Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
15 MEI 2014. - Wet houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 22-05-2014 en tekstbijwerking tot 13-01-2023)
Titre
15 MAI 2014. - Loi portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 22-05-2014 et mise à jour au 13-01-2023)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (103)
Texte (103)
TITEL 1. - Algemene bepaling
TITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
TITEL 2. - Vermindering van de arbeidskosten en ondersteuning van de koopkracht
TITRE 2. - La réduction du coût du travail et le soutien au pouvoir d'achat
HOOFDSTUK 1. - Vermindering van de bijdragen
CHAPITRE 1er. - Réduction des cotisations
Art.2. In artikel 331 van de programmawet (I) van 24 december 2002, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 26 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  " Met ingang van 1 januari 2015 wordt F voor een werknemer van categorie 1 verhoogd met een bedrag van 14,00 EUR. Met ingang van 1 januari 2017 wordt F voor een werknemer van categorie 1 nogmaals verhoogd met een bedrag van 14,00 EUR. Met ingang van 1 januari 2019 wordt F voor een werknemer van categorie 1 nogmaals verhoogd met een bedrag van 14,00 EUR. ";
  2° het artikel wordt aangevuld met vijf leden, luidende :
  " Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder verhoging van de loongrenzen : de verhoging van de loongrenzen bedoeld in artikel 2 van de wet van 20 december 1999 tot toekenning van een werkbonus onder de vorm van een vermindering van de persoonlijke bijdragen van sociale zekerheid aan werknemers met lage lonen en aan sommige werknemers die het slachtoffer waren van een herstructurering, ten gevolge van de koppeling aan de index zoals bedoeld in artikel 2, § 2, derde lid, van voornoemde wet, met ingang van het kwartaal dat volgt op het kwartaal waarin deze loongrenzen verhoogd worden of, indien deze verhoging samenvalt met het begin van een kwartaal, met ingang van dat kwartaal.
  Vanaf het eerste kwartaal 2015 wordt S0, zoals bepaald door de Koning op basis van het zesde lid, verhoogd met een bedrag van 480,00 EUR, dat verhoogd wordt met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2014.
  Vanaf het eerste kwartaal 2017 wordt S0, zoals bepaald door de Koning op basis van het zesde lid en na toepassing van het vorige lid, verhoogd met een bedrag van 480,00 EUR, dat verhoogd wordt met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2016.
  Vanaf het eerste kwartaal 2019 wordt S0, zoals bepaald door de Koning op basis van het zesde lid en na toepassing van de vorige twee leden, verhoogd met een bedrag van 480,00 EUR, dat verhoogd wordt met 2 % voor elke verhoging van de loongrenzen tijdens de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2018.
  Het resultaat van de berekeningen bedoeld in de vorige drie leden wordt telkens tot de dichtstbijzijnde cent afgerond, waarbij 0,005 EUR naar 0,01 EUR afgerond wordt. ".
Art.2. A l'article 331 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002, modifié en dernier lieu par la loi du 26 décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est complété par les phrases suivantes :
  " A partir du 1er janvier 2015, F est majoré d'un montant de 14,00 EUR pour un travailleur de catégorie 1. A partir du 1er janvier 2017, F est encore majoré d'un montant de 14,00 EUR pour un travailleur de catégorie 1. A partir du 1er janvier 2019, F est encore majoré d'un montant de 14,00 EUR pour un travailleur de catégorie 1. ";
  2° l'article est complété par cinq alinéas rédigés comme suit :
  " Pour l'application du présent article, il faut entendre par majoration des plafonds salariaux : la majoration des plafonds salariaux visés à l'article 2 de la loi du 20 décembre 1999 visant à octroyer un bonus à l'emploi sous la forme d'une réduction des cotisations personnelles de sécurité sociale aux travailleurs salariés ayant un bas salaire et à certains travailleurs qui ont été victimes d'une restructuration, suite à la liaison à l'indice de prix visée à l'article 2, § 2, alinéa 3, de la loi précitée, à partir du trimestre suivant le trimestre au cours duquel ces plafonds salariaux sont majorés ou, si cette majoration coïncide avec le début d'un trimestre, à partir de ce trimestre.
  A partir du premier trimestre 2015, S0, fixé par le Roi sur la base de l'alinéa 6, est majoré d'un montant de 480,00 EUR, lequel est majoré de 2 % pour chaque majoration des plafonds salariaux au cours de la période du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2014.
  A partir du premier trimestre 2017, S0, fixé par le Roi sur la base de l'alinéa 6 et après application de l'alinéa précédent, est majoré d'un montant de 480,00 EUR, lequel est majoré de 2 % pour chaque majoration des plafonds salariaux au cours de la période du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2016.
  A partir du premier trimestre 2019, S0, fixé par le Roi sur la base de l'alinéa 6 et après application des deux alinéas précédents, est majoré d'un montant de 480,00 EUR, lequel est majoré de 2 % pour chaque majoration des plafonds salariaux au cours de la période du 1er janvier 2014 au 31 décembre 2018.
  Le résultat des calculs visés aux trois alinéas précédents est chaque fois arrondi au centime le plus proche, 0,005 EUR étant arrondi à 0,01 EUR. ".
Art.3. In artikel 66 van de programmawet van 2 januari 2001, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 21 december 2013, wordt een § 15 ingevoegd, luidende :
  " § 15. 1° Vanaf 1 januari 2015 wordt 6,65 % van de opbrengst van de roerende voorheffing vooraf genomen op deze belasting en toegewezen aan de RSZ-Globaal Beheer, bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders.
  Het overeenkomstig het vorige lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 300 miljoen euro.
  Vanaf 1 januari 2017 wordt dit percentage verhoogd tot 13,3 % van de opbrengst van de roerende voorheffing.
  Het overeenkomstig het vorige lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 600 miljoen euro.
  Vanaf 1 januari 2019 wordt dit percentage verhoogd tot 19,95 % van de opbrengst van de roerende voorheffing.
  Het overeenkomstig het vorige lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 900 miljoen euro.
  2° Vanaf 2015 zal jaarlijks een bedrag worden ingehouden van het bedrag bedoeld in § 15, 1°, overeenkomstig het terugverdieneffect voor het scheppen van bijkomende tewerkstelling voortvloeiende uit de maatregelen zoals bepaald in artikel 2 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance.
  De Koning bepaalt jaarlijks het in het vorige lid bedoeld bedrag, bij een in Ministerraad overlegd besluit op voorstel van het Federaal Planbureau. ".
Art.3. Dans l'article 66 de la loi-programme du 2 janvier 2001, modifié en dernier lieu par la loi du 21 décembre 2013, un § 15 est inséré rédigé comme suit :
  " § 15. 1° A partir du 1er janvier 2015, 6,65 % du produit du précompte mobilier sont prélevés de cet impôt et sont attribués à l'ONSS-Gestion globale, visée à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs.
  Le montant fixé conformément à l'alinéa précédent ne peut pas être inférieur à 300 millions d'euros.
  A partir du 1er janvier 2017, ce pourcentage est majoré à 13,3 % du produit du précompte mobilier.
  Le montant fixé conformément à l'alinéa précédent ne peut pas être inférieur à 600 millions d'euros.
  A partir du 1er janvier 2019, ce pourcentage est majoré à 19,95 % du produit du précompte mobilier.
  Le montant fixé conformément à l'alinéa précédent ne peut pas être inférieur à 900 millions d'euros.
  2° A partir de 2015, un montant sera prélevé annuellement du montant visé au § 15, 1°, conformément à l'effet retour pour la création d'emplois supplémentaires résultant des mesures fixées à l'article 2 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance.
  Le Roi fixe annuellement le montant visé à l'alinéa précédent, par arrêté délibéré en Conseil des ministres sur proposition du Bureau fédéral du Plan. ".
Art.4. Artikel 66, § 1, van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " Vanaf 1 januari 2014 wordt 0,35 % van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde vooraf genomen en toegewezen aan de RSZ-Globaal Beheer bedoeld in artikel 5, eerste lid, 2°, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders en aan het globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, bedoeld in artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 november 1996 strekkende tot invoering van een globaal financieel beheer in het sociaal statuut der zelfstandigen, met toepassing van hoofdstuk I van titel VI van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels. Dit bedrag wordt verdeeld volgens een verdeelsleutel van 95,77 pct. voor het voormelde Globaal Beheer van de werknemers en 4,23 pct. voor het voormelde globaal financieel beheer van de zelfstandigen. Het overeenkomstig het derde lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 102,3 miljoen euro.
  Vanaf 1 januari 2015 wordt dit percentage verhoogd tot 0,475 % van de opbrengst van de belasting op de toegevoegde waarde. Het overeenkomstig het derde lid bepaalde bedrag mag niet lager zijn dan 143,1 miljoen euro.
  Vanaf 2014 zal jaarlijks een bedrag worden ingehouden van het bedrag bedoeld in de vorige twee leden, overeenkomstig het terugverdieneffect voortvloeiende uit de maatregel inzake de verlaging van de btw op elektriciteit krachtens het koninklijk besluit van 21 maart 2014 tot wijziging van de koninklijke besluiten nrs. 4 en 20 met betrekking tot de belasting over de toegevoegde waarde.
  De Koning bepaalt jaarlijks het in het vorige lid bedoelde bedrag, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en op voorstel van het Federaal Planbureau. ".
Art.4. L'article 66, § 1er, de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2012, est complété par les alinéas suivants :
  " A partir du 1er janvier 2014, 0,35 % du produit de la taxe sur la valeur ajoutée est prélevé et affecté à l'ONSS-Gestion globale visé à l'article 5, alinéa 1er, 2°, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs et à la gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, visée à l'article 2 de l'arrêté royal du 18 novembre 1996 visant l'introduction d'une gestion financière globale dans le statut social des travailleurs indépendants, en application du chapitre Ier du titre VI de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions. Ce montant est réparti selon une clé de répartition de 95,77 p.c. pour la Gestion globale des travailleurs salariés précitée et de 4,23 p.c. pour la gestion financière globale des travailleurs indépendants précitée. Le montant fixé conformément à l'alinéa 3 ne peut être inférieur à 102,3 millions d'euros.
  A partir du 1er janvier 2015, ce pourcentage est majoré à 0,475 % du produit de la taxe sur la valeur ajoutée. Le montant fixé conformément à l'alinéa 3 ne peut être inférieur à 143,1 millions d'euros.
  A partir de 2014, un montant sera prélevé annuellement du montant visé aux deux alinéas précédents, conformément à l'effet retour résultant de la mesure relative à la diminution de la T.V.A. sur l'électricité en vertu de l'arrêté royal du 21 mars 2014 modifiant les arrêtés royaux nos 4 et 20 relatifs à la taxe sur la valeur ajoutée.
  Le Roi fixe annuellement le montant visé à l'alinéa précédent, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres et sur la proposition du Bureau fédéral du Plan. ".
HOOFDSTUK 2. - Vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor ondernemingen waarin ploegenarbeid of nachtarbeid wordt verricht
CHAPITRE 2. - Dispense de versement du précompte professionnel pour les entreprises où s'effectue un travail de nuit ou en équipe
Art.5. A. In artikel 2755 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, ingevoegd bij de wet van 23 december 2005 en gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2009 en 7 november 2011, worden de woorden "gelijk aan 15,6 pct." vervangen door de woorden "[2 gelijk aan 22,8 pct.]2.".
  B. [1 ...]1.
  C. [2 ...]2
  
Art.5. A. A l'article 2755 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 23 décembre 2005 et modifié par les lois des 27 mars 2009 et 7 novembre 2011, les mots "égal à 15,6 p.c." sont remplacés par les mots "[2 égal à 22,8 p.c.]2".
  B. [1 ...]1.
  C. [2 ...]2
  
Art.6. Artikel 5.A. treedt in werking op [1 1 januari 2016]1.
  [1 ...]1.
  [2 ...]2
  
Art.6. L'article 5.A. entre en vigueur le [1 1er janvier 2016]1.
  [1 ...]1.
  [2 ...]2
  
HOOFDSTUK 3. - Afschaffing van de belasting over de toegevoegde waarde op de federale bijdrage elektriciteit
CHAPITRE 3. - Suppression de la taxe sur la valeur ajoutée sur la cotisation fédérale
Art.7. In artikel 21bis, § 1, tweede lid, van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, laatst gewijzigd bij de wet van 27 december 2012, worden de woorden "De federale bijdrage is aan de btw onderworpen." opgeheven.
Art.7. A l'article 21bis, § 1er, alinéa 2, de loi du 29 avril 1999 relative à l'organisation du marché de l'électricité, modifié en dernier lieu par la loi du 27 décembre 2012, les mots "La cotisation fédérale est soumise à la T.V.A." sont abrogés.
Art.8. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 april 2014.
Art.8. Ce chapitre entre en vigueur le 1er avril 2014.
HOOFDSTUK 4. - Werkbonus - Lage lonen
CHAPITRE 4. - Bonus à l'emploi - Bas salaires
Art.9. A. In artikel 289ter/1 van het Wetboek van de inkomstenbelasting 1992, ingevoegd bij de wet van 19 juni 2011 en gewijzigd bij de wetten van 17 juni 2013 en 26 december 2013, worden de woorden "130 EUR." vervangen door de woorden "200 EUR.".
  B. In hetzelfde artikel worden de woorden "14,40 pct." vervangen door de woorden "[1 17,81 pct.]1" en worden de woorden "200 EUR." vervangen door de woorden "[1 235 EUR]1.".
  C. [1 in hetzelfde artikel, laatstelijk gewijzigd bij B., worden de woorden "17,81 pct." vervangen door de woorden "28,03 pct." en worden de woorden "235 EUR." vervangen door de woorden "420 EUR.";]1
  D. In hetzelfde artikel worden de woorden "[1 28,03 pct.]1" vervangen door de woorden "[1 33,14 pct.]1" en worden de woorden "[1 420 EUR.]1" vervangen door de woorden "[2 500 EUR.]2".
  
Art.9. A. Dans l'article 289ter/1 du Code des impôts sur les revenus 1992, inséré par la loi du 19 juin 2011 et modifié par les lois des 17 juin 2013 et 26 décembre 2013, les mots "130 EUR." sont remplacés par les mots "200 EUR.".
  B. Dans le même article, les mots "14,40 p.c." sont remplacés par les mots "[1 17,81 p.c.]1" et les mots "200 EUR." sont remplacés par les mots "[1 235 EUR]1.".
  C. [1 dans le même article, modifié en dernier lieu par B., les mots "17,81 p.c." sont remplacés par les mots "28,03 p.c." et les mots "235 EUR." sont remplacés par les mots "420 EUR.";]1.
  D. Dans le même article, les mots "[1 28,03 p.c.]1" sont remplacés par les mots "[1 33,14 p.c.]1" et les mots "[1 420 EUR.]1" sont remplacés par les mots "[1 500 EUR.]1".
  
Art.10. Artikel 9.A. treedt in werking op 1 april 2014.
  Artikel 9.B. treedt in werking op [1 1 augustus 2015]1.
  [1 Artikel 9.C. treedt in werking op 1 januari 2016.]1.
  Artikel 9.D. treedt in werking op 1 januari 2019.
  
Art.10. L'article 9.A. entre en vigueur le 1er avril 2014.
  L'article 9.B. entre en vigueur le [1 1er août 2015]1.
  [1 L'article 9.C. entre en vigueur le 1er janvier 2016.]1.
  L'article 9.D. entre en vigueur le 1er janvier 2019.
  
HOOFDSTUK 5. - Welvaartsvastheid
CHAPITRE 5. - Liaison au bien-être
Art.11. Artikel 5, § 3, van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, wordt als volgt vervangen :
  " § 3. Bij gebrek aan het advies bedoeld in § 2 vóór 15 september van het jaar waarin de in § 1 vermelde beslissing moet worden genomen, treden de aanpassingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in artikel 6, tweede lid, automatisch in werking op 1 september van het jaar dat volgt. De verhogingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in hetzelfde lid treden automatisch in werking op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin voormelde aanpassingen automatisch in werking treden.
  Wat de niet-forfaitaire uitkeringen betreft, worden de voormelde aanpassingen slechts toegepast op deze niet-forfaitaire uitkeringen die voor de eerste maal vóór 1 januari van het lopende jaar zijn toegekend.
  De regering stelt een ontwerp van beslissing op voor het deel van de enveloppe, bedoeld in artikel 6, tweede lid, dat niet wordt uitgegeven ten gevolge van de toepassing van de vorige leden en motiveert dit omstandig. In dit geval vraagt de regering een gezamenlijk advies aan het Algemeen Beheerscomité voor het sociaal statuut der zelfstandigen en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven over haar gemotiveerd ontwerp van beslissing. Bij gebrek aan een advies binnen de maand na de adviesaanvraag, wordt een advies geacht gegeven te zijn. ".
Art.11. L'article 5, § 3, de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En l'absence d'avis visé au § 2 avant le 15 septembre de l'année au cours de laquelle la décision visée au § 1er doit être prise, les adaptions qui correspondent aux dépenses mentionnées dans l'article 6, alinéa 2, entrent automatiquement en vigueur au 1er septembre de l'année qui suit. Les augmentations qui correspondent aux dépenses mentionnées dans le même alinéa entrent automatiquement en vigueur au 1er janvier de l'année qui suit l'année pendant laquelle les adaptations automatiques précitées entrent en vigueur.
  En ce qui concerne les allocations non-forfaitaires, les adaptations susmentionnées ne sont appliquées qu'à ces allocations non-forfaitaires qui ont été octroyées pour la première fois avant le 1er janvier de l'année en cours.
  Le gouvernement rédige un projet de décision pour la partie de l'enveloppe visée à l'article 6, alinéa 2, qui n'est pas utilisée du fait de l'application des alinéas précédents et le motive d'une matière circonstanciée. Dans ce cas, le gouvernement demande un avis conjoint du Comité général de Gestion pour le statut social des travailleurs indépendants et du Conseil central de l'Economie au sujet de sa décision motivée. En l'absence d'avis dans le mois suivant la demande du gouvernement, un avis est censé avoir été donné. ".
Art.12. Artikel 72, § 3, van dezelfde wet, wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Bij gebrek aan het advies bedoeld in § 2 vóór 15 september van het jaar waarin de in § 1 vermelde beslissing moet worden genomen, treden de aanpassingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in artikel 73, tweede lid, automatisch in werking op 1 september van het jaar dat volgt. De verhogingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in hetzelfde lid treden automatisch in werking op 1 januari van het jaar dat volgt op het jaar waarin voormelde aanpassingen automatisch in werking treden.
  Wat de niet-forfaitaire uitkeringen betreft, worden voormelde aanpassingen slechts toegepast op deze niet-forfaitaire uitkeringen die voor de eerste maal vóór 1 januari van het lopende jaar zijn toegekend.
  De regering stelt een ontwerp van beslissing op voor het deel van de enveloppe, bedoeld in artikel 73, tweede lid, dat niet wordt uitgegeven ten gevolge van de toepassing van de vorige leden en motiveert dit omstandig. In dit geval vraagt de regering een gezamenlijk advies aan de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven over haar gemotiveerd ontwerp van beslissing. Bij gebrek aan een advies binnen een termijn van een maand na de adviesaanvraag, wordt een advies geacht gegeven te zijn. ".
Art.12. L'article 72, § 3, de la même loi, est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En l'absence d'avis visé au § 2 avant le 15 septembre de l'année au cours de laquelle la décision visée au § 1er doit être prise, les adaptions qui correspondent aux dépenses mentionnées dans l'article 73, alinéa 2, entrent automatiquement en vigueur le 1er septembre de l'année qui suit. Les augmentations qui correspondent aux dépenses mentionnées dans le même alinéa entrent automatiquement en vigueur le 1er janvier de l'année qui suit l'année pendant laquelle les adaptations précitées entrent en vigueur automatiquement.
  En ce qui concerne les allocations non-forfaitaires, les adaptations susmentionnées ne sont appliquées qu'à ces allocations non-forfaitaires qui ont été octroyées pour la première fois avant le 1er janvier de l'année en cours.
  Le gouvernement rédige un projet de décision pour la partie de l'enveloppe visée à l'article 73, alinéa 2, qui n'est pas utilisée du fait de l'application des alinéas précédents et le motive d'une matière circonstanciée. Dans ce cas, le gouvernement demande un avis conjoint du Conseil national du Travail et du Conseil central de l'Economie au sujet de son projet de décision motivé. En l'absence d'avis dans un délai d'un mois suivant la demande de l'avis, un avis est censé avoir été donné. ".
Art.13. Artikel 73bis, § 3, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen als volgt :
  " § 3. Bij gebrek aan het advies bedoeld in § 2 vóór 15 september van het jaar waarin de in § 1 vermelde beslissing moet worden genomen, treden de aanpassingen die overeenstemmen met de uitgaven bedoeld in artikel 73ter, tweede lid, automatisch in werking op 1 september van het jaar dat volgt.
  De regering stelt een ontwerp van beslissing op voor het deel van de enveloppe, bedoeld in artikel 73ter, tweede lid, dat niet wordt uitgegeven ten gevolge van de toepassing van het vorige lid en motiveert dit omstandig. In dit geval vraagt de regering een gezamenlijk advies aan de Nationale Arbeidsraad, de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven, de Federale Adviescommissie Maatschappelijk Welzijn, de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap en de Federale Adviesraad voor Ouderen over haar gemotiveerd ontwerp van beslissing. Bij gebrek aan advies binnen een termijn van een maand na de adviesaanvraag, wordt een advies geacht gegeven te zijn. ".
Art.13. L'article 73bis, § 3, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
  " § 3. En l'absence d'avis visé au § 2 avant le 15 septembre de l'année au cours de laquelle la décision visée au § 1er doit être prise, les adaptions qui correspondent aux dépenses mentionnées dans l'article 73ter, alinéa 2, entrent automatiquement en vigueur le 1er septembre de l'année qui suit.
  Le gouvernement rédige un projet de décision pour la partie de l'enveloppe visée à l'article 73ter, alinéa 2, qui n'est pas utilisée du fait de l'application de l'alinéa précédent et le motive d'une matière circonstanciée. Dans ce cas, le gouvernement demande un avis conjoint du Conseil national du Travail, du Conseil central de l'Economie, de la Commission consultative fédérale de l'aide sociale, du Conseil supérieur national des Personnes handicapées, et du Conseil consultatif fédéral des aînés, au sujet de son projet de décision motivée. En l'absence d'avis dans un délai d'un mois suivant la demande d'avis, un avis est censé avoir été donné. ".
TITEL 3. [1 - Ondersteuning van werkgevers]1
TITRE 3. [1 - Soutien aux employeurs]1
HOOFDSTUK 1. - Zones in moeilijkheden
CHAPITRE 1. - Zones en difficulté
Art.14. Dit hoofdstuk voert een steunregeling in die voldoet aan de voorwaarden van [1 Verordening (EU) Nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, die is bekend gemaakt in het Publicatieblad L 187 van 26 juni 2014]1.
  
Art.14. Le présent chapitre introduit un régime d'aide qui est conforme aux conditions du [1 Règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité, qui est publié au Journal officiel L 187 du 26 juin 2014]1.
  
Art.15. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder :
  1° werknemers : de personen die krachtens een arbeidsovereenkomst beheerst door de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten of een leerovereenkomst, arbeidsprestaties leveren onder het gezag van een andere persoon;
  2° werkgevers : de personen die de in 1° bedoelde werknemers tewerkstellen, voor zover zij bedoeld zijn door de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités;
  3° onderneming : de technische bedrijfseenheid bedoeld in artikel 14 van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven;
  4° ontslag : elke eenzijdige verbreking door de werkgever van de arbeidsovereenkomst of de leerovereenkomst die geen betrekking heeft op de persoon van de werknemer;
  5° [1 collectief ontslag : een geheel van ontslagen dat kwalificeert als een collectief ontslag zoals bedoeld in artikel 62, van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, ongeacht of dit collectief ontslag al dan niet plaatsgrijpt in een procedure van faillissement;]1
  [1 5° /1 grootschalig collectief ontslag : een geheel van één of meerdere collectieve ontslagen die binnen een termijn van drie jaar ten minste 500 werknemers heeft getroffen in één of meerdere vestigingen van één of meerdere ondernemingen gelegen in een ononderbroken zone van 20 km2 en binnen een cirkel met een straal van maximaal 5 km. De drempel van 500 ontslagen werknemers kan worden teruggebracht tot 250 indien de totale steunzone die het gewest voorstelt een graad van jeugdwerkloosheid kent, die geacht wordt gelijk te zijn aan het gemiddelde van de jaarlijkse graad van jeugdwerkloosheid in de gemeenten van de betrokken zone, die hoger is dan 125 pct. van het nationale gemiddelde. Deze drempel kan eveneens worden teruggebracht tot 250 indien de totale steunzone die het gewest voorstelt een graad van werkloosheid kent onder personen ouder dan 50 jaar, die geacht wordt gelijk te zijn aan het gemiddelde van de jaarlijkse graad van werkloosheid onder personen ouder dan 50 jaar in de gemeenten van de betrokken zone, die hoger is dan 125 pct. van het nationale gemiddelde;]1
  6° [2 ...]2
  
Art.15. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par :
  1° travailleurs : les personnes qui, en vertu d'un contrat de travail régi par la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail ou d'un contrat d'apprentissage, fournissent des prestations de travail, sous l'autorité d'une autre personne;
  2° employeurs : les personnes qui occupent les travailleurs visés au 1°, pour autant qu'ils soient visés par la loi du 5 décembre 1968 sur les conventions collectives de travail et les commissions paritaires;
  3° entreprise : l'unité technique d'exploitation visée à l'article 14 de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie;
  4° licenciement : toute rupture unilatérale du contrat de travail ou d'apprentissage par l'employeur non inhérent à la personne du travailleur;
  5° [1 licenciement collectif : un ensemble de licenciements considéré comme un licenciement collectif visé à l'article 62, de la loi du 13 février 1998 portant des dispositions en faveur de l'emploi, sans tenir compte du fait que ce licenciement collectif ait lieu ou non au cours d'une procédure de faillite;]1
  [1 5° /1 licenciement collectif à grande échelle : un ensemble d'un ou plusieurs licenciements collectifs qui au cours d'une période de trois ans a affecté au moins 500 travailleurs dans un ou plusieurs établissements d'une ou plusieurs entreprises situées dans une zone continue de 20 km2 comprise dans un cercle de maximum 5 km de rayon. Le seuil de 500 ravailleurs licenciés peut être ramené à 250 si la totalité de la zone d'aide proposée par la région présente un taux de chômage des jeunes, considéré égal à la moyenne du taux de chômage annuel des jeunes dans les communes de la zone en question, supérieur à 125 p.c. de la moyenne nationale. Ce seuil peut également être ramené à 250 si la totalité de la zone d'aide proposée par la région présente un taux de chômage des personnes âgées de plus de 50 ans, considéré égal à la moyenne du taux de chômage annuel des personnes âgées de 50 ans dans les communes de la zone en question, supérieur à 125 p.c. de la moyenne nationale;]1
  6° [2 ...]2
  
Art.16. In geval van [3 een grootschalig collectief ontslag]3 kan het gewest waarin één of meerdere getroffen vestigingen zijn gelegen, binnen een termijn van drie jaar nadat de kennisgeving, bedoeld in artikel 66, § 2, van de voornoemde wet van 13 februari 1998, is verricht, [3 of nadat het vonnis van faillietverklaring werd gewezen,]3 aan de minister bevoegd voor Financiën een steunzone met een toepassingsperiode van maximum zes jaar voorstellen op voorwaarde dat het betrokken gewest een samenwerkingsakkoord met de federale regering heeft gesloten waarbij nadere afspraken worden gemaakt omtrent de mogelijkheid tot cumulatie van deze maatregel met andere steunmaatregelen, het respecteren van de steunintensiteit overeenkomstig de verordening bedoeld in artikel 14, de evaluatie en opvolging van deze maatregel en de termijn binnen dewelke de Koning de door dat gewest voorgestelde steunzones afbakent. Een samenwerkingsakkoord gesloten tussen een gewest en de federale regering kan in geen geval afwijken van de voorwaarden bepaald door de Verordening bedoeld in artikel 14 van deze wet.
  Het gewest verantwoordt in zijn voorstel aan de minister bevoegd voor Financiën op welke wijze de voorgestelde steunzone bijdraagt aan de reconversie van de door het collectief ontslag getroffen regio op basis van objectieve en pertinente gegevens.
  [3 In een gewest kunnen er niet meer dan vier steunzones tegelijk bestaan.]3 Elke steunzone moet zich binnen een maximale straal van 40 km van de getroffen vestigingen bevinden. Binnen die straal kan de steunzone bestaan uit onderbroken zones. De getroffen vestigingen dienen in de steunzone opgenomen te zijn. [1 Deze steunzones mogen per gewest, en voor zover hun toepassingsperiode niet is verstreken of niet vroegtijdig is stopgezet, in totaal, geen grotere oppervlakte dan 2 000 km2 beslaan en geen inwonersaantal omvatten dat hoger is dan 200 000.]1. [1 ...]1.
  [3 Het in het derde lid vermelde maximale aantal steunzones wordt vermeerderd met respectievelijk 1, 2, 3 of 4 steunzones indien het gewest ervoor opteert om ten minste, 2, 4, 6, of 8 steunzones af te bakenen binnen een cirkel waarvan de straal 20 km of minder bedraagt.]3
  [5 De door het gewest voorgestelde steunzones worden opgenomen in een door de Koning genomen uitvoeringsbesluit.]5
  [2 [4 Zolang de toepassingsperiode van de steunzone niet is verlopen, hebben de gewesten, binnen de beperkingen die zijn vastgelegd in dit artikel, de mogelijkheid om aan de minister die bevoegd is voor Financiën voor te stellen om de oorspronkelijke afbakening van een steunzone uit te breiden of de toepassingsperiode ervan te verlengen.]4 De gewesten kunnen eveneens aan deze minister voorstellen om een steunzone vroegtijdig stop te zetten.]2
  [4 In afwijking van het eerste lid hebben de steunzones die op 1 april 2021 bestonden een maximale toepassingsduur van [6 9 jaar en zes maanden]6. In afwijking van het zesde lid mogen de gewesten voorstellen om de toepassingsduur van deze steunzones te verlengen binnen de beperkingen die zijn vastgelegd in dit artikel, zelfs nadat de initieel vastgelegde toepassingsperiode is verlopen.]4
  
Art.16. En cas de [3 licenciement collectif à grande échelle]3, la Région dans laquelle un ou plusieurs établissements touchés sont situés, peut proposer au ministre qui a les Finances dans ses attributions, dans un délai de trois ans, après que la notification au sens de l'article 66, § 2, de la loi du 13 février 1998 précitée soit effectuée, [3 ou après que le jugement déclaratif de faillite ait été rendu,]3 de déterminer une zone d'aide avec une période d'application de maximum six ans à condition que cette Région ait conclu un accord de coopération avec le gouvernement fédéral en vertu duquel des accords détaillés sont établis en ce qui concerne la possibilité de cumuler cette mesure avec d'autres mesures d'aide, le respect de l'intensité de l'aide conformément au règlement visé à l'article 14, l'évaluation et suivi de cette mesure et la période dans laquelle le Roi peut délimiter les zones d'aide proposées par cette Région. Un accord de coopération conclu entre une Région et le gouvernement fédéral ne peut dans aucun cas déroger aux conditions prévues au Règlement visé à l'article 14 de la présente loi.
  La Région justifie dans sa proposition au ministre qui a les Finances dans ses attributions, comment la zone d'aide proposée contribue à la reconversion de la zone géographique touchée par le licenciement collectif sur des bases objectives et pertinentes.
  [3 Dans une région, il ne peut y avoir plus de quatre zones d'aide simultanément.]3 Chaque zone d'aide doit se situer dans un rayon de maximum 40 kilomètres de la localisation des établissements touchés. Dans ce rayon, la zone d'aide peut être composée de zones discontinues. Les établissements touchés doivent être repris dans la zone d'aide. [1 Par région, ces zones d'aide et pour autant que leur période d'application n'est pas encore expirée ou qu'il y n'est pas mis fin de manière prématurée, ne peuvent couvrir au total qu'une superficie maximum de 2 000 km2 et comprendre qu'un nombre maximum de 200 000 habitants.]1 [1 ...]1.
  [3 Le nombre maximal de zones d'aide visé à l'alinéa 3 est augmenté respectivement de 1, 2, 3 ou 4 zones d'aide si la région décide de délimiter au moins 2, 4, 6 ou 8 zones d'aide dans un cercle d'un rayon de 20 km ou moins.]3
  [5 Les zones d'aide proposées par la région sont déterminées par un arrêté d'exécution pris par le Roi.]5
  [2 [4 Aussi longtemps que la période d'application de la zone d'aide n'est pas expirée, les régions ont la possibilité, dans les limites fixées dans le présent article, de proposer au ministre qui a les Finances dans ses attributions d'élargir la délimitation initiale d'une zone d'aide ou de prolonger sa période d'application.]4 Les régions peuvent également proposer à ce ministre de mettre un terme prématuré à une zone d'aide.]2
  [4 Par dérogation à l'alinéa 1er, les zones d'aide qui existaient au 1er avril 2021 ont une durée d'application maximale de [6 9 ans et 6 mois]6. Par dérogation à l'alinéa 6, les régions peuvent proposer de prolonger la durée d'application de ces zones d'aide dans les limites qui sont déterminées dans le présent article, même après l'expiration de la période d'application initialement déterminée.]4
  
Art.17. Artikel 16 is van toepassing op de kennisgevingen, bedoeld in artikel 66, § 2, van de voornoemde wet van 13 februari 1998, die hebben plaatsgevonden na 1 juli 2012.
Art.17. L'article 16 est applicable aux notifications au sens de l'article 66, § 2, de la loi du 13 février 1998 précitée, qui sont faites après le 1er juillet 2012.
Art.18. Artikel 2758 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, opgeheven bij de wet van 22 december 2008, wordt hersteld als volgt :
  " Art. 2758. § 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting gelegen in een steunzone die is opgenomen in het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in § 5 hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op deze bezoldigingen, worden tijdelijk vrijgesteld een bepaald percentage van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in § 4 bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. Dit percentage wordt door de Koning vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twee jaar na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot op deze datum.
  Deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de belastbare bezoldigingen van werknemers waarvoor reeds een andere vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de artikelen 2751, 2752, 2753, 2754 en 2756 wordt toegepast.
  De vrijstelling van doorstorting wordt definitief toegestaan nadat de werkgever in een bijlage aan zijn aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het derde aanslagjaar volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld, aantoont dat deze tewerkstelling ten minste gedurende drie jaar behouden is gebleven. Het model van de bijlage wordt door de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn afgevaardigde vastgesteld.
  Indien de werkgever bij het verstrijken van de in het vorige lid vermelde termijn niet heeft aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats gedurende de voorgeschreven termijn behouden is gebleven, wordt de bedrijfsvoorheffing die krachtens het eerste lid werd vrijgesteld van doorstorting, aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de genoemde termijn is verstreken.
  De vrijstelling van doorstorting is per werkgever en binnen een periode van 36 maanden beperkt tot een maximum van 7,5 miljoen euro.
  § 2. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast door een werkgever die voor het laatst of het voorlaatst afgesloten belastbaar tijdperk en gedurende ten minste twee opeenvolgende belastbare tijdperken een jaargemiddelde van het personeelsbestand in dienst heeft van minder dan 250 personen en waarvan :
  - de jaaromzet exclusief de belasting over de toegevoegde waarde het bedrag van 50 miljoen EUR niet overschrijdt, of
  - het jaarlijkse balanstotaal het bedrag van 43 miljoen EUR niet overschrijdt.
  Voor de berekening van de in het eerste lid vermelde criteria zijn de bepalingen uit artikel 15, §§ 2 tot 4, van het Wetboek van vennootschappen van toepassing.
  Indien de werkgever verbonden is in de zin van artikel 11 van het Wetboek van vennootschappen wordt de controle van de criteria inzake jaaromzet en balanstotaal verricht op geconsolideerde basis. Wat het personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door elk van de betrokken verbonden vennootschappen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld.
  Indien de werkgever een geassocieerde vennootschap is in de zin van artikel 12 van het Wetboek van vennootschappen wordt de controle op de criteria bedoeld in het eerste lid uitgevoerd door de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van deze vennootschap te verhogen met de jaaromzet, het balanstotaal en het jaargemiddelde van het personeelsbestand van de geassocieerde vennootschap vermenigvuldigd met het hoogste percentage van de volgende twee percentages :
  - hetzij het percentage van de stemrechten verbonden aan de deelneming;
  - hetzij het percentage van het kapitaal dat de deelneming vertegenwoordigt.
  Bovendien kan de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing enkel worden toegepast door een werkgever waarvan de controle over het kapitaal of de stemrechten, individueel of gezamenlijk, rechtstreeks of onrechtstreeks, voor minder dan 25 pct. uitgeoefend worden door één of meerdere aanbestedende overheden als bedoeld in artikel 2 van de wet van 15 juni 2006 betreffende de overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten.
  De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever :
  - waarvoor een aangifte of vordering tot faillietverklaring is ingesteld of waarvan het beheer van het actief geheel of ten dele is ontnomen zoals voorzien in de artikelen 7 en 8 van de faillissementswet;
  - waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie is geopend zoals bedoeld in artikel 23 van de wet betreffende de continuïteit van de ondernemingen;
  - die een ontbonden vennootschap is en zich in staat van vereffening bevindt;
  - waarvan ten gevolge van geleden verlies het netto actief is gedaald tot minder dan de helft van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal en waarbij het geleden verlies in de laatste twaalf maanden vóór de investering bedoeld in § 1 meer dan een kwart bedraagt van het vaste gedeelte van het maatschappelijk kapitaal.
  § 3. De in § 1 bedoelde investering komt slechts in aanmerking in zoverre voor die investering een gewestelijke steun is verleend. Het betreft een investering in materiële of immateriële vaste activa die verband houdt met :
  - hetzij, de oprichting van een nieuwe inrichting;
  - hetzij, de uitbreiding van de capaciteit van een bestaande inrichting;
  - hetzij, de diversificatie van de productie van een inrichting naar producten die voordien niet in de inrichting werden vervaardigd;
  - hetzij, een fundamentele verandering in het totale productieproces van een bestaande inrichting.
  De investering bedoeld in § 1 kan ook betrekking hebben op een overname van materiële of immateriële vaste activa van :
  - hetzij, een inrichting waarvan de derde-werkgever krachtens de procedure voorzien in artikel 66 van de wet van 13 februari 1998 houdende bepalingen tot bevordering van de tewerkstelling, de sluiting van de vestiging heeft aangekondigd of
  - hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvoor een procedure van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag is opgestart, zoals bedoeld in artikel 59 van de wet van 31 januari 2009 betreffende de continuïteit van de ondernemingen of
  - hetzij, een inrichting die deel uitmaakt van een onderneming waarvan de bevoegde rechtbank een vonnis van faillietverklaring heeft gewezen.
  De derde-werkgever en de onderneming bedoeld in het vorige lid mogen niet op de wijze die is bedoeld in de artikelen 11 en 12 van het Wetboek van vennootschappen verbonden of geassocieerd zijn met de werkgever die de investering verricht.
  Dit artikel is niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van de volgende sectoren :
  - de ijzer- en staalindustrie zoals gedefinieerd in artikel 2, paragraaf 29, van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard;
  - de synthetischevezelindustrie zoals gedefinieerd in artikel 2, paragraaf 30, van Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard;
  - de visserij en aquacultuur, in de mate dat de activiteit is begrepen binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur;
  - de land- en bosbouwsector waarin ook zijn begrepen de productie, verwerking en afzet van landbouwproducten die zijn opgenomen in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;
  - de sector van het passagiers- en transportvervoer, zowel via de lucht, zee, over de weg, per spoor of over binnenwateren, voor zover het een investering in vervoersmiddelen of vervoersuitrusting betreft;
  - de sector van de luchtvaartmaatschappijen zoals bedoeld in de mededeling betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het EG-Verdrag en van artikel 61 van de EER-Overeenkomst op steunmaatregelen van de staten in de luchtvaartsector (PB C 350 van 10.12.1994, blz. 5) en van de uitbating van luchthavens zoals bedoeld in de communautaire richtsnoeren voor financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven (PB C 312 van 9.12.2005, blz. 1);
  - de energiesector.
  § 4. De door de werkgever uitbetaalde bezoldigingen die in aanmerking komen voor de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing, moeten betrekking hebben op de in § 3 vermelde investering. Enkel een ten gevolge van deze investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats die wordt ingevuld binnen de termijn van 36 maanden na voltooiing van de investering die is uiteengezet in het in § 5 vermelde formulier, komt in aanmerking voor deze maatregel.
  Een arbeidsplaats is slechts nieuw indien deze in de betrokken vestiging het totaal aantal werknemers doet verhogen ten opzichte van het gemiddelde aantal werknemers over de twaalf maanden voorafgaand aan de voltooiing van de investering, vermeerderd met de andere door de investering reeds gecreëerde nieuwe arbeidsplaatsen.
  In geval van een overname van in § 3, tweede lid, bedoelde materiële of immateriële vaste activa worden alle arbeidsplaatsen als nieuw beschouwd.
  Uitsluitend de bezoldigingen die ten gevolge van de invulling van deze nieuwe arbeidsplaats binnen de twee jaar vanaf het ogenblik van invulling worden uitbetaald, komen in aanmerking voor deze maatregel.
  Om de vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing te verkrijgen, moet de schuldenaar het bewijs leveren dat wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld in deze paragraaf en het ter beschikking houden van de Federale Overheidsdienst Financiën. De Koning bepaalt de nadere regels voor het leveren van dit bewijs.
  § 5. Alvorens de in § 1, eerste lid, vermelde vrijstelling van doorstorting te kunnen verkrijgen, moet de werkgever uiterlijk bij aanvang van de investering een door de Koning opgesteld formulier overleggen waarin de nodige gegevens met betrekking tot de opzet en financiering van de investering, de verwachte voltooiing van de investering en ook het aantal verwachte bijkomende banen wordt uiteengezet.
  De vrijstelling van doorstorting wordt niet verleend indien de periode tussen de indiening van het in het eerste lid bedoelde formulier en de verwachte voltooiing van de investering met meer dan de helft overschreden wordt, of indien niet wordt aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaatsen betrekking hebben op de investering. ".
Art.18. L'article 2758 du Code des impôts sur les revenus 1992, abrogé par la loi du 22 décembre 2008, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 2758. § 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement situé dans une zone d'aide visée à l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du Pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont valablement remis un formulaire tel que visé au § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor un certain pourcentage du précompte professionnel relatif aux rémunérations visés au § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Ce pourcentage sera déterminé par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Le Roi saisira les Chambres législatives immédiatement si elles sont réunies, sinon dès l'ouverture de leur plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution du présent alinéa. Lesdits arrêtés cessent de produire leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les deux ans de la date de leur entrée en vigueur. La confirmation rétroagit à cette date.
  Cette dispense de versement du précompte professionnel ne peut pas être appliquée sur les rémunérations imposables des travailleurs pour lesquels une autre dispense de versement du précompte professionnel telle que visée aux articles 2751, 2752, 2753, 2754 et 2756 est déjà d'application.
  La dispense de versement est accordée de manière définitive après que l'employeur démontre, dans une annexe à sa déclaration à l'impôt sur les revenus relative au troisième exercice d'imposition suivant celui lié à la période imposable au cours de laquelle le nouvel emploi a été créé suite à l'investissement, que cet emploi a été maintenu au moins pendant trois années. Le modèle de l'annexe est déterminé par le ministre qui a les Finances dans ses attributions ou son représentant.
  Si l'employeur, à l'issue du délai visé à l'alinéa précédent, n'a pas démontré que l'emploi nouvellement créé a été maintenu durant le délai prescrit, le précompte professionnel qui a été dispensé de versement en vertu de l'alinéa 1er est considéré comme un précompte professionnel dû de la période imposable pendant laquelle ledit délai est expiré.
  La dispense de versement est limitée par employeur et pendant une période de 36 mois à un maximum de 7,5 millions d'euros.
  § 2. La dispense de versement du précompte professionnel est applicable uniquement par un employeur qui pour la dernière ou l'avant-dernière période imposable clôturée et pendant au moins deux périodes imposables consécutives occupe une moyenne annuelle de personnel de moins de 250 personnes et dont :
  - le chiffre d'affaires annuel hors taxe sur la valeur ajoutée n'excède pas le montant de 50 millions d'EUR, ou
  - le total bilan annuel n'excède pas le montant de 43 millions d'EUR.
  Les dispositions de l'article 15, §§ 2 à 4, du Code des sociétés sont applicables pour l'examen du respect des critères visés à l'alinéa 1er.
  En ce qui concerne l'examen du respect des critères en matière de chiffre d'affaires et de total du bilan dans le cas où un employeur est lié à un ou plusieurs autres, au sens de l'article 11 du Code des sociétés, cet examen doit se faire sur une base consolidée. Quant au personnel occupé, le nombre de travailleurs occupés en moyenne annuelle par chacune des sociétés liées est additionné.
  Dans le cas où un employeur est une société associée au sens de l'article 12 du Code des sociétés l'examen du respect des critères visés à l'alinéa 1er est effectué en cumulant le chiffre d'affaires, le total du bilan et la moyenne annuelle de personnel de cette société avec le chiffre d'affaires, le total du bilan et la moyenne annuelle de personnel de la société qui lui est associée multipliés par le plus élevé des deux pourcentages suivants :
  - soit, le pourcentage des droits de vote liés à la participation;
  - soit, le pourcentage du capital qui représente la participation.
  En outre, la dispense de versement du précompte professionnel est applicable uniquement à un employeur dont le contrôle sur le capital ou les droits de vote est exercé directement ou indirectement à titre individuel ou conjointement pour moins de 25 p.c. par un ou plusieurs pouvoirs adjudicateurs visés à l'article 2 de la loi de 15 juin 2006 relative aux marchés publics et à certains marchés de travaux, de fournitures et de services.
  La dispense de versement du précompte professionnel ne peut pas être appliquée par un employeur :
  - pour lequel une déclaration ou une demande de faillite est introduite ou dont la gestion de tout ou partie de l'actif lui est retirée comme cela est prévu aux articles 7 et 8 de la loi sur les faillites;
  - pour lequel une procédure de réorganisation judiciaire est entamée comme cela est prévu à l'article 23 de la loi relative à la continuité des entreprises;
  - qui est une société dissoute et se trouve en liquidation;
  - dont, à la suite de pertes, l'actif net est réduit à un montant inférieur à la moitié de la part fixe du capital social et dont la perte au cours des douze derniers mois avant l'investissement visé au § 1er est supérieure à un quart de la part fixe du capital social.
  § 3. L'investissement visé au § 1er n'entre en ligne de compte pour autant qu'une aide régionale ait été accordée audit investissement. Il concerne un investissement en immobilisations corporelles ou incorporelles se rapportant à :
  - soit, la création d'un nouvel établissement;
  - soit, l'extension de la capacité d'un établissement existant;
  - soit, la diversification de la production d'un établissement à des produits qui n'étaient pas auparavant fabriqués dans l'établissement;
  - soit, un changement fondamental dans l'ensemble du processus de production d'un établissement existant.
  L'investissement visé au § 1er peut aussi concerner une reprise d'immobilisations corporelles ou incorporelles de :
  - soit, un établissement dont l'employeur-tiers a annoncé la fermeture suivant la procédure prévue à l'article 66 de la loi du 13 février 1998 portant des dispositions en faveur de l'emploi, ou
  - soit, un établissement qui fait partie d'une entreprise pour laquelle une procédure de réorganisation judiciaire par transfert sous autorité de justice est entamée, comme visé à l'article 59 de la loi du 31 janvier 2009 concernant la continuité des entreprises, ou
  - soit, un établissement qui fait partie d'une entreprise dont le tribunal compétent a prononcé un arrêt de faillite.
  L'employeur-tiers et l'entreprise visés à l'alinéa précédent ne peuvent pas être liés ou associés, dans le sens visé aux articles 11 et 12 du Code des sociétés, avec l'employeur qui opère l'investissement.
  Le présent article ne s'applique pas aux investissements qui font partie de l'exercice d'une activité dans un des secteurs suivants :
  - le secteur sidérurgique tel qu'il est défini à l'article 2, paragraphe 29, du Règlement (CE) n° 800/2008 de la Commission du 6 août 2008 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché commun en application des articles 87 et 88 du Traité;
  - le secteur des fibres synthétiques tel qu'il est défini à l'article 2, paragraphe 30, du Règlement (CE) n° 800/2008 de la Commission du 6 août 2008 déclarant certaines catégories d'aide compatibles avec le marché commun en application des articles 87 et 88 du Traité;
  - la pêche et l'aquaculture, dans la mesure où l'activité est comprise dans le champ d'application du Règlement (CE) n° 104/2000 du Conseil du 17 décembre 1999 portant organisation commune des marchés dans le secteur des produits de la pêche et de l'aquaculture;
  - le secteur de l'agriculture et la sylviculture et la production, transformation et la commercialisation des produits agricoles énumérés à l'annexe Ire du Traité sur le fonctionnement de l'Union européenne;
  - le transport de passagers et marchandises par aéronef, transport maritime, route, chemin de fer et voies fluviales, dans la mesure où il s'agit d'un investissement dans les moyens et le matériel de transport;
  - le secteur de l'aviation visé dans les lignes directrices communautaires sur l'application des articles 92 et 93 du Traité CE et de l'article 61 de l'Accord EEE aux aides d'Etat dans le secteur de l'aviation (JO C 350 du 10.12.1994, p. 5) et celui de l'exploitation des aéroports visé dans les lignes directrices communautaires sur le financement des aéroports et les aides d'Etat au démarrage pour les compagnies aériennes au départ d'aéroports régionaux (JO C 312 du 9.12.2005, p. 1);
  - le secteur de l'énergie.
  § 4. Les rémunérations payées par l'employeur qui entrent en considération pour la dispense de versement du précompte professionnel doivent se rapporter à l'investissement visé au § 3. Seul un nouvel emploi qui a été créé suite à cet investissement dans le délai de 36 mois après la réalisation de l'investissement qui est défini dans le formulaire visé au § 5, entre en considération pour cette mesure.
  Un emploi n'est considéré comme neuf que si l'établissement concerné augmente le nombre total des travailleurs au vu du nombre moyen de travailleurs sur les douze mois précédant la réalisation de l'investissement, majoré des autres nouveaux emplois déjà créés par l'investissement.
  Dans le cas d'une reprise d'immobilisations corporelles ou incorporelles comme prévu au § 3, alinéa 2, tout emploi est considéré comme neuf.
  Seules les rémunérations qui sont payées à la suite de la création de ce nouvel emploi, entrent en considération pour cette mesure pendant les deux ans à compter de la date de cette création.
  Pour obtenir la dispense de versement du précompte professionnel, le débiteur doit fournir la preuve qu'il répond aux conditions prévues au présent paragraphe et la tenir à la disposition du Service public fédéral Finances. Le Roi détermine les modalités pour fournir cette preuve.
  § 5. Pour pouvoir bénéficier de la dispense de versement visée au § 1er, alinéa 1er, l'employeur est tenu de remettre, au plus tard au début de l'investissement, un formulaire élaboré par le Roi qui mentionne les données nécessaires relatives à l'ébauche et au financement de l'investissement, à la réalisation attendue de l'investissement ainsi que le nombre d'emplois complémentaires attendus.
  La dispense de versement n'est pas accordée si la période entre la présentation du formulaire visé à l'alinéa 1er et la réalisation attendue de l'investissement est dépassée de plus de la moitié ou s'il n'est pas démontré que les nouveaux emplois se rapportent à l'investissement. ".
Art.19. In titel VI, hoofdstuk I, afdeling IV, van hetzelfde Wetboek, wordt een artikel 2759 ingevoegd, luidende :
  " Art. 2759. § 1. De in § 2 bedoelde werkgevers die een in § 3 bedoelde investering verrichten in een inrichting, gelegen in een steunzone die is opgenomen in de A groep van het door de Koning genomen besluit ter uitvoering van artikel 16 van de wet van 15 mei 2014 houdende uitvoering van het pact voor competitiviteit, werkgelegenheid en relance, die op geldige wijze een formulier als bedoeld in artikel 2758, § 5, hebben overgelegd, die bezoldigingen betalen of toekennen, en die krachtens artikel 270, 1°, schuldenaar zijn van de bedrijfsvoorheffing op die bezoldigingen worden ervan tijdelijk vrijgesteld een bepaald percentage van de bedrijfsvoorheffing die betrekking heeft op de in artikel 2758, § 4, bedoelde bezoldigingen in de Schatkist te storten, op voorwaarde dat de genoemde voorheffing volledig op die bezoldigingen wordt ingehouden. Dit percentage wordt door de Koning vastgesteld bij een in Ministerraad overlegd besluit. De Koning zal bij de Wetgevende Kamers, onmiddellijk indien ze in zitting zijn, zo niet bij de opening van de eerstvolgende zitting, een ontwerp van wet indienen tot bekrachtiging van de ter uitvoering van dit lid genomen besluiten. Deze besluiten houden op uitwerking te hebben indien ze niet bij wet zijn bekrachtigd binnen twee jaar na de datum van hun inwerkingtreding. De bekrachtiging heeft terugwerkende kracht tot op deze datum.
  Deze vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast op de belastbare bezoldigingen van werknemers waarvoor reeds een andere vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing zoals bedoeld in de artikelen 2751, 2752, 2753, 2754 en 2756 wordt toegepast.
  De vrijstelling van doorstorting wordt definitief toegestaan nadat de werkgever in een bijlage aan zijn aangifte in de inkomstenbelasting die betrekking heeft op het vijfde aanslagjaar volgend op het aanslagjaar verbonden aan het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de door de investering gecreëerde nieuwe arbeidsplaats is ingevuld, aantoont dat de tewerkstelling ten minste gedurende vijf jaar behouden is gebleven. Het model van de bijlage wordt door de minister die bevoegd is voor Financiën of zijn afgevaardigde vastgesteld.
  Indien de werkgever bij het verstrijken van de in het vorige lid vermelde termijn niet heeft aangetoond dat de nieuw gecreëerde arbeidsplaats gedurende de voorgeschreven termijn behouden is gebleven, wordt de bedrijfsvoorheffing die krachtens het eerste lid werd vrijgesteld van doorstorting aangemerkt als verschuldigde bedrijfsvoorheffing van het belastbaar tijdperk binnen hetwelk de genoemde termijn is verstreken.
  De vrijstelling van doorstorting is beperkt per werkgever en binnen een periode van 36 maanden tot een maximum van 7,5 miljoen euro.
  § 2. De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan enkel worden toegepast door een werkgever die niet voldoet aan de criteria van artikel 2758, § 2, eerste en vijfde lid.
  De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing kan niet worden toegepast door een werkgever zoals bedoeld in artikel 2758, § 2, zesde lid.
  § 3. De in § 1 bedoelde investering komt slechts in aanmerking in zoverre voor die investering een gewestelijke steun is verleend. Het betreft een investering in materiële of immateriële vaste activa die verband houdt met :
  - hetzij, de oprichting van een nieuwe inrichting;
  - hetzij, de diversificatie van de activiteit van een inrichting, op voorwaarde dat de nieuwe activiteit niet dezelfde is als of vergelijkbaar is met de activiteit die voordien in die inrichting werd uitgeoefend.
  De investering bedoeld in § 1 kan ook betrekking hebben op een overname van materiële of immateriële vaste activa zoals bedoeld in artikel 2758, § 3, tweede en derde lid.
  Dit artikel is evenwel niet van toepassing op investeringen die kaderen in de uitoefening van een activiteit in één van de sectoren bedoeld in artikel 2758, § 3, vierde lid. ".
Art.19. Dans le titre VI, chapitre Ier, section IV, du même Code, il est inséré un article 2759 rédigé comme suit :
  " Art. 2759. § 1er. Les employeurs visés au § 2, qui effectuent un investissement, comme visé au § 3 dans un établissement situé dans une zone d'aide visée dans le groupe A de l'arrêté pris par le Roi en exécution de l'article 16 de la loi du 15 mai 2014 portant exécution du pacte de compétitivité, d'emploi et de relance, qui ont valablement remis un formulaire tel que visé à l'article 2758, § 5, qui paient ou attribuent des rémunérations et qui sont redevables du précompte professionnel sur ces rémunérations en vertu de l'article 270, 1°, sont temporairement dispensés de verser au Trésor un certain pourcentage du précompte professionnel relatif aux rémunérations visées à l'article 2758, § 4, à condition de retenir sur ces rémunérations la totalité dudit précompte. Ce pourcentage sera fixé par le Roi, par arrêté délibéré en Conseil des ministres. Le Roi saisira les Chambres législatives immédiatement si elles sont réunies, sinon dès l'ouverture de leur plus prochaine session, d'un projet de loi de confirmation des arrêtés pris en exécution du présent alinéa. Lesdits arrêtés cessent de produire leurs effets s'ils n'ont pas été confirmés par la loi dans les deux ans de la date de leur entrée en vigueur. La confirmation rétroagit à cette date.
  Cette dispense de versement du précompte professionnel ne peut pas être appliquée sur les rémunérations imposables des travailleurs pour lesquels une autre dispense de versement du précompte professionnel telle que visée aux articles 2751, 2752, 2753, 2754 et 2756 est déjà d'application.
  La dispense de versement est accordée de manière définitive après que l'employeur démontre, dans une annexe à sa déclaration à l'impôt sur les revenus relative au cinquième exercice d'imposition suivant celui lié à la période imposable au cours de laquelle le nouvel emploi a été créé suite à l'investissement, que l'emploi a été maintenu au moins pendant cinq années. Le modèle de l'annexe est déterminé par le ministre qui a les Finances dans ses attributions ou son représentant.
  Si l'employeur, à l'issue du délai visé à l'alinéa précédent, n'a pas démontré que l'emploi nouvellement créé est maintenu durant le délai prescrit, le précompte professionnel qui a été dispensé de versement en vertu de l'alinéa 1er est considéré comme un précompte professionnel dû de la période imposable pendant laquelle ledit délai est expiré.
  La dispense de versement est limitée par employeur et pendant une période de 36 mois à un maximum de 7,5 millions d'euros.
  § 2. La dispense de versement du précompte professionnel est applicable uniquement à un employeur qui ne remplit pas les critères de l'article 2758, § 2, alinéas 1er et 5.
  La dispense de versement du précompte professionnel ne peut pas être appliquée par un employeur visé à l'article 2758, § 2, alinéa 6.
  § 3. L'investissement visé au § 1er n'entre en ligne de compte pour autant qu'une aide régionale ait été accordée audit investissement. Il concerne un investissement en immobilisations corporelles ou incorporelles se rapportant à :
  - soit, la création d'un nouvel établissement;
  - soit, la diversification de l'activité d'un établissement, à la condition que la nouvelle activité ne soit pas identique ni comparable à celle exercée précédemment au sein de l'établissement.
  L'investissement visé au § 1er peut aussi être relatif à une reprise d'immobilisations corporelles ou incorporelles telle que visée à l'article 2758, § 3, alinéas 2 et 3.
  Toutefois, le présent article ne s'applique pas aux investissements qui font partie de l'exercice d'une activité dans un des secteurs visés à l'article 2758, § 3, alinéa 4. ".
HOOFDSTUK 2. - Ondersteuning van werkgevers die getroffen zijn door een natuurramp
CHAPITRE 2. - Soutien aux employeurs qui sont touchés par une calamité naturelle
Art. 19/1. [1 Dit hoofdstuk voert een steunregeling in die voldoet aan de voorwaarden van:
   - verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard, die is bekend gemaakt in het Publicatieblad L 187 van 26 juni 2014;
   - verordening (EU) nr. 702/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun in de landbouw- en de bosbouwsector en in plattelandsgebieden op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, die is bekend gemaakt in het Publicatieblad L 193 van 1 juli 2014;
   - verordening (EU) nr. 1388/2014 van de Commissie van 16 december 2014 waarbij bepaalde categorieën steun voor ondernemingen die actief zijn in de productie, de verwerking en de afzet van visserij- en aquacultuurproducten, op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie met de interne markt verenigbaar worden verklaard, die is bekend gemaakt in het Publicatieblad L 369 van 24 december 2014.]1

  
Art. 19/1. [1 Le présent chapitre introduit un régime d'aide qui est conforme aux conditions du :
   - règlement (UE) n° 651/2014 de la Commission du 17 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du Traité, qui est publié au Journal officiel L 187 du 26 juin 2014 ;
   - règlement (UE) n° 702/2014 de la Commission du 25 juin 2014 déclarant certaines catégories d'aides, dans les secteurs agricole et forestier et dans les zones rurales, compatibles avec le marché intérieur, en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui est publié au Journal officiel L 193 du 1er juillet 2014 ;
   - règlement (UE) n° 1388/2014 de la Commission du 16 décembre 2014 déclarant certaines catégories d'aides aux entreprises actives dans la production, la transformation et la commercialisation des produits de la pêche et de l'aquaculture compatibles avec le marché intérieur en application des articles 107 et 108 du traité sur le fonctionnement de l'Union européenne, qui est publié au Journal officiel L 369 du 24 décembre 2014.]1

  
Art. 19/2. [1 In geval een gewest wordt getroffen door een aardbeving, lawine, grondverschuiving, overstroming, tornado, orkaan, vulkaanuitbarsting of natuurbrand met een natuurlijke oorzaak die door het gewest formeel als natuurramp wordt erkend, kan dit gewest binnen een termijn van 24 maanden die aanvangt op de eerste dag van de maand die volgt op de maand waarin de natuurramp zich heeft voorgedaan aan de minister bevoegd voor Financiën federale fiscale steun in de vorm van een gedeeltelijke vrijstelling van doorstorting van bedrijfsvoorheffing voor de door de natuurramp getroffen werkgevers vragen.
   Nadat met dit gewest een samenwerkingsakkoord werd gesloten waarin de gegevensuitwisseling wordt vastgelegd die moet waarborgen dat de door de Federale overheid verstrekte steun de maximale steunintensiteit zoals bepaald in artikel 50 van de in artikel 19/1 bedoelde verordening (EU) nr. 651/2014, artikel 30 van de in artikel 19/1 bedoelde verordening (EU) nr. 702/2014 of artikel 44 van de in artikel 19/1 bedoelde verordening (EU) nr. 1388/2014 niet overschrijdt en de Ministerraad met de steun heeft ingestemd, neemt de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit deze natuurramp op in het toepassingsgebied van artikel 2759/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.
   Het in het tweede lid bedoelde samenwerkingsakkoord gesloten tussen een gewest en de federale regering kan in geen geval afwijken van de voorwaarden bepaald door dit artikel, artikel 2759/1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 en de verordeningen bedoeld in artikel 19/1 van deze wet.
   Weersomstandigheden die met een natuurramp kunnen worden gelijkgesteld, zoals bedoeld in artikel 2, punt 16, van de voormelde verordening (EU) Nr. 702/2014, vallen buiten het toepassingsgebied van dit hoofdstuk.]1

  
Art. 19/2. [1 Dans le cas où une région est touchée par un séisme, une avalanche, un glissement de terrain, une inondation, une tornade, un ouragan, une éruption volcanique ou un feu de végétation d'origine naturelle ayant été formellement reconnu par la région comme calamité naturelle, cette région peut demander au ministre qui a les Finances dans ses attributions, endéans une période de 24 mois qui débute à partir du premier jour du mois qui suit le mois endéans lequel la calamité naturelle s'est produite, une aide fiscale fédérale dans la forme d'une dispense partielle de versement de précompte professionnel pour les employeurs touchés par ladite calamité naturelle.
   Après qu'un accord de coopération ait été conclu avec cette région, dans lequel l'échange d'informations devant garantir que l'aide fournie par l'autorité fédérale ne dépasse pas l'intensité maximale de l'aide telle que déterminée à l'article 50 du règlement n° 651/2014 visé à l'article 19/1, à l'article 30 du règlement n° 702/2014 visé à l'article 19/1, ou à l'article 44 du règlement n° 1388/2014 visé à l'article 19/1 et que le Conseil de ministres a approuvé l'aide, le Roi inclut par arrêté délibéré en Conseil des ministres cette calamité dans le champ d'application de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992.
   L'accord de coopération visé à l'alinéa 2 conclu entre une région et le gouvernement fédéral ne peut en aucun cas déroger aux conditions du présent article, de l'article 2759/1 du Code des impôts sur les revenus 1992 et les règlements visés à l'article 19/1 de la présente loi.
   Les circonstances météorologiques qui peuvent être assimilées à une calamité naturelle, telles que visées à l'article 2, point 16, du règlement (UE) n° 702/2014 précité tombent hors du champ d'application du présent chapitre.]1

  
Art. 19/3. [1 Dit hoofdstuk is van toepassing op de natuurrampen die vanaf 1 juli 2021 hebben plaatsgevonden.]1
  
Art. 19/3. [1 Le présent chapitre est applicable aux calamités naturelles ayant eu lieu à partir du 1er juillet 2021.]1
  
TITEL 4. - Investering in vorming en innovatie Alternerend leren
TITRE 4. - Investissement dans la formation et l'innovation Formation en alternance
HOOFDSTUK 1. - Vorming en innovatie
CHAPITRE 1er. - Formation et innovation
Art.20. In het tweejaarlijks interprofessioneel akkoord van de sociale gesprekspartners wordt ruime aandacht besteed aan opleiding en andere structurele elementen van competitiviteit, waaronder innovatie.
Art.20. Dans l'accord interprofessionnel bi-annuel des interlocuteurs sociaux une grande attention est consacrée à la formation et à d'autres éléments structurels de la compétitivité, entre autres l'innovation.
Art.21. In artikel 30 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact, gewijzigd bij de wetten van 17 mei 2007 en 22 december 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste paragraaf worden de woorden "voor de financiering van het educatief verlof" vervangen door de woorden "voor de financiering van de inspanning ten voordele van personen die behoren tot de risicogroepen bedoeld in artikel 189 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I),";
  2° de eerste paragraaf wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  "Deze verhoging van de werkgeversbijdrage voor de financiering van de inspanning ten voordele van personen die behoren tot de risicogroepen bedoeld in artikel 189 van de wet van 27 december 2006 houdende diverse bepalingen (I) wordt gestort aan de instellingen belast met de inning en de invordering van de socialezekerheidsbijdrage.
  De opbrengst van de verhoging van de werkgeversbijdrage wordt toegevoegd aan het bedrag aan middelen dat door de Koning op basis van artikel 191, § 3, van voormelde wet van 27 december 2006 kan besteed worden aan bijkomende projecten voor risicogroepen.";
  3° § 2bis wordt vervangen als volgt :
  " Onverminderd gunstigere bepalingen en onverminderd § 1, voorzien de collectieve arbeidsovereenkomsten zoals bedoeld in § 2 in ieder geval minimaal in het equivalent van één dag voortgezette beroepsopleiding per werknemer per jaar.
  De Koning bepaalt de nadere uitvoeringsregels van deze paragraaf. ".
Art.21. A l'article 30 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations, modifiée par les lois des 17 mai 2007 et 22 décembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, les mots "pour le financement du congé-éducation payé" sont remplacés par les mots "pour le financement des efforts en faveur des personnes qui appartiennent aux groupes à risque tels que visés à l'article 189 de la loi du 27 décembre 2006 portant dispositions diverses (I).";
  2° le paragraphe 1er est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  " Cette augmentation de la cotisation patronale pour le financement de l'effort en faveur des personnes qui appartiennent aux groupes à risque tels que visés à l'article 189 de la loi du 27 décembre 2006 portant dispositions diverses (I) est versée aux organismes chargés de la perception et du recouvrement des cotisations de sécurité sociale.
  La recette de l'augmentation de la cotisation patronale est ajoutée au montant des moyens qui peut être alloué par le Roi, sur la base de l'article 191, § 3, de la loi du 27 décembre 2006 précitée, aux projets complémentaires en faveur des groupes à risque. ";
  3° § 2bis est remplacé comme suit :
  " Sans préjudice de dispositions plus favorables et sans préjudice du § 1er, les conventions collectives de travail visées au § 2 intègrent en tout cas au minimum l'équivalent d'un jour de formation professionnelle continue par travailleur par an.
  Le Roi détermine les modalités d'exécution de ce paragraphe. ".
Art.22. § 1. Op sectoraal niveau worden voor 30 september van het eerste jaar van de duur van het interprofessioneel akkoord collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten betreffende innovatie.
  Deze collectieve arbeidsovereenkomsten bevatten enerzijds een rapportering inzake innovatie bij de werkgevers die ressorteren onder het paritair comité of paritair subcomité en anderzijds engagementen inzake de verbetering van de innovatie voor de duur van het interprofessioneel akkoord.
  § 2. Deze rapportering wordt verwezenlijkt op basis van een boordtabel die door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven ter beschikking wordt gesteld.
  De Koning bepaalt de nadere voorwaarden en regels waaraan die rapportering moet voldoen.
  § 3. In afwijking van § 1 dient, met betrekking tot het jaar 2014, voor 30 november, enkel een collectieve arbeidsovereenkomst te worden afgesloten met een rapportering inzake innovatie.
Art.22. § 1er. Des conventions collectives de travail relatives à l'innovation sont conclues au niveau sectoriel pour le 30 septembre de la première année de la durée de l'accord interprofessionnel.
  Ces conventions collectives de travail contiennent d'une part un rapport relatif à l'innovation parmi les employeurs ressortissant de la commission paritaire ou de la sous-commission paritaire et d'autre part des engagements relatifs à l'amélioration de l'innovation pour la durée de l'accord interprofessionnel.
  § 2. Ce rapport est réalisé sur la base d'un tableau de bord mis à disposition par le Conseil central de l'Economie.
  Le Roi détermine les conditions précises et les règles auxquelles ce rapport doit satisfaire.
  § 3. En dérogation au § 1er, en ce qui concerne l'année 2014, seule une convention collective de travail relative au rapport concernant l'innovation doit être conclue avant le 30 novembre.
Art.23. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt, met uitzondering van artikel 21, dat in werking treedt op 1 januari 2015.
Art.23. Ce chapitre entre en vigueur le jour de sa publication au Moniteur belge, à l'exception de l'article 21, qui entre en vigueur le 1er janvier 2015.
HOOFDSTUK 2. - Alternerend leren
CHAPITRE 2. - Formation en alternance
Afdeling 1. - Onderwerping
Section 1re. - Assujettissement
Art.24. In artikel 1 van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1 wordt het woord "leerjongens" telkens door "leerlingen" vervangen;
  2° § 1 wordt aangevuld met een derde lid, luidende :
  " De Koning bepaalt wat onder leerlingen moet worden verstaan. ".
Art.24. A l'article 1er de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le § 1er, dans la version néerlandaise, le mot "leerjongens" est chaque fois remplacé par "leerlingen";
  2° le § 1er est complété par un alinéa 3 rédigé comme suit :
  " Le Roi détermine ce qu'il faut entendre par apprentis. ".
Afdeling 2. - Aanpassing Dimona
Section 2. - Adaptation Dimona
Art.25. In artikel 2, 1°, van het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, wordt het punt c) vervangen als volgt :
  " c) de leerlingen zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders; ".
Art.25. A l'article 2, 1°, de l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, le point c) est remplacé par ce qui suit :
  " c) les apprentis tel que déterminés en exécution de l'article 1er, § 1er, alinéa 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs; ".
Afdeling 3. - Startbanenstelsel Aanpassing van de definitie van SBO type 3
Section 3. - Conventions de premier emploi Adaptation de la définition de la CPE type 3
Art.26. In artikel 27, eerste lid, van de wet van 24 december 1999 ter bevordering van de werkgelegenheid wordt de bepaling onder 3° vervangen als volgt :
  " 3° a) elke overeenkomst waarmee leerlingen, zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, verbonden zijn;
  b) elke andere vorm van opleidings- of inschakelingsovereenkomst die de Koning bepaalt.".
Art.26. Dans l'article 27, alinéa 1er, de la loi du 24 décembre 1999 en vue de la promotion de l'emploi, le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° a) tout contrat par lequel sont liés les apprentis tel que déterminés en exécution de l'article 1er, § 1er, alinéa 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs;
  b) tout autre type de convention ou contrat de formation ou d'insertion que le Roi détermine. ".
Afdeling 4. - Verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen - Sector uitkeringen
Section 4. - Assurance obligatoire soins de santé et indemnités - Secteur indemnités
Art.27. Artikel 86, § 1, 1°, a), van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De leerlingen zoals bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders worden tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van 18 jaar bereiken beschouwd als werknemers die vallen onder de verplichte uitkeringsverzekering. ".
Art.27. L'article 86, § 1er, 1°, a), de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Les apprentis tel que déterminés en exécution de l'article 1er, § 1er, alinéa 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs sont, jusqu'au 31 décembre de l'année au cours de laquelle ils atteignent l'âge de 18 ans, considérés comme des travailleurs assujettis à l'assurance obligatoire indemnités. ".
Afdeling 5. - Slotbepaling
Section 5. - Disposition finale
Art.28. Dit hoofdstuk treedt in werking op 1 juli 2015.
  De leerlingen wier lopende leer-, opleidings- of inschakelingsovereenkomst niet beantwoordt aan de criteria bepaald in uitvoering van artikel 1, § 1, derde lid, van de wet van 27 juni 1969 tot herziening van de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders, blijven onderworpen aan de bepalingen die van toepassing waren vóór de inwerkingtreding van dit hoofdstuk, en dit tot het einde van de looptijd van die overeenkomst.
Art.28. Le présent chapitre entre en vigueur le 1er juillet 2015.
  Les apprentis dont le contrat d'apprentissage, de formation ou d'insertion en cours ne répond pas aux critères déterminés en exécution de l'article 1er, § 1er, alinéa 3, de la loi du 27 juin 1969 révisant l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs restent soumis aux dispositions qui étaient applicables avant l'entrée en vigueur du présent chapitre, et ce jusqu'au terme de ce contrat.
TITEL 5. - Administratieve vereenvoudiging
TITRE 5. - Simplification administrative
HOOFDSTUK 1. - Vrijstellingsregeling van belasting over de toegevoegde waarde in het voordeel van kleine ondernemingen
CHAPITRE 1er. - Régime de la franchise de taxe sur la valeur ajoutée en faveur des petites entreprises
Art.29. In artikel 25ter, § 1, tweede lid, 2°, van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en laatstelijk gewijzigd bij de wet van 29 december 2010, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, a), worden de woorden "artikel 56, § 2," vervangen door de woorden "artikel 56bis";
  2° in het vierde lid worden de woorden "56, § 2" vervangen door de woorden "56bis".
Art.29. Dans l'article 25ter, § 1er, alinéa 2, 2°, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et modifié en dernier lieu par la loi du 29 décembre 2010, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à l'alinéa 1er, a), les mots "article 56, § 2," sont remplacés par les mots "article 56bis";
  2° à l'alinéa 4, les mots "56, § 2" sont remplacés par les mots "56bis".
Art.30. In artikel 39bis, eerste lid, 1° en 3°, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 december 1994, worden de woorden "artikel 56, § 2" vervangen door de woorden "artikel 56bis".
Art.30. Dans l'article 39bis, alinéa 1er, 1° et 3°, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992, remplacé par l'arrêté royal du 29 décembre 1992 et modifié par l'arrêté royal du 23 décembre 1994, les mots "article 56, § 2" sont remplacés par les mots "article 56bis".
Art.31. In artikel 50, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 november 2009, worden de woorden "artikel 56, § 2" vervangen door de woorden "artikel 56bis".
Art.31. Dans l'article 50, § 1er, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 26 novembre 2009, les mots "article 56, § 2" sont remplacés par les mots "article 56bis".
Art.32. In artikel 53, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 januari 2004, worden de woorden "artikel 56, § 2," vervangen door de woorden "artikel 56bis".
Art.32. Dans l'article 53, § 1er, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 28 janvier 2004, les mots "article 56, § 2" sont remplacés par les mots "article 56bis".
Art.33. In artikel 53bis, § 1, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992, vervangen bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en gewijzigd bij de wet van 20 juli 2000, worden de woorden "56, § 2," vervangen door de woorden "56bis".
Art.33. Dans l'article 53bis, § 1er, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992, remplacé par l'arrêté royal du 29 décembre 1992 et modifié par la loi du 20 juillet 2000, les mots "article 56, § 2" sont remplacés par les mots "article 56bis".
Art.34. In artikel 53quater, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 28 december 1992 en vervangen bij de wet van 26 november 2009, worden de woorden "56, § 2" vervangen door de woorden "56bis".
Art.34. Dans l'article 53quater, § 1er, alinéa 2, du même Code, inséré par la loi du 28 décembre 1992 et remplacé par la loi du 26 novembre 2009, les mots "56, § 2" sont remplacés par les mots "56bis".
Art.35. In artikel 56 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992 en gewijzigd bij het koninklijk besluit van 29 december 1992 en de programmawet van 27 april 2007, wordt paragraaf 2 opgeheven.
Art.35. Dans l'article 56 du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992 et modifié par l'arrêté royal du 29 décembre 1992 et la loi-programme du 27 avril 2007, le paragraphe 2 est abrogé.
Art.36. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 56bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 56bis. § 1. De belastingplichtigen van wie de in België gerealiseerde jaaromzet niet meer bedraagt dan 15.000 euro, kunnen belastingvrijstelling genieten voor de leveringen van goederen en diensten die ze verrichten.
  Wanneer de belastingplichtige bedoeld in het eerste lid, een economische activiteit aanvangt in de loop van een kalenderjaar, wordt het drempelbedrag bedoeld in het eerste lid, proportioneel verminderd a rato van het aantal kalenderdagen verstreken tussen 1 januari van het betrokken kalenderjaar en de datum van aanvang van voormelde activiteit.
  § 2. De btw-eenheden in de zin van artikel 4, § 2, zijn uitgesloten van de vrijstellingsregeling van belasting.
  Zijn daarenboven uitgesloten, voor het geheel van hun economische activiteit, de belastingplichtigen die geregeld verrichten :
  1° werk in onroerende staat in de zin van artikel 19, § 2, tweede lid, alsook de ermee gelijkgestelde handelingen;
  2° leveringen van goederen en diensten waarvoor zij gehouden zijn aan de klant het kasticket uit te reiken bedoeld in het koninklijk besluit van 30 december 2009 tot het bepalen van de definitie en de voorwaarden waaraan een geregistreerd kassasysteem in de horecasector moet voldoen;
  3° leveringen van oude materialen, van oude materialen ongeschikt voor hergebruik in dezelfde staat, van industrieel en niet-industrieel afval, van afval voor hergebruik, van gedeeltelijk verwerkt afval en van schroot in de zin van artikel 199, eerste lid, punt d), van de Richtlijn 2006/112/EG. De Koning stelt de lijst op van de door deze bepaling bedoelde goederen.
  § 3. De vrijstellingsregeling van belasting is niet van toepassing op :
  1° de handelingen bedoeld in artikel 8;
  2° de leveringen van nieuwe vervoermiddelen verricht onder de voorwaarden van artikel 39bis;
  3° de leveringen van goederen en diensten verricht door een belastingplichtige die niet in België is gevestigd;
  4° de handelingen bedoeld in artikel 58, §§ 1 en 2;
  5° de handelingen verricht op verborgen wijze, met name de handelingen die niet worden aangegeven en de handelingen die ongeoorloofd zijn.
  § 4. De omzet die als maatstaf dient om in aanmerking te komen voor de belastingvrijstelling, wordt gevormd door het bedrag, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, van :
  1° de belaste leveringen van goederen en diensten;
  2° de handelingen vrijgesteld krachtens de artikelen 39 tot 42;
  3° de handelingen met betrekking tot onroerende goederen bedoeld in artikel 44, § 3, 1° en 2°, de financiële handelingen bedoeld in artikel 44, § 3, 5° tot 11°, en de handelingen van verzekering en herverzekering bedoeld in artikel 44, § 3, 4°, tenzij die handelingen met andere handelingen samenhangende handelingen zijn.
  De overdracht van lichamelijke of onlichamelijke bedrijfsmiddelen van de onderneming, de handelingen bedoeld in paragraaf 3, de handelingen verricht door landbouwondernemers onderworpen aan de bijzondere regeling bedoeld in artikel 57 en de niet in België verrichte handelingen, worden evenwel niet in aanmerking genomen voor de vaststelling van de omzet.
  § 5. De belastingplichtigen die belastingvrijstelling genieten, kunnen de belasting geheven van de goederen en de diensten die ze gebruiken voor het verrichten van hun van de belasting vrijgestelde handelingen niet in aftrek brengen.
  Op de facturen of op de als zodanig geldende stukken die deze belastingplichtigen uitreiken voor de door hen geleverde goederen of verrichte diensten mag de belasting, onder welke vorm dan ook, niet worden vermeld, maar moet de volgende vermelding worden aangebracht : "Bijzondere vrijstellingsregeling kleine ondernemingen".
  § 6. De belastingplichtigen die in aanmerking komen voor de belastingvrijstelling, kunnen evenwel kiezen voor de toepassing van de belasting ten aanzien van de leveringen van goederen en diensten die zij verrichten, en de normale belastingregeling of de krachtens artikel 56 ingestelde bijzondere regeling toepassen.
  § 7. De Koning stelt de praktische toepassingsvoorwaarden en de formaliteiten vast wat betreft de aanvang, de wijziging of de stopzetting van de activiteit of van de belastingregeling. Hij bepaalt eveneens de regels voor de uitoefening van de in paragraaf 6 bedoelde keuze. ".
Art.36. Dans le même Code, il est inséré un article 56bis rédigé comme suit :
  " Art. 56bis. § 1er. Les assujettis dont le chiffre d'affaires annuel réalisé en Belgique ne dépasse pas 15.000 euros, peuvent bénéficier de la franchise de taxe pour les livraisons de biens et les prestations de services qu'ils effectuent.
  Lorsque l'assujetti visé à l'alinéa 1er, commence une activité économique dans le courant de l'année civile, le montant du seuil visé à l'alinéa 1er, est réduit au prorata du nombre de jours calendrier écoulés entre le 1er janvier de l'année civile concernée et la date du commencement de l'activité susmentionnée.
  § 2. Les unités T.V.A. au sens de l'article 4, § 2, sont exclues du régime de la franchise de taxe.
  Sont en outre exclus, pour la totalité de leur activité économique, les assujettis qui effectuent de manière habituelle :
  1° un travail immobilier au sens de l'article 19, § 2, alinéa 2, ainsi que les opérations y assimilées;
  2° des livraisons de biens et des prestations de services pour lesquelles ils sont tenus de délivrer au client le ticket de caisse prévu à l'arrêté royal du 30 décembre 2009 fixant la définition et les conditions auxquelles doit répondre un système de caisse enregistreuse dans le secteur horeca;
  3° des livraisons de matériaux usagés, de matériaux usagés ne pouvant pas être réutilisés en l'état, de déchets industriels et non industriels, de déchets de récupération, de déchets en partie transformés et de débris au sens de l'article 199, alinéa 1er, point d), de la Directive 2006/112/CE. Le Roi établit la liste des biens concernés par cette disposition.
  § 3. Le régime de la franchise de taxe n'est pas applicable pour :
  1° les opérations visées à l'article 8;
  2° les livraisons de moyens de transport neufs effectuées dans les conditions prévues à l'article 39bis;
  3° les livraisons de biens et les prestations de services effectuées par un assujetti qui n'est pas établi en Belgique;
  4° les opérations visées à l'article 58, §§ 1er et 2;
  5° les opérations effectuées de manière occulte, notamment les opérations non déclarées et les opérations illicites.
  § 4. Le chiffre d'affaires qui sert de référence pour bénéficier de la franchise de taxe est constitué par le montant, hors taxe sur la valeur ajoutée :
  1° des livraisons de biens et des prestations de services taxées;
  2° des opérations exemptées en vertu des articles 39 à 42;
  3° des opérations immobilières visées à l'article 44, § 3, 1° et 2°, des opérations financières visées à l'article 44, § 3, 5° à 11° et des opérations d'assurance et de réassurance visées à l'article 44, § 3, 4°, à moins que ces opérations n'aient le caractère d'opérations accessoires.
  Toutefois, ne sont pas prises en considération pour la détermination de ce chiffre d'affaires, les cessions de biens d'investissement corporels ou incorporels de l'entreprise, les opérations visées au paragraphe 3, les opérations réalisées par des exploitants agricoles soumis au régime particulier visé à l'article 57 et les opérations non effectuées en Belgique.
  § 5. Les assujettis qui bénéficient de la franchise de taxe ne peuvent déduire la taxe ayant grevé les biens et les services qu'ils utilisent pour effectuer leurs opérations en franchise de taxe.
  Les factures ou tout autre document en tenant lieu que ces assujettis émettent pour les livraisons de biens ou les prestations de services qu'ils effectuent, ne peuvent faire apparaître, de quelque manière que ce soit, la taxe, mais doivent être complétés de la mention suivante : "Régime particulier de franchise des petites entreprises".
  § 6. Les assujettis susceptibles de bénéficier de la franchise de taxe peuvent toutefois opter pour l'application de la taxe sur les livraisons de biens et les prestations de services qu'ils effectuent, et bénéficier du régime normal ou du régime particulier établi en vertu de l'article 56.
  § 7. Le Roi fixe les conditions d'application pratiques et les formalités à observer en ce qui concerne le commencement, le changement ou la cessation de l'activité ou du régime de taxation. Il détermine également les modalités d'exercice de l'option visée au paragraphe 6. ".
Art.37. In artikel 57, § 6, 2°, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 28 december 1992, worden de woorden "van artikel 56, § 1 of § 2" vervangen door de woorden "van de artikelen 56 of 56bis".
Art.37. Dans l'article 57, § 6, 2°, du même Code, remplacé par la loi du 28 décembre 1992, les mots "à l'article 56, § 1er ou § 2" sont remplacés par les mots "aux articles 56 ou 56bis".
Art.38. In artikel 58, § 4, 2°, derde streepje, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij het koninklijk besluit van 23 december 1994, worden de woorden "artikel 56, § 2" vervangen door de woorden "artikel 56bis".
Art.38. Dans l'article 58, § 4, 2°, troisième tiret, du même Code, remplacé par l'arrêté royal du 23 décembre 1994, les mots "article 56, § 2" sont remplacés par les mots "article 56bis".
Art.39. De artikelen 29 tot en met 38 treden in werking op 1 april 2014.
Art.39. Les articles 29 à 38 entrent en vigueur le 1er avril 2014.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van boek VI, XIV en XV van het Wetboek van economisch recht, met betrekking tot de afronding van betalingen in euro
CHAPITRE 2. - Modifications des Livres VI, XIV et XV du Code de droit économique, relatif à l'arrondissement des paiements en euro
Art.40. Artikel VI. 2 van het Wetboek van economisch recht, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, wordt aangevuld als volgt :
  " 10° desgevallend, het feit dat bij het aangaan van de overeenkomst het totaalbedrag dat door de consument dient te worden betaald, wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent indien de consument betaalt in speciën. ".
Art.40. L'article VI. 2 du Code de droit économique, inséré par la loi du 21 décembre 2013, est complété comme suit :
  " 10° le cas échéant, le fait que lors de la conclusion du contrat, le montant total à payer par le consommateur est arrondi au plus proche multiple de 5 cents si le consommateur paie en espèces. ".
Art.41. In artikel VI. 4 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden de woorden "De aangeduide prijs is" vervangen door de woorden "Onverminderd artikel VI. 7/1, is de aangeduide prijs".
Art.41. Dans l'article VI. 4 du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2013, les mots "Le prix indiqué" sont remplacés par les mots "Sans préjudice de l'article VI. 7/1, le prix indiqué".
Art.42. In boek VI, titel 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, wordt een hoofdstuk 2/1 ingevoegd luidende :
  " Hoofdstuk 2/1. Afronding van het te betalen bedrag ".
Art.42. Dans le livre VI, titre 2, du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2013, il est inséré un chapitre 2/1 intitulé :
  " Chapitre 2/1. Arrondissement du montant à payer ".
Art.43. In hoofdstuk 2/1, ingevoegd bij artikel 42, wordt een artikel VI. 7/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. VI. 7/1. Elke onderneming mag het totaalbedrag dat de consument dient te betalen, afronden naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent, voor zover :
  - het een betaling in speciën betreft,
  - het totaalbedrag hoger is dan 5 cent en
  - de onderneming de voorwaarden bepaald in artikel VI. 7/2 naleeft ".
Art.43. Dans le chapitre 2/1, inséré par l'article 42, il est inséré un article VI. 7/1 rédigé comme suit :
  " Art. VI. 7/1. Toute entreprise peut arrondir le montant total à payer par le consommateur au multiple de 5 cents le plus proche, pour autant :
  - que le paiement se fait en espèces,
  - que le montant total à payer soit supérieur à 5 cents et
  - que l'entreprise respecte les conditions prévues à l'article VI. 7/2 ".
Art.44. In hetzelfde hoofdstuk 2/1, wordt een artikel VI. 7/2 ingevoegd, luidende :
  "Art. VI. 7/2. § 1. Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 1, 2, 6 of 7 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 5 cent afgerond.
  Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 3, 4, 8 of 9 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde hogere veelvoud van 5 cent afgerond.
  § 2. Op elk document waarop het te betalen totaalbedrag vermeld staat, vermeldt de onderneming uitdrukkelijk de toegepaste afronding.
  § 3. De onderneming licht de consument op een goed zichtbare manier in, door op zijn minst op de plaatsen waar de consument zijn schuld kan vereffenen, de boodschap "het te betalen totaalbedrag wordt voor betalingen in speciën afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent" aan te brengen.
  De Koning kan andere wijzen bepalen waarop een boodschap in verband met de afronding wordt meegedeeld.
  § 4. De onderneming past de afronding ook toe op de totaalbedragen die ze aan de consument terugbetaalt in speciën. ".
Art.44. Dans le même chapitre 2/1, il est inséré un article VI. 7/2 rédigé comme suit :
  " Art. VI. 7/2. § 1er. Si le montant total à payer se termine par 1, 2, 6 ou 7 cents, il est arrondi au multiple de 5 cents inférieur le plus proche.
  Si le montant total à payer se termine par 3, 4, 8 ou 9 cents, il est arrondi au multiple de 5 cents supérieur le plus proche.
  § 2. Sur chaque document qui indique le montant total à payer, l'entreprise mentionne explicitement l'arrondissement appliqué.
  § 3. L'entreprise informe le consommateur d'une manière bien visible en opposant, au moins aux endroits où le consommateur peut régler sa dette, la mention "le montant total à payer est, pour les paiements en espèces, arrondi au multiple de 5 cents le plus proche".
  Le Roi peut déterminer d'autres moyens par lesquels un message concernant l'arrondissement est communiqué.
  § 4. L'entreprise applique également l'arrondissement aux montants totaux qu'elle rembourse en espèces au consommateur. ".
Art.45. In hetzelfde hoofdstuk 2/1, wordt een artikel VI. 7/3 ingevoegd, luidende :
  " Art. VI. 7/3. De betaling van het te betalen totaalbedrag dat in overeenstemming met artikel VI. 7/2 werd afgerond, bevrijdt de consument van zijn schuld.
  In afwijking van artikel 1235 van het Burgerlijk Wetboek kan het verschil tussen het overeenkomstig artikel VI. 7/2 afgeronde en betaalde totaalbedrag en het totaalbedrag vóór afronding niet worden teruggevorderd. ".
Art.45. Dans le même chapitre 2/1, il est inséré un article VI. 7/3 rédigé comme suit :
  " Art. VI. 7/3. Le paiement du montant total à payer qui est arrondi en application de l'article VI. 7/2, libère le consommateur de sa dette.
  Par dérogation à l'article 1235 du Code civil, la différence entre le montant total arrondi et payé en application de l'article VI. 7/2, et le montant total avant l'arrondissement ne peut pas être exigée. ".
Art.46. Artikel XIV. 3 van het hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt aangevuld als volgt :
  " 9° desgevallend, het feit dat bij het aangaan van de overeenkomst het totaalbedrag dat door de consument dient te worden betaald, wordt afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent indien de consument betaalt in speciën. ".
Art.46. L'article XIV. 3 du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014, est complété comme suit :
  " 9° le cas échéant, le fait que, lors de la conclusion du contrat, le montant total à payer par le consommateur est arrondi au plus proche multiple de 5 cents si le consommateur paie en espèces. ".
Art.47. In artikel XIV. 5 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, worden de woorden "De aangeduide prijs is" vervangen door de woorden "Onverminderd artikel XIV. 8/1, is de aangeduide prijs.".
Art.47. Dans l'article XIV. 5 du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014, les mots "Le prix indiqué" sont remplacés par les mots "Sans préjudice de l'article XIV. 8/1, le prix indiqué.".
Art.48. In boek XIV, titel 2, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, wordt een hoofdstuk 2/1. ingevoegd luidende :
  " Hoofdstuk 2/1. Afronding van het te betalen bedrag. ".
Art.48. Dans le livre XIV, titre 2, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014, il est inséré un chapitre 2/1 intitulé :
  " Chapitre 2/1. Arrondissement du montant à payer. ".
Art.49. In hoofdstuk 2/1, ingevoegd bij artikel 48, wordt een artikel XIV. 8/1 ingevoegd, luidende :
  "Art. XIV. 8/1. Elke beoefenaar van een vrij beroep mag het totaalbedrag dat de consument dient te betalen, afronden naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent, voor zover :
  - het een betaling in speciën betreft;
  - het totaalbedrag hoger is dan 5 cent;
  - de betaling geen betrekking heeft op de verstrekking van geneesmiddelen voor menselijk gebruik, bedoeld in artikel 1, a), van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen en;
  - de beoefenaar van een vrij beroep de voorwaarden bepaald in artikel XIV. 8/2 naleeft. ".
Art.49. Dans le chapitre 2/1, inséré par l'article 48, il est inséré un article XIV. 8/1 rédigé comme suit :
  " Art. XIV. 8/1. Toute personne exerçant une profession libérale peut arrondir le montant total à payer par le consommateur au multiple de 5 cents le plus proche, pour autant :
  - que le paiement se fait en espèces;
  - que le montant total à payer soit supérieur à 5 cents;
  - que le paiement ne se rapporte pas à la fourniture de médicaments à usage humain visés à l'article 1, a), de la loi du 25 mars 1964 sur les médicaments, et;
  - que la personne exerçant une profession libérale respecte les conditions prévues à l'article XIV. 8/2. ".
Art.50. In hetzelfde hoofdstuk 2/1, wordt een artikel XIV. 8/2 ingevoegd, luidende :
  " Art. XIV. 8/2. § 1. Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 1, 2, 6 of 7 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde lagere veelvoud van 5 cent afgerond.
  Wanneer het te betalen totaalbedrag eindigt op 3, 4, 8 of 9 cent, wordt het naar het dichtstbijzijnde hogere veelvoud van 5 cent afgerond.
  § 2. Op elk document waarop het te betalen totaalbedrag vermeld staat, vermeldt de beoefenaar van een vrij beroep uitdrukkelijk de toegepaste afronding.
  § 3. De beoefenaar van een vrij beroep licht de consument op een goed zichtbare manier in, door op zijn minst op de plaatsen waar de consument zijn schuld kan vereffenen, de boodschap "het te betalen totaalbedrag wordt voor betalingen in speciën afgerond naar het dichtstbijzijnde veelvoud van 5 cent" aan te brengen.
  De Koning kan andere wijzen bepalen waarop een boodschap in verband met de afronding wordt meegedeeld.
  § 4. De beoefenaar van een vrij beroep past de afronding ook toe op de totaalbedragen die hij aan de consument terugbetaalt in speciën. ".
Art.50. Dans le même chapitre 2/1, il est inséré un article XIV. 8/2 rédigé comme suit :
  " Art. XIV. 8/2. § 1er. Si le montant total à payer se termine par 1, 2, 6 ou 7 cents, il est arrondi au multiple de 5 cents inférieur le plus proche.
  Si le montant total à payer se termine par 3, 4, 8 ou 9 cents, il est arrondi au multiple de 5 cents supérieur le plus proche.
  § 2. Sur chaque document qui indique le montant total à payer, la personne exerçant une profession libérale mentionne explicitement l'arrondissement appliqué.
  § 3. La personne exerçant une profession libérale informe le consommateur d'une manière bien visible en opposant, au moins aux endroits où le consommateur peut régler sa dette, la mention "le montant total à payer est pour les paiements en espèces arrondi au multiple de 5 cents le plus proche".
  Le Roi peut déterminer d'autres moyens par lesquels un message concernant l'arrondissement est communiqué.
  § 4. La personne exerçant une profession libérale applique également l'arrondissement aux montants totaux qu'elle rembourse en espèces au consommateur. ".
Art.51. In artikel XV. 83 van boek XV van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 21 december 2013, worden de bepalingen onder 1°/1 ingevoegd, luidende :
  " 1°/1. van de artikelen VI. 7/1 en VI. 7/2 en van de besluiten tot uitvoering van artikel VI. 7/2; ".
Art.51. A l'article XV. 83 du livre XV du même Code, inséré par la loi du 21 décembre 2013, les dispositions sous 1°/1 sont insérées, rédigées comme suit :
  " 1°/1. des articles VI. 7/1 et VI. 7/2 et des arrêtés pris en exécution de l'article VI. 7/2; ".
Art.52. In artikel XV. 124 van boek XV van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2014, worden de bepalingen onder 1°/1 ingevoegd, luidende :
  " 1°/1. van de artikelen XIV. 8/1 en XIV. 8/2 en van de besluiten tot uitvoering van artikel XIV. 8/2; ".
Art.52. A l'article XV. 124 du livre XV du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2014, les dispositions sous 1°/1 sont insérées, rédigées comme suit :
  " 1°/1. des articles XIV. 8/1 et XIV. 8/2 et des arrêtés pris en exécution de l'article XIV. 8/2; ".
Art.53. De Koning bepaalt de datum van inwerkingtreding van dit hoofdstuk en van elke bepaling ingevoegd door dit hoofdstuk in het Wetboek van economisch recht.
Art.53. Le Roi fixe la date d'entrée en vigueur du présent chapitre et de chacune des dispositions insérées par le présent chapitre dans le Code de droit économique.
(NOTA : Entrée en vigueur des articles 40 à 52 fixée au 01-10-2014 par AR 2014-09-22/01, art. 1)
TITEL 6. - Bekrachtiging van een koninklijk besluit
TITRE 6. - Confirmation d'un arrêté royal
Art.54. Het koninklijk besluit van 15 december 2013 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing wordt bekrachtigd met ingang van de dag van zijn inwerkingtreding.
Art.54. L'arrêté royal du 15 décembre 2013 modifiant, en matière de précompte professionnel, l'AR/CIR 92 est confirmé avec effet à la date de son entrée en vigueur.
TITEL 7. - Arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst aan boord van zeeschepen
TITRE 7. - Contrat d'engagement maritime à bord des navires de mer
ENIG HOOFDSTUK. - Wijzigingen van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen
CHAPITRE UNIQUE. - Modifications de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses du travail
Art.55. In artikel 28 van de wet van 3 juni 2007 houdende diverse arbeidsbepalingen worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
  " 3° "reder" : eigenaar van het schip of elke andere instelling of persoon, zoals de scheepsuitbater, de agent of de rompbevrachter, aan wie de eigenaar de verantwoordelijkheid voor de uitbating van het schip heeft toevertrouwd en die, bij het opnemen van die verantwoordelijkheid, aanvaard heeft om de taken en verplichtingen die krachtens het Verdrag betreffende maritieme arbeid aan de reders zijn opgelegd, op zich te nemen, los van het feit dat andere instellingen of personen zich in zijn naam van sommige van die taken of verantwoordelijkheden kwijten; ";
  2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 6° en 7°, luidende :
  " 6° "werkgever" : de onderneming of de persoon die het loon betaalt;
  7° "het Verdrag betreffende maritieme arbeid" : het Verdrag betreffende maritieme arbeid 2006, goedgekeurd door de Algemene Conferentie van de Internationale Arbeidsorganisatie op 23 februari 2006. ".
Art.55. A l'article 28 de la loi du 3 juin 2007 portant des dispositions diverses relatives au travail, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° "armateur" : propriétaire du navire ou toute autre entité ou personne, telle que le gérant, l'agent ou l'affréteur coque nue, à laquelle le propriétaire a confié la responsabilité de l'exploitation du navire et qui, en assumant cette responsabilité, a accepté de se charger des tâches et obligations incombant aux armateurs aux termes de la Convention du travail maritime, indépendamment du fait que d'autres entités ou personnes s'acquittent en son nom de certaines de ces tâches ou responsabilités; ";
  2° l'article est complété par les 6° et 7° rédigés comme suit :
  " 6° "employeur" : l'entreprise ou la personne qui verse la rémunération;
  7° "la Convention du travail maritime" : la Convention du travail maritime 2006 adoptée le 23 février 2006 par la Conférence générale de l'Organisation internationale du travail. ".
Art.56. In artikel 29 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "de werkgever" worden ingevoegd tussen de woorden "zich tegenover" en de woorden "de reder";
  2° het wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Het bestaan van deze overeenkomst wordt afdoende bewezen door de bepalingen opgenomen in de individuele overeenkomst samen met de toepasbare collectieve arbeidsovereenkomsten. ".
Art.56. A l'article 29 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "l'employeur" sont insérés entre les mots "s'engage envers" et les mots "l'armateur";
  2° il est complété par un alinéa, rédigé comme suit :
  " L'existence de ce contrat est démontrée à suffisance par les dispositions contenues dans le contrat individuel ensemble avec les conventions collectives de travail applicables. ".
Art.57. Artikel 30 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 30. § 1. De bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten zijn van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst aan boord van Belgische zeeschepen, ongeacht de plaats van het afsluiten van de arbeidsovereenkomst en ongeacht de nationaliteit van de werkgever, de reder of de zeeman.
  § 2. De bepalingen van deze wet en van haar uitvoeringsbesluiten zijn eveneens van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst gesloten tussen een Belgische werkgever of een Belgische reder en een zeeman die zijn hoofdverblijfplaats in België heeft, aan boord van schepen die een andere vlag voeren dan de Belgische vlag.
  § 3. Door het afsluiten van een arbeidsovereenkomst op grond van deze wet wordt, voor de zeelieden waarvan de reder of de werkgever ressorteert onder het paritair comité voor de koopvaardij, het Belgisch sociale zekerheidsstelsel, zoals vastgesteld bij de besluitwet van 7 februari 1945 betreffende de maatschappelijke veiligheid van de zeelieden ter koopvaardij van rechtswege, van toepassing.
  Onder voorbehoud van Verordening (EG) nr. 883/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels, door het afsluiten van een arbeidsovereenkomst op grond van deze wet wordt, voor de zeelieden in dienst op schepen waarvan de reder of de werkgever ressorteert onder het paritair comité van het bouwbedrijf, het Belgisch socialezekerheidsstelsel zoals ingesteld door de besluitwet van 28 december 1944 betreffende de maatschappelijke zekerheid der arbeiders van rechtswege van toepassing. ".
Art.57. L'article 30 de la même loi est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 30. § 1er. Les dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution sont applicables aux contrats d'engagement maritime à bord de navires de mer belges, quels que soient le lieu où le contrat a été conclu et la nationalité de l'employeur, de l'armateur ou du marin.
  § 2. Les dispositions de la présente loi et de ses arrêtés d'exécution sont également applicables aux contrats d'engagement maritime conclus entre un employeur belge ou un armateur belge et un marin, ayant sa résidence principale en Belgique, à bord de navires battant un pavillon autre que le pavillon belge.
  § 3. La conclusion d'un contrat d'engagement sur la base de la présente loi entraîne pour les marins dont l'armateur ou l'employeur ressort à la commission paritaire pour la marine marchande, l'application de plein droit du régime de sécurité sociale belge, tel que fixé par l'arrêté-loi du 7 février 1945 concernant la sécurité sociale des marins de la marine marchande.
  Sous réserve de l'application du Règlement (CE) n° 883/2004 du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 portant sur la coordination des systèmes de sécurité sociale, la conclusion d'un contrat d'engagement sur la base de la présente loi entraîne pour les marins en service à bord de navires dont l'armateur ou l'employeur ressort à la commission paritaire de la construction, l'application de plein droit du régime de sécurité sociale belge tel que fixé par l'arrêté-loi du 28 décembre 1944 concernant la sécurité sociale des travailleurs. ".
Art.58. In artikel 32 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " § 1. De zeeman wordt aangeworven door de werkgever, de reder of zijn gemachtigde of door de kapitein van het betrokken zeeschip. In de twee laatste gevallen moet de gemachtigde of de kapitein in de arbeidsovereenkomst duidelijk melding maken van deze hoedanigheid. ";
  2° in paragraaf 2 wordt de zin "Zij is niet geldig wanneer zij door een tussenpersoon met de reder of zijn gemachtigde wordt aangegaan." vervangen als volgt :
  " Zij is niet geldig wanneer zij door een tussenpersoon namens de zeeman wordt aangegaan. ";
  3° in paragraaf 2 wordt de zin "De zeeman dient zelf de arbeidsovereenkomst te ondertekenen." vervangen als volgt :
  " De zeeman en de werkgever, de reder of zijn gemachtigde dienen persoonlijk de arbeidsovereenkomst te ondertekenen. ".
Art.58. A l'article 32 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Le marin est engagé par l'employeur, l'armateur ou son préposé ou par le capitaine du navire concerné. Dans ces deux derniers cas, le préposé ou le capitaine doit clairement faire état de cette qualité dans le contrat d'engagement. ";
  2° dans le paragraphe 2 la phrase "Il n'est pas valable s'il est conclu avec l'armateur ou son préposé par une personne interposée." est remplacée par ce qui suit :
  " Il n'est pas valable s'il est conclu par une personne interposée au nom du marin. ";
  3° dans le paragraphe 2, la phrase "Le marin doit signer personnellement le contrat d'engagement." est remplacée par ce qui suit :
  " Le marin et l'employeur, l'armateur ou son préposé doivent signer personnellement le contrat d'engagement. ".
Art.59. Artikel 33 van dezelfde wet wordt aangevuld met twee leden, luidende :
  " Voor de dienst aan boord van baggerschepen kan de arbeidsovereenkomst wegens scheepsdienst gesloten worden voor onbepaalde duur.
  Onder voorbehoud van de specifieke bepalingen bepaald bij deze titel, zijn de op de overeenkomsten voor onbepaalde duur toepasselijke bepalingen van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten van toepassing op de arbeidsovereenkomsten wegens scheepsdienst gesloten voor onbepaalde duur. ".
Art.59. L'article 33 de la même loi est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
  " Pour le service à bord de navires de dragage, le contrat d'engagement maritime peut être conclu pour une durée indéterminée.
  Sous réserve des dispositions particulières prévues par le présent titre, les dispositions de la loi du 3 juillet 1978 relative aux contrats de travail applicables aux contrats de travail à durée indéterminée s'appliquent aux contrats d'engagement maritime conclus à durée indéterminée. ".
Art.60. In artikel 34, § 2, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder 2° wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Indien de reder niet de werkgever is : de naam, voornaam en woonplaats van de werkgever; indien de werkgever een rechtspersoon is, de maatschappelijke naam en de maatschappelijke zetel; ";
  2° de bepaling onder 6° wordt vervangen als volgt :
  " 6° de functie waarin de zeeman wordt aangesteld; ";
  3° in de bepaling onder 7° worden de woorden "en desgevallend de wijze van betaling ervan" vervangen door de woorden "of de eventuele formule ter berekening ervan";
  4° de bepaling onder 8° wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is gesloten, de voorwaarden waaronder elke partij bevoegd is de overeenkomst te beëindigen, alsmede de vereiste opzegtermijn, die voor de werkgever en de reder niet korter mag zijn dan voor de zeeman; ";
  5° de bepaling onder 9° wordt ingevoegd, luidende :
  " 9° het recht op repatriëring. ".
Art.60. Dans l'article 34, § 2 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le 2° est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Si l'armateur n'est pas l'employeur : les nom, prénom et domicile de l'employeur; si l'employeur est une personne morale, la dénomination sociale et le siège social; ";
  2° le 6° est remplacé par ce qui suit :
  " 6° la fonction à laquelle est affectée le marin; ";
  3° au 7°, les mots "et, le cas échéant, le mode de paiement" sont remplacés par les mots "ou la formule éventuellement utilisée pour la calculer";
  4° le 8° est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " si le contrat est conclu pour une durée indéterminée, les conditions dans lesquelles chaque partie pourra le dénoncer ainsi que le délai de préavis, qui ne doit pas être plus court pour l'employeur et l'armateur que pour le marin; ";
  5° il est inséré un 9° rédigé comme suit :
  " 9° le droit au rapatriement. ".
Art.61. In artikel 41 van dezelfde wet worden de woorden "de reder of zijn gemachtigde," vervangen door de woorden "de werkgever".
Art.61. Dans l'article 41 de la même loi, les mots "l'armateur ou de son préposé," sont remplacés par les mots "l'employeur".
Art.62. In artikel 44 van dezelfde wet worden de woorden "De reder" vervangen door de woorden "De werkgever, de reder".
Art.62. Dans l'article 44 de la même loi, les mots "L'armateur" sont remplacés par les mots "L'employeur, l'armateur".
Art.63. In artikel 46 van dezelfde wet worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "medezeelieden, van" en de woorden "de reder".
Art.63. Dans l'article 46 de la même loi, les mots "de l'employeur," sont insérés entre les mots "marins," et les mots "de l'armateur".
Art.64. In artikel 47 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "voorafgaandelijk door" en de woorden "de reder";
  2° in de paragrafen 2 en 3 wordt het woord" reder" telkens vervangen door het woord "werkgever".
Art.64. Dans l'article 47 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er les mots "l'employeur," sont insérés entre les mots "communiqués par" et les mots "l'armateur";
  2° dans les paragraphes 2 et 3, le mot "armateur" est chaque fois remplacé par le mot "employeur".
Art.65. In artikel 49 van dezelfde wet wordt het woord "reder" telkens vervangen door het woord "werkgever".
Art.65. Dans l'article 49 de la même loi le mot "armateur" est chaque fois remplacé par le mot "employeur".
Art.66. In hoofdstuk III van dezelfde wet wordt het opschrift van afdeling 3 vervangen als volgt :
  " Afdeling 3. - Rechten en plichten van de werkgever/reder "
Art.66. Dans le chapitre III de la même loi, l'intitulé de la section 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Section 3. - Des droits et obligations de l'employeur/armateur "
Art.67. In artikel 50 van dezelfde wet worden de woorden "De reder" vervangen door de woorden "De werkgever/reder".
Art.67. Dans l'article 50 de la même loi, les mots "L'armateur" sont remplacés par les mots "L'employeur/armateur".
Art.68. In dezelfde wet wordt een artikel 50/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 50/1. De reder kan zich van zijn verantwoordelijkheid niet bevrijden door de uitvoering van de taken en verplichtingen die op hem rusten krachtens het Verdrag betreffende maritieme arbeid geheel of gedeeltelijk toe te vertrouwen aan een derde natuurlijke persoon of rechtspersoon.
  In geval van tekortkoming van de werkgever neemt de reder zijn plaats in voor de uitvoering van alle voornoemde taken en verplichtingen. ".
Art.68. Dans la même loi, il est inséré un article 50/1 rédigé comme suit :
  " Art. 50/1. L'armateur ne peut s'exonérer de sa responsabilité en confiant en tout ou en partie à une tierce personne physique ou morale l'exécution des tâches et des obligations qui lui incombent en vertu de la Convention du travail maritime.
  En cas de défaillance de l'employeur, l'armateur est substitué à celui-ci pour l'exécution de toutes les tâches et obligations précitées. ".
Art.69. In artikel 52 van dezelfde wet wordt het woord "reder" vervangen door het woord "werkgever".
Art.69. Dans l'article 52 de la même loi, le mot "armateur" est remplacé par le mot "employeur".
Art.70. In artikel 53 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden "(vroeger art. 51)." worden opgeheven;
  2° het woord "reder" wordt vervangen door het woord "werkgever".
Art.70. Dans l'article 53 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots "(ancien art. 51)." sont abrogés;
  2° le mot "armateur" est remplacé par le mot "employeur".
Art.71. In artikel 57 van dezelfde wet worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "welke door" en de woorden "de reder".
Art.71. Dans l'article 57 de la même loi, les mots "l'employeur," sont insérés entre les mots "réclamés par" et les mots "l'armateur".
Art.72. In de artikelen 58, 60, 61, 64, 66, 67 en 68 van dezelfde wet, wordt het woord "reder" telkens vervangen door het woord "werkgever".
Art.72. Dans les articles 58, 60, 61, 64, 66, 67 et 68 de la même loi, le mot "armateur" est chaque fois remplacé par le mot "employeur".
Art.73. In dezelfde wet wordt een artikel 69/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 69/1. Een kopie van alle bepalingen van toepassing op de repatriëring dient, in het Engels, aan boord van de schepen bijgehouden te worden en ter beschikking van de zeelieden gehouden te worden.
  Er dient geen kopie in het Engels ter beschikking te worden gehouden op passagiersschepen die bestemd zijn om uitsluitend te worden gebruikt voor binnenlandse zeereizen en waarvan de werktaal aan boord het Nederlands of het Frans is. ".
Art.73. Dans la même loi, il est inséré un article 69/1 rédigé comme suit :
  " Art. 69/1. Une copie de toutes dispositions applicables au rapatriement, en anglais, doit être conservée à bord des navires et tenue à la disposition des marins.
  Il n'y a pas lieu à tenir une copie en anglais à disposition sur les paquebots exclusivement destinés à naviguer en mer intérieure à bord desquels la langue de travail est le néerlandais ou le français. ".
Art.74. In artikel 72 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de bepaling onder 7° worden de worden "reder of zijn gevolmachtigde" vervangen door het woord "werkgever";
  2° het artikel wordt aangevuld met de bepalingen onder 9° en 10°, luidende :
  " 9° onderling akkoord;
  10° voor de arbeidsovereenkomsten gesloten voor onbepaalde duur, door de wil van een der partijen, tegen een opzeg met een termijn die minstens zeven dagen bedraagt. De zeeman kan een kortere opzeg dan de minimale opzeg geven zonder bestraft te worden wanneer hij ertoe gebracht wordt omwille van humanitaire redenen, noodtoestand of andere omstandigheden die de Koning mag bepalen als grond voor een beëindiging van de arbeidsbetrekking met een kortere opzegtermijn of zelfs zonder opzeg. ".
Art.74. Dans l'article 72 de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au 7°, les mots "armateur ou de son préposé" sont remplacés par le mot "employeur";
  2° l'article est complété par les 9° et 10° rédigés comme suit :
  " 9° accord mutuel;
  10° pour les contrats conclus à durée indéterminée, par la volonté de l'une des parties, moyennant un préavis d'une durée qui ne peut être inférieure à sept jours. Le marin peut donner un préavis plus court que le préavis minimum sans en être pénalisé lorsqu'il est amené à le faire pour des raisons d'humanité, l'urgence ou d'autres circonstances que le Roi peut déterminer, comme base de justification de la cessation de la relation d'emploi à plus bref délai, voire sans préavis. ".
Art.75. In artikel 73 van dezelfde wet worden de woorden "de werkgever," ingevoegd tussen de woorden "samenwerking tussen" en de woorden "de reder of".
Art.75. Dans l'article 73 de la même loi, les mots "l'employeur," sont insérés entre les mots "professionnelle entre" et les mots "l'armateur ou".
Art. 76. In artikel 74 van dezelfde wet wordt het woord "reder" vervangen door het woord "werkgever".
Art. 76. Dans l'article 74 de la même loi, le mot "armateur" est remplacé par le mot "employeur".