) [2 niet veroordeeld zijn tot een strafrechtelijke geldboete wegens een inbreuk op de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten en op haar uitvoeringsbesluiten, of buitenlandse bepalingen die hetzelfde voorwerp hebben.]2]1

  [2 Deze verbodsbepaling geldt voor een termijn:
   a) van vijftien jaar voor de in het eerste lid, a), bedoelde situatie, te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van de ontzetting van de burgerlijke en politieke rechten;
   b) van tien jaar voor de in het eerste lid, b), bedoelde situatie, te rekenen vanaf de staat van faillissement of de faillietverklaring zonder eerherstel;
   c) van vijftien jaar voor de in het eerste lid, c) tot f), bedoelde situaties, te rekenen vanaf de datum van de in kracht van gewijsde getreden beslissing;]2

  3° in het bezit zijn van een masterdiploma afgeleverd door een Belgische universiteit of een Belgische hogeschool van het lange type en van universitair niveau.
  De Koning bepaalt de voorwaarden op grond waarvan een buitenlands diploma of een bepaalde ervaring als gelijkwaardig wordt erkend, in voorkomend geval na het slagen voor een examen over de materies van het Belgisch recht die van belang zijn voor de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor;
  4° de bij het stagereglement ingerichte stage van het Instituut hebben beëindigd, en geslaagd zijn voor een bekwaamheidsexamen, waarvoor de Koning het programma en de voorwaarden bepaalt;
  5° uiterlijk twaalf maanden na de datum van toelating tot de eed door het Instituut, voor het Hof van Beroep van Brussel de volgende eed hebben afgelegd in het Nederlands: "Ik zweer trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, en ik zweer de opdrachten, die mij als bedrijfsrevisor zullen worden toevertrouwd, in eer en geweten getrouw te vervullen."of in het Frans: "Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et je jure de remplir fidèlement, en âme et conscience, les missions qui me seront confiées en qualité de réviseur d`entreprises."of ook nog voor het Hof van Beroep van Luik de volgende eed in het Duits: "Ich schwöre Treue dem König, Gehorsam der Verfassung und den Gesetzen des belgischen Volkes und ich schwöre die mir als Wirtschaftsprüfer erteilten Aufträge auf Ehre und Gewissen, getrau und ehrlich zu erfüllen.".
  De personen van vreemde nationaliteit leggen voor het Hof van Beroep van Brussel de volgende eed af in het Nederlands: "Ik zweer de opdrachten, die mij als bedrijfsrevisor zullen worden toevertrouwd, in eer en geweten, getrouw en volgens de voorschriften van de Belgische wet, te vervullen."of in het Frans: "Je jure de remplir fidèlement, en âme et conscience, selon les prescriptions de la loi belge, les missions qui me seront confiées en qualité de réviseur d`entreprises."of ook nog voor het Hof van Beroep van Luik de volgende eed in het Duits: "Ich schwöre die mir als Wirtschaftsprüfer erteilten Aufträge auf Ehre und Gewissen, getrau und ehrlich und gemäss den Vorschriften des belgischen Gesetzes zu erfüllen.";
  6° ten hoogste vijfenzestig jaar oud zijn;
  7° verbonden zijn met een bedrijfsrevisorenkantoor of een geregistreerd auditkantoor of over een organisatie beschikken die toelaat onderhavige wet en haar uitvoeringsbesluiten na te leven.
  § 2. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan een wettelijke auditor die:
  1° aantoont, volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden, dat hem in een andere lidstaat de hoedanigheid van wettelijke auditor is verleend, en
  2° slaagt voor een bekwaamheidsproef waarvan het programma en de procedure door de Koning worden bepaald.
  
Art.5. § 1er. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises est accordée par l'Institut, à toute personne physique qui en fait la demande et qui remplit les conditions suivantes:
  1° être ressortissant d'un Etat membre et disposer d'un établissement, dans un Etat membre, ou avoir un établissement en Belgique;
  2° [1 être honorable, c'est-à-dire :
   a) ne pas être ou avoir été privé de ses droits civils et politiques;
   b) ne pas être en faillite ou avoir été déclaré en faillite sans avoir obtenu la réhabilitation;
   c) ne pas avoir encouru une peine d'emprisonnement, même conditionnelle, de trois mois au moins sur la base de la réglementation belge suivante ou de dispositions étrangères ayant le même objet :
   i) l'une des infractions mentionnées à l'article 1er de l'arrêté royal n° 22 du 24 octobre 1934 relatif à l'interdiction judiciaire faite à certains condamnés et faillis d'exercer certaines fonctions, professions ou activités;
   ii) une infraction à la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie;
   iii) une infraction au Code des sociétés ou au Code des sociétés et des associations et à leurs arrêtés d'exécution;
   iv) une infraction au Code de droit économique et à ses arrêtés d'exécution;
   v) une infraction à la législation fiscale;
   d) ne pas être condamné à une peine criminelle;
   e) ne pas être condamné pour une infraction aux articles 140, 140septies, 141 ou 505, 2°, 3° et 4°, du Code pénal ou à des dispositions étrangères ayant le même objet;
   f) [2 ne pas être condamné à une amende pénale pour une infraction à la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces et à ses arrêtés d'exécution, ou à des de dispositions étrangères ayant le même objet.]2]1

  [2 Cette interdiction a une durée:
   a) de quinze ans pour la situation visée à l'alinéa 1er, a), à compter de l'expiration de la période de privation des droits civils et politiques;
   b) de dix ans pour la situation visée à l'alinéa 1er, b), à compter de l'état de faillite ou de la déclaration de faillite sans réhabilitation;
   c) de quinze ans pour les situations visées à l'alinéa 1er, c) à f), à compter de la date du jugement ayant force de chose jugée;]2

  3° être porteur d'un diplôme de master, délivré par une université belge ou un établissement supérieur belge de type long de niveau universitaire.
  Le Roi détermine les conditions dans lesquelles un diplôme étranger ou une expérience déterminée sont reconnus équivalents, le cas échéant après réussite d'un examen portant sur les matières du droit belge pertinentes pour l'exercice de la profession de réviseur d'entreprises;
  4° avoir accompli le stage organisé par le règlement de stage de l'Institut et avoir réussi l'examen d'aptitude dont le programme et les conditions sont fixées par le Roi;
  5° avoir, au plus tard douze mois après la date d'admission au serment par l'Institut, prêté devant la Cour d'appel de Bruxelles le serment suivant en français: "Je jure fidélité au Roi, obéissance à la Constitution et aux lois du peuple belge, et je jure de remplir fidèlement, en âme et conscience, les missions qui me seront confiées en qualité de réviseur d'entreprises. "ou en néerlandais: "Ik zweer trouw aan de Koning, gehoorzaamheid aan de Grondwet en aan de wetten van het Belgische volk, en ik zweer de opdrachten, die mij als bedrijfsrevisor zullen worden toevertrouwd, in eer en geweten getrouw te vervullen. "ou encore devant la Cour d'appel de Liège le serment suivant en allemand: "Ich schwöre Treue dem König, Gehorsam der Verfassung und den Gesetzen des belgischen Volkes und ich schwöre die mir als Wirtschaftsprüfer erteilten Aufträge auf Ehre und Gewissen, getrau und ehrlich zu erfüllen. ".
  Les personnes de nationalité étrangère prêtent devant la Cour d'appel de Bruxelles le serment suivant en français: "Je jure de remplir fidèlement, en âme et conscience, selon les prescriptions de la loi belge, les missions qui me seront confiées en qualité de réviseur d'entreprises. "ou en néerlandais: "Ik zweer de opdrachten, die mij als bedrijfsrevisor zullen worden toevertrouwd, in eer en geweten, getrouw en volgens de voorschriften van de Belgische wet, te vervullen. "ou encore devant la Cour d'appel de Liège le serment suivant en allemand: "Ich schwöre die mir als Wirtschaftsprüfer erteilten Aufträge auf Ehre und Gewissen, getrau und ehrlich und gemäss den Vorschriften des belgischen Gesetzes zu erfüllen.";
  6° être âgé de soixante-cinq ans au plus;
  7° être lié à un cabinet de révision ou à un cabinet d'audit enregistré ou disposer d'une organisation qui permet de respecter la présente loi et ses arrêtés d'exécution.
  § 2. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises est accordée par l'Institut, à un contrôleur légal des comptes qui:
  1° démontre, selon les conditions fixées par le Roi, qu'il a reçu la qualité de contrôleur légal des comptes dans un autre Etat membre, et
  2° réussit une épreuve d'aptitude dont le programme et la procédure sont fixés par le Roi.
  
Art.6. § 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan iedere rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, met zetel in een lidstaat, die aan de volgende voorwaarden voldoet:
  1° [4 de natuurlijke personen die de wettelijke controle van de jaarrekening en, in voorkomend geval, de assurance van duurzaamheidsinformatie uitvoeren namens deze rechtspersoon of deze entiteit hebben de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;]4
  2° de meerderheid van de stemrechten van deze rechtspersoon of deze entiteit is in het bezit van auditkantoren, wettelijke auditors en/of bedrijfsrevisoren;
  3° het bestuursorgaan van die rechtspersoon of die entiteit is voor een meerderheid samengesteld uit auditkantoren, wettelijke auditors en/of bedrijfsrevisoren. Wanneer het bestuursorgaan slechts uit twee leden bestaat, is ten minste één van hen een bedrijfsrevisor, een auditkantoor of een wettelijke auditor zijn. Wanneer een revisorenkantoor of een auditkantoor lid is van het bestuursorgaan, wordt dit kantoor, overeenkomstig [3 artikel 3:60 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]3, respectievelijk vertegenwoordigd door een natuurlijk persoon die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft of door een natuurlijk persoon die als wettelijke auditor is erkend;
  [1 4° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties.]1
  § 2. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel kan het Instituut weigeren om de hoedanigheid van bedrijfsrevisor te verlenen aan de rechtspersoon of aan een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, indien, naar het oordeel van het Instituut, de betrouwbaarheid van die rechtspersoon of die entiteit in het gedrang is gebracht naar aanleiding van één van de volgende elementen of gelijkaardige elementen:
  1° de rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm werd failliet verklaard, heeft een gerechtelijke reorganisatie verkregen, werd gerechtelijk ontbonden of heeft het voorwerp uitgemaakt van een gelijkaardige gerechtelijke of administratieve maatregel in België of in het buitenland;
  2° de rechtspersoon of de entiteit met om het even welke rechtsvorm, heeft in België het voorwerp uitgemaakt van een strafrechtelijke veroordeling of van een administratieve geldboete die in kracht van gewijsde is gegaan, met toepassing van de wetten en besluiten bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, van ten minste 1.500 euro, zelfs met uitstel, of van een definitieve straf in het buitenland die daar voor een auditkantoor het verlies van deze hoedanigheid met zich brengt;
  3° de benaming, het doel of andere statutaire clausules van de rechtspersoon of van een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm kunnen voor derden aanleiding zijn om zich te vergissen wat de hoedanigheid van bedrijfsrevisor of andere eigenschappen van de rechtspersoon of van de entiteit betreft;
  4° [2 ...]2
  
Art.6. § 1er. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises est accordée par l'Institut, à toute personne morale ou autre entité, quelle que soit sa forme juridique, ayant son siège dans un Etat membre, qui remplit les conditions suivantes:
  1° [4 les personnes physiques qui effectuent le contrôle légal des comptes et qui procèdent, le cas échéant, à l'assurance de l'information en matière de durabilité au nom de cette personne morale ou de cette entité ont la qualité de réviseur d'entreprises;]4
  2° la majorité des droits de vote de cette personne morale ou de cette entité est détenue par des cabinets d'audit, des contrôleurs légaux des comptes et/ou des réviseurs d'entreprises;
  3° une majorité des membres de l'organe de gestion de cette personne morale ou de cette entité est composée par des cabinets d'audit, des contrôleurs légaux des comptes et/ou des réviseurs d'entreprises. Lorsque cet organe ne compte pas plus de deux membres, au moins l'un d'entre eux est un réviseur d'entreprises, un cabinet d'audit ou un contrôleur légal des comptes. Lorsqu'un cabinet de révision ou un cabinet d'audit est membre de l'organe de gestion, ce cabinet est respectivement représenté, conformément à l'[3 article 3:60 du Code des sociétés et des associations]3, par une personne physique ayant la qualité de réviseur d'entreprises ou par une personne physique agréée en tant que contrôleur légal des comptes;
  [1 4° l'un de ses associés, l'un des membres de l'organe légal de gestion, l'un des membres de la direction effective, l'un des représentants permanents d'une personne morale ou l'un des bénéficiaires effectifs, tel que visé à l'article 4, 27°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ne se trouve pas dans l'une des situations visées à l'article 5, § 1er, 2°.]1
  § 2. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises peut être refusée par l'Institut à la personne morale ou une autre entité, quelle que soit sa forme juridique, si, de l'appréciation de l'Institut, son honorabilité est mise en cause à la suite d'un des éléments suivants ou d'éléments analogues:
  1° la personne morale ou une autre entité, quelle que soit sa forme juridique, est déclarée en faillite, a obtenu une réorganisation judiciaire, est dissoute judiciairement ou a fait l'objet d'une mesure judiciaire ou administrative équivalente en Belgique ou à l'étranger;
  2° la personne morale ou une autre entité, quelle que soit sa forme juridique, a fait l'objet en Belgique d'une condamnation pénale ou d'une amende administrative coulée en force de chose jugée, en application des lois et règlements visés à l'article 5, § 1er, 2°, d'au moins 1.500 euros, même avec sursis, ou à l'étranger d'une peine définitive qui y entraînerait, pour un cabinet d'audit, la perte de cette qualité;
  3° la dénomination, l'objet ou d'autres clauses statutaires de la personne morale ou de l'autre entité, quelle que soit sa forme juridique, sont susceptibles d'amener les tiers à se méprendre quant à sa qualité de réviseur d'entreprises ou à d'autres caractéristiques de la personne morale ou de l'entité;
  4° [2 ...]2
  
Art.7. § 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan de natuurlijke personen van derde landen, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° onderdaan zijn van een Staat die aan bedrijfsrevisoren op zijn grondgebied het voordeel van de wederkerigheid toekent wat de toelating tot het beroep betreft;
  2° voldoen aan de diplomavereisten bepaald in artikel 5, § 1, 3°, en de stage beëindigd hebben als bedoeld in artikel 5, § 1, 4°, volgens de modaliteiten bepaald door de Koning;
  3° [1 voldoen aan de voorwaarden van betrouwbaarheid, wat betekent zich niet bevinden in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties;]1
  4° zich ertoe verbinden in België een vestiging te houden waar de beroepsactiviteit effectief zal worden uitgeoefend en waar de daarmee samenhangende akten, documenten en briefwisseling zullen worden bewaard;
  5° de in artikel 5, § 1, 5°, bedoelde eed hebben afgelegd bepaald voor het Hof van Beroep van Brussel of van Luik;
  6° zich ertoe verbinden alle deontologische verplichtingen na te leven die op de bedrijfsrevisoren van toepassing zijn;
  7° ten hoogste vijfenzestig jaar oud zijn.
  § 2. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, op voorwaarde van wederkerigheid, door het Instituut toegekend aan een natuurlijk persoon die, in een derde land, een gelijkwaardige hoedanigheid heeft als die van bedrijfsrevisor, en die:
  1° aantoont, volgens de door de Koning vastgestelde voorwaarden, dat hij een dergelijke gelijkwaardige hoedanigheid heeft in een derde land, en
  2° slaagt voor een bekwaamheidsproef waarvan het programma en de procedure door de Koning worden bepaald.
  
Art.7. § 1er. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises est accordée par l'Institut aux personnes physiques de pays tiers lorsqu'elles remplissent les conditions suivantes:
  1° être ressortissant d'un Etat qui accorde aux réviseurs d'entreprises, sur son territoire, le bénéfice de la réciprocité en ce qui concerne les conditions d'accès à la profession;
  2° remplir les conditions de diplôme fixées à l'article 5, § 1er, 3°, et avoir accompli le stage visé à l'article 5, § 1er, 4°, selon les modalités déterminées par le Roi;
  3° [1 remplir les conditions d'honorabilité, c'est-à-dire ne pas se trouver dans l'une des situations visées à l'article 5, § 1er, 2° ;]1
  4° s'engager à avoir en Belgique un établissement où les activités professionnelles seront effectivement exercées et où les actes, documents et correspondance s'y rapportant, seront conservés;
  5° avoir prêté le serment prévu à l'article 5, § 1er, 5°, devant la Cour d'appel de Bruxelles ou de Liège;
  6° s'engager à respecter toutes les règles déontologiques applicables aux réviseurs d'entreprises;
  7° être âgé de soixante-cinq ans au plus.
  § 2. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises est, sous réserve de réciprocité, accordée par l'Institut à la personne physique possédant une qualité équivalente à celle de réviseur d'entreprises dans un pays tiers et qui:
  1° démontre, selon les conditions fixées par le Roi, qu'elle possède une telle qualité équivalente dans un pays tiers, et
  2° réussit une épreuve d'aptitude dont le programme et la procédure sont fixés par le Roi.
  
Art.8. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut toegekend aan andere entiteiten dan natuurlijke personen naar het recht van derde landen, indien zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
  1° [4 alle vennoten, evenals de zaakvoerders en bestuurders, moeten in de staat waar zij hun hoofdvestiging hebben, zijn gemachtigd om de wettelijke controle van de jaarrekening alsook, in voorkomend geval, de assurance van duurzaamheidsinformatie uit te voeren; indien een vennoot een rechtspersoon is, geldt dezelfde voorwaarde voor de vennoten van deze rechtspersoon;]4
  2° hun zetel en hun hoofdvestiging hebben in een Staat die de [1 ...]1 bedrijfsrevisoren op zijn grondgebied het voordeel van de wederkerigheid toekent met betrekking tot de toelating tot het beroep;
  3° opgericht zijn in een vorm, onder een statuut en onder voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die waaronder de bedrijfsrevisoren zich in België kunnen verenigen; zij verbinden zich ertoe om zich, voor het uitoefenen van hun activiteiten als bedrijfsrevisor in België, te doen kennen onder een benaming die enkel de naam mag bevatten van een of meer natuurlijke personen, die vennoot, zaakvoerder of bestuurder zijn of de naam van één of meer natuurlijke personen die de hoedanigheid van vennoot hebben gehad;
  4° ten minste één bestuurder of zaakvoerder is bedrijfsrevisor en is belast met het bestuur van de vestiging in België; indien meer personen met dit bestuur zijn belast, is de meerderheid van hen bedrijfsrevisor;
  5° alle vennoten, bestuurders of zaakvoerders die hun beroepsactiviteit gewoonlijk in België uitoefenen, zijn bedrijfsrevisor;
  6° zich ertoe verbinden in België een vestiging te houden waar de beroepsactiviteit effectief zal worden uitgeoefend en waar de daarmee samenhangende akten, documenten en briefwisseling zullen worden bewaard;
  7° zich ertoe verbinden in België rechtstreeks of zijdelings geen activiteiten uit te oefenen die onverenigbaar zijn met de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;
  8° [4 zich ertoe verbinden artikel 3:60 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen te eerbiedigen, telkens hun in België een wettelijke controle van de jaarrekening of een opdracht van assurance van duurzaamheidsinformatie wordt toevertrouwd;]4
  [2 9° één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, bevindt zich niet in één van in artikel 5, § 1, 2°, bedoelde situaties.]2
  
Art.8. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises est accordée par l'Institut, aux entités de droit des pays tiers, autres qu'une personne physique, lorsqu'elles remplissent les conditions suivantes:
  1° [4 tous les associés, ainsi que les gérants et administrateurs, doivent être autorisés dans l'Etat où ils ont leur établissement principal à exercer le contrôle légal des comptes ainsi que, le cas échéant, à procéder à l'assurance de l'information en matière de durabilité; si un associé est une personne morale, la même condition s'applique aux associés de cette personne morale;]4
  2° avoir leur siège et leur établissement principal dans un Etat qui accorde aux réviseurs d'entreprises [1 ...]1 le bénéfice de la réciprocité sur son territoire en ce qui concerne l'accès à la profession;
  3° être constituée sous une forme, sous un statut et à des conditions comparables à ceux qui permettent aux réviseurs d'entreprises de s'associer en Belgique; elle s'engage pour l'exercice de ses activités de réviseur d'entreprises en Belgique, à se faire connaître par une raison sociale qui ne peut comporter que le nom d'une ou plusieurs personnes physiques associées, gérants ou administrateurs ou le nom d'une ou plusieurs personnes physiques ayant eu la qualité d'associé;
  4° au moins un administrateur ou gérant [1 ...]1 est réviseur d'entreprises et est chargé de la gestion d'un établissement en Belgique; dans le cas d'une pluralité de personnes chargées de cette gestion, la majorité de celles-ci est réviseur d'entreprises;
  5° tous les associés, administrateurs et gérants qui exercent habituellement une activité professionnelle en Belgique sont [1 ...]1 réviseur d'entreprises;
  6° s'engager à avoir en Belgique un établissement où les activités professionnelles seront effectivement exercées et où les actes, documents et correspondance s'y rapportant, seront conservés;
  7° s'engager à ne pas exercer en Belgique, ni directement, ni indirectement des activités incompatibles avec la qualité de réviseur d'entreprises;
  8° [4 s'engager à respecter l'article 3:60 du Code des sociétés et des associations, chaque fois qu'un contrôle légal des comptes ou une mission d'assurance de l'information en matière de durabilité leur est confié en Belgique;]4
  [2 9° l'un de ses associés, l'un des membres de l'organe légal de gestion, l'un des membres de la direction effective, l'un des représentants permanents d'une personne morale ou l'un des bénéficiaires effectifs, tel que visé à l'article 4, 27°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, ne se trouve pas dans l'une des situations visées à l'article 5, § 1er, 2°.]2
  
Art.8/1. [1 De nadere regels voor de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor worden bepaald door de Koning.]1
  
Art. 8/1. [1 Les modalités relatives à l'octroi de la qualité de réviseur d'entreprises sont déterminées par le Roi.]1
  
Art.9. § 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt de hoedanigheid van bedrijfsrevisor in de volgende gevallen door het Instituut ingetrokken:
  1° wanneer de bedrijfsrevisoren drie maanden na de in artikel 81 voorziene terechtwijzing hebben nagelaten om alle of een deel van de bijdragen te betalen, om de documenten tot vaststelling van de bijdrage over te leggen, om de inlichtingen of de documenten mee te delen die zij aan het Instituut moeten meedelen voor de uitvoering van de krachtens artikel 41 aan het Instituut gedelegeerde taken of om de inlichtingen of de documenten mee te delen die zij aan het College moeten meedelen wanneer het College de inzameling van die inlichtingen of documenten aan het Instituut heeft toevertrouwd;
  2° wanneer de bedrijfsrevisor daar expliciet om verzoekt;
  [2 [3 wanneer de bedrijfsrevisor, of in het kader van een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, één van haar vennoten, één van de leden van het wettelijk bestuursorgaan, één van de leden van de werkelijke leiding, één van de vaste vertegenwoordigers van een rechtspersoon of één van de uiteindelijke begunstigden, bedoeld in artikel 4, 27°, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten, niet meer betrouwbaar is in de zin van artikel 5, § 1, 2°. Dit geldt niet in het kader van een rechtspersoon of een andere entiteit met om het even welke rechtsvorm, voor zover deze binnen de 30 dagen na de kennisgeving door het Instituut de banden met de voormelde persoon verbreekt.]3]2
  § 2. [4 In afwijking van artikel 41, § 1, eerste lid, 1°, kan het College zich in het geval bedoeld in paragraaf 1, 2°, binnen een termijn van dertig dagen verzetten tegen de intrekking van de hoedanigheid van de bedrijfsrevisor van zodra een in artikel 56 bedoeld onderzoek werd geopend tot aan de eindbeslissing van de sanctiecommissie. Het College stelt de betrokken bedrijfsrevisor en het Instituut in kennis van zijn beslissing om zich tegen die intrekking te verzetten. Tegen deze beslissing kan geen beroep worden ingesteld.]4
  § 3. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel kan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor door het Instituut worden ingetrokken wanneer aan de voorwaarden voor de toekenning van deze hoedanigheid met uitzondering van de voorwaarden bepaald in [2 artikel 5, § 1, 2,° en 6°, artikel 6, § 1, 4°, artikel 7, § 1, 3° en 7°, en artikel 8, 9°,]2 niet meer is voldaan.
  In dat geval kan de hoedanigheid van bedrijfsrevisor slechts worden ingetrokken na de betrokkene te hebben uitgenodigd om zijn opmerkingen schriftelijk aan het Instituut te laten geworden binnen een termijn die niet minder dan vijftien dagen mag bedragen. Het Instituut motiveert zijn intrekkingsbeslissing.
  § 4. Wanneer de Procureur-generaal vaststelt dat een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon niet langer voldoet aan de voorwaarde als bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, artikel 6, § 2, 2°, of artikel 7, § 1, 3°, in fine, brengt hij het College en het Instituut daarvan op de hoogte.
  § 5. Dit artikel doet geen afbreuk aan de in artikel 59 bedoelde maatregelen.
  § 6. Wanneer de hoedanigheid van een bedrijfsrevisor wordt ingetrokken, deelt het College, dit met opgave van de redenen voor de intrekking mee aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten waar de bedrijfsrevisor eveneens is ingeschreven of geregistreerd.
  [1 § 7. Iedere bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die, voor een andere reden dan een intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor bedoeld in artikel 59, § 1, eerste lid, 7°, zijn hoedanigheid heeft verloren, kan aan het Instituut opnieuw om de toekenning van de hoedanigheid verzoeken, op voorwaarde dat hij op de datum van zijn verzoek de in de artikelen 5, § 1, en 29, voorgeschreven voorwaarden vervult, met uitzondering van deze bedoeld in artikel 5, § 1, 5°, en voldaan heeft aan de verplichtingen inzake permanente vorming.
   De nadere regels inzake het verzoek tot toekenning van de hoedanigheid, na intrekking van de hoedanigheid, worden bepaald door de Koning.]1

  
Art.9. § 1er. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises est retirée par l'Institut dans les cas suivants:
  1° lorsque les réviseurs d'entreprises restent en défaut, trois mois après le rappel à l'ordre prévu à l'article 81, de payer tout ou partie des cotisations ou de communiquer les documents qui servent à la fixation des cotisations, de communiquer des renseignements ou documents qu'ils sont tenus de communiquer à l'Institut aux fins de l'accomplissement des tâches qui lui sont déléguées en vertu de l'article 41 ou de communiquer des renseignements ou documents qu'ils sont tenus de communiquer au Collège lorsque celui-ci en a confié la collecte à l'Institut;
  2° lorsque le réviseur d'entreprises le demande expressément;
  [2 [3 lorsque le réviseur d'entreprises, ou dans le cadre d'une personne morale ou autre entité, quelle que soit sa forme juridique, l'un de ses associés, l'un des membres de l'organe légal de gestion, l'un des membres de la direction effective, l'un des représentants permanents d'une personne morale ou l'un des bénéficiaires effectifs, tel que visé à l'article 4, 27°, de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces, n'est plus honorable au regard de l'article 5, § 1er, 2°. Cette disposition ne s'applique pas à une personne morale ou autre entité, quelle que soit sa forme juridique, à condition qu'elle rompe ses liens avec la personne susmentionnée dans les 30 jours suivant la notification de l'Institut.]3]2
  § 2. [4 Par dérogation à l'article 41, § 1er, alinéa 1er, 1°, le Collège peut s'opposer dans un délai de trente jours au retrait de la qualité du réviseur d'entreprises dans le cas visé au paragraphe 1er, 2°, dès l'ouverture de l'instruction visée à l'article 56 jusqu'à la décision finale de la commission des sanctions. Le Collège informe le réviseur d'entreprises concerné et l'Institut de sa décision de s'opposer à ce retrait. Cette décision n'est pas susceptible de recours.]4
  § 3. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, la qualité de réviseur d'entreprises peut être retirée par l'Institut si les conditions mises à son octroi, à l'exception des conditions reprises [2 à l'article 5, § 1er, 2,° et 6°, à l'article 6, § 1er, 4°, à l'article 7, § 1er, 3° et 7°, et à l'article 8, 9°,]2 ne sont plus réunies.
  En ce cas, la qualité de réviseur d'entreprises ne peut être retirée que si l'intéressé a été invité à faire valoir par écrit, dans un délai qui ne peut être inférieur à quinze jours, ses observations à l'Institut. L'Institut motive sa décision de retrait.
  § 4. Lorsque le Procureur général constate qu'un réviseur d'entreprises personne physique ne respecte plus la condition visée à l'article 5, § 1er, 2°, à l'article 6, § 2, 2° ou à l'article 7 § 1er, 3°, in fine, il en informe le Collège et l'Institut.
  § 5. Le présent article est sans préjudice des mesures visées à l'article 59.
  § 6. Lorsque la qualité d'un réviseur d'entreprises est retirée, le Collège en informe les autorités compétentes des Etats membres où le réviseur d'entreprises est également inscrit ou enregistré et leur indique les motifs de ce retrait.
  [1 § 7. Tout réviseur d'entreprises personne physique qui, pour un motif autre que le retrait de la qualité de réviseur d'entreprises visé à l'article 59, § 1er, alinéa 1er, 7°, a perdu sa qualité peut demander à nouveau l'octroi de la qualité à l'Institut, pourvu qu'il remplisse à la date de sa demande les conditions prescrites aux articles 5, § 1er, et 29, à l'exception de celle visée à l'article 5, § 1er, 5°, et qu'il ait satisfait aux obligations de formation permanente.
   Les modalités relatives à la demande d'octroi de la qualité, après un retrait de la qualité, sont déterminées par le Roi.]1

  
Art.10. § 1. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie en overeenkomstig het bepaalde in dat artikel wordt het Instituut belast met het houden en bijwerken van een openbaar register, waarin de personen of de entiteiten die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor hebben verkregen, zijn ingeschreven.
  De bedrijfsrevisoren brengen het Instituut zo spoedig mogelijk op de hoogte van elke wijziging van de gegevens opgenomen in het openbaar register. Ze zijn verantwoordelijk voor de juistheid van de meegedeelde gegevens aan het Instituut.
  § 2. De auditkantoren die in een andere lidstaat zijn erkend, en beantwoorden aan de volgende voorwaarden, worden in het register geregistreerd:
  1° de vaste vertegenwoordiger die namens het auditkantoor de wettelijke controle van de jaarrekening verricht, heeft de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;
  2° de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst verschaft een certificaat van registratie af dat minder dan drie maanden oud is.
  Het auditkantoor registreert zich bij het Instituut, dat eerst nakijkt of de in 1° en 2° bedoelde voorwaarden zijn vervuld.
  De geregistreerde auditkantoren worden in die hoedanigheid afzonderlijk in het openbaar register vermeld.
  § 3. [1 De Koning stelt de regels vast voor de registratie in het openbaar register als auditor of auditorganisatie van een derde land, en voor het publiek toezicht, de kwaliteitscontrole en het toezicht op de auditors en auditorganisaties van een derde land, die een controleverslag afleveren over de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een vennootschap of, in voorkomend geval, een assuranceverslag van (geconsolideerde) duurzaamheidsinformatie van een vennootschap die haar statutaire zetel buiten de Europese Unie heeft en waarvan de effecten in België zijn toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 3, 7°, van de wet van 21 november 2017 over de infrastructuren voor de markten voor financiële instrumenten en houdende omzetting van Richtlijn 2014/65/EU, behalve indien de onderneming alleen een emittent is van uitstaande schuldbewijzen waarvoor het volgende geldt:]1
  a) zij zijn vóór 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, lid 1, punt c), van richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad en hun nominale waarde per eenheid bedraagt op de datum van uitgifte ten minste 50.000 euro of is, in het geval van schuldbewijzen in een andere valuta dan de euro, op die datum ten minste gelijkwaardig aan 50.000 euro;
  b) zij zijn sinds 31 december 2010 toegelaten tot de handel op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 2, lid 1, punt c), van richtlijn 2004/109/EG en hun nominale waarde per eenheid bedraagt op de datum van uitgifte ten minste 100.000 euro of is, in het geval van schuldbewijzen in een andere valuta dan de euro, op die datum ten minste gelijkwaardig aan 100.000 euro.
  De auditors en de auditorganisaties van derde landen worden in die hoedanigheid afzonderlijk in het openbaar register vermeld.
  § 4. De vereiste gegevens worden in elektronische vorm in het register opgeslagen. Eenieder kan ze te allen tijde raadplegen op de website van het Instituut.
  § 5. Elke bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon, elk bedrijfsrevisorenkantoor en elk geregistreerd auditkantoor wordt aan de hand van een individueel nummer geïdentificeerd in het openbaar register.
  [1 § 5/1. Het openbaar register vermeldt of de bedrijfsrevisor of de auditors en auditorganisaties van een derde land zijn toegelaten tot het uitvoeren van de assurance van duurzaamheidsinformatie.]1
  § 6. Het openbaar register bevat de naam en het adres van de bevoegde autoriteiten die zijn belast met de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, het toezicht, de kwaliteitscontrole, de sancties en het publiek toezicht.
  § 7. Het Instituut bezorgt het College driemaandelijks een lijst van alle nieuwe inschrijvingen en alle nieuwe registraties.
  § 8. De inhoud van het openbaar register, alsook de modaliteiten inzake het bijwerken van en de toegang tot het openbaar register worden bepaald door de Koning.
  
Art.10. § 1er. En vertu de la délégation visée à l'article 41 et selon les modalités prévues par cet article, l'Institut assure la tenue et la mise à jour d'un registre public, dans lequel sont inscrits les personnes ou les entités ayant reçu la qualité de réviseur d'entreprises.
  Les réviseurs d'entreprises informent l'Institut aussitôt que possible de toute modification des données reprises dans le registre public. Ils sont responsables de l'exactitude des données communiquées à l'Institut.
  § 2. Les cabinets d'audit agréés dans un autre Etat membre et répondant aux conditions suivantes sont enregistrés dans le registre:
  1° le représentant permanent qui effectue le contrôle légal des comptes au nom du cabinet d'audit a la qualité de réviseur d'entreprises;
  2° l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine fournit une attestation de l'enregistrement datant de moins de trois mois.
  Le cabinet d'audit s'enregistre auprès de l'Institut, lequel vérifie au préalable que les conditions visées aux 1° et 2° sont remplies.
  Les cabinets d'audit enregistrés sont mentionnés en cette qualité dans le registre public de manière distincte.
  § 3. [1 Le Roi fixe les règles relatives à l'enregistrement au registre public comme contrôleur ou entité d'audit de pays tiers, à la supervision externe, au contrôle de qualité et à la surveillance des contrôleurs et entités d'audit de pays tiers qui présentent un rapport d'audit concernant les comptes annuels ou les comptes consolidés ou, le cas échéant, un rapport d'assurance concernant l'information (consolidée) en matière de durabilité d'une société constituée en dehors de l'Union européenne et dont les valeurs mobilières sont admises à la négociation sur un marché réglementé en Belgique, au sens de l'article 3, 7°, de la loi du 21 novembre 2017 relative aux infrastructures des marchés d'instruments financiers et portant transposition de la directive 2014/65/UE, sauf lorsque l'entreprise en question est une entité qui émet uniquement des titres de créance en circulation auxquels l'un des cas de figure suivants s'applique:]1
  a) ils ont été admis avant le 31 décembre 2010 à la négociation sur un marché réglementé, au sens de l'article 2, alinéa 1er, point c), de la directive 2004/109/CE du Parlement européen et du Conseil, et leur valeur nominale unitaire, à la date d'émission, est au moins égale à 50.000 euros ou, pour les titres de créance libellés dans une devise autre que l'euro, au moins équivalente à 50.000 euros à la date d'émission;
  b) ils sont admis à partir du 31 décembre 2010 à la négociation sur un marché réglementé, au sens de l'article 2, alinéa 1er, point c), de la directive 2004/109/CE, et leur valeur nominale unitaire, à la date d'émission, est au moins égale à 100.000 euros ou, pour les titres de créance libellés dans une devise autre que l'euro, au moins équivalente à 100.000 euros à la date d'émission.
  Les contrôleurs et entités d'audit de pays tiers sont mentionnés en cette qualité dans le registre public de manière distincte.
  § 4. Les informations requises sont enregistrées sous forme électronique. Toute personne peut les consulter à tout moment sur le site web de l'Institut.
  § 5. Chaque réviseur d'entreprises personne physique, chaque cabinet de révision et chaque cabinet d'audit enregistré est identifié dans le registre public par un numéro personnel.
  [1 § 5/1. Le registre public mentionne si les réviseurs d'entreprises et les contrôleurs et entités d'audit de pays tiers sont également agréés pour procéder à l'assurance de l'information en matière de durabilité.]1
  § 6. Le registre public contient le nom et l'adresse des autorités compétentes chargées de l'octroi de la qualité de réviseur d'entreprises, de la surveillance, du contrôle de qualité, des sanctions et de la supervision publique.
  § 7. L'Institut transmet trimestriellement au Collège une liste de toutes les nouvelles inscriptions et nouveaux enregistrements.
  § 8. Le contenu du registre public ainsi que les modalités relatives à son actualisation et à son accès au registre public sont déterminés par le Roi.
  
Art.11. § 1. Alleen de in het openbaar register ingeschreven natuurlijke personen of entiteiten mogen de titel van bedrijfsrevisor dragen en alle revisorale opdrachten, door of krachtens de wet, uitoefenen.
  De registratie van een auditkantoor in het openbaar register laat de uitoefening van de opdracht van wettelijke controle van de jaarrekening toe.
  § 2. Na raadpleging van het College kan het Instituut oud-bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen onder de door zijn huishoudelijk reglement bepaalde voorwaarden toelaten om de titel van erebedrijfsrevisor te voeren.
  Na raadpleging van of op verzoek van het College wordt de toelating door het Instituut ingetrokken indien niet langer aan de toekenningsvoorwaarden is voldaan.
  Indien de erebedrijfsrevisor het niet eens is met de beslissing om zijn eretitel in te trekken, kan hij binnen een termijn van een maand nadat de beslissing hem ter kennis werd gebracht het College adiëren opdat die beslissing door het College wordt bevestigd of weerlegd. Dit beroep is opschortend.
  § 3. De stagiairs kunnen de titel van stagiair-bedrijfsrevisor dragen. De stagiairs hebben niet de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, maar staan onder het toezicht en de tuchtmacht van het Instituut.
Art.11. § 1er. Seules les personnes physiques ou entités inscrites au registre public peuvent porter le titre de réviseur d'entreprises et exercer, par ou en vertu de la loi, toutes les missions révisorales.
  L'enregistrement d'un cabinet d'audit au registre public autorise l'exercice de mission de contrôle légal des comptes.
  § 2. Après consultation du Collège, l'Institut peut, aux conditions prévues par son règlement d'ordre intérieur, autoriser le port du titre de réviseur d'entreprises honoraire par d'anciens réviseurs d'entreprises personnes physiques.
  Après consultation ou sur demande du Collège, l'autorisation est retirée par l'Institut si les conditions mises à son octroi ne sont plus réunies.
  Le réviseur d'entreprises honoraire qui n'accepte pas la décision de retrait peut saisir le Collège dans un délai d'un mois après que la décision lui a été notifiée, afin que la décision soit confirmée ou infirmée. Ce recours est suspensif.
  § 3. Les stagiaires peuvent porter le titre de réviseur d'entreprises stagiaire. Les stagiaires n'ont pas la qualité de réviseur d'entreprises, mais sont soumis à la surveillance et au pouvoir disciplinaire de l'Institut.
Afdeling 3. - Rechten en verplichtingen
Section 3. - Droits et obligations
Art.12. § 1. Bij het vervullen van de hem toevertrouwde revisorale opdrachten handelt de bedrijfsrevisor in volledige onafhankelijkheid, met respect van de beginselen van de beroepsethiek. Deze hebben minstens betrekking op de verantwoordelijkheid voor het openbaar belang van de bedrijfsrevisor, zijn integriteit en objectiviteit, alsmede zijn vakbekwaamheid en professionele zorgvuldigheid.
  De bedrijfsrevisor mag niet betrokken zijn bij de besluitvorming van de entiteit waarvoor hij de revisorale opdracht uitvoert.
  Dit geldt eveneens voor elk natuurlijk persoon die zich in een positie bevindt waarbij hij een directe of indirecte invloed kan uitoefenen op de uitkomst van de revisorale opdracht.
  § 2. De onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor dient vanuit twee onlosmakelijk verbonden gezichtspunten te worden beoordeeld:
  1° de onafhankelijkheid qua geesteshouding, namelijk een morele houding waarbij alleen de overwegingen die voor de toevertrouwde taak van belang zijn, in aanmerking worden genomen bij de te nemen beslissingen in het kader van de uitvoering van een revisorale opdracht, en
  2° de onafhankelijkheid in schijn, namelijk de noodzaak om situaties en feiten te vermijden die in die mate van belang zijn dat zij een redelijk denkende en geïnformeerde derde ertoe kunnen brengen de bekwaamheid van de bedrijfsrevisor om objectief te handelen, in vraag te stellen.
  § 3. De bedrijfsrevisor neemt alle redelijkerwijs te verwachten maatregelen om te waarborgen dat zijn onafhankelijkheid bij de uitvoering van een revisorale opdracht niet wordt beïnvloed door een bestaand of potentieel belangenconflict, of een zakelijke of andere directe of indirecte relatie waarbij hij of het bedrijfsrevisorenkantoor dat de revisorale opdracht uitvoert, of, voor zover van toepassing, personen die deel uitmaken van het netwerk van de bedrijfsrevisor, of personen op wie de bedrijfsrevisor een beroep doet voor de uitvoering van de revisorale opdracht, betrokken zijn.
  § 4. De bedrijfsrevisor mag geen revisorale opdracht aanvaarden of voortzetten indien er, direct of indirect, een financiële, persoonlijke, zakelijke, arbeids- of andere relatie bestaat
  1° tussen hemzelf, het bedrijfsrevisorenkantoor, het netwerk waartoe hij behoort, of elk ander natuurlijk persoon die zich in een positie bevindt waardoor hij of zij direct of indirect een invloed kan uitoefenen op de uitkomsten van de revisorale opdracht; en
  2° de entiteit waarvoor de revisorale opdracht wordt uitgevoerd, op grond waarvan een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde partij, met inachtneming van de getroffen veiligheidsmaatregelen, zou concluderen dat de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor in het gedrang komt.
  § 5. De bedrijfsrevisor onderbouwt in zijn werkdocumenten alle aanzienlijke bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die zijn genomen om deze bedreigingen in te perken.
  § 6. Indien de entiteit waarvoor de bedrijfsrevisor de revisorale opdracht uitvoert, tijdens de periode van de revisorale opdracht wordt overgenomen door, fuseert met of de eigendom verwerft van een andere entiteit, identificeert en evalueert de bedrijfsrevisor alle huidige en recente belangen en relaties met deze entiteit die zijn onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten.
  [1 Bij een wettelijke controle van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening of bij een opdracht van assurance van duurzaamheidsinformatie, neemt de commissaris of de bedrijfsrevisor zo snel mogelijk, en in elk geval binnen drie maanden, alle nodige maatregelen ter beëindiging van eventuele bestaande belangen of relaties die zijn onafhankelijkheid zouden kunnen aantasten, en neemt, voor zover mogelijk, veiligheidsmaatregelen ter beperking van elke bedreiging van zijn onafhankelijkheid door belangen en relaties in het heden en het verleden.]1
  
Art.12. § 1er. Le réviseur d'entreprises s'acquitte en toute indépendance des missions révisorales qui lui sont confiées, dans le respect des principes déontologiques. Ceux-ci portent au moins sur la fonction d'intérêt public du réviseur d'entreprises, son intégrité et objectivité, ainsi que sur sa compétence et sa diligence professionnelle.
  Le réviseur d'entreprises ne peut pas être associé au processus décisionnel de l'entité pour laquelle il exerce la mission révisorale.
  Ceci vaut également pour toute personne physique en mesure d'exercer une influence directe ou indirecte sur le résultat de la mission révisorale.
  § 2. L'indépendance du réviseur d'entreprises s'apprécie à deux niveaux indissociables:
  1° l'indépendance d'esprit, à savoir une attitude morale qui vise à ce que seules les considérations en rapport avec la tâche confiée sont prises en compte dans les décisions à prendre dans le cadre de l'exercice d'une mission révisorale, et
  2° l'indépendance d'apparence, à savoir la nécessité d'éviter les situations et les faits matériels qui, de par leur importance, amèneraient un tiers raisonnable et informé à remettre en question la capacité du réviseur d'entreprises à agir de manière objective.
  § 3. Le réviseur d'entreprises prend toutes les mesures raisonnables pour garantir que, lors de l'exécution d'une mission révisorale, son indépendance ne soit pas affectée par un conflit d'intérêts potentiel ou par une relation d'affaires ou autre relation directe ou indirecte l'impliquant ou impliquant le cabinet de révision qui effectue la mission révisorale ou, le cas échéant, les personnes qui font parties du réseau du réviseur d'entreprises ou les personnes sur lesquelles le réviseur d'entreprises s'appuie dans le cadre de la mission révisorale.
  § 4. Le réviseur d'entreprises ne peut pas accepter ou poursuivre une mission révisorale s'il existe, de manière directe ou indirecte, une relation financière, personnelle, d'affaires, d'emploi ou autre relation
  1° entre lui-même, le cabinet de révision, le réseau auquel il appartient ou toute autre personne physique susceptible d'exercer directement ou indirectement une influence sur le résultat de la mission révisorale; et
  2° l'entité pour laquelle la mission révisorale est exercée, d'une nature telle qu'il amènerait un tiers objectif, raisonnable et informé à conclure en tenant compte des mesures de sauvegarde adoptées que l'indépendance du réviseur d'entreprises est affectée.
  § 5. Le réviseur d'entreprises consigne dans ses documents de travail tous les risques importants d'atteinte à son indépendance ainsi que les mesures de sauvegarde appliquées pour limiter ces risques.
  § 6. Si l'entité pour laquelle le réviseur d'entreprises exécute la mission révisorale est, pendant la période de la mission révisorale, rachetée par une autre entité, fusionne avec elle ou l'acquiert, le réviseur d'entreprises identifie et évalue les intérêts ou relations actuels ou récents avec ladite entité qui seraient de nature à compromettre son indépendance.
  [1 En cas de contrôle légal des comptes ou des comptes consolidés ou en cas de mission d'assurance de l'information en matière de durabilité, le commissaire ou le réviseur d'entreprises prend le plus tôt possible et en tout cas dans un délai de trois mois, toutes les mesures nécessaires pour mettre fin aux éventuels intérêts ou relations actuels qui compromettraient son indépendance, et prend, autant que possible, des mesures de sauvegarde pour minimiser toute menace que des intérêts et des relations antérieurs et actuels feraient peser sur son indépendance.]1
  
Art.13. § 1. Alvorens een opdracht te aanvaarden, gaat de bedrijfsrevisor na en documenteert hij of hij beschikt over de nodige bekwaamheid, medewerking, middelen en tijd vereist om deze opdracht goed uit te voeren.
  De bedrijfsrevisor aanvaardt geen opdrachten onder voorwaarden die een objectieve uitvoering daarvan in het gedrang zouden kunnen brengen.
  In het geval van een revisorale opdracht gaat de bedrijfsrevisor bovendien na en documenteert hij:
  1° of hij voldoet aan de onafhankelijkheidsvereisten; en
  2° of er sprake is van bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid, alsook welke veiligheidsmaatregelen zijn genomen om deze bedreigingen te beperken.
  § 2. Bij de uitvoering van een revisorale opdracht besteedt de bedrijfsrevisor voldoende tijd aan de opdracht en doet hij een beroep op voldoende personeel om zijn taken correct uit te voeren.
  § 3. Wanneer de bedrijfsrevisor een beroep doet op externe deskundigen, documenteert hij het geformuleerde verzoek en het ontvangen advies.
  § 4. Alvorens een opdracht te aanvaarden, gaat de bedrijfsrevisor bij de onderneming of het organisme na of een andere bedrijfsrevisor in de loop van de voorafgaande twaalf maanden, belast is of werd met een revisorale opdracht bij dezelfde entiteit.
  [2 Telkens een bedrijfsrevisor werkzaamheden verricht in een onderneming of een organisme waar een andere bedrijfsrevisor de wettelijke controle van de jaarrekening verricht of de assurance van duurzaamheidsinformatie uitvoert, dan kan hij zijn werkzaamheden ter plaatse slechts verrichten na zijn confrater, bij voorkeur schriftelijk, op de hoogte te hebben gebracht van zijn tussenkomst.]2
  § 5. Elke bedrijfsrevisor die tot de opvolging van een confrater geroepen wordt, heeft de plicht om voorafgaandelijk en schriftelijk met hem contact op te nemen. De bedrijfsrevisor die dezelfde opdracht uitvoerde, verleent zijn confrater inzage in zijn werkdocumenten en alle relevante informatie.
  In voorkomend geval zal hij, in toepassing van artikel 18 van de verordening (EU) nr. 537/2014 eveneens toegang verlenen tot de aanvullende verklaringen betreffende voorgaande boekjaren bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014 en tot alle informatie die is medegedeeld aan de FSMA of aan de Bank, belast met het toezicht op de organisaties van openbaar belang bedoeld in [1 artikel 1:12 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1.
  § 6. Wanneer een bedrijfsrevisor het werk of de verklaring van een andere bedrijfsrevisor zou kunnen in opspraak brengen, brengt hij, voor zover het beroepsgeheim zich daar niet tegen verzet, hem onmiddellijk op de hoogte van de punten waarover er een meningsverschil bestaat.
  
Art.13. § 1er. Avant d'accepter une mission, le réviseur d'entreprises vérifie et consigne par écrit qu'il dispose de la capacité nécessaire, des collaborations, des ressources et du temps requis pour le bon accomplissement de cette mission.
  Le réviseur d'entreprises n'accepte pas de missions dans des conditions susceptibles de mettre en cause l'objectivité de leur accomplissement.
  En cas de mission révisorale, le réviseur d'entreprises vérifie par ailleurs et consigne par écrit:
  1° s'il respecte les exigences en matière d'indépendance; et
  2° s'il existe des risques pesant sur son indépendance et les mesures de sauvegarde prises pour atténuer ces risques.
  § 2. Lors de l'exécution d'une mission révisorale, le réviseur d'entreprises consacre suffisamment de temps et dispose d'un personnel suffisant pour remplir ses missions correctement.
  § 3. Lorsque le réviseur d'entreprises fait appel à des experts externes, il consigne par écrit la demande qu'il a formulée et les avis qu'il a reçus.
  § 4. Avant d'accepter une mission, le réviseur d'entreprises s'informe, auprès de l'entreprise ou organisme, sur le fait qu'un autre réviseur d'entreprises est chargé ou a été chargé au cours des douze mois écoulés d'une mission révisorale dans la même entité.
  [3 Chaque fois qu'un réviseur d'entreprises est amené à effectuer des travaux dans une entreprise ou organisme dans lequel un autre réviseur d'entreprises effectue le contrôle légal des comptes ou procède à l'assurance de l'information en matière de durabilité, il ne peut accomplir des travaux sur place qu'après avoir informé ce dernier de préférence par écrit de son intervention.]3
  § 5. Tout réviseur d'entreprises appelé à succéder à un confrère a le devoir de se mettre préalablement en rapport avec lui par écrit. Le réviseur d'entreprises qui exerçait la même mission doit permettre l'accès, par son confrère, à ses documents de travail et à toutes les informations pertinentes.
  Le cas échéant, en application de l'article 18 du règlement (UE) n° 537/2014, il permettra également l'accès aux rapports complémentaires des exercices précédents visés à l'article 11 du règlement (UE) n° 537/2014 et à toute information communiquée à la FSMA ou à la Banque, en charge de la surveillance des entités d'intérêt public visées à l'[2 article 1:12 du Code des sociétés et des associations]2.
  § 6. Lorsqu'un réviseur d'entreprises est amené à mettre en cause le travail ou l'attestation d'un autre réviseur d'entreprises, il est tenu, dans la mesure où le secret professionnel le lui permet, de lui faire connaître immédiatement les points sur lesquels [1 porte]1 la divergence.
  
Art.14. [1 Noch de aandeelhouders van een bedrijfsrevisorenkantoor of een geregistreerd auditkantoor, noch de leden van het bestuursorgaan van dat kantoor, noch verbonden personen mogen een zodanige bemoeienis met de uitvoering van een wettelijke controle van de jaarrekening, van een opdracht van assurance van duurzaamheidsinformatie of van een andere revisorale opdracht hebben dat daardoor afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijkheid en de objectiviteit van de bedrijfsrevisor die de wettelijke controle van de jaarrekening, de assurance van duurzaamheidsinformatie of een andere revisorale opdracht uitvoert.]1
  
Art.14. [1 Ni les actionnaires d'un cabinet de révision ou d'un cabinet d'audit enregistré, ni les membres de l'organe de gestion de ce cabinet ou d'une personne liée n'interviennent dans l'exécution d'un contrôle légal des comptes, d'une mission d'assurance de l'information en matière de durabilité ou une autre mission révisorale d'une façon pouvant compromettre l'indépendance ou l'objectivité du réviseur d'entreprises qui effectue le contrôle légal des comptes, l'assurance de l'information en matière de durabilité ou une autre mission révisorale.]1
  
Art.15. Tijdens de uitvoering van zijn opdracht behoudt de bedrijfsrevisor steeds een professioneel-kritische instelling, wat betekent dat hij een houding aanneemt die een onderzoekende geest, oplettendheid voor omstandigheden die kunnen wijzen op mogelijke afwijkingen als gevolg van fouten of fraude, en een kritische beoordeling van de controle-informatie omvat.
  Hij onderkent dat er sprake kan zijn van een afwijking van materieel belang als gevolg van feiten of gedragingen die wijzen op onregelmatigheden, met inbegrip van fraude of fouten, ongeacht eerdere ervaringen van de bedrijfsrevisor met de eerlijkheid en integriteit van de leiding van de gecontroleerde entiteit en van de met het bestuur van de entiteit belaste personen.
  De bedrijfsrevisor behoudt een professioneel-kritische instelling, in het bijzonder bij de beoordeling van schattingen van de leiding met betrekking tot reële waarden, de waardevermindering van activa, voorzieningen en toekomstige kasstromen die relevant zijn voor het vermogen van de entiteit tot continuïteit van het bedrijf.
Art.15. Dans l'exercice de sa mission, le réviseur d'entreprises fait constamment preuve de scepticisme professionnel, c'est-à-dire qu'il adopte une attitude caractérisée par un esprit critique, attentif aux éléments qui pourraient indiquer une éventuelle anomalie due à une erreur ou une fraude, et par une évaluation critique des éléments probants.
  Il reconnaît la possibilité d'anomalies significatives due à des faits ou des comportements entachés d'irrégularités, notamment une fraude ou une erreur, quelle qu'ait pu être l'expérience antérieure du réviseur d'entreprises de l'honnêteté et de l'intégrité de la direction de l'entité contrôlée et des personnes responsables de sa gouvernance.
  Le réviseur d'entreprises maintient une attitude de scepticisme professionnel, en particulier lors de l'évaluation des estimations de la direction concernant les justes valeurs, la dépréciation des actifs, les provisions et les flux de trésorerie futurs, qui sont pertinentes pour se prononcer sur la continuité de l'exploitation.
Art.16. § 1. De bedrijfsrevisor mag geen enkel financieel belang hebben in de entiteit waar hij een revisorale opdracht uitvoert.
  § 2. Hij mag evenmin voor zichzelf of voor zijn minderjarige kinderen financiële instrumenten kopen of verkopen die worden uitgegeven, gegarandeerd of anderszins ondersteund door de entiteit waar hij een revisorale opdracht uitvoert, noch mag hij betrokken zijn bij het sluiten van een transactie in dergelijke financiële instrumenten.
  § 3. De in paragrafen 1 en 2 bedoelde verbodsbepalingen zijn niet toepasselijk op de rechten van deelneming in instellingen voor collectieve belegging, met inbegrip van beheerde fondsen, zoals pensioenfondsen of levensverzekeringen.
  § 4. De bedrijfsrevisor mag geen geld of andere geschenken of gunsten aanvaarden van de entiteit waar hij een revisorale opdracht uitvoert of van met die entiteit verbonden entiteiten, met uitzondering van de geringe voordelen die door een objectieve, redelijke en geïnformeerde derde als verwaarloosbaar of onbeduidend zouden worden beschouwd.
  § 5. De bepalingen van paragrafen 1 tot 4 gelden ook voor:
  a) het bedrijfsrevisorenkantoor waartoe de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon behoort, de vennoten, de aandeelhouders, de leden van het bestuursorgaan en de werknemers van dat bedrijfsrevisorenkantoor voor zover het de werknemers betreft die ten aanzien van de entiteiten waarvoor de revisorale opdracht wordt uitgevoerd, hieraan rechtstreeks deelnemen;
  b) [1 alle andere personen waarop de bedrijfsrevisor een beroep doet en die direct betrokken zijn bij de controle- of assurancewerkzaamheden bij de betrokken vennootschap;]1
  c) de personen die nauw verbonden zijn met de bedrijfsrevisor.
  § 6. De bedrijfsrevisor ziet erop toe en documenteert dat hijzelf en de personen als bedoeld in paragraaf 5, niet deelnemen in of op een andere wijze invloed uitoefenen op de uitkomst van de revisorale opdracht uitgevoerd bij een bepaalde entiteit, indien zij:
  1° andere financiële instrumenten van de entiteit bezitten dan de belangen die onrechtstreeks worden gehouden via gediversifieerde instellingen voor collectieve belegging;
  2° financiële instrumenten bezitten van een verbonden entiteit waarvan de eigendom een belangenconflict kan veroorzaken, met uitzondering van de belangen die onrechtstreeks worden gehouden via gediversifieerde instellingen voor collectieve belegging;
  3° een dienstverband bij deze entiteit hebben gehad of daarmee een zakelijke of andere relatie hebben gehad gedurende twee jaar voorafgaand aan de revisorale opdracht die een belangenconflict kan veroorzaken.
  
Art.16. § 1er. Le réviseur d'entreprises ne peut pas détenir un intérêt financier dans l'entité pour laquelle il exécute une mission révisorale.
  § 2. Un reviseur d'entreprises ne peut pas non plus acheter ou vendre, pour lui-même ou pour ses enfants mineurs, des instruments financiers qui sont émis, garantis ou autrement soutenus par l'entité pour laquelle il exécute une mission révisorale, ni être concerné par la conclusion d'une transaction portant sur de tels instruments financiers.
  § 3. Les interdictions visées aux paragraphes 1 et 2 ne s'appliquent pas aux intérêts détenus dans des organismes de placement collectif, y compris des fonds gérés tels que des fonds de pension ou des assurances sur la vie.
  § 4. Le réviseur d'entreprises ne peut pas accepter de l'argent, ou d'autres cadeaux, ni de faveurs de l'entité pour laquelle il exécute une mission révisorale ou de toute entité liée à celle-ci, à l'exception des avantages mineurs susceptibles d'être considérés par un tiers objectif, raisonnable et informé comme insignifiante ou négligeable.
  § 5. Les dispositions visées aux paragraphes 1 à 4 sont également applicables:
  a) au cabinet de révision auquel appartient le réviseur d'entreprises personne physique, aux associés, aux actionnaires, aux membres de l'organe de gestion et aux employés du cabinet de révision en ce qui concerne, pour ces employés, les entités faisant l'objet d'une mission révisorale à l'exécution de laquelle ils participent directement;
  b) [1 à toutes autres personnes sur lesquelles le réviseur d'entreprises s'appuie et qui sont directement impliquées dans les activités de contrôle ou d'assurance de la société concernée;]1
  c) aux personnes qui sont étroitement liées au réviseur d'entreprises.
  § 6. Le réviseur d'entreprises vérifie et consigne par écrit que ni lui, ni les personnes visées au paragraphe 5, ne participent ou n'exercent d'une autre manière une influence sur le résultat de la mission révisorale exécutée au sein d'une entité déterminée, s'ils
  1° détiennent des instruments financiers de l'entité autres que des intérêts détenus indirectement par l'intermédiaire d'organismes de placement collectif diversifiés;
  2° détiennent des instruments financiers d'une entité liée, autres que des intérêts détenus indirectement par l'intermédiaire d'organismes de placement collectif diversifiés, dont la possession est susceptible de causer un conflit d'intérêts;
  3° ont été liés à cette entité, au cours des deux années précédant la mission révisorale, par un contrat de travail, une relation d'affaires ou tout autre type de relation susceptible de causer un conflit d'intérêts.
  
Art.17. § 1. [1 Voor elke revisorale opdracht legt de bedrijfsrevisor een controledossier aan.
   In het geval van een opdracht van assurance van duurzaamheidsinformatie, zal de bedrijfsrevisor een assurancedossier aanleggen.
   Dit controledossier of assurancedossier omvat, onverminderd de gegevens die voortvloeien uit Verordening (EU) nr. 537/2014 en de in België toepasselijke (internationale) controle- of assurancestandaarden, minstens de gegevens die op grond van artikel 13 zijn vastgelegd.]1

  § 2. De bedrijfsrevisor bewaart alle andere gegevens en documenten die van belang zijn ter ondersteuning van de revisorale opdracht, zodat een getrouwe weergave van de uitvoering van de opdracht kan worden verkregen.
  § 3. [1 Het controle- of assurancedossier wordt uiterlijk zestig dagen na de datum van ondertekening van het controleverslag of het assuranceverslag gesloten.]1
  § 4. [1 De bedrijfsrevisor die de revisorale opdracht heeft uitgevoerd, bewaart het controle- of assurancedossier gedurende een periode van vijf jaar, vanaf de datum van het verslag dat op basis van het controle- of assurancedossier is opgesteld.]1
  [1 § 5. Wanneer de wettelijke controle van de jaarrekening en de assurance van duurzaamheidsinformatie door dezelfde bedrijfsrevisor wordt uitgevoerd, kan het assurancedossier worden opgenomen in het controledossier.]1
  
Art.17. § 1er. [1 Le réviseur d'entreprises constitue un dossier d'audit pour chaque mission révisorale.
   En cas de mission d'assurance de l'information en matière de durabilité, le réviseur d'entreprises constitue un dossier d'assurance.
   Ce dossier d'audit ou ce dossier d'assurance contient, sans préjudice des dispositions du règlement (UE) n° 537/2014 et des normes (internationales) d'audit ou normes d'assurance qui sont applicables en Belgique, au minimum les données consignées en vertu de l'article 13.]1

  § 2. Le réviseur d'entreprises conserve tous les autres données et documents qui sont importants pour étayer la mission révisorale, de manière à obtenir une représentation fidèle de l'exécution de la mission.
  § 3. [1 Le dossier d'audit ou le dossier d'assurance est clos au plus tard soixante jours après la date de signature du rapport d'audit ou du rapport d'assurance.]1
  § 4. [1 Le réviseur d'entreprises qui a exécuté la mission révisorale conserve le dossier d'audit ou le dossier d'assurance pendant une durée de cinq ans à dater du rapport qui a été établi sur la base du dossier d'audit ou du dossier d'assurance.]1
  [1 § 5. Lorsque le même réviseur d'entreprises effectue le contrôle légal des comptes et procède à l'assurance de l'information en matière de durabilité, le dossier d'assurance peut figurer dans le dossier d'audit.]1
  
Art.18. [1 Voor elke revisorale opdracht houdt de bedrijfsrevisor een cliëntdossier bij.
   Dat dossier omvat, onverminderd de in België toepasselijke (internationale) controle- of assurancestandaarden, de volgende gegevens:
   1° de naam, het adres en de hoofdvestiging;
   2° in het geval van een bedrijfsrevisorenkantoor, de naam van de vaste vertegenwoordiger;
   3° de in rekening gebrachte honoraria voor de revisorale opdracht en, in het geval van een wettelijke controle van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening of, in het geval van een assurance van duurzaamheidsinformatie, de in rekening gebrachte honoraria voor andere diensten in een boekjaar, zowel van de commissaris of de bedrijfsrevisor als van de leden van het netwerk waartoe de commissaris of de bedrijfsrevisor behoort.]1

  
Art.18. [1 Le réviseur d'entreprises tient un dossier client pour chaque mission révisorale.
   Ce dossier client contient, sans préjudice des normes (internationales) d'audit ou normes d'assurance qui sont applicables en Belgique, les données suivantes:
   1° le nom, l'adresse et le lieu principal d'établissement;
   2° lorsqu'il s'agit d'un cabinet de révision, le nom du représentant permanent;
   3° les honoraires facturés pour la mission révisorale et, en cas de contrôle légal des comptes annuels ou consolidés ou en cas d'assurance de l'information en matière de durabilité, les honoraires facturés pour d'autres services durant l'exercice, tant par le commissaire ou le réviseur d'entreprises que par les membres du réseau dont fait partie le commissaire ou le réviseur d'entreprises.]1

  
Art.19. § 1. Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de in België toepasselijke (internationale) controlestandaarden [2 of assurancestandaarden]2, voldoet de bedrijfsrevisor bij de uitvoering van een revisorale opdracht minstens aan de volgende organisatorische vereisten:
  1° het bedrijfsrevisorenkantoor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om de naleving van de in artikel 14 bedoelde vereisten te waarborgen;
  2° de bedrijfsrevisor heeft doeltreffende administratieve en boekhoudprocedures, interne kwaliteitscontrolemechanismen, effectieve procedures voor risicobeoordeling en effectieve beheersings- en veiligheidsmaatregelen voor informatieverwerkingssystemen. Die interne kwaliteitscontrolemechanismen zijn zodanig opgezet dat zij de naleving van beslissingen en procedures op alle niveaus van het bedrijfsrevisorenkantoor of van de werkstructuur van de bedrijfsrevisor verzekeren;
  3° de bedrijfsrevisor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om te waarborgen dat zijn werknemers, medewerkers en alle andere natuurlijke personen op wie hij een beroep doet en die direct betrokken zijn bij de revisorale opdrachten, beschikken over de juiste kennis en ervaring voor de hun toegewezen taken;
  4° de bedrijfsrevisor stelt passende gedragslijnen en procedures vast om te waarborgen dat belangrijke controletaken [2 of assurancetaken]2 niet op zodanige wijze worden uitbesteed dat dit afbreuk doet aan de kwaliteit van de interne kwaliteitscontrole van de bedrijfsrevisor of aan het vermogen van het College om toe te zien op de naleving door de bedrijfsrevisor van zijn verplichtingen;
  5° de bedrijfsrevisor stelt passende en effectieve organisatorische en administratieve regelingen vast om alle bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid te voorkomen, vast te stellen, weg te nemen of te beheersen en bekend te maken;
  6° de bedrijfsrevisor stelt passende gedragslijnen en procedures vast voor de uitvoering van revisorale opdrachten, de begeleiding van, het houden van toezicht op en de beoordeling van de werkzaamheden van werknemers en medewerkers, en het opzetten van de structuur van het controledossier [2 of het assurancedossier]2 als bedoeld in artikel 17;
  7° de bedrijfsrevisor voert een intern kwaliteitsbeheersingssysteem in om de kwaliteit van de revisorale opdrachten te waarborgen. Het kwaliteitsbeheersingssysteem bestrijkt ten minste de gedragslijnen en procedures als bedoeld onder 6°. In het geval van een bedrijfsrevisorenkantoor ligt de verantwoordelijkheid voor het interne kwaliteitsbeheersingssysteem bij een persoon die de hoedanigheid van bedrijfsrevisor heeft;
  8° de bedrijfsrevisor gebruikt passende systemen, middelen en procedures om de continuïteit en regelmatigheid van zijn controlewerkzaamheden [2 of assurancewerkzaamheden]2 te waarborgen;
  9° de bedrijfsrevisor stelt ook passende en effectieve organisatorische en administratieve regelingen vast voor het omgaan met en registreren van incidenten die ernstige gevolgen voor de integriteit van zijn controlewerkzaamheden [2 of assurancewerkzaamheden]2 hebben of kunnen hebben;
  10° de bedrijfsrevisor heeft een passend beloningsbeleid ook ten aanzien van winstdeling, dat voldoende prestatieprikkels verschaft om de kwaliteit van de revisorale opdrachten te verzekeren. Met name de hoogte van de inkomsten die de bedrijfsrevisor ontleent aan het verstrekken van andere diensten dan revisorale opdrachten aan de gecontroleerde entiteit, vormt geen onderdeel van de prestatiebeoordeling en de beloning van personen die betrokken zijn bij of invloed kunnen uitoefenen op het verloop van de wettelijke controle van de jaarrekening [2 of de assurance van duurzaamheidsinformatie]2;
  11° de bedrijfsrevisor ziet toe op en evalueert de toereikendheid en doeltreffendheid van zijn systemen, interne kwaliteitscontrolemechanismen en andere regelingen die zijn vastgesteld in overeenstemming met deze wet, met de in België toepasselijke (internationale) controlestandaarden [2 of assurancestandaarden]2 en, in voorkomend geval, met verordening (EU) nr. 537/2014. Hij neemt passende maatregelen om eventuele tekortkomingen te verhelpen. De bedrijfsrevisor voert in het bijzonder jaarlijks een evaluatie uit van het interne kwaliteitsbeheersingssysteem als bedoeld onder 7°. Hij documenteert de bevindingen van deze evaluaties en alle voorgestelde maatregelen om het interne kwaliteitsbeheersingssysteem aan te passen.
  De in het eerste lid bedoelde gedragslijnen en procedures worden gedocumenteerd en aan de werknemers en medewerkers van de bedrijfsrevisor bekendgemaakt.
  Een eventuele uitbesteding van [2 controle- of assurancetaken]2 als bedoeld onder 4° is niet van invloed op de verantwoordelijkheid van de bedrijfsrevisor ten aanzien van de entiteit waarvoor een revisorale opdracht wordt uitgevoerd.
  § 2. De bedrijfsrevisor houdt bij de naleving van de eisen van paragraaf 1 rekening met de omvang en de complexiteit van zijn activiteiten.
  Hij kan tegenover het College aantonen dat de gedragslijnen en procedures met het oog op dergelijke naleving in overeenstemming zijn met de omvang en de complexiteit van zijn activiteiten.
  § 3. [2 De commissaris of de bedrijfsrevisor die de assurance van duurzaamheidsinformatie heeft uitgevoerd legt zowel in het geval van een wettelijke controle van de jaarrekening als van een assurance van duurzaamheidsinformatie, alle betekenisvolle inbreuken op de bepalingen van deze wet, op de bepalingen van boek 3, titel 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen inzake de wettelijke controle van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening, alsook op de bepalingen van verordening (EU) nr. 537/2014 vast. De commissaris of de bedrijfsrevisor die de assurance van duurzaamheidsinformatie heeft uitgevoerd registreert tevens alle gevolgen van een dergelijke inbreuk, met inbegrip van de maatregelen die zijn genomen om de inbreuk te beëindigen en om het interne kwaliteitsbeheersingssysteem aan te passen. De commissaris of de bedrijfsrevisor die de assurance van duurzaamheidsinformatie heeft uitgevoerd stelt een jaarverslag op met een overzicht van alle genomen maatregelen en maakt dit intern bekend.
   De commissaris of de bedrijfsrevisor die de assurance van duurzaamheidsinformatie heeft uitgevoerd, registreert ook alle schriftelijke klachten over de uitvoering van de wettelijke controles van de jaarrekening of de uitvoering van de assurance van duurzaamheidsinformatie.]2

  
Art.19. § 1er. Sans préjudice des obligations découlant des normes internationales d'audit [2 ou normes d'assurance]2 applicables en Belgique, le réviseur d'entreprises respecte au minimum les exigences organisationnelles suivantes lors de l'exécution d'une mission révisorale:
  1° le cabinet de révision définit des stratégies et des procédures appropriées afin de rencontrer les exigences visées à l'article 14;
  2° le réviseur d'entreprises dispose de procédures administratives et comptables performantes, de mécanismes internes de contrôle qualité, de procédures efficaces d'évaluation des risques et de dispositifs efficaces de contrôle et de protection de ses systèmes de traitement de l'information. Ces mécanismes internes de contrôle qualité sont conçus pour garantir le respect des décisions et des procédures à tous les niveaux du cabinet de révision ou de la structure de travail du réviseur d'entreprises;
  3° le réviseur d'entreprises définit des stratégies et des procédures appropriées pour garantir que ses employés, collaborateurs et toutes les autres personnes physiques sur lesquelles il s'appuie et qui participent directement aux missions révisorales, disposent de connaissances et d'une expérience appropriées au regard des tâches qui leur sont assignées;
  4° le réviseur d'entreprises définit des stratégies et des procédures appropriées pour garantir que l'externalisation de fonctions d'audit [2 ou d'assurance]2 importantes ne porte pas atteinte à la qualité du contrôle de qualité interne du réviseur d'entreprises ni à la faculté du Collège de vérifier le respect, par le réviseur d'entreprises, de ses obligations;
  5° le réviseur d'entreprises met en place des dispositifs organisationnels et administratifs appropriés et efficaces lui permettant de prévenir, de détecter, d'éliminer ou de gérer, ainsi que de faire connaître tous les risques pesant sur son indépendance;
  6° le réviseur d'entreprises met en place des stratégies et des procédures appropriées pour l'exécution de missions révisorales, l'encadrement de ses employés et collaborateurs ainsi que le contrôle et l'évaluation de leurs activités, et pour l'organisation de la structure du dossier d'audit [2 ou du dossier d'assurance]2 visé à l'article 17;
  7° le réviseur d'entreprises met en place un système interne de contrôle qualité pour garantir la qualité des missions révisorales. Le système de contrôle qualité porte au moins sur les stratégies et les procédures décrites au point 6°. Dans le cas d'un cabinet de révision, la responsabilité du système interne de contrôle qualité relève d'une personne qui dispose de la qualité de réviseur d'entreprises;
  8° le réviseur d'entreprises utilise des systèmes, des ressources et des procédures appropriés pour garantir la continuité et la régularité de ses activités de contrôle [2 ou d'assurance]2;
  9° le réviseur d'entreprises met également en place des dispositifs organisationnels et administratifs appropriés et efficaces pour gérer et enregistrer les incidents qui ont, ou peuvent avoir, des conséquences graves pour l'intégrité de ses activités de contrôle [2 ou d'assurance]2;
  10° le réviseur d'entreprises applique une politique de rémunération appropriée, y compris des politiques de participation aux bénéfices, comportant des incitations à la performance suffisantes pour garantir la qualité des missions révisorales. En particulier, les revenus que le réviseur d'entreprises tire de la fourniture de services autres que des missions révisorales à l'entité contrôlée ne peuvent être pris en compte dans l'évaluation des performances et la rémunération des personnes qui participent au contrôle légal des comptes [2 , ou à l'assurance de l'information en matière de durabilité,]2 ou qui sont en mesure d'en influencer le déroulement;
  11° le réviseur d'entreprises contrôle et évalue l'adéquation et l'efficacité de ses systèmes, mécanismes internes de contrôle qualité et autres dispositifs qui ont été mis en place conformément à la présente loi, aux normes internationales d'audit [2 ou normes d'assurance]2 applicables en Belgique et, le cas échéant, au règlement (UE) n° 537/2014. Il prend les mesures appropriées pour remédier à leurs éventuelles lacunes. Le réviseur d'entreprises procède notamment à une évaluation annuelle du système interne de contrôle qualité visé au 7°. Il consigne par écrit les conclusions de ces évaluations et de toute mesure proposée en vue d'adapter le système interne de contrôle qualité.
  Les stratégies et les procédures visées au premier alinéa sont consignées par écrit et communiquées aux employés et collaborateurs du réviseur d'entreprises.
  L'éventuelle externalisation des fonctions d'audit [2 ou d'assurance]2 visée au 4° n'a pas d'incidence sur la responsabilité du réviseur d'entreprises envers l'entité pour laquelle une mission révisorale est exécutée.
  § 2. Le réviseur d'entreprises prend en compte l'ampleur et la complexité de ses activités lorsqu'il respecte les exigences prévues au paragraphe 1er.
  Il est en mesure de démontrer au Collège que les stratégies et procédures conçues pour respecter ces exigences sont appropriées compte tenu de l'ampleur et de la complexité de ses activités.
  § 3. [2 Le commissaire ou le réviseur d'entreprises qui a procédé à l'assurance de l'information en matière de durabilité conserve, respectivement en cas de contrôle légal des comptes ou d'assurance de l'information en matière de durabilité, une trace de tout manquement significatif aux dispositions de la présente loi, aux dispositions du livre 3, titre 4 du Code des sociétés et des associations relatives au contrôle des comptes annuels et consolidés ainsi qu'aux dispositions du règlement (UE) n° 537/2014. Le commissaire ou le réviseur d'entreprises qui a procédé à l'assurance de l'information en matière de durabilité conserve également une trace de toutes les conséquences d'un tel manquement, y compris des mesures prises pour y remédier et pour changer leur système interne de contrôle qualité. Le commissaire ou le réviseur d'entreprises qui a procédé à l'assurance de l'information en matière de durabilité élabore un rapport de gestion contenant un relevé de toutes ces mesures prises et le transmet en interne.
   Le commissaire ou le réviseur d'entreprises qui a procédé à l'assurance de l'information en matière de durabilité conserve aussi une trace de toutes les plaintes introduites par écrit concernant respectivement l'exécution des contrôles légaux des comptes ou l'exécution de l'assurance de l'information en matière de durabilité.]2

  
Art.20. § 1. De resultaatgebonden honoraria met betrekking tot de opdrachten inzake de wettelijke controle van de jaarrekening [1 of de opdrachten van assurance van duurzaamheidsinformatie]1 zijn verboden.
  [1 Wanneer opdrachten uitgevoerd worden door de commissaris of de bedrijfsrevisor, of door een lid van zijn netwerk, in een vennootschap waarin de commissaris of de bedrijfsrevisor belast is met de wettelijke controle of de assurance van duurzaamheidsinformatie, of in een vennootschap die haar controleert of die zij controleert binnen de Europese Unie, is het in deze vennootschappen niet toegestaan aan de commissaris of de bedrijfsrevisor, of aan een lid van zijn netwerk, om opdrachten uit te voeren tegen vergoeding van resultaatgebonden honoraria, ongeacht de genomen veiligheidsmaatregelen.]1
  § 2. Onverminderd paragraaf 1 kan, wanneer opdrachten worden uitgevoerd bij een entiteit waar de wettelijke controle van de jaarrekening [1 of de assurance van duurzaamheidsinformatie]1 niet wordt uitgevoerd door een bedrijfsrevisor die met hetzelfde netwerk is verbonden, een contract worden gesloten waarin resultaatgebonden honoraria worden opgenomen.
  In dergelijk geval worden de onafhankelijkheidsrisico's beoordeeld en worden aangepaste veiligheidsmaatregelen genomen zodat het risico naar een aanvaardbaar niveau wordt gebracht. De onafhankelijkheidsrisico's en de genomen veiligheidsmaatregelen worden opgenomen in het dossier van de bedrijfsrevisor, zodanig dat dit een spoor bevat van de uitgevoerde beoordeling op het ogenblik van de aanvaarding van de opdracht.
  De in artikel 21 bedoelde opdrachtbrief vermeldt ook dat de honoraria resultaatgebonden zijn en dat gepaste veiligheidsmaatregelen werden genomen om het risico naar een aanvaardbaar niveau te brengen.
  
Art.20. § 1er. Les honoraires subordonnés aux résultats relatifs aux missions de contrôle légal des comptes [1 ou aux missions d'assurance de l'information en matière de durabilité]1 sont interdits.
  [1 Lorsque des missions sont effectuées par le commissaire ou le réviseur d'entreprises, ou un membre du réseau dont il relève, dans une société dans laquelle le commissaire ou le réviseur d'entreprises est chargé du contrôle légal ou de l'assurance de l'information en matière de durabilité, ou dans une société qui la contrôle ou qu'elle contrôle au sein de l'Union européenne, la prestation dans ces sociétés par le commissaire ou le réviseur d'entreprises, ou un membre de son réseau, de missions contre des honoraires subordonnés est interdite, quelles que soient les mesures de sauvegarde qui pourraient être mises en place.]1
  § 2. Sans préjudice du paragraphe 1er, lorsque des missions sont effectuées pour une entité dans laquelle le contrôle légal des comptes [1 ou l'assurance de l'information en matière de durabilité]1 n'est pas effectué par un réviseur d'entreprises relevant du même réseau, un contrat contenant des honoraires subordonnés peut être conclu.
  Dans ce cas, les risques pour l'indépendance sont évalués et des mesures de sauvegarde appropriées sont mises en place de manière à ramener le risque à un niveau acceptable. Les risques pour l'indépendance ainsi que les mesures de sauvegarde prises sont consignées dans le dossier du réviseur d'entreprises de manière à ce que ce dossier contienne une trace de l'évaluation faites au moment de l'acceptation de la mission.
  La lettre de mission visée à l'article 21 consigne également le fait que les honoraires sont subordonnés et que des mesures de sauvegarde adéquates ont été prises pour ramener le risque à un niveau acceptable.
  
Art.21. De bedrijfsrevisor en zijn cliënt stellen een opdrachtbrief op voorafgaand aan de uitvoering van elke opdracht.
  Naast de omschrijving van de opdracht bepaalt de opdrachtbrief op een evenwichtige wijze de wederzijdse rechten en plichten van de cliënt en van de bedrijfsrevisor.
Art.21. Le réviseur d'entreprises et son client établissent une lettre de mission préalablement à l'exécution de toute mission.
  Outre la description de la mission, la lettre de mission précise de manière équilibrée les droits et devoirs réciproques du client et du réviseur d'entreprises.
Art.22. § 1. Telkens wanneer een revisorale opdracht wordt toevertrouwd aan een bedrijfsrevisorenkantoor, dient dat bedrijfsrevisorenkantoor een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon als vaste vertegenwoordiger aan te stellen. Deze bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon dient als vennoot of anderszins aan dat kantoor verbonden te zijn, en is belast met de uitvoering van deze opdracht in naam en voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor. Bij de uitvoering van deze revisorale opdracht heeft de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die het bedrijfsrevisorenkantoor vertegenwoordigt, als enige de handtekeningsbevoegdheid voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor. Hij wordt actief betrokken bij de uitvoering van de revisorale opdracht.
  Die vaste vertegenwoordiger handelt in naam en voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor. Inzake kwaliteitscontrole en toezicht is hij aan dezelfde voorwaarden en regels onderworpen alsof hij die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.
  Het bedrijfsrevisorenkantoor kan zijn vaste vertegenwoordiger enkel ontslaan als het tegelijkertijd zijn opvolger aanstelt.
  Een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die een arbeidsovereenkomst met een andere bedrijfsrevisor heeft gesloten, kan geen handtekeningsbevoegdheid voor rekening van het bedrijfsrevisorenkantoor dat zijn werkgever is, worden toegekend.
  § 2. Het bedrijfsrevisorenkantoor verstrekt de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die het bedrijfsrevisorenkantoor vertegenwoordigt, voldoende middelen en personeelsleden die over de nodige deskundigheid en bekwaamheid beschikken om zijn taken juist uit te voeren.
  § 3. In het geval van een wettelijke controle bij een organisatie van openbaar belang of bij de belangrijke Belgische of buitenlandse dochterondernemingen van een dergelijke organisatie naar Belgisch recht wanneer deze geconsolideerde jaarrekeningen opstelt, is de commissaris verplicht ten minste de vaste vertegenwoordiger(s) van het bedrijfsrevisorenkantoor te vervangen, of, wanneer het mandaat door een commissaris-natuurlijk persoon wordt uitgeoefend, het mandaat aan een confrater over te dragen na uiterlijk zes jaar na zijn (hun) benoeming. De vervangen bedrijfsrevisor(en) neemt (nemen) na afloop van een periode van minstens drie jaar na het staken van deelname opnieuw deel aan de wettelijke controle van de gecontroleerde entiteit.
  Met toepassing van artikel 17, § 7, derde en vierde lid van de verordening (EU) nr. 537/2014, zet de commissaris tevens een passend systeem van geleidelijke rotatie op voor de hoogstgeplaatste personeelsleden binnen de hiërarchie die betrokken zijn bij de wettelijke controle, met inbegrip van ten minste de bedrijfsrevisoren die bij de controleopdracht zijn betrokken.
  § 4. Elk verslag, elke verklaring of certificering wordt ondertekend door een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon, die in voorkomend geval optreedt als vaste vertegenwoordiger van een bedrijfsrevisorenkantoor.
  De bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon vermeldt of hij in eigen naam tekent, dan wel als vaste vertegenwoordiger van een bedrijfsrevisorenkantoor.
  Wanneer aan een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die deel uitmaakt van een bedrijfsrevisorenkantoor, in eigen naam een opdracht wordt toevertrouwd, dan kan hij niet tekenen in de hoedanigheid van vaste vertegenwoordiger van het bedrijfsrevisorenkantoor.
  Ingeval van overmacht kan de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon zijn bevoegdheid om te tekenen aan een andere bedrijfsrevisor delegeren.
Art.22. § 1er. Chaque fois qu'une mission révisorale est confiée à un cabinet de révision, ce cabinet de révision est tenu de désigner un réviseur d'entreprises personne physique en tant que représentant permanent. Ce réviseur d'entreprises personne physique doit être en relation avec ce cabinet en tant qu'associé ou autre, et chargé de l'exécution de ladite mission au nom et pour compte du cabinet de révision. Dans l'exécution de cette mission révisorale, le réviseur d'entreprises, personne physique, qui représente le cabinet de révision, détient seul le pouvoir de signature pour le compte du cabinet de révision. Il participe activement à l'exécution de la mission révisorale.
  Ce représentant permanent agit au nom et pour le compte du cabinet de révision. En matière de contrôle de qualité et de surveillance, il est soumis aux mêmes conditions et règles que s'il exerçait cette mission en son nom et pour compte propre.
  Le cabinet de révision ne peut révoquer son représentant permanent qu'en désignant simultanément son successeur.
  Un réviseur d'entreprises personne physique ayant signé un contrat de travail avec un autre réviseur d'entreprises ne peut se voir attribuer le pouvoir de signature du cabinet de révision qui est son employeur.
  § 2. Le cabinet de révision fournit au réviseur d'entreprises personne physique, qui représente le cabinet de révision, des ressources suffisantes et un personnel possédant les compétences et aptitudes nécessaires pour exercer correctement ses missions.
  § 3. Dans le cas d'un contrôle légal auprès d'une entité d'intérêt public ou auprès des filiales importantes belges ou étrangères d'une telle entité de droit belge lorsque celle-ci établit des comptes consolidés, le commissaire est tenu de remplacer au minimum le ou les représentants permanents du cabinet de révision ou, en cas de mandat exercé par un commissaire personne physique, de transférer le mandat à un confrère dans les six ans qui suivent sa ou leur nomination. Le ou les réviseurs d'entreprises remplacés ne peuvent participer à nouveau au contrôle légal de l'entité contrôlée qu'à l'issue d'une période d'au moins trois ans.
  En application de l'article 17, § 7, troisième et quatrième alinéas du règlement (UE) n° 537/014, le commissaire instaure également un mécanisme de rotation progressive adapté qu'il applique aux membres du personnel les plus élevés dans la hiérarchie qui participent au contrôle légal, y compris au moins les réviseurs d'entreprises qui participent à la mission de contrôle.
  § 4. Tout rapport, attestation ou certification est signé par un réviseur d'entreprises personne physique, le cas échéant agissant en qualité de représentant permanent d'un cabinet de révision.
  Le réviseur d'entreprises personne physique mentionne s'il signe en son nom propre ou en tant que représentant permanent d'un cabinet de révision.
  Lorsqu'un réviseur d'entreprises personne physique, relevant d'un cabinet de révision se voit confier une mission en nom personnel, il ne peut signer en qualité de représentant permanent du cabinet de révision.
  En cas de force majeure, le réviseur d'entreprises personne physique peut déléguer son pouvoir de signature à un autre réviseur d'entreprises.
Art.23. § 1. De bedrijfsrevisor die de wettelijke controle van de jaarrekening van organisaties van openbaar belang uitvoert, maakt uiterlijk vier maanden na afloop van elk boekjaar een jaarlijks transparantieverslag openbaar overeenkomstig de bepalingen van artikel 13 van de verordening (EU) nr. 537/2014.
  § 2. De bedrijfsrevisor die vrijwillig of krachtens een andere wettelijke of reglementaire bepaling een transparantieverslag openbaar maakt, voldoet minstens aan de bepalingen van artikel 13 van verordening (EU) nr. 537/2014.
Art.23. § 1er. Le réviseur d'entreprises qui effectue le contrôle légal des comptes d'entités d'intérêt public publie, conformément aux dispositions de l'article 13 du règlement (UE) n° 537/2014, un rapport annuel de transparence au plus tard quatre mois après la fin de chaque exercice comptable.
  § 2. Le réviseur d'entreprises qui, volontairement ou en vertu d'une autre disposition légale ou réglementaire publie un rapport de transparence, se conforme au minimum aux dispositions de l'article 13 du règlement (UE) n° 537/2014.
Art.24. § 1. De bedrijfsrevisoren zijn aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitvoering van de opdrachten die hun door of krachtens de wet zijn toevertrouwd. Behoudens bij overtreding gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, wordt deze aansprakelijkheid beperkt tot een bedrag van drie miljoen euro voor de uitvoering van een van deze opdrachten bij een andere persoon dan een organisatie van openbaar belang, verhoogd tot twaalf miljoen euro voor de uitvoering van een van deze opdrachten bij een organisatie van openbaar belang. De Koning kan deze bedragen wijzigen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het is de bedrijfsrevisoren verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan deze aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst.
  § 2. Zij zijn verplicht hun burgerrechtelijke beroepsaansprakelijkheid te laten dekken door een adequaat verzekeringscontract dat aan volgende vereisten voldoet:
  1° een dekking van minimum drie miljoen euro per jaar; dit bedrag wordt verhoogd naar twaalf miljoen voor de opdrachten uitgevoerd bij organisaties van openbaar belang;
  2° de polis dekt ten minste alle opdrachten die voorbehouden zijn door of krachtens de wet aan de bedrijfsrevisoren.
  § 3. De bepalingen bedoeld in [1 paragraaf 1]1 zijn ook van toepassing op de opdrachten die door of krachtens de wet toevertrouwd worden aan de commissaris en op de opdrachten die hem zijn toevertrouwd in zijn hoedanigheid van commissaris en als dusdanig [1 ondertekend]1 of, bij gebrek aan een commissaris, aan een bedrijfsrevisor of aan een accountant, inclusief de gevallen waarbij deze opdrachten worden uitgeoefend door een accountant.
  
Art.24. § 1er. Les réviseurs d'entreprises sont responsables, conformément au droit commun, de l'accomplissement des missions qui leur sont réservées par la loi ou en vertu de celle-ci. Sauf en cas d'infraction commise avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, cette responsabilité est plafonnée à un montant de trois millions d'euros en ce qui concerne l'accomplissement d'une de ces missions auprès d'une personne autre qu'une entité d'intérêt public, porté à douze millions d'euros en ce qui concerne l'accomplissement d'une de ces missions auprès d'une entité d'intérêt public. Le Roi peut modifier ces montants par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
  Il est interdit aux réviseurs d'entreprises de se soustraire à cette responsabilité, même partiellement, par un contrat particulier.
  § 2. Ils sont tenus de faire couvrir leur responsabilité civile professionnelle par un contrat d'assurance adéquat répondant aux exigences suivantes:
  1° une couverture de minimum trois millions d'euros par année; ce montant est porté à douze millions d'euros pour les missions exercées auprès des entités d'intérêt public;
  2° la police couvre au minimum toutes les missions réservées par ou en vertu de la loi aux réviseurs d'entreprises.
  § 3. Les dispositions prévues au [1 paragraphe 1er]1 s'appliquent également aux missions dont l'accomplissement est réservé par la loi ou en vertu de celle-ci au commissaire et aux missions qui lui sont confiées en sa qualité de commissaire et signées comme telles ou, en l'absence de commissaire, à un réviseur ou un expert-comptable, en ce compris dans les cas où ces missions sont effectuées par un expert-comptable.
  
Art.25. De bedrijfsrevisoren zijn aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitvoering van hun andere professionele opdrachten dan deze die hun door of krachtens de wet zijn toevertrouwd.
  Het is de bedrijfsrevisoren verboden om zich, zelfs gedeeltelijk, aan deze aansprakelijkheid te onttrekken door een bijzondere overeenkomst in geval van een fout gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.
Art.25. Les réviseurs d'entreprises sont responsables conformément au droit commun de l'accomplissement de leurs missions professionnelles autres que celles qui leur sont réservées par la loi ou en vertu de celle-ci.
  Il est interdit aux réviseurs d'entreprises de se soustraire à cette responsabilité, même partiellement, par un contrat particulier, en cas de faute commise avec une intention frauduleuse ou à des fins de nuire.
Art.26. De bedrijfsrevisoren [1 en de in België geregistreerde auditkantoren]1 betalen jaarlijkse bijdragen ter financiering van de werkingskosten van het Instituut, waarvan het bedrag door de algemene vergadering van het Instituut wordt vastgesteld binnen de grenzen en volgens de modaliteiten bepaald in het huishoudelijk reglement van het Instituut.
  De in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van een derde land betalen het bedrag van de aan hun inschrijving verbonden kosten. Dit bedrag wordt door de algemene vergadering van het Instituut vastgesteld binnen de grenzen en volgens de modaliteiten bepaald in het huishoudelijk reglement van het Instituut.
  
Art.26. Les réviseurs d'entreprises [1 et les cabinets d'audit enregistrés en Belgique]1 paient des cotisations annuelles pour le financement des frais de fonctionnement de l'Institut, dont le montant est fixé par l'assemblée générale de l'Institut, dans les limites et selon les modalités fixées par le règlement d'ordre intérieur de l'Institut.
  Les [1 ...]1 contrôleurs et entités d'audit de pays tiers enregistrés en Belgique paient le montant des frais liés à leur enregistrement. Ce montant est fixé par l'assemblée générale de l'Institut, dans les limites et selon les modalités fixées par le règlement d'ordre intérieur de l'Institut.
  
Art.27. De bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon zet zijn permanente vorming op continue wijze voort om zijn theoretische kennis, zijn beroepsbekwaamheden en zijn beroepsethiek op een voldoende peil te houden.
Art.27. Le réviseur d'entreprises personne physique, poursuit de manière continue sa formation permanente afin de maintenir ses connaissances théoriques, ses compétences professionnelles et son sens éthique à un niveau suffisant.
Art.28. De Koning kan de specifieke maatregelen bepalen in verband met de deontologie van de bedrijfsrevisor, alsook de maatregelen die ertoe strekken de onafhankelijkheid van de bedrijfsrevisor te verzekeren.
Art.28. Le Roi peut déterminer les mesures spécifiques relatives à la déontologie du réviseur d'entreprises ainsi que les mesures visant à assurer l'indépendance du réviseur d'entreprises.
Afdeling 4. - Onverenigbaarheden
Section 4. - Incompatibilités
Art.29. § 1. Het is de bedrijfsrevisor niet toegestaan om werkzaamheden uit te oefenen of daden te stellen die onverenigbaar zijn met hetzij de waardigheid, de rechtschapenheid of de kiesheid, hetzij de onafhankelijkheid van zijn functie.
  § 2. Het is de bedrijfsrevisor niet toegestaan om revisorale opdrachten uit te voeren in de volgende omstandigheden:
  1° de functie van bediende uitoefenen, behalve bij een andere bedrijfsrevisor;
  2° rechtstreeks of onrechtstreeks een handelsactiviteit uitoefenen, onder andere in de hoedanigheid van bestuurder van een handelsvennootschap; het uitoefenen van een mandaat van bestuurder in burgerlijke vennootschappen die de rechtsvorm van een handelsvennootschap hebben aangenomen, wordt niet geviseerd door deze onverenigbaarheid;
  3° de functie van minister of staatssecretaris bekleden.
  De bepaling onder 1° is niet van toepassing op een taak in het onderwijs.
  § 3. Wat de in paragraaf 2 bedoelde bepalingen 1° en 2° betreft, kan de Koning in uitzonderingen voorzien. Hij kan ook de maatregelen voor de toekenning van een afwijking door het College bepalen.
Art.29. § 1er. Le réviseur d'entreprises ne peut exercer des activités ou poser des actes incompatibles avec soit la dignité, la probité ou la délicatesse, soit avec l'indépendance de sa fonction.
  § 2. Le réviseur d'entreprises ne peut exercer des missions révisorales dans les situations suivantes:
  1° exercer la fonction d'employé, sauf auprès d'un autre réviseur d'entreprises;
  2° exercer une activité commerciale directement ou indirectement, entre autres en qualité d'administrateur d'une société commerciale; n'est pas visé par cette incompatibilité l'exercice d'un mandat d'administrateur dans des sociétés civiles à forme commerciale;
  3° exercer la fonction de ministre ou de secrétaire d'Etat.
  La disposition du 1° ne s'applique pas aux fonctions exercées dans l'enseignement.
  § 3. En ce qui concerne les dispositions des 1° et 2° visées au paragraphe 2, le Roi peut prévoir des exceptions. Il peut également déterminer les modalités d'octroi d'une dérogation par le Collège.
Art.30. § 1. De bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon die zich in een van de onverenigbaarheidssituaties bevindt bedoeld in artikel 29, § 2, en aan wie, in voorkomend geval, geen uitzondering of afwijking is verleend, verklaart bij het Instituut verhinderd te zijn om revisorale opdrachten uit te oefenen.
  § 2. De verhinderde bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon blijft in het openbaar register van het Instituut ingeschreven als "tijdelijk verhinderd bedrijfsrevisor" zolang hij verhinderd is.
  § 3. De rechten en verplichtingen die uit afdeling III [1 en artikel 29, § 1,]1 voortvloeien, blijven van toepassing op de verhinderde bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon.
  § 4. In afwijking van paragraaf 3, betaalt de verhinderde bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon een verminderde jaarlijkse bijdrage, waarvan het bedrag door de algemene vergadering van het Instituut wordt bepaald overeenkomstig artikel 26.
  § 5. De Koning bepaalt de specifieke modaliteiten met betrekking tot de hoedanigheid van "tijdelijk verhinderd bedrijfsrevisor".
  
Art.30. § 1er. Le réviseur d'entreprises personne physique qui se trouve dans l'une des situations d'incompatibilité visées à l'article 29, § 2, et qui ne bénéficie pas, le cas échéant, d'une exception ou d'une dérogation, se déclare auprès de l'Institut empêché d'exercer des missions révisorales.
  § 2. Le réviseur d'entreprises personne physique empêché reste inscrit au registre public de l'Institut en qualité de "réviseur d'entreprises temporairement empêché" pendant la durée de son empêchement.
  § 3. Les droits et obligations découlant de la section III [1 et de l'article 29, § 1er,]1 restent applicables au réviseur d'entreprises personne physique empêché.
  § 4. Par dérogation au paragraphe 3, le réviseur d'entreprises personne physique empêché paie des cotisations annuelles réduites, dont le montant est fixé par l'assemblée générale de l'Institut conformément à l'article 26.
  § 5. Le Roi fixe les modalités spécifiques relatives à la qualité de "réviseur d'entreprises temporairement empêché".
  
HOOFDSTUK 3. - Goedkeuring van normen en aanbevelingen
CHAPITRE 3. - Approbation des normes et recommandations
Art.31. § 1. [1 Onverminderd de internationale controlestandaarden en de assurancestandaarden die door de Europese Commissie zijn vastgesteld, formuleert het Instituut de normen en aanbevelingen met betrekking tot de uitvoering van opdrachten of die nuttig zijn voor de uitvoering van deze opdrachten.]1
  Het Instituut maakt de inhoud van elke ontwerpnorm of -aanbeveling openbaar.
  De Hoge Raad beraadslaagt over de ontwerpnormen of -aanbevelingen na de vertegenwoordiger van het Instituut te hebben gehoord. De Hoge Raad kan ter zake ook het College en, in voorkomend geval, voor alle aspecten van een ontwerpnorm of -aanbeveling met betrekking tot organisaties van openbaar belang, de FSMA en de Bank raadplegen.
  De opmerkingen van het College en, in voorkomend geval, van de FSMA en de Bank, worden overgemaakt aan de Hoge Raad binnen de zes weken na de overlegging van de vraag door de Hoge Raad.
  Na de vertegenwoordiger van het Instituut te hebben gehoord, alsook na de opmerkingen van het College en, in voorkomend geval, van de FSMA en de Bank te hebben ontvangen, kan de Hoge Raad het Instituut vragen om de ontwerpnorm of -aanbeveling te herformuleren op basis van zijn eigen opmerkingen, de hoorzitting of de opmerkingen van het College, de FSMA en/of de Bank.
  Als het Instituut het ontwerp niet herformuleert binnen de door de Hoge Raad bepaalde termijn, kan de Hoge Raad de ontwerpnorm of -aanbeveling op eigen initiatief herformuleren.
  § 2. Deze normen en aanbevelingen krijgen slechts uitwerking na goedkeuring door de Hoge Raad en de minister bevoegd voor Economie. De goedkeuring door de Hoge Raad gebeurt binnen drie maanden na de overlegging van de vraag door het Instituut. In geval van speciaal gemotiveerde hoogdringendheid kan de termijn worden beperkt tot één maand, in onderlinge overeenstemming tussen de Hoge Raad en het Instituut.
  § 3. De Hoge Raad of de minister bevoegd voor Economie kunnen het Instituut de opdracht geven om een ontwerpnorm of -aanbeveling op te stellen met betrekking tot een materie die nog niet is uitgewerkt, die onvoldoende is uitgewerkt of die moet worden aangepast aan de gewijzigde toepasselijke wettelijke of regelgevende bepalingen of aan de internationale controlestandaarden [1 of assurancestandaarden]1.
  De openbare raadpleging over een ontwerpnorm of -aanbeveling wordt gelanceerd binnen het jaar na de datum waarop die opdracht werd gegeven door de Hoge Raad of de minister bevoegd voor Economie. Wanneer binnen die termijn geen openbare raadpleging wordt gelanceerd, kan de Hoge Raad een ontwerpnorm of -aanbeveling opstellen en, in voorkomend geval na raadpleging van het College en/of het Instituut, dit ontwerp vervolgens ter goedkeuring voorleggen aan de minister bevoegd voor Economie.
  § 4. De normen zijn bindend voor de bedrijfsrevisoren.
  De aanbevelingen zijn eveneens bindend, tenzij de bedrijfsrevisor in bijzondere omstandigheden kan motiveren dat de afwijking ten aanzien van de aanbeveling geen afbreuk doet aan de criteria vastgesteld in artikelen 12 en 13.
  § 5. De toepassing van de normen en aanbevelingen is evenredig met de omvang en de complexiteit van de activiteiten van de entiteiten waarvoor een revisorale opdracht wordt uitgevoerd.
  § 6. De normen en aanbevelingen evenals hun actualiseringen worden openbaar gemaakt op de website van het Instituut en de Hoge Raad.
  De goedkeuring van deze normen en aanbevelingen evenals de latere actualiseringen hiervan, door de minister bevoegd voor Economie, maakt het voorwerp uit van een bericht dat bekend wordt gemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  § 7. Het Instituut ontwikkelt de rechtsleer inzake de audittechnieken en de goede toepassing door de bedrijfsrevisoren van het wettelijk, reglementair en normatief kader dat de uitoefening van hun beroep regelt, in de vorm van adviezen of mededelingen.
  Het Instituut maakt de adviezen of mededelingen over aan de Hoge Raad.
  Indien hij een onverenigbaarheid vaststelt tussen deze adviezen of mededelingen en een wet, besluit, norm of aanbeveling, of als de aard van deze adviezen of mededelingen normatief is, nodigt de Hoge Raad het Instituut uit om dit te verhelpen, en, indien hij geen genoegdoening krijgt binnen de termijn die hij vaststelt, gaat hij over tot de openbaarmaking van zijn eigen stellingname.
  
Art.31. § 1er. [1 Sans préjudice des normes internationales d'audit et des normes d'assurance adoptées par la Commission européenne, l'Institut formule des normes et des recommandations relatives à l'exécution des missions ou utiles à la mise en application de ces missions.]1
  L'Institut expose publiquement le contenu de tout projet de norme ou de recommandation.
  Le Conseil supérieur délibère des projets de norme ou de recommandation après avoir entendu le représentant de l'Institut. Le Conseil supérieur peut également consulter le Collège à cet égard et, le cas échéant, pour tous les aspects des projets de norme ou de recommandation ayant trait aux entités d'intérêt public, la FSMA et la Banque.
  Les observations du Collège et, le cas échéant, de la FSMA et de la Banque, sont transmises au Conseil supérieur dans les six semaines qui suivent la demande qui leur est faite par le Conseil supérieur.
  Après avoir entendu le représentant de l'Institut ainsi qu'après avoir recueilli les observations du Collège et, le cas échéant, de la FSMA et de la Banque, le Conseil supérieur peut demander à l'Institut de reformuler le projet de norme ou recommandation sur la base de ses propres observations, de l'audition ou des observations du Collège, de la FSMA et/ou de la Banque.
  A défaut de reformulation du projet par l'Institut dans le délai fixé par le Conseil supérieur, le Conseil supérieur peut reformuler d'initiative le projet de norme ou recommandation.
  § 2. Les normes et recommandations ne sortent leurs effets qu'après l'approbation par le Conseil supérieur et le ministre ayant l'Economie dans ses attributions. L'approbation du Conseil supérieur intervient dans les trois mois qui suivent la demande qui lui est faite par l'Institut. En cas d'urgence spécialement motivée, ce délai peut être réduit à un mois, de commun accord entre le Conseil supérieur et l'Institut.
  § 3. Le Conseil supérieur ou le ministre ayant l'Economie dans ses attributions peuvent enjoindre l'Institut à formuler un projet de norme ou de recommandation traitant d'une matière non encore couverte, insuffisamment couverte ou nécessitant d'être adaptée aux modifications des dispositions législatives ou réglementaires applicables ou aux normes internationales d'audit [1 ou normes d'assurance]1.
  La consultation publique relative au projet de norme ou de recommandation est lancée dans un délai d'un an à dater de l'injonction du Conseil supérieur ou du ministre ayant l'Economie dans ses attributions. A défaut de lancement de la consultation publique dans ce délai, le Conseil supérieur peut formuler un projet de norme ou de recommandation et, le cas échéant après consultation du Collège et/ou de l'Institut, soumettre ensuite pour approbation ce projet au ministre ayant l'Economie dans ses attributions.
  § 4. Les normes sont obligatoires pour les réviseurs d'entreprises.
  Les recommandations sont également obligatoires, à moins que le réviseur d'entreprises ne puisse motiver, dans des circonstances particulières, que l'écart opéré par rapport à la recommandation ne porte pas atteinte aux critères fixés aux articles 12 et 13.
  § 5. L'application des normes et des recommandations est proportionnée à l'ampleur et à la complexité des activités des entités pour lesquelles une mission révisorale est exécutée.
  § 6. Les normes et les recommandations, ainsi que leurs mises à jour, sont publiées sur le site internet de l'Institut et du Conseil supérieur.
  L'approbation par le ministre ayant l'Economie dans ses attributions, de ces normes et recommandations et de leurs modifications ultérieures fait l'objet d'un avis publié au Moniteur belge.
  § 7. L'Institut développe la doctrine relative aux techniques d'audit et à la bonne application par les réviseurs d'entreprises du cadre légal, réglementaire et normatif qui régit l'exercice de leur profession, sous la forme d'avis ou de communications.
  L'Institut transmet les avis ou communications au Conseil supérieur.
  S'il constate une incompatibilité entre ces avis ou communications et une loi, un arrêté, une norme ou une recommandation, ou si la nature de ces avis ou communications est de type normatif, le Conseil supérieur invite l'Institut à y remédier, et s'il n'y est pas satisfait dans le délai qu'il fixe, procède à la publication de sa propre prise de position.
  
HOOFDSTUK 4. - Publiek toezicht
CHAPITRE 4. - Supervision publique
Afdeling 1. - College van toezicht op de bedrijfsrevisoren
Section 1re. - Collège de supervision des réviseurs d'entreprises
Art.32. Er wordt een College van toezicht op de bedrijfsrevisoren opgericht met als opdracht toe te zien op de naleving van de bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, en de toepassing ervan te controleren.
  Het College draagt in het bijzonder de eindverantwoordelijkheid voor:
  - het toezicht op de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, en op de inschrijving, de registratie in alsook het houden en het bijwerken van het openbaar register;
  - het toezicht op de permanente vorming;
  - het toezicht op de kwaliteitscontrolesystemen, en
  - op het toezicht.
  Het College is een autonome instelling met rechtspersoonlijkheid.
  In het kader van zijn opdrachten neemt het College deel aan de samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten die wordt georganiseerd in het kader van het CEAOB als bedoeld in artikel 30 van verordening (EU) nr. 537/2014.
  Het College onderwerpt de bedrijfsrevisoren aan een kwaliteitscontrole en neemt de besluiten van de kwaliteitscontroles aan, is belast met het toezicht, neemt de in artikel 57 bedoelde maatregelen en beslist om de sanctiecommissie te adiëren.
Art.32. Un Collège de supervision des réviseurs d'entreprises est établi avec la mission de veiller au respect des dispositions du cadre législatif et réglementaire applicable et [1 d'en contrôler]1 l'application.
  En particulier, le Collège assume la responsabilité finale de:
  - la supervision de l'octroi de la qualité de réviseur d'entreprises ainsi que de l'inscription, l'enregistrement, la tenue et la mise à jour du registre public;
  - la supervision de la formation permanente;
  - la supervision des systèmes de contrôle de qualité et
  - de la surveillance.
  Le Collège est un organisme autonome disposant de la personnalité juridique.
  Au titre de ses missions, il participe à la coopération entre autorités compétentes organisée dans le cadre du CEAOB visé à l'article 30 du règlement (UE) n° 537/2014.
  Le Collège soumet les réviseurs d'entreprises à un contrôle de qualité et adopte les conclusions des contrôles de qualité, il assure la surveillance, il prend les mesures visées à l'article 57 et il décide de saisir la commission des sanctions.
  
Art.33. Het College kan in omzendbrieven alle maatregelen vaststellen voor de toepassing van de bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader. De omzendbrieven van het College worden gepubliceerd op internet.
  Alvorens een omzendbrief over de kwaliteitscontrole goed te keuren, raadpleegt het College de Hoge Raad.
Art.33. Le Collège peut fixer, dans des circulaires, toutes mesures afférentes à l'application des dispositions du cadre législatif et réglementaire applicable. Les circulaires du Collège sont publiées sur internet.
  Avant d'adopter une circulaire relative au contrôle de qualité, le Collège consulte le Conseil supérieur.
Art.34. [1 Het College is samengesteld uit een Comité en een secretaris-generaal.]1
  
Art.34. [1 Le Collège est composé d'un Comité et d'un secrétaire général.]1
  
Art.35. Tenzij uitdrukkelijk anders is bepaald in deze wet, is het Comité het besluitvormingsorgaan van het College. Het is samengesteld uit de volgende leden:
  1° twee leden benoemd door de Bank, onder de leden van haar directiecomité of haar directiepersoneel, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Het verlies van de hoedanigheid van lid van het directiecomité of van directiepersoneel van de Bank resulteert in het verlies van de hoedanigheid van lid van het Comité. De Bank kan, na het Comité te hebben geïnformeerd, één van de leden of de leden van het Comité die zij heeft benoemd, vervangen voor het einde van de termijn van zes jaar;
  2° twee leden benoemd door de FSMA, onder de leden van haar directiecomité of haar directiepersoneel, voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Het verlies van de hoedanigheid van lid van het directiecomité of van directiepersoneel van de FSMA resulteert in het verlies van de hoedanigheid van lid van het Comité. De FSMA kan, na het Comité te hebben geïnformeerd, één van de leden of de leden van het Comité die zij heeft benoemd, vervangen voor het einde van de termijn van zes jaar;
  3° [1 ...]1
  4° [1 twee leden met passende deskundigheid op het vlak van de wettelijke controle van de jaarrekening [2 en, in voorkomend geval, op het vlak van de assurance van duurzaamheidsinformatie]2, benoemd door de Koning op voordracht van de minister bevoegd voor Economie en de minister bevoegd voor Financiën voor een hernieuwbare termijn van zes jaar. Als geen andere deskundigen tot lid van het Comité worden aangesteld, blijven de voormalige deskundigen in functie tot het Comité voor het eerst in zijn nieuwe samenstelling vergadert.]1
  De in het eerste lid bedoelde benoemingen worden in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  De leden van het Comité zijn personen die geen beroepsbeoefenaars zijn, maar wel de materies beheersen die verband houden met de wettelijke controle van de jaarrekening [2 en, in voorkomend geval, met de assurance van duurzaamheidsinformatie]2.
  Het Comité telt evenveel Nederlandstalige als Franstalige leden.
  Als een mandaat van één van de onder 3° en 4° van het eerste lid bedoelde leden, om welke reden ook, openstaat, wordt voor de resterende duur van het mandaat een vervanger aangewezen. Die vervanging wordt via een bericht in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.
  Tijdens de drie jaar die hun benoeming voorafgaan, mogen de onder 3° en 4° van het eerste lid bedoelde leden geen deel hebben uitgemaakt van een orgaan of het personeel van de FSMA, of van een orgaan of het personeel van de Bank.
  De Koning bepaalt, op advies van de FSMA en van het College, het bedrag van het presentiegeld dat [1 aan de leden bedoeld in het eerste lid, 4°,]1 wordt toegekend.
  
Art.35. Le Comité est, sauf mention explicite contraire dans la présente loi, l'organe de décision du Collège. Il est composé des membres suivants:
  1° deux membres nommés par la Banque, parmi les membres du comité de direction ou le personnel de direction de celle-ci, pour une durée de six ans renouvelable. La perte de la qualité de membre du comité de direction ou du personnel de direction de la Banque entraîne celle de membre du Comité. La Banque peut, après en avoir informé le Comité, remplacer un ou les membres du Comité qu'elle a nommés avant la fin de la période de six ans;
  2° deux membres nommés par la FSMA, parmi les membres du comité de direction ou le personnel de direction de celle-ci, pour une durée de six ans renouvelable. La perte de la qualité de membre du comité de direction ou du personnel de direction de la FSMA entraîne celle de membre du Comité. La FSMA peut, après en avoir informé le Comité, remplacer un ou les membres du Comité qu'elle a nommés avant la fin de la période de six ans;
  3° [1 ...]1
  4° [1 deux membres disposant d'une expertise adéquate en matière de contrôle légal des comptes [2 et, le cas échéant, en matière d'assurance de l'information en matière de durabilité]2, nommés par le Roi sur proposition du ministre ayant l'Economie dans ses attributions et du ministre ayant les Finances dans ses attributions pour une durée de six ans renouvelable. A défaut de désignation d'autres experts en tant que membre du Comité, les anciens experts restent en fonction jusqu'à la première réunion du Comité dans sa nouvelle composition.]1
  Les nominations visées au premier alinéa sont publiées au Moniteur belge.
  Les membres du Comité sont des non-praticiens disposant de compétences dans les matières qui touchent au contrôle légal des comptes [2 et, le cas échéant, à l'assurance de l'information en matière de durabilité]2.
  Les membres du Comité comptent autant de membres d'expression néerlandaise que de membres d'expression française.
  En cas de vacances d'un mandat d'un des membres visés aux 3° et 4° du premier alinéa, pour quelque cause que ce soit, il est procédé à son remplacement pour la durée du mandat restant à courir. Ce remplacement est publié par avis au Moniteur belge.
  Pendant les trois années qui précèdent leur nomination, les membres visées aux 3° et 4° du premier alinéa ne peuvent avoir fait partie ni d'un organe de la FSMA, ni de son personnel, ni d'un organe de la Banque, ni de son personnel.
  Le Roi fixe, sur avis de la FSMA et du Collège, le montant des jetons de présence alloués [1 aux membres visés à l'alinéa 1er, 4°]1.
  
Art.36. § 1. De leden van de Wetgevende Kamers, het Europees Parlement, de Gemeenschaps- en Gewestparlementen, de personen die de hoedanigheid hebben van minister of staatssecretaris of van lid van een gemeenschaps- of gewestregering, en de leden van de kabinetten van een lid van de federale regering of van een gemeenschaps- of gewestregering mogen geen lid zijn van het Comité. Die hoedanigheid van lid neemt van rechtswege een einde wanneer de titularis ervan de eed aflegt voor de uitoefening van voornoemde functies of dergelijke functies uitoefent.
  § 2. De leden van het Comité mogen geen enkele functie of geen enkel mandaat uitoefenen van bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon of in een bedrijfsrevisorenkantoor of in een beroepsvereniging die de bedrijfsrevisoren vertegenwoordigt, noch diensten verstrekken ten gunste van een beroepsvereniging die de bedrijfsrevisoren vertegenwoordigt.
  De in het eerste lid vastgestelde verbodsbepalingen blijven geldig tot één jaar na beëindiging van het mandaat.
  Het directiecomité van de Bank, voor de leden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 1°, het directiecomité van de FSMA, voor de leden als bedoeld in artikel 35, eerste lid, 2°, en de minister bevoegd voor Economie, voor de leden als bedoeld in [1 artikel 35, eerste lid, 4°,]1 kunnen, op advies van het College, afwijken van de voorziene verbodsbepaling voor de betrokken periode na de beëindiging van het mandaat, wanneer zij vaststellen dat de voorgenomen activiteit geen betekenisvolle invloed op de onafhankelijkheid van de persoon in kwestie heeft.
  § 3. De leden van het Comité kunnen niet beraadslagen in een aangelegenheid waarin zij een persoonlijk belang hebben dat hun oordeel zou kunnen beïnvloeden.
  Het Comité voert en publiceert een deontologisch beleid over mogelijke persoonlijke belangen die het oordeel van de leden van het Comité zouden kunnen beïnvloeden.
  
Art.36. § 1er. Les membres des Chambres législatives, du Parlement européen, des Parlements de communauté et de région, les personnes qui ont la qualité de ministre ou de secrétaire d'Etat ou de membre d'un gouvernement de communauté ou de région et les membres des cabinets d'un membre du Gouvernement fédéral ou d'un gouvernement de communauté ou de région ne peuvent être membres du Comité. Cette qualité de membre prend fin de plein droit lorsque leur titulaire prête serment pour l'exercice des fonctions précitées ou exerce de telles fonctions.
  § 2. Les membres du Comité ne peuvent exercer une quelconque fonction ou un quelconque mandat en tant que réviseur d'entreprises personne physique ou dans un cabinet de révision ou dans une association professionnelle représentant des réviseurs d'entreprises, ni fournir des services au profit d'une association professionnelle représentant des réviseurs d'entreprises.
  Les interdictions prévues au premier alinéa subsistent pendant un an après la sortie de charge.
  Le comité de direction de la Banque pour les membres mentionnés à l'article 35, alinéa 1er, 1°, le comité de direction de la FSMA pour les membres mentionnés à l'article 35, alinéa 1er, 2° et le ministre ayant l'Economie dans ses attributions pour les membres mentionnés à l'[1 article 35, alinéa 1er, 4°]1, peuvent, sur avis du Collège, déroger à l'interdiction prévue pour la période concernée après la sortie de charge lorsqu'ils constatent l'absence d'influence significative de l'activité envisagée sur l'indépendance de la personne en question.
  § 3. Les membres du Comité ne peuvent délibérer dans une affaire dans laquelle ils ont un intérêt personnel susceptible d'exercer une influence sur leur opinion.
  Le Comité adopte et publie une politique déontologique relative aux potentiels intérêts personnels susceptibles d'exercer une influence sur l'opinion des membres du Comité.
  
Art.37. [1 De voorzitter van het Comité wordt door zijn leden uit hun midden verkozen. De voorzitter is een voormalig bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon. De in artikel 35, eerste lid, 1° en 2°, vermelde personen mogen enkel tot voorzitter van het Comité worden verkozen als zij de hoedanigheid hebben van lid van het directiecomité van de Bank of van de FSMA.]1
  Hij zit de werkzaamheden van het Comité voor en roept de vergaderingen van het Comité bijeen. Hij vertegenwoordigt het College ten aanzien van derden conform artikel 43, § 1.
  Bij afwezigheid wordt hij vervangen door een lid dat wordt aangewezen overeenkomstig het huishoudelijk reglement van het Comité.
  De Koning bepaalt, op advies van de FSMA en van het College, de bezoldiging van de voorzitter van het Comité.
  
Art.37. [1 Le président du Comité est élu en son sein par ses membres. Le président est une personne ayant eu la qualité de réviseur d'entreprises personne physique. Les membres mentionnés à l'article 35, alinéa 1er, 1° et 2°, ne peuvent être élus comme président du Comité que s'ils ont la qualité de membre du comité de direction de la Banque ou de la FSMA.]1
  Il préside les travaux du Comité et convoque les réunions du Comité. Il représente le Collège à l'égard des tiers conformément à l'article 43, § 1er.
  En cas d'absence, il est remplacé par un membre désigné conformément au règlement d'ordre intérieur du Comité.
  Le Roi fixe, sur avis de la FSMA et du Collège, le traitement du président du Comité.
  
Art.37/1. [1 In afwijking van de artikelen 35, zevende lid, en 37, vierde lid, worden de mandaten van de leden bedoeld in artikel 35, eerste lid, 1° en 2°, onbezoldigd uitgeoefend, zelfs als die leden tot voorzitter worden verkozen.]1
  
Art. 37/1. [1 Par dérogation aux articles 35, alinéa 7, et 37, alinéa 4, les mandats des membres visés à l'article 35, alinéa 1er, 1° et 2°, sont exercés à titre gratuit, même si ceux-ci sont élus comme président.]1
  
Art.38. Het Comité komt ten minste tienmaal per jaar bijeen en telkens wanneer de voorzitter van het Comité en een lid daartoe een gemotiveerd verzoek formuleren.
  Het Comité kan slechts geldig beslissen als ten minste vier van zijn leden aanwezig zijn.
  Het Comité beslist bij eenparigheid. Indien geen eenparigheid kan worden bereikt, worden de beslissingen genomen bij meerderheid van stemmen van de aanwezige leden. Bij staking van stemmen over een bepaald agendapunt wordt het betrokken voorstel van beslissing verworpen.
  De secretaris-generaal, die de beraadslagingen van het Comité zonder beraadslagende stem bijwoont, stelt de notulen van de beraadslagingen van het Comité op. De notulen worden door de aanwezige leden ondertekend.
  [2 ...]2
  Het Comité stelt zijn huishoudelijk reglement vast.
  
Art.38. Le Comité se réunit au moins dix fois par an et lorsque le président du Comité et un membre en formulent la demande motivée.
  Le Comité peut décider valablement lorsqu'au moins quatre de ses membres sont présents.
  Le Comité décide à l'unanimité. Lorsque l'unanimité ne peut être atteinte, les décisions sont prises à la majorité des membres présents. En cas de partage des voix concernant un point à l'ordre du jour, la proposition de décision concernée est rejetée.
  Le secrétaire général, qui assiste aux délibérations du Comité sans voix délibérative, dresse le procès-verbal des délibérations du Comité. Les procès-verbaux sont signés par les membres présents.
  [2 Le Comité peut statuer par voie de procédure écrite ou au moyen de toutes techniques de télécommunication permettant une délibération collective, selon les modalités précisées par le règlement d'ordre intérieur du Comité.]2
  Le Comité arrête son règlement d'ordre intérieur.
  
Art.39. De secretaris-generaal is belast met de operationele leiding van het College. Hij bereidt de beslissingen van het Comité voor en voert ze uit.
  Hij wordt benoemd conform artikel 40.
  [1 ...]1
  
Art.39. Le secrétaire général assure la direction opérationnelle du Collège. Il prépare et exécute les décisions du Comité.
  Il est nommé conformément à l'article 40.
  [1 ...]1
  
Art.40. Voor zover en zolang het Comité is samengesteld uit zes leden, van wie twee leden zijn aangewezen door de Bank en twee door de FSMA,
  1° heeft het College zijn zetel in de kantoren van de FSMA;
  2° stelt de FSMA haar kantoren ter beschikking van het College;
  3° wordt het secretariaat van het College waargenomen door de FSMA, die daarvoor de nodige middelen ter beschikking stelt in overeenstemming met de onder 5° bedoelde begroting. Het directiecomité van de FSMA benoemt één van de directieleden van de FSMA tot secretaris-generaal van het College [1 ...]1. Het secretariaat beschikt over alle onderzoeksbevoegdheden die deze wet aan het College toekent;
  4° bepalen de FSMA en het College in een protocol de modaliteiten van de administratieve, operationele en logistieke ondersteuning van het College door de FSMA;
  5° worden de werkingskosten van het College, inclusief die van zijn secretariaat, maar met uitzondering van de uitzonderlijke kosten, gedragen door de FSMA en mogen zij niet meer bedragen dan het bedrag van de begroting die door het College wordt vastgesteld op voorstel van de FSMA;
  6° stelt de Koning de maximale grens vast voor de begroting van het College en de werkingskosten van de sanctiecommissie in verband met het opleggen van de in artikel 59 bedoelde administratieve maatregelen en geldboetes. De som van de in de bepaling onder 5° gedefinieerde begroting van het College en de werkingskosten van de sanctiecommissie in verband met het opleggen van de in artikel 59 bedoelde administratieve maatregelen en geldboetes, mag niet meer bedragen dan de door de Koning vastgestelde maximale begrotingsgrens;
  7° worden de werkingskosten van het College, inclusief die van zijn secretariaat, de werkingskosten van de sanctiecommissie in verband met het opleggen van de in artikel 59 bedoelde administratieve maatregelen en geldboetes, alsook de onder 5° bedoelde uitzonderlijke kosten, gedekt door de bijdragen van de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen volgens de nadere regels bepaald door de Koning, op advies van de FSMA en van het College. Die bijdragen worden geïnd door het Instituut, dat ze doorstort aan de FSMA.
  
Art.40. Pour autant que et aussi longtemps que le Comité est composé de six membres dont deux membres désignés par la Banque et deux membres désignés par la FSMA,
  1° le Collège a son siège dans les locaux de la FSMA;
  2° la FSMA met ses locaux à disposition du Collège;
  3° le secrétariat du Collège est assuré par la FSMA qui affecte les ressources nécessaires à cet effet conformément au budget visé au 5°. Le comité de direction de la FSMA nomme un secrétaire général du Collège parmi le personnel de direction de la FSMA [2 ...]2. Le secrétariat dispose de tous les pouvoirs d'investigation dévolus par la présente loi au Collège.
  4° la FSMA et le Collège définissent dans un protocole les modalités du soutien administratif, opérationnel et logistique fourni par la FSMA au Collège;
  5° à l'exclusion des charges exceptionnelles, les frais de fonctionnement du Collège, y compris du secrétariat, sont à charge de la FSMA et ne peuvent pas dépasser le montant du budget défini par le Collège, sur proposition de la FSMA;
  6° le Roi fixe une limite budgétaire maximale pour le budget du Collège et des frais de fonctionnement de la commission des sanctions liées à l'imposition de mesures et amendes administratives visées à l'article 59. La somme du budget du Collège tel que défini au 5° et des frais de fonctionnement de la commission des sanctions [1 liés]1 à l'imposition de mesures et amendes administratives visées à l'article 59 ne peut dépasser la limite budgétaire maximale fixée par le Roi;
  7° les frais de fonctionnement du Collège, y compris du secrétariat, les frais de fonctionnement de la commission des sanctions [1 liés]1 à l'imposition de mesures et amendes administratives visées à l'article 59, ainsi que les charges exceptionnelles visées au 5° sont couverts par les contributions des réviseurs d'entreprises, des cabinets d'audit enregistrés en Belgique ainsi que des contrôleurs et entités d'audit de pays tiers enregistrés en Belgique selon les modalités fixées par le Roi, sur avis de la FSMA et du Collège. Ces contributions sont perçues par l'Institut qui les reverse à la FSMA.
  
Art.41. § 1. De volgende opdrachten van het College worden gedelegeerd aan het Instituut:
  1° de toekenning en de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, conform de bepalingen van de artikelen 5 tot 9,
  2° de inschrijving, de registratie in alsook het houden en het bijwerken van het openbaar register als bedoeld in artikel 10, en
  3° de organisatie van de permanente vorming als bedoeld in artikel 27.
  Het College draagt de eindverantwoordelijkheid voor het toezicht op en de uitvoering van de aan het Instituut gedelegeerde opdrachten als bedoeld in het eerste lid. Het Instituut bezorgt het College alle documenten of informatie over die opdrachten in het formaat en volgens de frequentie die het College bepaalt.
  § 2. Conform paragraaf 1 voert het Instituut, krachtens een delegatie, de in de artikelen 5 tot 9 van deze wet bedoelde opdrachten van het College uit.
  Alvorens een beslissing te nemen over de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, raadpleegt het Instituut de Procureur-generaal over de naleving van de voorwaarden als bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, artikel 6, § 2, 2°, en artikel 7, § 1, 3° in fine. Als de Procureur-generaal niet heeft geantwoord of gereageerd binnen een termijn van twintig werkdagen, wordt ervan uitgegaan dat die voorwaarden zijn nageleefd.
  Het Instituut stelt het College in kennis van de krachtens de artikelen 5 tot 9 genomen beslissingen. Het College kan zich binnen een termijn van zeven werkdagen tegen die beslissingen verzetten.
  Het College kan het Instituut vragen bijkomende informatie over te maken of specifieke stappen te ondernemen. In dat geval begint een nieuwe termijn van 15 werkdagen te lopen wanneer het College de gevraagde bijkomende informatie ontvangt of door het Instituut in kennis wordt gesteld van de ondernomen stappen.
  De beslissingen van het Instituut hebben pas uitwerking na afloop van de termijn waarbinnen het College zich kan verzetten, en worden, eens die termijn is verstreken, geacht door het College te zijn genomen.
  § 3. Het College heeft te allen tijde toegang tot het openbaar register en kan, na het advies van het Instituut te hebben ingewonnen, de aanpassingen eisen die het nuttig acht.
  Het Instituut brengt het College onmiddellijk op de hoogte van de registratie in het register van een auditkantoor uit een andere lidstaat.
  Het College brengt de toezichthoudende autoriteit van de lidstaat van herkomst van het auditkantoor op de hoogte van de registratie van dat auditkantoor zodra die registratie is bevestigd.
  § 4. De Koning kan, op voorstel van het College, bij een in Ministerraad overlegd besluit, een einde stellen aan één of meer van de in paragraaf 1 bedoelde delegaties, of die delegatie(s) opschorten.
  De Koning bepaalt, op voorstel van het College, de praktische nadere regels met betrekking tot die beëindiging of opschorting. Hij kan inzonderheid de regels bepalen met betrekking tot de overdracht van de archieven en de lopende dossiers.
  § 5. Het College kan andere opdrachten aan het Instituut delegeren, inzonderheid op het vlak van de inzameling van informatie, op voorwaarde dat die delegatie in overeenstemming is met de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014.
  De delegatie verduidelijkt de gedelegeerde opdrachten, alsook de wijze waarop daaraan invulling moet worden gegeven.
  Het College kan te allen tijde een volledig of gedeeltelijk einde stellen aan de in het eerste lid bedoelde delegatie.
Art.41. § 1er. Les missions suivantes du Collège sont déléguées à l'Institut:
  1° l'octroi et le retrait de la qualité de réviseurs d'entreprises, conformément aux dispositions des articles 5 à 9,
  2° l'inscription, l'enregistrement, la tenue et la mise à jour du registre public visé à l'article 10 et
  3° l'organisation de la formation permanente visée à l'article 27.
  Le Collège assume la responsabilité finale de la supervision et de l'exécution des missions visées au premier alinéa déléguées à l'Institut. L'Institut transmet au Collège tout document ou information concernant ces missions dans le format et selon la fréquence définis par le Collège.
  § 2. Conformément au paragraphe 1er, l'Institut assure par délégation les tâches du Collège visées aux articles 5 à 9 de la présente loi.
  Avant de prendre une décision d'octroi de la qualité de réviseur d'entreprises, l'Institut consulte le Procureur général sur le respect des conditions visées à l'article 5 § 1er, 2°, à l'article 6, § 2, 2°, à l'article 7 § 1er, 3° in fine. Ces conditions sont réputées respectées en l'absence de réponse ou de réaction du Procureur général dans un délai de vingt jours ouvrables.
  L'Institut communique les décisions prises en vertu des articles 5 à 9 au Collège. Le Collège peut s'y opposer dans un délai de sept jours ouvrables.
  Le Collège peut demander des informations complémentaires à l'Institut ou demander à l'Institut d'effectuer des démarches spécifiques. Dans ce cas, un nouveau délai de 15 jours ouvrables commence à courir lorsque le Collège reçoit les informations complémentaires demandées ou est informé par l'Institut des démarches entreprises.
  Les décisions de l'Institut n'ont d'effet qu'après expiration du délai d'opposition du Collège et sont, une fois le délai échu, réputées avoir été prises par le Collège.
  § 3. Le Collège a accès à tout moment au registre public et peut requérir les adaptations qu'il estime utile après avoir recueilli l'avis de l'Institut.
  L'Institut informe immédiatement le Collège de l'enregistrement dans le registre d'un cabinet d'audit d'un autre Etat membre.
  Le Collège informe l'autorité compétente de l'Etat membre d'origine de l'enregistrement du cabinet d'audit dès que l'enregistrement est confirmé.
  § 4. Le Roi peut, sur proposition du Collège, par arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, mettre fin à ou suspendre une ou plusieurs des délégations visées au paragraphe premier.
  Le Roi fixe, sur proposition du Collège, les modalités pratiques organisant la suspension ou la cessation. Il peut notamment définir les règles en matière de transfert des archives et dossiers en cours.
  § 5. Le Collège peut déléguer d'autres tâches à l'Institut, notamment en termes de collecte d'information, pour autant que cette délégation soit conforme aux dispositions de la directive 2006/43/CE et du règlement (UE) n° 537/2014.
  La délégation précise les tâches déléguées et les modalités dans lesquelles celles-ci doivent être effectuées.
  Le Collège peut mettre fin en tout ou partie à la délégation visée à l'alinéa 1er à tout moment.
Art.42. Het College voert zijn opdrachten uitsluitend in het algemeen belang uit. Het College, de leden van het Comité en de personeelsleden van de FSMA die aan de uitvoering van de opdrachten van het College meewerken, zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, handelingen of gedragingen in het kader van de uitoefening van de wettelijke opdrachten van het College, behalve bij bedrog of zware fout.
  Het College is transparant. Dat houdt in dat het College jaarlijks zijn werkprogramma en een activiteitenverslag over zijn opdrachten publiceert.
  Het College kan de bevoegdheid om bepaalde beslissingen te nemen, delegeren aan de secretaris-generaal [1 ...]1. Die delegaties kunnen te allen tijde door het College worden herzien of herroepen.
  
Art.42. Le Collège exerce ses missions exclusivement dans l'intérêt général. Le Collège, les membres du Comité et le personnel de la FSMA contribuant à l'exécution des missions du Collège n'encourent aucune responsabilité civile en raison de leurs décisions, actes ou comportements dans l'exercice des missions légales du Collège sauf en cas de dol ou de faute lourde.
  Le Collège est transparent. Cette transparence inclut la publication sur base annuelle de son programme de travail et d'un rapport d'activité relatif à ses missions.
  Le Collège peut déléguer le pouvoir d'adopter certaines décisions au secrétaire général [1 ...]1. Ces délégations peuvent à tout moment être revues ou révoquées par le Collège.
  
Art.43. § 1. Jegens derden en in rechte wordt het College vertegenwoordigd door zijn voorzitter en, bij zijn afwezigheid, door een lid dat door het huishoudelijk reglement van het Comité wordt aangewezen.
  Het Comité kan bijzondere en beperkte vertegenwoordigingsbevoegdheden delegeren aan één of meer leden van het Comité of aan de secretaris-generaal.
  § 2. Het College kan één of meer leden van het Comité, de secretaris-generaal [2 ...]2 of één of meer personen die het zelf aanwijst, de bevoegdheid verlenen om het College te vertegenwoordigen binnen door of krachtens de Europese en de nationale wetgeving opgerichte colleges, comités of andere groepen waaraan het verplicht deelneemt, [1 of binnen internationale groepen,]1 en om zich, binnen de door het College bepaalde grenzen, over de binnen die colleges, comités of andere groepen te nemen beslissing of uit te brengen stem uit te spreken namens het College. Deze delegaties kunnen te allen tijde door het College worden herzien of ingetrokken.
  
Art.43. § 1er. A l'égard des tiers et en justice, le Collège est représenté par le président du Comité et, en son absence, par un membre désigné par le règlement d'ordre intérieur du Comité.
  Le Comité peut déléguer des pouvoirs de représentation spécifiques et limités à un ou plusieurs membres du Comité ou au secrétaire général.
  § 2. Le Collège peut déléguer à un ou plusieurs membres du Comité, au secrétaire général [2 ...]2 ou à une ou plusieurs autres personnes qu'il désigne, le pouvoir de représenter le Collège au sein des collèges, comités ou autres groupes institués par ou en vertu de la législation européenne et nationale et auxquels le Collège est tenu de participer, [1 ou, au sein de groupes internationaux,]1 ainsi que, dans les limites définies par le Collège, le pouvoir de statuer sur les décisions à prendre ou les votes à exprimer pour le Collège au sein de ces collèges, comités ou autres groupes. Ces délégations peuvent à tout moment être revues ou révoquées par le Collège.
  
Afdeling 2. - Beroepsgeheim
Section 2. - Secret professionnel
Art.44. Het College, de voorzitter en de leden van het Comité, de leden van de sanctiecommissie, de personeelsleden van de FSMA die bijdragen tot de uitoefening van de opdrachten van het College, alsook de personen die voornoemde functies in het verleden hebben uitgeoefend, zijn gebonden door het beroepsgeheim en mogen de vertrouwelijke informatie waarvan zij kennis krijgen bij de uitoefening van hun taken, niet onthullen aan welke persoon of autoriteit ook.
  Het eerste lid is van toepassing op de inspecteurs en externe deskundigen, wat de informatie betreft waarvan zij kennis krijgen in het kader van de opdrachten die zijn toevertrouwd aan het College of van de verificaties, expertises of verslagen die het College hen, in het kader van zijn opdrachten als bedoeld [1 in artikel 32]1, heeft gelast uit te voeren dan wel voor te leggen.
  [1 Het eerste lid is niet van toepassing op de verstrekking van vertrouwelijke informatie door de leden van het Comité bedoeld in artikel 35, eerste lid, 2°, aan de FSMA. Artikel 74, eerste lid, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten is van toepassing op die informatie. De FSMA richt een verzoek aan het College indien zij deze informatie wil gebruiken voor de uitoefening van haar wettelijke opdrachten. Het College behandelt dit verzoek overeenkomstig artikel 45.
   Het eerste lid is niet van toepassing op de verstrekking van vertrouwelijke informatie door de leden van het Comité bedoeld in artikel 35, eerste lid, 1°, aan de Bank. Artikel 35 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België is van toepassing op die informatie. De Bank richt een verzoek aan het College indien zij deze informatie wil gebruiken voor de uitoefening van haar wettelijke opdrachten. Het College onderzoekt dit verzoek om na te gaan of het voldoet aan artikel 45, § 1, eerste lid, 8°.]1

  [1 Het eerste lid belet niet de verstrekking van vertrouwelijke informatie door het College aan de FSMA in het kader van de administratieve, operationele en logistieke ondersteuning van het College door de FSMA bedoeld in artikel 40, 4°, en de waarneming van het secretariaat van het College door de FSMA bedoeld in artikel 40, 3°. Artikel 74, eerste lid, van de voornoemde wet van 2 augustus 2002 is van toepassing op die informatie. De FSMA richt een verzoek aan het College indien zij deze informatie wil gebruiken voor de uitoefening van haar wettelijke opdrachten. Het College behandelt dit verzoek overeenkomstig artikel 45.]1
  
Art.44. Le Collège, le président et les membres du Comité, les membres de la commission des sanctions, le personnel de la FSMA contribuant à l'exercice des missions du Collège ainsi que les personnes ayant exercé par le passé les fonctions précitées sont tenus au secret professionnel et ne peuvent divulguer à quelque personne ou autorité que ce soit les informations confidentielles dont ils ont eu connaissance en raison de leurs fonctions.
  L'alinéa premier s'applique aux inspecteurs et experts externes quant aux informations dont ils ont eu connaissance en raison des missions confiées au Collège ou dans le cadre des vérifications, expertises ou rapports que le Collège, dans le cadre de ses missions visées [1 à l'article 32]1, les a chargés d'effectuer ou de produire.
  [1 L'alinéa 1er ne s'applique pas à la divulgation d'informations confidentielles, par les membres du Comité visés à l'article 35, alinéa 1er, 2°, à la FSMA. L'article 74, alinéa 1er, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers est d'application en ce qui concerne ces informations. La FSMA soumet une demande au Collège si elle souhaite utiliser ces informations dans l'exercice de ses missions légales. Le Collège traite cette demande conformément à l'article 45.
   L'alinéa 1er ne s'applique pas à la divulgation d'informations confidentielles, par les membres du Comité visés à l'article 35, alinéa 1er, 1°, à la Banque. L'article 35 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique est d'application en ce qui concerne ces informations. La Banque soumet une demande au Collège si elle souhaite utiliser ces informations dans l'exercice de ses missions légales. Le Collège examine cette demande pour vérifier le respect de l'article 45, § 1er, alinéa 1er, 8°.]1

  [1 L'alinéa 1er n'empêche pas la communication d'informations confidentielles par le Collège à la FSMA dans le cadre du soutien administratif, opérationnel et logistique apporté au Collège par la FSMA visé à l'article 40, 4°, ni dans le cadre du secrétariat du Collège assuré par la FSMA visé à l'article 40, 3°. L'article 74, alinéa 1er, de la loi du 2 août 2002 précitée est d'application à ces informations. La FSMA soumet une demande au Collège si elle souhaite utiliser ces informations dans l'exercice de ses missions légales. Le Collège traite cette demande conformément à l'article 45.]1
  
Art.45. § 1. In afwijking van artikel 44 mag het College vertrouwelijke informatie meedelen:
  1° als de mededeling van dergelijke informatie wordt voorgeschreven of toegestaan door of krachtens deze wet en de wetten die de opdrachten van het College regelen;
  2° tijdens een getuigenis in rechte in strafzaken;
  3° voor de aangifte van strafrechtelijke misdrijven bij de rechterlijke overheden, met dien verstande dat artikel 29 van het Wetboek van Strafvordering niet van toepassing is op de in artikel 44 bedoelde personen;
  4° in het kader van administratieve of gerechtelijke beroepsprocedures tegen de handelingen of beslissingen van het College of van de FSMA in de in artikel 59 bedoelde gevallen en in elk ander rechtsgeding waarbij het College partij is;
  5° in beknopte of samengevoegde vorm zodat individuele natuurlijke of rechtspersonen niet kunnen worden geïdentificeerd;
  6° binnen de grenzen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014, aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten die één of meer bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met de in artikel [2 32]2 bedoelde bevoegdheden;
  7° met inachtneming van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014 en conform artikel 51, aan de bevoegde autoriteiten van derde landen die één of meer bevoegdheden uitoefenen die vergelijkbaar zijn met de in artikel [2 32]2 bedoelde bevoegdheden en waarmee het College een samenwerkingsovereenkomst heeft gesloten als bedoeld in artikel 51, § 1, 6° ;
  8° [4 aan de Bank en de FSMA als die informatie van belang is voor de uitoefening van hun respectieve wettelijke opdrachten;]4
  9° aan het Instituut in de [2 in de artikelen 11, § 2, 26, 41 en 74]2 bedoelde gevallen;
  10° aan het CEAOB als bedoeld in artikel 30 van verordening (EU) nr. 537/2014;
  [1 11° binnen de grenzen van de Europese Richtlijnen en Verordeningen, aan de Belgische Gegevensbeschermingsautoriteit;]1
  [4 12° aan de Cel voor financiële informatieverwerking en de buitenlandse toezichtautoriteiten bedoeld in de artikelen 76 en 120/2 van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten;
   13° aan de Controledienst voor de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen bedoeld in artikel 49 van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen;
   14° aan de minister bevoegd voor Justitie of aan de door hem gemachtigde ambtenaar in het kader van het nationaal register voor gerechtsdeskundigen en beëdigd vertalers, tolken en vertalers-tolken bedoeld in artikel 555/10 van het Gerechtelijk Wetboek .]4

  Het College kan de beslissing om bij de rechterlijke overheden aangifte te doen van strafrechtelijke misdrijven, openbaar maken.
  § 2. Het College mag vertrouwelijke informatie enkel meedelen [4 overeenkomstig paragraaf 1, 6° tot 14°]4 als de autoriteiten of instellingen die er de geadresseerde van zijn, die informatie gebruiken voor de uitvoering van hun opdrachten, en als zij, wat die informatie betreft, aan een gelijkwaardig beroepsgeheim zijn gebonden als bedoeld in artikel 44. Bovendien mag de informatie die afkomstig is van een autoriteit van een andere lidstaat enkel met de uitdrukkelijke instemming van die autoriteit worden doorgegeven aan de autoriteiten of instellingen van derde landen in de gevallen als bedoeld in § 1, 7°, en, in voorkomend geval, enkel voor de doeleinden waarmee die autoriteit heeft ingestemd.
  § 3. Het College mag de vertrouwelijke informatie waarover het beschikt, gebruiken voor de uitvoering van al zijn opdrachten als bedoeld [4 in artikel 32]4.
  § 4. Artikelen 44 en 80, § 1, zijn niet van toepassing op de mededeling van informatie aan het College die is voorgeschreven of toegestaan door de wettelijke of reglementaire bepalingen die de opdrachten van het College regelen.
  [4 § 5. De rechtelijke overheden brengen het College op de hoogte van het gevolg dat zij geven aan de in paragraaf 1, eerste lid, 3°, bedoelde aangifte van strafrechtelijke misdrijven.]4
  
Art.45. § 1er. Par dérogation à l'article 44, le Collège peut communiquer des informations confidentielles:
  1° dans les cas où la communication de telles informations est prévue ou autorisée par ou en vertu de la présente loi et des lois régissant les missions confiées au Collège;
  2° lors d'un témoignage en justice en matière pénale;
  3° pour dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires, étant entendu que l'article 29 du Code d'instruction criminelle ne s'applique pas aux personnes visées à l'article 44;
  4° dans le cadre de recours administratifs ou juridictionnels contre les actes ou décisions du Collège ou de la FSMA dans les cas visés à l'article 59 et dans toute autre instance à laquelle le Collège est partie;
  5° sous une forme sommaire ou agrégée de façon que des personnes physiques ou morales individuelles ne puissent pas être identifiées;
  6° dans les limites de la directive 2006/43/CE et du règlement (UE) n° 537/2014, aux autorités compétentes d'autres Etats membres qui exercent une ou plusieurs compétences comparables à celles visées à l'article [2 32]2;
  7° dans le respect de la directive 2006/43/CE et du règlement (UE) n° 537/2014 et conformément à l'article 51, aux autorités compétentes de pays tiers qui exercent une ou plusieurs compétences comparables à celles visées à l'article [2 32]2 et avec lesquels le Collège a conclu un accord de coopération visé à l'article 51, § 1er, 6° ;
  8° [4 à la Banque et à la FSMA lorsque ces informations présentent un intérêt pour l'exercice de leurs missions légales respectives;]4
  9° à l'Institut dans les cas visés [2 aux articles 11, § 2, 26, 41 et 74]2;
  10° au CEAOB visé à l'article 30 du règlement (UE) n° 537/2014;
  [1 11° dans les limites des directives européennes et règlements européens, à l'Autorité belge de protection des données;]1
  [4 12° à la Cellule de traitement de l'information financière et aux autorités de contrôle étrangères visées aux articles 76 et 120/2 de la loi du 18 septembre 2017 relative à la prévention du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme et à la limitation de l'utilisation des espèces;
   13° à l'Office de contrôle des mutualités et des unions nationales de mutualités visé à l'article 49 de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités;
   14° au ministre qui a la Justice dans ses attributions ou au fonctionnaire délégué par lui dans le cadre du Registre national des experts judiciaires et des traducteurs, interprètes et traducteurs-interprètes jurés visé à l'article 555/10 du Code judiciaire.]4

  Le Collège peut rendre publique la décision de dénoncer des infractions pénales aux autorités judiciaires.
  § 2. Le Collège ne peut communiquer des informations confidentielles [4 en vertu du paragraphe 1er, 6° à 14°]4, qu'à condition qu'elles soient destinées à l'accomplissement des missions des autorités ou organismes qui en sont les destinataires et que les informations soient dans leur chef couvertes par un devoir de secret professionnel équivalent à celui prévu à l'article 44. En outre, les informations provenant d'une autorité d'un autre Etat membre ne peuvent être divulguées qu'à des autorités ou organismes de pays tiers dans les cas visés au § 1er, 7°, qu'avec l'accord explicite de cette autorité et, le cas échéant, aux seules fins pour lesquelles cette autorité a marqué son accord.
  § 3. Le Collège peut faire usage des informations confidentielles dont il dispose pour l'accomplissement de l'ensemble de ses missions visées [4 à l'article 32]4.
  § 4. Les articles 44 et 80, § 1er, ne sont pas applicables aux communications d'informations au Collège qui sont prévues ou autorisées par des dispositions légales ou réglementaires régissant les missions du Collège.
  [4 § 5. Les autorités judiciaires informent le Collège des suites qu'elles donnent à la dénonciation des infractions pénales visée au paragraphe 1er, alinéa 1er, 3°.]4
  
Afdeling 3. - Nationale, Europese en internationale samenwerking
Section 3. - Coopération nationale, européenne et internationale
Art.46. § 1. De minister bevoegd voor Economie, de Hoge Raad, het College en de sanctiecommissie werken samen wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun respectieve opdrachten zoals bepaald door of krachtens deze wet of de wet van 2 augustus 2002. Zij verlenen elkaar onderling assistentie.
  § 2. Het College en het Instituut kunnen een overeenkomst sluiten waarin de modaliteiten voor hun samenwerking en onderlinge informatie-uitwisseling worden vastgesteld.
  § 3. De Koning kan bijkomende voorwaarden van nationale samenwerking bepalen. Hij bepaalt inzonderheid de voorwaarden voor de samenwerking tussen de Hoge Raad en het College met het oog op het verzekeren van de vertegenwoordiging in het CEAOB wanneer het CEAOB normatieve aspecten behandelt.
Art.46. § 1er. Le ministre ayant l'Economie dans ses attributions, le Conseil supérieur, le Collège et la commission des sanctions coopèrent entre eux autant que nécessaire pour s'acquitter de leurs missions respectives telles que fixées par ou en vertu de la présente loi ou de la loi du 2 août 2002. Ils se fournissent mutuellement assistance.
  § 2. Le Collège et l'Institut peuvent conclure un protocole définissant les modalités de la coopération et des échanges d'informations entre eux.
  § 3. Le Roi peut déterminer des modalités complémentaires de coopération nationale. Il détermine en particulier les modalités de coopération entre le Conseil supérieur et le Collège afin d'assurer la représentation au sein du CEAOB lorsque des aspects normatifs sont abordés par le CEAOB.
Art.47. § 1. Onverminderd artikel 44 werkt het College samen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten [1 ...]1 die verantwoordelijk zijn voor de toekenning van de hoedanigheid, de registratie, de kwaliteitscontrole, het toezicht en de administratieve maatregelen en sancties, en met ESMA, EBA en EIOPA binnen de grenzen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014 wanneer dat nodig is voor de vervulling van hun respectieve verantwoordelijkheden en opdrachten uit hoofde van deze wet, richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014.
  Het College beschikt daartoe inzonderheid over de ter zake door deze wet verleende bevoegdheden. Het College verleent assistentie aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten. Het wisselt inzonderheid informatie uit en werkt samen met de andere bevoegde autoriteiten in het kader van onderzoeken of toezichtsactiviteiten, inclusief controles ter plaatse.
  § 2. Wanneer het College informatie verstrekt in het kader van de samenwerking, kan het verduidelijken dat die informatie niet openbaar mag worden gemaakt zonder zijn expliciete toestemming, of uitsluitend voor de doeleinden waarmee het heeft ingestemd.
  § 3. Het College verstrekt op verzoek en zonder onnodige vertraging alle informatie die voor het in paragraaf 1 genoemde doel noodzakelijk is. Indien nodig, stelt het College, wanneer het een dergelijk verzoek ontvangt, zonder onnodige vertraging de maatregelen vast die vereist zijn om de gevraagde informatie te verzamelen. De aldus verstrekte informatie valt onder het beroepsgeheim waartoe eenieder is gehouden die bij de bevoegde autoriteit die de informatie ontvangt, werkzaam is of is geweest.
  Indien het College niet bij machte is om de gevraagde informatie zonder onnodige vertraging te verstrekken, stelt het de verzoekende bevoegde autoriteit in kennis van de redenen daarvan.
  Het College kan weigeren om gevolg te geven aan een verzoek om informatie indien:
  1° het verstrekken van die informatie gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van België, of in strijd zou zijn met de nationale veiligheidsvoorschriften; of
  2° met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen al een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de Belgische autoriteiten; of
  3° voor dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen al een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde Belgische autoriteiten.
  Onverminderd zijn verplichtingen in het kader van gerechtelijke procedures, mag het College dat op grond van paragraaf 1 informatie ontvangt, die uitsluitend gebruiken voor de uitoefening van zijn functies in de zin van deze wet alsook in het kader van bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die specifiek met de uitoefening van die functies verband houden.
  § 4. Wanneer het College vaststelt dat er op het grondgebied van een andere lidstaat handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014, geeft het hiervan op zo specifiek mogelijke wijze kennis aan de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat.
  Wanneer het College er door een autoriteit van een andere lidstaat in kennis van wordt gesteld dat er in België handelingen worden of zijn uitgevoerd die strijdig zijn met de bepalingen van richtlijn 2006/43/EG en verordening (EU) nr. 537/2014, neemt het de nodige maatregelen en stelt het de kennisgevende bevoegde autoriteit van het eindresultaat daarvan in kennis, alsook, voor zover mogelijk, van belangrijke tussentijdse ontwikkelingen.
  § 5. Het College kan verzoeken dat door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat een onderzoek wordt verricht op het grondgebied van die lidstaat.
  Verder kan het verzoeken dat aan een aantal van haar personeelsleden toestemming wordt verleend om de personeelsleden van de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat gedurende het onderzoek te vergezellen.
  § 6. Wanneer het College door de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat wordt verzocht om in België een onderzoek te verrichten of om toestemming te verlenen om de personeelsleden van het College gedurende het onderzoek te vergezellen, geeft het daaraan gevolg in het kader van zijn bevoegdheden:
  1° door zelf de controle of het onderzoek te verrichten;
  2° door de verzoekende autoriteit toestemming te geven om rechtstreeks tot de controle of het onderzoek over te gaan.
  Het onderzoek wordt volledig onder het toezicht van de Belgische autoriteiten geplaatst.
  Het College kan een verzoek om een onderzoek uit te voeren, of een verzoek dat leden van zijn personeel worden vergezeld door personeelsleden van de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat zoals bedoeld in het eerste lid, van de hand wijzen indien:
  1° een dergelijk onderzoek gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de veiligheid of de openbare orde van België, of in strijd zou zijn met de nationale veiligheidsvoorschriften; of
  2° met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen al een gerechtelijke procedure is ingeleid bij de Belgische autoriteiten; of
  3° tegen dezelfde bedrijfsrevisoren voor dezelfde handelingen al een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde Belgische autoriteiten.
  
Art.47. § 1er. Sans préjudice de l'article 44, le Collège coopère avec les autorités compétentes d'autres Etats membres [1 ...]1 responsables de l'octroi de la qualité, de l'enregistrement, du contrôle de qualité, de la surveillance et des mesures et sanctions administratives et avec l'ESMA, l'EBA et l'EIOPA dans les limites de la directive 2006/43/CE et du règlement (UE) n° 537/2014 autant que nécessaire pour s'acquitter des responsabilités et des tâches qui leur incombent respectivement au titre de la présente loi, de la directive 2006/43/CE et du règlement (UE) n° 537/2014.
  Le Collège dispose notamment à cet effet des pouvoirs qui lui sont attribués par la présente loi. Le Collège prête son concours aux autorités compétentes des autres Etats membres. En particulier, il échange des informations et coopère avec les autres autorités compétentes dans le cadre d'enquêtes ou d'activité de supervision, y compris de vérification sur place.
  § 2. Lorsque le Collège communique une information dans le cadre de la coopération, il peut préciser que cette information ne peut être divulguée sans son consentement exprès ou qu'aux seules fins pour lesquelles il a donné son accord.
  § 3. Le Collège fournit sans délai indu, sur demande, toute information requise aux fins mentionnées au paragraphe 1er. Le cas échéant, lorsqu'il reçoit une telle demande, le Collège prend sans délai indu les mesures nécessaires pour réunir les informations demandées. Les informations ainsi fournies sont couvertes par le secret professionnel auquel sont tenues les personnes employées ou anciennement employées par l'autorité compétente qui les reçoit.
  Si le Collège est dans l'incapacité de fournir sans délai indu les informations demandées, il notifie les raisons de cette incapacité à l'autorité qui lui a présenté la demande.
  Le Collège peut refuser de donner suite à une demande d'informations, lorsque:
  1° leur communication risque de porter atteinte à la souveraineté, à la sécurité ou à l'ordre public de la Belgique, ou d'enfreindre les dispositions nationales en matière de sécurité; ou
  2° une procédure judiciaire a déjà été engagée pour les mêmes actions et à l'encontre des mêmes personnes devant les autorités belges; ou
  3° un jugement définitif a déjà été rendu pour les mêmes actions et à l'encontre des mêmes personnes par les autorités compétentes belges.
  Sans préjudice des obligations qui lui incombent dans le cadre d'une procédure judiciaire, le Collège qui reçoit des informations en vertu du paragraphe 1er ne peut les utiliser qu'aux fins de l'exercice de ses fonctions dans le cadre du champ d'application de la présente loi et dans le cadre d'une procédure administrative ou judiciaire se rapportant spécifiquement à l'exercice de ses fonctions.
  § 4. Lorsque le Collège constate que des actes contraires aux dispositions de la directive 2006/43/CE et du règlement (UE) n° 537/2014 sont ou ont été commis sur le territoire d'un autre Etat membre, il notifie cette conclusion le plus spécifiquement possible à l'autorité compétente de cet autre Etat membre.
  Si le Collège a été informé par une autorité d'un autre Etat membre de ce que des actes contraires aux dispositions de la directive 2006/43/CE ou du règlement (UE) n° 537/2014 sont ou ont été commis en Belgique, il prend les mesures appropriées et informe l'autorité qui l'a informée du résultat final de son intervention et, dans la mesure du possible, des résultats intérimaires significatifs.
  § 5. Le Collège peut demander qu'une enquête soit effectuée par l'autorité compétente d'un autre Etat membre, sur le territoire de ce dernier.
  Il peut également demander qu'une partie de son propre personnel soit autorisée à accompagner le personnel de l'autorité compétente de cet autre Etat membre au cours de l'enquête.
  § 6. Lorsque le Collège reçoit une demande d'une autorité compétente d'un autre Etat membre afin d'effectuer une enquête en Belgique ou afin qu'une partie de son propre personnel soit autorisé à accompagner le personnel du Collège au cours de l'enquête, il y donne suite dans le cadre de ses pouvoirs:
  1° en procédant elle-même à la vérification ou à l'enquête;
  2° en permettant à l'autorité requérante de procéder directement à la vérification ou à l'enquête.
  L'enquête est intégralement placée sous le contrôle des autorités belges.
  Le Collège peut refuser de donner suite à une demande en vue d'une enquête à mener, ou à une demande d'accompagnement de son personnel par le personnel d'une autorité compétente d'un autre Etat membre présentée selon le premier alinéa, lorsque:
  1° l'enquête risque de porter atteinte à la souveraineté, à la sécurité ou à l'ordre public de la Belgique, ou d'enfreindre les règles nationales en matière de sécurité; ou
  2° une procédure judiciaire a déjà été ouverte pour les mêmes actions et contre les mêmes personnes devant les autorités belges; ou
  3° un jugement définitif a déjà été rendu à l'encontre des mêmes réviseurs d'entreprises pour les mêmes actions par les autorités compétentes belges.
  
Art.48. Het College neem deel aan de colleges als bedoeld in artikel 32 van verordening (EU) nr. 537/2014.
Art.48. Le Collège participe au collège visé à l'article 32 du règlement (UE) n° 537/2014.
Art.49. Het College verstrekt het CEAOB jaarlijks geaggregeerde informatie over alle administratieve maatregelen en geldboetes die overeenkomstig artikel 59 zijn opgelegd.
  Het College deelt de in artikel 59, § 1, eerste lid, 2° en 4°, bedoelde verboden onverwijld aan het CEAOB mee.
Art.49. Le Collège fournit chaque année au CEAOB des informations agrégées sur l'ensemble des mesures et amendes administratives prononcées conformément à l'article 59.
  Le Collège communique immédiatement au CEAOB les interdictions visées à l'article 59, § 1er, alinéa 1er, 2° et 4°.
Art.50. De Koning kan bijkomende regelingen bepalen voor de samenwerking met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten [1 ...]1.
  
Art.50. Le Roi peut déterminer des modalités complémentaires de coopération avec les autorités compétentes d'autres Etats membres [1 ...]1.
  
Art.51. § 1. Het College bezorgt, op vraag van een bevoegde autoriteit van een derde land, controle- of andere documenten die in het bezit zijn van bedrijfsrevisoren, alsook inspectie- of onderzoeksverslagen in verband met de betrokken controles, aan die bevoegde autoriteit, als aan alle hierna volgende voorwaarden is voldaan en onder voorbehoud van paragraaf 2:
  1° die controle- of andere documenten hebben betrekking op wettelijke controles bij vennootschappen die effecten hebben uitgegeven op de kapitaalmarkt van het betrokken derde land of die deel uitmaken van een groep die in dat derde land aan het toezicht op de geconsolideerde jaarrekening is onderworpen;
  2° deze overdracht is noodzakelijk voor de uitvoering van de opdracht van publiek toezicht, onderzoek of kwaliteitscontrole die gelijkwaardig is verklaard overeenkomstig artikel 46, lid 2, van richtlijn 2006/43/EG, van de bevoegde autoriteit van het derde land;
  3° deze autoriteit voldoet aan eisen die de Europese Commissie adequaat heeft verklaard overeenkomstig artikel 47, lid 3, van richtlijn 2006/43/EG;
  4° de overdracht van persoonsgegevens gebeurt conform de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levensfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens [2 alsook, vanaf 25 mei 2018, conform de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG]2;
  5° de autoriteit of de personen die de informatie ontvangen in derde landen, zijn onderworpen aan gelijkwaardige waarborgen inzake het beroepsgeheim als deze van toepassing op het College; en
  6° een overeenkomst op basis van wederkerigheid inzake de werkregelingen is gesloten tussen het College en deze autoriteit.
  § 2. Het College kan het in paragraaf 1 bedoelde verzoek weigeren van de bevoegde autoriteit van een derde land, indien:
  1° de verstrekking van de in paragraaf 1 bedoelde documenten gevaar zou kunnen opleveren voor de soevereiniteit, de nationale veiligheid of de openbare orde van België of van de andere lidstaten [1 ...]1;
  2° in België met betrekking tot dezelfde handelingen en tegen dezelfde personen als deze bedoeld in het verzoek, al een gerechtelijke procedure, inclusief een strafrechtelijke, is ingeleid;
  3° voor dezelfde handelingen en dezelfde bedrijfsrevisoren al een onherroepelijke uitspraak is gedaan door de bevoegde Belgische autoriteiten, of
  4° voornoemde voorwaarden bedoeld in paragraaf 1 niet zijn nageleefd.
  § 3. Het College stelt de Europese Commissie in kennis van de in paragraaf 1, 6°, bedoelde werkregelingen.
  [3 § 3/1. Voor de samenwerking met de bevoegde autoriteiten van een derde land beschikt het College inzonderheid over de ter zake door deze wet verleende bevoegdheden, zelfs indien de betreffende handelingen of praktijken geen schending van de Belgische regelgeving inhouden. Het College kan gezamenlijk met de bevoegde autoriteiten van derde landen werkzaamheden verrichten, waarbij de personeelsleden van de autoriteiten van een derde land de personeelsleden van het College kunnen vergezellen.]3
  § 4. De Koning bepaalt de specifieke regelingen van samenwerking met de derde landen.
  
Art.51. § 1er. Le Collège communique, sur requête d'une autorité compétente d'un pays tiers, des documents d'audit ou d'autres documents détenus par des réviseurs d'entreprises, ainsi que des rapports d'inspection ou d'enquête en rapport avec les audits en question, si toutes les conditions suivantes sont remplies et sous réserve du paragraphe 2:
  1° ces documents d'audit ou autres documents sont relatifs à des contrôles légaux de sociétés qui ont émis des valeurs mobilières sur les marchés des capitaux du pays tiers concerné ou qui font partie d'un groupe soumis au contrôle des comptes consolidés dans ledit pays tiers;
  2° cette communication est nécessaire à l'accomplissement de la mission de supervision publique, d'enquête ou de contrôle de qualité, déclarée équivalente conformément à l'article 46, paragraphe 2, de la directive 2006/43/CE, de l'autorité compétente du pays tiers;
  3° cette autorité satisfait aux conditions déclarées adéquates par la Commission européenne, conformément à l'article 47, paragraphe 3, de la directive 2006/43/CE;
  4° la transmission des données à caractère personnel s'effectue conformément à la loi du 8 décembre 1992 relative à la protection de la vie privée à l'égard des traitements de données à caractère personnel [2 ainsi que, à partir du 25 mai 2018, conformément au Règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE]2;
  5° l'autorité ou les personnes qui reçoivent l'information dans les pays tiers sont soumises à des garanties équivalentes en matière de protection du secret professionnel à celles applicables au Collège; et
  6° un accord sur base de réciprocité reprenant les modalités de travail est conclu entre le Collège et cette autorité.
  § 2. Le Collège peut refuser la requête visée au paragraphe 1er adressée par une autorité compétente d'un pays tiers lorsque:
  1° la fourniture des documents visés au paragraphe 1er est susceptible de porter atteinte à la souveraineté, à la sécurité nationale ou à l'ordre public belge ou des autres Etats membres [1 ...]1;
  2° une procédure judiciaire, y compris pénale, ayant trait aux mêmes faits et à l'encontre des mêmes personnes que celles visées par la requête, a déjà été engagée en Belgique;
  3° un jugement définitif a déjà été rendu pour les mêmes actions et à l'encontre des mêmes réviseurs d'entreprises par les autorités compétentes belges ou
  4° les conditions préalables visées au paragraphe 1er ne sont pas respectées.
  § 3. Le Collège communique à la Commission européenne les accords sur les modalités de travail visés au paragraphe 1er, 6°.
  [3 § 3/1. Le Collège dispose, dans le cadre de la coopération avec les autorités compétentes d'un pays tiers, notamment des compétences qui lui sont attribuées à cet effet par la présente loi, même si les actes ou pratiques concernés ne constituent pas une infraction à la réglementation belge. Le Collège peut mener conjointement des travaux avec les autorités compétentes d'un pays tiers, au cours desquels les membres du personnel des autorités d'un pays tiers peuvent accompagner les membres du personnel du Collège.]3
  § 4. Le Roi détermine les modalités particulières de coopération avec les pays tiers.
  
Afdeling 4. - Kwaliteitscontrole, toezicht, bevoegdheden en maatregelen
Section 4. - Contrôle de qualité, surveillance, pouvoirs et mesures
Art.52. § 1. Het College onderwerpt de bedrijfsrevisoren minstens om de zes jaar aan een kwaliteitscontrole op basis van een risico-analyse.
  De kwaliteitscontrole is een onderzoeksprocedure van de professionele activiteit van een bedrijfsrevisor. Die controle heeft onder meer tot doel na te gaan of de gecontroleerde bedrijfsrevisor over een organisatie beschikt die aangepast is aan de aard en de omvang van zijn activiteiten. Verder strekt de controle ertoe het publiek en de toezichthouders ervan te overtuigen dat de bedrijfsrevisoren hun activiteiten verrichten overeenkomstig de controlenormen en de toepasselijke deontologische regels.
  De kwaliteitsbeoordeling berust op een analyse van de door het bedrijfsrevisorenkantoor uitgewerkte maatregelen met betrekking tot het intern kwaliteitscontrolesysteem en van de doeltreffendheid van dat intern kwaliteitscontrolesysteem.
  De kwaliteitsbeoordeling, op basis van een adequate toetsing van een selectie van [2 controle- of assurancedossiers]2, omvat een evaluatie van:
  1° de naleving van de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen, inclusief de naleving van de onafhankelijkheidseisen;
  2° de kwantiteit en kwaliteit van de ingezette middelen in het kader van het gecontroleerde dossier;
  3° de door de bedrijfsrevisor in rekening gebrachte honoraria voor controles en de eventuele honoraria voor non-auditdiensten;
  [2 3/1° de in rekening gebrachte honoraria voor de assurance van duurzaamheidsinformatie;]2
  4° de naleving van de verplichting inzake permanente vorming als bedoeld in artikel 27.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1, wordt bij de bedrijfsrevisoren die de controle uitvoeren van één of meer organisaties van openbaar belang die op individuele basis meer dan één van de criteria overschrijden als bedoeld in [1 artikel 1:26, § 1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1, op basis van een risicoanalyse minstens om de drie jaar een kwaliteitscontrole uitgevoerd.
  § 3. Het College organiseert de kwaliteitscontroles en het verloop ervan, en definieert de methodologie die bij de uitvoering van alle kwaliteitscontroles moet worden gevolgd. De methodologie en de kwaliteitsbeoordelingen zijn passend en evenredig ten opzichte van de omvang en de complexiteit van de activiteit van de beoordeelde bedrijfsrevisor.
  § 4. Het College kan één of meer inspecteurs aanstellen om de kwaliteitsbeoordeling van elke bedrijfsrevisor uit te voeren op basis van de door het College gedefinieerde methodologie.
  Bij de uitvoering van hun inspecties maken de inspecteurs gebruik van de door het College goedgekeurde controleleidraad. Het College raadpleegt de Hoge Raad minstens eenmaal per jaar alvorens de controleleidraad aan te passen.
  [2 De inspecteurs beschikkende over passende beroepskwalificaties en relevante beroepservaring op het gebied van wettelijke controle van jaarrekeningen, financiële verslaglegging en, in voorkomend geval, op het gebied van duurzaamheidsinformatie en de assurance van duurzaamheidsinformatie of andere duurzaamheidsgerelateerde diensten, en hebben ook een specifieke opleiding genoten op het vlak van de kwaliteitsbeoordelingen.]2
  De personen belast met het uitvoeren van een specifieke kwaliteitsbeoordeling worden geselecteerd volgens een objectieve procedure die is opgezet om belangenconflicten te voorkomen tussen die personen en de bedrijfsrevisor die wordt beoordeeld.
  Bij de selectie moet minstens aan volgend criterium zijn voldaan: geen enkele persoon die vennoot of werknemer van een bedrijfsrevisor is geweest, of anderszins met hem verbonden is geweest, mag minder dan drie jaar na de beëindiging van die relatie als inspecteur optreden bij een kwaliteitsbeoordeling van die bedrijfsrevisor.
  Onverminderd paragraaf 3, is (zijn) de inspecteur(s) (een) inspecteur(s) van buiten de beroepssector bij de kwaliteitsbeoordeling van een bedrijfsrevisor die de controle uitvoeren van één of meer organisaties van openbaar belang. De inspecteur(s) is (zijn) hetzij (een) personeelslid (personeelsleden) van de FSMA, hetzij (een) perso(o)n(en) die via een samenwerkingsovereenkomst met de FSMA is (zijn) verbonden.
  Onverminderd paragraaf 3 kan (kunnen) de inspecteur(s) (een) bedrijfsrevisor(en)-natuurlijk(e) perso(o)n(en) zijn in het kader van een kwaliteitsbeoordeling van een bedrijfsrevisor die bij geen enkele organisatie van openbaar belang de controle uitvoert.
  Daartoe stelt het College een lijst op van bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen op wie het een beroep kan doen om een beoordeling uit te voeren in het kader van de kwaliteitscontrole.
  Artikel 44 is van toepassing op de inspecteurs met betrekking tot de informatie waarvan zij kennis hebben genomen in het kader van de aan het College toevertrouwde opdrachten of in het kader van de verificaties, expertises of verslagen die het College hen, in het kader van zijn opdrachten als bedoeld in dit artikel, heeft gelast uit te voeren dan wel voor te leggen.
  § 5. De bevindingen en conclusies van een inspectie op basis waarvan aanbevelingen worden gedaan, worden, vóór de afronding van het inspectieverslag, meegedeeld aan en besproken met de bedrijfsrevisor bij wie de inspectie is verricht.
  § 6. Het College is bevoegd voor het aannemen van de besluiten van de kwaliteitscontrole.
  Indien na afloop van een kwaliteitscontrole aanbevelingen worden geformuleerd, gaat het College na of de bedrijfsrevisoren de geformuleerde aanbevelingen opvolgen binnen de termijn die het oplegt. Als de bedrijfsrevisor de aan hem gerichte aanbevelingen niet opvolgt, kan dat, in voorkomend geval, in functie van de ernst van de vastgestelde tekortkomingen, aanleiding geven tot het opleggen van maatregelen als bedoelde in artikel 57 en/of administratieve maatregelen of geldboetes als bedoeld in artikel 59.
  § 7. Het College maakt jaarlijks de algemene geaggregeerde resultaten van de kwaliteitscontrole openbaar.
  § 8. De nadere regels inzake de organisatie van de kwaliteitscontrole worden door de Koning bepaald.
  
Art.52. § 1er. Le Collège soumet les réviseurs d'entreprises à un contrôle de qualité sur la base d'une analyse du risque et au moins tous les six ans.
  Le contrôle de qualité est une procédure d'examen de l'activité professionnelle d'un réviseur d'entreprises. Il a notamment pour but de vérifier que le réviseur d'entreprises contrôlé est doté d'une organisation appropriée par rapport à la nature et à l'étendue de ses activités. Ce contrôle vise également à garantir au public et aux autorités de contrôle que les réviseurs d'entreprises effectuent leurs travaux conformément aux normes de contrôle et aux règles déontologiques en vigueur.
  L'examen de contrôle de qualité repose sur une analyse des mesures en matière de système interne de contrôle de qualité mises en place par le cabinet de révision et de l'effectivité de ce système interne de contrôle de qualité.
  Le champ de l'examen de contrôle de qualité, reposant sur une vérification appropriée de dossiers de contrôle [2 et d'assurance]2 sélectionnés, comprend une évaluation:
  1° de la conformité aux dispositions légales, réglementaires et normatives applicables, en ce compris le respect des règles d'indépendance;
  2° de la quantité et de la qualité des moyens mis en oeuvre dans le cadre du dossier contrôlé;
  3° des honoraires d'audit perçus et des éventuels honoraires non-audit;
  [2 3/1° des honoraires perçus pour l'assurance de l'information en matière de durabilité;]2
  4° du respect de l'obligation de formation permanente prévue à l'article 27.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les réviseurs d'entreprises qui effectuent le contrôle d'une ou plusieurs entités d'intérêt public qui dépassent, sur base individuelle, plus d'un des critères mentionnés à l'[1 article 1:26, § 1er du Code des sociétés et des associations]1, sont soumis à un contrôle de qualité sur base d'une analyse de risque et au moins tous les trois ans.
  § 3. Le Collège organise les contrôles de qualité et leur processus et définit une méthodologie à suivre pour l'exécution de l'ensemble des contrôles de qualité. La méthodologie et les examens de contrôle de qualité sont appropriés et proportionnés à l'ampleur et à la complexité de l'activité menée par le réviseur d'entreprises soumis à cet examen.
  § 4. Le Collège peut désigner un ou plusieurs inspecteurs afin de procéder à l'examen de contrôle de qualité de chaque réviseur d'entreprises, sur base de la méthodologie définie par le Collège.
  Dans l'exécution de leurs inspections, les inspecteurs utilisent le guide de contrôle adopté par le Collège. Le Collège consulte le Conseil supérieur au moins une fois par an avant d'adapter le guide de contrôle.
  [2 Les inspecteurs disposent de la formation et de l'expérience professionnelles appropriées en ce qui concerne le contrôle légal des comptes, l'information financière et, le cas échéant, l'information en matière de durabilité et l'assurance de l'information en matière de durabilité ou d'autres services liés à la durabilité, ainsi qu'une formation spécifique aux examens d'assurance qualité.]2
  La sélection des personnes chargées d'une inspection de contrôle de qualité spécifique est effectuée selon une procédure objective conçue pour éviter tout conflit d'intérêt entre ces personnes et le réviseur d'entreprises soumis à cet examen.
  La sélection satisfait au moins au critère suivant: aucune personne qui a été l'associé ou l'employé d'un réviseur d'entreprises, ou qui lui a été autrement associée, n'est autorisée à exercer une activité d'inspecteur dans le cadre du contrôle de qualité de ce réviseur d'entreprises moins de trois ans à compter de la fin de cette relation.
  Sans préjudice du paragraphe 3, le ou les inspecteurs sont des inspecteurs externes à la profession lorsqu'il s'agit de l'examen de contrôle de qualité d'un réviseur d'entreprises qui effectue le contrôle d'une ou plusieurs entités d'intérêt public. Le ou les inspecteurs sont soit membres du personnel de la FSMA soit liés à la FSMA par une convention de collaboration.
  Sans préjudice du paragraphe 3, le ou les inspecteurs peuvent être des réviseurs d'entreprises personnes physiques lorsqu'il s'agit de l'examen de contrôle de qualité d'un réviseur d'entreprises qui n'effectue le contrôle d'aucune entité d'intérêt public.
  A cette fin, le Collège établit une liste de réviseurs d'entreprises personnes physiques auxquels le Collège peut faire appel pour procéder à un examen dans le cadre du contrôle de qualité.
  L'article 44 s'applique aux inspecteurs, en ce qui concerne les informations dont ils ont eu connaissance dans le cadre des missions confiées au Collège ou dans le cadre des vérifications, expertises ou rapports que le Collège les a chargés d'effectuer ou de produire dans le cadre de ses missions visées au présent article.
  § 5. Les constatations et conclusions des inspections sur lesquelles sont basées les recommandations sont communiquées au réviseur d'entreprises inspecté et discutées avec lui avant que le rapport d'inspection ne soit finalisé.
  § 6. Le Collège est compétent pour adopter les conclusions du contrôle de qualité.
  Lorsque des recommandations sont formulées à l'issue d'un contrôle de qualité, le Collège vérifie si les réviseurs d'entreprises donnent suite dans le délai qu'il fixe aux recommandations formulées. L'absence de suivi par le réviseur d'entreprises des recommandations qui lui sont adressées peut, le cas échéant, donner lieu, en fonction de la gravité des faiblesses constatées, à l'imposition de mesures visées à l'article 57 et/ou de mesures ou amendes administratives visées à l'article 59.
  § 7. Le Collège publie annuellement les résultats d'ensemble du contrôle de qualité de manière agrégée.
  § 8. Les modalités relatives à l'organisation du contrôle de qualité sont déterminées par le Roi.
  
Art.53. § 1. Voor de toepassing van artikel 32 ziet het College er met name op toe dat de bedrijfsrevisoren, in het kader van de hun toevertrouwde opdrachten, de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve verplichtingen naleven.
  § 2. Het College onderzoekt de klachten die het ontvangt, tenzij zij klaarblijkelijk onontvankelijk zouden zijn.
  § 3. Het College organiseert het toezicht en het verloop daarvan, en definieert de methodologie die bij de uitvoering van die toezichtstaak moet worden toegepast.
  § 4. Elke bedrijfsrevisor tegen wie een tucht, gerechtelijke of administratieve procedure loopt die betrekking heeft op de uitoefening van zijn beroep, moet het College hierover binnen de maand na de inleiding van de procedure inlichten. In het geval van een strafprocedure brengt de bedrijfsrevisor het College daarvan op de hoogte vanaf het ogenblik waarop hij in staat van beschuldiging is gesteld.
  De bedrijfsrevisor stelt het College ook in kennis van de tucht, administratieve of strafrechtelijke sancties die hem werden opgelegd door een autoriteit of een beroepsvereniging die in België, in een lidstaat of in een derde land, wat zijn beroepsactiviteiten betreft, gelijkaardige functies uitoefent als die van de Belgische Staat of van het College. Deze mededeling heeft plaats uiterlijk een maand nadat de bedoelde beslissingen definitief zijn geworden.
  § 5. Het College organiseert het toezicht op de geregistreerde auditkantoren voor wat de in België verrichte opdrachten van de wettelijke controle van de jaarrekening betreft.
  § 6. De Koning kan de modaliteiten bepalen van de organisatie van het toezicht op de bedrijfsrevisoren.
Art.53. § 1er. Aux fins de l'article 32, le Collège veille notamment à ce que les réviseurs d'entreprises, dans le cadre des missions qui leur sont confiées, respectent les obligations légales, réglementaires et normatives applicables .
  § 2. Le Collège instruit les plaintes qui lui sont adressées, à moins que la plainte ne soit manifestement irrecevable.
  § 3. Le Collège organise la surveillance et son processus et définit une méthodologie à suivre pour l'exécution de la fonction de surveillance.
  § 4. Tout réviseur d'entreprises qui fait l'objet d'une procédure disciplinaire, judiciaire ou administrative portant sur l'exercice de sa profession, doit en informer le Collège dans le mois de l'introduction de la procédure. Dans le cas d'une procédure pénale, le réviseur d'entreprises en informe le Collège dès l'instant où il est mis en accusation.
  Le réviseur d'entreprises communique au Collège les sanctions disciplinaires, administratives ou pénales prises à son égard par une autorité ou une organisation professionnelle exerçant en Belgique, dans un Etat membre ou dans un pays tiers, quant à ses activités professionnelles, des fonctions similaires à celles de l'Etat belge ou du Collège. Cette communication a lieu au plus tard un mois après que les sanctions précitées sont devenues définitives.
  § 5. Le Collège organise la surveillance des cabinets d'audit enregistrés pour ce qui concerne les missions de contrôle légal des comptes effectuées en Belgique.
  § 6. Le Roi peut déterminer des modalités relatives à l'organisation de la surveillance des réviseurs d'entreprises.
Art.54. § 1. Voor de toepassing van artikel 32 kan het College
  1° toegang krijgen tot de gegevens in verband met de wettelijke controle van de jaarrekening [2 of met de assurance van duurzaamheidsinformatie]2 of tot andere documenten, in welke vorm ook, die de bedrijfsrevisoren in hun bezit hebben en die relevant zijn voor de uitvoering van hun opdrachten, en het recht hebben om daarvan een kopie te ontvangen of te nemen;
  2° van iedere persoon informatie en documenten verkrijgen in verband met de wettelijke controle van de jaarrekening [2 of de assurance van duurzaamheidsinformatie]2;
  3° binnen een termijn die het vastlegt, de voorlegging verkrijgen van bedrijfsrevisoren van elke informatie, elke verklaring of elk document, en meer in het bijzonder van:
  - de lijsten van de door hen aanvaarde revisorale opdrachten,
  - hun werkprogramma's en werkdocumenten,
  - elke informatie, elke verklaring of elk document over hun verbanden met andere personen die deel uitmaken van hun netwerk en die al dan niet in een lidstaat of in een derde land de hoedanigheid van wettelijke auditor, auditkantoor, auditor of auditorganisatie van een derde land hebben, en de opdrachten die door deze personen zijn aanvaard in een vennootschap, onderneming of vereniging waarin de bedrijfsrevisor een opdracht, waarvan de uitoefening is voorbehouden aan de bedrijfsrevisoren, vervult of heeft vervuld; en
  4° inspecties ter plaatse uitvoeren bij bedrijfsrevisoren, alsook ter plaatse kennis nemen en een kopie maken van elk document, elk gegevensbestand en elke registratie, en toegang hebben tot elk informaticasysteem.
  Het College oefent de in het eerste lid bedoelde onderzoeksbevoegdheden op passende en met de omvang en de complexiteit van de activiteit van de betrokken bedrijfsrevisor evenredige wijze uit.
  Het College kan de in het eerste lid bedoelde bevoegdheden alleen uitoefenen voor de in [1 artikel 32]1 bedoelde doelstellingen en ten aanzien van:
  1° de bedrijfsrevisoren en de auditkantoren;
  2° de personen die betrokken zijn bij de activiteiten van de bedrijfsrevisoren;
  3° de gecontroleerde organisaties van openbaar belang, de met hen verbonden entiteiten, en de met die entiteiten gelieerde derden;
  4° derden waaraan de bedrijfsrevisoren bepaalde functies of activiteiten hebben uitbesteed; en
  5° personen die anderszins gelieerd of verbonden zijn met de bedrijfsrevisoren.
  § 2. [2 Voor de toepassing van artikel 32 en in het bijzonder bij de kwaliteitscontrole van een bedrijfsrevisor die de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening verricht en/of een opdracht van assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie, of bij de uitvoering van de in artikel 53 bedoelde toezichtstaken met betrekking tot de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening van een groep van ondernemingen of van een opdracht van assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie van een groep van ondernemingen, stelt de groepsauditor het College, op zijn verzoek, de relevante documentatie ter beschikking die hij bijhoudt over de controlewerkzaamheden of assurancewerkzaamheden die, voor de doeleinden van de groepscontrole en/of de assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie, zijn verricht door de auditor of auditors van derde landen, wettelijke auditors, auditorganisaties van derde landen of auditkantoren, met inbegrip van eventuele werkdocumenten die relevant zijn voor de groepscontrole en/of de assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie van een groep van ondernemingen.
   Het College kan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten, overeenkomstig artikel 47, om aanvullende documentatie verzoeken over de controlewerkzaamheden of assurancewerkzaamheden die voor het doel van de groepscontrole of de assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie zijn verricht door wettelijke auditor(s) of auditkanto(o)r(en).
   Wanneer een moederonderneming of een dochteronderneming van een groep van ondernemingen wordt gecontroleerd door (een) auditor(s) of (een) auditorganisatie(s) van derde landen, kan het College de betrokken bevoegde autoriteiten van derde landen verzoeken om aanvullende documentatie over de controlewerkzaamheden en/of assurancewerkzaamheden die zijn verricht door (een) auditor(s) van een derde land of (een) auditorganisatie(s) van een derde land, door middel van de overeenkomst inzake de werkregelingen bedoeld in artikel 51.
   In afwijking van het derde lid, is de groepsauditor, wanneer een moederonderneming of een dochteronderneming van een groep van ondernemingen wordt gecontroleerd door (een) auditor(s) of (een) auditorganisatie(s) van een derde land waarmee geen overeenkomst inzake de werkregeling bedoeld in artikel 51 werd gesloten, op verzoek ook verantwoordelijk voor het waarborgen van een correcte levering van de aanvullende documentatie over de door (een) dergelijke auditor(s) of auditorganisatie(s) van derde landen verrichte controlewerkzaamheden en/of assurancewerkzaamheden, met inbegrip van de werkdocumenten die relevant zijn voor de groepscontrole en/of de assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie. Om deze levering te verzekeren, behoudt de groepsauditor een kopie van deze documentatie of komt hij met de auditor(s) of de auditorganisatie(s) van derde landen overeen dat hij op verzoek onbeperkte toegang heeft tot dergelijke documentatie, of neemt hij andere passende maatregelen. Wanneer controledocumenten en/of assurancedocumenten om juridische of andere redenen niet door een derde land kunnen worden doorgegeven aan de groepsauditor, omvat de door de groepsauditor bewaarde documentatie, bewijs dat hij de juiste procedures heeft gevolgd om toegang te krijgen tot de controledocumenten en/of assurancedocumenten, alsook bewijs van eventuele niet-juridische beletsels die voortvloeien uit de wetgeving van het betrokken derde land.]2

  § 3. Het College kan de rechterlijke overheden verzoeken alle informatie en documenten te verzamelen die nuttig worden geacht voor de in paragraaf 1 bedoelde doeleinden. De rechterlijke overheden delen deze informatie en documenten aan het College mee, met dien verstande dat de informatie en documenten met betrekking tot hangende gerechtelijke procedures niet kunnen worden meegedeeld zonder de uitdrukkelijke toestemming van de Procureur-generaal.
  De bevoegde Procureur-generaal kan weigeren om gevolg te geven aan het in het eerste lid bedoelde verzoek wanneer al een gerechtelijke procedure is ingesteld wegens dezelfde feiten en tegen dezelfde personen of wanneer met betrekking tot die personen al een definitieve uitspraak is gedaan wegens dezelfde feiten.
  
Art.54. § 1er. Aux fins de l'article 32, le Collège peut :
  1° accéder aux données liées au contrôle légal des comptes [2 , ou à l'assurance de l'information en matière de durabilité,]2 ou à d'autres documents détenus par les réviseurs d'entreprises, sous quelque forme que ce soit, utiles à l'accomplissement de leurs missions, et en recevoir ou en prendre une copie;
  2° obtenir de toute personne des informations et documents liés au contrôle légal des comptes [2 ou à l'assurance de l'information en matière de durabilité]2;
  3° obtenir des réviseurs d'entreprises la production, dans le délai qu'il fixe, de toute information, déclaration ou document, et notamment:
  - les relevés de missions révisorales acceptées par eux,
  - leurs programmes et documents de travail,
  - toute information, déclaration ou document relatif à leurs liens avec d'autres personnes faisant partie de leur réseau et ayant ou non, dans un Etat membre ou dans un pays tiers, la qualité de contrôleur légal, de cabinet d'audit, de contrôleur ou d'entité d'audit de pays tiers, et aux missions acceptées par ces personnes auprès d'une société, entreprise ou association auprès de laquelle le réviseur d'entreprises accomplit ou a accompli une mission dont l'exercice est réservé aux réviseurs d'entreprises; et
  4° procéder à des inspections sur place de réviseurs d'entreprises et prendre connaissance et copie sur place de tout document, fichier et enregistrement et avoir accès à tout système informatique.
  Le Collège exerce les pouvoirs d'investigation visés à l'alinéa premier de manière appropriée et proportionnée à l'ampleur et à la complexité de l'activité menée par le réviseur d'entreprises concerné.
  Le Collège ne peut faire usage des pouvoirs visés à l'alinéa premier qu'aux fins visées à [1 l'article 32]1 et qu'à l'égard:
  1° des réviseurs d'entreprises et les cabinets d'audit;
  2° des personnes participant aux activités des réviseurs d'entreprises;
  3° des entités d'intérêt public contrôlées, leurs entités affiliées et les tiers qui y sont liés;
  4° des tiers auprès desquels les réviseurs d'entreprises ont externalisé certaines fonctions ou activités et
  5° des personnes autrement liées ou associées aux réviseurs d'entreprises.
  § 2. [2 Aux fins de l'article 32 et, en particulier, en cas de contrôle de qualité d'un réviseur d'entreprises effectuant le contrôle légal des comptes consolidés et/ou une mission d'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité, ou en cas d'exécution de devoirs de surveillance visés à l'article 53 relatif à un contrôle légal des comptes consolidés d'un groupe d'entreprises ou relatif à une mission d'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité d'un groupe d'entreprises, le contrôleur du groupe met à la disposition du Collège, lorsque celui-ci le demande, la documentation pertinente qu'il conserve sur les travaux d'audit ou d'assurance effectués par le ou les contrôleurs de pays tiers, les contrôleurs légaux des comptes, les entités d'audit de pays tiers ou cabinets d'audit respectifs aux fins du contrôle du groupe ou aux fins de procéder à l'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité, y compris tout document de travail pertinent pour le contrôle du groupe et/ou pour l'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité d'un groupe d'entreprises.
   Le Collège peut demander aux autorités compétentes d'autres Etats membres, conformément à l'article 47, des documents supplémentaires concernant les travaux d'audit ou d'assurance effectués par le ou les contrôleurs légaux des comptes ou cabinets d'audit aux fins du contrôle du groupe ou aux fins de procéder à l'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité.
   Lorsqu'une entreprise mère ou une entreprise filiale d'un groupe d'entreprises est contrôlée par un ou des contrôleurs ou une ou des entités d'audit de pays tiers, le Collège peut demander aux autorités compétentes concernées du pays tiers des documents supplémentaires concernant les travaux d'audit et/ou les travaux d'assurance effectués par le ou les contrôleurs de pays tiers ou la ou les entités d'audit de pays tiers par le biais des accords sur les modalités de travail visés à l'article 51.
   Par dérogation à l'alinéa 3, lorsqu'une entreprise mère ou une entreprise filiale d'un groupe d'entreprises est contrôlée par un ou des contrôleurs ou une ou des entités d'audit de pays tiers avec lequel il n'existe pas d'accords sur les modalités de travail visés à l'article 51, le contrôleur du groupe est également chargé, s'il est invité à le faire, de veiller à ce que les documents supplémentaires concernant les travaux d'audit et/ou les travaux d'assurance effectués par ce ou ces contrôleurs de pays tiers ou cette ou ces entités d'audit de pays tiers, y compris les documents de travail pertinents pour le contrôle du groupe et/ou pour l'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité, soient bien fournis. A cet effet, le contrôleur du groupe conserve une copie de ces documents, ou convient avec le ou les contrôleurs de pays tiers ou le ou les entités d'audit de pays tiers qu'il aura accès sans restriction à ces documents s'il en fait la demande, ou prend toute autre mesure appropriée. Si des obstacles légaux ou autres empêchent la transmission des documents d'audit et/ou des documents d'assurance d'un pays tiers au contrôleur du groupe, les documents conservés par le contrôleur du groupe comportent des preuves qu'il a suivi les procédures appropriées pour accéder aux documents d'audit et/ou aux documents d'assurance ainsi que, en cas d'obstacles autres que des obstacles légaux résultant de la législation du pays tiers concerné, des preuves établissant l'existence de ces obstacles.]2

  § 3. Le Collège peut demander aux autorités judiciaires de collecter toute information et tout document jugé utile aux fins mentionnées au paragraphe 1er. Les autorités judiciaires transmettent au Collège ces informations et documents, sous réserve des informations et documents relatifs à des procédures judiciaires pendantes qui ne peuvent être communiqués sans l'autorisation expresse du procureur général.
  Le procureur général compétent peut refuser de donner suite à la demande visée à l'alinéa 1er lorsqu'une procédure judiciaire est déjà engagée pour les mêmes faits et contre les mêmes personnes ou lorsque celles-ci ont déjà été définitivement jugées pour les mêmes faits.
  
Art.54/1. [1 Voor de in artikel 54, § 1, eerste lid, 1°, 2° en 3°, bedoelde doelstellingen beschikt de secretaris-generaal over de bevoegdheid om iedere persoon als bedoeld in artikel 54, § 1, derde lid, op te roepen en te verhoren volgens de hieronder bepaalde regels.
   De oproeping voor een verhoor door de secretaris-generaal gebeurt hetzij door gewone kennisgeving, hetzij door een ter post aangetekende brief, hetzij door een dagvaarding.
   Eenieder die met toepassing van het eerste lid wordt opgeroepen, is gehouden te verschijnen.
   Bij het verhoor van personen, ongeacht in welke hoedanigheid, neemt de secretaris-generaal ten minste de volgende regels in acht:
   1° ieder verhoor begint met de mededeling aan de verhoorde persoon:
   a) dat hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, in de gebruikte bewoordingen worden genoteerd;
   b) dat hij kan vragen dat een bepaalde onderzoekshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen;
   c) dat zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt;
   2° eenieder die wordt verhoord, mag gebruik maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat het verhoor daardoor wordt uitgesteld. Hij mag, tijdens de ondervraging of later, eisen dat deze documenten bij het proces-verbaal van het verhoor worden gevoegd;
   3° aan het einde van het verhoor geeft de ondervrager de ondervraagde persoon het proces-verbaal van zijn verhoor ter nalezing, tenzij laatstgenoemde vraagt dat het hem wordt voorgelezen. Er wordt hem gevraagd of hij zijn verklaringen wil verbeteren of er iets wil aan toevoegen;
   4° indien de ondervraagde persoon zich in een andere taal dan die van de procedure wenst uit te drukken, worden zijn verklaringen genoteerd in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zijn verklaring zelf te noteren;
   5° er wordt de ondervraagde persoon meegedeeld dat hij kosteloos een kopie van de tekst van zijn verhoor kan verkrijgen, die hem, desgevraagd, onmiddellijk of binnen een maand wordt overhandigd of verstuurd.]1

  
Art. 54/1. [1 Aux fins visées à l'article 54, § 1er, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, le secrétaire général dispose du pouvoir de convoquer et d'entendre toute personne visée à l'article 54, § 1er, alinéa 3, selon les règles définies ci-dessous.
   La convocation à une audition tenue par le secrétaire général s'effectue soit par simple notification, soit par lettre recommandée à la poste, soit encore par citation.
   Toute personne convoquée en application de l'alinéa 1er est tenue de comparaître.
   Lors de l'audition de personnes entendues, en quelque qualité que ce soit, le secrétaire général respectera au moins les règles suivantes:
   1° au début de toute audition, il est communiqué à la personne auditionnée:
   a) qu'elle peut demander que toutes les questions qui lui sont posées et les réponses qu'elle donne soient actées dans les termes utilisés;
   b) qu'elle peut demander qu'il soit procédé à tel acte d'information ou telle audition;
   c) que ses déclarations peuvent être utilisées comme preuve en justice;
   2° toute personne auditionnée peut utiliser les documents en sa possession, sans que cela puisse entraîner le report de l'audition. Elle peut, lors de l'audition ou ultérieurement, exiger que ces documents soient joints au procès-verbal d'audition;
   3° à la fin de l'audition, le procès-verbal est donné en lecture à la personne auditionnée, à moins que celle-ci ne demande que lecture lui en soit faite. Il lui est demandé si ses déclarations ne doivent pas être corrigées ou complétées;
   4° si la personne auditionnée souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de la procédure, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration;
   5° la personne auditionnée est informée de ce qu'elle peut obtenir gratuitement une copie du texte de son audition, laquelle, le cas échéant, lui est remise ou adressée immédiatement ou dans le mois.]1

  
Art.54/2. [1 De bepalingen van de artikelen 57, 59 en 60 zijn van toepassing bij niet-naleving van de krachtens artikel 54/1 opgelegde verplichtingen of maatregelen.]1
  
Art. 54/2. [1 Les dispositions des articles 57, 59 et 60 sont applicables en cas de non-respect des obligations ou mesures imposées en vertu de l'article 54/1.]1
  
Art.54/3. [1 § 1. Onverminderd de uitzonderingen bedoeld in de artikelen 14, lid 5, met name punten c) en d), 17, lid 3, punt b), 18, lid 2, en 20, lid 3, van Verordening 2016/679, wordt, teneinde de doelstellingen te waarborgen van artikel 23, lid 1, punten d), e), g) en h), van de voornoemde verordening, de uitoefening van de rechten bedoeld in de artikelen 12 (transparante informatie, communicatie en nadere regels voor de uitoefening van de rechten van de betrokkene), 13 (te verstrekken informatie wanneer persoonsgegevens bij de betrokkene worden verzameld), 15 (recht van inzage), 16 (recht op rectificatie), 19 (kennisgevingsplicht inzake rectificatie of wissing van persoonsgegevens of verwerkingsbeperking), 21 (recht van bezwaar) en 34 (mededeling van een inbreuk in verband met persoonsgegevens aan de betrokkene) van deze verordening volledig beperkt voor verwerkingen van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 4, lid 1, van dezelfde verordening die het College uitvoert als verwerkingsverantwoordelijke die belast is met taken van algemeen belang, met taken die betrekking hebben op de voorkoming en de opsporing van strafbare feiten, en van schendingen van de beroepscodes voor gereglementeerde beroepen alsook met taken op het gebied van toezicht, inspectie of regelgeving die verband houden met de uitoefening van het openbaar gezag :
   a) met het oog op de uitoefening van de opdrachten die worden opgesomd in artikel 32 van deze wet, of van enige andere opdracht die aan het College wordt toegekend op grond van een andere bepaling van nationaal of Europees recht, wanneer die gegevens niet bij de betrokkene zijn verkregen; en
   b) in het kader van de procedures voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes die worden gevoerd met toepassing van de artikelen 56, 58 en 59, van deze wet, voor zover de desbetreffende persoonsgegevens verband houden met het voorwerp van het onderzoek of de controle.
   De in het eerste lid, a) bedoelde afwijkingen gelden zolang de betrokkene in voorkomend geval geen wettelijke toegang heeft verkregen tot het hem betreffend administratief dossier dat wordt bijgehouden door het College en dat de desbetreffende persoonsgegevens bevat.
   § 2. Artikel 5 van Verordening 2016/679 is niet van toepassing op de verwerkingen van persoonsgegevens door het College in dezelfde gevallen als die waarvan sprake in paragraaf 1, voor zover de bepalingen van dit artikel overeenstemmen met de rechten en verplichtingen als bedoeld in de artikelen 12 tot en met 22 van Verordening 2016/679.]1

  
Art. 54/3. [1 § 1er. Outre les exceptions prévues aux articles 14, paragraphe 5, en particulier les points c) et d), 17, paragraphe 3, point b), 18, paragraphe 2, et 20, paragraphe 3, du Règlement 2016/679, en vue de garantir les objectifs de l'article 23, paragraphe 1er, points d), e), g) et h), du règlement précité, l'exercice des droits visés aux articles 12 (transparence des informations et des communications et modalités de l'exercice des droits de la personne concernée), 13 (informations à fournir lorsque les données à caractère personnel sont collectées auprès de la personne concernée), 15 (droit d'accès), 16 (droit de rectification), 19 (obligation de notification en ce qui concerne la rectification ou l'effacement de données à caractère personnel ou la limitation du traitement), 21 (droit d'opposition) et 34 (communication à la personne concernée d'une violation de données à caractère personnel) de ce règlement est limité entièrement s'agissant des traitements de données à caractère personnel visées à l'article 4, paragraphe 1er, du même règlement qui sont effectués par le Collège en sa qualité de responsable du traitement exerçant des missions d'intérêt public, des missions de prévention et de détection d'infractions pénales et de manquements à la déontologie des professions réglementées, ainsi que des missions de contrôle, d'inspection ou de réglementation liée à l'exercice de l'autorité publique: :
   a) en vue de l'exercice de ses missions énumérées à l'article 32 de la présente loi ou d'autres missions qui lui sont dévolues par toute autre disposition du droit national ou européen, lorsque ces données n'ont pas été obtenues auprès de la personne concernée; et
   b) dans le cadre des procédures pour l'imposition de mesures et amendes administratives menées en application des articles 56, 58 et 59 de la présente loi pour autant que les données à caractère personnel concernées soient liées à l'objet de l'enquête ou du contrôle.
   Les dérogations visées à l'alinéa 1er, a) valent tant que la personne concernée n'a pas, le cas échéant, obtenu légalement l'accès au dossier administratif la concernant, tenu par le Collège et qui contient les données à caractère personnel en cause.
   § 2. L'article 5 du Règlement 2016/679 ne s'applique pas aux traitements de données à caractère personnel effectués par le Collège dans les mêmes hypothèses que celles visées au paragraphe 1er, dans la mesure où les dispositions de cet article correspondent aux droits et obligations prévus aux articles 12 à 22 du Règlement 2016/679. ]1

  
Art.55. Het College kan, ten aanzien van de bedrijfsrevisoren of het Instituut, de regels vastleggen inzake de verslaggeving die periodiek of systematisch aan het College moet worden overgemaakt in verband met de activiteiten onder zijn toezicht.
  De betrokken personen of entiteiten zijn verplicht om deze informatie of documenten aan het College over te maken binnen de termijn en in de vorm bepaald door het College.
Art.55. Le Collège peut, à l'égard des réviseurs d'entreprises ou de l'Institut, déterminer les règles relatives aux informations qui doivent être communiquées périodiquement ou systématiquement au Collège concernant les activités soumises à son contrôle.
  Les personnes ou entités en question sont tenues de transmettre ces informations ou documents au Collège dans le délai et la forme que celui-ci détermine.
Art.56. § 1. Indien de secretaris-generaal bij de uitoefening van zijn functie, inzonderheid op het vlak van de kwaliteitscontrole en het toezicht, ernstige aanwijzingen vaststelt van het bestaan van een praktijk die aanleiding kan geven tot het opleggen van een administratieve maatregel of een administratieve geldboete als bedoeld in artikel 59, ziet hij erop toe de beginselen en de verplichtingen die, in het stadium van het onderzoek, gelden met betrekking tot, naargelang het geval, administratieve maatregelen of sancties na te leven. [1 ...]1
  [1 § 1/1. Bij de uitoefening van zijn opdracht kan de secretaris-generaal [2 ...]2 alle onderzoeksbevoegdheden uitoefenen die aan het College zijn toevertrouwd door de bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader.
   § 1/2. Nadat het onderzoek is afgerond, wordt een voorlopig onderzoeksverslag opgesteld dat aanduidt of de vastgestelde feiten aanleiding kunnen geven tot de oplegging van een administratieve maatregel of geldboete als bedoeld in artikel 59, dan wel of zij een strafrechtelijke inbreuk kunnen vormen. De secretaris-generaal [2 ...]2 stuurt een kopie van het relaas der feiten aan de betrokken partijen die over een termijn van een maand beschikken om hun opmerkingen kenbaar te maken. De partijen kunnen de secretaris-generaal [2 ...]2 tevens verzoeken bijkomende onderzoeksdaden te stellen. Als de secretaris-generaal [2 ...]2 meent geen gevolg te moeten verlenen aan dat verzoek, vermeldt hij de reden daartoe in zijn onderzoeksverslag. De secretaris-generaal [2 ...]2 brengt het College op de hoogte van het definitief verslag.]1

  § 2. Het Comité beslist over het gevolg dat het aan het verslag van de secretaris-generaal geeft.
  
Art.56. § 1er. Lorsque dans le cadre de l'exercice de ses fonctions, en particulier dans le cadre de ses fonctions en matière de contrôle de qualité et de surveillance, le secrétaire général constate qu'il existe des indices sérieux de l'existence d'une pratique susceptible de donner lieu à l'application d'une mesure administrative ou d'une amende administrative visée à l'article 59, il veille à respecter les principes et obligations applicables au stade de l'instruction en matière, selon le cas, de mesures ou sanctions administratives. [1 ...]1
  [1 § 1er/1. Pour l'exercice de sa fonction, le secrétaire général [2 ...]2 peut exercer tous les pouvoirs d'instruction confiés au Collège par les dispositions du cadre législatif et réglementaire applicable.
   § 1er/2. A l'issue de l'instruction, un rapport provisoire d'instruction est établi qui indique si les faits relevés sont susceptibles de donner lieu à l'application d'une mesure ou amende administrative visée à l'article 59, ou de constituer une infraction pénale. Le secrétaire général [2 ...]2 adresse une copie de l'exposé des faits aux parties intéressées qui disposent d'un délai d'un mois pour faire valoir leurs observations. Les parties peuvent demander au secrétaire général [2 ...]2 l'accomplissement d'actes d'instructions complémentaires. Lorsque le secrétaire général [2 ...]2 estime ne pas devoir réserver de suite à cette demande, il en mentionne la raison dans son rapport d'instruction. Le secrétaire général [2 ...]2 saisit le comité du Collège du rapport définitif.]1

  § 2. Le Comité décide des suites qu'il donne au rapport du secrétaire général.
  
Art.57. § 1. Onverminderd de overige maatregelen bepaald door de wet, kan het College elke persoon als bedoeld in artikel 54, § 1, derde lid, een termijn opleggen waarbinnen deze zich dient te conformeren aan sommige bepalingen van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader, en dient af te zien van herhaling van die gedraging.
  In geval van hoogdringendheid kan het College, voor deze termijn, de uitoefening van de volledige of van een deel van de activiteit door de bedrijfsrevisor verbieden en de inschrijving in het register schorsen.
  Als de betrokken persoon in gebreke blijft bij afloop van de hem opgelegde termijn, kan het College, na hem te hebben gehoord of ten minste behoorlijk te hebben opgeroepen,
  1° zijn standpunt met betrekking tot de krachtens het eerste lid gedane vaststellingen bekendmaken;
  2° de betaling van een dwangsom opleggen die, noch meer mag bedragen dan 50.000 euro, per kalenderdag waarop de aanmaning niet wordt nageleefd, noch in totaal 2.500.000 euro mag overschrijden, of
  3° de bedrijfsrevisor gelasten zich voorlopig te onthouden van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening. Die maatregel is van toepassing gedurende de door het College bepaalde periode. Hij houdt van rechtswege op uitwerking te hebben als de sanctiecommissie niet binnen zes maanden na het opleggen van deze maatregel is geadieerd met aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen die de maatregel rechtvaardigen. Zijn effecten houden eveneens van rechtswege op wanneer de beslissing van de sanctiecommissie inzake deze aanwijzingen, feiten of tenlasteleggingen in kracht van gewijsde is gegaan.
  § 2. Indien het College een verbod uitspreekt in de zin van paragraaf 1, tweede lid, kan het zelf, op kosten van de bedrijfsrevisor, overgaan tot de publicatie van de maatregelen die het de bedrijfsrevisor oplegt, in de dagbladen en publicaties van zijn keuze en op de plaatsen en voor de duur die het vaststelt. Het College kan ook beslissen om die maatregelen te publiceren op internet, in voorkomend geval, op de wijze als bepaald in artikel 72, § 3, vierde tot zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002.
  § 3. Wanneer een dwangsom die door het College is opgelegd op grond van het toepasselijke wetgevende en reglementaire kader wordt verbeurd, maakt het College zijn beslissing tot oplegging van de dwangsom en de redenen hiervan, alsook de verbeuring van de dwangsom bekend op internet, volgens de modaliteiten en onder de voorwaarden die mutatis mutandis in artikel 72, § 3, vierde tot zevende lid, van de wet van 2 augustus 2002 worden bedoeld.
  § 4. Bij niet-naleving door een bedrijfsrevisor van een in paragraaf 1, tweede lid bedoelde schorsing of een in paragraaf 1, derde lid, 3°, bedoelde aanmaning om zich voorlopig van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening te onthouden, kan een in paragraaf 1, derde lid, 2°, bedoelde dwangsom en een in artikel 59, paragraaf 1, 8°, bedoelde administratieve geldboete worden opgelegd.
  § 5. Onverminderd de overige maatregelen waarvan sprake in deze wet, kan het College, wanneer de feiten die de bedrijfsrevisor worden verweten, hoewel zij vaststaan, de oplegging van een in paragraaf 1 bedoelde termijn niet verantwoorden, de bedrijfsrevisor terechtwijzen.
Art.57. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, le Collège peut fixer à toute personne visée à l'article 54, § 1er, alinéa 3, un délai dans lequel elle doit se conformer à des dispositions déterminées du cadre législatif et réglementaire applicable et s'abstenir de réitérer le comportement en cause.
  En cas d'urgence, le Collège peut interdire pour la durée de ce délai l'exercice de tout ou partie de l'activité du réviseur d'entreprises et suspendre l'inscription au registre.
  Si la personne concernée reste en défaut à l'expiration du délai imparti, le Collège peut, l'ayant entendue ou à tout le moins dûment convoquée,
  1° rendre publique sa position quant aux constatations faites en vertu de l'alinéa 1er;
  2° imposer le paiement d'une astreinte qui ne peut être, par jour calendrier de non-respect de l'injonction, supérieure à 50.000 euros, ni, au total, excéder 2.500.000 euros; ou
  3° enjoindre au réviseur d'entreprises de s'abstenir provisoirement de tout service professionnel ou de services déterminés. Cette mesure est applicable pendant le délai indiqué par le Collège. Elle cesse ses effets de plein droit si la commission des sanctions n'est pas saisie des indices, faits ou charges ayant justifié cette mesure dans les six mois de cette mesure. Elle cesse également de plein droit ses effets lorsque la décision de la commission des sanctions relative à ces indices, faits ou charges, est coulée en force de chose jugée.
  § 2. Lorsque le Collège prononce une interdiction au sens du paragraphe premier, alinéa 2, il peut faire procéder, aux frais du réviseur d'entreprises, à la publication des mesures qu'il a prises à l'égard du réviseur d'entreprises, dans les journaux et publications de son choix ou dans les lieux et pendant la durée qu'il détermine. Le Collège peut également décider de publier ces mesures sur internet, le cas échéant, selon les modalités visées à l'article 72, § 3, alinéas 4 à 7, de la loi du 2 août 2002.
  § 3. Lorsqu'une astreinte est imposée par le Collège en vertu du cadre législatif et réglementaire applicable, le Collège rend publics sur internet sa décision d'imposition de l'astreinte et les motifs de cette décision, ainsi que le fait que l'astreinte est imposée, selon les modalités et aux conditions visées, mutatis mutandis, à l'article 72, § 3, alinéas 4 à 7, de la loi du 2 août 2002.
  § 4. Le non-respect par un réviseur d'entreprises d'une suspension immédiate visée au premier paragraphe, alinéa 2, ou d'une injonction d'abstention provisoire visée au premier paragraphe, alinéa 3, 3°, peut faire l'objet d'une astreinte visée au premier paragraphe, alinéa 3, 2°, et d'une amende administrative visée à l'article 59, paragraphe 1er, 8°.
  § 5. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, lorsque les faits reprochés au réviseur d'entreprises, tout en étant avérés, ne justifient pas l'imposition d'un délai visé au paragraphe premier, le Collège peut rappeler ce réviseur à l'ordre.
Art.58. Indien het College beslist om, met toepassing van artikel 56, § 2, een procedure in te stellen die tot het opleggen van een administratieve maatregel of een administratieve geldboete kan leiden, stelt het de betrokken personen in kennis van de grieven en legt het hen het verslag van de secretaris-generaal over.
  Het College maakt de kennisgeving van de grieven over aan de voorzitter van de sanctiecommissie.
  Indien één van de in een kennisgeving vermelde grieven een strafrechtelijke inbreuk kan uitmaken, maakt het College deze kennisgeving over aan de bevoegde procureur des Konings. Het College kan beslissen om zijn beslissing openbaar te maken.
  Wanneer de procureur des Konings beslist een strafvordering in te stellen met betrekking tot de feiten waarop de kennisgeving van de grieven slaat, stelt hij het College daarvan onverwijld in kennis. De procureur des Konings kan het College ambtshalve of op verzoek van deze laatste, een kopie bezorgen van alle stukken die verband houden met de procedure met betrekking tot de feiten die zijn overgemaakt.
  Tegen de beslissing om een kennisgeving van de grieven over te maken aan de voorzitter van de sanctiecommissie, om kennisgeving van de grieven over te leggen aan de procureur des Konings of om die laatste beslissing openbaar te maken, kan geen beroep worden ingesteld.
Art.58. Si le Collège décide, en application de l'article 56, § 2, d'engager une procédure qui peut mener à l'application d'une mesure administrative ou d'une amende administrative, il adresse aux personnes concernées une notification de griefs accompagnée du rapport du secrétaire général.
  Le Collège transmet la notification de griefs au président de la commission des sanctions.
  Si l'un des griefs notifiés est susceptible de constituer une infraction pénale, le Collège en informe le procureur du Roi compétent. Le Collège peut décider de rendre sa décision publique.
  Lorsque le procureur du Roi décide de mettre en mouvement l'action publique sur les faits concernés par la notification des griefs, il en informe sans délai le Collège. Le procureur du Roi peut transmettre au Collège d'office ou à la demande de ce dernier, copie de toute pièce relative à la procédure relative aux faits qui ont fait l'objet de la transmission.
  La décision du Collège de transmettre une notification de griefs au président de la commission des sanctions, d'informer le procureur du Roi d'une notification de griefs ou de rendre cette décision publique n'est pas susceptible de recours.
Art.59. § 1. Onverminderd de overige maatregelen bepaald door deze wet, is de sanctiecommissie van de FSMA het bevoegde orgaan voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes bij een inbreuk op de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen. Onverminderd de overige maatregelen waarvan sprake in deze wet, kan de sanctiecommissie van de FSMA, indien zij, overeenkomstig artikel 58 en met naleving van de procedure als bedoeld in hoofdstuk III, afdeling 5, van de wet van 2 augustus 2002, met uitzondering van de artikelen 70 en 71, een inbreuk vaststelt op de toepasselijke wettelijke, reglementaire en normatieve bepalingen, de volgende maatregelen nemen ten aanzien van de bedrijfsrevisoren [2 , auditors of auditorganisaties van een derde land]2 en
  - met betrekking tot de bepaling onder 6°, ten aanzien van een lid van het leidinggevend of bestuursorgaan van een organisatie van openbaar belang, en
  - met betrekking tot de bepaling onder 8°, ten aanzien van de persoon die de beroepswerkzaamheid van bedrijfsrevisor uitoefent in België, zonder daartoe erkend te zijn:
  1° een waarschuwing;
  2° een berisping;
  3° een openbare verklaring op de website van de FSMA, waarin de naam van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon en de aard van de inbreuk worden vermeld;
  4° een tijdelijk verbod van maximaal drie jaar voor de bedrijfsrevisor, het geregistreerde auditkantoor of de vaste vertegenwoordiger om iedere beroepsmatige dienstverlening of bepaalde dienstverlening te verrichten;
  5° [3 een openbare verklaring dat het controleverslag of het assuranceverslag niet voldoet aan de eisen van artikel 28 of van artikel 28bis van de Richtlijn 2006/43/EG of, in voorkomend geval, van artikel 10 van Verordening (EU) nr. 537/2014;]3
  6° een tijdelijk verbod van maximaal drie jaar voor een lid van een bedrijfsrevisorenkantoor of van een leidinggevend of bestuursorgaan van een organisatie van openbaar belang om functies in bedrijfsrevisorenkantoren of organisaties van openbaar belang te bekleden;
  7° de intrekking van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor;
  8° een administratieve geldboete die niet meer mag bedragen dan 2.500.000 euro voor hetzelfde feit of geheel van feiten. Wanneer de inbreuk de overtreder een vermogensvoordeel heeft opgeleverd of hem in staat heeft gesteld een verlies te vermijden, mag dit maximum worden verhoogd tot het drievoud van het bedrag van dat voordeel of dat verlies.
  De tijdelijke schorsingen als bedoeld in de bepalingen onder 4° en 6° gaan in op de dag waarop die schorsing ter kennis wordt gebracht van de persoon die wordt geschorst.
  Wanneer de sanctiecommissie een in de bepaling onder 4° bedoeld tijdelijk verbod oplegt aan een bedrijfsrevisor, geregistreerd auditkantoor of vaste vertegenwoordiger, die (dat) zich, op de dag van de kennisgeving van dat tijdelijke verbod, voorlopig van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening onthoudt ingevolge een in artikel 57, § 1, derde lid, 3°, bedoelde aanmaning om zich voorlopig van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening te onthouden, dat op grond van dezelfde feiten is uitgesproken, wordt het opgelegde tijdelijke verbod geacht te zijn ingegaan op de dag van de kennisgeving van de aanmaning om zich tijdelijk van iedere beroepsmatige dienstverlening of van bepaalde dienstverlening te onthouden.
  De sanctiecommissie stelt het College in kennis van de op basis van dit artikel genomen beslissingen.
  § 2. Bij verwijzing van een bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon naar de sanctiecommissie kan het bedrijfsrevisorenkantoor dat deze revisor, in voorkomend geval, vertegenwoordigt, enkel wegens een onderscheiden fout in hoofde van het bedrijfsrevisorenkantoor zelf worden doorverwezen.
  
Art.59. § 1er. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la commission des sanctions de la FSMA est l'organe compétent pour la prise de mesures et amendes administratives en cas d'infraction aux dispositions légales, réglementaires et normatives applicables. Sans préjudice des autres mesures prévues par la présente loi, la commission des sanctions de la FSMA peut, lorsque, conformément à l'article 58, et dans le respect de la procédure visée au chapitre III, section 5, de la loi du 2 août 2002 à l'exclusion des articles 70 et 71, elle constate une infraction aux dispositions légales, réglementaires et normatives applicables, prendre les mesures suivantes à l'égard des réviseurs d'entreprises [2 , de contrôleurs ou entités d'audit de pays tiers]2 et
  - en ce qui concerne le 6°, à l'égard d'un membre de l'organe d'administration ou de direction d'une entité d'intérêt public, et
  - en ce qui concerne le 8°, à l'égard de celui qui exerce l'activité professionnelle de réviseur d'entreprises en Belgique alors qu'il n'est pas reconnu à ce titre:
  1° un avertissement;
  2° une réprimande;
  3° une déclaration publique indiquant le nom de la personne responsable et la nature de l'infraction, sur le site web de la FSMA;
  4° une interdiction temporaire d'une durée maximale de trois ans à l'encontre du réviseur d'entreprises, du cabinet d'audit enregistré ou du représentant permanent de procéder à tout service professionnel ou services déterminés;
  5° [3 une déclaration publique indiquant que le rapport d'audit ou le rapport d'assurance ne remplit pas les exigences de l'article 28 ou de l'article 28bis de la directive 2006/43/CE ou, le cas échéant, de l'article 10 du règlement (UE) n° 537/2014;]3
  6° une interdiction temporaire d'une durée maximale de trois ans, à l'encontre d'un membre d'un cabinet de révision ou d'un membre de l'organe d'administration ou de direction d'une entité d'intérêt public, d'exercer des fonctions au sein de cabinets de révision ou d'entités d'intérêt public;
  7° le retrait de la qualité de réviseur d'entreprises;
  8° une amende administrative qui ne peut être supérieure à 2.500.000 euros pour le même fait ou pour le même ensemble de faits. Lorsque l'infraction a procuré un profit au contrevenant ou a permis à ce dernier d'éviter une perte, le maximum de l'amende peut être porté au triple du montant de ce profit ou de cette perte.
  Les suspensions temporaires visées aux 4° et 6° commencent à courir au jour où cette suspension a été notifiée à la personne visée par la suspension.
  Lorsque la commission des sanctions prononce une interdiction temporaire visée au 4° à l'encontre d'un réviseur d'entreprises, cabinet d'audit enregistré ou représentant permanent, s'abstenant, au jour de la notification de l'interdiction temporaire, provisoirement de tout service professionnel ou de services déterminés suite à une injonction d'abstention provisoire visée à l'article 57, § 1er, alinéa 3, 3°, et prononcée pour les mêmes faits, l'interdiction temporaire prononcée est réputée avoir commencée le jour de la notification de l'injonction d'abstention provisoire de tout service professionnel ou de services déterminés.
  La commission des sanctions communique au Collège les décisions prises sur base du présent article.
  § 2. En cas de renvoi d'un réviseur d'entreprises personne physique devant la commission des sanctions, le cabinet de révision que ce réviseur d'entreprises représente le cas échéant, ne peut être renvoyé qu'en raison d'une faute distincte dans le chef du cabinet de révision même.
  
Art.60. De dwangsommen opgelegd met toepassing van artikel 57 en de administratieve geldboetes opgelegd met toepassing van artikel 59, worden ten voordele van de Schatkist geïnd door de administratie van het Kadaster, de Registratie en de Domeinen.
Art.60. Les astreintes imposées en application de l'article 57 et les amendes administratives imposées en application de l'article 59 sont recouvrées au profit du Trésor par l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines.
Afdeling 5. - Verhaalmiddelen
Section 5. - Voies de recours
Art.61. § 1. Tegen de in artikel 57, § 1, derde lid, 2°, bedoelde beslissingen van het College kan beroep worden ingesteld bij het Hof van Beroep van Brussel.
  § 2. Onverminderd de strengere bijzondere bepalingen bepaald door of krachtens de wet, kan door de bij het College betrokken partijen beroep zoals bedoeld in paragraaf 1 worden ingesteld.
  Onverminderd de door of krachtens de wet bepaalde bijzondere voorschriften bedraagt de beroepstermijn, op straffe van nietigheid, 30 dagen.
  De termijn voor het instellen van beroep vangt aan, voor de personen die deze kennisgeving hebben ontvangen, met de kennisgeving van de betwiste beslissing, en voor alle andere belanghebbende personen, op de datum waarop deze beslissing is gepubliceerd of hen bekend werd. Wanneer het College geen uitspraak heeft gedaan binnen de door of krachtens de wet vastgestelde termijn, vangt de termijn na afloop van die termijn aan.
  § 3. Het in paragraaf 1 bedoelde beroep moet, op straffe van niet-ontvankelijkheid die ambtshalve wordt uitgesproken, worden ingesteld bij ondertekend verzoekschrift ingediend ter griffie van het Hof van Beroep van Brussel in zoveel exemplaren als er partijen zijn.
  Op straffe van niet-ontvankelijkheid bevat het verzoekschrift:
  1° de vermelding van de dag, de maand en het jaar;
  2° indien de verzoeker een natuurlijk persoon is, zijn naam, voornamen en woonplaats; indien de verzoeker een rechtspersoon is, zijn naam, zijn rechtsvorm, zijn maatschappelijke zetel en het orgaan dat hem vertegenwoordigt;
  3° de vermelding van de beslissing waarop het beroep betrekking heeft;
  4° de uiteenzetting van de middelen;
  5° de aanduiding van de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het Hof van Beroep;
  6° de inventaris van de verantwoordingsstukken die samen met het verzoekschrift ter griffie zijn neergelegd.
  Het verzoekschrift wordt door de griffie van het Hof van Beroep van Brussel ter kennis gebracht van alle partijen die door de verzoeker in het geding zijn opgeroepen.
  Op ieder ogenblik kan het Hof van Beroep van Brussel ambtshalve alle andere partijen, van wie de toestand door de beslissing over het beroep dreigt te worden beïnvloed, in het geding oproepen.
  Het Hof van Beroep van Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten overleggen en een kopie ervan ter griffie moeten neerleggen. Het Hof bepaalt ook de datum van de debatten.
  Elk van de partijen kan haar schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van Beroep van Brussel neerleggen en ter plaatse het dossier op de griffie raadplegen. Het Hof van Beroep van Brussel bepaalt de termijn waarbinnen die opmerkingen moeten worden overgelegd. Zij worden door de griffie ter kennis gebracht van de partijen.
  § 4. De griffie van het Hof van Beroep van Brussel vraagt aan het College, binnen de vijf dagen na de inschrijving van de zaak op de rol, de toezending van het dossier van de rechtspleging. Binnen de vijf dagen na ontvangst van de vraag moet het dossier worden toegezonden.
  § 5. Het beroep tegen een beslissing van het College als bedoeld in artikel 57, § 1, derde lid, 2°, schort de beslissing van het College op. Het opschortende karakter van het beroep is beperkt tot de inning van de dwangsom. Het opschortende karakter belet niet dat de dwangsom verbeurt en staat de bekendmaking overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen niet in de weg.
Art.61. § 1er. Un recours auprès de la Cour d'appel de Bruxelles est ouvert contre les décisions du Collège prises en application de l'article 57, § 1er, alinéa 3, 2°.
  § 2. Sans préjudice des dispositions spéciales plus restrictives prévues par ou en vertu de la loi, les recours visés au paragraphe 1er sont ouverts aux parties en cause devant le Collège.
  Sans préjudice des dispositions spéciales prévues par ou en vertu de la loi, le délai de recours, prescrit à peine de nullité, est de 30 jours.
  Le délai de recours court à compter de la notification de la décision attaquée pour les personnes ayant reçu cette notification et à compter de la date à laquelle cette décision a été publiée ou leur a été connue, pour les autres personnes intéressées. Lorsque le Collège n'a pas statué dans le délai fixé par ou en vertu de la loi, le délai court à compter de l'échéance de ce délai.
  § 3. Les recours visés au paragraphe 1er sont formés, à peine d'irrecevabilité prononcée d'office, par requête signée et déposée au greffe de la Cour d'appel de Bruxelles en autant d'exemplaires que de parties à la cause.
  A peine d'irrecevabilité, la requête contient:
  1° l'indication des jour, mois et an;
  2° si le requérant est une personne physique, ses nom, prénoms et domicile; si le requérant est une personne morale, sa dénomination, sa forme, son siège social et l'organe qui la représente;
  3° la mention de la décision faisant l'objet du recours;
  4° l'exposé des moyens;
  5° l'indication des lieu, jour et heure de la comparution fixés par le greffe de la Cour d'appel;
  6° l'inventaire des pièces et documents justificatifs remis au greffe en même temps que la requête.
  La requête est notifiée par le greffe de la Cour d'appel de Bruxelles à toutes les parties appelées à la cause par le requérant.
  A tout moment, la Cour d'appel de Bruxelles peut d'office appeler à la cause toutes autres personnes dont la situation risque d'être affectée par la décision à intervenir sur le recours.
  La Cour d'appel de Bruxelles fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et en déposer copie au greffe. Elle fixe également la date des débats.
  Les parties peuvent chacune déposer leurs observations écrites au greffe de la Cour d'appel de Bruxelles et consulter sur place le dossier au greffe. La Cour d'appel de Bruxelles fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
  § 4. Le greffe de la Cour d'appel de Bruxelles demande au Collège, dans les cinq jours de l'inscription de la cause au rôle, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les cinq jours de la réception de la demande.
  § 5. Les recours contre une décision du Collège visée à l'article 57, § 1er, alinéa 3, 2°, sont suspensifs de la décision du Collège. Le caractère suspensif du recours se limite au recouvrement de l'astreinte. Le caractère suspensif n'empêche pas que l'astreinte soit encourue et n'empêche pas que la publication ait lieu conformément aux dispositions légales applicables.
Afdeling 6. - Strafsancties
Section 6. - Sanctions pénales
Art.62. § 1. De inbreuken op de artikelen 44 [1 ...]1 en 52, § 4, laatste lid, worden gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 2. Elk gebruik door de partij die het voorwerp is van het onderzoek van de secretaris-generaal als bedoeld in artikel 56, van de inlichtingen verkregen over het onderzoek of over de gegevens die het voorwerp uitmaken van het onderzoek, dat tot doel en tot gevolg heeft het verloop van het onderzoek te hinderen of inbreuk te plegen op het privéleven, de fysieke of morele integriteit of de goederen van een in het dossier genoemde persoon, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 460ter van het Strafwetboek.
  Elke andere persoon die zijn medewerking dient te verlenen of verleent aan het onderzoek van de secretaris-generaal als bedoeld in artikel 56, is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de straffen bepaald in artikel 458 van het Strafwetboek.
  § 3. De bepalingen van het eerste boek van het Strafwetboek, zonder uitzondering van hoofdstuk VII en artikel 85, zijn van toepassing op de in paragrafen 1 en 2 bedoelde inbreuken.
  
Art.62. § 1er. Les infractions aux articles 44 [1 ...]1 et 52, § 4, dernier alinéa, sont punies des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
  § 2. Tout usage, par la partie faisant l'objet de l'enquête du secrétaire général visée à l'article 56, d'informations obtenues au sujet de l'enquête ou d'éléments faisant l'objet de l'enquête, qui aura eu pour but et pour effet d'entraver le déroulement de l'enquête ou de porter atteinte à la vie privée, à l'intégrité physique ou morale ou aux biens d'une personne citée dans le dossier, est puni des peines prévues à l'article 460ter du Code pénal.
  Toute autre personne appelée à prêter ou prêtant son concours à l'enquête du secrétaire général visée à l'article 56 est tenue au secret. Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
  § 3. Les dispositions du livre premier du Code pénal, sans exception du chapitre VII et de l'article 85, sont applicables aux infractions visées aux paragraphes 1er et 2.
  
Afdeling 7. - Raadgevende vergadering voor het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisoren
Section 7. - Assemblée consultative pour la supervision publique de la profession des réviseurs d'entreprises
Art.63. § 1. De raadgevende vergadering voor het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisoren is een raadgevend forum zonder rechtspersoonlijkheid. De raadgevende vergadering vergadert regelmatig en minstens eenmaal per jaar om van gedachten te wisselen over algemene kwesties in verband met het publiek toezicht op het beroep van de bedrijfsrevisoren.
  De raadgevende vergadering mag niet ingaan op individuele dossiers waarop deze wet betrekking heeft.
  Het College, de voorzitter en de leden van het Comité en de personeelsleden van de FSMA die bijdragen tot de uitoefening van de opdrachten van het College, zijn, ten aanzien van de andere leden van de raadgevende vergadering, gebonden door het beroepsgeheim zoals gedefinieerd in artikel 44.
  § 2. Naast de voorzitter van het Comité is de raadgevende vergadering samengesteld uit:
  1° twee vertegenwoordigers benoemd door het College uit de in artikel 35, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde leden;
  2° twee vertegenwoordigers benoemd door de Hoge Raad;
  3° vier vertegenwoordigers benoemd door het Instituut;
  4° twee vertegenwoordigers van de FOD Economie.
  § 3. De Voorzitter van het Comité roept de vergaderingen van de raadgevende vergadering bijeen, zit ze voor en organiseert ze met de hulp van het secretariaat.
Art.63. § 1er. L'assemblée consultative pour la supervision publique de la profession des réviseurs d'entreprises est un forum consultatif sans personnalité juridique. L'assemblée consultative se réunit régulièrement et au moins une fois par an afin de procéder à des échanges de vues sur les questions générales relatives à la supervision publique de la profession de réviseurs d'entreprises.
  L'assemblée consultative ne peut évoquer de dossier individuel visé par la présente loi.
  Le Collège, le président et les membres du Comité et le personnel de la FSMA contribuant à l'exercice des missions du Collège sont tenus au secret professionnel tel que défini à l'article 44 envers les autres membres de l'assemblée consultative.
  § 2. Outre le président du Comité, l'assemblée consultative est composée de:
  1° deux représentants nommés par le Collège parmi les membres visés à l'article 35, alinéa 1er, 1° et 2° ;
  2° deux représentants nommés par le Conseil supérieur;
  3° quatre représentants nommés par l'Institut;
  4° deux représentants du SPF Economie.
  § 3. Le Président du Comité convoque les réunions de l'assemblée consultative, préside celles-ci, et en assure l'organisation, avec l'appui du secrétariat.
HOOFDSTUK 5. - Het Instituut van de bedrijfsrevisoren
CHAPITRE 5. - L'Institut des réviseurs d'entreprises
Afdeling 1. - Doel
Section 1re. - Objet
Art.64. Het Instituut waarvan de zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad is gevestigd, is bekleed met rechtspersoonlijkheid en heeft als doel om te voorzien in de bestendige organisatie van een korps specialisten die bekwaam zijn de functie van bedrijfsrevisor te vervullen met alle vereiste waarborgen inzake competentie, onafhankelijkheid en beroepseer.
Art.64. L'Institut, dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale, jouit de la personnalité juridique et a pour objet d'assurer l'organisation permanente d'un corps de spécialistes capables de remplir la fonction de réviseur d'entreprises avec toutes les garanties requises au point de vue de la compétence, de l'indépendance et de la probité professionnelle.
Afdeling 2. - Werking van het Instituut
Section 2. - Fonctionnement de l'Institut
Art.65. De Koning stelt, op voorstel van of, in voorkomend geval, na advies van het Instituut gegeven binnen een termijn van drie maanden, de reglementen vast die noodzakelijk zijn voor de werking van het Instituut en voor de verwezenlijking van zijn bij deze wet omschreven doelstellingen.
  Deze reglementen worden vastgesteld op voorstel of na advies van de Hoge Raad.
Art.65. Le Roi arrête, sur proposition ou le cas échéant après avis de l'Institut rendu dans un délai de trois mois, les règlements nécessaires pour assurer le fonctionnement de l'Institut et la réalisation des objectifs que la présente loi lui assigne.
  Ces règlements sont pris sur proposition ou après avis du Conseil supérieur.
Art.66. De algemene vergadering van het Instituut is samengesteld, met beslissende stem, uit alle bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen en, met raadgevende stem, uit alle bedrijfsrevisorenkantoren.
  Zij kiest de voorzitter, de ondervoorzitter, de andere leden van de Raad van het Instituut en van het Instituut en de commissarissen, keurt de jaarrekening goed, verleent de Raad kwijting voor zijn bestuur, beraadslaagt over alle onderwerpen waarvoor deze wet en de reglementen haar bevoegdheid verlenen.
  De vergadering neemt bovendien, door middel van berichten, voorstellen of aanbevelingen aan de Raad van het Instituut, kennis van alle onderwerpen die het Instituut aanbelangen en die regelmatig zijn voorgelegd.
  De beslissingen van de algemene vergadering zijn in België bindend voor alle bedrijfsrevisoren en stagiairs. Zij worden genomen bij meerderheid van de aanwezige of vertegenwoordigde bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen. Elke bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon heeft recht op één stem. De bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen kunnen aan een andere bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon schriftelijk volmacht geven om op de algemene vergadering in hun plaats te stemmen. Elke bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon kan houder zijn van ten hoogste twee volmachten.
Art.66. L'assemblée générale de l'Institut est composée, avec voix délibérative, de tous les réviseurs d'entreprises personnes physiques et, avec voix consultative, de tous les cabinets de révision.
  Elle élit le président, le vice-président, les autres membres du Conseil de l'Institut et de l'Institut et les commissaires, approuve les comptes annuels, donne décharge au Conseil de sa gestion, délibère sur tous les objets pour lesquels la présente loi et les règlements lui attribuent compétence.
  L'assemblée générale connaît, en outre, par voie de communiqués, propositions ou recommandations au Conseil de l'Institut, de tous objets intéressant l'Institut et qui lui sont régulièrement soumis.
  Les décisions de l'assemblée générale sont obligatoires en Belgique pour tous les réviseurs d'entreprises et stagiaires. Elles sont prises à la majorité des réviseurs d'entreprises personnes physiques présents ou représentés. Chaque réviseur d'entreprises personne physique a droit à une voix. Les réviseurs d'entreprises personnes physiques peuvent donner à un autre réviseur d'entreprises personne physique procuration par écrit pour voter en leur lieu et place à l'assemblée générale. Chaque réviseur d'entreprises personne physique ne peut être porteur que de deux procurations au maximum.
Art.67. De algemene vergadering komt ten minste éénmaal per jaar bijeen. De datum en de modaliteiten van deze bijeenkomst worden in het huishoudelijk reglement bepaald.
  De Raad van het Instituut kan, telkens als hij het nuttig acht, de algemene vergadering bijeenroepen. Hij dient dit te doen wanneer één vijfde van de bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen het schriftelijk aanvraagt, met aanduiding van het onderwerp dat de betrokken bedrijfsrevisoren op de agenda geplaatst wensen te zien.
  De oproepingen voor de gewone algemene vergadering worden ten minste vijftien dagen vóór de vergadering verzonden, en de oproepingen voor de buitengewone algemene vergaderingen ten minste acht dagen vóór de vergadering; zij vermelden de agenda.
  De rekeningen worden opgemaakt volgens de bepalingen van het huishoudelijk reglement en bij uittreksel ter kennis gebracht van de bedrijfsrevisoren. Zij moeten door de penningmeester, gedurende de vijftien dagen die aan de algemene vergadering voorafgaan, ten zetel van het Instituut ter inzage worden gelegd voor de bedrijfsrevisoren.
Art.67. L'assemblée générale se réunit au moins une fois par an. La date et les modalités de cette réunion sont fixées par le règlement d'ordre intérieur.
  Le Conseil de l'Institut peut convoquer l'assemblée générale chaque fois qu'il le juge utile. Il doit la convoquer lorsque le cinquième des réviseurs d'entreprises personnes physiques le demandent par écrit, en indiquant l'objet qu'ils désirent voir porter à l'ordre du jour.
  Les convocations sont adressées pour l'assemblée générale ordinaire, au moins quinze jours, et pour les assemblées générales extraordinaires, au moins huit jours avant la réunion; elles mentionnent l'ordre du jour.
  Les comptes sont dressés conformément aux dispositions arrêtées par le règlement d'ordre intérieur et sont communiqués par extrait aux réviseurs d'entreprises. Ils doivent être tenus à la disposition des réviseurs d'entreprises, aux fins de consultation, par les soins du trésorier, au siège de l'Institut, pendant les quinze jours qui précèdent l'assemblée générale.
Art.68. § 1. Het Instituut staat onder de leiding van een Raad, samengesteld uit:
  1° een voorzitter en een ondervoorzitter, die bij geheime stemming door de algemene vergadering voor drie jaar onder de bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen worden gekozen. Hun mandaat, dat verstrijkt op de dag zelf van de jaarlijkse algemene vergadering, kan éénmaal worden hernieuwd. Indien de voorzitter Franstalig is, moet de ondervoorzitter verplicht Nederlandstalig zijn of omgekeerd;
  2° twaalf leden, zes Franstalige en zes Nederlandstalige, die door de algemene vergadering, bij een van de vorige stemming verschillende geheime stemming voor drie jaar onder de bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen worden gekozen. Hun mandaat dat eindigt op dezelfde dag als de jaarlijkse algemene vergadering, kan worden hernieuwd.
  § 2. Onder deze twaalf leden wijst de Raad van het Instituut een Franstalige en een Nederlandstalige secretaris aan; één van beiden zal er door de Raad van het Instituut mee worden gelast ook het ambt van penningmeester waar te nemen.
  § 3. De beslissingen van de Raad van het Instituut worden bij meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen is die van de voorzitter beslissend.
  § 4. Elke beslissing van de Raad van het Instituut die betrekking heeft op één welbepaalde persoon, wordt met redenen omkleed.
Art.68. § 1er. La direction de l'Institut est assurée par un Conseil composé:
  1° d'un président et d'un vice-président, élus au scrutin secret pour trois ans, par l'assemblée générale parmi les réviseurs d'entreprises personnes physiques. Leur mandat, qui expire au terme même de l'assemblée générale annuelle, peut être renouvelé une fois. Si le président est d'expression française, le vice-président est obligatoirement d'expression néerlandaise ou inversement;
  2° de douze membres, dont six d'expression française et six d'expression néerlandaise, élus pour trois ans par l'assemblée générale parmi les réviseurs d'entreprises personnes physiques, par un vote secret distinct du précédent. Leur mandat, qui expire au terme même de l'assemblée générale annuelle, peut être renouvelé.
  § 2. Parmi ces douze membres, le Conseil de l'Institut désigne un secrétaire d'expression française et un secrétaire d'expression néerlandaise; l'un des deux sera chargé par le Conseil de l'Institut d'assumer en même temps les fonctions de trésorier.
  § 3. Les décisions du Conseil de l'Institut sont prises à la majorité des voix. En cas de parité des voix, celle du président est prépondérante.
  § 4. Toute décision du Conseil de l'Institut concernant une personne déterminée est motivée.
Art.69. § 1. De Raad van het Instituut vertegenwoordigt het Instituut bij rechtshandelingen en bij rechtsvorderingen, hetzij als eiser of als verweerder. De voorzitter of de ondervoorzitter kunnen optreden namens de Raad van het Instituut.
  § 2. Hij garandeert de werking van het Instituut overeenkomstig deze wet en de reglementen.
  § 3. Hij bezit alle bestuurs- en beschikkingsbevoegdheden, die hem niet door deze wet of de reglementen worden ontnomen. De reglementen met het oog op de inrichting of de beperking van die bevoegdheden kunnen slechts tegenstelbaar worden gesteld aan derden in zover het koninklijk besluit, waarbij zij worden vastgesteld, in het Belgisch Staatsblad is bekendgemaakt.
  § 4. De Raad van het Instituut vertrouwt het dagelijks bestuur toe aan verscheidene leden, die, onder leiding van de voorzitter van het Instituut en onder de in het huishoudelijk reglement voorziene voorwaarden, het Uitvoerend Comité zullen vormen.
  § 5. Het Instituut voert zijn opdrachten uitsluitend in het algemeen belang uit. Het Instituut, de leden van zijn organen en zijn personeelsleden zijn niet burgerlijk aansprakelijk voor hun beslissingen, handelingen of gedragingen bij de uitvoering van de wettelijke opdrachten van het Instituut behalve in geval van bedrog of zware fout.
Art.69. § 1er. Le Conseil de l'Institut représente l'Institut dans les actes de la vie juridique et les actions en justice, tant en demandeur qu'en défendeur. Le président ou vice-président peuvent agir au nom du Conseil de l'Institut.
  § 2. Il assure son fonctionnement en se conformant à la présente loi et aux règlements.
  § 3. Il a tous les pouvoirs d'administration et de disposition qui ne lui sont pas soustraits par la présente loi ou par les règlements. Les règlements organisant ou limitant ces pouvoirs sont opposables aux tiers dès que l'arrêté royal qui les établit a été publié au Moniteur belge.
  § 4. Le Conseil de l'Institut confie la gestion journalière à plusieurs de ses membres qui formeront, sous la présidence du président de l'Institut et dans les conditions prévues dans le règlement d'ordre intérieur, le Comité exécutif.
  § 5. L'Institut exécute ses missions exclusivement dans l'intérêt général. L'Institut, les membres de ses organes et les membres de son personnel n'encourent aucune responsabilité civile en raison de leurs décisions, actes ou comportements dans l'exercice des missions légales de l'Institut sauf en cas de dol ou de faute lourde.
Art.70. Alleen bedrijfsrevisoren-natuurlijke personen kunnen worden benoemd als voorzitter, ondervoorzitter of lid van de Raad van het Instituut, of meer algemeen als lid van een orgaan dat door of krachtens deze wet wordt opgericht.
  Deze taken worden niet bezoldigd, behoudens eventuele toekenning van zitpenningen en van een taakvergoeding.
Art.70. Seuls des réviseurs d'entreprises personnes physiques peuvent être nommés en qualité de président, de vice-président, de membre du Conseil de l'Institut, ou plus généralement, de membre d'un organe créé par ou en vertu de la présente loi.
  Ces fonctions sont gratuites, sans préjudice éventuellement de l'allocation de jetons de présence et d'une indemnité de fonction.
Art.71. De ontvangsten van het Instituut alsook de voorschriften in verband met het opmaken van en de controle op de rekeningen en de begroting worden bepaald door het huishoudelijk reglement, met uitzondering van het bepaalde in de artikelen 72 en 73.
Art.71. Les recettes de l'Institut ainsi que les règles relatives à l'établissement et au contrôle des comptes et du budget sont déterminées par le règlement d'ordre intérieur, sauf les dispositions des articles 72 et 73.
Art.72. De ontvangsten van het Instituut bestaan onder meer uit:
  1° de bijdragen van de bedrijfsrevisoren, de in België geregistreerde auditkantoren en de in België geregistreerde auditors en auditorganisaties van derde landen;
  2° de diverse inkomsten en opbrengsten van zijn vermogen;
  3° de toelagen, legaten en schenkingen.
Art.72. Les recettes de l'Institut sont constituées notamment par:
  1° les cotisations des réviseurs d'entreprises, des cabinets d'audit enregistrés en Belgique et des contrôleurs et entités d'audit de pays tiers enregistrés en Belgique;
  2° les revenus et produits divers de son patrimoine;
  3° les subsides, legs et donations.
Art.73. § 1. Elk jaar legt de Raad van het Instituut ter goedkeuring aan de algemene vergadering voor:
  1° het verslag over de werkzaamheden van het Instituut tijdens het verlopen jaar;
  2° de jaarrekening op 31 december van het afgelopen jaar;
  3° het verslag van de commissarissen;
  4° de begroting voor het nieuwe boekjaar.
  § 2. De jaarrekening dient voorafgaandelijk te worden gecontroleerd door twee commissarissen. [2 De artikelen 3:58 tot 3:64, 3:65, §§ 1, 2, 3 en 6, 3:66 tot 3:71, 3:73 tot 3:75, met uitzondering van artikel 3:75, § 1, eerste lid, 6° en 8°, van het Wetboek van vennootschappen zijn van toepassing.]2 Ten behoeve van deze paragraaf moeten de woorden "wetboek" en "vennootschap" worden begrepen als respectievelijk "de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren" en "Instituut".
  § 3. De documenten bedoeld in paragraaf 1, 1° tot 3°, worden door de Raad van het Instituut overgemaakt aan de minister bevoegd voor Economie alsook aan de Hoge Raad en aan het College binnen de maand na de algemene vergadering waarop zij werden voorgelegd.
  § 4. Het Instituut stelt jaarlijks een verslag op over de uitvoering van zijn gedelegeerde opdrachten dat hij overmaakt aan het College.
  
Art.73. § 1er. Chaque année, le Conseil de l'Institut soumet à l'approbation de l'assemblée générale:
  1° le rapport sur les activités de l'Institut pendant l'année écoulée;
  2° les comptes annuels au 31 décembre de l'année écoulée;
  3° le rapport des commissaires;
  4° le budget pour le nouvel exercice.
  § 2. Les comptes annuels doivent, au préalable, avoir été vérifiés par deux commissaires. [2 Les articles 3:58 à 3:64, 3:65, §§ 1er, 2, 3 et 6, 3:66 à 3:71, 3:73 à 3:75, à l'exception de l'article 3:75, § 1er, alinéa 1er, 6° et 8° du Code des sociétés et des associations sont applicables.]2 Pour les besoins du présent paragraphe, les termes "code" et "société" doivent s'entendre comme étant respectivement "la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises" et "Institut".
  § 3. Les documents visés au paragraphe 1er, 1° à 3°, sont transmis par le Conseil de l'Institut au ministre ayant l'économie dans ses attributions ainsi qu'au Conseil supérieur et au Collège dans le mois de l'assemblée générale à laquelle ils ont été soumis.
  § 4. Chaque année, l'Institut établit un rapport sur l'exécution de ses missions déléguées qu'il transmet au Collège.
  
Afdeling 3. - Opdrachten van het Instituut
Section 3. - Missions de l'Institut
Onderafdeling 1. - Stage van de bedrijfsrevisor
Sous-section 1re. - Stage du réviseur d'entreprises
Art.74. Het Instituut richt voor hen die bedrijfsrevisor wensen te worden, de bij artikel 5, § 1, 4°, voorziene stage in.
  De stage duurt ten minste drie jaar.
  In afwijking van het tweede lid kan de duur van de stage worden ingekort als de stagiair al over een ervaring van minimum vijftien jaar beschikt met de uitoefening van het beroep van bedrijfsrevisor.
  Ten minste twee derde van de stage verloopt bij een bedrijfsrevisor.
  Het Instituut ziet erop toe dat de volledige opleiding wordt gevolgd bij personen die voldoende waarborgen bieden dat zij bekwaam zijn om een praktijkopleiding te geven.
Art.74. L'Institut organise pour ceux qui souhaitent devenir réviseur d'entreprises le stage prévu à l'article 5, § 1er, 4°.
  La durée du stage est de trois ans au moins.
  Par dérogation à l'alinéa 2, cette durée peut être réduite lorsqu'un stagiaire dispose déjà d'une expérience de quinze ans au moins liée à l'exercice de la profession de réviseur d'entreprises.
  Les deux tiers au moins du stage se déroulent auprès d'un réviseur d'entreprises.
  L'Institut s'assure que la totalité du stage est effectuée auprès de personnes offrant des garanties suffisantes concernant leur aptitude à fournir une formation pratique.
Art.75. § 1. Om tot de stage te worden toegelaten door de Stagecommissie, dient de betrokkene:
  1° de bij artikel 5, § 1, 1° en 2°, gestelde voorwaarden te vervullen;
  2° de diploma- en/of ervaringsvoorwaarden te vervullen die zijn vastgesteld met toepassing van artikel 5, § 1, 3° ;
  3° ten hoogste zestig jaar oud te zijn;
  4° een stageovereenkomst voor de totale duur van de stage te hebben gesloten met een bedrijfsrevisor [1 natuurlijke persoon]1 die ten minste vijf jaar in het openbaar register is ingeschreven, en die zich ertoe verbindt de stagiair bij zijn opleiding tot bedrijfsrevisor te begeleiden en bij te staan. De overeenkomst moet door de Stagecommissie worden goedgekeurd.
  § 2. De Koning bepaalt de samenstelling en de opdrachten van de Stagecommissie.
  
Art.75. § 1er. Pour être admis au stage par la Commission de stage, il faut:
  1° réunir les conditions prévues à l'article 5, § 1er, 1° et 2° ;
  2° satisfaire aux conditions de diplôme et/ou d'expérience fixées en application de l'article 5, § 1er, 3° ;
  3° être âgé de soixante ans au plus;
  4° avoir conclu une convention de stage, pour la durée totale du stage, avec un réviseur d'entreprises [1 personne physique]1 comptant au moins cinq années d'inscription au registre public, qui s'engage à guider le stagiaire et à l'assister dans sa formation en tant que réviseur d'entreprises. La convention requiert l'approbation de la Commission de stage.
  § 2. Le Roi détermine la composition et les missions de la Commission de stage.
  
Art.76. § 1. Tuchtsancties kunnen worden opgelegd aan stagiairs:
  1° die zijn tekortgekomen aan hun beroepsverplichtingen;
  2° die zijn tekortgekomen aan de beginselen van waardigheid, rechtschapenheid en kiesheid die ten grondslag liggen aan het beroep;
  3° die zijn tekortgekomen aan de rechtmatige achting die zij aan hun stagemeester, het Instituut of zijn organen zijn verschuldigd.
  § 2. Na de stagiair en de stagemeester te hebben gehoord of minstens rechtsgeldig te hebben opgeroepen per aangetekende brieven verstuurd minstens veertien dagen voor de hoorzitting, vergezeld van een verslag opgesteld door de verslaggevers aangesteld door de Raad van het Instituut, waarin de feiten worden uiteengezet die aan de stagiair worden verweten, met verwijzing naar de betrokken wettelijke, reglementaire en/of tuchtrechtelijke bepalingen, kan de stagecommissie tuchtrechtelijke sancties opleggen aan de stagiair die de regels inzake tucht en deontologie niet naleeft.
  § 3. De tuchtsancties die kunnen worden opgelegd zijn:
  1° de waarschuwing;
  2° de berisping;
  3° de schorsing voor ten hoogste een jaar;
  4° de schrapping.
  § 4. De beslissingen van de Stagecommissie zijn met redenen omkleed. Zij worden onverwijld, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de stagiair, zijn stagemeester, de Raad van het Instituut en de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep.
  Samen met deze betekening worden alle gepaste inlichtingen verstrekt over de beroepstermijnen, en de wijze waarop beroep tegen de beslissing kan worden ingesteld. Bij ontstentenis van deze vermeldingen is de kennisgeving nietig.
  § 5. De stagiair of de Raad kan tegen de beslissing van de Stagecommissie beroep instellen bij de Raad van State binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de betekening.
  § 6. De Raad kan op elk ogenblik beslissen om tussen te komen bij de Raad van State met het oog op het uiteenzetten van zijn standpunt omtrent de lopende zaak.
  § 7. De beslissingen van de Raad van State zijn met redenen omkleed. Zij worden onverwijld, bij een ter post aangetekende brief, ter kennis gebracht van de betrokken stagiair, zijn stagemeester, de Raad van het Instituut en de Procureur-generaal bij het Hof van Beroep.
  § 8. De voor de stagiairs geldende tuchtprocedure wordt door de Koning gepreciseerd.
Art.76. § 1er. Des sanctions disciplinaires peuvent être infligées aux stagiaires:
  1° qui ont manqué à leurs obligations professionnelles;
  2° qui ont manqué aux principes de dignité, de probité ou de délicatesse qui font la base de la profession;
  3° qui ont manqué aux justes égards dus envers leur maître de stage, l'Institut ou ses organes.
  § 2. Après avoir entendu ou au moins dûment convoqué le stagiaire et le maître de stage par courriers recommandés adressés au moins quinze jours avant la date d'audience, accompagnés d'un rapport, établi par les rapporteurs désignés par le Conseil de l'Institut et dans lequel sont exposés les faits reprochés au stagiaire avec référence aux dispositions légales, réglementaires et/ou disciplinaires concernées, la Commission de stage peut infliger des sanctions disciplinaires au stagiaire qui ne respecte pas les règles en matière de discipline et de déontologie.
  § 3. Les sanctions disciplinaires qui peuvent être infligées sont:
  1° l'avertissement;
  2° la réprimande;
  3° la suspension pour un terme ne pouvant excéder une année;
  4° la radiation.
  § 4. La décision de la Commission de stage est motivée. Elle est notifiée sans retard par courrier recommandé au stagiaire, à son maître de stage, au Conseil de l'Institut et au Procureur général près la Cour d'appel.
  Cette notification est accompagnée de tous les renseignements utiles concernant les délais de recours et les modalités selon lesquelles les recours peuvent être formés. A défaut de ces mentions, la notification est nulle.
  § 5. Le stagiaire ou le Conseil peut former un recours contre la décision de la Commission de stage devant le Conseil d'Etat, dans un délai de trente jours à dater de la notification.
  § 6. Le Conseil peut décider, à tout moment, d'intervenir auprès du Conseil d'Etat, en vue d'exposer son point de vue sur l'affaire en cours.
  § 7. Les décisions du Conseil d'Etat sont motivées. Elles sont notifiées sans retard sous pli recommandé au stagiaire intéressé, à son maître de stage, au Conseil de l'Institut et au Procureur général près la Cour d'appel.
  § 8. La procédure relative à la discipline applicable au stagiaire est précisée par le Roi.
Art.77. De modaliteiten betreffende de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor worden bepaald door de Koning.
Art.77. Les modalités relatives à l'accès à la profession de réviseur d'entreprises sont déterminées par le Roi.
Onderafdeling 2. - Gedelegeerde opdrachten
Sous-section 2. - Missions déléguées
Art.78. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie is het Instituut bevoegd voor de toekenning van de hoedanigheid van bedrijfsrevisor, alsook voor het houden en bijwerken van het openbaar register, volgens de modaliteiten bepaald door of krachtens deze wet.
Art.78. En vertu de la délégation visée à l'article 41, l'Institut est compétent pour l'octroi de la qualité de réviseur d'entreprises ainsi que pour la tenue et la mise à jour du registre public, selon les modalités fixées par ou en vertu de la présente loi.
Art.79. Krachtens de in artikel 41 bedoelde delegatie organiseert het Instituut de permanente vorming van de bedrijfsrevisoren om hun theoretische kennis, hun beroepsvaardigheden en hun beroepsethiek op een voldoende peil te houden.
Art.79. En vertu de la délégation visée à l'article 41, l'Institut organise la formation permanente des réviseurs d'entreprises afin de maintenir leurs connaissances théoriques, leurs compétences professionnelles et leurs valeurs à un niveau suffisamment élevé.
Onderafdeling 3. - Beroepsgeheim van het Instituut
Sous-section 3. - Secret professionnel de l'Institut
Art.80. § 1. Onverminderd de bepalingen van paragrafen 2 en 3, is artikel 458 van het Strafwetboek van toepassing op het Instituut, zijn organen, de leden van zijn organen en zijn personeelsleden.
  § 2. Het Instituut deelt aan het College alle informatie, met inbegrip van de vertrouwelijke, die nuttig of noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de door of krachtens deze wet aan het College toevertrouwde opdrachten.
  § 3. Het Instituut deelt aan de FSMA of aan de Bank, op eigen initiatief of op hun verzoek, elke nuttige informatie voor de uitoefening van hun bevoegdheden mee.
  § 4. De informatie door het Instituut verkregen bij de uitoefening van één van zijn opdrachten, mag worden gebruikt in het kader van de uitoefening van één of meer andere opdrachten die hem door onderhavige wet zijn toegekend.
Art.80. § 1er. Sans préjudice des dispositions prévues aux paragraphes 2 et 3, l'article 458 du Code pénal est d'application pour l'Institut, ses organes, les membres de ses organes et les membres de son personnel.
  § 2. L'Institut communique au Collège toutes les informations, y compris confidentielles, qui sont utiles ou nécessaires à l'accomplissement des missions confiées au Collège par ou en vertu de la présente loi.
  § 3. L'Institut communique à la FSMA ou à la Banque, d'initiative ou à leur demande, toute information utile pour l'exercice de leurs compétences.
  § 4. Les informations obtenues par l'Institut dans l'exercice d'une de ses missions peuvent être utilisées dans le cadre de l'exercice d'une ou plusieurs autres missions lui confiées par la présente loi.
Onderafdeling 4. - Terechtwijzing
Sous-section 4. - Rappel à l'ordre
Art.81. § 1. Wanneer een bedrijfsrevisor nalaat om, binnen een door het Instituut bepaalde termijn, alle of een deel van de bijdragen te betalen, om de documenten tot vaststelling van de bijdragen over te leggen, om de inlichtingen of de documenten mee te delen die hij aan het Instituut moet meedelen voor de uitvoering van de krachtens artikel 41 aan het Instituut gedelegeerde taken, om de inlichtingen of de documenten mee te delen die hij aan het College moet meedelen wanneer het College de inzameling van die inlichtingen of documenten aan het Instituut heeft toevertrouwd, kan het Instituut deze bedrijfsrevisor terechtwijzen.
  Het Instituut informeert het College over de genomen beslissingen.
  Indien het gedrag van de bedrijfsrevisor ook de niet-naleving van een aan het publiek toezicht onderworpen verplichting met zich meebrengt, kan het College, in voorkomend geval, beslissen om een andere maatregel op te leggen aan de bedrijfsrevisor, of een onderzoek te openen of te laten openen.
  § 2. De bedrijfsrevisor die de terechtwijzing niet aanvaardt, kan het College binnen een termijn van één maand nadat hem de terechtwijzing werd betekend, adiëren met het oog op de bevestiging of de weerlegging van die terechtwijzing. Dat beroep is opschortend.
  § 3. Iedere definitief geworden terechtwijzing wordt gedurende vijf jaar in het dossier van de bedrijfsrevisor vermeld, waarna zij automatisch wordt uitgewist.
Art.81. § 1er. Lorsqu'un réviseur d'entreprises reste en défaut, dans le délai fixé par l'Institut, de payer tout ou partie des cotisations ou de communiquer les documents qui servent à la fixation des cotisations, de communiquer les renseignements ou documents qu'il est tenu de communiquer à l'Institut aux fins de l'accomplissement des tâches qui lui sont déléguées en vertu de l'article 41 ou encore de communiquer des renseignements ou documents qu'il est tenu de communiquer au Collège lorsque celui-ci en a confié la collecte à l'Institut, l'Institut peut rappeler ce réviseur d'entreprises à l'ordre.
  L'Institut communique les décisions prises au Collège.
  Lorsque le comportement du réviseur d'entreprises implique également le non-respect d'une obligation soumise à supervision publique, le Collège peut décider, le cas échéant, d'imposer une autre mesure au réviseur d'entreprises, ou ouvrir ou faire ouvrir une instruction.
  § 2. Le réviseur d'entreprises qui n'accepte pas le rappel à l'ordre peut saisir le Collège dans un délai d'un mois après que le rappel à l'ordre lui a été notifié, afin que le rappel à l'ordre soit confirmé ou infirmé. Ce recours est suspensif.
  § 3. Tout rappel à l'ordre devenu définitif est mentionné dans le dossier du réviseur d'entreprises pendant cinq ans, moment auquel il est automatiquement effacé.
HOOFDSTUK 6. [1 Verwerking en bescherming van persoonsgegevens.]1
CHAPITRE 6. [1 Traitement et protection des données à caractère personnel.]1
Art.82. [1 Het Instituut, als verwerkingsverantwoordelijke van persoonsgegevens, zorgt ervoor dat de aanvraag voor toelating tot de stage van bedrijfsrevisor, de inschrijving en de registratie in het in artikel 10 bedoelde openbaar register alsook het houden en het bijwerken van het openbaar register, de organisatie op afstand van de vergaderingen van de algemene vergadering, de Raad, het Uitvoerend Comité en de Stagecommissie alsook het organiseren van de stage en het op digitale wijze organiseren van de stage-examens gebeuren op een manier die de vertrouwelijkheid, integriteit en de beschikbaarheid van de verrichte verwerkingen garanderen.
   Het Instituut zorgt ervoor dat de betrokken personen alle informatie krijgen die wordt vereist krachtens de artikelen 13 en 14 van Verordening 2016/697 en dat zij hun rechten op grond van Verordening 2016/697 effectief kunnen uitoefenen.]1

  
Art.82. [1 L'Institut, en tant que responsable du traitement des données à caractère personnel, veille à ce que la demande d'admission au stage de réviseur d'entreprises, l'inscription et l'enregistrement dans le registre public visé à l'article 10, la tenue et la mise à jour du registre public, l'organisation des réunions en distanciel de l'assemblée générale, du Conseil, du Comité exécutif et de la Commission de stage ainsi que l'organisation du stage et l'organisation de manière digitale des examens de stage soient effectués de manière à garantir la confidentialité, l'intégrité et la disponibilité des traitements effectués.
   L'Institut veille à apporter aux personnes concernées toutes les informations nécessaires aux termes des article 13 et 14 du Règlement 2016/697 et à assurer l'exercice effectifs des droits découlant du Règlement 2016/697.]1

  
Art.83. [1 § 1. In het kader van de aanvraag voor toelating tot de stage van bedrijfsrevisor en de stage, verwerkt het Instituut de volgende categorieën van persoonsgegevens:
   1° de naam en de voornaam, het privéadres alsook, in voorkomend geval, het kantooradres van natuurlijke personen;
   2° het gebruikte telefoonnummer en e-mailadres van natuurlijke personen alsook, in voorkomend geval, het voor beroepsdoeleinden gebruikte telefoonnummer en e-mailadres van natuurlijke personen;
   3° de gegevens met betrekking tot de betrouwbaarheid van natuurlijke personen, bedoeld in artikel 5, § 1, 2°, die, in voorkomend geval, door de Procureur-generaal aan het Instituut worden meegedeeld krachtens artikel 9, § 4;
   4° in voorkomend geval, de benaming, een e-mailadres, het adres van de zetel, het internetadres en het inschrijvingsnummer of registratienummer van de rechtsperso(o)n(en) of entiteiten waarbij de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon werkzaam is of waaraan hij verbonden is, door het vermelden van het soort van relatie en of hij handtekeningsbevoegdheid heeft.
   De in het eerste lid bedoelde gegevens worden door het Instituut verwerkt met het oog op de uitvoering van een wettelijke verplichting waarvan de doeleinden de volgende zijn:
   1° het identificeren van de natuurlijke personen die tot de stage wensen toegelaten te worden;
   2° het behandelen van de toelatingen tot de stage.
   § 2. In het kader van de inschrijving en de registratie alsook het houden en het bijwerken van het openbaar register, verwerkt het Instituut de volgende categorieën van persoonsgegevens:
   1° de naam en de voornaam alsook, in voorkomend geval, het kantooradres van natuurlijke personen;
   2° het voor beroepsdoeleinden gebruikte telefoonnummer en e-mailadres van natuurlijke personen;
   3° in voorkomend geval, de benaming, een e-mailadres, het adres van de zetel, het internetadres en het inschrijvingsnummer of registratienummer van de rechtsperso(o)n(en) of entiteiten waarbij de bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon werkzaam is of waaraan hij verbonden is, door het vermelden van het soort van relatie en of hij handtekeningsbevoegdheid heeft.
   De in het eerste lid bedoelde gegevens worden door het Instituut verwerkt met het oog op de uitvoering van een wettelijke verplichting waarvan de doeleinden de volgende zijn:
   1° het identificeren van de natuurlijke personen die in het openbaar register, bedoeld in artikel 10, wensen ingeschreven te worden;
   2° het behandelen van de inschrijvingen en de registratie in het openbaar register alsook het houden en het bijwerken van het openbaar register van de bedrijfsrevisoren.
   § 3. Behalve aan het College worden de persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 1 niet overgemaakt aan derden en worden bijgehouden zolang dat nodig is om de door of krachtens deze wet en haar uitvoeringsbesluiten bepaalde doeleinden te behalen en maximaal gedurende tien jaar te rekenen vanaf de datum waarop de inschrijving wordt beëindigd.]1

  
Art.83. [1 § 1er. Dans le cadre de la demande d'admission au stage de réviseur d'entreprises et du stage, l'Institut traite les catégories suivantes de données à caractère personnel:
   1° le nom et le prénom, l'adresse privée ainsi que, le cas échéant, l'adresse professionnelle des personnes physiques;
   2° le numéro de téléphone et l'adresse de courrier électronique des personnes physiques ainsi que, le cas échéant, le numéro de téléphone professionnel et l'adresse de courrier électronique professionnelle des personnes physiques;
   3° les données en rapport avec l'honorabilité des personnes physiques, visée à l'article 5, § 1er, 2°, qui sont, le cas échéant, communiquées par le Procureur général à l'Institut en vertu de l'article 9, § 4;
   4° le cas échéant, la dénomination, une adresse email, l'adresse du siège, l'adresse du site internet et le numéro d'inscription ou d'enregistrement du ou des personnes morales ou entités qui emploient le réviseur d'entreprises personne physique, ou avec lequel celui-ci est en relation, en indiquant le type de relation et s'il a le pouvoir de signature.
   Les données visées à l'alinéa 1er sont traitées par l'Institut en vue de l'exécution d'une obligation légale dont les finalités sont les suivantes:
   1° identifier les personnes physiques qui souhaitent être admises au stage;
   2° traiter les admissions au stage.
   § 2. Dans le cadre de l'inscription et de l'enregistrement ainsi que de la tenue et la mise à jour du registre public, l'Institut traite les catégories suivantes de données à caractère personnel:
   1° le nom et le prénom ainsi que, le cas échéant, l'adresse professionnelle des personnes physiques;
   2° le numéro de téléphone professionnel et l'adresse de courrier électronique professionnelle des personnes physiques;
   3° le cas échéant, la dénomination, une adresse email, l'adresse du siège, l'adresse du site internet et le numéro d'inscription ou d'enregistrement du ou des personnes morales ou entités qui emploient le réviseur d'entreprises personne physique, ou avec lequel celui-ci est en relation, en indiquant le type de relation et s'il a le pouvoir de signature.
   Les données visées à l'alinéa 1er sont traitées par l'Institut en vue de l'exécution d'une obligation légale dont les finalités sont les suivantes:
   1° identifier les personnes physiques qui souhaitent être inscrites au registre public visé à l'article 10;
   2° traiter les inscriptions et les enregistrements au registre public ainsi que tenir et mettre à jour le registre public des réviseurs d'entreprises.
   § 3. Hormis au Collège, les données à caractère personnel visées au paragraphe 1er ne sont pas communiquées à des tiers et sont conservées le temps nécessaire à la réalisation des finalités définies par ou en vertu de la présente loi et ses arrêtés d'exécution et au maximum dix ans à partir de la cessation de l'inscription.]1

  
Art.84. [1 § 1. In het kader van vergaderingen, georganiseerd op afstand, van de algemene vergadering, de Raad, het Uitvoerend Comité en de Stagecommissie, verwerkt het Instituut door middel van een technische oplossing van teleconferentie enkel die categorieën van aangeleverde en/of uitgewisselde persoonsgegevens die noodzakelijk zijn voor de identificatie van de deelnemers en het correcte verloop van de vergaderingen, door te voorzien van passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de verwerking van persoonsgegevens op rechtmatige, behoorlijke, transparante en evenredige wijze gebeurt, in overeenstemming met de beginselen van Verordening 2016/697.
   § 2. De persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 1 worden door het Instituut verwerkt met het oog op de uitvoering van een wettelijke verplichting waarvan het doeleinde is het identificeren van de respectieve leden van de algemene vergadering, de Raad, het Uitvoerend Comité of de Stagecommissie, die op afstand aan een vergadering van hun respectieve orgaan deelnemen, en het correcte verloop van de vergadering te verzekeren.
   § 3. De persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 1 worden niet aan derden meegedeeld.
   Met betrekking tot de persoonsgegevens die worden verwerkt in verband met vergaderingen, georganiseerd op afstand, van de algemene vergadering, de Raad en het Uitvoerend Comité, worden deze persoonsgegevens bewaard zolang de betrokkene persoon lid is van de algemene vergadering, de Raad of het Uitvoerend Comité en kan worden uitgenodigd.
   Met betrekking tot de persoonsgegevens die worden verwerkt in verband met vergaderingen, georganiseerd op afstand, van de Stagecommissie, worden deze persoonsgegevens slechts bewaard voor een termijn noodzakelijk voor de identificatie van de leden en de opstelling van het verslag van de vergadering.]1

  
Art.84. [1 § 1er. Dans le cadre de l'organisation des réunions en distanciel de l'assemblée générale, du Conseil, du Comité exécutif et de la Commission de stage, l'Institut traite, par le biais d'une solution technique de téléconférence, seulement les catégories de données à caractère personnel générées et/ou échangées nécessaires à l'identification des participants et au bon déroulement des réunions, en prévoyant des mesure appropriées pour garantir que le traitement de données à caractère personnel soit effectué de manière légale, équitable, transparente et proportionnelle, dans le respect des principes du règlement 2016/697.
   § 2. Les données à caractère personnel visées au paragraphe 1er sont traitées par l'Institut en vue de l'exécution d'une obligation légale dont la finalité est d'identifier respectivement les membres de l'assemblée générale, du Conseil, du Comité exécutif ou de la Commission de stage qui participent en distanciel à une réunion de leur organe respectif et d'assurer le bon déroulement de cette réunion.
   § 3. Les données à caractère personnel visées au paragraphe 1er ne sont pas communiquées à des tiers.
   S'agissant des données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'organisation des réunions en distanciel de l'assemblée générale, du Conseil ou du Comité exécutif, celles-ci sont conservées aussi longtemps que la personne concernée est membre de l'assemblée générale, du Conseil ou du Comité exécutif et est susceptible d'être convoquée.
   S'agissant des données à caractère personnel traitées dans le cadre de l'organisation des réunions en distanciel des membres de la Commission de stage, celles-ci ne sont conservées que pour la durée nécessaire à l'identification de ces membres et à la rédaction du rapport de la réunion.]1

  
Art.84/1. [1 § 1. In het kader van het organiseren van de stage-examens op digitale wijze, die geen systeem van examentoezicht op afstand instellen, verwerkt het Instituut de volgende categorieën van persoonsgegevens:
   1° de identificatiegegevens van de betrokken stagiairs;
   2° het e-mailadres van de betrokken stagiairs;
   3° het resultaat van de examens;
   4° de modaliteiten tot slagen van de examens.
   § 2. De persoonsgegevens bedoeld in paragraaf 1 worden door het Instituut verwerkt met het oog op de uitvoering van een wettelijke verplichting waarvan het doeleinde is het identificeren van de stagiaires die de op digitale wijze georganiseerde stage-examens afleggen en het correcte verloop van de examens te verzekeren.
   § 3. Deze gegevens worden niet overgemaakt aan derden en worden slechts bewaard voor een termijn noodzakelijk voor de identificatie van de stagiaires, de organisatie van de examens alsook de uitoefening van beroepsprocedures.]1

  
Art.84/1. [1 § 1er. Dans le cadre de l'organisation de manière digitale des examens de stage, laquelle n'institue pas de système de surveillance d'examens à distance, l'Institut traite les catégories suivantes de données à caractère personnel:
   1° les données d'identification des stagiaires concernés;
   2° l'adresse de courrier électronique des stagiaires concernés;
   3° le résultat des examens;
   4° les modalités de réussite des examens.
   § 2. Les données à caractère personnel visées au paragraphe 1er sont traitées par l'Institut en vue de l'exécution d'une obligation légale dont la finalité est d'identifier les stagiaires qui présentent des examens de stage organisés de manière digitale et d'assurer le bon déroulement des examens.
   § 3. Ces données ne sont pas communiquées à des tiers et ne sont conservées que pour la durée nécessaire à l'identification des stagiaires, à l'organisation des examens ainsi qu'à l'exercice des voies de recours.]1

  
HOOFDSTUK 7. - Strafbepalingen
CHAPITRE 7. - Dispositions pénales
Art.85. § 1. Met een gevangenisstraf van acht dagen tot drie maanden en met een geldboete van 200 tot 2.000 euro of met één van die straffen alleen worden gestraft:
  1° zij die zich publiekelijk en onrechtmatig de hoedanigheid van bedrijfsrevisor toe-eigenen of die artikel 11 overtreden;
  2° zij die de beroepswerkzaamheid van bedrijfsrevisor uitoefenen of deze titel voeren terwijl zij het voorwerp uitmaken van een uitvoerbare schorsingsmaatregel;
  3° zij die de onderzoeken en expertises van het College krachtens deze wet verhinderen of het College bewust onjuiste of onvolledige informatie verstrekken.
  § 2. De rechtbank kan bovendien bevelen:
  1° de definitieve of tijdelijke sluiting van een deel van de lokalen of van alle lokalen die worden gebruikt door degene die zich schuldig maakt aan één of meer van de hierboven bedoelde overtredingen;
  2° de bekendmaking van het vonnis of van een samenvatting ervan in één of meer dagbladen, of op enige andere wijze, op kosten van de veroordeelde.
Art.85. § 1er. Sont punis d'une peine d'emprisonnement de huit jours à trois mois et d'une amende de 200 à 2.000 euros ou d'une de ces sanctions:
  1° ceux qui s'attribuent publiquement et sans titre la qualification de réviseur d'entreprises, ou qui contreviennent à l'article 11;
  2° ceux qui exercent l'activité professionnelle de réviseur d'entreprises ou portent ce titre alors qu'ils font l'objet d'une mesure de suspension exécutoire;
  3° ceux qui font obstacle aux inspections et expertises du Collège en vertu de la présente loi ou lui donnent sciemment des informations inexactes ou incomplètes.
  § 2. Le tribunal peut en outre ordonner:
  1° la fermeture définitive ou provisoire de tout ou partie des locaux utilisés par celui qui s'est rendu coupable d'une ou plusieurs infractions susvisées;
  2° la publication du jugement ou d'un résumé de celui-ci dans un ou plusieurs quotidiens ou par un quelconque autre biais, aux frais du condamné.
Art.86. § 1. Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de bedrijfsrevisoren, de geregistreerde auditkantoren, de stagiairs en de personen voor wie zij instaan.
  Buiten de uitzonderingen op de geheimhoudingsplicht waarin dit artikel voorziet, geldt deze plicht evenmin voor:
  1° de mededeling van een attest of van een bevestiging verricht met de schriftelijke toestemming van de onderneming waar zij hun taak uitoefenen;
  2° de mededeling van een attest of van een bevestiging gericht tot een commissaris of een persoon die in een onderneming naar buitenlands recht een gelijkaardige taak als die van commissaris uitoefent, binnen het kader van de hun toevertrouwde controle over de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming;
  3° de raadpleging door een bedrijfsrevisor in het kader van een opvolging in een revisorale opdracht, van de werkdocumenten van een bedrijfsrevisor die voorafgaandelijk dezelfde revisorale opdracht uitoefende;
  4° het contact van een bedrijfsrevisor met een andere bedrijfsrevisor wanneer de eerste ertoe wordt gebracht om het werk of de attestering van de tweede in het gedrang te brengen, behalve in geval van verzet van de persoon die de opdracht aan de eerste bedrijfsrevisor heeft toevertrouwd;
  [3 4° /1 de uitwisseling van informatie betreffende de duurzaamheidsinformatie tussen de commissarissen en de bedrijfsrevisoren die bij dezelfde vennootschap zijn belast met de opdracht van assurance van duurzaamheidsinformatie;]3
  5° het contact tussen de bedrijfsrevisor en het Instituut, zijn organen en in het bijzonder het College;
  6° de overdracht van informatie, waaronder vertrouwelijke, gevraagd door een bevoegde autoriteit in het kader van zijn opdrachten en van de nationale en internationale samenwerking overeenkomstig de in hoofdstuk IV, afdeling III, bepaalde voorwaarden en de ter uitvoering ervan genomen maatregelen;
  7° [2 de uitwisseling van informatie tussen de commissarissen, de gecertificeerde accountants of de bedrijfsrevisoren van vennootschappen, verenigingen en stichtingen die betrokken zouden zijn bij verrichtingen van fusies, splitsingen, gelijkgestelde verrichtingen, inbrengen van een algemeenheid of van een bedrijfstak;]2
  8° de mededeling van vertrouwelijke informatie aan iedere persoon die een taak uitoefent die door of krachtens de wet is vastgelegd en die deelneemt of bijdraagt aan de taken die verband houden met het toezicht op instellingen uit de [1 bank-, financiële en verzekeringssector]1, die respectievelijk worden uitgevoerd door de Bank, de FSMA en, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, als deze persoon is aangewezen door of met instemming van een van deze autoriteiten en met het oog op de uitvoering van deze taak, met name,
  - een speciaal commissaris die door deze autoriteiten is aangewezen met toepassing van de wetten waarvan zij moeten toezien op de naleving ervan;
  - de portefeuillesurveillant als bedoeld in artikel 16 van Bijlage III van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen en beursvennootschappen;
  - de portefeuillebeheerder als bedoeld in artikel 8 van Bijlage III van de voornoemde wet van 25 april 2014; en
  - de revisor als bedoeld in artikel 87ter van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten;
  [1 9° de mededeling van vertrouwelijke informatie aan de Bank, de FSMA en, in voorkomend geval, de Europese Centrale Bank, voor de uitvoering van hun respectieve opdrachten.]1
  Artikel 458 van het Strafwetboek is van toepassing op de in 8° bedoelde personen voor de vertrouwelijke informatie die zij met toepassing van 8° ontvangen.
  § 2. Wanneer een rechtspersoon een geconsolideerde jaarrekening opstelt, zijn de commissaris van de consoliderende rechtspersoon en de commissarissen van de geconsolideerde rechtspersonen, onderling, bevrijd van het beroepsgeheim, binnen het kader van de hun toevertrouwde controle over de geconsolideerde jaarrekening van een onderneming. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten opzichte van een persoon die in een rechtspersoon naar het recht van een land van de Europese Unie of van een derde land, een gelijkaardige taak uitoefent als deze van commissaris. In de zin van huidig lid wordt met de commissaris gelijkgesteld de bedrijfsrevisor die, zonder het mandaat van commissaris uit te oefenen, belast is met de controle over de geconsolideerde jaarrekening.
  [3 § 3.Wanneer een rechtspersoon een geconsolideerde duurzaamheidsinformatie opstelt, zijn de commissaris van de consoliderende rechtspersoon en de commissarissen van de geconsolideerde rechtspersonen, onderling bevrijd van het beroepsgeheim, binnen het kader van de hun toevertrouwde assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie van een onderneming. Deze bepaling is eveneens van toepassing ten opzichte van een persoon die in een rechtspersoon naar het recht van een land van de Europese Unie of van een derde land, een gelijkaardige taak uitoefent als deze van commissaris. In de zin van deze paragraaf wordt met de commissaris gelijkgesteld de bedrijfsrevisor of de onafhankelijke verlener van assurancediensten die belast is met de assurance van geconsolideerde duurzaamheidsinformatie.]3
  
Art.86. § 1er. L'article 458 du Code pénal s'applique aux réviseurs d'entreprises, aux cabinets d'audit enregistrés, aux stagiaires et aux personnes dont ils répondent.
  Aux exceptions à l'obligation du secret prévues à cet article s'ajoutent:
  1° la communication d'attestations ou de confirmations opérée avec l'accord écrit de l'entreprise auprès de laquelle ils exercent leur fonction;
  2° la communication d'attestations ou de confirmations adressée à un commissaire ou à une personne exerçant dans une entreprise de droit étranger une fonction similaire à celle de commissaire, dans le cadre du contrôle des comptes annuels ou des comptes consolidés d'une entreprise dont ils sont chargés;
  3° la consultation par un réviseur d'entreprises, dans le cadre de la succession dans une mission révisorale, des documents de travail d'un réviseur d'entreprises qui exerçait la même mission révisorale au préalable;
  4° le contact d'un réviseur d'entreprises avec un autre réviseur d'entreprises, lorsque le premier est amené à mettre en cause le travail ou l'attestation du second, sauf en cas d'opposition de la personne qui a confié la mission au premier réviseur d'entreprises;
  [3 4° /1 l'échange d'informations concernant l'information en matière de durabilité entre les commissaires et les réviseurs d'entreprises chargés, dans la même société, de la mission d'assurance de l'information en matière de durabilité;]3
  5° le contact entre un réviseur d'entreprises et l'Institut, ses organes et en particulier le Collège;
  6° la communication d'informations, y compris confidentielles, demandées par une autorité compétente dans le cadre de ses missions et de la coopération nationale et internationale, conformément aux conditions fixées par le chapitre IV, section III, et aux mesures prises en exécution de celui-ci;
  7° [2 l'échange d'informations entre les commissaires, les experts-comptables certifiés ou les réviseurs d'entreprises des sociétés, des associations ou des fondations concernées par des opérations de fusion ou de scission, ou des opérations similaires, ou par des apports d'universalité ou de branche d'activités;]2
  8° la communication d'informations confidentielles à toute personne exerçant une tâche, prévue par ou en vertu de la loi, qui participe ou contribue aux missions de contrôle à l'égard d'établissements relevant [1 du secteur bancaire, financier et des assurances]1, exercées respectivement par la Banque, la FSMA et, le cas échéant, la Banque centrale européenne, lorsque cette personne a été désignée par ou avec l'accord de l'une de ces autorités et aux fins de cette tâche, notamment,
  - un commissaire spécial désigné par ces autorités en application des lois dont elles sont chargées de veiller au respect;
  - le surveillant de portefeuille visé à l'article 16 de l'Annexe III à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit et des sociétés de bourse;
  - le gestionnaire de portefeuille visé à l'article 8 de l'Annexe III à la loi précitée du 25 avril 2014; et
  - le réviseur visé à l'article 87ter de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers.
  L'article 458 du Code pénal s'applique aux personnes visées au 8° quant aux informations confidentielles qu'elles reçoivent en application du 8°;
  [1 9° la communication d'informations confidentielles à la Banque, la FSMA et, le cas échéant, la Banque centrale européenne aux fins de l'exercice de leurs missions respectives.]1
  § 2. Lorsqu'une personne morale établit des comptes consolidés, le commissaire de la personne morale consolidante et les commissaires des personnes morales consolidées sont, les uns à l'égard des autres, libérés du secret professionnel, dans le cadre du contrôle des comptes consolidés d'une entreprise dont ils sont chargés. Cette disposition s'applique également à l'égard d'une personne exerçant dans une personne morale de droit d'un pays de l'Union européenne ou d'un pays tiers une fonction similaire à celle de commissaire. Au sens du présent alinéa, est assimilé au commissaire, le réviseur d'entreprises qui, sans exercer un mandat de commissaire, est charge du contrôle des comptes consolidés.
  [3 § 3. Lorsqu'une personne morale établit une information consolidée en matière de durabilité, le commissaire de la personne morale consolidante et les commissaires des personnes morales consolidées sont, les uns à l'égard des autres, libérés du secret professionnel, dans le cadre de l'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité d'une entreprise dont ils sont chargés. Cette disposition s'applique également à l'égard d'une personne exerçant dans une personne morale de droit d'un pays de l'Union européenne ou d'un pays tiers une fonction similaire à celle de commissaire. Au sens du présent paragraphe, est assimilé au commissaire, le réviseur d'entreprises ou le prestataire de services d'assurance indépendant qui est chargé de l'assurance de l'information consolidée en matière de durabilité.]3
  
Art.87. Rechtspersonen zijn burgerrechtelijk aansprakelijk voor de betaling van de geldboeten waartoe hun organen of aangestelden krachtens dit hoofdstuk zijn veroordeeld.
Art.87. Les personnes morales sont civilement responsables du paiement des amendes auxquelles leurs organes et préposés sont condamnés en vertu du présent chapitre.
TITEL 4. - Wijzigingen in de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten
TITRE 4. - Modifications de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et des services financiers
Art.88. In artikel 48bis van de wet van 2 augustus 2002 worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt:
  " § 1. De sanctiecommissie oordeelt over het opleggen van de administratieve geldboetes door de FSMA in de materies als bedoeld in artikel 45 en over het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
  Deze sanctiecommissie bestaat uit 12 leden, aangeduid door de Koning:
  1° twee staatsraden of erestaatsraden, aangeduid op voordracht van de eerste voorzitter van de Raad van State;
  2° twee raadsheren bij het Hof van Cassatie of ereraadsheren bij het Hof van Cassatie aangeduid op voordracht van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
  3° twee magistraten die geen raadsheren bij het Hof van Cassatie of bij het hof van beroep van Brussel zijn;
  4° vier andere leden met passende deskundigheid op het vlak van de financiële diensten en markten, en
  5° twee andere leden met passende deskundigheid op het vlak van de wettelijke controle van de jaarrekening die geen beroepsbeoefenaars zijn in de zin van artikel 3, 28°, van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.";
  2° er wordt een paragraaf 1bis ingevoegd, luidende:
  " § 1bis. De sanctiecommissie bestaat uit twee kamers.
  De kamer die bevoegd is om te beslissen over het opleggen van administratieve geldboetes door de FSMA in de materies als bedoeld in artikel 45, is samengesteld uit leden als bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 4°.
  De kamer die bevoegd is om te beslissen over het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, is samengesteld uit leden als bedoeld in paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 5°. De leden als bedoeld in paragraaf 1, 4°, kunnen als plaatsvervanger zetelen.";
  3° het tweede lid van paragraaf 2 wordt opgeheven;
  4° in paragraaf 3 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Tijdens hun mandaat mogen de in paragraaf 1, 1°, 2°, 3° en 4°, bedoelde leden geen enkele functie of geen enkel mandaat uitoefenen in een aan het permanente toezicht van de FSMA of het College onderworpen onderneming of in een beroepsvereniging die de aan het toezicht van de FSMA of het College onderworpen ondernemingen of personen vertegenwoordigt, noch diensten verstrekken ten gunste van een beroepsvereniging die aan het toezicht van de FSMA of het College onderworpen ondernemingen vertegenwoordigt. Tijdens hun mandaat mogen de in paragraaf 1, 5°, bedoelde leden geen enkele functie of geen enkel mandaat uitoefenen in een organisatie van openbaar belang of in een aan het toezicht van het College onderworpen onderneming of in een beroepsvereniging die de organisaties van openbaar belang of de aan het toezicht van het College onderworpen ondernemingen of personen vertegenwoordigt, noch diensten verstrekken ten gunste van een beroepsvereniging die de organisaties van openbaar belang of de aan het toezicht van het College onderworpen ondernemingen vertegenwoordigt.";
  5° in paragraaf 3, zesde lid, wordt de eerste zin vervangen als volgt:
  "De sanctiecommissie of een van haar kamers kan geldig beslissen als twee van haar leden en haar voorzitter aanwezig zijn.".
Art.88. Dans l'article 48bis de la loi du 2 août 2002, les modifications suivantes sont apportées:
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit:
  " § 1er. La commission des sanctions statue sur l'imposition des amendes administratives par la FSMA dans les matières visées à l'article 45 et sur l'imposition des mesures et amendes administratives visées à l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.
  Cette commission des sanctions comprend 12 membres désignés par le Roi:
  1° deux conseillers d'Etat ou conseillers d'Etat honoraires désignés sur proposition du premier président du Conseil d'Etat;
  2° deux conseillers à la Cour de cassation ou conseillers à la Cour de cassation honoraires désignés sur proposition du premier président de la Cour de cassation;
  3° deux magistrats n'étant pas conseillers à la Cour de cassation ni à la Cour d'appel de Bruxelles;
  4° quatre autres membres disposant d'une expertise en matière de services et marchés financiers, et
  5° deux autres membres disposant d'une expertise en matière de contrôle légal des comptes et étant non-praticien au sens de l'article 3, 28°, de la loi portant organisation de la profession et de la supervision des réviseurs d'entreprises.";
  2° un § 1erbis est inséré, rédigé comme suit:
  " § 1erbis. La commission des sanctions est organisée en deux chambres.
  La chambre compétente pour statuer sur l'imposition d'amendes administratives par la FSMA dans les matières visées à l'article 45, est composée des membres visés au paragraphe premier, 1°, 2°, 3° et 4°.
  La chambre compétente pour statuer sur l'imposition des mesures et amendes administratives visées à l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises est composée des membres visés au paragraphe premier, 1°, 2°, 3° et 5°. Les membres visés au paragraphe premier, 4° peuvent siéger à titre de suppléant.";
  3° le paragraphe 2, alinéa 2, est supprimé;
  4° au paragraphe 3, l'alinéa 2 est remplacé comme suit:
  "Au cours de leur mandat, les membres visés au paragraphe premier, 1°, 2°, 3° et 4° ne peuvent exercer une quelconque fonction ou un quelconque mandat que ce soit dans une entreprise soumise au contrôle permanent de la FSMA ou du Collège ou dans une association professionnelle représentant des entreprises ou personnes soumises au contrôle de la FSMA ou du Collège, ni fournir des services au profit d'une association professionnelle représentant des entreprises soumises au contrôle de la FSMA ou du Collège. Au cours de leur mandat, les membres visés au paragraphe premier, 5°, ne peuvent exercer une quelconque fonction ou un quelconque mandat que ce soit dans une entité d'intérêt public ou dans une entreprise soumise au contrôle du Collège ou dans une association professionnelle représentant des entités d'intérêt public ou des entreprises ou personnes soumises au contrôle du Collège, ni fournir des services au profit d'une association professionnelle représentant des entités d'intérêt public ou des entreprises soumises au contrôle du Collège.";
  5° au paragraphe 3, alinéa 6, la première phrase est remplacée par la phrase suivante:
  "La commission des sanctions, ou une de ses chambres, peut décider valablement lorsque deux de ses membres et son président sont présents.".
Art.89. In dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 5 van hoofdstuk III vervangen als volgt:
  "Afdeling 5. Procedureregels voor het opleggen van administratieve geldboetes door de FSMA in de materies als bedoeld in artikel 45 en voor het opleggen van administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.".
Art.89. Dans la même loi, l'intitulé de la section 5 du chapitre III est remplacé par ce qui suit:
  "Section 5. Règles de procédure pour l'imposition d'amendes administratives par la FSMA dans les matières visées à l'article 45 et pour l'imposition des mesures et amendes administratives visées à l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.".
Art.90. In artikel 72 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° paragraaf 2bis wordt vervangen als volgt:
  " § 2bis. Indien zij dat vanuit het oogpunt van het recht op een eerlijk proces noodzakelijk acht, kan de sanctiecommissie het directiecomité voor de materies als bedoeld in artikel 45 of het College voor de materies als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, verzoeken bijkomende onderzoeksdaden te laten stellen.";
  2° in paragraaf 3, vervangen bij de wet van 2 juli 2010 en gewijzigd bij de wetten van 30 juli 2013, 25 april 2014 en 27 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  a) in het eerste lid worden de woorden "Bij het bepalen van het bedrag van de administratieve geldboete houdt de sanctiecommissie rekening met alle relevante omstandigheden, waaronder, in voorkomend geval:" vervangen als volgt:
  "Bij het bepalen van de administratieve maatregelen en geldboetes als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, of van het bedrag van de door de FSMA opgelegde administratieve geldboete in de materies als bedoeld in artikel 45, houdt de sanctiecommissie rekening met alle relevante omstandigheden, waaronder, in voorkomend geval,:";
  b) het tweede lid wordt vervangen als volgt:
  "De sanctiecommissie beslist bij gemotiveerde beslissing. Er kunnen geen sancties worden uitgesproken zonder dat de betrokken persoon of zijn vertegenwoordiger is gehoord, of, bij ontstentenis, behoorlijk is opgeroepen. Het directiecomité voor de materies als bedoeld in artikel 45 of het College voor de materies als bedoeld in artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, wordt tijdens de hoorzitting vertegenwoordigd door een persoon naar keuze en kan zijn opmerkingen kenbaar maken.";
  c) het volgende lid wordt ingevoegd na paragraaf 8:
  "In afwijking van het vorige lid worden de beslissingen van de sanctiecommissie genomen op basis van artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, meegedeeld aan de voorzitter van het Comité van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, die de leden van dit Comité hiervan op de hoogte brengt. In geval van beroep tegen de beslissingen van de sanctiecommissie genomen op basis van artikel 59 van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, wordt de FSMA vertegenwoordigd door de voorzitter van het Comité van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren of door twee leden van het Comité van het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren.".
Art.90. Dans l'article 72 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
  1° le paragraphe 2bis est remplacé par ce qui suit:
  " § 2bis. Lorsqu'elle l'estime nécessaire, eu égard au droit au procès équitable, la commission des sanctions peut requérir du comité de direction pour les matières visées à l'article 45 ou du Collège pour matières visées à l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises de faire accomplir des actes d'instruction complémentaires.";
  2° au paragraphe 3, remplacé par la loi du 2 juillet 2010 et modifié par les lois des 30 juillet 2013, 25 avril 2014 et 27 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  a) à l'alinéa 1er, les termes "Lorsqu'elle détermine le montant de l'amende administrative, la commission des sanctions tient compte de toutes les circonstances pertinentes et, notamment, le cas échéant:." sont remplacés par ce qui suit:
  "Lorsqu'elle détermine les mesures et amendes administratives visées à l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises ou le montant de l'amende administrative par la FSMA dans les matières visées à l'article 45, la commission des sanctions tient compte de toutes les circonstances pertinentes et, notamment, le cas échéant:";
  b) l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
  "La commission des sanctions statue par décision motivée. Aucune sanction ne peut être prononcée sans que la personne ou son représentant ait été entendu ou, à défaut, dûment appelé. Le comité de direction pour les matières visées à l'article 45 est représenté par la personne de son choix lors de l'audition et peut faire entendre ses observations. Le Collège pour les matières visées à l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises est représenté par la personne de son choix lors de l'audition et peut faire entendre ses observations.";
  c) l'alinéa suivant est introduit après le huitième paragraphe:
  "Par dérogation à l'alinéa précédent, les décisions de la commission des sanctions prises sur base de l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision des réviseurs d'entreprises, sont communiquées au président du Comité du Collège de supervision des réviseurs d'entreprises qui en rend compte aux membres de ce Comité. En cas de recours contre les décisions de la commission des sanctions prises sur base de l'article 59 de la loi portant organisation de la profession et de la supervision des réviseurs d'entreprises, la FSMA est représentée par le président du Comité du Collège de supervision des réviseurs d'entreprises ou par deux membres du Comité du Collège de supervision des réviseurs d'entreprises.".
Art.91. In artikel 121 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1 wordt een bepaling onder 4bis° ingevoegd, luidende:
  "4bis°. tegen de beslissingen van de FSMA genomen met toepassing van artikel 59, § 1, 8°, van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en tegen de beslissingen van de FSMA genomen met toepassing van artikel 59, § 1, 1° tot 7°, van de wet van 00 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, wanneer die maatregelen tegelijkertijd, voor dezelfde feiten en aan dezelfde personen worden opgelegd als een administratieve geldboete als bedoeld in artikel 59, § 1, 8°, van de wet tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren;";
  2° in paragraaf 2 wordt het tweede lid vervangen als volgt:
  "Onverminderd de bijzondere voorschriften bepaald door of krachtens de wet, bedraagt de beroepstermijn, op straffe van nietigheid, 15 dagen voor het beroep als bedoeld in § 1, 1° tot 3°. Die termijn bedraagt 30 dagen voor het beroep als bedoeld in § 1, 4° en 4bis°. ";
  3° paragraaf 6 wordt vervangen als volgt:
  " § 6. Het beroep bedoeld in § 1, 4° en 4bis°, schort de beslissing op waarop het beroep betrekking heeft. Het opschortende karakter van het beroep is beperkt tot de inning van de dwangsom of de boete. Het opschortende karakter belet niet dat de dwangsom verbeurt en staat de bekendmaking overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen niet in de weg. Het beroep als bedoeld in § 1, 1°, 2°, 3° en 6°, schort de beslissing waarop het beroep betrekking heeft, niet op, tenzij daarop door of krachtens de wet in uitzonderingen wordt voorzien. Het Hof van Beroep van Brussel kan evenwel, alvorens recht te spreken, de opschorting bevelen van de uitvoering van de beslissing waarop het beroep betrekking heeft, als de aanvrager ernstige middelen inroept die de herziening van de beslissing kunnen rechtvaardigen en als de onmiddellijke uitvoering ervan een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel dreigt te berokkenen. Het hof doet onverwijld uitspraak over de vraag tot opschorting.".
Art.91. Dans l'article 121 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au paragraphe 1er, un point 4bis° est inséré, rédigé comme suit:
  "4bis°. contre toute décision de la FSMA prise en application de l'article 59, § 1er, 8°, de la loi portant organisation de la profession et de la supervision des réviseurs d'entreprises et contre toute décision de la FSMA prise en application de l'article 59, § 1er, 1° à 7° de la loi du ... 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises lorsque ces mesures sont prononcées simultanément, pour les mêmes faits et à l'encontre des mêmes personnes qu'une amende administrative visée à l'article 59, § 1er, 8°, de la loi portant organisation de la profession et de la supervision des réviseurs d'entreprises;";
  2° au paragraphe 2, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit:
  "Sans préjudice des dispositions spéciales prévues par ou en vertu de la loi, le délai de recours, prescrit à peine de nullité, est de 15 jours pour les recours visés au § 1er, 1° à 3°. Il est de 30 jours pour les recours visés au § 1er, 4° et 4bis°. ";
  3° Le paragraphe 6 est remplacé par ce qui suit:
  " § 6. Les recours visés au § 1er, 4° et 4bis° sont suspensifs de la décision faisant l'objet du recours. Le caractère suspensif du recours se limite au recouvrement de l'astreinte ou de l'amende. Le caractère suspensif n'empêche pas que l'astreinte soit encourue et n'empêche pas que la publication ait lieu conformément aux dispositions légales applicables. Les recours visés aux § 1er, 1°, 2°, 3° et 6°, ne sont pas suspensifs de la décision faisant l'objet du recours, sauf les exceptions prévues par ou en vertu de la loi. Toutefois, la Cour d'appel de Bruxelles, peut avant dire droit, ordonner la suspension de l'exécution de la décision faisant l'objet du recours lorsque le demandeur invoque des moyens sérieux susceptibles de justifier la réformation de la décision et lorsque l'exécution immédiate de celle-ci risque de causer un préjudice grave et difficilement réparable. La cour statue toutes affaires cessantes sur la demande de suspension.".
TITEL 5. - Wijzigingen in het Wetboek van Vennootschappen
TITRE 5. - Modifications du Code des sociétés
Art.92. In het Wetboek van Vennootschappen wordt het opschrift van boek I, titel II, hoofdstuk I, aangevuld met de woorden "en organisaties van openbaar belang."
Art.92. Dans le Code des sociétés, l'intitulé du livre Ier, titre II, chapitre Ier, est complété par les mots "et entités d'intérêt public."
Art.93. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 4/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 4/1. Onder "organisatie van openbaar belang", moet worden verstaan:
  1° de genoteerde vennootschappen bedoeld in artikel 4;
  2° de kredietinstellingen: de kredietinstellingen bedoeld in boek II van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen;
  3° de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen: de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen bedoeld in boek II van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen;
  4° de vereffeningsinstellingen alsook de met vereffeningsinstellingen gelijkgestelde instellingen: de vereffeningsinstellingen bedoeld in artikel 36/1, 14°, van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, alsook de instellingen waarvan de activiteit erin bestaat om, geheel of gedeeltelijk, het operationeel beheer van de dienstverlening door dergelijke vereffeningsinstellingen te waarborgen."
Art.93. Dans le même code, il est inséré un article 4/1 rédigé comme suit:
  "Art. 4/1. Par "entité d'intérêt public", il faut entendre:
  1° les sociétés cotées visées à l'article 4;
  2° les établissements de crédit: les établissements de crédit visés au livre II de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit;
  3° les entreprises d'assurance ou de réassurance: les entreprises d'assurance ou de réassurance visées au livre II de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance;
  4° les organismes de liquidation ainsi que les organismes assimilés à des organismes de liquidation: les organismes de liquidation visés à l'article 36/1, 14°, de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque nationale de Belgique ainsi que les organismes dont l'activité consiste à assurer, en tout ou en partie, la gestion opérationnelle des services fournis par de tels organismes de liquidation."
Art.94. In hetzelfde wetboek wordt een artikel 4/2 ingevoegd, luidende:
  "Art. 4/2. Onder "verordening (EU) nr. 537/2014" moet worden verstaan: de verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controle van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie.".
Art.94. Dans le même code, il est inséré un article 4/2 rédigé comme suit:
  "Art. 4/2. Par "règlement (UE) n° 537/2014", il faut entendre: le règlement (UE) n° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission.".
Art.95. In boek I, titel II, van hetzelfde wetboek, wordt een hoofdstuk IV ingevoegd, luidende:
  "Hoofdstuk IV. Wettelijke controle van de jaarrekening."
Art.95. Dans le livre Ier, titre II, du même code, il est inséré un chapitre IV, intitulé comme suit:
  "Chapitre IV. Contrôle légal des comptes."
Art.96. In hoofdstuk IV van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij artikel 95, wordt een artikel 16/1 ingevoegd, luidende:
  "Artikel 16/1. Onder "wettelijke controle van de jaarrekening" moet worden verstaan, een controle van de statutaire jaarrekening of van de geconsolideerde jaarrekening, voor zover deze controle:
  1° door het recht van de Europese Unie wordt voorgeschreven;
  2° door het Belgisch recht wordt voorgeschreven met betrekking tot kleine vennootschappen;
  3° op vrijwillige basis op verzoek van kleine vennootschappen wordt uitgevoerd, wanneer deze opdracht gepaard gaat met de bekendmaking van het verslag bedoeld in artikel 144 of 148 van dit wetboek.".
Art.96. Dans le chapitre IV, du même code, inséré par l'article 95, il est inséré un article 16/1 rédigé comme suit:
  "Art. 16/1. Par "contrôle légal des comptes", il faut entendre un contrôle des comptes annuels ou des comptes consolidés, dans la mesure où ce contrôle est:
  1° requis par le droit de l'Union européenne;
  2° requis par le droit belge en ce qui concerne les petites sociétés;
  3° volontairement effectué à la demande de petites sociétés, lorsque cette mission est assortie de la publication du rapport visé à l'article 144 ou 148 du présent Code.".
Art.97. In hoofdstuk IV, ingevoegd bij artikel 95, wordt een artikel 16/2 ingevoegd als volgt:
  "Art. 16/2. Onder "netwerk" moet worden verstaan de grotere structuur:
  1° die op samenwerking is gericht en waartoe een bedrijfsrevisor of een geregistreerd auditkantoor behoort, en
  2° die duidelijk is gericht op winst- of kostendeling, of het delen van gemeenschappelijke eigendom, zeggenschap of bestuur, een gemeenschappelijk beleid en procedures inzake kwaliteitsbeheersing, een gemeenschappelijke bedrijfsstrategie, het gebruik van een gemeenschappelijke merknaam of een aanzienlijk deel van de bedrijfsmiddelen.".
Art.97. Dans le chapitre IV, inséré par l'article 95, il est inséré un article 16/2 rédigé comme suit:
  "Art. 16/2. Par "réseau", il faut entendre la structure plus vaste:
  1° destinée à un but de coopération, à laquelle appartient un réviseur d'entreprises ou un cabinet d'audit enregistré, et
  2° dont le but manifeste est le partage de résultats ou de coûts ou qui partage un actionnariat, un contrôle ou une direction communs, des politiques et des procédures communes en matière de contrôle de qualité, une stratégie commerciale commune, l'utilisation d'une même marque ou d'une partie importante des ressources professionnelles.".
Art.98. In hoofdstuk IV van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij artikel 95, wordt een artikel 16/3 ingevoegd als volgt:
  "Art. 16/3. Onder "geregistreerd auditkantoor" moet worden verstaan, een auditkantoor dat erkend is in een andere lidstaat van de Europese Unie of in een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte en dat voldoet aan de voorwaarden bedoeld in artikel 10, § 2, van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, en dat apart vermeld wordt in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren.".
Art.98. Dans le chapitre IV, inséré par l'article 95, il est inséré un article 16/3 rédigé comme suit:
  "Art. 16/3. Par "cabinet d'audit enregistré", il faut entendre un cabinet d'audit agréé dans un autre Etat membre de l'Union européenne ou dans un Etat qui est partie à l'Accord sur l'Espace économique européen, répondant aux conditions visées à l'article 10, § 2, de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, et mentionné de manière distincte dans le registre public des réviseurs d'entreprises.".
Art.99. In boek IV, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van titel VII vervangen als volgt:
  "Titel VII. De wettelijke controle van de jaarrekening en van de geconsolideerde jaarrekening.".
Art.99. Dans le livre IV, du même code, l'intitulé du titre VII est remplacé par ce qui suit:
  "Titre VII. Contrôle légal des comptes annuels et des comptes consolidés.".
Art.100. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk I, vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk I. Algemene bepalingen inzake wettelijke controle.".
Art.100. Dans le livre IV, titre VII, du même code, l'intitulé du chapitre Ier est remplacé par ce qui suit:
  "Chapitre Ier. Dispositions générales en matière de contrôle légal.".
Art.101. Artikel 130, van hetzelfde wetboek, gewijzigd door de wetten van 25 april 2007 en 17 december 2008, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 130. § 1. De commissarissen worden benoemd, door de algemene vergadering, onder de bedrijfsrevisoren, ingeschreven in het openbaar register van de bedrijfsrevisoren of onder de geregistreerde auditkantoren, voor de opdracht van de wettelijke controle van de jaarrekening en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekening.
  § 2. Onverminderd de rol toegekend aan de ondernemingsraad zoals omschreven in de artikelen 156 en 157, beslist de algemene vergadering op basis van een voorstel geformuleerd door het bestuursorgaan.
  § 3. Indien de vennootschap krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten, wordt het voorstel voor benoeming tot commissaris, dat erop gericht is om door het bestuursorgaan aan de algemene vergadering te worden voorgelegd gericht, geformuleerd op aanbeveling van het auditcomité.
  De aanbeveling van het auditcomité wordt gemotiveerd.
  Indien het voorstel van het bestuursorgaan verschilt van de voorkeur zoals vermeld in de aanbeveling van het auditcomité, licht het bestuursorgaan de redenen toe waarom de aanbeveling van het auditcomité niet wordt gevolgd.
  § 4. Elke beslissing inzake benoeming of vernieuwing van het mandaat van een commissaris zonder naleving van de voorgaande paragrafen leden is nietig. De nietigheid wordt uitgesproken door de voorzitter van de rechtbank van koophandel van de zetel van de vennootschap, zitting houdend zoals in kort geding.
  § 5. Contractuele bepalingen die de keuze van de algemene vergadering beperken tot bepaalde categorieën of lijsten van bedrijfsrevisoren, bedrijfsrevisoren-kantoren of geregistreerde auditkantoren met betrekking tot de benoeming van een bepaalde commissaris of van een bepaalde bedrijfsrevisor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening van die vennootschap, zijn verboden. Ingeval zulke bepalingen bestaan, zijn zij nietig.".
Art.101. L'article 130, du même code, modifié par les lois du 25 avril 2007 et 17 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 130. § 1er. Les commissaires sont nommés, par l'assemblée générale, parmi les réviseurs d'entreprises, inscrits au registre public des réviseurs d'entreprises ou les cabinets d'audit enregistrés, pour la mission de contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés.
  § 2. Sans préjudice du rôle dévolu au conseil d'entreprise tel que défini aux articles 156 et 157, l'assemblée générale décide sur la base d'une proposition formulée par l'organe de gestion.
  § 3. Lorsque la société est tenue de constituer un comité d'audit en vertu de la loi, la proposition de l'organe de gestion relative à la nomination du commissaire destinée à être soumise à l'assemblée générale est émise sur recommandation du comité d'audit.
  La recommandation du comité d'audit est motivée.
  Si la proposition de l'organe de gestion diffère de la préférence mentionnée dans la recommandation du comité d'audit, l'organe de gestion expose les raisons pour lesquelles il n'y a pas lieu de suivre la recommandation du comité d'audit.
  § 4. Toute décision de nomination ou de renouvellement du mandat d'un commissaire prise sans respecter les paragraphes précédents est nulle. La nullité est prononcée par le président du tribunal de commerce du siège social de la société siégeant comme en référé.
  § 5. Toute clause contractuelle qui limite le choix de l'assemblée générale à certaines catégories ou listes de réviseurs d'entreprises ou cabinets de révision ou de cabinet d'audit enregistré en ce qui concerne la désignation d'un commissaire en particulier ou d'un réviseur d'entreprises en particulier chargé du contrôle des comptes consolidés de cette société est interdite. Toute clause existante de ce type est nulle et non avenue.".
Art.102. In artikel 131, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001, wordt het woord "bezoldiging" vervangen door het woord "honoraria".
Art.102. Dans l'article 131, du même code, modifié par la loi du 23 janvier 2001, les mots "l'émolument" sont remplacés par les mots "les honoraires".
Art.103. Het artikel 132, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 18 januari 2010, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 132. Ingeval een bedrijfsrevisorenkantoor of een geregistreerd auditkantoor wordt aangesteld als commissaris, wordt ten minste één bedrijfsrevisor-natuurlijk persoon aangesteld als vaste vertegenwoordiger van het bedrijfsrevisorenkantoor of van het geregistreerd auditkantoor met handtekeningsbevoegdheid.
  Voor de aanstelling en de opdrachtbeëindiging van de vaste vertegenwoordiger van het bedrijfsrevisorenkantoor of van het geregistreerd auditkantoor die als commissaris wordt benoemd, gelden dezelfde bekendmakingregels als wanneer hij deze vaste vertegenwoordiger die opdracht in eigen naam en voor eigen rekening zou vervullen.".
Art.103. L'article 132, du même code, modifié par la loi du 18 janvier 2010, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 132. Lorsqu'un cabinet de révision ou un cabinet d'audit enregistré est nommé en tant que commissaire, au moins un réviseur d'entreprises personne physique est désigné en tant que représentant permanent du cabinet de révision ou du cabinet d'audit enregistré disposant d'un pouvoir de signature.
  La désignation et la cessation des fonctions du représentant permanent du cabinet de révision ou du cabinet d'audit enregistré qui a été nommé commissaire sont soumises aux mêmes règles de publicité que si ce représentant permanent exerçait cette mission en son nom et pour compte propre.".
Art.104. In artikel 132/1, van hetzelfde wetboek, ingevoegd door de wet van 29 juni 2016, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in § 4 worden de woorden "en onverminderd paragraaf 5," ingevoegd tussen "Na het verstrijken van de maximale termijnen bedoeld in de paragrafen 2 en 3" en "mogen noch de commissaris";
  2° een nieuwe paragraaf wordt ingevoegd als volgt:
  " § 5. Na het verstrijken van de maximale termijnen bedoeld in de paragrafen 2 en 3, kan de organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, op uitzonderlijke basis, het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren verzoeken een verlenging toe te staan op basis waarvan de organisatie van openbaar belang opnieuw dezelfde commissaris kan benoemen voor de wettelijke controleopdracht overeenkomstig de voorwaarden van paragraaf 3. De duur van dit nieuw mandaat bedraagt ten hoogste twee jaar.".
Art.104. Dans l'article 132/1, du même code, inséré par la loi du 29 juin 2016, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le § 4 les mots "et sans préjudice du paragraphe 5" sont insérés entre "Après l'expiration des durées maximales visées aux paragraphes 2 et 3" et ", ni le commissaire";
  2° un nouveau paragraphe est inséré comme suit:
  " § 5. Après l'expiration des durées maximales visées aux paragraphes 2 et 3, l'entité d'intérêt public visée à l'article 4/1 peut, à titre exceptionnel, demander au Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises d'autoriser une prolongation au titre de laquelle l'entité d'intérêt public peut à nouveau désigner le même commissaire pour la mission de contrôle légal conformément aux conditions définies au paragraphe 3. La durée de ce nouveau mandat ne dépasse pas deux ans.".
Art.105. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, van hetzelfde wetboek wordt na afdeling I/1 een afdeling I/2 ingevoegd als volgt:
  "Afdeling I/2. Verplichtingen.".
Art.105. Dans le livre IV, titre VII, chapitre Ier, du même code, sous la section I/1, il est inséré une section I/2 comme suit:
  "Section I/2. Obligations.".
Art.106. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, van hetzelfde wetboek, wordt na afdeling I/2 een onderafdeling 1 ingevoegd als volgt:
  "Onderafdeling 1. Principes van onafhankelijkheid.".
Art.106. Dans le livre IV, titre VII, chapitre Ier du même code, sous la section I/2, il est inséré une sous-section 1 intitulée comme suit:
  "Sous-section 1. Principes d'indépendance.".
Art.107. Artikel 133, van hetzelfde wetboek, laatst gewijzigd door de wet van 9 februari 2009, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 133. § 1. Diegenen die zich in een positie bevinden die een onafhankelijke taakuitoefening, overeenkomstig de regels geldend voor het beroep van bedrijfsrevisoren, in het gedrang kan brengen, kunnen niet tot commissaris benoemd worden. De commissarissen moeten er op toezien dat zij na hun benoeming niet in een dergelijke positie worden geplaatst. Hun onafhankelijkheid is in elk geval vereist zowel gedurende de periode waarop de te controleren jaarrekening betrekking heeft, als gedurende de periode waarin de wettelijke controle wordt uitgevoerd.
  § 2. Aldus mogen de commissarissen in de vennootschap die aan hun wettelijke controle is onderworpen, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 11, een andere taak, mandaat of opdracht aanvaarden, die zal worden vervuld tijdens de duur van hun mandaat of erna, en die de onafhankelijke uitoefening van hun taak als commissaris in het gedrang zou kunnen brengen.
  § 3. Zij kunnen gedurende een tijdvak van twee jaar na het einde van hun mandaat van commissaris, noch in de vennootschap die aan hun wettelijke controle is onderworpen, noch in een daarmee verbonden vennootschap of persoon zoals bepaald in artikel 11, een mandaat van bestuurder, zaakvoerder of enige andere functie aanvaarden.
  De bedrijfsrevisor die als vennoot, medewerker of werknemer van de commissaris direct betrokken was bij de wettelijke controle, kan de mandaten of functies bedoeld in lid 1 pas aanvaarden nadat een periode van ten minste één jaar is verstreken sinds zijn directe betrokkenheid bij de wettelijke controle.
  § 4. Paragraaf 2 is eveneens van toepassing op de personen met wie de commissaris een arbeidsovereenkomst heeft afgesloten, of met wie hij beroepshalve in samenwerkingsverband staat, alsook de leden van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort en op de met de commissaris verbonden vennootschappen of personen zoals bepaald in artikel 11.
  § 5. Gedurende twee jaar voorafgaand aan zijn benoeming tot commissaris, mag de bedrijfsrevisor of mogen de leden van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de bedrijfsrevisor behoort, geen prestaties verrichten die zijn onafhankelijkheid als commissaris in het gedrang zouden kunnen brengen.
  Behalve in uitzonderlijke naar behoren gemotiveerde gevallen, zal de bedrijfsrevisor niet als commissaris kunnen benoemd worden wanneer hij of een lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe hij behoort, binnen de twee jaar voorafgaand aan de benoeming als commissaris:
  1° regelmatig bijstand heeft verleend of heeft deelgenomen aan het voeren van de boekhouding of aan de opstelling van de jaarrekening of de geconsolideerde jaarrekening van de betrokken vennootschap, van een Belgische vennootschap die haar controleert of één van haar belangrijke Belgische of buitenlandse dochtervennootschappen;
  2° tussengekomen is in de werving van personen die deel uitmaken van een orgaan of van het leidinggevend personeel van de betrokken vennootschap, van een Belgische vennootschap die haar controleert of van één van haar belangrijke Belgische of buitenlandse dochtervennootschappen.".
Art.107. L'article 133, du même code, modifié en dernier lieu par la loi du 9 février 2009, est remplacé comme suit:
  "Art. 133. § 1er. Ne peuvent être désignés comme commissaire ceux qui se trouvent dans des conditions susceptibles de mettre en cause l'indépendance de l'exercice de leur fonction de commissaire, conformément aux règles de la profession de réviseur d'entreprises. Les commissaires doivent veiller à ne pas se trouver placés, postérieurement à leur désignation, dans de telles conditions. Leur indépendance est exigée, au minimum, à la fois pendant la période couverte par les comptes annuels à contrôler et pendant la période au cours de laquelle le contrôle légal est effectué.
  § 2. En particulier, les commissaires ne peuvent accepter, ni dans la société soumise à leur contrôle légal ni dans une société ou personne liée à celle-ci au sens de l'article 11, aucune autre fonction, mandat ou mission à exercer au cours de leur mandat ou après celui-ci et qui serait de nature à mettre en cause l'indépendance de l'exercice de leur fonction de commissaire.
  § 3. Jusqu'au terme d'une période de deux années prenant cours à la date de cessation de leurs fonctions de commissaires, ils ne peuvent accepter un mandat d'administrateur, de gérant ou toute autre fonction auprès de la société qui est soumise à leur contrôle légal, ni auprès d'une société ou personne liée au sens de l'article 11.
  Le réviseur d'entreprises qui a directement participé à la mission de contrôle légal, en tant qu'associé, collaborateur ou employé du commissaire, ne peut accepter les mandats ou fonctions visées à l'alinéa 1er qu'après qu'une période d'un an au moins ne se soit écoulée depuis qu'ils ont directement participé à la mission de contrôle légal.
  § 4. Le paragraphe 2 est également applicable aux personnes avec lesquelles le commissaire a conclu un contrat de travail ou avec lesquelles il se trouve, sous l'angle professionnel, dans des liens de collaboration ainsi que les membres du réseau visé à l'article 16/2 dont relève le commissaire et aux sociétés ou personnes liées au commissaire visées à l'article 11.
  § 5. Durant les deux ans précédant la nomination de commissaire, ni le réviseur d'entreprises, ni les membres du réseau visé à l'article 16/2 dont relève le réviseur d'entreprises ne peuvent effectuer de prestations susceptibles de mettre en cause son indépendance en tant que commissaire.
  Sauf cas exceptionnels dûment motivés, le réviseur d'entreprises ne pourra être nommé commissaire lorsque lui-même ou un membre du réseau visé à l'article 16/2 dont il relève, dans les deux ans précédant la nomination du commissaire:
  1° a assisté ou participé de manière régulière à la tenue de la comptabilité ou à l'établissement des comptes annuels ou des comptes consolidés de la société visée, d'une société belge qui la contrôle ou de l'une de ses filiales belges ou étrangères significatives;
  2° est intervenu dans le recrutement de personnes appartenant à un organe ou faisant partie du personnel dirigeant de la société visée, d'une société belge qui la contrôle ou de l'une de ses filiales belges ou étrangères significatives.".
Art.108. Na artikel 133, van hetzelfde wetboek, wordt een onderafdeling 2 ingevoegd als volgt:
  "Onderafdeling 2. Niet-controlediensten.".
Art.108. Après l'article 133, du même code, il est inséré une sous-section 2 comme suit:
  "Sous-section 2. Services non-audit.".
Art.109. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 108 wordt een artikel 133/1 ingevoegd als volgt:
  "Art. 133/1. § 1. Een commissaris alsook ieder lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe een commissaris behoort, mogen noch direct, noch indirect verboden niet-controlediensten verstrekken aan de vennootschap onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en de ondernemingen waarover zij de controle heeft binnen de Europese Unie tijdens:
  1° de periode tussen het begin van de gecontroleerde periode en het uitbrengen van het controleverslag; en
  2° het boekjaar onmiddellijk voorafgaand aan de onder 1° bedoelde periode, voor de diensten bedoeld in paragraaf 2, 3°.
  § 2. Voor de toepassing van paragraaf 1 wordt onder verboden niet-controlediensten verstaan:
  1° diensten die het vervullen van een rol bij het beheer of de besluitvorming van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, inhouden;
  2° boekhouding en het opstellen van boekhoudkundige documenten en financiële overzichten;
  3° het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van procedures voor interne controle en risicobeheer die verband houden met de opstelling en/of controle van financiële informatie of het ontwikkelen en ten uitvoer leggen van financiële informatietechnologie-systemen;
  4° waarderingsdiensten, met inbegrip van waarderingen in verband met actuariële diensten of ondersteuningsdiensten bij rechtsgeschillen;
  5° diensten in verband met de interne controlefunctie van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle;
  6° diensten met betrekking tot:
  a) het onderhandelen namens de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle;
  b) het optreden als belangenbehartiger bij het oplossen van geschillen;
  c) vertegenwoordiging van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, bij de afwikkeling van fiscale of andere geschillen;
  7° personeelsdiensten met betrekking tot:
  a) leidinggevenden die zich in een positie bevinden waarin zij wezenlijke invloed kunnen uitoefenen op het opstellen van boekhoudkundige documenten of financiële overzichten waarop de wettelijke controle betrekking heeft, indien dergelijke diensten het volgende behelzen:
  i) het zoeken naar of benaderen van kandidaten voor een dergelijke functie; of
  ii) het controleren van de referenties van kandidaten voor dergelijke functies;
  b) het structuren van de opzet van de organisatie; en
  c) kostenbeheersing.
  § 3. Met toepassing van artikel 5, § 1, tweede lid, van de verordening (EU) nr. 537/2014, wordt in het geval van een wettelijke controle van een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, voor de toepassing van paragraaf 1 eveneens onder verboden niet-controlediensten verstaan, naast de diensten bedoeld in paragraaf 2:
  1° het verlenen van belastingdiensten met betrekking tot:
  a) het opstellen van belastingformulieren;
  b) loonbelasting;
  c) douanerechten;
  d) het identificeren van overheidssubsidies en belastingstimulansen tenzij steun van de wettelijke auditor of het auditkantoor voor dit soort diensten bij wet verplicht is;
  e) bijstand van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, bij belastinginspecties door de belastingautoriteiten;
  f) het berekenen van directe en indirecte belastingen en uitgestelde belastingen;
  g) het verstrekken van belastingadvies;
  2° juridische diensten met betrekking tot het geven van algemeen advies;
  3° loonadministratie;
  4° het aanbevelen van, handelen in of inschrijven op aandelen in de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle;
  5° diensten die verband houden met de financiering, de kapitaalstructuur en -toewijzing, en de investeringsstrategie van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle met uitzondering van het verstrekken van assurancediensten in verband met financiële overzichten, waaronder het verschaffen van comfort letters met betrekking tot door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, uitgegeven prospectussen.
  § 4. Met toepassing van artikel 5, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014, zijn de niet-controlediensten bedoeld in paragraaf 2, 4°, en paragraaf 3, 1°, a) en d) tot en met g) tóch toegelaten op voorwaarde dat cumulatief aan de volgende vereisten is voldaan:
  a) de diensten hebben, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk, geen direct effect op, of ze zijn, hetzij afzonderlijk, hetzij gezamenlijk, niet van materieel belang voor de gecontroleerde jaarrekening;
  b) de schatting van het effect op de gecontroleerde jaarrekening wordt uitvoerig gedocumenteerd en toegelicht in de aanvullende verklaring aan het auditcomité zoals bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  c) de commissaris voldoet aan de algemene onafhankelijkheidsbeginselen.
  § 5. Krachtens artikel 5, § 4, van de verordening (EU) nr. 537/2014, mag de commissaris van een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1 en, indien de commissaris tot een netwerk behoort bedoeld in artikel 16/2, een lid van dat netwerk, niet-controlediensten die niet verboden zijn slechts leveren aan de betrokken organisatie van openbaar belang, aan haar moedervennootschap of aan ondernemingen waarover zij de controle heeft, op voorwaarde dat het auditcomité zijn goedkeuring verleent.
  Het auditcomité vaardigt in voorkomend geval richtsnoeren uit met betrekking tot de in paragraaf 4 bedoelde diensten.
  § 6. Indien een lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort, één van de in paragrafen 2 of 3 bedoelde niet-controlediensten levert aan een onderneming met rechtspersoonlijkheid in een derde land die wordt beheerst door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, beoordeelt de commissaris of zijn onafhankelijkheid in het gedrang zou worden gebracht door de levering van zulke diensten door het lid van het netwerk.
  Als zijn onafhankelijkheid in het gedrang komt, past de commissaris in voorkomend geval veiligheidsmaatregelen toe om de bedreigingen als gevolg van het leveren van zulke diensten in een derde land in te perken. De commissaris mag de wettelijke controle uitsluitend blijven uitvoeren als kan gewaarborgd worden dat het verlenen van deze diensten zijn professionele oordeelsvorming en controleverslag niet beïnvloedt.
  Voor de toepassing van deze paragraaf:
  a) worden betrokkenheid bij de besluitvorming van de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, en het leveren van de diensten bedoeld in paragraaf 2, 1° tot 3° in alle gevallen geacht deze onafhankelijkheid in het gedrang te brengen en niet te kunnen worden ingeperkt door welke veiligheidsmaatregel ook;
  b) wordt het verstrekken van de diensten andere dan deze bedoeld in paragraaf 2, 1° tot 3° geacht deze onafhankelijkheid in het gedrang te brengen en worden derhalve veiligheidsmaatregelen nodig geacht om de daardoor veroorzaakte dreigingen in te perken."
Art.109. Dans la sous-section 2, insérée par l'article 108, un article 133/1 est inséré comme suit:
  "Art. 133/1. § 1er. Un commissaire ainsi que tout membre du réseau visé à l'article 16/2 dont relève un commissaire ne peuvent fournir, que ce soit directement ou indirectement, à la société soumise au contrôle légal, à sa société mère ou aux entreprises qu'elle contrôle au sein de l'Union européenne des services non-audit interdits:
  1° au cours de la période s'écoulant entre le commencement de la période contrôlée et la publication du rapport d'audit; et
  2° au cours de l'exercice précédant immédiatement la période visée au 1° en ce qui concerne les services énumérés au paragraphe 2, 3°.
  § 2. Pour l'application du paragraphe 1er, il convient d'entendre par services non-audit interdits:
  1° des services qui supposent d'être associé à la gestion ou à la prise de décision de la société soumise au contrôle légal;
  2° la comptabilité et la préparation de registres comptables et d'états financiers;
  3° la conception et la mise en oeuvre de procédures de contrôle interne ou de gestion des risques en rapport avec la préparation et/ou le contrôle de l'information financière ou la conception et la mise en oeuvre de systèmes techniques relatifs à l'information financière;
  4° les services d'évaluation, notamment les évaluations réalisées en rapport avec les services actuariels ou les services d'aide en cas de litige;
  5° les services liés à la fonction d'audit interne de la société soumise au contrôle légal;
  6° les services ayant trait à:
  a) la négociation au nom de la société soumise au contrôle légal;
  b) l'exercice d'un rôle de défenseur dans le cadre de la résolution d'un litige;
  c) la représentation de la société soumise au contrôle légal dans le règlement de litiges, fiscaux ou autres;
  7° les services de ressources humaines ayant trait :
  a) aux membres de la direction en mesure d'exercer une influence significative sur l'élaboration des documents comptables ou des états financiers faisant l'objet du contrôle légal, dès lors que ces services englobent:
  i) la recherche ou la sélection de candidats à ces fonctions, ou
  ii) la vérification des références des candidats à ces fonctions;
  b) à la structuration du modèle organisationnel; et
  c) au contrôle des coûts.
  § 3. En application de l'article 5, § 1er, deuxième alinéa, du règlement (UE) n° 537/2014, il convient, en cas de contrôle légal d'une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1, pour l'application du paragraphe 1er, d'entendre par services non-audit interdits en sus des services visés au paragraphe 2:
  1° les services fiscaux portant sur:
  a) l'établissement des déclarations fiscales;
  b) l'impôt sur les salaires;
  c) les droits de douane;
  d) l'identification des subventions publiques et des incitations fiscales, à moins qu'une assistance de la part du contrôleur légal des comptes ou du cabinet d'audit pour la fourniture de ces services ne soit requise par la loi;
  e) l'assistance de la société soumise au contrôle légal lors de contrôles fiscaux menés par les autorités fiscales;
  f) le calcul de l'impôt direct et indirect ainsi que de l'impôt différé;
  g) la fourniture de conseils fiscaux;
  2° les services juridiques ayant trait à la fourniture de conseils généraux;
  3° les services de paie;
  4° la promotion, le commerce ou la souscription de parts de la société soumise au contrôle légal;
  5° les services liés au financement, à la structure, ainsi qu'à l'allocation des capitaux et à la stratégie d'investissement de la société soumise au contrôle légal, sauf en ce qui concerne la fourniture de services d'assurance en rapport avec les états financiers, telle que l'émission de lettres de confort en lien avec des prospectus émis par la société soumise au contrôle légal.
  § 4. En application de l'article 5, § 3, du règlement (UE) n° 537/2014, les services non-audit visés au paragraphe 2, 4° et au paragraphe 3, 1°, a) et d) à g) sont cependant autorisés à condition que les exigences cumulatives suivantes soient respectées:
  a) les services n'ont pas d'effet direct ou ont un effet peu significatif, séparément ou dans leur ensemble, sur les comptes annuels contrôlés;
  b) l'appréciation de l'effet sur les comptes annuels contrôlés est documenté et expliqué de manière complète dans le rapport complémentaire destiné au comité d'audit visé à l'article 11 du règlement (UE) n° 537/2014;
  c) le commissaire respecte les principes généraux en matière d'indépendance.
  § 5. Conformément à l'article 5, § 4, du règlement (UE) n° 537/2014, le commissaire dans une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1 et, lorsque le commissaire fait partie d'un réseau visé à l'article 16/2, tout membre de ce réseau peut fournir des services non-audit qui ne sont pas interdits à cette entité d'intérêt public, à sa société mère ou aux entreprises qu'elle contrôle à condition que le comité d'audit donne son approbation.
  Le comité d'audit émet des lignes directrices, le cas échéant, en ce qui concerne les services visés au paragraphe 4.
  § 6. Lorsqu'un membre du réseau visé à l'article 16/2 dont relève le commissaire fournit l'un des services autres que d'audit, visés aux paragraphes 2 ou 3, à une entreprise ayant une personnalité juridique dans un pays tiers qui est contrôlée par la société soumise au contrôle légal, le commissaire apprécie si son indépendance serait compromise par cette prestation de services du membre du réseau.
  Si son indépendance est compromise, le commissaire prend, le cas échéant, des mesures de sauvegarde afin d'atténuer les risques causés par cette prestation de services dans un pays tiers. Le commissaire ne peut continuer d'effectuer le contrôle légal de l'entité d'intérêt public que s'il peut justifier que cette prestation de services n'influe pas sur son jugement professionnel ni sur le rapport d'audit.
  Aux fins du présent paragraphe:
  a) le fait d'être associé au processus décisionnel de la société soumise au contrôle légal et de fournir les services visés au paragraphe 2, 1° à 3° est toujours considéré comme une atteinte à cette indépendance qui ne peut être atténuée par des mesures de sauvegarde;
  b) il est considéré que la prestation des services autres que ceux visés au paragraphe 2, 1° à 3° porte atteinte à cette indépendance et requiert dès lors des mesures visant à atténuer les risques causés par cette prestation de services."
Art.110. Na artikel 133/1 van hetzelfde wetboek, wordt een onderafdeling III ingevoegd als volgt:
  "Onderafdeling III. Verhouding tussen de honoraria voor wettelijke controles en overige honoraria."
Art.110. Sous l'article 133/1 du même code, une sous-section III est insérée comme suit:
  "Sous-section III. Rapport entre les honoraires relatifs au contrôle des comptes et les autres honoraires."
Art.111. In onderafdeling III, ingevoegd bij artikel 110, wordt een artikel 133/2 ingevoegd als volgt:
  "Art. 133/2. § 1. Onverminderd de verbodsbepalingen die voortvloeien uit artikel 133/1, mag de commissaris geen andere diensten verrichten dan de opdrachten die door de wet of door de wetgeving van de Europese Unie werden toevertrouwd aan de commissaris, voor zover het totale bedrag van de honoraria voor deze diensten meer dan zeventig procent bedraagt van het totaalbedrag van de in artikel 134, § 2, bedoelde honoraria.
  Deze bepaling is van toepassing op de organisaties van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1.
  § 2. Op verzoek van de commissaris kan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, zoals bedoeld in artikel 32 van de wet van ... 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren bij wijze van uitzondering toestaan dat de commissaris voor een periode van maximaal twee boekjaren wordt vrijgesteld van het verbod bedoeld in paragraaf 1.
  In dit geval wordt de afwijking en de verantwoording ervan vermeld:
  a) in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling,
  b) in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die geen moedervennootschap is als bedoeld in artikel 110 of vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen krachtens artikel 112 en waarvan de commissaris de afwijking van het verbod bedoeld in deze paragraaf gekregen heeft, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  Ingeval de vennootschap deze informatie niet vermeldt in de toelichting bij de jaarrekening, neemt de commissaris deze informatie zelf op in zijn controleverslag.
  § 3. Voor de vennootschappen die niet als organisaties van openbaar belang als bedoeld in artikel 4/1 worden beschouwd, maar die deel uitmaken van een groep die verplicht is geconsolideerde jaarrekeningen op te stellen en te publiceren geldt dat, onverminderd de verbodsbepalingen die voortvloeien uit artikel 133/1, de commissaris geen andere diensten mag verrichten dan de opdrachten die door de wet of door de wetgeving van de Europese Unie werden toevertrouwd aan de commissaris, voor zover het totale bedrag van de honoraria voor deze diensten hoger ligt dan het totaalbedrag van de in artikel 134, paragraaf 2, bedoelde honoraria.
  § 4. Van het bijkomend verbod bedoeld in § 3, kan worden afgeweken in elk van de volgende gevallen:
  1° na een gunstige beslissing van het krachtens de wet of statuten voorziene auditcomité van de betrokken vennootschap, of van een andere vennootschap die haar controleert, indien deze vennootschap Belgisch is of een vennootschap is volgens het recht van een andere lidstaat van de Europese Unie of van de Organisatie voor de Economische Samenwerking en Ontwikkeling. Indien de vennootschap krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten, wordt de bovenvermelde beslissing genomen door het auditcomité in de zin van artikel 526bis. Ingeval de taken die aan het auditcomité zijn opgedragen, worden uitgevoerd door de raad van bestuur als geheel, is evenwel de goedkeuring vereist van de onafhankelijk bestuurder of, indien er meerdere onafhankelijke bestuurders zijn benoemd, van de meerderheid van de onafhankelijke bestuurders;
  2° als op verzoek van de commissaris het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, zoals bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren bij wijze van uitzondering toestaat dat de commissaris voor een periode van maximaal twee boekjaren wordt vrijgesteld van het verbod bedoeld in paragraaf 3;
  3° als binnen de vennootschap een college van elkaar onafhankelijke commissarissen is opgericht. Dit geval geldt enkel indien de vennootschap niet krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten.
  In de gevallen bedoeld in vorig lid wordt de afwijking en de verantwoording ervan vermeld:
  a) in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling;
  b) in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die geen moedervennootschap is zoals bedoeld in artikel 110 of vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen krachtens artikel 112 en waarvan de commissaris de afwijking van het verbod bedoeld in deze paragraaf gekregen heeft, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  Ingeval de vennootschap deze informatie niet vermeldt in de toelichting bij de jaarrekening, neemt de commissaris deze informatie zelf op in zijn controleverslag.
  § 5. Met de prestaties geleverd om de economische en financiële gegevens van een derde onderneming die de vennootschap of een van haar dochtervennootschappen wenst te verwerven of verworven heeft, te controleren, wordt voor de toepassing van paragrafen 3 en 4 geen rekening gehouden.
  De beoordeling van de verhouding tussen de honoraria voor wettelijke controle en de overige honoraria, zoals bedoeld in voorgaande paragrafen, moet uitgevoerd worden voor het geheel bestaande uit de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en de dochtervennootschappen, met dien verstande dat de honoraria voor de wettelijke controle van de rekeningen van buitenlandse moeder- of dochtervennootschappen deze zijn die voortvloeien uit de wettelijke en/of contractuele bepalingen die van toepassing zijn op deze moeder- of dochtervennootschappen.
  De beoordeling van de verhouding tussen de honoraria die hiervoor bedoeld worden, moet begrepen worden als uit te voeren door globaal, voor de duur van de drie boekjaren van het mandaat van de commissaris, de vergelijking te maken tussen:
  enerzijds, het totaal van de honoraria die betrekking hebben op de drie boekjaren en betreffende andere diensten dan de opdrachten die door de wet of door de wetgeving van de Europese Unie zijn toegekend aan de commissaris en die in hun globaliteit gedurende de drie boekjaren door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en haar dochtervennootschappen zijn toegekend aan de commissaris en
  anderzijds, het totaal van de honoraria bedoeld in artikel 134, § 2, die betrekking hebben op de drie boekjaren, en die in hun globaliteit gedurende de drie boekjaren, zijn toegekend door de vennootschap, onderworpen aan de wettelijke controle, haar moedervennootschap en haar dochtervennootschappen, aan de commissaris.".
Art.111. Dans la sous-section III, insérée par l'article 110, un article 133/2 est inséré comme suit:
  "Art. 133/2. § 1er. Sans préjudice des interdictions découlant de l'article 133/1, le commissaire ne peut prester des services autres que les missions confiées par la loi ou par la réglementation de l'Union européenne au commissaire, dans la mesure où le montant total des honoraires afférents à ces services dépasserait septante pour cent du montant total des honoraires visés à l'article 134, § 2.
  Cette disposition s'applique aux entités d'intérêt public visées à l'article 4/1.
  § 2. A la demande du commissaire, le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 00 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, peut, à titre exceptionnel, permettre que le commissaire soit dispensé de respecter l'interdiction visée au paragraphe 1er et ce pour une période maximale de deux exercices comptables.
  Dans ce cas, il est fait mention de la dérogation et de la motivation de celle-ci:
  a) en annexe aux comptes consolidés ou, à défaut de comptes consolidés, en annexe aux comptes annuels de la société qui fait usage de l'exemption prévue à l'article 113 de ce Code, sauf si cette société est filiale d'une société belge qui fait usage de l'exemption précitée,
  b) en annexe aux comptes annuels de la société qui n'est pas une société mère visée à l'article 110 ou est dispensée d'établir des comptes consolidés en vertu de l'article 112 et dont le commissaire a obtenu la dérogation à l'interdiction visée au présent paragraphe sauf si cette société est filiale d'une société belge.
  A défaut de mention de cette information par la société dans l'annexe des comptes, le commissaire mentionne lui-même cette information dans son rapport d'audit.
  § 3. Pour les sociétés qui ne sont pas considérées comme des entités d'intérêt public visées à l'article 4/1 mais qui font partie d'un groupe qui est tenu d'établir et de publier des comptes consolidés et sans préjudice des mesures d'interdiction découlant de l'article 133/1, le commissaire ne peut prester des services autres que les missions confiées par la loi ou par la réglementation de l'Union européenne au commissaire, dans la mesure où le montant total des honoraires afférents à ces services dépasserait le montant total des honoraires visés à l'article 134, paragraphe 2.
  § 4. Il peut être dérogé à l'interdiction supplémentaire prévue au § 3, dans chacun des cas suivants:
  1° sur délibération favorable du comité d'audit, prévu par la loi ou les statuts, de la société concernée ou du comité d'audit d'une autre société qui la contrôle, si cette société est une société de droit belge ou est une société constituée selon le droit d'un autre Etat membre de l'Union européenne ou de l'Organisation de coopération et de développement économiques. Si la société est tenue de constituer un comité d'audit en vertu de la loi, la délibération précitée est prise par le comité d'audit visé à l'article 526bis. Au cas où les tâches confiées au comité d'audit sont exercées par le conseil d'administration dans son ensemble, l'approbation de l'administrateur indépendant, ou, s'il en a été nommé plusieurs, de la majorité de ceux-ci, est cependant requise;
  2° si, à la demande du commissaire, le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises autorise, à titre exceptionnel, que le commissaire puisse déroger à l'interdiction visée au paragraphe 3 et ce pour une période maximale de deux exercices comptables;
  3° si, au sein de la société, il a été institué un collège de commissaires indépendants les uns des autres. Ce cas ne vaut que si la société n'est pas tenue d'instituer un comité d'audit en vertu de la loi.
  Dans les cas visés à l'alinéa précédent, il est fait mention de la dérogation et de la motivation de celle-ci:
  a) en annexe aux comptes consolidés ou, à défaut de comptes consolidés, en annexe aux comptes annuels de la société qui fait usage de l'exemption prévue à l'article 113 de ce Code, sauf si cette société est filiale d'une société belge qui fait usage de l'exemption précitée;
  b) en annexe aux comptes annuels de la société qui n'est pas une société mère visée à l'article 110 ou est dispensée d'établir des comptes consolidés en vertu de l'article 112 et dont le commissaire a obtenu la dérogation à l'interdiction visée au présent paragraphe, sauf si cette société est filiale d'une société belge.
  A défaut de mention de cette information par la société dans l'annexe des comptes, le commissaire mentionne lui-même cette information dans son rapport d'audit.
  § 5. Pour l'application des paragraphes 3 et 4, ne sont pas prises en considération les prestations consistant à vérifier les données économiques et financières relatives à une entreprise tierce que la société ou l'une de ses filiales se proposent d'acquérir ou a acquis.
  L'appréciation du rapport des honoraires pour le contrôle légal et des autres honoraires, tels que visés aux paragraphes précédents, est à effectuer pour l'ensemble constitué par la société soumise au contrôle légal, sa société mère et ses filiales, étant entendu que les honoraires pour le contrôle légal des sociétés mères ou filiales étrangères sont ceux qui découlent des dispositions légales et/ou contractuelles applicables à ces sociétés mères ou filiales.
  L'appréciation du rapport des honoraires visés ci-avant doit s'entendre comme étant à effectuer en comparant globalement pour la durée de trois exercices comptables du mandat du commissaire:
  d'une part, le total des honoraires relatifs à trois exercices comptables afférent aux services autres que les missions confiées par la loi ou par la législation de l'Union européenne au commissaire, attribués globalement durant les trois exercices comptables, par la société soumise au contrôle légal, sa société mère et par ses filiales, au commissaire et
  d'autre part, le total des honoraires relatifs aux trois exercices comptables visés à l'article 134, § 2, attribuées globalement durant les trois exercices comptables, par la société soumise au contrôle légal, sa société mère et par ses filiales, au commissaire.".
Art.112. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, afdeling II, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift vervangen als volgt:
  "Afdeling II. Honoraria.".
Art.112. Dans le livre IV, titre VII, chapitre Ier, section II, du même code, l'intitulé est remplacé par ce qui suit:
  "Section II. Honoraires.".
Art.113. Artikel 134 van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 27 april 2007, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 134. § 1. Voor de toepassing van onderhavig artikel wordt verstaan onder:
  1° "met de commissaris verbonden persoon": iedere persoon die deel uitmaakt van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort alsook iedere vennootschap of persoon verbonden met de commissaris bedoeld in artikel 11;
  2° "gelijkgesteld mandaat": een mandaat uitgevoerd in een vennootschap naar buitenlands recht dat vergelijkbaar is met dat van commissaris in een Belgische vennootschap.
  § 2. Bij de aanvang van de opdracht van de commissarissen worden hun honoraria vastgesteld door de algemene vergadering. Deze honoraria bestaan in een vast bedrag dat de naleving van de controlenormen waarborgt. De honoraria kunnen niet worden gewijzigd dan met instemming van partijen. Ze worden vermeld in de toelichting bij de jaarrekening.
  De honoraria moeten voldoende zijn om de commissaris toe te laten zijn opdracht uit te voeren in alle onafhankelijkheid en met naleving van de beroepsnormen en -aanbevelingen, zoals goedgekeurd overeenkomstig artikel 31 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
  § 3. De bedragen van de honoraria verbonden aan uitzonderlijke werkzaamheden of bijzondere opdrachten uitgevoerd binnen de vennootschap waarvan de commissaris de jaarrekening controleert, bedoeld in artikel 142, door de commissaris enerzijds, en door een met de commissaris verbonden persoon anderzijds, worden vermeld in de toelichting bij de jaarrekening volgens de volgende categorieën:
  1° andere controle-opdrachten;
  2° belastingadviesopdrachten; en
  3° andere opdrachten buiten de revisorale opdrachten.
  § 4. Het bedrag van de honoraria van de commissaris bedoeld in paragraaf 2 enerzijds, en het bedrag van de honoraria verbonden aan de mandaten van commissaris of aan gelijkgestelde mandaten uitgevoerd door een met de commissaris verbonden persoon anderzijds, in een Belgische vennootschap onderworpen aan de wettelijke controle van haar geconsolideerde jaarrekening, bedoeld in artikel 146, en binnen de dochtervennootschappen van deze laatste, worden vermeld:
  1° in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening, of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling;
  2° alsook in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening krachtens artikel 112 op te stellen, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  § 5. De bedragen van de honoraria verbonden aan uitzonderlijke werkzaamheden of bijzondere opdrachten uitgevoerd binnen een Belgische vennootschap die onderworpen is aan de wettelijke controle van haar geconsolideerde jaarrekening, bedoeld in artikel 146, en binnen de dochtervennootschappen van deze laatste, door de commissaris enerzijds, en door een met de commissaris verbonden persoon anderzijds, worden vermeld volgens de volgende categorieën:
  1° andere controle-opdrachten;
  2° belastingadviesopdrachten; en
  3° andere opdrachten buiten de revisorale opdrachten
  1) in de toelichting bij de geconsolideerde jaarrekening, of, bij gebrek aan geconsolideerde jaarrekening, in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die gebruik maakt van de vrijstelling voorzien in artikel 113 van dit Wetboek, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap die gebruik maakt van de voornoemde vrijstelling;
  2) alsook in de toelichting bij de jaarrekening van de vennootschap die vrijgesteld is van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen krachtens artikel 112, tenzij deze vennootschap een dochtervennootschap is van een Belgische vennootschap.
  § 6. De honoraria van de commissaris bedoeld in paragraaf 2 mogen niet worden bepaald of beïnvloed door het verlenen van bijkomende diensten aan de vennootschap waarvan hij de jaarrekening, bedoeld in artikel 142, controleert of van een Belgische vennootschap die onderworpen is aan de wettelijke controle van haar geconsolideerde jaarrekening, bedoeld in artikel 146. Buiten deze honoraria mogen de commissarissen geen enkel voordeel, in welke vorm ook, van de vennootschap ontvangen. De vennootschap mag hun geen leningen of voorschotten toestaan, noch te hunnen behoeve waarborgen stellen of geven.
  Wanneer er opdrachten uitgevoerd worden door de commissaris of door een lid van het netwerk bedoeld in artikel 16/2 waartoe de commissaris behoort, in een vennootschap waarin de commissaris belast is met de wettelijke controle, of in een vennootschap die haar controleert of die zij controleert binnen de Europese Unie, is het in deze vennootschappen niet toegestaan aan de commissaris of aan een lid van het netwerk waartoe hij behoort opdrachten uit te voeren tegen vergoeding van resultaatgebonden honoraria, ongeacht de genomen veiligheidsmaatregelen.
  § 7. Indien de totale honoraria die van een organisatie van openbaar belang, bedoeld in artikel 4/1, in elk van de laatste drie opeenvolgende boekjaren worden ontvangen, meer dan vijftien procent bedragen van de totale honoraria van de commissaris die de wettelijke controle in elk van die boekjaren uitvoert, stelt de commissaris, met toepassing van artikel 4, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014, het auditcomité daarvan in kennis en bespreekt hij met het auditcomité de bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de genomen veiligheidsmaatregelen om die bedreigingen in te perken.".
Art.113. L'article 134 du même code, inséré par la loi du 27 avril 2007, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 134. § 1er. Pour l'application du présent article, on entend par:
  1° "personne liée au commissaire": toute personne qui relève du réseau visé à l'article 16/2 dont le commissaire fait partie ainsi que toute société ou personne liée au commissaire visée à l'article 11;
  2° "mandat assimilé": un mandat exercé dans une société de droit étranger similaire à celui de commissaire dans une société belge.
  § 2. Les honoraires des commissaires sont établis au début de leur mandat par l'assemblée générale. Ces honoraires consistent en une somme fixe garantissant le respect des normes de révision. Ils ne peuvent être modifiés que du consentement des parties. Ils sont mentionnés en annexe aux comptes annuels.
  Les honoraires doivent être suffisants pour permettre au commissaire d'effectuer sa mission en toute indépendance et dans le respect des normes et recommandations professionnelles approuvées conformément à l'article 31 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.
  § 3. Les montants des honoraires liés aux prestations exceptionnelles ou aux missions particulières accomplies au sein de la société dont le commissaire contrôle les comptes annuels, visée à l'article 142, par le commissaire d'une part, et par une personne liée au commissaire d'autre part, sont mentionnés en annexe aux comptes annuels, selon les catégories suivantes:
  1° autres missions d'attestation;
  2° missions de conseils fiscaux; et
  3° autres missions extérieures à la mission révisorale.
  § 4. Le montant des honoraires du commissaire visés au paragraphe 2 d'une part, et le montant des honoraires afférents aux mandats de commissaire ou aux mandats assimilés exercés par une personne liée au commissaire d'autre part, au sein d'une société belge soumise au contrôle légal de ses comptes consolidés, visée à l'article 146, et au sein des filiales de cette dernière, sont mentionnés:
  1° en annexe aux comptes consolidés, ou à défaut de comptes consolidés, en annexe aux comptes annuels de la société qui fait usage de l'exemption prévue à l'article 113 de ce Code, sauf si cette société est filiale d'une société belge qui fait usage de l'exemption précitée;
  2° ainsi qu'en annexe aux comptes annuels de la société qui est dispensée d'établir des comptes consolidés en vertu de l'article 112, sauf si cette société est filiale d'une société belge.
  § 5. Les montants des honoraires liés aux prestations exceptionnelles ou aux missions particulières accomplies au sein d'une société belge soumise au contrôle légal de ses comptes consolidés, visée à l'article 146, et des filiales de cette dernière, par le commissaire d'une part, et par une personne liée au commissaire d'autre part, sont mentionnés selon les catégories suivantes:
  1° autres missions d'attestation;
  2° missions de conseil fiscaux; et
  3° autres missions extérieures à la mission révisorale
  1) en annexe aux comptes consolidés, ou, à défaut de comptes consolidés, en annexe aux comptes annuels de la société qui fait usage de l'exemption prévue à l'article 113, sauf si cette société est filiale d'une société belge qui fait usage de l'exemption précitée;
  2) ainsi qu'en annexe aux comptes annuels de la société qui est dispensée d'établir des comptes consolidés en vertu de l'article 112, sauf si cette société est filiale d'une société belge.
  § 6. Les honoraires du commissaire visés au paragraphe 2 ne peuvent être ni déterminés, ni influencés par la fourniture de services complémentaires à la société dont il contrôle les comptes annuels, visée à l'article 142, ou d'une société belge soumise au contrôle légal de ses comptes consolidés, visée à l'article 146. En dehors de ces honoraires, les commissaires ne peuvent recevoir aucun avantage de la société, sous quelque forme que ce soit. La société ne peut leur consentir des prêts ou avances, ni donner ou constituer des garanties à leur profit.
  Lorsque des missions sont effectuées par le commissaire ou par un membre du réseau visé à l'article 16/2 dont relève le commissaire dans une société dans laquelle le commissaire est chargé du contrôle légal ou dans une société qui la contrôle ou qu'elle contrôle au sein de l'Union européenne, il n'est pas possible de permettre dans ces sociétés la prestation par le commissaire ou un membre du réseau dont il relève de missions contre des honoraires subordonnés, quelles que soient les mesures de sauvegarde mises en place.
  § 7. Lorsque les honoraires totaux reçus d'une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1 au cours de chacun des trois derniers exercices consécutifs représentent plus de quinze pour cent du total des honoraires reçus par le commissaire effectuant le contrôle légal des comptes au cours de chacun de ces exercices, le commissaire, en application de l'article 4, § 3, du règlement (UE) n° 537/2014, en informe le comité d'audit et analyse avec lui les risques pesant sur son indépendance et les mesures de sauvegarde appliquées pour atténuer ces risques.".
Art.114. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van afdeling III van hoofdstuk I vervangen als volgt:
  "Afdeling III. Ontslag en opzegging.".
Art.114. Dans le texte néerlandais, l'intitulé de la section III, du chapitre Ier, du livre IV, titre VII, du même code, est remplacé par ce qui suit:
  "Afdeling III. Ontslag en opzegging.".
Art.115. Artikel 135, van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 17 december 2008, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 135. § 1. Overeenkomstig artikel 132/1, worden de commissarissen benoemd voor een hernieuwbare termijn van drie jaar.
  Op straffe van schadevergoeding kunnen zij tijdens hun opdracht alleen om wettige redenen worden opgezegd door de algemene vergadering. Meer in het bijzonder is een verschil van mening over een boekhoudkundige verwerking of een controleprocedure op zich geen wettige reden voor opzegging.
  In geval van een wettelijke controle van een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, kan een verzoek worden ingediend voor de opzegging van de commissaris, indien daartoe gegronde redenen bestaan, bij de rechtbank van koophandel door:
  1° elke aandeelhouder die minstens vijf procent van de stemrechten of van het kapitaal vertegenwoordigt;
  2° het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.
  Behoudens gewichtige persoonlijke redenen mogen de commissarissen tijdens hun opdracht geen ontslag nemen tenzij ter algemene vergadering en nadat zij deze schriftelijk hebben ingelicht over de beweegredenen van hun ontslag.
  § 2. De gecontroleerde vennootschap en de commissaris stellen het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, in kennis hetzij van het ontslag, hetzij van de opzegging van de commissaris tijdens zijn opdracht en zetten op afdoende wijze de redenen hiervoor uiteen, ongeacht of de voortijdige onderbreking van het mandaat al dan niet in onderling overleg is overeengekomen."
Art.115. L'article 135, du même code, modifié par la loi du 17 décembre 2008, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 135. § 1er. Conformément à l'article 132/1, les commissaires sont nommés pour un terme de trois ans renouvelable.
  Sous peine de dommages-intérêts, ils ne peuvent être révoqués en cours de mandat que pour juste motif, par l'assemblée générale. En particulier, une divergence d'opinion sur un traitement comptable ou une procédure de contrôle ne constitue pas en soi un juste motif de révocation.
  En cas de contrôle légal d'une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1, un recours visant à révoquer le commissaire peut, s'il existe des motifs valables pour ce faire, être introduit devant le tribunal de commerce par:
  1° tout actionnaire représentant au moins cinq pour cent des droits de vote ou du capital;
  2° le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.
  Les commissaires ne peuvent, sauf motifs personnels graves, démissionner en cours de mandat que lors d'une assemblée générale et après lui avoir fait rapport par écrit sur les raisons de leur démission.
  § 2. La société contrôlée et le commissaire informent le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, soit de la révocation, soit de la démission du commissaire en cours de mandat et en exposent les motifs de manière appropriée, que l'interruption de mandat ait ou non été convenue de commun accord."
Art.116. In artikel 136 van hetzelfde wetboek, worden in de Nederlandse tekst de woorden "het ontslag" vervangen door de woorden "de opzegging".
Art.116. Dans l'article 136 du même code dans le texte Néerlandais les mots "het ontslag" sont remplacés par les mots "de opzegging".
Art.117. In boek IV, titel VII, hoofdstuk I, van hetzelfde wetboek, wordt een artikel 140/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 140/1. De commissarissen zijn aansprakelijk, overeenkomstig het gemeen recht, voor de uitoefening van de opdrachten, hen toevertrouwd door of krachtens de wet. Behoudens bij overtreding gepleegd met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, wordt deze aansprakelijkheid beperkt tot een bedrag van drie miljoen euro voor de uitoefening van een van deze opdrachten bij een andere persoon dan een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1, verhoogd tot twaalf miljoen euro voor de uitoefening van een van deze opdrachten bij een organisatie van openbaar belang bedoeld in artikel 4/1. De Koning kan deze bedragen wijzigen bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  Het is de commissarissen verboden zich aan deze aansprakelijkheid, zelfs gedeeltelijk, door een bijzondere overeenkomst te onttrekken.
  De bedrijfsrevisoren zijn verplicht hun burgerrechtelijke aansprakelijkheid te laten dekken door een adequaat verzekeringscontract, dat beantwoordt aan de criteria zoals gedefinieerd in artikel 24 van de wet van 7 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren.".
Art.117. Dans le livre IV, titre VII, chapitre Ier, du même code, il est inséré un article 140/1 rédigé comme suit:
  "Art. 140/1. Les commissaires sont responsables, conformément au droit commun, de l'accomplissement des missions qui leur sont réservées par la loi ou en vertu de celle-ci. Sauf en cas d'infraction commise avec une intention frauduleuse ou à dessein de nuire, cette responsabilité est plafonnée à un montant de trois millions d'euros en ce qui concerne l'accomplissement d'une de ces missions auprès d'une personne autre qu'une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1, porté à douze millions d'euros en ce qui concerne l'accomplissement d'une de ces missions auprès d'une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1. Le Roi peut modifier ces montants par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
  Il est interdit aux commissaires de se soustraire à cette responsabilité, même partiellement, par un contrat particulier.
  Les réviseurs d'entreprises sont tenus de faire couvrir leur responsabilité civile par un contrat d'assurance adéquat répondant aux critères définis à l'article 24 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.".
Art.118. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk II vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk II. - Wettelijke controle van de jaarrekening.".
Art.118. Dans le livre IV, titre VII, du même code, l'intitulé du chapitre II est remplacé par ce qui suit:
  "Chapitre II. - Contrôle légal des comptes annuels.".
Art.119. Artikel 143 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wet van 20 december 2010, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Indien het bestuursorgaan in gebreke blijft om hen deze stukken binnen de wettelijke termijn, bedoeld in lid 1, te overhandigen, stellen de commissarissen een verslag van niet-bevinding op, bestemd voor de algemene vergadering van aandeelhouders en gericht aan het bestuursorgaan, voor zover zij niet in staat zijn om de termijnen na te leven die in onderhavig Wetboek zijn voorgeschreven in verband met de terbeschikkingstelling van hun verslag van commissaris.".
Art.119. L'article 143 du même code, modifié par la loi 20 décembre 2010, est complété par un alinéa rédigé comme suit:
  "Si l'organe de gestion reste en défaut de leur remettre ces pièces dans le délai légal visé à l'alinéa 1er, les commissaires émettent un rapport de carence destiné à l'assemblée générale des actionnaires et adressé à l'organe de gestion pour autant qu'ils ne sont pas en mesure de respecter les délais prévus par le présent Code en matière de mise à disposition de leur rapport de commissaire.".
Art.120. Artikel 144 van hetzelfde wetboek, gewijzigd bij de wetten van 13 januari 2006 en 18 december 2015, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 144. § 1. Het verslag van de commissarissen bedoeld in artikel 143, lid 1, moet minstens volgende elementen bevatten:
  1° een inleiding, waarin ten minste wordt vermeld op welke jaarrekening de wettelijke controle betrekking heeft, welke vennootschap onderworpen is aan de wettelijke controle, wie tussenkomt in de benoemingsprocedure van de commissarissen bedoeld in artikel 130, de datum van de benoeming van de commissarissen, de termijn van hun mandaat, het aantal opeenvolgende boekjaren dat het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor, of, bij gebrek eraan, de bedrijfsrevisor belast is met de wettelijke controle van de jaarrekening van de vennootschap sinds de eerste benoeming, en volgens welk boekhoudkundig referentiestelsel de jaarrekening werd opgesteld, alsook de periode waarop de jaarrekening betrekking heeft;
  2° een beschrijving van de reikwijdte van de controle, waarin ten minste wordt aangegeven welke normen voor de controle bij de uitvoering ervan zijn in acht genomen en of zij van het bestuursorgaan en aangestelden van de vennootschap de toelichtingen en de informatie hebben bekomen die nodig is voor hun controle;
  3° een vermelding die aangeeft dat de boekhouding is gevoerd in overeenstemming met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften die daarop van toepassing zijn;
  4° een oordeel waarin de commissarissen aangeven of volgens hen de jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van de vennootschap overeenkomstig het toepasselijk boekhoudkundig referentiestelsel en, in voorkomend geval, of de jaarrekening aan de wettelijke vereisten voldoet. Het oordeel kan de vorm aannemen van een oordeel zonder voorbehoud, een oordeel met voorbehoud, een afkeurend oordeel, of indien de commissarissen zich geen oordeel kunnen vormen, een onthoudende verklaring;
  5° een verwijzing naar bepaalde aangelegenheden waarop de commissarissen in het bijzonder de aandacht vestigen ongeacht of al dan niet een voorbehoud werd opgenomen in het oordeel;
  6° een oordeel dat aangeeft of het jaarverslag in overeenstemming is met de jaarrekening voor hetzelfde boekjaar en of het is opgesteld overeenkomstig de artikelen 95 en 96;
  7° een verklaring betreffende materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die mogelijk aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de vennootschap om haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten;
  8° een vermelding die aangeeft of de resultaatverwerking die aan de algemene vergadering wordt voorgelegd, in overeenstemming is met de statuten en met dit Wetboek;
  9° de vermelding of zij kennis hebben gekregen van verrichtingen gedaan of beslissingen genomen met overtreding van de statuten of van de bepalingen van dit Wetboek. Deze laatste vermelding kan echter worden weggelaten wanneer de openbaarmaking van de overtreding aan de vennootschap onverantwoorde schade kan berokkenen, onder meer omdat het bestuursorgaan gepaste maatregelen heeft genomen om de aldus ontstane onwettige toestand te verhelpen;
  10° een vermelding die aangeeft of de documenten die overeenkomstig artikel 100, § 1, 5°, 6° /1, 6° /2 en § 2 moeten worden neergelegd zowel qua vorm als inhoud de door dit Wetboek verplichte informatie bevatten;
  11° een vermelding ter bevestiging, enerzijds, dat zij geen opdrachten hebben verricht die onverenigbaar zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening en dat zij in de loop van hun mandaat onafhankelijk zijn gebleven tegenover de vennootschap en, anderzijds, dat de bedragen voor de bijkomende opdrachten die verenigbaar zijn met de wettelijke controle van de jaarrekening bedoeld in artikel 134 desgevallend correct zijn vermeld en uitgesplitst in de toelichting bij de jaarrekening. Indien dit niet het geval is, vermelden de commissarissen de gedetailleerde informatie zelf in hun verslag van commissaris(sen);
  12° een vermelding van de vestigingsplaats van de commissaris(sen).
  Het verslag wordt ondertekend en gedagtekend door de commissarissen.
  § 2. Indien de wettelijke controle is toevertrouwd aan meer dan één commissaris, dienen zij overeenstemming te bereiken over de resultaten van de wettelijke controle en geven zij een gezamenlijk verslag over de wettelijke controle van de jaarrekening en een gezamenlijk oordeel af. In geval van verschil van mening geeft elke commissaris zijn mening in een afzonderlijke paragraaf van het verslag met vermelding van de redenen voor het verschil van mening.
  Indien de wettelijke controle is toevertrouwd aan meer dan één commissaris, wordt het verslag over de wettelijke controle van de jaarrekening ondertekend door alle commissarissen.
  § 3. Indien de wettelijke controle is toevertrouwd aan een bedrijfsrevisorenkantoor of aan een geregistreerd auditkantoor, wordt het verslag over de wettelijke controle van de jaarrekening ondertekend door ten minste de vaste vertegenwoordiger die de wettelijke controle van de rekeningen uitvoert namens het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor.
  § 4. De wettelijke controle biedt geen zekerheid omtrent de toekomstige levensvatbaarheid van de vennootschap, noch van de efficiëntie of de doeltreffendheid waarmee het bestuursorgaan de bedrijfsvoering van de vennootschap ter hand heeft genomen of zal nemen.".
Art.120. L'article 144 du même code, modifié par les lois du 13 janvier 2006 et 18 décembre 2015, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 144. § 1er. Le rapport des commissaires visé à l'article 143, alinéa 1er, comprend au moins les éléments suivants:
  1° une introduction, qui contient au moins l'identification des comptes annuels qui font l'objet du contrôle légal et de la société soumise au contrôle légal, les intervenants dans la procédure de nomination des commissaires visés à l'article 130, la date de nomination des commissaires, le terme de leur mandat, le nombre d'exercices consécutifs durant lesquels le cabinet de révision ou le cabinet d'audit enregistré ou, à défaut, le réviseur d'entreprises est chargé du contrôle légal des comptes annuels de la société depuis sa première nomination, le référentiel comptable qui a été appliqué lors de l'établissement des comptes annuels ainsi que la période couverte par les comptes annuels;
  2° une description de l'étendue du contrôle, qui contient au moins l'indication des normes selon lesquelles le contrôle a été effectué et s'ils ont obtenu de l'organe de gestion et préposés de la société les explications et informations requises pour leur contrôle;
  3° une mention indiquant si la comptabilité est tenue conformément aux dispositions légales et réglementaires applicables;
  4° une opinion dans laquelle les commissaires indiquent si, à leur avis, les comptes annuels donnent une image fidèle du patrimoine, de la situation financière et des résultats de la société, compte tenu du référentiel comptable applicable et, le cas échéant, quant au respect des exigences légales applicables. Elle peut prendre la forme d'une opinion sans réserve, d'une opinion avec réserve, d'une opinion négative, ou, si les commissaires sont dans l'incapacité de se forger une opinion, d'une déclaration d'abstention;
  5° une référence à quelque question que ce soit sur laquelle les commissaires attirent spécialement l'attention, qu'une réserve ait ou non été incluse dans l'opinion;
  6° une opinion indiquant si le rapport de gestion concorde avec les comptes annuels pour le même exercice et s'il a été établi conformément aux articles 95 et 96;
  7° une déclaration sur d'éventuelles incertitudes significatives liées à des événements ou à des circonstances qui peuvent jeter un doute important sur la capacité de la société à poursuivre son exploitation;
  8° une mention indiquant si la répartition des résultats proposée à l'assemblée générale est conforme aux statuts et au présent Code;
  9° l'indication qu'ils n'ont point eu connaissance d'opérations conclues ou de décisions prises en violation des statuts ou du présent Code. Toutefois, cette mention peut être omise lorsque la révélation de l'infraction est susceptible de causer à la société un préjudice injustifié, notamment parce que l'organe de gestion a pris des mesures appropriées pour corriger la situation d'illégalité ainsi créée;
  10° une mention indiquant si les documents à déposer conformément à l'article 100, § 1er, 5°, 6° /1, 6° /2 et § 2 reprennent, tant au niveau de la forme qu'au niveau du contenu, les informations requises par le présent Code;
  11° une mention confirmant, d'une part, qu'ils n'ont pas effectué de missions incompatibles avec le contrôle légal des comptes et qu'ils sont restés indépendants vis-à-vis de la société au cours de leur mandat et, d'autre part, que les missions complémentaires compatibles avec le contrôle légal des comptes visées à l'article 134 ont, le cas échéant, correctement été ventilées et valorisées dans l'annexe des comptes. A défaut, les commissaires mentionnent eux-mêmes l'information détaillée dans leur rapport de commissaire(s);
  12° une mention du lieu d'établissement du (des) commissaire(s).
  Le rapport est signé et daté par les commissaires.
  § 2. Lorsque le contrôle légal des comptes est confié à plusieurs commissaires, ils conviennent ensemble des résultats du contrôle légal des comptes et présentent un rapport sur le contrôle légal des comptes et une opinion conjoints. En cas de désaccord, chaque commissaire présente son avis dans un paragraphe distinct du rapport et expose les raison de ce désaccord.
  En outre, lorsque le contrôle légal des comptes est confié à plusieurs commissaires, le rapport sur le contrôle légal des comptes est signé par tous les commissaires.
  § 3. Lorsque le contrôle légal des comptes est confié à un cabinet de révision ou à un cabinet d'audit enregistré, le rapport sur le contrôle légal des comptes porte au moins la signature du représentant permanent qui effectue le contrôle légal des comptes pour le compte du cabinet de révision ou du cabinet d'audit enregistré.
  § 4. L'étendue du contrôle légal des comptes ne comprend pas d'assurance quant à la viabilité future de la société ni quant à l'efficience ou l'efficacité avec laquelle l'organe de gestion a mené ou mènera les affaires de la société.".
Art.121. In boek IV, titel VII, van hetzelfde wetboek, wordt het opschrift van hoofdstuk III vervangen als volgt:
  "Hoofdstuk III. Wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening.".
Art.121. Dans le livre IV, titre VII, du même code, l'intitulé du chapitre III est remplacé par ce qui suit:
  "Chapitre III. Contrôle légal des comptes consolidés.".
Art.122. In artikel 146, van hetzelfde wetboek, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, wordt de eerste zin aangevuld met de volgende woorden "of geregistreerd auditkantoor";
  2° in het eerste lid, worden de woorden "Deze laatsten worden benoemd" vervangen door de woorden "Indien de geconsolideerde jaarrekening niet wordt gecontroleerd door de commissaris(sen), gebeurt de benoeming";
  3° in het tweede lid, worden de woorden "of door een geregistreerd auditkantoor dat" ingevoegd tussen de woorden "of meer bedrijfsrevisoren die" en de woorden "daartoe met onderlinge";
  4° in het derde lid, worden de woorden ", 134, §§ 1 en 3, 135 en" vervangen door het woord "tot" en worden de woorden "of het geregistreerd auditkantoor dat" ingevoegd tussen de woorden "bedrijfsrevisor die" en "instaat voor de".
Art.122. A l'article 146, du même code, les modifications suivantes sont apportées:
  1° à l'alinéa 1er, les mots "ou par un cabinet d'audit enregistré" sont insérés entre les mots "plusieurs réviseurs d'entreprises" et "désignés à cet effet.";
  2° à l'alinéa 1er, les mots "Dans ce dernier cas," sont remplacés par les mots "Si les comptes consolidés ne sont pas contrôlés par le ou les commissaires,";
  3° à l'alinéa 2, les mots "ou par un cabinet d'audit enregistré" sont insérés entre les mots "plusieurs réviseurs d'entreprises" et les mots "désignés à cet effet;";
  4° à l'alinéa 3, les mots ", 134, §§ 1er et 3, 135 et" sont remplacés par le mot "à" et les mots "ou au cabinet d'audit enregistré" sont insérés entre les mots "applicables au réviseur" et "chargé du contrôle des".
Art.123. In boek IV, titel VII, hoofdstuk III, van hetzelfde wetboek, wordt een artikel 147/1 ingevoegd, luidende:
  "Art. 147/1. § 1. De commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor, belast met de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening:
  1° draagt de volledige verantwoordelijkheid voor het controleverslag bedoeld in artikel 148 en, waar van toepassing, artikel 10 van de verordening (EU) nr. 537/2014 en voor, waar van toepassing, de aanvullende verklaring aan het auditcomité als bedoeld in artikel 11 van die verordening;
  2° evalueert de controlewerkzaamheden die voor het doel van de groepscontrole zijn uitgevoerd door auditors van een derde land of door wettelijke auditors van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen, en houdt documenten bij over de aard, tijdstippen en reikwijdte van de betrokkenheid bij de door die auditors uitgevoerde werkzaamheden, indien van toepassing met inbegrip van de beoordeling door hem als bedrijfsrevisor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening van relevante onderdelen van de controledocumenten van de betreffende auditors;
  3° kijkt de controlewerkzaamheden na die voor het doel van de groepscontrole zijn uitgevoerd door de auditor(s) van een derde land of door de wettelijke auditor(s) van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen, en houdt hierover documenten bij.
  De informatie bijgehouden door de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening moet adequaat zijn om het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren in staat te stellen het werk van de bedrijfsrevisor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening te beoordelen.
  Voor de toepassing van punt 3° van het eerste lid van deze paragraaf, verzoekt de de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening, de betrokken auditor(s) van derde landen of de wettelijke auditor(s) van een lidstaat van de Europese Unie of van een andere Staat die partij is bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hetzij natuurlijke personen, hetzij rechtspersonen, om instemming met de overdracht van relevante documentatie tijdens de uitvoering van de controle van de geconsolideerde jaarrekening, als voorwaarde om zich te kunnen baseren op het werk van hen.
  § 2. Indien de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor belast met de controle van de geconsolideerde jaarrekening, niet kan voldoen aan de onder paragraaf 1, lid 1, 3°, gestelde eisen, neemt hij passende maatregelen en stelt hij het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren bedoeld in artikel 32 van de wet van 00 december 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren daarvan in kennis.
  Deze maatregelen kunnen, in voorkomend geval, onder meer inhouden dat, hetzij direct, hetzij door deze taken uit te besteden, aanvullende controlewerkzaamheden bij de betrokken dochteronderneming worden uitgevoerd.".
Art.123. Dans le livre IV, titre VII, chapitre III, du même code, il est inséré un article 147/1 rédigé comme suit:
  "Art. 147/1. § 1er. Le commissaire, le réviseur d'entreprises ou le cabinet d'audit enregistré chargé du contrôle des comptes consolidés:
  1° assume la responsabilité pleine et entière du rapport d'audit visé à l'article 148 et, le cas échéant, à l'article 10 du règlement (UE) n° 537/2014 et, le cas échéant, du rapport complémentaire au comité d'audit visé à l'article 11 dudit règlement;
  2° évalue les travaux d'audit réalisés par tous contrôleurs de pays tiers ou tous contrôleurs légaux des comptes d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un Etat qui est partie à l'Accord sur l'Espace économique européen, qu'ils soient des personnes physiques ou morales, aux fins du contrôle du groupe et consigne la nature, le moment et l'ampleur des travaux de ces contrôleurs, y compris, le cas échéant, l'examen, effectué par lui au titre de réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés, des volets pertinents des documents d'audit de ces contrôleurs;
  3° procède à un examen des travaux d'audit effectués par le ou les contrôleurs de pays tiers ou tous contrôleurs légaux des comptes d'un Etat membre de l'Union européenne ou d'un Etat qui est partie à l'Accord sur l'Espace économique européen, qu'ils soient des personnes physiques ou morales, aux fins du contrôle du groupe et il documente cet examen.
  Les documents conservés par le commissaire, le réviseur d'entreprises ou le cabinet d'audit enregistré chargé du contrôle des comptes consolidés doivent permettre au Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises d'examiner le travail du réviseur d'entreprises chargé du contrôle des comptes consolidés.
  Aux fins du point 3° de l'alinéa 1er du présent paragraphe, le commissaire, le réviseur d'entreprises ou le cabinet d'audit enregistré chargé du contrôle des comptes consolidés demande au(x) contrôleur(s) de pays tiers ou au(x) contrôleurs légaux des comptes d'un autre Etat membre de l'Union ou d'un Etat qui est partie à l'Accord sur l'Espace économique européen européenne, qu'ils soient des personnes physiques ou morales, concernés de consentir à la transmission des documents pertinents lors du contrôle des comptes consolidés afin qu'il puisse s'appuyer sur les travaux que ceux-ci ont réalisés.
  § 2. Si le commissaire, le réviseur d'entreprises ou le cabinet d'audit enregistré chargé du contrôle des comptes consolidés n'est pas en mesure de respecter le paragraphe 1er, alinéa 1er, point 3°, il prend des mesures appropriées et en informe le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 00 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises.
  Ces mesures consistent notamment, le cas échéant, à effectuer des tâches supplémentaires de contrôle des comptes, soit directement, soit en sous-traitance, dans la filiale concernée.".
Art.124. Artikel 148 van hetzelfde wetboek, vervangen bij de wet van 13 januari 2006, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 148. § 1. De commissarissen, of de bedrijfsrevisoren, of de geregistreerde auditkantoren aangesteld voor de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening stellen een omstandig schriftelijk verslag op dat minstens de volgende elementen bevat:
  1° een inleiding, waarin ten minste wordt vermeld op welke geconsolideerde jaarrekening de wettelijke controle betrekking heeft en op welke groep onderworpen aan de wettelijke controle, wie tussenkomt in hun benoemingsprocedure, de datum van hun benoeming, de termijn van hun mandaat, het aantal opeenvolgende boekjaren dat het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor of, bij gebrek eraan, de bedrijfsrevisor belast is met de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening van de vennootschap sinds hun eerste benoeming, en volgens welk boekhoudkundig referentiestelsel de geconsolideerde jaarrekening werd opgesteld, alsook de periode waarop de geconsolideerde jaarrekening betrekking heeft;
  2° een beschrijving van de reikwijdte van de controle, waarin ten minste wordt aangegeven welke normen voor de uitvoering van de controle in acht zijn genomen en of de commissarissen of de aangeduide bedrijfsrevisoren de toelichtingen en de informatie hebben bekomen die nodig is voor hun controle;
  3° een oordeel, waarin de commissarissen of de aangestelde bedrijfsrevisoren aangeven of volgens hen de geconsolideerde jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen, van de financiële toestand en van de resultaten van het geconsolideerd geheel overeenkomstig het toepasselijk boekhoudkundig referentiestelsel en, in voorkomend geval, of de geconsolideerde jaarrekening aan de wettelijke vereisten voldoet; het oordeel kan de vorm aannemen van een oordeel zonder voorbehoud, een oordeel met voorbehoud, een afkeurend oordeel of, indien de commissarissen of de bedrijfsrevisoren zich geen oordeel kunnen vormen, een onthoudende verklaring;
  4° een verwijzing naar bepaalde aangelegenheden waarop de commissarissen of de aangestelde bedrijfsrevisoren in het bijzonder de aandacht vestigen ongeacht of al dan niet een voorbehoud werd opgenomen in het oordeel;
  5° een oordeel dat aangeeft of het jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening in overeenstemming is met de geconsolideerde jaarrekening voor hetzelfde boekjaar en of het is opgesteld overeenkomstig de wet;
  6° een verklaring betreffende materiële onzekerheden die verband houden met gebeurtenissen of omstandigheden die mogelijk aanzienlijke twijfel doen rijzen over het vermogen van de groep om zijn bedrijfsactiviteiten voort te zetten;
  7° een vermelding ter bevestiging, enerzijds, dat zij geen opdrachten hebben verricht die onverenigbaar zijn met de wettelijke controle en dat zij in de loop van hun mandaat onafhankelijk zijn gebleven tegenover de groep en, anderzijds, dat de bedragen voor de bijkomende opdrachten die verenigbaar zijn met de wettelijke controle bedoeld in artikel 134 desgevallend correct zijn vermeld en uitgesplitst in de toelichting bij de jaarrekening. Indien dit niet het geval is, vermelden de commissarissen de gedetailleerde informatie zelf in hun verslag over de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening;
  8° een vermelding van de vestigingsplaats van de commissaris, de bedrijfsrevisor of het geregistreerd auditkantoor.
  Het verslag wordt door de commissarissen of aangestelde bedrijfsrevisoren ondertekend en gedagtekend.
  § 2. Indien de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening is toevertrouwd aan meer dan één bedrijfsrevisor, dienen zij overeenstemming te bereiken over de resultaten van de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening en geven zij een gezamenlijk verslag en een gezamenlijk oordeel af. In geval van verschil van mening geeft elke bedrijfsrevisor zijn mening in een afzonderlijke paragraaf van het verslag met vermelding van de redenen voor het verschil van mening.
  Indien de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening is toevertrouwd aan meer dan één bedrijfsrevisor, wordt het verslag over de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening ondertekend door alle bedrijfsrevisoren.
  § 3. Indien de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening is toevertrouwd aan een bedrijfsrevisorenkantoor of aan een geregistreerd auditkantoor, wordt het verslag over de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening ondertekend door ten minste de vaste vertegenwoordiger die de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening uitvoert namens het bedrijfsrevisorenkantoor of het geregistreerd auditkantoor.
  § 4. Ingeval de jaarrekening van de moedervennootschap aan de geconsolideerde jaarrekening is gehecht, kan het krachtens dit artikel vereiste verslag van de commissarissen of van de aangestelde bedrijfsrevisoren gecombineerd worden met het in artikel 144 vereiste verslag van de commissarissen betreffende de jaarrekening van de moedervennootschap."
Art.124. L'article 148 du même code, remplacé par la loi du 13 janvier 2006, est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 148. § 1er. Les commissaires, les réviseurs d'entreprises ou les cabinets d'audit enregistrés, désignés pour le contrôle légal des comptes consolidés, rédigent un rapport écrit et circonstancié qui comprend au moins les éléments suivants:
  1° une introduction, qui contient au moins l'identification des comptes consolidés qui font l'objet du contrôle légal et du groupe soumis au contrôle légal, les intervenants dans la procédure de leur nomination, la date de leur nomination, le terme de leur mandat, le nombre d'exercices consécutifs durant lesquels le cabinet de révision ou le cabinet d'audit enregistré ou, à défaut, le réviseur d'entreprises est chargé du contrôle légal des comptes consolidés de la société depuis leur première nomination, le référentiel comptable qui a été appliqué lors de l'établissement des comptes consolidés ainsi que la période couverte par les comptes consolidés;
  2° une description de l'étendue du contrôle, qui contient au moins l'indication des normes selon lesquelles le contrôle a été effectué et si les commissaires ou les réviseurs d'entreprises désignés ont obtenu les explications et les informations requises pour leur contrôle;
  3° une opinion, dans laquelle les commissaires ou les réviseurs d'entreprises désignés indiquent si, à leur avis, les comptes consolidés donnent une image fidèle du patrimoine, de la situation financière et des résultats de l'ensemble consolidé, compte tenu du référentiel comptable applicable et, le cas échéant, quant au respect des exigences légales applicables; l'opinion peut prendre la forme d'une opinion sans réserve, d'une opinion avec réserve, d'une opinion négative, ou, si les commissaires ou réviseurs d'entreprises désignes sont dans l'incapacité de se forger une opinion, d'une déclaration d'abstention;
  4° une référence à quelque question que ce soit sur laquelle les commissaires ou réviseurs d'entreprises désignés attirent spécialement l'attention, qu'une réserve ait ou non été incluse dans l'opinion;
  5° une opinion indiquant si le rapport de gestion sur les comptes consolidés concorde avec les comptes consolidés pour le même exercice et s'il a été établi conformément à la loi;
  6° une déclaration sur d'éventuelles incertitudes significatives liées à des événements ou à des circonstances qui peuvent jeter un doute important sur la capacité du groupe à poursuivre son exploitation;
  7° une mention confirmant, d'une part, qu'ils n'ont pas effectué de missions incompatibles avec le contrôle légal des comptes et qu'ils sont restés indépendants vis-à-vis du groupe au cours de leur mandat et, d'autre part, que les missions complémentaires compatibles avec le contrôle légal des comptes visées à l'article 134 ont, le cas échéant, correctement été ventilées et valorisées dans l'annexe des comptes. A défaut, ils mentionnent eux-mêmes l'information détaillée dans leur rapport sur le contrôle légal des comptes consolidés;
  8° une mention du lieu d'établissement du commissaire, du réviseur d'entreprises ou du cabinet d'audit enregistré.
  Le rapport est signé et daté par les commissaires ou réviseurs d'entreprises désignés.
  § 2. Lorsque le contrôle légal des comptes consolidés est confié à plusieurs réviseurs d'entreprises, ils conviennent ensemble des résultats du contrôle légal des comptes consolidés et présentent un rapport et une opinion conjoints. En cas de désaccord, chaque réviseur d'entreprises présente son avis dans un paragraphe distinct du rapport et expose les raison de ce désaccord.
  En outre, lorsque le contrôle légal des comptes consolidés est confié à plusieurs réviseurs d'entreprises, le rapport sur le contrôle légal des comptes consolidés est signé par tous les réviseurs d'entreprises.
  § 3. Lorsque le contrôle légal des comptes consolidés est confié à un cabinet de révision ou à un cabinet d'audit enregistré, le rapport sur le contrôle légal des comptes consolidés porte au moins la signature du qui effectue le contrôle légal des comptes consolidés pour le compte du cabinet de révision ou du cabinet d'audit enregistré.
  § 4. Dans le cas où les comptes annuels de la société mère sont joints aux comptes consolidés, le rapport des commissaires ou des réviseurs d'entreprises désignés requis par le présent article peut être combiné avec le rapport des commissaires sur les comptes annuels de la société mère requis par l'article 144."
Art.125. In artikel 156 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het tweede lid, ingevoegd bij de wet van 17 december 2008, worden de woorden "op voorstel van het auditcomité" vervangen door de woorden "op aanbeveling van het auditcomité" en worden in de Nederlandse tekst de woorden "Dit voorstel" vervangen door de woorden "Deze aanbeveling";
  2° het artikel wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "Indien de vennootschap krachtens de wet verplicht is om een auditcomité op te richten en het voorstel van het bestuursorgaan wordt uitgebracht op aanbeveling van het auditcomité aansluitend op de selectieprocedure, bedoeld in artikel 16 van de verordening (EU) nr. 537/2014, maakt het bestuursorgaan aan de ondernemingsraad ter informatie de aanbeveling van het auditcomité, alsook de essentiële punten van de documenten die betrekking hebben op de organisatie van de selectieprocedure, met inbegrip van de selectiecriteria, over.
  Indien het voorstel van het bestuursorgaan verschilt van de voorkeur zoals vermeld in de aanbeveling van het auditcomité, licht het bestuursorgaan de redenen toe waarom de aanbeveling van het auditcomité niet wordt gevolgd en maakt hij aan de ondernemingsraad de informatie over die hij aan de algemene vergadering zal verstrekken."
Art.125. A l'article 156 du même code les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 2, inséré par la loi du 17 décembre 2008, le mot "proposition" est remplacé par le mot "recommandation" et dans le texte néerlandais les mots "Dit voorstel" sont remplacés par les mots "Deze aanbeveling";
  2° l'article est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
  "Lorsque la société est tenue de constituer un comité d'audit en vertu de la loi et que la proposition de l'organe de gestion est émise sur recommandation du comité d'audit suite à la procédure de sélection visée à l'article 16 du règlement (UE) n° 537/2014, l'organe de gestion transmet pour information au conseil d'entreprise la recommandation du comité d'audit ainsi que les éléments essentiels des documents ayant trait au lancement de la procédure de sélection, y compris les critères de sélection.
  Si la proposition de l'organe de gestion diffère de la préférence mentionnée dans la recommandation du comité d'audit, l'organe de gestion expose les raisons pour lesquelles il n'y a pas lieu de suivre la recommandation du comité d'audit et transmet au conseil d'entreprise l'information qu'il fournira à l'assemblée générale."
Art.126. In artikel 157 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid wordt het woord "bezoldiging" vervangen door het woord "honoraria";
  2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende:
  "In de vennootschappen die een auditcomité moeten oprichten, benoemt de voorzitter van de rechtbank van koophandel een commissaris met naleving van artikel 132/1, maar is hij niet gebonden door de aanbeveling bedoeld in artikel 130, § 3, geformuleerd door het vermeld comité.";
  3° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Indien de commissaris wordt aangesteld door de voorzitter van de rechtbank van koophandel in toepassing van de procedure zoals omschreven in lid 1, brengt de vennootschap het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, bedoeld in artikel 32 van de wet van 7 december 2016 2016 houdende de organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren, hiervan op de hoogte."
Art.126. Dans l'article 157 du même code les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 1er le mot "émoluments" est remplacé par le mot "honoraires";
  2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 1 et 2:
  "Dans les sociétés tenues de constituer un comité d'audit, le président du tribunal de commerce désigne un commissaire dans le respect de l'article 132/1 mais n'est pas tenu par la recommandation formulée par ledit comité visée à l'article 130, § 3.";
  3° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit:
  "Lorsque le commissaire est désigné par le président du tribunal de commerce en application de la procédure décrite à l'alinéa 1er, la société en informe le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises visé à l'article 32 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises."
Art.127. In artikel 158 van hetzelfde wetboek worden de woorden "bezoldiging" vervangen door het woord "honoraria" en worden de woorden "bezoldiging vergoedt" vervangen door de woorden "honoraria vergoeden".
Art.127. Dans l'article 158 du même code les mots "de la rémunération" sont remplacés par les mots des honoraires" et les mots "Cette rémunération rétribue" sont remplacés par les mots "Ces honoraires rétribuent".
Art.128. In artikel 159 van hetzelfde wetboek wordt in de Nederlandse tekst het woord "ontslagen" vervangen door het woord "opgezegd".
Art.128. Dans l'article 159 du même code dans le texte néerlandais le mot "ontslagen" est remplacé par le mot "opgezegd".
Art.129. In artikel 160 van hetzelfde wetboek wordt in de Nederlandse tekst het woord "ontslag" vervangen door het woord "opzegging".
Art.129. Dans l'article 160 du même code dans le texte néerlandais le mot "ontslag" est remplacé par le mot "opzegging".
Art.130. In artikel 171 van hetzelfde wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 23 januari 2001, wordt tweemaal het woord "wettelijke" ingevoegd tussen de woorden "tot de "en de woorden "controle op de";
  2° in paragraaf 2, eerste lid worden de woorden ", geregistreerd auditkantoor" ingevoegd tussen het woord "bedrijfsrevisor" en de woorden "of onafhankelijke deskundige".
Art.130. Dans l'article 171 du même code les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 1er, alinéa 1er, modifié par la loi du 23 janvier 2001, le mot "légal" est deux fois inséré entre les mots "au contrôle" et les mots "des comptes";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots ", de cabinet d'audit enregistré" sont insérés entre les mots "de réviseur" et les mots "ou d'expert indépendant".
Art.131. In artikel 526bis van hetzelfde wetboek, ingevoegd bij de wet van 17 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 worden de woorden "en beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van boekhouding en audit" opgeheven;
  2° paragraaf 2 wordt aangevuld met twee leden, luidende:
  "De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.
  De leden van het auditcomité beschikken over een collectieve deskundigheid op het gebied van de activiteiten van de gecontroleerde vennootschap. Ten minste één lid van het auditcomité beschikt over de nodige deskundigheid op het gebied van boekhouding en audit.";
  3° in paragraaf 3, eerste lid, worden de woorden "hij het voorzitterschap van dit orgaan niet waarneemt als dit optreedt in de hoedanigheid van auditcomité" vervangen door de woorden "hij niet optreedt als voorzitter wanneer de raad van bestuur de functies van auditcomité uitoefent";
  4° de paragrafen 4 tot 7 worden vervangen als volgt:
  " § 4. Onverminderd de wettelijke opdrachten van de raad van bestuur heeft het auditcomité minstens de volgende taken:
  1) de raad van bestuur in kennis stellen van het resultaat van de wettelijke controle van de jaarrekening en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekening en toelichten op welke wijze de wettelijke controle van de jaarrekening en, in voorkomend geval, van de geconsolideerde jaarrekening heeft bijgedragen tot de integriteit van de financiële verslaglegging en welke rol het auditcomité in dat proces heeft gespeeld;
  2) monitoring van het financiële verslaggevingsproces en aanbevelingen of voorstellen te doen om de integriteit van het proces te waarborgen;
  3) monitoring van de doeltreffendheid van de systemen voor interne controle en risicobeheer van de vennootschap alsook, indien er een interne audit bestaat, monitoring van de interne audit en van zijn doeltreffendheid;
  4) monitoring van de wettelijke controle van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening, inclusief opvolging van de vragen en aanbevelingen geformuleerd door de commissaris en, in voorkomend geval, door de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening;
  5) beoordeling en monitoring van de onafhankelijkheid van de commissaris en, in voorkomend geval, van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, waarbij met name wordt nagegaan of de verlening van bijkomende diensten aan de vennootschap passend is. Meer in het bijzonder analyseert het auditcomité met de commissaris de bedreigingen voor zijn onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn om deze bedreigingen in te perken, wanneer de totale honoraria bij een organisatie van openbaar belang, bedoeld in artikel 4/1, meer bedragen dan de criteria bepaald in artikel 4, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  6) aanbeveling aan de raad van bestuur van de vennootschap voor de benoeming van de commissaris en, in voorkomend geval, van de bedrijfsrevisor die instaat voor de wettelijke controle van de geconsolideerde jaarrekening, overeenkomstig artikel 16, § 2, van verordening (EU) nr. 537/2014.
  Indien de hernieuwing van het mandaat bedoeld wordt in artikel 132/1, §§ 3 of 4, zal deze aanbeveling aan de raad van bestuur uitgewerkt worden aansluitend op de selectieprocedure bedoeld in artikel 16, § 3, van verordening (EU) nr. 537/2014.
  Het auditcomité brengt bij de raad van bestuur geregeld verslag uit over de uitoefening van zijn taken, en ten minste wanneer de raad van bestuur de jaarrekening, de geconsolideerde jaarrekening en, in voorkomend geval, de voor publicatie bestemde verkorte financiële overzichten opstelt.
  § 5. Onverminderd de wettelijke bepalingen die erin voorzien dat de commissaris verslagen of waarschuwingen richt aan organen van de vennootschap, bespreken, op vraag van de commissaris en, in voorkomend geval, van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening of op vraag van het auditcomité of van de raad van bestuur, de commissaris en, in voorkomend geval de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, met het auditcomité of zelfs met de raad van bestuur essentiële zaken die bij de uitoefening van hun wettelijke controle van de jaarrekeningen aan het licht zijn gekomen, die zijn opgenomen in de aanvullende verklaring aan het auditcomité, en meer bepaald de betekenisvolle tekortkomingen desgevallend ontdekt in het interne financiële controlesysteem van de vennootschap of, in het geval van geconsolideerde jaarrekening, van de moedervennootschap en/of in haar boekhoudsysteem.
  § 6. De commissaris en, in voorkomend geval, de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening of het geregistreerd auditkantoor:
  1) bevestigen jaarlijks schriftelijk aan het auditcomité dat, naargelang het geval, de commissaris of de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, en zijn vennoten, alsook de hogere leidinggevenden en leidinggevenden die de wettelijke controle uitvoeren, onafhankelijk zijn van de vennootschap;
  2) melden jaarlijks alle voor de vennootschap verrichte bijkomende diensten aan het auditcomité;
  3) voeren overleg met het auditcomité over de bedreigingen voor hun onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn om deze bedreigingen in te perken, zoals door hen onderbouwd. Meer in het bijzonder informeren zij en analyseren zij met het auditcomité de bedreigingen voor hun onafhankelijkheid en de veiligheidsmaatregelen die genomen zijn om deze bedreigingen in te perken, wanneer de totale honoraria die zij van een organisatie van openbaar belang, bedoeld in artikel 4/1, ontvangen meer bedragen dan de criteria bepaald in artikel 4, § 3, van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  4) stellen een aanvullende verklaring op bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014;
  5) bevestigen dat het controleverslag consistent is met de aanvullende verklaring aan het auditcomité bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014.
  In de vennootschappen die voldoen aan de criteria omschreven in paragraaf 3 die geen auditcomité inrichten, blijven de opdrachten van de commissaris en, in voorkomend geval van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, zoals opgenomen onder paragraaf 6, van toepassing, maar worden zij uitgeoefend ten aanzien van de raad van bestuur.
  De commissaris en, in voorkomend geval de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, maken jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is ingericht, en aan de raad van bestuur, anderzijds, de aanvullende verklaring bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014 over. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van indiening van het controleverslag bedoeld in de artikelen 144 en 148 en in artikel 10 van de verordening (EU) nr. 537/2014.
  Op gemotiveerd verzoek van de Autoriteit voor Financiële Diensten en Markten, maken het auditcomité of, in voorkomend geval, de raad van bestuur, de aanvullende verklaring bedoeld in artikel 11 van de verordening (EU) nr. 537/2014 over.
  § 7. Zijn vrijgesteld van de verplichting tot instelling van een auditcomité als bedoeld in de paragrafen 1 tot 5:
  1) elke vennootschap die een instelling voor collectieve belegging in effecten (ICBE's) is zoals gedefinieerd door de wet van 3 augustus 2012 betreffende de instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan de voorwaarden van Richtlijn 2009/65/EG en de instellingen voor belegging in schuldvorderingen of de alternatieve instellingen voor collectieve belegging (AICB) zoals gedefinieerd door de wet van 19 april 2014 betreffende de alternatieve instellingen voor collectieve belegging en hun beheerders;
  2) elke vennootschap waarvan de enige zakelijke activiteit bestaat in het uitgeven van door activa gedekte waardepapieren, zoals gedefinieerd in artikel 2, § 5, van Verordening (EG) nr. 809/2004 van de Europese Commissie; in dat geval zet de vennootschap aan het publiek uiteen waarom zij het niet dienstig acht hetzij een auditcomité in te stellen, hetzij de raad van bestuur te belasten met de uitvoering van de taken van een auditcomité.
  De opdrachten van de commissaris en, in voorkomend geval van de bedrijfsrevisor die instaat voor de controle van de geconsolideerde jaarrekening, zoals opgenomen onder paragraaf 6, blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van de raad van bestuur."
Art.131. Dans l'article 526bis du même code, inséré par la loi du 17 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 2 les mots ", et est compétent en matière de comptabilité et d'audit" sont abrogés;
  2° le paragraphe 2 est complété par deux alinéas rédigés comme suit:
  "Le président du comité d'audit est désigné par les membres du comité.
  Les membres du comité d'audit disposent d'une compétence collective dans le domaine d'activités de la société contrôlée. Au moins un membre du comité d'audit est compétent en matière de comptabilité et d'audit.";
  3° dans paragraphe 3, alinéa 1er, les mots "il ne préside pas cet organe lorsque celui-ci agit en qualité de comité d'audit" sont remplacés par les mots "il n'exerce pas les fonctions de président tant que le conseil d'administration exerce les fonctions de comité d'audit";
  4° les paragraphes 4 à 7 sont remplacés par ce qui suit:
  " § 4. Sans préjudice des missions légales du conseil d'administration, le comité d'audit est au moins chargé des missions suivantes:
  1) communication au conseil d'administration d'informations sur les résultats du contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés et d'explications sur la façon dont le contrôle légal des comptes annuels et, le cas échéant, des comptes consolidés ont contribué à l'intégrité de l'information financière et sur le rôle que le comité d'audit a joué dans ce processus;
  2) suivi du processus d'élaboration de l'information financière et présentation de recommandations ou de propositions pour en garantir l'intégrité;
  3) suivi de l'efficacité des systèmes de contrôle interne et de gestion des risques de la société ainsi que, s'il existe un audit interne, suivi de celui-ci et de son efficacité;
  4) suivi du contrôle légal des comptes annuels et des comptes consolidés, en ce compris le suivi des questions et recommandations formulées par le commissaire et le cas échéant par le réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés;
  5) examen et suivi de l'indépendance du commissaire et le cas échéant du réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés, en particulier pour ce qui concerne le bien-fondé de la fourniture de services complémentaires à la société. En particulier, il analyse avec le commissaire les risques pesant sur l'indépendance de celui-ci et les mesures de sauvegarde appliquées pour atténuer ces risques, lorsque les honoraires totaux relatifs à une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1 dépassent les critères fixés par l'article 4, § 3, du règlement (UE) n° 537/2014;
  6) recommandation au conseil d'administration de la société pour la désignation du commissaire et le cas échéant du réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés, conformément à l'article 16, § 2 du règlement (UE) n° 537/2014.
  Si le renouvellement du mandat est visé par l'article 132/1, §§ 3 ou 4, cette recommandation au conseil d'administration sera élaborée à l'issue d'une procédure de sélection visée à l'article 16, § 3, du règlement (UE) n° 537/2014.
  Le comité d'audit fait régulièrement rapport au conseil d'administration sur l'exercice de ses missions, au moins lors de l'établissement par celui-ci des comptes annuels, des comptes consolidés et, le cas échéant, des états financiers résumés destinés à la publication.
  § 5. Sans préjudice des dispositions légales prévoyant la remise des rapports ou les avertissements du commissaire à des organes de la société, à la demande du commissaire et, le cas échéant, du réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés ou à la demande du comité d'audit ou du conseil d'administration, le commissaire et, le cas échéant, le réviseur d'entreprises chargé du contrôle des comptes consolidés examinent avec le comité d'audit, voire avec le conseil d'administration, des questions essentielles apparues dans l'exercice de leur mission de contrôle légal des comptes, qui sont reprises dans le rapport complémentaire destiné au comité d'audit. En particulier les carences significatives détectées le cas échéant dans le système de contrôle financier interne de la société ou, dans le cas de comptes consolidés, dans celui de la société mère et/ou dans son système comptable.
  § 6. Le commissaire et, le cas échéant, le réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés ou le cabinet d'audit enregistré:
  1) confirment chaque année par écrit au comité d'audit, selon le cas, que le commissaire ou le réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés et ses associés ainsi que les membres des instances dirigeantes et les gestionnaires qui effectuent le contrôle légal des comptes sont indépendants par rapport à la société;
  2) communiquent chaque année au comité d'audit les services additionnels fournis à la société;
  3) examinent avec le comité d'audit les risques pesant sur leur indépendance et les mesures de sauvegarde appliquées pour atténuer ces risques, consignées par eux. En particulier, ils informent et analysent avec le comité d'audit les risques pesant sur leur indépendance et les mesures de sauvegarde appliquées pour atténuer ces risques, lorsque les honoraires totaux relatifs à une entité d'intérêt public visée à l'article 4/1 qu'ils perçoivent dépassent les critères fixés par l'article 4, § 3, du règlement (UE) n° 537/2014;
  4) établissent un rapport complémentaire visé à l'article 11 du règlement (UE) n° 537/2014;
  5) confirment que le rapport d'audit est conforme au contenu du rapport complémentaire destiné au comité d'audit visé à l'article 11 du règlement (UE) n° 537/2014.
  Dans les sociétés répondant aux critères décrits sous le paragraphe 3 qui ne constituent pas un comité d'audit, les missions du commissaire et, le cas échéant, du réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés reprises, sous le paragraphe 6 restent applicables mais le sont à l'égard du conseil d'administration.
  Le commissaire et, le cas échéant, le réviseur d'entreprises chargé du contrôle légal des comptes consolidés adressent sur une base annuelle au comité d'audit, d'une part, si un tel comité a été constitué, et au conseil d'administration, d'autre part, le rapport complémentaire visé à l'article 11 du règlement (UE) n° 537/2014. Ce rapport complémentaire est adressé au plus tard à la date de présentation du rapport d'audit visé aux articles 144 et 148 et à l'article 10 du règlement (UE) n° 537/2014.
  Sur demande motivée de l'Autorité des services et marchés financiers, le comité d'audit ou, le cas échéant, le conseil d'administration, transmettent le rapport complémentaire visé à l'article 11 du règlement (UE) n° 537/2014.
  § 7. Sont exemptées de l'obligation d'avoir un comité d'audit visé aux paragraphes 1er à 5:
  1) les sociétés qui sont des organismes de placement collectif en valeurs mobilières (OPCVM) tels que définis par la loi du 3 août 2012 relative aux organismes de placement collectif qui répondent aux conditions de la Directive 2009/65/CE et aux organismes de placement en créances ou des organismes de placement collectif alternatif (OPCA) tels que définis par la loi du 19 avril 2014 relative aux organismes de placement collectif alternatifs et à leurs gestionnaires;
  2) les sociétés dont la seule activité consiste à émettre des titres adossés à des actifs au sens de l'article 2, § 5, du Règlement (CE) n° 809/2004 de la Commission européenne; dans ce cas, la société divulgue les raisons pour lesquelles elle ne juge pas opportun de disposer d'un comité d'audit ou que le conseil d'administration soit chargé d'exercer les fonctions du comité d'audit.
  Les missions du commissaire et, le cas échéant, du réviseur d'entreprises chargé du contrôle des comptes consolidés reprises sous le paragraphe 6 restent applicables mais le sont à l'égard du conseil d'administration."
TITEL 6. - Wijzigingen in de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen
TITRE 6. - Modifications à la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit
Art.132. In artikel 3 van de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op kredietinstellingen, wordt een bepaling onder 8° /4 ingevoegd, luidende:
  "8° /4. Verordening nr. 537/2014: de Verordening (EU) Nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;".
Art.132. Dans l'article 3 de la loi du 25 avril 2014 relative au statut et au contrôle des établissements de crédit, il est inséré un 8° /4 rédigé comme suit:
  "8° /4. Règlement n° 537/2014: le Règlement (UE) N° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission;".
Art.133. In artikel 27 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in het eerste lid, worden de woorden "in meer dan twee van de voornoemde comités zetelen" vervangen door de woorden "in meer dan drie van de voornoemde comités zetelen";
  2° artikel 27 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.".
Art.133. Dans l'article 27 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans l'alinéa 1er, les mots "dans plus de deux des comités précités" sont remplacés par les mots "dans plus de trois des comités précités";
  2° l'article 27 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
  "Les membres du comité d'audit sont en majorité indépendants au sens de l'article 526ter du Code des sociétés. Le président du comité d'audit est désigné par les membres du comité.".
Art.134. In artikel 28 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Het auditcomité heeft minstens de in artikel 526bis, § 4 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen taken.";
  2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "de elementen in de in deze paragraaf opgenomen lijst" vervangen door de woorden "de in deze paragraaf bedoelde elementen";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. De erkend commissaris is belast met de in artikel 526bis, § 6, leden 1 tot 3 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen opdrachten.".
Art.134. A l'article 28 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
  "Le comité d'audit est au moins chargé des missions reprises sous l'article 526bis, § 4 du Code des sociétés.";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "énumérés dans la liste reprise au présent paragraphe" sont remplacés par les mots "visés au présent paragraphe";
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
  " § 3. Le commissaire agréé est chargé des missions reprises sous l'article 526bis, § 6, alinéas 1er à 3 du Code des sociétés.".
Art.135. Artikel 33, § 2, van dezelfde wet, wordt aangevuld met drie leden, luidende:
  "Ongeacht de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid, maakt de erkend commissaris jaarlijks de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over aan de bestemmelingen voorzien in artikel 225/1.
  Wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder in toepassing van het eerste lid aanleiding geven tot de oprichting van een auditcomité, zijn de in artikel 16, lid 5, van verordening nr. 537/2014 bedoelde modaliteiten van het voorstel van benoeming van een erkend commissaris van toepassing.
  De in artikel 28, § 3, opgenomen opdrachten van de erkend commissaris blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van het wettelijk bestuursorgaan wanneer de voorwaarden bepaald door de toezichthouder geen oprichting van een auditcomité opleggen.".
Art.135. L'article 33, § 2, de la même loi, est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
  "Quelles que soient les conditions fixées par l'autorité de contrôle en application de l'alinéa 1er, le commissaire agréé transmet chaque année le rapport complémentaire visé à l'article 11 du règlement n° 537/2014 aux destinataires prévus à l'article 225/1.
  Lorsque les conditions fixées par l'autorité de contrôle en application de l'alinéa 1er conduisent à la constitution d'un comité d'audit, les modalités de proposition de désignation d'un commissaire agréé visées à l'alinéa 5 de l'article 16 du règlement n° 537/2014 sont applicables.
  Les missions du commissaire agréé reprises sous l'article 28, § 3, restent applicables mais le sont à l'égard de l'organe légal d'administration lorsque les conditions fixées par l'autorité de contrôle n'imposent pas la création d'un comité d'audit.".
Art.136. Artikel 225/1 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 225/1. De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke zaken die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening aan het licht zijn gekomen, en meer bepaald de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot de financiële verslaggeving. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening van het in artikel 220, in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen en in artikel 10 van verordening nr. 537/2014 bedoelde controleverslag.
  Op verzoek van de toezichthouder, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.".
Art.136. L'article 225/1 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 225/1. Le commissaire agréé adresse sur une base annuelle au comité d'audit, d'une part, si un tel comité a été constitué, et à l'organe légal d'administration, d'autre part, le rapport complémentaire visé à l'article 11 du règlement n° 537/2014. Ce rapport traite notamment des questions importantes apparues dans l'exercice de sa mission de contrôle légal des comptes, et en particulier les faiblesses significatives du contrôle interne au regard du processus d'information financière. Ce rapport complémentaire est adressé au plus tard à la date de présentation du rapport d'audit visé à l'article 220, aux articles 144 et 148 du Code des sociétés et à l'article 10 du règlement n° 537/2014.
  Sur demande de l'autorité de contrôle, le comité d'audit ou, le cas échéant, l'organe légal d'administration transmet le rapport complémentaire visé à l'alinéa 1er.".
TITEL 7. - Wijzigingen van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen
TITRE 7. - Modifications à la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance
Art.137. In artikel 15 van de wet van 13 maart 2016 op het statuut van en het toezicht op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen, wordt een bepaling onder 8° /1 ingevoegd, luidende:
  "8° /1. Verordening nr. 537/2014: de Verordening (EU) nr. 537/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende specifieke eisen voor de wettelijke controles van financiële overzichten van organisaties van openbaar belang en tot intrekking van Besluit 2005/909/EG van de Commissie;".
Art.137. Dans l'article 15 de la loi du 13 mars 2016 relative au statut et au contrôle des entreprises d'assurance ou de réassurance, il est inséré un 8° /1 rédigé comme suit:
  "8° /1. Règlement n° 537/2014: le Règlement (UE) n° 537/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux exigences spécifiques applicables au contrôle légal des comptes des entités d'intérêt public et abrogeant la décision 2005/909/CE de la Commission;".
Art.138. Artikel 48 van dezelfde wet, wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "De meerderheid van de leden van het auditcomité is onafhankelijk in de zin van artikel 526ter van het Wetboek van Vennootschappen. De voorzitter van het auditcomité wordt benoemd door de leden van het comité.".
Art.138. L'article 48 de la même loi est complété par un alinéa rédigé comme suit:
  "Les membres du comité d'audit sont en majorité indépendants au sens de l'article 526ter du Code des sociétés. Le président du comité d'audit est désigné par les membres du comité.".
Art.139. In artikel 49 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 2 wordt het eerste lid vervangen als volgt:
  "Het auditcomité heeft minstens de in artikel 526bis, § 4, van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen taken.";
  2° in paragraaf 2, derde lid, worden de woorden "de elementen in de in deze paragraaf opgenomen lijst" vervangen door de woorden "de in deze paragraaf bedoelde elementen";
  3° paragraaf 3 wordt vervangen als volgt:
  " § 3. De erkend commissaris is belast met de in artikel 526bis, § 6, leden 1 tot 3 van het Wetboek van Vennootschappen opgenomen opdrachten.".
Art.139. A l'article 49 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
  1° dans le paragraphe 2, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit:
  "Le comité d'audit est au moins chargé des missions reprises sous l'article 526bis, § 4 du Code des sociétés.";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 3, les mots "énumérés dans la liste reprise au présent paragraphe" sont remplacés par les mots "visés au présent paragraphe";
  3° le paragraphe 3 est remplacé par ce qui suit:
  " § 3. Le commissaire agréé est chargé des missions reprises sous l'article 526bis, § 6, alinéas 1er à 3 du Code des sociétés.".
Art.140. In artikel 52 van dezelfde wet, worden de volgende wijzigingen aangebracht:
  1° in paragraaf 1, tweede lid, worden de woorden "neemt hij het voorzitterschap van het wettelijk bestuursorgaan niet waar als dit optreedt in de hoedanigheid van één van de in artikel 48 bedoelde comités" vervangen door de woorden "oefent hij de functies van voorzitter niet uit zolang het wettelijk bestuursorgaan de functies uitoefent van één van de in artikel 48 bedoelde comités.";
  2° paragraaf 3 wordt aangevuld met drie leden, luidende:
  "Ongeacht de voorwaarden bepaald door de Bank in toepassing van het eerste lid, maakt de erkend commissaris jaarlijks de in artikel 11 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over aan de bestemmelingen voorzien in artikel 79.
  Wanneer de voorwaarden bepaald door de Bank in toepassing van het eerste lid aanleiding geven tot de oprichting van een auditcomité, zijn de in artikel 16, paragraaf 5 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde modaliteiten van het voorstel van benoeming van een erkend commissaris van toepassing.
  De in artikel 49, paragraaf 3, opgenomen opdrachten van de erkend commissaris blijven van toepassing, maar worden uitgeoefend ten aanzien van het wettelijk bestuursorgaan wanneer de voorwaarden bepaald door de Bank geen oprichting van een auditcomité opleggen.".
Art.140. A l'article 52 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées:
  1° au paragraphe 1er, alinéa 2, les mots "il ne préside pas l'organe légal d'administration lorsque celui-ci agit en qualité d'un des comités visés à l'article 48" sont remplacés par les mots "il n'exerce pas les fonctions de président tant que l'organe légal d'administration exerce les fonctions d'un des comités visés à l'article 48";
  2° le paragraphe 3 est complété par trois alinéas rédigés comme suit:
  "Quelles que soient les conditions fixées par la Banque en application de l'alinéa 1er, le commissaire agréé transmet chaque année le rapport complémentaire visé à l'article 11 du Règlement n° 537/2014 aux destinataires prévus à l'article 79.
  Lorsque les conditions fixées par la Banque en application de l'alinéa 1er conduisent à la constitution d'un comité d'audit, les modalités de proposition de désignation d'un commissaire agréé visées au paragraphe 5 de l'article 16 du Règlement n° 537/2014 sont applicables.
  Les missions du commissaire agréé reprises sous l'article 49, § 3, restent applicables mais le sont à l'égard de l'organe légal d'administration lorsque les conditions fixées par la Banque n'imposent pas la création d'un comité d'audit."
Art.141. Artikel 79 van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt:
  "Art. 79. De erkend commissaris maakt jaarlijks aan het auditcomité, enerzijds, indien dergelijk comité is opgericht, en aan het wettelijk bestuursorgaan, anderzijds, de in artikel 11 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde aanvullende verklaring over. Deze verklaring heeft met name betrekking op belangrijke kwesties die bij de uitoefening van zijn wettelijke controle van de jaarrekening naar voren zijn gekomen, en inzonderheid de ernstige tekortkomingen in de interne controle met betrekking tot het financiële verslaggevingsproces. Deze aanvullende verklaring wordt overgemaakt uiterlijk op de datum van de indiening van het in artikel 325, in de artikelen 144 en 148 van het Wetboek van Vennootschappen en in artikel 10 van Verordening nr. 537/2014 bedoelde controleverslag.
  Op verzoek van de Bank, maakt het auditcomité of, in voorkomend geval, het wettelijk bestuursorgaan, de in het eerste lid bedoelde aanvullende verklaring over.".
Art.141. L'article 79 de la même loi est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 79. Le commissaire agréé adresse sur une base annuelle au comité d'audit, d'une part, si un tel comité a été constitué, et à l'organe légal d'administration, d'autre part, le rapport complémentaire visé à l'article 11 du Règlement n° 537/2014. Ce rapport traite notamment des questions importantes apparues dans l'exercice de sa mission de contrôle légal des comptes, et en particulier les faiblesses significatives du contrôle interne au regard du processus d'information financière. Ce rapport complémentaire est adressé au plus tard à la date de présentation du rapport d'audit visé à l'article 325, aux articles 144 et 148 du Code des sociétés et à l'article 10 du Règlement n° 537/2014.
  Sur demande de l'autorité de contrôle, le comité d'audit ou, le cas échéant, l'organe légal d'administration transmet le rapport complémentaire visé à l'alinéa 1er.".
TITEL 8. - Wijzigingen in het Gerechtelijk Wetboek
TITRE 8. - Modifications du Code judiciaire
Art.142. Artikel 605bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. 605bis. Het hof van beroep neemt kennis van het beroep als bedoeld in de artikelen 120, 121 en 123 van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en in artikel 36/21 van de wet van 22 februari 1998 tot vaststelling van het organiek statuut van de Nationale Bank van België, van het beroep als bedoeld in artikel 2 van de wet van 12 mei 2004 tot regeling van een beroepsprocedure in het kader van de bescherming tegen valsemunterij en de handhaving van de kwaliteit van de geldomloop, en van het beroep als bedoeld in artikel 61 van de wet van 7 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren."
Art.142. L'article 605bis du Code judiciaire est remplacé comme suit:
  "Art. 605bis. La cour d'appel connaît des recours visés aux articles 120, 121 et 123 de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers et à l'article 36/21 de la loi du 22 février 1998 fixant le statut organique de la Banque Nationale de Belgique, des recours visés à l'article 2 de la loi du 12 mai 2004 organisant une procédure de recours dans le cadre de la protection contre le faux monnayage et du maintien de la qualité de la circulation fiduciaire et des recours visés à l'article 61 de la loi du 7 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision des réviseurs d'entreprises."
Art.143. Artikel 1121/1, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek wordt vervangen als volgt:
  "Art. 1121/1. § 1. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de cassatieberoepen tegen de beslissingen in laatste aanleg van:
  1° de raden van beroep van de Orde van advocaten;
  2° de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van geneesheren;
  3° de provinciale raden of de raden van beroep van de Orde van apothekers;
  4° de gemengde raden van beroep van de Orde der dierenartsen;
  5°. ..
  6° de raden van beroep van de Orde van architecten;
  7° de Onderzoeksraad voor de scheepvaart;
  8° de beroepscommissie van het Instituut van accountants en belastingconsulenten, alsook van de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep van het Beroepsinstituut van erkende boekhouders en fiscalisten;
  9° de beroepscommissie van het Instituut voor bedrijfsjuristen;
  10° de Federale Raad van beroep van de landmetersexperten;
  11° de commissie van beroep van de auto-experts;
  12° de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars;
  13° de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers, of van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep ingesteld krachtens de Kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverlenende intellectuele beroepen."
Art.143. L'article 1121/1, § 1er, du Code judiciaire est remplacé par ce qui suit:
  "Art. 1121/1. § 1er. La Cour de cassation statue sur les pourvois en cassation contre les décisions rendues en dernier ressort par:
  1° les conseils d'appel de l'Ordre des avocats;
  2° les conseils provinciaux ou les conseils d'appel de l'Ordre des médecins;
  3° les conseils provinciaux ou les conseils d'appel de l'Ordre des pharmaciens;
  4° les conseils mixtes d'appel de l'Ordre des médecins vétérinaires;
  5° ...
  6° les conseils d'appel de l'Ordre des architectes;
  7° le Conseil d'enquêtes maritimes;
  8° la commission d'appel de l'Institut des experts-comptables et des conseils fiscaux, ainsi que par les chambres exécutives ou les chambres exécutives réunies, ou les chambres d'appel ou les chambres d'appel réunies de l'Institut professionnel des comptables et fiscalistes agréés;
  9° la commission d'appel de l'Institut des juristes d'entreprises;
  10° le Conseil fédéral d'appel des géomètres-experts;
  11° la commission d'appel des experts-automobiles;
  12° les chambres exécutives ou les chambres exécutives réunies, ou les chambres d'appel ou les chambres d'appel réunies de l'Institut professionnel des agents immobiliers;
  13° les chambres exécutives ou les chambres exécutives réunies, ou les chambres d'appel ou les chambres d'appel réunies instituées en vertu de la loi-cadre du 3 août 2007 relative aux professions intellectuelles prestataires de services."
TITEL 9. - Opheffings- en diverse bepalingen
TITRE 9. - Dispositions abrogatoires et diverses
Art.144. § 1. De wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, [1 gecoördineerd op 30 april 2007,]1 met uitzondering van de artikelen 43, § 3, eerste lid, tweede zin en § 4, en 44, §§ 1, 2 en 5, artikel 58, §§ 2 en 3, artikelen 60 tot en met 62, artikel 63, §§ 2 en 3, artikelen 64 tot en met 75, wordt opgeheven op de in artikel 156, § 1, vermelde datum.
  De artikelen 43, § 3, eerste lid, tweede zin en § 4, en 44, §§ 1, 2 en 5, van voornoemde wet worden opgeheven op de in artikel 156, § 2, 1°, vermelde datum.
  Het artikel 58, §§ 2 en 3, de artikelen 60 tot en met 62, het artikel 63, §§ 2 en 3, de artikelen 64 tot en met 75 van de voornoemde wet worden opgeheven op de in artikel 156, § 2, 3°, vermelde datum.
  § 2. Het artikel 43, § 4, van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, [1 gecoördineerd op 30 april 2007,]1 wordt aangevuld met een lid, luidende:
  "Om de overgang te garanderen tussen de Kamer van verwijzing en instaatstelling en het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren, en om de overdrachtsverplichtingen waarvan sprake in artikel 150 van de wet van 00 december 2016 tot organisatie van het beroep van en het publiek toezicht op de bedrijfsrevisoren te kunnen naleven, kan de Kamer van verwijzing en instaatstelling, in afwijking van § 3 en artikel 458 van het Strafwetboek, vertrouwelijke informatie over de dossiers in behandeling die zij ontvangt in het kader van de opdrachten die haar door of krachtens deze wet zijn toevertrouwd, verstrekken aan het College van toezicht op de bedrijfsrevisoren en, zolang dat College niet is opgericht, aan de FSMA.".
  § 3. Het College van toezicht treedt niet in de rechten en verbintenissen van de Kamer van Verwijzing en Instaatstelling, maar ziet toe op een ordelijke administratieve vereffening van haar verbintenissen. Dit impliceert de uitsluiting van alle kwesties die verband houden met beloning, pensioenen en andere daarmee vergelijkbare rechten. De aan de ontbinding van de Kamer van Verwijzing en Instaatstelling verbonden administratieve kosten worden gedragen door het Instituut van de Bedrijfsrevisoren. Het overschot van de activa ten opzichte van de passiva komt het Instituut van de Bedrijfsrevisoren toe. Het College kan het sekwester van de activa bevelen gedurende de periode die nodig is om de verbintenissen van de Kamer van Verwijzing en Instaatstelling te vereffenen. Het sekwester wordt op verzoek van het College aangesteld door de Voorzitter van de rechtbank van koophandel, die uitspraak doet als in kort geding.
  
Art.144. § 1er. La loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseur d'entreprises, [1 coordonnée le 30 avril 2007,]1 à l'exception des articles 43, § 3, alinéa 1er, deuxième phrase et § 4 et 44, §§ 1er, 2 et 5, de l'article 58, §§ 2 et 3, des articles 60 à 62, de l'article 63, §§ 2 et 3, des articles 64 à 75, est abrogée à la date visée à l'article 156, § 1er.
  Les articles 43, § 3, alinéa 1er, deuxième phrase et § 4, et 44, §§ 1er, 2 et 5 de la loi précitée sont abrogés à la date visée à l'article 156, § 2, 1°.
  L'article 58, §§ 2 et 3, les articles 60 à 62, l'article 63, §§ 2 et 3, les articles 64 à 75 de la loi précitée sont abrogés à la date visée à l'article 156, § 2, 3°.
  § 2. L'article 43, § 4, de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseur d'entreprises [1 coordonnée le 30 avril 2007,]1 est complété par un alinéa rédigé comme suit:
  "Afin d'assurer la transition entre la Chambre de renvoi et de mise en état et le Collège de supervision des réviseurs d'entreprises et d'assurer ses obligations de transferts prévus à l'article 150 de la loi du 00 décembre 2016 portant organisation de la profession et de la supervision publique des réviseurs d'entreprises, la Chambre de renvoi et de mise en état peut, en dérogation au § 3 et à l'article 458 du Code pénal, communiquer, au Collège de supervision des réviseurs d'entreprises et, tant que le Collège précité n'est pas établi, à la FSMA, des informations confidentielles relatives à des dossiers qui sont en cours de traitement qu'elle a reçues dans le cadre des missions qui lui sont confiées par ou en vertu de la présente loi. ".
  § 3. Le Collège de supervision ne reprend pas les droits et engagements de la Chambre de renvoi et de mise en état mais il veille à une liquidation administrative ordonnée des engagements de cette dernière. Ceci exclut toutes les questions portant sur des rémunérations, pensions et autres droits assimilés. Les frais administratifs afférents à la dissolution de la Chambre de renvoi et de mise en état sont pris en charge par l'Institut des Réviseurs d'Entreprises. L'excédent des actifs sur les passifs revient à l'Institut des Réviseurs d'Entreprises. Le Collège peut ordonner le séquestre des actifs pendant le temps nécessaire à la liquidation des engagements de la Chambre de renvoi et de mise en état. Le séquestre est désigné sur demande du Collège par le président du tribunal de commerce statuant comme en référé.
  
Art.145. Worden opgeheven, op de datum bepaald door de Koning:
  1° het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot omzetting van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  2° het koninklijk besluit van 25 april 2007 tot wijziging van het Wetboek van vennootschappen met het oog op het omzetten van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, en houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  3° het koninklijk besluit van 26 april 2007 tot organisatie van het toezicht en de kwaliteitscontrole en houdende het tuchtreglement voor de bedrijfsrevisoren, met uitzondering van de artikelen 24 tot en met 35 en het artikel 36, §§ 2 en 3. De artikelen 24 tot en met 35 en 36, §§ 2 en 3 worden opgeheven op de in artikel 156, § 2, 3° datum;
  4° het koninklijk besluit van 30 april 2007 houdende coördinatie van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor en van het koninklijk besluit van 21 april 2007 tot omzetting van bepalingen van de Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende de wettelijke controles van jaarrekeningen en geconsolideerde jaarrekeningen, tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, houdende intrekking van Richtlijn 84/253/EEG van de Raad;
  5° het koninklijk besluit van 30 april 2007 betreffende de erkenning van bedrijfsrevisoren en het openbaar register;
  6° het koninklijk besluit van 30 april 2007 betreffende de toegang tot het beroep van bedrijfsrevisor en tot opheffing van het koninklijk besluit van 13 oktober 1987 betreffende de stage van de kandidaat-bedrijfsrevisoren;
  7° het koninklijk besluit van 30 april 2007 houdende benoeming van leden van de Tuchtcommissie bij het Instituut van de Bedrijfsrevisoren bedoeld in artikel 58 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor;
  8° het koninklijk besluit van 30 april 2007 houdende benoeming van leden van de Kamer van verwijzing en instaatstelling bedoeld in artikel 44, § 5, van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor;
  9° het koninklijk besluit van 7 juni 2007 tot vaststelling van het huishoudelijk reglement van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren;
  10° het koninklijk besluit van 3 september 2010 betreffende de inschrijving van auditors en auditorganisaties van derde landen in het openbaar register van het Instituut van de Bedrijfsrevisoren en het publiek toezicht, de kwaliteitscontrole en het toezicht op auditors en auditorganisaties van derde landen;
  11° het koninklijk besluit van 25 april 2014 tot uitvoering van artikel 77decies van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, gecoördineerd op 30 april 2007;
  12° het koninklijk besluit van 10 januari 1994 betreffende de plichten van de bedrijfsrevisoren.
Art.145. Sont abrogés, à la date fixée par le Roi:
  1° l'arrêté royal du 21 avril 2007 portant transposition de dispositions de la Directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés, modifiant les Directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil et abrogeant la Directive 84/253/CEE du Conseil;
  2° l'arrêté royal du 25 avril 2007 modifiant le Code des sociétés en vue de la transposition de dispositions de la directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés, modifiant les directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil et abrogeant la directive 84/253/CEE du Conseil;
  3° l'arrête royal du 26 avril 2007 organisant la surveillance et le contrôle de qualité et portant règlement de discipline des réviseurs d'entreprises, à l'exception des articles 24 à 35 et de l'article 36, §§ 2 et 3. Les articles 24 à 35 et 36, §§ 2 et 3 sont abrogés à la date visée à l'article 156 § 2, 3° ;
  4° l'arrêté royal du 30 avril 2007 portant coordination de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseur d'entreprises et de l'arrêté royal du 21 avril 2007 portant transposition de dispositions de la directive 2006/43/CE du Parlement européen et du Conseil du 17 mai 2006 concernant les contrôles légaux des comptes annuels et des comptes consolidés et modifiant les directives 78/660/CEE et 83/349/CEE du Conseil, et abrogeant la directive 84/253/CEE du Conseil;
  5° l'arrêté royal du 30 avril 2007 relatif à l'agrément des réviseurs d'entreprises et au registre public;
  6° l'arrêté royal du 30 avril 2007 relatif à l'accès à la profession de réviseur d'entreprises et abrogeant l'arrêté royal du 13 octobre 1987 relatif au stage des candidats réviseurs d'entreprises;
  7° l'arrêté royal du 30 avril 2007 portant nomination des membres de la Commission de Discipline de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises, visé à l'article 58 de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseur d'entreprises;
  8° l'arrêté royal du 30 avril 2007 portant nomination des membres de la Chambre de renvoi et de mise en état, visé à l'article 44, § 5, de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de reviseur d'entreprises;
  9° l'arrêté royal du 7 juin 2007 fixant le règlement d'ordre intérieur de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises;
  10° l'arrêté royal du 3 septembre 2010 relatif à l'inscription des contrôleurs et entités d'audit des pays tiers au registre public de l'Institut des Réviseurs d'Entreprises et à la supervision publique, au contrôle de qualité et à la surveillance des contrôleurs et entités d'audit des pays tiers;
  11° l'arrêté royal du 25 avril 2014 portant exécution de l'article 77decies de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseur d'entreprises, coordonnée le 30 avril 2007;
  12° l'arrêté royal du 10 janvier 1994 relatif aux obligations des réviseurs d'entreprises.
TITEL 10. - Overgangsbepalingen
TITRE 10. - Dispositions transitoires
Art.146. De bedrijfsrevisor die zich in een van de in artikel 29, § 2, bedoelde situaties van onverenigbaarheid bevindt en die, op de datum van inwerkingtreding van deze wet, een afwijking geniet die hem toelaat om een functie van bediende, behalve bij een andere bedrijfsrevisor, of een handelsactiviteit, rechtstreeks of onrechtstreeks, onder andere in de hoedanigheid van bestuurder van een handelsvennootschap, uit te oefenen, behoudt het voorrecht van deze afwijking tot de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit in voorkomend geval genomen op basis van artikel 29, § 3.
  Het Instituut maakt aan het College de lijst van de bedrijfsrevisoren over die op de datum van inwerkingtreding van deze wet, genieten van een afwijking zoals bedoeld in het eerste lid.
Art.146. Le réviseur d'entreprises qui se trouve dans l'une des situations d'incompatibilité visées à l'article 29, § 2, et qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, bénéficie d'une dérogation lui permettant d'exercer une fonction d'employé, sauf auprès d'un autre réviseur d'entreprises, ou une activité commerciale directement ou indirectement, entre autres en qualité d'administrateur d'une société commerciale, conserve le bénéfice de la dérogation jusqu'à la date d'entrée en vigueur de l'arrêté royal pris le cas échéant sur la base de l'article 29, § 3.
  L'Institut transmet au Collège la liste des réviseurs d'entreprises qui, à la date d'entrée en vigueur de la présente loi, bénéficie d'une dérogation telle que visée au premier alinéa.
Art.147. § 1. Vanaf de datum [1 van inwerkingtreding van deze wet]1 wordt aan de Tuchtcommissie als bedoeld in artikel 58 van de wet van 22 juli 1953 houdende oprichting van een Instituut van de Bedrijfsrevisoren en tot organisatie van het publiek toezicht op het beroep van bedrijfsrevisor, de bevoegdheid gedelegeerd om tuchtmaatregelen op te leggen aan de bedrijfsrevisoren voor de dossiers die haar op rechtsgeldige wijze zijn voorgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet. De Tuchtcommissie verricht die taken op de wijze en volgens de modaliteiten zoals voorzien in Hoofdstuk VIII, afdeling III, onderafdelingen 1, 3 en 4, van voornoemde wet van 22 juli 1953.
  § 2. De Koning kan de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel vaststellen.
  
Art.147. § 1er. A partir de la date d'entrée en vigueur de la présente loi, il est délégué à la commission de discipline visée à l'article 58 de la loi du 22 juillet 1953 créant un Institut des Réviseurs d'Entreprises et organisant la supervision publique de la profession de réviseurs d'entreprises, la compétence de prise de mesures disciplinaires à l'encontre des réviseurs d'entreprises pour les dossiers dont elle a été valablement saisie avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi. La commission de discipline effectue ces tâches de la manière prévue et selon les modalités définies au Chapitre VIII, section III, sous-sections 1, 3 et 4 de la loi précitée du 22 juillet 1953.
  § 2. Le Roi peut fixer les modalités d'exécution du présent article.
Art.148. § 1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet dient, tegen de op basis van [1 artikel 147]1 genomen beslissingen van de Tuchtcommissie, hoger beroep aanhangig te worden gemaakt bij de in artikel 63 van voornoemde wet van 22 juli 1953 bedoelde Commissie van Beroep.
  § 2. Vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet zorgt de in artikel 63 van voornoemde wet van 22 juli 1953 bedoelde Commissie van Beroep voor de verdere afhandeling van de beroepen tegen de beslissingen van de Tuchtcommissie die haar op rechtsgeldige wijze zijn voorgelegd vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet of op basis van paragraaf 1 na de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  § 3. Hoofdstuk VIII, afdeling III, onderafdelingen 2, 3 en 4, van voornoemde wet van 22 juli 1953 zijn van toepassing op de in paragrafen 1 en 2 bedoelde beroepen.
  § 4. De Koning kan de uitvoeringsmodaliteiten van dit artikel vaststellen.
  
Art.148. § 1er. A partir de la date d'entrée en vigueur de la présente loi, l'appel des décisions de la commission de discipline prises sur base de [1 l'article 147]1 est introduit auprès de la commission d'appel visée à l'article 63 de la loi précitée du 22 juillet 1953.
  § 2. A partir de la date d'entrée en vigueur de la présente loi, la commission d'appel visée à l'article 63 de la loi précitée du 22 juillet 1953 continue le traitement des appels des décisions de la commission de discipline dont elle a été valablement saisie avant la date d'entrée en vigueur de la présente loi ou sur base du paragraphe 1er après la date d'entrée en vigueur de la présente loi.
  § 3. Le Chapitre VIII, section III, sous-sections 2, 3 et 4 de la loi précitée du 22 juillet 1953 s'appliquent aux appels visés aux paragraphes 1 et 2.
  § 4. Le Roi peut fixer les modalités d'exécution du présent article.
  
Art.149. § 1. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de lopende toezichtsdossiers die door het Instituut worden behandeld, en die betrekking hebben op feiten van 2012, 2013, 2014, 2015 of 2016 aan het College overgedragen.
  Alle toezichtsdossiers die nog steeds door het Instituut worden behandeld op de datum van inwerkingtreding van deze wet, en die betrekking hebben op feiten van 2011 of eerder worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 2. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de lopende kwaliteitscontroledossiers met betrekking tot de op of na 31 december 2011 afgesloten rekeningen, die door het Instituut worden behandeld, aan het College overgedragen. Alle lopende kwaliteitscontroledossiers die op de datum van inwerkingtreding van deze wet nog steeds door het Instituut worden behandeld, en die betrekking hebben tot de vóór 31 december 2011 afgesloten rekeningen of eerder, worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 3. Het Instituut bezorgt het College alle pertinente informatie, documenten, stukken en gegevens waarover het beschikt, om het College in staat te stellen de krachtens paragrafen 1 en 2 overgedragen dossiers verder af te handelen. De Koning kan de toepassingsmodaliteiten van die verplichting bepalen.
Art.149. § 1er. A la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les dossiers de surveillance en cours de traitement par l'Institut et portant sur des faits intervenus en 2012, 2013, 2014, 2015 ou 2016 sont transférés au Collège.
  Tous les dossiers de surveillance encore en cours de traitement par l'Institut à la date d'entrée en vigueur de la présente loi et portant sur des faits intervenus en 2011 ou antérieurement sont classés d'office sans suite.
  § 2. A la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les dossiers de contrôle de qualité en cours de traitement par l'Institut portant sur les comptes clôturés au 31 décembre 2011 ou ultérieurement sont transférés au Collège. Tous les dossiers de contrôle de qualité encore en cours de traitement par l'Institut à la date d'entrée en vigueur de la présente loi portant sur les comptes clôturés avant le 31 décembre 2011 sont classés d'office sans suite.
  § 3. L'Institut transmet au Collège toutes les informations, documents, pièces et données pertinents en sa disposition afin de permettre au Collège de reprendre le traitement des dossiers qui lui sont transférés en vertu des paragraphes 1er et 2. Le Roi peut déterminer les modalités d'application de cette obligation.
Art.150. § 1. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de lopende toezichtsdossiers die door de Kamer van verwijzing en instaatstelling als bedoeld in artikel 44 van de wet van 22 juli 1953 worden behandeld, en die betrekking hebben op feiten van 2012, 2013, 2014, 2015 of 2016 aan het College overgedragen. Alle toezichtsdossiers die nog steeds door de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden behandeld op de datum van inwerkingtreding van deze wet, en die betrekking hebben op feiten van 2011 of eerder worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 2. Op de datum van inwerkingtreding van deze wet worden de kwaliteitscontroledossiers met betrekking tot de op of na 31 december 2011 afgesloten rekeningen, die door de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden behandeld, aan het College overgedragen. Alle kwaliteitscontroledossiers die op de datum van inwerkingtreding van deze wet nog steeds door de Kamer van verwijzing en instaatstelling worden behandeld, en die betrekking hebben op de vóór 31 december 2011 afgesloten rekeningen of eerder, worden ambtshalve zonder verder gevolg afgesloten.
  § 3. De Kamer van verwijzing en instaatstelling bezorgt het College alle pertinente informatie, documenten, stukken en gegevens waarover zij beschikt, om het College in staat te stellen de krachtens paragrafen 1 en 2 overgedragen dossiers verder af te handelen. De Koning kan de toepassingsmodaliteiten van die verplichting bepalen.
Art.150. § 1er. A la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les dossiers de surveillance en cours de traitement par la Chambre de renvoi et de mise en état visée à l'article 44 de la loi du 22 juillet 1953 et portant sur des faits intervenus en 2012, 2013, 2014, 2015 ou 2016 sont transférés au Collège. Tous les dossiers de surveillance encore en cours de traitement par la Chambre de renvoi et de mises en état à la date d'entrée en vigueur de la présente loi et portant sur des faits intervenus en 2011 ou antérieurement sont classés d'office sans suite.
  § 2. A la date d'entrée en vigueur de la présente loi, les dossiers de contrôle de qualité en cours de traitement par la Chambre de renvoi et de mise en état portant sur les comptes clôturés au 31 décembre 2011 ou ultérieurement sont transférés au Collège. Tous les dossiers de contrôle de qualité encore en cours de traitement par la Chambre de renvoi et de mise en état à la date d'entrée en vigueur de la présente loi ouverts en 2011 et portant sur les comptes clôturés avant le 31 décembre 2011 ou antérieurement sont classés d'office sans suite.
  § 3. La Chambre de renvoi et de mise en état transmet au Collège toutes les informations, documents, pièces et données pertinents en sa disposition afin de permettre au Collège de reprendre le traitement des dossiers qui lui sont transférés en vertu des paragraphes 1er et 2. Le Roi peut déterminer les modalités d'application de cette obligation.
Art.151. De Koning kan de verplichtingen en de modaliteiten met betrekking tot de overdracht van de afgehandelde of lopende dossiers, en van informatie, gegevens en documenten door het Instituut, de Kamer van verwijzing en instaatstelling, en de tuchtinstanties aan het College en aan de sanctiecommissie bepalen.
Art.151. Le Roi peut déterminer les obligations et modalités du transfert de dossiers clôturés ou en cours et d'informations, documents, données, par l'Institut, la Chambre de renvoi et de mise en état et les instances disciplinaires au Collège et à la commission des sanctions.
Art.152. De bepalingen van artikel 131, § 2, stellen geen einde aan de lopende mandaten van voorzitter van het auditcomité op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Deze mandaten worden verdergezet tot het verstrijken van hun oorspronkelijke termijn, onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde organen om hieraan voortijdig een einde te stellen overeenkomstig de bepalingen van het [1 Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 en van de statuten van de betrokken vennootschappen.
  
Art.152. Les dispositions de l'article 131, § 2, ne mettent pas fin aux mandats de président du comité d'audit en cours à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  Ces mandats se poursuivent jusqu'à l'expiration de leur terme initial, sans préjudice de la possibilité pour les organes compétents d'y mettre fin anticipativement conformément aux dispositions du [1 Code des sociétés et des associations]1 et des statuts des sociétés concernées.
  
Art.153. De bepalingen van artikel 133 stellen geen einde aan de lopende mandaten van lid of van voorzitter van het auditcomité van kredietinstellingen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Deze mandaten worden verdergezet tot het verstrijken van hun oorspronkelijke termijn, onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde organen om hieraan voortijdig een einde te stellen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, van het [1 Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 en van de statuten van de betrokken vennootschappen.
  
Art.153. Les dispositions de l'article 133 ne mettent pas fin aux mandats de membre ou de président du comité d'audit au sein des établissements de crédit en cours à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  Ces mandats se poursuivent jusqu'à l'expiration de leur terme initial, sans préjudice de la possibilité pour les organes compétents d'y mettre fin anticipativement conformément aux dispositions de la présente loi, du [1 Code des sociétés et des associations]1 et des statuts des sociétés concernées.
  
Art.154. De bepalingen van artikel 138 stellen geen einde aan de lopende mandaten van lid of van voorzitter van het auditcomité van verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen op de datum van inwerkingtreding van deze wet.
  Deze mandaten worden verdergezet tot het verstrijken van hun oorspronkelijke termijn, onverminderd de mogelijkheid voor de bevoegde organen om hieraan voortijdig een einde te stellen overeenkomstig de bepalingen van deze wet, van het [1 Wetboek van vennootschappen en verenigingen]1 en van de statuten van de betrokken vennootschappen.
  
Art.154. Les dispositions de l'article 138 ne mettent pas fin aux mandats de membre ou de président du comité d'audit au sein des entreprises d'assurances et de réassurances en cours à la date de l'entrée en vigueur de la présente loi.
  Ces mandats se poursuivent jusqu'à l'expiration de leur terme initial, sans préjudice de la possibilité pour les organes compétents d'y mettre fin anticipativement conformément aux dispositions de la présente loi, du [1 Code des sociétés et des associations]1 et des statuts des sociétés concernées.
  
Art.155. De reserves gehouden door het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris beschikbaar op datum van 31 december 2015 worden doorgestort naar de schatkist.
  De gelden die vanaf 1 januari 2016 tot het in werking treden van deze wet aan het Advies- en controlecomité op de onafhankelijkheid van de commissaris gestort werden, worden overgedragen aan de Commissie voor Boekhoudkundige Normen.
Art.155. Les fonds qui sont détenus par le Comité d'avis et de contrôle de l'indépendance du commissaire à la date du 31 décembre 2015 sont versés au trésor.
  Les sommes collectées par le Comité d'avis et de contrôle de l'indépendance du commissaire à partir du 1er janvier 2016 jusqu'en l'entrée en vigueur de la présente loi sont versées à la Commission des Normes comptables.
Art. 156. § 1. Deze wet treedt in werking op een door de Koning vastgestelde datum, en uiterlijk op 31 december 2016.
  § 2. In afwijking van paragraaf 1 zijn de volgende specifieke bepalingen van toepassing met betrekking tot artikel 144, § 1, tweede en derde lid, en § 2 en artikel 145, 3° :
  1° artikel 144, § 1, tweede lid, treedt in werking op 31 december 2016;
  2° artikel 144, § 2, treedt in werking op de dag waarop deze wet in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
  3° artikel 144, § 1, derde lid en artikel 145, 3°, treden in werking op de door de Koning vastgestelde datum.
Art. 156. § 1er. La présente loi entre en vigueur à une date fixée par le Roi, et au plus tard le 31 décembre 2016.
  § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les dispositions particulières suivantes s'appliquent en ce qui concerne l'article 144, § 1er, alinéa 2 et 3 et § 2 et l'article 145, 3° :
  1° l'article 144, § 1er, alinéa 2, entre en vigueur le 31 décembre 2016;
  2° l'article 144, § 2, entre en vigueur le jour de la publication de la présente loi au Moniteur belge.
  3° l'article 144, § 1er, alinéa 3 et l'article 145, 3° entrent en vigueur à une date fixée par le Roi.