Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
11 FEBRUARI 2014. - Wet houdende diverse maatregelen ter verbetering van de invordering van de vermogensstraffen en de gerechtskosten in strafzaken (I)
Titre
11 FEVRIER 2014. - Loi portant des mesures diverses visant à améliorer le recouvrement des peines patrimoniales et des frais de justice en matière pénale (I)
Informations sur le document
Numac: 2014009091
Datum: 2014-02-11
Info du document
Numac: 2014009091
Date: 2014-02-11
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
HOOFDSTUK 2. - Het strafrechtelijk uitvoeringso...
HOOFDSTUK 3. - Verruimd beslag bij equivalent
HOOFDSTUK 4. - Verjaring van de verbeurdverklaring
HOOFDSTUK 5. - Verbeurdverklaring bij opschorti...
HOOFDSTUK 6. - De ambtenaar van de federale ove...
HOOFDSTUK 7. - Matigingsbevoegdheid van de rechter
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
CHAPITRE 2. - L'enquête pénale d'exécution (EPE)
CHAPITRE 3. - Saisie élargie par équivalent
CHAPITRE 4. - Prescription de la confiscation
CHAPITRE 5. - Confiscation en cas de suspension...
CHAPITRE 6. - Le fonctionnaire du service publi...
CHAPITRE 7. - Pouvoir de modération du juge
Tekst (62)
Texte (62)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek (SUO)
CHAPITRE 2. - L'enquête pénale d'exécution (EPE)
Art.2. In boek II, titel IV van het Wetboek van strafvordering wordt een hoofdstuk Ibis ingevoegd, luidende "Strafrechtelijk uitvoerings-onderzoek".
Art.2. Dans le livre II, titre IV, du Code d'instruction criminelle, il est inséré un chapitre Ierbis intitulé "De l'enquête pénale d'exécution".
Art.3. In hoofdstuk Ibis, ingevoegd bij artikel 2, wordt een afdeling 1 ingevoegd, luidende "Begrip en algemene beginselen".
Art.3. Dans le chapitre Ierbis, inséré par l'article 2, il est inséré une section 1re intitulée "Notion et principes généraux".
Art.4. In afdeling 1, ingevoegd bij artikel 3, wordt een artikel 464/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/1. § 1. Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, hierna het "SUO" genoemd, is het geheel van handelingen dat strekt tot de opsporing, de identificatie en de inbeslagneming van het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een geldboete, een bijzondere verbeurdverklaring of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
§ 2. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van het openbaar ministerie.
De magistraat van het openbaar ministerie die het SUO voert, hierna "de SUO-magistraat" genoemd, waakt over de wettigheid van de uitvoeringshandelingen.
§ 3. Het SUO wordt gevoerd ten aanzien van de veroordeelde dader, hierna "de veroordeelde" genoemd, en de derden die wetens en willens met de veroordeelde samenspannen om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare veroordelingen.
§ 4. Behoudens wettelijke uitzonderingen mogen de uitvoeringshandelingen geen enkele dwangmaatregel noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. De bij wet toegelaten inbreuken op de fundamentele rechten en vrijheden mogen niet verder gaan dan hetgeen nodig is voor het bereiken van het in § 1 omschreven doel van het SUO.
§ 5. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het SUO geheim.
Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het SUO is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de in artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
Onverminderd de uitoefening van het recht van verdediging in andere strafprocedures door de veroordeelde of derden, beslist de SUO-magistraat over het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan, als de veroordeelde of een belanghebbende derde hierom verzoekt. Deze beslissing is niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.
Onverminderd de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, kan de SUO-magistraat tijdens het SUO aan een burgerlijke partij inzage van het dossier verlenen om haar te informeren over de vermogensbestanddelen waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een schadevergoeding kan worden uitgevoerd. De SUO-magistraat kan de inzage van het dossier of het nemen van een afschrift ervan beperken tot het deel van het dossier waarvoor de burgerlijke partij een belang kan doen gelden.
§ 6. De SUO-magistraat deelt, indien nodig, alle in het raam van het SUO verzamelde relevante inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde mee aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën of deelt aan die ambtenaar mee dat deze inlichtingen ter beschikking zijn voor inzage en het nemen van een afschrift, met als doel het vergemakkelijken van de invordering van de door de veroordeelde verschuldigde verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten.
De politieambtenaren die niet zijn gevorderd door de SUO-magistraat delen onmiddellijk en op eigen initiatief aan deze magistraat de voor het SUO nuttige inlichtingen mee die ze hebben verzameld in het raam van een opsporingsonderzoek, gerechtelijk onderzoek of een ander SUO.
De politieambtenaren die in het raam van het SUO inlichtingen hebben verzameld die van belang kunnen zijn voor een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek of een ander SUO, brengen deze inlichtingen onmiddellijk ter kennis van het bevoegde openbaar ministerie of de bevoegde onderzoeksrechter. Wanneer zij in de loop van het SUO feiten ontdekken die een wanbedrijf of misdaad kunnen uitmaken, stellen zij het bevoegde openbaar ministerie hiervan onmiddellijk in kennis.
De leden van het openbaar ministerie kunnen de inlichtingen die op regelmatige wijze zijn verzameld in het raam van het SUO aanwenden wanneer zij hun ambt uitoefenen in andere strafrechtelijke en burgerrechtelijke procedures.
§ 7. De geldsommen die de SUO-magistraat en het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring, hierna het "COIV" genoemd, ontvangen of beheren in het raam van het SUO worden zodra mogelijk gestort naar de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete en de gerechtskosten.
§ 8. Onverminderd de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, doet het SUO geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de burgerlijke partij of derden te goeder trouw om overeenkomstig boek III, titel XVIII, artikelen 7 en 8, van het Burgerlijk Wetboek hun schuldvorderingen ten uitvoer te leggen op het vermogen van de veroordeelde.
Bij samenloop van een burgerlijk uitvoerend beslag en een beslag gelegd in het raam van het SUO met betrekking tot dezelfde vermogensbestanddelen worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de evenredige verdeling of rangregeling.
Indien de veroordeelde of de in § 3 bedoelde derde het voorwerp is van een collectieve insolventieprocedure, worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de collectieve insolventieprocedure.
Een collectieve insolventieprocedure in de zin van deze paragraaf is het faillissement, de gerechtelijke reorganisatie, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure die de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst van die realisatie onder, naar gelang van het geval, de schuldeisers, de aandeelhouders, de vennoten of de leden inhoudt.
De kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure kan enkel worden toegestaan met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet.
De samenloop met een burgerlijk uitvoerend beslag of een lopende collectieve insolventieprocedure vormt geen beletsel voor het verzamelen van inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde door het openbaar ministerie in het raam van het SUO en de mededeling ervan aan de federale overheidsdienst Financiën.".
"Art. 464/1. § 1. Het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek, hierna het "SUO" genoemd, is het geheel van handelingen dat strekt tot de opsporing, de identificatie en de inbeslagneming van het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een geldboete, een bijzondere verbeurdverklaring of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
§ 2. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van het openbaar ministerie.
De magistraat van het openbaar ministerie die het SUO voert, hierna "de SUO-magistraat" genoemd, waakt over de wettigheid van de uitvoeringshandelingen.
§ 3. Het SUO wordt gevoerd ten aanzien van de veroordeelde dader, hierna "de veroordeelde" genoemd, en de derden die wetens en willens met de veroordeelde samenspannen om zijn vermogen te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de uitvoerbare veroordelingen.
§ 4. Behoudens wettelijke uitzonderingen mogen de uitvoeringshandelingen geen enkele dwangmaatregel noch schending inhouden van individuele rechten en vrijheden. De bij wet toegelaten inbreuken op de fundamentele rechten en vrijheden mogen niet verder gaan dan hetgeen nodig is voor het bereiken van het in § 1 omschreven doel van het SUO.
§ 5. Behoudens de wettelijke uitzonderingen is het SUO geheim.
Eenieder die beroepshalve zijn medewerking dient te verlenen aan het SUO is tot geheimhouding verplicht. Hij die dit geheim schendt, wordt gestraft met de in artikel 458 van het Strafwetboek bepaalde straffen.
Onverminderd de uitoefening van het recht van verdediging in andere strafprocedures door de veroordeelde of derden, beslist de SUO-magistraat over het verlenen van inzage van het dossier of het verkrijgen van een afschrift ervan, als de veroordeelde of een belanghebbende derde hierom verzoekt. Deze beslissing is niet vatbaar voor enig rechtsmiddel.
Onverminderd de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, kan de SUO-magistraat tijdens het SUO aan een burgerlijke partij inzage van het dossier verlenen om haar te informeren over de vermogensbestanddelen waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een schadevergoeding kan worden uitgevoerd. De SUO-magistraat kan de inzage van het dossier of het nemen van een afschrift ervan beperken tot het deel van het dossier waarvoor de burgerlijke partij een belang kan doen gelden.
§ 6. De SUO-magistraat deelt, indien nodig, alle in het raam van het SUO verzamelde relevante inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde mee aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën of deelt aan die ambtenaar mee dat deze inlichtingen ter beschikking zijn voor inzage en het nemen van een afschrift, met als doel het vergemakkelijken van de invordering van de door de veroordeelde verschuldigde verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten.
De politieambtenaren die niet zijn gevorderd door de SUO-magistraat delen onmiddellijk en op eigen initiatief aan deze magistraat de voor het SUO nuttige inlichtingen mee die ze hebben verzameld in het raam van een opsporingsonderzoek, gerechtelijk onderzoek of een ander SUO.
De politieambtenaren die in het raam van het SUO inlichtingen hebben verzameld die van belang kunnen zijn voor een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek of een ander SUO, brengen deze inlichtingen onmiddellijk ter kennis van het bevoegde openbaar ministerie of de bevoegde onderzoeksrechter. Wanneer zij in de loop van het SUO feiten ontdekken die een wanbedrijf of misdaad kunnen uitmaken, stellen zij het bevoegde openbaar ministerie hiervan onmiddellijk in kennis.
De leden van het openbaar ministerie kunnen de inlichtingen die op regelmatige wijze zijn verzameld in het raam van het SUO aanwenden wanneer zij hun ambt uitoefenen in andere strafrechtelijke en burgerrechtelijke procedures.
§ 7. De geldsommen die de SUO-magistraat en het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring, hierna het "COIV" genoemd, ontvangen of beheren in het raam van het SUO worden zodra mogelijk gestort naar de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete en de gerechtskosten.
§ 8. Onverminderd de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties, doet het SUO geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de burgerlijke partij of derden te goeder trouw om overeenkomstig boek III, titel XVIII, artikelen 7 en 8, van het Burgerlijk Wetboek hun schuldvorderingen ten uitvoer te leggen op het vermogen van de veroordeelde.
Bij samenloop van een burgerlijk uitvoerend beslag en een beslag gelegd in het raam van het SUO met betrekking tot dezelfde vermogensbestanddelen worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de evenredige verdeling of rangregeling.
Indien de veroordeelde of de in § 3 bedoelde derde het voorwerp is van een collectieve insolventieprocedure, worden de in § 1 bedoelde veroordelingen verder ten uitvoer gelegd door de federale overheidsdienst Financiën via de uitoefening van de rechten die de wet toekent aan de schuldeisers in het raam van de collectieve insolventieprocedure.
Een collectieve insolventieprocedure in de zin van deze paragraaf is het faillissement, de gerechtelijke reorganisatie, de collectieve schuldenregeling of elke andere Belgische of buitenlandse rechterlijke, administratieve of vrijwillige collectieve procedure die de realisatie van de activa en de verdeling van de opbrengst van die realisatie onder, naar gelang van het geval, de schuldeisers, de aandeelhouders, de vennoten of de leden inhoudt.
De kwijtschelding of vermindering van de straffen in het raam van een collectieve insolventieprocedure of burgerlijke beslagprocedure kan enkel worden toegestaan met toepassing van de artikelen 110 en 111 van de Grondwet.
De samenloop met een burgerlijk uitvoerend beslag of een lopende collectieve insolventieprocedure vormt geen beletsel voor het verzamelen van inlichtingen over het vermogen van de veroordeelde door het openbaar ministerie in het raam van het SUO en de mededeling ervan aan de federale overheidsdienst Financiën.".
Art.4. Dans la section 1re, insérée par l'article 3, il est inséré un article 464/1 rédigé comme suit :
"Art. 464/1. § 1er. L'enquête pénale d'exécution, dénommée ci-après "EPE", est l'ensemble des actes qui tendent à la recherche, l'identification et la saisie du patrimoine sur lequel la condamnation au paiement d'une amende, d'une confiscation spéciale ou des frais de justice peut être exécutée.
§ 2. L'EPE est menée par et sous l'autorité et la direction du ministère public.
Le magistrat du ministère public qui mène l'EPE, dénommé ci-après "le magistrat EPE", veille à la légalité des actes d'exécution.
§ 3. L'EPE est menée à l'égard de l'auteur condamné, dénommé ci-après "le condamné", et à l'égard de tiers qui conspirent sciemment et volontairement avec le condamné afin de soustraire son patrimoine à l'exécution des condamnations exécutoires.
§ 4. Sauf les exceptions prévues par la loi, les actes d'exécution ne peuvent comprendre aucun acte de contrainte ni porter atteinte aux libertés et aux droits individuels. Les atteintes aux libertés et droits fondamentaux tolérées par la loi ne peuvent excéder ce qui est nécessaire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini au § 1er.
§ 5. Sauf les exceptions prévues par la loi, l'EPE est secrète.
Toute personne appelée à prêter son concours professionnel à l'EPE est tenue au secret. Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
Sans préjudice de l'exercice du droit de défense dans d'autres procédures pénales par le condamné ou des tiers, le magistrat EPE décide sur l'autorisation de consulter le dossier ou d'en obtenir une copie, si le condamné ou un tiers ayant un intérêt en fait la demande. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
Sans préjudice de l'application de l'article 16bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales, le magistrat EPE peut, au cours de l'EPE, autoriser une partie civile à consulter le dossier afin de l'informer des avoirs patrimoniaux sur lesquels la condamnation exécutoire au paiement de dommages-intérêts peut être exécutée. Le magistrat EPE peut limiter la consultation du dossier ou la prise d'une copie de celui-ci à la partie du dossier à l'égard de laquelle la partie civile peut justifier d'un intérêt.
§ 6. Le magistrat EPE communique, au besoin, tous les renseignements pertinents collectés dans le cadre de l'EPE et ayant trait au patrimoine du condamné au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances, ou informe ce fonctionnaire que ces renseignements sont à disposition pour être consultés et prise d'une copie, en vue de faciliter le recouvrement des confiscations, amendes et frais de justice dus par le condamné.
Les fonctionnaires de police qui ne sont pas requis par le magistrat EPE communiquent immédiatement et d'initiative à ce magistrat les renseignements utiles pour l'EPE qu'ils ont collectés dans le cadre d'une information, d'une instruction ou d'une autre EPE.
Les fonctionnaires de police qui, dans le cadre de l'EPE, ont collecté des renseignements qui peuvent être importants pour une information ou une instruction en cours ou une autre EPE, les portent immédiatement à la connaissance du ministère public compétent ou du juge d'instruction compétent. Lorsqu'ils découvrent au cours de l'EPE des faits qui peuvent former un délit ou un crime, ils en informent immédiatement le ministère public compétent.
Les membres du ministère public peuvent utiliser les renseignements qui ont été collectés régulièrement dans le cadre de l'EPE lorsqu'ils exercent leur fonction dans d'autres procédures pénales et civiles.
§ 7. Les sommes d'argent que le magistrat EPE et l'Organe central pour la saisie et la confiscation, dénommé ci-après l'"OCSC", reçoivent ou gèrent dans le cadre de l'EPE sont versées dès que possible au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice.
§ 8. Sans préjudice de l'application de l'article 16bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales, l'EPE ne porte pas atteinte à l'exercice du droit de la partie civile ou de tiers de bonne foi d'exécuter leurs créances sur le patrimoine du condamné, conformément au livre III, titre XVIII, articles 7 et 8, du Code civil.
En cas de concours d'une saisie-exécution civile avec une saisie pratiquée dans le cadre de l'EPE portant sur les mêmes avoirs patrimoniaux, les condamnations visées au § 1er sont exécutées par le service public fédéral Finances par l'exercice des droits accordés par la loi aux créanciers dans le cadre de la distribution par contribution ou de l'ordre.
Si le condamné ou le tiers visé au § 3 fait l'objet d'une procédure collective d'insolvabilité, les condamnations visées au § 1er sont exécutées par le service public fédéral Finances par l'exercice des droits accordés par la loi aux créanciers dans le cadre de la procédure collective d'insolvabilité.
Au sens du présent paragraphe, une procédure collective d'insolvabilité est la faillite, la réorganisation judiciaire, le règlement collectif de dettes ou toute autre procédure collective judiciaire, administrative ou volontaire, belge ou étrangère, qui implique la réalisation des actifs et la distribution du produit de cette réalisation entre, selon le cas, les créanciers, les actionnaires, les associés ou les membres.
La remise ou réduction des peines dans le cadre d'une procédure collective d'insolvabilité ou d'une procédure de saisie civile ne peut être accordée qu'en application des articles 110 et 111 de la Constitution.
Le concours avec une saisie-exécution civile ou une procédure collective d'insolvabilité en cours ne constitue pas un obstacle à la collecte de renseignements sur le patrimoine du condamné par le ministère public dans le cadre de l'EPE et la communication de ceux-ci au service public fédéral Finances.".
"Art. 464/1. § 1er. L'enquête pénale d'exécution, dénommée ci-après "EPE", est l'ensemble des actes qui tendent à la recherche, l'identification et la saisie du patrimoine sur lequel la condamnation au paiement d'une amende, d'une confiscation spéciale ou des frais de justice peut être exécutée.
§ 2. L'EPE est menée par et sous l'autorité et la direction du ministère public.
Le magistrat du ministère public qui mène l'EPE, dénommé ci-après "le magistrat EPE", veille à la légalité des actes d'exécution.
§ 3. L'EPE est menée à l'égard de l'auteur condamné, dénommé ci-après "le condamné", et à l'égard de tiers qui conspirent sciemment et volontairement avec le condamné afin de soustraire son patrimoine à l'exécution des condamnations exécutoires.
§ 4. Sauf les exceptions prévues par la loi, les actes d'exécution ne peuvent comprendre aucun acte de contrainte ni porter atteinte aux libertés et aux droits individuels. Les atteintes aux libertés et droits fondamentaux tolérées par la loi ne peuvent excéder ce qui est nécessaire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini au § 1er.
§ 5. Sauf les exceptions prévues par la loi, l'EPE est secrète.
Toute personne appelée à prêter son concours professionnel à l'EPE est tenue au secret. Celui qui viole ce secret est puni des peines prévues à l'article 458 du Code pénal.
Sans préjudice de l'exercice du droit de défense dans d'autres procédures pénales par le condamné ou des tiers, le magistrat EPE décide sur l'autorisation de consulter le dossier ou d'en obtenir une copie, si le condamné ou un tiers ayant un intérêt en fait la demande. Cette décision n'est susceptible d'aucun recours.
Sans préjudice de l'application de l'article 16bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales, le magistrat EPE peut, au cours de l'EPE, autoriser une partie civile à consulter le dossier afin de l'informer des avoirs patrimoniaux sur lesquels la condamnation exécutoire au paiement de dommages-intérêts peut être exécutée. Le magistrat EPE peut limiter la consultation du dossier ou la prise d'une copie de celui-ci à la partie du dossier à l'égard de laquelle la partie civile peut justifier d'un intérêt.
§ 6. Le magistrat EPE communique, au besoin, tous les renseignements pertinents collectés dans le cadre de l'EPE et ayant trait au patrimoine du condamné au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances, ou informe ce fonctionnaire que ces renseignements sont à disposition pour être consultés et prise d'une copie, en vue de faciliter le recouvrement des confiscations, amendes et frais de justice dus par le condamné.
Les fonctionnaires de police qui ne sont pas requis par le magistrat EPE communiquent immédiatement et d'initiative à ce magistrat les renseignements utiles pour l'EPE qu'ils ont collectés dans le cadre d'une information, d'une instruction ou d'une autre EPE.
Les fonctionnaires de police qui, dans le cadre de l'EPE, ont collecté des renseignements qui peuvent être importants pour une information ou une instruction en cours ou une autre EPE, les portent immédiatement à la connaissance du ministère public compétent ou du juge d'instruction compétent. Lorsqu'ils découvrent au cours de l'EPE des faits qui peuvent former un délit ou un crime, ils en informent immédiatement le ministère public compétent.
Les membres du ministère public peuvent utiliser les renseignements qui ont été collectés régulièrement dans le cadre de l'EPE lorsqu'ils exercent leur fonction dans d'autres procédures pénales et civiles.
§ 7. Les sommes d'argent que le magistrat EPE et l'Organe central pour la saisie et la confiscation, dénommé ci-après l'"OCSC", reçoivent ou gèrent dans le cadre de l'EPE sont versées dès que possible au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice.
§ 8. Sans préjudice de l'application de l'article 16bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales, l'EPE ne porte pas atteinte à l'exercice du droit de la partie civile ou de tiers de bonne foi d'exécuter leurs créances sur le patrimoine du condamné, conformément au livre III, titre XVIII, articles 7 et 8, du Code civil.
En cas de concours d'une saisie-exécution civile avec une saisie pratiquée dans le cadre de l'EPE portant sur les mêmes avoirs patrimoniaux, les condamnations visées au § 1er sont exécutées par le service public fédéral Finances par l'exercice des droits accordés par la loi aux créanciers dans le cadre de la distribution par contribution ou de l'ordre.
Si le condamné ou le tiers visé au § 3 fait l'objet d'une procédure collective d'insolvabilité, les condamnations visées au § 1er sont exécutées par le service public fédéral Finances par l'exercice des droits accordés par la loi aux créanciers dans le cadre de la procédure collective d'insolvabilité.
Au sens du présent paragraphe, une procédure collective d'insolvabilité est la faillite, la réorganisation judiciaire, le règlement collectif de dettes ou toute autre procédure collective judiciaire, administrative ou volontaire, belge ou étrangère, qui implique la réalisation des actifs et la distribution du produit de cette réalisation entre, selon le cas, les créanciers, les actionnaires, les associés ou les membres.
La remise ou réduction des peines dans le cadre d'une procédure collective d'insolvabilité ou d'une procédure de saisie civile ne peut être accordée qu'en application des articles 110 et 111 de la Constitution.
Le concours avec une saisie-exécution civile ou une procédure collective d'insolvabilité en cours ne constitue pas un obstacle à la collecte de renseignements sur le patrimoine du condamné par le ministère public dans le cadre de l'EPE et la communication de ceux-ci au service public fédéral Finances.".
Art.5. In hetzelfde hoofdstuk Ibis, wordt een afdeling 2 ingevoegd, luidende "Organen van het onderzoek".
Art.5. Dans le même chapitre Ierbis, il est inséré une section 2 intitulée "Des organes de l'enquête".
Art.6. In afdeling 2, ingevoegd bij artikel 5, wordt een artikel 464/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/2. § 1. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van de SUO-magistraat die bevoegd is voor de uitvoering van de in kracht van gewijsde gegane veroordeling. Deze magistraat draagt hiervoor de verantwoordelijkheid.
§ 2. De SUO-magistraat kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten of laten verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
§ 3. Het lid van het openbaar ministerie bij een hof van beroep dat het SUO voert, is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Hij oefent het ambt van officier van gerechtelijke politie uit onder het toezicht van de procureur-generaal.
§ 4. De SUO-magistraat kan de politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politie-ambt vorderen om, met uitzondering van de door de wet voorziene beperkingen, alle voor het SUO noodzakelijke uitvoeringshandelingen uit te voeren.
De vorderingen worden gericht aan de bevoegde politieoverheid en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 8 tot 8/3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De gevorderde politiediensten bezorgen het verslag over de opdrachten die ze hebben uitgevoerd en de inlichtingen die ze naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de vorderende magistraat.".
"Art. 464/2. § 1. Het SUO wordt gevoerd door en onder het gezag en de leiding van de SUO-magistraat die bevoegd is voor de uitvoering van de in kracht van gewijsde gegane veroordeling. Deze magistraat draagt hiervoor de verantwoordelijkheid.
§ 2. De SUO-magistraat kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten of laten verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
§ 3. Het lid van het openbaar ministerie bij een hof van beroep dat het SUO voert, is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. Hij oefent het ambt van officier van gerechtelijke politie uit onder het toezicht van de procureur-generaal.
§ 4. De SUO-magistraat kan de politiediensten bedoeld in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politie-ambt vorderen om, met uitzondering van de door de wet voorziene beperkingen, alle voor het SUO noodzakelijke uitvoeringshandelingen uit te voeren.
De vorderingen worden gericht aan de bevoegde politieoverheid en uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 8 tot 8/3 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De gevorderde politiediensten bezorgen het verslag over de opdrachten die ze hebben uitgevoerd en de inlichtingen die ze naar aanleiding ervan hebben ingewonnen aan de vorderende magistraat.".
Art.6. Dans la section 2 insérée par l'article 5, il est inséré un article 464/2 rédigé comme suit :
"Art. 464/2. § 1er. L'EPE est menée par et sous l'autorité et la direction du magistrat EPE compétent pour l'exécution de la condamnation coulée en force de chose jugée. Ce magistrat en porte la responsabilité.
§ 2. Le magistrat EPE peut accomplir ou faire accomplir, sur l'ensemble du territoire du Royaume, tous les actes d'exécution qui relèvent de sa compétence.
§ 3. Le membre du ministère public près une cour d'appel qui mène l'EPE est revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi. Il exerce cette fonction sous la surveillance du procureur général.
§ 4. Le magistrat EPE peut requérir les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, en vue de faire accomplir, à l'exception des limites prévues par la loi, tous les actes d'exécution nécessaires à l'EPE.
Les réquisitions sont adressées à l'autorité de police compétente et exécutées conformément aux articles 8 à 8/3 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
Les services de police requis communiquent au magistrat requérant le rapport des missions qu'ils ont effectuées et les renseignements qu'ils ont collectés à cette occasion.".
"Art. 464/2. § 1er. L'EPE est menée par et sous l'autorité et la direction du magistrat EPE compétent pour l'exécution de la condamnation coulée en force de chose jugée. Ce magistrat en porte la responsabilité.
§ 2. Le magistrat EPE peut accomplir ou faire accomplir, sur l'ensemble du territoire du Royaume, tous les actes d'exécution qui relèvent de sa compétence.
§ 3. Le membre du ministère public près une cour d'appel qui mène l'EPE est revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire, auxiliaire du procureur du Roi. Il exerce cette fonction sous la surveillance du procureur général.
§ 4. Le magistrat EPE peut requérir les services de police visés à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police, en vue de faire accomplir, à l'exception des limites prévues par la loi, tous les actes d'exécution nécessaires à l'EPE.
Les réquisitions sont adressées à l'autorité de police compétente et exécutées conformément aux articles 8 à 8/3 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
Les services de police requis communiquent au magistrat requérant le rapport des missions qu'ils ont effectuées et les renseignements qu'ils ont collectés à cette occasion.".
Art.7. In dezelfde afdeling 2 wordt een artikel 464/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/3. § 1. De SUO-magistraat kan in de zaken die hij aanwijst, de directeur van het COIV belasten met het voeren van een SUO in zijn naam, dan wel hem verzoeken hem bijstand te verlenen tijdens het SUO dat hij zelf voert.
De directeur van het COIV kan de SUO-magistraat ambtshalve voorstellen om het COIV een SUO te laten voeren. Hij kan deze magistraat ook ambtshalve voorstellen bijstand te verlenen bij het SUO dat hij voert.
§ 2. Het SUO waarmee het COIV wordt gelast kan enkel gevoerd worden door een magistraat van het COIV, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt.
§ 3. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 464/2, § 1, berust de leiding van het SUO bij de magistraat van het COIV aan wie dit onderzoek is toevertrouwd. Hij voert zijn opdracht uit onder het gezag en de leiding van de directeur van het COIV.
Indien het COIV bijstand verleent in het raam van het SUO gevoerd door de SUO-magistraat, doet hij dit in nauw overleg met deze magistraat.
§ 4. Bij de uitoefening van de in § 2 bedoelde opdracht beschikt de magistraat van het COIV die het SUO voert over dezelfde bevoegdheden als de SUO-magistraat.
Hij kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
Hij is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. In die hoedanigheid staat hij onder het toezicht van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel.
Hij kan een in de artikelen 15 en 15bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties bedoeld solvabiliteitsonderzoek uitvoeren of laten uitvoeren. Dit solvabiliteitsonderzoek strekt zich ook uit tot de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een strafrechtelijke geldboete of de gerechtskosten.
§ 5. De magistraat van het COIV die het SUO voert mag zich laten bijstaan door het personeel van het COIV en door de in artikel 19 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties bedoelde ambtenaren die ter beschikking worden gesteld van het COIV.
Hij kan overeenkomstig artikel 464/2, § 4, een politiedienst vorderen om uitvoeringshandelingen te laten uitvoeren.".
"Art. 464/3. § 1. De SUO-magistraat kan in de zaken die hij aanwijst, de directeur van het COIV belasten met het voeren van een SUO in zijn naam, dan wel hem verzoeken hem bijstand te verlenen tijdens het SUO dat hij zelf voert.
De directeur van het COIV kan de SUO-magistraat ambtshalve voorstellen om het COIV een SUO te laten voeren. Hij kan deze magistraat ook ambtshalve voorstellen bijstand te verlenen bij het SUO dat hij voert.
§ 2. Het SUO waarmee het COIV wordt gelast kan enkel gevoerd worden door een magistraat van het COIV, die hiervoor de verantwoordelijkheid draagt.
§ 3. Onverminderd hetgeen is bepaald in artikel 464/2, § 1, berust de leiding van het SUO bij de magistraat van het COIV aan wie dit onderzoek is toevertrouwd. Hij voert zijn opdracht uit onder het gezag en de leiding van de directeur van het COIV.
Indien het COIV bijstand verleent in het raam van het SUO gevoerd door de SUO-magistraat, doet hij dit in nauw overleg met deze magistraat.
§ 4. Bij de uitoefening van de in § 2 bedoelde opdracht beschikt de magistraat van het COIV die het SUO voert over dezelfde bevoegdheden als de SUO-magistraat.
Hij kan over het hele grondgebied van het Rijk alle uitvoeringshandelingen verrichten die tot zijn bevoegdheid behoren.
Hij is bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings. In die hoedanigheid staat hij onder het toezicht van de procureur-generaal bij het hof van beroep te Brussel.
Hij kan een in de artikelen 15 en 15bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties bedoeld solvabiliteitsonderzoek uitvoeren of laten uitvoeren. Dit solvabiliteitsonderzoek strekt zich ook uit tot de tenuitvoerlegging van veroordelingen tot een strafrechtelijke geldboete of de gerechtskosten.
§ 5. De magistraat van het COIV die het SUO voert mag zich laten bijstaan door het personeel van het COIV en door de in artikel 19 van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties bedoelde ambtenaren die ter beschikking worden gesteld van het COIV.
Hij kan overeenkomstig artikel 464/2, § 4, een politiedienst vorderen om uitvoeringshandelingen te laten uitvoeren.".
Art.7. Dans la même section 2, il est inséré un article 464/3 rédigé comme suit :
"Art. 464/3. § 1er. Le magistrat EPE peut, dans les affaires qu'il détermine, charger le directeur de l'OSCSC, de mener une EPE en son nom ou lui demander de lui prêter assistance pendant l'EPE qu'il mène lui-même.
Le directeur de l'OCSC peut proposer d'office au magistrat EPE de faire mener une EPE par l'OCSC. Il peut également proposer d'office à ce magistrat de prêter assistance à l'EPE qu'il mène.
§ 2. L'EPE dont est chargé l'OCSC peut uniquement être menée par un magistrat de l'OCSC, qui en porte la responsabilité.
§ 3. Sans préjudice du prescrit de l'article 464/2, § 1er, la direction de l'EPE est entre les mains du magistrat de l'OCSC à qui cette enquête a été confiée. Il effectue sa mission sous l'autorité et la direction du directeur de l'OCSC.
Si l'OCSC prête assistance dans le cadre de l'EPE menée par le magistrat EPE, il le fait en étroite concertation avec ce magistrat.
§ 4. Dans l'exercice de la mission visée au § 2, le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE dispose des mêmes compétences que le magistrat EPE.
Il peut accomplir, sur l'ensemble du territoire du Royaume, tous les actes d'exécution qui relèvent de sa compétence.
Il est revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi. En cette qualité, il est placé sous la surveillance du procureur général près la cour d'appel de Bruxelles.
Il peut exécuter ou faire exécuter une enquête sur la solvabilité visée aux articles 15 et 15bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales. Cette enquête sur la solvabilité s'étend également à l'exécution de condamnations à une amende pénale ou aux frais de justice.
§ 5. Le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE peut se faire assister par le personnel de l'OCSC et par les fonctionnaires visés à l'article 19 de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales, qui sont mis à la disposition de l'OCSC.
Il peut requérir un service de police conformément à l'article 464/2, § 4, pour faire exécuter des actes d'exécution.".
"Art. 464/3. § 1er. Le magistrat EPE peut, dans les affaires qu'il détermine, charger le directeur de l'OSCSC, de mener une EPE en son nom ou lui demander de lui prêter assistance pendant l'EPE qu'il mène lui-même.
Le directeur de l'OCSC peut proposer d'office au magistrat EPE de faire mener une EPE par l'OCSC. Il peut également proposer d'office à ce magistrat de prêter assistance à l'EPE qu'il mène.
§ 2. L'EPE dont est chargé l'OCSC peut uniquement être menée par un magistrat de l'OCSC, qui en porte la responsabilité.
§ 3. Sans préjudice du prescrit de l'article 464/2, § 1er, la direction de l'EPE est entre les mains du magistrat de l'OCSC à qui cette enquête a été confiée. Il effectue sa mission sous l'autorité et la direction du directeur de l'OCSC.
Si l'OCSC prête assistance dans le cadre de l'EPE menée par le magistrat EPE, il le fait en étroite concertation avec ce magistrat.
§ 4. Dans l'exercice de la mission visée au § 2, le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE dispose des mêmes compétences que le magistrat EPE.
Il peut accomplir, sur l'ensemble du territoire du Royaume, tous les actes d'exécution qui relèvent de sa compétence.
Il est revêtu de la qualité d'officier de police judiciaire auxiliaire du procureur du Roi. En cette qualité, il est placé sous la surveillance du procureur général près la cour d'appel de Bruxelles.
Il peut exécuter ou faire exécuter une enquête sur la solvabilité visée aux articles 15 et 15bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales. Cette enquête sur la solvabilité s'étend également à l'exécution de condamnations à une amende pénale ou aux frais de justice.
§ 5. Le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE peut se faire assister par le personnel de l'OCSC et par les fonctionnaires visés à l'article 19 de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales, qui sont mis à la disposition de l'OCSC.
Il peut requérir un service de police conformément à l'article 464/2, § 4, pour faire exécuter des actes d'exécution.".
Art.8. In hetzelfde hoofdstuk Ibis wordt een afdeling 3 ingevoegd, luidende "Opening van het onderzoek".
Art.8. Dans le même chapitre Ierbis, il est inséré une section 3 intitulée "De l'ouverture de l'enquête".
Art.9. In afdeling 3, ingevoegd bij artikel 8, wordt een artikel 464/4 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/4. § 1. Het bevoegde openbaar ministerie kan een SUO instellen of het COIV hiermee gelasten bij gebrek aan volledige betaling van de opgelegde bijzondere verbeurdverklaring, de geldboetes of de gerechtskosten binnen de door het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën bepaalde termijn en mits het bedrag van de betalingsverplichting belangrijk is. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie en bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in functie van de hoogte van het in te vorderen bedrag van de veroordeling of de ernst van het strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de veroordeling, wat onder een belangrijk bedrag van de betalingsverplichting wordt verstaan.
Tegen de beslissing van het bevoegde openbaar ministerie om een SUO te openen of op te dragen aan het COIV kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
§ 2. Indien uit de inlichtingen waarover het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën beschikt blijkt dat de veroordeelde zijn betalingsverplichting heeft verzuimd of, zoals blijkt uit ernstige en concrete elementen, zal verzuimen moet hij niet meer vooraf worden uitgenodigd om de bijzondere verbeurdverklaringen, de geldboetes of de gerechtskosten te voldoen.".
"Art. 464/4. § 1. Het bevoegde openbaar ministerie kan een SUO instellen of het COIV hiermee gelasten bij gebrek aan volledige betaling van de opgelegde bijzondere verbeurdverklaring, de geldboetes of de gerechtskosten binnen de door het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën bepaalde termijn en mits het bedrag van de betalingsverplichting belangrijk is. De Koning bepaalt, op voorstel van de minister bevoegd voor Justitie en bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, in functie van de hoogte van het in te vorderen bedrag van de veroordeling of de ernst van het strafbaar feit dat ten grondslag ligt aan de veroordeling, wat onder een belangrijk bedrag van de betalingsverplichting wordt verstaan.
Tegen de beslissing van het bevoegde openbaar ministerie om een SUO te openen of op te dragen aan het COIV kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
§ 2. Indien uit de inlichtingen waarover het openbaar ministerie of de federale overheidsdienst Financiën beschikt blijkt dat de veroordeelde zijn betalingsverplichting heeft verzuimd of, zoals blijkt uit ernstige en concrete elementen, zal verzuimen moet hij niet meer vooraf worden uitgenodigd om de bijzondere verbeurdverklaringen, de geldboetes of de gerechtskosten te voldoen.".
Art.9. Dans la section 3, insérée par l'article 8, il est inséré un article 464/4 rédigé comme suit :
"Art. 464/4. § 1er. Le ministère public peut ouvrir une EPE ou en charger l'OCSC à défaut de paiement complet de la confiscation spéciale, des amendes ou des frais de justice imposés, dans le délai fixé par le ministère public ou le service public fédéral Finances et pour autant que le montant de l'obligation de paiement soit important. Le Roi détermine, sur la proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions et par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, en fonction du montant à recouvrer de la condamnation ou de la gravité de l'infraction qui a motivé la condamnation, ce qu'il faut entendre par un montant important de l'obligation de paiement.
La décision du ministère public compétent d'ouvrir une EPE ou d'en charger l'OCSC n'est susceptible d'aucun recours.
§ 2. S'il ressort des renseignements dont dispose le ministère public ou le service public fédéral Finances que le condamné a omis ou, suivant des éléments sérieux et concrets, omettra de satisfaire à son obligation de paiement, il ne doit plus être invité au préalable à satisfaire aux confiscations spéciales, aux amendes ou aux frais de justice.".
"Art. 464/4. § 1er. Le ministère public peut ouvrir une EPE ou en charger l'OCSC à défaut de paiement complet de la confiscation spéciale, des amendes ou des frais de justice imposés, dans le délai fixé par le ministère public ou le service public fédéral Finances et pour autant que le montant de l'obligation de paiement soit important. Le Roi détermine, sur la proposition du ministre qui a la Justice dans ses attributions et par un arrêté délibéré en Conseil des Ministres, en fonction du montant à recouvrer de la condamnation ou de la gravité de l'infraction qui a motivé la condamnation, ce qu'il faut entendre par un montant important de l'obligation de paiement.
La décision du ministère public compétent d'ouvrir une EPE ou d'en charger l'OCSC n'est susceptible d'aucun recours.
§ 2. S'il ressort des renseignements dont dispose le ministère public ou le service public fédéral Finances que le condamné a omis ou, suivant des éléments sérieux et concrets, omettra de satisfaire à son obligation de paiement, il ne doit plus être invité au préalable à satisfaire aux confiscations spéciales, aux amendes ou aux frais de justice.".
Art.10. In hetzelfde hoofdstuk Ibis wordt een afdeling 4 ingevoegd, luidende : "Bevoegdheden van de uitvoeringsorganen".
Art.10. Dans le même chapitre Ierbis, il est inséré une section 4 intitulée : "Compétences des organes d'exécution".
Art.11. In afdeling 4, ingevoegd bij artikel 10, wordt een onderafdeling 1 ingevoegd, luidende "Gewone uitvoeringshandelingen".
Art.11. Dans la section 4 insérée par l'article 10, il est inséré une sous-section 1re intitulée "Des actes d'exécution ordinaires".
Art.12. In onderafdeling 1, ingevoegd bij artikel 11, wordt een artikel 464/5 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/5. § 1. De SUO-magistraat kan als uitvoeringshandeling elke onderzoeksdaad, die toegelaten is in het raam van het in artikel 28bis bedoelde opsporingsonderzoek,verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, mits deze handeling kan bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel.
Bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid is het nemen van een vrijheidsberovende maatregel in de zin van de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis verboden.
§ 2. De SUO-magistraat kan een in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bedoelde politiedienst vorderen om een vermogensonderzoek uit te voeren.
De gevorderde politiedienst verzamelt inlichtingen over de bezittingen en de inkomsten van de veroordeelde en de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde.
Behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat kan de politiedienst die het vermogensonderzoek uitvoert noch de in de artikelen 464/7 en 464/12 tot 464/14 bedoelde gewone uitvoeringshandelingen noch de in onderafdeling 2 omschreven specifieke uitvoeringshandelingen, aanwenden.".
"Art. 464/5. § 1. De SUO-magistraat kan als uitvoeringshandeling elke onderzoeksdaad, die toegelaten is in het raam van het in artikel 28bis bedoelde opsporingsonderzoek,verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, mits deze handeling kan bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel.
Bij de uitoefening van de in het eerste lid bedoelde bevoegdheid is het nemen van een vrijheidsberovende maatregel in de zin van de artikelen 1 en 2 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis verboden.
§ 2. De SUO-magistraat kan een in artikel 2 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bedoelde politiedienst vorderen om een vermogensonderzoek uit te voeren.
De gevorderde politiedienst verzamelt inlichtingen over de bezittingen en de inkomsten van de veroordeelde en de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde.
Behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat kan de politiedienst die het vermogensonderzoek uitvoert noch de in de artikelen 464/7 en 464/12 tot 464/14 bedoelde gewone uitvoeringshandelingen noch de in onderafdeling 2 omschreven specifieke uitvoeringshandelingen, aanwenden.".
Art.12. Dans la sous-section 1re, insérée par l'article 11, il est inséré un article 464/5 rédigé comme suit :
"Art. 464/5. § 1er. Le magistrat EPE peut exécuter ou faire exécuter à titre d'acte d'exécution, par le service de police requis, tout acte d'enquête autorisé dans le cadre de l'information visée à l'article 28bis, pour autant que cet acte puisse contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
Dans l'exercice de la compétence visée à l'alinéa 1er, il est interdit de prendre une mesure privative de liberté au sens des articles 1er et 2 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
§ 2. Le magistrat EPE peut requérir un service de police visé à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police afin d'effectuer une enquête patrimoniale.
Le service de police requis collecte des renseignements sur les possessions et les revenus du condamné et du tiers visé à l'article 464/1, § 3.
Sauf décision contraire du magistrat EPE, le service de police qui effectue l'enquête patrimoniale ne peut pas recourir aux actes d'exécution ordinaires visés aux articles 464/7, et 464/12 à 464/14, ni aux actes d'exécution spécifiques définis à la sous-section 2.".
"Art. 464/5. § 1er. Le magistrat EPE peut exécuter ou faire exécuter à titre d'acte d'exécution, par le service de police requis, tout acte d'enquête autorisé dans le cadre de l'information visée à l'article 28bis, pour autant que cet acte puisse contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
Dans l'exercice de la compétence visée à l'alinéa 1er, il est interdit de prendre une mesure privative de liberté au sens des articles 1er et 2 de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive.
§ 2. Le magistrat EPE peut requérir un service de police visé à l'article 2 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police afin d'effectuer une enquête patrimoniale.
Le service de police requis collecte des renseignements sur les possessions et les revenus du condamné et du tiers visé à l'article 464/1, § 3.
Sauf décision contraire du magistrat EPE, le service de police qui effectue l'enquête patrimoniale ne peut pas recourir aux actes d'exécution ordinaires visés aux articles 464/7, et 464/12 à 464/14, ni aux actes d'exécution spécifiques définis à la sous-section 2.".
Art.13. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/6 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/6. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan getuigen, zonder eedaflegging, de veroordeelde of de in art. 464/1, § 3, bedoelde derde verhoren over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en de derde, alsook over de samenstelling en de vindplaats van hun vermogen.
Het verhoor begint met de mededeling dat de te verhoren persoon wordt ondervraagd in de hoedanigheid van veroordeelde, van derde in de zin van artikel 464/1, § 3, of als getuige.
§ 2. De getuige beantwoordt elke vraag, tenzij hij zich kan beroepen op een geheimhoudingsplicht die bij wet is ingesteld of hij zichzelf zou beschuldigen van een misdrijf.
De veroordeelde of de derde kan ofwel een verklaring afleggen, ofwel antwoorden op de hem gestelde vragen, ofwel zwijgen.
§ 3. Indien de te verhoren persoon zich in een andere taal dan die van het onderzoek wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigd tolk, ofwel worden zijn verklaringen opgetekend in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring op te tekenen. Indien het verhoor met behulp van een tolk wordt afgenomen, worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
§ 4. Van het verhoor van de veroordeelde, de derde of de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt.
De verhoorde kan op zijn vraag en kosteloos een afschrift van de tekst van zijn verhoor ontvangen.".
"Art. 464/6. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan getuigen, zonder eedaflegging, de veroordeelde of de in art. 464/1, § 3, bedoelde derde verhoren over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en de derde, alsook over de samenstelling en de vindplaats van hun vermogen.
Het verhoor begint met de mededeling dat de te verhoren persoon wordt ondervraagd in de hoedanigheid van veroordeelde, van derde in de zin van artikel 464/1, § 3, of als getuige.
§ 2. De getuige beantwoordt elke vraag, tenzij hij zich kan beroepen op een geheimhoudingsplicht die bij wet is ingesteld of hij zichzelf zou beschuldigen van een misdrijf.
De veroordeelde of de derde kan ofwel een verklaring afleggen, ofwel antwoorden op de hem gestelde vragen, ofwel zwijgen.
§ 3. Indien de te verhoren persoon zich in een andere taal dan die van het onderzoek wenst uit te drukken, wordt ofwel een beroep gedaan op een beëdigd tolk, ofwel worden zijn verklaringen opgetekend in zijn taal, ofwel wordt hem gevraagd zelf zijn verklaring op te tekenen. Indien het verhoor met behulp van een tolk wordt afgenomen, worden diens identiteit en hoedanigheid vermeld.
§ 4. Van het verhoor van de veroordeelde, de derde of de getuige wordt een proces-verbaal opgemaakt.
De verhoorde kan op zijn vraag en kosteloos een afschrift van de tekst van zijn verhoor ontvangen.".
Art.13. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/6 rédigé comme suit :
"Art. 464/6. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut entendre des témoins, sans prestation de serment, le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3, sur les transactions patrimoniales qui ont été effectuées par le condamné et le tiers, ainsi que sur la composition et la localisation de leur patrimoine.
Au début de l'audition, il est indiqué que la personne à entendre est interrogée en qualité de condamné, de tiers au sens de l'article 464/1, § 3, ou de témoin.
§ 2. Le témoin répond à toute question, sauf s'il peut invoquer une obligation de secret prévue par la loi ou s'il s'accuserait lui-même d'une infraction.
Le condamné ou le tiers peut soit faire une déclaration, soit répondre aux questions qui lui sont posées soit se taire.
§ 3. Si la personne à entendre souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de l'enquête, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
§ 4. Il est dressé procès-verbal de l'audition du condamné, du tiers ou du témoin.
Si elle en fait la demande, la personne entendue peut recevoir gratuitement une copie du texte de son audition.".
"Art. 464/6. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut entendre des témoins, sans prestation de serment, le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3, sur les transactions patrimoniales qui ont été effectuées par le condamné et le tiers, ainsi que sur la composition et la localisation de leur patrimoine.
Au début de l'audition, il est indiqué que la personne à entendre est interrogée en qualité de condamné, de tiers au sens de l'article 464/1, § 3, ou de témoin.
§ 2. Le témoin répond à toute question, sauf s'il peut invoquer une obligation de secret prévue par la loi ou s'il s'accuserait lui-même d'une infraction.
Le condamné ou le tiers peut soit faire une déclaration, soit répondre aux questions qui lui sont posées soit se taire.
§ 3. Si la personne à entendre souhaite s'exprimer dans une autre langue que celle de l'enquête, soit il est fait appel à un interprète assermenté, soit ses déclarations sont notées dans sa langue, soit il lui est demandé de noter elle-même sa déclaration. Si l'audition a lieu avec l'assistance d'un interprète, son identité et sa qualité sont mentionnées.
§ 4. Il est dressé procès-verbal de l'audition du condamné, du tiers ou du témoin.
Si elle en fait la demande, la personne entendue peut recevoir gratuitement une copie du texte de son audition.".
Art.14. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/7 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/7. De SUO-magistraat kan een technisch adviseur aanwijzen die, zonder eedaflegging, een advies geeft over de vermogenssituatie van de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde of over welbepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en deze derde.".
"Art. 464/7. De SUO-magistraat kan een technisch adviseur aanwijzen die, zonder eedaflegging, een advies geeft over de vermogenssituatie van de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde of over welbepaalde vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en deze derde.".
Art.14. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/7 rédigé comme suit :
"Art. 464/7. Le magistrat EPE peut désigner un conseiller technique qui, sans prestation de serment, donne un avis sur la situation patrimoniale du condamné ou du tiers visé à l'article 464/1, § 3, ou sur certaines transactions patrimoniales qui ont été effectuées par le condamné et le tiers.".
"Art. 464/7. Le magistrat EPE peut désigner un conseiller technique qui, sans prestation de serment, donne un avis sur la situation patrimoniale du condamné ou du tiers visé à l'article 464/1, § 3, ou sur certaines transactions patrimoniales qui ont été effectuées par le condamné et le tiers.".
Art.15. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/8 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/8. § 1. De SUO-magistraat, of de gevorderde politiedienst kan met de schriftelijke en voorafgaande toestemming van de persoon die het werkelijke genot ervan heeft, te allen tijde een niet voor het publiek toegankelijke plaats betreden om de in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
§ 2. Onverminderd artikel 464/22 kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, na de voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechtmatige gebruiker, te allen tijde een zoeking uitvoeren in een privaat informaticasysteem dat zich bevindt op een niet voor het publiek toegankelijke plaats.
Hij kan, behoudens verzet van de rechtmatige gebruiker, de zoeking uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking wordt uitgevoerd, als :
1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen te verzamelen, en
2° andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn, of er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.
De uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informatica-systemen of de delen daarvan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.
Als de door de uitbreiding van de zoeking overeenkomstig het tweede en derde lid in een informaticasysteem aangetroffen gegevens nuttig zijn voor het doel van het SUO, worden ze in beslag genomen.".
"Art. 464/8. § 1. De SUO-magistraat, of de gevorderde politiedienst kan met de schriftelijke en voorafgaande toestemming van de persoon die het werkelijke genot ervan heeft, te allen tijde een niet voor het publiek toegankelijke plaats betreden om de in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
§ 2. Onverminderd artikel 464/22 kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, na de voorafgaande schriftelijke toestemming van de rechtmatige gebruiker, te allen tijde een zoeking uitvoeren in een privaat informaticasysteem dat zich bevindt op een niet voor het publiek toegankelijke plaats.
Hij kan, behoudens verzet van de rechtmatige gebruiker, de zoeking uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking wordt uitgevoerd, als :
1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen te verzamelen, en
2° andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn, of er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.
De uitbreiding van de zoeking in een informaticasysteem mag zich niet verder uitstrekken dan tot de informatica-systemen of de delen daarvan waartoe de personen die gerechtigd zijn het onderzochte informaticasysteem te gebruiken, in het bijzonder toegang hebben.
Als de door de uitbreiding van de zoeking overeenkomstig het tweede en derde lid in een informaticasysteem aangetroffen gegevens nuttig zijn voor het doel van het SUO, worden ze in beslag genomen.".
Art.15. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/8 rédigé comme suit :
"Art. 464/8. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut, moyennant l'accord écrit préalable de la personne qui en a la jouissance effective, pénétrer à tout moment dans un lieu non accessible au public afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.
§ 2. Sans préjudice de l'article 464/22, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, moyennant l'accord préalable et écrit de l'utilisateur légitime, effectuer à tout moment une recherche dans un système informatique privé qui se trouve dans un lieu non accessible au public.
Sauf opposition de l'utilisateur légitime, le magistrat EPE peut étendre la recherche à un système informatique ou une partie de celui-ci qui se trouve dans un autre lieu que celui où la recherche est effectuée si :
1° cette extension est nécessaire pour collecter les renseignements visés à l'article 464/29, § 2, 2°, et
2° d'autres mesures pour collecter ces renseignements seraient disproportionnées ou il existe un risque que, sans cette extension, ces renseignements soient perdus.
L'extension de la recherche dans un système informatique ne peut pas excéder les systèmes informatiques ou les parties de tels systèmes auxquels les personnes autorisées à utiliser le système informatique qui fait l'objet de la mesure ont spécifiquement accès.
Si les données recueillies par l'extension de la recherche dans un système informatique, conformément aux alinéas 2 et 3, sont utiles pour atteindre l'objectif de l'EPE, elles sont saisies.".
"Art. 464/8. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut, moyennant l'accord écrit préalable de la personne qui en a la jouissance effective, pénétrer à tout moment dans un lieu non accessible au public afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.
§ 2. Sans préjudice de l'article 464/22, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, moyennant l'accord préalable et écrit de l'utilisateur légitime, effectuer à tout moment une recherche dans un système informatique privé qui se trouve dans un lieu non accessible au public.
Sauf opposition de l'utilisateur légitime, le magistrat EPE peut étendre la recherche à un système informatique ou une partie de celui-ci qui se trouve dans un autre lieu que celui où la recherche est effectuée si :
1° cette extension est nécessaire pour collecter les renseignements visés à l'article 464/29, § 2, 2°, et
2° d'autres mesures pour collecter ces renseignements seraient disproportionnées ou il existe un risque que, sans cette extension, ces renseignements soient perdus.
L'extension de la recherche dans un système informatique ne peut pas excéder les systèmes informatiques ou les parties de tels systèmes auxquels les personnes autorisées à utiliser le système informatique qui fait l'objet de la mesure ont spécifiquement accès.
Si les données recueillies par l'extension de la recherche dans un système informatique, conformément aux alinéas 2 et 3, sont utiles pour atteindre l'objectif de l'EPE, elles sont saisies.".
Art.16. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/9 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/9. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een voor het publiek toegankelijke plaats betreden, gedurende de tijd dat het voor het publiek is toegelaten, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.".
"Art. 464/9. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een voor het publiek toegankelijke plaats betreden, gedurende de tijd dat het voor het publiek is toegelaten, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.".
Art.16. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/9 rédigé comme suit :
"Art. 464/9. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut pénétrer dans un lieu accessible au public, pendant que le public y est également autorisé, afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.".
"Art. 464/9. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut pénétrer dans un lieu accessible au public, pendant que le public y est également autorisé, afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.".
Art.17. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/10 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/10. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een vaartuig, voertuig of enig ander vervoermiddel doorzoeken, zowel in het verkeer als geparkeerd op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat er in het vaartuig, voertuig of vervoermiddel in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers aanwezig zijn die vatbaar zijn voor inbeslagneming.".
"Art. 464/10. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een vaartuig, voertuig of enig ander vervoermiddel doorzoeken, zowel in het verkeer als geparkeerd op de openbare weg of op voor het publiek toegankelijke plaatsen, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat er in het vaartuig, voertuig of vervoermiddel in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers aanwezig zijn die vatbaar zijn voor inbeslagneming.".
Art.17. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/10 rédigé comme suit :
"Art. 464/10. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut fouiller un bateau, un véhicule ou tout autre moyen de transport, tant dans la circulation que stationné sur la voie publique ou en des lieux accessibles au public, s'il existe des indices sérieux et concrets qu'il y a dans le bateau, le véhicule ou le moyen de transport des biens ou des supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, susceptibles d'être saisis.".
"Art. 464/10. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut fouiller un bateau, un véhicule ou tout autre moyen de transport, tant dans la circulation que stationné sur la voie publique ou en des lieux accessibles au public, s'il existe des indices sérieux et concrets qu'il y a dans le bateau, le véhicule ou le moyen de transport des biens ou des supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, susceptibles d'être saisis.".
Art.18. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/11 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/11. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan de veroordeelde of een derde in de zin van artikel 464/1, § 3, fouilleren door het betasten van hun lichaam en de kleding die ze dragen, evenals hun bagage controleren, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat zij in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers bij zich dragen die vatbaar zijn voor inbeslagneming.".
"Art. 464/11. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, kan de veroordeelde of een derde in de zin van artikel 464/1, § 3, fouilleren door het betasten van hun lichaam en de kleding die ze dragen, evenals hun bagage controleren, indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat zij in de artikelen 464/29, § 2 en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers bij zich dragen die vatbaar zijn voor inbeslagneming.".
Art.18. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/11 rédigé comme suit :
"Art. 464/11. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut fouiller le condamné ou un tiers au sens de l'article 464/1, § 3, en palpant leur corps et les vêtements qu'ils portent, ainsi que contrôler leurs bagages, s'il existe des indices sérieux et concrets qu'ils portent sur eux des biens ou des supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, susceptibles d'être saisis.".
"Art. 464/11. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut fouiller le condamné ou un tiers au sens de l'article 464/1, § 3, en palpant leur corps et les vêtements qu'ils portent, ainsi que contrôler leurs bagages, s'il existe des indices sérieux et concrets qu'ils portent sur eux des biens ou des supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, susceptibles d'être saisis.".
Art.19. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/12 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/12. § 1. Bij de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme bedoelde ondernemingen en personen, de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
1° de lijst van bankrekeningen, bankkluizen of de in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten bedoelde financiële instrumenten waarvan de veroordeelde of de derde bedoeld in artikel 464/1, § 3, titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijk gerechtigde is en, in voorkomend geval, alle nadere gegevens hieromtrent;
2° de transacties die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd op een of meer van deze bankrekeningen of financiële instrumenten, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
3° de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die tijdens een bepaalde periode toegang hebben of hadden tot deze bankkluizen.
De SUO-magistraat bepaalt in zijn beslissing de vorm waarin de in het eerste lid vermelde gegevens hem worden meegedeeld.
§ 2. Indien het noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling, kan de SUO-magistraat bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing bovendien vorderen dat :
1° gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de transacties met betrekking tot een of meer van deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten van de veroordeelde of de derde onder toezicht worden geplaatst;
2° de aangezochte persoon of onderneming de tegoeden en verbintenissen die verbonden zijn aan deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten, niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop hij of zij kennis neemt van zijn vordering, die per telefax of bij aangetekende zending is toegezonden tot vijf werkdagen na de kennisgeving van de bedoelde gegevens aan de SUO-magistraat.
De maatregel neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken van de door de SUO-magistraat vastgestelde termijn of in geval van volledige betaling van de verschuldigde verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten.
§ 3. De in § 1 bedoelde aangezochte persoon of onderneming verleent onverwijld zijn of haar medewerking aan de uitvoering van de in §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen.
De persoon of onderneming die zijn medewerking weigert aan de in §§ 1 en 2 bedoelde vorderingen van de SUO-magistraat wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met één van die straffen alleen.
De persoon of onderneming of elke derde die goederen bewaart of beheert die het voorwerp uitmaken van een in § 2 bedoelde maatregel en deze met bedrieglijk opzet wegmaakt, wordt gestraft met de in artikel 507 van het Strafwetboek bepaalde straffen. De poging wordt gestraft met dezelfde straffen.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de in §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
"Art. 464/12. § 1. Bij de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing van de in artikel 2 van de wet van 11 januari 1993 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme bedoelde ondernemingen en personen, de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
1° de lijst van bankrekeningen, bankkluizen of de in artikel 2, 1°, van de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten bedoelde financiële instrumenten waarvan de veroordeelde of de derde bedoeld in artikel 464/1, § 3, titularis, gevolmachtigde of de uiteindelijk gerechtigde is en, in voorkomend geval, alle nadere gegevens hieromtrent;
2° de transacties die in een bepaalde periode zijn uitgevoerd op een of meer van deze bankrekeningen of financiële instrumenten, met inbegrip van de bijzonderheden betreffende de rekening van herkomst of bestemming;
3° de gegevens met betrekking tot de titularissen of gevolmachtigden, die tijdens een bepaalde periode toegang hebben of hadden tot deze bankkluizen.
De SUO-magistraat bepaalt in zijn beslissing de vorm waarin de in het eerste lid vermelde gegevens hem worden meegedeeld.
§ 2. Indien het noodzakelijk is voor de tenuitvoerlegging van de veroordeling, kan de SUO-magistraat bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing bovendien vorderen dat :
1° gedurende een vernieuwbare periode van maximum twee maanden de transacties met betrekking tot een of meer van deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten van de veroordeelde of de derde onder toezicht worden geplaatst;
2° de aangezochte persoon of onderneming de tegoeden en verbintenissen die verbonden zijn aan deze bankrekeningen, bankkluizen of financiële instrumenten, niet meer uit handen mag geven voor een termijn die hij bepaalt, maar die niet langer kan zijn dan de termijn die loopt van het ogenblik waarop hij of zij kennis neemt van zijn vordering, die per telefax of bij aangetekende zending is toegezonden tot vijf werkdagen na de kennisgeving van de bedoelde gegevens aan de SUO-magistraat.
De maatregel neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken van de door de SUO-magistraat vastgestelde termijn of in geval van volledige betaling van de verschuldigde verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten.
§ 3. De in § 1 bedoelde aangezochte persoon of onderneming verleent onverwijld zijn of haar medewerking aan de uitvoering van de in §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen.
De persoon of onderneming die zijn medewerking weigert aan de in §§ 1 en 2 bedoelde vorderingen van de SUO-magistraat wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro of met één van die straffen alleen.
De persoon of onderneming of elke derde die goederen bewaart of beheert die het voorwerp uitmaken van een in § 2 bedoelde maatregel en deze met bedrieglijk opzet wegmaakt, wordt gestraft met de in artikel 507 van het Strafwetboek bepaalde straffen. De poging wordt gestraft met dezelfde straffen.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de in §§ 1 en 2 bedoelde maatregelen of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
Art.19. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/12 rédigé comme suit :
"Art. 464/12. § 1er. Lors de l'exécution d'une condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par décision écrite et motivée demander aux organismes et personnes visés à l'article 2 de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, demander la communication des renseignements suivants :
1° la liste des comptes bancaires, coffres bancaires ou instruments financiers visés à l'article 2, 1°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, dont le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3, est le titulaire, le mandataire ou le bénéficiaire final et, le cas échéant, toutes les précisions à ce sujet;
2° les transactions qui ont été réalisées pendant une période déterminée sur un ou plusieurs de ces comptes bancaires ou instruments financiers, y compris les détails concernant le compte émetteur ou récepteur;
3° les données concernant les titulaires ou mandataires qui, pendant une période déterminée, ont ou avaient accès à ces coffres bancaires.
Le magistrat EPE définit dans sa décision la forme sous laquelle les données mentionnées à l'alinéa 1er lui sont communiquées.
§ 2. Si c'est nécessaire à l'exécution de la condamnation, le magistrat EPE peut en outre requérir, par décision écrite motivée, que :
1° pendant une période renouvelable de maximum deux mois, les transactions réalisées sur un ou plusieurs de ces comptes bancaires, coffres bancaires ou instruments financiers du condamné ou du tiers, soient surveillées;
2° la personne requise ou l'organisme requis ne puisse plus aliéner les créances et engagements liés à ces comptes bancaires, coffres bancaires ou instruments financiers pour une période qu'il détermine, mais qui ne peut excéder la période entre la prise de connaissance de ses réquisitions envoyées par téléfax ou envoi recommandé et cinq jours ouvrables après la notification des données visées au magistrat EPE.
La mesure cesse automatiquement à l'expiration du délai fixé par le magistrat EPE ou en cas de paiement intégral de la confiscation, de l'amende et des frais de justice dus.
§ 3. La personne requise ou l'organisme requis visé au § 1er prête son concours sans délai à l'exécution des mesures visées aux §§ 1er et 2.
La personne ou l'organisme qui refuse de prêter son concours aux réquisitions du magistrat EPE visées aux §§ 1er et 2 est puni d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou d'une de ces peines seulement.
La personne ou l'organisme ou tout tiers qui conserve ou gère des biens qui font l'objet d'une mesure visée au § 2 et qui les fait disparaître dans une intention frauduleuse, est puni des peines prévues à l'article 507 du Code pénal. La tentative est punie des mêmes peines.
§ 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance des mesures visées aux §§ 1er et 2 ou y prête son concours, est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
"Art. 464/12. § 1er. Lors de l'exécution d'une condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde, le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par décision écrite et motivée demander aux organismes et personnes visés à l'article 2 de la loi du 11 janvier 1993 relative à la prévention de l'utilisation du système financier aux fins du blanchiment de capitaux et du financement du terrorisme, demander la communication des renseignements suivants :
1° la liste des comptes bancaires, coffres bancaires ou instruments financiers visés à l'article 2, 1°, de la loi du 2 août 2002 relative à la surveillance du secteur financier et aux services financiers, dont le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3, est le titulaire, le mandataire ou le bénéficiaire final et, le cas échéant, toutes les précisions à ce sujet;
2° les transactions qui ont été réalisées pendant une période déterminée sur un ou plusieurs de ces comptes bancaires ou instruments financiers, y compris les détails concernant le compte émetteur ou récepteur;
3° les données concernant les titulaires ou mandataires qui, pendant une période déterminée, ont ou avaient accès à ces coffres bancaires.
Le magistrat EPE définit dans sa décision la forme sous laquelle les données mentionnées à l'alinéa 1er lui sont communiquées.
§ 2. Si c'est nécessaire à l'exécution de la condamnation, le magistrat EPE peut en outre requérir, par décision écrite motivée, que :
1° pendant une période renouvelable de maximum deux mois, les transactions réalisées sur un ou plusieurs de ces comptes bancaires, coffres bancaires ou instruments financiers du condamné ou du tiers, soient surveillées;
2° la personne requise ou l'organisme requis ne puisse plus aliéner les créances et engagements liés à ces comptes bancaires, coffres bancaires ou instruments financiers pour une période qu'il détermine, mais qui ne peut excéder la période entre la prise de connaissance de ses réquisitions envoyées par téléfax ou envoi recommandé et cinq jours ouvrables après la notification des données visées au magistrat EPE.
La mesure cesse automatiquement à l'expiration du délai fixé par le magistrat EPE ou en cas de paiement intégral de la confiscation, de l'amende et des frais de justice dus.
§ 3. La personne requise ou l'organisme requis visé au § 1er prête son concours sans délai à l'exécution des mesures visées aux §§ 1er et 2.
La personne ou l'organisme qui refuse de prêter son concours aux réquisitions du magistrat EPE visées aux §§ 1er et 2 est puni d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros ou d'une de ces peines seulement.
La personne ou l'organisme ou tout tiers qui conserve ou gère des biens qui font l'objet d'une mesure visée au § 2 et qui les fait disparaître dans une intention frauduleuse, est puni des peines prévues à l'article 507 du Code pénal. La tentative est punie des mêmes peines.
§ 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance des mesures visées aux §§ 1er et 2 ou y prête son concours, est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
Art.20. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/13 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/13. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
1° de identificatie van een abonnee of een gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° de identificatie van de elektronische communicatiediensten waarop een bepaalde persoon geabonneerd is of die door een bepaalde persoon gewoonlijk worden gebruikt.
§ 2. Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst verstrekt alle beschikbare inlichtingen binnen de termijn en op de wijze die bepaald worden bij het ter uitvoering van artikel 46bis, § 2, eerste en tweede lid, genomen koninklijk besluit.
Weigering om de gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
"Art. 464/13. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, van de operator van een elektronisch communicatienetwerk of van de verstrekker van een elektronische communicatiedienst de mededeling van de volgende inlichtingen vorderen :
1° de identificatie van een abonnee of een gewoonlijke gebruiker van een elektronische communicatiedienst of van het gebruikte elektronische communicatiemiddel;
2° de identificatie van de elektronische communicatiediensten waarop een bepaalde persoon geabonneerd is of die door een bepaalde persoon gewoonlijk worden gebruikt.
§ 2. Iedere operator van een elektronisch communicatienetwerk en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst verstrekt alle beschikbare inlichtingen binnen de termijn en op de wijze die bepaald worden bij het ter uitvoering van artikel 46bis, § 2, eerste en tweede lid, genomen koninklijk besluit.
Weigering om de gegevens mee te delen, wordt gestraft met geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
Art.20. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/13 rédigé comme suit :
"Art. 464/13. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par décision écrite et motivée, requérir l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou le fournisseur d'un service de communications électroniques de lui communiquer les renseignements suivants :
1° l'identification d'un abonné ou d'un utilisateur habituel d'un service de communications électroniques ou du moyen de communication électronique utilisé;
2° l'identification des services de communications électroniques auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée.
§ 2. Chaque opérateur d'un réseau de communications électroniques et chaque fournisseur d'un service de communications électroniques communiquent tous les renseignements disponibles dans le délai et selon les modalités fixés par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 46bis, § 2, alinéas 1er et 2.
Tout refus de communiquer les données est puni d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
§ 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
"Art. 464/13. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut, par décision écrite et motivée, requérir l'opérateur d'un réseau de communications électroniques ou le fournisseur d'un service de communications électroniques de lui communiquer les renseignements suivants :
1° l'identification d'un abonné ou d'un utilisateur habituel d'un service de communications électroniques ou du moyen de communication électronique utilisé;
2° l'identification des services de communications électroniques auxquels une personne déterminée est abonnée ou qui sont habituellement utilisés par une personne déterminée.
§ 2. Chaque opérateur d'un réseau de communications électroniques et chaque fournisseur d'un service de communications électroniques communiquent tous les renseignements disponibles dans le délai et selon les modalités fixés par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 46bis, § 2, alinéas 1er et 2.
Tout refus de communiquer les données est puni d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
§ 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
Art.21. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/14 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/14. § 1. De SUO-magistraat kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren.
§ 2. Observatie is mogelijk als :
1° de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken, en
2° de uitvoeringshandeling uitsluitend wordt aangewend ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
§ 3. De machtiging tot observatie is schriftelijk en bevat de volgende vermeldingen :
1° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat de veroordeelde gehouden is tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat hij schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
2° de redenen waarom de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
3° de naam of, indien die niet bekend is, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de in § 1 geobserveerde persoon of personen, alsmede van de zaken, plaatsen of gebeurtenissen;
4° de wijze waarop de observatie zal worden uitgevoerd;
5° de periode tijdens welke de observatie kan worden uitgevoerd en die niet langer mag zijn dan drie maanden te rekenen van de datum van de machtiging.
§ 4. In spoedeisende gevallen kan de machtiging tot observatie mondeling worden verstrekt. De machtiging moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de in § 3 bepaalde vorm.
§ 5. De SUO-magistraat kan steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie wijzigen, aanvullen of verlengen. Hij kan te allen tijde zijn machtiging intrekken. Hij gaat bij elke wijziging, aanvulling of verlenging van zijn machtiging na of de in § 2 bedoelde voorwaarden nog zijn vervuld en handelt daarbij overeenkomstig § 3, 1°, 2°, 3° en 5°.
§ 6. De politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie brengt de SUO-magistraat volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over de uitvoering van de observaties. Hij zendt die verslagen, die vertrouwelijk zijn, rechtstreeks aan deze magistraat.
§ 7. De in § 6 bedoelde politieambtenaar stelt proces-verbaal op van de uitvoering van de observatie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant en van de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het in § 6 bedoelde schriftelijk verslag.
In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en worden de in § 3, 1°, 2°, 3° en 5° bedoelde vermeldingen, opgenomen. De magistraat bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie.
De opgestelde processen-verbaal en de in het tweede lid bedoelde beslissing worden uiterlijk bij het beëindigen van de observatie bij het dossier van het SUO gevoegd.
§ 8. De SUO-magistraat bewaart een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier dat de volgende stukken bevat :
1° de machtiging tot observatie en de beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging;
2° de toelating tot het plegen van misdrijven overeenkomstig artikel 464/15;
3° de vertrouwelijke verslagen die zijn opgesteld door de politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie.
De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.".
"Art. 464/14. § 1. De SUO-magistraat kan bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren.
§ 2. Observatie is mogelijk als :
1° de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken, en
2° de uitvoeringshandeling uitsluitend wordt aangewend ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
§ 3. De machtiging tot observatie is schriftelijk en bevat de volgende vermeldingen :
1° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat de veroordeelde gehouden is tot betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat hij schuldig is verklaard aan een misdrijf waarop een correctionele hoofdgevangenisstraf staat van een jaar of een zwaardere straf;
2° de redenen waarom de overige gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
3° de naam of, indien die niet bekend is, een zo nauwkeurig mogelijke beschrijving van de in § 1 geobserveerde persoon of personen, alsmede van de zaken, plaatsen of gebeurtenissen;
4° de wijze waarop de observatie zal worden uitgevoerd;
5° de periode tijdens welke de observatie kan worden uitgevoerd en die niet langer mag zijn dan drie maanden te rekenen van de datum van de machtiging.
§ 4. In spoedeisende gevallen kan de machtiging tot observatie mondeling worden verstrekt. De machtiging moet zo spoedig mogelijk worden bevestigd in de in § 3 bepaalde vorm.
§ 5. De SUO-magistraat kan steeds op gemotiveerde wijze zijn machtiging tot observatie wijzigen, aanvullen of verlengen. Hij kan te allen tijde zijn machtiging intrekken. Hij gaat bij elke wijziging, aanvulling of verlenging van zijn machtiging na of de in § 2 bedoelde voorwaarden nog zijn vervuld en handelt daarbij overeenkomstig § 3, 1°, 2°, 3° en 5°.
§ 6. De politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie brengt de SUO-magistraat volledig en waarheidsgetrouw schriftelijk verslag uit over de uitvoering van de observaties. Hij zendt die verslagen, die vertrouwelijk zijn, rechtstreeks aan deze magistraat.
§ 7. De in § 6 bedoelde politieambtenaar stelt proces-verbaal op van de uitvoering van de observatie, doch vermeldt hierin geen elementen die de afscherming van de gebruikte politionele onderzoekstechnieken of de vrijwaring van de veiligheid en de afscherming van de identiteit van de informant en van de politieambtenaren die belast zijn met de uitvoering van de observatie in het gedrang kunnen brengen. Deze elementen worden enkel opgenomen in het in § 6 bedoelde schriftelijk verslag.
In een proces-verbaal wordt verwezen naar de machtiging tot observatie en worden de in § 3, 1°, 2°, 3° en 5° bedoelde vermeldingen, opgenomen. De magistraat bevestigt bij schriftelijke beslissing het bestaan van de door hem verleende machtiging tot observatie.
De opgestelde processen-verbaal en de in het tweede lid bedoelde beslissing worden uiterlijk bij het beëindigen van de observatie bij het dossier van het SUO gevoegd.
§ 8. De SUO-magistraat bewaart een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier dat de volgende stukken bevat :
1° de machtiging tot observatie en de beslissingen tot wijziging, aanvulling of verlenging;
2° de toelating tot het plegen van misdrijven overeenkomstig artikel 464/15;
3° de vertrouwelijke verslagen die zijn opgesteld door de politieambtenaar die de operationele leiding heeft over de uitvoering van de observatie.
De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.".
Art.21. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/14 rédigé comme suit :
"Art. 464/14. § 1er. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, autoriser un service de police à procéder à une observation.
§ 2. L'observation est possible si :
1° les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er, et
2° l'acte d'exécution est exclusivement appliqué aux fins d'exécution d'une condamnation coulée en force de chose jugée de paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde.
§ 3. L'autorisation de procéder à l'observation est écrite et contient les mentions suivantes :
1° les données de la décision judiciaire coulée en force de chose jugée qui font apparaître que le condamné est tenu au paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice après qu'il a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde;
2° les raisons pour lesquelles les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er;
3° le nom ou, si celui-ci n'est pas connu, une description aussi précise que possible de la personne ou des personnes observées, ainsi que des choses, des lieux ou des événements visés au § 1er;
4° la manière dont l'observation sera exécutée;
5° la période au cours de laquelle l'observation peut être effectuée et qui ne peut pas excéder trois mois à compter de la date de l'autorisation.
§ 4. En cas d'urgence, l'autorisation d'observation peut être accordée verbalement. Cette autorisation doit être confirmée dans les plus brefs délais dans la forme prévue au § 3.
§ 5. Le magistrat EPE peut à tout instant, de manière motivée, modifier, étendre ou prolonger son autorisation d'observation. Il peut à tout moment retirer son autorisation. Chaque fois que son autorisation est modifiée, étendue ou prolongée, il vérifie si les conditions visées au § 2 sont toujours remplies et procède à cet égard conformément au § 3, 1°, 2°, 3° et 5°.
§ 6. Le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de l'observation fait rapport par écrit, de manière complète et conforme à la vérité, au magistrat EPE sur l'exécution des observations. Il envoie directement ces rapports, qui sont confidentiels, à ce magistrat.
§ 7. Le fonctionnaire de police visé au § 6 dresse procès-verbal de l'exécution de l'observation, mais n'y mentionne aucun des éléments susceptibles de compromettre les techniques d'enquête policière utilisées ou la préservation de la sécurité et de l'anonymat de l'indicateur et des fonctionnaires de police chargés de l'exécution de l'observation. Ces éléments ne figurent que dans le rapport écrit visé au § 6.
II est fait référence, dans un procès-verbal à l'autorisation d'observation et il y est fait mention des indications visées au § 3, 1°, 2°, 3° et 5°. Le magistrat confirme, par décision écrite, l'existence de l'autorisation d'observation qu'il a accordée.
Les procès-verbaux rédigés et la décision visée à l'alinéa 2 sont joints au dossier de l'EPE au plus tard à la fin de l'observation.
§ 8. Le magistrat EPE conserve un dossier séparé et confidentiel qui contient les pièces suivantes :
1° l'autorisation d'observation et les décisions de modification, d'extension ou de prolongation;
2° l'autorisation de commettre des infractions conformément à l'article 464/15;
3° les rapports confidentiels rédigés par le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de l'observation.
Le magistrat EPE et le ministère public compétent sont les seuls à avoir accès à ce dossier séparé et confidentiel, sans préjudice du droit de consultation de la chambre des mises en accusation visé à l'article 464/18. Le contenu de ce dossier est couvert par le secret professionnel.".
"Art. 464/14. § 1er. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, autoriser un service de police à procéder à une observation.
§ 2. L'observation est possible si :
1° les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er, et
2° l'acte d'exécution est exclusivement appliqué aux fins d'exécution d'une condamnation coulée en force de chose jugée de paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde.
§ 3. L'autorisation de procéder à l'observation est écrite et contient les mentions suivantes :
1° les données de la décision judiciaire coulée en force de chose jugée qui font apparaître que le condamné est tenu au paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice après qu'il a été déclaré coupable d'une infraction passible d'un emprisonnement correctionnel principal d'un an ou d'une peine plus lourde;
2° les raisons pour lesquelles les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er;
3° le nom ou, si celui-ci n'est pas connu, une description aussi précise que possible de la personne ou des personnes observées, ainsi que des choses, des lieux ou des événements visés au § 1er;
4° la manière dont l'observation sera exécutée;
5° la période au cours de laquelle l'observation peut être effectuée et qui ne peut pas excéder trois mois à compter de la date de l'autorisation.
§ 4. En cas d'urgence, l'autorisation d'observation peut être accordée verbalement. Cette autorisation doit être confirmée dans les plus brefs délais dans la forme prévue au § 3.
§ 5. Le magistrat EPE peut à tout instant, de manière motivée, modifier, étendre ou prolonger son autorisation d'observation. Il peut à tout moment retirer son autorisation. Chaque fois que son autorisation est modifiée, étendue ou prolongée, il vérifie si les conditions visées au § 2 sont toujours remplies et procède à cet égard conformément au § 3, 1°, 2°, 3° et 5°.
§ 6. Le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de l'observation fait rapport par écrit, de manière complète et conforme à la vérité, au magistrat EPE sur l'exécution des observations. Il envoie directement ces rapports, qui sont confidentiels, à ce magistrat.
§ 7. Le fonctionnaire de police visé au § 6 dresse procès-verbal de l'exécution de l'observation, mais n'y mentionne aucun des éléments susceptibles de compromettre les techniques d'enquête policière utilisées ou la préservation de la sécurité et de l'anonymat de l'indicateur et des fonctionnaires de police chargés de l'exécution de l'observation. Ces éléments ne figurent que dans le rapport écrit visé au § 6.
II est fait référence, dans un procès-verbal à l'autorisation d'observation et il y est fait mention des indications visées au § 3, 1°, 2°, 3° et 5°. Le magistrat confirme, par décision écrite, l'existence de l'autorisation d'observation qu'il a accordée.
Les procès-verbaux rédigés et la décision visée à l'alinéa 2 sont joints au dossier de l'EPE au plus tard à la fin de l'observation.
§ 8. Le magistrat EPE conserve un dossier séparé et confidentiel qui contient les pièces suivantes :
1° l'autorisation d'observation et les décisions de modification, d'extension ou de prolongation;
2° l'autorisation de commettre des infractions conformément à l'article 464/15;
3° les rapports confidentiels rédigés par le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de l'observation.
Le magistrat EPE et le ministère public compétent sont les seuls à avoir accès à ce dossier séparé et confidentiel, sans préjudice du droit de consultation de la chambre des mises en accusation visé à l'article 464/18. Le contenu de ce dossier est couvert par le secret professionnel.".
Art.22. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/15 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/15. § 1. Onverminderd het in § 2 bepaalde is het de politieambtenaren, belast met de uitvoering van een observatie, verboden in het kader van hun opdracht strafbare feiten te plegen.
§ 2. Blijven vrij van straf de politieambtenaren die, in het kader van hun opdracht en met het oog op het welslagen ervan, strikt noodzakelijke misdrijven plegen, met het uitdrukkelijk akkoord van de SUO-magistraat.
De magistraat die het akkoord verleent, met inachtneming van de bepalingen die betrekking hebben op het SUO, blijft vrij van straf.
De politieambtenaren melden schriftelijk en vóór de uitvoering van de observatie aan de SUO-magistraat de in het eerste lid bedoelde misdrijven die zij voornemens zijn te plegen.
Indien deze voorafgaande kennisgeving niet kon gebeuren, stellen de politieambtenaren de SUO-magistraat onverwijld in kennis van de misdrijven die zij hebben gepleegd en bevestigen dit nadien schriftelijk.".
"Art. 464/15. § 1. Onverminderd het in § 2 bepaalde is het de politieambtenaren, belast met de uitvoering van een observatie, verboden in het kader van hun opdracht strafbare feiten te plegen.
§ 2. Blijven vrij van straf de politieambtenaren die, in het kader van hun opdracht en met het oog op het welslagen ervan, strikt noodzakelijke misdrijven plegen, met het uitdrukkelijk akkoord van de SUO-magistraat.
De magistraat die het akkoord verleent, met inachtneming van de bepalingen die betrekking hebben op het SUO, blijft vrij van straf.
De politieambtenaren melden schriftelijk en vóór de uitvoering van de observatie aan de SUO-magistraat de in het eerste lid bedoelde misdrijven die zij voornemens zijn te plegen.
Indien deze voorafgaande kennisgeving niet kon gebeuren, stellen de politieambtenaren de SUO-magistraat onverwijld in kennis van de misdrijven die zij hebben gepleegd en bevestigen dit nadien schriftelijk.".
Art.22. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/15 rédigé comme suit :
"Art. 464/15. § 1er. Sans préjudice des dispositions du § 2, il est interdit aux fonctionnaires de police, chargés de l'exécution d'une observation, de commettre des infractions dans le cadre de leur mission.
§ 2. Sont exemptés de peine, les fonctionnaires de police qui, dans le cadre de leur mission et en vue de la réussite de celle-ci, commettent des infractions absolument nécessaires, avec l'accord exprès du magistrat EPE.
Le magistrat qui donne l'accord, dans le respect des dispositions relatives à l'EPE n'encourt aucune peine.
Les fonctionnaires de police communiquent au magistrat EPE, par écrit et préalablement à l'exécution de l'observation, les infractions visées à l'alinéa 1er qu'ils ont l'intention de commettre.
Si cette communication préalable n'a pas pu avoir lieu, les fonctionnaires de police informent sans délai le magistrat EPE des infractions qu'ils ont commises et en donnent ensuite confirmation par écrit.".
"Art. 464/15. § 1er. Sans préjudice des dispositions du § 2, il est interdit aux fonctionnaires de police, chargés de l'exécution d'une observation, de commettre des infractions dans le cadre de leur mission.
§ 2. Sont exemptés de peine, les fonctionnaires de police qui, dans le cadre de leur mission et en vue de la réussite de celle-ci, commettent des infractions absolument nécessaires, avec l'accord exprès du magistrat EPE.
Le magistrat qui donne l'accord, dans le respect des dispositions relatives à l'EPE n'encourt aucune peine.
Les fonctionnaires de police communiquent au magistrat EPE, par écrit et préalablement à l'exécution de l'observation, les infractions visées à l'alinéa 1er qu'ils ont l'intention de commettre.
Si cette communication préalable n'a pas pu avoir lieu, les fonctionnaires de police informent sans délai le magistrat EPE des infractions qu'ils ont commises et en donnent ensuite confirmation par écrit.".
Art.23. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/16 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/16. § 1. De SUO-magistraat of het bevoegde openbaar ministerie kan via de informantenwerking alle nuttige inlichtingen verzamelen over het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, een geldboete of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
De informantenwerking in de zin van dit artikel is het onderhouden van regelmatige contacten door een politieambtenaar, "contactambtenaar" genoemd, met een persoon, "informant" genoemd, van wie vermoed wordt dat hij nauwe banden heeft met een of meer personen, die schuldig zijn verklaard aan een misdrijf en die als gevolg hiervan zijn veroordeeld tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten of de gerechtskosten, of met een in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde die de politieambtenaar, al dan niet gevraagd, inlichtingen en gegevens verstrekt over de vermogensbestanddelen waarop deze veroordelingen kunnen worden uitgevoerd.
§ 2. De lokale informantenbeheerder deelt zodra mogelijk en spontaan alle voor het SUO nuttige inlichtingen in een vertrouwelijk verslag rechtstreeks mee aan de SUO-magistraat.
De SUO-magistraat bewaart de meegedeelde inlichtingen in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier. De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.
De SUO-magistraat beslist of, in functie van het belang van de aangebrachte informatie en met inachtneming van de veiligheid van de informant, hiervan proces-verbaal wordt opgesteld.
§ 3. De organisatie van de informantenwerking ingesteld bij artikel 47decies, § 2 tot 6, tweede lid, is van toepassing op de in § 1 bedoelde informantenwerking.".
"Art. 464/16. § 1. De SUO-magistraat of het bevoegde openbaar ministerie kan via de informantenwerking alle nuttige inlichtingen verzamelen over het vermogen waarop de veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, een geldboete of de gerechtskosten kan worden uitgevoerd.
De informantenwerking in de zin van dit artikel is het onderhouden van regelmatige contacten door een politieambtenaar, "contactambtenaar" genoemd, met een persoon, "informant" genoemd, van wie vermoed wordt dat hij nauwe banden heeft met een of meer personen, die schuldig zijn verklaard aan een misdrijf en die als gevolg hiervan zijn veroordeeld tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten of de gerechtskosten, of met een in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde die de politieambtenaar, al dan niet gevraagd, inlichtingen en gegevens verstrekt over de vermogensbestanddelen waarop deze veroordelingen kunnen worden uitgevoerd.
§ 2. De lokale informantenbeheerder deelt zodra mogelijk en spontaan alle voor het SUO nuttige inlichtingen in een vertrouwelijk verslag rechtstreeks mee aan de SUO-magistraat.
De SUO-magistraat bewaart de meegedeelde inlichtingen in een afzonderlijk en vertrouwelijk dossier. De SUO-magistraat en het bevoegde openbaar ministerie hebben als enige toegang tot dit afzonderlijk en vertrouwelijk dossier, onverminderd het in artikel 464/18 bedoelde inzagerecht van de kamer van inbeschuldigingstelling. De inhoud van dit dossier valt onder het beroepsgeheim.
De SUO-magistraat beslist of, in functie van het belang van de aangebrachte informatie en met inachtneming van de veiligheid van de informant, hiervan proces-verbaal wordt opgesteld.
§ 3. De organisatie van de informantenwerking ingesteld bij artikel 47decies, § 2 tot 6, tweede lid, is van toepassing op de in § 1 bedoelde informantenwerking.".
Art.23. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/16 rédigé comme suit :
"Art. 464/16. § 1er. Le magistrat EPE ou le ministère public compétent peut, en recourant à des indicateurs, collecter tous les renseignements utiles concernant le patrimoine sur lequel la condamnation au paiement d'une confiscation, d'une amende ou des frais de justice peut être exécutée.
Le recours aux indicateurs au sens du présent article est le fait, pour un fonctionnaire de police, appelé "fonctionnaire de contact", d'entretenir des contacts réguliers avec une personne, appelée "indicateur", dont il est supposé qu'elle entretient des relations étroites avec une ou plusieurs personnes qui sont déclarées coupables d'une infraction et qui sont condamnées en conséquence au paiement de confiscations, d'amendes ou de frais de justice, ou avec un tiers visé à l'article 464/1, § 3, qui fournit au fonctionnaire de police des renseignements et des données, demandés ou non, concernant les biens sur lesquels ces condamnations peuvent être exécutées.
§ 2. Le gestionnaire local des indicateurs communique dès que possible et spontanément et directement au magistrat EPE, dans un rapport confidentiel, tous les renseignements utiles à l'EPE.
Le magistrat EPE conserve les renseignements communiqués dans un dossier séparé et confidentiel. Le magistrat EPE et le ministère public compétent sont les seuls à avoir accès à ce dossier séparé et confidentiel, sans préjudice du droit de consultation de la chambre des mises en accusation visé à l'article 464/18. Le contenu de ce dossier est couvert par le secret professionnel.
Le magistrat EPE décide si, en fonction de l'importance des informations fournies et en tenant compte de la sécurité de l'indicateur, il en dresse un procès-verbal.
§ 3. L'organisation du recours aux indicateurs instauré à l'article 47decies, § 2 à 6, alinéa 2, est applicable au recours aux indicateurs visé au § 1er.".
"Art. 464/16. § 1er. Le magistrat EPE ou le ministère public compétent peut, en recourant à des indicateurs, collecter tous les renseignements utiles concernant le patrimoine sur lequel la condamnation au paiement d'une confiscation, d'une amende ou des frais de justice peut être exécutée.
Le recours aux indicateurs au sens du présent article est le fait, pour un fonctionnaire de police, appelé "fonctionnaire de contact", d'entretenir des contacts réguliers avec une personne, appelée "indicateur", dont il est supposé qu'elle entretient des relations étroites avec une ou plusieurs personnes qui sont déclarées coupables d'une infraction et qui sont condamnées en conséquence au paiement de confiscations, d'amendes ou de frais de justice, ou avec un tiers visé à l'article 464/1, § 3, qui fournit au fonctionnaire de police des renseignements et des données, demandés ou non, concernant les biens sur lesquels ces condamnations peuvent être exécutées.
§ 2. Le gestionnaire local des indicateurs communique dès que possible et spontanément et directement au magistrat EPE, dans un rapport confidentiel, tous les renseignements utiles à l'EPE.
Le magistrat EPE conserve les renseignements communiqués dans un dossier séparé et confidentiel. Le magistrat EPE et le ministère public compétent sont les seuls à avoir accès à ce dossier séparé et confidentiel, sans préjudice du droit de consultation de la chambre des mises en accusation visé à l'article 464/18. Le contenu de ce dossier est couvert par le secret professionnel.
Le magistrat EPE décide si, en fonction de l'importance des informations fournies et en tenant compte de la sécurité de l'indicateur, il en dresse un procès-verbal.
§ 3. L'organisation du recours aux indicateurs instauré à l'article 47decies, § 2 à 6, alinéa 2, est applicable au recours aux indicateurs visé au § 1er.".
Art.24. In dezelfde onderafdeling 1 wordt een artikel 464/17 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/17. De SUO-magistraat staat in voor de permanente controle over de uitvoering van observaties en de aangewende informantenwerking door de politiediensten in het raam van dit onderzoek.".
"Art. 464/17. De SUO-magistraat staat in voor de permanente controle over de uitvoering van observaties en de aangewende informantenwerking door de politiediensten in het raam van dit onderzoek.".
Art.24. Dans la même sous-section 1re, il est inséré un article 464/17 rédigé comme suit :
"Art. 464/17. Le magistrat EPE veille au contrôle permanent de l'exécution des observations et du recours aux indicateurs par les services de police dans le cadre de cette enquête.".
"Art. 464/17. Le magistrat EPE veille au contrôle permanent de l'exécution des observations et du recours aux indicateurs par les services de police dans le cadre de cette enquête.".
Art.25. In dezelfde afdeling 4 wordt een onderafdeling 2 ingevoegd, luidende "Specifieke uitvoeringshandelingen".
Art.25. Dans la même section 4, il est inséré une sous-section 2 intitulée "Des actes d'exécution spécifiques".
Art.26. In onderafdeling 2, ingevoegd bij artikel 25, wordt een artikel 464/19 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/19. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing als uitvoeringshandeling, de onderzoekshandelingen waarvoor in het kader van een gerechtelijk onderzoek uitsluitend de onderzoeksrechter bevoegd is, verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, als ze noodzakelijk zijn voor het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
De uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid is evenwel beperkt tot de in deze onderafdeling omschreven uitvoerings-handelingen.".
"Art. 464/19. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing als uitvoeringshandeling, de onderzoekshandelingen waarvoor in het kader van een gerechtelijk onderzoek uitsluitend de onderzoeksrechter bevoegd is, verrichten of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, als ze noodzakelijk zijn voor het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
De uitoefening van de bevoegdheid bedoeld in het eerste lid is evenwel beperkt tot de in deze onderafdeling omschreven uitvoerings-handelingen.".
Art.26. Dans la sous-section 2, insérée par l'article 25, il est inséré un article 464/19 rédigé comme suit :
"Art. 464/19. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, exécuter ou faire exécuter à titre d'acte d'exécution par le service de police requis, les actes d'enquête qui, dans le cadre d'une instruction, sont de la compétence exclusive du juge d'instruction, s'ils sont nécessaires pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
Toutefois, l'exercice de la compétence visé à l'alinéa 1er est limité aux actes d'exécution définis à la présente sous-section.".
"Art. 464/19. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, exécuter ou faire exécuter à titre d'acte d'exécution par le service de police requis, les actes d'enquête qui, dans le cadre d'une instruction, sont de la compétence exclusive du juge d'instruction, s'ils sont nécessaires pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
Toutefois, l'exercice de la compétence visé à l'alinéa 1er est limité aux actes d'exécution définis à la présente sous-section.".
Art.27. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/22 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/22. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, een huiszoeking verrichten of door de gevorderde politiedienst laten verrichten in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
Geen huiszoeking mag worden verricht vóór vijf uur `s morgens en na negen uur `s avonds.".
"Art. 464/22. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en met redenen omklede beslissing, een huiszoeking verrichten of door de gevorderde politiedienst laten verrichten in een niet voor het publiek toegankelijke plaats, om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen en informatiedragers op te sporen en in beslag te nemen.
Geen huiszoeking mag worden verricht vóór vijf uur `s morgens en na negen uur `s avonds.".
Art.27. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 464/22 rédigé comme suit :
"Art. 464/22. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, effectuer ou faire effectuer par le service de police requis une perquisition dans un lieu non accessible au public afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.
Aucune perquisition ne peut être effectuée avant cinq heures du matin et après neuf heures du soir.".
"Art. 464/22. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, effectuer ou faire effectuer par le service de police requis une perquisition dans un lieu non accessible au public afin de rechercher et de saisir les biens et supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er.
Aucune perquisition ne peut être effectuée avant cinq heures du matin et après neuf heures du soir.".
Art.28. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/23 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/23. De SUO-magistraat kan de zoeking in een informaticasysteem of een deel daarvan, die hij uitvoert of door de gevorderde politiedienst laat uitvoeren, uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt als :
1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, bedoelde inlichtingen, te verzamelen, en
2° indien andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn of indien er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.".
"Art. 464/23. De SUO-magistraat kan de zoeking in een informaticasysteem of een deel daarvan, die hij uitvoert of door de gevorderde politiedienst laat uitvoeren, uitbreiden tot een informaticasysteem of een deel daarvan dat zich op een andere plaats bevindt dan daar waar de zoeking plaatsvindt als :
1° deze uitbreiding noodzakelijk is om de in artikel 464/29, § 2, bedoelde inlichtingen, te verzamelen, en
2° indien andere maatregelen om deze inlichtingen te vergaren disproportioneel zouden zijn of indien er een risico bestaat dat zonder deze uitbreiding deze inlichtingen verloren gaan.".
Art.28. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 464/23 rédigé comme suit :
"Art. 464/23. Le magistrat EPE peut étendre la recherche qu'il effectue ou fait effectuer par le service de police requis dans un système informatique ou une partie de celui-ci à un système informatique ou une partie de celui-ci qui se trouve dans un autre lieu que celui où la recherche est effectuée si :
1° cette extension est nécessaire pour collecter les renseignements visés à l'article 464/29, § 2, et
2° si d'autres mesures pour collecter ces renseignements seraient disproportionnées ou s'il existe un risque que, sans cette extension, ces renseignements soient perdus.".
"Art. 464/23. Le magistrat EPE peut étendre la recherche qu'il effectue ou fait effectuer par le service de police requis dans un système informatique ou une partie de celui-ci à un système informatique ou une partie de celui-ci qui se trouve dans un autre lieu que celui où la recherche est effectuée si :
1° cette extension est nécessaire pour collecter les renseignements visés à l'article 464/29, § 2, et
2° si d'autres mesures pour collecter ces renseignements seraient disproportionnées ou s'il existe un risque que, sans cette extension, ces renseignements soient perdus.".
Art.29. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/24 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/24. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen om in een verstaanbare vorm inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen.
§ 2. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informa-ticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naar gelang van het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt.
§ 3. Hij die weigert de in § 1 en 2 gevorderde medewerking te verlenen of de zoeking in het informaticasysteem hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
"Art. 464/24. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan personen van wie hij vermoedt dat ze een bijzondere kennis hebben van het informaticasysteem dat het voorwerp uitmaakt van de zoeking of van diensten om gegevens die worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen door middel van een informaticasysteem, te beveiligen of te versleutelen, bevelen om in een verstaanbare vorm inlichtingen te verstrekken over de werking ervan en over de wijze om toegang te verkrijgen tot de gegevens die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen.
§ 2. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan iedere geschikte persoon bevelen om zelf het informa-ticasysteem te bedienen of de ter zake dienende gegevens, die door middel daarvan worden opgeslagen, verwerkt of overgedragen, naar gelang van het geval, te zoeken, toegankelijk te maken, te kopiëren, ontoegankelijk te maken of te verwijderen, in de door hem gevorderde vorm. Deze personen zijn verplicht hieraan gevolg te geven, voorzover dit in hun mogelijkheden ligt.
§ 3. Hij die weigert de in § 1 en 2 gevorderde medewerking te verlenen of de zoeking in het informaticasysteem hindert, wordt gestraft met gevangenisstraf van zes maanden tot één jaar en met geldboete van zesentwintig euro tot twintigduizend euro of met één van die straffen alleen.
§ 4. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
Art.29. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 464/24 rédigé comme suit :
"Art. 464/24. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut ordonner aux personnes dont il présume qu'elles ont une connaissance particulière du système informatique qui fait l'objet de la recherche ou des services qui permettent de protéger ou de crypter les données qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, de fournir, dans une forme compréhensible, des informations sur le fonctionnement de ce système et sur la manière d'accéder aux données stockées, traitées ou transmises par celui-ci.
§ 2. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut ordonner à toute personne appropriée de mettre en fonctionnement elle-même le système informatique ou, selon le cas, de rechercher, rendre accessibles, copier, rendre inaccessibles ou retirer les données pertinentes qui sont stockées, traitées ou transmises par ce système, sous la forme qu'il a demandée. Ces personnes sont tenues d'y donner suite, dans la mesure de leurs moyens.
§ 3. Celui qui refuse de fournir la collaboration ordonnée aux § 1er et 2 ou qui entrave la recherche dans le système informatique est puni d'un emprisonnement de six mois à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement.
§ 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
"Art. 464/24. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut ordonner aux personnes dont il présume qu'elles ont une connaissance particulière du système informatique qui fait l'objet de la recherche ou des services qui permettent de protéger ou de crypter les données qui sont stockées, traitées ou transmises par un système informatique, de fournir, dans une forme compréhensible, des informations sur le fonctionnement de ce système et sur la manière d'accéder aux données stockées, traitées ou transmises par celui-ci.
§ 2. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut ordonner à toute personne appropriée de mettre en fonctionnement elle-même le système informatique ou, selon le cas, de rechercher, rendre accessibles, copier, rendre inaccessibles ou retirer les données pertinentes qui sont stockées, traitées ou transmises par ce système, sous la forme qu'il a demandée. Ces personnes sont tenues d'y donner suite, dans la mesure de leurs moyens.
§ 3. Celui qui refuse de fournir la collaboration ordonnée aux § 1er et 2 ou qui entrave la recherche dans le système informatique est puni d'un emprisonnement de six mois à un an et d'une amende de vingt-six euros à vingt mille euros ou d'une de ces peines seulement.
§ 4. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret est punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
Art.30. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/25 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/25. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst vorderen om :
1° de oproepgegevens te doen opsporen van elektronische communicatiemiddelen waaruit of waarnaar oproepen worden of werden gedaan;
2° de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties te laten lokaliseren.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen worden voor ieder elektronisch communicatiemiddel waarvoor de oproep-gegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicaties wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur en, indien nodig, de plaats van de oproep vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal.
De SUO-magistraat vermeldt in zijn beslissing de duur van de maatregel, die, wat de toekomstige elektronische communicatiegegevens betreft, niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, behoudens een hernieuwing.
§ 2. Iedere operator van een elektronische communicatiedienst en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst delen de gevorderde inlichtingen mee binnen de termijn en volgens de bij het ter uitvoering van artikel 88bis, § 2, eerste en derde lid, genomen koninklijk besluit bepaalde nadere regels.
Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de in dit artikel bedoelde vorderingen wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
"Art. 464/25. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan een operator van een elektronisch communicatienetwerk of de verstrekker van een elektronische communicatiedienst vorderen om :
1° de oproepgegevens te doen opsporen van elektronische communicatiemiddelen waaruit of waarnaar oproepen worden of werden gedaan;
2° de oorsprong of de bestemming van elektronische communicaties te laten lokaliseren.
In de in het eerste lid bedoelde gevallen worden voor ieder elektronisch communicatiemiddel waarvoor de oproep-gegevens worden opgespoord of waarvan de oorsprong of de bestemming van de elektronische communicaties wordt gelokaliseerd, de dag, het uur, de duur en, indien nodig, de plaats van de oproep vastgesteld en opgenomen in een proces-verbaal.
De SUO-magistraat vermeldt in zijn beslissing de duur van de maatregel, die, wat de toekomstige elektronische communicatiegegevens betreft, niet langer kan zijn dan twee maanden te rekenen vanaf het bevelschrift, behoudens een hernieuwing.
§ 2. Iedere operator van een elektronische communicatiedienst en iedere verstrekker van een elektronische communicatiedienst delen de gevorderde inlichtingen mee binnen de termijn en volgens de bij het ter uitvoering van artikel 88bis, § 2, eerste en derde lid, genomen koninklijk besluit bepaalde nadere regels.
Iedere persoon die zijn technische medewerking weigert aan de in dit artikel bedoelde vorderingen wordt gestraft met een geldboete van zesentwintig euro tot tienduizend euro.
§ 3. Iedere persoon die uit hoofde van zijn bediening kennis krijgt van de maatregel of daaraan zijn medewerking verleent, is tot geheimhouding verplicht.
Iedere schending van het geheim wordt gestraft overeenkomstig artikel 458 van het Strafwetboek.".
Art.30. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 464/25 rédigé comme suit :
"Art. 464/25. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut faire procéder, en requérant un opérateur d'un réseau de communication électronique ou le fournisseur d'un service de communication électronique :
1° au repérage des données d'appel de moyens de communication électronique à partir desquels ou vers lesquels des appels sont adressés ou ont été adressés;
2° à la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, pour chaque moyen de communication électronique dont les données d'appel sont repérées ou pour lequel l'origine ou la destination de la communication électronique est localisée, le jour, l'heure, la durée et, si nécessaire, le lieu de la communication électronique sont indiqués et consignés dans un procès-verbal.
Le magistrat EPE précise dans sa décision la durée pendant laquelle la mesure pourra s'appliquer, cette durée ne pouvant excéder, en ce qui concerne les futures données de communication électronique, deux mois à dater de l'ordonnance, sans préjudice de renouvellement.
§ 2. Chaque opérateur d'un réseau de communication électronique et chaque fournisseur d'un service de communication électronique communiquent les informations demandées dans un délai et selon les modalités fixées par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 88bis, § 2, alinéas 1er et 3.
Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées dans le présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
§ 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
"Art. 464/25. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut faire procéder, en requérant un opérateur d'un réseau de communication électronique ou le fournisseur d'un service de communication électronique :
1° au repérage des données d'appel de moyens de communication électronique à partir desquels ou vers lesquels des appels sont adressés ou ont été adressés;
2° à la localisation de l'origine ou de la destination de communications électroniques.
Dans les cas visés à l'alinéa 1er, pour chaque moyen de communication électronique dont les données d'appel sont repérées ou pour lequel l'origine ou la destination de la communication électronique est localisée, le jour, l'heure, la durée et, si nécessaire, le lieu de la communication électronique sont indiqués et consignés dans un procès-verbal.
Le magistrat EPE précise dans sa décision la durée pendant laquelle la mesure pourra s'appliquer, cette durée ne pouvant excéder, en ce qui concerne les futures données de communication électronique, deux mois à dater de l'ordonnance, sans préjudice de renouvellement.
§ 2. Chaque opérateur d'un réseau de communication électronique et chaque fournisseur d'un service de communication électronique communiquent les informations demandées dans un délai et selon les modalités fixées par l'arrêté royal pris en exécution de l'article 88bis, § 2, alinéas 1er et 3.
Toute personne qui refuse de prêter son concours technique aux réquisitions visées dans le présent article est punie d'une amende de vingt-six euros à dix mille euros.
§ 3. Toute personne qui, du chef de sa fonction, a connaissance de la mesure ou y prête son concours est tenue de garder le secret.
Toute violation du secret sera punie conformément à l'article 458 du Code pénal.".
Art.31. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/26 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/26. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan privécommunicatie of privéelektronische communicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen.
Teneinde het mogelijk te maken privécommunicatie of -elektronische communicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder de toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbenden, in een woning of in een private plaats binnendringen.
§ 2. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan worden bevolen als :
1° hij uitsluitend aangewend wordt ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, die is uitgesproken nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf;
2° de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken.
§ 3. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van de veroordeelde, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door deze veroordeelde, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde dan wel ten aanzien van de personen die vermoed worden regelmatig in contact te staan met de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde.
De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze zelf een veroordeelde of een derde is in de zin van artikel 464/1, § 3, of indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan waaruit blijkt dat de woning of beroepslokalen van de arts of de advocaat worden aangewend om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht. Dezelfde personen zullen door de magistraat die het onderzoek voert in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet zal worden opgetekend in het in § 7 bedoelde proces-verbaal.
§ 4. De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat houdende verzoek tot machtiging gericht aan de strafuitvoeringsrechter vermeldt :
1° de identiteit van de veroordeelde en, in voorkomend geval, van de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde;
2° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat het SUO betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig verklaard is aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf of van een in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde;
3° het verschuldigde saldo van de veroordeling tot de betaling van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten;
4° de redenen waarom de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden, of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
5° de identiteit van de persoon, het communicatie- of elektronisch communicatiemiddelmiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewakingsmaatregel;
6° de voorgestelde periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de ondertekening van de machtiging die werd verleend krachtens artikel 464/20.
§ 5. De SUO-magistraat kan met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, de duur van de bewakingsmaatregel een of meer malen verlengen met een termijn die telkens niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken, zodra de omstandigheden die deze gerechtvaardigd hebben, verdwenen zijn.
Na het verstrijken van de maximumduur kan de uitvoering van de bewakingsmaatregel worden hernieuwd met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, voor zover er nieuwe omstandigheden voorhanden zijn en dit telkens voor één maand met een maximum van zes maanden.
§ 6. De SUO-magistraat of de politieambtenaar die belast is met de operationele leiding van de uitvoering van de bewakingsmaatregel, neemt de bij artikel 90quater, § 2 en 4, voorziene maatregelen als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die maatregel. De bij artikel 90quater, § 2, tweede en derde lid, en § 4, derde en vierde lid, bepaalde strafsancties zijn van toepassing op de personen die de verplichtingen tot medewerking en geheimhouding schenden.
§ 7. De politiedienst die belast is met de uitvoering van de bewakingsmaatregel staat in voor :
1° de selectie en transcriptie van de delen van de opnamen die voor het SUO relevant geachte inlichtingen betreffende de vermogenssituatie van de veroordeelde en de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde bevatten, onder het toezicht van de SUO-magistraat;
2° het vertalen of het laten vertalen van de relevante inlichtingen naar de taal waarin het SUO wordt gevoerd, na toelating van de SUO-magistraat;
3° de neerlegging van de opnamen, samen met de uitgevoerde transcripties, vertalingen en de gemaakte notities, onder verzegelde omslag, op het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert;
4° het vernietigen of het laten vernietigen van de opnamen, selecties van transcripties en vertalingen, na toelating van de SUO-magistraat;
De gevorderde politiedienst stelt een proces-verbaal op waarin hij verslag uitbrengt over de uitvoering van de bewakingsmaatregel en de opdrachten bedoeld in het eerste lid, dat aan de SUO-magistraat wordt toegezonden.
De communicatie of elektronische communicatie die onder het beroepsgeheim of journalistiek bronnengeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal dat wordt opgesteld naar aanleiding van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde opdracht.
De gevorderde politiedienst neemt alle noodzakelijke maatregelen om de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de opgenomen, overgeschreven en vertaalde communicatie of elektronische communicatie tot de neerlegging ervan op het secretariaat overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit.
§ 8. Het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert, staat in voor de bewaring van de overeenkomstige § 7, eerste lid, 3°, neergelegde voorwerpen en akten.
De SUO-magistraat neemt, overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit, alle noodzakelijke maatregelen om tijdens de bewaring op het secretariaat de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de neergelegde opnamen, transcripties en vertalingen.
De SUO-magistraat oordeelt overeenkomstig artikel 464/1, § 5, over de inzage van de voorwerpen en akten die zijn neergelegd door de veroordeelde, de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde of elke andere belanghebbende.
De SUO-magistraat beveelt de vernietiging van de neergelegde voorwerpen en akten die niet bestemd zijn voor de exploitatie in het raam van het SUO of die niet bruikbaar zijn voor de doeleinden bedoeld in artikel 464/1, § 6, uiterlijk bij de afsluiting van het SUO.".
"Art. 464/26. § 1. De SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst kan privécommunicatie of privéelektronische communicatie, tijdens de overbrenging ervan, afluisteren, er kennis van nemen en opnemen.
Teneinde het mogelijk te maken privécommunicatie of -elektronische communicatie direct af te luisteren, er kennis van te nemen of op te nemen met technische hulpmiddelen, kan de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, te allen tijde, ook buiten medeweten of zonder de toestemming van hetzij de bewoner, hetzij de eigenaar of zijn rechthebbenden, in een woning of in een private plaats binnendringen.
§ 2. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan worden bevolen als :
1° hij uitsluitend aangewend wordt ter tenuitvoerlegging van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, die is uitgesproken nadat de veroordeelde schuldig is verklaard aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf;
2° de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken.
§ 3. De in § 1 bedoelde bewakingsmaatregel kan alleen worden bevolen ten aanzien van de veroordeelde, ten aanzien van de communicatie- of telecommunicatiemiddelen die geregeld worden gebruikt door deze veroordeelde, of ten aanzien van de plaatsen waar deze vermoed wordt te vertoeven. De maatregel kan eveneens worden bevolen ten aanzien van de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde dan wel ten aanzien van de personen die vermoed worden regelmatig in contact te staan met de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde.
De maatregel kan alleen betrekking hebben op de lokalen aangewend voor beroepsdoeleinden, de woonplaats of de communicatie- of telecommunicatiemiddelen van een advocaat of een arts, indien deze zelf een veroordeelde of een derde is in de zin van artikel 464/1, § 3, of indien er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan waaruit blijkt dat de woning of beroepslokalen van de arts of de advocaat worden aangewend om de in de artikelen 464/29, § 2, en 464/30, § 1, bedoelde goederen of informatiedragers te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
De maatregel mag niet ten uitvoer worden gelegd zonder dat, naar gelang van het geval, de stafhouder of de vertegenwoordiger van de provinciale orde van geneesheren ervan op de hoogte werd gebracht. Dezelfde personen zullen door de magistraat die het onderzoek voert in kennis worden gesteld van hetgeen volgens hem als communicatie of telecommunicatie onder het beroepsgeheim valt en niet zal worden opgetekend in het in § 7 bedoelde proces-verbaal.
§ 4. De met redenen omklede beslissing van de SUO-magistraat houdende verzoek tot machtiging gericht aan de strafuitvoeringsrechter vermeldt :
1° de identiteit van de veroordeelde en, in voorkomend geval, van de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde;
2° de gegevens van de in kracht van gewijsde gegane rechterlijke beslissing waaruit blijkt dat het SUO betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van een veroordeling tot de betaling van verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, nadat de veroordeelde schuldig verklaard is aan een in artikel 90ter, § 2 tot 4, bedoeld misdrijf of van een in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde;
3° het verschuldigde saldo van de veroordeling tot de betaling van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten;
4° de redenen waarom de gewone uitvoeringshandelingen niet volstonden, of redelijkerwijze niet kunnen volstaan om het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO te bereiken;
5° de identiteit van de persoon, het communicatie- of elektronisch communicatiemiddelmiddel of de plaats die het voorwerp is van de bewakingsmaatregel;
6° de voorgestelde periode tijdens welke de bewaking kan worden uitgeoefend, die niet langer mag zijn dan één maand te rekenen vanaf de ondertekening van de machtiging die werd verleend krachtens artikel 464/20.
§ 5. De SUO-magistraat kan met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, de duur van de bewakingsmaatregel een of meer malen verlengen met een termijn die telkens niet langer mag zijn dan één maand, met een maximum van zes maanden, onverminderd zijn beslissing om aan de maatregel een einde te maken, zodra de omstandigheden die deze gerechtvaardigd hebben, verdwenen zijn.
Na het verstrijken van de maximumduur kan de uitvoering van de bewakingsmaatregel worden hernieuwd met de machtiging van de strafuitvoeringsrechter, voor zover er nieuwe omstandigheden voorhanden zijn en dit telkens voor één maand met een maximum van zes maanden.
§ 6. De SUO-magistraat of de politieambtenaar die belast is met de operationele leiding van de uitvoering van de bewakingsmaatregel, neemt de bij artikel 90quater, § 2 en 4, voorziene maatregelen als ze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van die maatregel. De bij artikel 90quater, § 2, tweede en derde lid, en § 4, derde en vierde lid, bepaalde strafsancties zijn van toepassing op de personen die de verplichtingen tot medewerking en geheimhouding schenden.
§ 7. De politiedienst die belast is met de uitvoering van de bewakingsmaatregel staat in voor :
1° de selectie en transcriptie van de delen van de opnamen die voor het SUO relevant geachte inlichtingen betreffende de vermogenssituatie van de veroordeelde en de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde bevatten, onder het toezicht van de SUO-magistraat;
2° het vertalen of het laten vertalen van de relevante inlichtingen naar de taal waarin het SUO wordt gevoerd, na toelating van de SUO-magistraat;
3° de neerlegging van de opnamen, samen met de uitgevoerde transcripties, vertalingen en de gemaakte notities, onder verzegelde omslag, op het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert;
4° het vernietigen of het laten vernietigen van de opnamen, selecties van transcripties en vertalingen, na toelating van de SUO-magistraat;
De gevorderde politiedienst stelt een proces-verbaal op waarin hij verslag uitbrengt over de uitvoering van de bewakingsmaatregel en de opdrachten bedoeld in het eerste lid, dat aan de SUO-magistraat wordt toegezonden.
De communicatie of elektronische communicatie die onder het beroepsgeheim of journalistiek bronnengeheim valt, wordt niet opgetekend in het proces-verbaal dat wordt opgesteld naar aanleiding van de in het eerste lid, 1° en 2°, bedoelde opdracht.
De gevorderde politiedienst neemt alle noodzakelijke maatregelen om de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de opgenomen, overgeschreven en vertaalde communicatie of elektronische communicatie tot de neerlegging ervan op het secretariaat overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit.
§ 8. Het secretariaat van het openbaar ministerie dat het SUO voert, staat in voor de bewaring van de overeenkomstige § 7, eerste lid, 3°, neergelegde voorwerpen en akten.
De SUO-magistraat neemt, overeenkomstig het ter uitvoering van artikel 90septies, vijfde lid, genomen koninklijk besluit, alle noodzakelijke maatregelen om tijdens de bewaring op het secretariaat de integriteit en de vertrouwelijkheid te waarborgen van de neergelegde opnamen, transcripties en vertalingen.
De SUO-magistraat oordeelt overeenkomstig artikel 464/1, § 5, over de inzage van de voorwerpen en akten die zijn neergelegd door de veroordeelde, de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde of elke andere belanghebbende.
De SUO-magistraat beveelt de vernietiging van de neergelegde voorwerpen en akten die niet bestemd zijn voor de exploitatie in het raam van het SUO of die niet bruikbaar zijn voor de doeleinden bedoeld in artikel 464/1, § 6, uiterlijk bij de afsluiting van het SUO.".
Art.31. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 464/26 rédigé comme suit :
"Art. 464/26. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut écouter, prendre connaissance et enregistrer, pendant leur transmission, des communications privées ou des communications électroniques privées.
En vue de permettre l'écoute, la prise de connaissance ou l'enregistrement direct de communications ou communications électroniques privées à l'aide de moyens techniques, le magistrat EPE ou le service de police requis peut également à l'insu ou sans le consentement de l'occupant, du propriétaire ou de ses ayants droit, ordonner la pénétration, à tout moment, dans un domicile ou dans un lieu privé.
§ 2. La mesure de surveillance visée au § 1er peut être ordonnée si :
1° elle est appliquée uniquement en vue de l'exécution d'une condamnation, passée en force de chose jugée, au paiement de confiscations, d'amendes et des frais de justice, prononcée après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction visée à l'article 90ter, § 2 à 4;
2° les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
§ 3. La mesure de surveillance visée au § 1er ne peut être ordonnée qu'à l'égard du condamné, ou à l'égard des moyens de communication ou de télécommunication régulièrement utilisés par ce condamné, ou à l'égard des lieux présumés fréquentés par celui-ci. Elle peut l'être également à l'égard du tiers visé à l'article 464/1, § 3, ou à l'égard des personnes présumées être en communication régulière avec le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3.
La mesure ne pourra porter sur les locaux utilisés à des fins professionnelles, la résidence ou les moyens de communication ou de télécommunication d'un avocat ou d'un médecin que si celui-ci est lui-même un condamné ou un tiers au sens de l'article 464/1, § 3, ou s'il existe des indices sérieux et concrets qui font apparaître que l'habitation ou les locaux utilisés à des fins professionnelles du médecin ou de l'avocat sont utilisés pour soustraire les biens ou supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, à l'exécution de la condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice.
La mesure ne peut être exécutée sans que le bâtonnier ou le représentant de l'ordre provincial des médecins, selon le cas, en soit averti. Ces mêmes personnes seront informées, par le magistrat qui mène l'enquête, des communications ou télécommunications recueillies qu'il estime relever du secret professionnel et qui ne seront pas consignées au procès-verbal visé au § 7.
§ 4. La décision motivée du magistrat EPE portant demande d'autorisation adressée au juge de l'application des peines mentionne :
1° l'identité du condamné et, le cas échéant, du tiers visé à l'article 464/1, § 3;
2° les données de la décision passée en force de chose jugée qui font apparaître que l'EPE porte sur l'exécution d'une condamnation au paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice, après que le condamné ou un tiers visé à l'article 464/1, § 3, a été déclaré coupable d'une infraction visée à l'article 90ter, § 2 à 4;
3° le solde dû de la condamnation au paiement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice;
4° les raisons pour lesquelles les actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er;
5° l'identité de la personne, le moyen de communication ou de communication électronique ou le lieu soumis à la surveillance;
6° la période proposée pendant laquelle la surveillance peut être pratiquée et qui ne peut excéder un mois à compter de la signature de l'autorisation accordée en vertu de l'article 464/20.
§ 5. Le magistrat EPE peut, moyennant autorisation du juge de l'application des peines, prolonger une ou plusieurs fois la durée de la mesure de surveillance pour un nouveau terme qui ne peut à chaque fois dépasser un mois, avec un maximum de six mois, sans préjudice de sa décision de mettre fin à la mesure dès que les circonstances qui l'ont justifiée ont disparu.
A l'expiration de la durée maximale, l'exécution de la mesure de surveillance peut être renouvelée moyennant autorisation du juge de l'application des peines, pour autant qu'il y ait de nouvelles circonstances, et ce, pour un mois chaque fois, avec un maximum de six mois.
§ 6. Le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de la mesure de surveillance prend les mesures prévues à l'article 90quater, § 2 et 4, si elles sont nécessaires à l'exécution de cette mesure. Les sanctions pénales prévues à l'article 90quater, § 2, alinéas 2 et 3, et § 4, alinéas 3 et 4, sont d'application aux personnes qui violent les obligations de collaboration et de secret.
§ 7. Le service de police chargé de l'exécution de la mesure de surveillance se charge :
1° de sélectionner et transcrire, sous le contrôle du magistrat EPE, les parties des enregistrements qui contiennent des renseignements jugés pertinents pour l'EPE concernant la situation patrimoniale du condamné et du tiers visé à l'article 464/1, § 3;
2° de traduire ou faire traduire, après autorisation du magistrat EPE, les renseignements pertinents dans la langue dans laquelle l'EPE est menée;
3° de déposer les enregistrements, accompagnés des transcriptions, des traductions et des notices effectuées, sous pli scellé, au secrétariat du ministère public qui mène l'EPE;
4° de détruire ou faire détruire, après autorisation du magistrat EPE, les enregistrements, les sélections de transcription et les traductions.
Le service de police requis dresse un procès-verbal dans lequel il fait rapport sur l'exécution de la mesure de surveillance et des missions visées à l'alinéa 1er et l'envoie au magistrat EPE.
La communication ou communication électronique qui relève du secret professionnel ou du secret des sources journalistiques n'est pas consignée dans le procès-verbal dressé à la suite de la mission visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
Le service de police requis prend toutes les mesures nécessaires afin de garantir l'intégrité et la confidentialité de la communication ou communication électronique enregistrée, transcrite et traduite jusqu'à son dépôt au secrétariat conformément à l'arrêté royal pris en exécution de l'article 90septies, alinéa 5.
§ 8. Le secrétariat du ministère public qui mène l'EPE veille à la conservation des objets et actes déposés conformément au § 7, alinéa 1er, 3°.
Le magistrat EPE prend, conformément à l'arrêté royal pris en exécution de l'article 90septies, alinéa 5, toutes les mesures nécessaires afin de garantir l'intégrité et la confidentialité des enregistrements, transcriptions et traductions déposés pendant leur conservation au secrétariat.
Le magistrat EPE statue conformément à l'article 464/1, § 5, sur la consultation des objets et actes déposés par le condamné, le tiers visé à l'article 464/1, § 3, ou tout autre ayant droit.
Le magistrat EPE ordonne la destruction des objets et actes déposés qui ne sont pas destinés à l'exploitation dans le cadre de l'EPE ou qui ne sont pas utilisables aux fins visées à l'article 464/1, § 6, au plus tard à la clôture de l'EPE.".
"Art. 464/26. § 1er. Le magistrat EPE ou le service de police requis peut écouter, prendre connaissance et enregistrer, pendant leur transmission, des communications privées ou des communications électroniques privées.
En vue de permettre l'écoute, la prise de connaissance ou l'enregistrement direct de communications ou communications électroniques privées à l'aide de moyens techniques, le magistrat EPE ou le service de police requis peut également à l'insu ou sans le consentement de l'occupant, du propriétaire ou de ses ayants droit, ordonner la pénétration, à tout moment, dans un domicile ou dans un lieu privé.
§ 2. La mesure de surveillance visée au § 1er peut être ordonnée si :
1° elle est appliquée uniquement en vue de l'exécution d'une condamnation, passée en force de chose jugée, au paiement de confiscations, d'amendes et des frais de justice, prononcée après que le condamné a été déclaré coupable d'une infraction visée à l'article 90ter, § 2 à 4;
2° les autres actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
§ 3. La mesure de surveillance visée au § 1er ne peut être ordonnée qu'à l'égard du condamné, ou à l'égard des moyens de communication ou de télécommunication régulièrement utilisés par ce condamné, ou à l'égard des lieux présumés fréquentés par celui-ci. Elle peut l'être également à l'égard du tiers visé à l'article 464/1, § 3, ou à l'égard des personnes présumées être en communication régulière avec le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3.
La mesure ne pourra porter sur les locaux utilisés à des fins professionnelles, la résidence ou les moyens de communication ou de télécommunication d'un avocat ou d'un médecin que si celui-ci est lui-même un condamné ou un tiers au sens de l'article 464/1, § 3, ou s'il existe des indices sérieux et concrets qui font apparaître que l'habitation ou les locaux utilisés à des fins professionnelles du médecin ou de l'avocat sont utilisés pour soustraire les biens ou supports d'information visés aux articles 464/29, § 2, et 464/30, § 1er, à l'exécution de la condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice.
La mesure ne peut être exécutée sans que le bâtonnier ou le représentant de l'ordre provincial des médecins, selon le cas, en soit averti. Ces mêmes personnes seront informées, par le magistrat qui mène l'enquête, des communications ou télécommunications recueillies qu'il estime relever du secret professionnel et qui ne seront pas consignées au procès-verbal visé au § 7.
§ 4. La décision motivée du magistrat EPE portant demande d'autorisation adressée au juge de l'application des peines mentionne :
1° l'identité du condamné et, le cas échéant, du tiers visé à l'article 464/1, § 3;
2° les données de la décision passée en force de chose jugée qui font apparaître que l'EPE porte sur l'exécution d'une condamnation au paiement de confiscations, d'amendes et de frais de justice, après que le condamné ou un tiers visé à l'article 464/1, § 3, a été déclaré coupable d'une infraction visée à l'article 90ter, § 2 à 4;
3° le solde dû de la condamnation au paiement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice;
4° les raisons pour lesquelles les actes d'exécution ordinaires n'ont pas suffi ou ne peuvent raisonnablement pas suffire pour atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er;
5° l'identité de la personne, le moyen de communication ou de communication électronique ou le lieu soumis à la surveillance;
6° la période proposée pendant laquelle la surveillance peut être pratiquée et qui ne peut excéder un mois à compter de la signature de l'autorisation accordée en vertu de l'article 464/20.
§ 5. Le magistrat EPE peut, moyennant autorisation du juge de l'application des peines, prolonger une ou plusieurs fois la durée de la mesure de surveillance pour un nouveau terme qui ne peut à chaque fois dépasser un mois, avec un maximum de six mois, sans préjudice de sa décision de mettre fin à la mesure dès que les circonstances qui l'ont justifiée ont disparu.
A l'expiration de la durée maximale, l'exécution de la mesure de surveillance peut être renouvelée moyennant autorisation du juge de l'application des peines, pour autant qu'il y ait de nouvelles circonstances, et ce, pour un mois chaque fois, avec un maximum de six mois.
§ 6. Le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police chargé de la direction opérationnelle de l'exécution de la mesure de surveillance prend les mesures prévues à l'article 90quater, § 2 et 4, si elles sont nécessaires à l'exécution de cette mesure. Les sanctions pénales prévues à l'article 90quater, § 2, alinéas 2 et 3, et § 4, alinéas 3 et 4, sont d'application aux personnes qui violent les obligations de collaboration et de secret.
§ 7. Le service de police chargé de l'exécution de la mesure de surveillance se charge :
1° de sélectionner et transcrire, sous le contrôle du magistrat EPE, les parties des enregistrements qui contiennent des renseignements jugés pertinents pour l'EPE concernant la situation patrimoniale du condamné et du tiers visé à l'article 464/1, § 3;
2° de traduire ou faire traduire, après autorisation du magistrat EPE, les renseignements pertinents dans la langue dans laquelle l'EPE est menée;
3° de déposer les enregistrements, accompagnés des transcriptions, des traductions et des notices effectuées, sous pli scellé, au secrétariat du ministère public qui mène l'EPE;
4° de détruire ou faire détruire, après autorisation du magistrat EPE, les enregistrements, les sélections de transcription et les traductions.
Le service de police requis dresse un procès-verbal dans lequel il fait rapport sur l'exécution de la mesure de surveillance et des missions visées à l'alinéa 1er et l'envoie au magistrat EPE.
La communication ou communication électronique qui relève du secret professionnel ou du secret des sources journalistiques n'est pas consignée dans le procès-verbal dressé à la suite de la mission visée à l'alinéa 1er, 1° et 2°.
Le service de police requis prend toutes les mesures nécessaires afin de garantir l'intégrité et la confidentialité de la communication ou communication électronique enregistrée, transcrite et traduite jusqu'à son dépôt au secrétariat conformément à l'arrêté royal pris en exécution de l'article 90septies, alinéa 5.
§ 8. Le secrétariat du ministère public qui mène l'EPE veille à la conservation des objets et actes déposés conformément au § 7, alinéa 1er, 3°.
Le magistrat EPE prend, conformément à l'arrêté royal pris en exécution de l'article 90septies, alinéa 5, toutes les mesures nécessaires afin de garantir l'intégrité et la confidentialité des enregistrements, transcriptions et traductions déposés pendant leur conservation au secrétariat.
Le magistrat EPE statue conformément à l'article 464/1, § 5, sur la consultation des objets et actes déposés par le condamné, le tiers visé à l'article 464/1, § 3, ou tout autre ayant droit.
Le magistrat EPE ordonne la destruction des objets et actes déposés qui ne sont pas destinés à l'exploitation dans le cadre de l'EPE ou qui ne sont pas utilisables aux fins visées à l'article 464/1, § 6, au plus tard à la clôture de l'EPE.".
Art.32. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/27 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/27. § 1. De SUO-magistraat die het onderzoek voert kan een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren ten aanzien van een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek.
§ 2. De grond- en vormvoorwaarden en de uitvoeringswijze die worden bepaald bij artikel 464/14 en de in artikel 464/15 bedoelde verschoningsgrond zijn van toepassing op de in § 1 bedoelde observatie.
De magistraat vermeldt in zijn machtiging tot observatie het adres of een zo nauwkeurig mogelijke plaatsbepaling van de in § 1 bedoelde woning waarop de observatie betrekking heeft.".
"Art. 464/27. § 1. De SUO-magistraat die het onderzoek voert kan een politiedienst machtigen om een observatie uit te voeren ten aanzien van een woning of in een door deze woning omsloten eigen aanhorigheid in de zin van de artikelen 479, 480 en 481 van het Strafwetboek.
§ 2. De grond- en vormvoorwaarden en de uitvoeringswijze die worden bepaald bij artikel 464/14 en de in artikel 464/15 bedoelde verschoningsgrond zijn van toepassing op de in § 1 bedoelde observatie.
De magistraat vermeldt in zijn machtiging tot observatie het adres of een zo nauwkeurig mogelijke plaatsbepaling van de in § 1 bedoelde woning waarop de observatie betrekking heeft.".
Art.32. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 464/27 rédigé comme suit :
"Art. 464/27. § 1er. Le magistrat EPE qui mène l'enquête peut autoriser un service de police à effectuer une observation à l'égard d'une habitation ou d'une dépendance propre y enclose, au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal.
§ 2. Les conditions de fond et de forme ainsi que les modalités d'exécution prévues à l'article 464/14 et la cause d'excuse visée à l'article 464/15 sont applicables à l'observation visée au § 1er.
Le magistrat mentionne dans son autorisation d'observation l'adresse ou la localisation la plus précise possible de l'habitation visée au § 1er sur laquelle porte l'observation.".
"Art. 464/27. § 1er. Le magistrat EPE qui mène l'enquête peut autoriser un service de police à effectuer une observation à l'égard d'une habitation ou d'une dépendance propre y enclose, au sens des articles 479, 480 et 481 du Code pénal.
§ 2. Les conditions de fond et de forme ainsi que les modalités d'exécution prévues à l'article 464/14 et la cause d'excuse visée à l'article 464/15 sont applicables à l'observation visée au § 1er.
Le magistrat mentionne dans son autorisation d'observation l'adresse ou la localisation la plus précise possible de l'habitation visée au § 1er sur laquelle porte l'observation.".
Art.33. In dezelfde onderafdeling 2 wordt een artikel 464/28 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/28. Indien er tijdens het SUO ernstige aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde als rechtspersoon zijn vermogen wil onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten op dit vermogen, kan de SUO-magistraat de volgende maat-regelen gelasten, indien bijzondere omstandigheden dat vergen :
1° de schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon;
2° het verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;
3° de storting van een borgsom op de rekening van het COIV tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.
Indien de in het eerste lid bedoelde maatregelen betrekking hebben op onroerende goederen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 464/33.
De rechtspersoon kan om de opheffing van de genomen maatregel verzoeken overeenkomstig artikel 464/36.".
"Art. 464/28. Indien er tijdens het SUO ernstige aanwijzingen bestaan dat de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde als rechtspersoon zijn vermogen wil onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten op dit vermogen, kan de SUO-magistraat de volgende maat-regelen gelasten, indien bijzondere omstandigheden dat vergen :
1° de schorsing van de procedure van ontbinding of vereffening van de rechtspersoon;
2° het verbod van specifieke vermogensrechtelijke transacties die tot het onvermogen van de rechtspersoon kunnen leiden;
3° de storting van een borgsom op de rekening van het COIV tot een door hem bepaald bedrag, als waarborg voor de inachtneming van de maatregelen die hij gelast.
Indien de in het eerste lid bedoelde maatregelen betrekking hebben op onroerende goederen, wordt gehandeld overeenkomstig artikel 464/33.
De rechtspersoon kan om de opheffing van de genomen maatregel verzoeken overeenkomstig artikel 464/36.".
Art.33. Dans la même sous-section 2, il est inséré un article 464/28 rédigé comme suit :
"Art. 464/28. Lorsqu'au cours de l'EPE, il existe des indices sérieux que le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3, veut, en tant que personne morale, soustraire son patrimoine à l'exécution de la condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice sur ce patrimoine, le magistrat EPE peut, si des circonstances particulières le requièrent, ordonner les mesures suivantes :
1° la suspension de la procédure de dissolution ou de liquidation de la personne morale;
2° l'interdiction de transactions patrimoniales spécifiques susceptibles d'entraîner l'insolvabilité de la personne morale;
3° le versement d'un cautionnement dont il fixe le montant sur le compte de l'OCSC, en vue de garantir le respect des mesures qu'il ordonne.
Si les mesures visées à l'alinéa 1er concernent des biens immeubles, il est procédé conformément à l'article 464/33.
La personne morale peut demander la levée de la mesure prise conformément à l'article 464/36.".
"Art. 464/28. Lorsqu'au cours de l'EPE, il existe des indices sérieux que le condamné ou le tiers visé à l'article 464/1, § 3, veut, en tant que personne morale, soustraire son patrimoine à l'exécution de la condamnation à une confiscation, à une amende ou aux frais de justice sur ce patrimoine, le magistrat EPE peut, si des circonstances particulières le requièrent, ordonner les mesures suivantes :
1° la suspension de la procédure de dissolution ou de liquidation de la personne morale;
2° l'interdiction de transactions patrimoniales spécifiques susceptibles d'entraîner l'insolvabilité de la personne morale;
3° le versement d'un cautionnement dont il fixe le montant sur le compte de l'OCSC, en vue de garantir le respect des mesures qu'il ordonne.
Si les mesures visées à l'alinéa 1er concernent des biens immeubles, il est procédé conformément à l'article 464/33.
La personne morale peut demander la levée de la mesure prise conformément à l'article 464/36.".
Art.34. In dezelfde afdeling 4 wordt een onderafdeling 3 ingevoegd, luidende "Inbeslagneming ten behoeve van de straf-uitvoering".
Art.34. Dans la même section 4, il est inséré une sous-section 3 intitulée "De la saisie pour assurer l'exécution de la peine".
Art.35. In onderafdeling 3, ingevoegd bij artikel 34, wordt een artikel 464/29 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/29. § 1. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en gemotiveerde beslissing, alle inbeslagnemingen verrichten, of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, die kunnen bijdragen tot het bereiken van het doel van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
Iedere politieambtenaar mag ambtshalve overgaan tot de inbeslagneming van de roerende goederen en documenten bedoeld in § 2 die kunnen bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
§ 2. Zijn vatbaar voor inbeslagneming :
1° alle goederen, zowel roerende als onroerende, lichamelijke als onlichamelijke, in het vermogen van de veroordeelde, waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd;
2° alle informatiedragers, in origineel of in kopie, die zich bevinden bij de veroordeelde of derden en inlichtingen bevatten over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en over de samenstelling en de vindplaats van zijn vermogen.
§ 3. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.
De informatiedragers die inlichtingen bevatten die gedekt zijn door een beroepsgeheim zijn niet vatbaar voor beslag.".
"Art. 464/29. § 1. De SUO-magistraat kan, bij een schriftelijke en gemotiveerde beslissing, alle inbeslagnemingen verrichten, of laten verrichten door de gevorderde politiedienst, die kunnen bijdragen tot het bereiken van het doel van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
Iedere politieambtenaar mag ambtshalve overgaan tot de inbeslagneming van de roerende goederen en documenten bedoeld in § 2 die kunnen bijdragen tot het bereiken van het in artikel 464/1, § 1, omschreven doel van het SUO.
§ 2. Zijn vatbaar voor inbeslagneming :
1° alle goederen, zowel roerende als onroerende, lichamelijke als onlichamelijke, in het vermogen van de veroordeelde, waarop de uitvoerbare veroordeling tot betaling van een verbeurdverklaring, geldboete en de gerechtskosten kan worden uitgevoerd;
2° alle informatiedragers, in origineel of in kopie, die zich bevinden bij de veroordeelde of derden en inlichtingen bevatten over de vermogensrechtelijke verrichtingen die zijn uitgevoerd door de veroordeelde en over de samenstelling en de vindplaats van zijn vermogen.
§ 3. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.
De informatiedragers die inlichtingen bevatten die gedekt zijn door een beroepsgeheim zijn niet vatbaar voor beslag.".
Art.35. Dans la sous-section 3, insérée par l'article 34, il est inséré un article 464/29 rédigé comme suit :
"Art. 464/29. § 1er. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, effectuer ou faire effectuer par le service de police requis toutes les saisies qui peuvent contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
Chaque fonctionnaire de police peut procéder d'office à la saisie des biens meubles et documents visés au § 2 qui peuvent contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
§ 2. Sont saisissables :
1° tous les biens meubles et immeubles, corporels ou incorporels, du patrimoine du condamné sur lesquels la condamnation exécutoire au paiement d'une confiscation, d'une amende et des frais de justice peut être exécutée;
2° tous les supports d'information, sous forme originale ou de copie, qui se trouvent chez le condamné ou des tiers, qui contiennent des informations sur les transactions patrimoniales effectuées par le condamné et sur la composition et l'emplacement de son patrimoine.
§ 3. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.
Les supports d'information qui contiennent des informations couvertes par un secret professionnel sont insaisissables.".
"Art. 464/29. § 1er. Le magistrat EPE peut, par décision écrite et motivée, effectuer ou faire effectuer par le service de police requis toutes les saisies qui peuvent contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
Chaque fonctionnaire de police peut procéder d'office à la saisie des biens meubles et documents visés au § 2 qui peuvent contribuer à atteindre l'objectif de l'EPE défini à l'article 464/1, § 1er.
§ 2. Sont saisissables :
1° tous les biens meubles et immeubles, corporels ou incorporels, du patrimoine du condamné sur lesquels la condamnation exécutoire au paiement d'une confiscation, d'une amende et des frais de justice peut être exécutée;
2° tous les supports d'information, sous forme originale ou de copie, qui se trouvent chez le condamné ou des tiers, qui contiennent des informations sur les transactions patrimoniales effectuées par le condamné et sur la composition et l'emplacement de son patrimoine.
§ 3. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.
Les supports d'information qui contiennent des informations couvertes par un secret professionnel sont insaisissables.".
Art.36. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/30 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/30. § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de in artikel 464/29, § 2, 1°, bedoelde goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, onder de volgende voorwaarden :
1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de veroordeelde het goed heeft overgedragen, zelfs voor het in kracht van gewijsde gaan van de veroordeling, aan de derde met het kennelijke doel de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten te verhinderen, of aanzienlijk te bemoeilijken;
2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare of mogelijke veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
In zijn beslissing vermeldt de magistraat de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de veroordeelde het goed wil onttrekken aan de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten alsook de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid en die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
§ 2. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.".
"Art. 464/30. § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de in artikel 464/29, § 2, 1°, bedoelde goederen die niet toebehoren aan de veroordeelde, onder de volgende voorwaarden :
1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de veroordeelde het goed heeft overgedragen, zelfs voor het in kracht van gewijsde gaan van de veroordeling, aan de derde met het kennelijke doel de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten te verhinderen, of aanzienlijk te bemoeilijken;
2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de veroordeelde met het oogmerk om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een uitvoerbare of mogelijke veroordeling tot een verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten.
In zijn beslissing vermeldt de magistraat de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de veroordeelde het goed wil onttrekken aan de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete en gerechtskosten alsook de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid en die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
§ 2. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.".
Art.36. Dans la même sous-section 3, il est inséré un article 464/30 rédigé comme suit :
"Art. 464/30. § 1er. Le magistrat EPE peut saisir les biens visés à l'article 464/29, § 2, 1°, qui n'appartiennent pas au condamné aux conditions suivantes :
1° il existe suffisamment d'indices sérieux et concrets que le condamné a transféré le bien au tiers, même avant que la condamnation soit passée en force de chose jugée, dans le but manifeste d'empêcher ou de compliquer fortement le recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice;
2° le tiers savait ou devait raisonnablement savoir que le bien lui avait été cédé directement ou indirectement par le condamné en vue de le soustraire à l'exécution d'une condamnation exécutoire ou possible à une confiscation, une amende ou aux frais de justice.
Dans sa décision, le magistrat mentionne les indices sérieux et concrets qui font apparaître que le condamné veut soustraire le bien au recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice, ainsi que les informations dont il ressort ou peut être déduit que le tiers en a connaissance et qui justifient la saisie. Ces données figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.
§ 2. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.".
"Art. 464/30. § 1er. Le magistrat EPE peut saisir les biens visés à l'article 464/29, § 2, 1°, qui n'appartiennent pas au condamné aux conditions suivantes :
1° il existe suffisamment d'indices sérieux et concrets que le condamné a transféré le bien au tiers, même avant que la condamnation soit passée en force de chose jugée, dans le but manifeste d'empêcher ou de compliquer fortement le recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice;
2° le tiers savait ou devait raisonnablement savoir que le bien lui avait été cédé directement ou indirectement par le condamné en vue de le soustraire à l'exécution d'une condamnation exécutoire ou possible à une confiscation, une amende ou aux frais de justice.
Dans sa décision, le magistrat mentionne les indices sérieux et concrets qui font apparaître que le condamné veut soustraire le bien au recouvrement de la confiscation, de l'amende et des frais de justice, ainsi que les informations dont il ressort ou peut être déduit que le tiers en a connaissance et qui justifient la saisie. Ces données figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.
§ 2. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.".
Art.37. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/31 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/31. § 1. Ingeval wordt overgegaan tot inbeslagneming krachtens de artikelen 464/29, 464/30 en 464/32 maakt de beslagleggende SUO-magistraat of politiedienst een proces-verbaal op waarin de in beslag genomen zaken worden vermeld.
§ 2. Het proces-verbaal wordt ter ondertekening aan de beslagene aangeboden, die er kosteloos een afschrift van kan ontvangen. Indien de beslagene weigert het proces-verbaal te ondertekenen en/of het afschrift daarvan in ontvangst te nemen of niet bereikt kan worden, maakt de SUO-magistraat of politieambtenaar daarvan melding op het origineel en wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan op de dag waarop de verbalisant de weigering vaststelt. Indien het afschrift niet onmiddellijk wordt overhandigd, wordt het binnen achtenveertig uur verstuurd.
Het afschrift van het proces-verbaal bevat :
1° de waarschuwing dat de beslagene, de goederen die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen mag geven, op straffe van toepassing van artikel 507 van het Strafwetboek;
2° de referenties eigen aan de zaak;
3° de tekst van het artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.".
"Art. 464/31. § 1. Ingeval wordt overgegaan tot inbeslagneming krachtens de artikelen 464/29, 464/30 en 464/32 maakt de beslagleggende SUO-magistraat of politiedienst een proces-verbaal op waarin de in beslag genomen zaken worden vermeld.
§ 2. Het proces-verbaal wordt ter ondertekening aan de beslagene aangeboden, die er kosteloos een afschrift van kan ontvangen. Indien de beslagene weigert het proces-verbaal te ondertekenen en/of het afschrift daarvan in ontvangst te nemen of niet bereikt kan worden, maakt de SUO-magistraat of politieambtenaar daarvan melding op het origineel en wordt de kennisgeving geacht te zijn gedaan op de dag waarop de verbalisant de weigering vaststelt. Indien het afschrift niet onmiddellijk wordt overhandigd, wordt het binnen achtenveertig uur verstuurd.
Het afschrift van het proces-verbaal bevat :
1° de waarschuwing dat de beslagene, de goederen die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen mag geven, op straffe van toepassing van artikel 507 van het Strafwetboek;
2° de referenties eigen aan de zaak;
3° de tekst van het artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.".
Art.37. Dans la même sous-section 3, il est inséré un article 464/31 rédigé comme suit :
"Art. 464/31. § 1er. Lorsqu'il est procédé à la saisie en vertu des articles 464/29, 464/30 et 464/32, le magistrat EPE saisissant ou le service de police saisissant rédige un procès-verbal énumérant les choses saisies.
§ 2. Le procès-verbal est présenté pour signature au saisi, qui peut en recevoir une copie sans frais. Si le saisi refuse de signer le procès-verbal et/ou d'en recevoir une copie ou ne peut être joint, le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police en fait mention sur l'original et la notification est réputée faite le jour où le verbalisant constate le refus. Si la copie n'est pas remise immédiatement, elle est envoyée dans les quarante-huit heures.
La copie du procès-verbal contient :
1° l'avertissement que le saisi ne peut plus se dessaisir des biens qui font l'objet de la saisie, sous peine de l'application de l'article 507 du Code pénal;
2° les références de l'affaire;
3° le texte de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.".
"Art. 464/31. § 1er. Lorsqu'il est procédé à la saisie en vertu des articles 464/29, 464/30 et 464/32, le magistrat EPE saisissant ou le service de police saisissant rédige un procès-verbal énumérant les choses saisies.
§ 2. Le procès-verbal est présenté pour signature au saisi, qui peut en recevoir une copie sans frais. Si le saisi refuse de signer le procès-verbal et/ou d'en recevoir une copie ou ne peut être joint, le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police en fait mention sur l'original et la notification est réputée faite le jour où le verbalisant constate le refus. Si la copie n'est pas remise immédiatement, elle est envoyée dans les quarante-huit heures.
La copie du procès-verbal contient :
1° l'avertissement que le saisi ne peut plus se dessaisir des biens qui font l'objet de la saisie, sous peine de l'application de l'article 507 du Code pénal;
2° les références de l'affaire;
3° le texte de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.".
Art.38. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/32 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/32. Wanneer de in 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen zijn opgeslagen in een informaticasysteem, maar de inbeslagneming van de drager ervan niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens die noodzakelijk zijn om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruik gemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn het informaticasysteem te gebruiken.".
"Art. 464/32. Wanneer de in 464/29, § 2, 2°, bedoelde inlichtingen zijn opgeslagen in een informaticasysteem, maar de inbeslagneming van de drager ervan niet wenselijk is, worden deze gegevens, evenals de gegevens die noodzakelijk zijn om deze te kunnen verstaan, gekopieerd op dragers die toebehoren aan de overheid. In geval van dringendheid of om technische redenen kan gebruik gemaakt worden van dragers die ter beschikking staan van personen die gerechtigd zijn het informaticasysteem te gebruiken.".
Art.38. Dans la même sous-section 3, il est inséré un article 464/32 rédigé comme suit :
"Art. 464/32. Si des informations visées à l'article 464/29, § 2, 2°, sont stockées dans un système informatique, mais que la saisie du support n'est pas opportune, il est procédé à la copie de ces données, ainsi que des données nécessaires pour pouvoir les comprendre, sur des supports appartenant à l'autorité. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage de supports qui sont à la disposition de personnes habilitées à utiliser le système informatique.".
"Art. 464/32. Si des informations visées à l'article 464/29, § 2, 2°, sont stockées dans un système informatique, mais que la saisie du support n'est pas opportune, il est procédé à la copie de ces données, ainsi que des données nécessaires pour pouvoir les comprendre, sur des supports appartenant à l'autorité. En cas d'urgence ou pour des raisons techniques, il peut être fait usage de supports qui sont à la disposition de personnes habilitées à utiliser le système informatique.".
Art.39. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/33 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/33. § 1. De SUO-magistraat kan de onroerende goederen die een zaak in de zin van artikel 464/29, § 2, 1°, vormen, in beslag laten nemen.
§ 2. Het beslag wordt op vordering van de SUO-magistraat gelegd bij proces-verbaal dat door deze magistraat of de gevorderde politiedienst aan de eigenaar wordt betekend. In voorkomende geval wordt het proces-verbaal van inbeslagneming betekend aan de blote eigenaar, de vruchtgebruiker, de erfpachter, de opstalhouder en, in voorkomende geval, de huurder.
Het proces-verbaal van inbeslagneming bevat op straffe van nietigheid :
1° een afschrift van de vordering van de SUO-magistraat;
2° de identiteit van de beslagene, met vermelding van zijn naam, voornaam, woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats en de geboortedatum- en plaats, indien het een natuurlijk persoon betreft, of van zijn benaming, rechtsvorm, ondernemingsnummer en zetel, indien het een rechtspersoon betreft;
3° een omschrijving van het onroerend goed waarop beslag wordt gelegd op de wijze die is voorgeschreven door artikel 141 van de Hypotheekwet van 16 december 1851;
4° een uittreksel uit de kadastrale legger, dat minder dan drie maanden oud is;
5° de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek;
§ 3. Binnen vierentwintig uur na de handeling van het beslag biedt de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst het proces-verbaal van inbeslagneming ter overschrijving aan op het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn.
De overschrijving wordt door de hypotheekbewaarder, op straffe van schadevergoeding, gedaan uiterlijk binnen acht dagen na de afgifte van het voormelde proces-verbaal van inbeslagneming. Als dagtekening van de overschrijving geldt evenwel de dag van afgifte van het proces-verbaal.
Als de hypotheekbewaarder de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming niet kan verrichten op het ogenblik dat zij wordt gevorderd, dan vermeldt hij op de originele processen-verbaal die bij hem worden achtergelaten de dag en het uur waarop zij hem werden overhandigd.
§ 4. Het beslag doet geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de eigenaar of elke andere gerechtigde persoon om het in beslag genomen onroerend goed verder te gebruiken als een goede huisvader.
§ 5 De burgerlijke vruchten die het onroerend goed tijdens de duur van het beslag opbrengt, zijn in het beslag be-grepen, behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat.
De SUO-magistraat kan het COIV verzoeken om in te staan voor de inning van de vruchten van een onroerend goed. Indien het beslag uitgaat van een magistraat van het COIV, kan hij ambtshalve beslissen deze vruchten te innen. Onverminderd de toepassing van artikel 464/36 staat er geen rechtsmiddel open tegen de beslissing van de SUO-magistraat.
Het COIV brengt de in het tweede lid bedoelde beslissing tweede lid ter kennis van de schuldenaar en schuldeiser van deze inkomsten bij een aangetekend schrijven of door de overhandiging van een proces-verbaal. De kennisgeving bevat de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van Strafwetboek.
Vanaf de ontvangst van de kennisgeving worden alle burgerlijke vruchten die tijdens het beslag vervallen, van rechtswege begrepen in het voorwerp van het beslag.
De schuldenaar en de schuldeiser mogen de geldsommen die begrepen zijn in het voorwerp van het beslag niet meer op een andere wijze uit handen geven dan die welke in het zesde lid wordt bedoeld, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
De schuldenaar van de inkomsten kan enkel bevrijdend betalen in handen van het COIV. Betalingen in handen van de schuldeiser die zijn verricht na de regelmatige kennisgeving van de in het tweede lid bedoelde beslissing, kunnen niet worden tegengeworpen aan de Staat.
§ 6. Het bewarend beslag op onroerend goed geldt gedurende drie jaar met ingang van de dagtekening van de overschrijving, behoudens vernieuwing overeenkomstig § 7. Bij het verstrijken van deze termijn verliest het beslag van rechtswege zijn uitwerking en wordt er geen melding meer van gemaakt in hypothecaire getuigschriften.
De in het eerste lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de procedure voor de vervreemding van het onroerend goed, vanaf de ontvangst van de toelating tot vervreemding door het COIV of vanaf de datum van de beslissing tot vervreemding door de magistraat van het COIV die het SUO voert, tot de dag waarop het goed is verkocht.
Op verzoek van de directeur van het COIV wordt de definitieve beslissing tot vervreemding van het onroerend goed door de hypotheekbewaarder op beknopte wijze vermeld op de kant van het overgeschreven beslagexploot.
§ 7. De SUO-magistraat kan vóór het verstrijken van de geldigheidsduur de vernieuwing van het gelegde beslag bevelen.
De beslissing van de magistraat wordt door hemzelf of door de gevorderde politiedienst door middel van een proces-verbaal ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen. Het proces-verbaal van kennisgeving bevat de in § 2, tweede lid, opgesomde vermeldingen.
De vernieuwing heeft plaats op overlegging aan de hypotheekbewaarder van een proces-verbaal dat is ondertekend door de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, met nauwkeurige opgave van de te vernieuwen overschrijving, samen met een afschrift van de vordering van de magistraat.
De vernieuwing geldt voor drie jaar. De nieuwe termijn gaat in op de dag waarop de overschrijving wordt vernieuwd.
§ 8. In geval van opheffing van het beslag wordt een afschrift van de beslissing van de SUO-magistraat of, in voorkomend geval, van de rechterlijke beslissing die de opheffing beveelt, ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen en van de bevoegde hypotheekbewaarder door middel van de toezending van de beslissing bij aangetekende zending of door overhandiging ervan die vastgesteld wordt bij proces-verbaal.
De hypotheekbewaarder verricht op grond hiervan de doorhaling van de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming. Na de doorhaling wordt er van het beslag geen melding meer gemaakt in hypothecaire getuigschriften.".
"Art. 464/33. § 1. De SUO-magistraat kan de onroerende goederen die een zaak in de zin van artikel 464/29, § 2, 1°, vormen, in beslag laten nemen.
§ 2. Het beslag wordt op vordering van de SUO-magistraat gelegd bij proces-verbaal dat door deze magistraat of de gevorderde politiedienst aan de eigenaar wordt betekend. In voorkomende geval wordt het proces-verbaal van inbeslagneming betekend aan de blote eigenaar, de vruchtgebruiker, de erfpachter, de opstalhouder en, in voorkomende geval, de huurder.
Het proces-verbaal van inbeslagneming bevat op straffe van nietigheid :
1° een afschrift van de vordering van de SUO-magistraat;
2° de identiteit van de beslagene, met vermelding van zijn naam, voornaam, woonplaats, of bij gebreke van een woonplaats, de verblijfplaats en de geboortedatum- en plaats, indien het een natuurlijk persoon betreft, of van zijn benaming, rechtsvorm, ondernemingsnummer en zetel, indien het een rechtspersoon betreft;
3° een omschrijving van het onroerend goed waarop beslag wordt gelegd op de wijze die is voorgeschreven door artikel 141 van de Hypotheekwet van 16 december 1851;
4° een uittreksel uit de kadastrale legger, dat minder dan drie maanden oud is;
5° de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek;
§ 3. Binnen vierentwintig uur na de handeling van het beslag biedt de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst het proces-verbaal van inbeslagneming ter overschrijving aan op het hypotheekkantoor van de plaats waar de goederen gelegen zijn.
De overschrijving wordt door de hypotheekbewaarder, op straffe van schadevergoeding, gedaan uiterlijk binnen acht dagen na de afgifte van het voormelde proces-verbaal van inbeslagneming. Als dagtekening van de overschrijving geldt evenwel de dag van afgifte van het proces-verbaal.
Als de hypotheekbewaarder de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming niet kan verrichten op het ogenblik dat zij wordt gevorderd, dan vermeldt hij op de originele processen-verbaal die bij hem worden achtergelaten de dag en het uur waarop zij hem werden overhandigd.
§ 4. Het beslag doet geen afbreuk aan de uitoefening van het recht van de eigenaar of elke andere gerechtigde persoon om het in beslag genomen onroerend goed verder te gebruiken als een goede huisvader.
§ 5 De burgerlijke vruchten die het onroerend goed tijdens de duur van het beslag opbrengt, zijn in het beslag be-grepen, behoudens andersluidende beslissing van de SUO-magistraat.
De SUO-magistraat kan het COIV verzoeken om in te staan voor de inning van de vruchten van een onroerend goed. Indien het beslag uitgaat van een magistraat van het COIV, kan hij ambtshalve beslissen deze vruchten te innen. Onverminderd de toepassing van artikel 464/36 staat er geen rechtsmiddel open tegen de beslissing van de SUO-magistraat.
Het COIV brengt de in het tweede lid bedoelde beslissing tweede lid ter kennis van de schuldenaar en schuldeiser van deze inkomsten bij een aangetekend schrijven of door de overhandiging van een proces-verbaal. De kennisgeving bevat de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van Strafwetboek.
Vanaf de ontvangst van de kennisgeving worden alle burgerlijke vruchten die tijdens het beslag vervallen, van rechtswege begrepen in het voorwerp van het beslag.
De schuldenaar en de schuldeiser mogen de geldsommen die begrepen zijn in het voorwerp van het beslag niet meer op een andere wijze uit handen geven dan die welke in het zesde lid wordt bedoeld, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
De schuldenaar van de inkomsten kan enkel bevrijdend betalen in handen van het COIV. Betalingen in handen van de schuldeiser die zijn verricht na de regelmatige kennisgeving van de in het tweede lid bedoelde beslissing, kunnen niet worden tegengeworpen aan de Staat.
§ 6. Het bewarend beslag op onroerend goed geldt gedurende drie jaar met ingang van de dagtekening van de overschrijving, behoudens vernieuwing overeenkomstig § 7. Bij het verstrijken van deze termijn verliest het beslag van rechtswege zijn uitwerking en wordt er geen melding meer van gemaakt in hypothecaire getuigschriften.
De in het eerste lid bedoelde termijn wordt geschorst gedurende de procedure voor de vervreemding van het onroerend goed, vanaf de ontvangst van de toelating tot vervreemding door het COIV of vanaf de datum van de beslissing tot vervreemding door de magistraat van het COIV die het SUO voert, tot de dag waarop het goed is verkocht.
Op verzoek van de directeur van het COIV wordt de definitieve beslissing tot vervreemding van het onroerend goed door de hypotheekbewaarder op beknopte wijze vermeld op de kant van het overgeschreven beslagexploot.
§ 7. De SUO-magistraat kan vóór het verstrijken van de geldigheidsduur de vernieuwing van het gelegde beslag bevelen.
De beslissing van de magistraat wordt door hemzelf of door de gevorderde politiedienst door middel van een proces-verbaal ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen. Het proces-verbaal van kennisgeving bevat de in § 2, tweede lid, opgesomde vermeldingen.
De vernieuwing heeft plaats op overlegging aan de hypotheekbewaarder van een proces-verbaal dat is ondertekend door de SUO-magistraat of de gevorderde politiedienst, met nauwkeurige opgave van de te vernieuwen overschrijving, samen met een afschrift van de vordering van de magistraat.
De vernieuwing geldt voor drie jaar. De nieuwe termijn gaat in op de dag waarop de overschrijving wordt vernieuwd.
§ 8. In geval van opheffing van het beslag wordt een afschrift van de beslissing van de SUO-magistraat of, in voorkomend geval, van de rechterlijke beslissing die de opheffing beveelt, ter kennis gebracht van de in § 2, eerste lid, bedoelde personen en van de bevoegde hypotheekbewaarder door middel van de toezending van de beslissing bij aangetekende zending of door overhandiging ervan die vastgesteld wordt bij proces-verbaal.
De hypotheekbewaarder verricht op grond hiervan de doorhaling van de overschrijving van het proces-verbaal van inbeslagneming. Na de doorhaling wordt er van het beslag geen melding meer gemaakt in hypothecaire getuigschriften.".
Art.39. Dans la même sous-section 3, il est inséré un article 464/33 rédigé comme suit :
"Art. 464/33. § 1er. Le magistrat EPE peut faire saisir les biens immeubles qui constituent une chose au sens de l'article 464/29, § 2, 1°.
§ 2. La saisie est pratiquée sur réquisition du magistrat EPE par procès-verbal signifié au propriétaire par ce magistrat EPE ou le service de police requis, au propriétaire. Le cas échéant, le procès-verbal de saisie est signifié au nu-propriétaire, à l'usufruitier, à l'emphytéote, au superficiaire et, le cas échéant, au locataire.
Le procès-verbal de saisie contient à peine de nullité :
1° une copie de la réquisition du magistrat EPE;
2° l'identité du saisi, avec mention de ses nom et prénom, de son domicile ou, à défaut de domicile, de sa résidence ainsi que la date et le lieu de naissance, s'il s'agit d'une personne physique, ou de sa dénomination, sa forme juridique, son numéro d'entreprise et son siège, s'il s'agit d'une personne morale;
3° une description du bien immeuble sur lequel la saisie est pratiquée selon la manière prescrite à l'article 141 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851;
4° un extrait de la matrice cadastrale, datant de moins de trois mois;
5° le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
§ 3. Dans les vingt-quatre heures suivant l'acte de saisie, le magistrat EPE ou le service de police requis présente le procès-verbal de saisie à la transcription au bureau des hypothèques du lieu où les biens sont situés.
La transcription est faite par le conservateur des hypothèques, sous peine de dommages-intérêts, au plus tard dans les huit jours de la remise du procès-verbal de saisie précité. Néanmoins, la transcription prend date du jour de la remise de ce procès-verbal.
Si le conservateur ne peut procéder à la transcription du procès-verbal de saisie à l'instant où elle est requise, il fait mention, sur les procès-verbaux originaux qui lui sont laissés, du jour et de l'heure où la remise lui en a été faite.
§ 4. La saisie ne porte pas préjudice à l'exercice du droit du propriétaire ou de toute autre personne habilitée de continuer à utiliser le bien immeuble saisi en bon père de famille.
§ 5. Les fruits civils produits par le bien immeuble pendant la durée de la saisie sont compris dans la saisie, sauf décision contraire du magistrat EPE.
Le magistrat EPE peut demander à l'OCSC de s'occuper de l'encaissement des fruits d'un bien immeuble. Si la saisie émane d'un magistrat de l'OCSC, il peut décider d'office d'encaisser ces fruits. Sans préjudice de l'application de l'article 464/36, la décision du magistrat EPE n'est susceptible d'aucun recours.
L'OCSC porte la décision visée à l'alinéa 2 à la connaissance du débiteur et du créancier de ces revenus par lettre recommandée ou par le biais de la remise d'un procès-verbal. La notification contient le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
Dès réception de la notification, tous les fruits civils qui sont échus pendant la saisie sont compris d'office dans l'objet de la saisie.
Le débiteur et le créancier ne peuvent plus se dessaisir des sommes d'argent comprises dans l'objet de la saisie d'une manière autre que celle visée à l'alinéa 6, sous peine d'application de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
Le débiteur des revenus peut uniquement procéder au paiement libératoire entre les mains de l'OCSC. Les paiements entre les mains du créancier, qui sont effectués après la notification régulière de la décision visée à l'alinéa 2, ne sont pas opposables à l'Etat.
§ 6. La saisie immobilière conservatoire est valable pendant trois années prenant cours à la date de sa transcription, sauf renouvellement conformément au § 7. A l'expiration de ce délai, la saisie cesse de plein droit de produire des effets et il n'en est plus fait mention dans les certificats hypothécaires.
Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu pendant la procédure d'aliénation du bien immeuble, depuis la réception de l'autorisation d'aliéner par l'OCSC ou depuis la date de la décision d'aliéner par le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE jusqu'au jour où le bien est vendu.
A la demande du directeur de l'OCSC, le conservateur des hypothèques mentionne sommairement la décision définitive d'aliéner le bien immeuble en marge de l'exploit de saisie transcrit.
§ 7. Le magistrat EPE peut ordonner le renouvellement de la saisie pratiquée avant l'expiration de la durée de validité.
La décision du magistrat est notifiée par lui-même ou par le service de police requis, par un procès-verbal à la personne visée au § 2, alinéa 1er. Le procès-verbal de notification contient les mentions énumérées au § 2, alinéa 2.
Le renouvellement de la transcription a lieu sur présentation au conservateur des hypothèques d'un procès-verbal et signé par le magistrat EPE ou le service de police requis, contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, accompagné d'une copie de la réquisition du magistrat.
La durée du renouvellement est de trois ans. Le nouveau délai prend cours le jour du renouvellement de la transcription.
§ 8. En cas de levée de la saisie, il est procédé à la notification de la décision du magistrat EPE ou, le cas échéant, de la décision judiciaire ordonnant la levée, aux personnes visées au § 2, alinéa 1er, et au conservateur des hypothèques compétent par le biais de l'envoi de la décision par envoi recommandé ou remise constatée par procès-verbal.
Le conservateur des hypothèques opère sur cette base la radiation de la transcription du procès-verbal Après la radiation, il n'est plus fait mention de la saisie sur les certificats hypothécaires.".
"Art. 464/33. § 1er. Le magistrat EPE peut faire saisir les biens immeubles qui constituent une chose au sens de l'article 464/29, § 2, 1°.
§ 2. La saisie est pratiquée sur réquisition du magistrat EPE par procès-verbal signifié au propriétaire par ce magistrat EPE ou le service de police requis, au propriétaire. Le cas échéant, le procès-verbal de saisie est signifié au nu-propriétaire, à l'usufruitier, à l'emphytéote, au superficiaire et, le cas échéant, au locataire.
Le procès-verbal de saisie contient à peine de nullité :
1° une copie de la réquisition du magistrat EPE;
2° l'identité du saisi, avec mention de ses nom et prénom, de son domicile ou, à défaut de domicile, de sa résidence ainsi que la date et le lieu de naissance, s'il s'agit d'une personne physique, ou de sa dénomination, sa forme juridique, son numéro d'entreprise et son siège, s'il s'agit d'une personne morale;
3° une description du bien immeuble sur lequel la saisie est pratiquée selon la manière prescrite à l'article 141 de la loi hypothécaire du 16 décembre 1851;
4° un extrait de la matrice cadastrale, datant de moins de trois mois;
5° le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
§ 3. Dans les vingt-quatre heures suivant l'acte de saisie, le magistrat EPE ou le service de police requis présente le procès-verbal de saisie à la transcription au bureau des hypothèques du lieu où les biens sont situés.
La transcription est faite par le conservateur des hypothèques, sous peine de dommages-intérêts, au plus tard dans les huit jours de la remise du procès-verbal de saisie précité. Néanmoins, la transcription prend date du jour de la remise de ce procès-verbal.
Si le conservateur ne peut procéder à la transcription du procès-verbal de saisie à l'instant où elle est requise, il fait mention, sur les procès-verbaux originaux qui lui sont laissés, du jour et de l'heure où la remise lui en a été faite.
§ 4. La saisie ne porte pas préjudice à l'exercice du droit du propriétaire ou de toute autre personne habilitée de continuer à utiliser le bien immeuble saisi en bon père de famille.
§ 5. Les fruits civils produits par le bien immeuble pendant la durée de la saisie sont compris dans la saisie, sauf décision contraire du magistrat EPE.
Le magistrat EPE peut demander à l'OCSC de s'occuper de l'encaissement des fruits d'un bien immeuble. Si la saisie émane d'un magistrat de l'OCSC, il peut décider d'office d'encaisser ces fruits. Sans préjudice de l'application de l'article 464/36, la décision du magistrat EPE n'est susceptible d'aucun recours.
L'OCSC porte la décision visée à l'alinéa 2 à la connaissance du débiteur et du créancier de ces revenus par lettre recommandée ou par le biais de la remise d'un procès-verbal. La notification contient le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
Dès réception de la notification, tous les fruits civils qui sont échus pendant la saisie sont compris d'office dans l'objet de la saisie.
Le débiteur et le créancier ne peuvent plus se dessaisir des sommes d'argent comprises dans l'objet de la saisie d'une manière autre que celle visée à l'alinéa 6, sous peine d'application de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
Le débiteur des revenus peut uniquement procéder au paiement libératoire entre les mains de l'OCSC. Les paiements entre les mains du créancier, qui sont effectués après la notification régulière de la décision visée à l'alinéa 2, ne sont pas opposables à l'Etat.
§ 6. La saisie immobilière conservatoire est valable pendant trois années prenant cours à la date de sa transcription, sauf renouvellement conformément au § 7. A l'expiration de ce délai, la saisie cesse de plein droit de produire des effets et il n'en est plus fait mention dans les certificats hypothécaires.
Le délai visé à l'alinéa 1er est suspendu pendant la procédure d'aliénation du bien immeuble, depuis la réception de l'autorisation d'aliéner par l'OCSC ou depuis la date de la décision d'aliéner par le magistrat de l'OCSC qui mène l'EPE jusqu'au jour où le bien est vendu.
A la demande du directeur de l'OCSC, le conservateur des hypothèques mentionne sommairement la décision définitive d'aliéner le bien immeuble en marge de l'exploit de saisie transcrit.
§ 7. Le magistrat EPE peut ordonner le renouvellement de la saisie pratiquée avant l'expiration de la durée de validité.
La décision du magistrat est notifiée par lui-même ou par le service de police requis, par un procès-verbal à la personne visée au § 2, alinéa 1er. Le procès-verbal de notification contient les mentions énumérées au § 2, alinéa 2.
Le renouvellement de la transcription a lieu sur présentation au conservateur des hypothèques d'un procès-verbal et signé par le magistrat EPE ou le service de police requis, contenant l'indication précise de la transcription à renouveler, accompagné d'une copie de la réquisition du magistrat.
La durée du renouvellement est de trois ans. Le nouveau délai prend cours le jour du renouvellement de la transcription.
§ 8. En cas de levée de la saisie, il est procédé à la notification de la décision du magistrat EPE ou, le cas échéant, de la décision judiciaire ordonnant la levée, aux personnes visées au § 2, alinéa 1er, et au conservateur des hypothèques compétent par le biais de l'envoi de la décision par envoi recommandé ou remise constatée par procès-verbal.
Le conservateur des hypothèques opère sur cette base la radiation de la transcription du procès-verbal Après la radiation, il n'est plus fait mention de la saisie sur les certificats hypothécaires.".
Art.40. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/34 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/34. § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de geldsommen die de derde-beslagene moet betalen aan of op zaken die de derde-beslagene moet afgeven aan de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde ten laste van wie het beslag wordt gelegd.
Zijn van rechtswege in het voorwerp van het beslag begrepen :
1° de intresten die na het beslag aan de titularis van de schuldvordering verschuldigd zijn;
2° alle na het beslag vervallen termijnen van een schuldvordering betreffende periodieke inkomsten.
§ 2. Het beslag op een schuldvordering, met uitzondering van het beslag op rechten aan order of aan toonder, gebeurt door de schriftelijke kennisgeving van de beslissing tot inbeslagneming aan de beslagene en de derde-beslagene.
De SUO-magistraat of de politieambtenaar brengt de beslissing ter kennis door middel van :
1° de toezending van de beslissing per telefax of bij een aangetekende zending, of
2° de afgifte van een kosteloos afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming dat is opgesteld door de politieambtenaar.
De kennisgeving bevat de referenties eigen aan de zaak, alsmede de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek. In de kennisgeving gericht aan de derde-beslagene wordt bovendien de tekst van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek vermeld.
§ 3. Vanaf de ontvangst van de kennisgeving mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen geven, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
De SUO-magistraat kan de derde-beslagene bevelen de geldsommen die het voorwerp zijn van het beslag over te dragen aan het COIV.
§ 4. De derde-beslagene heeft recht op de vergoeding van de kosten van de verklaring. De Koning bepaalt het maximumbedrag van deze vergoeding.".
"Art. 464/34. § 1. De SUO-magistraat kan beslag leggen op de geldsommen die de derde-beslagene moet betalen aan of op zaken die de derde-beslagene moet afgeven aan de veroordeelde of de in artikel 464/1, § 3, bedoelde derde ten laste van wie het beslag wordt gelegd.
Zijn van rechtswege in het voorwerp van het beslag begrepen :
1° de intresten die na het beslag aan de titularis van de schuldvordering verschuldigd zijn;
2° alle na het beslag vervallen termijnen van een schuldvordering betreffende periodieke inkomsten.
§ 2. Het beslag op een schuldvordering, met uitzondering van het beslag op rechten aan order of aan toonder, gebeurt door de schriftelijke kennisgeving van de beslissing tot inbeslagneming aan de beslagene en de derde-beslagene.
De SUO-magistraat of de politieambtenaar brengt de beslissing ter kennis door middel van :
1° de toezending van de beslissing per telefax of bij een aangetekende zending, of
2° de afgifte van een kosteloos afschrift van het proces-verbaal van inbeslagneming dat is opgesteld door de politieambtenaar.
De kennisgeving bevat de referenties eigen aan de zaak, alsmede de tekst van dit artikel en van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek. In de kennisgeving gericht aan de derde-beslagene wordt bovendien de tekst van artikel 1452 van het Gerechtelijk Wetboek vermeld.
§ 3. Vanaf de ontvangst van de kennisgeving mag de derde-beslagene de sommen of zaken die het voorwerp zijn van het beslag niet meer uit handen geven, op straffe van toepassing van artikel 507, eerste lid, van het Strafwetboek.
De SUO-magistraat kan de derde-beslagene bevelen de geldsommen die het voorwerp zijn van het beslag over te dragen aan het COIV.
§ 4. De derde-beslagene heeft recht op de vergoeding van de kosten van de verklaring. De Koning bepaalt het maximumbedrag van deze vergoeding.".
Art.40. Dans la même sous-section 3, il est inséré un article 464/34 rédigé comme suit :
"Art. 464/34. § 1er. Le magistrat EPE peut saisir les sommes d'argent que le tiers saisi doit payer ou des choses que celui-ci doit remettre au condamné ou au tiers visé à l'article 464/1, § 3, à l'égard de qui la saisie est pratiquée.
Sont de plein droit compris dans l'objet de la saisie :
1° les intérêts qui sont dus au titulaire de la créance après la saisie;
2° tous les termes échus après la saisie d'une créance concernant des revenus périodiques.
§ 2. La saisie d'une créance, à l'exception d'une saisie de droits à ordre ou au porteur, est effectuée par notification écrite de la décision de saisie au saisi et au tiers saisi.
Le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police informe de la décision en procédant :
1° à l'expédition de la décision par téléfax ou par envoi recommandé, ou
2° à la délivrance d'une copie sans frais du procès-verbal de saisie, dressé par le fonctionnaire de police.
La notification contient les références de l'affaire ainsi que le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal. La notification adressée au tiers saisi contient en outre le texte de l'article 1452 du Code judiciaire.
§ 3. Dès la réception de la notification, le tiers saisi ne peut plus se dessaisir des sommes ou choses qui font l'objet de la saisie, sous peine de l'application de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
Le magistrat EPE peut ordonner au tiers saisi de transférer à l'OCSC les sommes d'argent qui font l'objet de la saisie.
§ 4. Le tiers saisi a droit au remboursement des frais de déclaration. Le Roi fixe le montant maximum de ce remboursement.".
"Art. 464/34. § 1er. Le magistrat EPE peut saisir les sommes d'argent que le tiers saisi doit payer ou des choses que celui-ci doit remettre au condamné ou au tiers visé à l'article 464/1, § 3, à l'égard de qui la saisie est pratiquée.
Sont de plein droit compris dans l'objet de la saisie :
1° les intérêts qui sont dus au titulaire de la créance après la saisie;
2° tous les termes échus après la saisie d'une créance concernant des revenus périodiques.
§ 2. La saisie d'une créance, à l'exception d'une saisie de droits à ordre ou au porteur, est effectuée par notification écrite de la décision de saisie au saisi et au tiers saisi.
Le magistrat EPE ou le fonctionnaire de police informe de la décision en procédant :
1° à l'expédition de la décision par téléfax ou par envoi recommandé, ou
2° à la délivrance d'une copie sans frais du procès-verbal de saisie, dressé par le fonctionnaire de police.
La notification contient les références de l'affaire ainsi que le texte du présent article et de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal. La notification adressée au tiers saisi contient en outre le texte de l'article 1452 du Code judiciaire.
§ 3. Dès la réception de la notification, le tiers saisi ne peut plus se dessaisir des sommes ou choses qui font l'objet de la saisie, sous peine de l'application de l'article 507, alinéa 1er, du Code pénal.
Le magistrat EPE peut ordonner au tiers saisi de transférer à l'OCSC les sommes d'argent qui font l'objet de la saisie.
§ 4. Le tiers saisi a droit au remboursement des frais de déclaration. Le Roi fixe le montant maximum de ce remboursement.".
Art.41. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/35 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/35. § 1. De in beslag genomen roerende goederen worden neergelegd op de griffie van de rechtbank of het hof waarbij de SUO-magistraat zijn ambt uitoefent.
De griffie staat in voor de bewaring van de in beslag genomen goederen en schrijft ze in in het daartoe bestemde register.
§ 2. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat de bewaring in natura van het in beslag genomen roerend goed beëindigen en het teruggeven aan de beslagene tegen betaling van een geldsom, waarvan hij het bedrag bepaalt.
Als de beslagene hiermee instemt, treedt de betaalde geldsom van rechtswege in de plaats van het teruggegeven in beslag genomen goed.
§ 3. In afwijking van § 1 worden de in beslag genomen geldsommen gestort op de rekening die het COIV geopend heeft bij een financiële instelling.
Zodra zijn rekening is gecrediteerd, staat het COIV in voor de bewaring van de aan hem toevertrouwde geldsommen.
§ 4. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat het COIV verzoeken in te staan voor het beheer van effecten of van geldsommen die zijn in beslag genomen bij een financiële instelling, alsmede van de andere vermogensbestanddelen die een bijzonder beheer vereisen.
Als een magistraat van het COIV het SUO voert kan hij ambtshalve beslissen in beslag genomen effecten, geldsommen of vermogensbestanddelen in beheer te nemen.
Het COIV kan de in beslag genomen effecten en vermogensbestanddelen toevertrouwen aan een door hem aangestelde lasthebber of beheerder.
De SUO-magistraat maakt de door het COIV beheerde effecten en andere vermogensbestanddelen te gelde overeenkomstig artikel 464/37.".
"Art. 464/35. § 1. De in beslag genomen roerende goederen worden neergelegd op de griffie van de rechtbank of het hof waarbij de SUO-magistraat zijn ambt uitoefent.
De griffie staat in voor de bewaring van de in beslag genomen goederen en schrijft ze in in het daartoe bestemde register.
§ 2. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat de bewaring in natura van het in beslag genomen roerend goed beëindigen en het teruggeven aan de beslagene tegen betaling van een geldsom, waarvan hij het bedrag bepaalt.
Als de beslagene hiermee instemt, treedt de betaalde geldsom van rechtswege in de plaats van het teruggegeven in beslag genomen goed.
§ 3. In afwijking van § 1 worden de in beslag genomen geldsommen gestort op de rekening die het COIV geopend heeft bij een financiële instelling.
Zodra zijn rekening is gecrediteerd, staat het COIV in voor de bewaring van de aan hem toevertrouwde geldsommen.
§ 4. In afwijking van § 1 kan de SUO-magistraat het COIV verzoeken in te staan voor het beheer van effecten of van geldsommen die zijn in beslag genomen bij een financiële instelling, alsmede van de andere vermogensbestanddelen die een bijzonder beheer vereisen.
Als een magistraat van het COIV het SUO voert kan hij ambtshalve beslissen in beslag genomen effecten, geldsommen of vermogensbestanddelen in beheer te nemen.
Het COIV kan de in beslag genomen effecten en vermogensbestanddelen toevertrouwen aan een door hem aangestelde lasthebber of beheerder.
De SUO-magistraat maakt de door het COIV beheerde effecten en andere vermogensbestanddelen te gelde overeenkomstig artikel 464/37.".
Art.41. Dans la même sous-section 3, il est inséré un article 464/35 rédigé comme suit :
"Art. 464/35. § 1er. Les biens meubles saisis sont déposés au greffe du tribunal ou de la cour auprès duquel le magistrat EPE exerce son office.
Le greffe se charge de la conservation des biens saisis et les inscrit dans un registre tenu à cet effet.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le magistrat EPE peut mettre un terme à la conservation en nature du bien meuble saisi et le restituer au saisi contre paiement d'une somme d'argent dont il détermine le montant.
Si le saisi y consent, la somme payée remplace de plein droit le bien saisi restitué.
§ 3. Par dérogation au § 1er, les sommes saisies sont versées sur le compte ouvert par l'OCSC dans une institution financière.
Dès que son compte est crédité, l'OCSC s'occupe de la conservation des sommes qui lui sont confiées.
§ 4. Par dérogation au § 1er, le magistrat EPE peut demander à l'OCSC de s'occuper de la gestion des effets ou des sommes saisis dans une institution financière, ainsi que des autres biens qui nécessitent une gestion particulière.
Si un magistrat de l'OCSC mène l'EPE, il peut décider d'office de prendre les effets, sommes ou biens saisis en gestion.
L'OCSC peut confier les effets et biens saisis à un mandataire ou à un gérant désigné par lui.
Le magistrat EPE réalise les effets et autres biens gérés par l'OCSC conformément à l'article 464/37.".
"Art. 464/35. § 1er. Les biens meubles saisis sont déposés au greffe du tribunal ou de la cour auprès duquel le magistrat EPE exerce son office.
Le greffe se charge de la conservation des biens saisis et les inscrit dans un registre tenu à cet effet.
§ 2. Par dérogation au § 1er, le magistrat EPE peut mettre un terme à la conservation en nature du bien meuble saisi et le restituer au saisi contre paiement d'une somme d'argent dont il détermine le montant.
Si le saisi y consent, la somme payée remplace de plein droit le bien saisi restitué.
§ 3. Par dérogation au § 1er, les sommes saisies sont versées sur le compte ouvert par l'OCSC dans une institution financière.
Dès que son compte est crédité, l'OCSC s'occupe de la conservation des sommes qui lui sont confiées.
§ 4. Par dérogation au § 1er, le magistrat EPE peut demander à l'OCSC de s'occuper de la gestion des effets ou des sommes saisis dans une institution financière, ainsi que des autres biens qui nécessitent une gestion particulière.
Si un magistrat de l'OCSC mène l'EPE, il peut décider d'office de prendre les effets, sommes ou biens saisis en gestion.
L'OCSC peut confier les effets et biens saisis à un mandataire ou à un gérant désigné par lui.
Le magistrat EPE réalise les effets et autres biens gérés par l'OCSC conformément à l'article 464/37.".
Art.42. In dezelfde onderafdeling 3 wordt een artikel 464/37 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/37. § 1. De SUO-magistraat kan het COIV machtigen om in beslag genomen goederen te vervreemden met het oog op de aanzuivering van de verschuldigde verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten.
Als een magistraat van het COIV het SUO voert, kan hij ambtshalve de vervreemding bevelen met hetzelfde doel.
§ 2. Het COIV stelt in overleg met de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten een lasthebber aan die instaat voor de verkoop van de in beslag genomen goederen en de verdeling van de opbrengst.
De in beslag genomen goederen mogen niet verkocht worden aan een lagere prijs dan de waarde die in onderling overleg is bepaald door het COIV en zijn lasthebber.
De procedure voor de verkoop van de goederen verloopt overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de vervreemding van vermogensbestanddelen in het raam van het opsporingsonderzoek.
§ 3. Wanneer de beslissing tot vervreemding een onroerend goed betreft, dan gaan door de toewijzing de rechten van de ingeschreven schuldeisers van de veroordeelde over op de prijs, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties.
§ 4. De aangestelde lasthebber staat in voor de evenredige verdeling of de rangregeling overeenkomstig de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek.".
"Art. 464/37. § 1. De SUO-magistraat kan het COIV machtigen om in beslag genomen goederen te vervreemden met het oog op de aanzuivering van de verschuldigde verbeurdverklaarde geldsommen, geldboeten en gerechtskosten.
Als een magistraat van het COIV het SUO voert, kan hij ambtshalve de vervreemding bevelen met hetzelfde doel.
§ 2. Het COIV stelt in overleg met de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, geldboete of de gerechtskosten een lasthebber aan die instaat voor de verkoop van de in beslag genomen goederen en de verdeling van de opbrengst.
De in beslag genomen goederen mogen niet verkocht worden aan een lagere prijs dan de waarde die in onderling overleg is bepaald door het COIV en zijn lasthebber.
De procedure voor de verkoop van de goederen verloopt overeenkomstig de bepalingen die toepasselijk zijn op de vervreemding van vermogensbestanddelen in het raam van het opsporingsonderzoek.
§ 3. Wanneer de beslissing tot vervreemding een onroerend goed betreft, dan gaan door de toewijzing de rechten van de ingeschreven schuldeisers van de veroordeelde over op de prijs, onder voorbehoud van de toepassing van artikel 16bis van de wet van 26 maart 2003 houdende oprichting van een Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring en houdende bepalingen inzake het waardevast beheer van in beslag genomen goederen en de uitvoering van bepaalde vermogenssancties.
§ 4. De aangestelde lasthebber staat in voor de evenredige verdeling of de rangregeling overeenkomstig de bepalingen van deel V van het Gerechtelijk Wetboek.".
Art.42. Dans la même sous-section 3, il est inséré un article 464/37 rédigé comme suit :
"Art. 464/37. § 1er. Le magistrat EPE peut autoriser l'OCSC à procéder à l'aliénation de biens saisis en vue d'apurer les sommes confisquées, les amendes et les frais de justice dus.
Si un magistrat de l'OCSC mène l'EPE, il peut d'office ordonner l'aliénation dans le même but.
§ 2. En concertation avec le fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende ou des frais de justice, l'OCSC désigne un mandataire qui s'occupera de la vente des biens saisis et du partage du produit.
Les biens saisis ne peuvent être vendus à un prix inférieur à la valeur déterminée en concertation par l'OCSC et son mandataire.
La procédure de vente des biens se déroule conformément aux dispositions applicables à l'aliénation de biens dans le cadre de l'information.
§ 3. Lorsque la décision d'aliénation porte sur un immeuble, l'adjudication a pour effet que les droits des créanciers inscrits du condamné sont reportés sur le prix, sous réserve de l'application de l'article 16bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales.
§ 4. Le mandataire désigné s'occupe de la distribution par contribution ou de l'ordre conformément aux dispositions de la partie V du Code judiciaire.".
"Art. 464/37. § 1er. Le magistrat EPE peut autoriser l'OCSC à procéder à l'aliénation de biens saisis en vue d'apurer les sommes confisquées, les amendes et les frais de justice dus.
Si un magistrat de l'OCSC mène l'EPE, il peut d'office ordonner l'aliénation dans le même but.
§ 2. En concertation avec le fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende ou des frais de justice, l'OCSC désigne un mandataire qui s'occupera de la vente des biens saisis et du partage du produit.
Les biens saisis ne peuvent être vendus à un prix inférieur à la valeur déterminée en concertation par l'OCSC et son mandataire.
La procédure de vente des biens se déroule conformément aux dispositions applicables à l'aliénation de biens dans le cadre de l'information.
§ 3. Lorsque la décision d'aliénation porte sur un immeuble, l'adjudication a pour effet que les droits des créanciers inscrits du condamné sont reportés sur le prix, sous réserve de l'application de l'article 16bis de la loi du 26 mars 2003 portant création d'un Organe central pour la saisie et la confiscation et portant des dispositions sur la gestion à valeur constante des biens saisis et sur l'exécution de certaines sanctions patrimoniales.
§ 4. Le mandataire désigné s'occupe de la distribution par contribution ou de l'ordre conformément aux dispositions de la partie V du Code judiciaire.".
Art.43. In hetzelfde hoofdstuk Ibis, wordt een afdeling 5 ingevoegd, luidende "Kosten van het onderzoek".
Art.43. Dans le même chapitre Ierbis, il est inséré une section 5 intitulée "Des coûts de l'enquête".
Art.44. In afdeling 5, ingevoegd bij artikel 43, wordt een artikel 464/39 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/39. De kosten van het SUO omvatten alle kosten die veroorzaakt worden door de toepassing van de gewone en specifieke uitvoeringshandelingen, uitgezonderd de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het optreden van de betrokken magistraten, politieambtenaren en ambtenaren van de federale overheidsdienst Financiën.
De kosten zijn ten laste van de veroordeelde tegen wie de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring of de invordering van de geldboete of de gerechtskosten wordt gevorderd. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige uitvoeringshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de veroordeelde zijn ten laste van de Staat.
Indien een vergoeding moet worden betaald voor de in het eerste lid bedoelde uitvoeringshandelingen, gelden de tarieven die bepaald zijn bij de regelgeving betreffende de gerechtskosten in strafzaken.".
"Art. 464/39. De kosten van het SUO omvatten alle kosten die veroorzaakt worden door de toepassing van de gewone en specifieke uitvoeringshandelingen, uitgezonderd de personeels- en werkingskosten die verbonden zijn aan het optreden van de betrokken magistraten, politieambtenaren en ambtenaren van de federale overheidsdienst Financiën.
De kosten zijn ten laste van de veroordeelde tegen wie de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring of de invordering van de geldboete of de gerechtskosten wordt gevorderd. De kosten die het gevolg zijn van onregelmatige uitvoeringshandelingen en de kosten die kennelijk niet te wijten zijn aan de persoonlijke gedraging van de veroordeelde zijn ten laste van de Staat.
Indien een vergoeding moet worden betaald voor de in het eerste lid bedoelde uitvoeringshandelingen, gelden de tarieven die bepaald zijn bij de regelgeving betreffende de gerechtskosten in strafzaken.".
Art.44. Dans la section 5 insérée par l'article 43, il est inséré un article 464/39 rédigé comme suit :
"Art. 464/39. Les coûts de l'EPE comprennent tous les frais occasionnés par l'application des actes d'exécution ordinaires et spécifiques, à l'exception des frais de personnel et de fonctionnement liés à l'intervention des magistrats, fonctionnaires de police et fonctionnaires du service public fédéral Finances concernés.
Les frais sont à charge du condamné à l'encontre de qui l'exécution de la confiscation ou le recouvrement de l'amende ou des frais de justice est requis. Les frais engendrés par des actes d'exécution irréguliers et les frais qui ne sont manifestement pas imputables au comportement personnel du condamné sont à charge de l'Etat.
Si une indemnité doit être payée pour les actes d'exécution visés à alinéa 1er, les tarifs établis par la réglementation sur les frais de justice en matière répressive sont d'application.".
"Art. 464/39. Les coûts de l'EPE comprennent tous les frais occasionnés par l'application des actes d'exécution ordinaires et spécifiques, à l'exception des frais de personnel et de fonctionnement liés à l'intervention des magistrats, fonctionnaires de police et fonctionnaires du service public fédéral Finances concernés.
Les frais sont à charge du condamné à l'encontre de qui l'exécution de la confiscation ou le recouvrement de l'amende ou des frais de justice est requis. Les frais engendrés par des actes d'exécution irréguliers et les frais qui ne sont manifestement pas imputables au comportement personnel du condamné sont à charge de l'Etat.
Si une indemnité doit être payée pour les actes d'exécution visés à alinéa 1er, les tarifs établis par la réglementation sur les frais de justice en matière répressive sont d'application.".
Art.45. In hetzelfde hoofdstuk Ibis wordt een afdeling 6 ingevoegd, luidende "Afsluiting van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek".
Art.45. Dans le même chapitre Ierbis, il est inséré une section 6 intitulée "De la clôture de l'enquête pénale d'exécution".
Art.46. In afdeling 6, ingevoegd bij artikel 45, wordt een artikel 464/41 ingevoegd, luidende :
"Art. 464/41. § 1. Er wordt een einde gemaakt aan het SUO indien :
1° de veroordeelde aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
2° de veroordeling teniet is gegaan.
§ 2. Indien de SUO-magistraat oordeelt dat het onderzoek moet worden afgesloten, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, en van de directeur van het COIV.
§ 3. Uiterlijk één maand nadat het SUO is afgesloten, verzoekt de magistraat die het heeft gevoerd het secretariaat van het bevoegde openbaar ministerie of het COIV, naar gelang van het geval, iedere persoon ten aanzien van wie een in artikel 464/26 bedoelde maatregel is genomen, schriftelijk in kennis te stellen van de aard van die maatregel en van de dagen waarop deze is uitgevoerd.".
"Art. 464/41. § 1. Er wordt een einde gemaakt aan het SUO indien :
1° de veroordeelde aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
2° de veroordeling teniet is gegaan.
§ 2. Indien de SUO-magistraat oordeelt dat het onderzoek moet worden afgesloten, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaringen, geldboeten en gerechtskosten, en van de directeur van het COIV.
§ 3. Uiterlijk één maand nadat het SUO is afgesloten, verzoekt de magistraat die het heeft gevoerd het secretariaat van het bevoegde openbaar ministerie of het COIV, naar gelang van het geval, iedere persoon ten aanzien van wie een in artikel 464/26 bedoelde maatregel is genomen, schriftelijk in kennis te stellen van de aard van die maatregel en van de dagen waarop deze is uitgevoerd.".
Art.46. Dans la section 6 insérée par l'article 45, il est inséré un article 464/41 rédigé comme suit :
"Art. 464/41. § 1er. Il est mis fin à l'EPE si :
1° le condamné a satisfait à son obligation de paiement;
2° la condamnation est éteinte.
§ 2. Si le magistrat EPE estime que l'enquête doit être clôturée, il porte sa décision à la connaissance du fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement des confiscations, des amendes et des frais de justice, et du directeur de l'OCSC.
§ 3. Au plus tard un mois après la clôture de l'EPE, le magistrat qui l'a menée invite le secrétariat du ministère public compétent ou l'OCSC, selon le cas, à informer par écrit toute personne ayant fait l'objet d'une mesure visée à l'article 464/26 de la nature de ladite mesure et des dates auxquelles elle a été exécutée.".
"Art. 464/41. § 1er. Il est mis fin à l'EPE si :
1° le condamné a satisfait à son obligation de paiement;
2° la condamnation est éteinte.
§ 2. Si le magistrat EPE estime que l'enquête doit être clôturée, il porte sa décision à la connaissance du fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement des confiscations, des amendes et des frais de justice, et du directeur de l'OCSC.
§ 3. Au plus tard un mois après la clôture de l'EPE, le magistrat qui l'a menée invite le secrétariat du ministère public compétent ou l'OCSC, selon le cas, à informer par écrit toute personne ayant fait l'objet d'une mesure visée à l'article 464/26 de la nature de ladite mesure et des dates auxquelles elle a été exécutée.".
HOOFDSTUK 3. - Verruimd beslag bij equivalent
CHAPITRE 3. - Saisie élargie par équivalent
Art.47. Artikel 35ter van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 19 december 2002, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 35ter. § 1. Ingeval er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat de verdachte een vermogensvoordeel in de zin van de artikelen 42, 3°, of 43quater, § 2, van het Strafwetboek heeft verkregen, en de zaken die dit vermogensvoordeel vertegenwoordigen als zodanig niet of niet meer in het vermogen van de verdachte dat zich in België bevindt kunnen aangetroffen worden of zich hebben vermengd met wettige goederen, kan het openbaar ministerie beslag leggen op andere zaken die zich in het vermogen van de verdachte bevinden ten belope van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf. In zijn beslissing motiveert het openbaar ministerie de raming van dit bedrag en geeft het aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
§ 2. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.
§ 3. In geval van beslag op een onroerend goed of een schuldvordering wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften die worden bepaald bij de artikelen 35bis en 37.
§ 4. Het openbaar ministerie kan beslag leggen op andere goederen dan de vermogensvoordelen die toebehoren aan derden, onder de volgende voorwaarden :
1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de verdachte het goed heeft overgedragen aan de derde of hem de financiële mogelijkheid heeft gegeven om het te verwerven met het kennelijke doel de tenuitvoerlegging van de eventuele bijzondere verbeurdverklaring met betrekking tot een geldsom te verhinderen of in ernstige mate te bemoeilijken;
2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de verdachte, dan wel dat hij het met de financiële hulp van de verdachte had kunnen verwerven, om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de eventuele bijzondere verbeurdverklaring met betrekking tot een geldsom.
In zijn beslissing vermeldt het openbaar ministerie de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de verdachte het goed wil onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een eventuele bijzondere verbeurdverklaring en de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid, die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.".
"Art. 35ter. § 1. Ingeval er ernstige en concrete aanwijzingen bestaan dat de verdachte een vermogensvoordeel in de zin van de artikelen 42, 3°, of 43quater, § 2, van het Strafwetboek heeft verkregen, en de zaken die dit vermogensvoordeel vertegenwoordigen als zodanig niet of niet meer in het vermogen van de verdachte dat zich in België bevindt kunnen aangetroffen worden of zich hebben vermengd met wettige goederen, kan het openbaar ministerie beslag leggen op andere zaken die zich in het vermogen van de verdachte bevinden ten belope van het bedrag van de vermoedelijke opbrengst van het misdrijf. In zijn beslissing motiveert het openbaar ministerie de raming van dit bedrag en geeft het aan welke de ernstige en concrete aanwijzingen zijn die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.
§ 2. Goederen die ingevolge de artikelen 1408 tot 1412bis van het Gerechtelijk Wetboek of ingevolge bijzondere wetten niet vatbaar zijn voor beslag, mogen in geen geval in beslag worden genomen.
§ 3. In geval van beslag op een onroerend goed of een schuldvordering wordt gehandeld overeenkomstig de vormvoorschriften die worden bepaald bij de artikelen 35bis en 37.
§ 4. Het openbaar ministerie kan beslag leggen op andere goederen dan de vermogensvoordelen die toebehoren aan derden, onder de volgende voorwaarden :
1° er zijn voldoende ernstige en concrete aanwijzingen dat de verdachte het goed heeft overgedragen aan de derde of hem de financiële mogelijkheid heeft gegeven om het te verwerven met het kennelijke doel de tenuitvoerlegging van de eventuele bijzondere verbeurdverklaring met betrekking tot een geldsom te verhinderen of in ernstige mate te bemoeilijken;
2° de derde wist of moest redelijkerwijs weten dat het goed hem rechtstreeks of onrechtstreeks was overgedragen door de verdachte, dan wel dat hij het met de financiële hulp van de verdachte had kunnen verwerven, om het te onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de eventuele bijzondere verbeurdverklaring met betrekking tot een geldsom.
In zijn beslissing vermeldt het openbaar ministerie de ernstige en concrete aanwijzingen waaruit blijkt dat de verdachte het goed wil onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een eventuele bijzondere verbeurdverklaring en de inlichtingen waaruit de wetenschap van de derde blijkt of kan worden afgeleid, die de inbeslagneming rechtvaardigen. Deze gegevens worden opgenomen in het proces-verbaal dat wordt opgemaakt naar aanleiding van de inbeslagneming.".
Art.47. L'article 35ter du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 19 décembre 2002, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 35ter. § 1er. S'il existe des indices sérieux et concrets que la personne soupçonnée a obtenu un avantage patrimonial au sens des articles 42, 3°, ou 43quater, § 2, du Code pénal et que les choses qui matérialisent cet avantage patrimonial ne peuvent pas ou ne peuvent plus être retrouvées en tant que telles dans le patrimoine de la personne soupçonnée qui se trouve en Belgique ou sont mélangées avec des choses licites, le ministère public peut saisir d'autres choses qui se trouvent dans le patrimoine de la personne soupçonnée à concurrence du montant du produit supposé de l'infraction. Dans sa décision, le ministère public indique l'estimation de ce montant et signale les indices sérieux et concrets motivant la saisie. Ces éléments figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.
§ 2. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.
§ 3. En cas de saisie d'un bien immeuble ou d'une créance, il est procédé conformément aux formalités prévues aux articles 35bis et 37.
§ 4. Le ministère public peut saisir d'autres biens que les avantages patrimoniaux qui appartiennent à des tiers, aux conditions suivantes :
1° il y a suffisamment d'indices sérieux et concrets que le suspect a transféré le bien à un tiers ou lui a financièrement permis de l'acquérir dans le but manifeste d'empêcher ou de compliquer gravement l'exécution d'une éventuelle confiscation spéciale portant sur une somme d'argent;
2° le tiers savait ou devait raisonnablement savoir que le bien lui a été transféré directement ou indirectement par le suspect, ou qu'il avait pu l'acquérir avec l'aide financière du suspect en vue de se soustraire à l'exécution d'une éventuelle confiscation spéciale portant sur une somme d'argent.
Dans sa décision, le ministère public mentionne les indices sérieux et concrets qui font apparaître que le suspect veut soustraire le bien à l'exécution d'une éventuelle confiscation spéciale, ainsi que les informations dont ressort ou peut être déduit que le tiers en a la connaissance. Ces éléments figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.".
"Art. 35ter. § 1er. S'il existe des indices sérieux et concrets que la personne soupçonnée a obtenu un avantage patrimonial au sens des articles 42, 3°, ou 43quater, § 2, du Code pénal et que les choses qui matérialisent cet avantage patrimonial ne peuvent pas ou ne peuvent plus être retrouvées en tant que telles dans le patrimoine de la personne soupçonnée qui se trouve en Belgique ou sont mélangées avec des choses licites, le ministère public peut saisir d'autres choses qui se trouvent dans le patrimoine de la personne soupçonnée à concurrence du montant du produit supposé de l'infraction. Dans sa décision, le ministère public indique l'estimation de ce montant et signale les indices sérieux et concrets motivant la saisie. Ces éléments figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.
§ 2. Les biens insaisissables conformément aux articles 1408 à 1412bis du Code judiciaire ou à des lois spéciales ne peuvent en aucun cas être saisis.
§ 3. En cas de saisie d'un bien immeuble ou d'une créance, il est procédé conformément aux formalités prévues aux articles 35bis et 37.
§ 4. Le ministère public peut saisir d'autres biens que les avantages patrimoniaux qui appartiennent à des tiers, aux conditions suivantes :
1° il y a suffisamment d'indices sérieux et concrets que le suspect a transféré le bien à un tiers ou lui a financièrement permis de l'acquérir dans le but manifeste d'empêcher ou de compliquer gravement l'exécution d'une éventuelle confiscation spéciale portant sur une somme d'argent;
2° le tiers savait ou devait raisonnablement savoir que le bien lui a été transféré directement ou indirectement par le suspect, ou qu'il avait pu l'acquérir avec l'aide financière du suspect en vue de se soustraire à l'exécution d'une éventuelle confiscation spéciale portant sur une somme d'argent.
Dans sa décision, le ministère public mentionne les indices sérieux et concrets qui font apparaître que le suspect veut soustraire le bien à l'exécution d'une éventuelle confiscation spéciale, ainsi que les informations dont ressort ou peut être déduit que le tiers en a la connaissance. Ces éléments figurent dans le procès-verbal dressé à l'occasion de la saisie.".
HOOFDSTUK 4. - Verjaring van de verbeurdverklaring
CHAPITRE 4. - Prescription de la confiscation
Art.48. Artikel 94 van het Strafwetboek, gewijzigd bij de wet van 9 april 1930, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 94. De geldboeten verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen.
De bijzondere verbeurdverklaringen verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgesteld termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens overtredingen of misdaden.
De bijzondere verbeurdverklaringen die uitgesproken zijn wegens wanbedrijven verjaren door verloop van tien jaren, te rekenen vanaf de in artikel 92 vastgestelde tijdstippen.".
"Art. 94. De geldboeten verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgestelde termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens misdaden, wanbedrijven of overtredingen.
De bijzondere verbeurdverklaringen verjaren door verloop van de in de vorige artikelen vastgesteld termijnen, naargelang zij zijn uitgesproken wegens overtredingen of misdaden.
De bijzondere verbeurdverklaringen die uitgesproken zijn wegens wanbedrijven verjaren door verloop van tien jaren, te rekenen vanaf de in artikel 92 vastgestelde tijdstippen.".
Art.48. L'article 94 du Code pénal, modifié par la loi du 9 avril 1930, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 94. Les amendes se prescriront dans les délais fixés par les articles précédents, selon qu'elles seront prononcées pour crimes, délits ou contraventions.
Les confiscations spéciales se prescriront dans les délais fixés par les articles précédents, selon qu'elles seront prononcées pour contraventions ou crimes.
Les confiscations spéciales prononcées pour des délits se prescriront par dix années révolues, à compter des moments déterminés dans l'article 92.".
"Art. 94. Les amendes se prescriront dans les délais fixés par les articles précédents, selon qu'elles seront prononcées pour crimes, délits ou contraventions.
Les confiscations spéciales se prescriront dans les délais fixés par les articles précédents, selon qu'elles seront prononcées pour contraventions ou crimes.
Les confiscations spéciales prononcées pour des délits se prescriront par dix années révolues, à compter des moments déterminés dans l'article 92.".
Art.49. Artikel 97 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 9 april 1930, wordt hersteld als volgt :
"Art. 97. § 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze straf verhindert.
§ 2. De verjaring wordt in elk geval geschorst in de volgende gevallen :
1° zolang de veroordeelde het voorwerp uitmaakt van een wettelijke collectieve insolventieprocedure;
2° tijdens de behandeling van het door de veroordeelde of derden overeenkomstig de artikelen 110 en 111 van de Grondwet ingediende genadeverzoek betreffende de opgelopen verbeurdverklaring;
3° tijdens de looptijd van een aanzuiveringsregeling die de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën, die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete of de gerechtskosten heeft toegestaan aan de veroordeelde.".
"Art. 97. § 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt geschorst wanneer de wet dit bepaalt of wanneer er een wettelijk beletsel bestaat dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van deze straf verhindert.
§ 2. De verjaring wordt in elk geval geschorst in de volgende gevallen :
1° zolang de veroordeelde het voorwerp uitmaakt van een wettelijke collectieve insolventieprocedure;
2° tijdens de behandeling van het door de veroordeelde of derden overeenkomstig de artikelen 110 en 111 van de Grondwet ingediende genadeverzoek betreffende de opgelopen verbeurdverklaring;
3° tijdens de looptijd van een aanzuiveringsregeling die de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën, die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring, de geldboete of de gerechtskosten heeft toegestaan aan de veroordeelde.".
Art.49. L'article 97 du même Code, abrogé par la loi du 9 avril 1930, est rétabli dans la rédaction suivante :
"Art. 97. § 1er. La prescription de la confiscation est suspendue lorsque la loi le prévoit ou lorsqu'il existe un empêchement légal à l'exécution immédiate de cette peine.
§ 2. La prescription est en tout cas suspendue dans les cas suivants :
1° pendant que le condamné fait l'objet d'une procédure collective d'insolvabilité légale;
2° pendant le traitement du recours en grâce concernant la confiscation encourue introduit par le condamné ou des tiers conformément aux articles 110 et 111 de la Constitution;
3° pendant la durée d'un plan de règlement accordé au condamné par le fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende ou des frais de justice.".
"Art. 97. § 1er. La prescription de la confiscation est suspendue lorsque la loi le prévoit ou lorsqu'il existe un empêchement légal à l'exécution immédiate de cette peine.
§ 2. La prescription est en tout cas suspendue dans les cas suivants :
1° pendant que le condamné fait l'objet d'une procédure collective d'insolvabilité légale;
2° pendant le traitement du recours en grâce concernant la confiscation encourue introduit par le condamné ou des tiers conformément aux articles 110 et 111 de la Constitution;
3° pendant la durée d'un plan de règlement accordé au condamné par le fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation, de l'amende ou des frais de justice.".
Art.50. Artikel 98 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 9 april 1930, wordt hersteld als volgt :
"Art. 98. § 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt gestuit door elke daad van tenuitvoerlegging uitgaande van de wettelijk bevoegde organen.
§ 2. De verjaring wordt in elk geval gestuit in de volgende gevallen :
1° elke gedeeltelijke betaling die door of voor de veroordeelde is gedaan aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring en die niet kadert in een door de ontvanger toegestane aanzuiveringsregeling;
2° elk betalingsverzoek of elke ingebrekestelling gericht aan de veroordeelde, bij een aangetekende zending of ge-rechtsdeurwaardersexploot, uitgaande van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring;
3° elk beslag gelegd door of op verzoek van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring,
4° de beslissing van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring een onderzoek te voeren naar de solvabiliteit van de veroordeelde;
5° de beslissing van het openbaar ministerie om een in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoeld strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek te openen;
6° alle uitvoeringshandelingen die verricht worden in het raam van het in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoelde strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.".
"Art. 98. § 1. De verjaring van de verbeurdverklaring wordt gestuit door elke daad van tenuitvoerlegging uitgaande van de wettelijk bevoegde organen.
§ 2. De verjaring wordt in elk geval gestuit in de volgende gevallen :
1° elke gedeeltelijke betaling die door of voor de veroordeelde is gedaan aan de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring en die niet kadert in een door de ontvanger toegestane aanzuiveringsregeling;
2° elk betalingsverzoek of elke ingebrekestelling gericht aan de veroordeelde, bij een aangetekende zending of ge-rechtsdeurwaardersexploot, uitgaande van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring;
3° elk beslag gelegd door of op verzoek van de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën die belast is met de invordering van de verbeurdverklaring,
4° de beslissing van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring een onderzoek te voeren naar de solvabiliteit van de veroordeelde;
5° de beslissing van het openbaar ministerie om een in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoeld strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek te openen;
6° alle uitvoeringshandelingen die verricht worden in het raam van het in artikel 464/1 van het Wetboek van strafvordering bedoelde strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek.".
Art.50. L'article 98 du même Code, abrogé par la loi du 9 avril 1930, est rétabli dans la rédaction suivante :
"Art. 98. § 1er. La prescription de la confiscation est interrompue par tout acte d'exécution émanant des instances compétentes légalement.
§ 2. La prescription est en tout cas interrompue dans les cas suivants :
1° tout paiement partiel effectué par ou pour le condamné au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation qui ne s'inscrit pas dans le cadre d'un plan de règlement accordé par le receveur;
2° toute demande de paiement ou toute mise en demeure adressée au condamné, par un envoi recommandé ou par exploit d'huissier, et émanant du fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation;
3° toute saisie pratiquée par le ou à la demande du fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation;
4° la décision du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation d'enquêter sur la solvabilité du condamné;
5° la décision du ministère public d'ouvrir une enquête pénale d'exécution conformément à l'article 464/1 du Code d'instruction criminelle;
6° tous les actes d'exécution accomplis dans le cadre de l'enquête pénale d'exécution conformément à l'article 464/1 du Code d'instruction criminelle.".
"Art. 98. § 1er. La prescription de la confiscation est interrompue par tout acte d'exécution émanant des instances compétentes légalement.
§ 2. La prescription est en tout cas interrompue dans les cas suivants :
1° tout paiement partiel effectué par ou pour le condamné au fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation qui ne s'inscrit pas dans le cadre d'un plan de règlement accordé par le receveur;
2° toute demande de paiement ou toute mise en demeure adressée au condamné, par un envoi recommandé ou par exploit d'huissier, et émanant du fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation;
3° toute saisie pratiquée par le ou à la demande du fonctionnaire compétent du service public fédéral Finances chargé du recouvrement de la confiscation;
4° la décision du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation d'enquêter sur la solvabilité du condamné;
5° la décision du ministère public d'ouvrir une enquête pénale d'exécution conformément à l'article 464/1 du Code d'instruction criminelle;
6° tous les actes d'exécution accomplis dans le cadre de l'enquête pénale d'exécution conformément à l'article 464/1 du Code d'instruction criminelle.".
HOOFDSTUK 5. - Verbeurdverklaring bij opschorting van de uitspraak van de veroordeling en uitstel van de tenuitvoerlegging van de verbeurdverklaring
CHAPITRE 5. - Confiscation en cas de suspension du prononcé de la condamnation et sursis à l'exécution de la confiscation
Art.51. In artikel 6 van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie, gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :
"Wordt de opschorting gelast, dan wordt de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde veroordeeld in de kosten, en zo daartoe aanleiding bestaat, tot de teruggave. Het onderzoeks- of vonnisgerecht kan of moet de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde veroordelen tot bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de op de feiten toepasselijke wetgeving.".
"Wordt de opschorting gelast, dan wordt de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde veroordeeld in de kosten, en zo daartoe aanleiding bestaat, tot de teruggave. Het onderzoeks- of vonnisgerecht kan of moet de verdachte, de inverdenkinggestelde of de beklaagde veroordelen tot bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de op de feiten toepasselijke wetgeving.".
Art.51. Dans l'article 6 de la loi du 29 juin 1964 concernant la suspension, le sursis et la probation, modifié par la loi du 19 décembre 2002, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
"Dans le cas où la suspension est ordonnée, le suspect, l'inculpé ou le prévenu est condamné aux frais et, s'il y a lieu, aux restitutions. La juridiction d'instruction ou de jugement peut ou doit condamner le suspect, l'inculpé ou le prévenu à la confiscation spéciale conformément à la législation applicable aux faits.".
"Dans le cas où la suspension est ordonnée, le suspect, l'inculpé ou le prévenu est condamné aux frais et, s'il y a lieu, aux restitutions. La juridiction d'instruction ou de jugement peut ou doit condamner le suspect, l'inculpé ou le prévenu à la confiscation spéciale conformément à la législation applicable aux faits.".
Art.52. In artikel 8, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 10 februari 1994 en gewijzigd bij de wet van 17 april 2002, wordt het eerste lid vervangen door wat volgt :
"Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij tot een werkstraf of één of meer straffen van niet meer dan vijf jaar veroordelen, bij een met redenen omklede beslissing gelasten dat de tenuitvoerlegging, hetzij van het vonnis of het arrest, hetzij van de hoofdstraffen of vervangende straffen dan wel van een gedeelte ervan, wordt uitgesteld. De tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring kan echter niet worden uitgesteld. De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van strafvordering.".
"Indien de veroordeelde nog niet veroordeeld is geweest tot een criminele straf of tot een hoofdgevangenisstraf van meer dan twaalf maanden, kunnen de vonnisgerechten, wanneer zij tot een werkstraf of één of meer straffen van niet meer dan vijf jaar veroordelen, bij een met redenen omklede beslissing gelasten dat de tenuitvoerlegging, hetzij van het vonnis of het arrest, hetzij van de hoofdstraffen of vervangende straffen dan wel van een gedeelte ervan, wordt uitgesteld. De tenuitvoerlegging van de veroordeling tot een verbeurdverklaring kan echter niet worden uitgesteld. De beslissing waarbij het uitstel en, in voorkomend geval, de probatie wordt toegestaan of geweigerd, moet met redenen omkleed zijn overeenkomstig de bepalingen van artikel 195 van het Wetboek van strafvordering.".
Art.52. Dans l'article 8, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 10 février 1994 et modifié par la loi du 17 avril 2002, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
"Lorsque le condamné n'a pas encouru antérieurement de condamnation à une peine criminelle ou à un emprisonnement principal de plus de douze mois, les juridictions de jugement peuvent, en condamnant à une peine de travail ou à une ou plusieurs peines ne dépassant pas cinq ans, ordonner, par décision motivée, qu'il sera sursis à l'exécution soit du jugement ou de l'arrêt, soit de tout ou partie des peines principales ou subsidiaires. Toutefois, il ne peut être sursis à l'exécution d'une condamnation à une peine de confiscation. La décision ordonnant ou refusant le sursis et, le cas échéant, la probation, doit être motivée conformément aux dispositions de l'article 195 du Code d'instruction criminelle.".
"Lorsque le condamné n'a pas encouru antérieurement de condamnation à une peine criminelle ou à un emprisonnement principal de plus de douze mois, les juridictions de jugement peuvent, en condamnant à une peine de travail ou à une ou plusieurs peines ne dépassant pas cinq ans, ordonner, par décision motivée, qu'il sera sursis à l'exécution soit du jugement ou de l'arrêt, soit de tout ou partie des peines principales ou subsidiaires. Toutefois, il ne peut être sursis à l'exécution d'une condamnation à une peine de confiscation. La décision ordonnant ou refusant le sursis et, le cas échéant, la probation, doit être motivée conformément aux dispositions de l'article 195 du Code d'instruction criminelle.".
HOOFDSTUK 6. - De ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën gespecialiseerd in de invordering van verbeurdverklaringen, het ten uitvoer leggen van de verbeurdverklaring op grond van het verruimde beslag, het optimaliseren van de opvolging van verbeurdverklaringen in het buitenland
CHAPITRE 6. - Le fonctionnaire du service public fédéral Finances spécialisé en matière de recouvrement de confiscations, l'exécution des confiscations sur la base d'une saisie élargie, l'optimalisation du suivi de confiscations à l'étranger
Art.53. In artikel 197 van het Wetboek van strafvordering, gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 20 mei 1997 en 19 maart 2003, wordt het tweede lid opgeheven.
Art.53. Dans l'article 197 du Code d'instruction criminelle, modifié par les lois des 10 juillet 1967, 20 mai 1997 et 19 mars 2003, l'alinéa 2 est abrogé.
Art.54. Artikel 197bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 19 maart 2003 en vervangen bij de wet van 27 december 2006, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 197bis. § 1. De vervolgingen tot invordering van verbeurdverklaarde goederen, de geldboetes en de gerechtskosten worden namens het openbaar ministerie uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën en volgens de aanwijzingen van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
Deze ambtenaar verricht de handelingen en stelt de vorderingen in, die vereist zijn ter inning of ter vrijwaring van de rechten die het vonnis of het arrest aan de Schatkist toekent.
Hij kan, bij een veroordeling tot een verbeurdverklaring van een geldsom, een geldboete of de gerechtskosten, overgaan tot de tenuitvoerlegging op de in beslag genomen goederen overeenkomstig de aanwijzingen van het openbaar ministerie of de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
Op verzoek van het openbaar ministerie of van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring doet de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën de rechterlijke beslissingen houdende verbeurdverklaring van onroerende goederen, die in kracht van gewijsde zijn getreden, door toedoen van de voorzitter van het bevoegde aankoopcomité overschrijven op het hypotheekkantoor van de plaats waar het goed is gelegen.
Voor het instellen van een vordering in rechte wordt overleg gepleegd met de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
§ 2. De vervolgingen tot invordering van verbeurdverklaarde goederen, geldboeten en gerechtskosten in het raam van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek gevoerd door de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring worden in zijn naam uitgeoefend door een ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën gespecialiseerd in de invordering van verbeurdverklaringen, die is aangewezen door de minister van Financiën.
De gespecialiseerde ambtenaar oefent alle bevoegdheden uit die de wettelijke en reglementaire bepalingen toekennen aan de in § 1 bedoelde ambtenaar. Hij kan over het hele grondgebied van het Rijk alle ambtshandelingen stellen die verband houden met de bevoegdheden welke eigen zijn aan zijn functie.
§ 3. Wanneer de veroordelingsbeslissing de bijzondere verbeurdverklaring inhoudt van zaken of sommen die zich bevinden of in te vorderen zijn buiten het Koninkrijk, maakt het openbaar ministerie een afschrift van de relevante stukken van het strafdossier over aan de minister van Justitie. Hij licht het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring daarvan in door toezending van een afschrift.
Het openbaar ministerie kan de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring verzoeken om in zijn naam alle akten op te stellen en handelingen te verrichten met het oog op de tenuitvoerlegging van de voormelde verbeurdverklaring in het buitenland. Met het oog hierop kan deze laatste de medewerking vorderen van vertalers. De kosten gemaakt voor hun prestaties worden begroot door de directeur en worden beschouwd als gerechtskosten in strafzaken.
§ 4. Er wordt een Overlegorgaan voor de coördinatie van de invordering van niet-fiscale schulden in strafzaken opgericht binnen de Federale Staat, hierna te noemen "het Overlegorgaan".
Het Overlegorgaan is samengesteld uit :
1° de administrateur van de niet-fiscale invordering van de federale overheidsdienst Financiën of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
2° de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
3° de directeur van de directie Bestrijding van de economische en financiële criminaliteit van de federale politie of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
4° een vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor Justitie;
5° een vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor Financiën;
6° een vertegenwoordiger van het lid van de federale regering dat bevoegd is voor de coördinatie van de fraudebestrijding;
7° een vertegenwoordiger aangewezen door het College van procureurs-generaal;
8° een vertegenwoordiger aangewezen door de Raad van procureurs des Konings;
Het Overlegorgaan bevordert de samenwerking tussen de in het tweede lid bedoelde administratieve en gerechtelijke overheden, met inachtneming van hun specifieke bevoegdheden, met als doel een efficiënte en effectieve tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen in strafzaken betreffende uitvoerbare veroordelingen tot betaling van verbeurdverklaarde geldsommen, strafrechtelijke geldboeten, gerechtskosten en de in artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen bedoelde bijdragen aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, in België en in het buitenland.
Het Overlegorgaan kan alle nuttige aanbevelingen formuleren met het oog op een optimale coördinatie van de tenuitvoerlegging van de in het derde lid bedoelde veroordelingen. De voorzitter van het Overlegorgaan bezorgt de aanbevelingen aan de ministers bevoegd voor Justitie en Financiën en aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.
Het Overlegorgaan stelt zijn huishoudelijk reglement vast met gewone meerderheid van stemmen van zijn aanwezige leden. Het reglement wordt goedgekeurd door de ministers bevoegd voor Financiën en Justitie. Het Overlegorgaan verkiest, bij eenparigheid, een voorzitter onder zijn leden voor een duur van twee jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.
Het Overlegorgaan vergadert na bijeenroeping door zijn voorzitter, die de agenda vaststelt.
Het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring verzekert het secretariaat van het Overlegorgaan.".
"Art. 197bis. § 1. De vervolgingen tot invordering van verbeurdverklaarde goederen, de geldboetes en de gerechtskosten worden namens het openbaar ministerie uitgeoefend door de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën en volgens de aanwijzingen van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
Deze ambtenaar verricht de handelingen en stelt de vorderingen in, die vereist zijn ter inning of ter vrijwaring van de rechten die het vonnis of het arrest aan de Schatkist toekent.
Hij kan, bij een veroordeling tot een verbeurdverklaring van een geldsom, een geldboete of de gerechtskosten, overgaan tot de tenuitvoerlegging op de in beslag genomen goederen overeenkomstig de aanwijzingen van het openbaar ministerie of de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
Op verzoek van het openbaar ministerie of van de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring doet de bevoegde ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën de rechterlijke beslissingen houdende verbeurdverklaring van onroerende goederen, die in kracht van gewijsde zijn getreden, door toedoen van de voorzitter van het bevoegde aankoopcomité overschrijven op het hypotheekkantoor van de plaats waar het goed is gelegen.
Voor het instellen van een vordering in rechte wordt overleg gepleegd met de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring.
§ 2. De vervolgingen tot invordering van verbeurdverklaarde goederen, geldboeten en gerechtskosten in het raam van het strafrechtelijk uitvoeringsonderzoek gevoerd door de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring worden in zijn naam uitgeoefend door een ambtenaar van de federale overheidsdienst Financiën gespecialiseerd in de invordering van verbeurdverklaringen, die is aangewezen door de minister van Financiën.
De gespecialiseerde ambtenaar oefent alle bevoegdheden uit die de wettelijke en reglementaire bepalingen toekennen aan de in § 1 bedoelde ambtenaar. Hij kan over het hele grondgebied van het Rijk alle ambtshandelingen stellen die verband houden met de bevoegdheden welke eigen zijn aan zijn functie.
§ 3. Wanneer de veroordelingsbeslissing de bijzondere verbeurdverklaring inhoudt van zaken of sommen die zich bevinden of in te vorderen zijn buiten het Koninkrijk, maakt het openbaar ministerie een afschrift van de relevante stukken van het strafdossier over aan de minister van Justitie. Hij licht het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring daarvan in door toezending van een afschrift.
Het openbaar ministerie kan de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring verzoeken om in zijn naam alle akten op te stellen en handelingen te verrichten met het oog op de tenuitvoerlegging van de voormelde verbeurdverklaring in het buitenland. Met het oog hierop kan deze laatste de medewerking vorderen van vertalers. De kosten gemaakt voor hun prestaties worden begroot door de directeur en worden beschouwd als gerechtskosten in strafzaken.
§ 4. Er wordt een Overlegorgaan voor de coördinatie van de invordering van niet-fiscale schulden in strafzaken opgericht binnen de Federale Staat, hierna te noemen "het Overlegorgaan".
Het Overlegorgaan is samengesteld uit :
1° de administrateur van de niet-fiscale invordering van de federale overheidsdienst Financiën of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
2° de directeur van het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
3° de directeur van de directie Bestrijding van de economische en financiële criminaliteit van de federale politie of de door hem aangewezen vertegenwoordiger;
4° een vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor Justitie;
5° een vertegenwoordiger van de minister die bevoegd is voor Financiën;
6° een vertegenwoordiger van het lid van de federale regering dat bevoegd is voor de coördinatie van de fraudebestrijding;
7° een vertegenwoordiger aangewezen door het College van procureurs-generaal;
8° een vertegenwoordiger aangewezen door de Raad van procureurs des Konings;
Het Overlegorgaan bevordert de samenwerking tussen de in het tweede lid bedoelde administratieve en gerechtelijke overheden, met inachtneming van hun specifieke bevoegdheden, met als doel een efficiënte en effectieve tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissingen in strafzaken betreffende uitvoerbare veroordelingen tot betaling van verbeurdverklaarde geldsommen, strafrechtelijke geldboeten, gerechtskosten en de in artikel 29 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen bedoelde bijdragen aan het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan occasionele redders, in België en in het buitenland.
Het Overlegorgaan kan alle nuttige aanbevelingen formuleren met het oog op een optimale coördinatie van de tenuitvoerlegging van de in het derde lid bedoelde veroordelingen. De voorzitter van het Overlegorgaan bezorgt de aanbevelingen aan de ministers bevoegd voor Justitie en Financiën en aan de voorzitter van het College van procureurs-generaal.
Het Overlegorgaan stelt zijn huishoudelijk reglement vast met gewone meerderheid van stemmen van zijn aanwezige leden. Het reglement wordt goedgekeurd door de ministers bevoegd voor Financiën en Justitie. Het Overlegorgaan verkiest, bij eenparigheid, een voorzitter onder zijn leden voor een duur van twee jaar. Het mandaat is hernieuwbaar.
Het Overlegorgaan vergadert na bijeenroeping door zijn voorzitter, die de agenda vaststelt.
Het Centraal Orgaan voor de inbeslagneming en de verbeurdverklaring verzekert het secretariaat van het Overlegorgaan.".
Art.54. L'article 197bis du même Code, inséré par la loi du 19 mars 2003 et remplacé par la loi du 27 décembre 2006, est remplacé par ce qui suit :
"Art. 197bis. § 1er. Les poursuites en vue du recouvrement de biens confisqués, d'amendes et de frais de justice seront exercées au nom du ministère public par le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Finances, selon les indications du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation.
Ce fonctionnaire accomplit les actes et introduit les demandes nécessaires au recouvrement ou à la sauvegarde des droits reconnus au Trésor par le jugement ou l'arrêt.
Il peut, en cas de condamnation à une confiscation d'une somme d'argent, une amende ou à des frais de justice, procéder à l'exécution sur les biens saisis conformément aux indications du ministère public ou du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation.
A la demande du ministère public ou du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation, le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Finances fait transcrire, par l'intermédiaire du président du comité d'acquisition compétent, les décisions judiciaires de confiscation de biens immeubles coulées en force de chose jugée au bureau des hypothèques de la situation du bien.
L'introduction de la demande en justice est précédée d'une concertation avec le directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation.
§ 2. Les poursuites pour le recouvrement de biens confisqués, d'amendes et de frais de justice dans le cadre de l'enquête pénale d'exécution menée par le directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation seront exercées en son nom par un fonctionnaire du service public fédéral Finances spécialisé en matière de recouvrement de confiscation, désigné par le ministre des Finances.
Le fonctionnaire spécialisé exerce toutes les compétences que les dispositions légales et réglementaires accordent au fonctionnaire visé au § 1er. Il peut poser les actes liés aux compétences de sa fonction sur tout le territoire du Royaume.
§ 3. Lorsque la décision de condamnation porte confiscation spéciale de choses ou de sommes se trouvant ou à recouvrer hors du Royaume, le ministère public transmet une copie des pièces pertinentes du dossier répressif au ministre de la Justice. Il en avise l'Organe central pour la saisie et la confiscation par l'envoi d'une copie.
Le ministère public peut inviter le directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation d'établir et d'accomplir en son nom tous les actes en vue d'obtenir l'exécution de confiscation mentionnée ci-avant à l'étranger. A cette fin, ce dernier peut requérir l'intervention de traducteurs. Les frais exposés pour les prestations de ceux-ci sont taxés par le directeur et considérés comme des frais de justice en matière pénale.
§ 4. Il est institué au sein de l'Etat fédéral un Organe de concertation pour la coordination du recouvrement des créances non fiscales en matière pénale, dénommé ci-après "l'Organe de concertation".
L'Organe de concertation est composé :
1° de l'administrateur du recouvrement non fiscal du service public fédéral Finances ou du représentant qu'il désigne;
2° du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation ou du représentant qu'il désigne;
3° du directeur de la direction de la Lutte contre la criminalité économique et financière de la police fédérale ou du représentant qu'il désigne;
4° d'un représentant du ministre ayant la Justice dans ses attributions;
5° d'un représentant du ministre ayant les Finances dans ses attributions;
6° d'un représentant du membre du gouvernement fédéral compétent pour la coordination de la lutte contre la fraude;
7° d'un représentant désigné par le Collège des procureurs généraux;
8° d'un représentant désigné par le Conseil des procureurs du Roi.
L'Organe de concertation favorise la collaboration entre les autorités administratives et judiciaires visées à l'alinéa 2, dans le respect de leur compétences spécifiques, en vue d'une mise en oeuvre efficiente et effective des décisions judiciaires en matière pénale concernant les condamnations exécutoires au paiement de sommes d'argent confisquées, d'amendes pénales, de frais de justice et des contributions au Fonds d'aide aux victimes d'actes intentionnels de violence et aux sauveteurs occasionnels, visées à l'article 29 de la loi du 1er août 1985 portant des mesures fiscales et autres, en Belgique et à l'étranger.
L'Organe de concertation peut formuler toutes les recommandations utiles en vue d'une coordination optimale de l'exécution des condamnations visées à l'alinéa 3. Le président de l'Organe de concertation transmet les recommandations aux ministres ayant la Justice et les Finances dans leurs attributions et au président du Collège des procureurs généraux.
L'Organe de concertation établit son règlement d'ordre intérieur à la majorité simple des membres présents. Le règlement est approuvé par les ministres ayant la Justice et les Finances dans leurs attributions. L'Organe de concertation choisit à l'unanimité un président parmi ses membres pour une durée de deux ans. Le mandat est renouvelable.
L'Organe de concertation se réunit sur convocation de son président, qui fixe l'ordre du jour.
L'Organe central pour la saisie et la confiscation assure le secrétariat de l'Organe de concertation.".
"Art. 197bis. § 1er. Les poursuites en vue du recouvrement de biens confisqués, d'amendes et de frais de justice seront exercées au nom du ministère public par le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Finances, selon les indications du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation.
Ce fonctionnaire accomplit les actes et introduit les demandes nécessaires au recouvrement ou à la sauvegarde des droits reconnus au Trésor par le jugement ou l'arrêt.
Il peut, en cas de condamnation à une confiscation d'une somme d'argent, une amende ou à des frais de justice, procéder à l'exécution sur les biens saisis conformément aux indications du ministère public ou du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation.
A la demande du ministère public ou du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation, le fonctionnaire compétent du Service Public Fédéral Finances fait transcrire, par l'intermédiaire du président du comité d'acquisition compétent, les décisions judiciaires de confiscation de biens immeubles coulées en force de chose jugée au bureau des hypothèques de la situation du bien.
L'introduction de la demande en justice est précédée d'une concertation avec le directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation.
§ 2. Les poursuites pour le recouvrement de biens confisqués, d'amendes et de frais de justice dans le cadre de l'enquête pénale d'exécution menée par le directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation seront exercées en son nom par un fonctionnaire du service public fédéral Finances spécialisé en matière de recouvrement de confiscation, désigné par le ministre des Finances.
Le fonctionnaire spécialisé exerce toutes les compétences que les dispositions légales et réglementaires accordent au fonctionnaire visé au § 1er. Il peut poser les actes liés aux compétences de sa fonction sur tout le territoire du Royaume.
§ 3. Lorsque la décision de condamnation porte confiscation spéciale de choses ou de sommes se trouvant ou à recouvrer hors du Royaume, le ministère public transmet une copie des pièces pertinentes du dossier répressif au ministre de la Justice. Il en avise l'Organe central pour la saisie et la confiscation par l'envoi d'une copie.
Le ministère public peut inviter le directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation d'établir et d'accomplir en son nom tous les actes en vue d'obtenir l'exécution de confiscation mentionnée ci-avant à l'étranger. A cette fin, ce dernier peut requérir l'intervention de traducteurs. Les frais exposés pour les prestations de ceux-ci sont taxés par le directeur et considérés comme des frais de justice en matière pénale.
§ 4. Il est institué au sein de l'Etat fédéral un Organe de concertation pour la coordination du recouvrement des créances non fiscales en matière pénale, dénommé ci-après "l'Organe de concertation".
L'Organe de concertation est composé :
1° de l'administrateur du recouvrement non fiscal du service public fédéral Finances ou du représentant qu'il désigne;
2° du directeur de l'Organe central pour la saisie et la confiscation ou du représentant qu'il désigne;
3° du directeur de la direction de la Lutte contre la criminalité économique et financière de la police fédérale ou du représentant qu'il désigne;
4° d'un représentant du ministre ayant la Justice dans ses attributions;
5° d'un représentant du ministre ayant les Finances dans ses attributions;
6° d'un représentant du membre du gouvernement fédéral compétent pour la coordination de la lutte contre la fraude;
7° d'un représentant désigné par le Collège des procureurs généraux;
8° d'un représentant désigné par le Conseil des procureurs du Roi.
L'Organe de concertation favorise la collaboration entre les autorités administratives et judiciaires visées à l'alinéa 2, dans le respect de leur compétences spécifiques, en vue d'une mise en oeuvre efficiente et effective des décisions judiciaires en matière pénale concernant les condamnations exécutoires au paiement de sommes d'argent confisquées, d'amendes pénales, de frais de justice et des contributions au Fonds d'aide aux victimes d'actes intentionnels de violence et aux sauveteurs occasionnels, visées à l'article 29 de la loi du 1er août 1985 portant des mesures fiscales et autres, en Belgique et à l'étranger.
L'Organe de concertation peut formuler toutes les recommandations utiles en vue d'une coordination optimale de l'exécution des condamnations visées à l'alinéa 3. Le président de l'Organe de concertation transmet les recommandations aux ministres ayant la Justice et les Finances dans leurs attributions et au président du Collège des procureurs généraux.
L'Organe de concertation établit son règlement d'ordre intérieur à la majorité simple des membres présents. Le règlement est approuvé par les ministres ayant la Justice et les Finances dans leurs attributions. L'Organe de concertation choisit à l'unanimité un président parmi ses membres pour une durée de deux ans. Le mandat est renouvelable.
L'Organe de concertation se réunit sur convocation de son président, qui fixe l'ordre du jour.
L'Organe central pour la saisie et la confiscation assure le secrétariat de l'Organe de concertation.".
HOOFDSTUK 7. - Matigingsbevoegdheid van de rechter
CHAPITRE 7. - Pouvoir de modération du juge
Art. 55. Artikel 43bis van het Strafwetboek, ingevoegd bij de wet van 17 juli 1990 en gewijzigd bij de wet van 19 december 2002, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"De rechter vermindert zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen."
"De rechter vermindert zo nodig het bedrag van de in artikel 42, 3°, bedoelde vermogensvoordelen of van de in het tweede lid bedoelde geldwaarde om de veroordeelde geen onredelijk zware straf op te leggen."
Art. 55. L'article 43bis du Code pénal, inséré par la loi du 17 juillet 1990 et modifié par la loi du 19 décembre 2002, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
"Le juge diminue au besoin le montant des avantages patrimoniaux visés à l'article 42, 3°, ou de l'évaluation monétaire visée à l'alinéa 2 afin de ne pas soumettre le condamné à une peine déraisonnablement lourde."
"Le juge diminue au besoin le montant des avantages patrimoniaux visés à l'article 42, 3°, ou de l'évaluation monétaire visée à l'alinéa 2 afin de ne pas soumettre le condamné à une peine déraisonnablement lourde."