Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
25 APRIL 2014. - Wet tot hervorming van het overlevingspensioen van de zelfstandigen
Titre
25 AVRIL 2014. - Loi portant réforme de la pension de survie des travailleurs indépendants
Informations sur le document
Numac: 2014022262
Datum: 2014-04-25
Info du document
Numac: 2014022262
Date: 2014-04-25
Table des matières
Tekst (20)
Texte (20)
HOOFDSTUK 1. - Inleidende bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition introductive
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen
CHAPITRE 2. - Modifications de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants
Art.2. In artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, laatst gewijzigd bij de wet van 25 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
"Om recht te hebben op het overlevingspensioen, moet de langstlevende echtgenoot aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° ten minste één jaar gehuwd zijn met de overleden zelfstandige of minder dan één jaar gehuwd zijn met de overleden zelfstandige, met wie hij eerder wettelijk samenwoonde en waarbij de gezamenlijke en onafgebroken duur van het huwelijk en van de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt. De duur van één jaar is evenwel niet vereist wanneer één van de volgende voorwaarden vervuld is :
- er is een kind geboren uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning;
- op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
- het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.
2° minstens 45 jaar oud zijn als de echtgenoot ten laatste op 31 december 2015 overlijdt.
De leeftijd van 45 jaar wordt opgetrokken tot :
1° 45 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2016 en ten laatste op 31 december 2016 overlijdt;
2° 46 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 31 december 2017 overlijdt;
3° 46 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2018 en ten laatste op 31 december 2018 overlijdt;
4° 47 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2019 en ten laatste op 31 december 2019 overlijdt;
5° 47 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2020 en ten laatste op 31 december 2020 overlijdt;
6° 48 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2021 en ten laatste op 31 december 2021 overlijdt;
7° 48 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2022 en ten laatste op 31 december 2022 overlijdt;
8° 49 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2023 en ten laatste op 31 december 2023 overlijdt;
9° 49 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2024 en ten laatste op 31 december 2024 overlijdt;
10° 50 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2025 overlijdt."
De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, de langstlevende echtgenoot die de in het eerste lid, 2° of in het tweede lid bedoelde leeftijd bereikt, toelaten te kiezen voor het voordeel van de bepalingen van hoofdstuk II inzake de overgangsuitkering.
2° in paragraaf 2, wordt de zin "De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak van verklaring van afwezigheid" vervangen door de zin "De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de overschrijving van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid in de registers van de burgerlijke stand."
3° artikel 4 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder wettelijke samenwoning de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek.".
1° Paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
"Om recht te hebben op het overlevingspensioen, moet de langstlevende echtgenoot aan de volgende voorwaarden voldoen :
1° ten minste één jaar gehuwd zijn met de overleden zelfstandige of minder dan één jaar gehuwd zijn met de overleden zelfstandige, met wie hij eerder wettelijk samenwoonde en waarbij de gezamenlijke en onafgebroken duur van het huwelijk en van de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt. De duur van één jaar is evenwel niet vereist wanneer één van de volgende voorwaarden vervuld is :
- er is een kind geboren uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning;
- op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
- het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische Regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.
2° minstens 45 jaar oud zijn als de echtgenoot ten laatste op 31 december 2015 overlijdt.
De leeftijd van 45 jaar wordt opgetrokken tot :
1° 45 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2016 en ten laatste op 31 december 2016 overlijdt;
2° 46 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2017 en ten laatste op 31 december 2017 overlijdt;
3° 46 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2018 en ten laatste op 31 december 2018 overlijdt;
4° 47 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2019 en ten laatste op 31 december 2019 overlijdt;
5° 47 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2020 en ten laatste op 31 december 2020 overlijdt;
6° 48 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2021 en ten laatste op 31 december 2021 overlijdt;
7° 48 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2022 en ten laatste op 31 december 2022 overlijdt;
8° 49 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2023 en ten laatste op 31 december 2023 overlijdt;
9° 49 jaar en 6 maanden, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2024 en ten laatste op 31 december 2024 overlijdt;
10° 50 jaar, als de echtgenoot ten vroegste op 1 januari 2025 overlijdt."
De Koning kan, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, de langstlevende echtgenoot die de in het eerste lid, 2° of in het tweede lid bedoelde leeftijd bereikt, toelaten te kiezen voor het voordeel van de bepalingen van hoofdstuk II inzake de overgangsuitkering.
2° in paragraaf 2, wordt de zin "De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke uitspraak van verklaring van afwezigheid" vervangen door de zin "De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de overschrijving van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid in de registers van de burgerlijke stand."
3° artikel 4 wordt aangevuld met een paragraaf 4, luidende :
" § 4. Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder wettelijke samenwoning de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek.".
Art.2. A l'article 4 de l'arrêté royal n° 72 du 10 novembre 1967 relatif à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, modifié en dernier lieu par la loi du 25 janvier 1999, les modifications suivantes sont apportées :
1° Le § 1er, est remplacé par ce qui suit :
"Pour pouvoir prétendre à la pension de survie, le conjoint survivant doit remplir les conditions suivantes :
1° avoir été marié au moins un an avec le travailleur indépendant décédé ou avoir été marié moins d'un an avec le travailleur indépendant décédé avec qui il avait antérieurement cohabité légalement lorsque la durée ininterrompue et cumulée du mariage et de la cohabitation légale atteint au moins un an. La durée d'un an n'est cependant pas requise si une des conditions suivantes est remplie :
- un enfant est né de ce mariage ou de cette cohabitation légale;
- au moment du décès, il y a un enfant qui était à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales;
- le décès est dû à un accident postérieur à la date du mariage ou a été causé par une maladie professionnelle contractée dans l'exercice ou à l'occasion de l'exercice de la profession, d'une mission confiée par le Gouvernement belge ou de prestations dans le cadre de l'assistance technique belge et pour autant que l'origine ou l'aggravation de cette maladie soit postérieure à la date du mariage.
2° être âgé de 45 ans au moins lorsque le décès du conjoint intervient au plus tard au 31 décembre 2015.
L'âge de 45 ans est porté à :
1° 45 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2016 et au plus tard au 31 décembre 2016;
2° 46 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2017 et au plus tard au 31 décembre 2017;
3° 46 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2018 et au plus tard au 31 décembre 2018;
4° 47 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2019 et au plus tard au 31 décembre 2019;
5° 47 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2020 et au plus tard au 31 décembre 2020;
6° 48 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2021 et au plus tard au 31 décembre 2021;
7° 48 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2022 et au plus tard au 31 décembre 2022;
8° 49 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2023 et au plus tard au 31 décembre 2023;
9° 49 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2024 et au plus tard au 31 décembre 2024;
10° 50 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2025."
Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut autoriser, aux conditions qu'Il fixe, le conjoint survivant qui atteint l'âge visé à l'alinéa 1er, 2° ou à l'alinéa 2 à opter pour le bénéfice des dispositions du chapitre II en matière d'allocation de transition.
2° Au § 2, la phrase "Le conjoint absent est censé être décédé à la date à laquelle la décision judiciaire de déclaration d'absence est coulée en force de chose jugée." est remplacée par la phrase "Le conjoint absent est censé être décédé à la date de la transcription dans les registres de l'état civil de la décision judiciaire déclarative d'absence coulée en force de chose jugée."
3° L'article 4 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Pour l'application du présent article, on entend par cohabitation légale, la situation de vie commune de deux personnes qui ont fait une déclaration au sens de l'article 1476 du Code civil.".
1° Le § 1er, est remplacé par ce qui suit :
"Pour pouvoir prétendre à la pension de survie, le conjoint survivant doit remplir les conditions suivantes :
1° avoir été marié au moins un an avec le travailleur indépendant décédé ou avoir été marié moins d'un an avec le travailleur indépendant décédé avec qui il avait antérieurement cohabité légalement lorsque la durée ininterrompue et cumulée du mariage et de la cohabitation légale atteint au moins un an. La durée d'un an n'est cependant pas requise si une des conditions suivantes est remplie :
- un enfant est né de ce mariage ou de cette cohabitation légale;
- au moment du décès, il y a un enfant qui était à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales;
- le décès est dû à un accident postérieur à la date du mariage ou a été causé par une maladie professionnelle contractée dans l'exercice ou à l'occasion de l'exercice de la profession, d'une mission confiée par le Gouvernement belge ou de prestations dans le cadre de l'assistance technique belge et pour autant que l'origine ou l'aggravation de cette maladie soit postérieure à la date du mariage.
2° être âgé de 45 ans au moins lorsque le décès du conjoint intervient au plus tard au 31 décembre 2015.
L'âge de 45 ans est porté à :
1° 45 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2016 et au plus tard au 31 décembre 2016;
2° 46 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2017 et au plus tard au 31 décembre 2017;
3° 46 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2018 et au plus tard au 31 décembre 2018;
4° 47 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2019 et au plus tard au 31 décembre 2019;
5° 47 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2020 et au plus tard au 31 décembre 2020;
6° 48 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2021 et au plus tard au 31 décembre 2021;
7° 48 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2022 et au plus tard au 31 décembre 2022;
8° 49 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2023 et au plus tard au 31 décembre 2023;
9° 49 ans et 6 mois lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2024 et au plus tard au 31 décembre 2024;
10° 50 ans lorsque le décès du conjoint intervient au plus tôt au 1er janvier 2025."
Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut autoriser, aux conditions qu'Il fixe, le conjoint survivant qui atteint l'âge visé à l'alinéa 1er, 2° ou à l'alinéa 2 à opter pour le bénéfice des dispositions du chapitre II en matière d'allocation de transition.
2° Au § 2, la phrase "Le conjoint absent est censé être décédé à la date à laquelle la décision judiciaire de déclaration d'absence est coulée en force de chose jugée." est remplacée par la phrase "Le conjoint absent est censé être décédé à la date de la transcription dans les registres de l'état civil de la décision judiciaire déclarative d'absence coulée en force de chose jugée."
3° L'article 4 est complété par un paragraphe 4 rédigé comme suit :
" § 4. Pour l'application du présent article, on entend par cohabitation légale, la situation de vie commune de deux personnes qui ont fait une déclaration au sens de l'article 1476 du Code civil.".
Art.3. Artikel 7 van hetzelfde besluit, vervangen bij de wet van 10 augustus 2005, wordt vervangen als volgt :
"Art. 7. § 1. Wanneer de langstlevende echtgenoot hertrouwt, wordt het genot van het overlevingspensioen geschorst.
§ 2. De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op het overlevingspensioen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4 tot 7 indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn overleden echtgenoot onwaardig is om ervan te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1°, of 3°, van het Burgerlijk Wetboek."
"Art. 7. § 1. Wanneer de langstlevende echtgenoot hertrouwt, wordt het genot van het overlevingspensioen geschorst.
§ 2. De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op het overlevingspensioen overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 4 tot 7 indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn overleden echtgenoot onwaardig is om ervan te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1°, of 3°, van het Burgerlijk Wetboek."
Art.3. L'article 7 du même arrêté, remplacé par la loi du 10 août 2005, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 7. § 1er. Lorsque le conjoint survivant se remarie, la jouissance du droit à la pension de survie est suspendue.
§ 2. Le conjoint survivant ne peut prétendre au bénéfice de la pension de survie conformément aux articles 4 à 7 s'il est, en raison de délits commis envers son conjoint décédé, indigne d'en hériter conformément à l'article 727, § 1er, 1°, ou 3°, du Code civil."
"Art. 7. § 1er. Lorsque le conjoint survivant se remarie, la jouissance du droit à la pension de survie est suspendue.
§ 2. Le conjoint survivant ne peut prétendre au bénéfice de la pension de survie conformément aux articles 4 à 7 s'il est, en raison de délits commis envers son conjoint décédé, indigne d'en hériter conformément à l'article 727, § 1er, 1°, ou 3°, du Code civil."
Art.4. Het opschrift van hoofdstuk II van hetzelfde besluit wordt als volgt aangevuld :
"en de overgangsuitkering"
In hoofdstuk II, afdeling 1, van hetzelfde besluit wordt vóór artikel 8 een punt c) "De overgangsuitkering" ingevoegd.
"en de overgangsuitkering"
In hoofdstuk II, afdeling 1, van hetzelfde besluit wordt vóór artikel 8 een punt c) "De overgangsuitkering" ingevoegd.
Art.4. L'intitulé du chapitre II du même arrêté, est complété comme suit :
"et l'allocation de transition"
Dans le chapitre II, section 1re, du même arrêté, un point c) intitulé "L'allocation de transition" est inséré avant l'article 8.
"et l'allocation de transition"
Dans le chapitre II, section 1re, du même arrêté, un point c) intitulé "L'allocation de transition" est inséré avant l'article 8.
Art.5. Artikel 8 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 25 april 1997, wordt vervangen als volgt :
"Art. 8. § 1. Onder voorbehoud van de bepaling van paragraaf 2 en voor zover de aanvraag om een overgangsuitkering ingediend wordt binnen de twaalf maanden na het overlijden van de echtgenoot, gaat de overgangsuitkering in op de eerste dag van de maand tijdens welke de echtgenoot overleden is zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen ontving, en op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij reeds een rustpensioen ontving bij zijn overlijden.
In de overige gevallen gaat de overgangsuitkering ten vroegste in de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag wordt ingediend.
De verklaring van afwezigheid overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek geldt als bewijs van het overlijden. De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de overschrijving van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid in de registers van de burgerlijke stand.
§ 2. Het recht op de overgangsuitkering wordt ambtshalve onderzocht :
1° indien de overleden echtgenoot, bij zijn overlijden, daadwerkelijk een rustpensioen als zelfstandige genoot, voordien een dergelijk pensioen daadwerkelijk had genoten of had afgezien van de betaling ervan;
2° indien, op het ogenblik van het overlijden van de echtgenoot :
a) nog geen definitieve beslissing was ter kennis gebracht over het recht op rustpensioen ingevolge de indiening van een aanvraag of ingevolge het onderzoek van ambtswege;
b) een beslissing over het recht op rustpensioen was ter kennis gebracht en het overlijden plaats vond tussen de datum van de kennisgeving van de beslissing en de ingangsdatum van het rustpensioen.
In die gevallen gaat de overgangsuitkering in :
a) op de eerste dag van de maand van het overlijden van de echtgenoot, in de gevallen bedoeld in 2°, a), indien het overlijden plaats vond vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen en in die bedoeld in 2°, b);
b) op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke hij overleden is, in de andere gevallen.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing wanneer de echtgenoten van tafel en bed of feitelijk gescheiden waren en de langstlevende echtgenoot geen aanvraag had ingediend tot het bekomen van een gedeelte van het rustpensioen van de andere echtgenoot, behalve in de gevallen waar zijn recht op dit gedeelte ambtshalve werd onderzocht.
§ 3. De aanvraag om een overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers of in de pensioenregeling van de openbare sector geldt ook als aanvraag om een overgangsuitkering in de pensioenregeling voor zelfstandigen.".
"Art. 8. § 1. Onder voorbehoud van de bepaling van paragraaf 2 en voor zover de aanvraag om een overgangsuitkering ingediend wordt binnen de twaalf maanden na het overlijden van de echtgenoot, gaat de overgangsuitkering in op de eerste dag van de maand tijdens welke de echtgenoot overleden is zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen ontving, en op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke de echtgenoot overleden is, zo hij reeds een rustpensioen ontving bij zijn overlijden.
In de overige gevallen gaat de overgangsuitkering ten vroegste in de eerste dag van de maand die volgt op deze waarin de aanvraag wordt ingediend.
De verklaring van afwezigheid overeenkomstig de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek geldt als bewijs van het overlijden. De afwezige echtgenoot wordt geacht overleden te zijn op de datum van de overschrijving van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing houdende verklaring van afwezigheid in de registers van de burgerlijke stand.
§ 2. Het recht op de overgangsuitkering wordt ambtshalve onderzocht :
1° indien de overleden echtgenoot, bij zijn overlijden, daadwerkelijk een rustpensioen als zelfstandige genoot, voordien een dergelijk pensioen daadwerkelijk had genoten of had afgezien van de betaling ervan;
2° indien, op het ogenblik van het overlijden van de echtgenoot :
a) nog geen definitieve beslissing was ter kennis gebracht over het recht op rustpensioen ingevolge de indiening van een aanvraag of ingevolge het onderzoek van ambtswege;
b) een beslissing over het recht op rustpensioen was ter kennis gebracht en het overlijden plaats vond tussen de datum van de kennisgeving van de beslissing en de ingangsdatum van het rustpensioen.
In die gevallen gaat de overgangsuitkering in :
a) op de eerste dag van de maand van het overlijden van de echtgenoot, in de gevallen bedoeld in 2°, a), indien het overlijden plaats vond vóór de ingangsdatum van zijn rustpensioen en in die bedoeld in 2°, b);
b) op de eerste dag van de maand volgend op die tijdens welke hij overleden is, in de andere gevallen.
De bepalingen van het eerste lid zijn niet van toepassing wanneer de echtgenoten van tafel en bed of feitelijk gescheiden waren en de langstlevende echtgenoot geen aanvraag had ingediend tot het bekomen van een gedeelte van het rustpensioen van de andere echtgenoot, behalve in de gevallen waar zijn recht op dit gedeelte ambtshalve werd onderzocht.
§ 3. De aanvraag om een overgangsuitkering in de pensioenregeling voor werknemers of in de pensioenregeling van de openbare sector geldt ook als aanvraag om een overgangsuitkering in de pensioenregeling voor zelfstandigen.".
Art.5. L'article 8 du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 25 avril 1997, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 8. § 1er. Sous réserve de la disposition du paragraphe 2 et pour autant que la demande d'allocation de transition soit introduite dans les douze mois qui suivent le décès du conjoint, l'allocation de transition prend cours le premier jour du mois au cours duquel le conjoint est décédé s'il ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite, et le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le conjoint est décédé, s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite.
Dans les autres cas, l'allocation de transition prend cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande est introduite.
La déclaration d'absence conformément aux dispositions du Code civil vaut preuve de décès. Le conjoint absent est présumé décédé à la date de la transcription dans les registres de l'état civil de la décision judiciaire déclarative d'absence coulée en force de chose jugée.
§ 2. Le droit à l'allocation de transition est examiné d'office :
1° si le conjoint décédé bénéficiait effectivement à son décès d'une pension de retraite de travailleur indépendant, avait antérieurement bénéficié effectivement d'une telle pension ou avait renoncé au paiement de celle-ci;
2° si, au moment du décès du conjoint :
a) aucune décision définitive n'a été notifiée concernant le droit à la pension de retraite, suite à l'introduction d'une demande par le conjoint décédé ou suite à l'examen d'office;
b) une décision concernant le droit à la pension de retraite était notifiée et que le décès est survenu entre la date de notification de la décision et la date de prise de cours de la pension de retraite.
Dans ces cas, l'allocation de transition prend cours :
a) le premier jour du mois au cours duquel le conjoint est décédé dans les cas visés au 2°, a) si le décès est survenu avant la date de prise de cours de sa pension de retraite et dans ceux visés au 2°, b);
b) le premier jour du mois suivant celui au cours duquel il est décédé dans les autres cas.
Lorsque les conjoints étaient séparés de corps ou de fait, les dispositions de l'alinéa 1er ne sont d'application que si le conjoint survivant avait introduit une demande tendant à obtenir une partie de la pension de retraite de son conjoint, ou s'il pouvait prétendre d'office à cet avantage.
§ 3. La demande d'allocation de transition dans le régime de pension des travailleurs salariés ou dans le régime de pension du secteur public vaut également demande d'allocation de transition dans le régime de pension des travailleurs indépendants.".
"Art. 8. § 1er. Sous réserve de la disposition du paragraphe 2 et pour autant que la demande d'allocation de transition soit introduite dans les douze mois qui suivent le décès du conjoint, l'allocation de transition prend cours le premier jour du mois au cours duquel le conjoint est décédé s'il ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite, et le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel le conjoint est décédé, s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite.
Dans les autres cas, l'allocation de transition prend cours au plus tôt le premier jour du mois qui suit celui au cours duquel la demande est introduite.
La déclaration d'absence conformément aux dispositions du Code civil vaut preuve de décès. Le conjoint absent est présumé décédé à la date de la transcription dans les registres de l'état civil de la décision judiciaire déclarative d'absence coulée en force de chose jugée.
§ 2. Le droit à l'allocation de transition est examiné d'office :
1° si le conjoint décédé bénéficiait effectivement à son décès d'une pension de retraite de travailleur indépendant, avait antérieurement bénéficié effectivement d'une telle pension ou avait renoncé au paiement de celle-ci;
2° si, au moment du décès du conjoint :
a) aucune décision définitive n'a été notifiée concernant le droit à la pension de retraite, suite à l'introduction d'une demande par le conjoint décédé ou suite à l'examen d'office;
b) une décision concernant le droit à la pension de retraite était notifiée et que le décès est survenu entre la date de notification de la décision et la date de prise de cours de la pension de retraite.
Dans ces cas, l'allocation de transition prend cours :
a) le premier jour du mois au cours duquel le conjoint est décédé dans les cas visés au 2°, a) si le décès est survenu avant la date de prise de cours de sa pension de retraite et dans ceux visés au 2°, b);
b) le premier jour du mois suivant celui au cours duquel il est décédé dans les autres cas.
Lorsque les conjoints étaient séparés de corps ou de fait, les dispositions de l'alinéa 1er ne sont d'application que si le conjoint survivant avait introduit une demande tendant à obtenir une partie de la pension de retraite de son conjoint, ou s'il pouvait prétendre d'office à cet avantage.
§ 3. La demande d'allocation de transition dans le régime de pension des travailleurs salariés ou dans le régime de pension du secteur public vaut également demande d'allocation de transition dans le régime de pension des travailleurs indépendants.".
Art.6. In hoofdstuk II, afdeling 1, c) van hetzelfde besluit, wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
"Art. 8bis. § 1. Een overgangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot die, bij het overlijden van zijn echtgenoot of echtgenote, de in artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, of tweede lid, bedoelde leeftijd niet bereikt heeft, voor zover de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden zelfstandige gehuwd was. Dit geldt eveneens voor de echtgenoot die minder dan één jaar gehuwd geweest is met de overleden zelfstandige met wie hij eerder wettelijk samenwoonde en waarbij de onafgebroken en gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt. De duur van één jaar is evenwel niet vereist indien één van de volgende voorwaarden vervuld is :
- er is een kind geboren uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning;
- op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
- het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.
De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde van kinderlast waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving, bewezen wordt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder wettelijke samenwoning de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek.".
"Art. 8bis. § 1. Een overgangsuitkering wordt toegekend aan de langstlevende echtgenoot die, bij het overlijden van zijn echtgenoot of echtgenote, de in artikel 4, § 1, eerste lid, 2°, of tweede lid, bedoelde leeftijd niet bereikt heeft, voor zover de langstlevende echtgenoot ten minste één jaar met de overleden zelfstandige gehuwd was. Dit geldt eveneens voor de echtgenoot die minder dan één jaar gehuwd geweest is met de overleden zelfstandige met wie hij eerder wettelijk samenwoonde en waarbij de onafgebroken en gezamenlijke duur van het huwelijk en de wettelijke samenwoning minstens één jaar bedraagt. De duur van één jaar is evenwel niet vereist indien één van de volgende voorwaarden vervuld is :
- er is een kind geboren uit het huwelijk of uit de wettelijke samenwoning;
- op het ogenblik van het overlijden is er een kind ten laste waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
- het overlijden is het gevolg van een na de datum van het huwelijk voorgekomen ongeval of werd veroorzaakt door een beroepsziekte opgedaan tijdens of naar aanleiding van de uitoefening van het beroep, van een door de Belgische regering toevertrouwde opdracht of van in het kader van de Belgische technische bijstand verrichte prestaties, voor zover de aanvang of de verergering van deze ziekte na de datum van het huwelijk plaatsvond.
De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde van kinderlast waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving, bewezen wordt.
Voor de toepassing van dit artikel wordt verstaan onder wettelijke samenwoning de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd in de zin van artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek.".
Art.6. Dans le chapitre II, section 1re, c), du même arrêté, il est inséré un article 8bis rédigé comme suit :
"Art. 8bis. § 1er. Une allocation de transition est accordée au conjoint survivant, qui, au décès de son conjoint, n'a pas atteint l'âge visé à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou alinéa 2, pour autant que le conjoint survivant ait été marié au moins un an avec le travailleur indépendant décédé. Ceci vaut également pour le conjoint qui a été marié moins d'un an avec le travailleur indépendant décédé avec qui il avait antérieurement cohabité légalement lorsque la durée ininterrompue et cumulée du mariage et de la cohabitation légale atteint au moins un an. La durée d'un an n'est cependant pas requise si une des conditions suivantes est remplie :
- un enfant est né de ce mariage ou de cette cohabitation légale;
- au moment du décès, il y a un enfant un enfant était à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales;
- le décès est dû à un accident postérieur à la date du mariage ou a été causé par une maladie professionnelle contractée dans l'exercice ou à l'occasion de l'exercice de la profession, d'une mission confiée par le gouvernement belge ou de prestations dans le cadre de l'assistance technique belge et pour autant que l'origine ou l'aggravation de cette maladie soit postérieure à la date du mariage.
Le Roi détermine la manière dont est prouvée la condition de la charge d'enfant pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales.
Pour l'application du présent article, on entend par cohabitation légale, la situation de vie commune de deux personnes qui ont fait une déclaration au sens de l'article 1476 du Code civil.".
"Art. 8bis. § 1er. Une allocation de transition est accordée au conjoint survivant, qui, au décès de son conjoint, n'a pas atteint l'âge visé à l'article 4, § 1er, alinéa 1er, 2°, ou alinéa 2, pour autant que le conjoint survivant ait été marié au moins un an avec le travailleur indépendant décédé. Ceci vaut également pour le conjoint qui a été marié moins d'un an avec le travailleur indépendant décédé avec qui il avait antérieurement cohabité légalement lorsque la durée ininterrompue et cumulée du mariage et de la cohabitation légale atteint au moins un an. La durée d'un an n'est cependant pas requise si une des conditions suivantes est remplie :
- un enfant est né de ce mariage ou de cette cohabitation légale;
- au moment du décès, il y a un enfant un enfant était à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales;
- le décès est dû à un accident postérieur à la date du mariage ou a été causé par une maladie professionnelle contractée dans l'exercice ou à l'occasion de l'exercice de la profession, d'une mission confiée par le gouvernement belge ou de prestations dans le cadre de l'assistance technique belge et pour autant que l'origine ou l'aggravation de cette maladie soit postérieure à la date du mariage.
Le Roi détermine la manière dont est prouvée la condition de la charge d'enfant pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales.
Pour l'application du présent article, on entend par cohabitation légale, la situation de vie commune de deux personnes qui ont fait une déclaration au sens de l'article 1476 du Code civil.".
Art.7. In hoofdstuk II, afdeling 1, c), van hetzelfde besluit, wordt een artikel 8ter ingevoegd, luidende :
"Art. 8ter. § 1. De overgangsuitkering wordt toegekend voor een periode van :
1° 12 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden geen kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
2° 24 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving of indien binnen de driehonderd dagen na het overlijden postuum een kind geboren wordt.
De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde van kinderlast waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving, bewezen wordt.
§ 2. De langstlevende echtgenoot verliest het genot van de overgangsuitkering wanneer hij hertrouwt.
§ 3. De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op de overgangsuitkering overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8 tot 8quinquies indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn overleden echtgenoot onwaardig is om van hem te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1° of 3° van het Burgerlijk Wetboek.".
"Art. 8ter. § 1. De overgangsuitkering wordt toegekend voor een periode van :
1° 12 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden geen kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving;
2° 24 maanden, indien er op het ogenblik van het overlijden een kind ten laste is waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving of indien binnen de driehonderd dagen na het overlijden postuum een kind geboren wordt.
De Koning bepaalt de wijze waarop de voorwaarde van kinderlast waarvoor één van de echtgenoten kinderbijslag ontving, bewezen wordt.
§ 2. De langstlevende echtgenoot verliest het genot van de overgangsuitkering wanneer hij hertrouwt.
§ 3. De langstlevende echtgenoot kan geen aanspraak maken op de overgangsuitkering overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8 tot 8quinquies indien hij vanwege misdrijven gepleegd ten aanzien van zijn overleden echtgenoot onwaardig is om van hem te erven overeenkomstig artikel 727, § 1, 1° of 3° van het Burgerlijk Wetboek.".
Art.7. Dans le chapitre II, section 1re, c), du même arrêté, il est inséré un article 8ter rédigé comme suit :
"Art. 8ter. § 1er. L'allocation de transition est octroyée pour une durée de :
1° 12 mois, si au moment du décès, aucun enfant n'est à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales;
2° 24 mois, si au moment du décès, un enfant est à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales, ou si un enfant posthume naît dans les trois cents jours du décès.
Le Roi détermine la manière dont est prouvée la condition de la charge d'enfant pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales.
§ 2. Le conjoint survivant perd la jouissance de l'allocation de transition lorsqu'il se remarie.
§ 3. Le conjoint survivant ne peut prétendre à l'allocation de transition conformément aux dispositions des articles 8 à 8quinquies s'il est, en raison de délits commis envers son conjoint décédé, indigne d'en hériter conformément à l'article 727, § 1er, 1° ou 3° du Code Civil. ".
"Art. 8ter. § 1er. L'allocation de transition est octroyée pour une durée de :
1° 12 mois, si au moment du décès, aucun enfant n'est à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales;
2° 24 mois, si au moment du décès, un enfant est à charge pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales, ou si un enfant posthume naît dans les trois cents jours du décès.
Le Roi détermine la manière dont est prouvée la condition de la charge d'enfant pour lequel un des conjoints percevait des allocations familiales.
§ 2. Le conjoint survivant perd la jouissance de l'allocation de transition lorsqu'il se remarie.
§ 3. Le conjoint survivant ne peut prétendre à l'allocation de transition conformément aux dispositions des articles 8 à 8quinquies s'il est, en raison de délits commis envers son conjoint décédé, indigne d'en hériter conformément à l'article 727, § 1er, 1° ou 3° du Code Civil. ".
Art.8. In hoofdstuk II, afdeling 1, c), van hetzelfde besluit, wordt een artikel 8quater ingevoegd, luidende :
"Art. 8quater. De langstlevende echtgenoot, die een overgangsuitkering genoten heeft overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8 tot 8ter, kan aanspraak maken op een overlevingspensioen in de zin van de artikelen 4 tot 7 wanneer hij de in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie bedoelde pensioenleeftijd bereikt of voldoet aan de in de artikelen 3, §§ 2bis en 3 en 16bis, §§ § 1, 2 en 2bis, van hetzelfde koninklijk besluit, in artikel 84 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen en in de artikelen 4 en 5 van de wet van 21 december 2012 houdende wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie en houdende vaststelling van een overgangsregeling met betrekking tot de hervorming van het vervroegd rustpensioen voor zelfstandigen bedoelde leeftijds- en loopbaanvoorwaarden of wanneer hij een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector geniet, op voorwaarde dat hij niet hertrouwd is op de ingangsdatum van het overlevingspensioen.
Dat overlevingspensioen gaat in :
1° op de ingangsdatum van zijn Belgisch rustpensioen wanneer de langstlevende echtgenoot uitsluitend een beroepsloopbaan in België bewijst of een beroepsloopbaan in België en in het buitenland bewijst;
2° op de ingangsdatum van zijn rustpensioen toegekend ten laste van een buitenlandse pensioenregeling wanneer de langstlevende echtgenoot uitsluitend een beroepsloopbaan in het buitenland bewijst;
3° op de pensioenleeftijd bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, wanneer de langstlevende echtgenoot geen beroepsloopbaan bewijst."
"Art. 8quater. De langstlevende echtgenoot, die een overgangsuitkering genoten heeft overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 8 tot 8ter, kan aanspraak maken op een overlevingspensioen in de zin van de artikelen 4 tot 7 wanneer hij de in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie bedoelde pensioenleeftijd bereikt of voldoet aan de in de artikelen 3, §§ 2bis en 3 en 16bis, §§ § 1, 2 en 2bis, van hetzelfde koninklijk besluit, in artikel 84 van de wet van 29 maart 2012 houdende diverse bepalingen en in de artikelen 4 en 5 van de wet van 21 december 2012 houdende wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese Economische en Monetaire Unie en houdende vaststelling van een overgangsregeling met betrekking tot de hervorming van het vervroegd rustpensioen voor zelfstandigen bedoelde leeftijds- en loopbaanvoorwaarden of wanneer hij een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector geniet, op voorwaarde dat hij niet hertrouwd is op de ingangsdatum van het overlevingspensioen.
Dat overlevingspensioen gaat in :
1° op de ingangsdatum van zijn Belgisch rustpensioen wanneer de langstlevende echtgenoot uitsluitend een beroepsloopbaan in België bewijst of een beroepsloopbaan in België en in het buitenland bewijst;
2° op de ingangsdatum van zijn rustpensioen toegekend ten laste van een buitenlandse pensioenregeling wanneer de langstlevende echtgenoot uitsluitend een beroepsloopbaan in het buitenland bewijst;
3° op de pensioenleeftijd bedoeld in artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997, wanneer de langstlevende echtgenoot geen beroepsloopbaan bewijst."
Art.8. Dans le chapitre II, section 1re, c), du même arrêté, il est inséré un article 8quater rédigé comme suit :
"Art. 8quater. Le conjoint survivant, qui a bénéficié d'une allocation de transition conformément aux dispositions des articles 8 à 8ter, peut prétendre à une pension de survie au sens des articles 4 à 7, lorsqu'il atteint l'âge de la pension visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne ou lorsqu'il satisfait aux conditions d'âge et de carrière prévues aux articles 3, §§ 2bis et 3 et 16bis, §§ 1er, 2 et 2bis du même arrêté, à l'article 84 de la loi du 29 mars 2012 portant des dispositions diverses et aux articles 4 et 5 de la loi du 21 décembre 2012 portant modifications de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne et portant fixation d'une mesure transitoire relative à la réforme de la pension de retraite anticipée des travailleurs indépendants ou lorsqu'il bénéficie d'une pension de retraite pour motif de santé ou d'inaptitude physique dans le secteur public, à condition qu'il ne soit pas remarié à la date de prise de cours de la pension de survie.
Cette pension de survie prend cours :
1° à la date de prise de cours de sa pension de retraite belge, lorsque le conjoint survivant justifie uniquement d'une carrière professionnelle en Belgique ou d'une carrière professionnelle en Belgique et à l'étranger;
2° à la date de prise de cours de sa pension de retraite octroyée à charge d'un régime de pension étranger lorsque le conjoint survivant justifie uniquement d'une carrière professionnelle à l'étranger;
3° à l'âge de la pension visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, lorsque le conjoint survivant ne justifie pas d'une carrière professionnelle."
"Art. 8quater. Le conjoint survivant, qui a bénéficié d'une allocation de transition conformément aux dispositions des articles 8 à 8ter, peut prétendre à une pension de survie au sens des articles 4 à 7, lorsqu'il atteint l'âge de la pension visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne ou lorsqu'il satisfait aux conditions d'âge et de carrière prévues aux articles 3, §§ 2bis et 3 et 16bis, §§ 1er, 2 et 2bis du même arrêté, à l'article 84 de la loi du 29 mars 2012 portant des dispositions diverses et aux articles 4 et 5 de la loi du 21 décembre 2012 portant modifications de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne et portant fixation d'une mesure transitoire relative à la réforme de la pension de retraite anticipée des travailleurs indépendants ou lorsqu'il bénéficie d'une pension de retraite pour motif de santé ou d'inaptitude physique dans le secteur public, à condition qu'il ne soit pas remarié à la date de prise de cours de la pension de survie.
Cette pension de survie prend cours :
1° à la date de prise de cours de sa pension de retraite belge, lorsque le conjoint survivant justifie uniquement d'une carrière professionnelle en Belgique ou d'une carrière professionnelle en Belgique et à l'étranger;
2° à la date de prise de cours de sa pension de retraite octroyée à charge d'un régime de pension étranger lorsque le conjoint survivant justifie uniquement d'une carrière professionnelle à l'étranger;
3° à l'âge de la pension visé à l'article 3, § 1er, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997, lorsque le conjoint survivant ne justifie pas d'une carrière professionnelle."
Art.9. In hoofdstuk II, afdeling 1, c), van hetzelfde besluit, wordt een artikel 8quinquies ingevoegd, luidende :
"Art. 8quinquies. De Koning kan, bij besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, het genot van de overgangsuitkering uitbreiden naar de wettelijke samenwonenden die niet verbonden zijn door een familieband, aanverwantschap of adoptie die een huwelijksverbod voorzien door het Burgerlijk Wetboek inhoudt.".
"Art. 8quinquies. De Koning kan, bij besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, onder de voorwaarden die Hij vastlegt, het genot van de overgangsuitkering uitbreiden naar de wettelijke samenwonenden die niet verbonden zijn door een familieband, aanverwantschap of adoptie die een huwelijksverbod voorzien door het Burgerlijk Wetboek inhoudt.".
Art.9. Dans le chapitre II, section 1re, c) du même arrêté, il est inséré un article 8quinquies rédigé comme suit :
"Art. 8quinquies. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut, aux conditions qu'Il fixe, étendre le bénéfice de l'allocation de transition aux cohabitants légaux qui ne sont pas unis par un lien de parenté, d'alliance ou d'adoption entraînant une prohibition de mariage prévue par le Code civil.".
"Art. 8quinquies. Par arrêté délibéré en Conseil des ministres, le Roi peut, aux conditions qu'Il fixe, étendre le bénéfice de l'allocation de transition aux cohabitants légaux qui ne sont pas unis par un lien de parenté, d'alliance ou d'adoption entraînant une prohibition de mariage prévue par le Code civil.".
Art.10. In artikel 30bis, eerste lid van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 30 januari 1997, worden volgende wijzigingen aangebracht :
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"De in dit hoofdstuk bedoelde pensioenen zijn slechts betaalbaar indien de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit, onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid of van een statuut dat van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, noch een uitkering geniet wegens loopbaanonderbreking, wegens tijdskrediet of het verminderen van de arbeidsprestaties of een uitkering toegekend in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag."
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De overgangsuitkering is betaalbaar zelfs indien de langstlevende echtgenoot een beroepsactiviteit uitoefent of recht heeft op een vergoeding wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid of van een statuut dat van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, op een uitkering wegens loopbaanonderbreking, wegens tijdskrediet of wegens het verminderen van de arbeidsprestaties of op een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector of op een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel op grond van de activiteit van dezelfde overleden echtgenoot bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid."
3° in het tweede lid dat het derde wordt, worden de woorden "het voorgaand lid "vervangen door de woorden "het eerste lid".
1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
"De in dit hoofdstuk bedoelde pensioenen zijn slechts betaalbaar indien de gerechtigde geen beroepsbezigheid uitoefent en zo hij geen vergoeding geniet wegens ziekte, invaliditeit, onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid of van een statuut dat van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, noch een uitkering geniet wegens loopbaanonderbreking, wegens tijdskrediet of het verminderen van de arbeidsprestaties of een uitkering toegekend in het kader van het stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag."
2° tussen het eerste en het tweede lid wordt een lid ingevoegd, luidende :
"De overgangsuitkering is betaalbaar zelfs indien de langstlevende echtgenoot een beroepsactiviteit uitoefent of recht heeft op een vergoeding wegens ziekte, invaliditeit of onvrijwillige werkloosheid bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid of van een statuut dat van toepassing is op het personeel van een volkenrechtelijke instelling, op een uitkering wegens loopbaanonderbreking, wegens tijdskrediet of wegens het verminderen van de arbeidsprestaties of op een rustpensioen wegens gezondheidsredenen of lichamelijke ongeschiktheid in de openbare sector of op een overlevingspensioen of een als zodanig geldend voordeel op grond van de activiteit van dezelfde overleden echtgenoot bij toepassing van een Belgische of buitenlandse wetgeving inzake sociale zekerheid."
3° in het tweede lid dat het derde wordt, worden de woorden "het voorgaand lid "vervangen door de woorden "het eerste lid".
Art.10. Dans l''article 30bis du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 30 janvier 1997, sont apportées les modifications suivantes :
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Les pensions visées par le présent chapitre ne sont payables que si le bénéficiaire n'exerce pas d'activité professionnelle et s'il ne jouit pas d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité, de chômage involontaire par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère ou d'un statut applicable au personnel d'une institution de droit public international, ni d'une allocation pour cause d'interruption de carrière, de crédit-temps, de réduction des prestations ou d'une indemnité accordée dans le cadre du régime de chômage avec complément d'entreprise."
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"L'allocation de transition est payable même si le conjoint survivant exerce une activité professionnelle ou s'il jouit d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité ou de chômage involontaire, par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère ou d'un statut applicable au personnel d'une institution de droit public international, d'une allocation pour cause d'interruption de carrière, de crédit-temps ou de réduction des prestations ou d'une pension de retraite pour motif de santé ou d'inaptitude physique dans le secteur public, ou s'il jouit d'une pension de survie ou d'un avantage en tenant lieu, fondé sur l'activité du même conjoint décédé par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère."
3° à l'alinéa 2 qui devient l'alinéa 3, les mots "l'alinéa précédent" sont remplacés par les mots "l'alinéa 1er".
1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Les pensions visées par le présent chapitre ne sont payables que si le bénéficiaire n'exerce pas d'activité professionnelle et s'il ne jouit pas d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité, de chômage involontaire par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère ou d'un statut applicable au personnel d'une institution de droit public international, ni d'une allocation pour cause d'interruption de carrière, de crédit-temps, de réduction des prestations ou d'une indemnité accordée dans le cadre du régime de chômage avec complément d'entreprise."
2° un alinéa rédigé comme suit est inséré entre l'alinéa 1er et l'alinéa 2 :
"L'allocation de transition est payable même si le conjoint survivant exerce une activité professionnelle ou s'il jouit d'une indemnité pour cause de maladie, d'invalidité ou de chômage involontaire, par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère ou d'un statut applicable au personnel d'une institution de droit public international, d'une allocation pour cause d'interruption de carrière, de crédit-temps ou de réduction des prestations ou d'une pension de retraite pour motif de santé ou d'inaptitude physique dans le secteur public, ou s'il jouit d'une pension de survie ou d'un avantage en tenant lieu, fondé sur l'activité du même conjoint décédé par application d'une législation de sécurité sociale belge ou étrangère."
3° à l'alinéa 2 qui devient l'alinéa 3, les mots "l'alinéa précédent" sont remplacés par les mots "l'alinéa 1er".
Art.11. In artikel 43, eerste lid, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 18 november 1996, worden de woorden "en de overgangsuitkeringen" ingevoegd tussen de woorden "overlevingspensioenen" en "worden aangepast".
Art.11. Dans l'article 43, alinéa 1er, du même arrêté, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 18 novembre 1996, les mots "et les allocations de transition" sont insérés entre les mots "de survie" et les mots "sont adaptées".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie
CHAPITRE 3. - Modifications de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne
Art.12. In hoofdstuk IV, van het koninklijk besluit van 30 januari 1997 betreffende het pensioenstelsel der zelfstandigen met toepassing van de artikelen 15 en 27 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels en van artikel 3, § 1, 4°, van de wet van 26 juli 1996 strekkende tot realisatie van de budgettaire voorwaarden tot deelname van België aan de Europese en Monetaire Unie, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidende :
"Art. 7bis, § 1. De overgangsuitkering die toegekend wordt in functie van de loopbaan van de overleden echtgenoot wordt uitgedrukt door een breuk.
De breuk wordt als volgt vastgesteld :
1° de teller wordt bekomen door het totaal aantal kwartalen die het recht openen op een overgangsuitkering en die gelegen zijn voor het kwartaal van overlijden, als de overleden echtgenoot bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot of voor het kwartaal in de loop waarvan zijn rustpensioen is ingegaan, indien hij bij zijn overlijden een rustpensioen genoot, te delen door vier.
2° de noemer drukt het aantal burgerlijke jaren uit die begrepen zijn in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat ofwel aan dat van het overlijden, zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot, ofwel aan dat waarin zijn rustpensioen ingaat, zo hij reeds een rustpensioen genoot bij zijn overlijden.
Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 1° bedoelde teller met 312 te vermenigvuldigen hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 2° bedoelde noemer met 312 te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op de voordeligste uitkering per kalenderjaar in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
§ 2. De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op de overgangsuitkering wanneer de echtgenoot is overleden uiterlijk in het kwartaal waarin hij de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt of zou bereikt hebben."
"Art. 7bis, § 1. De overgangsuitkering die toegekend wordt in functie van de loopbaan van de overleden echtgenoot wordt uitgedrukt door een breuk.
De breuk wordt als volgt vastgesteld :
1° de teller wordt bekomen door het totaal aantal kwartalen die het recht openen op een overgangsuitkering en die gelegen zijn voor het kwartaal van overlijden, als de overleden echtgenoot bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot of voor het kwartaal in de loop waarvan zijn rustpensioen is ingegaan, indien hij bij zijn overlijden een rustpensioen genoot, te delen door vier.
2° de noemer drukt het aantal burgerlijke jaren uit die begrepen zijn in de periode die aanvangt op 1 januari van het jaar van de twintigste verjaardag van de overleden echtgenoot en die eindigt op 31 december van het jaar dat voorafgaat ofwel aan dat van het overlijden, zo hij bij zijn overlijden nog geen rustpensioen genoot, ofwel aan dat waarin zijn rustpensioen ingaat, zo hij reeds een rustpensioen genoot bij zijn overlijden.
Wanneer het aantal voltijdse dagequivalenten dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 1° bedoelde teller met 312 te vermenigvuldigen hoger is dan het aantal dat bekomen wordt door de in het vorige lid, 2° bedoelde noemer met 312 te vermenigvuldigen, worden de voltijdse dagequivalenten die recht geven op de voordeligste uitkering per kalenderjaar in aanmerking genomen tot beloop van het door deze laatste vermenigvuldiging bekomen resultaat.
§ 2. De Koning bepaalt de nadere regels voor de opening van het recht op de overgangsuitkering wanneer de echtgenoot is overleden uiterlijk in het kwartaal waarin hij de leeftijd van 20 jaar heeft bereikt of zou bereikt hebben."
Art.12. Dans le chapitre IV, de l'arrêté royal du 30 janvier 1997 relatif au régime de pension des travailleurs indépendants en application des articles 15 et 27 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions et de l'article 3, § 1er, 4° de la loi du 26 juillet 1996 visant à réaliser les conditions budgétaires de la participation de la Belgique à l'Union économique et monétaire européenne, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2008, il est inséré un article 7bis rédigé comme suit :
"Art. 7bis. § 1er. L'allocation de transition allouable en fonction de la carrière du conjoint décédé est exprimée par une fraction.
La fraction est établie comme suit :
1° le numérateur représente le nombre obtenu en divisant par quatre le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition situés avant le trimestre du décès, si le conjoint décédé ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite ou situés avant le trimestre au cours duquel sa pension de retraite a pris cours, si le conjoint décédé bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite;
2° le dénominateur exprime le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire du conjoint décédé et qui se termine le 31 décembre de l'année qui précède soit celle au cours de laquelle il est décédé, s'il ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite soit celle de la prise de cours de sa pension de retraite, s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite.
Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein obtenu en multipliant le numérateur visé à l'alinéa précédent, 1° par 312 est supérieur au nombre obtenu en multipliant le dénominateur visé à l'alinéa précédent, 2° par 312, les jours équivalents temps plein donnant droit à la prestation la plus avantageuse par année civile sont pris en considération à concurrence du résultat de cette dernière multiplication.
§ 2. Le Roi fixe les modalités d'ouverture du droit à l'allocation de transition et le montant de celle-ci lorsque le conjoint est décédé au plus tard dans le trimestre au cours duquel il a atteint ou aurait atteint l'âge de 20 ans."
"Art. 7bis. § 1er. L'allocation de transition allouable en fonction de la carrière du conjoint décédé est exprimée par une fraction.
La fraction est établie comme suit :
1° le numérateur représente le nombre obtenu en divisant par quatre le total des trimestres susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition situés avant le trimestre du décès, si le conjoint décédé ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite ou situés avant le trimestre au cours duquel sa pension de retraite a pris cours, si le conjoint décédé bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite;
2° le dénominateur exprime le nombre d'années civiles comprises dans la période prenant cours le 1er janvier de l'année du vingtième anniversaire du conjoint décédé et qui se termine le 31 décembre de l'année qui précède soit celle au cours de laquelle il est décédé, s'il ne bénéficiait pas encore, à son décès, d'une pension de retraite soit celle de la prise de cours de sa pension de retraite, s'il bénéficiait déjà, à son décès, d'une pension de retraite.
Lorsque le nombre de jours équivalents temps plein obtenu en multipliant le numérateur visé à l'alinéa précédent, 1° par 312 est supérieur au nombre obtenu en multipliant le dénominateur visé à l'alinéa précédent, 2° par 312, les jours équivalents temps plein donnant droit à la prestation la plus avantageuse par année civile sont pris en considération à concurrence du résultat de cette dernière multiplication.
§ 2. Le Roi fixe les modalités d'ouverture du droit à l'allocation de transition et le montant de celle-ci lorsque le conjoint est décédé au plus tard dans le trimestre au cours duquel il a atteint ou aurait atteint l'âge de 20 ans."
Art.13. In hoofdstuk IV, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008, wordt een artikel 8bis ingevoegd, luidende :
"Art.8bis. § 1. De overgangsuitkering wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van de overgangsuitkering."
"Art.8bis. § 1. De overgangsuitkering wordt berekend in functie van de bedrijfsinkomsten.
§ 2. Onder bedrijfsinkomsten worden deze verstaan zoals gedefinieerd in artikel 5, § 2.
Artikel 5, § 3, wordt naar analogie toegepast voor de berekening van de overgangsuitkering."
Art.13. Dans le chapitre IV, du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2008, il est inséré un article 8bis rédigé comme suit :
"Art. 8bis. § 1er. L'allocation de transition est calculée en fonction des revenus professionnels.
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre les revenus professionnels définis à l'article 5, § 2.
L'article 5, § 3, est applicable par analogie au calcul de l'allocation de transition."
"Art. 8bis. § 1er. L'allocation de transition est calculée en fonction des revenus professionnels.
§ 2. Par revenus professionnels, il y a lieu d'entendre les revenus professionnels définis à l'article 5, § 2.
L'article 5, § 3, est applicable par analogie au calcul de l'allocation de transition."
Art.14. In hoofdstuk IV, van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij de wet van 22 december 2008,wordt een artikel 9bis ingevoegd, luidende :
"Art. 9bis. § 1. Met het oog op de berekening van de overgangsuitkering wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7bis, § 1, in vier delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° het saldo dat verondersteld wordt uitsluitend overeen te komen met het gedeelte van de loopbaan vóór 1984.
§ 2. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31.820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31.820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 2, tweede en derde lid.
§ 3. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35.341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35.341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 2bis, tweede en derde lid.
§ 4. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 3° verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°.
§ 5. Het gedeelte van de overgangsuitkering bedoeld in § 1, 4°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 4, 1° en 2°.
§ 6. Wanneer de teller van de breuk die voltijdse dagequivalenten uitdrukt die het recht op de overgangsuitkering kunnen openen, verlaagd wordt krachtens artikel 7bis, § 1, derde lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, zal deze vermindering, voor de berekening van de overgangsuitkering, slaan op de voltijdse dagequivalenten die aanleiding geven tot de toekenning van de laagste overgangsuitkering.
De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, § 5.
§ 7. Indien het bedrag van de overgangsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7bis, 8bis en van dit artikel kleiner is dan het bedrag dat bekomen wordt door het bedrag van 9.648,57 euro te vermenigvuldigen met de in artikel 7bis, § 1, bedoelde breuk, wordt dit laatste bedrag toegekend.
Het in het vorige lid bedoelde bedrag van 9.648,57 euro is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en evolueert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, het in het eerste lid bedoelde bedrag verhogen.
§ 8. Artikel 11 is niet van toepassing op de overgangsuitkering.
§ 9. Artikelen 131, 131bis en 131ter van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen worden niet toegepast op de overgangsuitkering."
"Art. 9bis. § 1. Met het oog op de berekening van de overgangsuitkering wordt de teller van de breuk die de loopbaan van de overleden echtgenoot uitdrukt, bedoeld in artikel 7bis, § 1, in vier delen opgesplitst :
1° een eerste deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 2002 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
2° een tweede deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1996 en vóór 1 januari 2003 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
3° een derde deel dat het aantal jaren en kwartalen gelegen na 31 december 1983 en vóór 1 januari 1997 uitdrukt, waarbij elk kwartaal geldt voor 0,25;
4° het saldo dat verondersteld wordt uitsluitend overeen te komen met het gedeelte van de loopbaan vóór 1984.
§ 2. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 1°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,663250 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31.820,77 EUR niet overschrijdt;
0,541491 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 31.820,77 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 2, tweede en derde lid.
§ 3. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 2°, verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° 0,567851 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35.341,68 EUR niet overschrijdt;
0,463605 voor het gedeelte van de bedrijfsinkomsten dat 35.341,68 EUR overschrijdt.
Het in het vorige lid, 3°, bedoelde bedrag is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100). Het wordt aangepast teneinde het te brengen op het prijspeil van het beschouwde jaar volgens de modaliteiten voorzien in artikel 6, § 2bis, tweede en derde lid.
§ 4. Per kalenderjaar wordt de overgangsuitkering die overeenstemt met de loopbaan bedoeld in § 1, 3° verkregen door de bedrijfsinkomsten achtereenvolgens te vermenigvuldigen met :
1° een breuk waarvan de teller 1 is en de noemer deze is bedoeld in artikel 7bis, § 1. Wanneer het betrokken jaar niet volledig in aanmerking komt, wordt de teller van deze breuk teruggebracht tot 0,25, 0,50 of 0,75 naargelang 1, 2 of 3 kwartalen konden in aanmerking genomen worden;
2° 60 pct.;
3° de breuk bedoeld in artikel 6, § 3, 3°.
§ 5. Het gedeelte van de overgangsuitkering bedoeld in § 1, 4°, wordt berekend overeenkomstig de bepalingen van § 4, 1° en 2°.
§ 6. Wanneer de teller van de breuk die voltijdse dagequivalenten uitdrukt die het recht op de overgangsuitkering kunnen openen, verlaagd wordt krachtens artikel 7bis, § 1, derde lid, of krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit nr. 72, zal deze vermindering, voor de berekening van de overgangsuitkering, slaan op de voltijdse dagequivalenten die aanleiding geven tot de toekenning van de laagste overgangsuitkering.
De verwijdering van de overtollige dagen wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 9, § 5.
§ 7. Indien het bedrag van de overgangsuitkering, berekend overeenkomstig de bepalingen van de artikelen 7bis, 8bis en van dit artikel kleiner is dan het bedrag dat bekomen wordt door het bedrag van 9.648,57 euro te vermenigvuldigen met de in artikel 7bis, § 1, bedoelde breuk, wordt dit laatste bedrag toegekend.
Het in het vorige lid bedoelde bedrag van 9.648,57 euro is gekoppeld aan het spilindexcijfer 103,14 (basis 1996 = 100) en evolueert overeenkomstig de bepalingen van de wet van 2 augustus 1971 houdende inrichting van een stelsel waarbij de wedden, lonen, pensioenen, toelagen en tegemoetkomingen ten laste van de openbare schatkist, sommige sociale uitkeringen, de bezoldigingsgrenzen waarmee rekening dient gehouden bij de berekening van sommige bijdragen van de sociale zekerheid der arbeiders, alsmede de verplichtingen op sociaal gebied opgelegd aan de zelfstandigen, aan het indexcijfer van de consumptieprijzen worden gekoppeld.
De Koning kan, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, het in het eerste lid bedoelde bedrag verhogen.
§ 8. Artikel 11 is niet van toepassing op de overgangsuitkering.
§ 9. Artikelen 131, 131bis en 131ter van de wet van 15 mei 1984 houdende maatregelen tot harmonisering in de pensioenregelingen worden niet toegepast op de overgangsuitkering."
Art.14. Dans le chapitre IV, du même arrêté, modifié en dernier lieu par la loi du 22 décembre 2008, il est inséré un article 9bis rédigé comme suit :
"Art. 9bis. § 1er. En vue du calcul de l'allocation de transition, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé visée à l'article 7bis, § 1er, est scindé en quatre parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
4° le solde qui est présumé correspondre exclusivement à la partie de la carrière antérieure à 1984.
§ 2. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31.820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31.820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 2, alinéas 2 et 3.
§ 3. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35.341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35.341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 2bis, alinéas 2 et 3.
§ 4. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 3° est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°.
§ 5. La partie de l'allocation de transition visée au § 1er, 4°, se calcule conformément aux dispositions du § 4, 1° et 2°.
§ 6. Lorsque le numérateur de la fraction exprimant les jours équivalents temps plein susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition est réduit en vertu de l'article 7bis, § 1er, alinéa 3, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, cette réduction portera, pour le calcul de l'allocation de transition, sur les jours équivalents temps plein qui donnent lieu à l'octroi de l'allocation de transition la moins élevée.
L'élimination des jours excédentaires s'effectue conformément à l'article 9, § 5.
§ 7. Si le montant de l'allocation de transition calculée conformément aux dispositions des articles 7bis, 8bis et du présent article est inférieur au montant obtenu en multipliant le montant de 9.648,57 euros par la fraction visée à l'article 7bis, § 1er, c'est ce dernier montant qui est alloué.
Le montant de 9.648,57 euros visé à l'alinéa précédent est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) et évolue conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, majorer le montant repris à l'alinéa 1er.
§ 8. L'article 11 n'est pas applicable à l'allocation de transition.
§ 9. Les articles 131, 131bis et 131ter de la loi du 15 mai 1984 sortant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions ne sont pas applicables à l'allocation de transition."
"Art. 9bis. § 1er. En vue du calcul de l'allocation de transition, le numérateur de la fraction représentative de la carrière du conjoint décédé visée à l'article 7bis, § 1er, est scindé en quatre parties :
1° une première partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 2002, tout trimestre valant 0,25;
2° une deuxième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1996 et avant le 1er janvier 2003, tout trimestre valant 0,25;
3° une troisième partie qui représente le nombre d'années et de trimestres situés après le 31 décembre 1983 et avant le 1er janvier 1997, tout trimestre valant 0,25;
4° le solde qui est présumé correspondre exclusivement à la partie de la carrière antérieure à 1984.
§ 2. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 1°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,663250 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 31.820,77 EUR;
0,541491 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 31.820,77 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 2, alinéas 2 et 3.
§ 3. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 2°, est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° 0,567851 pour la partie des revenus professionnels qui ne dépasse pas 35.341,68 EUR;
0,463605 pour la partie des revenus professionnels supérieure à 35.341,68 EUR.
Le montant visé à l'alinéa précédent, 3°, est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100). Il est adapté, afin de le porter au niveau des prix de l'année concernée, selon les modalités prévues à l'article 6, § 2bis, alinéas 2 et 3.
§ 4. Par année civile, l'allocation de transition qui correspond à la carrière visée au § 1er, 3° est obtenue en multipliant les revenus professionnels successivement par :
1° une fraction dont le numérateur est 1 et le dénominateur est celui visé à l'article 7bis, § 1er. Lorsque l'année en cause n'entre pas entièrement en ligne de compte, le numérateur de cette fraction est ramené à 0,25, 0,50 ou 0,75 selon que 1, 2 ou 3 trimestres ont pu être retenus;
2° 60 p.c.;
3° la fraction visée à l'article 6, § 3, 3°.
§ 5. La partie de l'allocation de transition visée au § 1er, 4°, se calcule conformément aux dispositions du § 4, 1° et 2°.
§ 6. Lorsque le numérateur de la fraction exprimant les jours équivalents temps plein susceptibles d'ouvrir le droit à l'allocation de transition est réduit en vertu de l'article 7bis, § 1er, alinéa 3, ou en vertu de l'article 19 de l'arrêté royal n° 72, cette réduction portera, pour le calcul de l'allocation de transition, sur les jours équivalents temps plein qui donnent lieu à l'octroi de l'allocation de transition la moins élevée.
L'élimination des jours excédentaires s'effectue conformément à l'article 9, § 5.
§ 7. Si le montant de l'allocation de transition calculée conformément aux dispositions des articles 7bis, 8bis et du présent article est inférieur au montant obtenu en multipliant le montant de 9.648,57 euros par la fraction visée à l'article 7bis, § 1er, c'est ce dernier montant qui est alloué.
Le montant de 9.648,57 euros visé à l'alinéa précédent est rattaché à l'indice-pivot 103,14 (base 1996 = 100) et évolue conformément aux dispositions de la loi du 2 août 1971 organisant un régime de liaison à l'indice des prix à la consommation des traitements, salaires, pensions, allocations et subventions à charge du Trésor public de certaines prestations sociales, des limites de rémunération à prendre en considération pour le calcul de certaines cotisations de sécurité sociale des travailleurs, ainsi que des obligations imposées en matière sociale aux travailleurs indépendants.
Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, majorer le montant repris à l'alinéa 1er.
§ 8. L'article 11 n'est pas applicable à l'allocation de transition.
§ 9. Les articles 131, 131bis et 131ter de la loi du 15 mai 1984 sortant mesures d'harmonisation dans les régimes de pensions ne sont pas applicables à l'allocation de transition."
HOOFDSTUK 4. - Slotbepalingen
CHAPITRE 4. - Dispositions finales
Art.15. De bepalingen van deze wet zijn van toepassing op de langstlevende echtgenoten waarvan de echtgenoot of echtgenote ten vroegste overlijdt op 1 januari 2015.
Art.15. Les dispositions de la présente loi s'appliquent aux conjoints survivants dont l'époux ou l'épouse décède au plus tôt au 1er janvier 2015.
Art. 16. Deze wet treedt in werking op 1 januari 2015, met uitzondering van artikel 2, voor wat betreft artikel 4, § 4, dat uitwerking heeft met ingang van 1 januari 2000.
Art. 16. La présente loi entre en vigueur le 1er janvier 2015, à l'exception de l'article 2, pour ce qui concerne l'article 4, § 4, qui produit ses effets le 1er janvier 2000.