Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
15 JANUARI 2014. - Koninklijk besluit betreffende de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-01-2014 en tekstbijwerking tot 30-05-2024)
Titre
15 JANVIER 2014. - Arrêté royal relatif à l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-01-2014 et mise à jour au 30-05-2024)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (84)
Texte (84)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE 1er. - Généralités
Artikel 1. De verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, in de kosten van de geneeskundige verzorging bedoeld in artikel 34, eerste lid, 1°, 7° bis, 7° ter en 7° quater van dezelfde wet, wordt toegekend volgens de voorwaarden en regels die in dit besluit zijn vastgesteld.
Article 1er. L'intervention majorée de l'assurance, visée à l'article 37, § 19, de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, dans le coût des soins de santé visés à l'article 34, alinéas 1er, 1°, 7° bis, 7° ter et 7° quater de la même loi, est octroyée selon les conditions et modalités prévues au présent arrêté.
Art.2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1. "de wet" : de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  2. "het koninklijk besluit van 3 juli 1996" : het koninklijk besluit van 3 juli 1996 tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994;
  3. [1 "de gerechtigde": de persoon die geneeskundige verstrekkingen geniet in één van de hoedanigheden bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° tot 16°, 20°, 21°, 22°, en 24° van de wet;]1
  4. [1 "de persoon ten laste": de persoon die geneeskundige verstrekkingen geniet in de hoedanigheid bedoeld in artikel 32, eerste lid, 17°, 18°, 19°, 23° en 25° van de wet;]1
  5. "het kind ten laste" : het kind bedoeld in artikel 123, 3, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996;
  6. "werkgroep verzekerbaarheid" : de werkgroep verzekerbaarheid bedoeld in artikel 31bis van de wet;
  7. "WIB/92" : het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;
  8. "het Instituut" : het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering;
  9. "de verhoogde tegemoetkoming" : de verhoogde verzekeringstegemoetkoming bedoeld in artikel 37, § 19, van de wet;
  10. "de belastingadministratie" : de algemene administratie van de fiscaliteit;
  11. "het ziekenfonds" : een ziekenfonds bedoeld in artikel 2, § 1, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen, een gewestelijke dienst van de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering of de Kas der Geneeskundige Verzorging van de NMBS Holding;
  [1 12. "de woning": de hoofdverblijfplaats bedoeld in artikel 3, eerste lid, 5°, van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen.]1
  
Art.2. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1. " La loi " : la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
  2. " L'arrêté royal du 3 juillet 1996 " : l'arrêté royal du 3 juillet 1996 portant exécution de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994;
  3. [1 " le titulaire " : la personne bénéficiant des prestations de santé en une des qualités visées à l'article 32, alinéa 1er, 1° à 16°, 20°, 21°, 22° et 24° de la loi ;]1
  4. [1 " la personne à charge " : la personne bénéficiant des prestations de santé dans la qualité visée à l'article 32, alinéa 1er, 17°, 18°, 19°, 23° et 25° de la loi ;]1
  5. " L'enfant à charge " : l'enfant visé à l'article 123, 3, de l'arrêté royal du 3 juillet 1996;
  6. " Le groupe de travail assurabilité " : le groupe de travail assurabilité visé à l'article 31bis de la loi;
  7. " CIR/92 " : le Code des impôts sur les Revenus 1992;
  8. " L'institut " : l'Institut national d'Assurance Maladie-Invalidité;
  9. " L'intervention majorée " : l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, § 19, de la loi;
  10. " L'administration fiscale " : l'administration générale de la fiscalité;
  11. " La mutualité " : une mutualité visée à l'article 2, § 1er, de la loi du 6 août 1990 relative aux mutualités et aux unions nationales de mutualités, un Office régional de la Caisse auxiliaire d'Assurance Maladie-Invalidité ou la Caisse des soins de santé de la SNCB Holding;
  [1 12. " l'habitation " : la résidence principale visée à l'article 3, alinéa 1er, 5°, de la loi du 8 aout 1983 organisant un Registre national des personnes physiques.]1
  
Art.3. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming wordt geopend op twee verschillende manieren :
  1° Automatisch, door het ziekenfonds waarbij de betrokken rechthebbende is ingeschreven of aangesloten, op basis van het genot van één van de voordelen of van één van de situaties die in hoofdstuk 3 zijn opgesomd en volgens de daarin vastgestelde regels;
  2° Na een onderzoek van de inkomens van het betrokken gezin, uitgevoerd door het ziekenfonds dat als beheerder van het dossier is aangewezen, onder de voorwaarden en volgens de regels die in hoofdstuk 4 zijn vastgesteld, op voorwaarde dat het gezin sinds een bepaalde periode, referentieperiode genaamd, over inkomsten beschikte waarvan het belastbare jaarlijkse brutobedrag niet het in artikel 21 bedoelde grensbedrag bereikt en dat het gezin geen recht heeft op de verhoogde tegemoetkoming op basis van 1°.
Art.3. Le droit à l'intervention majorée est ouvert de deux manières différentes :
  1° De manière automatique, par la mutualité auprès de laquelle est inscrit ou affilié le bénéficiaire concerné, sur la base du bénéfice d'un des avantages ou d'une des situations énumérés au chapitre 3 et selon les modalités y fixées;
  2° Après une enquête sur les revenus du ménage concerné, effectuée par la mutualité désignée comme gestionnaire du dossier, dans les conditions et selon les modalités fixées au chapitre 4, pour autant que le ménage ait disposé depuis une période déterminée, appelée période de référence, de revenus dont le montant annuel brut imposable n'atteint pas le plafond visé à l'article 21 et qu'il ne puisse pas bénéficier de l'intervention majorée sur la base du 1°.
HOOFDSTUK 2. - Gemeenschappelijke bepalingen
CHAPITRE 2. - Dispositions communes
Art.4. Het ziekenfonds dat het dossier beheert, beslist over de al dan niet toekenning van het recht op de verhoogde tegemoetkoming, het behoud en de intrekking van het recht voor alle gezinsleden. Het ziekenfonds waarbij de echtgenoot, de samenwonende of de persoon ten laste is ingeschreven of aangesloten, beslist echter of het recht wordt ingetrokken in de gevallen bedoeld in artikel 14.
Art.4. La mutualité gestionnaire du dossier décide de l'octroi ou non du droit à l'intervention majorée, de son maintien et de son retrait pour tous les membres du ménage. Toutefois, la mutualité auprès de laquelle est inscrit ou affilié le conjoint, le cohabitant ou la personne à charge, prend la décision de retrait du droit dans les cas visés à l'article 14.
Art.5. Wanneer het gezin uit leden bestaat die bij verschillende verzekeringsinstellingen zijn ingeschreven of aangesloten, wisselen deze laatste, volgens de regels die bij omzendbrief door de Dienst voor administratieve controle van het Instituut worden vastgesteld, alle vereiste gegevens uit met het oog op de toekenning, het behoud en de intrekking van het recht op de verhoogde tegemoetkoming.
Art.5. Lorsque le ménage comprend des membres inscrits ou affiliés auprès d'organismes assureurs différents, ceux-ci échangent, selon les modalités fixées par circulaire par le Service du contrôle administratif de l'institut, toutes les données nécessaires en vue de l'octroi, du maintien et du retrait du droit à l'intervention majorée.
Art.6. Het effectieve genot van het voordeel, bedoeld in artikel 8, 1° tot 5° en het genot van de toelage bedoeld in artikel 19, § 5, en, in voorkomend geval, de duur van dat genot, worden vastgesteld door de elektronische overdracht van die gegevens door de bevoegde overheden overeenkomstig de regels die gezamenlijk door de verzekeringsinstellingen, de betrokken overheden, de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid en de betrokken diensten van het Instituut worden vastgesteld. Hetzelfde geldt voor de situaties bedoeld in artikelen 8, 6°, 18, eerste lid, 1°, 5°, wat de werkloosheid betreft, en 6°. Als die gegevens niet beschikbaar of voor de verzekeringsinstellingen niet toegankelijk zijn in het netwerk van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, bezorgen de bevoegde overheden de rechthebbende een getuigschrift waarvan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut de inhoud kan bepalen.
  [2 ...]2 [1 Het bewijs van de gedeelde verblijfplaats volgt uit de verklaring op erewoord, bedoeld in artikel 21, van de ouder die toepassing vraagt van het artikel 18, eerste lid, 8.]1
  De situatie bedoeld in artikel 18, eerste lid, 3°, wordt vastgesteld door middel van een getuigschrift dat wordt afgeleverd door de overheid waarvan het personeelslid afhangt en dat vaststelt dat de periode van disponibiliteit [1 drie maanden]1 bereikt, rekening houdend met de eventuele ongeschiktheidsperiode die daaraan voorafgaat.
  De situatie bedoeld in artikel 18, eerste lid, 4°, wordt vastgesteld door middel van een getuigschrift dat wordt afgeleverd door de Minister bevoegd voor Landsverdediging en dat vaststelt dat de periode van tijdelijke ambtsontheffing [1 drie maanden]1 bereikt. Het model van het getuigschrift wordt vastgesteld door de Minister bevoegd voor Sociale Zaken.
  [1 De situatie bedoeld in artikel 18, eerste lid, 9, wordt bewezen door de mededeling van het genot van het overbruggingsrecht gedurende een kwartaal door de Vrije Sociale Verzekeringskas of door de Nationale Hulpkas waarbij zij met toepassing van het koninklijk besluit nr. 38 van 27 juli 1967 houdende inrichting van het sociaal statuut der zelfstandigen zijn aangesloten en waarvan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut de inhoud kan bepalen. Deze mededeling gebeurt via het netwerk van de sociale zekerheid overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid.]1
  
Art.6. Le bénéfice effectif de l'avantage visé à l'article 8, 1° à 5° et le bénéfice de l'allocation visée à l'article 19, § 5, et, le cas échéant, la durée de ce bénéfice, sont établis par la transmission électronique de ces données par les autorités compétentes conformément aux modalités fixées conjointement par les organismes assureurs, les autorités concernées, la banque carrefour de la sécurité sociale et les services concernés de l'institut. Il en va de même pour les situations visées aux articles 8, 6°, 18, alinéa 1er, 1°, 5°, en ce qui concerne le chômage, et 6°. Lorsque ces données ne sont pas disponibles ou exploitables dans le réseau de la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale par les organismes assureurs, les autorités compétentes délivrent au bénéficiaire une attestation dont le Service du contrôle administratif de l'institut peut déterminer le contenu.
  [2 ...]2 [1 La preuve de l'hébergement partagé est établie sur base de la déclaration sur l'honneur, visée à l'article 21, du parent qui demande l'application de l'article 18, alinéa 1er, 8.]1
  La situation visée à l'article 18, alinéa 1er, 3°, est établie au moyen d'une attestation délivrée par l'autorité dont l'agent relève et constatant que la période de mise en disponibilité atteint [1 trois mois]1, compte tenu de l'éventuelle période d'incapacité la précédant.
  La situation visée à l'article 18, alinéa 1er, 4°, est établie au moyen d'une attestation délivrée par le Ministre qui a la Défense dans ses attributions et constatant que la période de mise en retrait temporaire d'emploi atteint [1 trois mois]1. Le modèle de l'attestation est établi par le Ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions.
  [1 La situation visée à l'article 18, alinéa 1er, 9°, est prouvée par la communication du bénéfice du droit passerelle pendant un trimestre par la Caisse libre d'assurance sociale ou par la Caisse nationale auxiliaire à laquelle ils sont affiliés en application de l'arrêté royal n° 38 du 27 juillet 1967 organisant le statut social des travailleurs indépendants, et dont le Service du contrôle administratif de l'institut peut déterminer le contenu. Cette communication s'effectue via le réseau de la sécurité sociale conformément à l'article 11, alinéa 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque carrefour de la sécurité sociale.]1
  
Art.7. De verzekeringsinstellingen maken aan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut jaarlijks een globaal bestand over waarin alle rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming zijn opgenomen, met vermelding van het gezin als bedoeld in artikel 14 of in hoofdstuk 4, [2 afdelingen 4 en 6/1]2, waartoe ze behoren, volgens de regels en met de aanvullende gegevens die deze dienst vaststelt.
  De verzekeringsinstellingen maken elk semester, met het oog op de opvolging van de evolutie van de toekenning van de verhoogde tegemoetkoming, aan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut statistische gegevens over betreffende het aantal rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming; de Dienst voor administratieve controle van het Instituut bepaalt de regels volgens welke die gegevens worden overgemaakt alsook de elementen die zij moeten bevatten.
  De Dienst voor administratieve controle van het Instituut voert elk jaar een kwantitatieve analyse uit van de gegevens die werden meegedeeld door de verzekeringsinstellingen volgens de regels vastgesteld door die dienst. Op basis van die kwantitatieve analyse evalueert de werkgroep verzekerbaarheid elk jaar de doeltreffendheid van het mechanisme voor de toekenning van de verhoogde tegemoetkoming,
  [1 De verzekeringsinstellingen bezorgen aan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut eveneens de gegevens betreffende de stroom, bedoeld in hoofdstuk 4, afdeling 2, in het bijzonder het aantal bijkomende aanvragen en bijkomende toekenningen van de verhoogde tegemoetkoming als gevolg van die stroom. De Dienst voor administratieve controle van het Instituut bepaalt welke gegevens moeten worden bezorgd, alsook de regels voor het doorsturen daarvan. Hij voert een kwantitatieve analyse uit van de gegevens die worden meegedeeld door de verzekeringsinstellingen.]1
  In het kader van dit besluit zijn de ziekenfondsen, de verzekeringsinstellingen en het instituut verantwoordelijk voor de hen betreffende gegevensverwerking.
  
Art.7. Les organismes assureurs transmettent chaque année au Service du contrôle administratif de l'institut, un fichier global reprenant tous les bénéficiaires de l'intervention majorée, avec indication du ménage, tel que visé à l'article 14 ou [2 aux sections 4 et 6/1]2 du chapitre 4, auquel ils appartiennent, selon les modalités et avec les données complémentaires fixées par le service susvisé.
  Les organismes assureurs transmettent chaque semestre au Service du contrôle administratif de l'institut, en vue du suivi de l'évolution de l'octroi de l'intervention majorée, des données statistiques relatives au nombre de bénéficiaires de l'intervention majorée; le Service du contrôle administratif de l'institut détermine les modalités selon lesquelles ces données sont transmises ainsi que les éléments qu'elles doivent contenir.
  Le Service du contrôle administratif de l'institut procède chaque année à une analyse quantitative des données communiquées par les organismes assureurs selon les modalités fixées par ce service. Sur la base de cette analyse quantitative, le groupe de travail assurabilité évalue chaque année l'efficacité du mécanisme d'octroi de l'intervention majorée.
  [1 Les organismes assureurs transmettent également au Service du contrôle administratif de l'institut les données relatives au flux visé à la section 2 du chapitre 4, notamment le nombre de demandes supplémentaires et d'octrois supplémentaires de l'intervention majorée à la suite de ce flux. Le Service du contrôle administratif de l'institut précise les données à transmettre ainsi que les modalités de leur transmission. Il procède à une analyse quantitative des éléments communiqués par les organismes assureurs.]1
  Dans le cadre du présent arrêté, les mutualités, les organismes assureurs et l'institut sont responsables du traitement des données qui les concerne.
  
HOOFDSTUK 3. - Automatisch toegekend recht op de verhoogde tegemoetkoming
CHAPITRE 3. - Droit à l'intervention majorée octroyé automatiquement
Afdeling 1. - Rechthebbenden
Section 1re. - Bénéficiaires
Art.8. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming wordt toegekend aan de rechthebbende die daadwerkelijk een van de volgende voordelen geniet of zich in een van de volgende situaties bevindt :
  1. het leefloon ingesteld bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie, op voorwaarde dat hij dat leefloon daadwerkelijk heeft ontvangen gedurende een ononderbroken periode van minstens drie volledige maanden;
  2. de steun die geheel of gedeeltelijk door de federale overheid ten laste wordt genomen op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, op voorwaarde dat hij die steun daadwerkelijk heeft ontvangen gedurende een ononderbroken periode van minstens drie volledige maanden;
  3. de inkomensgarantie voor ouderen ingesteld bij de wet van 22 maart 2001;
  4. het gewaarborgd inkomen voor bejaarden ingesteld bij de wet van 1 april 1969, alsook de rechthebbende die het recht op de rentebijslag behoudt;
  5. een tegemoetkoming die wordt toegekend aan een persoon met een handicap krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap [3 of een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden toegekend krachtens het Waals Wetboek van Sociale Actie en Gezondheid of de Ordonnantie van 10 december 2020 betreffende de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden, of een zorgbudget voor ouderen met een zorgnood toegekend krachtens het Decreet van 18 mei 2018 houdende de Vlaamse sociale bescherming]3;
  6. [2 het kind met een handicap waarvan de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66% is vastgesteld door een arts van de Directie-generaal Personen met een Handicap van de Federale Overheidsdienst Sociale Zekerheid. De beslissing tot vaststelling van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid van ten minste 66 % van een arts die handelt in het rechtsgebied van een deelstaat wordt eveneens erkend, mits deze in overeenstemming is met de criteria zoals voorzien in de Algemene Kinderbijslagwet;]2
  7. het kind dat is ingeschreven in de hoedanigheid van gerechtigde NBMV, bedoeld in artikel 32, eerste lid, 22°, van de wet;
  8. het kind dat is ingeschreven in de hoedanigheid van gerechtigde wees in de zin van artikel 32, eerste lid, 20°, van de wet;
  [1 9. het kind dat ingeschreven is in de hoedanigheid van gerechtigde wees in de zin van artikel 32, eerste lid, 11°sexies, van de wet, waarvan beide ouders overleden zijn.]1
  De arts gaat over tot de vaststelling van de ongeschiktheid, bedoeld in het eerste lid, 6°, overeenkomstig de regels bepaald :
  - in artikel 2 van het koninklijk besluit van 3 mei 1991 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 96 van de wet van 29 december 1990 houdende sociale bepalingen;
  - in artikel 2 van het koninklijk besluit van 28 augustus 1991 tot uitvoering van de artikelen 20, §§ 2 en 3, 26 en 35, van het koninklijk besluit van 8 april 1976 houdende regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen, en van artikel 23 van het koninklijk besluit van 21 februari 1991 tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de regeling van de gezinsbijslag ten voordele van de zelfstandigen.
  Ten aanzien van de kinderen die behoren tot de leeftijdscategorie bedoeld in artikel 63, § 2, van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders wordt voor de toepassing van artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 3 mei 1991 en van artikel 2 van voormeld koninklijk besluit van 28 augustus 1991 echter de Lijst van pediatrische aandoeningen bedoeld in artikel 7, § 1, eerste lid, 1°, van het koninklijk besluit van 28 maart 2003 tot uitvoering van de artikelen 47, 56septies en 63 van de samengeordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders en van artikel 88 van de programmawet (I) van 24 december 2002 gebruikt in plaats van de Lijst van aandoeningen.
  
Art.8. Le droit à l'intervention majorée est octroyé au bénéficiaire qui bénéficie effectivement d'un des avantages suivants ou se trouve dans une des situations énumérées ci-après :
  1. le revenu d'intégration institué par la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, pour autant qu'il en ait bénéficié effectivement pendant au moins trois mois complets ininterrompus;
  2. le secours partiellement ou totalement pris en charge par l'Etat fédéral sur la base des articles 4 et 5 de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale, pour autant qu'il en ait bénéficié effectivement pendant au moins trois mois complets ininterrompus;
  3. la garantie de revenus aux personnes âgées instituée par la loi du 22 mars 2001;
  4. le revenu garanti aux personnes âgées institué par la loi du 1er avril 1969 ainsi que celui qui conserve le droit à la majoration de rente;
  5. une allocation octroyée à une personne handicapée en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées [3 ou une allocation pour l'aide aux personnes âgées octroyée en application du Code wallon de l'action sociale et de la santé ou de l'Ordonnance du 10 décembre 2020 relative à l'allocation pour l'aide aux personnes âgées, ou un budget de soins pour personnes âgées présentant un besoin de soins octroyé en application du Décret du 18 mai 2018 relatif à la protection sociale flamande]3;
  6. [2 L'enfant handicapé dont l'incapacité physique ou mentale d'au moins 66% est constatée par un médecin de la Direction générale Personnes handicapées du Service public fédéral Sécurité sociale. La décision de constatation de l'incapacité physique ou mentale d'au moins 66% prise par un médecin exerçant dans l'arrondissement d'une entité fédérée est également reconnue, à condition qu'elle remplisse les critères énoncés dans la loi générale relative aux allocations familiales ;]2
  7. l'enfant inscrit en qualité de titulaire MENA, visé à l'article 32, alinéa 1er, 22°, de la loi;
  8. l'enfant inscrit en qualité de titulaire orphelin au sens de l'article 32, alinéa 1er, 20°, de la loi;
  [1 9. l'enfant inscrit en qualité de titulaire orphelin au sens de l'article 32, alinéa 1er, 11°sexies, de la loi, dont les deux parents sont décédés.]1
  Le médecin procède à la constatation de l'incapacité visée à l'alinéa 1er, 6°, conformément aux règles fixées :
  - à l'article 2 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 portant exécution de l'article 47, 56septies et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 96 de la loi du 29 décembre 1990 portant des dispositions sociales;
  - à l'article 2 de l'arrêté royal du 28 août 1991 portant exécution des articles 20, §§ 2 et 3, 26 et 35, de l'arrêté royal du 8 avril 1976 établissant le régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants, et de l'article 23 de l'arrêté royal du 21 février 1991 modifiant certaines dispositions relatives au régime des prestations familiales en faveur des travailleurs indépendants.
  Toutefois, concernant les enfants faisant partie de la catégorie d'âge visée à l'article 63, § 2, des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés, la Liste des affections pédiatriques visée à l'article 7, § 1er, alinéa 1er, 1°, de l'arrêté royal du 28 mars 2003 portant exécution des articles 47, 56septies et 63 des lois coordonnées relatives aux allocations familiales pour travailleurs salariés et de l'article 88 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 est utilisée pour l'application de l'article 2 de l'arrêté royal du 3 mai 1991 précité et de l'article 2 de l'arrêté royal du 28 août 1991 précité, au lieu de la Liste des pathologies.
  
Art.9. Het ziekenfonds dat het dossier beheert is dat waarbij de rechthebbende bedoeld in artikel 8 is aangesloten of ingeschreven. Het kent hem op eigen initiatief de verhoogde tegemoetkoming toe op basis van de gegevens waarover het beschikt.
Art.9. La mutualité gestionnaire est celle auprès de laquelle est inscrit ou affilié le bénéficiaire visé à l'article 8. Elle lui octroie d'initiative l'intervention majorée sur la base des données en sa possession.
Afdeling 2. - Opening van het recht op de verhoogde tegemoetkoming
Section 2. - Ouverture du droit à l'intervention majorée
Art.10. De rechthebbende bedoeld in artikel 8, 1° en 2° heeft recht op de verhoogde tegemoetkoming vanaf de dag die volgt op het einde van de periode van drie maanden die in datzelfde artikel is vastgesteld.
  Dat recht wordt behouden tot 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin het recht is geopend.
Art.10. Le bénéficiaire visé à l'article 8, 1° et 2° bénéficie de l'intervention majorée à partir du jour suivant la fin de la période de trois mois prévue au même article.
  Ce droit est maintenu jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle il a été ouvert.
Art.11. De rechthebbende bedoeld in artikel 8, 3°, 4° en 5° heeft recht op de verhoogde tegemoetkoming vanaf de dag waarop hij een van de betrokken voordelen effectief geniet.
  Dat recht wordt behouden tot 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin het recht is geopend.
Art.11. Le bénéficiaire visé à l'article 8, 3°, 4° et 5°, bénéficie de l'intervention majorée à partir du jour où il bénéficie effectivement de l'un des avantages concernés.
  Ce droit est maintenu jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle il a été ouvert.
Art.12. De rechthebbende bedoeld in artikel 8, 6°, heeft recht op de verhoogde tegemoetkoming vanaf de datum waarop de beslissing tot bovenbedoelde erkenning van een lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid uitwerking heeft.
  Dat recht wordt behouden tot 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin het recht is geopend.
Art.12. Le bénéficiaire visé à l'article 8, 6°, bénéficie du droit à l'intervention majorée de l'assurance à partir de la date d'effet de la décision de reconnaissance de l'incapacité physique ou mentale susvisée.
  Ce droit est maintenu jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle au cours de laquelle il a été ouvert.
Art.13. De rechthebbende bedoeld in [1 artikel 8, 7° tot 9°]1, heeft recht op de verhoogde tegemoetkoming vanaf de datum waarop zijn inschrijving in de bovenbedoelde hoedanigheid van gerechtigde uitwerking heeft.
  Dat recht wordt behouden tot 31 december van het jaar dat volgt op het jaar waarin het recht is geopend.
  
Art.13. Le bénéficiaire visé à [1 l'article 8, 7° à 9°]1, bénéficie du droit à l'intervention majorée à partir de la date d'effet de son inscription en la qualité de titulaire susvisée.
  Ce droit est maintenu jusqu'au 31 décembre de l'année suivant celle de l'ouverture du droit.
  
Art.14. § 1. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming wordt toegekend aan de rechthebbende bedoeld in artikel 8, zijn niet feitelijk gescheiden of niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of samenwonende en aan hun personen ten laste.
  Onder samenwonende wordt verstaan, de persoon met wie de bovenbedoelde rechthebbende samenwoont, met uitsluiting van de bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad, en met wie hij een feitelijk gezin vormt. De samenwoning wordt vastgesteld op basis van de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen.
  De rechthebbenden die verbonden zijn door een wettelijke samenwoning, worden in het kader van dit besluit ook als samenwonenden beschouwd. Onder wettelijke samenwoning wordt verstaan de toestand van samenleven van twee personen die een verklaring hebben afgelegd overeenkomstig artikel 1476 van het Burgerlijk Wetboek.
  § 2. Het recht wordt ten vroegste op de datum van het huwelijk aan de echtgenoot toegekend. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming van de echtgenoot wordt ingetrokken uiterlijk op [1 de laatste dag van het kwartaal]1 volgend op dat waarin de echtscheiding of de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken of waarin de feitelijke scheiding plaatsvindt.
  Datzelfde recht wordt aan de samenwonende toegekend, ten vroegste op de datum waarop de verklaring op erewoord bedoeld in § 3, aan het ziekenfonds is overhandigd. Het recht wordt evenwel ten vroegste aan de samenwonende toegekend op de datum van samenwoning als de bovenbedoelde verklaring is ingediend binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf die datum. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming van de samenwonende wordt ingetrokken uiterlijk op [1 de laatste dag van het kwartaal]1 volgend op dat waarin de samenwoning volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen wordt beëindigd.
  Datzelfde recht wordt ten vroegste aan de wettelijk samenwonende toegekend op de datum waarop de ambtenaar van de burgerlijke stand in de bevolkingsregisters melding maakt van de verklaring van wettelijke samenwoning voor zover er samenwoning is volgens de gegevens van het Rijksregister. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming van de wettelijk samenwonende wordt ingetrokken uiterlijk op [1 de laatste dag van het kwartaal]1 volgend op dat waarin de wettelijke samenwoning wordt beëindigd volgens een van de modaliteiten bedoeld in artikel 1476, § 2, van het Burgerlijk Wetboek of op dat waarin volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen de samenwoning wordt beëindigd.
  Datzelfde recht wordt ten vroegste toegekend aan de personen ten laste van de rechthebbende, bedoeld in artikel 8, of ten laste van zijn echtgenoot of samenwonende, op de datum waarop de inschrijving in de hoedanigheid van persoon ten laste uitwerking heeft. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming van de persoon ten laste wordt ingetrokken uiterlijk op [1 de laatste dag van het kwartaal]1 volgend op dat waarin de hoedanigheid van persoon ten laste is verloren.
  § 3. Voor het onderzoek van het recht op de verhoogde tegemoetkoming, wordt de bovenbedoelde hoedanigheid van samenwonende vastgesteld, ingeval van wettelijke samenwoning, door de daartoe bedoelde vermelding in het Rijksregister van de natuurlijke personen of, in de andere gevallen, door de ondertekening van de verklaring op erewoord in overeenstemming met het model dat gaat als bijlage 1 bij dit besluit of met de, wat hun vorm betreft, afwijkende modellen die zijn toegestaan door de Dienst voor administratieve controle van het Instituut.
  
Art.14. § 1er. Le droit à l'intervention majorée est octroyé au bénéficiaire visé à l'article 8, à son conjoint non séparé de fait ni séparé de corps et de biens ou cohabitant et à leurs personnes à charge.
  Par cohabitant, on entend la personne avec qui le bénéficiaire susvisé cohabite, à l'exclusion du parent ou allié jusqu'au troisième degré inclus et avec qui il forme un ménage de fait. La cohabitation est établie sur la base des données du Registre national des personnes physiques.
  Les bénéficiaires qui se trouvent dans les liens d'une cohabitation légale, sont également considérés comme des cohabitants dans le cadre du présent arrêté. Par cohabitation légale, il y a lieu d'entendre la situation de vie commune de deux personnes ayant fait une déclaration au sens de l'article 1476 du Code civil.
  § 2. Le droit est octroyé au conjoint au plus tôt à la date du mariage. Le droit à l'intervention majorée du conjoint est retiré au plus tard [1 le dernier jour du trimestre]1 suivant celui au cours duquel le divorce ou la séparation de corps et de biens est prononcé ou au cours duquel intervient la séparation de fait.
  Ce même droit est octroyé au cohabitant au plus tôt à la date de la remise à la mutualité de la déclaration sur l'honneur visée au § 3. Toutefois, le droit est octroyé au cohabitant au plus tôt à la date de la cohabitation lorsque la déclaration susvisée est introduite dans les trois mois à compter de cette date. Le droit à l'intervention majorée du cohabitant est retiré au plus tard [1 le dernier jour du trimestre]1 suivant celui au cours duquel la cohabitation prend fin selon les données du Registre national des personnes physiques.
  Ce même droit est octroyé au cohabitant légal au plus tôt à la date à laquelle l'Officier de l'Etat civil a acté la déclaration de la cohabitation légale dans les registres de la population pour autant qu'il y ait cohabitation selon les données du Registre national. Le droit à l'intervention majorée du cohabitant légal est retiré au plus tard [1 le dernier jour du trimestre]1 suivant celui au cours duquel intervient la fin de la cohabitation légale selon une des modalités prévues à l'article 1476, § 2, du Code civil ou au cours duquel la cohabitation prend fin selon les données du Registre national des personnes physiques.
  Ce même droit est octroyé aux personnes à charge du bénéficiaire visé à l'article 8 ou à charge de son conjoint ou cohabitant au plus tôt à la date d'effet de l'inscription en qualité de personne à charge. Le droit à l'intervention majorée de la personne à charge est retiré au plus tard [1 le dernier jour du trimestre]1 suivant celui au cours duquel la qualité de personne à charge est perdue.
  § 3. Pour l'examen du droit à l'intervention majorée, la qualité de cohabitant susvisée est établie, en cas de cohabitation légale, par la mention prévue à cet effet dans le Registre national des personnes physiques ou, dans les autres cas, par la souscription de la déclaration sur l'honneur conforme au modèle repris en annexe 1re au présent arrêté ou aux modèles dérogatoires, quant à la forme, admis par le Service du contrôle administratif de l'institut.
  
Afdeling 3. - Behoud en einde van het recht
Section 3. - Maintien et fin du droit
Art.15. Na de periode van opening van het recht, bedoeld in afdeling 2, wordt het recht telkens voor een kalenderjaar verlengd als de rechthebbende zich, in het kalenderjaar vóór het jaar van de verlenging, in een van de volgende situaties bevindt :
  1. hij heeft daadwerkelijk een voordeel bedoeld in artikel 8, 1° of 2°, genoten gedurende drie volledige ononderbroken maanden;
  2. hij heeft daadwerkelijk een voordeel bedoeld in artikel 8, 3°, 4° of 5°, genoten;
  3. de beslissing tot erkenning van de lichamelijke of geestelijke ongeschiktheid bedoeld in artikel 8, 6°, heeft nog steeds uitwerking;
  4. hij is nog steeds ingeschreven bij zijn ziekenfonds in de hoedanigheid van gerechtigde bedoeld in [1 artikel 8, 7° tot 9°]1.
  [2 Indien het recht niet verlengd kan worden krachtens het eerste lid, wordt het recht verlengd vanaf 1 januari indien het gezin, tussen 1 oktober van het vorig jaar en 31 maart van dit jaar, een verklaring op erewoord indient zoals bedoeld in het artikel 29, en de inkomensvoorwaarde krachtens hoofdstuk 4 daartoe vervult. In deze hypothese worden de belastbare bruto-inkomsten van het gezin in aanmerking genomen zoals ze bestaan tijdens de maand die voorafgaat aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.]2
  
Art.15. Après la période d'ouverture du droit visée à la section 2, le droit est chaque fois prolongé pour une année civile si, au cours de l'année civile précédant l'année de prolongation, le bénéficiaire se trouve dans une des situations suivantes :
  1. il a bénéficié effectivement d'un avantage visé à l'article 8, 1° ou 2°, pendant trois mois complets ininterrompus
  2. il a bénéficié effectivement d'un avantage visé à l'article 8, 3°, 4° ou 5° ;
  3. la décision de reconnaissance de l'incapacité physique ou mentale visée à l'article 8, 6°, sort encore ses effets;
  4. il est toujours inscrit auprès de sa mutualité en la qualité de titulaire visée à [1 l'article 8, 7° à 9°]1.
  [2 Si le droit ne peut pas être prolongé conformément à l'alinéa 1er, le droit est prolongé à partir du 1er janvier si le ménage introduit, entre le 1er octobre de l'année précédente et le 31 mars de cette année, une déclaration sur l'honneur visée à l'article 29, et qu'il remplit la condition de revenus visée au chapitre 4. Dans cette hypothèse sont pris en considération les revenus bruts imposables du ménage tels qu'ils existent pendant le mois précédant celui de l'introduction de la demande.]2
  
Art.16. De rechthebbenden, bedoeld in artikel 8, zijn niet onderworpen aan de controle bedoeld in artikel 37, wegens de stabiliteit van hun situatie, enerzijds, of, wegens de inkomensonderzoeken die zijn uitgevoerd in het kader van de reglementeringen die de toekenning van de betrokken voordelen organiseren, anderzijds.
Art.16. Les bénéficiaires visés à l'article 8 ne sont pas soumis au contrôle visé à l'article 37, en raison de la stabilité de leur situation, d'une part, ou des enquêtes sur les revenus effectuées dans le cadre des réglementations organisant l'octroi des avantages concernés, d'autre part.
HOOFDSTUK 4. - Recht op de verhoogde tegemoetkoming dat wordt toegekend na een inkomensonderzoek door het ziekenfonds
CHAPITRE 4. - Droit à l'intervention majorée octroyé après une enquête sur les revenus opérée par la mutualité
Afdeling 1. - Betrokken rechthebbenden
Section 1re. - Bénéficiaires concernés
Art.17. Een referentieperiode van één kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de aanvraag bedoeld in artikel 29 is ingediend, tijdens welke het betreffende gezin aantoont dat het over bescheiden inkomsten beschikte, is van toepassing in het kader van de aanvraag om de verhoogde tegemoetkoming te genieten.
Art.17. Une période de référence d'une durée d'une année civile précédant celle de l'introduction de la demande, visée à l'article 29, pendant laquelle le ménage concerné établit qu'il a bénéficié de revenus modestes, est applicable dans le cadre de la demande du bénéfice de l'intervention majorée.
Art.18. In afwijking van artikel 17 is er geen referentieperiode van toepassing voor het gezin waarvan een van de leden, op het moment dat de aanvraag wordt ingediend :
  1. voldoet aan de voorwaarden om bij zijn ziekenfonds te worden ingeschreven in een van de hoedanigheden bedoeld in [1 artikel 32, eerste lid, 7° tot 11°quinquies en 12°]1 van de wet [2 of geniet van een overlevingspensioen krachtens de wetgeving betreffende de rust- en overlevingspensioenen voor werknemers of krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen]2;
  2. een invaliditeitsuitkering ontvangt in de zin van artikel 93 van de wet; de gerechtigde bedoeld in artikel 32, eerste lid, 1° bis, van de wet moet bovendien, volgens de voorwaarden voorzien krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, zijn beroepsactiviteit hebben onderbroken wegens ziekte of invalditeit en, in die hoedanigheid, zijn rechten vrijwaren met toepassing van dezelfde wetgeving gedurende tenminste vier kwartalen;
  3. een lid is van het overheidspersoneel die wegens ziekte of gebrekkigheid in disponibiliteit is gesteld wanneer die periode van disponibiliteit [3 drie maanden]3 bereikt. Voor de bepaling van die periode van een jaar wordt de eventuele ongeschiktheidsperiode die voorafgaat aan de disponibiliteit in aanmerking genomen;
  4. een militair is die om gezondheidsredenen tijdelijk uit zijn ambt is ontheven wanneer die periode van ambtsontheffing [3 drie maanden]3 bereikt;
  5. [3 arbeidsongeschikt is in de zin van de reglementering betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging of een werknemer in gecontroleerde werkloosheid is die de hoedanigheid heeft van volledig werkloze in de zin van de werkloosheidsreglementering, op voorwaarde dat de som van de periodes van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid de duur van drie maanden bereikt zonder onderbreking;]3
  6. voldoet aan de voorwaarden om te worden ingeschreven in de hoedanigheid van gerechtigde in de zin van artikel 32, eerste lid, 13°, van de wet;
  7. [2 ...]2
  8. [7 gerechtigde is binnen een eenoudergezin. Het eenoudergezin bestaat uit een gerechtigde die, volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen, ofwel uitsluitend samenwoont met een of meerdere kind(eren), ofwel alleen woont maar zijn kind(eren) huisvest gemiddeld ten minste twee dagen per week op hoofdzakelijk of op gedeelde basis, op voorwaarde dat in beide gevallen ten minste één kind ingeschreven is in de hoedanigheid van kind ten laste in het gezin van een van zijn ouders;]7
  [3 9. gedurende ten minste een kwartaal genoot van het overbruggingsrecht [6 bedoeld in artikel 189, 2°, van de programmawet van 26 december 2022]6, mits betrokkene op het moment van de aanvraag nog steeds van het overbruggingsrecht geniet;]3
  [4 10. meegedeeld werd krachtens de proactieve stroom van het lopende jaar zoals bedoeld in artikel 19, § 2, tweede lid, of van het voorafgaande jaar wanneer de proactieve stroom nog niet werd afgerond, en waarvan volgens de gegevens die in het bezit zijn van het beherend ziekenfonds, vastgesteld wordt dat de inkomsten van de gezinsleden ondertussen niet zijn verhoogd;]4
  [5 11. geniet van een tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden toegekend door de Duitstalige Gemeenschap krachtens de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap of van een zorgtoeslag voor ouderen toegekend krachtens het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 27 juni 2022 betreffende het zorgbudget voor ouderen.]5
  
Art.18. Par dérogation à l'article 17, il n'y a aucune période de référence applicable pour le ménage dont un des membres, au moment de l'introduction de la demande :
  1. remplit les conditions pour être inscrit auprès de sa mutualité en une des qualités visées à [1 l'article 32, alinéa 1er, 7° à 11°quinquies et 12°]1 de la loi [2 ou bénéficie d'une pension de survie en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs salariés ou en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants]2;
  2. perçoit une indemnité d'invalidité au sens de l'article 93 de la loi; le titulaire visé à l'article 32, alinéa 1er, 1° bis, de la loi doit en outre, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, avoir interrompu son activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et, en cette qualité, maintenir ses droits en application de la même législation depuis au moins quatre trimestres;
  3. est un agent des services publics mis en disponibilité pour cause de maladie ou d'infirmité lorsque cette période de mise en disponibilité atteint [3 trois mois]3. Pour la détermination de cette période d'un an, l'éventuelle période d'incapacité précédant la mise en disponibilité est prise en compte.
  4. est un militaire placé en retrait temporaire d'emploi pour motifs de santé lorsque cette période de retrait atteint [3 trois mois]3;
  5. [3 est en incapacité de travail au sens de la réglementation relative à l'assurance obligatoire soins de santé ou est un travailleur en chômage contrôlé qui a la qualité de chômeur complet au sens de la réglementation relative au chômage, à condition que la somme des périodes ininterrompues d'incapacité de travail et de chômage atteigne la durée de trois mois;]3
  6. remplit les conditions pour être inscrit en qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 13°, de la loi;
  7. [2 ...]2
  8. [7 est titulaire au sein d'une famille monoparentale. La famille monoparentale est composée d'un titulaire qui, selon les données du Registre national des personnes physiques, soit cohabite exclusivement avec son ou ses enfants, soit vit seul mais héberge son ou ses enfants à titre principal ou de manière partagée pendant au minimum deux jours par semaine en moyenne, à condition, dans les deux cas, qu'au moins un enfant soit inscrit en qualité d'enfant à charge dans le ménage d'un de ses parents.]7
  [3 9. a bénéficié pendant au moins un trimestre du droit passerelle [6 visé à l'article 189, 2°, de la loi-programme du 26 décembre 2022]6, à condition que l'intéressé bénéficie encore du droit passerelle au moment de la demande;]3
  [4 10. a été communiqué en vertu du flux proactif de l'année en cours visée à l'article 19, § 2, alinéa 2, ou de l'année précédente si le flux proactif n'est pas encore achevé, et dont il est établi, selon les données en possession de la mutualité gestionnaire, que les revenus des membres du ménage n'ont pas augmenté entretemps;]4
  [5 11. bénéficie d'une allocation d'aide pour personnes âgées accordée par la Communauté Germanophone en application de la loi du 27 février 1987 relative aux allocations aux personnes handicapées ou d'une allocation de soins aux personnes âgées octroyée en application du décret de la Communauté germanophone du 27 juin 2022 relatif à l'allocation de soins pour personnes âgées.]5
  
Afdeling 2. - Organisatie van een stroom waarmee de ziekenfondsen de potentiële rechthebbenden kunnen identificeren
Section 2. - Organisation d'un flux permettant aux mutualités d'identifier les bénéficiaires potentiels
Art.19. § 1. [1 Vóór 1 april van elk jaar delen de ziekenfondsen de Dienst voor administratieve controle van het Instituut de lijst mee van de gezinnen in de zin van artikel 25, waarvan minstens één van de leden op 1 januari van dat jaar geen verhoogde tegemoetkoming geniet. Zij bezorgen ook de lijst van de gezinnen die bestaan uit twee gerechtigden die noch bloed- of aanverwant tot en met de derde graad, noch gehuwd, noch wettelijk samenwonend zijn en die volgens de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen dezelfde hoofdverblijfplaats hebben. Zij bezorgen het identificatienummer van de sociale zekerheid van die gezinsleden volgens de regels die door de Dienst voor administratieve controle van het Instituut worden vastgesteld. Voor de toepassing van deze afdeling is het ziekenfonds dat het dossier beheert het ziekenfonds waarbij de oudste gerechtigde is ingeschreven of aangesloten.]1
  § 2. De Dienst voor administratieve controle van het Instituut bezorgt die gegevens vóór 16 mei van hetzelfde jaar via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid aan de belastingadministratie. Die administratie deelt de bovenvermelde Dienst voor administratieve controle, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, de gegevens mee betreffende de inkomsten van het tweede jaar dat voorafgaat, van de personen waarvan de identificatiegegevens aan haar werden overgemaakt, en dit vóór 1 oktober van hetzelfde jaar.
  [2 De Dienst voor administratieve controle berekent het bedrag van het kadastraal inkomen bedoeld in artikel 27, vierde lid, 5°, op basis van de gegevens betreffende het onroerend patrimonium van de Coördinatiestructuur voor Patrimoniuminformatie, geldend op het moment van de consultatie. Indien uit deze gegevens blijkt dat het kadastraal inkomen nog niet is vastgesteld, geeft de Dienst voor administratieve controle de in het volgend lid bedoelde informatie niet door.]2
  De bovenvermelde Dienst voor administratieve controle bezorgt het betreffende ziekenfonds, in afwijking van artikel 337, vierde lid, van het WIB/92, vóór 1 november van hetzelfde jaar de informatie volgens welke, [2 op basis van de gegevens bedoeld in de twee vorige leden]2, het betrokken gezin over inkomsten beschikt die zouden toelaten de verhoogde tegemoetkoming te genieten.
  § 3. Het ziekenfonds dat het dossier beheert neemt contact op met het betrokken gezin teneinde het te vragen om een aanvraag betreffende het genot van de verhoogde tegemoetkoming in te dienen.
  § 4. [1 De stroom bedoeld in §§ 1 tot 3 wordt jaarlijks georganiseerd.]1
  § 5. Het ziekenfonds dat het dossier beheert, kan ook contact opnemen met het gezin waarvan minstens één van de leden niet de verhoogde tegemoetkoming geniet en waarvan een lid een verwarmingstoelage geniet die is toegekend door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, en die behoort tot een van de categorieën bedoeld in artikel 251, § 1, 2° en 3° van de programmawet van 22 december 2008, teneinde het te vragen om een aanvraag betreffende het genot van de verhoogde tegemoetkoming in te dienen.
  
Art.19. § 1er. [1 Avant le 1er avril de chaque année, les mutualités communiquent au Service du contrôle administratif de l'institut la liste des ménages au sens de l'article 25, dont au moins un des membres ne bénéficie pas de l'intervention majorée au 1er janvier de cette année. Elles transmettent également la liste des ménages constitués de deux titulaires qui ne sont ni parents ou alliés jusqu'au troisième degré inclus, ni mariés ni cohabitants légaux et qui ont la même résidence principale selon les données du Registre national des personnes physiques. Elles transmettent le numéro d'identification de sécurité sociale des membres de ces ménages selon les modalités fixées par le Service du contrôle administratif de l'institut. Pour l'application de la présente section, la mutualité gestionnaire du dossier est la mutualité auprès de laquelle le titulaire le plus âgé est inscrit ou affilié.]1
  § 2. Le Service du contrôle administratif de l'institut transmet ces informations, via la Banque-Carrefour de la Sécurité sociale, à l'administration fiscale, avant le 16 mai de la même année. Cette administration communique au Service du contrôle administratif susvisé, via la banque carrefour de la sécurité sociale, les informations relatives aux revenus de la deuxième année précédente, des personnes dont les données d'identification lui ont été transmises, et ce avant le 1er octobre de la même année.
  [2 Le Service du contrôle administratif calcule le montant du revenu cadastral visé à l'article 27, alinéa 4, 5°, sur la base des données relatives au patrimoine immobilier de la Structure de Coordination de l'Information Patrimoniale, applicable au moment de la consultation. Si ces données indiquent que le revenu cadastral n'est pas encore fixé, le Service du contrôle administratif ne transmet pas l'information visée à l'alinéa suivant.]2
  Le Service du contrôle administratif susvisé transmet à la mutualité concernée, par dérogation à l'article 337, alinéa 4, du CIR/92, avant le 1er novembre de la même année, l'information selon laquelle, [2 sur la base des informations visées aux deux alinéas précédents]2, le ménage concerné dispose de revenus qui seraient de nature à lui permettre de bénéficier de l'intervention majorée.
  § 3. La mutualité gestionnaire du dossier prend contact avec le ménage concerné afin de l'inviter à introduire une demande de bénéfice de l'intervention majorée.
  § 4. [1 Le flux visé aux §§ 1er à 3 est organisé chaque année.]1
  § 5. La mutualité gestionnaire du dossier peut également prendre contact avec le ménage dont au moins un des membres ne bénéficie pas de l'intervention majorée et dont un membre bénéficie d'une allocation de chauffage octroyée par les centres publics d'action sociale, relevant des catégories indiquées à l'article 251, § 1er, 2° et 3°, de la loi-programme du 22 décembre 2008, afin de l'inviter à introduire une demande de bénéfice de l'intervention majorée.
  
Art.20. [1 Het gezin dat zich in een van de volgende situaties bevindt, moet niet worden opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 19, § 1:
   1. volgens de gegevens die in het bezit zijn van het beherend ziekenfonds heeft een gezinslid geen gevolg gegeven aan een verzoek van het ziekenfonds om een aanvraag in te dienen om de verhoogde tegemoetkoming te genieten in de loop van een van de vier voorgaande jaren;
   2. volgens de gegevens die in het bezit zijn van het beherend ziekenfonds, in het bijzonder op basis van de bijdragebonnen, hebben een of meerdere gezinsleden beroepsinkomsten die hoger zijn dan het grensbedrag dat van toepassing is in het kader van dit hoofdstuk voor het gezin dat is samengesteld in de zin van artikel 25 en 26 of voor een gezin dat is samengesteld uit twee gerechtigden en twee personen ten laste indien het beherend ziekenfonds het reële gezin niet zelf kan vormen;
   3. volgens de gegevens die in het bezit zijn van het beherend ziekenfonds heeft een gezinslid een onvolledige aanvraag of een aanvraag ingediend om de verhoogde tegemoetkoming te genieten waaruit bleek dat dit gezin in de loop van een van de vier voorgaande jaren niet voldeed aan de inkomensvoorwaarden.]1

  
Art.20. [1 Ne doit pas être repris dans la liste visée à l' article 19, § 1er, le ménage se trouvant dans une des situations suivantes :
   1. selon les données en possession de la mutualité gestionnaire, un membre du ménage n'a pas donné suite à une invitation formulée par la mutualité à introduire une demande de bénéfice de l'intervention majorée au cours d'une des quatre années précédentes;
   2. selon les données en possession de la mutualité gestionnaire, notamment sur la base des bons de cotisation, un ou plusieurs membres du ménage ont des revenus professionnels supérieurs au plafond applicable dans le cadre de ce chapitre pour un ménage composé conformément aux articles 25 et 26 ou pour un ménage composé de deux titulaires et deux personnes à charge si la mutualité gestionnaire ne peut pas composer elle-même le ménage réel;
   3. selon les données en possession de la mutualité gestionnaire, un des membres du ménage a introduit une demande de bénéfice de l'intervention majorée incomplète ou qui a démontré que ce ménage ne satisfaisait pas aux conditions de revenus au cours d'une des quatre années précédentes.]1

  
Afdeling 3. - Het in aanmerking genomen grensbedrag
Section 3. - Plafond pris en considération
Art.21. De inkomensgrens die van toepassing is in het kader van dit besluit is vastgesteld op 15.986,16 euro, verhoogd met 2.959,47 euro per bijkomende persoon in het gezin samengesteld in overeenstemming met de bepalingen van afdeling 4 van dit hoofdstuk.
  [2 (NOTA: gewijzigd in de toekomst door KB 2022-03-15/76, art.4,3°:
  de bedragen van 15.986,16 euro en van 2.959,47 euro worden respectievelijk vervangen:
   a)
door de bedragen van 16.844,65 euro en 3.118,40 euro met ingang van 1 januari 2022;
   b) door de bedragen van 17.291,03 euro en 3.201,04 euro met ingang van 1 januari 2023;
   c) door de bedragen van 17.749,24 euro en 3.285,87 euro met ingang van 1 januari 2024.)
  ]2

  [1 Het kind dat als kind ten laste is ingeschreven in het gezin van een van zijn ouders, verhoogt het geldende inkomensplafond van het gezin van zijn andere ouder met hetzelfde bedrag van 2.959,47 EUR, indien hij daar samenwoont in het kader van een gedeelde verblijfplaats gedurende ten minste gemiddeld twee dagen per week.
   Het bewijs van samenwoning vloeit voort uit de aangifte van het gezin van de andere ouder bedoeld in het vorige lid, door middel van de onderschrijving van de verklaring op erewoord volgens het model opgenomen in bijlage 3 of gelijkwaardige documenten vastgesteld door de ziekenfondsen, die verplicht alle verwijzingen van het model ingevoegd in bijlage 3 bevatten.
   In samenhang met deze verhoging van het plafond wordt het inkomen van het kind meegerekend in het gezin van de andere ouder en aangetoond door de onderschrijving van de verklaring op erewoord bedoeld in het vorige lid binnen de termijn bedoeld in artikel 29.
   Bij beëindiging van de inschrijving van het kind ten laste in het gezin van zijn ouder blijft de verhoging van het inkomensplafond, geldend in het gezin van de andere ouder die reeds de verhoogde tegemoetkoming heeft, behouden uiterlijk tot de laatste dag van het kwartaal volgend op dat waarin het einde van deze inschrijving plaatsvond, tenzij het kind ingeschreven wordt als ten laste van de andere ouder, in welk geval de verhoging van de inkomensgrens niet beëindigd wordt.]1

  De bedragen bedoeld [1 in het eerste en het tweede lid]1 zijn gebonden aan de spilindex 114,97 (basis 2004 = 100) en worden aangepast aan de index van de consumptieprijzen op eenzelfde wijze als die welke geldt voor de pensioenen. Wanneer het mechanisme bedoeld in artikel 5 of 72 van de wet van 23 december 2005 betreffende het generatiepact wordt toegepast, kunnen de voormelde bedragen eveneens worden aangepast aan de welvaart op dezelfde wijze als voor de pensioenen.
  
Art.21. Le plafond de revenus applicable dans le cadre du présent arrêté est fixé à 15.986,16 euros augmenté de 2.959,47 euros par personne supplémentaire présente dans le ménage composé conformément aux dispositions de la section 4 du présent chapitre.
  [2 (NOTE : modifié dans le futur par AR 2022-03-15/76, art. 4,3°:
  Les montants de 15.986,16 euros et de 2.959,47 euros sont respectivement remplacés :
   a) par les montants de 16.844,65 euros et 3.118,40 euros à partir du 1er janvier 2022 ;
   b) par les montants de 17.291,03 euros et 3.201,04 euros à partir du 1er janvier 2023 ;
   c) par les montants de 17.749,24 euros et 3.285,87 euros à partir du 1er janvier 2024.)]2

  [1 L'enfant inscrit en qualité d'enfant à charge dans le ménage d'un de ses parents augmente le plafond de revenus applicable du ménage de son autre parent du même montant de 2.959,47 euros, s'il y cohabite dans le cadre d'un hébergement partagé à raison d'au minimum deux jours par semaine en moyenne.
   La preuve de la cohabitation résulte de la déclaration du ménage de cet autre parent visé à l'alinéa précédent, par le biais de la souscription de la déclaration sur l'honneur conforme au modèle repris en annexe 3 ou aux documents équivalents établis par les mutualités, comprenant obligatoirement toutes les mentions du modèle repris en annexe 3.
   Corrélativement à cette augmentation de plafond, les revenus de l'enfant sont pris en considération dans le ménage de cet autre parent et prouvés par la souscription de la déclaration sur l'honneur, visée à l'alinéa précédent, dans le délai visé à l'article 29.
   En cas de fin de l'inscription de l'enfant à charge dans le ménage de son parent, l'augmentation du plafond de revenus applicable dans le ménage de l'autre parent qui a déjà l'intervention majorée est maintenue au plus tard jusqu'au dernier jour du trimestre suivant celui au cours duquel la fin de cette inscription est intervenue, sauf si l'enfant s'inscrit à charge de cet autre parent, auquel cas l'augmentation du plafond de revenus ne prend pas fin.]1

  Les montants visés [1 aux alinéas 1er et 2]1 sont liés à l'indice pivot 114,97 (base 2004 = 100) et sont adaptés à l'indice des prix à la consommation d'une manière identique à celle en vigueur pour les pensions. Lorsque le mécanisme prévu aux articles 5 ou 72 de la loi du 23 décembre 2005 relative au pacte de solidarité entre les générations est mis en oeuvre, les montants susvisés peuvent également être adaptés au bien-être de la même manière que pour les pensions.
  
Art.22. Als de referentieperiode een kalenderjaar bedraagt zoals bedoeld in artikel 17, is de toepasselijke inkomensgrens samengesteld uit het rekenkundige gemiddelde van de twaalf maandelijkse grensbedragen die in de loop van dat jaar worden vastgesteld, rekening houdende met het basisgrensbedrag, vastgesteld in artikel 21.
Art.22. Si la période de référence est d'une année civile comme visé à l'article 17, le plafond de revenus applicable est constitué de la moyenne arithmétique des douze plafonds mensuels constatés au cours de cette année, compte tenu du plafond de base fixé à l'article 21.
Art.23. Als krachtens artikel 18 geen enkele referentieperiode van toepassing is, is het in aanmerking te nemen grensbedrag het bedrag dat van toepassing is tijdens de maand die voorafgaat aan de maand waarin de aanvraag is ingediend. In de hypothese bedoeld in artikel 28, § 1, tweede lid, is het toepasselijke grensbedrag echter het bedrag van de maand waarin de aanvraag is ingediend.
Art.23. Lorsqu'aucune période de référence n'est applicable en application de l'article 18, le plafond à prendre en considération est celui qui est applicable pendant le mois précédant celui de la demande. Cependant, dans l'hypothèse visée à l'article 28, § 1er, alinéa 2, le plafond applicable est celui du mois de la demande.
Art.24. De in aanmerking te nemen inkomensgrens voor het jaar waarop de informatie van de belastingadministratie, bedoeld in artikel 37, betrekking heeft, is samengesteld uit het rekenkundige gemiddelde van de twaalf maandelijkse grensbedragen die in dat jaar worden vastgesteld, rekening houdende met het basisgrensbedrag, vastgesteld in artikel 21.
Art.24. Le plafond des revenus à prendre en considération pour l'année à laquelle se réfère l'information émanant de l'administration fiscale, visée à l'article 37, est constitué de la moyenne arithmétique des douze plafonds mensuels constatés au cours de cette année, compte tenu du plafond de base fixé à l'article 21.
Afdeling 4. - Het begrip gezin
Section 4. - Notion de ménage
Art.25. Het in aanmerking genomen gezin in het kader van dit hoofdstuk is samengesteld uit de aanvrager, zijn niet feitelijk gescheiden of niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of zijn samenwonende in de zin van artikel 14 en hun personen ten laste, en dit op het moment van de indiening van de aanvraag.
  Voor het onderzoek van het recht op de verhoogde tegemoetkoming in het kader van dit hoofdstuk wordt de hoedanigheid van samenwonende vastgesteld in de verklaring op erewoord, bedoeld in artikel 29.
  Als de echtgenoot of de samenwonende is ingeschreven ten laste van een andere gerechtigde maakt hij echter geen deel uit van het gezin van de aanvrager.
Art.25. Le ménage pris en considération dans le cadre de ce chapitre est composé du demandeur, de son conjoint non séparé de fait ni séparé de corps et de biens, ou de son cohabitant au sens de l'article 14 et de leurs personnes à charge, et ce au moment de l'introduction de la demande.
  Pour l'examen du droit à l'intervention majorée dans le cadre de ce chapitre, la qualité de cohabitant est établie dans la déclaration sur l'honneur visée à l'article 29.
  Toutefois, lorsque le conjoint ou le cohabitant est inscrit à charge d'un autre titulaire, il ne fait pas partie du ménage du demandeur.
Art.26. Als de aanvrager een persoon ten laste is, is het gezin samengesteld uit de aanvrager, de gerechtigde ten laste waarvan hij is ingeschreven, de niet feitelijk gescheiden of niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de samenwonende van de gerechtigde en de personen ten laste van de gerechtigde of van de echtgenoot of de samenwonende van de gerechtigde.
  Als de aanvrager een kind is dat is ingeschreven als gerechtigde, dat voldoet aan de voorwaarden om te worden ingeschreven als kind ten laste en samenwoont met zijn ouders of adoptieve ouders of met een van hen, is het gezin samengesteld uit de aanvrager, de ouder(s) waarbij hij woont, alsook de niet feitelijk gescheiden of niet van tafel en bed gescheiden echtgenoot of de samenwonende van die ouder en hun personen ten laste.
  Het vorige lid is niet van toepassing in de volgende drie situaties :
  - het kind moet een persoonlijke bijdrage betalen om recht te hebben op geneeskundige verstrekkingen als gerechtigde;
  - het kind heeft een persoon of personen ingeschreven te zijnen laste;
  - het kind heeft een echtgenoot of een samenwonende.
Art.26. Si le demandeur est une personne à charge, le ménage est composé du demandeur, du titulaire à charge de qui il est inscrit, du conjoint non séparé de fait ni séparé de corps et de biens ou cohabitant du titulaire et des personnes à charge du titulaire ou du conjoint ou cohabitant du titulaire.
  Lorsque le demandeur est un enfant inscrit comme titulaire, qui satisfait aux conditions pour être inscrit comme enfant à charge, et cohabite avec ses parents ou parents adoptifs ou l'un d'eux, le ménage est composé du demandeur, du ou des parents avec qui il cohabite, ainsi que du conjoint non séparé de fait ni séparé de corps et de biens ou cohabitant de ce parent et de leurs personnes à charge.
  L'alinéa précédent ne s'applique pas dans les trois situations suivantes :
  - pour prétendre aux prestations de santé comme titulaire, l'enfant doit payer une cotisation personnelle;
  - l'enfant a une ou des personne(s) inscrite(s) à sa charge;
  - l'enfant a un conjoint ou un cohabitant.
Afdeling 5. - In aanmerking genomen inkomsten
Section 5. - Revenus pris en considération
Onderafdeling 1. - Soorten inkomsten
Sous-section 1re. - Types de revenus
Art.27. Onder belastbare bruto-inkomsten moet worden verstaan het bedrag van de inkomsten zoals ze zijn vastgesteld inzake de inkomstenbelasting, vóór elke aftrek, vermindering, vrijstelling, immunisatie.
  Worden eveneens in aanmerking genomen, de inkomsten die in België van belasting zijn vrijgesteld krachtens internationale overeenkomsten ter preventie van de dubbele belastingheffing of andere internationale verdragen of akkoorden, of ze nu gelden voor de berekening van de belasting van andere inkomsten of niet, alsook de inkomsten van de personen bedoeld in artikel 227, 1°, van het WIB/92 die van belasting worden vrijgesteld in overeenstemming met de artikelen 230 of 231, § 1, 2° van hetzelfde Wetboek.
  Worden eveneens in aanmerking genomen, de inkomsten van buitenlandse oorsprong van dezelfde aard als deze hiervoren bedoeld, ontvangen door personen bedoeld in artikel 227, 1°, van het WIB/92.
  Evenwel wordt, ter bepaling van de hoegrootheid van het inkomen van het betrokken gezin dat is samengesteld volgens de bepalingen van afdeling 4 van dit hoofdstuk, als volgt rekening gehouden met de volgende inkomsten :
  1. de inkomsten uit roerende goederen vastgesteld in overeenstemming met artikel 22, § 1, eerste lid van het WIB/92;
  2. de inkomsten waarvan de aangifte aan de belastingadministratie niet verplicht is, in toepassing van artikel 313 van het WIB/92;
  3. het brutobedrag van de beroepsinkomsten, bedoeld in artikel 23, § 1, 1° tot 3°, van het WIB/92, fictief vastgesteld op 100/80 van het verschil tussen de brutowinsten of -baten en de beroepslasten die daaraan zijn verbonden;
  4. [1 het brutobedrag van de spaartegoeden, kapitalen en afkoopwaarden, bedoeld in artikel 171, 1°, d tot h, en j, 2°, b tot d, 2° quater, 3° bis, tweede streepje, 4°, f tot h en de artikelen 515bis, vijfde lid, 515quater en 515octies van het WIB/92 voor het bedrag van de rente die voortvloeit uit de omzetting ervan volgens de coëfficiënt, bedoeld in artikel 73 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het WIB/92 gedurende een periode van tien jaar vanaf het jaar waarin het kapitaal of de afkoopwaarde is uitgekeerd;]1
  5. het geïndexeerde kadastraal inkomen, de huur of de huurwaarde van de woning die is vrijgesteld krachtens artikel 12, § 3 van het WIB/92. Wordt evenwel vrijgesteld, een bedrag van 743,68 euro, verhoogd met 123,95 euro voor elk ander gezinslid dan de rechthebbende. Deze bedragen worden geïndexeerd op dezelfde wijze als voorzien in artikel 518 van het WIB/92;
  6. de beroepsinkomsten van kinderen worden vrijgesteld voorzover zij het effectieve genot van de kinderbijslag behouden tijdens de periode waarin zij de voormelde inkomsten hebben verkregen;
  [1 7. het bruto-bedrag van de beroepsinkomsten zoals bedoeld in het artikel 23, § 1, 4° van het WIB/92 verminderd, voor de zelfstandige bedrijfsleiders, met de niet-ingehouden persoonlijke sociale bijdragen.]1
  
Art.27. Par revenus bruts imposables, il faut entendre le montant des revenus tels qu'ils sont fixés en matière d'impôts sur les revenus avant toute déduction, réduction, exonération, immunisation.
  De même sont pris en considération les revenus exonérés d'impôt en Belgique en vertu de conventions internationales préventives de la double imposition ou d'autres traités ou accords internationaux, qu'ils interviennent ou non pour le calcul de l'impôt afférent aux autres revenus, ainsi que les revenus des personnes visées à l'article 227, 1°, du CIR/92 qui sont exonérés d'impôt conformément aux articles 230 ou 231, § 1er, 2°, du même Code.
  Sont également pris en considération les revenus de source étrangère de même nature que ceux visés ci-avant, recueillis par les personnes visées à l'article 227, 1°, du CIR/92.
  Toutefois, pour la détermination du montant des revenus du ménage concerné composé conformément aux dispositions de la section 4 du présent chapitre, il est tenu compte, comme déterminé ci-après, des revenus suivants :
  1. les revenus mobiliers fixés conformément à l'article 22, § 1er, alinéa 1er du CIR/92;
  2. les revenus dont la déclaration à l'administration fiscale n'est pas obligatoire en application de l'article 313 du CIR/92;
  3. le montant brut des revenus professionnels visés à l'article 23, § 1er, 1° à 3°, du CIR/92 fictivement fixé à 100/80 de la différence entre les bénéfices ou profits bruts et les charges professionnelles y afférentes;
  4. [1 le montant brut de l'épargne, des capitaux et des valeurs de rachat visés à l'article 171, 1°, d à h, et j, 2°, b à d, 2° quater, 3° bis, 2e tiret, 4°, f à h et aux articles 515bis, alinéa 5, 515quater et 515octies du CIR/92 à concurrence du montant résultant de leur conversion selon le coefficient fixé à l'article 73 de l'arrêté d'exécution du CIR/92 et ce, pendant une période de dix ans à partir de l'année où le capital ou la valeur de rachat a été versé;]1
  5. le revenu cadastral indexé, le loyer ou la valeur locative de l'habitation qui est exonéré en vertu de l'article 12, § 3 du CIR/92. Est cependant immunisé un montant de 743,68 euros augmenté de 123,95 euros par autre membre du ménage que le bénéficiaire. Ces montants sont indexés de manière identique à celle prévue à l'article 518 du CIR/92;
  6. les revenus professionnels des enfants sont immunisés pour autant que ceux-ci maintiennent le bénéfice effectif des allocations familiales pendant la période où ils ont recueilli les revenus susvisés;
  [1 7. le montant brut des revenus professionnels visés à l'article 23, § 1er, 4° du CIR/92 diminué, pour le dirigeant d'entreprise indépendant, des cotisations sociales personnelles non retenues.]1
  
Onderafdeling 2. - Vaststelling van de inkomsten volgens de referentieperiodes
Sous-section 2. - Détermination des revenus selon les périodes de référence
Art.28. § 1. Om vast te stellen dat de inkomsten van het gezin lager zijn dan het grensbedrag bedoeld in artikel 21, worden de belastbare bruto-inkomsten van het gezin in aanmerking genomen zoals ze bestaan tijdens de maand die voorafgaat aan die waarin de aanvraag bedoeld in artikel 29 werd ingediend, wanneer er geen referentieperiode van toepassing is.
  Als de aanvraag evenwel wordt ingediend tijdens de maand waarin de situatie [2 bedoeld in artikel 18, eerste lid, 1 tot 9, en 11]2 ontstaat, worden de belastbare bruto-inkomsten van het betrokken gezin zoals ze bestaan tijdens de maand waarin de aanvraag wordt ingediend in aanmerking genomen.
  § 2. Indien een referentieperiode van één kalenderjaar van toepassing is, worden de inkomsten van die referentieperiode in aanmerking genomen.
  § 3. [1 Voor wat betreft de beroepsinkomsten, met inbegrip van de vervangingsinkomsten en de pensioenen, indien geen enkele referentieperiode van toepassing is, worden de bedragen in aanmerking genomen die betrekking hebben op de maand die voorafgaat aan die waarin de aanvraag werd ingediend of de maand waarin de aanvraag werd ingediend, overeenkomstig het bepaalde in § 1, verhoogd met het bedrag van alle voordelen die eraan zijn verbonden.
   De bedragen worden vermenigvuldigd met de coëfficiënt die het mogelijk maakt ze om te zetten in jaarlijkse inkomsten, die in functie is van de methode van vaststelling van de inkomsten die maandelijks, tweewekelijks, wekelijks of dagelijks kunnen zijn.
   Indien de referentieperiode betrekking heeft op het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag, worden de beroepsinkomsten, vervangingsinkomsten en pensioenen welke tijdens die referentieperiode reëel ontvangen zijn in aanmerking genomen alsook het bedrag van alle voordelen die eraan zijn verbonden.]1

  § 4. Voor wat betreft de onroerende inkomsten, wordt enkel rekening gehouden met de inkomsten van onroerende goederen waarvan een gezinslid eigenaar, vruchtgebruiker of bezitter is op het ogenblik van de indiening van de aanvraag bedoeld in artikel 29.
  
Art.28. § 1er. Pour constater que les revenus annuels du ménage sont inférieurs au plafond visé à l'article 21, sont pris en considération les revenus bruts imposables du ménage tels qu'ils existent pendant le mois précédant celui de l'introduction de la demande visée à l'article 29 lorsqu'il n'y a pas de période de référence applicable.
  Cependant, si la demande est introduite durant le mois au cours duquel la situation [2 visée à l'article 18, alinéa 1er, 1 à 9, et 11]2 naît, il est tenu compte des revenus bruts imposables du ménage concerné tels qu'ils existent pendant le mois de l'introduction de la demande.
  § 2. Si une période de référence d'une année civile est applicable, sont pris en considération les revenus de cette période de référence.
  § 3.[1 En ce qui concerne les revenus professionnels, en ce compris les revenus de remplacement et les pensions, si aucune période de référence n'est applicable, sont pris en considération les montants se rapportant, selon le cas et conformément à ce qui est prévu au § 1er, au mois précédant le mois de l'introduction de la demande ou au mois de l'introduction de la demande, augmentés du montant de tous avantages qui y sont liés.
   Les montants sont multipliés par le coefficient permettant de les convertir en revenus annuels, qui est fonction du mode d'établissement des revenus qui peuvent être mensuels, bimensuels, hebdomadaires ou journaliers.
   Si la période de référence porte sur l'année civile précédant l'année de la demande, les revenus professionnels, de remplacement et les pensions réellement perçus au cours de cette période de référence sont pris en considération ainsi que le montant de tous avantages qui y sont liés.]1

  § 4. En ce qui concerne les revenus immobiliers, il est tenu compte uniquement des revenus issus d'immeubles dont un membre du ménage est propriétaire, usufruitier ou possesseur au moment de l'introduction de la demande visée à l'article 29.
  
Afdeling 6. - Verklaring op erewoord.
Section 6. - Déclaration sur l'honneur
Art.29. Om vast te stellen of het gezin waarvan hij deel uitmaakt aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden voldoet, dient een van de gezinsleden een ondertekende aanvraag in bij het ziekenfonds waarbij hij is ingeschreven of aangesloten. Dat ziekenfonds is de beheerder van het dossier.
  Binnen een termijn van twee maanden na deze aanvraag, verstrekt hij aan het ziekenfonds dat het dossier beheert, een verklaring op erewoord overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage 2 of overeenkomstig de, wat de vorm betreft, afwijkende modellentoegestaan door de Dienst voor administratieve controle van het Instituut alsook alle bewijsdocumenten bedoeld in artikel 30. Elk gezinslid of zijn vertegenwoordiger vermeldt daarin, per soort in aanmerking genomen inkomen, of hij dat heeft genoten tijdens de periode waarop de verklaring op erewoord betrekking heeft. Hij ondertekent de verklaring op erewoord en dateert deze.
  Als het gezin echter is samengesteld uit verschillende minderjarige kinderen, mag hun vertegenwoordiger de verklaring eenmaal ondertekenen voor al die minderjarige kinderen. Als de vertegenwoordiger van de kinderen ook lid is van het betrokken gezin, volstaat het dat hij de verklaring eenmaal voor zichzelf en de kinderen ondertekent.
  Indien de bepalingen van dit artikel niet worden nageleefd, is de aanvraag nietig en mag zij niet in aanmerking worden genomen voor de toekenning van een recht op de verhoogde tegemoetkoming.
Art.29. Pour établir la preuve que le ménage dont il fait partie remplit les conditions fixées au présent chapitre, un membre de ce ménage introduit une demande signée auprès de la mutualité à laquelle il est inscrit ou affilié. Celle-ci est la mutualité gestionnaire du dossier.
  Dans les deux mois de cette demande, il remet à la mutualité gestionnaire une déclaration sur l'honneur conforme au modèle repris à l'annexe 2 ou aux modèles dérogatoires, quant à la forme, autorisés par le Service du contrôle administratif de l'institut ainsi que tous les documents probants visés à l'article 30. Chaque membre du ménage ou son représentant y mentionne, par type de revenus pris en considération, s'il en a bénéficié pendant la période faisant l'objet de la déclaration sur l'honneur. Il signe la déclaration sur l'honneur et la date.
  Cependant, si le ménage est notamment constitué de plusieurs enfants mineurs, leur représentant peut signer une seule fois pour l'ensemble de ces enfants mineurs. Si le représentant des enfants est également membre du ménage concerné, il suffit qu'il signe une seule fois pour lui-même et pour les enfants.
  Si les dispositions du présent article ne sont pas respectées, la demande est nulle et il ne peut en être tenu compte pour l'octroi d'un droit à l'intervention majorée.
Art.30. § 1. Bij de verklaring op erewoord wordt het aanslagbiljet van de personenbelasting met betrekking tot het aanslagjaar vóór het jaar waarin de aanvraag is ingediend toegevoegd, of, bij gebreke hieraan, het laatste aanslagbiljet.
  § 2. Bij de verklaring op erewoord worden bovendien alle bewijsdocumenten betreffende de in aanmerking genomen inkomsten gevoegd.
  Indien deze documenten het niet mogelijk maken het belastbaar brutobedrag van de betrokken inkomsten vast te stellen, worden ze aangevuld met of vervangen door een geloofwaardig stuk waaruit dat bedrag blijkt. Als het beherend ziekenfonds de geloofwaardigheid van een overgelegd document in twijfel trekt, maakt ze dit document over aan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut. Deze laatste beslist over de geloofwaardigheid en deelt deze beslissing mee aan het ziekenfonds binnen een termijn van 20 werkdagen na de ontvangst van de aanvraag.
  § 3.De verplichtingen bedoeld in §§ 1 en 2 zijn eveneens van toepassing op elk lid van het gezin. Indien een van hen niet is vermeld op het aanslagbiljet van de aanvrager, voegt hij aan de verklaring op erewoord het aanslagbiljet toe met betrekking tot het aanslagjaar vóór het jaar waarin de aanvraag is ingediend of, bij gebreke hieraan, het laatste aanslagbiljet waarover hij beschikt.
  § 4. De voormelde bewijsdocumenten hebben betrekking op de volgende periodes :
  - de kalendermaand die voorafgaat aan die van de aanvraag of de maand waarin de aanvraag werd ingediend, wat betreft de gezinnen van de rechthebbenden bedoeld in artikel 18;
  - het kalenderjaar dat voorafgaat aan het jaar van de aanvraag in de andere gevallen.
  § 5. Het beherend ziekenfonds houdt rekening met elke nuttige inlichting waarover het beschikt. De Dienst voor administratieve controle van het Instituut kan door middel van een omzendbrief de controles vastleggen die in het kader van een aanvraag om de verhoogde tegemoetkoming minstens moeten worden uitgevoerd.
Art.30. § 1er. A la déclaration sur l'honneur est annexé l'avertissement-extrait de rôle de l'impôt des personnes physiques relatif à l'exercice d'imposition précédant l'année de l'introduction de la demande ou, à défaut, le dernier avertissement-extrait de rôle.
  § 2. A la déclaration sur l'honneur sont, en outre, annexés tous documents probants afférents aux revenus pris en considération.
  Au cas où ces documents ne permettent pas de déterminer le montant brut imposable des revenus concernés, ils doivent être complétés ou remplacés par une pièce digne de foi établissant ce montant. Si la mutualité gestionnaire met en doute le caractère digne de foi d'une pièce produite, elle transmet cette pièce au Service du contrôle administratif de l'institut. Ce dernier décide si le caractère digne de foi est établi et communique cette décision à la mutualité dans un délai de 20 jours ouvrables à compter de la réception de la demande.
  § 3. Les obligations visées aux §§ 1er et 2 sont également d'application pour chaque membre du ménage. Lorsqu'un de ceux-ci ne figure pas sur l'avertissement-extrait de rôle du demandeur, il joint à la déclaration sur l'honneur l'avertissement-extrait de rôle relatif à l'exercice d'imposition précédant l'année de l'introduction de la demande ou, à défaut, le dernier avertissement-extrait de rôle en sa possession.
  § 4. Les documents probants susvisés concernent les périodes suivantes :
  - le mois civil précédant celui de la demande ou le mois de la demande en ce qui concerne les ménages des bénéficiaires visés à l'article 18;
  - l'année civile précédant l'année de la demande dans les autres cas.
  § 5. La mutualité gestionnaire tient compte de toute information utile en sa possession. Le Service du contrôle administratif de l'institut peut fixer, par voie de circulaire, les contrôles auxquels elle doit au moins procéder dans le cadre d'une demande d'intervention majorée.
Art.31. Op basis van de meegedeelde bewijsstukken stelt het ziekenfonds dat het dossier beheert, het bedrag vast van de inkomens die in aanmerking worden genomen voor het desbetreffende gezin en stelt het vast dat die inkomens lager zijn dan het grensbedrag dat in dat geval van toepassing is overeenkomstig de artikelen 22 en 23.
  Als het bedrag van het gezinsinkomen het toepasselijk grensbedrag bereikt of overschrijdt, wordt het recht op de verhoogde tegemoetkoming geweigerd.
  Het ziekenfonds deelt aan de aanvrager de gebruikte berekeningsmethode en het bedrag van de inkomsten mee.
Art.31. Sur la base des documents probants fournis, la mutualité gestionnaire établit le montant des revenus pris en considération pour le ménage concerné et constate que ces revenus sont inférieurs au plafond applicable en l'espèce par application des articles 22 et 23.
  Si le montant des revenus du ménage atteint ou dépasse le plafond applicable, le droit à l'intervention majorée est refusé.
  Elle communique au demandeur le mode de calcul retenu et le montant des revenus.
Art.32. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming wordt echter pas toegekend na het onderzoek bedoeld in artikel 31 als elk lid van het betrokken gezin op zijn erewoord verklaart dat de in aanmerking genomen inkomsten, op het moment waarop hij de verklaring op erewoord ondertekent, niet zijn gestegen, tenzij als gevolg van een indexering of een baremieke aanpassing die reglementair of contractueel is vastgesteld en dat hij geen nieuwe inkomsten heeft. Indien het inkomen op een andere manier is gestegen of als er nieuwe inkomsten worden ontvangen, kent het ziekenfonds het recht op de verhoogde tegemoetkoming toe, als het vaststelt dat het inkomen lager is dan het op het moment van de ondertekening van de verklaring op erewoord toepasselijk grensbedrag.
Art.32. Le droit à l'intervention majorée n'est cependant octroyé après la vérification prévue à l'article 31 que si chaque membre du ménage concerné certifie sur l'honneur que, au moment où il signe la déclaration sur l'honneur, les revenus pris en considération n'ont pas subi d'autres augmentations que celle résultant d'une indexation ou d'une adaptation barémique fixée réglementairement ou contractuellement et qu'il ne dispose pas de nouveaux revenus. Dans l'hypothèse où les revenus ont subi d'autres augmentations ou de nouveaux revenus sont perçus, la mutualité octroie le droit à l'intervention majorée si elle constate que les revenus sont inférieurs au plafond applicable au moment de la signature de la déclaration sur l'honneur.
Afdeling 6/1. [1 - Toekenning van het recht op initiatief van het ziekenfonds]1
Section 6/1. [1 - Octroi du droit à l'initiative de la mutualité]1
Art. 32/1. [1 Onder de voorwaarden van deze afdeling verleent het ziekenfonds ambtshalve het recht op de verhoogde tegemoetkoming aan alleenstaande rechthebbenden:
   a) bedoeld in artikel 18, eerste lid, 2, die alle activiteiten hebben stopgezet overeenkomstig artikel 100, § 1, van de wet;
   b) bedoeld in artikel 18, eerste lid, 5, die, indien zij arbeidsongeschikt zijn, alle activiteiten hebben stopgezet overeenkomstig artikel 100, § 1, van de wet en, indien zij zelfstandigen zijn, onder de voorwaarden die zijn vastgesteld krachtens de wetgeving betreffende het rust- en overlevingspensioen van de zelfstandigen, hun beroepsbezigheid hebben onderbroken wegens ziekte of invaliditeit en in die hoedanigheid hun rechten vrijwaren met toepassing van dezelfde wetgeving;
   c) bedoeld in artikel 18, eerste lid, 5, die, indien zij zich in een gecontroleerde werkloosheid bevinden, vallen onder artikel 27, eerste lid, 1°, a), van het koninklijk besluit van 25 november 1991 houdende de werkloosheidsreglementering, met uitzondering van degenen die genieten van een bedrijfstoeslag.
   Onder "alleenstaande rechthebbende" wordt bedoeld, de verzekerde ingeschreven als gerechtigde die, volgens de gegevens van de gezinssamenstelling van het Rijksregister van de natuurlijke personen alleen woont of uitsluitend samenwoont met één of meerdere bloedverwanten tot in de tweede graad, op voorwaarde dat geen van hen ingeschreven is als samenwonende of ascendent ten zijner laste en dat hij met geen van hen een verklaring van wettelijke samenwoning heeft afgelegd. Is echter uitgesloten, de verzekerde die een persoon ten laste heeft waarmee hij niet samenwoont en die geen kind ten laste is.
   Het ziekenfonds dat het dossier beheert, is het ziekenfonds waarbij de hierboven genoemde alleenstaande rechthebbende is ingeschreven.
   Voor de rechthebbenden die nog geen verhoogde tegemoetkoming hebben, controleert het ziekenfonds maandelijks of de rechthebbenden bedoeld in het eerste lid, a) tot c), voldoen aan de voorwaarden van deze afdeling.]1

  
Art. 32/1. [1 Dans les conditions de la présente section, la mutualité octroie d'initiative le droit à l'intervention majorée aux bénéficiaires isolés :
   a) visés à l'article 18, alinéa 1er, 2, qui ont cessé toute activité conformément à l'article 100, § 1er, de la loi ;
   b) visés à l'article 18, alinéa 1er, 5, qui, s'ils sont en incapacité de travail, ont cessé toute activité conformément à l'article 100, § 1er, de la loi et, s'il s'agit de travailleurs indépendants, ont, dans les conditions prévues en vertu de la législation relative à la pension de retraite et de survie des travailleurs indépendants, interrompu leur activité professionnelle pour cause de maladie ou d'invalidité et, en cette qualité, maintiennent leurs droits en application de la même législation ;
   c) visés à l'article 18, alinéa 1er, 5, qui, s'ils sont en chômage contrôlé, sont visés par l'article 27, alinéa 1er, 1°, a), de l'arrêté royal du 25 novembre 1991 portant réglementation du chômage, à l'exclusion de ceux qui bénéficient d'un complément d'entreprise.
   Par " bénéficiaire isolé ", on entend l'assuré inscrit comme titulaire qui, selon les données de la composition du ménage du Registre national des personnes physiques, vit seul ou cohabite exclusivement avec un ou des apparentés jusqu'au deuxième degré, pour autant qu'aucun d'eux ne soit inscrit à sa charge comme cohabitant ou ascendant à sa charge et qu'il n'ait fait avec aucun d'eux une déclaration de cohabitation légale. Est toutefois exclu l'assuré qui a une personne à charge non cohabitante autre qu'un enfant à charge.
   La mutualité gestionnaire est celle auprès de laquelle est inscrit le bénéficiaire isolé visé ci-avant.
   Pour les bénéficiaires qui n'ont pas encore l'intervention majorée, la mutualité vérifie chaque mois si les bénéficiaires visés à l'alinéa 1er, a) à c), répondent aux conditions de la présente section.]1

  
Art. 32/2. [1 Voor de ambtshalve toekenning van het recht houdt het ziekenfonds rekening met de samenstelling van het gezin, de gegevens en de inkomsten van de dag waarop, volgens de gegevens die het ziekenfonds dient te raadplegen krachtens deze afdeling, aan de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden is voldaan.]1
  
Art. 32/2. [1 Pour l'octroi d'initiative, la mutualité tient compte de la composition du ménage, des données et revenus du jour où, selon les données que la mutualité doit consulter en vertu de la présente section, les conditions fixées dans la présente section sont réunies.]1
  
Art. 32/3. [1 Is systematisch en voorafgaand uitgesloten van de ambtshalve toekenning van het recht door het ziekenfonds, de rechthebbende bedoeld in artikel 32/1:
   - die eigenaar, vruchtgebruiker of vestiger van een recht op erfpacht of opstal is van een ander onroerend goed dan zijn woning volgens de gegevens betreffende het onroerend patrimonium van de Coördinatiestructuur voor Patrimoniuminformatie;
   - die eigenaar, vruchtgebruiker of vestiger van een recht op erfpacht of opstal is van een onroerend goed waarvan het kadastraal inkomen nog niet is vastgelegd volgens de gegevens betreffende het onroerend patrimonium van de Coördinatiestructuur voor Patrimoniuminformatie;
   - die een inkomen heeft dat is opgenomen in de gegevens van het pensioenkadaster van de Federale Pensioendienst;
   - die geniet van een opzeggings- of inschakelingsvergoeding;
   - die, volgens de bijdragebons waarover het ziekenfonds beschikt, een vergoeding geniet die wordt toegekend in toepassing van de wetgeving inzake arbeidsongevallen of beroepsziekten die een arbeidsongeschiktheid tot gevolg heeft die groter is dan 20%.]1

  
Art. 32/3. [1 Est exclu systématiquement et préalablement de l'octroi à l'initiative de la mutualité, le bénéficiaire visé à l'article 32/1 :
   - qui, selon les données relatives au patrimoine immobilier de la Structure de Coordination de l'Information Patrimoniale, est propriétaire, usufruitier ou constituant d'un droit d'emphytéose ou de superficie d'un bien immobilier autre que son habitation ;
   - qui, selon les données relatives au patrimoine immobilier de la Structure de Coordination de l'Information Patrimoniale, est propriétaire, usufruitier ou constituant d'un droit d'emphytéose ou de superficie d'un bien dont le revenu cadastral n'a pas encore été fixé ;
   - qui dispose d'un revenu repris dans les données du cadastre des pensions du Service Fédéral des Pensions ;
   - qui bénéficie d'une indemnité de dédit ou d'une indemnité de reclassement ;
   - qui, selon les bons de cotisations dont dispose la mutualité, bénéficie d'indemnités octroyées en application de la législation relative aux accidents de travail ou maladies professionnelles ayant entraîné une incapacité supérieure à 20 %.]1

  
Art. 32/4. [1 Het ziekenfonds kent ambtshalve het recht op de verhoogde tegemoetkoming toe indien de som van de volgende inkomsten lager is dan het inkomensplafond bedoeld in artikel 21, eerste lid, voor een gezin van een alleenstaande persoon, zoals van toepassing de dag waarop, volgens de gegevens die het ziekenfonds dient te raadplegen krachtens deze afdeling, aan de in deze afdeling vastgestelde voorwaarden is voldaan:
   - de werkloosheidsuitkeringen, berekend overeenkomstig artikel 28, § 3, waarvan het bedrag wordt meegedeeld in de elektronische stroom van de uitbetalingsinstellingen. Deze mededeling gebeurt via het sociale zekerheidsnetwerk overeenkomstig artikel 11, eerste lid, van de wet van 15 januari 1990 houdende oprichting en organisatie van een Kruispuntbank van de sociale zekerheid;
   - de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen, berekend overeenkomstig artikel 28, § 3;
   - het geïndexeerde bedrag van het kadastraal inkomen van de woning, na toepassing van artikel 27, lid 4, 5°.]1

  
Art. 32/4. [1 La mutualité octroie d'initiative le droit à l'intervention majorée si la somme des revenus suivants est inférieure au plafond de revenus visé à l'article 21, alinéa 1er, pour un ménage d'une seule personne, applicable le jour où, selon les données que la mutualité doit consulter en vertu de la présente section, les conditions fixées dans la présente section sont réunies :
   - les allocations de chômage, calculées conformément à l'article 28, § 3, dont le montant est communiqué dans le flux électronique émanant des organismes de paiement. Cette communication s'effectue via le réseau de la sécurité sociale conformément à l'article 11, alinéa 1er, de la loi du 15 janvier 1990 relative à l'institution et à l'organisation d'une Banque Carrefour de la sécurité sociale ;
   - les indemnités d'incapacité de travail, calculées conformément à l'article 28, § 3 ;
   - le montant indexé du revenu cadastral de l'habitation, après application de l'article 27, alinéa 4, 5°.]1

  
Art. 32/5. [1 Wanneer het ziekenfonds het recht op de verhoogde tegemoetkoming in het kader van huidige afdeling niet heeft kunnen toekennen aan de rechthebbenden bedoeld in artikel 32/1, brengt zij hen daarvan op de hoogte en nodigt zij hen uit een aanvraag in te dienen overeenkomstig artikel 29, tenzij de niet-toekenning voortvloeit uit de toepassing van het artikel 32/4.]1
  
Art. 32/5. [1 Lorsque la mutualité n'a pas pu octroyer le droit à l'intervention majorée dans le cadre de la présente section aux bénéficiaires visés à l'article 32/1, elle les en informe et les invite à introduire une demande conformément à l'article 29, sauf si le non-octroi résulte de l'application de l'article 32/4.]1
  
Art. 32/6. [1 Wanneer het recht op de verhoogde tegemoetkoming is beëindigd door toepassing van artikel 38, § 2 of 3, kan het recht pas worden toegekend op initiatief van het ziekenfonds vanaf 1 januari van het tweede jaar volgend op de datum bedoeld in artikel 38, § 2, op voorwaarde dat een nieuwe situatie zoals bedoeld in artikel 32/1, eerste lid, a) tot c), is ontstaan na het einde van het recht in toepassing van het artikel 38, § 2 of 3.]1
  
Art. 32/6. [1 Lorsque le droit à l'intervention majorée a pris fin par application de l'article 38, § 2 ou 3, le droit ne peut être octroyé à l'initiative de la mutualité qu'à partir du 1er janvier de la deuxième année qui suit la date visée à l'article 38, § 2, pour autant qu'une nouvelle situation visée à l'article 32/1, alinéa 1er, a) à c), soit née après la fin du droit par application de l'article 38, § 2 ou 3.]1
  
Afdeling 7. - Opening van het recht
Section 7. - Ouverture du droit
Art.33. Indien het voldoet aan de in dit hoofdstuk gestelde voorwaarden, verkrijgt het betrokken gezin, dat is samengesteld overeenkomstig de bepalingen van afdeling 4, het recht op de verhoogde tegemoetkoming voor alle gezinsleden.
Art.33. S'il satisfait aux conditions fixées au présent chapitre, le ménage concerné, composé conformément aux dispositions de la section 4, obtient le droit à l'intervention majorée pour chacun de ses membres.
Art.34. Het recht op de verhoogde tegemoetkoming wordt respectievelijk geopend :
  - op de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend in de hypothese die in artikel 28, § 1, tweede lid is voorzien .
  [1 - op de eerste dag van de maand die voorafgaat aan de maand waarin de aanvraag werd ingediend, in de hypothese die in artikel 28, § 1, eerste lid is voorzien;]1
  [1 - op de eerste dag van de maand waarin, volgens de gegevens die het ziekenfonds dient te raadplegen krachtens de Afdeling 6/1, aan de voorwaarden in deze afdeling is voldaan;]1
  - op de eerste dag van het trimester waarin de aanvraag werd ingediend in de andere gevallen.
  Als de aanvrager de aanvraag echter binnen de drie maanden na het ontstaan van een situatie bedoeld in artikel 18 [1 , eerste lid, 1 tot 9, en 11]1 indient en voor zover aan de reglementaire voorwaarden is voldaan, wordt het recht geopend op de eerste dag van de maand waarin die situatie is ontstaan.
  
Art.34. Le droit à l'intervention majorée s'ouvre, selon le cas :
  - au premier jour du mois de l'introduction de la demande dans l'hypothèse prévue à l'article 28, § 1er, alinéa 2.
  - [1 au premier jour du mois précédant celui de l'introduction de la demande dans l'hypothèse prévue à l'article 28, § 1er, alinéa 1er ;]1
  [1 - au premier jour du mois au cours duquel, selon les données que la mutualité doit consulter en vertu de la Section 6/1, les conditions fixées dans cette section sont réunies ;]1
  - au premier jour du trimestre au cours duquel la demande a été introduite dans les autres cas.
  Cependant, si le demandeur introduit la demande dans les trois mois de la naissance d'une situation visée à l'article 18 [1 , alinéa 1er, 1 à 9, et 11]1 et pour autant que les conditions réglementaires soient réunies, le droit s'ouvre au 1er jour du mois au cours duquel cette situation est née.
  
Art.35. In alle gevallen waarin de samenstelling van het gezin wordt gewijzigd, wordt het recht op de verhoogde tegemoetkoming in het kader van dit hoofdstuk beëindigd, uiterlijk op [1 de laatste dag van het trimester]1 dat volgt op het trimester waarin die wijziging heeft plaatsgevonden, behalve als die wijziging het gevolg is van de opname in het gezin van een kind ten laste jonger dan 16 jaar voor wie voor de eerste keer een inschrijving in het Rijksregister wordt gevraagd [2 of van een kind ten laste jonger dan 16 jaar ingevolge een adoptie door één van de gezinsleden]2, in welk geval het recht op de verhoogde tegemoetkoming eveneens aan het kind wordt toegekend.
  Wanneer uit de gegevens van het Rijksregister van de natuurlijke personen blijkt dat het gezin is uitgebreid met een meerderjarige persoon die geen bloed- of aanverwant tot en met de derde graad is van een gezinslid, contacteert het ziekenfonds het betrokken gezin om na te gaan of deze persoon een samenwonende is in de zin van artikel 14. Bij gebreke van een antwoord binnen de drie maanden wordt deze situatie beschouwd als een wijziging van de gezinssamenstelling.
  
Art.35. Dans toutes les hypothèses où la composition du ménage est modifiée, il est mis fin au droit à l'intervention majorée dans le cadre du présent chapitre, au plus tard au [1 dernier jour du trimestre]1 suivant celui au cours duquel cette modification est intervenue, sauf si elle consiste en l'arrivée dans le ménage d'un enfant à charge de moins de 16 ans pour qui une inscription est demandée au Registre national pour la première fois [2 ou d'un enfant à charge de moins de 16 ans suite à son adoption par une personne de ce ménage]2, auquel cas le droit lui est également octroyé.
  Lorsque les données du Registre national des personnes physiques révèlent l'arrivée dans le ménage d'une personne majeure qui n'est ni parente, ni alliée jusqu'au troisième degré d'un membre du ménage, la mutualité contacte le ménage concerné afin de déterminer si cette personne est un cohabitant au sens de l'article 14. A défaut de réponse dans les trois mois, cette situation est considérée comme une modification de la composition du ménage.
  
Afdeling 8. - Tussentijdse controle
Section 8. - Contrôle intermédiaire
Art.36. Wanneer het recht op de verhoogde tegemoetkoming aan een gezin werd toegekend zonder referentieperiode overeenkomstig artikel 18 [3 of in het kader van afdeling 6/1]3, kijkt het ziekenfonds dat het dossier beheert, uiterlijk op 31 augustus van het jaar dat volgt op het jaar waarin het recht werd geopend, na of er op 30 juni van het jaar dat volgt op het jaar waarin het recht werd geopend, nog altijd sprake is van een situatie bedoeld in artikel 18 [3 of in artikel 32/1]3. Als een dergelijke situatie niet meer bestaat en het gezin in het kader van hoofdstuk 3 niet in aanmerking komt om het recht te genieten, wordt het recht op [1 1 januari van het jaar dat volgt]1 ingetrokken. Het recht wordt toch behouden, als het gezin vóór die datum een verklaring op erewoord ondertekent, waaruit blijkt dat het inkomen op het moment van die verklaring lager is dan het op dat moment toepasbare grensbedrag.
  [2 Het eerste lid is niet van toepassing wanneer het recht op de verhoogde tegemoetkoming aan een gezin werd toegekend zonder referentieperiode [3 overeenkomstig artikel 18, eerste lid, 8, 10, en 11]3.]2
  
Art.36. Lorsque le droit à l'intervention majorée a été octroyé à un ménage sans période de référence en application de l'article 18 [3 ou dans le cadre de la section 6/1]3, la mutualité gestionnaire vérifie, au plus tard le 31 août de l'année qui suit celle de l'ouverture du droit, si une situation visée à l'article 18 [3 ou à l'article 32/1]3 est toujours présente au 30 juin de l'année qui suit celle de l'ouverture du droit. Si une telle situation n'existe plus et que le ménage ne peut pas bénéficier du droit dans le cadre du chapitre 3, le droit est retiré au [1 1er janvier de l'année suivante]1. Le droit est toutefois maintenu si, avant cette date, le ménage souscrit une déclaration sur l'honneur dont il ressort que les revenus au moment de cette déclaration sont toujours inférieurs au plafond applicable à ce même moment.
  [2 L'alinéa 1er n'est pas d'application lorsque le droit à l'intervention majorée a été accordé à un ménage sans période de référence [3 conformément à l'article 18, alinéa 1er, 8, 10, et 11]3.]2
  
Afdeling 9. - Behoud van het recht
Section 9. - Maintien du droit
Art.37. § 1. [1 De ziekenfondsen bezorgen voor [2 16 april]2 van elk jaar aan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut de lijst van de gezinnen :
   - die op 1 januari van dat jaar de verhoogde tegemoetkoming genieten krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk en die datzelfde recht gedurende het volledige tweede voorafgaande jaar genoten;
   - die op 1 januari van dat jaar de verhoogde tegemoetkoming genieten, waarvan het recht het voorafgaande jaar werd geopend en op wie een referentieperiode van een jaar van toepassing is.
   - die op 1 januari van dat jaar de verhoogde tegemoetkoming genieten, waarvan het recht het tweede voorafgaande jaar werd geopend en op wie een referentieperiode van een jaar van toepassing is.
   - waarvan een lid de hoedanigheid van gerechtigde, als bedoeld in artikel 32, eerste lid, 11°quinquies en 11°sexies, van de wet, heeft verkregen het voorafgaande jaar en die op 1 januari van dat jaar de verhoogde tegemoetkoming geniet krachtens de bepalingen van dit hoofdstuk.
   Zijn echter niet opgenomen in deze lijst, de gezinnen die, op 1 januari van het jaar, het recht enkel nog genieten met toepassing van artikel 35.
   Zij bezorgen het identificatienummer van de sociale zekerheid van de leden van die gezinnen volgens de regels die door de Dienst voor administratieve controle van het Instituut worden vastgesteld.]1

  § 2. De Dienst voor administratieve controle van het Instituut bezorgt de belastingadministratie die lijst voor [3 15 juni van dat jaar]3, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid.
  Voor 15 oktober van dat jaar meldt de belastingadministratie aan de Dienst voor administratieve controle van het Instituut, via de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid, of de voormelde personen al dan niet belastingplichtig zijn tijdens het tweede jaar dat voorafgaat; in de eerste veronderstelling vermeldt zij de bedragen van de verschillende inkomsten van elk gezinslid [4 evenals het kind bedoeld in artikel 21]4. Die informatie wordt verstrekt naargelang het ten kohiere brengen en in elk geval voor 15 oktober van dat jaar.
  [5 Wanneer de belastingadministratie beroepsinkomsten van een kind vermeldt, gaat de Dienst voor administratieve controle in de gegevensbank betreffende de kinderbijslagen van de Kruispuntbank van de Sociale Zekerheid na of het daadwerkelijke genot van de kinderbijslagen het tweede voorafgaande jaar behouden bleef. Indien dit het geval is, deelt zij de beroepsinkomsten van het betrokken kind niet mee aan het beherend ziekenfonds.
   De Dienst voor administratieve controle berekent eveneens het bedrag bedoeld in artikel 27, vierde lid, 5°, op basis van de gegevens betreffende het onroerend patrimonium van de Coördinatiestructuur voor Patrimoniuminformatie, zoals van toepassing in het tweede voorafgaande jaar.]5

  § 3. Voor 1 november van dat jaar deelt de Dienst voor administratieve controle van het Instituut, in afwijking van artikel 337, vierde lid, van het WIB/92, de bovenvermelde gegevens mee aan het ziekenfonds dat het dossier op dat moment beheert. Op basis van die informatie en, in voorkomend geval, op basis van de gegevens waarover het beschikt, onderzoekt het betrokken ziekenfonds of de rechthebbenden al dan niet recht hadden op het genot van de verhoogde tegemoetkoming tijdens het jaar waarop de voornoemde informatie betrekking heeft.
  
Art.37. § 1er. [1 Les mutualités transmettent avant le [2 16 avril]2 de chaque année au Service du contrôle administratif de l'Institut la liste des ménages :
   - qui, au 1er janvier de cette année, sont au bénéfice de l'intervention majorée en application des dispositions du présent chapitre et qui bénéficiaient de ce même droit durant toute la deuxième année précédente;
   - qui, au 1er janvier de cette année, sont au bénéfice de l'intervention majorée, dont le droit a été ouvert l'année précédente et auxquels une période de référence d'un an est applicable;
   - qui, au 1er janvier de cette année, sont au bénéfice de l'intervention majorée, dont le droit a été ouvert au cours de la deuxième année précédente et auxquels une période de référence d'un an est applicable.
   - dont un membre a obtenu la qualité de titulaire au sens de l'article 32, alinéa 1er, 11°quinquies et 11°sexies, de la loi, l'année précédente et qui, au 1er janvier de cette année, est au bénéfice de l'intervention majorée selon les dispositions du présent chapitre.
   Ne sont toutefois pas repris dans cette liste, les ménages qui, au 1er janvier de l'année, ne bénéficient plus du droit que par application de l'article 35.
   Elles transmettent le numéro d'identification de sécurité sociale des membres de ces ménages selon les modalités fixées par le Service du contrôle administratif de l'Institut.]1

  § 2. Le Service du contrôle administratif de l'institut transmet cette liste à l'administration fiscale avant le [3 15 juin de cette année]3, via la banque carrefour de la sécurité sociale.
  Avant le 15 octobre de cette année, l'administration fiscale fait savoir au Service du contrôle administratif de l'institut, via la banque carrefour de la sécurité sociale, si les personnes susvisées sont ou non imposables la deuxième année précédente; dans la première hypothèse, elle mentionne les montants des différents revenus de chaque membre du ménage [4 ainsi que de l'enfant visé à l'article 21]4. Cette information est transmise au fur et à mesure des enrôlements et, en tout cas, avant le 15 octobre de cette année.
  [5 Lorsque l'administration fiscale mentionne des revenus professionnels d'un enfant, le Service du contrôle administratif vérifie dans la base de données relative aux allocations familiales auprès de la Banque Carrefour de la sécurité sociale, si le bénéfice effectif des allocations familiales a été maintenu durant la deuxième année précédente. Si c'est le cas, il ne communique pas les revenus professionnels de l'enfant concerné à la mutualité gestionnaire.
   Le Service du contrôle administratif calcule également le montant visé l'article 27, alinéa 4, 5°, sur la base des données relatives au patrimoine immobilier de la Structure de Coordination de l'Information Patrimoniale, applicable la deuxième année précédente.]5

  § 3. Avant le 1er novembre de cette année, le Service du contrôle administratif de l'institut communique, par dérogation à l'article 337, alinéa 4, du CIR/92, les informations susvisées à la mutualité gestionnaire du dossier à ce moment. Sur la base de celles-ci et, le cas échéant, des éléments en sa possession, la mutualité concernée examine si les bénéficiaires avaient droit ou non au bénéfice de l'intervention majorée pendant l'année à laquelle se rapportent les informations précitées.
  
Art.38. § 1. Indien uit het onderzoek van de bovenbedoelde informatie blijkt dat het betrokken gezin recht had op de verhoogde tegemoetkoming voor het jaar waarop die informatie betrekking heeft, wordt het recht op de verhoogde tegemoetkoming verlengd voor een nieuwe periode van een kalenderjaar.
  § 2. Indien uit het onderzoek van de bovenbedoelde informatie blijkt dat het betrokken gezin geen recht had op de verhoogde tegemoetkoming voor het jaar waarop die informatie betrekking heeft, vervalt het recht op de verhoogde tegemoetkoming op 31 december van het jaar waarin de Dienst voor administratieve controle van het Instituut de lijst aan de belastingadministratie heeft bezorgd.
  § 3. Indien er binnen de termijn bedoeld in artikel 37, § 3, geen fiscale gegevens zijn verstrekt voor een betrokken gezin of indien de verstrekte gegevens niet op alle leden van dat gezin [2 en het kind bedoeld in artikel 21]2 betrekking hebben, wordt de verhoogde tegemoetkoming ingetrokken op de datum bedoeld in § 2. Indien de ontbrekende informatie betrekking heeft op kinderen jonger dan 18 jaar wordt echter toepassing gemaakt van de §§ 1 en 2.
  § 4. [1 Indien, in de situaties bedoeld in §§ 2 en 3, het gezin een nieuwe verklaring op erewoord indient zoals bedoeld in het artikel 29, wordt het recht toegekend vanaf 1 januari indien de nieuwe verklaring op erewoord ingediend is tussen 1 oktober van het vorig jaar en 31 maart van dit jaar. In deze hypothese worden de belastbare bruto-inkomsten van het gezin in aanmerking genomen zoals ze bestaan tijdens de maand die voorafgaat aan de maand waarin de aanvraag is ingediend.]1
  
Art.38. § 1er. Si, de l'examen des informations susvisées, il apparaît que le ménage concerné avait droit à l'intervention majorée pour l'année à laquelle elles se rapportent, le droit à l'intervention majorée est prolongé pour une nouvelle période d'une année civile.
  § 2. Si, de l'examen des informations susvisées, il apparaît que le ménage concerné n'avait pas droit à l'intervention majorée pour l'année à laquelle elles se rapportent, le droit à l'intervention majorée expire au 31 décembre de l'année au cours de laquelle le Service du contrôle administratif de l'institut a transmis la liste à l'administration fiscale.
  § 3. Si, dans le délai visé à l'article 37, § 3, aucune donnée fiscale n'est transmise pour un ménage concerné ou si les données transmises ne concernent pas tous les membres de ce ménage [2 et l'enfant visé à l'article 21]2, il est mis fin à l'intervention majorée à la date visée au § 2. Toutefois, si l'absence de données concerne des enfants de moins de 18 ans, il est fait application des §§ 1er et 2.
  § 4. [1 Si, dans les situations visées aux §§ 2 et 3, le ménage introduit une nouvelle déclaration sur l'honneur visée à l'article 29, le droit est octroyé à partir du 1er janvier si la nouvelle déclaration sur l'honneur est introduite entre le 1er octobre de l'année précédente et le 31 mars de cette année. Dans cette hypothèse sont pris en considération les revenus bruts imposables du ménage tels qu'ils existent pendant le mois précédant celui de l'introduction de la demande.]1
  
Art.39. Voor [1 1 mei]1 van het jaar dat volgt op het jaar waarin de Dienst voor administratieve controle van het Instituut de lijst aan de belastingadministratie heeft bezorgd, deelt het ziekenfonds dat het dossier beheert de bovenbedoelde dienst mee welke beslissing het heeft genomen betreffende de verlenging of intrekking van het recht op de verhoogde tegemoetkoming. Het ziekenfonds deelt in het bijzonder de motivering van de beslissing mee.
  
Art.39. Avant le [1 1er mai]1 de l'année suivant celle au cours de laquelle le Service du contrôle administratif de l'institut a transmis la liste à l'administration fiscale, la mutualité gestionnaire du dossier informe le Service susvisé de la décision prise par elle relativement à la prolongation ou au retrait du droit à l'intervention majorée. Est notamment communiquée la motivation de la décision.
  
Art.40. Wanneer het recht met toepassing van de artikelen 35, 36 of 38, §§ 2 of 3, op verschillende datums moet worden ingetrokken, dan is de kortste periode van behoud van recht van toepassing.
Art.40. Lorsque le droit doit être retiré à des dates différentes en application des articles 35, 36 ou 38, §§ 2 ou 3, c'est la période de maintien de droit la plus courte qui s'applique.
Art.41. In afwijking van de bepalingen van artikel 38 wordt, indien het recht op de verhoogde tegemoetkoming is geopend op basis van een verklaring op erewoord die bewust en vrijwillig door een lid van het betrokken gezin [1 of het kind bedoeld in artikel 21]1 werd ingevuld met foute of onvolledige gegevens teneinde dat recht te verkrijgen, dat recht ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf de datum van opening van het recht. De ten onrechte uitgekeerde bedragen worden teruggevorderd ten belope van het verschil tussen het gewone terugbetalingstarief en het tarief van de verhoogde tegemoetkoming.
  
Art.41. Par dérogation aux dispositions de l'article 38, si le droit à l'intervention majorée a été ouvert sur la base d'une déclaration sur l'honneur qui a été complétée, sciemment et volontairement, par un membre du ménage concerné [1 ou par l'enfant visé à l'article 21]1, avec des renseignements inexacts ou incomplets, en vue d'obtenir ce droit, ce droit est retiré avec effet rétroactif à la date d'ouverture du droit. Les prestations octroyées indûment sont récupérées à concurrence de la différence entre le taux de remboursement ordinaire et le taux de l'intervention majorée.
  
Art. 41/1. [1 Elke verzekerde kan binnen de drie maanden na de opening van het recht afstand doen van het genot van de verhoogde tegemoetkoming toegekend in het kader van de Afdeling 6/1. Hij deelt dit schriftelijk mee aan zijn ziekenfonds. Het recht wordt met terugwerkende kracht ingetrokken op de datum van opening.
   Het ziekenfonds informeert de betrokkene over de gevolgen van de aanvraag om afstand voor hem en zijn gezinsleden, en over het feit dat deze op ieder moment kan worden ingetrokken.
   Het ziekenfonds vermeldt dit in zijn dossier.]1

  
Art.411. [1 Tout assuré peut renoncer au bénéfice de l'intervention majorée octroyée dans le cadre de la Section 6/1 dans les trois mois de l'ouverture du droit. Il en informe sa mutualité par écrit. Le droit est retiré rétroactivement à la date de son ouverture.
   La mutualité l'informe des conséquences de cette renonciation pour lui et les membres de son ménage et du fait qu'elle peut être révoquée à tout moment.
   La mutualité le mentionne dans son dossier.]1

  
HOOFDSTUK 5. - Naleving door de vroedvrouwen en de paramedische medewerkers van de prijzen vastgesteld door de overeenkomsten
CHAPITRE 5. - Respect des prix fixés par les conventions par les sages-femmes et les auxiliaires paramédicaux
Art.42. De vroedvrouwen, [1 de verpleegkundigen,]1 de kinesitherapeuten en de paramedische medewerkers die niet zijn toegetreden tot de in artikel 49, § 5, derde lid, van de wet bedoelde overeenkomsten, mogen in geen geval aan de in dit besluit bedoelde rechthebbenden op de verhoogde tegemoetkoming hogere honoraria of prijzen aanrekenen dan die welke in die overeenkomsten zijn vastgesteld.
  
Art.42. Les sages-femmes, [1 les praticiens de l'art infirmier,]1 les kinésithérapeutes et les auxiliaires paramédicaux qui n'ont pas adhéré aux conventions visées à l'[1 article 49, § 7, alinéa 2]1, de la loi, ne peuvent, en aucun cas, réclamer des honoraires ou des prix supérieurs à ceux fixés par ces conventions, aux bénéficiaires de l'intervention majorée visés par le présent arrêté.
  
HOOFDSTUK 6. - Opheffingsbepaling en overgangsbepalingen
CHAPITRE 6. - Disposition abrogatoire et dispositions transitoires
Art.43. Het koninklijk besluit van 1 april 2007 tot vaststelling van de voorwaarden voor de toekenning van de verhoogde verzekeringstegemoetkoming, bedoeld in artikel 37, §§ 1 en 19, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, en tot invoering van het OMNIO-statuut, wordt opgeheven. De bepalingen ervan blijven echter van toepassing met betrekking tot de verlenging van de rechten op 1 januari 2014 en 2015 voor de toepassing van artikel 44.
Art.43. L'arrêté royal du 1er avril 2007 fixant les conditions d'octroi de l'intervention majorée de l'assurance visée à l'article 37, §§ 1er et 19 de la loi relative à l'assurance obligatoire soins de santé et indemnités, coordonnée le 14 juillet 1994, et instaurant le statut OMNIO, est abrogé. Ses dispositions restent toutefois applicables en ce qui concerne la prolongation des droits au 1er janvier 2014 et 2015 pour l'application de l'article 44.
Art.44. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 14 blijft het recht op de verhoogde tegemoetkoming van de personen die op 1 januari 2014 de verhoogde tegemoetkoming genieten op basis van de bepalingen van hoofdstuk II van het voormelde koninklijk besluit van 1 april 2007, behouden in 2014 en 2015 onder de voorwaarden van artikelen 8 tot 9ter van het voormelde besluit.
  § 2.Vanaf 1 januari 2015 worden de gezinnen waarvan het recht werd verlengd met toepassing van § 1, omdat een gezinslid gedurende de referentieperiode bedoeld in artikel 8 van het voormelde koninklijk belsuit van 1 april 2007 tenminste zes maanden het leefloon ingesteld bij de wet van 26 mei 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie heeft ontvangen of steun die geheel of gedeeltelijk door de federale overheid ten laste wordt genomen op grond van de artikelen 4 en 5 van de wet van 2 april 1965 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 37.
Art.44. § 1er. Sous réserve de l'application de l'article 14, le droit à l'intervention majorée des personnes qui, au 1er janvier 2014, bénéficient de l'intervention majorée sur la base des dispositions du chapitre II de l'arrêté royal susvisé du 1er avril 2007, est maintenu en 2014 et 2015 dans les conditions des articles 8 à 9ter de l'arrêté susvisé.
  § 2. A partir du 1er janvier 2015, les ménages dont le droit a été prolongé en application du § 1er, parce qu'un membre a bénéficié du revenu d'intégration institué par la loi du 26 mai 2002 concernant le droit à l'intégration sociale ou du secours partiellement ou totalement pris en charge par l'Etat fédéral sur la base des articles 4 et 5 de la loi du 2 avril 1965 relative à la prise en charge des secours accordés par les centres publics d'action sociale, pendant au moins six mois au cours de la période de référence visée à l'article 8 de l'arrêté royal susvisé du 1er avril 2007, sont repris dans la liste visée à l'article 37.
Art.45. De gezinnen die op 1 januari 2014 de verhoogde tegemoetkoming genieten op basis van de bepalingen van hoofdstuk III van het voormelde koninklijk besluit van 1 april 2007, worden vanaf 1 januari 2014 opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 37. De gezinnen die op 1 januari 2014 het recht slechts genieten met toepassing van artikel 30 van het voormelde besluit, worden echter niet opgenomen in de lijst.
Art.45. Les ménages qui, au 1er janvier 2014, bénéficient de l'intervention majorée sur la base des dispositions du chapitre III de l'arrêté royal susvisé du 1er avril 2007 sont repris dans la liste visée à l'article 37 dès le 1er janvier 2014. Ne sont toutefois pas repris dans la liste les ménages qui, au 1er janvier 2014, ne bénéficient plus du droit que par application de l'article 30 de l'arrêté royal susvisé.
Art.46. § 1. De gezinnen die op 1 januari 2014 de verhoogde tegemoetkoming genieten op basis van de bepalingen van hoofdstuk IV van het voormelde koninklijk besluit van 1 april 2007, worden vanaf 1 januari 2014 opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 37, in de volgende gevallen :
  - als de personen waaruit het gezin, bedoeld in afdeling II van hoofdstuk IV van het voormelde koninklijk besluit van 1 april 2007, is samengesteld, een of meerdere gezinnen vormen in de zin van artikel 25 van dit besluit;
  - als het gezin dat is samengesteld overeenkomstig artikel 25 van dit besluit, een persoon bevat die de verhoogde tegemoetkoming niet geniet, als die persoon een kind ten laste is dat jonger is dan 16 jaar. Het recht wordt aan die laatste toegekend vanaf 1 januari 2014.
  § 2. Als het gezin dat is samengesteld overeenkomstig afdeling II van hoofdstuk IV van het voormelde koninklijk besluit van 1 april 2007, op 1 januari 2014 verschillende gerechtigden bevat die noch echtgenoten, noch wettelijk samenwonenden, noch bloed- of aanverwanten tot en met de derde graad zijn, ondertekenen ze de verklaring op erewoord bedoeld in artikel 14, § 3. Als ze nalaten dit te doen vóór 15 maart 2014, wordt het recht beëindigd op 31 december 2014.
  § 3. Als het gezin dat is samengesteld overeenkomstig artikel 25 van dit besluit een gerechtigde of een persoon ten laste bevat die geen kind ten laste is dat jonger is dan 16 jaar en die de verhoogde tegemoetkoming niet geniet, wordt het recht beëindigd op 31 december 2014.
  § 4. De verzekeringsinstelling waarbij de oudste gerechtigde van het nieuw samengesteld gezin, overeenkomstig § 1 tot § 3, is ingeschreven of aangesloten wordt als dossierbeheerder beschouwd.
Art.46. § 1er. Les ménages qui, au 1er janvier 2014, bénéficient de l'intervention majorée sur la base des dispositions du chapitre IV de l'arrêté royal susvisé du 1er avril 2007 sont repris dans la liste visée à l'article 37 dès le 1er janvier 2014 dans les cas suivants :
  - lorsque les personnes composant le ménage visé à la section II du chapitre IV de l'arrêté royal susvisé du 1er avril 2007 constituent un ou plusieurs ménages au sens de l'article 25 du présent arrêté;
  - lorsque le ménage composé conformément à l'article 25 du présent arrêté comporte une personne qui ne bénéficie pas de l'intervention majorée, lorsque celle-ci est un enfant à charge de moins de 16 ans. Le droit est octroyé à ce dernier à partir du 1er janvier 2014.
  § 2. Lorsque le ménage composé conformément à la section II du chapitre IV de l'arrêté royal susvisé du 1er avril 2007 comprend, au 1er janvier 2014, plusieurs titulaires qui ne sont ni conjoints, ni cohabitants légaux, ni des parents ou alliés jusqu'au 3e degré inclus, ils souscrivent la déclaration sur l'honneur visée à l'article 14, § 3. S'ils restent en défaut de le faire avant le 15 mars 2014, il est mis fin au droit au 31 décembre 2014.
  § 3. Lorsque le ménage composé conformément à l'article 25 du présent arrêté comporte un titulaire ou une personne à charge autre qu'un enfant à charge de moins de 16 ans, qui ne bénéficie pas de l'intervention majorée, il est mis fin au droit au 31 décembre 2014.
  § 4. L'organisme assureur auprès duquel est inscrit ou affilié le titulaire le plus âgé du ménage recomposé conformément aux §§ 1er à 3 est considéré comme gestionnaire du dossier.
Art.47. De eerste keer mag de uitvoering van de stroom bedoeld in artikel 19 verspreid worden over de jaren 2015 en 2016 overeenkomstig de voorwaarden gesteld door de dienst voor administratieve controle van het instituut. De analyse bedoeld in artikel 7 zal door voornoemde dienst verwezenlijkt worden op basis van de informatie die door de verzekeringsinstellingen meegedeeld worden ten laatste op 31 maart 2017.
Art.47. Pour la première fois, l'exécution du flux visé à l'article 19 peut être répartie sur les années 2015 et 2016 selon les modalités fixées par le service du contrôle administratif de l'institut. L'analyse visée à l'article 7 sera réalisée par le service susvisé sur la base des informations transmises par les organismes assureurs au plus tard le 31 mars 2017.
Art.48. Als het gezin leden bevat die zijn ingeschreven of aangesloten bij verschillende verzekeringsinstellingen, wisselen zij volgens de regels vastgesteld bij omzendbrief van de Dienst voor administratieve controle van het Instituut, alle nodige gegevens uit met het oog op de toepassing van dit hoofdstuk.
Art.48. Lorsque le ménage comprend des membres inscrits ou affiliés auprès d'organismes assureurs différents, ceux-ci échangent, selon les modalités fixées par circulaire par le Service du contrôle administratif de l'institut, toutes les données nécessaires en vue de l'application du présent chapitre.
Art.49. Artikel 22 van het voormelde koninklijk besluit van 1 april 2007 blijft van toepassing op situaties die ontstaan voor zijn opheffing, tenzij de toepassing van afdeling 4 van hoofdstuk 4 van dit besluit gunstiger is.
  De gezinnen van feitelijk gescheiden echtgenoten die op 1 januari 2014 sedert minder dan zes maanden feitelijk gescheiden zijn worden samengesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit. In voorkomend geval wordt de wijziging van de gezinssamenstelling geacht te hebben plaatsgevonden op 1 januari 2014.
Art.49. L'article 22 de l'arrêté royal susvisé du 1er avril 2007 continue à s'appliquer aux situations nées avant son abrogation, sauf si l'application de la section 4 du chapitre 4 du présent arrêté est plus favorable.
  Les ménages des conjoints séparés de fait depuis moins de six mois au 1er janvier 2014 sont composés conformément aux dispositions du présent arrêté. Le cas échéant, la modification de la composition du ménage est censée avoir lieu au 1er janvier 2014.
Art. 49/1. [1 Voor de gezinnen waarvan een lid in 2022 geniet van de tegemoetkoming voor hulp aan bejaarden bedoeld in artikel 8, punt 5° en op 1 januari 2023 zijn woonplaats heeft in het Duitse taalgebied, wordt het recht op de verhoogde tegemoetkoming voor het jaar 2023 automatisch verlengd krachtens het artikel 15 van dit besluit. Voor de gezinnen waarvan een lid in 2023 geniet van de zorgtoeslag voor ouderen krachtens het decreet van de Duitstalige Gemeenschap van 27 juni 2022 betreffende het zorgbudget voor ouderen wordt het recht op de verhoogde tegemoetkoming voor het jaar 2024 automatisch verlengd krachtens het artikel 15 van dit besluit.
   Deze gezinnen worden vanaf 1 januari 2024 opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 37, § 1 in het geval zij hun woonplaats hebben in het Duitse taalgebied.]1

  
Art. 49/1. [1 Pour les ménages dont un membre bénéficie en 2022 de l'allocation d'aide aux personnes âgées visée à l'article 8, point 5° et est domicilié en région de langue allemande, le droit à l'intervention majorée est automatiquement prolongé en application de l'article 15 du présent arrêté pour l'année 2023. Pour les ménages dont un membre bénéficie en 2023 de l'allocation de soins pour personnes âgées en application du décret de la Communauté germanophone du 27 juin 2022 relatif à l'allocation de soins pour personnes âgées, le droit à l'intervention majorée est automatiquement prolongé en application de l'article 15 du présent arrêté pour l'année 2024.
   Ces ménages sont repris à partir du 1er janvier 2024 dans la liste prévue à l'article 37, § 1er dans le cas où ils sont domiciliés en région de langue allemande.]1

  
Art.50. Dit besluit heeft uitwerking met ingang van 1 januari 2014.
Art.50. Le présent arrêté produit ses effets le 1er janvier 2014.
Art.51. De minister bevoegd voor Sociale Zaken is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.51. Le ministre qui a les Affaires sociales dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Verhoogde verzekeringstegemoetkoming : Verklaring op erewoord in verband met de samenwonende.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-01-2014, p. 8134)
Art. N1. Annexe 1. - Intervention majorée de l'assurance : Déclaration sur l'honneur relative au cohabitant
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-01-2014, p. 8138)
Art. N2. Bijlage 2. - Verklaring op erewoord - Verhoogde verzekeringstegemoetkoming.
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 29-01-2014, p. 8135-8137)
Art. N2. Annexe 2. - Déclaration sur l'honneur - Intervention majorée de l'assurance
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 29-01-2014, p. 8139)-8141
Art. N3. [1 Bijlage 3]1
Art. N3. [1 Annexe 3]1
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-04-2022, p. 34686)
  
   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 13-04-2022, p. 34691)