Artikel 1. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
1° de Dienst : de Dienst voor de Intellectuele Eigendom bij de Federale Overheidsdienst Economie;
2° de minister : de minister bevoegd voor intellectuele eigendom;
3° de Verdragsluitende partij : een Staat of een intergouvernementele organisatie die lid is van de Internationale Unie tot bescherming van kweekproducten, hierna UPOV genoemd;
4° de dienst van een Verdragsluitende partij : de met de verlening van kwekersrechten belaste dienst van die Verdragsluitende partij;
5° een genetisch gemodificeerd organisme : een organisme, met uitzondering van menselijke wezens, waarvan het genetische materiaal veranderd is op een wijze welke van nature door voortplanting en/of door natuurlijke recombinatie niet mogelijk is.
Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
12 MEI 2015. - Koninklijk besluit ter uitvoering van de bepalingen betreffende het kwekersrecht van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek XI, "Intellectuele eigendom" in het Wetboek van economisch recht en houdende invoeging van bepalingen eigen aan boek XI in de boeken I, XV en XVII van hetzelfde Wetboek(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-06-2015 en tekstbijwerking tot 15-02-2023)
Titre
12 MAI 2015. - Arrêté royal relatif à la mise en oeuvre des dispositions relatives au droit d'obtenteur de la loi du 19 avril 2014 portant insertion du livre XI, " Propriété intellectuelle " dans le Code de droit économique et portant insertion des dispositions propres au livre XI dans les livres I, XV et XVII du même Code(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-06-2015 et mise à jour au 15-02-2023)
Informations sur le document
Numac: 2015011211
Datum: 2015-05-12
Info du document
Numac: 2015011211
Date: 2015-05-12
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de Dienst
Afdeling 1. - De aanvraag
Afdeling 2. - Onderzoek van de aanvraag
Afdeling 3. - Rasbenaming
Afdeling 4. - Technisch onderzoek en bezwaren
Afdeling 5. - Wijziging van de rasbenaming
Afdeling 6. - Bijhouden van het register en ope...
Afdeling 7. - Vergoedingen en taksen
HOOFDSTUK 3. - Materieel recht
Afdeling 1. - Verval van het kwekersrecht
Afdeling 2. - Overdracht van eigendom
Afdeling 3. - Licenties
HOOFDSTUK 4. - Afwijking van het kwekersrecht
HOOFDSTUK 5. - De Raad voor het kwekersrecht en...
Afdeling 1. - De Raad voor het kwekersrecht
Afdeling 2. - De Commissie voor de gedwongen li...
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
BIJLAGE.
Table des matières
CHAPITRE 1er. . - Dispositions générales
CHAPITRE 2. - Procédure devant l'Office
Section 1re. - La demande
Section 2. - Examen de la demande
Section 3. - Dénomination variétale
Section 4. - Examen technique et objections
Section 5. - Modification de la dénomination va...
Section 6. - Tenue du registre et inspection pu...
Section 7. - Redevances et taxes
CHAPITRE 3. - Droit matériel
Section 1re. - Déchéance du droit d'obtenteur
Section 2. - Transfert de propriété
Section 3. - Licences
CHAPITRE 4. - Dérogation au droit d'obtenteur
CHAPITRE 5. - Le Conseil du droit d'obtenteur e...
Section 1. . - Le Conseil du droit d'obtenteur
Section 2. - La Commission des licences obligat...
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
ANNEXE.
Tekst (73)
Texte (73)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. . - Dispositions générales
Article 1er. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
1° l'Office : l'Office de la Propriété Intellectuelle auprès du Service public fédéral Economie;
2° le ministre : le ministre qui a la propriété intellectuelle dans ses attributions;
3° la Partie contractante : un Etat ou une organisation intergouvernementale membre de l'Union internationale pour la protection des obtentions végétales, dénommée ci-après UPOV;
4° le service d'une Partie contractante : le service chargé d'octroyer des droits d'obtenteur de cette Partie contractante;
5° un organisme génétiquement modifié : un organisme, à l'exception des êtres humains, dont le matériel génétique a été modifié d'une manière qui ne s'effectue pas naturellement, par multiplication et/ou recombinaison naturelle.
1° l'Office : l'Office de la Propriété Intellectuelle auprès du Service public fédéral Economie;
2° le ministre : le ministre qui a la propriété intellectuelle dans ses attributions;
3° la Partie contractante : un Etat ou une organisation intergouvernementale membre de l'Union internationale pour la protection des obtentions végétales, dénommée ci-après UPOV;
4° le service d'une Partie contractante : le service chargé d'octroyer des droits d'obtenteur de cette Partie contractante;
5° un organisme génétiquement modifié : un organisme, à l'exception des êtres humains, dont le matériel génétique a été modifié d'une manière qui ne s'effectue pas naturellement, par multiplication et/ou recombinaison naturelle.
Art.2. De indiening van mededelingen bij de Dienst in het kader van de wet en haar uitvoeringsbesluiten, gebeurt schriftelijk.
Art.2. Le dépôt des communications à l'Office dans le cadre de la loi et de ses arrêtés d'exécution se fait par écrit.
Art.2/1. [1 § 1. Ten aanzien van de geadresseerde en behoudens andersluidende bepaling, worden de wettelijke of reglementaire termijnen die bij of krachtens boek XI, titel 3, van het Wetboek van economisch recht zijn vastgesteld en die ingaan vanaf een kennisgeving of een uitnodiging van de Dienst, als volgt berekend:
1° wanneer de Dienst een aangetekende brief per post verzendt, vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de aangetekende brief bij de postdiensten werd bezorgd;
2° wanneer de Dienst een aangetekende brief verzendt via een dienst van gekwalificeerde elektronisch aangetekende zending, vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de brief via de dienst van gekwalificeerde elektronisch aangetekende zending ter beschikking van de geadresseerde is gesteld.
§ 2. De geadresseerde kan bewijzen dat de kennisgeving of de uitnodiging van de Dienst op een latere datum dan de in paragraaf 1 vermelde datum gebeurde, in welk geval de betrokken termijn op die latere datum ingaat.]1
1° wanneer de Dienst een aangetekende brief per post verzendt, vanaf de derde werkdag die volgt op de dag waarop de aangetekende brief bij de postdiensten werd bezorgd;
2° wanneer de Dienst een aangetekende brief verzendt via een dienst van gekwalificeerde elektronisch aangetekende zending, vanaf de eerste werkdag die volgt op de dag waarop de brief via de dienst van gekwalificeerde elektronisch aangetekende zending ter beschikking van de geadresseerde is gesteld.
§ 2. De geadresseerde kan bewijzen dat de kennisgeving of de uitnodiging van de Dienst op een latere datum dan de in paragraaf 1 vermelde datum gebeurde, in welk geval de betrokken termijn op die latere datum ingaat.]1
Art.2/1. [1 § 1er. A l'égard du destinataire et sauf disposition contraire, les délais légaux ou règlementaires prévus par ou en vertu du livre XI, titre 3, du Code de droit économique qui commencent à courir à partir d'une notification ou invitation de l'Office sont calculés comme suit :
1° lorsque l'Office envoie un courrier recommandé par la poste, à compter du troisième jour ouvrable qui suit la remise du courrier recommandé aux services de la poste ;
2° lorsque l'Office envoie un courrier recommandé par un service d'envoi recommandé électronique qualifié, à compter du premier jour ouvrable qui suit la mise à disposition du destinataire du courrier dans le service d'envoi recommandé électronique qualifié.
§ 2. Le destinataire peut apporter la preuve que la notification ou invitation de l'Office a été effectuée à une date postérieure à la date visée au paragraphe 1er, auquel cas le délai en cause commence à courir à partir de cette date ultérieure.]1
1° lorsque l'Office envoie un courrier recommandé par la poste, à compter du troisième jour ouvrable qui suit la remise du courrier recommandé aux services de la poste ;
2° lorsque l'Office envoie un courrier recommandé par un service d'envoi recommandé électronique qualifié, à compter du premier jour ouvrable qui suit la mise à disposition du destinataire du courrier dans le service d'envoi recommandé électronique qualifié.
§ 2. Le destinataire peut apporter la preuve que la notification ou invitation de l'Office a été effectuée à une date postérieure à la date visée au paragraphe 1er, auquel cas le délai en cause commence à courir à partir de cette date ultérieure.]1
Modifications
Art.3. § 1. Eenieder mag een volmacht indienen die een gemachtigde toelaat één of meer handelingen te stellen voor de Dienst met betrekking tot één of meerdere kwekersrechtzaken die hem betreffen.
De volmacht wordt in origineel bij de Dienst neergelegd.
De aanduiding van een groep van gemachtigden wordt geacht een vertegenwoordigingsvolmacht toe te kennen aan elke gemachtigde die kan aantonen dat hij zijn activiteiten uitoefent binnen deze groep.
Elke aanduiding van een gemachtigde moet aan de Dienst worden meegedeeld. Deze mededeling vermeldt de naam en het adres van de gemachtigde en van de aanvrager die hem aanduidt.
§ 2. Wanneer niet aan de bepalingen van paragraaf 1 is voldaan, wordt de mededeling geacht niet te zijn ontvangen.
§ 3. Wanneer de volmacht van een gemachtigde afloopt, behoudt hij zijn hoedanigheid van gemachtigde, totdat aan de Dienst wordt meegedeeld dat zijn volmacht is beëindigd. Behoudens strijdige bepalingen in de volmacht, eindigt deze echter ten aanzien van de Dienst bij het overlijden van de volmachtgever.
§ 4. Wanneer er meerdere partijen in de procedure zijn die gezamenlijk optreden, wordt, indien zij geen aanduiding van een gemachtigde aan de Dienst hebben meegedeeld, de partij die in de aanvraag van een kwekersrecht of in een door de minister te verlenen licentie tot exploitatie of in een bezwaarschrift als eerste wordt genoemd, geacht als gemachtigde van de andere partij of partijen in de procedure te zijn aangesteld.
De volmacht wordt in origineel bij de Dienst neergelegd.
De aanduiding van een groep van gemachtigden wordt geacht een vertegenwoordigingsvolmacht toe te kennen aan elke gemachtigde die kan aantonen dat hij zijn activiteiten uitoefent binnen deze groep.
Elke aanduiding van een gemachtigde moet aan de Dienst worden meegedeeld. Deze mededeling vermeldt de naam en het adres van de gemachtigde en van de aanvrager die hem aanduidt.
§ 2. Wanneer niet aan de bepalingen van paragraaf 1 is voldaan, wordt de mededeling geacht niet te zijn ontvangen.
§ 3. Wanneer de volmacht van een gemachtigde afloopt, behoudt hij zijn hoedanigheid van gemachtigde, totdat aan de Dienst wordt meegedeeld dat zijn volmacht is beëindigd. Behoudens strijdige bepalingen in de volmacht, eindigt deze echter ten aanzien van de Dienst bij het overlijden van de volmachtgever.
§ 4. Wanneer er meerdere partijen in de procedure zijn die gezamenlijk optreden, wordt, indien zij geen aanduiding van een gemachtigde aan de Dienst hebben meegedeeld, de partij die in de aanvraag van een kwekersrecht of in een door de minister te verlenen licentie tot exploitatie of in een bezwaarschrift als eerste wordt genoemd, geacht als gemachtigde van de andere partij of partijen in de procedure te zijn aangesteld.
Art.3. § 1er. Toute personne peut déposer un pouvoir autorisant un mandataire à accomplir un ou plusieurs actes devant l'Office concernant une ou plusieurs affaires de droit d'obtenteur la concernant.
Le pouvoir est déposé en original à l'Office.
La désignation d'un groupement de mandataires est réputée conférer pouvoir d'agir à tout mandataire qui peut prouver qu'il exerce au sein du groupement.
Toute désignation d'un mandataire est communiquée à l'Office. La communication mentionne les nom et adresse du mandataire et du demandeur qui effectue cette désignation.
§ 2. En cas d'inobservation des dispositions du paragraphe 1er, la communication est réputée ne pas avoir été reçue.
§ 3. Un mandataire dont le mandat prend fin conserve sa qualité de mandataire jusqu'à ce que la fin de son mandat ait été notifiée à l'Office. Toutefois, sous réserve de clauses contraires du mandat, celui-ci prend fin pour l'Office lors du décès du mandant.
§ 4. Si plusieurs parties à la procédure et agissant en commun n'ont pas notifié la désignation d'un mandataire à l'Office, la partie à la procédure première nommée sur une demande de droit d'obtenteur ou une licence d'exploitation à accorder par le ministre ou dans une objection, est réputée être désignée comme mandataire de l'autre ou des autres parties à la procédure.
Le pouvoir est déposé en original à l'Office.
La désignation d'un groupement de mandataires est réputée conférer pouvoir d'agir à tout mandataire qui peut prouver qu'il exerce au sein du groupement.
Toute désignation d'un mandataire est communiquée à l'Office. La communication mentionne les nom et adresse du mandataire et du demandeur qui effectue cette désignation.
§ 2. En cas d'inobservation des dispositions du paragraphe 1er, la communication est réputée ne pas avoir été reçue.
§ 3. Un mandataire dont le mandat prend fin conserve sa qualité de mandataire jusqu'à ce que la fin de son mandat ait été notifiée à l'Office. Toutefois, sous réserve de clauses contraires du mandat, celui-ci prend fin pour l'Office lors du décès du mandant.
§ 4. Si plusieurs parties à la procédure et agissant en commun n'ont pas notifié la désignation d'un mandataire à l'Office, la partie à la procédure première nommée sur une demande de droit d'obtenteur ou une licence d'exploitation à accorder par le ministre ou dans une objection, est réputée être désignée comme mandataire de l'autre ou des autres parties à la procédure.
Art.4. § 1. Wanneer de aanduiding van een gemachtigde aan de Dienst wordt meegedeeld, moet de ondertekende volmacht die hiertoe vereist is, worden ingediend binnen een termijn van twee maanden vanaf de mededeling van de aanduiding. Op een met redenen omkleed verzoek, kan de Dienst één enkele verlenging van twee maanden toestaan. Wanneer de volmacht niet tijdig wordt ingediend, worden de door de gemachtigde verrichte handelingen geacht zich niet te hebben voorgedaan.
§ 2. De volmacht kan voor één of meer procedures worden verstrekt en moet in een overeenstemmend aantal exemplaren worden ingediend.
Er kan ook een algemene volmacht worden verstrekt die de gemachtigde toelaat om de volmachtgever in alle procedures die hem aanbelangen, te vertegenwoordigen. De aangestelde gemachtigde moet voor elke procedure binnen twee maanden een afschrift van deze algemene volmacht voorleggen.
§ 3. De Dienst kan bepalen welke gegevens de volmacht, met inbegrip van de in paragraaf 2 bedoelde algemene volmacht, moet bevatten en stelt daarvoor kosteloos formulieren van deze volmacht ter beschikking van de belanghebbenden.
§ 2. De volmacht kan voor één of meer procedures worden verstrekt en moet in een overeenstemmend aantal exemplaren worden ingediend.
Er kan ook een algemene volmacht worden verstrekt die de gemachtigde toelaat om de volmachtgever in alle procedures die hem aanbelangen, te vertegenwoordigen. De aangestelde gemachtigde moet voor elke procedure binnen twee maanden een afschrift van deze algemene volmacht voorleggen.
§ 3. De Dienst kan bepalen welke gegevens de volmacht, met inbegrip van de in paragraaf 2 bedoelde algemene volmacht, moet bevatten en stelt daarvoor kosteloos formulieren van deze volmacht ter beschikking van de belanghebbenden.
Art.4. § 1er. Lorsque la désignation d'un mandataire est communiquée à l'Office, le pouvoir signé nécessaire à cette fin est déposé dans un délai de deux mois à dater de la communication de la désignation. Sur demande motivée, l'Office peut accorder une seule prolongation de deux mois. Si le pouvoir n'est pas déposé en temps voulu, les actes accomplis par le mandataire sont réputés non avenus.
§ 2. Le pouvoir peut concerner une ou plusieurs procédures et doit être fourni en un nombre correspondant d'exemplaires.
Un pouvoir général habilitant un mandataire à représenter son mandant dans toutes les procédures qui le concernent peut aussi être déposé. Le mandataire constitué doit fournir une copie de ce pouvoir général pour chaque procédure dans un délai de deux mois.
§ 3. L'Office peut définir le contenu des pouvoirs, y compris le pouvoir général mentionné au paragraphe 2, et remet gratuitement aux intéressés des formulaires de ces pouvoirs.
§ 2. Le pouvoir peut concerner une ou plusieurs procédures et doit être fourni en un nombre correspondant d'exemplaires.
Un pouvoir général habilitant un mandataire à représenter son mandant dans toutes les procédures qui le concernent peut aussi être déposé. Le mandataire constitué doit fournir une copie de ce pouvoir général pour chaque procédure dans un délai de deux mois.
§ 3. L'Office peut définir le contenu des pouvoirs, y compris le pouvoir général mentionné au paragraphe 2, et remet gratuitement aux intéressés des formulaires de ces pouvoirs.
HOOFDSTUK 2. - Procedure voor de Dienst
CHAPITRE 2. - Procédure devant l'Office
Afdeling 1. - De aanvraag
Section 1re. - La demande
Art.5. § 1. De aanvraag voor een kwekersrecht wordt ingediend bij de Dienst.
Voor het neerleggen van een aanvraag voor een kwekersrecht stelt de Dienst kosteloos een aanvraagformulier en een technische vragenlijst waarvan hij het model vaststelt, ter beschikking.
§ 2. De neerlegging geschiedt hetzij door de aanvrager, hetzij door een gemachtigde die woonachtig is op het grondgebied van de Europese Unie of er een werkelijke vestiging heeft.
De natuurlijke personen en de rechtspersonen die woonplaats noch werkelijke vestiging in een lidstaat van de Europese Unie hebben, moeten, om voor de Dienst op te treden, vertegenwoordigd worden door een gemachtigde die woonachtig is in een lidstaat van de Europese Unie of er een werkelijke vestiging heeft, en door zijn tussenkomst optreden.
De indiening gebeurt hetzij in persoon, hetzij per post, hetzij per fax. In dit laatste geval dient het originele exemplaar door de Dienst ontvangen te worden binnen de 14 dagen na de ontvangst van de fax.
Voor het neerleggen van een aanvraag voor een kwekersrecht stelt de Dienst kosteloos een aanvraagformulier en een technische vragenlijst waarvan hij het model vaststelt, ter beschikking.
§ 2. De neerlegging geschiedt hetzij door de aanvrager, hetzij door een gemachtigde die woonachtig is op het grondgebied van de Europese Unie of er een werkelijke vestiging heeft.
De natuurlijke personen en de rechtspersonen die woonplaats noch werkelijke vestiging in een lidstaat van de Europese Unie hebben, moeten, om voor de Dienst op te treden, vertegenwoordigd worden door een gemachtigde die woonachtig is in een lidstaat van de Europese Unie of er een werkelijke vestiging heeft, en door zijn tussenkomst optreden.
De indiening gebeurt hetzij in persoon, hetzij per post, hetzij per fax. In dit laatste geval dient het originele exemplaar door de Dienst ontvangen te worden binnen de 14 dagen na de ontvangst van de fax.
Art.5. § 1er. La demande de droit d'obtenteur est déposée à l'Office.
Aux fins du dépôt de la demande de droit d'obtenteur, l'Office met gratuitement à disposition un formulaire de demande et un questionnaire d'ordre technique dont il fixe le modèle.
§ 2. Le dépôt est fait soit par le demandeur, soit par un mandataire domicilié ou ayant un établissement effectif sur le territoire de l'Union européenne.
Les personnes physiques et morales qui n'ont ni domicile ni établissement effectif dans un Etat membre de l'Union européenne doivent, pour agir devant l'Office, être représentées par un mandataire domicilié ou ayant un établissement effectif dans un Etat membre de l'Union européenne et agir par son entremise.
Le dépôt est effectué soit en personne, soit par envoi postal, soit par fax. Dans ce dernier cas, l'exemplaire original doit parvenir à l'Office endéans les 14 jours calendrier, à compter de la date de réception du fax.
Aux fins du dépôt de la demande de droit d'obtenteur, l'Office met gratuitement à disposition un formulaire de demande et un questionnaire d'ordre technique dont il fixe le modèle.
§ 2. Le dépôt est fait soit par le demandeur, soit par un mandataire domicilié ou ayant un établissement effectif sur le territoire de l'Union européenne.
Les personnes physiques et morales qui n'ont ni domicile ni établissement effectif dans un Etat membre de l'Union européenne doivent, pour agir devant l'Office, être représentées par un mandataire domicilié ou ayant un établissement effectif dans un Etat membre de l'Union européenne et agir par son entremise.
Le dépôt est effectué soit en personne, soit par envoi postal, soit par fax. Dans ce dernier cas, l'exemplaire original doit parvenir à l'Office endéans les 14 jours calendrier, à compter de la date de réception du fax.
Art.6. § 1. Wanneer de Dienst een aanvraag ontvangt, kent hij er een nummer aan toe. Hij noteert dit nummer op de stukken die bij de aanvraag gevoegd zijn, alsook de datum van ontvangst ervan door de Dienst.
§ 2. De Dienst levert een ontvangstbewijs af aan de aanvrager. Dit ontvangstbewijs vermeldt minstens het door de Dienst toegekende dossiernummer, het aantal ontvangen stukken, de datum van ontvangst door de Dienst en de datum van indiening in de zin van artikel XI.133 van het Wetboek van economisch recht.
§ 3. Indien twee of meer per post verzonden aanvragen op hetzelfde ogenblik bij de Dienst binnenkomen, worden zij geacht te zijn ontvangen in de volgorde waarin zij zijn afgestempeld.
§ 2. De Dienst levert een ontvangstbewijs af aan de aanvrager. Dit ontvangstbewijs vermeldt minstens het door de Dienst toegekende dossiernummer, het aantal ontvangen stukken, de datum van ontvangst door de Dienst en de datum van indiening in de zin van artikel XI.133 van het Wetboek van economisch recht.
§ 3. Indien twee of meer per post verzonden aanvragen op hetzelfde ogenblik bij de Dienst binnenkomen, worden zij geacht te zijn ontvangen in de volgorde waarin zij zijn afgestempeld.
Art.6. § 1er. Lorsqu'il reçoit une demande, l'Office lui attribue un numéro. Il inscrit ce numéro sur les documents accompagnant la demande et la date de leur réception par l'Office.
§ 2. L'Office délivre au demandeur un récépissé. Ce récépissé précise au moins le numéro de dossier attribué par l'Office, le nombre de documents reçus, la date de réception par l'Office et la date de dépôt au sens de l'article XI.133 du Code de droit économique.
§ 3. Lorsque deux ou plusieurs demandes envoyées par la poste sont délivrées au même moment à l'Office, elles sont censées être reçues dans l'ordre de leur oblitération.
§ 2. L'Office délivre au demandeur un récépissé. Ce récépissé précise au moins le numéro de dossier attribué par l'Office, le nombre de documents reçus, la date de réception par l'Office et la date de dépôt au sens de l'article XI.133 du Code de droit économique.
§ 3. Lorsque deux ou plusieurs demandes envoyées par la poste sont délivrées au même moment à l'Office, elles sont censées être reçues dans l'ordre de leur oblitération.
Art.7. Het voorstel voor een rasbenaming wordt ondertekend en wordt schriftelijk bij de Dienst neergelegd. De Dienst stelt kosteloos een formulier voor het indienen van een voorstel voor een rasbenaming ter beschikking.
Art.7. La proposition de dénomination variétale est signée et déposée par écrit auprès de l'Office. L'Office met gratuitement à disposition un formulaire de proposition de dénomination variétale.
Art.8. De aanvrager kan, tot de verlening van het kwekerscertificaat, de verbetering van materiële fouten in de neergelegde documenten vragen.
Het verzoek bevat de tekst van de voorgestelde verbetering. De verbetering wordt in het register opgetekend.
Het verzoek bevat de tekst van de voorgestelde verbetering. De verbetering wordt in het register opgetekend.
Art.8. Le demandeur peut, jusqu'à la délivrance du certificat d'obtenteur, demander la rectification d'erreurs matérielles dans les documents déposés.
La requête comporte le texte de la rectification proposée. La rectification est annotée dans le registre.
La requête comporte le texte de la rectification proposée. La rectification est annotée dans le registre.
Afdeling 2. - Onderzoek van de aanvraag
Section 2. - Examen de la demande
Art.9. § 1. Indien de Dienst vaststelt dat de aanvraag niet aan de in het artikel XI.132, § 1, van het Wetboek van economisch recht gestelde voorwaarden voldoet, deelt hij de vastgestelde onregelmatigheden mee aan de aanvrager en wijst hij hem erop dat enkel de datum waarop voldoende gegevens worden ontvangen om deze onregelmatigheden te verhelpen, als de datum van indiening in de zin van artikel XI.133 van hetzelfde Wetboek zal worden beschouwd.
§ 2. Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel XI.132, § 1, 7°, van het Wetboek van economisch recht, indien de datum en het land van een eerste afstand in de zin van artikel XI.109, § 1, van hetzelfde Wetboek worden vermeld of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, indien een verklaring in die zin in de aanvraag wordt opgenomen.
§ 3. Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel XI.132, § 1, 8°, van het Wetboek van economisch recht, indien de datum en het land waar de eerdere aanvraag voor het betrokken ras werd ingediend, in zoverre de aanvrager hiervan op de hoogte is, worden vermeld, wanneer die eerdere aanvraag betrekking heeft op :
1° de verlening van een eigendomsrecht door een Verdragsluitende partij voor het ras, of
2° de officiële erkenning van het ras, door een Verdragsluitende partij, met het oog op certificering en verhandeling, voor zover die erkenning een officiële beschrijving van het ras omvat.
§ 2. Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel XI.132, § 1, 7°, van het Wetboek van economisch recht, indien de datum en het land van een eerste afstand in de zin van artikel XI.109, § 1, van hetzelfde Wetboek worden vermeld of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, indien een verklaring in die zin in de aanvraag wordt opgenomen.
§ 3. Een aanvraag voldoet slechts aan het vereiste van artikel XI.132, § 1, 8°, van het Wetboek van economisch recht, indien de datum en het land waar de eerdere aanvraag voor het betrokken ras werd ingediend, in zoverre de aanvrager hiervan op de hoogte is, worden vermeld, wanneer die eerdere aanvraag betrekking heeft op :
1° de verlening van een eigendomsrecht door een Verdragsluitende partij voor het ras, of
2° de officiële erkenning van het ras, door een Verdragsluitende partij, met het oog op certificering en verhandeling, voor zover die erkenning een officiële beschrijving van het ras omvat.
Art.9. § 1er. Si l'Office constate que la demande ne remplit pas les conditions énoncées à l'article XI.132, § 1er, du Code de droit économique, il informe le demandeur des irrégularités constatées en lui précisant que seule la date de réception de renseignements suffisants pour remédier à ces irrégularités sera considérée comme la date de dépôt au sens de l'article XI.133 du même Code.
§ 2. La condition énoncée à l'article XI.132, § 1er, 7°, du Code de droit économique n'est remplie que si la demande indique la date et le pays de la première cession au sens de l'article XI.109, § 1er, du même Code, ou, lorsque aucune cession n'a encore été effectuée, si elle comporte une déclaration attestant cette absence de cession.
§ 3. La condition énoncée à l'article XI.132, § 1er, 8°, du Code de droit économique n'est remplie que si la demande mentionne, dans la mesure où le demandeur les connaît, la date et le pays dans lequel la demande antérieure a été introduite pour la variété considérée, lorsque ladite demande antérieure porte sur:
1° l'octroi, par une Partie contractante, d'un droit de propriété sur la variété, ou
2° la reconnaissance officielle, par une Partie contractante, de la variété aux fins de certification et de commercialisation, cette reconnaissance comportant une description officielle de la variété.
§ 2. La condition énoncée à l'article XI.132, § 1er, 7°, du Code de droit économique n'est remplie que si la demande indique la date et le pays de la première cession au sens de l'article XI.109, § 1er, du même Code, ou, lorsque aucune cession n'a encore été effectuée, si elle comporte une déclaration attestant cette absence de cession.
§ 3. La condition énoncée à l'article XI.132, § 1er, 8°, du Code de droit économique n'est remplie que si la demande mentionne, dans la mesure où le demandeur les connaît, la date et le pays dans lequel la demande antérieure a été introduite pour la variété considérée, lorsque ladite demande antérieure porte sur:
1° l'octroi, par une Partie contractante, d'un droit de propriété sur la variété, ou
2° la reconnaissance officielle, par une Partie contractante, de la variété aux fins de certification et de commercialisation, cette reconnaissance comportant une description officielle de la variété.
Art.10. § 1. Wanneer de Dienst vaststelt dat de aanvraag niet voldoet aan de paragrafen 2, 3 en 4 of aan artikel 5, past hij de bepalingen van artikel 6 toe, maar nodigt hij tegelijk de aanvrager uit om de vastgestelde onregelmatigheden te verhelpen binnen de termijn die hij bepaalt. Deze termijn moet minstens één maand bedragen.
Wanneer deze onregelmatigheden niet binnen de vereiste termijn worden verholpen, wijst de Dienst de aanvraag af overeenkomstig artikel XI.141, § 1, 1°, van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. De aanvraag bevat de volgende vermeldingen :
1° de nationaliteit van de aanvrager, indien hij een natuurlijke persoon is, zijn aanduiding als partij in de procedure overeenkomstig artikel XI.129 van het Wetboek van economisch recht en, indien hij niet de kweker is, de naam en het adres van de kweker;
2° de Latijnse naam van het geslacht, de soort of de ondersoort, waartoe het ras behoort, en de gewone naam;
3° de eigenschappen van het ras waardoor dit, naar het oordeel van de aanvrager, duidelijk van andere rassen te onderscheiden is; deze laatsten kunnen vermeld worden om te dienen als referentierassen voor testdoeleinden;
4° de selectie, de instandhouding en de vermeerdering (vermenigvuldiging) van het ras; de gegevens moeten in het bijzonder betrekking hebben op :
a) de eigenschappen, de benaming of, bij gebreke hiervan, de voorlopige aanduiding van het ras, en de teelt van een of meer andere rassen waarvan het materiaal bij herhaling moet worden gebruikt voor de voortbrenging van het betrokken ras, of
b) de genetisch gemodificeerde eigenschappen, wanneer het betrokken ras een genetisch gemodificeerd organisme is;
5° het land, waar het ras is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld;
6° de datum en het land van de eerste afstand van componenten of oogstmateriaal van het ras, voor het beoordelen van de nieuwheid van het ras overeenkomstig artikel XI.109 van het Wetboek van economisch recht of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, een verklaring in die zin;
7° de aanduiding van de instanties waarbij aanvragen als bedoeld in artikel 9, § 3, zijn ingediend, en de dossiernummers van die aanvragen;
8° bestaande kwekersrechten of toegekende octrooien voor het betrokken ras op het grondgebied van de UPOV.
§ 3. De Dienst kan verzoeken dat binnen de termijn die hij vaststelt, alle vereiste informatie en documenten alsook, in voorkomend geval, voldoende tekeningen of foto's worden verstrekt om de uitvoering van het technische onderzoek toe te laten.
§ 4. Wanneer het betrokken ras een genetisch gemodificeerd organisme is, kan de Dienst de aanvrager verzoeken om hem een afschrift over te maken van de schriftelijke verklaring van de bevoegde instanties waarin bevestigd wordt dat een technisch onderzoek van het ras in kwestie, zoals voorzien in artikel XI.137 van het Wetboek van economisch recht, geen risico's voor het milieu inhoudt, overeenkomstig de bepalingen van de vernoemde richtlijn.
Wanneer deze onregelmatigheden niet binnen de vereiste termijn worden verholpen, wijst de Dienst de aanvraag af overeenkomstig artikel XI.141, § 1, 1°, van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. De aanvraag bevat de volgende vermeldingen :
1° de nationaliteit van de aanvrager, indien hij een natuurlijke persoon is, zijn aanduiding als partij in de procedure overeenkomstig artikel XI.129 van het Wetboek van economisch recht en, indien hij niet de kweker is, de naam en het adres van de kweker;
2° de Latijnse naam van het geslacht, de soort of de ondersoort, waartoe het ras behoort, en de gewone naam;
3° de eigenschappen van het ras waardoor dit, naar het oordeel van de aanvrager, duidelijk van andere rassen te onderscheiden is; deze laatsten kunnen vermeld worden om te dienen als referentierassen voor testdoeleinden;
4° de selectie, de instandhouding en de vermeerdering (vermenigvuldiging) van het ras; de gegevens moeten in het bijzonder betrekking hebben op :
a) de eigenschappen, de benaming of, bij gebreke hiervan, de voorlopige aanduiding van het ras, en de teelt van een of meer andere rassen waarvan het materiaal bij herhaling moet worden gebruikt voor de voortbrenging van het betrokken ras, of
b) de genetisch gemodificeerde eigenschappen, wanneer het betrokken ras een genetisch gemodificeerd organisme is;
5° het land, waar het ras is gekweekt of ontdekt en ontwikkeld;
6° de datum en het land van de eerste afstand van componenten of oogstmateriaal van het ras, voor het beoordelen van de nieuwheid van het ras overeenkomstig artikel XI.109 van het Wetboek van economisch recht of, wanneer nog geen afstand heeft plaatsgevonden, een verklaring in die zin;
7° de aanduiding van de instanties waarbij aanvragen als bedoeld in artikel 9, § 3, zijn ingediend, en de dossiernummers van die aanvragen;
8° bestaande kwekersrechten of toegekende octrooien voor het betrokken ras op het grondgebied van de UPOV.
§ 3. De Dienst kan verzoeken dat binnen de termijn die hij vaststelt, alle vereiste informatie en documenten alsook, in voorkomend geval, voldoende tekeningen of foto's worden verstrekt om de uitvoering van het technische onderzoek toe te laten.
§ 4. Wanneer het betrokken ras een genetisch gemodificeerd organisme is, kan de Dienst de aanvrager verzoeken om hem een afschrift over te maken van de schriftelijke verklaring van de bevoegde instanties waarin bevestigd wordt dat een technisch onderzoek van het ras in kwestie, zoals voorzien in artikel XI.137 van het Wetboek van economisch recht, geen risico's voor het milieu inhoudt, overeenkomstig de bepalingen van de vernoemde richtlijn.
Art.10. § 1er. Si l'Office constate que la demande n'est pas conforme aux paragraphes 2, 3 et 4 ou à l'article 5, il applique les dispositions de l'article 6, mais en invitant le demandeur à remédier aux irrégularités constatées dans le délai qu'il lui impartit. Ce délai ne peut être inférieur à un mois.
S'il n'est pas remédié à ces irrégularités dans le délai requis, l'Office rejette la demande conformément à l'article XI.141, § 1er, 1°, du Code de droit économique.
§ 2. La demande comporte les indications suivantes:
1° la nationalité du demandeur, s'il s'agit d'une personne physique, sa désignation comme partie à la procédure au sens de l'article XI.129 du Code de droit économique et, lorsque le demandeur n'est pas l'obtenteur, les nom et adresse de ce dernier;
2° le nom latin du genre, de l'espèce ou de la sous-espèce auxquels la variété appartient et son nom commun;
3° les caractères de la variété qui, selon le demandeur, la distinguent clairement d'autres variétés, ces dernières pouvant être nommées afin de servir de variétés de référence pour les essais;
4° la sélection, le maintien et la reproduction (multiplication) de la variété; les renseignements doivent notamment porter sur :
a) les caractères, la dénomination de la variété ou, à défaut, la désignation provisoire, ainsi que sur la culture d'une ou de plusieurs autres variétés dont le matériel doit être utilisé de manière répétée pour la production de la variété considérée, ou
b) les caractères génétiquement modifiés, lorsque la variété considérée constitue un organisme génétiquement modifié;
5° le pays dans lequel la variété a été soit créée, soit découverte et développée;
6° la date et le pays de la première cession des constituants variétaux ou du matériel de récolte de la variété, afin d'apprécier la nouveauté de la variété au sens de l'article XI.109 du Code de droit économique ou, lorsqu'aucune cession n'a encore été effectuée, une déclaration attestant cette absence de cession;
7° le nom de l'autorité auprès de laquelle les demandes visées à l'article 9, § 3, ont été déposées et le numéro de dossier qui leur a été attribué;
8° les droits d'obtenteur existants ou tout brevet ayant été accordé, sur le territoire de l'UPOV, pour la variété considérée.
§ 3. L'Office peut demander la fourniture, dans le délai qu'il impartit, de toutes informations et de tous documents nécessaires, ainsi que, le cas échéant, de dessins ou de photographies suffisants pour permettre l'exécution de l'examen technique.
§ 4. Lorsque la variété considérée constitue un organisme génétiquement modifié, l'Office peut demander au demandeur de lui transmettre copie de l'attestation écrite des autorités compétentes confirmant que l'examen technique de la variété en question, tel que prévu à l'article XI.137 du Code de droit économique, ne présente aucun risque pour l'environnement, conformément aux dispositions de ladite directive.
S'il n'est pas remédié à ces irrégularités dans le délai requis, l'Office rejette la demande conformément à l'article XI.141, § 1er, 1°, du Code de droit économique.
§ 2. La demande comporte les indications suivantes:
1° la nationalité du demandeur, s'il s'agit d'une personne physique, sa désignation comme partie à la procédure au sens de l'article XI.129 du Code de droit économique et, lorsque le demandeur n'est pas l'obtenteur, les nom et adresse de ce dernier;
2° le nom latin du genre, de l'espèce ou de la sous-espèce auxquels la variété appartient et son nom commun;
3° les caractères de la variété qui, selon le demandeur, la distinguent clairement d'autres variétés, ces dernières pouvant être nommées afin de servir de variétés de référence pour les essais;
4° la sélection, le maintien et la reproduction (multiplication) de la variété; les renseignements doivent notamment porter sur :
a) les caractères, la dénomination de la variété ou, à défaut, la désignation provisoire, ainsi que sur la culture d'une ou de plusieurs autres variétés dont le matériel doit être utilisé de manière répétée pour la production de la variété considérée, ou
b) les caractères génétiquement modifiés, lorsque la variété considérée constitue un organisme génétiquement modifié;
5° le pays dans lequel la variété a été soit créée, soit découverte et développée;
6° la date et le pays de la première cession des constituants variétaux ou du matériel de récolte de la variété, afin d'apprécier la nouveauté de la variété au sens de l'article XI.109 du Code de droit économique ou, lorsqu'aucune cession n'a encore été effectuée, une déclaration attestant cette absence de cession;
7° le nom de l'autorité auprès de laquelle les demandes visées à l'article 9, § 3, ont été déposées et le numéro de dossier qui leur a été attribué;
8° les droits d'obtenteur existants ou tout brevet ayant été accordé, sur le territoire de l'UPOV, pour la variété considérée.
§ 3. L'Office peut demander la fourniture, dans le délai qu'il impartit, de toutes informations et de tous documents nécessaires, ainsi que, le cas échéant, de dessins ou de photographies suffisants pour permettre l'exécution de l'examen technique.
§ 4. Lorsque la variété considérée constitue un organisme génétiquement modifié, l'Office peut demander au demandeur de lui transmettre copie de l'attestation écrite des autorités compétentes confirmant que l'examen technique de la variété en question, tel que prévu à l'article XI.137 du Code de droit économique, ne présente aucun risque pour l'environnement, conformément aux dispositions de ladite directive.
Art.11. Wanneer de aanvrager een beroep doet op een recht van voorrang overeenkomstig artikel XI.134, § 2, van het Wetboek van economisch recht, welke niet de vroegste van de overeenkomstig artikel 9, § 3, 1°, van dit besluit te vermelden aanvragen is, wijst de Dienst hem erop dat enkel voor de vroegste van deze aanvragen een voorrangsdatum kan worden toegekend.
Wanneer het ontvangstbewijs afgeleverd door de Dienst een datum van indiening vermeldt van een aanvraag die niet de vroegste van de te vermelden aanvragen is, wordt de ter kennis van de aanvrager gebrachte voorrangsdatum als nietig beschouwd.
Wanneer het ontvangstbewijs afgeleverd door de Dienst een datum van indiening vermeldt van een aanvraag die niet de vroegste van de te vermelden aanvragen is, wordt de ter kennis van de aanvrager gebrachte voorrangsdatum als nietig beschouwd.
Art.11. Si le demandeur revendique un droit de priorité au titre d'une demande conformément à l'article XI.134, § 2, du Code de droit économique qui n'est pas la plus ancienne des demandes à signaler conformément à l'article 9, § 3, 1°, du présent arrêté, l'Office indique que seule la plus ancienne de ces demandes peut bénéficier d'une date de priorité.
Si l'accusé de réception délivré par l'Office mentionne la date de dépôt d'une demande qui n'est pas la plus ancienne des demandes à signaler, la date de priorité notifiée est considérée comme nulle.
Si l'accusé de réception délivré par l'Office mentionne la date de dépôt d'une demande qui n'est pas la plus ancienne des demandes à signaler, la date de priorité notifiée est considérée comme nulle.
Afdeling 3. - Rasbenaming
Section 3. - Dénomination variétale
Art.12. § 1. Wanneer geen voorstel voor een rasbenaming bij de aanvraag van een kwekersrecht is gevoegd of wanneer de Dienst de voorgestelde rasbenaming niet kan goedkeuren, stelt de Dienst de aanvrager hiervan in kennis, en verzoekt hij hem, naargelang het geval, een voorstel voor een rasbenaming of een nieuw voorstel in te dienen, en wijst hij hem op de gevolgen waaraan hij zich blootstelt indien hij niet voldoet aan dit vereiste.
Bij gebrek aan een voorstel van rasbenaming op het moment van de neerlegging van de aanvraag, dient een vergoeding door de aanvrager aan de Dienst te worden betaald.
§ 2. Wanneer de Dienst, op het ogenblik waarop hij overeenkomstig artikel XI.138, § 1, van het Wetboek van economisch recht het verslag van het technische onderzoek ontvangt, vaststelt dat de aanvrager geen enkel voorstel voor een rasbenaming heeft ingediend, wijst hij de aanvraag van een kwekersrecht af overeenkomstig artikel XI.141, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek. De Dienst stelt de aanvrager hiervan in kennis.
Bij gebrek aan een voorstel van rasbenaming op het moment van de neerlegging van de aanvraag, dient een vergoeding door de aanvrager aan de Dienst te worden betaald.
§ 2. Wanneer de Dienst, op het ogenblik waarop hij overeenkomstig artikel XI.138, § 1, van het Wetboek van economisch recht het verslag van het technische onderzoek ontvangt, vaststelt dat de aanvrager geen enkel voorstel voor een rasbenaming heeft ingediend, wijst hij de aanvraag van een kwekersrecht af overeenkomstig artikel XI.141, § 1, 3°, van hetzelfde Wetboek. De Dienst stelt de aanvrager hiervan in kennis.
Art.12. § 1er. Lorsque la proposition de dénomination variétale n'est pas jointe à la demande de droit d'obtenteur ou que l'Office ne peut approuver la dénomination variétale proposée, l'Office en informe le demandeur, en l'invitant à lui soumettre, selon le cas, une proposition de dénomination variétale ou une nouvelle proposition et en lui précisant les conséquences auxquelles il s'expose s'il ne se conforme pas à cette exigence.
L'absence de dénomination variétale proposée en même temps que le dépôt de la demande donne lieu au paiement par le demandeur d'une redevance à l'Office.
§ 2. Lorsque l'Office constate, le jour où il reçoit le rapport de l'examen technique conformément à l'article XI.138, § 1er, du Code de droit économique, que le demandeur n'a présenté aucune proposition de dénomination variétale, il rejette la demande de droit d'obtenteur, conformément à l'article XI.141, § 1er, 3°, du même Code. L'Office en informe le demandeur.
L'absence de dénomination variétale proposée en même temps que le dépôt de la demande donne lieu au paiement par le demandeur d'une redevance à l'Office.
§ 2. Lorsque l'Office constate, le jour où il reçoit le rapport de l'examen technique conformément à l'article XI.138, § 1er, du Code de droit économique, que le demandeur n'a présenté aucune proposition de dénomination variétale, il rejette la demande de droit d'obtenteur, conformément à l'article XI.141, § 1er, 3°, du même Code. L'Office en informe le demandeur.
Art.13. § 1. Een rasbenaming is geschikt indien er geen beletsels zijn als bedoeld in paragrafen 2 en 3.
§ 2. Er is een beletsel voor de vaststelling van een rasbenaming wanneer :
1° het gebruik ervan op het grondgebied van België inbreuk maakt op het oudere recht van een derde;
2° ze in het algemeen voor de gebruikers ervan moeilijk als rasbenaming herkenbaar en hanteerbaar is;
3° ze identiek is aan of kan worden verward met een rasbenaming waaronder in een Verdragsluitende partij, een ander ras van dezelfde of van een nauw verwante soort bedoeld in artikel XI.119, § 3, van het Wetboek van economisch recht op een officiële rassenlijst is geplaatst of waaronder materiaal van een ander ras in de handel is gebracht, tenzij het andere ras niet meer bestaat en de rasbenaming ervan geen bijzondere betekenis heeft verkregen;
4° ze identiek is aan of kan worden verward met andere benamingen die gewoonlijk bij het in de handel brengen van goederen worden gebruikt of waarvan op grond van andere rechtsvoorschriften het gebruik vrij is;
5° ze strijdig is met de openbare orde of met de goede zeden;
6° ze misleidend kan zijn of verwarring kan veroorzaken met betrekking tot de eigenschappen, de waarde of de identiteit van het ras, of de identiteit van de kweker of enige andere partij in de procedure.
§ 3. Voorts is er een beletsel wanneer een ras reeds is opgenomen;
1° in een Verdragsluitende partij
of
2° in een andere Staat waarvoor is vastgesteld dat de rassen er worden geëvalueerd overeenkomstig voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften die zijn vastgesteld in de richtlijnen inzake de gemeenschappelijke rassenlijsten,
in een officieel rassenregister en wanneer materiaal ervan voor commerciële doeleinden in de handel is gebracht, indien de voorgestelde rasbenaming afwijkt van de daar geregistreerde of gebruikte rasbenaming, tenzij deze laatste het voorwerp is van een beletsel in de zin van paragraaf 2.
§ 4. De soorten die als verwant worden beschouwd, bedoeld in artikel XI.119, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zijn die welke door het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) als dusdanig gedefinieerd worden.
§ 2. Er is een beletsel voor de vaststelling van een rasbenaming wanneer :
1° het gebruik ervan op het grondgebied van België inbreuk maakt op het oudere recht van een derde;
2° ze in het algemeen voor de gebruikers ervan moeilijk als rasbenaming herkenbaar en hanteerbaar is;
3° ze identiek is aan of kan worden verward met een rasbenaming waaronder in een Verdragsluitende partij, een ander ras van dezelfde of van een nauw verwante soort bedoeld in artikel XI.119, § 3, van het Wetboek van economisch recht op een officiële rassenlijst is geplaatst of waaronder materiaal van een ander ras in de handel is gebracht, tenzij het andere ras niet meer bestaat en de rasbenaming ervan geen bijzondere betekenis heeft verkregen;
4° ze identiek is aan of kan worden verward met andere benamingen die gewoonlijk bij het in de handel brengen van goederen worden gebruikt of waarvan op grond van andere rechtsvoorschriften het gebruik vrij is;
5° ze strijdig is met de openbare orde of met de goede zeden;
6° ze misleidend kan zijn of verwarring kan veroorzaken met betrekking tot de eigenschappen, de waarde of de identiteit van het ras, of de identiteit van de kweker of enige andere partij in de procedure.
§ 3. Voorts is er een beletsel wanneer een ras reeds is opgenomen;
1° in een Verdragsluitende partij
of
2° in een andere Staat waarvoor is vastgesteld dat de rassen er worden geëvalueerd overeenkomstig voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de voorschriften die zijn vastgesteld in de richtlijnen inzake de gemeenschappelijke rassenlijsten,
in een officieel rassenregister en wanneer materiaal ervan voor commerciële doeleinden in de handel is gebracht, indien de voorgestelde rasbenaming afwijkt van de daar geregistreerde of gebruikte rasbenaming, tenzij deze laatste het voorwerp is van een beletsel in de zin van paragraaf 2.
§ 4. De soorten die als verwant worden beschouwd, bedoeld in artikel XI.119, § 3, van het Wetboek van economisch recht, zijn die welke door het Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO) als dusdanig gedefinieerd worden.
Art.13. § 1er. Une dénomination variétale est éligible s'il n'existe aucun des obstacles visés aux paragraphes 2 et 3.
§ 2. Il existe un obstacle à l'attribution d'une dénomination variétale :
1° lorsque le droit antérieur d'un tiers s'oppose à son utilisation sur le territoire de la Belgique;
2° lorsque la dénomination variétale peut se révéler d'ordinaire difficile à reconnaître ou à reproduire par ses utilisateurs;
3° lorsqu'elle est identique à une dénomination variétale ou peut être confondue avec une dénomination variétale sous laquelle, dans une Partie contractante, une autre variété de la même espèce ou d'une espèce voisine visée à l'article XI.119, § 3, du Code de droit économique, est inscrite dans un registre officiel des variétés ou sous laquelle du matériel d'une autre variété a été mis sur le marché, à moins que cette autre variété n'existe plus et que sa dénomination n'ait pas acquis de signification particulière;
4° lorsqu'elle est identique à d'autres dénominations ou peut être confondue avec d'autres dénominations couramment utilisées pour la mise sur le marché de marchandises ou qui doivent être réservées en vertu d'une autre législation;
5° lorsqu'elle est contraire à l'ordre public ou aux bonnes moeurs;
6° lorsqu'elle est susceptible d'induire en erreur ou de prêter à confusion quant aux caractères, à la valeur ou à l'identité de la variété ou à l'identité de l'obtenteur ou d'une quelconque autre partie à la procédure.
§ 3. Il existe également un obstacle lorsqu'une variété a déjà été enregistrée :
1° dans une Partie contractante,
ou
2° dans un autre Etat pour lequel il a été établi que les variétés y sont examinées selon des règles équivalentes à celles prévues dans les directives sur les catalogues communs,
dans un registre officiel des variétés végétales et que son matériel y a été mis sur le marché à des fins commerciales, si la dénomination variétale proposée diffère de celle qui y a été enregistrée ou utilisée, à moins que cette dernière constitue un obstacle tel que visé au paragraphe 2.
§ 4. Les espèces considérées comme voisines, visées à l'article XI.119, § 3, du Code de droit économique, sont celles définies comme telles par l'Office communautaire des variétés végétales (OCVV).
§ 2. Il existe un obstacle à l'attribution d'une dénomination variétale :
1° lorsque le droit antérieur d'un tiers s'oppose à son utilisation sur le territoire de la Belgique;
2° lorsque la dénomination variétale peut se révéler d'ordinaire difficile à reconnaître ou à reproduire par ses utilisateurs;
3° lorsqu'elle est identique à une dénomination variétale ou peut être confondue avec une dénomination variétale sous laquelle, dans une Partie contractante, une autre variété de la même espèce ou d'une espèce voisine visée à l'article XI.119, § 3, du Code de droit économique, est inscrite dans un registre officiel des variétés ou sous laquelle du matériel d'une autre variété a été mis sur le marché, à moins que cette autre variété n'existe plus et que sa dénomination n'ait pas acquis de signification particulière;
4° lorsqu'elle est identique à d'autres dénominations ou peut être confondue avec d'autres dénominations couramment utilisées pour la mise sur le marché de marchandises ou qui doivent être réservées en vertu d'une autre législation;
5° lorsqu'elle est contraire à l'ordre public ou aux bonnes moeurs;
6° lorsqu'elle est susceptible d'induire en erreur ou de prêter à confusion quant aux caractères, à la valeur ou à l'identité de la variété ou à l'identité de l'obtenteur ou d'une quelconque autre partie à la procédure.
§ 3. Il existe également un obstacle lorsqu'une variété a déjà été enregistrée :
1° dans une Partie contractante,
ou
2° dans un autre Etat pour lequel il a été établi que les variétés y sont examinées selon des règles équivalentes à celles prévues dans les directives sur les catalogues communs,
dans un registre officiel des variétés végétales et que son matériel y a été mis sur le marché à des fins commerciales, si la dénomination variétale proposée diffère de celle qui y a été enregistrée ou utilisée, à moins que cette dernière constitue un obstacle tel que visé au paragraphe 2.
§ 4. Les espèces considérées comme voisines, visées à l'article XI.119, § 3, du Code de droit économique, sont celles définies comme telles par l'Office communautaire des variétés végétales (OCVV).
Afdeling 4. - Technisch onderzoek en bezwaren
Section 4. - Examen technique et objections
Art.14. De termijn om inzage te nemen van het dossier en opmerkingen in te dienen, bedoeld in artikel XI.138, § 3, van het Wetboek van economisch recht, bedraagt twee maanden vanaf de mededeling aan de aanvrager van het onderzoeksverslag en de bevindingen bedoeld in artikel XI.138, § 2, van hetzelfde Wetboek.
Art.14. Le délai pour consulter le dossier et présenter des observations, visé à l'article XI.138, § 3, du Code de droit économique, est de deux mois à partir de la communication au demandeur du rapport d'examen et des conclusions visés à l'article XI.138, § 2, du même Code.
Art.15. § 1. De bezwaren bedoeld in artikel XI.139 van het Wetboek van economisch recht bevatten volgende informatie :
1° de naam van de aanvrager en het dossiernummer toegekend aan de aanvraag waartegen het bezwaar is gericht;
2° de aanduiding van degene die bezwaar maakt als partij in de procedure in de zin van artikel XI.129, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek;
3° in voorkomend geval, de vermelding van de aanduiding van een gemachtigde;
4° een verklaring met een uiteenzetting van de motieven waarop het bezwaar gebaseerd is, als bedoeld in artikel XI.139, § 3, van hetzelfde Wetboek, alsook van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het bezwaar worden aangevoerd.
§ 2. Wanneer met betrekking tot eenzelfde aanvraag voor een kwekersrecht verschillende bezwaarschriften worden ingediend, kan de Dienst deze in één procedure behandelen.
1° de naam van de aanvrager en het dossiernummer toegekend aan de aanvraag waartegen het bezwaar is gericht;
2° de aanduiding van degene die bezwaar maakt als partij in de procedure in de zin van artikel XI.129, § 1, 2°, van hetzelfde Wetboek;
3° in voorkomend geval, de vermelding van de aanduiding van een gemachtigde;
4° een verklaring met een uiteenzetting van de motieven waarop het bezwaar gebaseerd is, als bedoeld in artikel XI.139, § 3, van hetzelfde Wetboek, alsook van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het bezwaar worden aangevoerd.
§ 2. Wanneer met betrekking tot eenzelfde aanvraag voor een kwekersrecht verschillende bezwaarschriften worden ingediend, kan de Dienst deze in één procedure behandelen.
Art.15. § 1er. Les objections visées à l'article XI.139 du Code de droit économique contiennent les informations suivantes:
1° le nom du demandeur et le numéro de dossier attribué à la demande à l'encontre de laquelle l'objection est formée;
2° la désignation de l'auteur de l'objection en tant que partie à la procédure au sens de l'article XI.129, § 1er, 2°, du même Code;
3° le cas échéant, la mention de la désignation d'un mandataire;
4° une déclaration précisant les motifs sur lesquels se fonde l'objection, tels qu'ils sont énoncés à l'article XI.139, § 3, du même Code, ainsi que les faits, les éléments de preuve et les arguments présentés à l'appui de l'objection.
§ 2. Si plusieurs objections sont formées à l'encontre d'une même demande de droit d'obtenteur, l'Office peut joindre les procédures.
1° le nom du demandeur et le numéro de dossier attribué à la demande à l'encontre de laquelle l'objection est formée;
2° la désignation de l'auteur de l'objection en tant que partie à la procédure au sens de l'article XI.129, § 1er, 2°, du même Code;
3° le cas échéant, la mention de la désignation d'un mandataire;
4° une déclaration précisant les motifs sur lesquels se fonde l'objection, tels qu'ils sont énoncés à l'article XI.139, § 3, du même Code, ainsi que les faits, les éléments de preuve et les arguments présentés à l'appui de l'objection.
§ 2. Si plusieurs objections sont formées à l'encontre d'une même demande de droit d'obtenteur, l'Office peut joindre les procédures.
Art.16. Bezwaren kunnen worden gemaakt :
1° op elk moment vanaf de indiening van de aanvraag tot aan het moment waarop een beslissing uit hoofde van artikel XI.141 van het Wetboek van economisch recht of XI.142 van hetzelfde Wetboek genomen wordt, indien het een bezwaar op grond van artikel XI.139, § 3, 1°, van hetzelfde Wetboek betreft;
2° binnen drie maanden na de publicatie van de voorgestelde rasbenaming overeenkomstig artikel XI.154 van het Wetboek van economisch recht, indien het een bezwaar op grond van artikel XI.139, § 3, 2°, van hetzelfde Wetboek betreft.
1° op elk moment vanaf de indiening van de aanvraag tot aan het moment waarop een beslissing uit hoofde van artikel XI.141 van het Wetboek van economisch recht of XI.142 van hetzelfde Wetboek genomen wordt, indien het een bezwaar op grond van artikel XI.139, § 3, 1°, van hetzelfde Wetboek betreft;
2° binnen drie maanden na de publicatie van de voorgestelde rasbenaming overeenkomstig artikel XI.154 van het Wetboek van economisch recht, indien het een bezwaar op grond van artikel XI.139, § 3, 2°, van hetzelfde Wetboek betreft.
Art.16. Les objections peuvent être présentées:
1° à tout moment après que la demande a été déposée et avant que n'intervienne une décision en application de l'article XI.141 du Code de droit économique ou XI.142 du même Code, dans le cas où l'objection est fondée sur l'article XI.139, § 3, 1°, du même Code;
2° dans un délai de trois mois à compter de la publication, faite conformément à l'article XI.154 du Code de droit économique, de la dénomination variétale proposée, dans le cas où l'objection est fondée sur l'article XI.139, § 3, 2°, du même Code.
1° à tout moment après que la demande a été déposée et avant que n'intervienne une décision en application de l'article XI.141 du Code de droit économique ou XI.142 du même Code, dans le cas où l'objection est fondée sur l'article XI.139, § 3, 1°, du même Code;
2° dans un délai de trois mois à compter de la publication, faite conformément à l'article XI.154 du Code de droit économique, de la dénomination variétale proposée, dans le cas où l'objection est fondée sur l'article XI.139, § 3, 2°, du même Code.
Art.17. § 1. Indien de Dienst vaststelt dat het bezwaar niet voldoet aan de voorwaarden van artikel XI.139, §§ 1 en 3, van het Wetboek van economisch recht of aan artikel 15, § 1, 4°, van dit besluit, of dat het onvoldoende informatie bevat om te identificeren tegen welke aanvraag het is gericht, verklaart hij dit bezwaar niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken binnen een termijn die hij vaststelt worden verholpen.
§ 2. Indien de Dienst vaststelt dat het bezwaar niet voldoet aan de andere voorwaarden bepaald door het Wetboek van economisch recht of door dit besluit, verklaart hij dit bezwaar niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken vóór het verstrijken van de bezwaartermijnen vermeld in artikel 16 worden verholpen.
§ 2. Indien de Dienst vaststelt dat het bezwaar niet voldoet aan de andere voorwaarden bepaald door het Wetboek van economisch recht of door dit besluit, verklaart hij dit bezwaar niet-ontvankelijk, tenzij deze gebreken vóór het verstrijken van de bezwaartermijnen vermeld in artikel 16 worden verholpen.
Art.17. § 1er. Si l'Office constate que l'objection ne satisfait pas aux conditions prévues à l'article XI.139, §§ 1er et 3, du Code de droit économique ou à l'article 15, § 1er, 4°, du présent arrêté, ou qu'elle ne contient pas suffisamment de renseignements permettant d'identifier la demande à l'encontre de laquelle elle est formée, il rejette l'objection comme irrecevable, à moins qu'il ne soit remédié aux irrégularités relevées dans le délai qu'il impartit.
§ 2. Si l'Office constate que l'objection ne remplit pas les autres conditions prévues par le Code de droit économique ou par le présent arrêté, il rejette l'objection comme irrecevable, à moins qu'il ne soit remédié aux irrégularités relevées avant l'expiration des délais de présentation des objections visés à l'article 16.
§ 2. Si l'Office constate que l'objection ne remplit pas les autres conditions prévues par le Code de droit économique ou par le présent arrêté, il rejette l'objection comme irrecevable, à moins qu'il ne soit remédié aux irrégularités relevées avant l'expiration des délais de présentation des objections visés à l'article 16.
Art.18. Overeenkomstig artikel XI.140 van het Wetboek van economisch recht, wanneer een bezwaar op grond van het feit dat niet aan het bepaalde in artikel XI.111 van het Wetboek van economisch recht is voldaan, leidt tot intrekking of afwijzing van de aanvraag voor een kwekersrecht, kan degene die bezwaar heeft gemaakt, indien hij binnen een maand na de intrekking of binnen een maand nadat de beslissing tot afwijzing definitief is geworden, voor hetzelfde ras een aanvraag heeft ingediend, eisen dat daarvoor de dag van indiening van de ingetrokken of afgewezen aanvraag als datum van indiening van zijn aanvraag geldt.
Art.18. Conformément à l'article XI.140 du Code de droit économique, si une objection fondée sur l'article XI.111 du Code de droit économique entraîne le retrait ou le rejet de la demande de droit d'obtenteur et si l'auteur de l'objection dépose, pour la même variété, une demande dans un délai d'un mois à compter du retrait ou de rejet définitif de la demande, ce dernier peut exiger que la date de dépôt de la demande retirée ou rejetée soit considérée comme la date de dépôt de sa demande.
Afdeling 5. - Wijziging van de rasbenaming
Section 5. - Modification de la dénomination variétale
Art.19. § 1. Wanneer, overeenkomstig artikel XI.147 van het Wetboek van economisch recht, de rasbenaming dient te worden gewijzigd, deelt de Dienst de houder de redenen voor de wijziging mee, stelt hij een termijn vast waarbinnen de houder een passend voorstel voor een gewijzigde rasbenaming moet indienen, en wijst hij hem erop dat wanneer hij dit niet doet, de Dienst het kwekersrecht bij toepassing van artikel XI.123, § 3, 3°, van hetzelfde Wetboek vervallen kan verklaren.
§ 2. Wanneer de Dienst het voorstel voor een gewijzigde rasbenaming niet kan goedkeuren, stelt hij de houder hiervan in kennis, stelt hij een nieuwe termijn vast waarbinnen een passend voorstel moet worden ingediend, en wijst hij hem erop dat wanneer hij dit niet doet, de Dienst het kwekersrecht overeenkomstig artikel XI.123, § 3, 3°, van het Wetboek van economisch recht, vervallen kan verklaren.
Wanneer een nieuwe rasbenaming wordt voorgesteld, betaalt de aanvrager aan de Dienst een vergoeding voor deze nieuwe aanvraag.
§ 3. De artikelen 15 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing op een bezwaar op grond van artikel XI.147, § 3, van het Wetboek van economisch recht.
§ 2. Wanneer de Dienst het voorstel voor een gewijzigde rasbenaming niet kan goedkeuren, stelt hij de houder hiervan in kennis, stelt hij een nieuwe termijn vast waarbinnen een passend voorstel moet worden ingediend, en wijst hij hem erop dat wanneer hij dit niet doet, de Dienst het kwekersrecht overeenkomstig artikel XI.123, § 3, 3°, van het Wetboek van economisch recht, vervallen kan verklaren.
Wanneer een nieuwe rasbenaming wordt voorgesteld, betaalt de aanvrager aan de Dienst een vergoeding voor deze nieuwe aanvraag.
§ 3. De artikelen 15 en 17 zijn van overeenkomstige toepassing op een bezwaar op grond van artikel XI.147, § 3, van het Wetboek van economisch recht.
Art.19. § 1er. Lorsque la dénomination variétale doit être modifiée en vertu de l'article XI.147 du Code de droit économique, l'Office informe le titulaire des raisons motivant cette modification, fixe le délai dans lequel le titulaire doit proposer une dénomination variétale modifiée et éligible et précise que, en cas de non-respect de cette exigence, l'Office peut prononcer la déchéance du droit d'obtenteur, en application de l'article XI.123, § 3, 3°, du même Code.
§ 2. Lorsque l'Office ne peut approuver la proposition de dénomination variétale modifiée, il en informe le titulaire, fixe un nouveau délai pour la présentation d'une proposition éligible et précise que, en cas non-respect de cette exigence, l'Office peut prononcer la déchéance du droit d'obtenteur, conformément à l'article XI.123, § 3, 3°, du Code de droit économique.
Lorsqu'une nouvelle dénomination variétale est proposée, le demandeur paie une redevance à l'Office correspondant à cette nouvelle demande.
§ 3. Les articles 15 et 17 s'appliquent mutatis mutandis à toute objection formée en vertu de l'article XI.147, § 3, du Code de droit économique.
§ 2. Lorsque l'Office ne peut approuver la proposition de dénomination variétale modifiée, il en informe le titulaire, fixe un nouveau délai pour la présentation d'une proposition éligible et précise que, en cas non-respect de cette exigence, l'Office peut prononcer la déchéance du droit d'obtenteur, conformément à l'article XI.123, § 3, 3°, du Code de droit économique.
Lorsqu'une nouvelle dénomination variétale est proposée, le demandeur paie une redevance à l'Office correspondant à cette nouvelle demande.
§ 3. Les articles 15 et 17 s'appliquent mutatis mutandis à toute objection formée en vertu de l'article XI.147, § 3, du Code de droit économique.
Afdeling 6. - Bijhouden van het register en openbare inzage
Section 6. - Tenue du registre et inspection publique
Art.20. Op grond van artikel XI.152, § 4, van het Wetboek van economisch recht, worden eveneens in het register vermeld :
1° de datum van bekendmaking van de aanvraag, wanneer deze bekendmaking in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van termijnen;
2° de bezwaren, met vermelding van de datum van indiening ervan, de naam en het adres van degene die bezwaar maakt, en, in voorkomend geval, van zijn gemachtigde;
3° de gegevens inzake het recht van voorrang;
4° de vorderingen ingesteld op basis van de artikelen XI.159 en XI.161 van het Wetboek van economisch recht, alsook de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen en de beslissingen die op enige andere wijze een einde stellen aan deze vorderingen;
5° op verzoek, het stellen van een zakelijke zekerheid of een zakelijk recht met betrekking tot een kwekersrechttitel;
6° het opheffen van de zakelijke zekerheid of het zakelijk recht als bedoeld in punt 5°.
1° de datum van bekendmaking van de aanvraag, wanneer deze bekendmaking in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van termijnen;
2° de bezwaren, met vermelding van de datum van indiening ervan, de naam en het adres van degene die bezwaar maakt, en, in voorkomend geval, van zijn gemachtigde;
3° de gegevens inzake het recht van voorrang;
4° de vorderingen ingesteld op basis van de artikelen XI.159 en XI.161 van het Wetboek van economisch recht, alsook de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissingen en de beslissingen die op enige andere wijze een einde stellen aan deze vorderingen;
5° op verzoek, het stellen van een zakelijke zekerheid of een zakelijk recht met betrekking tot een kwekersrechttitel;
6° het opheffen van de zakelijke zekerheid of het zakelijk recht als bedoeld in punt 5°.
Art.20. En vertu de l'article XI.152, § 4, du Code de droit économique, sont également mentionnées au registre :
1° la date de publication de la demande, lorsque cette publication est un événement à prendre en considération pour la computation des délais;
2° les objections ainsi que la date à laquelle elles ont été présentées, les nom et adresse de l'auteur de l'objection et, le cas échéant, de son mandataire;
3° les données relatives au droit de priorité;
4° les actions engagées sur la base des articles XI.159 et XI.161 du Code de droit économique, ainsi que les décisions passées en force de chose jugée et les décisions mettant fin, par tout autre moyen, à ces actions;
5° sur demande, la constitution d'une sûreté réelle ou d'un droit réel portant sur un titre de droit d'obtenteur;
6° la levée de la sûreté réelle ou du droit réel visé au point 5°.
1° la date de publication de la demande, lorsque cette publication est un événement à prendre en considération pour la computation des délais;
2° les objections ainsi que la date à laquelle elles ont été présentées, les nom et adresse de l'auteur de l'objection et, le cas échéant, de son mandataire;
3° les données relatives au droit de priorité;
4° les actions engagées sur la base des articles XI.159 et XI.161 du Code de droit économique, ainsi que les décisions passées en force de chose jugée et les décisions mettant fin, par tout autre moyen, à ces actions;
5° sur demande, la constitution d'une sûreté réelle ou d'un droit réel portant sur un titre de droit d'obtenteur;
6° la levée de la sûreté réelle ou du droit réel visé au point 5°.
Art.21. Onverminderd andere bepalingen van de wet of dit besluit, kan elke belanghebbende een verzoek tot inschrijving of doorhaling van een inschrijving in het register indienen. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan, onder bijvoeging van de nodige bewijsstukken.
Art.21. Sans préjudice d'autres dispositions de la loi ou du présent arrêté, toute personne intéressée peut présenter une demande d'inscription au registre ou de radiation d'une inscription du registre. Cette demande est présentée par écrit et accompagnée de pièces justificatives.
Art.22. § 1. Onverminderd artikel XI.153, § 4, van het Wetboek van economisch recht worden de aanvragen om de stukken bedoeld in artikel XI.153, § 3, 1° en 2°, van hetzelfde Wetboek in te kijken, schriftelijk aan de Dienst gericht.
§ 2. De Dienst levert, op verzoek, afschriften van deze stukken af.
§ 3. Op verzoek kan de inzage ook de vorm aannemen van een schriftelijke mededeling van informatie uit de stukken in kwestie.
De Dienst kan de betrokken persoon uitnodigen om de integrale stukken persoonlijk in te kijken als hij dat passend acht rekening houdend met de hoeveelheid te verstrekken informatie.
§ 2. De Dienst levert, op verzoek, afschriften van deze stukken af.
§ 3. Op verzoek kan de inzage ook de vorm aannemen van een schriftelijke mededeling van informatie uit de stukken in kwestie.
De Dienst kan de betrokken persoon uitnodigen om de integrale stukken persoonlijk in te kijken als hij dat passend acht rekening houdend met de hoeveelheid te verstrekken informatie.
Art.22. § 1er. Sans préjudice de l'article XI.153, § 4, du Code de droit économique, les demandes de consultation des pièces visées à l'article XI.153, § 3, 1° et 2°, du même Code sont adressées par écrit à l'Office.
§ 2. L'Office délivre, sur demande, des copies de ces pièces.
§ 3. Sur demande, la consultation peut également prendre la forme de la communication par écrit d'informations extraites des pièces en question.
L'Office peut inviter la personne intéressée à consulter personnellement les pièces intégrales s'il le juge approprié compte tenu de la quantité d'informations à fournir.
§ 2. L'Office délivre, sur demande, des copies de ces pièces.
§ 3. Sur demande, la consultation peut également prendre la forme de la communication par écrit d'informations extraites des pièces en question.
L'Office peut inviter la personne intéressée à consulter personnellement les pièces intégrales s'il le juge approprié compte tenu de la quantité d'informations à fournir.
Art.23. § 1. Een verzoek tot inzage van het technisch onderzoek als bedoeld in artikel XI.137 van het Wetboek van economisch recht wordt schriftelijk gedaan bij de dienst of de instelling die het onderzoek verricht om toegang tot de proefvelden te kunnen verkrijgen. Deze dienst of instelling brengt de Dienst hiervan op de hoogte en laat hem een verslag van inzage geworden.
§ 2. Onverminderd artikel XI.153, § 4, van het Wetboek van economisch recht, laten de bepalingen van dit besluit de algemene toegang van het publiek tot de proefvelden onverlet, voor zover alle rassen worden beschermd door middel van een code, de bevoegde dienst of instelling die het onderzoek verricht passende, door de Dienst goedgekeurde, maatregelen treft om diefstal van materiaal te voorkomen en alle nodige maatregelen ter bescherming van de rechten van de aanvrager of de houder van het kwekersrecht worden genomen.
§ 2. Onverminderd artikel XI.153, § 4, van het Wetboek van economisch recht, laten de bepalingen van dit besluit de algemene toegang van het publiek tot de proefvelden onverlet, voor zover alle rassen worden beschermd door middel van een code, de bevoegde dienst of instelling die het onderzoek verricht passende, door de Dienst goedgekeurde, maatregelen treft om diefstal van materiaal te voorkomen en alle nodige maatregelen ter bescherming van de rechten van de aanvrager of de houder van het kwekersrecht worden genomen.
Art.23. § 1er. Les demandes de consultation de l'examen technique visé à l'article XI.137 du Code de droit économique sont adressées par écrit au service ou à l'institution procédant à l'examen pour que l'accès aux parcelles expérimentales puisse être autorisé. Ledit service ou ladite institution en informe l'Office et lui transmet un rapport de la consultation.
§ 2. Sans préjudice de l'article XI.153, § 4, du Code de droit économique, les dispositions du présent arrêté n'empêchent pas l'ouverture au public des parcelles expérimentales, pour autant que toutes les variétés soient protégées par un code, que des mesures appropriées visant à empêcher tout vol de matériel soient prises par le service ou l'institution procédant à l'examen responsable et soient approuvées par l'Office et que toutes les mesures nécessaires soient prises pour protéger les droits du demandeur ou du titulaire du droit d'obtenteur.
§ 2. Sans préjudice de l'article XI.153, § 4, du Code de droit économique, les dispositions du présent arrêté n'empêchent pas l'ouverture au public des parcelles expérimentales, pour autant que toutes les variétés soient protégées par un code, que des mesures appropriées visant à empêcher tout vol de matériel soient prises par le service ou l'institution procédant à l'examen responsable et soient approuvées par l'Office et que toutes les mesures nécessaires soient prises pour protéger les droits du demandeur ou du titulaire du droit d'obtenteur.
Art.24. Met het oog op de bescherming van het vertrouwelijke karakter van de informatie die wordt verschaft naar aanleiding van de inzage, kan de Dienst kosteloos formulieren ter beschikking van de aanvrager van het kwekersrecht stellen, die hem toelaten de vertrouwelijke behandeling te vragen van de gegevens betreffende de componenten bedoeld in artikel XI.153, § 4, van het Wetboek van economisch recht.
Art.24. Pour protéger le caractère confidentiel des informations fournies à l'occasion de la consultation, l'Office peut mettre gratuitement à la disposition du demandeur du droit d'obtenteur des formulaires qui permettent à ce dernier de demander le traitement confidentiel des données relatives aux composants, visées à l'article XI.153, § 4, du Code de droit économique.
Art.25. Overeenkomstig artikel XI.154 van het Wetboek van economisch recht, publiceert de Dienst om de twee maanden een Bulletin der kweekproducten, hierna het Bulletin genoemd.
In het Bulletin worden ook de gegevens gepubliceerd die overeenkomstig artikel 20, 3°, 4°, en 5° in het register zijn ingeschreven.
In het Bulletin worden ook de gegevens gepubliceerd die overeenkomstig artikel 20, 3°, 4°, en 5° in het register zijn ingeschreven.
Art.25. Conformément à l'article XI.154 du Code de droit économique, l'Office publie tous les deux mois un Bulletin des obtentions végétales, ci-après dénommé le Bulletin.
Les informations inscrites au registre conformément à l'article 20, 3°, 4°, et 5°, sont également publiées au Bulletin.
Les informations inscrites au registre conformément à l'article 20, 3°, 4°, et 5°, sont également publiées au Bulletin.
Afdeling 7. - Vergoedingen en taksen
Section 7. - Redevances et taxes
Art.26. Het bedrag van de vergoedingen bedoeld in artikel XI.150 van het Wetboek van economisch recht en het bedrag van de taksen en toeslagen bedoeld in artikel XI.151 van hetzelfde Wetboek worden vastgesteld overeenkomstig de bij dit besluit gevoegde tabel.
Art.26. Le montant des redevances visées à l'article XI.150 du Code de droit économique et le montant des taxes et surtaxes visées à l'article XI.151 du même Code sont fixés conformément au tableau annexé au présent arrêté.
Art.27. § 1. Wanneer de Dienst voor het onderzoek van een ras of voor de controle op de instandhouding van een ras een beroep doet op de dienst van een Verdragsluitende partij of op een derde instelling, moet de aanvrager voor dit onderzoek het door deze dienst of deze instelling aangerekende bedrag betalen.
§ 2. Wanneer de Dienst aan de dienst van een Verdragsluitende partij de resultaten vraagt van een onderzoek van een ras uitgevoerd in deze Verdragsluitende partij en waarvoor de aanvrager van het kwekersrecht de vereiste vergoedingen heeft betaald, moet de laatstgenoemde de door de voornoemde dienst ingediende factuur voor de mededeling van de resultaten van dat onderzoek betalen.
§ 3. De Dienst kan de aanvrager verplichten om rechtstreeks aan de dienst van de Verdragsluitende partij of de betrokken derde instelling het door laatstgenoemden gevraagde bedrag te betalen.
§ 2. Wanneer de Dienst aan de dienst van een Verdragsluitende partij de resultaten vraagt van een onderzoek van een ras uitgevoerd in deze Verdragsluitende partij en waarvoor de aanvrager van het kwekersrecht de vereiste vergoedingen heeft betaald, moet de laatstgenoemde de door de voornoemde dienst ingediende factuur voor de mededeling van de resultaten van dat onderzoek betalen.
§ 3. De Dienst kan de aanvrager verplichten om rechtstreeks aan de dienst van de Verdragsluitende partij of de betrokken derde instelling het door laatstgenoemden gevraagde bedrag te betalen.
Art.27. § 1er. Lorsque l'Office fait appel pour l'examen d'une variété ou pour le contrôle du maintien d'une variété au service d'une Partie contractante ou à une tierce institution, le demandeur doit payer pour cet examen le montant facturé par ce service ou cette institution.
§ 2. Lorsque l'Office demande au service d'une Partie contractante les résultats d'un examen d'une variété effectué dans cette Partie contractante, et pour lesquels le demandeur du droit d'obtenteur a payé les redevances exigibles, ce dernier doit payer le montant de la facture introduite par le service précité pour la communication des résultats de cet examen.
§ 3. L'Office peut obliger le demandeur à payer directement au service de la Partie contractante ou à la tierce institution concernée le montant réclamé par ces derniers.
§ 2. Lorsque l'Office demande au service d'une Partie contractante les résultats d'un examen d'une variété effectué dans cette Partie contractante, et pour lesquels le demandeur du droit d'obtenteur a payé les redevances exigibles, ce dernier doit payer le montant de la facture introduite par le service précité pour la communication des résultats de cet examen.
§ 3. L'Office peut obliger le demandeur à payer directement au service de la Partie contractante ou à la tierce institution concernée le montant réclamé par ces derniers.
Art.28. De vergoedingen, jaartaksen en toeslagen worden aan de Dienst betaald. Ze worden vereffend via overschrijving op de bankrekening van de Dienst of, indien de Dienst het toestaat, door middel van een elektronische betaling.
Art.28. Les redevances, taxes annuelles et surtaxes sont payées à l'Office. Elles sont acquittées par virement au compte bancaire de l'Office ou, si l'Office l'autorise, au moyen d'un paiement électronique.
Art.29. Elke betaling bevat de aanduiding van de naam van de persoon die ze verricht, alsmede de gegevens die noodzakelijk zijn om het de Dienst mogelijk te maken gemakkelijk het voorwerp van de betaling te identificeren.
Indien het voorwerp van de betaling niet gemakkelijk identificeerbaar is, verzoekt de Dienst de persoon die de betaling verricht heeft dit voorwerp schriftelijk mede te delen binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving. Indien hij ter gelegener tijd aan dit verzoek geen gevolg geeft, wordt de betaling beschouwd niet verricht te zijn geweest. Zij wordt terugbetaald.
Indien het voorwerp van de betaling niet gemakkelijk identificeerbaar is, verzoekt de Dienst de persoon die de betaling verricht heeft dit voorwerp schriftelijk mede te delen binnen een termijn van twee maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving. Indien hij ter gelegener tijd aan dit verzoek geen gevolg geeft, wordt de betaling beschouwd niet verricht te zijn geweest. Zij wordt terugbetaald.
Art.29. Tout paiement comporte l'indication du nom de la personne qui l'effectue ainsi que les données nécessaires pour permettre à l'Office d'identifier facilement l'objet du paiement.
Si l'objet du paiement n'est pas facilement identifiable, l'Office invite la personne qui a effectué le paiement à communiquer cet objet par écrit dans un délai de deux mois à compter de la date de la notification. Si la personne ne donne pas suite à cette invitation en temps utile, le paiement est considéré comme nul et non avenu. Il est remboursé.
Si l'objet du paiement n'est pas facilement identifiable, l'Office invite la personne qui a effectué le paiement à communiquer cet objet par écrit dans un délai de deux mois à compter de la date de la notification. Si la personne ne donne pas suite à cette invitation en temps utile, le paiement est considéré comme nul et non avenu. Il est remboursé.
Art.30. § 1. Indien de vervaldag van een taks of van een bijkomende taks valt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, wordt de vervaldag uitgesteld tot de eerste daaropvolgende werkdag.
§ 2. Een betalingstermijn wordt in beginsel slechts geacht te zijn geëerbiedigd indien het geheel van het bedrag van de taks binnen de voorziene termijn werd betaald. Indien het geheel van de taks niet werd betaald, wordt het reeds gestort bedrag na het verstrijken van de termijn terugbetaald. Nochtans kan de Dienst, voor zover de lopende termijn dit toelaat, aan de persoon die de betaling verricht heeft de mogelijkheid geven later de rest te storten.
§ 2. Een betalingstermijn wordt in beginsel slechts geacht te zijn geëerbiedigd indien het geheel van het bedrag van de taks binnen de voorziene termijn werd betaald. Indien het geheel van de taks niet werd betaald, wordt het reeds gestort bedrag na het verstrijken van de termijn terugbetaald. Nochtans kan de Dienst, voor zover de lopende termijn dit toelaat, aan de persoon die de betaling verricht heeft de mogelijkheid geven later de rest te storten.
Art.30. § 1er. Si le jour de l'échéance d'une taxe ou d'une taxe supplémentaire est un samedi, un dimanche ou un jour férié légal, l'échéance est reportée au premier jour ouvrable qui suit.
§ 2. Un délai de paiement n'est, en principe, considéré comme respecté que si la totalité du montant de la taxe a été payée dans le délai prévu. Si la totalité de la taxe n'a pas été payée, le montant déjà versé est remboursé après expiration du délai. Toutefois, l'Office peut, pour autant que le délai en cours le permette, donner à la personne qui a effectué le paiement la possibilité de verser ultérieurement le complément.
§ 2. Un délai de paiement n'est, en principe, considéré comme respecté que si la totalité du montant de la taxe a été payée dans le délai prévu. Si la totalité de la taxe n'a pas été payée, le montant déjà versé est remboursé après expiration du délai. Toutefois, l'Office peut, pour autant que le délai en cours le permette, donner à la personne qui a effectué le paiement la possibilité de verser ultérieurement le complément.
HOOFDSTUK 3. - Materieel recht
CHAPITRE 3. - Droit matériel
Afdeling 1. - Verval van het kwekersrecht
Section 1re. - Déchéance du droit d'obtenteur
Art.31. § 1. In de gevallen bedoeld in artikel XI.123, § 3, van het Wetboek van economisch recht, stelt de Dienst de houder in kennis van zijn voornemen om het kwekersrecht vervallen te verklaren en biedt hem de mogelijkheid om zijn opmerkingen binnen een termijn van twee maanden voor te leggen. De kennisgeving gebeurt met een aangetekende zending.
§ 2. Indien de houder geen gevolg geeft aan de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving, of indien zijn opmerkingen ongegrond worden geacht, spreekt de Dienst het verval van het kwekersrecht uit.
§ 3. De beslissing waarbij de Dienst het kwekersrecht vervallen verklaart, wordt met een aangetekende zending meegedeeld aan de houder.
§ 2. Indien de houder geen gevolg geeft aan de in paragraaf 1 bedoelde kennisgeving, of indien zijn opmerkingen ongegrond worden geacht, spreekt de Dienst het verval van het kwekersrecht uit.
§ 3. De beslissing waarbij de Dienst het kwekersrecht vervallen verklaart, wordt met een aangetekende zending meegedeeld aan de houder.
Art.31. § 1er. Dans les cas visés à l'article XI.123, § 3, du Code de droit économique, l'Office notifie au titulaire son intention de prononcer la déchéance du droit d'obtenteur et lui offre la possibilité de présenter ses observations dans un délai de deux mois. La notification est faite par envoi recommandé.
§ 2. Si le titulaire ne donne pas suite à la notification visée au paragraphe 1er, ou si ses observations sont jugées non fondées, l'Office prononce la déchéance du droit d'obtenteur.
§ 3. La décision de l'Office prononçant la déchéance du droit d'obtenteur est notifiée au titulaire par envoi recommandé.
§ 2. Si le titulaire ne donne pas suite à la notification visée au paragraphe 1er, ou si ses observations sont jugées non fondées, l'Office prononce la déchéance du droit d'obtenteur.
§ 3. La décision de l'Office prononçant la déchéance du droit d'obtenteur est notifiée au titulaire par envoi recommandé.
Afdeling 2. - Overdracht van eigendom
Section 2. - Transfert de propriété
Art.32. § 1. Bij de mededeling van de overdracht van een kwekersrecht of van een aanvraag voor een kwekersrecht, bedoeld in artikel XI.124, § 4, van het Wetboek van economisch recht, wordt gevoegd :
1° hetzij een afschrift van de akte van overdracht of van het officiële document waaruit de overgang van rechten blijkt,
2° hetzij een uittreksel van die akte of dat document waaruit de overgang genoegzaam blijkt,
3° hetzij een attest van overdracht ondertekend door de partijen.
De mededeling bevat :
1° de namen, voornamen en volledige adressen van de partijen;
2° de datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht, de rasbenaming, het nummer en de datum van verlening van het kwekersrechtcertificaat of van de aanvraag voor een kwekersrecht.
De mededeling geeft ook aan of de overdracht al dan niet een situatie van mede-eigendom doet ontstaan.
§ 2. De mededelingen worden ingeschreven in het register in chronologische volgorde van de ontvangst ervan.
1° hetzij een afschrift van de akte van overdracht of van het officiële document waaruit de overgang van rechten blijkt,
2° hetzij een uittreksel van die akte of dat document waaruit de overgang genoegzaam blijkt,
3° hetzij een attest van overdracht ondertekend door de partijen.
De mededeling bevat :
1° de namen, voornamen en volledige adressen van de partijen;
2° de datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht, de rasbenaming, het nummer en de datum van verlening van het kwekersrechtcertificaat of van de aanvraag voor een kwekersrecht.
De mededeling geeft ook aan of de overdracht al dan niet een situatie van mede-eigendom doet ontstaan.
§ 2. De mededelingen worden ingeschreven in het register in chronologische volgorde van de ontvangst ervan.
Art.32. § 1er. La notification du transfert d'un droit d'obtenteur ou d'une demande de droit d'obtenteur, visé à l'article XI.124, § 4, du Code de droit économique, est accompagnée :
1° soit d'une copie de l'acte de cession ou du document officiel constatant la mutation des droits,
2° soit d'un extrait de cet acte ou de ce document suffisant pour constater le transfert,
3° soit d'une attestation de cession signée par les parties.
La notification contient :
1° les noms, prénoms et adresses complètes des parties;
2° la date de dépôt de la demande de droit d'obtenteur, la dénomination variétale, le numéro et la date de délivrance du certificat de droit d'obtenteur ou de la demande de droit d'obtenteur.
La notification indique également si la cession fait naître une situation de copropriété.
§ 2. Les notifications sont inscrites au registre dans l'ordre chronologique de leur réception.
1° soit d'une copie de l'acte de cession ou du document officiel constatant la mutation des droits,
2° soit d'un extrait de cet acte ou de ce document suffisant pour constater le transfert,
3° soit d'une attestation de cession signée par les parties.
La notification contient :
1° les noms, prénoms et adresses complètes des parties;
2° la date de dépôt de la demande de droit d'obtenteur, la dénomination variétale, le numéro et la date de délivrance du certificat de droit d'obtenteur ou de la demande de droit d'obtenteur.
La notification indique également si la cession fait naître une situation de copropriété.
§ 2. Les notifications sont inscrites au registre dans l'ordre chronologique de leur réception.
Afdeling 3. - Licenties
Section 3. - Licences
Art.33. Elke melding van een contractuele licentie bedoeld in artikel XI.125, § 3, van het Wetboek van economisch recht gebeurt via de verzending naar de Dienst van een door de partijen ondertekend attest.
Het attest bevat :
1° de namen, voornamen en volledige adressen van de partijen;
2° de datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht, de rasbenaming, het nummer en de datum van verlening van het kwekersrecht of van de aanvraag voor een kwekersrecht;
3° een vermelding of de licentie een exclusieve of niet-exclusieve licentie is;
4° de datum van inwerkingtreding van de licentie, de duur ervan, en het grondgebied waarop de licentie van toepassing is.
Het attest bevat :
1° de namen, voornamen en volledige adressen van de partijen;
2° de datum van indiening van de aanvraag voor een kwekersrecht, de rasbenaming, het nummer en de datum van verlening van het kwekersrecht of van de aanvraag voor een kwekersrecht;
3° een vermelding of de licentie een exclusieve of niet-exclusieve licentie is;
4° de datum van inwerkingtreding van de licentie, de duur ervan, en het grondgebied waarop de licentie van toepassing is.
Art.33. Toute notification d'une licence contractuelle visée à l'article XI.125, § 3, du Code de droit économique, s'effectue par l'envoi à l'Office d'une attestation signée par les parties.
L'attestation contient :
1° les noms, prénoms et adresses complètes des parties;
2° la date de dépôt de la demande de droit d'obtenteur, la dénomination variétale, le numéro et la date de délivrance du droit d'obtenteur ou de la demande de droit d'obtenteur;
3° une mention selon laquelle la licence est une licence exclusive ou non exclusive;
4° la date d'entrée en vigueur de la licence, sa durée, et le territoire sur lequel la licence est d'application.
L'attestation contient :
1° les noms, prénoms et adresses complètes des parties;
2° la date de dépôt de la demande de droit d'obtenteur, la dénomination variétale, le numéro et la date de délivrance du droit d'obtenteur ou de la demande de droit d'obtenteur;
3° une mention selon laquelle la licence est une licence exclusive ou non exclusive;
4° la date d'entrée en vigueur de la licence, sa durée, et le territoire sur lequel la licence est d'application.
Art.34. § 1. Elk verzoek om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van economisch recht bevat de volgende informatie :
1° de aanduiding van de verzoeker en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
3° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de gedwongen licentie betrekking moet hebben;
4° een verklaring betreffende het openbaar belang waarop het verzoek berust, met inbegrip van een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het ingeroepen openbaar belang worden aangevoerd;
5° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen.
§ 2. Elk verzoek om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 3°, van het Wetboek van economisch recht, bevat de volgende informatie :
1° de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
3° een voor eensluidend verklaard afschrift van het octrooi waarin het octrooinummer en de conclusie van het octrooi betreffende een biotechnologische uitvinding, alsook de naam van de octrooiverlenende instantie worden vermeld;
4° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de gedwongen licentie betrekking heeft;
5° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen;
6° een verklaring die uiteenzet waarom de biotechnologische uitvinding in kwestie een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde ras, en een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten ter ondersteuning van de aanspraak;
7° een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de licentie, dat het territoriale toepassingsgebied van het in 3° bedoelde octrooi niet mag overschrijden.
§ 3. Het verzoek om een in artikel XI.126, § 1, 4°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde wederkerige licentie, bevat de volgende informatie :
1° de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
3° een voor eensluidend verklaard afschrift van het octrooi waarin het octrooinummer en de conclusie van het octrooi betreffende een biotechnologische uitvinding, alsook de naam van de octrooiverlenende instantie worden vermeld;
4° een officieel document waarin wordt verklaard dat een gedwongen licentie voor een geoctrooieerde biotechnologische uitvinding aan de houder van het betrokken kwekersrecht is verleend;
5° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de wederkerige licentie betrekking heeft;
6° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen;
7° een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de wederkerige licentie, dat het territoriale toepassingsgebied van het in 3° bedoelde octrooi niet mag overschrijden.
§ 4. Bij een verzoek om een gedwongen licentie worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat de verzoeker de houder van het kwekersrecht vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht.
§ 5. Om een contractuele licentie wordt geacht vruchteloos te zijn verzocht in de zin van paragraaf 4, wanneer :
1° de houder niet binnen een redelijke tijd een definitief antwoord heeft gegeven aan de persoon die om een licentie verzoekt, of
2° de houder heeft geweigerd een contractuele licentie te verlenen aan de belanghebbende, of
3° de houder de belanghebbende een licentie heeft aangeboden, maar hetzij de voorwaarden van het aanbod, in het bijzonder die betreffende de te betalen vergoeding, hetzij de voorwaarden van het aanbod in hun geheel kennelijk onredelijk waren.
1° de aanduiding van de verzoeker en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
3° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de gedwongen licentie betrekking moet hebben;
4° een verklaring betreffende het openbaar belang waarop het verzoek berust, met inbegrip van een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten, die tot staving van het ingeroepen openbaar belang worden aangevoerd;
5° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen.
§ 2. Elk verzoek om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 3°, van het Wetboek van economisch recht, bevat de volgende informatie :
1° de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
3° een voor eensluidend verklaard afschrift van het octrooi waarin het octrooinummer en de conclusie van het octrooi betreffende een biotechnologische uitvinding, alsook de naam van de octrooiverlenende instantie worden vermeld;
4° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de gedwongen licentie betrekking heeft;
5° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen;
6° een verklaring die uiteenzet waarom de biotechnologische uitvinding in kwestie een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde ras, en een omstandige uiteenzetting van de feiten, bewijzen en argumenten ter ondersteuning van de aanspraak;
7° een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de licentie, dat het territoriale toepassingsgebied van het in 3° bedoelde octrooi niet mag overschrijden.
§ 3. Het verzoek om een in artikel XI.126, § 1, 4°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde wederkerige licentie, bevat de volgende informatie :
1° de aanduiding van de verzoeker die houder van een octrooirecht is en van de houder van het betrokken ras die zich verzet tegen de toekenning van een licentie, als partijen in de procedure;
2° de rasbenaming en de plantensoort waartoe het ras of de betrokken rassen behoren;
3° een voor eensluidend verklaard afschrift van het octrooi waarin het octrooinummer en de conclusie van het octrooi betreffende een biotechnologische uitvinding, alsook de naam van de octrooiverlenende instantie worden vermeld;
4° een officieel document waarin wordt verklaard dat een gedwongen licentie voor een geoctrooieerde biotechnologische uitvinding aan de houder van het betrokken kwekersrecht is verleend;
5° een voorstel inzake de aard van de handelingen waarop de wederkerige licentie betrekking heeft;
6° een voorstel voor een passende vergoeding en de berekeningsgrondslag die gebruikt wordt om deze te bepalen;
7° een voorstel voor het territoriale toepassingsgebied van de wederkerige licentie, dat het territoriale toepassingsgebied van het in 3° bedoelde octrooi niet mag overschrijden.
§ 4. Bij een verzoek om een gedwongen licentie worden de stukken gevoegd waaruit blijkt dat de verzoeker de houder van het kwekersrecht vruchteloos om een contractuele licentie heeft verzocht.
§ 5. Om een contractuele licentie wordt geacht vruchteloos te zijn verzocht in de zin van paragraaf 4, wanneer :
1° de houder niet binnen een redelijke tijd een definitief antwoord heeft gegeven aan de persoon die om een licentie verzoekt, of
2° de houder heeft geweigerd een contractuele licentie te verlenen aan de belanghebbende, of
3° de houder de belanghebbende een licentie heeft aangeboden, maar hetzij de voorwaarden van het aanbod, in het bijzonder die betreffende de te betalen vergoeding, hetzij de voorwaarden van het aanbod in hun geheel kennelijk onredelijk waren.
Art.34. § 1er. Toute demande de licence obligatoire au titre de l'article XI.126, § 1er, 1° et 2°, du Code de droit économique contient les renseignements suivants :
1° la désignation, comme parties à la procédure, du demandeur et du titulaire de la variété concernée qui s'oppose à l'octroi d'une licence;
2° la dénomination variétale et l'espèce végétale auxquelles appartiennent la variété ou les variétés concernées;
3° une proposition relative au type d'actes à couvrir par la licence obligatoire;
4° une déclaration précisant l'intérêt public en jeu, y compris le détail des faits, éléments de preuve et arguments présentés à l'appui de l'intérêt public revendiqué;
5° une proposition de rémunération adéquate précisant le mode de calcul utilisé pour sa détermination.
§ 2. Toute demande de licence obligatoire au titre de l'article XI.126, § 1er, 3°, du Code de droit économique contient les renseignements suivants:
1° la désignation, comme parties à la procédure, du demandeur titulaire d'un brevet et du titulaire de la variété concernée qui s'oppose à l'octroi d'une licence;
2° la dénomination variétale et l'espèce végétale auxquelles appartiennent la variété ou les variétés concernées;
3° une copie certifiée du brevet indiquant le numéro et la revendication du brevet relatif à une invention biotechnologique ainsi que le nom de l'autorité ayant délivré ledit brevet;
4° une proposition relative au type d'actes à couvrir par la licence obligatoire;
5° une proposition de rémunération adéquate précisant le mode de calcul utilisé pour sa détermination;
6° une déclaration expliquant en quoi l'invention biotechnologique en cause représente un progrès technique important, d'un intérêt économique considérable, par rapport à la variété protégée, et assortie d'une présentation détaillée des faits, des éléments de preuve et des arguments étayant cette revendication;
7° une proposition relative à la validité territoriale de la licence, qui ne peut dépasser celle du brevet visé au 3°.
§ 3. Toute demande de licence réciproque au titre de l'article XI.126, § 1er, 4°, du Code de droit économique contient les renseignements suivants:
1° la désignation, comme parties à la procédure, du demandeur titulaire d'un brevet et du titulaire de la variété concernée qui s'oppose à l'octroi d'une licence;
2° la dénomination variétale et l'espèce végétale auxquelles appartiennent la variété ou les variétés concernées;
3° une copie certifiée du brevet indiquant le numéro et la revendication du brevet relatif à une invention biotechnologique ainsi que le nom de l'autorité ayant délivré ledit brevet;
4° un document officiel attestant qu'une licence obligatoire pour une invention biotechnologique brevetée a été accordée au titulaire des droits pour l'obtention végétale concernée;
5° une proposition relative au type d'actes à couvrir par la licence réciproque;
6° une proposition de rémunération adéquate précisant le mode de calcul utilisé pour sa détermination;
7° une proposition relative à la validité territoriale de la licence réciproque, qui ne peut dépasser celle du brevet visé au 3°.
§ 4. Toute demande de licence obligatoire est accompagnée de documents établissant que le demandeur s'est vainement adressé au titulaire du droit d'obtention végétale pour obtenir une licence contractuelle.
§ 5. Est considérée comme vaine, au sens du paragraphe 4, toute demande de licence contractuelle pour laquelle:
1° le titulaire n'a donné aucune réponse définitive, dans un délai raisonnable, au demandeur de la licence; ou
2° le titulaire a refusé d'octroyer une licence contractuelle à l'intéressé; ou
3° le titulaire a proposé une licence à l'intéressé, mais à des conditions manifestement abusives, notamment en ce qui concerne la rémunération à acquitter, ou à des conditions qui sont, dans leur ensemble, manifestement abusives.
1° la désignation, comme parties à la procédure, du demandeur et du titulaire de la variété concernée qui s'oppose à l'octroi d'une licence;
2° la dénomination variétale et l'espèce végétale auxquelles appartiennent la variété ou les variétés concernées;
3° une proposition relative au type d'actes à couvrir par la licence obligatoire;
4° une déclaration précisant l'intérêt public en jeu, y compris le détail des faits, éléments de preuve et arguments présentés à l'appui de l'intérêt public revendiqué;
5° une proposition de rémunération adéquate précisant le mode de calcul utilisé pour sa détermination.
§ 2. Toute demande de licence obligatoire au titre de l'article XI.126, § 1er, 3°, du Code de droit économique contient les renseignements suivants:
1° la désignation, comme parties à la procédure, du demandeur titulaire d'un brevet et du titulaire de la variété concernée qui s'oppose à l'octroi d'une licence;
2° la dénomination variétale et l'espèce végétale auxquelles appartiennent la variété ou les variétés concernées;
3° une copie certifiée du brevet indiquant le numéro et la revendication du brevet relatif à une invention biotechnologique ainsi que le nom de l'autorité ayant délivré ledit brevet;
4° une proposition relative au type d'actes à couvrir par la licence obligatoire;
5° une proposition de rémunération adéquate précisant le mode de calcul utilisé pour sa détermination;
6° une déclaration expliquant en quoi l'invention biotechnologique en cause représente un progrès technique important, d'un intérêt économique considérable, par rapport à la variété protégée, et assortie d'une présentation détaillée des faits, des éléments de preuve et des arguments étayant cette revendication;
7° une proposition relative à la validité territoriale de la licence, qui ne peut dépasser celle du brevet visé au 3°.
§ 3. Toute demande de licence réciproque au titre de l'article XI.126, § 1er, 4°, du Code de droit économique contient les renseignements suivants:
1° la désignation, comme parties à la procédure, du demandeur titulaire d'un brevet et du titulaire de la variété concernée qui s'oppose à l'octroi d'une licence;
2° la dénomination variétale et l'espèce végétale auxquelles appartiennent la variété ou les variétés concernées;
3° une copie certifiée du brevet indiquant le numéro et la revendication du brevet relatif à une invention biotechnologique ainsi que le nom de l'autorité ayant délivré ledit brevet;
4° un document officiel attestant qu'une licence obligatoire pour une invention biotechnologique brevetée a été accordée au titulaire des droits pour l'obtention végétale concernée;
5° une proposition relative au type d'actes à couvrir par la licence réciproque;
6° une proposition de rémunération adéquate précisant le mode de calcul utilisé pour sa détermination;
7° une proposition relative à la validité territoriale de la licence réciproque, qui ne peut dépasser celle du brevet visé au 3°.
§ 4. Toute demande de licence obligatoire est accompagnée de documents établissant que le demandeur s'est vainement adressé au titulaire du droit d'obtention végétale pour obtenir une licence contractuelle.
§ 5. Est considérée comme vaine, au sens du paragraphe 4, toute demande de licence contractuelle pour laquelle:
1° le titulaire n'a donné aucune réponse définitive, dans un délai raisonnable, au demandeur de la licence; ou
2° le titulaire a refusé d'octroyer une licence contractuelle à l'intéressé; ou
3° le titulaire a proposé une licence à l'intéressé, mais à des conditions manifestement abusives, notamment en ce qui concerne la rémunération à acquitter, ou à des conditions qui sont, dans leur ensemble, manifestement abusives.
Art.35. § 1. De beslissing betreffende het verzoek om een gedwongen licentie wordt door de minister ondertekend en bevat de volgende informatie :
1° een verklaring dat de beslissing door de minister is genomen;
2° de datum van de beslissing;
3° de naam van de partijen in de procedure en van hun eventuele gemachtigden;
4° de verwijzing naar het advies van de Commissie voor de gedwongen licenties bedoeld in artikel XI.126, § 3, van het Wetboek van economisch recht;
5° een lijst van de vragen waarover voornoemde Commissie zich moest uitspreken;
6° een samenvatting van de feiten;
7° de gronden van de beslissing;
8° het beschikkend gedeelte van de beslissing waarin, in voorkomend geval, wordt gepreciseerd op welke handelingen de gedwongen licentie betrekking heeft, welke voorwaarden eraan zijn verbonden en aan welke categorie van personen zij wordt verleend, hierin begrepen, indien nodig, de bijzondere voorwaarden waaraan die categorie van personen moet voldoen.
§ 2. De minister betekent zijn beslissing aan de belanghebbenden via een aangetekende zending.
1° een verklaring dat de beslissing door de minister is genomen;
2° de datum van de beslissing;
3° de naam van de partijen in de procedure en van hun eventuele gemachtigden;
4° de verwijzing naar het advies van de Commissie voor de gedwongen licenties bedoeld in artikel XI.126, § 3, van het Wetboek van economisch recht;
5° een lijst van de vragen waarover voornoemde Commissie zich moest uitspreken;
6° een samenvatting van de feiten;
7° de gronden van de beslissing;
8° het beschikkend gedeelte van de beslissing waarin, in voorkomend geval, wordt gepreciseerd op welke handelingen de gedwongen licentie betrekking heeft, welke voorwaarden eraan zijn verbonden en aan welke categorie van personen zij wordt verleend, hierin begrepen, indien nodig, de bijzondere voorwaarden waaraan die categorie van personen moet voldoen.
§ 2. De minister betekent zijn beslissing aan de belanghebbenden via een aangetekende zending.
Art.35. § 1er. La décision relative à la demande de licence obligatoire est signée par le ministre et contient les informations suivantes :
1° une déclaration attestant que la décision est arrêtée par le ministre;
2° la date de la décision;
3° le nom des parties à la procédure et de leurs mandataires éventuels;
4° le renvoi à l'avis de la Commission des licences obligatoires visée à l'article XI.126, § 3, du Code de droit économique;
5° une liste des questions sur lesquelles la Commission précitée était appelée à se prononcer;
6° un résumé des faits;
7° les motifs de la décision;
8° le dispositif de la décision précisant, le cas échéant, les actes couverts par la licence obligatoire, les conditions qui la régissent et la catégorie de personnes à laquelle la licence est accordée, y compris, si nécessaire, les conditions particulières auxquelles cette catégorie de personnes doit répondre.
§ 2. Le ministre notifie sa décision aux intéressés par envoi recommandé.
1° une déclaration attestant que la décision est arrêtée par le ministre;
2° la date de la décision;
3° le nom des parties à la procédure et de leurs mandataires éventuels;
4° le renvoi à l'avis de la Commission des licences obligatoires visée à l'article XI.126, § 3, du Code de droit économique;
5° une liste des questions sur lesquelles la Commission précitée était appelée à se prononcer;
6° un résumé des faits;
7° les motifs de la décision;
8° le dispositif de la décision précisant, le cas échéant, les actes couverts par la licence obligatoire, les conditions qui la régissent et la catégorie de personnes à laquelle la licence est accordée, y compris, si nécessaire, les conditions particulières auxquelles cette catégorie de personnes doit répondre.
§ 2. Le ministre notifie sa décision aux intéressés par envoi recommandé.
Art.36. § 1. De beslissing om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 1° en 2°, van het Wetboek van economisch recht te verlenen, bevat een uiteenzetting van het openbaar belang in kwestie.
De volgende motieven kunnen met name een openbaar belang uitmaken :
1° de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
2° de noodzaak om de markt te voorzien van materiaal met bepaalde eigenschappen;
3° de noodzaak om het kweken van verbeterde rassen te blijven aanmoedigen.
§ 2. De beslissing om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 3° en 4°, van het Wetboek van economisch recht, te verlenen, bevat een uiteenzetting van de redenen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt.
De volgende elementen kunnen in het bijzonder worden aangehaald om te rechtvaardigen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras :
1° verbetering van de teelttechnieken;
2° verbetering van het milieu;
3° verbetering van de technieken ter bevordering van de exploitatie van genetische biodiversiteit;
4° verbetering van de kwaliteit;
5° verbetering van de opbrengst;
6° verbetering van de resistentie of tolerantie;
7° verbetering van het vermogen tot aanpassing aan bijzondere klimatologische en/of milieuomstandigheden.
§ 3. De gedwongen licentie mag niet worden overgedragen, tenzij zij tezamen met het deel van een onderneming dat van deze licentie gebruik maakt, of, in het in artikel XI.126, § 1, 2°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde geval, tezamen met het houderschap van een kwekersrecht op een hoofdzakelijk afgeleid ras wordt overgedragen.
De volgende motieven kunnen met name een openbaar belang uitmaken :
1° de bescherming van het leven of de gezondheid van mens, dier of plant;
2° de noodzaak om de markt te voorzien van materiaal met bepaalde eigenschappen;
3° de noodzaak om het kweken van verbeterde rassen te blijven aanmoedigen.
§ 2. De beslissing om een gedwongen licentie overeenkomstig artikel XI.126, § 1, 3° en 4°, van het Wetboek van economisch recht, te verlenen, bevat een uiteenzetting van de redenen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt.
De volgende elementen kunnen in het bijzonder worden aangehaald om te rechtvaardigen waarom de uitvinding een belangrijke technische vooruitgang van aanzienlijk economisch belang vertegenwoordigt ten opzichte van het beschermde plantenras :
1° verbetering van de teelttechnieken;
2° verbetering van het milieu;
3° verbetering van de technieken ter bevordering van de exploitatie van genetische biodiversiteit;
4° verbetering van de kwaliteit;
5° verbetering van de opbrengst;
6° verbetering van de resistentie of tolerantie;
7° verbetering van het vermogen tot aanpassing aan bijzondere klimatologische en/of milieuomstandigheden.
§ 3. De gedwongen licentie mag niet worden overgedragen, tenzij zij tezamen met het deel van een onderneming dat van deze licentie gebruik maakt, of, in het in artikel XI.126, § 1, 2°, van het Wetboek van economisch recht bedoelde geval, tezamen met het houderschap van een kwekersrecht op een hoofdzakelijk afgeleid ras wordt overgedragen.
Art.36. § 1er. Toute décision d'octroi d'une licence obligatoire au titre de l'article XI.126, § 1er, 1° et 2°, du Code de droit économique contient une déclaration exposant l'intérêt public en cause.
Les motifs suivants peuvent, notamment, représenter un intérêt public :
1° la protection de la vie ou de la santé humaine, animale ou végétale;
2° la nécessité d'approvisionner le marché en matériel présentant des caractéristiques déterminées;
3° la nécessité de continuer à encourager la sélection constante de variétés améliorées.
§ 2. Toute décision d'octroi d'une licence obligatoire au titre de l'article XI.126, § 1er, 3° et 4°, du Code de droit économique contient une déclaration expliquant en quoi l'invention représente un progrès technique important, d'un intérêt économique considérable.
Les éléments suivants peuvent, notamment, être cités pour justifier que l'invention représente un progrès technique important, d'un intérêt économique considérable, par rapport à l'obtention végétale protégée :
1° l'amélioration des techniques culturales;
2° l'amélioration de l'environnement;
3° l'amélioration des techniques facilitant l'exploitation de la biodiversité génétique;
4° l'amélioration de la qualité;
5° l'amélioration des rendements;
6° le renforcement de la résistance ou de la tolérance;
7° le renforcement des capacités d'adaptation à des conditions climatiques et/ou environnementales spécifiques.
§ 3. La licence obligatoire ne peut être cédée, sauf lorsqu'elle l'est en même temps que la partie de l'entreprise qui exploite la licence ou, dans le cas prévu à l'article XI.126, § 1er, 2°, du Code de droit économique, lorsqu'elle l'est en même temps que le titre de titulaire du droit d'obtenteur sur une variété essentiellement dérivée.
Les motifs suivants peuvent, notamment, représenter un intérêt public :
1° la protection de la vie ou de la santé humaine, animale ou végétale;
2° la nécessité d'approvisionner le marché en matériel présentant des caractéristiques déterminées;
3° la nécessité de continuer à encourager la sélection constante de variétés améliorées.
§ 2. Toute décision d'octroi d'une licence obligatoire au titre de l'article XI.126, § 1er, 3° et 4°, du Code de droit économique contient une déclaration expliquant en quoi l'invention représente un progrès technique important, d'un intérêt économique considérable.
Les éléments suivants peuvent, notamment, être cités pour justifier que l'invention représente un progrès technique important, d'un intérêt économique considérable, par rapport à l'obtention végétale protégée :
1° l'amélioration des techniques culturales;
2° l'amélioration de l'environnement;
3° l'amélioration des techniques facilitant l'exploitation de la biodiversité génétique;
4° l'amélioration de la qualité;
5° l'amélioration des rendements;
6° le renforcement de la résistance ou de la tolérance;
7° le renforcement des capacités d'adaptation à des conditions climatiques et/ou environnementales spécifiques.
§ 3. La licence obligatoire ne peut être cédée, sauf lorsqu'elle l'est en même temps que la partie de l'entreprise qui exploite la licence ou, dans le cas prévu à l'article XI.126, § 1er, 2°, du Code de droit économique, lorsqu'elle l'est en même temps que le titre de titulaire du droit d'obtenteur sur une variété essentiellement dérivée.
HOOFDSTUK 4. - Afwijking van het kwekersrecht
CHAPITRE 4. - Dérogation au droit d'obtenteur
Art.37. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende landbouwvariëteiten :
1° Avena sativa - Haver;
2° Hordeum vulgare L. - Gerst;
3° Triticum spelta L. - Spelt;
4° Solanum tuberosum - Aardappelen.
§ 2. De minister kan deze lijst echter wijzigen, na raadpleging van de Raad voor het kwekersrecht, en op voorwaarde dat de rechtmatige belangen van de kwekers niet worden geschonden. Hierbij kan de minister onder meer rekening houden met volgende criteria :
1° de variëteiten waarop de afwijking bedoeld in artikel XI.115, § 1 van het Wetboek van economisch recht van toepassing zou zijn;
2° de oppervlakte die door de landbouwer wordt gebruikt voor de betrokken teelt;
3° het aandeel of de hoeveelheid van het betrokken oogstproduct waarop de afwijking betrekking zou hebben;
4° de waarde van de oogst.
De minister waakt erover dat in de lijst bedoeld in paragraaf 1, enkel de landbouwvariëteiten worden opgenomen waarvan de landbouwers, in België, gewoonlijk een deel of het geheel van het oogstproduct bewaren voor reproductie of vermeerdering.
1° Avena sativa - Haver;
2° Hordeum vulgare L. - Gerst;
3° Triticum spelta L. - Spelt;
4° Solanum tuberosum - Aardappelen.
§ 2. De minister kan deze lijst echter wijzigen, na raadpleging van de Raad voor het kwekersrecht, en op voorwaarde dat de rechtmatige belangen van de kwekers niet worden geschonden. Hierbij kan de minister onder meer rekening houden met volgende criteria :
1° de variëteiten waarop de afwijking bedoeld in artikel XI.115, § 1 van het Wetboek van economisch recht van toepassing zou zijn;
2° de oppervlakte die door de landbouwer wordt gebruikt voor de betrokken teelt;
3° het aandeel of de hoeveelheid van het betrokken oogstproduct waarop de afwijking betrekking zou hebben;
4° de waarde van de oogst.
De minister waakt erover dat in de lijst bedoeld in paragraaf 1, enkel de landbouwvariëteiten worden opgenomen waarvan de landbouwers, in België, gewoonlijk een deel of het geheel van het oogstproduct bewaren voor reproductie of vermeerdering.
Art.37. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux variétés agricoles suivantes :
1° Avena sativa - Avoine;
2° Hordeum vulgare L. - Orge;
3° Triticum spelta L. - Epeautre;
4° Solanum tuberosum - Pommes de terre.
§ 2. Le ministre peut toutefois modifier cette liste, après consultation du Conseil du droit d'obtenteur, et sous réserve de la sauvegarde des intérêts légitimes des obtenteurs. A cette fin, le ministre peut notamment prendre en considération les critères suivants :
1° les types de variétés auxquels la dérogation visée à l'article XI.115, § 1er, du Code de droit économique serait applicable;
2° la superficie consacrée par l'agriculteur à la culture considérée;
3° la proportion ou la quantité du produit de la récolte en question qui serait soumise à la dérogation;
4° la valeur de la récolte.
Le ministre veille à n'introduire dans la liste visée au paragraphe 1er que les variétés agricoles pour lesquelles, en Belgique, il est courant pour les agriculteurs de conserver tout ou partie du produit de leurs récoltes à des fins de reproduction ou de multiplication.
1° Avena sativa - Avoine;
2° Hordeum vulgare L. - Orge;
3° Triticum spelta L. - Epeautre;
4° Solanum tuberosum - Pommes de terre.
§ 2. Le ministre peut toutefois modifier cette liste, après consultation du Conseil du droit d'obtenteur, et sous réserve de la sauvegarde des intérêts légitimes des obtenteurs. A cette fin, le ministre peut notamment prendre en considération les critères suivants :
1° les types de variétés auxquels la dérogation visée à l'article XI.115, § 1er, du Code de droit économique serait applicable;
2° la superficie consacrée par l'agriculteur à la culture considérée;
3° la proportion ou la quantité du produit de la récolte en question qui serait soumise à la dérogation;
4° la valeur de la récolte.
Le ministre veille à n'introduire dans la liste visée au paragraphe 1er que les variétés agricoles pour lesquelles, en Belgique, il est courant pour les agriculteurs de conserver tout ou partie du produit de leurs récoltes à des fins de reproduction ou de multiplication.
Art.38. § 1. Voor de in artikel 37 bedoelde landbouwrassen worden landbouwers gemachtigd de handelingen te verrichten bedoeld in artikel XI.115, § 1, van het Wetboek van economisch recht, op hun eigen bedrijf, mits betaling van een billijke vergoeding aan de houder van het kwekersrecht.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, hoeven kleine landbouwers deze vergoeding niet aan de houder van het kwekersrecht te betalen.
Onder "kleine landbouwers" wordt verstaan de kleine landbouwers bedoeld in artikel 14, lid 3, van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht en in artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers.
§ 2. In afwijking van paragraaf 1, hoeven kleine landbouwers deze vergoeding niet aan de houder van het kwekersrecht te betalen.
Onder "kleine landbouwers" wordt verstaan de kleine landbouwers bedoeld in artikel 14, lid 3, van de Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht en in artikel 7 van de Verordening (EG) nr. 1768/95 van de Commissie houdende vaststelling, overeenkomstig artikel 14, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad inzake het communautaire kwekersrecht, van uitvoeringsbepalingen betreffende de afwijking ten gunste van landbouwers.
Art.38. § 1er. Pour les variétés agricoles visées à l'article 37, les agriculteurs sont autorisés à accomplir les actes visés à l'article XI.115, § 1er, du Code de droit économique, sur leur propre exploitation moyennant le paiement d'une rémunération équitable au titulaire du droit d'obtenteur.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les petits agriculteurs ne sont pas tenus de payer cette rémunération au titulaire du droit d'obtenteur.
Par " petits agriculteurs ", on entend les petits agriculteurs visés par l'article 14, paragraphe 3, du Règlement (CE) N° 2100/94 du Conseil instituant un régime de protection communautaire des obtentions végétales et par l'article 7 du Règlement (CE) N° 1768/95 de la Commission établissant les modalités d'application de la dérogation prévue à l'article 14, paragraphe 3, du Règlement (CE) n° 2100/94 du Conseil instituant un régime de protection communautaire des obtentions végétales.
§ 2. Par dérogation au paragraphe 1er, les petits agriculteurs ne sont pas tenus de payer cette rémunération au titulaire du droit d'obtenteur.
Par " petits agriculteurs ", on entend les petits agriculteurs visés par l'article 14, paragraphe 3, du Règlement (CE) N° 2100/94 du Conseil instituant un régime de protection communautaire des obtentions végétales et par l'article 7 du Règlement (CE) N° 1768/95 de la Commission établissant les modalités d'application de la dérogation prévue à l'article 14, paragraphe 3, du Règlement (CE) n° 2100/94 du Conseil instituant un régime de protection communautaire des obtentions végétales.
Art.39. § 1. De uit het bepaalde in artikel XI.115, § 1, van het Wetboek van economisch recht voortvloeiende machtiging en verplichtingen van de landbouwer zijn niet vatbaar voor overdracht aan anderen. In geval van overdracht van het bedrijf van de landbouwer behoren ze evenwel tot de bevoegdheden en verplichtingen waarop deze overdracht betrekking heeft, tenzij, wat de verplichting tot betaling van de in artikel 38, § 1, bedoelde billijke vergoeding betreft, in de akte van overdracht van het bedrijf anders is bepaald. De overdracht van de machtiging en verplichtingen vindt op hetzelfde ogenblik plaats als de overdracht van het bedrijf.
§ 2. Onder "eigen bedrijf" in de zin van artikel XI.115, § 1, van het Wetboek van economisch recht wordt verstaan elk bedrijf of gedeelte van een bedrijf, dat de landbouwer daadwerkelijk voor de teelt van gewassen exploiteert, hetzij als eigendom, hetzij anderszins in eigen naam en voor eigen rekening, met name in het geval van een pachtovereenkomst. De vervreemding van een bedrijf of gedeelte van een bedrijf met het oog op de exploitatie daarvan door derden wordt als een overdracht in de zin van paragraaf 1 beschouwd.
§ 3. De persoon aan wie het bedrijf in eigendom toebehoort op het ogenblik waarop nakoming van een verplichting wordt geëist, wordt geacht de landbouwer te zijn, tenzij hij bewijst dat een andere persoon de landbouwer is die overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 de verplichting moet nakomen.
§ 2. Onder "eigen bedrijf" in de zin van artikel XI.115, § 1, van het Wetboek van economisch recht wordt verstaan elk bedrijf of gedeelte van een bedrijf, dat de landbouwer daadwerkelijk voor de teelt van gewassen exploiteert, hetzij als eigendom, hetzij anderszins in eigen naam en voor eigen rekening, met name in het geval van een pachtovereenkomst. De vervreemding van een bedrijf of gedeelte van een bedrijf met het oog op de exploitatie daarvan door derden wordt als een overdracht in de zin van paragraaf 1 beschouwd.
§ 3. De persoon aan wie het bedrijf in eigendom toebehoort op het ogenblik waarop nakoming van een verplichting wordt geëist, wordt geacht de landbouwer te zijn, tenzij hij bewijst dat een andere persoon de landbouwer is die overeenkomstig het bepaalde in de paragrafen 1 en 2 de verplichting moet nakomen.
Art.39. § 1er. L'autorisation et les obligations de l'agriculteur qui découlent des dispositions de l'article XI.115, § 1er, du Code de droit économique, ne peuvent faire l'objet d'un transfert à d'autres personnes. Toutefois, elles font partie des droits et des obligations concernés par le transfert de l'exploitation de l'agriculteur sauf si l'acte de transfert de l'exploitation prévoit d'autres dispositions concernant l'obligation de payer la rémunération équitable visée à l'article 38, § 1er. Le transfert de l'autorisation et des obligations prennent effet en même temps que le transfert de l'exploitation.
§ 2. Est considérée comme " propre exploitation " au sens de l'article XI.115, § 1er, du Code de droit économique, toute exploitation ou toute partie de celle-ci effectivement exploitée par l'agriculteur pour la culture d'espèces végétales, que l'exploitation soit sa propriété ou qu'elle soit dirigée de quelque façon que ce soit sous sa propre responsabilité et à son propre compte, notamment dans le cas de baux. La cession d'une exploitation ou d'une partie de celle-ci en vue de l'exploitation par des tiers sera considérée comme un transfert au sens du paragraphe 1er.
§ 3. La personne propriétaire de l'exploitation concernée au moment où l'exécution d'une obligation est revendiquée sera considérée comme étant l'agriculteur, à moins qu'elle ne fournisse la preuve qu'une autre personne est l'agriculteur tenu de respecter l'obligation au titre des dispositions des paragraphes 1 et 2.
§ 2. Est considérée comme " propre exploitation " au sens de l'article XI.115, § 1er, du Code de droit économique, toute exploitation ou toute partie de celle-ci effectivement exploitée par l'agriculteur pour la culture d'espèces végétales, que l'exploitation soit sa propriété ou qu'elle soit dirigée de quelque façon que ce soit sous sa propre responsabilité et à son propre compte, notamment dans le cas de baux. La cession d'une exploitation ou d'une partie de celle-ci en vue de l'exploitation par des tiers sera considérée comme un transfert au sens du paragraphe 1er.
§ 3. La personne propriétaire de l'exploitation concernée au moment où l'exécution d'une obligation est revendiquée sera considérée comme étant l'agriculteur, à moins qu'elle ne fournisse la preuve qu'une autre personne est l'agriculteur tenu de respecter l'obligation au titre des dispositions des paragraphes 1 et 2.
Art.40. § 1. Het bedrag van de in artikel 38, § 1 bedoelde billijke vergoeding is vastgesteld in een overeenkomst gesloten tussen de landbouwer en de houder van het kwekersrecht binnen twaalf maanden na het daadwerkelijke gebruik van het oogstproduct voor vermeerderingsdoeleinden. Dit bedrag mag niet lager zijn dan 50% van de bedragen die verschuldigd zijn voor het onder licentie produceren van teeltmateriaal van hetzelfde ras.
§ 2. Op straffe van nietigheid bepaalt de overeenkomst ook de toepassingsvoorwaarden van de afwijking bepaald in artikel XI.115 van het Wetboek van economisch recht, met inbegrip van de modaliteiten voor de vaststelling en voor de betaling van de vergoeding.
§ 2. Op straffe van nietigheid bepaalt de overeenkomst ook de toepassingsvoorwaarden van de afwijking bepaald in artikel XI.115 van het Wetboek van economisch recht, met inbegrip van de modaliteiten voor de vaststelling en voor de betaling van de vergoeding.
Art.40. § 1er. Le montant de la rémunération équitable visée à l'article 38, § 1er, est fixé dans un contrat conclu entre l'agriculteur et le titulaire du droit d'obtenteur dans les douze mois de l'utilisation effective du produit de la récolte à des fins de multiplication. Ce montant ne peut être inférieur à 50% des montants dus pour la production sous licence de matériel de multiplication de la même variété.
§ 2. Sous peine de nullité, le contrat définit également les conditions d'application de la dérogation définie à l'article XI.115 du Code de droit économique, y compris les modalités de fixation et de paiement de la rémunération.
§ 2. Sous peine de nullité, le contrat définit également les conditions d'application de la dérogation définie à l'article XI.115 du Code de droit économique, y compris les modalités de fixation et de paiement de la rémunération.
Art.41. Niet-naleving van de toepassings-voorwaarden van de afwijking bedoeld in artikel XI.115 van het Wetboek van economisch recht of het ontbreken van een overeenkomst conform artikel 40 leidt tot het verlies van het voordeel van deze afwijking.
Art.41. Le non-respect des conditions d'application de la dérogation prévue à l'article XI.115 du Code de droit économique ou l'absence de contrat conformément à l'article 40 entraine la perte du bénéfice de cette dérogation.
HOOFDSTUK 5. - De Raad voor het kwekersrecht en de Commissie voor de gedwongen licenties
CHAPITRE 5. - Le Conseil du droit d'obtenteur et la Commission des licences obligatoires
Afdeling 1. - De Raad voor het kwekersrecht
Section 1. . - Le Conseil du droit d'obtenteur
Art.42. De Raad voor het kwekersrecht bedoeld in artikel XI.127 van het Wetboek van economisch recht, hierna " de Raad " genoemd, legt aan de minister, op eigen initiatief na overleg met de Dienst of op verzoek van de minister, adviezen voor, over vragen die verband houden met de bescherming van kweekproducten.
Art.42. Le Conseil du droit d'obtenteur visé à l'article XI.127 du Code de droit économique, ci-après dénommé " le Conseil ", remet à l'attention du ministre, d'initiative après concertation avec l'Office, ou à la demande du ministre, des avis sur les questions relatives à la protection des obtentions végétales.
Art.43. § 1. De Raad omvat :
1° twaalf personen die in het bijzonder bevoegd zijn op het gebied van genetica, botanica of plantenteelt, respectievelijk van landbouwgewassen, groenten en fruit, niet-eetbare tuinbouwproducten en bosgewassen;
2° drie personen die in het bijzonder bevoegd zijn op het gebied van intellectuele eigendom.
§ 2. De Raad duidt zijn voorzitter en ondervoorzitter aan.
§ 3. De leden van de Raad worden benoemd voor een termijn van vijf jaar; hun mandaat is hernieuwbaar.
1° twaalf personen die in het bijzonder bevoegd zijn op het gebied van genetica, botanica of plantenteelt, respectievelijk van landbouwgewassen, groenten en fruit, niet-eetbare tuinbouwproducten en bosgewassen;
2° drie personen die in het bijzonder bevoegd zijn op het gebied van intellectuele eigendom.
§ 2. De Raad duidt zijn voorzitter en ondervoorzitter aan.
§ 3. De leden van de Raad worden benoemd voor een termijn van vijf jaar; hun mandaat is hernieuwbaar.
Art.43. § 1er. Le Conseil comprend :
1° douze personnes particulièrement qualifiées en matière de génétique, de botanique ou de phytotechnie, respectivement des plantes agricoles, des légumes et fruits, des produits horticoles non comestibles et des plantes forestières;
2° trois personnes particulièrement qualifiées en droit de la propriété intellectuelle.
§ 2. Le Conseil désigne son président et son vice-président.
§ 3. Les membres du Conseil sont nommés pour un terme de cinq ans; leur mandat est renouvelable.
1° douze personnes particulièrement qualifiées en matière de génétique, de botanique ou de phytotechnie, respectivement des plantes agricoles, des légumes et fruits, des produits horticoles non comestibles et des plantes forestières;
2° trois personnes particulièrement qualifiées en droit de la propriété intellectuelle.
§ 2. Le Conseil désigne son président et son vice-président.
§ 3. Les membres du Conseil sont nommés pour un terme de cinq ans; leur mandat est renouvelable.
Art.44. § 1. De Raad kan het onderzoek van één of meer vraagstukken toevertrouwen aan een ad hoc werkgroep samengesteld uit leden van de Raad en uit personen vermeld in paragraaf 2.
§ 2. Het staat de Raad vrij om externe deskundigen of elke andere persoon wiens medewerking nuttig is voor zijn werkzaamheden, op te roepen. De aanduiding van deze deskundigen of andere personen moet het voorwerp van een consensus binnen de Raad zijn.
§ 3. Het secretariaat van de Raad wordt verzorgd door de Dienst.
§ 2. Het staat de Raad vrij om externe deskundigen of elke andere persoon wiens medewerking nuttig is voor zijn werkzaamheden, op te roepen. De aanduiding van deze deskundigen of andere personen moet het voorwerp van een consensus binnen de Raad zijn.
§ 3. Het secretariaat van de Raad wordt verzorgd door de Dienst.
Art.44. § 1er. Le Conseil peut confier l'examen d'une ou plusieurs questions à un groupe de travail ad hoc composé de membres du Conseil et de personnes mentionnées au paragraphe 2.
§ 2. Il est loisible au Conseil d'appeler des experts extérieurs ou toute personne dont la collaboration est utile à ses travaux. La désignation de ces experts ou autres personnes doit faire l'objet d'un consensus au sein du Conseil.
§ 3. Le secrétariat du Conseil est assuré par l'Office.
§ 2. Il est loisible au Conseil d'appeler des experts extérieurs ou toute personne dont la collaboration est utile à ses travaux. La désignation de ces experts ou autres personnes doit faire l'objet d'un consensus au sein du Conseil.
§ 3. Le secrétariat du Conseil est assuré par l'Office.
Art.45. De adviezen van de Raad worden bij consensus aangenomen. Bij gebrek aan consensus herneemt het advies de verschillende standpunten.
De Raad beslist over de publiciteit die aan zijn adviezen moet worden gegeven.
De Raad beslist over de publiciteit die aan zijn adviezen moet worden gegeven.
Art.45. Les avis du Conseil sont adoptés par consensus. A défaut de consensus, l'avis reprend les différentes opinions.
Le Conseil décide de la publicité à donner à ses avis.
Le Conseil décide de la publicité à donner à ses avis.
Art.46. De vergaderingen van de Raad zijn niet openbaar.
De leden van de Raad, de deskundigen en elke andere genodigde zijn geheimhouding verschuldigd voor alles wat hun opdracht aangaat. Ze mogen niet deelnemen aan de bespreking van aangelegenheden waarin zij enig belang hebben.
De voorzitter kan een lid ter orde roepen of schorsen na het gehoord te hebben.
De leden van de Raad, de deskundigen en elke andere genodigde zijn geheimhouding verschuldigd voor alles wat hun opdracht aangaat. Ze mogen niet deelnemen aan de bespreking van aangelegenheden waarin zij enig belang hebben.
De voorzitter kan een lid ter orde roepen of schorsen na het gehoord te hebben.
Art.46. Les séances du Conseil ne sont pas publiques.
Les membres du Conseil, les experts et toute autre personne invitée sont tenus au secret pour tout ce qui se rapporte à leur mission. Ils ne peuvent prendre part à la délibération des affaires dans lesquelles ils ont un intérêt.
Le président peut rappeler à l'ordre ou suspendre un membre, après l'avoir entendu.
Les membres du Conseil, les experts et toute autre personne invitée sont tenus au secret pour tout ce qui se rapporte à leur mission. Ils ne peuvent prendre part à la délibération des affaires dans lesquelles ils ont un intérêt.
Le président peut rappeler à l'ordre ou suspendre un membre, après l'avoir entendu.
Art.47. De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op dat ter goedkeuring aan de minister wordt voorgelegd.
Art.47. Le Conseil établit son règlement d'ordre intérieur, lequel est soumis à l'approbation du ministre.
Art.48. Het mandaat van de leden van de Raad, van de deskundigen en van de personen bedoeld in artikel 44, § 2, is onbezoldigd. Desalniettemin ontvangen zij, indien hun woonplaats en hun hoofdactiviteit zich buiten Brussel-Hoofdstad bevinden, de terugbetaling van de reiskosten die zij hebben gedragen om zich van hun woonplaats naar de plaats van de vergadering te begeven, ook als zij hun persoonlijk voertuig gebruikt hebben.
De terugbetaling van de reiskosten gebeurt in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.
De terugbetaling van de reiskosten gebeurt in overeenstemming met de bepalingen van het koninklijk besluit van 18 januari 1965 houdende algemene regeling inzake reiskosten.
Art.48. Le mandat des membres du Conseil, des experts et personnes visés à l'article 44, § 2, est gratuit. Toutefois, s'ils résident et ont leur activité principale en dehors de Bruxelles-Capitale, ils reçoivent le remboursement des frais de parcours qu'ils ont exposés pour se rendre du lieu de leur résidence à celui de la réunion, y compris s'ils ont utilisés leur véhicule personnel.
Le remboursement des frais de parcours s'effectue conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours.
Le remboursement des frais de parcours s'effectue conformément aux dispositions de l'arrêté royal du 18 janvier 1965 portant réglementation générale en matière de frais de parcours.
Afdeling 2. - De Commissie voor de gedwongen licenties
Section 2. - La Commission des licences obligatoires
Art.49. De modaliteiten van werking en organisatie van de Commissie voor de gedwongen licenties, bedoeld in artikel XI.128, § 1, negende lid, van het Wetboek van economisch recht, zijn dezelfde als die waarin de reglementering betreffende de uitvindingsoctrooien voorziet.
Art.49. Les modalités de fonctionnement et d'organisation de la Commission des licences obligatoires, visées à l'article XI.128, § 1er, alinéa 9, du Code de droit économique, sont identiques à celles prévues par la réglementation relative aux brevets d'invention.
HOOFDSTUK 6. - Slotbepalingen
CHAPITRE 6. - Dispositions finales
Art.50. Worden opgeheven op 1 juli 2015 :
1° de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekproducten, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 1993, 9 mei 2007 en 10 mei 2007;
2° de wet van 10 januari 2011 ter bescherming van kweekproducten;
3° het koninklijk besluit van 22 juli 1977 tot bescherming van kweekproducten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 2005;
4° het koninklijk besluit van 22 juli 1977 tot bepaling van de rechten te betalen inzake de bescherming van kweekproducten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001;
5° het koninklijk besluit van 1 oktober 1993 tot aanwijzing van de plantensoorten van dewelke een kwekerscertificaat kan worden verleend en tot bepaling van de duur van de bescherming voor die soorten.
1° de wet van 20 mei 1975 tot bescherming van kweekproducten, gewijzigd bij de wetten van 17 maart 1993, 9 mei 2007 en 10 mei 2007;
2° de wet van 10 januari 2011 ter bescherming van kweekproducten;
3° het koninklijk besluit van 22 juli 1977 tot bescherming van kweekproducten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 maart 2005;
4° het koninklijk besluit van 22 juli 1977 tot bepaling van de rechten te betalen inzake de bescherming van kweekproducten, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 13 juli 2001;
5° het koninklijk besluit van 1 oktober 1993 tot aanwijzing van de plantensoorten van dewelke een kwekerscertificaat kan worden verleend en tot bepaling van de duur van de bescherming voor die soorten.
Art.50. Sont abrogés le 1er juillet 2015 :
1° la loi du 20 mai 1975 sur la protection des obtentions végétales, modifiée par les lois des 17 mars 1993, 9 mai 2007 et 10 mai 2007;
2° la loi du 10 janvier 2011 sur la protection des obtentions végétales;
3° l'arrêté royal du 22 juillet 1977 sur la protection des obtentions végétales, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 mars 2005;
4° l'arrêté royal du 22 juillet 1977 déterminant les redevances à payer en matière de protection du droit d'obtention végétale, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 13 juillet 2001;
5° l'arrêté royal du 1er octobre 1993 déterminant les espèces végétales pour lesquelles un certificat d'obtention peut être délivré et fixant la durée de la protection pour ces espèces.
1° la loi du 20 mai 1975 sur la protection des obtentions végétales, modifiée par les lois des 17 mars 1993, 9 mai 2007 et 10 mai 2007;
2° la loi du 10 janvier 2011 sur la protection des obtentions végétales;
3° l'arrêté royal du 22 juillet 1977 sur la protection des obtentions végétales, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 15 mars 2005;
4° l'arrêté royal du 22 juillet 1977 déterminant les redevances à payer en matière de protection du droit d'obtention végétale, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 13 juillet 2001;
5° l'arrêté royal du 1er octobre 1993 déterminant les espèces végétales pour lesquelles un certificat d'obtention peut être délivré et fixant la durée de la protection pour ces espèces.
Art.51. Dit besluit treedt in werking op 1 juli 2015.
Art.51. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er juillet 2015.
Art.52. De minister bevoegd voor Economie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.52. Le ministre ayant l'Economie dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Vergoedingen, taksen en toeslagen verschuldigd met betrekking tot kwekersrecht
Art. N. Redevances, taxes et surtaxes dues en matière de droit d'obtenteur
| Klassen | Te innen vergoedingen, taksen en toeslagen Bedrag in euro | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Om het bedrag van de vergoedingen te bepalen, worden de plantensoorten in drie klassen ingedeeld. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Klasse A : tarwe, gerst, haver, aardappel, suikerbiet; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Klasse B : rogge, spelt, maïs, grassen, voedergewassen, oliehoudende planten en vezelgewassen, roos, anjer, chrysant, tulp, fresia, azalea, rododendron, begonia, sla, tomaat, witloof, erwt, boon, wortel, schorseneer, bloemkool, ajuin, prei, selder; | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| Klasse C : landbouwgewassen, uitgezonderd die vermeld onder klassen A en B, tuinbouwgewassen en sierplanten uitgezonderd die vermeld onder klasse B, fruitbomen en fruitheesters, aardbeienplant, sier- en bosbomen, sierheesters. | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| A | B | C | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| I De neerlegging en de behandeling der aanvraag : | |||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 150 | 150 | 150 | a) Voor de neerlegging en inschrijving van de aanvraag | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 50 | 50 | 50 | b) Voor het beroep op het recht van voorrang | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 50 | 50 | 50 | c) Indien geen rasbenaming wordt voorgesteld bij de neerlegging van de aanvraag, maar wel afzonderlijk | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 50 | 50 | 50 | d) Bij het voorstellen van een nieuwe benaming | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
e) Voor het rasonderzoek (*)| 445 | 345 | 250 | Voor de eerste onderzoeksperiode | 295 | 225 | 150 | Voor de tweede en elke volgende onderzoeksperiode | 295 | 225 | 150 | Voor de controle op de instandhouding van het ras | | | | II Het behoud van de geldigheid van het kwekersrecht : | | | | a) Jaarlijkse rechten : | 75 | 75 | 75 | Eerste jaar | 150 | 125 | 100 | Tweede jaar | 225 | 175 | 125 | Derde jaar | 295 | 225 | 150 | Vierde jaar | 370 | 275 | 175 | Vijfde tot vijfentwintigste jaar | 20 % | 20 % | 20 % | b) Bijkomend recht in geval van betaling van achterstallig jaarlijks recht (in % van het betrokken jaarlijks recht) | | | | III Bij aflevering en inschrijving in rassenregister van : | 62 | 62 | 62 | a) Licenties, per neerlegging | 62 | 62 | 62 | b) Dwanglicenties | 62 | 62 | 62 | IV Bij inschrijving van een overdracht van kwekersrecht in het rassenregister | | | | V Bij aflevering van : | 37 | 37 | 37 | a) Afschrift van inschrijving in het rassenregister | 37 | 37 | 37 | b) Afschrift van de aanvraag voor een kwekersrecht | 37 | 37 | 37 | c) Getuigschrift dat er geen inschrijving bestaat | 62 | 62 | 62 | VI Bij alle andere inschrijvingen of schrappingen in het register der aanvragen of in het rassenregister, per vermelding | 350 | 350 | 350 | VII Herstel in de rechten wanneer een termijn voor een handeling in een procedure voor de Dienst niet in acht genomen werd | (*) Indien, voor het onderzoek naar de onderscheidbaarheid, de homogeniteit en de bestendigheid, beroep wordt gedaan op een buitenlandse dienst, is het bedrag verschuldigd dat door deze dienst wordt gefactureerd. | [1 (**) De bescherming tussen het vijfentwintigste en het dertigste jaar is enkel van toepassing voor de rassen van wijnstokken, bomen en aardappelen, overeenkomstig artikel XI.120 van het Wetboek van economisch recht.]1 | (1)<KB 2016-07-10/04, art. 3, 002; Inwerkingtreding : 26-07-2016> | | ||||||||||||
| Redevances, taxes et surtaxes à percevoir Montant en euros | ||||
| Pour déterminer le montant des redevances, les espèces végétales sont réparties en trois classes. | ||||
| Classe A : blé, orge, avoine, pomme de terre, betterave sucrière; | ||||
| Classe B : seigle, épeautre, maïs, graminées, plantes fourragères, plantes oléagineuses et plantes à fibres, rosier, oeillet, chrysanthème, tulipe, freesia, azalée, rhododendron, bégonia, laitue, tomate, chicorée- witloof, pois, haricot, carotte, scorsonère, chou-fleur, oignon, poireau, céleri; | ||||
| Classe C : les plantes agricoles exceptées celles mentionnées à la classe A et B, les plantes horticoles et les plantes ornementales exceptées celles mentionnées à la classe B, arbres et arbustes fruitiers, fraisier, arbres ornementaux et forestiers, arbustes ornementaux. | ||||
| A | B | C | ||
| I Dépôt et instruction de la demande : | ||||
| a) Pour le dépôt et l'inscription de la demande | 150 | 150 | 150 | |
| b) Pour la revendication du droit de priorité | 50 | 50 | 50 | |
| c) Lorsqu'une dénomination variétale n'est pas proposée en même temps que le dépôt de la demande, indépendamment de celle-ci | 50 | 50 | 50 | |
| d) Lorsqu'une nouvelle dénomination est proposée | 50 | 50 | 50 | |
| e) Pour l'examen de la variété (*) | ||||
| Pour la première période d'examen | 445 | 345 | 250 | |
| Pour la deuxième période et chaque période suivante d'examen | 295 | 225 | 150 | |
| Pour le contrôle du maintien de la variété | 295 | 225 | 150 | |
| II Maintien de la validité du droit d'obtenteur : | ||||
| a) Redevances annuelles : | ||||
| Première année | 75 | 75 | 75 | |
| Deuxième année | 150 | 125 | 100 | |
| Troisième année | 225 | 175 | 125 | |
| Quatrième année | 295 | 225 | 150 | |
| [1 Cinquième à trentième année (**)]1 | 370 | 275 | 175 | |
| b) Redevance supplémentaire dans le cas d'une redevance annuelle non payée à la date de l'échéance (en % de la redevance annuelle concernée) | 20 % | 20 % | 20 % | |
| III Délivrance et inscription dans le registre des variétés de : | ||||
| a) Licences, par dépôt | 62 | 62 | 62 | |
| b) Licences obligatoires | 62 | 62 | 62 | |
| IV Inscription d'une cession du droit d'obtenteur dans le registre des variétés | 62 | 62 | 62 | |
| V Délivrance de : | ||||
| a) Copie des inscriptions dans le registre des variétés | 37 | 37 | 37 | |
| b) Copie de la demande de droit d'obtenteur | 37 | 37 | 37 | |
| c) Attestation qu'il n'existe pas d'inscription | 37 | 37 | 37 | |
| VI Toute autre inscription ou radiation dans le registre des demandes ou le registre des variétés, par annotation | 62 | 62 | 62 | |
| VII Restauration des droits suite à l'inobservation d'un délai fixé pour l'accomplissement d'un acte dans une procédure devant l'Office | 350 | 350 | 350 | |
| (*) Lorsque, pour l'examen de la distinction, de l'homogénéité et de la stabilité, il est fait appel à un service étranger, le montant dû est celui facturé par ce service. | ||||
| [1 (**) La protection entre la vingt-cinquième et la trentième année n'est applicable que pour les variétés de vignes, d'arbres et de pommes de terre, conformément à l'article XI.120 du Code de droit économique.]1 | ||||
| (1)<AR 2016-07-10/04, art. 1, 002; En vigueur : 26-07-2016> | ||||