Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
19 MAART 2014. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
Titre
19 MARS 2014. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Informations sur le document
Numac: 2014000295
Datum: 2014-03-19
Info du document
Numac: 2014000295
Date: 2014-03-19
Table des matières
Tekst (33)
Texte (33)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepalingen
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art.2. Deze wet voorziet in de omzetting van de Richtlijn 2011/51/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2011 tot wijziging van Richtlijn 2003/109/EG van de Raad teneinde haar werkingssfeer uit te breiden tot personen die internationale bescherming genieten.
Deze wet voorziet eveneens in de gedeeltelijke omzetting van de volgende richtlijnen :
- Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
- Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan;
- Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985;
- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;
Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
Deze wet voorziet eveneens in de gedeeltelijke omzetting van de volgende richtlijnen :
- Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen;
- Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan;
- Richtlijn 2001/51/EG van de Raad van 28 juni 2001 tot aanvulling van het bepaalde in artikel 26 van de Overeenkomst ter uitvoering van het Akkoord van Schengen van 14 juni 1985;
- Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG;
Richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging.
Art.2. La présente loi transpose la Directive 2011/51/UE du Parlement européen et du Conseil du 11 mai 2011 modifiant la Directive 2003/109/CE du Conseil afin d'étendre son champ d'application aux bénéficiaires d'une protection internationale.
La présente loi transpose également partiellement les directives suivantes :
- Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
- Directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fi ns d'un emploi hautement qualifié;
- Directive 2001/51/CE du Conseil du 28 juin 2001 visant à compléter les dispositions de l'article 26 de la Convention d'application de Schengen du 14 juin 1985;
- Directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, modifiant le règlement (CEE) n° 1612/68 et abrogeant les Directives 64/221/CEE, 68/360/CEE, 72/194/CEE, 73/148/CEE, 75/34/CEE, 75/35/CEE, 90/364/CEE, 90/365/CEE et 93/96/CEE;
- Directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial.
La présente loi transpose également partiellement les directives suivantes :
- Directive 2003/109/CE du Conseil du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée;
- Directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fi ns d'un emploi hautement qualifié;
- Directive 2001/51/CE du Conseil du 28 juin 2001 visant à compléter les dispositions de l'article 26 de la Convention d'application de Schengen du 14 juin 1985;
- Directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, modifiant le règlement (CEE) n° 1612/68 et abrogeant les Directives 64/221/CEE, 68/360/CEE, 72/194/CEE, 73/148/CEE, 75/34/CEE, 75/35/CEE, 90/364/CEE, 90/365/CEE et 93/96/CEE;
- Directive 2003/86/CE du Conseil du 22 septembre 2003 relative au droit au regroupement familial.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen
CHAPITRE 2. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers
Art.3. Artikel 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 15 mei 2012, wordt aangevuld met een 16° en een 17°, luidende :
"16° internationale bescherming : de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus;
17° Schengeninformatiesysteem : het Schengeninformatiesysteem zoals het opgericht werd in het kader van het Schengenacquis geïntegreerd en ontwikkeld in het kader van de Europese Unie en dat met name geregeld wordt door de Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II).".
"16° internationale bescherming : de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus;
17° Schengeninformatiesysteem : het Schengeninformatiesysteem zoals het opgericht werd in het kader van het Schengenacquis geïntegreerd en ontwikkeld in het kader van de Europese Unie en dat met name geregeld wordt door de Verordening (EG) nr. 1987/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 betreffende de instelling, de werking en het gebruik van het Schengeninformatiesysteem van de tweede generatie (SIS II).".
Art.3. L'article 1er de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, modifié en dernier lieu par la loi du 15 mai 2012, est complété par les 16° et 17° rédigés comme suit :
" 16° protection internationale : le statut de réfugié et le statut de protection subsidiaire;
17° système d'information Schengen : le système d'information Schengen tel qu'il a été créé dans le cadre de l'acquis de Schengen intégré et développé dans le cadre de l'Union européenne, et qui est régi notamment par le Règlement (CE) n° 1987/2006 du Parlement européen et du Conseil du 20 décembre 2006 sur l'établissement, le fonctionnement et l'utilisation du système d'information Schengen de deuxième génération (SIS II). ".
" 16° protection internationale : le statut de réfugié et le statut de protection subsidiaire;
17° système d'information Schengen : le système d'information Schengen tel qu'il a été créé dans le cadre de l'acquis de Schengen intégré et développé dans le cadre de l'Union européenne, et qui est régi notamment par le Règlement (CE) n° 1987/2006 du Parlement européen et du Conseil du 20 décembre 2006 sur l'établissement, le fonctionnement et l'utilisation du système d'information Schengen de deuxième génération (SIS II). ".
Art.4. In artikel 3, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd bij de wet van 19 januari 2012, wordt het 5° vervangen door wat volgt :
"5° wanneer hij ter fine van weigering van toegang of verblijf gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem;".
"5° wanneer hij ter fine van weigering van toegang of verblijf gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem;".
Art.4. Dans l'article 3, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 15 juillet 1996 et modifié par la loi du 19 janvier 2012, le 5° est remplacé par ce qui suit :
" 5° s'il est signalé aux fins de non-admission ou d'interdiction de séjour dans le système d'information Schengen; ".
" 5° s'il est signalé aux fins de non-admission ou d'interdiction de séjour dans le système d'information Schengen; ".
Art.5. In artikel 8bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 1 september 2004 en gewijzigd bij de wetten van 6 mei 2009 en 19 januari 2012, wordt § 4 vervangen door wat volgt :
" § 4. Tijdens de in § 1 bedoelde erkenningsprocedure, kan de minister of zijn gemachtigde, onverminderd de bepalingen van Titel IIIquater en tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de vreemdeling die ter fine van weigering van toegang of verblijf gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem, omwille van een in § 1, 1°, bedoelde reden, laten opsluiten zonder dat de duur van de opsluiting langer mag zijn dan een maand.".
" § 4. Tijdens de in § 1 bedoelde erkenningsprocedure, kan de minister of zijn gemachtigde, onverminderd de bepalingen van Titel IIIquater en tenzij andere afdoende maar minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast, de vreemdeling die ter fine van weigering van toegang of verblijf gesignaleerd staat in het Schengeninformatiesysteem, omwille van een in § 1, 1°, bedoelde reden, laten opsluiten zonder dat de duur van de opsluiting langer mag zijn dan een maand.".
Art.5. Dans l'article 8bis de la même loi, inséré par la loi du 1er septembre 2004 et modifié par les lois du 6 mai 2009 et du 19 janvier 2012, le § 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Pendant la procédure de reconnaissance visée au § 1er, le ministre ou son délégué peut, sans préjudice des dispositions du Titre IIIquater et à moins que d'autres mesures suffisantes mais moins coercitives puissent être appliquées efficacement, faire détenir l'étranger qui est signalé aux fins de non-admission ou d'interdiction de séjour dans le système d'information Schengen, pour un des motifs visés au § 1er, 1°, sans que la durée de la détention puisse dépasser un mois. ".
" § 4. Pendant la procédure de reconnaissance visée au § 1er, le ministre ou son délégué peut, sans préjudice des dispositions du Titre IIIquater et à moins que d'autres mesures suffisantes mais moins coercitives puissent être appliquées efficacement, faire détenir l'étranger qui est signalé aux fins de non-admission ou d'interdiction de séjour dans le système d'information Schengen, pour un des motifs visés au § 1er, 1°, sans que la durée de la détention puisse dépasser un mois. ".
Art.6. In artikel 10, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011, wordt het 2° vervangen door wat volgt :
"2° de vreemdeling die de door het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziene voorwaarden om de Belgische nationaliteit te herkrijgen vervult, zonder dat vereist is dat hij zijn hoofdverblijfplaats al sedert minstens twaalf maanden in België heeft, noch dat hij een verklaring met het oog op het herkrijgen van de Belgische nationaliteit moet doen;".
"2° de vreemdeling die de door het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziene voorwaarden om de Belgische nationaliteit te herkrijgen vervult, zonder dat vereist is dat hij zijn hoofdverblijfplaats al sedert minstens twaalf maanden in België heeft, noch dat hij een verklaring met het oog op het herkrijgen van de Belgische nationaliteit moet doen;".
Art.6. Dans l'article 10, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011, le 2° est remplacé par ce qui suit :
" 2° l'étranger qui remplit les conditions prévues par le Code de la nationalité belge pour recouvrer la nationalité belge, sans qu'il soit requis qu'il ait sa résidence principale en Belgique depuis au moins douze mois et sans qu'il doive faire une déclaration de recouvrement de la nationalité belge; ".
" 2° l'étranger qui remplit les conditions prévues par le Code de la nationalité belge pour recouvrer la nationalité belge, sans qu'il soit requis qu'il ait sa résidence principale en Belgique depuis au moins douze mois et sans qu'il doive faire une déclaration de recouvrement de la nationalité belge; ".
Art.7. In artikel 10bis, § 3, tweede lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 8 juli 2011, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning van langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene".
Art.7. Dans l'article 10bis, § 3, alinéa 2, de la même loi, remplacé par la loi du 8 juillet 2011, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ".
Art.8. In artikel 12bis, § 4, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 6 augustus 1993 en vervangen bij de wet van 8 juli 2011, worden de woorden "en 4° " telkens ingevoegd tussen de woorden " § 1, tweede lid, 3° " en de woorden ", wanneer de vreemdeling" en tussen de woorden " § 1, tweede lid, 3° " en de woorden ", wordt dit medegedeeld".
Art.8. Dans l'article 12bis, § 4, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 6 août 1993 et remplacé par la loi du 8 juillet 2011, les mots " et 4° " sont chaque fois insérés entre les mots " § 1er, alinéa 2, 3° " et les mots " , lorsque l'étranger " et entre les mots " § 1er, alinéa 2, 3° " et les mots " , il le communique ".
Art.9. In artikel 15bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 15 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "en van artikel 14, tweede lid," opgeheven;
2° in § 1 worden het tweede, het derde en het vierde lid vervangen door een lid, luidende :
"Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die :
1° gemachtigd is in het Rijk te verblijven om te studeren of om een beroepsopleiding te volgen;
2° gemachtigd is in het Rijk te verblijven krachtens een tijdelijke bescherming of op deze grond een verblijfsmachtiging heeft aangevraagd en een beslissing over de status afwacht;
3° gemachtigd is in het Rijk te verblijven krachtens een andere vorm van bescherming dan de internationale bescherming of op deze grond een verblijfsmachtiging heeft aangevraagd en een beslissing over de status afwacht;
4° een aanvraag tot internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
5° in het Rijk verblijft uitsluitend om redenen van tijdelijke aard;
6° een juridische status heeft die valt onder de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer, het Verdrag van Wenen van 24 april 1963 inzake consulaire betrekkingen, het Verdrag van New York van 8 december 1969 inzake de speciale missies, of het Verdrag van Wenen van 14 maart 1975 inzake de vertegenwoordiging van staten in hun betrekkingen met internationale organisaties met een universeel karakter;"
3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. Bij het berekenen van het in § 1, eerste lid, bedoelde verblijf van vijf jaar wordt geen rekening gehouden met de in § 1, tweede lid, 5° en 6°, bedoelde periode of perioden.
De in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde periode of de perioden worden voor de helft in aanmerking genomen.
Wat de vreemdeling betreft aan wie internationale bescherming werd verleend, wordt de helft van de periode tussen de datum van indiening van de aanvraag tot internationale bescherming op grond waarvan deze internationale bescherming werd verleend en de datum van afgifte van de verblijfstitel in aanmerking genomen, of de hele periode indien die achttien maanden overschrijdt.
De in het derde lid bedoelde perioden en de perioden van verblijf als persoon die internationale bescherming geniet, worden niet in aanmerking genomen indien de internationale bescherming werd ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 6°, of indien ze werd ingetrokken omdat de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, valse verklaringen heeft afgelegd of valse of vervalste documenten heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de toekenning van de internationale bescherming.
Wat de vreemdeling betreft die met toepassing van artikel 61/27 gemachtigd werd tot verblijf, kunnen de perioden van verblijf in de verschillende lidstaten van de Europese Unie voor de berekening van vereiste periode van vijf jaar gecumuleerd worden mits hij vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van de Unie verblijft als houder van een Europese blauwe kaart waarvan twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag in het Rijk.".
1° in § 1, eerste lid, worden de woorden "en van artikel 14, tweede lid," opgeheven;
2° in § 1 worden het tweede, het derde en het vierde lid vervangen door een lid, luidende :
"Het eerste lid is niet van toepassing op de vreemdeling die :
1° gemachtigd is in het Rijk te verblijven om te studeren of om een beroepsopleiding te volgen;
2° gemachtigd is in het Rijk te verblijven krachtens een tijdelijke bescherming of op deze grond een verblijfsmachtiging heeft aangevraagd en een beslissing over de status afwacht;
3° gemachtigd is in het Rijk te verblijven krachtens een andere vorm van bescherming dan de internationale bescherming of op deze grond een verblijfsmachtiging heeft aangevraagd en een beslissing over de status afwacht;
4° een aanvraag tot internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen;
5° in het Rijk verblijft uitsluitend om redenen van tijdelijke aard;
6° een juridische status heeft die valt onder de bepalingen van het Verdrag van Wenen van 18 april 1961 inzake diplomatiek verkeer, het Verdrag van Wenen van 24 april 1963 inzake consulaire betrekkingen, het Verdrag van New York van 8 december 1969 inzake de speciale missies, of het Verdrag van Wenen van 14 maart 1975 inzake de vertegenwoordiging van staten in hun betrekkingen met internationale organisaties met een universeel karakter;"
3° paragraaf 2 wordt vervangen door wat volgt :
" § 2. Bij het berekenen van het in § 1, eerste lid, bedoelde verblijf van vijf jaar wordt geen rekening gehouden met de in § 1, tweede lid, 5° en 6°, bedoelde periode of perioden.
De in § 1, tweede lid, 1°, bedoelde periode of de perioden worden voor de helft in aanmerking genomen.
Wat de vreemdeling betreft aan wie internationale bescherming werd verleend, wordt de helft van de periode tussen de datum van indiening van de aanvraag tot internationale bescherming op grond waarvan deze internationale bescherming werd verleend en de datum van afgifte van de verblijfstitel in aanmerking genomen, of de hele periode indien die achttien maanden overschrijdt.
De in het derde lid bedoelde perioden en de perioden van verblijf als persoon die internationale bescherming geniet, worden niet in aanmerking genomen indien de internationale bescherming werd ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 6°, of indien ze werd ingetrokken omdat de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, valse verklaringen heeft afgelegd of valse of vervalste documenten heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de toekenning van de internationale bescherming.
Wat de vreemdeling betreft die met toepassing van artikel 61/27 gemachtigd werd tot verblijf, kunnen de perioden van verblijf in de verschillende lidstaten van de Europese Unie voor de berekening van vereiste periode van vijf jaar gecumuleerd worden mits hij vijf jaar legaal en ononderbroken op het grondgebied van de Unie verblijft als houder van een Europese blauwe kaart waarvan twee jaar onmiddellijk voorafgaand aan de indiening van de aanvraag in het Rijk.".
Art.9. A l'article 15bis de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 15 mai 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " et à l'article 14, alinéa 2, " sont abrogés;
2° dans le § 1er, les alinéas 2, 3 et 4 sont remplacés par un alinéa, rédigé comme suit :
" L'alinéa 1er ne s'applique pas à l'étranger qui :
1° est autorisé à séjourner dans le Royaume pour faire des études ou suivre une formation professionnelle;
2° est autorisé à séjourner dans le Royaume en vertu d'une protection temporaire ou qui a demandé une autorisation de séjour à ce titre et qui attend une décision sur le statut;
3° est autorisé à séjourner dans le Royaume en vertu d'une forme de protection autre que la protection internationale ou qui a demandé une autorisation de séjour à ce titre et qui attend une décision sur le statut;
4° a demandé une protection internationale et dont la demande n'a pas encore fait l'objet d'une décision définitive;
5° séjourne dans le Royaume exclusivement pour des motifs à caractère temporaire;
6° a un statut juridique régi par les dispositions de la Convention de Vienne du 18 avril 1961 sur les relations diplomatiques, de la Convention de Vienne du 24 avril 1963 sur les relations consulaires, de la Convention de New York du 8 décembre 1969 sur les missions spéciales ou de la Convention de Vienne du 14 mars 1975 sur la représentation des Etats dans leurs relations avec les organisations internationales de caractère universel; "
3° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
§ 2. Pour le calcul du séjour de cinq ans visé au § 1er, alinéa 1er, il n'est pas tenu compte de la ou des périodes visées au § 1er, alinéa 2, 5° et 6°.
La ou les périodes visées au § 1er, alinéa 2, 1°, sont prises en compte pour moitié.
En ce qui concerne l'étranger auquel la protection internationale a été accordée, la moitié de la période comprise entre la date de l'introduction de la demande de protection internationale sur la base de laquelle cette protection internationale a été accordée et la date de la délivrance du titre de séjour, ou la totalité de cette période si celle-ci excède dix-huit mois, est prise en considération.
Les périodes visées à l'alinéa 3 et les périodes de séjour en tant que bénéficiaire de la protection internationale, ne sont pas prises en considération si la protection internationale a été retirée conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 6°, ou si elle a été retirée parce que l'étranger a présenté des faits de manière altérée ou les a dissimulés, a fait de fausses déclarations ou a utilisé des documents faux ou falsifiés qui ont été déterminants dans l'octroi de la protection internationale.
En ce qui concerne l'étranger qui a été autorisé au séjour en application de l'article 61/27, les périodes de séjours effectués dans les différents Etats membres de l'Union européenne peuvent être cumulées pour le calcul de la période requise de cinq ans, à condition de justifier de cinq années de séjour légal et ininterrompu sur le territoire de l'Union en tant que titulaire d'une carte bleue européenne, dont deux années précédant immédiatement l'introduction de la demande dans le Royaume. ".
1° dans le § 1er, alinéa 1er, les mots " et à l'article 14, alinéa 2, " sont abrogés;
2° dans le § 1er, les alinéas 2, 3 et 4 sont remplacés par un alinéa, rédigé comme suit :
" L'alinéa 1er ne s'applique pas à l'étranger qui :
1° est autorisé à séjourner dans le Royaume pour faire des études ou suivre une formation professionnelle;
2° est autorisé à séjourner dans le Royaume en vertu d'une protection temporaire ou qui a demandé une autorisation de séjour à ce titre et qui attend une décision sur le statut;
3° est autorisé à séjourner dans le Royaume en vertu d'une forme de protection autre que la protection internationale ou qui a demandé une autorisation de séjour à ce titre et qui attend une décision sur le statut;
4° a demandé une protection internationale et dont la demande n'a pas encore fait l'objet d'une décision définitive;
5° séjourne dans le Royaume exclusivement pour des motifs à caractère temporaire;
6° a un statut juridique régi par les dispositions de la Convention de Vienne du 18 avril 1961 sur les relations diplomatiques, de la Convention de Vienne du 24 avril 1963 sur les relations consulaires, de la Convention de New York du 8 décembre 1969 sur les missions spéciales ou de la Convention de Vienne du 14 mars 1975 sur la représentation des Etats dans leurs relations avec les organisations internationales de caractère universel; "
3° le § 2 est remplacé par ce qui suit :
§ 2. Pour le calcul du séjour de cinq ans visé au § 1er, alinéa 1er, il n'est pas tenu compte de la ou des périodes visées au § 1er, alinéa 2, 5° et 6°.
La ou les périodes visées au § 1er, alinéa 2, 1°, sont prises en compte pour moitié.
En ce qui concerne l'étranger auquel la protection internationale a été accordée, la moitié de la période comprise entre la date de l'introduction de la demande de protection internationale sur la base de laquelle cette protection internationale a été accordée et la date de la délivrance du titre de séjour, ou la totalité de cette période si celle-ci excède dix-huit mois, est prise en considération.
Les périodes visées à l'alinéa 3 et les périodes de séjour en tant que bénéficiaire de la protection internationale, ne sont pas prises en considération si la protection internationale a été retirée conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 6°, ou si elle a été retirée parce que l'étranger a présenté des faits de manière altérée ou les a dissimulés, a fait de fausses déclarations ou a utilisé des documents faux ou falsifiés qui ont été déterminants dans l'octroi de la protection internationale.
En ce qui concerne l'étranger qui a été autorisé au séjour en application de l'article 61/27, les périodes de séjours effectués dans les différents Etats membres de l'Union européenne peuvent être cumulées pour le calcul de la période requise de cinq ans, à condition de justifier de cinq années de séjour légal et ininterrompu sur le territoire de l'Union en tant que titulaire d'une carte bleue européenne, dont deux années précédant immédiatement l'introduction de la demande dans le Royaume. ".
Art.10. Artikel 16 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 16. § 1. De aanvraag van machtiging tot vestiging wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats. Dit gemeentebestuur levert daarvan een ontvangstbewijs af en zendt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde, voor zover de vreemdeling voldoet aan de in artikel 14, tweede lid, bedoelde voorwaarde en hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een kopie van een geldig paspoort voorlegt.
De Koning bepaalt het model van aanvraag van machtiging tot vestiging.
§ 2. De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats. Dit gemeentebestuur levert daarvan een ontvangstbewijs af en zendt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde, voor zover de vreemdeling houder is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning en hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een kopie van een geldig paspoort voorlegt. Deze aanvraag moet vergezeld zijn van de bewijsstukken die aantonen dat de in artikel 15bis, § 3, bepaalde voorwaarden zijn vervuld.
De Koning bepaalt het model van aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene, de regels inzake de behandeling van deze aanvraag, evenals de gevolgen van de afwezigheid van beslissing bij het verstrijken van de vastgestelde termijn.
§ 3. De niet-gevestigde vreemdeling die de in artikel 14, tweede lid, vastgestelde voorwaarde vervult, kan naar keuze de machtiging tot vestiging of de verkrijging van de status van langdurig ingezetene aanvragen. De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene geldt als aanvraag van machtiging tot vestiging.
De gevestigde vreemdeling kan te allen tijde de status van langdurig ingezetene aanvragen.".
"Art. 16. § 1. De aanvraag van machtiging tot vestiging wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats. Dit gemeentebestuur levert daarvan een ontvangstbewijs af en zendt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde, voor zover de vreemdeling voldoet aan de in artikel 14, tweede lid, bedoelde voorwaarde en hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een kopie van een geldig paspoort voorlegt.
De Koning bepaalt het model van aanvraag van machtiging tot vestiging.
§ 2. De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene wordt gericht aan het gemeentebestuur van de verblijfplaats. Dit gemeentebestuur levert daarvan een ontvangstbewijs af en zendt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde, voor zover de vreemdeling houder is van een geldige verblijfs- of vestigingsvergunning en hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een kopie van een geldig paspoort voorlegt. Deze aanvraag moet vergezeld zijn van de bewijsstukken die aantonen dat de in artikel 15bis, § 3, bepaalde voorwaarden zijn vervuld.
De Koning bepaalt het model van aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene, de regels inzake de behandeling van deze aanvraag, evenals de gevolgen van de afwezigheid van beslissing bij het verstrijken van de vastgestelde termijn.
§ 3. De niet-gevestigde vreemdeling die de in artikel 14, tweede lid, vastgestelde voorwaarde vervult, kan naar keuze de machtiging tot vestiging of de verkrijging van de status van langdurig ingezetene aanvragen. De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene geldt als aanvraag van machtiging tot vestiging.
De gevestigde vreemdeling kan te allen tijde de status van langdurig ingezetene aanvragen.".
Art.10. L'article 16 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 16. § 1er. La demande d'autorisation d'établissement est adressée à l'administration communale du lieu de résidence. Cette administration communale en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger réponde à la condition visée à l'article 14, alinéa 2, et, lorsque son identité n'est pas établie, qu'il produise la copie d'un passeport valable.
Le Roi fixe le modèle de la demande d'autorisation d'établissement.
§ 2. La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée est adressée à l'administration communale du lieu de résidence. Cette administration communale en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger soit porteur d'un titre de séjour ou d'établissement valable et, lorsque son identité n'est pas établie, qu'il produise la copie d'un passeport valable. Cette demande doit être accompagnée des preuves attestant de la réunion des conditions fixées à l'article 15bis, § 3.
Le Roi fixe le modèle de la demande d'acquisition du statut de résident de longue durée, les règles relatives au traitement de cette demande ainsi que les conséquences de l'absence de décision à l'expiration du délai fixé.
§ 3. L'étranger non établi, qui répond à la condition fixée à l'article 14, alinéa 2, peut, à son choix, demander l'autorisation d'établissement ou l'acquisition du statut de résident de longue durée. La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée vaut demande d'autorisation d'établissement.
L'étranger établi peut à tout moment demander l'acquisition du statut de résident de longue durée. ".
" Art. 16. § 1er. La demande d'autorisation d'établissement est adressée à l'administration communale du lieu de résidence. Cette administration communale en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger réponde à la condition visée à l'article 14, alinéa 2, et, lorsque son identité n'est pas établie, qu'il produise la copie d'un passeport valable.
Le Roi fixe le modèle de la demande d'autorisation d'établissement.
§ 2. La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée est adressée à l'administration communale du lieu de résidence. Cette administration communale en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger soit porteur d'un titre de séjour ou d'établissement valable et, lorsque son identité n'est pas établie, qu'il produise la copie d'un passeport valable. Cette demande doit être accompagnée des preuves attestant de la réunion des conditions fixées à l'article 15bis, § 3.
Le Roi fixe le modèle de la demande d'acquisition du statut de résident de longue durée, les règles relatives au traitement de cette demande ainsi que les conséquences de l'absence de décision à l'expiration du délai fixé.
§ 3. L'étranger non établi, qui répond à la condition fixée à l'article 14, alinéa 2, peut, à son choix, demander l'autorisation d'établissement ou l'acquisition du statut de résident de longue durée. La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée vaut demande d'autorisation d'établissement.
L'étranger établi peut à tout moment demander l'acquisition du statut de résident de longue durée. ".
Art.11. In dezelfde wet wordt een artikel 16bis ingevoegd, luidende :
"Art. 16bis. Wanneer de toekenning van de status van langdurig ingezetene wordt geweigerd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, houdt de minister of zijn gemachtigde mede rekening met de ernst of de aard van de inbreuk die op de openbare orde of de nationale veiligheid is gepleegd, of met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat, en let daarbij eveneens op de duur van het verblijf en het bestaan van banden met het Rijk. De redenen mogen niet ingeroepen worden voor economische doeleinden.".
"Art. 16bis. Wanneer de toekenning van de status van langdurig ingezetene wordt geweigerd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, houdt de minister of zijn gemachtigde mede rekening met de ernst of de aard van de inbreuk die op de openbare orde of de nationale veiligheid is gepleegd, of met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat, en let daarbij eveneens op de duur van het verblijf en het bestaan van banden met het Rijk. De redenen mogen niet ingeroepen worden voor economische doeleinden.".
Art.11. Dans la même loi, il est inséré un article 16bis rédigé comme suit :
" Art. 16bis. Lorsque l'octroi du statut de résident de longue durée est refusé pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, le ministre ou son délégué prend en considération la gravité ou la nature de l'infraction contre l'ordre public ou la sécurité nationale, ou le danger que représente la personne concernée, tout en tenant compte également de la durée du séjour et de l'existence de liens avec le Royaume. Les raisons ne peuvent être invoquées à des fi ns économiques. ".
" Art. 16bis. Lorsque l'octroi du statut de résident de longue durée est refusé pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, le ministre ou son délégué prend en considération la gravité ou la nature de l'infraction contre l'ordre public ou la sécurité nationale, ou le danger que représente la personne concernée, tout en tenant compte également de la durée du séjour et de l'existence de liens avec le Royaume. Les raisons ne peuvent être invoquées à des fi ns économiques. ".
Art.12. In artikel 17 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 25 april 2007 en 15 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 2, eerste en derde lid, worden de woorden "EGverblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" telkens vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden "Wanneer aan een vreemdeling die gemachtigd is tot vestiging in het Rijk, gelijktijdig of naderhand" vervangen door de woorden "Wanneer aan een vreemdeling";
3° in § 2, derde lid, worden de woorden "vervangt de vestigingsvergunning bedoeld in § 1 en" opgeheven;
4° in § 2 wordt het vierde lid opgeheven;
5° het artikel wordt aangevuld met de §§ 3 tot 6, luidende :
" § 3. Wanneer de minister of zijn gemachtigde de status van langdurig ingezetene toekent aan de in artikel 61/7 bedoelde vreemdeling, brengt hij deze beslissing ter kennis van de lidstaat van de Europese Unie die aan deze vreemdeling reeds een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven op grond van de bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie.
§ 4. Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan de houder van een Europese blauwe kaart, wordt hem een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgegeven met de bijzondere vermelding "voormalig houder van een Europese blauwe kaart".
§ 5. Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan een vreemdeling die internationale bescherming geniet in het Rijk of in een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt hem een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgegeven met de bijzondere vermelding dat internationale bescherming werd verleend door België of door een andere lidstaat van de Europese Unie evenals de datum waarop deze bescherming werd verleend.
De Koning bepaalt de nadere regels en voorwaarden inzake deze bijzondere vermelding.
§ 6. De minister of zijn gemachtigde beantwoordt verzoeken uitgaande van andere lidstaten overeenkomstig bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie, waarbij gevraagd wordt of een vreemdeling nog steeds internationale bescherming geniet in het Rijk, binnen de maand na ontvangst van het verzoek.
De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor het advies van de Commissaris-generaal of van één van zijn adjuncten inwinnen.".
1° in § 2, eerste en derde lid, worden de woorden "EGverblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" telkens vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° in § 2, eerste lid, worden de woorden "Wanneer aan een vreemdeling die gemachtigd is tot vestiging in het Rijk, gelijktijdig of naderhand" vervangen door de woorden "Wanneer aan een vreemdeling";
3° in § 2, derde lid, worden de woorden "vervangt de vestigingsvergunning bedoeld in § 1 en" opgeheven;
4° in § 2 wordt het vierde lid opgeheven;
5° het artikel wordt aangevuld met de §§ 3 tot 6, luidende :
" § 3. Wanneer de minister of zijn gemachtigde de status van langdurig ingezetene toekent aan de in artikel 61/7 bedoelde vreemdeling, brengt hij deze beslissing ter kennis van de lidstaat van de Europese Unie die aan deze vreemdeling reeds een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven op grond van de bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie.
§ 4. Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan de houder van een Europese blauwe kaart, wordt hem een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgegeven met de bijzondere vermelding "voormalig houder van een Europese blauwe kaart".
§ 5. Wanneer de status van langdurig ingezetene wordt verleend aan een vreemdeling die internationale bescherming geniet in het Rijk of in een andere lidstaat van de Europese Unie, wordt hem een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgegeven met de bijzondere vermelding dat internationale bescherming werd verleend door België of door een andere lidstaat van de Europese Unie evenals de datum waarop deze bescherming werd verleend.
De Koning bepaalt de nadere regels en voorwaarden inzake deze bijzondere vermelding.
§ 6. De minister of zijn gemachtigde beantwoordt verzoeken uitgaande van andere lidstaten overeenkomstig bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie, waarbij gevraagd wordt of een vreemdeling nog steeds internationale bescherming geniet in het Rijk, binnen de maand na ontvangst van het verzoek.
De minister of zijn gemachtigde kan hiervoor het advies van de Commissaris-generaal of van één van zijn adjuncten inwinnen.".
Art.12. A l'article 17 de la même loi, modifié par les lois des 25 avril 2007 et 15 mai 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 2, alinéas 1er et 3, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont chaque fois remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " Lorsque l'étranger autorisé à s'établir dans le Royaume se voit, simultanément ou postérieurement " sont remplacés par les mots " Lorsque l'étranger se voit ";
3° dans le § 2, alinéa 3, les mots " remplace le titre d'établissement visé au § 1er et " sont abrogés;
4° dans le § 2, l'alinéa 4 est abrogé;
5° l'article est complété par les §§ 3 à 6, rédigés comme suit :
" § 3. Lorsque le ministre ou son délégué accorde le statut de résident de longue durée à l'étranger visé à l'article 61/7, il notifie sa décision à l'Etat membre de l'Union européenne qui a déjà délivré à cet étranger un permis de séjour de résident de longue durée - UE sur la base de la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne.
§ 4. Lorsque le statut du résident de longue durée est accordé au titulaire d'une carte bleue européenne, il lui est délivré un permis de séjour de résident de longue durée - UE reprenant la mention spéciale " ancien titulaire d'une carte bleue européenne ".
§ 5. Lorsque le statut de résident de longue durée est accordé à un étranger qui bénéficie de la protection internationale dans le Royaume ou dans un autre Etat membre de l'Union européenne, il lui est délivré un permis de séjour de résident de longue durée - UE reprenant la mention spéciale que la protection internationale a été accordée par la Belgique ou par un autre Etat membre de l'Union européenne ainsi que la date à laquelle cette protection a été accordée.
Le Roi détermine les autres modalités et conditions relatives à cette mention spéciale.
§ 6. Le ministre ou son délégué répond aux demandes introduites par d'autres Etats membres conformément à la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne, visant à savoir si un étranger bénéficie toujours d'une protection internationale dans le Royaume, dans le mois de la réception de la demande.
A cette fin, le ministre ou son délégué peut recueillir l'avis du Commissaire général ou de l'un de ses adjoints. ".
1° dans le § 2, alinéas 1er et 3, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont chaque fois remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° dans le § 2, alinéa 1er, les mots " Lorsque l'étranger autorisé à s'établir dans le Royaume se voit, simultanément ou postérieurement " sont remplacés par les mots " Lorsque l'étranger se voit ";
3° dans le § 2, alinéa 3, les mots " remplace le titre d'établissement visé au § 1er et " sont abrogés;
4° dans le § 2, l'alinéa 4 est abrogé;
5° l'article est complété par les §§ 3 à 6, rédigés comme suit :
" § 3. Lorsque le ministre ou son délégué accorde le statut de résident de longue durée à l'étranger visé à l'article 61/7, il notifie sa décision à l'Etat membre de l'Union européenne qui a déjà délivré à cet étranger un permis de séjour de résident de longue durée - UE sur la base de la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne.
§ 4. Lorsque le statut du résident de longue durée est accordé au titulaire d'une carte bleue européenne, il lui est délivré un permis de séjour de résident de longue durée - UE reprenant la mention spéciale " ancien titulaire d'une carte bleue européenne ".
§ 5. Lorsque le statut de résident de longue durée est accordé à un étranger qui bénéficie de la protection internationale dans le Royaume ou dans un autre Etat membre de l'Union européenne, il lui est délivré un permis de séjour de résident de longue durée - UE reprenant la mention spéciale que la protection internationale a été accordée par la Belgique ou par un autre Etat membre de l'Union européenne ainsi que la date à laquelle cette protection a été accordée.
Le Roi détermine les autres modalités et conditions relatives à cette mention spéciale.
§ 6. Le ministre ou son délégué répond aux demandes introduites par d'autres Etats membres conformément à la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne, visant à savoir si un étranger bénéficie toujours d'une protection internationale dans le Royaume, dans le mois de la réception de la demande.
A cette fin, le ministre ou son délégué peut recueillir l'avis du Commissaire général ou de l'un de ses adjoints. ".
Art.13. In artikel 18 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene heeft verworven als persoon die internationale bescherming geniet deze status verliest wanneer de internationale bescherming is ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 6°, of wanneer ze is ingetrokken omdat de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, valse verklaringen heeft afgelegd of valse of vervalste documenten heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de toekenning van de internationale bescherming.".
1° in § 1, tweede lid, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° het artikel wordt aangevuld met een § 3, luidende :
" § 3. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene heeft verworven als persoon die internationale bescherming geniet deze status verliest wanneer de internationale bescherming is ingetrokken overeenkomstig artikel 57/6, eerste lid, 6°, of wanneer ze is ingetrokken omdat de vreemdeling feiten verkeerd heeft weergegeven of heeft achtergehouden, valse verklaringen heeft afgelegd of valse of vervalste documenten heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de toekenning van de internationale bescherming.".
Art.13. A l'article 18 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° l'article est complété par un § 3, rédigé comme suit :
§ 3. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui a obtenu le statut de résident de longue durée en tant que bénéficiaire de la protection internationale perd ce statut lorsque la protection internationale a été retirée conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 6°, ou lorsqu'elle a été retirée parce que l'étranger a présenté des faits de manière altérée ou les a dissimulés, a fait de fausses déclarations ou a utilisé des documents faux ou falsifiés qui ont été déterminants dans l'octroi de la protection internationale. ".
1° dans le § 1er, alinéa 2, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° l'article est complété par un § 3, rédigé comme suit :
§ 3. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui a obtenu le statut de résident de longue durée en tant que bénéficiaire de la protection internationale perd ce statut lorsque la protection internationale a été retirée conformément à l'article 57/6, alinéa 1er, 6°, ou lorsqu'elle a été retirée parce que l'étranger a présenté des faits de manière altérée ou les a dissimulés, a fait de fausses déclarations ou a utilisé des documents faux ou falsifiés qui ont été déterminants dans l'octroi de la protection internationale. ".
Art.14. In artikel 19 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 15 mei 2012, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 3 worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Zelfs indien de geldigheidsduur van de verblijfstitel uitgereikt in België verstreken is, is de minister of zijn gemachtigde verplicht tot terugname van :
1° de vreemdeling die houder is van een Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene en ten aanzien van wie een verwijderingsmaatregel is genomen door de bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie, als gevolg van een weigering tot verlenging of een intrekking van de verblijfstitel afgegeven door deze andere lidstaat op grond van de bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie, om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, wanneer de voorwaarden voor zijn verblijf niet meer zijn vervuld of wanneer hij niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7°, onder voorbehoud van de toepassing van § 1, tweede lid;
2° de vreemdeling die internationale bescherming geniet in het Rijk en de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verworven en ten aanzien van wie de bevoegde overheid van deze lidstaat een verwijderingsmaatregel heeft uitgevaardigd, wegens een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid, evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° ;
3° de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/27 werd gemachtigd tot verblijf in het Rijk en ten aanzien van wie een verwijderingsmaatregel werd genomen door de bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie ten gevolge van een weigering van zijn verblijfsaanvraag op grond van de bepalingen van de Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°. ".
1° in § 3 worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
" § 4. Zelfs indien de geldigheidsduur van de verblijfstitel uitgereikt in België verstreken is, is de minister of zijn gemachtigde verplicht tot terugname van :
1° de vreemdeling die houder is van een Belgische EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene en ten aanzien van wie een verwijderingsmaatregel is genomen door de bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie, als gevolg van een weigering tot verlenging of een intrekking van de verblijfstitel afgegeven door deze andere lidstaat op grond van de bovengenoemde Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie, om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, wanneer de voorwaarden voor zijn verblijf niet meer zijn vervuld of wanneer hij niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7°, onder voorbehoud van de toepassing van § 1, tweede lid;
2° de vreemdeling die internationale bescherming geniet in het Rijk en de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie heeft verworven en ten aanzien van wie de bevoegde overheid van deze lidstaat een verwijderingsmaatregel heeft uitgevaardigd, wegens een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de nationale veiligheid, evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 7° ;
3° de vreemdeling die met toepassing van artikel 61/27 werd gemachtigd tot verblijf in het Rijk en ten aanzien van wie een verwijderingsmaatregel werd genomen door de bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie ten gevolge van een weigering van zijn verblijfsaanvraag op grond van de bepalingen van de Richtlijn 2009/50/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang en verblijf van onderdanen van derde landen met het oog op een hooggekwalificeerde baan, evenals zijn familieleden bedoeld in artikel 10, § 1, eerste lid, 4° tot 6°. ".
Art.14. A l'article 19 de la même loi, remplacé par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 15 mai 2012, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 3, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° le § 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Même si la durée de validité du titre de séjour délivré en Belgique est expirée, le ministre ou son délégué est tenu de reprendre en charge :
1° l'étranger qui est porteur d'un permis de séjour de résident de longue durée - UE belge et qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne, suite à un refus de prorogation ou suite à un retrait du titre de séjour délivré par cet autre Etat membre sur la base de la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne, pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, lorsque les conditions mises à son séjour ne sont plus remplies ou lorsqu'il séjourne de manière illégale dans l'Etat concerné, ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7°, sous réserve de l'application du § 1er, alinéa 2;
2° l'étranger qui bénéficie de la protection internationale dans le Royaume, qui a obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, et qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente de cet Etat membre, en raison d'une menace réelle et suffisamment grave pour l'ordre public ou la sécurité nationale, ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7° ;
3° l'étranger autorisé au séjour en application de l'article 61/27 qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne à la suite du refus de sa demande de séjour sur la base des dispositions de la Directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fi ns d'un emploi hautement qualifié, ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°. ".
1° dans le § 3, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° le § 4 est remplacé par ce qui suit :
" § 4. Même si la durée de validité du titre de séjour délivré en Belgique est expirée, le ministre ou son délégué est tenu de reprendre en charge :
1° l'étranger qui est porteur d'un permis de séjour de résident de longue durée - UE belge et qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne, suite à un refus de prorogation ou suite à un retrait du titre de séjour délivré par cet autre Etat membre sur la base de la Directive 2003/109/CE précitée du Conseil de l'Union européenne, pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, lorsque les conditions mises à son séjour ne sont plus remplies ou lorsqu'il séjourne de manière illégale dans l'Etat concerné, ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7°, sous réserve de l'application du § 1er, alinéa 2;
2° l'étranger qui bénéficie de la protection internationale dans le Royaume, qui a obtenu le statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, et qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente de cet Etat membre, en raison d'une menace réelle et suffisamment grave pour l'ordre public ou la sécurité nationale, ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 7° ;
3° l'étranger autorisé au séjour en application de l'article 61/27 qui fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par l'autorité compétente d'un autre Etat membre de l'Union européenne à la suite du refus de sa demande de séjour sur la base des dispositions de la Directive 2009/50/CE du Conseil du 25 mai 2009 établissant les conditions d'entrée et de séjour des ressortissants de pays tiers aux fi ns d'un emploi hautement qualifié, ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, alinéa 1er, 4° à 6°. ".
Art.15. In artikel 20 van dezelfde wet, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het derde lid wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "en mogen niet op economische redenen berusten.";
2° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende :
"Bij het nemen van een besluit tot uitzetting wordt rekening gehouden met de duur van het verblijf in het Rijk, de leeftijd van de betrokkene, de gevolgen voor de betrokkene en zijn familieleden evenals met het bestaan van banden met het land van herkomst of het ontbreken ervan.
Wanneer de Koning een besluit tot uitzetting neemt voor een langdurig ingezetene wiens EU-verblijfsvergunning van langdurig ingezetene, de in artikel 17, § 5, eerste lid, bedoelde bijzondere vermelding inzake internationale bescherming bevat, wordt de bevoegde overheid van de in de vermelding aangewezen lidstaat verzocht te bevestigen of de betrokkene aldaar nog steeds internationale bescherming geniet. Indien de langdurig ingezetene er nog steeds internationale bescherming geniet, wordt hij verwijderd naar deze lidstaat.
In afwijking van het vijfde lid, en onder voorbehoud van de internationale verplichtingen die België binden, kan de langdurig ingezetene verwijderd worden naar een ander land dan het land dat hem de internationale bescherming toegekend heeft, als er ernstige redenen zijn om hem als een bedreiging voor de veiligheid te beschouwen, of indien hij, ingevolge een definitieve veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf, een bedreiging vormt.".
1° in het derde lid wordt de eerste zin aangevuld met de woorden "en mogen niet op economische redenen berusten.";
2° het artikel wordt aangevuld met drie leden, luidende :
"Bij het nemen van een besluit tot uitzetting wordt rekening gehouden met de duur van het verblijf in het Rijk, de leeftijd van de betrokkene, de gevolgen voor de betrokkene en zijn familieleden evenals met het bestaan van banden met het land van herkomst of het ontbreken ervan.
Wanneer de Koning een besluit tot uitzetting neemt voor een langdurig ingezetene wiens EU-verblijfsvergunning van langdurig ingezetene, de in artikel 17, § 5, eerste lid, bedoelde bijzondere vermelding inzake internationale bescherming bevat, wordt de bevoegde overheid van de in de vermelding aangewezen lidstaat verzocht te bevestigen of de betrokkene aldaar nog steeds internationale bescherming geniet. Indien de langdurig ingezetene er nog steeds internationale bescherming geniet, wordt hij verwijderd naar deze lidstaat.
In afwijking van het vijfde lid, en onder voorbehoud van de internationale verplichtingen die België binden, kan de langdurig ingezetene verwijderd worden naar een ander land dan het land dat hem de internationale bescherming toegekend heeft, als er ernstige redenen zijn om hem als een bedreiging voor de veiligheid te beschouwen, of indien hij, ingevolge een definitieve veroordeling voor een bijzonder ernstig misdrijf, een bedreiging vormt.".
Art.15. A l'article 20 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 3, la première phrase est complétée par les mots " et ne peuvent être justifiés par des raisons économiques. ";
2° l'article est complété par trois alinéas, rédigés comme suit :
" Lors de la prise d'un arrêté d'expulsion, il est tenu compte de la durée du séjour dans le Royaume, de l'âge de la personne concernée, des conséquences pour la personne et les membres de sa famille, ainsi que de l'existence ou de l'absence de liens avec le pays d'origine.
Lorsque le Roi prend un arrêté d'expulsion à l'égard d'un résident de longue durée dont le permis de séjour de résident de longue durée - UE contient la mention spéciale visée à l'article 17, § 5, alinéa 1er, relative à la protection internationale, il est demandé à l'autorité compétente de l'Etat membre indiqué dans la mention de confirmer si l'intéressé y bénéficie toujours de la protection internationale. Si le résident de longue durée y bénéficie toujours d'une protection internationale, il est éloigné vers cet Etat membre.
Par dérogation à l'alinéa 5 et sous réserve des obligations internationales liant la Belgique, le résident de longue durée peut être éloigné vers un autre pays que celui qui lui a accordé la protection internationale s'il y a des raisons sérieuses de considérer qu'il constitue une menace pour la sécurité ou si, ayant fait l'objet d'une condamnation définitive pour un crime particulièrement grave, il constitue une menace. ".
1° dans l'alinéa 3, la première phrase est complétée par les mots " et ne peuvent être justifiés par des raisons économiques. ";
2° l'article est complété par trois alinéas, rédigés comme suit :
" Lors de la prise d'un arrêté d'expulsion, il est tenu compte de la durée du séjour dans le Royaume, de l'âge de la personne concernée, des conséquences pour la personne et les membres de sa famille, ainsi que de l'existence ou de l'absence de liens avec le pays d'origine.
Lorsque le Roi prend un arrêté d'expulsion à l'égard d'un résident de longue durée dont le permis de séjour de résident de longue durée - UE contient la mention spéciale visée à l'article 17, § 5, alinéa 1er, relative à la protection internationale, il est demandé à l'autorité compétente de l'Etat membre indiqué dans la mention de confirmer si l'intéressé y bénéficie toujours de la protection internationale. Si le résident de longue durée y bénéficie toujours d'une protection internationale, il est éloigné vers cet Etat membre.
Par dérogation à l'alinéa 5 et sous réserve des obligations internationales liant la Belgique, le résident de longue durée peut être éloigné vers un autre pays que celui qui lui a accordé la protection internationale s'il y a des raisons sérieuses de considérer qu'il constitue une menace pour la sécurité ou si, ayant fait l'objet d'une condamnation définitive pour un crime particulièrement grave, il constitue une menace. ".
Art.16. In artikel 21 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 26 mei 2005 en gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1, 2°, worden de woorden "door de Belgische overheden" ingevoegd tussen de woorden "de" en de woorden "erkende vluchteling";
2° in § 3, wordt het 2° vervangen door wat volgt :
"2° de vreemdeling die voldoet aan de door het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziene voorwaarden om de Belgische nationaliteit te verwerven door een nationaliteitsverklaring of om deze nationaliteit te herkrijgen;".
1° in § 1, 2°, worden de woorden "door de Belgische overheden" ingevoegd tussen de woorden "de" en de woorden "erkende vluchteling";
2° in § 3, wordt het 2° vervangen door wat volgt :
"2° de vreemdeling die voldoet aan de door het Wetboek van de Belgische nationaliteit voorziene voorwaarden om de Belgische nationaliteit te verwerven door een nationaliteitsverklaring of om deze nationaliteit te herkrijgen;".
Art.16. A l'article 21 de la même loi, remplacé par la loi du 26 mai 2005 et modifié par la loi du 6 mai 2009, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 1er, 2°, est complété par les mots " par les autorités belges ";
2° dans le § 3, le 2° est remplacé par ce qui suit :
"2° l'étranger qui remplit les conditions prévues par le Code de la nationalité belge pour acquérir la nationalité belge par déclaration de nationalité ou pour la recouvrer; ".
1° le § 1er, 2°, est complété par les mots " par les autorités belges ";
2° dans le § 3, le 2° est remplacé par ce qui suit :
"2° l'étranger qui remplit les conditions prévues par le Code de la nationalité belge pour acquérir la nationalité belge par déclaration de nationalité ou pour la recouvrer; ".
Art.17. In artikel 40bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en vervangen bij de wet van 8 juli 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met een 5°, luidende :
"5° de vader of de moeder van een minderjarige burger van de Europese Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, voor zover de laatstgenoemde te zijnen laste is en hij daadwerkelijk over het hoederecht beschikt.";
2° paragraaf 4 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het in § 2, eerste lid, 5°, bedoelde familielid moet het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om in zijn eigen behoeften en die van zijn kind, burger van de Unie, te voorzien, om niet ten laste te komen van het sociale zekerheidsstelsel van het Rijk, en over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt met name rekening gehouden met hun aard en hun regelmaat.".
1° paragraaf 2, eerste lid, wordt aangevuld met een 5°, luidende :
"5° de vader of de moeder van een minderjarige burger van de Europese Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, voor zover de laatstgenoemde te zijnen laste is en hij daadwerkelijk over het hoederecht beschikt.";
2° paragraaf 4 wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Het in § 2, eerste lid, 5°, bedoelde familielid moet het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om in zijn eigen behoeften en die van zijn kind, burger van de Unie, te voorzien, om niet ten laste te komen van het sociale zekerheidsstelsel van het Rijk, en over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt met name rekening gehouden met hun aard en hun regelmaat.".
Art.17. A l'article 40bis de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et remplacé par la loi du 8 juillet 2011, les modifications suivantes sont apportées :
1° le § 2, alinéa 1er, est complété par le 5° rédigé comme suit :
" 5° le père ou la mère d'un citoyen de l'Union européenne mineur d'âge visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° pour autant que ce dernier soit à sa charge et qu'il en ait effectivement la garde. " :
2° le § 4 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le membre de la famille visé au § 2, alinéa 1er, 5°, doit apporter la preuve qu'il dispose de ressources suffisantes pour subvenir à ses propres besoins ainsi qu'à ceux de son enfant, citoyen de l'Union, pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte notamment de leur nature et de leur régularité. ".
1° le § 2, alinéa 1er, est complété par le 5° rédigé comme suit :
" 5° le père ou la mère d'un citoyen de l'Union européenne mineur d'âge visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° pour autant que ce dernier soit à sa charge et qu'il en ait effectivement la garde. " :
2° le § 4 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Le membre de la famille visé au § 2, alinéa 1er, 5°, doit apporter la preuve qu'il dispose de ressources suffisantes pour subvenir à ses propres besoins ainsi qu'à ceux de son enfant, citoyen de l'Union, pour ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte notamment de leur nature et de leur régularité. ".
Art.18. Artikel 41 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
"Art. 41. § 1. Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de burger van de Unie op voorlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, of indien hij op een andere wijze kan laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet.
Als de burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, stelt de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terugdrijving over te gaan in de gelegenheid om binnen redelijke grenzen de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op een andere wijze te laten vaststellen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet.
§ 2. Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de familieleden van een burgers van de Unie bedoeld in artikel 40bis, § 2, die geen burger van de Unie zijn, op voorlegging van een geldig paspoort dat, in voorkomend geval, voorzien is van een geldig inreisvisum overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.
De Koning bepaalt de nadere regels van de afgifte van het visum.
Het bezit van een verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie of van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, verstrekt op basis van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, stelt het familielid vrij van de verplichting het inreisvisum bedoeld in het eerste lid te verkrijgen.
Als het familielid van een burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, stelt de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terudrijving over te gaan, in de gelegenheid binnen redelijke grenzen de de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op andere wijze te laten vaststellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
§ 3. De houder van een identiteitskaart of van een paspoort afgegeven door de Belgische overheden, wordt zonder formaliteit tot het grondgebied van het Rijk toegelaten, zelfs wanneer zijn nationaliteit wordt betwist of wanneer dit document vervallen is.
§ 4. Indien de burger van de Unie niet in het bezit is van een geldige identiteitskaart of een geldig nationaal paspoort, of indien het familielid van de burger van de Unie, dat geen burger van de Unie is, niet in het bezit is van een geldig nationaal paspoort dat, in voorkomend geval, voorzien is van een geldig inreisvisum overeenkomstig de voormelde Verordening (EG) nr. 539/2001, kan de minister of zijn gemachtigde hem een administratieve geldboete van 200 euro opleggen. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies.".
"Art. 41. § 1. Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de burger van de Unie op voorlegging van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort, of indien hij op een andere wijze kan laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet.
Als de burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, stelt de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terugdrijving over te gaan in de gelegenheid om binnen redelijke grenzen de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op een andere wijze te laten vaststellen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet.
§ 2. Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de familieleden van een burgers van de Unie bedoeld in artikel 40bis, § 2, die geen burger van de Unie zijn, op voorlegging van een geldig paspoort dat, in voorkomend geval, voorzien is van een geldig inreisvisum overeenkomstig de Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld.
De Koning bepaalt de nadere regels van de afgifte van het visum.
Het bezit van een verblijfskaart van familielid van een burger van de Unie of van een duurzame verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, verstrekt op basis van de Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, stelt het familielid vrij van de verplichting het inreisvisum bedoeld in het eerste lid te verkrijgen.
Als het familielid van een burger van de Unie niet over de vereiste documenten beschikt, stelt de minister of zijn gemachtigde hem alvorens tot zijn terudrijving over te gaan, in de gelegenheid binnen redelijke grenzen de de vereiste documenten te verkrijgen dan wel zich deze binnen een redelijke termijn te laten bezorgen, dan wel op andere wijze te laten vaststellen of te bewijzen dat hij het recht op vrij verkeer en verblijf geniet.
§ 3. De houder van een identiteitskaart of van een paspoort afgegeven door de Belgische overheden, wordt zonder formaliteit tot het grondgebied van het Rijk toegelaten, zelfs wanneer zijn nationaliteit wordt betwist of wanneer dit document vervallen is.
§ 4. Indien de burger van de Unie niet in het bezit is van een geldige identiteitskaart of een geldig nationaal paspoort, of indien het familielid van de burger van de Unie, dat geen burger van de Unie is, niet in het bezit is van een geldig nationaal paspoort dat, in voorkomend geval, voorzien is van een geldig inreisvisum overeenkomstig de voormelde Verordening (EG) nr. 539/2001, kan de minister of zijn gemachtigde hem een administratieve geldboete van 200 euro opleggen. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies.".
Art.18. L'article 41 de la même loi, modifié par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
" Art. 41. § 1er. Le droit d'entrée est reconnu au citoyen de l'Union sur présentation d'une carte d'identité ou d'un passeport, en cours de validité ou s'il peut faire constater ou prouver d'une autre façon sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler ou de séjourner librement.
Lorsque le citoyen de l'Union ne dispose pas des documents requis, le ministre ou son délégué lui accorde tous les moyens raisonnables afin de lui permettre d'obtenir ou de se procurer, dans un délai raisonnable, les documents requis ou de faire confirmer ou prouver par d'autres moyens sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler et de séjourner librement, avant de procéder à son refoulement.
§ 2. Le droit d'entrée est reconnu aux membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés à l'article 40bis, § 2, qui ne sont pas citoyens de l'Union sur présentation d'un passeport en cours de validité revêtu, le cas échéant, d'un visa d'entrée en cours de validité, conformément au règlement (CE) n° 539/2001 du Conseil du 15 mars 2001 fixant la liste des pays tiers dont les ressortissants sont soumis à l'obligation de visa pour franchir les frontières extérieures des Etats membres et la liste de ceux dont les ressortissants sont exemptés de cette obligation.
Le Roi détermine les modalités de délivrance du visa.
La possession d'une carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union ou d'une carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union, délivrée sur la base de la Directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, dispense le membre de la famille de l'obligation d'obtenir le visa d'entrée visé à l'alinéa 1er.
Lorsque le membre de la famille d'un citoyen de l'Union ne dispose pas des documents requis, le ministre ou son délégué lui accorde tous les moyens raisonnables afin de lui permettre d'obtenir ou de se procurer, dans un délai raisonnable, les documents requis ou de faire confirmer ou prouver par d'autres moyens sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler et de séjourner librement, avant de procéder à son refoulement.
§ 3. Le titulaire d'une carte d'identité ou d'un passeport délivré par les autorités belges, est admis sans formalité sur le territoire du Royaume même si sa nationalité est contestée ou si ce document est périmé.
§ 4. Lorsque le citoyen de l'Union n'est pas en possession d'une carte d'identité ou d'un passeport national, en cours de validité, ou lorsque le membre de famille d'un citoyen de l'Union, qui n'est pas citoyen de l'Union, n'est pas en possession d'un passeport national en cours de validité revêtu, le cas échéant, d'un visa d'entrée conformément au règlement (CE) n° 539/2001 précité, en cours de validité, le ministre ou son délégué peut lui infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies. ".
" Art. 41. § 1er. Le droit d'entrée est reconnu au citoyen de l'Union sur présentation d'une carte d'identité ou d'un passeport, en cours de validité ou s'il peut faire constater ou prouver d'une autre façon sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler ou de séjourner librement.
Lorsque le citoyen de l'Union ne dispose pas des documents requis, le ministre ou son délégué lui accorde tous les moyens raisonnables afin de lui permettre d'obtenir ou de se procurer, dans un délai raisonnable, les documents requis ou de faire confirmer ou prouver par d'autres moyens sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler et de séjourner librement, avant de procéder à son refoulement.
§ 2. Le droit d'entrée est reconnu aux membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés à l'article 40bis, § 2, qui ne sont pas citoyens de l'Union sur présentation d'un passeport en cours de validité revêtu, le cas échéant, d'un visa d'entrée en cours de validité, conformément au règlement (CE) n° 539/2001 du Conseil du 15 mars 2001 fixant la liste des pays tiers dont les ressortissants sont soumis à l'obligation de visa pour franchir les frontières extérieures des Etats membres et la liste de ceux dont les ressortissants sont exemptés de cette obligation.
Le Roi détermine les modalités de délivrance du visa.
La possession d'une carte de séjour de membre de la famille d'un citoyen de l'Union ou d'une carte de séjour permanent de membre de la famille d'un citoyen de l'Union, délivrée sur la base de la Directive 2004/38/CE du Parlement européen et du Conseil du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, dispense le membre de la famille de l'obligation d'obtenir le visa d'entrée visé à l'alinéa 1er.
Lorsque le membre de la famille d'un citoyen de l'Union ne dispose pas des documents requis, le ministre ou son délégué lui accorde tous les moyens raisonnables afin de lui permettre d'obtenir ou de se procurer, dans un délai raisonnable, les documents requis ou de faire confirmer ou prouver par d'autres moyens sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler et de séjourner librement, avant de procéder à son refoulement.
§ 3. Le titulaire d'une carte d'identité ou d'un passeport délivré par les autorités belges, est admis sans formalité sur le territoire du Royaume même si sa nationalité est contestée ou si ce document est périmé.
§ 4. Lorsque le citoyen de l'Union n'est pas en possession d'une carte d'identité ou d'un passeport national, en cours de validité, ou lorsque le membre de famille d'un citoyen de l'Union, qui n'est pas citoyen de l'Union, n'est pas en possession d'un passeport national en cours de validité revêtu, le cas échéant, d'un visa d'entrée conformément au règlement (CE) n° 539/2001 précité, en cours de validité, le ministre ou son délégué peut lui infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies. ".
Art.19. Artikel 42bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met twee leden, luidende :
"Voor de toepassing van het eerste lid, teneinde te bepalen of de burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandstelsel van het Rijk vormt, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van zijn moeilijkheden, de duur van zijn verblijf in het Rijk, zijn persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hem uitgekeerde steun.
Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezinssituatie en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.".
"Voor de toepassing van het eerste lid, teneinde te bepalen of de burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandstelsel van het Rijk vormt, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van zijn moeilijkheden, de duur van zijn verblijf in het Rijk, zijn persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hem uitgekeerde steun.
Bij de beslissing om een einde te stellen aan het verblijf, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, diens leeftijd, gezondheidstoestand, gezinssituatie en economische situatie, sociale en culturele integratie in het Rijk en de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van herkomst.".
Art.19. L'article 42bis, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, est complété par deux alinéas rédigés comme suit :
"Pour l'application de l'alinéa 1er, afin de déterminer si le citoyen de l'Union constitue une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de ses difficultés, de la durée de son séjour dans le Royaume, de sa situation personnelle et du montant de l'aide qui lui est accordée.
Lors de la décision de mettre fin au séjour, le ministre ou son délégué tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine. ".
"Pour l'application de l'alinéa 1er, afin de déterminer si le citoyen de l'Union constitue une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de ses difficultés, de la durée de son séjour dans le Royaume, de sa situation personnelle et du montant de l'aide qui lui est accordée.
Lors de la décision de mettre fin au séjour, le ministre ou son délégué tient compte de la durée du séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle dans le Royaume et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine. ".
Art.20. In artikel 42ter, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 28 juni 2013, wordt het tweede lid hersteld in de volgende lezing :
"Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun.".
"Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun.".
Art.20. Dans l'article 42ter, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par la loi du 28 juin 2013, l'alinéa 2 est rétabli dans la rédaction suivante :
" Pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, afin de déterminer si les membres de la famille d'un citoyen de l'Union constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de leurs difficultés, de la durée de leur séjour dans le Royaume, de leur situation personnelle et du montant de l'aide qui leur est accordée. ".
" Pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, afin de déterminer si les membres de la famille d'un citoyen de l'Union constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de leurs difficultés, de la durée de leur séjour dans le Royaume, de leur situation personnelle et du montant de l'aide qui leur est accordée. ".
Art.21. In artikel 42quater, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, vervangen bij de wet van 8 juli 2011 en gewijzigd bij de wet van 28 juni 2013, wordt het tweede lid hersteld in de volgende lezing :
"Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun.".
"Voor de toepassing van het eerste lid, 5°, teneinde te bepalen of de familieleden van een burger van de Unie een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk vormen, wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van hun moeilijkheden, de duur van hun verblijf in het Rijk, hun persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hen uitgekeerde steun.".
Art.21. Dans l'article 42quater, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, remplacé par la loi du 8 juillet 2011 et modifié par la loi du 28 juin 2013, l'alinéa 2 est rétabli dans la rédaction suivante :
" Pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, afin de déterminer si les membres de famille d'un citoyen de l'Union, constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de leurs difficultés, de la durée de son séjour dans le Royaume, de leur situation personnelle et du montant de l'aide qui leur est accordée. ".
" Pour l'application de l'alinéa 1er, 5°, afin de déterminer si les membres de famille d'un citoyen de l'Union, constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume, il est tenu compte du caractère temporaire ou non de leurs difficultés, de la durée de son séjour dans le Royaume, de leur situation personnelle et du montant de l'aide qui leur est accordée. ".
Art.22. In artikel 42quinquies, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in het eerste lid worden de woorden "op grond van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk" opgeheven;
2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "en dit overeenkomstig de rechtsinstrumenten van de Europese Unie.".
1° in het eerste lid worden de woorden "op grond van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk" opgeheven;
2° het eerste lid wordt aangevuld met de woorden "en dit overeenkomstig de rechtsinstrumenten van de Europese Unie.".
Art.22. A l'article 42quinquies, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans l'alinéa 1er, les mots " sur la base des dispositions du présent chapitre " sont abrogés;
2° l'alinéa 1er est complété par les mots " et ce conformément aux instruments juridiques de l'Union européenne. ".
1° dans l'alinéa 1er, les mots " sur la base des dispositions du présent chapitre " sont abrogés;
2° l'alinéa 1er est complété par les mots " et ce conformément aux instruments juridiques de l'Union européenne. ".
Art.23. Artikel 43 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :
"Indien de minister of zijn gemachtigde overweegt om, om redenen van openbare orde, van nationale veiligheid of van volksgezondheid een einde te stellen aan het verblijf van een burger van de Unie of van een familielid, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezinssituatie en economische situatie, zijn maatschappelijke en culturele integratie en de intensiteit van zijn banden met zijn land van herkomst.".
"Indien de minister of zijn gemachtigde overweegt om, om redenen van openbare orde, van nationale veiligheid of van volksgezondheid een einde te stellen aan het verblijf van een burger van de Unie of van een familielid, houdt hij rekening met de duur van het verblijf van de betrokkene in het Rijk, zijn leeftijd, zijn gezondheidstoestand, zijn gezinssituatie en economische situatie, zijn maatschappelijke en culturele integratie en de intensiteit van zijn banden met zijn land van herkomst.".
Art.23. L'article 43 de la même loi, modifié par la loi du 25 avril 2007, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
" Lorsque le ministre ou son délégué envisage de mettre fin au séjour d'un citoyen de l'Union ou d'un membre de sa famille pour des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique, il tient compte de la durée de séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine. ".
" Lorsque le ministre ou son délégué envisage de mettre fin au séjour d'un citoyen de l'Union ou d'un membre de sa famille pour des raisons d'ordre public, de sécurité nationale ou de santé publique, il tient compte de la durée de séjour de l'intéressé dans le Royaume, de son âge, de son état de santé, de sa situation familiale et économique, de son intégration sociale et culturelle et de l'intensité de ses liens avec son pays d'origine. ".
Art.24. In titel II van dezelfde wet, wordt na artikel 47 een hoofdstuk Ibis ingevoegd met als opschrift "Andere familieleden van een burger van de Unie.".
Art.24. Dans le titre II de la même loi, il est inséré après l'article 47 un chapitre Ibis intitulé " Autres membres de la famille d'un citoyen de l'Union. ".
Art.25. In hoofdstuk Ibis, ingevoegd bij artikel 24, wordt een artikel 47/1 ingevoegd, luidende :
"Art. 47/1. Als andere familieleden van een burger van de Unie worden beschouwd :
1° de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft en die niet bedoeld wordt in artikel 40bis, § 2, 2° ;
2° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die, in het land van herkomst, ten laste zijn of deel uitmaken van het gezin van de burger van de Unie;
3° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die wegens ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven.".
"Art. 47/1. Als andere familieleden van een burger van de Unie worden beschouwd :
1° de partner met wie de burger van de Unie een deugdelijk bewezen duurzame relatie heeft en die niet bedoeld wordt in artikel 40bis, § 2, 2° ;
2° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die, in het land van herkomst, ten laste zijn of deel uitmaken van het gezin van de burger van de Unie;
3° de niet in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die wegens ernstige gezondheidsredenen een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie strikt behoeven.".
Art.25. Dans le chapitre Ibis inséré par l'article 24, il est inséré un article 47/1 rédigé comme suit :
" Art. 47/1. Sont considérés comme autres membres de la famille d'un citoyen de l'Union :
1° le partenaire avec lequel le citoyen de l'Union a une relation durable dûment attestée, et qui n'est pas visé par l'article 40bis, § 2, 2° ;
2° les membres de la famille, non visés à l'article 40bis, § 2, qui, dans le pays de provenance, sont à charge ou font partie du ménage du citoyen de l'Union;
3° les membres de la famille, non visés à l'article 40bis, § 2, dont le citoyen de l'Union doit impérativement et personnellement s'occuper en raison de problèmes de santé graves. ".
" Art. 47/1. Sont considérés comme autres membres de la famille d'un citoyen de l'Union :
1° le partenaire avec lequel le citoyen de l'Union a une relation durable dûment attestée, et qui n'est pas visé par l'article 40bis, § 2, 2° ;
2° les membres de la famille, non visés à l'article 40bis, § 2, qui, dans le pays de provenance, sont à charge ou font partie du ménage du citoyen de l'Union;
3° les membres de la famille, non visés à l'article 40bis, § 2, dont le citoyen de l'Union doit impérativement et personnellement s'occuper en raison de problèmes de santé graves. ".
Art.26. In hetzelfde hoofdstuk Ibis, wordt een artikel 47/2 ingevoegd, luidende :
"Art. 47/2. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn de bepalingen van hoofdstuk I over de in artikel 40bis bedoelde familieleden van een burger van de Unie van toepassing op de andere familieleden bedoeld in artikel 47/1.".
"Art. 47/2. Onverminderd de bepalingen van dit hoofdstuk, zijn de bepalingen van hoofdstuk I over de in artikel 40bis bedoelde familieleden van een burger van de Unie van toepassing op de andere familieleden bedoeld in artikel 47/1.".
Art.26. Dans le même chapitre Ibis, il est inséré un article 47/2 rédigé comme suit :
" Art. 47/2. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les dispositions du chapitre I relatives aux membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés à l'article 40bis sont applicables aux autres membres de la famille visés à l'article 47/1. ".
" Art. 47/2. Sans préjudice des dispositions du présent chapitre, les dispositions du chapitre I relatives aux membres de la famille d'un citoyen de l'Union visés à l'article 40bis sont applicables aux autres membres de la famille visés à l'article 47/1. ".
Art.27. In hetzelfde hoofdstuk Ibis wordt een artikel 47/3 ingevoegd, luidende :
"Art. 47/3. § 1. De andere familieleden bedoeld in artikel 47/1, 1°, moeten het bestaan bewijzen van een relatie met de burger van de Unie die zij willen begeleiden of bij wie zij zich willen voegen en ook het duurzaam karakter van die relatie.
Het duurzaam karakter van de relatie mag met elk passend middel worden bewezen.
Bij het onderzoek naar het duurzame karakter van de relatie houdt de minister of zijn gemachtigde inzonderheid rekening met de intensiteit, de duur en de stabiele aard van de banden tussen de partners.
§ 2. De andere familieleden bedoeld in artikel 47/1, 2°, moeten bewijzen dat zij ten laste zijn van de burger van de Unie die zij willen begeleiden of bij wie zij zich willen voegen of dat zij deel uitmaken van zijn gezin.
De documenten die aantonen dat het andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst. Bij ontstentenis hiervan, kan het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen worden met elk passend middel.
§ 3. De andere familieleden bedoeld in artikel 47/1, 3°, moeten bewijzen dat omwille van ernstige gezondheidsredenen, zij een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie die zij willen vergezellen of bij wie zij zich willen voegen, strikt behoeven.".
"Art. 47/3. § 1. De andere familieleden bedoeld in artikel 47/1, 1°, moeten het bestaan bewijzen van een relatie met de burger van de Unie die zij willen begeleiden of bij wie zij zich willen voegen en ook het duurzaam karakter van die relatie.
Het duurzaam karakter van de relatie mag met elk passend middel worden bewezen.
Bij het onderzoek naar het duurzame karakter van de relatie houdt de minister of zijn gemachtigde inzonderheid rekening met de intensiteit, de duur en de stabiele aard van de banden tussen de partners.
§ 2. De andere familieleden bedoeld in artikel 47/1, 2°, moeten bewijzen dat zij ten laste zijn van de burger van de Unie die zij willen begeleiden of bij wie zij zich willen voegen of dat zij deel uitmaken van zijn gezin.
De documenten die aantonen dat het andere familielid ten laste is of deel uitmaakt van het gezin van de burger van de Unie moeten uitgaan van de bevoegde overheden van het land van oorsprong of van herkomst. Bij ontstentenis hiervan, kan het feit ten laste te zijn of deel uit te maken van het gezin van de burger van de Unie bewezen worden met elk passend middel.
§ 3. De andere familieleden bedoeld in artikel 47/1, 3°, moeten bewijzen dat omwille van ernstige gezondheidsredenen, zij een persoonlijke verzorging door de burger van de Unie die zij willen vergezellen of bij wie zij zich willen voegen, strikt behoeven.".
Art.27. Dans le même chapitre Ibis il est inséré un article 47/3 rédigé comme suit :
" Art. 47/3. § 1er. Les autres membres de la famille visés à l'article 47/1, 1°, doivent apporter la preuve de l'existence d'une relation avec le citoyen de l'Union qu'ils veulent accompagner ou rejoindre ainsi que de son caractère durable.
Le caractère durable de la relation peut être prouvé par tout moyen approprié.
Lors de l'examen du caractère durable de la relation, le ministre ou son délégué tient compte notamment de l'intensité, de l'ancienneté et de la stabilité des liens entre les partenaires.
§ 2. Les autres membres de la famille visés à l'article 47/1, 2°, doivent apporter la preuve qu'ils sont à charge du citoyen de l'Union qu'ils veulent accompagner ou rejoindre ou qu'ils font partie de son ménage.
Les documents attestant que l'autre membre de famille est à charge ou fait partie du ménage du citoyen de l'Union doit émaner des autorités compétentes du pays d'origine ou de provenance. A défaut, le fait d'être à charge ou de faire partie du ménage du citoyen de l'Union peut être prouvé par tout moyen approprié.
§ 3. Les autres membres de la famille visés à l'article 47/1, 3°, doivent apporter la preuve que compte tenu de raisons de santé graves, le citoyen de l'Union qu'ils veulent accompagner ou rejoindre doit impérativement et personnellement s'occuper d'eux.".
" Art. 47/3. § 1er. Les autres membres de la famille visés à l'article 47/1, 1°, doivent apporter la preuve de l'existence d'une relation avec le citoyen de l'Union qu'ils veulent accompagner ou rejoindre ainsi que de son caractère durable.
Le caractère durable de la relation peut être prouvé par tout moyen approprié.
Lors de l'examen du caractère durable de la relation, le ministre ou son délégué tient compte notamment de l'intensité, de l'ancienneté et de la stabilité des liens entre les partenaires.
§ 2. Les autres membres de la famille visés à l'article 47/1, 2°, doivent apporter la preuve qu'ils sont à charge du citoyen de l'Union qu'ils veulent accompagner ou rejoindre ou qu'ils font partie de son ménage.
Les documents attestant que l'autre membre de famille est à charge ou fait partie du ménage du citoyen de l'Union doit émaner des autorités compétentes du pays d'origine ou de provenance. A défaut, le fait d'être à charge ou de faire partie du ménage du citoyen de l'Union peut être prouvé par tout moyen approprié.
§ 3. Les autres membres de la famille visés à l'article 47/1, 3°, doivent apporter la preuve que compte tenu de raisons de santé graves, le citoyen de l'Union qu'ils veulent accompagner ou rejoindre doit impérativement et personnellement s'occuper d'eux.".
Art.28. In artikel 61/7 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° in § 1 worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° in § 5 worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
3° het artikel wordt aangevuld met een § 7, luidende :
" § 7. Wanneer de machtiging tot verblijf wordt geweigerd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de ernst of de aard van de inbreuk dat door de betrokken persoon of zijn of haar familielid op de openbare orde of de nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat. De redenen mogen niet ingeroepen worden voor economische doeleinden.".
1° in § 1 worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
2° in § 5 worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene";
3° het artikel wordt aangevuld met een § 7, luidende :
" § 7. Wanneer de machtiging tot verblijf wordt geweigerd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met de ernst of de aard van de inbreuk dat door de betrokken persoon of zijn of haar familielid op de openbare orde of de nationale veiligheid is gepleegd, respectievelijk met het gevaar dat van de persoon in kwestie uitgaat. De redenen mogen niet ingeroepen worden voor economische doeleinden.".
Art.28. A l'article 61/7, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° dans le § 1er, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° dans le § 5, les mots " permis de séjour de résident de longue durée " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
3° l'article est complété par un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. Lorsque l'autorisation de séjour est refusée pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, le ministre ou son délégué prend en considération la gravité ou la nature de l'infraction que soit la personne concernée, soit le membre de sa famille a commise contre l'ordre public ou la sécurité nationale, ou le danger que la personne en question représente. Les raisons ne peuvent être invoquées à des fi ns économiques. ".
1° dans le § 1er, les mots " permis de séjour de résident de longue durée - CE " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
2° dans le § 5, les mots " permis de séjour de résident de longue durée " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE ";
3° l'article est complété par un § 7, rédigé comme suit :
" § 7. Lorsque l'autorisation de séjour est refusée pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, le ministre ou son délégué prend en considération la gravité ou la nature de l'infraction que soit la personne concernée, soit le membre de sa famille a commise contre l'ordre public ou la sécurité nationale, ou le danger que la personne en question représente. Les raisons ne peuvent être invoquées à des fi ns économiques. ".
Art.29. In artikel 61/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007 en gewijzigd bij de wet van 6 mei 2009, worden de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" vervangen door de woorden "EUverblijfsvergunning voor langdurig ingezetene.".
Art.29. Dans l'article 61/8, de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007 et modifié par la loi du 6 mai 2009, les mots " permis de séjour de résident de longue durée " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE. ".
Art.30. In artikel 61/9 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 25 april 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" worden vervangen door de woorden "EUverblijfsvergunning voor langdurig ingezetene.";
2° de woorden "en voor zover de vreemdeling geen internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie" worden ingevoegd tussen de woorden "ernstig heeft geschaad," en de woorden "kan de minister zijn terugwijzing".
1° de woorden "EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene" worden vervangen door de woorden "EUverblijfsvergunning voor langdurig ingezetene.";
2° de woorden "en voor zover de vreemdeling geen internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie" worden ingevoegd tussen de woorden "ernstig heeft geschaad," en de woorden "kan de minister zijn terugwijzing".
Art.30. A l'article 61/9 de la même loi, inséré par la loi du 25 avril 2007, les modifications suivantes sont apportées :
1° les mots " permis de séjour de résident de longue durée " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE. ";
2° les mots " et pour autant que l'étranger ne bénéficie pas de la protection internationale dans un autre Etat membre de l'Union européenne " sont insérés entre les mots " sécurité nationale " et les mots " le ministre peut assortir son renvoi ".
1° les mots " permis de séjour de résident de longue durée " sont remplacés par les mots " permis de séjour de résident de longue durée - UE. ";
2° les mots " et pour autant que l'étranger ne bénéficie pas de la protection internationale dans un autre Etat membre de l'Union européenne " sont insérés entre les mots " sécurité nationale " et les mots " le ministre peut assortir son renvoi ".
Art. 31. In artikel 74/4bis, § 1, eerste lid, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 8 maart 1995 en gewijzigd bij de wet van 15 juli 1996 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, worden de woorden "3.750 EUR" vervangen door de woorden "5.000 EUR".
Art. 31. Dans l'article 74/4bis, § 1er, alinéa 1er, de la même loi, inséré par la loi du 8 mars 1995 et modifié par la loi du 15 juillet 1996 et par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, les mots " 3.750 EUR " sont remplacés par les mots " 5.000 EUR ".