Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
15 JULI 2013. - Wet tot wijziging van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de tucht(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 25-07-2013 en tekstbijwerking tot 14-05-2014)
Titre
15 JUILLET 2013. - Loi modifiant les dispositions du Code judiciaire relatives à la discipline(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 25-07-2013 et mise à jour au 14-05-2014)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (45)
Texte (45)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek
CHAPITRE 2. - Modifications du Code judiciaire
Art.2. In artikel 58 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 10 april 2003, worden de woorden " de tuchtrechtbanken, " ingevoegd tussen de woorden " de rechtbanken van koophandel, " en de woorden " de hoven van beroep " en worden de woorden " , de tuchtrechtbanken in hoger beroep " ingevoegd tussen de woorden " de hoven van assisen " en de woorden " en van het Hof van Cassatie ".
Art.2. Dans l'article 58 du Code judiciaire, modifié par la loi du 10 avril 2003, les mots " du tribunal disciplinaire, " sont insérés entre les mots " du tribunal de commerce, " et les mots " de la cour d'appel " et les mots " , du tribunal disciplinaire d'appel " sont insérés entre les mots " de la cour d'assises " et les mots " et de la Cour de Cassation ".
Art.3. Artikel 58bis van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 13 juni 2006, wordt aangevuld met een 5°, luidende :
  " 5° mandaat in de tuchtrechtscolleges : de mandaten van rechter in de tuchtrechtbank en van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep. ".
Art.3. L'article 58bis du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 13 juin 2006, est complété par un 5° rédigé comme suit :
  " 5° mandat dans les juridictions disciplinaires : les mandats de juge au tribunal disciplinaire et de conseiller au tribunal disciplinaire d'appel. ".
Art.4. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 259sexies/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 259sexies/1. De rechters in de tuchtrechtbank en de raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep worden aangewezen uit de magistraten van de zetel die gedurende ten minste tien jaar een ambt van magistraat van het openbaar ministerie of van de zetel hebben uitgeoefend en die nog nooit een tuchtsanctie hebben opgelopen, tenzij deze werd uitgewist.
  De rechters in de tuchtrechtbank worden door de algemene vergaderingen van de rechtbanken van eerste aanleg aangewezen voor een niet-hernieuwbare termijn van zeven jaar uit de kandidaten die op een met redenen omklede wijze door de korpschef worden voorgesteld.
  De raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep worden door de algemene vergaderingen van de hoven van beroep aangewezen voor een niet-hernieuwbare termijn van zeven jaar uit de kandidaten die op een met redenen omklede wijze door de korpschef worden voorgesteld.
  [1 De kandidaturen voor de mandaten van rechter bij de tuchtrechtbank en van raadsheer bij de tuchtrechtbank in hoger beroep worden naar de bevoegde algemene vergadering gestuurd binnen een termijn van een maand vanaf de bekendmaking van de vacature in het Belgisch Staatsblad.
   De voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg en de eerste voorzitters van de hoven van beroep bezorgen de naam van de aangewezen rechters en raadsheren aan de minister van Justitie binnen vijfenzeventig dagen na de oproep tot kandidaten.]1

  De Koning stelt het contingent vast van de rechters die zitting kunnen houden in de tuchtrechtbank en van de raadsheren die zitting kunnen houden in de tuchtrechtbank in hoger beroep.
  De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie kunnen niet worden aangewezen om zitting te houden in de tuchtrechtscolleges.
  Het mandaat van rechter in de tuchtrechtbank en van raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene een in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis bedoelde opdracht aanvaardt. Het mandaat neemt ambtshalve een einde wanneer hem een tuchtstraf wordt opgelegd. ".
  
Art.4. Dans le même Code, il est inséré un article 259sexies/1 rédigé comme suit :
  " Art. 259sexies/1. Les juges au tribunal disciplinaire et les conseillers au tribunal disciplinaire d'appel sont désignés parmi les magistrats du siège qui ont exercé pendant au moins dix ans une fonction de magistrat du ministère public ou du siège et qui n'ont jamais subi de peine disciplinaire, à moins que celle-ci n'ait été effacée.
  Les juges au tribunal disciplinaire sont désignés par les assemblées générales des tribunaux de première instance pour un terme non renouvelable de sept ans parmi les candidats qui ont fait l'objet d'une proposition motivée du chef de corps.
  Les conseillers au tribunal disciplinaire d'appel sont désignés par les assemblées générales des cours d'appel pour un terme non renouvelable de sept ans parmi les candidats qui ont fait l'objet d'une proposition motivée du chef de corps.
  [1 Les candidatures aux mandats de juge au tribunal disciplinaire et de conseiller au tribunal disciplinaire d'appel sont adressées à l'assemblée générale compétente dans un délai d'un mois à partir de la publication de la vacance au Moniteur belge.
   Les présidents des tribunaux de première instance et les premiers présidents des cours d'appel transmettent le nom des juges et des conseillers désignés au ministre de la Justice dans les septante cinq jours suivant l'appel aux candidats.]1

  Le Roi fixe le quota des juges qui peuvent siéger au tribunal disciplinaire et des conseillers qui peuvent siéger au tribunal disciplinaire d'appel.
  Les chefs de corps et les membres du Conseil supérieur de la Justice ne peuvent pas être désignés pour siéger au sein des juridictions disciplinaires.
  Le mandat de juge au tribunal disciplinaire et de conseiller au tribunal disciplinaire d'appel s'achève lorsque l'intéressé accepte une mission visée aux articles 308, 323bis, 327 et 327bis. Le mandat prend fin d'office lorsqu'une sanction disciplinaire lui est infligée. ".
  
Art.6. Artikel 288 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De installatie van de raadsheren en de raadsheren-assessoren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en van de rechters en rechters-assessoren in de tuchtrechtbank geschiedt [1 respectievelijk]1 voor een van de kamers van het hof van beroep in het rechtsgebied waarvan de tuchtrechtbank [1 of de tuchtrechtbank in hoger beroep]1 gevestigd is, voorgezeten door de eerste voorzitter of door de raadsheer die hem vervangt, of voor de vakantiekamer. ".
  
Art.6. L'article 288 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " La réception des conseillers et conseillers assesseurs au tribunal disciplinaire d'appel et des juges et juges assesseurs au tribunal disciplinaire se fait [1 respectivement]1 devant une des chambres de la cour d'appel dans le ressort de laquelle est établi le tribunal disciplinaire, [1 ou le tribunal disciplinaire d'appel]1 présidée par le premier président ou par le conseiller qui le remplace, ou devant la chambre des vacations. ".
  
Art. 6/1. [1 In artikel 340 van hetzelfde Wetboek, gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, wordt het 6° hersteld als volgt :
   6° voor de aanwijzing of de selectie van de kandidaten voor een mandaat van rechter, van raadsheer en assessor in de in artikel 58 bedoelde tuchtrechtscolleges.]1

  
Art. 6/1. [1 Dans l'article 340 du même Code, modifié par la loi du 1er décembre 2013, le 6° est rétabli comme suit :
   6° pour la désignation ou la sélection des candidats à un mandat de juge, de conseiller et d'assesseur dans les juridictions disciplinaires visées à l'article 58.]1

  
Art.7. [1 In artikel 341 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 1 december 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
   1° in § 2 worden de woorden "en 7° " vervangen door de woorden ", 6° en 7° ";
   2° paragraaf 4 wordt opgeheven.]1

  
Art.7. [1 Dans l'article 341 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 1er décembre 2013, les modifications suivantes sont apportées :
   1° dans le § 2 les mots "et 7° " sont remplacés par les mots ", 6° et 7° ";
   2° le § 4 est abrogé.".]1

  
Art.8. Artikel 405 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 405. § 1. De lichte tuchtstraffen die van toepassing zijn op de leden en op de personeelsleden van de rechterlijke orde zijn :
  1° terechtwijzing;
  2° blaam.
  De zware tuchtstraffen die van toepassing zijn op de leden en op de personeelsleden van de rechterlijke orde zijn :
  1° inhouding van wedde;
  2° tuchtschorsing;
  3° lagere inschaling of verlies van de laatste weddebijslag;
  4° terugzetting of intrekking van het in artikel 58bis bedoelde mandaat;
  5° ontslag van ambtswege;
  6° ontzetting uit het ambt of afzetting.
  § 2. De inhouding van wedde wordt toegepast gedurende ten minste vijftien dagen en ten hoogste een jaar en mag niet hoger zijn dan die welke wordt bepaald in artikel 23, tweede lid, van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
  § 3. De tuchtschorsing wordt uitgesproken voor een periode van ten minste een maand en ten hoogste een jaar.
  De tuchtschorsing heeft zolang zij duurt een verlies van 20 % van de brutowedde tot gevolg.
  Gedurende de tuchtschorsing kan de betrokkene zijn aanspraken op bevordering of verhoging in weddeschaal niet doen gelden.
  § 4. De lagere inschaling bestaat in de toekenning :
  1° van een lagere weddeschaal in dezelfde graad of in dezelfde klasse;
  2° van een graad van hetzelfde niveau met een lagere weddeschaal.
  § 5. De terugzetting bestaat in de toekenning van een graad van een lager niveau of van een lagere klasse.
  Het personeelslid neemt in deze nieuwe graad of in deze nieuwe klasse rang in op de datum waarop de toekenning uitwerking heeft.
  § 6. Naast het verlies van het lopende mandaat heeft de intrekking van het in artikel 58bis bedoelde mandaat tot gevolg dat de betrokken persoon zich niet langer kan kandidaat stellen voor een in dat artikel bedoeld mandaat, behoudens de in de artikelen 421 en 422 bedoelde gevallen van uitwissing of herziening.
  De intrekking van het mandaat van korpschef leidt tot het verlies van het behoud van wedde dat wordt bedoeld in artikel 102, § 1, derde lid, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem, alsook bedoeld in artikel 18 van de wet van 18 december 2006 tot wijziging van de artikelen 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 en 359 van het Gerechtelijk Wetboek, tot herstel in dit Wetboek van artikel 324 en tot wijziging van de artikelen 43 en 43quater van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken.
  § 7. Het ontslag van ambtswege heeft het verlies van de hoedanigheid van lid van de rechterlijke orde of van lid van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten tot gevolg.
  § 8. De ontzetting uit het ambt en de afzetting hebben het verlies van de hoedanigheid van lid van de rechterlijke orde of van lid van het personeel van de griffies en van de parketsecretariaten en het verlies van het rustpensioen tot gevolg.
  § 9. De ontzetting uit het ambt en de afzetting brengen het verbod op verdere uitoefening van ambten in de Rechterlijke Orde mee.
  De terechtwijzing en de blaam uitgezonderd, brengt een tuchtstraf het verbod mee zich kandidaat te stellen voor de Hoge Raad voor de Justitie, behoudens de in de artikelen 421 en 422 bedoelde gevallen van uitwissing of herziening.
  § 10. Het tuchtrechtscollege kan de uitspraak van de straf opschorten en de uitvoering van de uitgesproken straf uitstellen, in voorkomend geval onder de bijzondere voorwaarden die het bepaalt. ".
Art.8. L'article 405 du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 405. § 1er. Les peines disciplinaires mineures applicables aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire sont :
  1° le rappel à l'ordre;
  2° le blâme.
  Les peines disciplinaires majeures applicables aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire sont :
  1° la retenue de traitement;
  2° la suspension disciplinaire;
  3° la régression barémique ou la perte du dernier supplément de traitement;
  4° la rétrogradation ou le retrait de mandat visé à l'article 58bis;
  5° la démission d'office;
  6° la destitution ou la révocation.
  § 2. La retenue de traitement s'applique pendant quinze jours au moins et un an au plus et ne peut pas être supérieure à celle prévue à l'article 23, alinéa 2, de la loi du 12 avril 1965 concernant la protection de la rémunération des travailleurs.
  § 3. La suspension disciplinaire est prononcée pour une période d'un mois au moins et d'un an au plus.
  La suspension disciplinaire entraîne pour sa durée une perte de 20 % du traitement brut.
  Durant les périodes de suspension disciplinaire, la personne concernée ne peut faire valoir ses titres à la promotion ou l'avancement dans son échelle de traitement.
  § 4. La régression barémique consiste en l'attribution :
  1° d'une échelle de traitement inférieure dans le même grade ou dans la même classe;
  2° d'un grade du même niveau doté d'une échelle de traitement inférieure.
  § 5. La rétrogradation consiste en l'attribution d'un grade d'un niveau inférieur ou d'une classe inférieure.
  Le membre du personnel prend rang dans ce nouveau grade ou dans cette nouvelle classe à la date à laquelle l'attribution produit ses effets.
  § 6. Outre la perte du mandat en cours, le retrait du mandat visé à l'article 58bis a pour conséquence que la personne concernée ne peut plus se porter candidate à un mandat visé à cet article sauf les cas d'effacement ou de révision visés aux articles 421 et 422.
  Le retrait du mandat de chef de corps entraîne la perte du maintien du traitement visé à l'article 102, § 1er, alinéa 3, de la loi du 22 décembre 1998 modifiant certaines dispositions de la deuxième partie du Code judiciaire concernant le Conseil supérieur de la Justice, la nomination et la désignation de magistrats et instaurant un système d'évaluation pour les magistrats et à l'article 18 de la loi du 18 décembre 2006 modifiant les articles 80, 259quater, 259quinquies, 259nonies, 259decies, 259undecies, 323bis, 340, 341, 346 et 359 du Code judiciaire, rétablissant dans celui-ci l'article 324 et modifiant les articles 43 et 43quater de la loi du 15 juin 1935 concernant l'emploi des langues en matière judiciaire.
  § 7. La démission d'office fait perdre la qualité de membre de l'ordre judiciaire ou de membre du personnel des greffes et des secrétariats de parquet.
  § 8. La destitution et la révocation font perdre la qualité de membre de l'ordre judiciaire ou de membre du personnel des greffes et des secrétariats de parquet et entraînent la perte de la pension de retraite.
  § 9. La destitution et la révocation emportent l'interdiction d'exercer à nouveau des fonctions dans l'Ordre judiciaire.
  Hormis le rappel à l'ordre et le blâme, une sanction disciplinaire emporte l'interdiction de se porter candidat au Conseil supérieur de la Justice, sauf les cas d'effacement ou de révision visés aux articles 421 et 422.
  § 10. La juridiction disciplinaire peut suspendre le prononcé de la sanction et surseoir à l'exécution de la sanction qu'elle prononce, le cas échéant moyennant les conditions particulières qu'elle fixe. ".
Art.9. Artikel 405ter van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 405ter. De in artikel 412, §§ 1 en 2, bedoelde overheid brengt de Koning of de Minister van Justitie onverwijld op de hoogte van de aanhangigmaking bij de tuchtrechtbank. ".
Art.9. L'article 405ter du même Code, inséré par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 405ter. L'autorité visée à l'article 412, §§ 1er et 2, avertit immédiatement le Roi ou le Ministre de la Justice de ce que le tribunal disciplinaire a été saisi. ".
Art.10. In artikel 405quater van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt het woord " wordt " vervangen door het woord " kan " en wordt het woord " geschorst " vervangen door de woorden " geschorst worden ".
Art.10. Dans l'article 405quater, du même Code, inséré par la loi du 7 juillet 2002, les mots " est suspendu " sont remplacés par les mots " peut être suspendu ".
Art.11. In artikel 406, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het tweede lid wordt vervangen door wat volgt :
  " De ordemaatregel wordt uitgesproken door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid voor de duur van hoogstens drie maanden en kan worden verlengd voor periodes van hoogstens drie maanden tot de eindbeslissing. De maatregel kan een inhouding van 20 % van de brutowedde meebrengen. Het openbaar ministerie kan zich wenden of wendt zich op injunctie van de Minister van Justitie tot de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid met een verzoek tot schorsing in het belang van de dienst. ";
  2° het derde lid wordt vervangen door wat volgt :
  " Een ordemaatregel of verlenging kan enkel worden uitgesproken nadat de betrokken persoon is gehoord of behoorlijk opgeroepen of, wanneer zijn verhoor onmogelijk is, nadat hij zijn verweermiddelen schriftelijk heeft kunnen doen gelden of zich heeft kunnen laten vertegenwoordigen. ";
  3° de § wordt aangevuld met de volgende leden :
  " De oproeping wordt aan de betrokken persoon bezorgd tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending, met vermelding van de ten laste gelegde feiten, de plaats waar en de termijn waarin het dossier kan worden geraadpleegd alsook de plaats en de datum van verschijning.
  Van de beslissing van de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid wordt tegen ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending kennis gegeven aan de betrokken persoon en aan het parket binnen vijf dagen volgend op het verhoor van de betrokken persoon of op de voor dat verhoor vastgestelde datum of op de schriftelijke indiening van de verweermiddelen.
  De kennisgeving maakt melding van het recht om beroep in te stellen, alsook van de geldende vormen en termijn.
  De beslissing is onmiddellijk uitvoerbaar. ".
Art.11. A l'article 406, § 1er, du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " La mesure d'ordre est prononcée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, pour trois mois au plus et peut être prorogée pour des périodes de trois mois au plus jusqu'à la décision définitive. Elle peut entraîner une retenue de 20 % du traitement brut. Le ministère public peut saisir ou saisit sur injonction du Ministre de la Justice l'autorité visée à l'article 412, § 1er, d'une demande de suspension dans l'intérêt du service. ";
  2° l'alinéa 3 est remplacé par ce qui suit :
  " Aucune mesure d'ordre ou prorogation ne peut être prononcée sans que la personne concernée ait été entendue ou dûment appelée ou, lorsque son audition est impossible, sans qu'elle ait pu faire valoir ses moyens de défense par écrit ou se faire représenter. ";
  3° le § est complété par les alinéas suivants :
  " La convocation est remise à la personne concernée contre accusé de réception ou par envoi recommandé contenant un exposé des faits reprochés, le lieu et le délai de consultation du dossier, ainsi que le lieu et la date de comparution.
  La décision de l'autorité visée à l'article 412, § 1er, est notifiée contre accusé de réception ou par envoi recommandé à la personne concernée et au parquet dans les cinq jours suivant l'audition de la personne concernée ou la date fixée pour cette audition ou la remise des moyens de défense par écrit.
  La notification fait mention du droit d'introduire un recours, du délai et des formes à respecter.
  La décision est exécutoire immédiatement. ".
Art.12. In artikel 407 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 25 april 2007, worden de woorden " van de overheid die tot het uitspreken van de schorsing bevoegd is " vervangen door de woorden " van de tuchtrechtbank ".
Art.12. Dans l'article 407 du même Code, remplacé par la loi du 25 avril 2007, les mots " de l'autorité compétente pour prononcer la suspension " sont remplacés par les mots " du tribunal disciplinaire ".
Art.13. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling I, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, vervangen door wat volgt : " Tuchtrechtcolleges ".
Art.13. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, du même Code, l'intitulé de la section Ire, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit : " Des juridictions disciplinaires ".
Art.14. Artikel 409 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 409. § 1. Er bestaat voor heel België een niet-permanente Nederlandstalige tuchtrechtbank en een niet-permanente Franstalige tuchtrechtbank bevoegd ten aanzien van de leden en de personeelsleden van de rechterlijke orde.
  Binnen de Franstalige rechtbank neemt een kamer, welke uit minstens één magistraat van de zetel bestaat die het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, kennis van de zaken met betrekking tot de Duitstalige leden en personeelsleden van de rechterlijke orde.
  Als het onmogelijk blijkt in de Franstalige rechtbank een magistraat aan te wijzen die het bewijst levert van de kennis van de Duitse taal, wordt de rechtspleging gevoerd in de Franse taal. Op verzoek van de betrokken persoon kan de rechtbank bevelen dat een beroep wordt gedaan op een vertaler; de vertaalkosten zijn ten laste van de Schatkist. Het vonnis wordt vertaald in het Duits.
  De Franstalige rechtbank heeft haar zetel te Namen. De Nederlandstalige rechtbank heeft haar zetel te Gent. De geïnventariseerde tuchtdossiers en een kopie van het individuele dossier van de betrokkene worden respectievelijk gericht aan de griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Namen of te Gent.
  Het ambt van openbaar ministerie bij de tuchtrechtbank wordt uitgeoefend door de procureur des Konings bij de rechtbank van eerste aanleg in de zetel waar de tuchtrechtbank haar zittingen houdt.
  Het ambt van griffier bij de tuchtrechtbank wordt uitgeoefend door een griffier van de rechtbank van eerste aanleg in de zetel waar de tuchtrechtbank haar zittingen houdt. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
  § 2. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van de zetel die geen magistraat is van het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als het rechtscollege waarvan de vervolgde persoon afkomstig is. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
  Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van het openbaar ministerie die geen magistraat is bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor die wordt aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon. [1 Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal.]1 Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met raadgevende stem toegevoegd.
  Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtspersoneel, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en een assessor die wordt aangewezen uit de assessoren die zijn aangewezen door de minister van Justitie en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan het niveau van de persoon tegen wie de tuchtprocedure loopt. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met raadgevende stem toegevoegd.
  De stafhouder wordt aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies of door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, op schriftelijk verzoek van de voorzitter van de tuchtrechtbank.
  § 3. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank zich moeten uitspreken over een magistraat van of bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee rechters in de tuchtrechtbank en uit een assessor die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 411, § 6.
  Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd. Hij wordt aangewezen volgens de in § 2, vierde lid, bedoelde procedure. ".
  
Art.14. L'article 409 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 409. § 1er. Il y a pour toute la Belgique un tribunal disciplinaire de langue française et un tribunal disciplinaire de langue néerlandaise non permanents, compétents à l'égard des membres et des membres du personnel de l'ordre judiciaire.
  Au sein du tribunal de langue française une chambre, composée d'au moins un magistrat du siège justifiant de la connaissance de la langue allemande, connaît des affaires relatives aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire de langue allemande.
  En cas d'impossibilité de désigner un magistrat justifiant de la connaissance de la langue allemande dans le tribunal de langue française, la procédure a lieu en langue française. A la demande de la personne concernée, le tribunal peut ordonner qu'il soit fait appel à un traducteur; les frais de traduction sont à charge du Trésor. Le jugement est traduit en allemand.
  Le tribunal de langue française siège à Namur. Le tribunal de langue néerlandaise siège à Gand. Les dossiers disciplinaires inventoriés et une copie du dossier individuel de la personne concernée sont respectivement adressés au greffe du tribunal de première instance de Namur ou de Gand.
  Les fonctions du ministère public près le tribunal disciplinaire sont exercées par le procureur du Roi près le tribunal de première instance au siège duquel le tribunal disciplinaire tient ses audiences.
  Les fonctions de greffier au tribunal disciplinaire sont exercées par un greffier du tribunal de première instance au siège duquel le tribunal disciplinaire tient ses audiences. Il est désigné par le greffier en chef.
  § 2. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du siège autre qu'un magistrat de la Cour de Cassation, les chambres du tribunal disciplinaire sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur issu d'une juridiction du même niveau que celle dont est issue la personne poursuivie. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative.
  Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du ministère public autre qu'un magistrat près la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur désigné parmi les magistrats du ministère public de même niveau que la personne poursuivie. [1 Pour l'application du présent article, les membres du parquet fédéral sont assimilés aux membres des parquets généraux.]1 Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative.
  Lorsque la procédure disciplinaire concerne un membre du personnel judiciaire, elles sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur désigné parmi les assesseurs désignés par le ministre de la Justice et d'un niveau au moins égal à celui de la personne faisant l'objet de la procédure disciplinaire. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative.
  Le bâtonnier est désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou par l'Orde van Vlaamse Balies, à la demande écrite du président du tribunal disciplinaire.
  § 3. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat de ou près la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire sont composées de deux juges au tribunal disciplinaire et d'un assesseur désigné conformément à l'article 411, § 6.
  Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative. Il est désigné selon la procédure visée au § 2, alinéa 4. ".
  
Art.15. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling II, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, opgeheven.
Art.15. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, du même Code, l'intitulé de la section II, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est abrogé.
Art.16. Artikel 410 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 410. § 1. Er bestaat voor heel België een niet-permanente Nederlandstalige tuchtrechtbank in hoger beroep en een Franstalige niet-permanente tuchtrechtbank in hoger beroep.
  De Nederlandstalige rechtbank in hoger beroep heeft haar zetel te Brussel. De Franstalige rechtbank in hoger beroep heeft haar zetel te Brussel. De tuchtdossiers worden gericht aan de griffie van het hof van beroep.
  Het ambt van openbaar ministerie bij de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt uitgeoefend door de procureur-generaal bij het hof van beroep in de zetel waar de tuchtrechtbank in hoger beroep haar zittingen houdt.
  Het ambt van griffier in de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt uitgeoefend door een griffier van het hof van beroep in de zetel waar de tuchtrechtbank in hoger beroep haar zittingen houdt. Hij wordt aangewezen door de hoofdgriffier.
  Binnen de Franstalige rechtbank neemt een kamer, welke uit minstens één magistraat van de zetel bestaat die het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, kennis van de zaken met betrekking tot de Duitstalige leden en personeelsleden van de rechterlijke orde.
  Als het onmogelijk blijkt een kamer samen te stellen die bestaat uit een magistraat die het bewijs levert van de kennis van de Duitse taal, wordt de rechtspleging in de Franse taal gevoerd. Op verzoek van de betrokken persoon kan de rechtbank bevelen dat een beroep wordt gedaan op een vertaler; de vertaalkosten zijn ten laste van de Schatkist. Het arrest wordt vertaald in het Duits.
  § 2. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van de zetel die geen magistraat is van het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor uit een rechtscollege van hetzelfde niveau als het rechtscollege waarvan de vervolgde persoon afkomstig is. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
  Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van het openbaar ministerie die geen magistraat is bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor die wordt aangewezen uit de magistraten van het openbaar ministerie van hetzelfde niveau als de vervolgde persoon. [1 Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal.]1 Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
  Wanneer de tuchtprocedure betrekking heeft op een lid van het gerechtspersoneel, zijn de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en een raadsheer-assessor die wordt aangewezen uit de assessoren die zijn aangewezen door de minister van Justitie en die van een niveau zijn dat ten minste gelijk is aan dat van de persoon tegen wie de tuchtprocedure loopt. Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd.
  De stafhouder wordt aangewezen door de Orde van Vlaamse Balies of door de Ordre des barreaux francophones et germanophone, op schriftelijk verzoek van de voorzitter van de tuchtrechtbank in hoger beroep.
  § 3. Wanneer de kamers van de tuchtrechtbank in hoger beroep zich moeten uitspreken over een magistraat van of bij het Hof van Cassatie, zijn ze samengesteld uit twee raadsheren in de tuchtrechtbank in hoger beroep en uit een raadsheer-assessor die wordt aangewezen overeenkomstig artikel 411, § 6, eerste of tweede lid, naar gelang van het geval.
  Een stafhouder van een raad van de Orde wordt telkens met een raadgevende stem toegevoegd. Hij wordt aangewezen volgens de in § 2, vierde lid, bedoelde procedure. ".
  
Art.16. L'article 410 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 410. § 1er. Il y a pour toute la Belgique un tribunal disciplinaire d'appel francophone et un tribunal disciplinaire d'appel néerlandophone non permanents.
  Le tribunal disciplinaire d'appel de langue française siège à Bruxelles. Le tribunal disciplinaire d'appel de langue néerlandaise siège à Bruxelles. Les dossiers disciplinaires sont adressés au greffe de la cour d'appel.
  Les fonctions du ministère public près le tribunal disciplinaire d'appel sont exercées par le procureur général près la cour d'appel au siège de laquelle le tribunal disciplinaire d'appel tient ses audiences.
  Les fonctions de greffier au tribunal disciplinaire d'appel sont exercées par un greffier de la cour d'appel au siège de laquelle le tribunal disciplinaire d'appel tient ses audiences. Il est désigné par le greffier en chef.
  Au sein du tribunal disciplinaire d'appel de langue française, une chambre, composée d'au moins un magistrat du siège justifiant de la connaissance de la langue allemande, connaît des affaires relatives aux membres et aux membres du personnel de l'ordre judiciaire de langue allemande.
  En cas d'impossibilité de constituer une chambre composée d'un magistrat justifiant de la connaissance de la langue allemande, la procédure a lieu en langue française. A la demande de la personne concernée, le tribunal peut ordonner qu'il soit fait appel à un traducteur; les frais de traduction sont à charge du Trésor. L'arrêt est traduit en allemand.
  § 2. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du siège autre qu'un magistrat de la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel et d'un conseiller assesseur issu d'une juridiction du même niveau que celle dont est issue la personne poursuivie. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative.
  Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat du ministère public autre qu'un magistrat près la Cour de cassation, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel et d'un conseiller assesseur désigné parmi les magistrats du ministère public de même niveau que la personne poursuivie. [1 Pour l'application du présent article, les membres du parquet fédéral sont assimilés aux membres des parquets généraux.]1 Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative.
  Lorsque la procédure disciplinaire concerne un membre du personnel judiciaire, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel, et d'un conseiller assesseur désigné parmi les assesseurs désignés par le ministre de la Justice et d'un niveau au moins égal à celui de la personne faisant l'objet de la procédure disciplinaire. Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative.
  Le bâtonnier est désigné par l'Ordre des barreaux francophones et germanophone ou par l'Orde van Vlaamse Balies, à la demande écrite du président du tribunal disciplinaire d'appel.
  § 3. Lorsqu'elles sont appelées à se prononcer au sujet d'un magistrat de ou près la Cour de Cassation, les chambres du tribunal disciplinaire d'appel sont composées de deux conseillers au tribunal disciplinaire d'appel et d'un conseiller assesseur désigné conformément à l'article 411, § 6, alinéa 1er ou 2, selon le cas.
  Un bâtonnier d'un conseil de l'Ordre est chaque fois adjoint avec voix consultative. Il est désigné selon la procédure visée au § 2, alinéa 4. ".
  
Art.17. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling III vervangen bij de wet van 7 juli 2002, opgeheven.
Art.17. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, du même Code, l'intitulé de la section III, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est abrogé.
Art.18. Artikel 411 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 411. § 1. De leden-assessoren van de tuchtrechtbank en van de tuchtrechtbank in hoger beroep worden aangewezen voor een niet-hernieuwbare termijn van vijf jaar.
  De korpschefs en de leden van de Hoge Raad voor de Justitie mogen niet worden aangewezen om zitting te houden in de tuchtrechtscolleges.
  Het ambt van de leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges neemt ambtshalve een einde wanneer hen een tuchtstraf wordt opgelegd.
  Het mandaat van magistraat, aangewezen als assessor bij de tuchtrechtbank of bij de tuchtrechtbank in hoger beroep neemt een einde wanneer de betrokkene een in de artikelen 308, 323bis, 327 en 327bis bedoelde opdracht aanvaardt.
  § 2. De leden-assessoren van de tuchtrechtscolleges worden aangewezen uit de werkende beroepsmagistraten of op rust gestelde magistraten en uit het gerechtspersoneel van niveau A en B.
  Om als lid-assessor van de tuchtrechtscolleges te worden aangewezen, moet de kandidaat tien ambtsjaren binnen de Rechterlijke Orde vervuld hebben, waarvan vijf jaar respectievelijk in het ambt van magistraat van de zetel, van magistraat van het openbaar ministerie of van personeelslid van niveau A of B, en mag hij geen enkele tuchtstraf hebben ondergaan.
  De kandidaat-assessoren richten hun kandidatuur respectievelijk aan hun algemene vergadering, hun korpsvergadering of aan de minister van Justitie binnen dertig dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  § 3. De magistraten van de zetel die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtrechtscolleges worden door hun algemene vergadering uitgekozen binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. De magistraten van het openbaar ministerie die in aanmerking komen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtrechtscolleges worden door hun korpsvergadering uitgekozen binnen diezelfde termijn.
  In elk rechtsgebied van het hof van beroep wijzen de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, van de rechtbanken van koophandel en van de arbeidsrechtbanken alsook de voorzitter [1 van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbank]1 gezamenlijk, uit de door de algemene vergaderingen uitgekozen kandidaten, vier leden van die rechtbanken aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden vier Nederlandstalige en vier Franstalige magistraten op dezelfde wijze aangewezen.
  De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
  In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de arbeidshoven gezamenlijk, uit de door de algemene vergaderingen uitgekozen kandidaten, drie leden van die hoven aan om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank in hoger beroep of als assessor in de tuchtrechtbank.
  In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige raadsheren gezamenlijk aangewezen door de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, de eerste voorzitter van het hof van beroep en de eerste voorzitter van het arbeidshof.
  De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
  § 4. In elk rechtsgebied van de hoven van beroep wijzen de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs gezamenlijk, uit de door de korpsvergaderingen uitgekozen kandidaten, drie magistraten van het parket van de procureur des Konings of van het arbeidsauditoraat aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep [1 ...]1. In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden drie Nederlandstalige en drie Franstalige magistraten gezamenlijk aangewezen door de procureurs des Konings en de arbeidsauditeurs.
  De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
  De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, de procureurs-generaal en de federale procureur wijzen gezamenlijk uit de door de korpsvergaderingen uitgekozen kandidaten, de zes leden van de Nederlandstalige [1 parketten-generaal en arbeidsauditoraten generaal]1 en de zes leden van de Franstalige [1 parketten-generaal en arbeidsauditoraten generaal]1 aan die zitting kunnen hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep [1 ...]1. [1 Voor de toepassing van dit artikel worden de leden van het federaal parket gelijkgesteld met de leden van de parketten-generaal.]1
  De aanwijzingen worden met redenen omkleed.
  § 5. Per rechtsgebied van het hof van beroep worden twee personeelsleden van niveau A en twee personeelsleden van niveau B die in aanmerking kunnen komen om zitting te hebben als assessor in de tuchtrechtbank of in de tuchtrechtbank in hoger beroep aangewezen door de Minister van Justitie binnen negentig dagen na de oproep tot kandidaten, op eensluidend advies van hun hiërarchische meerdere. De Minister van Justitie vraagt het advies van de hiërarchische meerdere van de kandidaat binnen tien dagen na de ontvangst van de kandidatuur. De adviezen worden overgezonden aan de Minister van Justitie binnen zestig dagen na de oproep tot kandidaten.
  In het rechtsgebied van het hof van beroep te Brussel worden twee Nederlandstalige personeelsleden van niveau A, twee Franstalige personeelsleden van niveau A, twee Nederlandstalige personeelsleden van niveau B en twee Franstalige personeelsleden van niveau B aangewezen.
  § 6. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie wijst drie emeriti leden van de zittende magistratuur aan die zich kandidaat hebben gesteld om zitting te nemen in de in de artikelen 409, § 3, eerste lid, en 410, § 3, eerste lid, bedoelde gevallen.
  De procureur-generaal bij het Hof van Cassatie wijst drie emeriti leden van het parket-generaal aan die zich kandidaat hebben gesteld om zitting te nemen in de in de artikelen 409, § 3, eerste lid, en 410, § 3, eerste lid, bedoelde gevallen.
  [1 De namen van de emeriti magistraten die aldus worden aangewezen, worden overgezonden naar de minister van Justitie binnen vijfenzeventig dagen na de oproep tot kandidaten.]1
  § 7. De lijst met de leden die zijn aangewezen voor de uitoefening van ambten in de tuchtrechtscolleges wordt binnen honderd dagen na de oproep tot kandidaten bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. ".
  
Art.18. L'article 411 du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 411. § 1er. Les membres assesseurs du tribunal disciplinaire et du tribunal disciplinaire d'appel sont désignés pour une période de cinq ans non renouvelable.
  Les chefs de corps et les membres du Conseil supérieur de la Justice ne peuvent pas être désignés pour siéger au sein des juridictions disciplinaires.
  Les fonctions des membres assesseurs des juridictions disciplinaires prennent fin d'office lorsqu'une peine disciplinaire leur est infligée.
  Le mandat d'un magistrat désigné comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel s'achève lorsque l'intéressé accepte une mission visée aux articles 308, 323bis, 327 et 327bis.
  § 2. Les membres assesseurs des juridictions disciplinaires sont désignés parmi les magistrats de carrière effectifs ou admis à la retraite et le personnel judiciaire de niveau A et B.
  Le candidat doit, pour être désigné membre assesseur des juridictions disciplinaires, compter dix ans de fonction dans l'Ordre judiciaire, dont cinq ans respectivement dans la fonction de magistrat du siège, de magistrat du ministère public ou de membre du personnel de niveau A ou B, et n'avoir subi aucune peine disciplinaire.
  Les candidats assesseurs adressent respectivement leur candidature à leur assemblée générale, leur assemblée de corps ou au ministre de la Justice dans les trente jours suivant l'appel aux candidats publié au Moniteur belge.
  § 3. Les magistrats du siège susceptibles de siéger comme membre assesseur dans les juridictions disciplinaires sont sélectionnés par leur assemblée générale dans les soixante jours suivant l'appel aux candidats publié au Moniteur belge. Les magistrats du ministère public susceptibles de siéger comme assesseur dans les juridictions disciplinaires sont sélectionnés par leur assemblée de corps, dans les mêmes délais.
  Dans chaque ressort de cour d'appel, les présidents des tribunaux de première instance, de commerce et du travail et le président [1 des juges de paix et des juges au tribunal de police]1 désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées générales, quatre membres de ces tribunaux qui pourront siéger comme assesseur dans le tribunal disciplinaire ou comme assesseur dans le tribunal disciplinaire d'appel. Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, quatre magistrats francophones et quatre magistrats néerlandophones sont désignés de la même manière.
  Les désignations sont motivées.
  Dans chaque ressort de cour d'appel, les premiers présidents des cours d'appel et du travail désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées générales, trois membres de ces cours pour siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire d'appel ou comme assesseur au tribunal disciplinaire.
  Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, trois conseillers francophones et trois conseillers néerlandophones sont désignés conjointement par le premier président de la Cour de Cassation, le premier président de la cour d'appel et le premier président de la cour du travail.
  Les désignations sont motivées.
  § 4. Dans chaque ressort de cour d'appel, les procureurs du Roi et les auditeurs du travail désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées de corps, trois magistrats du parquet du procureur du Roi ou de l'auditorat du travail susceptibles de siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel [1 ...]1. Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles, trois magistrats francophones et trois magistrats néerlandophones sont désignés conjointement par les procureurs du Roi et les auditeurs du travail.
  Les désignations sont motivées.
  Le procureur général près la Cour de Cassation, les procureurs généraux et le procureur fédéral désignent conjointement, parmi les candidats retenus par les assemblées de corps, les six membres des [1 parquets généraux et auditorats généraux du travail]1 francophones et les six membres des [1 parquets généraux et auditorats généraux du travail]1 néerlandophones susceptibles de siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel [1 ...]1. [1 Pour l'application du présent article, les membres du parquet fédéral sont assimilés aux membres des parquets généraux.]1
  Les désignations sont motivées.
  § 5. Par ressort de cour d'appel, deux membres du personnel de niveau A et deux membres du personnel de niveau B susceptibles de siéger comme assesseur au tribunal disciplinaire ou au tribunal disciplinaire d'appel sont désignés par le Ministre de la Justice dans les nonante jours suivant l'appel aux candidats, sur avis conforme de leur supérieur hiérarchique. Le Ministre de la Justice demande l'avis du supérieur hiérarchique du candidat dans les dix jours de la réception de la candidature. Les avis sont transmis au Ministre de la Justice dans les soixante jours suivant l'appel aux candidats.
  Dans le ressort de la cour d'appel de Bruxelles deux membres du personnel de niveau A francophones, deux membres du personnel de niveau A néerlandophones, deux membres du personnel de niveau B francophones et deux membres du personnel de niveau B néerlandophones sont désignés.
  § 6. Le premier président de la Cour de Cassation désigne trois magistrats émérites du siège qui se sont portés candidats pour siéger dans les cas visés aux articles 409, § 3, alinéa 1er, et 410, § 3, alinéa 1er.
  Le procureur général près la Cour de Cassation désigne trois membres émérites du parquet général qui se sont portés candidats pour siéger dans les cas visés aux articles 409, § 3, alinéa 1er, et 410, § 3, alinéa 1er.
  [1 Les noms des magistrats émérites ainsi désignés sont transmis au ministre de la Justice dans les septante cinq jours suivants l'appel aux candidats.]1
  § 7. La liste des membres désignés pour exercer des fonctions dans les juridictions disciplinaires est publiée au Moniteur belge dans les cent jours suivant l'appel aux candidats. ".
  
Art.19. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 411/1 ingevoegd, luidende :
  " Art. 411/1. De tuchtrechtbank en de tuchtrechtbank in hoger beroep worden respectievelijk voorgezeten door de rechter in de tuchtrechtbank en de raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep met de hoogste anciënniteit die is aangewezen om zitting te hebben in die tuchtrechtscolleges.
  De aanwijzing van de leden die deel uitmaken van die tuchtrechtscolleges, met uitzondering van het lid met raadgevende stem, geschiedt op 1 september van elk jaar bij toerbeurt die wordt bepaald door de in het eerste lid bedoelde rechter of raadsheer.
  Wanneer een dossier wordt verzonden aan de griffie van het tuchtrechtscollege, stelt, naargelang het geval, de rechter of de raadsheer in de tuchtrechtbank in hoger beroep met de grootste anciënniteit het orgaan samen binnen vijf dagen.
  Met uitzondering van de in artikel 409, § 3, eerste lid, 410, § 3, eerste lid, en 411, § 6, bedoelde gevallen mogen de leden die deel uitmaken van het rechtscollege niet zijn benoemd of opdracht hebben ontvangen in een rechtscollege, parket, griffie, parketsecretariaat of steundienst uit hetzelfde rechtsgebied als de persoon die tuchtrechtelijk wordt vervolgd en mogen ze evenmin een hiërarchische band hebben met de betrokken persoon. [1 In het rechtsgebied Luik mogen de leden die blijk hebben gegeven van de kennis van de Duitse taal niet zijn benoemd, in subsidiaire orde zijn benoemd of opdracht hebben ontvangen in hetzelfde rechtscollege, hetzelfde parket, dezelfde griffie, parketsecretariaat of steundienst als de persoon die tuchtrechtelijk wordt vervolgd.]1".
  
Art.19. Dans le même Code, il est inséré un article 411/1 rédigé comme suit :
  " Art. 411/1. Le tribunal disciplinaire et le tribunal disciplinaire d'appel sont présidés respectivement par le juge et par le conseiller ayant le plus d'ancienneté et désignés pour siéger dans ces juridictions disciplinaires.
  La désignation des membres composant ces juridictions disciplinaires, à l'exception du membre avec voix consultative, a lieu le 1er septembre de chaque année selon un tour de rôle défini par le juge ou le conseiller visés à l'alinéa 1er.
  Lorsqu'un dossier est transmis au greffe de la juridiction disciplinaire, celle-ci est constituée dans les cinq jours par le président du tribunal disciplinaire ou par le président du tribunal disciplinaire d'appel ayant le plus d'ancienneté, selon le cas.
  A l'exception des cas visés aux articles 409, § 3, alinéa 1er, 410, § 3, alinéa 1er, et 411, § 6, les membres qui composent la juridiction ne peuvent être nommés ou délégués dans une juridiction, un parquet, un greffe ou secrétariat de parquet ou service d'appui du même ressort que la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires et ne peuvent pas non plus avoir de lien hiérarchique avec la personne concernée. [1 Dans le ressort de Liège, les membres justifiant de la connaissance de la langue allemande ne peuvent être nommés, nommés à titre subsidiaire ou être délégués dans la même juridiction, le même parquet, le même greffe, secrétariat de parquet ou service d'appui que la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires.]1 ".
  
Art.20. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling IV, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, die afdeling II wordt, vervangen door wat volgt : " De tuchtoverheden ".
Art.20. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, du même Code, l'intitulé de la section IV, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, qui devient la section II, est remplacé par ce qui suit : " Des autorités disciplinaires ".
Art.21. Artikel 412 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 412. [1 § 1. De overheden die bevoegd zijn om een tuchtprocedure in te stellen zijn :
   1° ten aanzien van de magistraten van de zetel, met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie :
   a) de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitters van de hoven van beroep en van de eerste voorzitters van de arbeidshoven;
   b) de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de leden van dat hof, van de voorzitters van de rechtbanken van eerste aanleg, van de voorzitter van de rechtbank van koophandel of van de voorzitters van de rechtbanken van koophandel en van de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank van het betrokken rechtsgebied;
   c) de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de leden van dat hof, daaronder begrepen de raadsheren in sociale zaken, en van de voorzitter van de arbeidsrechtbank of van de voorzitters van de arbeidsrechtbanken van het betrokken rechtsgebied;
   d) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de assessoren in strafuitvoeringszaken, en, in de gerechtelijke arrondissementen Eupen en Brussel, van de vrederechters en van de rechters in de politie-rechtbanken.
   In het gerechtelijk arrondissement Brussel is de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg bevoegd ten aanzien van de vrederechters en rechters in de politierechtbanken met zetel in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde en ten aanzien van de rechters in de Nederlandstalige politierechtbank met zetel in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   Ten aanzien van de vrederechters die zitting hebben in de vredegerechten van het gerechtelijk kanton met zetel te Kraainem en Sint-Genesius-Rode en van het gerechtelijk kanton met zetel te Meise, zijn de voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg gezamenlijk bevoegd. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg wordt, met betrekking tot de andere vredegerechten, waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde, evenwel telkenmale bij eenvoudig verzoek aan de voorzitter van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg betrokken bij de door hem aangeduide beslissingen met het oog op een consensus.
   De voorzitter van de Franstalige rechtbank van eerste aanleg is bevoegd ten aanzien van de rechters in de Franstalige politierechtbank waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad.
   De voorzitters van de Nederlandstalige en Franstalige rechtbanken van eerste aanleg zijn gezamenlijk bevoegd ten aanzien van de vrederechters van de vredegerechten waarvan de zetel gevestigd is in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad. De beslissingen worden overlegd in consensus.
   Bij gebrek aan consensus in geval van toepassing van het derde, vierde en zesde lid, neemt de eerste voorzitter van het hof van beroep van Brussel de beslissing;
   e) de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de rechters in handelszaken;
   f) de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de leden van die rechtbank, daaronder begrepen de rechters in sociale zaken;
   g) met uitzondering van de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen, de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank ten aanzien van de vrederechters en van de rechters in de politierechtbanken;
   2° ten aanzien van de magistraten van het openbaar ministerie, met uitzondering van de magistraten bij het Hof van Cassatie :
   a) de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de procureurs-generaal bij de hoven van beroep en van de federale procureur;
   b) de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de leden van het parket-generaal bij het hof van beroep, van de leden van het auditoraat-generaal bij het arbeidshof, van de procureurs des Konings en van de arbeidsauditeurs;
   c) de procureur des Konings ten aanzien van de leden van het parket van de procureur des Konings, en de arbeidsauditeur ten aanzien van de leden van het arbeidsauditoraat;
   d) de federale procureur ten aanzien van de federale magistraten;
   e) ten aanzien van de bijstandsmagistraten en de verbindingsmagistraten in jeugdzaken, de tuchtoverheid die bevoegd is voor het ambt waarin zij werden benoemd;
   3° ten aanzien van de magistraten van het Hof van Cassatie :
   a) de algemene vergadering van het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie;
   b) de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de zittende magistraten in het Hof van Cassatie;
   c) de minister van Justitie ten aanzien van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie;
   d) de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de eerste advocaat-generaal en de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie;
   4° ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie :
   a) de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de raadsheren bijstaan;
   b) de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de referendarissen die de leden van het parket bijstaan;
   5° ten aanzien van de referendarissen en van de parketjuristen :
   a) de eerste voorzitter van het hof van beroep ten aanzien van de referendarissen bij dat hof;
   b) de eerste voorzitter van het arbeidshof ten aanzien van de referendarissen bij dat hof;
   c) de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;
   d) de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;
   e) de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de referendarissen bij die rechtbank;
   f) de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank en in de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de referendarissen bij de politierechtbank;
   g) de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de parketjuristen bij het parket-generaal en het arbeidsauditoraat-generaal;
   h) de procureur des Konings ten aanzien van de parketjuristen bij het parket van de rechtbank van eerste aanleg;
   i) de arbeidsauditeur ten aanzien van de parketjuristen bij het arbeidsauditoraat;
   j) de federale procureur ten aanzien van de parketjuristen bij het federaal parket;
   6° ten aanzien van de attachés van de dienst voor documentatie en overeenstemming der teksten bij het Hof van Cassatie : de procureur-generaal bij dat Hof;
   7° ten aanzien van de personeelsleden van niveau A, de griffiers, de secretarissen en het personeel van griffies, parketsecretariaten en steundiensten :
   a) de eerste voorzitter bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdgriffier van het Hof van Cassatie, en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het Hof van Cassatie;
   b) de eerste voorzitter van het hof van beroep en het arbeidshof ten aanzien van de hoofdgriffier van het hof van beroep en van het arbeidshof, en de procureur-generaal bij het hof van beroep ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket-generaal bij het hof van beroep en bij het arbeidshof, alsook van de personeelsleden van het niveau A bij deze hoven, bij de parketten-generaal en bij de auditoraten-generaal;
   c) de federale procureur ten aanzien van de hoofdsecretaris en van de personeelsleden van niveau A van het federaal parket;
   d) de voorzitter van de vrederechters en rechters in de politierechtbank ten aanzien van de hoofdgriffier van de vredegerechten en van de politierechtbank, de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg ten aanzien van de hoofdgriffier van deze rechtbank en in de gerechtelijke arrondissementen Brussel en Eupen, ten aanzien van de hoofdgriffier van de politierechtbank en van de hoofdgriffier van het vredegerecht.
   In het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt de voorzitter van de bevoegde rechtbank van eerste aanleg bepaald overeenkomstig § 1, 1°, d), tweede tot vijfde lid;
   e) de procureur des Konings ten aanzien van de hoofdsecretaris van het parket van de procureur des Konings en van de personeelsleden van niveau A van de rechtbanken van eerste aanleg, de vredegerechten, van de politierechtbank, en van de parketten;
   f) de voorzitter van de rechtbank van koophandel ten aanzien van de hoofdgriffier van de rechtbank van koophandel, en de procureur des Konings ten aanzien van de personeelsleden van niveau A bij de rechtbank van koophandel;
   g) de voorzitter van de arbeidsrechtbank ten aanzien van de hoofdgriffier van de arbeidsrechtbank, en de arbeidsauditeur ten aanzien van de hoofdsecretaris van het arbeidsauditoraat en van de personeelsleden van niveau A van deze rechtbanken en parketten;
   h) de magistraat korpschef van het rechtscollege of van het parket ten aanzien van de leden van de steundiensten;
   i) de hoofdgriffier ten aanzien van de griffiers-hoofden van dienst, de griffiers, de deskundigen, de administratief deskundigen en ICT-deskundigen, assistenten en medewerkers bij de griffie;
   j) de hoofdsecretaris ten aanzien van de secretarissen-hoofden van dienst, de secretarissen, de deskundigen, de administratief deskundigen en ICT deskundigen, assistenten en secretariaatsmedewerkers bij het parket.]1

  De plaatsvervangende magistraten ressorteren onder dezelfde overheid als de werkende magistraten. De leden en personeelsleden met een opdracht binnen een rechtscollege, parket, griffie, parketsecretariaat of steundienst ressorteren onder dezelfde overheid als degenen die er benoemd zijn.
  De leden en personeelsleden met een opdracht buiten de Belgische Rechterlijke Orde ressorteren onder de in het eerste lid bedoelde overheid.
  § 2. Een tuchtprocedure kan steeds ingesteld worden op vordering van het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is, of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, door het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen.
  De eerste voorzitter van het hof van beroep en de eerste voorzitter van het arbeidshof kunnen het in het eerste lid bedoelde openbaar ministerie injunctie geven een dossier over een magistraat van het openbaar ministerie aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank. ".
  
Art.21. L'article 412 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 412. § 1er. [1 § 1er. Les autorités compétentes pour intenter une procédure disciplinaire sont :
   1° en ce qui concerne les magistrats du siège, à l 'exception des magistrats près la Cour de cassation :
   a) le premier président de la Cour de cassation à l'égard des premiers présidents des cours d'appel et des premiers présidents des cours du travail;
   b) le premier président de la cour d'appel à l'égard des membres de cette cour, des présidents des tribunaux de première instance, du président du tribunal de commerce ou des présidents des tribunaux de commerce et des présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police du ressort concerné;
   c) le premier président de la cour du travail à l'égard des membres de cette cour, y compris les conseillers sociaux et du président du tribunal du travail ou des présidents des tribunaux du travail du ressort concerné;
   d) le président du tribunal de première instance à l'égard des membres de ce tribunal, y compris les assesseurs en application des peines et dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d'Eupen, des juges de paix et des juges au tribunal de police.
   Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le président du tribunal de première instance néerlandophone est compétent à l'égard des juges de paix et des juges aux tribunaux de police dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde et à l'égard des juges au tribunal de police néerlandophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   A l'égard des juges de paix qui siègent dans les justices de paix du canton judiciaire dont le siège est établi à Kraainem et Rhode-Saint-Genèse et du canton judiciaire dont le siège est établi à Meise, les présidents des tribunaux de première instance néerlandophone et francophone sont conjointement compétents. Les décisions sont délibérées en consensus.
   En ce qui concerne les autres justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Hal-Vilvorde, le président du tribunal de première instance francophone est impliqué dans les décisions chaque fois qu'il en fait la demande par simple requête au président du tribunal de première instance néerlandophone en vue d'un consensus.
   Le président du tribunal de première instance francophone est compétent à l'égard des juges au tribunal de police francophone dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale.
   Les présidents des tribunaux de première instance néerlandophone et francophone sont conjointement compétents à l'égard des juges de paix des justices de paix dont le siège est établi dans l'arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale. Les décisions sont délibérées en consensus.
   A défaut de consensus en cas d'application des alinéas 3, 4 et 6, le premier président de la cour d'appel de Bruxelles prend la décision;
   e) le président du tribunal de commerce à l'égard des membres de ce tribunal, y compris les juges consulaires;
   f) le président du tribunal du travail à l'égard des membres de ce tribunal, y compris les juges sociaux;
   g) sauf dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d'Eupen, le président des juges de paix et des juges au tribunal de police à l'égard des juges de paix et des juges au tribunal de police;
   2° en ce qui concerne les magistrats du ministère public, à l'exception des magistrats près la Cour de cassation :
   a) le procureur général près la Cour de cassation à l'égard des procureurs généraux près les cours d'appel et du procureur fédéral;
   b) le procureur général près la cour d'appel à l'égard des membres du parquet général près la cour d'appel, des membres de l'auditorat général près la cour du travail, des procureurs du Roi et des auditeurs du travail;
   c) le procureur du Roi à l'égard des membres du parquet du procureur du Roi, et l'auditeur du travail à l'égard des membres de l'auditorat du travail;
   d) le procureur fédéral a l'égard des magistrats fédéraux;
   e) à l'égard des magistrats d'assistance et des magistrats de liaison en matière de jeunesse, l'autorité disciplinaire compétente pour la fonction à laquelle ils ont été nommés;
   3° en ce qui concerne les magistrats de la Cour de cassation :
   a) l'assemblée générale de la Cour de cassation à l'égard du premier président de la Cour de cassation;
   b) le premier président de la Cour de cassation à l'égard des magistrats du siège de la Cour de cassation;
   c) le ministre de la Justice à l'égard du procureur général près la Cour de cassation;
   d) le procureur général près la Cour de Cassation à l'égard du premier avocat général et des avocats généraux près la Cour de cassation;
   4° en ce qui concerne les référendaires près la Cour de cassation :
   a) le premier président de la Cour de cassation à l'égard des référendaires qui assistent les conseillers;
   b) le procureur général près la Cour de cassation à l'égard des référendaires qui assistent les membres du parquet;
   5° en ce qui concerne les référendaires et les juristes de parquet :
   a) le premier président de la cour d'appel à l'égard des référendaires près cette cour;
   b) le premier président de la cour du travail à l'égard des référendaires près cette cour;
   c) le président du tribunal de première instance à l'égard des référendaires près ce tribunal;
   d) le président du tribunal du travail à l'égard des référendaires près ce tribunal;
   e) le président du tribunal de commerce à l'égard des référendaires près ce tribunal;
   f) le président des juges de paix et des juges au tribunal de police et, dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et d'Eupen, le président du tribunal de première instance à l'égard des référendaires près le tribunal de police;
   g) le procureur général près la cour d'appel à l'égard des juristes de parquet près le parquet général et l'auditorat général du travail;
   h) le procureur du Roi à l'égard des juristes de parquet près le parquet du tribunal de première instance;
   i) l'auditeur du travail à l'égard des juristes de parquet près l'auditorat du travail;
   j) le procureur fédéral à l'égard des juristes de parquet près le parquet fédéral;
   6° en ce qui concerne les attachés au service de la documentation et de la concordance des textes auprès de la Cour de cassation : le procureur général près cette Cour;
   7° en ce qui concerne les membres du personnel de niveau A, les greffiers, les secrétaires et le personnel des greffes, secrétariats de parquet et services d'appui :
   a) le premier président de la Cour de cassation à l'égard du greffier en chef de la Cour de cassation, et le procureur général près la Cour de cassation à l'égard du secrétaire en chef du parquet général près la Cour de cassation;
   b) le premier président de la cour d'appel et de la cour du travail à l'égard du greffier en chef de la cour d'appel et de la cour du travail, et le procureur général près la cour d'appel à l'égard du secrétaire en chef du parquet général près la cour d'appel et près la cour du travail, ainsi que des membres du personnel de niveau A près ces cours, près les parquets généraux et près les auditorats généraux;
   c) le procureur fédéral à l'égard du secrétaire en chef et des membres du personnel de niveau A du parquet fédéral;
   d) le président des juges de paix et des juges au tribunal de police à l'égard du greffier en chef des justices de paix et du tribunal de police, le président du tribunal de première instance à l'égard du greffier en chef de ce tribunal et dans les arrondissements judiciaires de Bruxelles et Eupen, du greffier en chef du tribunal de police et du greffier en chef de la justice de paix.
   Dans l'arrondissement judiciaire de Bruxelles, le président du tribunal de première instance compétent est déterminé conformément au § 1er, 1°, d), alinéas 2 à 5;
   e) le procureur du Roi à l'égard du secrétaire en chef du parquet du procureur du Roi et des membres du personnel de niveau A des tribunaux de première instance, des justices de paix, des tribunaux de police et des parquets;
   f) le président du tribunal du commerce à l'égard du greffier en chef du tribunal de commerce, et le procureur du Roi à l'égard du personnel de niveau A près le tribunal de commerce;
   g) le président du tribunal du travail à l'égard du greffier en chef du tribunal du travail, et l'auditeur du travail à l'égard du secrétaire en chef de l'auditorat du travail et des membres du personnel de niveau A de ces tribunaux et parquets;
   h) le magistrat chef de corps de la juridiction ou du parquet à l'égard des membres des services d'appui;
   i) le greffier en chef à l'égard des greffiers-chefs de service, des greffiers, des experts, des experts administratifs et des experts ICT, assistants et collaborateurs au greffe;
   j) le secrétaire en chef à l'égard des secrétaires-chefs de service, des secrétaires, des experts, des experts administratifs et des experts ICT, assistants et collaborateurs de secrétariat près le parquet.]1

  Les magistrats suppléants relèvent de la même autorité que les magistrats effectifs. Les membres et les membres du personnel délégués au sein d'une juridiction, d'un parquet, d'un greffe, d'un secrétariat de parquet ou d'un service d'appui relèvent de la même autorité que ceux qui y sont nommés.
  Les membres et les membres du personnel délégués en dehors de l'Ordre judiciaire belge relèvent de l'autorité visée à l'alinéa 1er.
  § 2. Une procédure disciplinaire peut toujours être intentée sur réquisition du ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée, ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, par le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix.
  Le premier président de la cour d'appel et le premier président de la cour du travail peuvent donner injonction au ministère public visé à l'alinéa 1er de saisir le tribunal disciplinaire d'un dossier concernant un magistrat du ministère public. ".
  
Art.22. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van afdeling V, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, opgeheven.
Art.22. Dans la deuxième partie, livre II, section V, du même Code, l'intitulé de la section V, inséré par la loi du 7 juillet 2002, est abrogé.
Art.23. Artikel 413 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002 en gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 413. § 1. Naar de in artikel 404 bedoelde feiten wordt een onderzoek gevoerd door een magistraat die is aangewezen door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid.
  Van de opening van een onderzoek wordt onverwijld kennis gegeven aan de betrokken persoon.
  Het onderzoek mag niet meer dan drie maanden in beslag nemen. Indien binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de opening van een onderzoek daaraan geen enkel gevolg wordt gegeven door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid die het initiatief tot dat onderzoek heeft genomen, kan de betrokken persoon de zaak bij aangetekende zending aanhangig maken bij de tuchtrechtbank, die in de plaats treedt van die overheid. Binnen vijftien dagen nadat de zaak bij haar is aanhangig gemaakt, richt de tuchtrechtbank een verzoek om verslag en conclusies aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid. Het verslag en de conclusies worden binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek overgezonden.
  § 2. De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid die na onderzoek van oordeel is dat de feiten een lichte tuchtstraf rechtvaardigen, is bevoegd om de betrokken persoon die straf op te leggen. De beslissing wordt onverwijld tegen gedagtekend ontvangstbewijs of bij een aangetekende zending meegedeeld aan de betrokken persoon, aan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, en aan de minister van Justitie. [1 De in artikel 412, § 1, bedoelde overheden, delen aan de minister van Justitie de tuchtrechtelijke beslissingen mee die zij vanaf de kennisgeving ervan nemen.]1
  De betrokken persoon en het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan die persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, kunnen, overeenkomstig de in artikel 420, § 3, vastgelegde vormvereisten en termijnen, bij de tuchtrechtbank beroep instellen tegen de door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid genomen tuchtbeslissingen.
  § 3. De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid die na onderzoek van oordeel is dat de feiten een zware tuchtstraf rechtvaardigen, maakt de zaak aanhangig bij de tuchtrechtbank en zendt haar het onderzoeksdossier, het verslag en de conclusies met het oog op oproeping. De overheid brengt de betrokken persoon daarvan op de hoogte.
  Het verzoek tot verschijning vermeldt de naam, de hoedanigheid en het adres van de betrokken persoon, bevat de uiteenzetting van de feiten en de middelen, en is ondertekend.
  Tegen de beslissing om de zaak bij de tuchtrechtbank aanhangig te maken, kan geen rechtsmiddel worden ingesteld.
  § 4. Indien de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid van oordeel is dat zij geen straf moet opleggen of indien binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de opening van een onderzoek door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid daaraan geen enkel gevolg wordt gegeven, kan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, op vordering, de zaak rechtstreeks aanhangig maken bij de tuchtrechtbank, binnen dertig dagen respectievelijk na de kennisgeving van de beslissing of na het verstrijken van de termijn van drie maanden.
  Indien binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de kennisgeving van de opening van een onderzoek de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid of het openbaar ministerie daaraan geen enkel gevolg geeft, kan, naargelang het geval, de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie of de procureur-generaal bij dit Hof, het in het eerste lid, bedoelde openbaar ministerie binnen dezelfde termijnen injunctie geven een dossier betreffende een lid of een personeelslid van de rechterlijke orde aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.
  § 5. Bij de tuchtrechtbank kan ook het beroep aanhangig gemaakt worden dat door de betrokken magistraten ingesteld is tegen de verhulde tuchtstraffen waarvan zij zich het slachtoffer achten.
  § 6. Wanneer een in artikel 406 bedoelde ordemaatregel wordt genomen, maakt de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid onverwijld een verzoek tot verschijning aanhangig bij de tuchtrechtbank door haar een kopie van de beslissing en van het dossier over te zenden.
  Uiterlijk vijftien dagen voor de datum waarop de in artikel 406 bedoelde schorsing een einde neemt, brengt de in artikel 412, § 1, bedoelde tuchtrechtbank de overheid op de hoogte van de stand van de tuchtprocedure en brengt zij advies uit over de eventuele verlenging van de ordemaatregel. ".
  
Art.23. L'article 413 du même Code, inséré par la loi du 7 juillet 2002 et modifié par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 413. § 1er. Les faits visés à l'article 404 font l'objet d'une enquête effectuée par un magistrat désigné par l'autorité visée à l'article 412, § 1er.
  L'ouverture d'une enquête est notifiée sans délai à la personne concernée.
  L'enquête ne peut pas durer plus de trois mois. Si, dans un délai de trois mois à dater de la notification de l'ouverture d'une enquête, aucune suite n'y est donnée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, qui a pris l'initiative de cette enquête, la personne concernée peut saisir le tribunal disciplinaire par envoi recommandé, lequel se substitue à cette autorité. Dans les quinze jours de sa saisine, le tribunal disciplinaire adresse à l'autorité visée à l'article 412, § 1er, une demande de rapport et de conclusions. Le rapport et les conclusions sont transmis dans les trente jours de la réception de la demande.
  § 2. L'autorité visée à l'article 412, § 1er, qui estime, après enquête, que les faits sont de nature à justifier une peine disciplinaire mineure, est compétente pour l'infliger à la personne concernée. La décision est notifiée sans délai contre accusé de réception daté ou par envoi recommandé à la personne concernée, au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix et au ministre de la Justice. [1 Les autorités visées à l'article 412, § 1er, communiquent au ministre de la Justice les décisions disciplinaires qu'elles rendent dès leur notification.]1
  La personne concernée et le ministère public près la juridiction dont est issue cette personne ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, peuvent introduire, dans les formes et délais prévus à l'article 420, § 3, un recours devant le tribunal disciplinaire contre les décisions disciplinaires prises par l'autorité visée à l'article 412, § 1er.
  § 3. L'autorité visée à l'article 412, § 1er, qui estime, après enquête, que les faits sont de nature à justifier une peine disciplinaire majeure, saisit le tribunal disciplinaire et lui transmet, aux fins de convocation, le dossier d'enquête, le rapport et les conclusions. Elle en informe la personne concernée.
  La demande de comparution mentionne le nom, la qualité et l'adresse de la personne concernée, contient l'exposé des faits et des moyens, et est signée.
  La décision de saisir le tribunal disciplinaire n'est pas susceptible de recours.
  § 4. Si l'autorité visée à l'article 412, § 1er, estime ne pas devoir infliger de peine, ou si, dans un délai de trois mois à dater de la notification de l'ouverture d'une enquête aucune suite n'y est donnée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, le ministère public près la juridiction dont est issu la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, peut, sur réquisition, saisir directement le tribunal disciplinaire dans les trente jours suivant respectivement la notification de la décision ou l'écoulement du délai de trois mois.
  Si, dans un délai de trois mois à dater de la notification de l'ouverture d'une enquête, l'autorité visée à l'article 412, § 1er, ou le ministère public n'y donne aucune suite, le premier président de la Cour de Cassation ou le procureur général près cette Cour, selon le cas, peut, dans les mêmes délais, donner injonction au ministère public visé à l'alinéa 1er de saisir le tribunal disciplinaire d'un dossier concernant un membre ou un membre du personnel de l'ordre judiciaire.
  § 5. Le tribunal disciplinaire peut également être saisi des recours introduits par les magistrats concernés contre les sanctions disciplinaires déguisées dont ils s'estiment victimes.
  § 6. Lorsqu'une mesure d'ordre visée à l'article 406 est prise, l'autorité visée à l'article 412, § 1er, saisit sans délai le tribunal disciplinaire d'une demande de comparution en lui transmettant une copie de la décision et du dossier.
  Au plus tard quinze jours avant la date à laquelle prend fin la suspension visée à l'article 406, le tribunal disciplinaire informe l'autorité visée à l'article 412, § 1er, de l'état de la procédure disciplinaire et rend un avis sur l'éventuelle prorogation de la mesure d'ordre. ".
  
Art.24. Artikel 414 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 414. De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid ontvangt en onderzoekt de tuchtrechtelijke klachten die rechtstreeks overgezonden zijn door particulieren of door de Hoge Raad voor de Justitie.
  Om ontvankelijk te zijn, moeten de klachten van particulieren schriftelijk worden ingediend, ondertekend en gedagtekend. Ze bevatten de volledige identiteit van de klager. Deze laatste voegt er de bewijsstukken bij waarover hij beschikt.
  Wanneer de klacht ontvankelijk is, wordt een onderzoek uitgevoerd overeenkomstig artikel 413, § 1, eerste en tweede lid. De klager wordt schriftelijk op de hoogte gebracht van de opening van het onderzoek.
  De klager, de persoon tegen wie het onderzoek loopt en getuigen kunnen gehoord worden tijdens het onderzoek.
  De verklaringen van de klager, van de persoon tegen wie het onderzoek loopt en van de getuigen worden opgetekend in een proces-verbaal. De gehoorde personen ontvangen op eigen verzoek een kopie van het proces-verbaal van hun verklaringen.
  De persoon tegen wie een klacht is ingediend, kan zich tijdens het verhoor laten bijstaan door een persoon van zijn keuze, maar mag zich niet laten vertegenwoordigen.
  De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid licht de klager en de betrokken persoon in over het gevolg dat aan de klacht wordt gegeven.
  De in artikel 412, § 1, bedoelde overheid licht op een met redenen omklede wijze de advies- en onderzoekscommissies in over het gevolg dat gegeven wordt aan de tuchtrechtelijke klachten die overgezonden zijn door de Hoge Raad voor de Justitie.
  De beslissing van de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid is definitief voor de klager.
  Indien de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid geen beslissing aan de klager of de betrokken persoon heeft overgezonden, of de Hoge Raad voor de Justitie niet heeft ingelicht binnen een termijn van drie maanden te rekenen vanaf de indiening van de klacht, kunnen zij zich rechtstreeks wenden tot het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is teneinde de zaak in voorkomend geval aanhangig te maken bij de tuchtrechtbank.
  Binnen vijftien dagen nadat de zaak erbij is aanhangig gemaakt, richt het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is een verzoek om conclusies aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid. De conclusies worden binnen dertig dagen na ontvangst van het verzoek overgezonden.
  Het openbaar ministerie neemt op basis van de elementen die eraan zijn meegedeeld een met redenen omklede beslissing binnen een maand na die mededeling. ".
Art.24. L'article 414 du même Code, inséré par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 414. L'autorité visée à l'article 412, § 1er, reçoit et examine les plaintes à caractère disciplinaire transmises directement par des particuliers ou par le Conseil supérieur de la Justice.
  Pour être recevables, les plaintes des particuliers doivent être introduites par écrit, signées et datées. Elles contiennent l'identité complète du plaignant. Celui-ci joint les pièces probantes dont il dispose.
  Lorsque la plainte est recevable, une enquête est effectuée conformément à l'article 413, § 1er, alinéas 1er et 2. Le plaignant est informé par écrit de l'ouverture de l'enquête.
  Le plaignant, la personne faisant l'objet de l'enquête et des témoins peuvent être entendus au cours de l'enquête.
  Les déclarations du plaignant, de la personne qui fait l'objet de l'enquête et des témoins sont consignées dans un procès-verbal. Les personnes entendues reçoivent, à leur demande, une copie du procès-verbal de leurs déclarations.
  La personne qui fait l'objet d'une plainte peut se faire assister de la personne de son choix lors de l'audition, mais ne peut pas se faire représenter.
  L'autorité visée à l'article 412, § 1er, informe le plaignant et la personne concernée des suites réservées à la plainte.
  L'autorité visée à l'article 412, § 1er, informe de façon motivée les commissions d'avis et d'enquête de la suite réservée aux plaintes à caractère disciplinaire transmises par le Conseil supérieur de la Justice.
  La décision de l'autorité visée à l'article 412, § 1er, est définitive pour le plaignant.
  Si l'autorité visée à l'article 412, § 1er, n'a pas transmis de décision au plaignant ou à la personne concernée ou informé le Conseil supérieur de la Justice dans un délai de trois mois à dater du dépôt de la plainte, ceux-ci peuvent s'adresser directement au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée aux fins de saisir le tribunal disciplinaire s'il y a lieu.
  Dans les quinze jours de sa saisine, le ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée adresse une demande de conclusions à l'autorité visée à l'article 412, § 1er. Les conclusions sont transmises dans les trente jours de la réception de la demande.
  Le ministère public prend une décision motivée sur la base des éléments qui lui ont été communiqués dans le mois de cette communication. ".
Art.25. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt afdeling VI, ingevoegd bij de wet van 7 juli 2002, hoofdstuk IV met als opschrift : " Tuchtprocedure ".
Art.25. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, du même Code, la section VI, inséré par la loi du 7 juillet 2002, devient un chapitre IV intitulé : " De la procédure disciplinaire ".
Art.26. Artikel 415 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 415. Een zaak wordt bij de tuchtrechtbank aanhangig worden gemaakt binnen zes maanden nadat de overheid die bevoegd is om de tuchtprocedure in te stellen, kennis heeft genomen van de feiten.
  De tuchtvordering staat los van de strafvordering en van de burgerlijke rechtsvordering. Wanneer dezelfde feiten aanleiding geven tot een strafvordering, wordt de termijn van zes maanden gestuit tot de kennisgeving van de definitieve rechterlijke beslissing. ".
Art.26. L'article 415 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 415. Le tribunal disciplinaire est saisi dans les six mois de la connaissance des faits par l'autorité compétente pour intenter une procédure disciplinaire.
  L'action disciplinaire est indépendante de l'action publique et de l'action civile. Lorsque les mêmes faits donnent lieu à une action publique, le délai de six mois est interrompu jusqu'à la notification de la décision judiciaire définitive. ".
Art.27. Artikel 416 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 7 juli 2002, wordt hersteld als volgt :
  " Art. 416. De tuchtrechtbanken behandelen de zaak in openbare terechtzitting.
  De betrokkene kan de tuchtrechtbank reeds voor de eerste terechtzitting verzoeken om de zaak met gesloten deuren te behandelen. De rechtbank gaat in op dit verzoek, tenzij zij dit strijdig acht met het algemeen belang.
  Tegen de beslissing van de tuchtrechtbank om al dan niet het sluiten der deuren uit te spreken, staat geen rechtsmiddel open.
  De tuchtrechtbank kan tevens achter gesloten deuren zitting houden gedurende de hele procedure of een gedeelte ervan, in het belang van de goede zeden of van de openbare orde, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privéleven van de persoon tegen wie vervolging is ingesteld zulks vereisen, of, in de mate dat dit door de tuchtrechtbank strikt noodzakelijk wordt geacht, wanneer in bepaalde omstandigheden de openbaarheid de belangen van de rechtsbedeling zou schaden. ".
Art.27. L'article 416 du même Code, abrogé par la loi du 7 juillet 2002, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 416. Les tribunaux disciplinaires instruisent l'affaire en audience publique.
  L'intéressé peut demander, et ce, dès avant la première audience, au tribunal disciplinaire d'instruire l'affaire à huis clos. Le tribunal fait droit à cette demande, à moins qu'il n'estime que l'intérêt général s'y oppose.
  La décision du tribunal disciplinaire de prononcer ou non le huis clos n'est susceptible d'aucun recours.
  Le tribunal disciplinaire peut également siéger à huis clos pendant la totalité ou une partie de la procédure dans l'intérêt de la moralité ou de l'ordre public, lorsque les intérêts des mineurs ou la protection de la vie privée de la personne poursuivie l'exigent, ou dans la mesure jugée strictement nécessaire par le tribunal disciplinaire, lorsque dans des circonstances spéciales, la publicité serait de nature à porter atteinte aux intérêts de l'administration de la justice. ".
Art.28. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek wordt het opschrift van hoofdstuk IV, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, opgeheven.
Art.28. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, du même Code, l'intitulé du chapitre IV, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est abrogé.
Art.29. Artikel 417 van hetzelfde Wetboek wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 417. § 1. De tuchtrechtbank spreekt zich uit over de ontvankelijkheid van het verzoek en over de noodzaak om een onderzoeksmagistraat aan te wijzen binnen een maand nadat de zaak bij haar aanhangig gemaakt is door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid of door het openbaar ministerie, of, in het in artikel 413, § 1, derde lid, bedoelde geval, binnen een maand na de verzending van het verslag en van de conclusies.
  § 2. De voorzitter van de tuchtrechtbank wijst een onderzoeksmagistraat aan uit de rechters in de tuchtrechtbank die zijn aangewezen volgens de in artikel 259sexies/1 bedoelde procedure.
  Bij gewettigde verdenking kan de onderzoeksmagistraat gewraakt worden middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie binnen acht dagen na de kennisname van de aanwijzing van de onderzoeksmagistraat. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door de tuchtrechtbank in hoger beroep.
  § 3. De onderzoeksmagistraat neemt alle nodige maatregelen van tuchtonderzoek, afgezien van strafrechtelijke onderzoekshandelingen en dwangmaatregelen. Hij kan getuigen horen, overgaan tot confrontaties of expertises laten uitvoeren.
  De betrokken persoon kan middels een met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt aan de griffie verzoeken dat hem toegang wordt verleend tot het tuchtdossier en dat bijkomende handelingen van tuchtonderzoek worden verricht. De onderzoeksmagistraat neemt binnen vijftien dagen een beslissing omtrent deze verzoeken.
  De betrokken persoon kan de zaak bij de tuchtrechtbank in hoger beroep aanhangig maken in geval van beslissing van de onderzoeksmagistraat waarbij de toegang tot het dossier of de uitvoering van bijkomende handelingen van tuchtonderzoek wordt geweigerd, of bij gebrek aan een beslissing binnen de in het tweede lid bepaalde termijn. Dit beroep wordt ingesteld in de vormen en binnen de termijnen die worden bepaald in artikel 420, § 2.
  De onderzoeksmagistraat kan de procureur-generaal bij het hof van beroep om toegang tot het strafdossier verzoeken.
  De betrokken persoon wordt gehoord tijdens het onderzoek. Hij kan zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door de persoon van zijn keuze.
  De overheid die belast is met het onderzoek kan de persoonlijke verschijning van de betrokken persoon bevelen.
  Van elke terechtzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De processen-verbaal worden ondertekend door de gehoorde persoon.
  Het onderzoeksdossier wordt ten minste tien dagen voor de verschijning ter beschikking gesteld van de betrokken persoon en van de persoon die hem bijstaat.
  Het persoonlijk dossier met de evaluaties, de adviezen die zijn verstrekt in het kader van voorgaande bevorderingen of sollicitaties, de klachten alsook voorgaande beslissingen en tuchtstraffen wordt bij het onderzoeksdossier gevoegd.
  Wanneer de onderzoeksmagistraat oordeelt dat zijn onderzoek voltooid is, zendt hij uiterlijk binnen vier maanden na zijn aanwijzing het onderzoeksrapport over aan de leden van de kamer. ".
Art.29. L'article 417 du même Code est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 417. § 1er. Le tribunal disciplinaire se prononce sur la recevabilité de la demande et sur la nécessité de désigner un magistrat instructeur dans le mois de sa saisine par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, ou par le ministère public, ou, dans le cas visé à l'article 413, § 1er, alinéa 3, dans le mois suivant la transmission du rapport et des conclusions.
  § 2. Le président du tribunal disciplinaire désigne un magistrat instructeur parmi les juges au tribunal disciplinaire désignés selon la procédure visée à l'article 259sexies/1.
  En cas de suspicion légitime, le magistrat instructeur peut être récusé par un acte transmis au greffe dans les huit jours suivant la prise de connaissance de la désignation du magistrat instructeur. La récusation est jugée en dernier ressort par le tribunal disciplinaire d'appel.
  § 3. Le magistrat instructeur procède à toute mesure d'instruction disciplinaire nécessaire, hormis les actes d'investigation pénale et les mesures de contrainte. Il peut entendre des témoins, procéder à des confrontations ou faire procéder à des expertises.
  La personne concernée peut demander, par requête motivée adressée au greffe, l'accès au dossier disciplinaire et l'accomplissement d'actes d'instruction disciplinaire complémentaires. Le magistrat instructeur statue dans les quinze jours sur ces demandes.
  La personne concernée peut saisir le tribunal disciplinaire d'appel en cas de décision du magistrat instructeur refusant l'accès au dossier ou l'accomplissement d'actes d'instruction disciplinaire complémentaires, ou en l'absence de décision dans le délai prévu à l'alinéa 2. Ce recours est introduit dans les formes et délais prévus à l'article 420, § 2.
  Le magistrat instructeur peut demander l'accès au dossier pénal au procureur général près la cour d'appel.
  La personne concernée est entendue pendant l'instruction. Elle peut se faire assister ou représenter par la personne de son choix.
  La comparution personnelle de la personne concernée peut être ordonnée par l'autorité chargée de l'instruction.
  Il est dressé procès-verbal de toute audition. Les procès-verbaux sont signés par la personne entendue.
  Le dossier d'instruction est mis à la disposition de la personne concernée et de la personne qui l'assiste au moins dix jours avant la comparution.
  Le dossier personnel, comprenant les évaluations, les avis émis dans le cadre des promotions ou postulations antérieures, les plaintes ainsi que les décisions et sanctions disciplinaires antérieures, est joint au dossier de l'instruction.
  Lorsque le magistrat instructeur juge que son instruction est achevée, il transmet le rapport d'instruction aux membres de la chambre, au plus tard dans les quatre mois suivant sa désignation. ".
Art.30. Artikel 418 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 418. § 1. Indien de rechtbank van oordeel is dat er geen onderzoeksmagistraat dient te worden aangewezen, wordt de persoon tegen wie een tuchtvervolging is ingesteld, ter terechtzitting voor de kamer opgeroepen binnen drie maanden na de aanhangigmaking bij de rechtbank.
  Als een magistraat belast werd met het onderzoek naar de feiten, wordt de betrokkene opgeroepen om te verschijnen voor de tuchtrechtbank binnen twee maanden na de verzending van het onderzoeksrapport aan de leden van de kamer.
  § 2. De oproepingsbrief van de betrokkene vermeldt de ten laste gelegde feiten, de plaats, de datum en het uur van de zitting, alsook de samenstelling van de kamer.
  Bij gewettigde verdenking kan de persoon tegen wie tuchtvervolging is ingesteld de leden van de kamer wraken middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie binnen acht dagen na de in het eerste lid bedoelde kennisgeving. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door de tuchtrechtbank in hoger beroep.
  Het onderzoeksrapport wordt bij het tuchtdossier gevoegd. Het onderzoeksdossier wordt gedurende vijftien dagen voor de verschijning ter beschikking gesteld van de betrokken persoon en van de persoon die hem bijstaat.
  Het lid of het personeelslid van de rechterlijke orde verschijnt in persoon. Hij kan zich laten bijstaan door de persoon van zijn keuze.
  De tuchtrechtbank deelt de zaak mee aan het openbaar ministerie op het tijdstip waarop zij de sluiting van de debatten uitspreekt. Het advies van het openbaar ministerie wordt schriftelijk gegeven, tenzij het wegens de omstandigheden van de zaak terstond op de zitting mondeling wordt uitgebracht.
  § 3. Wanneer een magistraat belast werd met het onderzoek naar de feiten, doet de tuchtrechtbank uitspraak op verslag van de onderzoeksmagistraat.
  Het vonnis wordt uitgesproken binnen twee maanden na de eerste zitting en ter kennis gebracht van de korpschef en van het openbaar ministerie bij het rechtscollege vanwaar de betrokken persoon afkomstig is, alsook van de betrokkene zelf.
  Bij strafrechtelijke vervolging kan de kamer haar beslissing echter opschorten tot de definitieve rechterlijke beslissing.
  Indien de kamer van oordeel is dat een magistraat van het openbaar ministerie moet worden afgezet, verzendt de tuchtrechtbank een met redenen omkleed voorstel tot afzetting aan de Koning.
  De Koning kan afwijken van de beslissing inzake het met redenen omkleed voorstel tot afzetting en kan in de plaats van de bevoegde overheid enige andere in artikel 405, § 1, bedoelde tuchtstraf opleggen.
  Van de beslissing van de Koning wordt kennis gegeven aan de betrokkene binnen zestig dagen na de ontvangst van het voorstel tot afzetting.
  § 4. De magistraat die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel betwist die ten aanzien van hem is genomen door een korpschef, kan tegen die maatregel beroep instellen bij de tuchtrechtbank binnen dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing van de korpschef. Dat beroep heeft geen schorsende werking.
  Naast de identiteit en hoedanigheid van de verzoeker en een kopie van de bestreden beslissing bevat het ondertekende verzoekschrift een uiteenzetting van de feiten en de middelen.
  Binnen tien dagen nadat de zaak bij de kamer is aanhangig gemaakt, verzendt deze laatste een kopie van het verzoekschrift aan de korpschef, met het verzoek haar binnen dertig dagen het administratief dossier en zijn conclusies te bezorgen.
  Een kopie van het dossier en van de conclusies van de korpschef wordt verzonden aan de verzoeker, die binnen een termijn van dertig dagen aanvullende conclusies kan toezenden. Een kopie van de aanvullende conclusies wordt verzonden aan de korpschef.
  De korpschef en de verzoeker worden voor de kamer opgeroepen binnen zestig dagen na afloop van de voor de neerlegging van de aanvullende conclusies vastgestelde termijn.
  De kamer kan de korpschef, de verzoeker en getuigen horen.
  De kamer doet uitspraak binnen dertig dagen na de dag van verschijning voor de rechtbank. ".
Art.30. L'article 418 du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 418. § 1er. Si le tribunal estime qu'il n'y a pas lieu de désigner un magistrat instructeur, la personne faisant l'objet d'une poursuite disciplinaire est convoquée pour l'audience devant la chambre dans les trois mois de la saisine du tribunal.
  Lorsqu'un magistrat a été chargé d'instruire les faits, l'intéressé est appelé à comparaître devant le tribunal disciplinaire dans les deux mois suivant la transmission du rapport d'instruction aux membres de la chambre.
  § 2. La convocation de l'intéressé mentionne les faits reprochés, le lieu, la date et l'heure de l'audience, ainsi que la composition de la chambre.
  En cas de suspicion légitime, la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires peut récuser les membres de la chambre par un acte transmis au greffe dans les huit jours suivant la notification prévue à l'alinéa 1er. La récusation est jugée en dernier ressort par le tribunal disciplinaire d'appel.
  Le rapport d'instruction est joint au dossier disciplinaire. Le dossier d'instruction est mis à disposition de la personne concernée et de la personne qui l'assiste pendant les quinze jours précédant la comparution.
  Le membre ou le membre du personnel de l'ordre judiciaire comparaît en personne. Il peut se faire assister par la personne de son choix.
  Le tribunal disciplinaire communique la cause au ministère public au moment où il prononce la clôture des débats. L'avis du ministère public est donné par écrit, à moins qu'en raison des circonstances de la cause, il ne soit émis oralement sur-le-champ à l'audience.
  § 3. Lorsqu'un magistrat a été chargé d'instruire les faits, le tribunal disciplinaire statue sur rapport du magistrat instructeur.
  Le jugement est rendu dans les deux mois suivant la première audience et notifié au chef de corps et au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée, ainsi qu'à l'intéressé lui-même.
  En cas de poursuite pénale, la chambre peut toutefois surscoir à statuer jusqu'à la décision judiciaire définitive.
  Si la chambre estime qu'il y a lieu à révoquer un magistrat du ministère public, le tribunal disciplinaire transmet une proposition motivée de révocation au Roi.
  Le Roi peut s'écarter de la décision de proposition motivée de révocation et infliger, en lieu et place de l'autorité compétente, toute autre peine disciplinaire visée à l'article 405, § 1er.
  La décision du Roi est notifiée à l'intéressé dans les soixante jours suivant la réception de la proposition de révocation.
  § 4. Le magistrat qui conteste une mesure disciplinaire déguisée en mesure d'ordre prise à son égard par un chef de corps peut introduire un recours contre cette mesure auprès du tribunal disciplinaire dans les trente jours suivant la notification de la décision du chef de corps. Ce recours n'est pas suspensif.
  Outre l'identité et la qualité du requérant et une copie de la décision attaquée, la requête signée contient un exposé des faits et des moyens et est signée.
  Dans les dix jours suivant sa saisine, la chambre adresse copie de la requête au chef de corps avec demande de lui transmettre dans les trente jours le dossier administratif et ses conclusions.
  Copie du dossier et des conclusions du chef de corps est transmise au requérant, qui peut transmettre des conclusions complémentaires dans les trente jours. Copie des conclusions complémentaires est transmise au chef de corps.
  Le chef de corps et le requérant sont convoqués devant la chambre dans les soixante jours suivant la fin du délai prévu pour le dépôt des conclusions complémentaires.
  La chambre peut entendre le chef de corps, le requérant et des témoins.
  La chambre rend son jugement dans les trente jours suivant la date de comparution devant le tribunal. ".
Art.31. Artikel 419 van hetzelfde Wetboek, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 25 april 2007, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 419. In de gevallen waarin een zaak bij de tuchtrechtbank aanhangig is gemaakt door het openbaar ministerie wanneer de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid geen beslissing heeft verzonden aan de klager of de betrokken persoon, of de Hoge Raad voor de Justitie niet ingelicht heeft binnen een termijn van vier maanden na de indiening van de klacht, kan de tuchtrechtbank hetzij :
  a) indien zij vaststelt dat het onderzoek door de korpschef nog niet geopend is, nog lopende is of nog niet volledig is, de korpschef verzoeken dat onderzoek te voltooien binnen een termijn die zij bepaalt, of de aanwijzing vragen van een magistraat die de klacht moet onderzoeken;
  b) weigeren, in voorkomend geval na onderzoek, gevolg te geven aan een klacht;
  c) in voorkomend geval na onderzoek, de betrokken persoon oproepen om te verschijnen op een datum die zij bepaalt.
  Het vonnis van de tuchtrechtbank is definitief voor de klager. ".
Art.31. L'article 419 du même Code, modifié en dernier lieu par la loi du 25 avril 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 419. Dans les cas où le tribunal disciplinaire a été saisi par le ministère public lorsque l'autorité visée à l'article 412, § 1er, n'a pas transmis de décision au plaignant ou à l'intéressé ou n'a pas informé le Conseil supérieur de la Justice dans un délai de quatre mois à dater du dépôt de la plainte, le tribunal disciplinaire peut soit :
  a) s'il constate que l'enquête du chef de corps n'est pas encore ouverte, est encore en cours ou n'est pas complète, inviter le chef de corps à terminer cette enquête dans un délai qu'il détermine, ou demander la désignation d'un magistrat chargé d'instruire la plainte;
  b) refuser, le cas échéant après instruction, de donner suite à une plainte;
  c) le cas échéant après instruction, appeler la personne concernée à comparaître à la date qu'il fixe.
  Le jugement du tribunal disciplinaire est définitif pour le plaignant. ".
Art.32. Artikel 420 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 420. § 1. Behoudens de afzetting van de magistraten van het openbaar ministerie, wordt het hoger beroep tegen de in artikel 405 bedoelde zware tuchtstraffen en tegen de in de artikelen 407 en 408 bedoelde maatregelen ingesteld voor de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen dertig dagen na de kennisgeving van het vonnis bij een ondertekend en met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt aan de griffie.
  Het hoger beroep schorst de onmiddellijke uitvoering van de tuchtstraf.
  De eiser in hoger beroep wordt opgeroepen te verschijnen binnen dertig dagen na de aantekening van het hoger beroep bij de griffie.
  De oproepingsbrief van de betrokkene vermeldt de plaats, de datum en het uur van de terechtzitting, alsook de samenstelling van de kamer.
  Bij gewettigde verdenking kan de persoon tegen wie tuchtvervolging is ingesteld de leden van de kamer wraken middels een akte die toegezonden wordt aan de griffie binnen acht dagen na de in het vierde lid bedoelde kennisgeving. De wraking wordt in laatste aanleg beoordeeld door het Hof van Cassatie.
  Het openbaar ministerie bij de tuchtrechtbank, de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid en het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is, kunnen eveneens hoger beroep aantekenen tegen de straf of tegen het gebrek aan straf waartoe de tuchtrechtbank besloten heeft.
  Van het arrest van de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt binnen zestig dagen na de indiening van het hoger beroepschrift kennis gegeven aan de betrokkene, aan de korpschef, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, aan de minister van Justitie en aan de tuchtrechtbank.
  § 2. Beroep tegen een in artikel 406 bedoelde maatregel of tegen het gebrek aan zulke maatregel wordt bij de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen tien dagen na de kennisgeving van de beslissing ingesteld door de geschorste persoon of door het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is.
  Het beroep dat ingesteld wordt tegen een maatregel of tegen het gebrek aan een maatregel bedoeld in artikel 406 heeft geen schorsende werking.
  De eiser in hoger beroep wordt opgeroepen te verschijnen voor de tuchtrechtbank in hoger beroep binnen vijftien dagen na de indiening van het hoger beroepschrift bij de griffie.
  Hoger beroep kan binnen een maand worden aangetekend door de korpschef tegen het vonnis van de tuchtrechtbank die een als ordemaatregel verhulde tuchtmaatregel vernietigt.
  Van het arrest van de tuchtrechtbank in hoger beroep wordt kennis gegeven aan de betrokkene, aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, aan de Minister van Justitie en aan de tuchtrechtbank, zulks binnen zeven dagen na de sluiting van de debatten.
  § 3. Het beroep van de betrokken persoon of het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, van het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, tegen een tuchtrechtelijke beslissing die uitgesproken is door de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid, wordt bij de tuchtrechtbank in hoger beroep ingesteld binnen tien dagen na de in artikel 413, § 2, eerste lid, bedoelde kennisgeving, door middel van een ondertekend en met redenen omkleed verzoekschrift dat gericht wordt aan de griffie.
  Het beroep heeft geen schorsende werking.
  De betrokken persoon wordt opgeroepen te verschijnen voor de tuchtrechtbank binnen vijftien dagen na de neerlegging van het verzoekschrift bij de griffie.
  Het vonnis wordt in laatste aanleg gewezen door de tuchtrechtbank binnen zeven dagen na de sluiting van de debatten. Tegen dit vonnis staat geen rechtsmiddel open.
  Van het vonnis van de tuchtrechtbank wordt kennis gegeven aan de betrokkene, aan de in artikel 412, § 1, bedoelde overheid en aan het openbaar ministerie bij het rechtscollege waarvan de betrokken persoon afkomstig is of, wanneer de betrokken persoon een lid of een personeelslid is van een vredegerecht, aan het openbaar ministerie bij de rechtbank van eerste aanleg van het arrondissement waarin dit vredegerecht is gelegen, alsook aan de Minister van Justitie. ".
Art.32. L'article 420 du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 420. § 1er. A l'exception de la révocation des magistrats du ministère public, l'appel contre les peines disciplinaires majeures visées à l'article 405 et contre les mesures visées aux articles 407 et 408 est introduit devant le tribunal disciplinaire d'appel dans les trente jours de la notification du jugement par requête signée et motivée adressée au greffe.
  L'appel suspend l'exécution immédiate de la sanction disciplinaire.
  L'appelant est appelé à comparaître dans les trente jours suivant le dépôt de l'appel au greffe.
  La convocation de l'intéressé mentionne le lieu, la date et l'heure de l'audience, ainsi que la composition de la chambre.
  En cas de suspicion légitime, la personne faisant l'objet de poursuites disciplinaires peut récuser les membres de la chambre par un acte transmis au greffe dans les huit jours suivant la notification prévue à l'alinéa 4. La récusation est jugée en dernier ressort par la Cour de Cassation.
  Le ministère public près le tribunal disciplinaire, l'autorité visée à l'article 412, § 1er, et le ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée peuvent également introduire un appel contre la sanction ou l'absence de sanction décidée par le tribunal disciplinaire.
  L'arrêt du tribunal disciplinaire d'appel est notifié à l'intéressé, au chef de corps, au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, au ministre de la Justice et au tribunal disciplinaire dans les soixante jours suivant le dépôt de la requête d'appel.
  § 2. Le recours contre une mesure visée à l'article 406 ou l'absence d'une telle mesure est introduit devant le tribunal disciplinaire d'appel, dans les dix jours de la notification de la décision, par la personne suspendue ou le ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée.
  Le recours introduit contre une mesure ou l'absence de mesure visée à l'article 406 n'est pas suspensif.
  L'appelant est convoqué devant le tribunal disciplinaire d'appel dans les quinze jours suivant le dépôt de la requête d'appel au greffe.
  Un appel peut être interjeté dans le mois par le chef de corps contre le jugement du tribunal disciplinaire qui annule une mesure disciplinaire déguisée en mesure d'ordre.
  L'arrêt du tribunal disciplinaire d'appel est notifié à l'intéressé, à l'autorité visée à l'article 412, § 1er, au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, au Ministre de la Justice et au tribunal disciplinaire dans les sept jours suivant la clôture des débats.
  § 3. Le recours de la personne concernée ou du ministère public près la juridiction dont elle est issue ou, lorsque la personne concernée est un membre d'une justice de paix ou de son personnel, le ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, contre une décision disciplinaire prononcée par l'autorité visée à l'article 412, § 1er, est introduit devant le tribunal disciplinaire d'appel dans les dix jours suivant la notification visée à l'article 413, § 2, alinéa 1er, par requête signée et motivée adressée au greffe.
  Le recours n'est pas suspensif.
  La personne concernée est convoquée devant le tribunal disciplinaire dans les quinze jours suivant le dépôt de la requête d'appel au greffe.
  Le jugement est rendu en dernier ressort par le tribunal disciplinaire dans les sept jours suivant la clôture des débats. Il n'est susceptible d'aucun recours.
  Le jugement du tribunal disciplinaire est notifié à l'intéressé, à l'autorité visée à l'article 412, § 1er, et au ministère public près la juridiction dont est issue la personne concernée ou, lorsque la personne concernée est un membre ou un membre du personnel d'une justice de paix, au ministère public près le tribunal de première instance de l'arrondissement sur le territoire duquel est située cette justice de paix, ainsi qu'au Ministre de la Justice. ".
Art.33. Artikel 421 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 421. Met uitzondering van de in artikel 405, § 1, 5° en 6°, bepaalde straffen, worden de tuchtstraffen ambtshalve uitgewist na :
  1° drie jaar voor de lichte straffen;
  2° zes jaar voor de zware straffen.
  De uitwissing geldt voor de toekomst. ".
Art.33. L'article 421 du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 421. A l'exception des peines prévues à l'article 405, § 1er, 5° et 6°, l'effacement des peines disciplinaires se fait d'office après :
  1° trois ans pour les peines mineures;
  2° six ans pour les peines majeures.
  L'effacement vaut pour l'avenir. ".
Art.34. Artikel 422 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 422. Degene die een tuchtstraf heeft gekregen, kan een verzoek tot herziening richten aan de tuchtrechtbank voor zover hij aantoont over een nieuw element te beschikken.
  De betrokken persoon voegt bij zijn verzoek een volledig verslag over de redenen en de bewijzen die hij kan aanvoeren om de herziening van het vonnis of het arrest te verkrijgen. De tuchtrechtbank kan het verzoek van de betrokken persoon onontvankelijk verklaren bij gebrek aan redenen of bewijzen, zonder de betrokken persoon vooraf te hebben gehoord.
  In geval van afzetting zendt de tuchtrechtbank een advies aan de Koning. ".
Art.34. L'article 422 du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 422. Celui qui a été sanctionné par une peine disciplinaire peut adresser une demande en révision au tribunal disciplinaire, pour autant qu'il justifie d'un élément nouveau.
  La personne concernée joint à sa demande un rapport complet concernant les motifs et preuves qu'elle peut faire valoir pour obtenir une révision du jugement ou de l'arrêt. Le tribunal disciplinaire peut déclarer la demande de la personne concernée irrecevable pour manque de motifs ou de preuves sans audition préalable de la personne concernée.
  En cas de révocation, le tribunal disciplinaire transmet un avis au Roi. ".
Art.35. Artikel 423 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 7 juli 2002, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 423. De tuchtrechtscolleges stellen jaarlijks een activiteitenverslag op met inachtneming van de anonimiteit van de betrokken personen. Het verslag wordt overgezonden aan de Hoge Raad voor de Justitie, de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat. De door de tuchtrechtscolleges gewezen beslissingen worden aan de Minister van Justitie meegedeeld zodra ervan kennis is gegeven. ".
Art.35. L'article 423 du même Code, remplacé par la loi du 7 juillet 2002, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 423. Les juridictions disciplinaires rédigent chaque année un rapport d'activités respectant l'anonymat des personnes concernées. Le rapport est transmis au Conseil supérieur de la Justice, à la Chambre des représentants et au Sénat. Les décisions rendues par les juridictions disciplinaires sont communiquées au Ministre de la Justice dès leur notification. ".
Art.36. De artikelen 424 tot 427, gewijzigd bij de wet van 7 juli 2002, van hetzelfde Wetboek worden opgeheven.
Art.36. Les articles 424 à 427 du même Code, modifiés par la loi du 7 juillet 2002, sont abrogés.
Art.37. In het tweede deel, boek II, titel V, van hetzelfde Wetboek, wordt hoofdstuk V, dat de artikelen 427bis tot 427quater bevat, ingevoegd bij de wet van 7 mei 1999 en gewijzigd bij de wet van 7 juli 2002, opgeheven.
Art.37. Dans la deuxième partie, livre II, titre V, du même Code, le chapitre V contenant les articles 427bis à 427quater, inséré par la loi du 7 mai 1999 et modifié par la loi du 7 juillet 2002, est abrogé.
Art.38. In artikel 770, § 5, tweede lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 26 april 2007, worden de woorden " zware straf in eerste graad " vervangen door de woorden " inhouding van de wedde ".
Art.38. Dans l'article 770, § 5, alinéa 2, du même Code, remplacé par la loi du 26 avril 2007, les mots " peine majeure de 1er degré " sont remplacés par les mots " retenue de traitement ".
HOOFDSTUK 3. - Overgangsbepaling en inwerkingtreding
CHAPITRE 3. - Disposition transitoire et entrée en vigueur
Art.39. De in het vroegere artikel 412, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde tuchtoverheden blijven bevoegd voor de lopende procedures waarin de Nationale Tuchtraad een advies verstrekt heeft op de datum van de volledige inwerkingtreding van deze wet.
  De in het vroegere artikel 410 van hetzelfde Wetboek bedoelde overheden maken de lopende tuchtprocedures die niet bedoeld worden in het eerste lid onverwijld aanhangig bij de tuchtrechtbank.
  De overheden die een in artikel 406 van hetzelfde Wetboek bedoelde ordemaatregel hebben uitgesproken, die lopende is bij de volledige inwerkingtreding van deze wet, maken een verzoek tot verschijning aanhangig bij de tuchtrechtbank middels de verzending van een kopie van de beslissing en van het dossier.
  De hernieuwing van de ordemaatregelen die uitgesproken zijn voor de volledige inwerkingtreding van deze wet, blijft onderworpen aan het vroegere artikel 406 van hetzelfde Wetboek. Het beroep tegen die ordemaatregelen wordt ingesteld voor de tuchtrechtbank in hoger beroep.
  In voorkomend geval wordt het beroep tegen de beslissingen die op grond van de artikelen 405 en 406 van hetzelfde Wetboek genomen zijn voor de volledige inwerkingtreding van deze wet, door de betrokkene of door het openbaar ministerie voor de tuchtrechtbank in hoger beroep ingesteld binnen de in het vroegere artikel 425 bedoelde nog niet verstreken termijn.
  De magistraten en de personeelsleden die aangewezen zijn in de Nationale Tuchtraad worden op hun verzoek aangewezen om zitting te hebben als lid-assessor in de tuchtrechtscolleges. Zij worden gevoegd bij de personen die aangewezen zijn op grond van artikel 18.
  Artikel 33 is van toepassing op de tuchtstraffen die worden uitgesproken na de inwerkingtreding ervan.
Art.39. Les autorités disciplinaires visées à l'article 412, § 2, ancien du Code judiciaire restent compétentes pour les procédures en cours dans lesquelles le Conseil national de discipline a rendu un avis à la date d'entrée en vigueur intégrale de la présente loi.
  Les autorités visées à l'article 410 ancien du même Code saisissent sans délai le tribunal disciplinaire des procédures disciplinaires en cours non visées à l'alinéa 1er.
  Toute autorité ayant prononcé une mesure d'ordre visée à l'article 406 du même Code, en cours lors de l'entrée en vigueur intégrale de la présente loi, saisit le tribunal disciplinaire d'une demande de comparution en lui transmettant une copie de la décision et du dossier.
  Le renouvellement des mesures d'ordre prononcées avant l'entrée en vigueur intégrale de la présente loi reste soumis à l'ancien article 406 du même Code. Le recours contre ces mesures d'ordre est introduit devant le tribunal disciplinaire d'appel.
  Le cas échéant, le recours contre les décisions rendues sur la base des articles 405 et 406 du même Code avant l'entrée en vigueur intégrale de la présente loi est introduit par l'intéressé ou par le ministère public devant le tribunal disciplinaire d'appel dans le délai non écoulé visé à l'article 425 ancien.
  Les magistrats et les membres du personnel désignés dans le Conseil national de discipline sont, à leur demande, désignés pour siéger dans les juridictions disciplinaires comme membre assesseur. Ils s'ajoutent aux personnes désignées sur la base de l'article 18.
  L'article 33 s'applique aux sanctions disciplinaires prononcées après son entrée en vigueur.
Art. 39/1. [1 Voor de eerste aanwijzingen van leden-assessoren van de tuchtrechtbanken en van de tuchtrechtbanken in hoger beroep bedoeld in artikel 18 van deze wet, oefent de voorzitter van de algemene vergadering van vrederechters en rechters in de politierechtbank de functies uit die toegekend zijn aan de voorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank met het oog op de aanwijzingen.]1
  
Art. 39/1. [1 Pour les premières désignations de membres assesseurs des tribunaux disciplinaires et des tribunaux disciplinaires d'appel visés à l'article 18 de la loi, le président de l'assemblée générale des juges de paix et juges au tribunal de police exerce les fonctions attribuées aux présidents des juges de paix et des juges au tribunal de police en vue des désignations.]1
  
Art. 40. Met uitzondering van dit artikel wordt voor iedere bepaling van deze wet door de Koning een datum van inwerkingtreding bepaald. Ze treedt ten laatste in werking op 1 september 2014.
Art. 40. A l'exception du présent article la date d'entrée en vigueur de chacune des dispositions de la présente loi est fixée par le Roi. Au plus tard, celle-ci entrera en vigueur le 1er septembre 2014.
(NOTE : Entrée en vigueur des art. 4, 5, 10 et 18 fixée au 09-04-2014 par AR 2014-03-28/13, art. 3, 1°)