Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 MAART 2016. - Koninklijk besluit tot wijziging van het koninklijk besluit van 10 januari 1999 betreffende een steekproefenquête naar de arbeidskrachten
Titre
25 MARS 2016. - Arrêté royal modifiant l'arrêté royal du 10 janvier 1999 relatif à l'organisation d'une enquête par sondage sur les forces de travail
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
Table des matières
Tekst (9)
Texte (9)
Artikel 1. Artikel 3 van het koninklijk besluit van 10 januari 1999 betreffende een steekproefenquête naar de arbeidskrachten wordt vervangen als volgt :
  "Art. 3. De categorieën van de te verstrekken inlichtingen zijn opgenomen in de verordening (EG) nr. 577/98 van de Raad van 9 maart 1998 betreffende de organisatie van een steekproefenquête naar de arbeidskrachten in de Gemeenschap.".
Article 1er. L'article 3 de l'arrêté royal du 10 janvier 1999 relatif à l'organisation d'une enquête par sondage sur les forces de travail est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 3. Les catégories de renseignements à fournir sont reprises dans le règlement (CE) n° 577/98 du Conseil du 9 mars 1998 relatif à l'organisation d'une enquête par sondage sur les forces de travail dans la Communauté. ".
Art.2. Artikel 4 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  "Art. 4. Procedure
  De enquête bestaat uit vier bevragingen :
  a)Voor de eerste bevraging worden de inlichtingen verzameld via een face-to-face-interview via een enquêteur;
  b) De drie volgende bevragingen kunnen gebeuren via telefoon of web.".
Art.2. L'article 4 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 4. Procédure
  L'enquête comprend quatre interrogations :
  a)Pour la première interrogation, les renseignements sont recueillis par entretien en face à face par un enquêteur;
  b) Les trois interrogations suivantes peuvent se faire par téléphone ou web. ".
Art.3. Artikel 6 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt :
  "Art. 6. De bijlage bij dit besluit kan worden gewijzigd door de minister bevoegd voor de Statistiek.".
Art.3. L'article 6 du même arrêté est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 6. L'annexe du présent arrêté peut être modifiée par le Ministre ayant la statistique dans ses attributions. ".
Art.4. In hetzelfde besluit wordt bijlage 1, vervangen bij het ministerieel besluit van 4 juli 2006, vervangen door de bij dit besluit gevoegde bijlage 1.
Art.4. Dans le même arrêté, l'annexe 1, remplacée par l'arrêté ministériel du 4 juillet 2006, est remplacée par l'annexe 1re jointe au présent arrêté.
Art.5. In hetzelfde besluit wordt bijlage 2, vervangen bij het ministerieel besluit van 4 juli 2006, opgeheven.
Art.5. Dans le même arrêté, l'annexe 2, remplacée par l'arrêté ministériel du 4 juillet 2006, est abrogée.
Art.6. Dit besluit treedt in werking op 1 april 2016.
Art.6. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er avril 2016.
Art.7. De minister bevoegd voor Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.7. Le ministre ayant l'Economie dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N1. Bijlage 1. - Steekproefplan voor de enquête naar de arbeidskrachten vanaf 1 april 2016
  1. Inleiding
  De vernieuwde enquête naar de arbeidskrachten is een infra-jaarlijks roterend panelonderzoek : ieder kwartaal wordt een nieuwe steekproef van huishoudens getrokken, die in een tijdspanne van anderhalf jaar vier keer zullen bevraagd worden. Elk kwartaal wordt een kwart van de steekproef vernieuwd. De steekproef die voor elk kwartaal wordt getrokken zal hierna rotatiegroep worden genoemd.
  2. Steekproef- en observatie-eenheden, en steekproefkaders
  De uiteindelijk bevraagde eenheden, of observatie-eenheden, zijn individuen, waarvan in het bijzonder deze in de leeftijdsklasse van 15 t.e.m. 74 jaar van belang zijn voor de enquête naar de arbeidskrachten. De individuen worden in clusters geselecteerd : de huishoudens zoals bepaald in het K.B.
  De verkiesbare huishoudens, die samen het steekproefkader van huishoudens vormen, zijn private huishoudens waarvan minstens één lid tot de leeftijdsklasse 15-76 behoort. De bovengrens, 76 jaar, van deze klasse is een parameter die bepaald wordt enerzijds door de doelstellingen van de enquête, en anderzijds door praktische en budgettaire beperkingen. Deze parameter kan in de toekomst worden opgetrokken, maar zal zeker niet verlaagd worden.
  Omdat voor de eerste bevraging de geselecteerde huishoudens door enquêteurs worden gecontacteerd en geïnterviewd, dienen de woonplaatsen van de aan eenzelfde enquêteur toegewezen huishoudens geografisch geconcentreerd te zijn. Dit leidt tot een tweetrapssteekproef : in de eerste trap worden geografische eenheden, de primaire steekproefeenheden (PSE's), geselecteerd, waarna in de tweede trap huishoudens, de secundaire steekproefeenheden (SSE's), worden geselecteerd.
  Het steekproefkader van PSE's in de eerste trap is een lijst van geografische eenheden die de zgn. wijken ("statistische secties"), of groeperingen hiervan binnen deelgemeenten ("statistische letters"), zijn. Elke PSE bevat een aantal private huishoudens (SSE's) dat voldoende is om minstens één zgn. groep van huishoudens te vormen; dit aantal is de grootte van de PSE. Elke groep van huishoudens wordt in zijn geheel aan een enkele enquêteur toegewezen, en moet om organisatorische redenen een bepaald aantal huishoudens, de zgn. groepsgrootte, bevatten. De groepsgrootte en het totaal aantal te selecteren huishoudens, bepalen het aantal te selecteren PSE's.
  3. Trekking van geografische eenheden of PSE's
  In trap 1 wordt een gestratificeerde systematische trekking (met aselect startpunt) van PSE's toegepast op een naar grootte van de PSE's gerangschikt steekproefkader.
  De stratificatie van de PSE's is gebaseerd op de NUTS 2-indeling van het Rijk. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de provincies behalve Luik, vormen elk een stratum. De provincie Luik wordt verdeeld in twee strata, die overeenkomen met respectievelijk de Franstalige gemeenten en de Duitstalige gemeenten. Er wordt dus met 12 strata gewerkt.
  De PSE's in elk stratum worden geselecteerd met selectiekansen die evenredig zijn aan de grootte van de PSE's. De grotere PSE's kunnen op deze manier meerdere keren worden geselecteerd; m.a.w. met een PSE kunnen eventueel meerdere selecties overeenkomen.
  De verschillende selecties van PSE's, die na trekking van de huishoudens (zie punt 4 hieronder) overeenkomen met de verschillende groepen van huishoudens, worden uniform gespreid over de referentieweken. Meerdere selecties van eenzelfde primaire eenheid worden maximaal over de kwartalen verdeeld. De geselecteerde PSE's voor de vier rotatiegroepen die gedurende een gegeven kwartaal bevraagd worden, moeten voldoende representatief zijn.
  4. Selectie van huishoudens of SSE's
  In de tweede trap wordt in elke geselecteerde PSE een aantal huishoudens (SSE's) getrokken dat gelijk is aan het product van het aantal keren dat de PSE werd geselecteerd en de groepsgrootte voor die PSE. De selectie gebeurt op systematische wijze, met aselect startpunt, in een gepast gerangschikt steekproefkader van huishoudens; ieder verkiesbaar huishouden in eenzelfde PSE heeft dezelfde selectiekans.
  De in een PSE geselecteerde huishoudens worden aselect en uniform verdeeld over de huishoudgroepen in die PSE.
  5. De parameters van het steekproefplan
  De parameters van het steekproefplan, zoals het aantal PSE-selecties (m.a.w. het aantal groepen van huishoudens) per stratum, de groepsgrootte (in functie van het stratum), en bijgevolg het totaal aantal geselecteerde huishoudens per rotatiegroep, worden bepaald rekening houdend met diverse factoren. Tot deze factoren behoren enerzijds kwaliteitscriteria zoals representativiteit van de geselecteerde huishoudens en hun leden, en precisie van de schattingen, en anderzijds de talrijke doelstellingen van de enquête. Dergelijke factoren stuwen de genoemde parameters de hoogte in. Anderzijds zullen budgettaire beperkingen en het evenredigheidsprincipe die parameters binnen redelijke grenzen houden.
  Zoals bij alle enquêtes zal rekening gehouden worden met non-respons en panelattritie. Dat kan tot gevolg hebben dat de genoemde parameters bij elke nieuwe trekking van een rotatiegroep moeten aangepast worden.
Art. N1. Annexe 1. - Plan de sondage pour l'enquête sur les forces de travail à partir du 1er avril 2016
  1. Introduction
  La nouvelle enquête sur les forces de travail est une enquête par panel avec rotation infra-annuelle : on procède chaque trimestre au tirage d'un nouvel échantillon de ménages, qui seront interrogés quatre fois sur une période d'un an et demi. Un quart de l'échantillon est renouvelé chaque trimestre. L'échantillon qui est tiré chaque trimestre est appelé ci-après groupe de rotation.
  2. Unités d'échantillonnage et d'observations, et bases de sondage
  Les unités finalement interrogées, les unités d'observation, sont des individus, parmi lesquels les personnes de la classe d'âge de 15 à 74 ans en particulier sont importantes pour l'enquête sur les forces de travail. Les individus sont sélectionnés dans des clusters : les ménages comme stipulé dans l'A.R.
  Les ménages éligibles, qui ensemble constituent la base de sondage des ménages, sont des ménages privés dont au moins un membre est âgé de 15 à 76 ans. La limite supérieure de cette classe, 76 ans, est un paramètre déterminé par les objectifs de l'enquête, d'une part, et les limites pratiques et budgétaires, d'autre part. Ce paramètre pourrait être revu à la hausse à l'avenir, mais ne sera certainement pas abaissé.
  Etant donné que, lors de la première interrogation, les ménages sélectionnés sont contactés et interviewés par des enquêteurs, les lieux de résidence des ménages attribués à un même enquêteur doivent être concentrés géographiquement. Cela implique un échantillon à deux degrés : les unités géographiques, les unités primaires d'échantillonnage (UPE), sont sélectionnées à la première étape, tandis que les ménages, les unités secondaires d'échantillonnage (USE), sont sélectionnés à la deuxième étape.
  La base de sondage des UPE à la première étape se compose d'une liste d'unités géographiques qui sont des quartiers ("sections statistiques") ou des regroupements de ces quartiers au sein des localités ("lettres statistiques"). Chaque UPE contient un nombre de ménages privés (USE) suffisant pour former au moins un groupe de ménages; ce nombre représente la taille de l'UPE. Chaque groupe de ménages est attribué dans son ensemble à un seul enquêteur et doit, pour des raisons organisationnelles, contenir un certain nombre de ménages, ce qu'on appelle la taille du groupe. La taille du groupe et le nombre total de ménages à sélectionner, déterminent le nombre d'UPE à sélectionner.
  3. Tirage des unités géographiques ou UPE.
  A la première étape, un tirage systématique stratifié (avec un point de départ aléatoire) des UPE est appliqué à une base de sondage triée selon la taille des UPE.
  La stratification des UPE se base sur la subdivision du Royaume selon la classification NUTS 2. La Région de Bruxelles-Capitale et les provinces, hormis celle de Liège, constituent chacune une strate. La province de Liège est divisée en deux strates qui correspondent respectivement aux communes francophones et germanophones. On travaille donc avec 12 strates.
  Les UPE de chaque strate sont sélectionnées avec des probabilités de sélection proportionnelles à la taille des UPE. De cette manière, les UPE de plus grande taille peuvent être sélectionnées plusieurs fois; en d'autres termes, une UPE peut éventuellement correspondre à plusieurs sélections.
  Les différentes sélections d'UPE, qui après tirage des ménages (voir point 4 ci-dessous) correspondent aux différents groupes de ménages, sont réparties de manière uniforme entre les semaines de référence. Plusieurs sélections d'une même unité primaire sont réparties au maximum entre les trimestres. Les UPE sélectionnées pour les quatre groupes de rotation qui sont interrogées pendant un trimestre donné, doivent être suffisamment représentatives.
  4. Sélection des ménages ou USE
  A la deuxième étape, on sélectionne, dans chaque UPE tirée, un nombre de ménages (USE) qui est égal au produit du nombre de fois que l'UPE a été sélectionnée et de la taille du groupe pour cette UPE. La sélection s'effectue de manière systématique, avec un point de départ aléatoire, dans une base de sondage de ménages triée de façon adéquate; chaque ménage éligible au sein d'une même UPE a la même probabilité de sélection.
  Les ménages sélectionnés dans une UPE sont répartis de manière aléatoire et uniforme entre les groupes de ménages au sein de cette UPE.
  5. Les paramètres du plan de sondage
  Les paramètres du plan de sondage, comme le nombre de sélections d'UPE (en d'autres termes, le nombre de groupes de ménages) par strate, la taille du groupe (en fonction de la strate) et dès lors le nombre total de ménages sélectionnés par groupe de rotation, sont définis en prenant divers facteurs en compte. Ces facteurs comprennent d'une part des critères de qualité, comme la représentativité des ménages sélectionnés et de leurs membres, et la précision des estimations, et d'autres part les nombreux objectifs de l'enquête. Ces facteurs augmentent fortement les paramètres mentionnés. D'un autre côté, les limites budgétaires et le principe de proportionnalité maintiendront ces paramètres dans des limites raisonnables.
  Comme pour toutes les enquêtes, il sera tenu compte de la non réponse et de l'attrition du panel. Cela peut avoir pour conséquence que les paramètres mentionnés doivent être adaptés à chaque nouveau tirage d'un groupe de rotation.