Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
21 MEI 2013. - Wet inzake de toepassing van het beginsel van de wederzijdse erkenning op vonnissen en probatiebeslissingen met het oog op het toezicht op de probatievoorwaarden en de alternatieve straffen uitgesproken in een lidstaat van de Europese unie(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 13-06-2013 en tekstbijwerking tot 29-10-2018)
Titre
21 MAI 2013. - Loi relative à l'application du principe de reconnaissance mutuelle aux jugements et décisions de probation aux fins de la surveillance des mesures de probation et des peines de substitution prononcées dans un Etat membre de l'Union européenne(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 13-06-2013 et mise à jour au 29-10-2018)
Informations sur le document
Numac: 2013009242
Datum: 2013-05-21
Info du document
Numac: 2013009242
Date: 2013-05-21
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Voorafgaande bepaling
HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen
HOOFDSTUK 3. - Procedure inzake de erkenning va...
Afdeling 1. - Autoriteit bevoegd om het voorafg...
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de erkenning en ...
Afdeling 3. - Procedure voor de erkenning en he...
Afdeling 4. - Toezicht op de straf of de maatre...
Afdeling 5. - Gegevens die moeten worden toegez...
HOOFDSTUK 4. - Procedure inzake de erkenning va...
Afdeling 1. - Bevoegde beslissingsautoriteit
Afdeling 2. - Procedure voor de tenuitvoerlegging
Afdeling 3. - Afgifte van het vonnis en, in voo...
Afdeling 4. - Gegevens die moeten worden toegez...
HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepaling
BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Disposition préliminaire
CHAPITRE 2. - Principes généraux
CHAPITRE 3. - Procédure relative à la reconnais...
Section 1re. - Autorité compétente pour donner ...
Section 2. - Conditions de reconnaissance et de...
Section 3. - Procédure de reconnaissance et de ...
Section 4. - Surveillance de la peine ou de la ...
Section 5. - Informations à transmettre à l'Eta...
CHAPITRE 4. - Procédure relative à la reconnais...
Section 1re. - Autorité compétente d'émission
Section 2. - Procédure d'émission
Section 3. - Emission du jugement et, le cas éc...
Section 4. - Informations à transmettre à l'Eta...
CHAPITRE 5. - Disposition transitoire
ANNEXES.
Tekst (48)
Texte (48)
HOOFDSTUK 1. - Voorafgaande bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition préliminaire
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Algemene beginselen
CHAPITRE 2. - Principes généraux
Art.2. § 1. Deze wet regelt de erkenning van vonnissen en, in voorkomend geval, probatiebeslissingen en het toezicht op niet-vrijheidsbenemende straffen of maatregelen bedoeld in artikel 3 op het grondgebied van een andere lidstaat van de Europese Unie dan die waar het vonnis is uitgesproken.
Het doel is bij te dragen tot de maatschappelijke reclassering van de veroordeelde persoon en de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen te verbeteren.
§ 2. Voor de tenuitvoerlegging van vonnissen tot een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of voorwaardelijke invrijheidstelling vervangt deze wet, in de relaties van België met de andere lidstaten van de Europese Unie, en onverminderd artikel 32, de bepalingen van hoofdstuk V van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen.
Het doel is bij te dragen tot de maatschappelijke reclassering van de veroordeelde persoon en de bescherming van slachtoffers en de gemeenschap in het algemeen te verbeteren.
§ 2. Voor de tenuitvoerlegging van vonnissen tot een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of voorwaardelijke invrijheidstelling vervangt deze wet, in de relaties van België met de andere lidstaten van de Europese Unie, en onverminderd artikel 32, de bepalingen van hoofdstuk V van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen.
Art.2. § 1er. La présente loi régit la reconnaissance des jugements et, le cas échéant, des décisions de probation et la surveillance de peines ou mesures non privatives de liberté tels que visés à l'article 3 sur le territoire d'un Etat membre de l'Union européenne autre que celui qui a prononcé le jugement.
L'objectif est de faciliter la réinsertion sociale de la personne condamnée et d'améliorer la protection des victimes et de la société.
§ 2. Dans les relations entre la Belgique et les autres Etats membres de l'Union européenne et sans préjudice de l'article 32, la présente loi remplace, pour l'exécution de jugements prononçant une condamnation sous condition ou une libération sous condition, les dispositions prévues au chapitre V de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique des personnes condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté.
L'objectif est de faciliter la réinsertion sociale de la personne condamnée et d'améliorer la protection des victimes et de la société.
§ 2. Dans les relations entre la Belgique et les autres Etats membres de l'Union européenne et sans préjudice de l'article 32, la présente loi remplace, pour l'exécution de jugements prononçant une condamnation sous condition ou une libération sous condition, les dispositions prévues au chapitre V de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique des personnes condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté.
Art.3. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder :
1° vonnis : een door een rechtscollege van de beslissingsstaat definitieve beslissing of beschikking, waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en waarbij aan die persoon wordt opgelegd :
a) een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien op grond van dat vonnis of bij een latere probatiebeslissing voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend;
b) een voorwaardelijke straf;
c) een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging; of
d) een alternatieve straf;
2° voorwaardelijke straf : een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort, doordat een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd. Deze probatievoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke probatiebeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald;
3° voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging : een vonnis waarbij de oplegging van een straf voorwaardelijk is opgeschort doordat een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd, of waarbij in plaats van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd. Deze probatievoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke probatiebeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald;
4° alternatieve straf : een andere straf dan een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of een geldelijke sanctie, waarbij een verplichting of een bevel wordt opgelegd;
5° probatiebeslissing : een vonnis of een op grond daarvan gegeven definitieve beslissing van een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, waarbij :
a) een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, of;
b) probatievoorwaarden worden opgelegd;
6° voorwaardelijke invrijheidstelling : een door een bevoegde autoriteit of krachtens het nationale recht gegeven definitieve beslissing tot vervroegde invrijheidstelling van een veroordeelde persoon die een deel van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel heeft ondergaan, waarbij een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd;
7° probatievoorwaarden : verplichtingen of bevelen die volgens het nationale recht van de beslissingsstaat door een bevoegde autoriteit aan een natuurlijke persoon worden opgelegd in samenhang met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of een voorwaardelijke invrijheidstelling;
8° beslissingsstaat : de lidstaat van de Europese Unie waar het vonnis is gewezen;
9° tenuitvoerleggingsstaat : de lidstaat van de Europese Unie waar op grond van een overeenkomstig artikel 18 gegeven beslissing toezicht wordt gehouden op probatievoorwaarden en alternatieve straffen;
10° certificaat : het document waarvan het model in bijlage 1 is opgenomen, ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die verklaart dat de inhoud correct is.
1° vonnis : een door een rechtscollege van de beslissingsstaat definitieve beslissing of beschikking, waarbij wordt vastgesteld dat een natuurlijke persoon een strafbaar feit heeft gepleegd en waarbij aan die persoon wordt opgelegd :
a) een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien op grond van dat vonnis of bij een latere probatiebeslissing voorwaardelijke invrijheidstelling is verleend;
b) een voorwaardelijke straf;
c) een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging; of
d) een alternatieve straf;
2° voorwaardelijke straf : een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel waarvan de tenuitvoerlegging volledig of ten dele voorwaardelijk wordt opgeschort, doordat een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd. Deze probatievoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke probatiebeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald;
3° voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging : een vonnis waarbij de oplegging van een straf voorwaardelijk is opgeschort doordat een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd, of waarbij in plaats van een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd. Deze probatievoorwaarden worden in het vonnis zelf opgenomen of in een afzonderlijke probatiebeslissing van een bevoegde autoriteit bepaald;
4° alternatieve straf : een andere straf dan een vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel of een geldelijke sanctie, waarbij een verplichting of een bevel wordt opgelegd;
5° probatiebeslissing : een vonnis of een op grond daarvan gegeven definitieve beslissing van een bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, waarbij :
a) een voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, of;
b) probatievoorwaarden worden opgelegd;
6° voorwaardelijke invrijheidstelling : een door een bevoegde autoriteit of krachtens het nationale recht gegeven definitieve beslissing tot vervroegde invrijheidstelling van een veroordeelde persoon die een deel van de vrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel heeft ondergaan, waarbij een of meer probatievoorwaarden worden opgelegd;
7° probatievoorwaarden : verplichtingen of bevelen die volgens het nationale recht van de beslissingsstaat door een bevoegde autoriteit aan een natuurlijke persoon worden opgelegd in samenhang met een voorwaardelijke straf, een voorwaardelijke opschorting van de strafoplegging of een voorwaardelijke invrijheidstelling;
8° beslissingsstaat : de lidstaat van de Europese Unie waar het vonnis is gewezen;
9° tenuitvoerleggingsstaat : de lidstaat van de Europese Unie waar op grond van een overeenkomstig artikel 18 gegeven beslissing toezicht wordt gehouden op probatievoorwaarden en alternatieve straffen;
10° certificaat : het document waarvan het model in bijlage 1 is opgenomen, ondertekend door de bevoegde autoriteit van de beslissingsstaat, die verklaart dat de inhoud correct is.
Art.3. Pour l'application de la présente loi, on entend par :
1° jugement : une décision définitive rendue par une juridiction de l'Etat d'émission établissant qu'une personne physique a commis une infraction pénale et prononçant :
a) une peine ou mesure privative de liberté si une libération conditionnelle a été accordée sur la base de ce jugement ou par une décision de probation ultérieure;
b) une peine assortie du sursis avec mise à l'épreuve;
c) une condamnation sous condition; ou
d) une peine de substitution;
2° peine assortie du sursis avec mise à l'épreuve : une peine ou mesure privative de liberté dont l'exécution est suspendue sous condition, en totalité ou en partie, au moment de la condamnation, du fait de l'adoption d'une ou de plusieurs mesures de probation. Ces mesures de probation sont inscrites dans le jugement lui-même ou arrêtées dans une décision de probation distincte, prise par une autorité compétente;
3° une condamnation sous condition : un jugement décidant l'ajournement du prononcé d'une peine du fait de l'adoption d'une ou de plusieurs mesures de probation, ou imposant une ou plusieurs mesures de probation au lieu d'une peine ou mesure privative de liberté. Ces mesures de probation sont inscrites dans le jugement lui-même ou arrêtées dans une décision de probation distincte, prise par une autorité compétente;
4° peine de substitution : une peine ne constituant ni une peine ou mesure privative de liberté ni une sanction pécuniaire, imposant une obligation ou une injonction;
5° décision de probation : un jugement ou une décision définitive rendue par une autorité compétente de l'Etat d'émission sur la base d'un tel jugement :
a) accordant la libération conditionnelle, ou;
b) prononçant des mesures de probation;
6° libération conditionnelle : une décision définitive, rendue par une autorité compétente ou découlant du droit national, prononçant la mise en liberté anticipée d'une personne condamnée, après exécution d'une partie de la peine ou mesure privative de liberté, du fait de l'adoption d'une ou de plusieurs mesures de probation;
7° mesures de probation : des obligations ou injonctions imposées par une autorité compétente à une personne physique conformément aux dispositions du droit belge de l'Etat d'émission en liaison avec une peine assortie du sursis avec mise à l'épreuve, une condamnation sous condition ou une libération conditionnelle;
8° Etat d'émission : l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel a été rendu le jugement;
9° Etat d'exécution : l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel les mesures de probation et les peines de substitution sont surveillées à la suite d'une décision rendue conformément à l'article 18;
10° certificat : le document dont le modèle figure à l'annexe 1re, signé par l'autorité compétente de l'Etat d'émission qui certifie que son contenu est exact.
1° jugement : une décision définitive rendue par une juridiction de l'Etat d'émission établissant qu'une personne physique a commis une infraction pénale et prononçant :
a) une peine ou mesure privative de liberté si une libération conditionnelle a été accordée sur la base de ce jugement ou par une décision de probation ultérieure;
b) une peine assortie du sursis avec mise à l'épreuve;
c) une condamnation sous condition; ou
d) une peine de substitution;
2° peine assortie du sursis avec mise à l'épreuve : une peine ou mesure privative de liberté dont l'exécution est suspendue sous condition, en totalité ou en partie, au moment de la condamnation, du fait de l'adoption d'une ou de plusieurs mesures de probation. Ces mesures de probation sont inscrites dans le jugement lui-même ou arrêtées dans une décision de probation distincte, prise par une autorité compétente;
3° une condamnation sous condition : un jugement décidant l'ajournement du prononcé d'une peine du fait de l'adoption d'une ou de plusieurs mesures de probation, ou imposant une ou plusieurs mesures de probation au lieu d'une peine ou mesure privative de liberté. Ces mesures de probation sont inscrites dans le jugement lui-même ou arrêtées dans une décision de probation distincte, prise par une autorité compétente;
4° peine de substitution : une peine ne constituant ni une peine ou mesure privative de liberté ni une sanction pécuniaire, imposant une obligation ou une injonction;
5° décision de probation : un jugement ou une décision définitive rendue par une autorité compétente de l'Etat d'émission sur la base d'un tel jugement :
a) accordant la libération conditionnelle, ou;
b) prononçant des mesures de probation;
6° libération conditionnelle : une décision définitive, rendue par une autorité compétente ou découlant du droit national, prononçant la mise en liberté anticipée d'une personne condamnée, après exécution d'une partie de la peine ou mesure privative de liberté, du fait de l'adoption d'une ou de plusieurs mesures de probation;
7° mesures de probation : des obligations ou injonctions imposées par une autorité compétente à une personne physique conformément aux dispositions du droit belge de l'Etat d'émission en liaison avec une peine assortie du sursis avec mise à l'épreuve, une condamnation sous condition ou une libération conditionnelle;
8° Etat d'émission : l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel a été rendu le jugement;
9° Etat d'exécution : l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel les mesures de probation et les peines de substitution sont surveillées à la suite d'une décision rendue conformément à l'article 18;
10° certificat : le document dont le modèle figure à l'annexe 1re, signé par l'autorité compétente de l'Etat d'émission qui certifie que son contenu est exact.
Art.4. Deze wet is van toepassing wanneer het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing vergezeld gaat van een van de volgende voorwaarden :
1° de verplichting dat de veroordeelde persoon een bepaalde autoriteit in kennis stelt van iedere verandering van woonplaats of van de plaats waar hij werkt;
2° de verplichting bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat niet te betreden;
3° de verplichting houdende beperkingen van het recht om het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat te verlaten;
4° de bevelen betreffende het gedrag, de woonplaats, de opleiding, de vrijetijdsbesteding, of houdende beperkingen op of voorwaarden inzake de beroepsuitoefening;
5° de verplichting zich op gezette tijden bij een bepaalde autoriteit te melden;
6° de verplichting contact met bepaalde personen te vermijden;
7° de verplichting contact te vermijden met bepaalde voorwerpen die door de veroordeelde persoon zijn gebruikt of waarschijnlijk zullen worden gebruikt om een strafbaar feit te plegen;
8° de verplichting de door het strafbare feit veroorzaakte schade financieel te vergoeden of het bewijs te leveren dat aan die verplichting is voldaan;
9° de verplichting een dienstverlening te verrichten;
10° de verplichting samen te werken met een reclasseringswerker of met een vertegenwoordiger van een maatschappelijke dienst die met verantwoordelijkheden jegens veroordeelde personen is belast;
11° de verplichting een therapie of een ontwenningsbehandeling te ondergaan.
1° de verplichting dat de veroordeelde persoon een bepaalde autoriteit in kennis stelt van iedere verandering van woonplaats of van de plaats waar hij werkt;
2° de verplichting bepaalde locaties, plaatsen of afgebakende gebieden in de beslissingsstaat of in de tenuitvoerleggingsstaat niet te betreden;
3° de verplichting houdende beperkingen van het recht om het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat te verlaten;
4° de bevelen betreffende het gedrag, de woonplaats, de opleiding, de vrijetijdsbesteding, of houdende beperkingen op of voorwaarden inzake de beroepsuitoefening;
5° de verplichting zich op gezette tijden bij een bepaalde autoriteit te melden;
6° de verplichting contact met bepaalde personen te vermijden;
7° de verplichting contact te vermijden met bepaalde voorwerpen die door de veroordeelde persoon zijn gebruikt of waarschijnlijk zullen worden gebruikt om een strafbaar feit te plegen;
8° de verplichting de door het strafbare feit veroorzaakte schade financieel te vergoeden of het bewijs te leveren dat aan die verplichting is voldaan;
9° de verplichting een dienstverlening te verrichten;
10° de verplichting samen te werken met een reclasseringswerker of met een vertegenwoordiger van een maatschappelijke dienst die met verantwoordelijkheden jegens veroordeelde personen is belast;
11° de verplichting een therapie of een ontwenningsbehandeling te ondergaan.
Art.4. La présente loi s'applique lorsque l'une des conditions suivantes accompagne le jugement et, le cas échéant, la décision de probation :
1° l'obligation pour la personne condamnée d'informer une autorité déterminée de tout changement de domicile ou de lieu de travail;
2° l'obligation de ne pas se rendre dans certains lieux, endroits ou zones déterminées de l'Etat d'émission ou de l'Etat d'exécution;
3° l'obligation comportant des restrictions quant à la possibilité de quitter le territoire de l'Etat d'exécution;
4° des injonctions concernant le comportement, la résidence, la formation, les loisirs, ou comportant des restrictions ou des modalités relatives à l'exercice d'une activité professionnelle;
5° l'obligation de se présenter à des heures précises devant une autorité déterminée;
6° l'obligation d'éviter tout contact avec des personnes déterminées;
7° l'obligation d'éviter tout contact avec des objets spécifiques qui ont été utilisés par la personne condamnée ou pourraient l'être en vue de commettre une infraction pénale;
8° l'obligation de réparer financièrement le préjudice causé par l'infraction pénale ou l'obligation d'apporter la preuve que cette obligation a été remplie;
9° l'obligation de réaliser des travaux d'intérêt général;
10° l'obligation de coopérer avec un agent de probation ou avec un représentant d'un service social exerçant des fonctions liées aux personnes condamnées;
11° l'obligation de se soumettre à des soins médicaux ou à une cure de désintoxication.
1° l'obligation pour la personne condamnée d'informer une autorité déterminée de tout changement de domicile ou de lieu de travail;
2° l'obligation de ne pas se rendre dans certains lieux, endroits ou zones déterminées de l'Etat d'émission ou de l'Etat d'exécution;
3° l'obligation comportant des restrictions quant à la possibilité de quitter le territoire de l'Etat d'exécution;
4° des injonctions concernant le comportement, la résidence, la formation, les loisirs, ou comportant des restrictions ou des modalités relatives à l'exercice d'une activité professionnelle;
5° l'obligation de se présenter à des heures précises devant une autorité déterminée;
6° l'obligation d'éviter tout contact avec des personnes déterminées;
7° l'obligation d'éviter tout contact avec des objets spécifiques qui ont été utilisés par la personne condamnée ou pourraient l'être en vue de commettre une infraction pénale;
8° l'obligation de réparer financièrement le préjudice causé par l'infraction pénale ou l'obligation d'apporter la preuve que cette obligation a été remplie;
9° l'obligation de réaliser des travaux d'intérêt général;
10° l'obligation de coopérer avec un agent de probation ou avec un représentant d'un service social exerçant des fonctions liées aux personnes condamnées;
11° l'obligation de se soumettre à des soins médicaux ou à une cure de désintoxication.
Art.5. Deze wet voert een stelsel zonder voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat en een stelsel met voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat in.
Het stelsel zonder voorafgaand akkoord is van toepassing op de toezending van vonnissen en, in voorkomend geval, van probatiebeslissingen en certificaten met het oog op de erkenning en het toezicht aan de lidstaat waar de veroordeelde persoon zijn wettige en vaste verblijfplaats heeft, in het geval hij naar die Staat is teruggekeerd of wenst terug te keren.
Het stelsel met voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat is, op verzoek van de veroordeelde persoon, van toepassing op de toezending van vonnissen en, in voorkomend geval, van probatiebeslissingen en certificaten met het oog op de erkenning en het toezicht aan enige andere lidstaat van de Europese Unie waar de veroordeelde persoon wenst te verblijven.
Het verzoek van de veroordeelde persoon creëert evenwel geen verplichting voor de beslissingsstaat aangezien laatstgenoemde kan beslissen het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het certificaat aan een andere lidstaat toe te zenden.
Het stelsel zonder voorafgaand akkoord is van toepassing op de toezending van vonnissen en, in voorkomend geval, van probatiebeslissingen en certificaten met het oog op de erkenning en het toezicht aan de lidstaat waar de veroordeelde persoon zijn wettige en vaste verblijfplaats heeft, in het geval hij naar die Staat is teruggekeerd of wenst terug te keren.
Het stelsel met voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat is, op verzoek van de veroordeelde persoon, van toepassing op de toezending van vonnissen en, in voorkomend geval, van probatiebeslissingen en certificaten met het oog op de erkenning en het toezicht aan enige andere lidstaat van de Europese Unie waar de veroordeelde persoon wenst te verblijven.
Het verzoek van de veroordeelde persoon creëert evenwel geen verplichting voor de beslissingsstaat aangezien laatstgenoemde kan beslissen het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het certificaat aan een andere lidstaat toe te zenden.
Art.5. La présente loi instaure un régime sans accord préalable de l'Etat d'exécution et un régime avec accord préalable de l'Etat d'exécution.
Le régime sans accord préalable s'applique aux transmissions de jugements et, le cas échéant, de décisions de probation et certificats aux fins de reconnaissance et de surveillance à l'Etat membre du lieu de la résidence légale et habituelle de la personne condamnée, lorsque celle-ci est retournée ou souhaite retourner dans cet Etat.
Le régime avec accord préalable de l'Etat d'exécution s'applique, à la demande de la personne condamnée, aux transmissions de jugements et, le cas échéant, de décisions de probation et certificats aux fins de reconnaissance et de surveillance à tout autre Etat membre de l'Union européenne dans lequel la personne condamnée souhaite résider.
La demande de la personne condamnée ne crée cependant pas d'obligation dans le chef de l'Etat d'émission, ce dernier décidant seul de transmettre le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et le certificat à un autre Etat membre.
Le régime sans accord préalable s'applique aux transmissions de jugements et, le cas échéant, de décisions de probation et certificats aux fins de reconnaissance et de surveillance à l'Etat membre du lieu de la résidence légale et habituelle de la personne condamnée, lorsque celle-ci est retournée ou souhaite retourner dans cet Etat.
Le régime avec accord préalable de l'Etat d'exécution s'applique, à la demande de la personne condamnée, aux transmissions de jugements et, le cas échéant, de décisions de probation et certificats aux fins de reconnaissance et de surveillance à tout autre Etat membre de l'Union européenne dans lequel la personne condamnée souhaite résider.
La demande de la personne condamnée ne crée cependant pas d'obligation dans le chef de l'Etat d'émission, ce dernier décidant seul de transmettre le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et le certificat à un autre Etat membre.
Art.6. De bevoegde Belgische autoriteiten raadplegen de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaat telkens als de situatie dit vereist.
Alleen de beslissingsstaat kan beschikken op een verzoek tot herziening van het vonnis waarbij de op grond van deze wet ten uitvoer te leggen veroordeling is opgelegd.
Alleen de beslissingsstaat kan beschikken op een verzoek tot herziening van het vonnis waarbij de op grond van deze wet ten uitvoer te leggen veroordeling is opgelegd.
Art.6. Les autorités compétentes belges consultent les autorités compétentes de l'autre Etat membre concerné chaque fois que la situation le nécessite.
Seul l'Etat d'émission peut statuer sur un recours en révision du jugement prononçant la condamnation qui doit être exécutée en vertu de la présente loi.
Seul l'Etat d'émission peut statuer sur un recours en révision du jugement prononçant la condamnation qui doit être exécutée en vertu de la présente loi.
Art.7. Het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing of een voor eensluidend verklaard afschrift daarvan wordt op zodanige wijze toegezonden dat de kennisgeving ervan schriftelijk kan worden vastgelegd, aan slechts één tenuitvoerleggingsstaat tegelijk. Het certificaat wordt eveneens meegezonden.
Het origineel van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing, of van het certificaat, of de voor eensluidend verklaarde afschriften daarvan, worden aan de tenuitvoerleggingstaat op verzoek toegezonden.
Het origineel van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing, of van het certificaat, of de voor eensluidend verklaarde afschriften daarvan, worden aan de tenuitvoerleggingstaat op verzoek toegezonden.
Art.7. Le jugement et, le cas échéant, la décision de probation, ou une copie certifiée conforme de ceux-ci, est transmis par tout moyen laissant une trace écrite à un seul Etat d'exécution à la fois. Ils sont accompagnés du certificat.
L'original du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation, ou du certificat, ou une copie certifiée conforme de ces documents, sont transmis à l'Etat d'exécution sur demande.
L'original du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation, ou du certificat, ou une copie certifiée conforme de ces documents, sont transmis à l'Etat d'exécution sur demande.
Art.8. De kosten voortvloeiend uit de tenuitvoerlegging van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing, uitgesproken in een andere lidstaat van de Europese Unie, worden door België gedragen, uitgezonderd de kosten die uitsluitend op het grondgebied van die andere lidstaat zijn gemaakt.
Art.8. Les frais résultant de l'exécution du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation prononcés dans un autre Etat membre de l'Union européenne sont pris en charge par la Belgique, à l'exclusion des frais occasionnés exclusivement sur le territoire de cet autre Etat membre.
HOOFDSTUK 3. - Procedure inzake de erkenning van een vonnis en, in voorkomend geval, van een probatiebeslissing gegeven in een andere lidstaat van de Europese Unie en het toezicht op de straf of de maatregel
CHAPITRE 3. - Procédure relative à la reconnaissance d'un jugement et, le cas échéant, d'une décision de probation rendus dans un autre Etat membre de l'Union européenne et à la surveillance de la peine ou de la mesure
Afdeling 1. - Autoriteit bevoegd om het voorafgaand akkoord te geven
Section 1re. - Autorité compétente pour donner l'accord préalable
Art.9. § 1. In de in artikel 5, § 3, bedoelde gevallen is de minister van Justitie de bevoegde autoriteit om het voorafgaand akkoord te geven voor de toezending van een vonnis en, in voorkomend geval, van een probatiebeslissing, tezamen met het certificaat.
§ 2. Alvorens zijn beslissing te nemen, gaat de minister van Justitie na :
1° of de veroordeelde persoon geen bedreiging voor de openbare orde vormt;
2° of de veroordeelde persoon voldoet aan de voorwaarden verbonden aan zijn vestiging op het Belgische grondgebied;
3° of er duidelijke elementen zijn op grond waarvan de straf of de maatregel niet ten uitvoer kan worden gelegd op het Belgische grondgebied overeenkomstig het Belgische rechtssysteem;
4° of de erkenning van en het toezicht op de straf of de maatregel op het Belgische grondgebied bijdraagt tot de reclassering en maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde persoon.
§ 3. Teneinde na te gaan of de erkenning van en het toezicht op het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing in België voldoet aan de voorwaarde bedoeld in § 2, 4°, kan de minister van Justitie de dienst Justitiehuizen van de Federale Overheidsdienst Justitie belasten met de uitwerking van een beknopt voorlichtingsrapport of met de uitvoering van een maatschappelijk onderzoek.
§ 2. Alvorens zijn beslissing te nemen, gaat de minister van Justitie na :
1° of de veroordeelde persoon geen bedreiging voor de openbare orde vormt;
2° of de veroordeelde persoon voldoet aan de voorwaarden verbonden aan zijn vestiging op het Belgische grondgebied;
3° of er duidelijke elementen zijn op grond waarvan de straf of de maatregel niet ten uitvoer kan worden gelegd op het Belgische grondgebied overeenkomstig het Belgische rechtssysteem;
4° of de erkenning van en het toezicht op de straf of de maatregel op het Belgische grondgebied bijdraagt tot de reclassering en maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde persoon.
§ 3. Teneinde na te gaan of de erkenning van en het toezicht op het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing in België voldoet aan de voorwaarde bedoeld in § 2, 4°, kan de minister van Justitie de dienst Justitiehuizen van de Federale Overheidsdienst Justitie belasten met de uitwerking van een beknopt voorlichtingsrapport of met de uitvoering van een maatschappelijk onderzoek.
Art.9. § 1er. Dans les cas visés à l'article 5, § 3, l'autorité compétente pour donner l'accord préalable à la transmission d'un jugement et, le cas échéant, d'une décision de probation accompagnés du certificat est le ministre de la Justice.
§ 2. Avant de prendre sa décision, le ministre de la Justice vérifie :
1° si la personne condamnée ne constitue pas une menace pour l'ordre public;
2° si la personne condamnée remplit les conditions liées à son établissement sur le territoire belge;
3° s'il existe des éléments manifestes selon lesquels la peine ou la mesure ne pourrait pas être exécutée sur le territoire belge conformément au système juridique belge;
4° si la reconnaissance et la surveillance de la peine ou de la mesure sur le territoire belge contribue à atteindre l'objectif de réinsertion sociale et de réintégration de la personne condamnée dans la société.
§ 3. Afin de vérifier si la reconnaissance et la surveillance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation en Belgique remplit la condition visée au § 2, 4°, le ministre de la Justice peut charger le service des Maisons de Justice du Service public fédéral Justice de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale.
§ 2. Avant de prendre sa décision, le ministre de la Justice vérifie :
1° si la personne condamnée ne constitue pas une menace pour l'ordre public;
2° si la personne condamnée remplit les conditions liées à son établissement sur le territoire belge;
3° s'il existe des éléments manifestes selon lesquels la peine ou la mesure ne pourrait pas être exécutée sur le territoire belge conformément au système juridique belge;
4° si la reconnaissance et la surveillance de la peine ou de la mesure sur le territoire belge contribue à atteindre l'objectif de réinsertion sociale et de réintégration de la personne condamnée dans la société.
§ 3. Afin de vérifier si la reconnaissance et la surveillance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation en Belgique remplit la condition visée au § 2, 4°, le ministre de la Justice peut charger le service des Maisons de Justice du Service public fédéral Justice de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale.
Art.10. De minister van Justitie brengt de beslissingsstaat onverwijld op de hoogte van zijn beslissing om al dan niet toe te stemmen in de toezending van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing. Indien hij toestemt in de toezending van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing stelt de minister van Justitie het openbaar ministerie in kennis van de plaats waar de veroordeelde persoon wenst te verblijven.
Art.10. Le ministre de la Justice informe sans délai l'Etat d'émission de sa décision de consentir ou non à la transmission du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation. S'il consent à la transmission du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation, le ministre de la Justice en informe le ministère public du lieu où la personne condamnée souhaite résider.
Afdeling 2. - Voorwaarden voor de erkenning en het toezicht
Section 2. - Conditions de reconnaissance et de surveillance
Art.11. § 1. De erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of maatregel worden geweigerd indien de feiten die aan het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing ten grondslag liggen krachtens het Belgische recht geen strafbaar feit opleveren.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing ingeval het gaat om een van de volgende strafbare feiten, voor zover deze in de beslissingsstaat met een maximale vrijheidsbenemende straf van minimaal drie jaar worden gestraft :
1° deelneming aan een criminele organisatie;
2° terrorisme;
3° mensenhandel;
4° seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;
5° illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
6° illegale handel in wapens, munitie en explosieven;
7° corruptie;
8° fraude, daaronder begrepen fraude die afbreuk doet aan de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;
9° witwassen van de opbrengst van misdrijven;
10° valsemunterij en namaak van de euro;
11° computercriminaliteit;
12° milieucriminaliteit, daaronder begrepen illegale handel in bedreigde diersoorten en illegale handel in bedreigde plantensoorten;
13° hulp bij het onrechtmatig binnenkomen van of verblijven op het grondgebied;
14° opzettelijke doodslag of ernstige slagen en verwondingen;
15° illegale handel in menselijke organen en weefsel;
16° ontvoering, opsluiting en gijzelneming;
17° racisme en vreemdelingenhaat;
18° georganiseerde of gewapende diefstal;
19° illegale handel in cultuurgoederen, daaronder begrepen antiquiteiten en kunstwerken;
20° oplichting;
21° racketeering en afpersing;
22° namaak en ongeoorloofde productie van goederen;
23° vervalsing van administratieve documenten en handel in valse stukken;
24° vervalsing van betaalmiddelen;
25° illegale handel in hormonale stoffen en andere groeifactoren;
26° illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen;
27° handel in gestolen voertuigen;
28° verkrachting;
29° opzettelijke brandstichting;
30° misdaden die tot de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof behoren;
31° kaping van vliegtuigen of van schepen;
32° sabotage.
§ 3. Met betrekking tot taksen en belastingen, douanerechten en deviezen mag de erkenning van en het toezicht op een vonnis en, in voorkomend geval, een probatiebeslissing niet worden geweigerd op grond van het feit dat de Belgische wet niet dezelfde soort taksen of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake taksen, belastingen, douanerechten en deviezen kent als de beslissingsstaat.
§ 4. Paragraaf 2, 14°, is niet van toepassing op abortus bedoeld [1 in artikel 2 van de wet van 15 oktober 2018 betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde, Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen]1 en op euthanasie bedoeld in de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie.
§ 2. Paragraaf 1 is niet van toepassing ingeval het gaat om een van de volgende strafbare feiten, voor zover deze in de beslissingsstaat met een maximale vrijheidsbenemende straf van minimaal drie jaar worden gestraft :
1° deelneming aan een criminele organisatie;
2° terrorisme;
3° mensenhandel;
4° seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie;
5° illegale handel in verdovende middelen en psychotrope stoffen;
6° illegale handel in wapens, munitie en explosieven;
7° corruptie;
8° fraude, daaronder begrepen fraude die afbreuk doet aan de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen in de zin van de Overeenkomst van 26 juli 1995 aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen;
9° witwassen van de opbrengst van misdrijven;
10° valsemunterij en namaak van de euro;
11° computercriminaliteit;
12° milieucriminaliteit, daaronder begrepen illegale handel in bedreigde diersoorten en illegale handel in bedreigde plantensoorten;
13° hulp bij het onrechtmatig binnenkomen van of verblijven op het grondgebied;
14° opzettelijke doodslag of ernstige slagen en verwondingen;
15° illegale handel in menselijke organen en weefsel;
16° ontvoering, opsluiting en gijzelneming;
17° racisme en vreemdelingenhaat;
18° georganiseerde of gewapende diefstal;
19° illegale handel in cultuurgoederen, daaronder begrepen antiquiteiten en kunstwerken;
20° oplichting;
21° racketeering en afpersing;
22° namaak en ongeoorloofde productie van goederen;
23° vervalsing van administratieve documenten en handel in valse stukken;
24° vervalsing van betaalmiddelen;
25° illegale handel in hormonale stoffen en andere groeifactoren;
26° illegale handel in nucleaire en radioactieve stoffen;
27° handel in gestolen voertuigen;
28° verkrachting;
29° opzettelijke brandstichting;
30° misdaden die tot de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof behoren;
31° kaping van vliegtuigen of van schepen;
32° sabotage.
§ 3. Met betrekking tot taksen en belastingen, douanerechten en deviezen mag de erkenning van en het toezicht op een vonnis en, in voorkomend geval, een probatiebeslissing niet worden geweigerd op grond van het feit dat de Belgische wet niet dezelfde soort taksen of belastingen heft, of niet dezelfde soort regelgeving inzake taksen, belastingen, douanerechten en deviezen kent als de beslissingsstaat.
§ 4. Paragraaf 2, 14°, is niet van toepassing op abortus bedoeld [1 in artikel 2 van de wet van 15 oktober 2018 betreffende de vrijwillige zwangerschapsafbreking, tot opheffing van de artikelen 350 en 351 van het Strafwetboek, tot wijziging van de artikelen 352 en 383 van hetzelfde, Wetboek en tot wijziging van diverse wetsbepalingen]1 en op euthanasie bedoeld in de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie.
Modifications
Art.11. § 1er. La reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou la mesure sont refusées si les faits pour lesquels le jugement et, le cas échéant, la décision de probation ont été prononcés ne constituent pas une infraction pénale au regard du droit belge.
§ 2. Le § 1er ne s'applique pas si les faits constituent une des infractions pénales suivantes pour autant qu'elles soient punies dans l'Etat d'émission d'une peine privative de liberté d'un maximum d'au moins trois ans :
1° participation à une organisation criminelle;
2° terrorisme;
3° traite des êtres humains;
4° exploitation sexuelle des enfants et pédopornographie;
5° trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes;
6° trafic illicite d'armes, de munitions et d'explosifs;
7° corruption;
8° fraude, y compris la fraude portant atteinte aux intérêts financiers des Communautés européennes au sens de la Convention du 26 juillet 1995 relative à la protection des intérêts financiers des Communautés européennes;
9° blanchiment du produit du crime;
10° faux monnayage et contrefaçon de l'euro;
11° cybercriminalité;
12° crimes contre l'environnement, y compris le trafic illicite d'espèces animales menacées, et le trafic illicite d'espèces et d'essences végétales menacées;
13° aide à l'entrée et au séjour irréguliers;
14° homicide volontaire, coups et blessures graves;
15° trafic illicite d'organes et de tissus humains;
16° enlèvement, séquestration et prise d'otage;
17° racisme et xénophobie;
18° vols organisés ou avec arme;
19° trafic illicite de biens culturels y compris antiquités et oeuvres d'art;
20° escroquerie;
21° racket et extorsion de fonds;
22° contrefaçon et piratage de produits;
23° falsification de documents administratifs et trafic de faux;
24° falsification de moyens de paiement;
25° trafic illicite de substances hormonales et autres facteurs de croissance;
26° trafic illicite de matières nucléaires et radioactives;
27° trafic de véhicules volés;
28° viol;
29° incendie volontaire;
30° crimes relevant de la juridiction de la Cour pénale internationale;
31° détournement d'avion ou de navire;
32° sabotage.
§ 3. En matière de taxes et impôts, de douane et de change, la reconnaissance et la surveillance d'un jugement et, le cas échéant, d'une décision de probation ne pourra être refusée pour le motif que la loi belge n'impose pas le même type de taxes ou d'impôts ou ne contient pas le même type de réglementation en matière de taxes ou impôts, de douane et de change que la législation de l'Etat d'émission.
§ 4. Le § 2, 14°, ne s'applique ni aux faits d'avortement visés à l'[1 article 2 de la loi du 15 octobre 2018 relative à l'interruption volontaire de grossesse, abrogeant les articles 350 et 351 du Code pénal, modifiant les articles 352 et 383 du même Code et modifiant diverses dispositions législatives]1, ni aux faits d'euthanasie visés par la loi du 28 mai 2002 relative à l'euthanasie.
§ 2. Le § 1er ne s'applique pas si les faits constituent une des infractions pénales suivantes pour autant qu'elles soient punies dans l'Etat d'émission d'une peine privative de liberté d'un maximum d'au moins trois ans :
1° participation à une organisation criminelle;
2° terrorisme;
3° traite des êtres humains;
4° exploitation sexuelle des enfants et pédopornographie;
5° trafic illicite de stupéfiants et de substances psychotropes;
6° trafic illicite d'armes, de munitions et d'explosifs;
7° corruption;
8° fraude, y compris la fraude portant atteinte aux intérêts financiers des Communautés européennes au sens de la Convention du 26 juillet 1995 relative à la protection des intérêts financiers des Communautés européennes;
9° blanchiment du produit du crime;
10° faux monnayage et contrefaçon de l'euro;
11° cybercriminalité;
12° crimes contre l'environnement, y compris le trafic illicite d'espèces animales menacées, et le trafic illicite d'espèces et d'essences végétales menacées;
13° aide à l'entrée et au séjour irréguliers;
14° homicide volontaire, coups et blessures graves;
15° trafic illicite d'organes et de tissus humains;
16° enlèvement, séquestration et prise d'otage;
17° racisme et xénophobie;
18° vols organisés ou avec arme;
19° trafic illicite de biens culturels y compris antiquités et oeuvres d'art;
20° escroquerie;
21° racket et extorsion de fonds;
22° contrefaçon et piratage de produits;
23° falsification de documents administratifs et trafic de faux;
24° falsification de moyens de paiement;
25° trafic illicite de substances hormonales et autres facteurs de croissance;
26° trafic illicite de matières nucléaires et radioactives;
27° trafic de véhicules volés;
28° viol;
29° incendie volontaire;
30° crimes relevant de la juridiction de la Cour pénale internationale;
31° détournement d'avion ou de navire;
32° sabotage.
§ 3. En matière de taxes et impôts, de douane et de change, la reconnaissance et la surveillance d'un jugement et, le cas échéant, d'une décision de probation ne pourra être refusée pour le motif que la loi belge n'impose pas le même type de taxes ou d'impôts ou ne contient pas le même type de réglementation en matière de taxes ou impôts, de douane et de change que la législation de l'Etat d'émission.
§ 4. Le § 2, 14°, ne s'applique ni aux faits d'avortement visés à l'[1 article 2 de la loi du 15 octobre 2018 relative à l'interruption volontaire de grossesse, abrogeant les articles 350 et 351 du Code pénal, modifiant les articles 352 et 383 du même Code et modifiant diverses dispositions législatives]1, ni aux faits d'euthanasie visés par la loi du 28 mai 2002 relative à l'euthanasie.
Modifications
Art.12. De erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of de maatregel wordt in de volgende gevallen geweigerd :
1° de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of de maatregel zijn onverenigbaar met het beginsel " ne bis in idem ";
2° het Belgische recht voorziet in een immuniteit die het houden van toezicht op de straf of de maatregel bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing, onmogelijk maakt;
3° de straf of de maatregel is opgelegd aan een persoon die, volgens het Belgische recht, wegens zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing;
4° de tenuitvoerlegging van de straf is volgens het Belgische recht verjaard;
5° het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing behelst een medische/therapeutische behandeling waarop, ondanks de toepassing van artikel 17, geen toezicht kan worden uitgeoefend op het Belgische grondgebied overeenkomstig het Belgische rechts- of gezondheidszorgsysteem;
6° er bestaan ernstige redenen om aan te nemen dat het toezicht op de straf of de maatregel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
7° er is niet voldaan aan de in artikel 5, § 2, vermelde criteria;
8° de toezending van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing valt onder het stelsel met voorafgaand akkoord en het akkoord van minister van Justitie werd niet gegeven overeenkomstig artikel 9.
1° de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of de maatregel zijn onverenigbaar met het beginsel " ne bis in idem ";
2° het Belgische recht voorziet in een immuniteit die het houden van toezicht op de straf of de maatregel bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing, onmogelijk maakt;
3° de straf of de maatregel is opgelegd aan een persoon die, volgens het Belgische recht, wegens zijn leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld voor de feiten die ten grondslag liggen aan het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing;
4° de tenuitvoerlegging van de straf is volgens het Belgische recht verjaard;
5° het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing behelst een medische/therapeutische behandeling waarop, ondanks de toepassing van artikel 17, geen toezicht kan worden uitgeoefend op het Belgische grondgebied overeenkomstig het Belgische rechts- of gezondheidszorgsysteem;
6° er bestaan ernstige redenen om aan te nemen dat het toezicht op de straf of de maatregel afbreuk zou doen aan de fundamentele rechten van de betrokken persoon, zoals vastgelegd in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie;
7° er is niet voldaan aan de in artikel 5, § 2, vermelde criteria;
8° de toezending van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing valt onder het stelsel met voorafgaand akkoord en het akkoord van minister van Justitie werd niet gegeven overeenkomstig artikel 9.
Art.12. La reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou de la mesure sont refusées dans les cas suivants :
1° la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou la mesure sont contraires au principe " ne bis in idem ";
2° le droit belge prévoit une immunité qui rend impossible la surveillance de la peine ou la mesure qui accompagne le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
3° la peine ou la mesure a été prononcée à l'encontre d'une personne qui, selon le droit belge, ne pouvait pas, en raison de son âge, être pénalement responsable des faits sur lesquels porte le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
4° l'exécution de la peine est prescrite en vertu du droit belge;
5° le jugement et, le cas échéant, la décision de probation comporte une mesure concernant des soins médico-thérapeutiques qui, même après application de l'article 17, ne peut être surveillée sur le territoire belge conformément au système juridique ou de santé belge;
6° il existe des raisons sérieuses de croire que la surveillance de la peine ou de la mesure aurait pour effet de porter atteinte aux droits fondamentaux de la personne concernée, tels qu'ils sont consacrés par l'article 6 du Traité sur l'Union européenne.
7° les conditions de l'article 5, § 2, ne sont pas remplies;
8° la transmission du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation relève du régime avec accord préalable et l'accord du ministre de la Justice n'a pas été donné conformément à l'article 9.
1° la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou la mesure sont contraires au principe " ne bis in idem ";
2° le droit belge prévoit une immunité qui rend impossible la surveillance de la peine ou la mesure qui accompagne le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
3° la peine ou la mesure a été prononcée à l'encontre d'une personne qui, selon le droit belge, ne pouvait pas, en raison de son âge, être pénalement responsable des faits sur lesquels porte le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
4° l'exécution de la peine est prescrite en vertu du droit belge;
5° le jugement et, le cas échéant, la décision de probation comporte une mesure concernant des soins médico-thérapeutiques qui, même après application de l'article 17, ne peut être surveillée sur le territoire belge conformément au système juridique ou de santé belge;
6° il existe des raisons sérieuses de croire que la surveillance de la peine ou de la mesure aurait pour effet de porter atteinte aux droits fondamentaux de la personne concernée, tels qu'ils sont consacrés par l'article 6 du Traité sur l'Union européenne.
7° les conditions de l'article 5, § 2, ne sont pas remplies;
8° la transmission du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation relève du régime avec accord préalable et l'accord du ministre de la Justice n'a pas été donné conformément à l'article 9.
Art.13. § 1. De erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of de maatregel kunnen in de volgende gevallen worden geweigerd :
1° het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing heeft betrekking op strafbare feiten die volgens het Belgische recht volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats, zijn gepleegd;
2° de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft een duur van minder dan zes maanden;
3° de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing zijn niet opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 4;
4° volgens het certificaat is de betrokkene niet in persoon verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het certificaat vermeld staat dat de betrokkene, overeenkomstig de andere in de nationale wetgeving van de beslissingsstaat bepaalde procedurevereisten :
a) tijdig,
i) persoonlijk werd gedagvaard en dus op de hoogte werd gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins officieel en daadwerkelijk in kennis werd gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
ii) ervan in kennis werd gesteld dat een beslissing kon worden gewezen in geval van niet-verschijning;
of dat
b) de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege aangewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of dat
c) nadat de beslissing hem werd betekend en hij uitdrukkelijk op de hoogte was gebracht van zijn recht op een nieuwe vonnis- of beroepsprocedure, waaraan de betrokkene het recht heeft om deel te nemen en die het mogelijk maakt om de zaak opnieuw ten gronde te beoordelen, rekening houdend met het nieuwe bewijsmateriaal, en die tot een nietigverklaring van de oorspronkelijke beslissing kan leiden :
i) uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwistte,
of
ii) niet binnen de opgelegde termijn om een nieuwe vonnis- of beroepsprocedure heeft verzocht.
§ 2. Indien het certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met het vonnis en, in voorkomend geval, met de probatiebeslissing kan de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of de maatregel worden toegekend indien de tenuitvoerleggingsstaat van oordeel is dat zij over voldoende gegevens beschikt.
Indien de tenuitvoerleggingsstaat van oordeel is dat zij niet over voldoende informatie beschikt om de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of maatregel mogelijk te maken, bepaalt zij voor de beslissingsautoriteit een redelijke termijn waarbinnen het certificaat moet worden aangevuld of gecorrigeerd. Indien de informatie niet binnen de bepaalde termijn wordt verstrekt, worden de erkenning en het toezicht geweigerd.
1° het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing heeft betrekking op strafbare feiten die volgens het Belgische recht volledig, dan wel voor een groot of zeer belangrijk deel op zijn grondgebied of op een daarmee gelijk te stellen plaats, zijn gepleegd;
2° de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel heeft een duur van minder dan zes maanden;
3° de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing zijn niet opgenomen in de lijst bedoeld in artikel 4;
4° volgens het certificaat is de betrokkene niet in persoon verschenen op het proces dat tot de beslissing heeft geleid, tenzij in het certificaat vermeld staat dat de betrokkene, overeenkomstig de andere in de nationale wetgeving van de beslissingsstaat bepaalde procedurevereisten :
a) tijdig,
i) persoonlijk werd gedagvaard en dus op de hoogte werd gebracht van het tijdstip en de plaats van het proces dat tot de beslissing heeft geleid of anderszins officieel en daadwerkelijk in kennis werd gesteld van het tijdstip en de plaats van dat proces, zodat op ondubbelzinnige wijze vaststaat dat hij op de hoogte was van het voorgenomen proces;
en
ii) ervan in kennis werd gesteld dat een beslissing kon worden gewezen in geval van niet-verschijning;
of dat
b) de betrokkene op de hoogte was van het voorgenomen proces, een zelf gekozen of van overheidswege aangewezen raadsman heeft gemachtigd zijn verdediging op het proces te voeren, en op het proces ook werkelijk door die raadsman is verdedigd;
of dat
c) nadat de beslissing hem werd betekend en hij uitdrukkelijk op de hoogte was gebracht van zijn recht op een nieuwe vonnis- of beroepsprocedure, waaraan de betrokkene het recht heeft om deel te nemen en die het mogelijk maakt om de zaak opnieuw ten gronde te beoordelen, rekening houdend met het nieuwe bewijsmateriaal, en die tot een nietigverklaring van de oorspronkelijke beslissing kan leiden :
i) uitdrukkelijk te kennen heeft gegeven dat hij de beslissing niet betwistte,
of
ii) niet binnen de opgelegde termijn om een nieuwe vonnis- of beroepsprocedure heeft verzocht.
§ 2. Indien het certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met het vonnis en, in voorkomend geval, met de probatiebeslissing kan de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of de maatregel worden toegekend indien de tenuitvoerleggingsstaat van oordeel is dat zij over voldoende gegevens beschikt.
Indien de tenuitvoerleggingsstaat van oordeel is dat zij niet over voldoende informatie beschikt om de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of maatregel mogelijk te maken, bepaalt zij voor de beslissingsautoriteit een redelijke termijn waarbinnen het certificaat moet worden aangevuld of gecorrigeerd. Indien de informatie niet binnen de bepaalde termijn wordt verstrekt, worden de erkenning en het toezicht geweigerd.
Art.13. § 1er. La reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou de la mesure peuvent être refusées dans les cas suivants :
1° le jugement et, le cas échéant, la décision de probation portent sur des infractions pénales qui, selon le droit belge, sont considérées comme ayant été commises en totalité ou en majeure partie ou pour l'essentiel sur son territoire ou en un lieu assimilé à son territoire;
2° la peine ou la mesure non privative de liberté est prononcée pour une durée inférieure à six mois;
3° les conditions accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation, ne relèvent pas de la liste visée à l'article 4;
4° selon le certificat l'intéressé n'a pas comparu en personne au procès qui a mené à la décision, sauf si le certificat indique que l'intéressé, conformément aux autres exigences procédurales définies dans la législation nationale de l'Etat d'émission :
a) en temps utile,
i) soit a été cité à personne et a ainsi été informé de la date et du lieu fixés pour le procès qui a mené à la décision, soit a été informé officiellement et effectivement par d'autres moyens de la date et du lieu fixés pour ce procès, de telle sorte qu'il a été établi de manière non équivoque qu'il a eu connaissance du procès prévu;
et
ii) a été informé qu'une décision pouvait être rendue en cas de non-comparution;
ou
b) ayant eu connaissance du procès prévu, a donné mandat à un conseil juridique, qui a été désigné soit par l'intéressé soit par l'Etat, pour le défendre au procès, et a été effectivement défendu par ce conseil pendant le procès;
ou
c) après s'être vu signifier la décision et avoir été expressément informé de son droit à une nouvelle procédure de jugement ou à une procédure d'appel, à laquelle l'intéressé a le droit de participer et qui permet de réexaminer l'affaire sur le fond, en tenant compte des nouveaux éléments de preuve, et peut aboutir à une infirmation de la décision initiale :
i) a indiqué expressément qu'il ne contestait pas la décision,
ou
ii) n'a pas demandé une nouvelle procédure de jugement ou une procédure d'appel dans le délai imparti.
§ 2. Si le certificat est incomplet ou s'il ne correspond manifestement pas au jugement et, le cas échéant, à la décision de probation, la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou de la mesure peuvent être autorisées si l'Etat d'exécution estime disposer des éléments d'information suffisants.
Si l'Etat d'exécution estime ne pas disposer des éléments d'information suffisants pour permettre la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou la mesure, il accorde un délai raisonnable à l'autorité d'émission pour que le certificat soit complété ou rectifié. Si les informations ne sont pas fournies dans le délai accordé, la reconnaissance et la surveillance sont refusées.
1° le jugement et, le cas échéant, la décision de probation portent sur des infractions pénales qui, selon le droit belge, sont considérées comme ayant été commises en totalité ou en majeure partie ou pour l'essentiel sur son territoire ou en un lieu assimilé à son territoire;
2° la peine ou la mesure non privative de liberté est prononcée pour une durée inférieure à six mois;
3° les conditions accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation, ne relèvent pas de la liste visée à l'article 4;
4° selon le certificat l'intéressé n'a pas comparu en personne au procès qui a mené à la décision, sauf si le certificat indique que l'intéressé, conformément aux autres exigences procédurales définies dans la législation nationale de l'Etat d'émission :
a) en temps utile,
i) soit a été cité à personne et a ainsi été informé de la date et du lieu fixés pour le procès qui a mené à la décision, soit a été informé officiellement et effectivement par d'autres moyens de la date et du lieu fixés pour ce procès, de telle sorte qu'il a été établi de manière non équivoque qu'il a eu connaissance du procès prévu;
et
ii) a été informé qu'une décision pouvait être rendue en cas de non-comparution;
ou
b) ayant eu connaissance du procès prévu, a donné mandat à un conseil juridique, qui a été désigné soit par l'intéressé soit par l'Etat, pour le défendre au procès, et a été effectivement défendu par ce conseil pendant le procès;
ou
c) après s'être vu signifier la décision et avoir été expressément informé de son droit à une nouvelle procédure de jugement ou à une procédure d'appel, à laquelle l'intéressé a le droit de participer et qui permet de réexaminer l'affaire sur le fond, en tenant compte des nouveaux éléments de preuve, et peut aboutir à une infirmation de la décision initiale :
i) a indiqué expressément qu'il ne contestait pas la décision,
ou
ii) n'a pas demandé une nouvelle procédure de jugement ou une procédure d'appel dans le délai imparti.
§ 2. Si le certificat est incomplet ou s'il ne correspond manifestement pas au jugement et, le cas échéant, à la décision de probation, la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou de la mesure peuvent être autorisées si l'Etat d'exécution estime disposer des éléments d'information suffisants.
Si l'Etat d'exécution estime ne pas disposer des éléments d'information suffisants pour permettre la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou la mesure, il accorde un délai raisonnable à l'autorité d'émission pour que le certificat soit complété ou rectifié. Si les informations ne sont pas fournies dans le délai accordé, la reconnaissance et la surveillance sont refusées.
Afdeling 3. - Procedure voor de erkenning en het toezicht
Section 3. - Procédure de reconnaissance et de surveillance
Art.14. De autoriteit bevoegd voor de erkenning van een vonnis en, in voorkomend geval, van een probatiebeslissing is het openbaar ministerie van de plaats waar de betrokkene zijn wettige en vaste verblijfplaats heeft of, naar gelang het geval, van de plaats waar hij zich wenst te vestigen.
Art.14. L'autorité compétente pour la reconnaissance d'un jugement et, le cas échéant, d'une décision de probation est le ministère public du lieu de résidence légale et habituelle de l'intéressé ou, selon le cas, du lieu où celui-ci souhaite résider.
Art.15. Het aan het openbaar ministerie gerichte certificaat moet in het Nederlands, het Frans, het Duits of het Engels worden vertaald.
Wanneer een andere autoriteit het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het certificaat ontvangt, zendt zij die ambtshalve over aan het openbaar ministerie en stelt zij de beslissingsautoriteit hiervan in kennis op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.
Wanneer een andere autoriteit het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het certificaat ontvangt, zendt zij die ambtshalve over aan het openbaar ministerie en stelt zij de beslissingsautoriteit hiervan in kennis op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd.
Art.15. Le certificat adressé au ministère public doit être traduit en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais.
Lorsqu'une autre autorité reçoit le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et le certificat, elle les transmet d'office au ministère public et en informe l'autorité d'émission par tout moyen laissant une trace écrite.
Lorsqu'une autre autorité reçoit le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et le certificat, elle les transmet d'office au ministère public et en informe l'autorité d'émission par tout moyen laissant une trace écrite.
Art.16. § 1. Indien de beslissingsautoriteit vooraf overleg pleegt met het openbaar ministerie, kan laatstgenoemde bij deze gelegenheid bij een met redenen omklede beslissing oordelen of de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of maatregel in België bijdragen tot de reclassering en de maatschappelijke re-integratie van de veroordeelde persoon. Het openbaar ministerie kan de dienst Justitiehuizen van de Federale Overheidsdienst Justitie de opdracht geven een beknopt voorlichtingsverslag of een maatschappelijk onderzoek uit te voeren.
§ 2. Met het oog op de beslissing doen over de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf en de maatregel gaat het openbaar ministerie vanaf de ontvangst van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het certificaat, na :
1° of een van de in de artikelen 11 tot 13 bepaalde weigeringsgronden moet worden aangevoerd;
2° of, in het geval waarin de aan het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing ten grondslag liggende feiten worden vermeld in artikel 11, § 2, de gedragingen zoals omschreven in het certificaat wel degelijk overeenkomen met deze feiten.
§ 3. Het openbaar ministerie gaat na of het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing vergezeld gaan van bijzondere voorwaarden zoals bedoeld in artikel 4.
§ 4. Vooraleer te beslissen om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing niet te erkennen en geen toezicht te houden op de straf of maatregel om de gronden bepaald in artikelen 12, 1°, 5°, 7°, 8° en 13, raadpleegt het openbaar ministerie de beslissingsstaat naar behoren en, in voorkomend geval, vraagt hij om onverwijld alle aanvullende noodzakelijke informatie toe te zenden.
§ 5. Het openbaar ministerie die heeft besloten een van de in artikel 13 vermelde weigeringsgronden aan te voeren, kan niettemin, in overeenstemming met de beslissingsstaat, beslissen in België toe te zien op de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing, zonder dat hij de verantwoordelijkheid aanvaardt voor het nemen van latere beslissingen wanneer de veroordeelde persoon de opgelegde voorwaarden niet naleeft of tijdens de probatie een nieuw strafbaar feit pleegt.
§ 2. Met het oog op de beslissing doen over de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het toezicht op de straf en de maatregel gaat het openbaar ministerie vanaf de ontvangst van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het certificaat, na :
1° of een van de in de artikelen 11 tot 13 bepaalde weigeringsgronden moet worden aangevoerd;
2° of, in het geval waarin de aan het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing ten grondslag liggende feiten worden vermeld in artikel 11, § 2, de gedragingen zoals omschreven in het certificaat wel degelijk overeenkomen met deze feiten.
§ 3. Het openbaar ministerie gaat na of het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing vergezeld gaan van bijzondere voorwaarden zoals bedoeld in artikel 4.
§ 4. Vooraleer te beslissen om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing niet te erkennen en geen toezicht te houden op de straf of maatregel om de gronden bepaald in artikelen 12, 1°, 5°, 7°, 8° en 13, raadpleegt het openbaar ministerie de beslissingsstaat naar behoren en, in voorkomend geval, vraagt hij om onverwijld alle aanvullende noodzakelijke informatie toe te zenden.
§ 5. Het openbaar ministerie die heeft besloten een van de in artikel 13 vermelde weigeringsgronden aan te voeren, kan niettemin, in overeenstemming met de beslissingsstaat, beslissen in België toe te zien op de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing, zonder dat hij de verantwoordelijkheid aanvaardt voor het nemen van latere beslissingen wanneer de veroordeelde persoon de opgelegde voorwaarden niet naleeft of tijdens de probatie een nieuw strafbaar feit pleegt.
Art.16. § 1er. Si l'autorité d'émission consulte préalablement le ministère public, celui-ci peut à cette occasion apprécier par décision motivée si la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou de la mesure en Belgique contribuent à atteindre l'objectif de réinsertion sociale et de réintégration du condamné dans la société. A cette fin, le ministère public peut charger le service des Maisons de Justice du Service public fédéral Justice de rédiger un rapport d'information succinct ou de procéder à une enquête sociale.
§ 2. En vue de statuer sur la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou la mesure, le ministère public vérifie, dès réception du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat :
1° s'il n'y a pas lieu d'appliquer une des causes de refus prévues aux articles 11 à 13;
2° si les comportements tels qu'ils sont décrits dans le certificat correspondent bien à ceux repris à l'article 11, § 2, dans le cas où le fait à la base du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation est contenu dans cette liste.
§ 3. Le ministère public vérifie si le jugement et, le cas échéant, la décision de probation sont accompagnés de conditions particulières telles que visées à l'article 4.
§ 4. Avant de décider de ne pas reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et de ne pas surveiller la peine ou la mesure pour les motifs prévus aux articles 12, 1°, 5°, 7°, 8° et 13, le ministère public consulte l'Etat d'émission par tous les moyens appropriés et, le cas échéant, lui demande d'envoyer sans délai toute information supplémentaire nécessaire.
§ 5. Lorsque le ministère public a décidé d'invoquer l'un des motifs de refus visés à l'article 13, il peut décider néanmoins, en accord avec l'Etat d'émission, d'accepter la surveillance en Belgique des conditions accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation sans avoir à assumer la responsabilité quant à la prise de décisions ultérieures lorsque la personne condamnée n'observe pas les conditions imposées ou commet une nouvelle infraction pénale pendant le délai d'épreuve.
§ 2. En vue de statuer sur la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou la mesure, le ministère public vérifie, dès réception du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat :
1° s'il n'y a pas lieu d'appliquer une des causes de refus prévues aux articles 11 à 13;
2° si les comportements tels qu'ils sont décrits dans le certificat correspondent bien à ceux repris à l'article 11, § 2, dans le cas où le fait à la base du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation est contenu dans cette liste.
§ 3. Le ministère public vérifie si le jugement et, le cas échéant, la décision de probation sont accompagnés de conditions particulières telles que visées à l'article 4.
§ 4. Avant de décider de ne pas reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et de ne pas surveiller la peine ou la mesure pour les motifs prévus aux articles 12, 1°, 5°, 7°, 8° et 13, le ministère public consulte l'Etat d'émission par tous les moyens appropriés et, le cas échéant, lui demande d'envoyer sans délai toute information supplémentaire nécessaire.
§ 5. Lorsque le ministère public a décidé d'invoquer l'un des motifs de refus visés à l'article 13, il peut décider néanmoins, en accord avec l'Etat d'émission, d'accepter la surveillance en Belgique des conditions accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation sans avoir à assumer la responsabilité quant à la prise de décisions ultérieures lorsque la personne condamnée n'observe pas les conditions imposées ou commet une nouvelle infraction pénale pendant le délai d'épreuve.
Art.17. Indien de duur van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel of van de probatie onverenigbaar is met het Belgische recht, kan het openbaar ministerie enkel beslissen deze veroordeling aan te passen wanneer die langer is dan de maximumstraf die door het Belgische recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. De duur van de aangepaste veroordeling kan niet lager liggen dan de maximumduur die volgens het Belgische recht voor vergelijkbare strafbare feiten geldt.
Indien de aard van de straf of de maatregel onverenigbaar is met het Belgische recht, kan het openbaar ministerie de veroordeling aanpassen aan een straf of maatregel die door het Belgische recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Die straf of maatregel moet voor zover mogelijk overeenkomen met de veroordeling uitgesproken in de beslissingsstaat.
De in de beslissingsstaat opgelegde straf of maatregel kan in geen geval worden verzwaard naar aard of duur.
Indien de aard van de straf of de maatregel onverenigbaar is met het Belgische recht, kan het openbaar ministerie de veroordeling aanpassen aan een straf of maatregel die door het Belgische recht voor vergelijkbare strafbare feiten is voorgeschreven. Die straf of maatregel moet voor zover mogelijk overeenkomen met de veroordeling uitgesproken in de beslissingsstaat.
De in de beslissingsstaat opgelegde straf of maatregel kan in geen geval worden verzwaard naar aard of duur.
Art.17. Si la durée de la peine ou de la mesure non privative de liberté, ou la durée de la période probatoire est incompatible avec le droit belge, le ministère public ne peut décider d'adapter cette condamnation que lorsqu'elle est supérieure à la peine maximale prévue par le droit belge pour des infractions pénales de même nature. La durée de la condamnation adaptée ne peut pas être inférieure à celle de la peine maximale prévue par le droit belge pour des infractions pénales de même nature.
Si la nature de la peine ou de la mesure est incompatible avec le droit belge, le ministère public peut adapter la condamnation à une peine ou mesure prévue par le droit belge pour des infractions pénales similaires. Cette peine ou mesure doit correspondre autant que possible à la condamnation prononcée dans l'Etat d'émission.
En aucun cas, la peine ou la mesure prononcée dans l'Etat d'émission ne peut être aggravée en ce qui concerne sa durée ou sa nature.
Si la nature de la peine ou de la mesure est incompatible avec le droit belge, le ministère public peut adapter la condamnation à une peine ou mesure prévue par le droit belge pour des infractions pénales similaires. Cette peine ou mesure doit correspondre autant que possible à la condamnation prononcée dans l'Etat d'émission.
En aucun cas, la peine ou la mesure prononcée dans l'Etat d'émission ne peut être aggravée en ce qui concerne sa durée ou sa nature.
Art.18. § 1. Onder voorbehoud van de toepassing van artikel 19, beslist het openbaar ministerie zodra dit mogelijk is en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het certificaat, over de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en over het toezicht op de straf of maatregel, waarna hij de beslissingsstaat hiervan in kennis stelt.
§ 2. De beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing al dan niet te erkennen en toezicht te houden op de straf of de maatregel en eventueel de beslissing tot aanpassing van de straf worden betekend aan de betrokken persoon wanneer die zich op het Belgisch grondgebied bevindt. De persoon kan de beslissing van het openbaar ministerie betwisten en de zaak aanhangig maken bij de raadkamer door middel van een verzoekschrift gericht aan de griffie, binnen een termijn van vierentwintig uur te rekenen vanaf de betekening van de beslissing.
De raadkamer doet enkel uitspraak op grond van artikel 16, § 2, binnen een termijn van vijftien dagen. Tegen de beslissing van de raadkamer kan cassatieberoep worden ingesteld.
§ 3. Wanneer de beslissing tot erkenning en toezicht definitief is en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het vonnis en in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het certificaat, brengt het openbaar ministerie de beslissingsstaat hiervan op de hoogte.
§ 4. Wanneer het openbaar ministerie beslist om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing te erkennen, stelt hij de beslissingsstaat in kennis van enige beslissing tot aanpassing overeenkomstig artikel 17 en neemt hij onverwijld alle maatregelen die nodig zijn voor het toezicht op de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel volgens de regels van het Belgische recht. De beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing te erkennen, maakt de in de beslissingsstaat uitgesproken straf of maatregel rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België voor het deel dat nog moet worden ondergaan.
§ 5. Indien het, in uitzonderlijke gevallen, het openbaar ministerie onmogelijk is de in § 3 bedoelde termijn van zestig dagen na te leven, stelt hij de beslissingsstaat hiervan onverwijld in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de tijd die deze nog voor het nemen van een definitieve beslissing nodig zal hebben.
§ 2. De beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de proeftijdbeslissing al dan niet te erkennen en toezicht te houden op de straf of de maatregel en eventueel de beslissing tot aanpassing van de straf worden betekend aan de betrokken persoon wanneer die zich op het Belgisch grondgebied bevindt. De persoon kan de beslissing van het openbaar ministerie betwisten en de zaak aanhangig maken bij de raadkamer door middel van een verzoekschrift gericht aan de griffie, binnen een termijn van vierentwintig uur te rekenen vanaf de betekening van de beslissing.
De raadkamer doet enkel uitspraak op grond van artikel 16, § 2, binnen een termijn van vijftien dagen. Tegen de beslissing van de raadkamer kan cassatieberoep worden ingesteld.
§ 3. Wanneer de beslissing tot erkenning en toezicht definitief is en uiterlijk binnen een termijn van zestig dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het vonnis en in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het certificaat, brengt het openbaar ministerie de beslissingsstaat hiervan op de hoogte.
§ 4. Wanneer het openbaar ministerie beslist om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing te erkennen, stelt hij de beslissingsstaat in kennis van enige beslissing tot aanpassing overeenkomstig artikel 17 en neemt hij onverwijld alle maatregelen die nodig zijn voor het toezicht op de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel volgens de regels van het Belgische recht. De beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing te erkennen, maakt de in de beslissingsstaat uitgesproken straf of maatregel rechtstreeks en onmiddellijk uitvoerbaar in België voor het deel dat nog moet worden ondergaan.
§ 5. Indien het, in uitzonderlijke gevallen, het openbaar ministerie onmogelijk is de in § 3 bedoelde termijn van zestig dagen na te leven, stelt hij de beslissingsstaat hiervan onverwijld in kennis, met opgave van de redenen voor de vertraging en van de tijd die deze nog voor het nemen van een definitieve beslissing nodig zal hebben.
Art.18. § 1er. Sous réserve de l'application de l'article 19, le ministère public statue dès que possible, et au plus tard dans un délai de soixante jours à compter de la réception du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat, sur la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou de la mesure et en informe l'Etat d'émission.
§ 2. La décision de reconnaître ou non le jugement et, le cas échéant, la décision de probation, de surveiller la peine ou la mesure et, éventuellement, la décision d'adapter la peine sont signifiées à la personne concernée, lorsque celle-ci se trouve sur le territoire belge. La personne peut contester la décision du ministère public et saisir la chambre du conseil par requête au greffe, dans un délai de vingt-quatre heures à compter de la signification de la décision.
La chambre du conseil statue, dans un délai de quinze jours, uniquement sur la base de l'article 16, § 2. La décision de la chambre du conseil peut faire l'objet d'un pourvoi en cassation.
§ 3. Lorsque la décision de reconnaissance et de surveillance est définitive et au plus tard dans un délai de soixante jours à compter de la réception du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat, le ministère public en informe l'Etat d'émission.
§ 4. Lorsque le ministère public décide de reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation, il informe l'Etat d'émission de toute décision d'adaptation prise conformément à l'article 17 et prend sans délai toutes les mesures nécessaires en vue de la surveillance selon les règles de droit belge de la peine ou de la mesure non privative de liberté. La décision de reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation rend la peine ou la mesure prononcée dans l'Etat d'émission directement et immédiatement exécutoire en Belgique pour la partie qui reste à subir.
§ 5. Si, dans des cas exceptionnels, le ministère public n'est pas en mesure de respecter le délai de soixante jours prévu au § 3, il en informe sans délai l'Etat d'émission en indiquant les raisons du retard et le temps qu'il estime nécessaire pour rendre la décision finale.
§ 2. La décision de reconnaître ou non le jugement et, le cas échéant, la décision de probation, de surveiller la peine ou la mesure et, éventuellement, la décision d'adapter la peine sont signifiées à la personne concernée, lorsque celle-ci se trouve sur le territoire belge. La personne peut contester la décision du ministère public et saisir la chambre du conseil par requête au greffe, dans un délai de vingt-quatre heures à compter de la signification de la décision.
La chambre du conseil statue, dans un délai de quinze jours, uniquement sur la base de l'article 16, § 2. La décision de la chambre du conseil peut faire l'objet d'un pourvoi en cassation.
§ 3. Lorsque la décision de reconnaissance et de surveillance est définitive et au plus tard dans un délai de soixante jours à compter de la réception du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat, le ministère public en informe l'Etat d'émission.
§ 4. Lorsque le ministère public décide de reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation, il informe l'Etat d'émission de toute décision d'adaptation prise conformément à l'article 17 et prend sans délai toutes les mesures nécessaires en vue de la surveillance selon les règles de droit belge de la peine ou de la mesure non privative de liberté. La décision de reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation rend la peine ou la mesure prononcée dans l'Etat d'émission directement et immédiatement exécutoire en Belgique pour la partie qui reste à subir.
§ 5. Si, dans des cas exceptionnels, le ministère public n'est pas en mesure de respecter le délai de soixante jours prévu au § 3, il en informe sans délai l'Etat d'émission en indiquant les raisons du retard et le temps qu'il estime nécessaire pour rendre la décision finale.
Art.19. Indien het in artikel 7 bedoelde certificaat onvolledig is of kennelijk niet overeenstemt met het vonnis of, in voorkomend geval, de probatiebeslissing kan de beslissing tot erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of de maatregel worden uitgesteld totdat het certificaat, binnen een redelijke termijn bepaald door het openbaar ministerie, volledig is of gecorrigeerd overeenkomstig artikel 13, § 2.
Art.19. La décision concernant la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et la surveillance de la peine ou de la mesure peut être reportée lorsque le certificat visé à l'article 7 est incomplet ou ne correspond manifestement pas au jugement et, le cas échéant, à la décision de probation, pendant un délai raisonnable fixé par le ministère public pour qu'il puisse être complété ou rectifié conformément à l'article 13, § 2.
Art.20. In het geval dat de beslissingsstaat het certificaat intrekt naar aanleiding van informatie met betrekking tot de aanpassing van de aard of de duur van de straf of de maatregel terwijl geen aanvang is gemaakt met het toezicht op de straf of maatregel op het Belgische grondgebied, beëindigt het openbaar ministerie het toezicht op de straf of maatregel.
Het openbaar ministerie beëindigt het toezicht op de straf of de maatregel zodra hij door de beslissingsstaat in kennis is gesteld van enige beslissing of maatregel waardoor de veroordeling niet langer uitvoerbaar is.
Het openbaar ministerie beëindigt het toezicht op de straf of de maatregel zodra hij door de beslissingsstaat in kennis is gesteld van enige beslissing of maatregel waardoor de veroordeling niet langer uitvoerbaar is.
Art.20. Dans le cas où l'Etat d'émission retire le certificat suite aux informations relatives à l'adaptation de la nature ou la durée de la peine ou de la mesure, alors que la surveillance de la peine ou de la mesure n'a pas encore commencé sur le territoire belge, le ministère public met fin à la surveillance de la peine ou de la mesure.
Le ministère public met fin à la surveillance de la peine ou de la mesure dès qu'il est informé par l'Etat d'émission de toute décision ou mesure qui a pour effet d'ôter à la condamnation son caractère exécutoire.
Le ministère public met fin à la surveillance de la peine ou de la mesure dès qu'il est informé par l'Etat d'émission de toute décision ou mesure qui a pour effet d'ôter à la condamnation son caractère exécutoire.
Afdeling 4. - Toezicht op de straf of de maatregel en de gevolgen ervan
Section 4. - Surveillance de la peine ou de la mesure et ses conséquences
Art.21. § 1. Onverminderd artikel 16, § 5, wordt het toezicht op de straf of maatregel beheerst door het Belgische recht, met inbegrip van de te nemen beslissingen wanneer de veroordeelde persoon de opgelegde voorwaarden niet naleeft of een nieuw strafbaar feit pleegt.
§ 2. Het toezicht op de in artikel 4, 8°, bepaalde voorwaarde kan worden uitgeoefend door de veroordeelde persoon te verzoeken om het bewijs te leveren te hebben voldaan aan de verplichting tot vergoeding van de door het strafbaar feit veroorzaakte schade.
§ 3. Indien de veroordeelde persoon zich aan het toezicht onttrekt of niet langer een wettige en vaste verblijfplaats in België heeft, kan het openbaar ministerie de bevoegdheid inzake het toezicht op de straf of maatregel opnieuw overdragen aan de beslissingsstaat.
§ 4. Wanneer de beslissingsstaat erom verzoekt, wegens een nieuwe strafvervolging tegen de veroordeelde persoon, kan het openbaar ministerie deze Staat opnieuw bevoegd maken voor het toezicht op de straf of maatregel.
§ 2. Het toezicht op de in artikel 4, 8°, bepaalde voorwaarde kan worden uitgeoefend door de veroordeelde persoon te verzoeken om het bewijs te leveren te hebben voldaan aan de verplichting tot vergoeding van de door het strafbaar feit veroorzaakte schade.
§ 3. Indien de veroordeelde persoon zich aan het toezicht onttrekt of niet langer een wettige en vaste verblijfplaats in België heeft, kan het openbaar ministerie de bevoegdheid inzake het toezicht op de straf of maatregel opnieuw overdragen aan de beslissingsstaat.
§ 4. Wanneer de beslissingsstaat erom verzoekt, wegens een nieuwe strafvervolging tegen de veroordeelde persoon, kan het openbaar ministerie deze Staat opnieuw bevoegd maken voor het toezicht op de straf of maatregel.
Art.21. § 1er. Sans préjudice de l'article 16, § 5, la surveillance de la peine ou de la mesure est régie par le droit belge, en ce compris pour les décisions à prendre lorsque la personne condamnée n'observe pas les conditions imposées ou commet une nouvelle infraction pénale.
§ 2. La surveillance de la condition prévue à l'article 4, 8° peut être effectuée en demandant à la personne condamnée d'apporter la preuve que l'obligation de réparer le préjudice causé par l'infraction pénale a été respectée.
§ 3. Si la personne condamnée prend la fuite ou n'a plus sa résidence légale et habituelle en Belgique, le ministère public peut transférer à nouveau à l'autorité d'émission la compétence de surveiller la peine ou la mesure.
§ 4. Lorsque l'autorité d'émission le demande, en raison de l'existence d'une nouvelle procédure pénale engagée contre la personne condamnée, le ministère public peut transférer à nouveau la compétence de surveiller la peine ou la mesure audit Etat.
§ 2. La surveillance de la condition prévue à l'article 4, 8° peut être effectuée en demandant à la personne condamnée d'apporter la preuve que l'obligation de réparer le préjudice causé par l'infraction pénale a été respectée.
§ 3. Si la personne condamnée prend la fuite ou n'a plus sa résidence légale et habituelle en Belgique, le ministère public peut transférer à nouveau à l'autorité d'émission la compétence de surveiller la peine ou la mesure.
§ 4. Lorsque l'autorité d'émission le demande, en raison de l'existence d'une nouvelle procédure pénale engagée contre la personne condamnée, le ministère public peut transférer à nouveau la compétence de surveiller la peine ou la mesure audit Etat.
Afdeling 5. - Gegevens die moeten worden toegezonden aan de beslissingsstaat
Section 5. - Informations à transmettre à l'Etat d'émission
Art.22. § 1. Het openbaar ministerie stelt de beslissingsstaat onverwijld, op een zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van :
1° het feit dat het in de praktijk onmogelijk is om toezicht te houden op de straf of maatregel omdat de veroordeelde persoon niet op het Belgische grondgebied kan worden gevonden;
2° de beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing te erkennen en de verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het toezicht op de straf of maatregel;
3° enige met redenen omklede beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing niet te erkennen;
4° de met redenen omklede beslissing om de straf of maatregel overeenkomstig artikel 17 aan te passen;
5° de in voorkomend geval met redenen omklede beslissing tot amnestie of gratie, die tot gevolg heeft dat een vonnis en, in voorkomend geval, een probatiebeslissing niet wordt erkend;
6° enige wijziging van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
7° de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
8° de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf wegens het niet- naleven van de opgelegde voorwaarden;
9° het aflopen van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
10° alle omstandigheden of vaststellingen die tot gevolg zouden kunnen hebben dat een of meer van de in de 6° tot 9° bedoelde beslissingen worden gegeven.
§ 2. Wanneer het openbaar ministerie het toezicht op de straf of maatregel heeft aanvaard overeenkomstig artikel 16, § 5, moet hij de beslissingsstaat eveneens in kennis stellen van enige niet-naleving van de straf of maatregel door middel van een formulier opgesteld in de vorm voorgeschreven in bijlage 2 bij deze wet.
1° het feit dat het in de praktijk onmogelijk is om toezicht te houden op de straf of maatregel omdat de veroordeelde persoon niet op het Belgische grondgebied kan worden gevonden;
2° de beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing te erkennen en de verantwoordelijkheid te aanvaarden voor het toezicht op de straf of maatregel;
3° enige met redenen omklede beslissing om het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing niet te erkennen;
4° de met redenen omklede beslissing om de straf of maatregel overeenkomstig artikel 17 aan te passen;
5° de in voorkomend geval met redenen omklede beslissing tot amnestie of gratie, die tot gevolg heeft dat een vonnis en, in voorkomend geval, een probatiebeslissing niet wordt erkend;
6° enige wijziging van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
7° de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
8° de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende straf wegens het niet- naleven van de opgelegde voorwaarden;
9° het aflopen van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
10° alle omstandigheden of vaststellingen die tot gevolg zouden kunnen hebben dat een of meer van de in de 6° tot 9° bedoelde beslissingen worden gegeven.
§ 2. Wanneer het openbaar ministerie het toezicht op de straf of maatregel heeft aanvaard overeenkomstig artikel 16, § 5, moet hij de beslissingsstaat eveneens in kennis stellen van enige niet-naleving van de straf of maatregel door middel van een formulier opgesteld in de vorm voorgeschreven in bijlage 2 bij deze wet.
Art.22. § 1er. Le ministère public informe sans délai l'Etat d'émission par tout moyen laissant une trace écrite :
1° de l'impossibilité pratique de surveiller la peine ou la mesure parce que la personne condamnée ne peut être retrouvée sur le territoire belge;
2° de la décision de reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et d'assumer la responsabilité de la surveillance de la peine ou la mesure;
3° de toute décision motivée de refus de reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation;
4° de la décision motivée d'adapter la peine ou la mesure conformément à l'article 17;
5° de la décision motivée de ne pas reconnaître un jugement et, le cas échéant, une décision de probation lorsque l'amnistie ou la grâce sont accordées;
6° de toute modification de la peine ou la mesure non privative de liberté;
7° de la révocation du sursis probatoire ou de la décision de libération conditionnelle;
8° de l'exécution d'une peine privative de liberté en raison de l'inobservation des conditions imposées;
9° de l'extinction de la peine ou de la mesure non privative de liberté;
10° de toute circonstance ou constatation qui lui paraît susceptible d'emporter l'adoption d'une ou de plusieurs des décisions visées aux 6° à 9°.
§ 2. Lorsque le ministère public a accepté la surveillance de le peine ou de la mesure en application de l'article 16, § 5, il doit également informer l'Etat d'émission de tout manquement à la peine ou la mesure par le biais d'un formulaire établi dans les formes prescrites à l'annexe 2 de la présente loi.
1° de l'impossibilité pratique de surveiller la peine ou la mesure parce que la personne condamnée ne peut être retrouvée sur le territoire belge;
2° de la décision de reconnaître le jugement et, le cas échéant, la décision de probation et d'assumer la responsabilité de la surveillance de la peine ou la mesure;
3° de toute décision motivée de refus de reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation;
4° de la décision motivée d'adapter la peine ou la mesure conformément à l'article 17;
5° de la décision motivée de ne pas reconnaître un jugement et, le cas échéant, une décision de probation lorsque l'amnistie ou la grâce sont accordées;
6° de toute modification de la peine ou la mesure non privative de liberté;
7° de la révocation du sursis probatoire ou de la décision de libération conditionnelle;
8° de l'exécution d'une peine privative de liberté en raison de l'inobservation des conditions imposées;
9° de l'extinction de la peine ou de la mesure non privative de liberté;
10° de toute circonstance ou constatation qui lui paraît susceptible d'emporter l'adoption d'une ou de plusieurs des décisions visées aux 6° à 9°.
§ 2. Lorsque le ministère public a accepté la surveillance de le peine ou de la mesure en application de l'article 16, § 5, il doit également informer l'Etat d'émission de tout manquement à la peine ou la mesure par le biais d'un formulaire établi dans les formes prescrites à l'annexe 2 de la présente loi.
Art.23. Indien de beslissingsstaat hierom verzoekt, stelt het openbaar ministerie die Staat onmiddellijk na ontvangst van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en het certificaat, en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van de maximumduur van de vrijheidsbeneming waarin het Belgische recht voorziet voor het strafbare feit dat aanleiding heeft gegeven tot de beslissing, en welke kan worden opgelegd aan de veroordeelde personen die de opgelegde voorwaarden niet naleven.
Art.23. Lorsque l'Etat d'émission le demande, le ministère public l'informe immédiatement après réception du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat et par tout moyen laissant une trace écrite de la durée maximale de la privation de liberté prévue en droit belge pour l'infraction pénale qui a donné lieu au jugement et qui pourrait être prononcée à l'encontre des personnes condamnées en cas d'inobservation des conditions imposées.
HOOFDSTUK 4. - Procedure inzake de erkenning van en het toezicht op een in België gegeven vonnis en, in voorkomend geval, een probatiebeslissing in een andere lidstaat van de Europese Unie
CHAPITRE 4. - Procédure relative à la reconnaissance et à la surveillance dans un autre Etat membre de l'Union européenne d'un jugement et, le cas échéant, d'une décision de probation rendu en Belgique
Afdeling 1. - Bevoegde beslissingsautoriteit
Section 1re. - Autorité compétente d'émission
Art.24. Het openbaar ministerie van de plaats van de wettige en vaste verblijfplaats of van de plaats waar het vonnis werd uitgesproken, is de autoriteit die bevoegd is om een vonnis en, in voorkomend geval, een probatiebeslissing toe te zenden met het oog op de erkenning en het toezicht in een andere lidstaat.
Art.24. L'autorité compétente pour transmettre un jugement et, le cas échéant, une décision de probation aux fins de reconnaissance et de surveillance dans un autre Etat membre est le ministère public du lieu de résidence légale et habituelle ou, selon le cas, du lieu de condamnation.
Afdeling 2. - Procedure voor de tenuitvoerlegging
Section 2. - Procédure d'émission
Art.25. Wanneer het voorafgaand akkoord van de tenuitvoerleggingsstaat vereist is krachtens artikel 5, § 3, verzoekt het openbaar ministerie de tenuitvoerleggingsstaat om dit voorafgaand akkoord te geven voor de toezending van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing.
Indien de tenuitvoerleggingsstaat zijn voorafgaand akkoord geeft, zendt het openbaar ministerie het vonnis, en in voorkomend geval, de probatiebeslissing, tezamen met het certificaat toe aan de tenuitvoerleggingsautoriteit met het oog op de erkenning en het toezicht.
Indien de tenuitvoerleggingsstaat zijn voorafgaand akkoord geeft, zendt het openbaar ministerie het vonnis, en in voorkomend geval, de probatiebeslissing, tezamen met het certificaat toe aan de tenuitvoerleggingsautoriteit met het oog op de erkenning en het toezicht.
Art.25. Lorsque l'accord préalable de l'Etat d'exécution est nécessaire en vertu de l'article 5, § 3, le ministère public demande à l'Etat d'exécution de donner son accord préalable à la transmission du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation.
Si l'Etat d'exécution donne son accord préalable, le ministère public transmet le jugement et, le cas échéant, la décision de probation accompagnés du certificat à l'autorité d'exécution aux fins de reconnaissance et de surveillance.
Si l'Etat d'exécution donne son accord préalable, le ministère public transmet le jugement et, le cas échéant, la décision de probation accompagnés du certificat à l'autorité d'exécution aux fins de reconnaissance et de surveillance.
Art.26. § 1. Het openbaar ministerie zendt de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing tezamen met het certificaat dat moet worden vertaald in de officiële taal of een van de officiële talen van deze Staat of in een of meer andere officiële talen van de instellingen van de Europese Unie die deze Staat aanvaardt op grond van een verklaring neergelegd bij het Secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie indien aan de volgende voorwaarden is voldaan :
1° de tenuitvoerleggingsstaat heeft ingestemd met de toezending van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en van het certificaat, overeenkomstig artikel 5, § 3; en
2° het openbaar ministerie heeft de zekerheid verworven dat de tenuitvoerlegging van de veroordeling in de tenuitvoerleggingsstaat bijdraagt tot de doelstelling van de maatschappelijke reclassering.
Het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing tezamen met het certificaat kunnen slechts aan een enkele tenuitvoerleggingsstaat tegelijk worden toegezonden.
§ 2. Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet is gekend, kunnen de nodige opsporingen worden verricht door enig middel, daaronder begrepen door toedoen van de aanspreekpunten van het Europees justitieel netwerk, teneinde deze informatie te verkrijgen van de tenuitvoerleggingsstaat.
1° de tenuitvoerleggingsstaat heeft ingestemd met de toezending van het vonnis en, in voorkomend geval, van de probatiebeslissing en van het certificaat, overeenkomstig artikel 5, § 3; en
2° het openbaar ministerie heeft de zekerheid verworven dat de tenuitvoerlegging van de veroordeling in de tenuitvoerleggingsstaat bijdraagt tot de doelstelling van de maatschappelijke reclassering.
Het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing tezamen met het certificaat kunnen slechts aan een enkele tenuitvoerleggingsstaat tegelijk worden toegezonden.
§ 2. Indien de bevoegde autoriteit van de tenuitvoerleggingsstaat niet is gekend, kunnen de nodige opsporingen worden verricht door enig middel, daaronder begrepen door toedoen van de aanspreekpunten van het Europees justitieel netwerk, teneinde deze informatie te verkrijgen van de tenuitvoerleggingsstaat.
Art.26. § 1er. Le ministère public adresse à l'autorité compétente d'un autre Etat membre le jugement et, le cas échéant, la décision de probation accompagnés du certificat qui doit être traduit dans la langue officielle ou dans une des langues officielles de cet Etat ou dans une ou plusieurs autres langues officielles des institutions de l'Union européenne que cet Etat accepte en vertu d'une déclaration faite auprès du Secrétariat général du Conseil de l'Union européenne, lorsque les conditions suivantes sont remplies :
1° l'Etat d'exécution a consenti à la transmission du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat, conformément à l'article 5 § 3; et
2° le ministère public a acquis la certitude que l'exécution de la condamnation dans l'Etat d'exécution contribue à atteindre l'objectif de réinsertion sociale.
Le jugement et, le cas échéant, la décision de probation accompagnés du certificat ne peuvent être transmis qu'à un seul Etat d'exécution à la fois.
§ 2. Si l'autorité compétente de l'Etat d'exécution n'est pas connue, les recherches nécessaires peuvent être effectuées par tout moyen, y compris via les points de contact du réseau judiciaire européen, en vue d'obtenir cette information de l'Etat d'exécution.
1° l'Etat d'exécution a consenti à la transmission du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et du certificat, conformément à l'article 5 § 3; et
2° le ministère public a acquis la certitude que l'exécution de la condamnation dans l'Etat d'exécution contribue à atteindre l'objectif de réinsertion sociale.
Le jugement et, le cas échéant, la décision de probation accompagnés du certificat ne peuvent être transmis qu'à un seul Etat d'exécution à la fois.
§ 2. Si l'autorité compétente de l'Etat d'exécution n'est pas connue, les recherches nécessaires peuvent être effectuées par tout moyen, y compris via les points de contact du réseau judiciaire européen, en vue d'obtenir cette information de l'Etat d'exécution.
Afdeling 3. - Afgifte van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en de gevolgen ervan
Section 3. - Emission du jugement et, le cas échéant, la décision de probation et ses conséquences
Art.27. De straf of maatregel kan niet langer ten uitvoer worden gelegd op het Belgische grondgebied zodra het openbaar ministerie door de tenuitvoerleggingsstaat in kennis is gesteld van de erkenning van het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en het toezicht op de straf of maatregel.
Art.27. La peine ou la mesure ne peut plus être exécutée sur le territoire belge dès que le ministère public est informé par l'Etat d'exécution de la reconnaissance du jugement et, le cas échéant, de la décision de probation et de la surveillance de la peine ou de la mesure.
Art.28. § 1. Het openbaar ministerie wordt opnieuw bevoegd voor het toezicht op de straf of maatregel wanneer de tenuitvoerleggingsstaat de bevoegdheid overdraagt aan het openbaar ministerie naar aanleiding van :
1° het verzoek van het openbaar ministerie indien een nieuwe strafvervolging tegen de veroordeelde persoon is ingesteld in België;
2° de vaststelling dat de veroordeelde persoon zich aan het toezicht heeft onttrokken of niet langer een wettige en vaste verblijfplaats in de tenuitvoerleggingsstaat heeft.
§ 2. In de gevallen bedoeld in § 1 houdt het openbaar ministerie toezicht op de straf of de maatregel en houdt er rekening mee hoelang de veroordeelde persoon al aan de bijzondere voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing heeft voldaan in de tenuitvoerleggingsstaat; tevens houdt hij rekening met elke beslissing die de tenuitvoerleggingsautoriteit heeft genomen met betrekking tot :
1° de wijziging van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
2° de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
3° de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf wegens het niet- naleven van de opgelegde voorwaarden;
4° het aflopen van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
5° alle omstandigheden of vaststellingen die volgens hem tot gevolg zouden kunnen hebben dat een of meer van de in de 1° tot 4° bedoelde beslissingen worden gegeven.
1° het verzoek van het openbaar ministerie indien een nieuwe strafvervolging tegen de veroordeelde persoon is ingesteld in België;
2° de vaststelling dat de veroordeelde persoon zich aan het toezicht heeft onttrokken of niet langer een wettige en vaste verblijfplaats in de tenuitvoerleggingsstaat heeft.
§ 2. In de gevallen bedoeld in § 1 houdt het openbaar ministerie toezicht op de straf of de maatregel en houdt er rekening mee hoelang de veroordeelde persoon al aan de bijzondere voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing heeft voldaan in de tenuitvoerleggingsstaat; tevens houdt hij rekening met elke beslissing die de tenuitvoerleggingsautoriteit heeft genomen met betrekking tot :
1° de wijziging van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
2° de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
3° de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf wegens het niet- naleven van de opgelegde voorwaarden;
4° het aflopen van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel;
5° alle omstandigheden of vaststellingen die volgens hem tot gevolg zouden kunnen hebben dat een of meer van de in de 1° tot 4° bedoelde beslissingen worden gegeven.
Art.28. § 1er. Le ministère public recouvre la compétence pour surveiller la peine ou la mesure lorsque l'Etat d'exécution transfert la compétence au ministère public suite à :
1° la demande du ministère public en raison de l'existence d'une nouvelle procédure pénale engagée contre la personne condamnée en Belgique;
2° la constatation que la personne condamnée a pris la fuite ou n'a plus sa résidence légale et habituelle dans l'Etat d'exécution.
§ 2. Dans les cas visés au § 1er, le ministère public surveille la peine ou la mesure en tenant compte de la période durant laquelle la personne condamnée a respecté les conditions particulières accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation sur le territoire de l'Etat d'exécution ainsi que de toute décision prise par l'autorité d'exécution et relative à :
1° la modification de la peine ou de la mesure non privative de liberté;
2° la révocation du sursis probatoire ou de la décision de libération conditionnelle;
3° l'exécution d'une peine privative de liberté en raison de l'inobservation des conditions imposées;
4° l'extinction de la peine ou de la mesure non privative de liberté;
5° toute circonstance ou constatation qui lui paraît susceptible d'emporter l'adoption d'une ou de plusieurs des décisions visées aux 1° à 4°.
1° la demande du ministère public en raison de l'existence d'une nouvelle procédure pénale engagée contre la personne condamnée en Belgique;
2° la constatation que la personne condamnée a pris la fuite ou n'a plus sa résidence légale et habituelle dans l'Etat d'exécution.
§ 2. Dans les cas visés au § 1er, le ministère public surveille la peine ou la mesure en tenant compte de la période durant laquelle la personne condamnée a respecté les conditions particulières accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation sur le territoire de l'Etat d'exécution ainsi que de toute décision prise par l'autorité d'exécution et relative à :
1° la modification de la peine ou de la mesure non privative de liberté;
2° la révocation du sursis probatoire ou de la décision de libération conditionnelle;
3° l'exécution d'une peine privative de liberté en raison de l'inobservation des conditions imposées;
4° l'extinction de la peine ou de la mesure non privative de liberté;
5° toute circonstance ou constatation qui lui paraît susceptible d'emporter l'adoption d'une ou de plusieurs des décisions visées aux 1° à 4°.
Art.29. Het toezicht kan worden hernomen op het Belgisch grondgebied zodra het openbaar ministerie beslist om het certificaat in te trekken, voor zover dat toezicht nog niet is aangevat op het grondgebied van de tenuitvoerleggingsstaat :
1° naar aanleiding van de kennisgeving van de tenuitvoerleggingsstaat van zijn beslissing om de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing aan te passen; of
2° na op zijn verzoek door de tenuitvoerleggingsstaat in kennis te zijn gesteld van de maximumduur van de vrijheidsbeneming waarin het Belgische recht voorziet voor het strafbare feit dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en welke kan worden opgelegd aan de veroordeelde persoon die de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing niet naleeft.
In de in het eerste lid, 2°, bedoelde hypothese moet het openbaar ministerie de beslissingsstaat ten laatste binnen tien dagen na ontvangst van de informatie en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis stellen van zijn beslissing om het certificaat in te trekken.
1° naar aanleiding van de kennisgeving van de tenuitvoerleggingsstaat van zijn beslissing om de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing aan te passen; of
2° na op zijn verzoek door de tenuitvoerleggingsstaat in kennis te zijn gesteld van de maximumduur van de vrijheidsbeneming waarin het Belgische recht voorziet voor het strafbare feit dat aanleiding heeft gegeven tot het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing en welke kan worden opgelegd aan de veroordeelde persoon die de voorwaarden bij het vonnis en, in voorkomend geval, de probatiebeslissing niet naleeft.
In de in het eerste lid, 2°, bedoelde hypothese moet het openbaar ministerie de beslissingsstaat ten laatste binnen tien dagen na ontvangst van de informatie en op zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis stellen van zijn beslissing om het certificaat in te trekken.
Art.29. La surveillance peut être reprise sur le territoire belge dès que le ministère public décide de retirer le certificat, pour autant que ladite surveillance n'ait pas encore commencé sur le territoire de l'Etat d'exécution :
1° suite à l'information par l'Etat d'exécution de sa décision d'adapter les conditions accompagnant le jugement, et, le cas échéant, la décision de probation; ou
2° après avoir été informé à sa demande par l'Etat d'exécution de la durée maximale de la privation de liberté prévue par son droit belge pour l'infraction pénale ayant donné lieu au jugement et, le cas échéant, la décision de probation, et qui pourrait être prononcée à l'encontre de la personne condamnée en cas de non-respect des conditions accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, 2°, le ministère public doit informer, par tout moyen laissant une trace écrite, l'Etat d'émission de sa décision de retirer le certificat au plus tard dans les dix jours suivant la réception des informations.
1° suite à l'information par l'Etat d'exécution de sa décision d'adapter les conditions accompagnant le jugement, et, le cas échéant, la décision de probation; ou
2° après avoir été informé à sa demande par l'Etat d'exécution de la durée maximale de la privation de liberté prévue par son droit belge pour l'infraction pénale ayant donné lieu au jugement et, le cas échéant, la décision de probation, et qui pourrait être prononcée à l'encontre de la personne condamnée en cas de non-respect des conditions accompagnant le jugement et, le cas échéant, la décision de probation.
Dans l'hypothèse visée à l'alinéa 1er, 2°, le ministère public doit informer, par tout moyen laissant une trace écrite, l'Etat d'émission de sa décision de retirer le certificat au plus tard dans les dix jours suivant la réception des informations.
Art.30. Indien de tenuitvoerleggingsstaat heeft verklaard dat hij de bevoegdheid voor de te nemen beslissingen weigert op te nemen wanneer de veroordeelde persoon de opgelegde voorwaarden niet naleeft of wanneer de veroordeelde persoon tijdens de probatie een nieuw strafbaar feit pleegt en indien de tenuitvoerleggingsstaat daartoe een formulier opgesteld in de vorm voorgeschreven in bijlage 2 bij deze wet toezendt, ressorteert die bevoegdheid onder de ter zake toepasselijke regels van het Belgische recht.
Art.30. Lorsque l'Etat d'exécution a déclaré qu'il refusera d'assumer la compétence pour les décisions à prendre soit en cas d'inobservation par la personne condamnée des conditions imposées soit lorsque la personne commet une nouvelle infraction pénale durant le délai d'épreuve et lorsque l'Etat d'exécution transmet à cette fin le formulaire établi dans les formes prescrites en annexe 2 de la présente loi, ladite compétence relève des règles du droit belge applicables en la matière.
Afdeling 4. - Gegevens die moeten worden toegezonden aan de tenuitvoerleggingsstaat
Section 4. - Informations à transmettre à l'Etat d'exécution
Art.31. Het openbaar ministerie stelt de tenuitvoerleggingsstaat onverwijld, op een zodanige wijze dat de kennisgeving schriftelijk kan worden vastgelegd, in kennis van :
1° de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
2° de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien een dergelijke maatregel niet is opgenomen in het vonnis en, in voorkomend geval, in de probatiebeslissing;
3° het opleggen van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien een dergelijke maatregel niet is opgenomen in het vonnis en, in voorkomend geval, in de probatiebeslissing;
4° het aflopen van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel.
1° de herroeping van de opschorting van de tenuitvoerlegging van het vonnis of van de voorwaardelijke invrijheidstelling;
2° de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien een dergelijke maatregel niet is opgenomen in het vonnis en, in voorkomend geval, in de probatiebeslissing;
3° het opleggen van een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel, indien een dergelijke maatregel niet is opgenomen in het vonnis en, in voorkomend geval, in de probatiebeslissing;
4° het aflopen van de niet-vrijheidsbenemende straf of maatregel.
Art.31. Le ministère public informe sans délai l'Etat d'exécution par tout moyen laissant une trace écrite :
1° de la révocation du sursis probatoire ou de la décision de libération conditionnelle;
2° de l'exécution d'une peine ou d'une mesure privative de liberté si celle-ci n'est pas contenue dans le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
3° du prononcé d'une peine ou d'une mesure privative de liberté si celle-ci n'est pas contenue dans le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
4° de l'extinction de la peine ou la mesure non privative de liberté.
1° de la révocation du sursis probatoire ou de la décision de libération conditionnelle;
2° de l'exécution d'une peine ou d'une mesure privative de liberté si celle-ci n'est pas contenue dans le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
3° du prononcé d'une peine ou d'une mesure privative de liberté si celle-ci n'est pas contenue dans le jugement et, le cas échéant, la décision de probation;
4° de l'extinction de la peine ou la mesure non privative de liberté.
HOOFDSTUK 5. - Overgangsbepaling
CHAPITRE 5. - Disposition transitoire
Art.32. § 1. Deze wet is van toepassing op de toezending van vonnissen betreffende :
1° iedere in België veroordeelde persoon naar een lidstaat van de Europese Unie en;
2° iedere in een lidstaat van de Europese Unie veroordeelde persoon naar België.
§ 2. In het kader van de betrekkingen met de lidstaten die het kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve maatregelen niet hebben omgezet, blijven de bepalingen van hoofdstuk V van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, alsook de bestaande instrumenten op het gebied van tenuitvoerlegging van en het toezicht op niet-vrijheidsberovende maatregelen van toepassing.
1° iedere in België veroordeelde persoon naar een lidstaat van de Europese Unie en;
2° iedere in een lidstaat van de Europese Unie veroordeelde persoon naar België.
§ 2. In het kader van de betrekkingen met de lidstaten die het kaderbesluit 2008/947/JBZ van de Raad van 27 november 2008 inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op vonnissen en proeftijdbeslissingen met het oog op het toezicht op proeftijdvoorwaarden en alternatieve maatregelen niet hebben omgezet, blijven de bepalingen van hoofdstuk V van de wet van 23 mei 1990 inzake de overbrenging tussen Staten van veroordeelde personen, de overname en de overdracht van het toezicht op voorwaardelijk veroordeelde of voorwaardelijk in vrijheid gestelde personen, en de overname en de overdracht van de tenuitvoerlegging van vrijheidsbenemende straffen en maatregelen, alsook de bestaande instrumenten op het gebied van tenuitvoerlegging van en het toezicht op niet-vrijheidsberovende maatregelen van toepassing.
Art.32. § 1er. La présente loi s'applique à la transmission de jugements :
1° de toute personne condamnée en Belgique vers un Etat membre de l'Union européenne et;
2° de toute personne condamnée dans un Etat membre de l'Union européenne vers la Belgique.
§ 2. Dans les relations avec les Etats membres qui n'ont pas transposé la décision-cadre 2008/947/JAI du Conseil du 27 novembre 2008 concernant l'application du principe de reconnaissance mutuelle aux jugements et aux décisions de probation aux fins de la surveillance des mesures de probation et des peines de substitution, les dispositions prévues au Chapitre V de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique des personnes condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté, et les instruments existants dans le domaine de l'exécution et la surveillance de mesures non privative de liberté restent d'application.
1° de toute personne condamnée en Belgique vers un Etat membre de l'Union européenne et;
2° de toute personne condamnée dans un Etat membre de l'Union européenne vers la Belgique.
§ 2. Dans les relations avec les Etats membres qui n'ont pas transposé la décision-cadre 2008/947/JAI du Conseil du 27 novembre 2008 concernant l'application du principe de reconnaissance mutuelle aux jugements et aux décisions de probation aux fins de la surveillance des mesures de probation et des peines de substitution, les dispositions prévues au Chapitre V de la loi du 23 mai 1990 sur le transfèrement interétatique des personnes condamnées, la reprise et le transfert de la surveillance de personnes condamnées sous condition ou libérées sous condition ainsi que la reprise et le transfert de l'exécution de peines et de mesures privatives de liberté, et les instruments existants dans le domaine de l'exécution et la surveillance de mesures non privative de liberté restent d'application.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N. Bijlage 1 en Bijlage 2. - Certificaat bedoeld in artikel 7.
(Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-06-2013, p. 36918-36929)
(Bijlagen niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 13-06-2013, p. 36918-36929)
Art. N. Annexe 1 et annexe 2. - Certificat prévu à l'article 7.
(Annexes non reprises pour des raisons techniques, voir M.B. du 13-06-2013, p. 36906-36917)
(Annexes non reprises pour des raisons techniques, voir M.B. du 13-06-2013, p. 36906-36917)