Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
2 FEBRUARI 2012. - Besluit van de Waalse Regering betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 23-02-2012 en tekstbijwerking tot 29-01-2024)
Titre
2 FEVRIER 2012. - Arrêté du Gouvernement wallon relatif au transport intérieur de marchandises dangereuses par voie navigable(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 23-02-2012 et mise à jour au 29-01-2024)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (51)
Texte (51)
Doelstelling
Objet
Artikel 1. [1 Bij dit besluit wordt Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land, gewijzigd bij Richtlijn 2010/61/EU van de Commissie van 2 september 2010, Richtlijn 2012/45/EU van de Commissie van 3 december 2012, Richtlijn 2014/103/EU van de Commissie van 21 november 2014, Richtlijn 2016/2309/EU van de Commissie van 16 december 2016, Richtlijn 2018/217 van de Commissie van 31 januari 2018, Richtlijn 2018/1846/EU van de Commissie van 23 november 2018 [2 , Richtlijn 2020/1833/EU van de Commissie van 2 oktober 2020 en Richtlijn 2022/2407/EU van de Commissie van 20 september 2022,]2 gedeeltelijk omgezet.]1
  
Article 1er. [1 Le présent arrêté transpose partiellement la directive 2008/68/CE du Parlement européen et du Conseil du 24 septembre 2008 relatif au transport intérieur de marchandises dangereuses, modifiée par la directive 2010/61/UE de la Commission du 2 septembre 2010, 2012/45/UE de la Commission du 3 décembre 2012, 2014/103/UE de la Commission du 21 novembre 2014, 2016/2309/UE de la Commission du 16 décembre 2016, 2018/217 de la Commission du 31 janvier 2018, 2018/1846/UE de la Commission du 23 novembre 2018 [2 ,2020/1833/UE de la Commission du 2 octobre 2020 et 2022/2407/UE de la Commission du 20 septembre 2022.]2]1
  
Toepassingsgebied
Champ d'application
Art.2. Dit besluit is van toepassing op het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren in het Waalse Gewest met inbegrip van de activiteiten met betrekking tot het laden en het lossen, de overbrenging van of naar een andere vervoersmodaliteit en het noodzakelijke oponthoud tijdens het vervoer.
  Dit besluit is niet van toepassing op het vervoer van gevaarlijke afvalstoffen :
  a) door vaartuigen die eigendom zijn van of onder de verantwoordelijkheid vallen van de strijdkrachten;
  b) door zeeschepen over maritieme waterwegen die deel uitmaken van de binnenwateren;
  c) door veerboten die uitsluitend een binnenwater of haven oversteken; of
  d) dat volledig binnen de begrenzing van een afgesloten gebied plaatsvindt.
Art.2. Le présent arrêté s'applique au transport de marchandises dangereuses par voie de navigation intérieure en Région wallonne, y compris aux opérations de chargement et de déchargement, au transfert d'un mode de transport à un autre et aux arrêts nécessités par les circonstances du transport.
  Le présent arrêté ne s'applique pas aux transports de marchandises dangereuses :
  a) effectués par des bateaux appartenant aux forces armées ou se trouvant sous leur responsabilité;
  b) effectués par des navires de mer sur des voies maritimes faisant partie des voies de navigation intérieures;
  c) effectués par des transbordeurs ne traversant qu'une voie de navigation intérieure ou un port; ou
  d) qui sont entièrement effectués à l'intérieur d'un périmètre fermé.
Begripsomschrijvingen
Définitions
Art.3. In de zin van dit besluit wordt verstaan onder :
  1) " ADN " : de Europese Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren, gesloten te Genève op 26 mei 2000, als gewijzigd;
  2) [1 ...]1
  3) " vaartuig " : elk binnenschip of zeeschip;
  4) " tankschip " : een schip bestemd voor het vervoer van stoffen in ladingstanks;
  5) " deskundige " : [1 persoon die kan bewijzen dat ze een gespecialiseerde kennis heeft van het ADN en die voldoet aan de eisen bedoeld in hoofdstuk 8.2. van het ADN;]1
  6) " derde land " : een Staat die geen lid is van de Europese Economische Ruimte;
  7) " vervoer " : de verplaatsing van gevaarlijke goederen, met inbegrip van voor het vervoer noodzakelijk oponthoud en met inbegrip van voor het verkeer noodzakelijk verblijf van gevaarlijke goederen in de schepen, tanks en in de containers vóór, tijdens en na de verplaatsing; onder deze definitie valt ook de tijdelijke tussenopslag van gevaarlijke goederen voor de verandering van wijze van vervoer of vervoermiddel.
  8 " beherende overheid " : de Waalse Regering of de daartoe aangewezen overheid;
  9) " kaaibeheerder " : de natuurlijke of rechtspersoon aan wie de eigenaar van een kaai er ook wettelijk de uitbating van heeft toevertrouwd.
  
Art.3. Aux fins du présent arrêté, on entend par :
  1) " ADN " : accord européen relatif au transport international de marchandises dangereuses par voies de navigation intérieures, conclu à Genève le 26 mai 2000, tel que modifié;
  2) [1 ...]1
  3) " bateau " : tout bateau de navigation intérieure ou maritime;
  4) " bateau-citerne " : un bateau destiné au transport de matières dans des citernes à cargaison;
  5) [1 " expert " : personne en mesure de prouver qu'elle a une connaissance spécialisée de l'ADN, et répondant aux exigences prescrites au chapitre 8.2. de l'ADN;]1
  6) " pays tiers " : un Etat non membre de l'Espace économique européen;
  7) " transport " : changement de lieu des marchandises dangereuses, y compris les arrêts nécessités par les conditions de transport et y compris de séjour des marchandises dangereuses dans les bateaux, citernes et conteneurs nécessités par les conditions de trafic avant, pendant et après le changement de lieu, ainsi que le séjour temporaire intermédiaire des marchandises dangereuses aux fins de changement de mode ou de moyen de transport;
  8) " autorité gestionnaire " : le Gouvernement wallon ou l'autorité désignée à cet effet;
  9) " gestionnaire du quai " : personne physique ou morale à laquelle le propriétaire d'un quai en a légalement confié l'exploitation.
  
Derde land
Pays tiers
Art.4. Het vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren tussen het Waalse Gewest en derde landen wordt toegestaan indien wordt voldaan aan de voorschriften van dit besluit, tenzij [1 in het ADN]1 anders is vermeld.
  
Art.4. Le transport de marchandises dangereuses par voie de navigation intérieure entre la Région wallonne et les Pays tiers est autorisé pour autant qu'il réponde aux prescriptions du présent arrêté, sauf indication contraire prévue [1 dans l'ADN]1.
  
Vervoersbeperkingen
Restrictions de transport
Art.5. § 1. De beherende overheid mag op het grondgebied van het Waalse Gewest bepaalde aanvullende voorschriften, die niet [1 in het ADN]1 zijn opgenomen, van toepassing verklaren op de vaartuigen die een nationaal of internationaal vervoer van gevaarlijke stoffen over de binnenwateren uitvoeren.
  § 2. De in § 1 bedoelde aanvullende voorschriften zijn :
  a) aanvullende veiligheidseisen of beperkingen betreffende schepen die gebruik maken van bepaalde kunstwerken, zoals bruggen of tunnels, of schepen die havens of andere vervoersterminals aandoen of verlaten;
  b) voorschriften voor schepen die voorgeschreven routes volgen om handelsgebieden of woonwijken, milieugevoelige gebieden, industriële zones met gevaarlijke installaties of binnenwaterwegen die bijzondere fysische gevaren vertonen, te vermijden;
  c) buitengewone voorschriften met betrekking tot routering of parkeren van schepen met gevaarlijke goederen, ten gevolge van extreme weersomstandigheden, aardbeving, ongeval, manifestaties van vakbewegingen, burgeroproer of gewapende opstand;
  d) beperkingen betreffende het verkeer van schepen die gevaarlijke goederen op bepaalde dagen van de week of het jaar vervoeren.
  § 3. Het Secretariaat van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties zal door de bevoegde diensten van de federale overheid in kennis worden gesteld van de in de punten a) en d) van § 2 bedoelde aanvullende voorschriften genomen door de beherende overheid.
  
Art.5. § 1er. L'autorité gestionnaire peut appliquer aux bateaux effectuant un transport national ou international de marchandises dangereuses par voie de navigation intérieure sur le territoire de la Région wallonne certaines dispositions supplémentaires qui ne sont pas prévues [1 par l'ADN]1.
  § 2. Les dispositions supplémentaires visées au § 1er sont :
  a) des conditions ou restrictions de sécurité supplémentaires concernant les bateaux empruntant certains ouvrages d'art tels que des ponts ou des tunnels, ou les bateaux arrivant dans des ports ou autres terminaux de transport spécifiés ou les quittant;
  b) des conditions précisant l'itinéraire à suivre par les bateaux afin d'éviter des zones commerciales, résidentielles ou écologiquement sensibles, des zones industrielles où se trouvent des installations dangereuses ou des voies de navigation intérieures présentant des dangers physiques importants;
  c) des conditions exceptionnelles précisant l'itinéraire à suivre ou les dispositions à respecter pour le stationnement des bateaux transportant des marchandises dangereuses, en cas de conditions atmosphériques extrêmes, de tremblements de terre, d'accidents, de manifestations syndicales, de troubles civils ou de soulèvement armés;
  d) des restrictions concernant la circulation des bateaux transportant des marchandises dangereuses certains jours de la semaine ou de l'année.
  § 3. Le Secrétariat de la Commission économique des Nations unies pour l'Europe sera informé par les services compétents de l'autorité fédérale des dispositions supplémentaires visées aux points a) et d) du § 2, prises par l'autorité gestionnaire.
  
Los- en laadplaatsen
Lieux de chargement et de déchargement
Art.6. § 1. De gevaarlijke stoffen vervoerd in droge-ladingschepen mogen slechts op de daartoe door de kaaibeheerder aangewezen plaatsen geladen of gelost worden.
  § 2. In afwijking van § 1 en zolang stoffen of voorwerpen van klasse 1 en stoffen van de klassen 4.1 of 5.2., waarvoor het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten in kolom (12) van tabel A van hoofdstuk 3.2. [1 van het ADN]1 is voorgeschreven, aan boord zijn, mogen stoffen van welke soort ook slechts op de plaatsen die daartoe door de kaaibeheerder aangewezen worden en die door de bevoegde diensten van de federale overheid goedgekeurd worden, geladen of gelost worden.
  § 3. De lading, het lossen en het ontgassen van de tankschepen mogen slechts uitgevoerd worden in de plaatsen die daartoe door de kaaibeheerder aangewezen worden.
  De overname van onverpakt olie- en vethoudend vloeibaar scheepsbedrijfsafvaal en de afgifte van scheepsaandrijfstoffen worden niet beschouwd als lading en lossing in de zin van het eerste lid.
  
Art.6. § 1er. Les marchandises dangereuses transportées dans des bateaux à cargaison sèche doivent être chargées ou déchargées uniquement sur les lieux désignés à cette fin par le gestionnaire du quai.
  § 2. Par dérogation au § 1er, tant que des matières ou objets de la classe 1 et des matières des classes 4.1 ou 5.2 pour lesquelles une signalisation avec trois cônes bleus ou trois feux bleus est prescrite à la colonne (12) du tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1 sont à bord, aucune marchandise quelle qu'elle soit ne doit être chargée ou déchargée, sauf aux emplacements désignés à cet effet par le gestionnaire du quai et approuvés par les services compétents de l'autorité fédérale.
  § 3. Le chargement, le déchargement et le dégazage des bateaux-citernes ne doivent avoir lieu qu'aux emplacements désignés à cette fin par le gestionnaire du quai.
  La réception des déchets liquides non emballés huileux et graisseux survenant lors de l'exploitation des bateaux et la remise de produits pour l'exploitation des bateaux ne sont pas considérés comme chargement ou déchargement au sens de l'alinéa 1er ci-dessus.
  
Tijdschip en duur van de laad- en loshandelingen van de droge-ladingschepen
Heure et durée des opérations de chargement et de déchargement des bateaux à cargaison sèche
Art.7. § 1. De laad- en loshandelingen van stoffen of voorwerpen van klasse 1 of stoffen van de klassen 4.1 of 5.2., waarvoor het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten in kolom (12) van tabel A van hoofdstuk 3.2. [1 van het ADN]1 is voorgeschreven, mogen niet zonder schriftelijke toestemming van de bevoegde diensten van de federale overheid beginnen.
  Het begin van de laad- en loshandelingen van dergelijke stoffen zal door de kaaibeheerder toegelaten worden.
  Dit voorschrift is ook van toepassing op de lading of lossing van de andere stoffen indien stoffen of voorwerpen van klasse 1 of stoffen van de klassen 4.1 of 5.2., waarvoor het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten in kolom (12) van tabel A van hoofdstuk 3.2. [1 van het ADN]1 is voorgeschreven, aan boord zijn.
  § 2. De laad- en loshandelingen van stoffen of voorwerpen van klasse 1 of stoffen van de klassen 4.1. of 5.2., waarvoor het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten in kolom (5.2) van tabel A van hoofdstuk 12. [1 van het ADN]1 is voorgeschreven, moeten tijdens onweer onderbroken worden.
  
Art.7. § 1er. Les opérations de chargement et de déchargement de matières ou d'objets de la classe 1, ou de matières des classes 4.1 ou 5.2, pour lesquelles une signalisation avec trois cônes bleus ou trois feux bleus est prescrite à la colonne (12) du tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, ne doivent pas commencer sans autorisation écrite des services compétents de l'autorité fédérale.
  Le début des opérations de chargement et de déchargement de telles marchandises sera autorisé par le gestionnaire du quai.
  Cette prescription s'applique également au chargement ou au déchargement des autres marchandises si des matières ou objets de la classe 1, ou des matières des classes 4.1 ou 5.2 pour lesquelles une signalisation avec trois cônes bleus ou trois feux bleus est prescrite à la colonne (12) du tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, se trouvent à bord.
  § 2. Les opérations de chargement et de déchargement de matières ou objets de la classe 1 ou des matières des classes 4.1 ou 5.2, pour lesquelles une signalisation avec trois cônes bleus ou trois feux bleus est prescrite à la colonne (12) du tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, doivent être suspendues en cas d'orage.
  
Overslag
Transbordement
Art.8. Het is verboden, zonder toestemming van de kaaibeheerder, de lading van de droge-ladingschepen of van de tankschepen geheel of gedeeltelijk buiten een daartoe door de beheerder aangewezen overslagplaats over te slaan.
Art.8. Le transbordement partiel ou complet de la cargaison des bateaux à cargaison sèche ou des bateaux-citernes sur un autre bateau est interdit, sans autorisation du gestionnaire du quai, ailleurs que sur les lieux de transbordement désignés à cette fin par ledit gestionnaire.
Wijze van vervoer
Mode de circulation
Art.9. De beherende overheid kan beperkingen betreffende de opneming van droge-ladingschepen of van tankschepen die gevaarlijke stoffen in grote duwstellen vervoeren.
  Dit voorschrift is niet van toepassing wanneer droge-ladingschepen stoffen of voorwerpen van klasse 1 of stoffen van de klassen 4.1. of 5.2., waarvoor het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten in kolom 12 van tabel A van hoofdstuk 3.2. [1 van het ADN]1 is voorgeschreven, of stoffen van klasse 7 van de VN-nummers 2912, 2913, 2915, 2916, 2917, 2919, 2977, 2978 of 3321 tot 3333 vervoeren.
  
Art.9. L'autorité gestionnaire peut imposer des restrictions relatives à l'inclusion de bateaux à cargaison sèche ou de bateaux-citernes transportant des marchandises dangereuses dans des convois poussés de grande dimension.
  Cette disposition ne s'applique pas lorsque des bateaux à cargaison sèche transportent des matières ou objets de la classe 1, ou des matières des classes 4.1 ou 5.2 pour lesquelles une signalisation avec trois cônes bleus ou trois feux bleus est prescrite à la colonne (12) du tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, ou des matières de la classe 7 des nos ONU 2912, 2913, 2915, 2916, 2917, 2919, 2977, 2978 ou 3321 à 3333.
  
Maatregelen die tijdens het laden, het vervoer, het lossen en de behandeling van de lading getroffen moeten worden
Mesures à prendre pendant le chargement, le transport, le déchargement et la manutention de la cargaison
Art.10. Zonder specifieke toestemming van de kaaibeheerder is het vullen en het ledigen van vaten, tankvoertuigen, reservoirwagens, IBC's, grote verpakkingen, MEGC's, transporttanks of tankcontainers aan boord van het droge-ladingschip of van het tankschip verboden.
Art.10. Le remplissage et la vidange des récipients, véhicules-citernes, wagons-citernes, grands récipients pour vrac (GRV), grands emballages, CGEM, citernes mobiles ou conteneurs-citernes sont interdits à bord du bateau à cargaison sèche ou du bateau-citerne sans autorisation spéciale du gestionnaire du quai.
Behandelen en stuwen van de lading
Manutention et arrimage de la cargaison
Art.11. § 1. Tijdens het laden of het lossen van de stoffen of voorwerpen van klasse I vermeld in tabel A van hoofdstuk 3.2. [1 van het ADN]1 in droge-ladingschepen mag geen enkele andere laadruim geladen of gelost worden en mogen geen brandstoftanks gevuld of geledigd worden.
  § 2. Tijdens het laden of lossen van de ladingstanks van de tankschepen is het verboden een andere lading te laden of te lossen.
  § 3. De beherende overheid kan afwijkingen toestaan maar in het kader van § 2 slechts tijdens het lossen.
  
Art.11. § 1er. Pendant que les matières ou objets de la classe 1 repris au tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1 sont chargés ou déchargés des bateaux à cargaison sèche, on ne doit procéder au chargement ou au déchargement d'aucune autre cale ni au remplissage ou à la vidange de réservoirs de carburant.
  § 2. Pendant le chargement ou le déchargement des citernes à cargaison des bateaux-citernes, il est interdit de charger ou de décharger une autre cargaison.
  § 3. L'autorité gestionnaire peut accorder des dérogations, mais dans le cadre du § 2 uniquement pendant le déchargement.
  
Vervoer van gesmolten zwavel in tankschepen
Transport du soufre fondu en bateaux-citernes
Art.12. Wanneer tijdens het vervoer van UN 2448 gesmolten zwavel in tankschepen de concentratie van zwavelwaterstof hoger is dan 1,85 %, moet de schipper er de beherende overheid onmiddellijk van in kennis brengen.
Art.12. Lorsque pendant le transport du n° ONU 2448 Soufre fondu en bateaux-citernes la concentration de sulfure d'hydrogène dépasse 1,85 %, le conducteur doit en aviser immédiatement l'autorité gestionnaire.
Vervoer van waterstofperoxide in tankschepen
Transport du peroxyde d'hydrogène en bateaux-citernes
Art.13. De ladingstanks waarin waterstofperoxide in oplossing is vervoerd, mag niet voor andere ladingen opnieuw gebruikt worden.
Art.13. Les citernes à cargaison dans lesquelles les peroxydes d'hydrogène en solution ont été transportés ne peuvent être réutilisées pour d'autres cargaisons.
Ontgassen van lege ladingstanks van de tankschepen
Dégazage des citernes à cargaison vides des bateaux-citernes
Art.14. § 1. Het ontgassen van geloste of lege ladingtanks naar de atmosfeer is onder de volgende voorwaarden toegestaan.
  § 2. Geloste of lege ladingtanks, die tevoren gevaarlijke stoffen van de klasse 2 of de klasse 3 met Classificatiecode T' in kolom (3b), Tabel C van hoofdstuk 3.2. [1 van het ADN]1, van de klasse 6.1 of de klasse 8 met verpakkingsgroep I hebben bevat, mogen slechts door deskundige personen overeenkomstig lid 8.2.1.2 [1 van het ADN]1 worden ontgast.
  Het ontgassen mag slechts worden uitgevoerd op door de kaaibeheerder toegelaten plaatsen.
  § 3. Geloste of lege ladingtanks, die andere als de onder § 2 genoemde gevaarlijke stoffen hebben bevat, mogen tijdens de vaart met behulp van geschikte ventilatie-inrichtingen worden ontgast, mits de tankdeksels zijn gesloten en de afvoer van het gas/luchtmengsel via vlamkerende inrichtingen, die een duurbrand kunnen doorstaan, plaatsvindt.
  Onder normale bedrijfsomstandigheden moet op de plaats van uittreding van het gas/luchtmengsel de gasconcentratie minder dan 50 % van de onderste explosiegrens bedragen.
  Geschikte ventilatie-inrichtingen bij de zuigende ontgassing mogen slechts met een direct op de zuigzijde van de ventilator aangebracht vlamkerende inrichting worden gebruikt.
  De gasconcentratie moet bij blazende of zuigende werking van de ventilatie-inrichtingen tijdens de eerste twee uren na het begin van het ontgassen ieder uur door een deskundige worden gemeten.
  De meetresultaten moeten schriftelijk worden vastgelegd.
  In de buurt van sluizen, inclusief hun voorhavens, is het ontgassen verboden.
  § 4. Indien het ontgassen van ladingtanks, die tevoren de in § 2 genoemde gevaarlijke stoffen hebben bevat, op de door de plaatselijk kaaibeheerder aangewezen plaatsen niet mogelijk is, kan tijdens de vaart worden ontgast, mits :
  - aan de in § 3 genoemde voorwaarden is voldaan, waarbij echter de concentratie aan gevaarlijke stoffen in het uitgeblazen mengsel op de plaats van uittreding niet meer dan 10 % van de onderste explosiegrens mag bedragen;
  - gevaar voor de bemanning is uitgesloten;
  - alle toegangen en openingen van ruimten, die met de buitenlucht in verbinding staan zijn gesloten; dit is niet van toepassing op lucht toevoeropeningen van de machinekamer en op overdrukinrichtingen;
  - de aan dek werkende bemanningsleden geschikte veiligheidsuitrusting dragen;
  - dit niet in de nabijheid van sluizen, inclusief hun voorhavens, onder bruggen of in dichtbevolkte gebieden plaatsvindt.
  § 5. Het ontgassen moet worden onderbroken indien in geval van onweer ten gevolge van ongunstige windomstandigheden buiten de ladingzone bij de woning, het stuurhuis of dienstruimten gevaarlijke gasconcentraties te verwachten zijn.
  De kritische toestand is bereikt zodra door middel van meting met behulp van een draagbare detectiemeter concentraties van meer dan 20 % van de onderste explosiegrens in deze gebieden worden aangetoond.
  § 6. Indien na het ontgassen van de ladingtanks met behulp van de in kolom 18 van tabel C van hoofdstuk 3.2. [1 van het ADN]1 genoemde apparaten is vastgesteld dat, noch de concentratie brandbare gassen in de ladingtanks boven 20 % van de onderste explosiegrens ligt, noch een van belang zijnde concentratie van giftige gassen vast te stellen is, dan mag de seinvoering als bedoeld in hoofdstuk 3.2 [1 van het ADN]1, tabel C, kolom 19 door de schipper worden weggenomen.
  § 7. Voor het begin van de werken die het in artikel 21 bedoelde gevaar als gevolg zouden kunnen hebben, moeten de ladingstanks en de leidingen van de ladingszone gereinigd en ontgast worden.
  Deze handelingen mogen slechts worden uitgevoerd op door de kaaibeheerder toegelaten plaatsen.
  
Art.14. § 1er. Le dégazage dans l'atmosphère de citernes à cargaison vides ou déchargées est autorisé sous les conditions ci-dessous.
  § 2. Les citernes à cargaison vides ou déchargées ayant contenu précédemment des matières dangereuses de la classe 2 ou de la classe 3, avec le code de classification comprenant la lettre " T " à la colonne (3 b) du tableau C du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, de la classe 6.1 ou du groupe d'emballage I de la classe 8 ne peuvent être dégazées que par des experts conformément à l'alinéa 8.2.1.2 [1 de l'ADN]1.
  Le dégazage ne peut être effectué qu'en des emplacements désignés par le gestionnaire du quai.
  § 3. Le dégazage des citernes à cargaison vides ou déchargées ayant contenu des matières dangereuses autres que celles indiquées au § 2 peut être effectué en cours de route au moyen de dispositifs de ventilation appropriés, les couvercles des citernes à cargaison étant fermés et la sortie du mélange de gaz et d'air se faisant par des coupe-flammes résistant à un feu continu.
  Dans les conditions normales d'exploitation, la concentration de gaz dans le mélange à l'orifice de sortie doit être inférieure à 50 % de la limite inférieure d'explosivité.
  Les dispositifs de ventilation appropriés ne peuvent être utilisés pour le dégazage par aspiration qu'avec un coupe-flammes monté immédiatement devant le ventilateur, du côté de l'aspiration.
  La concentration de gaz doit être mesurée chaque heure pendant les deux premières heures après le début du dégazage, le dispositif de ventilation par refoulement ou par aspiration étant en marche, par un expert.
  Les résultats des mesures doivent être consignés par écrit.
  Le dégazage est toutefois interdit dans les zones d'écluses, y compris leurs garages.
  § 4. Si le dégazage de citernes à cargaison ayant contenu précédemment des matières dangereuses énumérées au § 2 ci-dessus n'est pas possible aux endroits désignés par le gestionnaire du quai, il peut être effectué pendant que le bateau fait route, à condition :
  - que les prescriptions du § 3 soient respectées; la concentration de matières dangereuses dans le mélange à l'orifice de sortie doit toutefois être inférieure à 10 % de la limite inférieure d'explosivité;
  - qu'il n'y ait pas de risques pour l'équipage;
  - que toutes les entrées ou ouvertures des locaux reliés avec l'extérieur soient fermées; cela ne s'applique pas aux ouvertures d'arrivée d'air de la salle des machines ni aux équipements de surpression de l'air;
  - que tout membre de l'équipage travaillant sur le pont porte un équipement de protection approprié;
  - de ne pas être effectué à proximité des écluses y compris leurs garages, sous des ponts ou dans des zones à forte densité de population.
  § 5. Les opérations de dégazage doivent être interrompues en cas d'orage lorsque par suite de conditions de vent défavorables des concentrations dangereuses de gaz sont à craindre en-dehors de la zone de cargaison devant les logements, la timonerie ou des locaux de service.
  L'état critique est atteint dès que par des mesures au moyen d'instruments portables des concentrations de plus de 20 % de la limite inférieure d'explosivité ont été constatées dans ces zones.
  § 6. La signalisation prescrite à la colonne (19) du tableau C du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1 peut être retirée par le conducteur lorsque après le dégazage des citernes à cargaison il a été constaté au moyen des appareils visés à la colonne (18) du tableau C du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1 que les citernes à cargaison ne contiennent plus de gaz inflammables à une concentration supérieure à 20 % de la limite inférieure d'explosivité ni de concentration significative de gaz toxiques.
  § 7. Avant d'entreprendre les travaux qui pourraient entraîner les dangers décrits à l'article 21, les citernes à cargaison et les tuyauteries de la zone de cargaison sont nettoyées et dégazées.
  Ces opérations ne peuvent être effectuées qu'en des emplacements désignés par le gestionnaire du quai.
  
Maatregelen die na het lossen van de tankschepen (nalenssysteem) getroffen moeten worden
Mesures à prendre après le déchargement des bateaux-citernes (système d'assèchement)
Art.15. Na iedere lossing moeten de ladingtanks en de laad- en losleidingen met behulp van het nalenssysteem, overeenkomstig artikel 14, worden geleegd.
Art.15. Le dégazage des citernes à cargaison et des tuyauteries de chargement et de déchargement qui ont été vidées après chaque opération de déchargement au moyen d'un système d'assèchement doit être effectué conformément à l'article 14.
Controlelijst van de tankschepen
Liste de contrôle des bateaux-citernes
Art.16. § 1. Met het laden en het lossen van de tankschepen mag niet worden begonnen, zolang niet een controlelijst die met het in bijlage 1 bij dit besluit bedoelde model overeenstemt en die betrekking heeft op de betreffende lading, is ingevuld.
  De vragen 1 tot 18 van de controlelijst moeten ter bevestiging met " X " worden aangekruist en de niet van toepassing zijnde vragen moeten worden doorgehaald.
  Indien niet alle vragen met " JA " kunnen worden beantwoord, is de lading of de lossing slechts met toestemming van de kaaibeheerder toegestaan.
  De lijst moet in tweevoud worden ingevuld en zowel door de schipper of door de door hem gemachtigde persoon als door de voor de overslag verantwoordelijke persoon van de walinstallatie worden ondertekend.
  De controlelijst moet minstens in talen verstaan door de schipper en door de voor de overslag verantwoordelijke persoon van de walinstallatie gedrukt worden.
  § 2. De voorschriften van § 1 zijn niet van toepassing tijdens de overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval in bilgeboten en tijdens de afgifte van scheepsaandrijfstoffen vanuit bunkerboten.
Art.16. § 1er. Le chargement ou le déchargement des bateaux-citernes ne doit pas commencer avant qu'une liste de contrôle, conforme au modèle repris à l'annexe 1re du présent arrêté, n'ait été remplie pour la cargaison en question.
  Les questions 1 à 18 de la liste de contrôle doivent avoir été marquées d'une croix " X " pour confirmation et les questions non pertinentes sont à rayer.
  Si toutes les questions ne peuvent recevoir de réponse positive, le chargement ou le déchargement n'est autorisé qu'avec l'assentiment du gestionnaire du quai.
  La liste doit être remplie en deux exemplaires et signée par le conducteur ou par une personne mandatée par celui-ci et par la personne responsable de la manutention aux installations à terre.
  La liste de contrôle doit être imprimée au moins dans des langues comprises par le conducteur et par la personne responsable de la manutention aux installations à terre.
  § 2. Les dispositions du § 1er ne s'appliquent pas lors de la réception de déchets huileux et graisseux par les bateaux déshuileurs, ni lors de la remise de produits pour l'exploitation des bateaux par les bateaux avitailleurs.
Overname van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval en afgifte van scheepsaandrijfstoffen
Réception des déchets huileux et graisseux survenant lors de l'exploitation des bateaux-citernes et remise de produits pour l'exploitation des bateaux-citernes
Art.17. § 1. De overname van vloeibaar, onverpakt, olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval mag slechts door zuigen geschieden.
  § 2. Het afmeren en de overname van olie- en vethoudend afval mag niet tijdens het laden en lossen van stoffen, waarvoor in 3.2 [1 van het ADN]1, tabel C, kolom 17 explosiebescherming wordt vereist, evenals tijdens het ontgassen van tankschepen plaatsvinden.
  Dit is niet van toepassing op bilgeboten voor zover ten minste de eisen ten aanzien van de explosiebescherming voor de gevaarlijke stof zijn aangehouden.
  § 3. Het afmeren en de afgifte van scheepsaandrijfstoffen mag niet tijdens het laden en lossen van stoffen, waarvoor in 3.2 [1 van het ADN]1, Tabel C, Kolom 17, explosiebescherming wordt vereist, evenals tijdens het ontgassen van tankschepen plaatsvinden
  Dit is niet van toepassing op bunkerboten voor zover ten minste de eisen ten aanzien van de explosiebescherming voor de gevaarlijke stof zijn aangehouden.
  § 4. De beherende overheid kan afwijkingen van de voorschriften van de §§ 1 en 2 toelaten.
  Tijdens het lossen mag ze ook afwijkingen van § 3 toestaan.
  
Art.17. § 1er. La réception de déchets liquides non emballés huileux et graisseux survenant lors de l'exploitation des bateaux-citernes ne peut être effectuée que par aspiration.
  § 2. L'accostage et la réception de déchets huileux et graisseux ne peuvent avoir lieu pendant le chargement et le déchargement de matières pour lesquelles la protection contre les explosions est exigée à la colonne (17) du tableau C du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, ni pendant le dégazage de bateaux-citernes.
  Cette prescription ne s'applique pas aux bateaux déshuileurs pour autant que les dispositions de protection contre les explosions applicables à la marchandise dangereuse sont respectées.
  § 3. L'accostage et la remise de produits pour l'exploitation des bateaux ne peuvent avoir lieu pendant le chargement et le déchargement de matières pour lesquelles la protection contre les explosions est exigée à la colonne (17) du tableau C du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, ni pendant le dégazage de bateaux-citernes.
  Cette prescription ne s'applique pas aux bateaux avitailleurs pour autant que les dispositions de protection contre les explosions applicables à la marchandise dangereuse sont respectées.
  § 4. L'autorité gestionnaire peut accorder des dérogations aux prescriptions des §§ 1er et 2 ci-dessus.
  Pendant le déchargement, elle peut également accorder des dérogations au § 3.
  
Ligplaats nemen
Stationnement
Art.18. § 1. Schepen, die gevaarlijke goederen vervoeren, mogen geen ligplaats nemen ten opzichte van andere schepen op een geringere afstand als in het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk (bijlage bij het koninklijk besluit van 24 september 2006 houdende vaststelling van het algemeen politiereglement voor de scheepvaart op de binnenwateren van het Koninkrijk) voorgeschreven.
  § 2. Aan boord van stilliggende tankschepen of droge-ladingschepen, die een seinvoering als bedoeld in hoofdstuk 3.2 [1 van het ADN]1 Tabel A, Kolom 12 moeten voeren, moet zich permanent een deskundige bevinden.
  De beherende overheid kan echter de schepen, die in een haven of op daarvoor toegelaten plaatsen stilliggen, van deze verplichting ontslaan.
  § 3. Buiten de door de kaaibeheerder speciaal aangegeven ligplaatsen mag bij het ligplaats nemen de onderstaande afstand niet worden onderschreden :
  - 100 m van gesloten woongebieden, kunstwerken of tankopslagplaatsen, indien het schip conform kolom 12 van tabel A [1 van het ADN]1 voor de droge-ladingschepen en kolom 19 van tabel C [1 van het ADN]1 voor de tankschepen een seinvoering met één blauwe kegel of één blauw licht moet voeren;
  - 100 m van kunstwerken en tankopslagplaatsen en 300 m van gesloten woongebieden, indien het schip conform kolom 12 van tabel A [1 van het ADN]1 voor de droge-ladingschepen en kolom 19 van tabel C [1 van het ADN]1 voor de tankschepen een seinvoering met twee blauwe kegels of twee blauwe lichten moet voeren;
  - 500 m van gesloten woongebieden, kunstwerken en tankopslagplaatsen van gassen en ontvlambare vloeistoffen, indien het droge-ladingschip conform kolom 12 van tabel A [1 van het ADN]1 een seinvoering met drie blauwe kegels of drie blauwe lichten moet voeren;
  Tijdens het wachten voor sluizen of bruggen is het toegestaan geringere afstanden aan te houden.
  In deze gevallen geldt echter een minimale afstand van 100 m.
  § 4. De beherende overheid kan met het oog op de plaatselijke omstandigheden geringere als de in § 2 genoemde afstanden toelaten.
  
Art.18. § 1er. La distance des bateaux en stationnement chargés de marchandises dangereuses par rapport à d'autres bateaux ne doit pas être inférieure à celle que prescrit le Règlement général de police pour la navigation sur les eaux intérieures du Royaume (annexe de l'arrêté royal du 24 septembre 2006 portant fixation du Règlement général de police pour la navigation sur les eaux intérieures du Royaume).
  § 2. Un expert doit se trouver en permanence à bord des bateaux-citernes ou des bateaux à cargaison sèche, pour lesquels une signalisation est prescrite à la colonne (12) du tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, en stationnement qui transportent des matières dangereuses.
  L'autorité gestionnaire peut toutefois dispenser de cette obligation les bateaux qui stationnent dans un bassin portuaire ou un emplacement admis à cet effet.
  § 3. En dehors des zones de stationnement indiquées par le gestionnaire du quai, les bateaux ne doivent pas stationner à moins de :
  - 100 m des zones résidentielles, ouvrages d'art ou (parcs de) réservoirs si le bateau doit être signalisé par un cône bleu ou un feu bleu conformément aux prescriptions de la colonne (12) du tableau A [1 de l'ADN]1 pour les bateaux à cargaison sèche et de la colonne (19) du tableau C [1 de l'ADN]1 pour les bateaux-citernes;
  - 100 m des ouvrages d'art et des (parcs de) réservoirs, et 300 m des zones résidentielles si le bateau doit être signalisé par deux cônes bleus ou deux feux bleus conformément aux prescriptions de la colonne (12) du tableau A [1 de l'ADN]1 pour les bateaux à cargaison sèche et de la colonne (19) du tableau C [1 de l'ADN]1 pour les bateaux-citernes;
  - 500 m des zones résidentielles, ouvrages d'art et réservoirs de gaz ou de liquides inflammables si le bateau à cargaison sèche doit être signalisé par trois cônes bleus ou trois feux bleus conformément aux prescriptions de la colonne (12) du tableau A [1 de l'ADN]1.
  Des distances inférieures à celles indiquées ci-dessus peuvent être autorisées si les bateaux sont en attente devant des écluses ou des ponts.
  Cette distance ne doit en aucun cas être inférieure à 100 m.
  § 4. L'autorité gestionnaire peut, notamment en considération des conditions locales, autoriser des distances inférieures à celles qui sont mentionnées au § 2 ci-dessus.
  
Stilleggen van de droge-ladingschepen
Arrêt des bateaux à cargaison sèche
Art.19. Indien het varen van een schip, dat stoffen en voorwerpen van de klasse 1 of goederen van de klasse 4.1 of 5.2, vervoert, waarvoor in hoofdstuk 3.2 [1 van het ADN]1, Tabel A, Kolom 12 het voeren van drie blauwe kegels of drie blauwe lichten is voorgeschreven, gevaar kan op leveren :
  - hetzij tengevolge van invloeden van buitenaf (ongunstige weersomstandigheden, ongunstige toestand van de vaarweg, enz.);
  - hetzij ten gevolge van omstandigheden die betrekking hebben op het schip zelf (ongeval of incident), moet het droge-ladingschip, met inachtneming van de voorschriften van artikel 18, op een geschikte en een van woonhuizen, havens, kunstwerken of opslagplaatsen voor gassen of brandbare vloeistoffen zover mogelijk verwijderde plaats worden afgemeerd.
  De schipper stelt de beherende overheid onverwijld op de hoogte.
  
Art.19. Nonobstant les dispositions de l'article 18, le bateau à cargaison sèche doit s'arrêter à un endroit approprié aussi éloigné que possible de toute habitation, tout port, ouvrage d'art ou réservoir de gaz ou de liquides inflammables si la navigation du bateau qui transporte des matières et objets de la classe 1 ou des matières de la classe 4.1 ou 5.2, pour lesquelles une signalisation avec trois cônes bleus ou trois feux bleus est prescrite à la colonne (12) du tableau A du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1, risque de devenir dangereuse :
  - soit du fait d'éléments extérieurs (conditions météorologiques défavorables, conditions défavorables de la voie navigable, etc.);
  - soit du fait du bateau même (accident ou incident).
  Le conducteur du bateau prévient l'autorité gestionnaire dans les plus brefs délais.
  
Meldingsplicht
Obligation de notification
Art.20. De schipper van een droge-ladingschip of van een tankschip dat gevaarlijke stoffen vervoert, moet vóór het begin van elke reis, wanneer die in het Waalse Gewest begint, de in bijlage 2 bij dit besluit bedoelde gegevens mededelen aan de beherende overheid.
  De inlichtingen kunnen mondeling, per radiotelefonie of via een dienst voor automatisch boodschap van radiotelegrafie in voorkomend geval, of schriftelijk verstrekt worden.
Art.20. Le conducteur d'un bateau à cargaison sèche ou d'un bateau-citerne transportant des marchandises dangereuses notifie à l'autorité gestionnaire les informations visées à l'annexe 2 du présent arrêté avant le début de tout voyage lorsque celui-ci commence en Région wallonne.
  Les renseignements peuvent être donnés oralement, par radiotéléphone ou par un service de message automatique de radiotélégraphie le cas échéant, ou par écrit.
Gevaar bij werkzaamheden aan boord
Dangers causés par des travaux à bord
Art.21. § 1. Het is verboden :
  - aan boord van droge-ladingschepen in de beschermde zone of aan dek langsscheeps tot 3,00 m voor en achter de beschermde zone en;
  - aan boord van tankschepen werkzaamheden uit te voeren, die het gebruik van vuur of elektrische stroom vereisen of waarbij vonken kunnen ontstaan.
  Dit is niet van toepassing :
  - indien de drogelading-schepen over een toestemming van de bevoegde diensten van de federale overheid of een attest, waarbij de totale ontgassing van de beschermde zone bevestigd wordt, beschikken;
  - indien voor de tankschepen over een toestemming van de bevoegde diensten van de federale overheid of een attest, waarbij de totale ontgassing van de beschermde zone bevestigd wordt, beschikken;
  - voor afmeer werkzaamheden.
  § 2. Aan boord van tankschepen mogen deze werkzaamheden zonder toestemming in bedrijfsruimten buiten de ladingzone worden uitgevoerd, indien de deuren en openingen van deze ruimten gesloten zijn en het schip niet beladen, gelost of ontgast wordt.
  Het gebruik van schroevendraaiers en moersleutels van Chroom-Vanadium-Staal of, met betrekking tot vonkvorming, gelijkwaardig materiaal is toegestaan.
Art.21. § 1er. Il est interdit d'effectuer des travaux exigeant l'utilisation de feu ou de courant électrique ou qui pourraient produire des étincelles :
  - à bord de bateaux à marchandises sèches dans la zone protégée ou sur le pont à moins de 3,00 m de celle-ci à l'avant et à l'arrière;
  - à bord de bateaux-citernes.
  Cette prescription ne s'applique pas :
  - lorsque les bateaux à marchandises sèches sont munis d'une autorisation des services compétents de l'autorité fédérale et de l'autorité gestionnaire ou d'une attestation confirmant le dégazage total de la zone protégée;
  - lorsque les bateaux-citernes sont munis d'une autorisation des services compétents de l'autorité fédérale et de l'autorité gestionnaire ou d'une attestation confirmant le dégazage total du bateau;
  - aux opérations d'amarrage.
  § 2. Ces travaux peuvent être effectués à bord de bateaux-citernes sans autorisation dans les locaux de service en dehors de la zone de cargaison lorsque les portes et fenêtres de ces locaux sont fermées et que le bateau n'est pas en cours de chargement, de déchargement ou de dégazage.
  L'utilisation de tournevis et de clés en acier chromé au vanadium ou en matériaux équivalents du point de vue de la formation d'étincelles est autorisée.
Straffen
Sanctions
Art.22. De gewestelijke personeelsleden bedoeld in artikel 6 van het decreet van 19 maart 2009 betreffende de instandhouding van het gewestelijke openbaar wegen- en waterwegendomein worden belast met de opsporing en de vaststelling van overtredingen van dit besluit.
Art.22. Les agents régionaux visés à l'article 6 du décret du 19 mars 2009 relatif à la conservation du domaine public régional routier et des voies hydrauliques sont chargés de rechercher et de constater les infractions au présent arrêté.
Inwerkingtreding
Entrée en vigueur
Art.23. Dit besluit treedt in werking op de eerste dag van de maand na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.
Art.23. Le présent arrêté entre en vigueur le premier jour du mois suivant sa publication au Moniteur belge.
Uitvoering
Exécution
Art.24. De Minister van Leefmilieu en de Minister die bevoegd is voor de Waterwegen zijn, elk wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.24. Le Ministre de l'Environnement et le Ministre qui a les Voies hydrauliques dans ses attributions sont chargés, chacun en ce qui le concerne, de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Controlelijst
  [1
Art. N1. Annexe 1. - Liste de contrôle
  [1
CONTROLELIJST
   betreffende de te nemen maatregelen en de gemaakte afspraken voor het laden en het lossen.
   - Gegevens van het schip
   ................................................. Nr................................. (scheepsnaam) (officieel nummer) ................................................ (tankschipstype)
   - Gegevens met betrekking tot het laden of het lossen
   .............................................................................................. (overslaginstallatie) (plaats)
   ............................................................................................... (datum) (tijd)
   - Gegevens met betrekking tot de lading
Hoeveelheid m3Officiële vervoersnaamIdentificatienummer van de stofGevaar*Verpakkingsgroep
............. ........................................................................................ ....................................................... ........................ ............................................... ....................... ......................................... .................. ..................
CONTROLELIJST
   betreffende de te nemen maatregelen en de gemaakte afspraken voor het laden en het lossen.
   - Gegevens van het schip
   ................................................. Nr................................. (scheepsnaam) (officieel nummer) ................................................ (tankschipstype)
   - Gegevens met betrekking tot het laden of het lossen
   .............................................................................................. (overslaginstallatie) (plaats)
   ............................................................................................... (datum) (tijd)
   - Gegevens met betrekking tot de ladingHoeveelheid m3Officiële vervoersnaamIdentificatienummer van de stofGevaar*Verpakkingsgroep............. ........................................................................................ ....................................................... ........................ ............................................... ....................... ......................................... .................. ..................
LISTE DE CONTROLE concernant l'observation des prescriptions de sécurité et la mise en oeuvre des mesures nécessaires pour le chargement ou le déchargement. - Informations relatives au bateau
   ................................................. N° ................................... (nom du bateau) (numéro officiel) ................................................. (type de bateau-citerne)
   - Informations relatives aux opérations de chargement ou de déchargement
   .............................................................................................. (poste de chargement ou de déchargement) (lieu)
   ............................................................................................... (date) (heure) - Informations relatives à la cargaison
Quantité m3Désignation officielle de transport* * *Numéro d'identification de la matièreDangers*Groupe d'emballage
............. ........................................................................................ ....................................................... ........................ ............................................... ....................... ......................................... .................. ..................
LISTE DE CONTROLE concernant l'observation des prescriptions de sécurité et la mise en oeuvre des mesures nécessaires pour le chargement ou le déchargement. - Informations relatives au bateau
   ................................................. N° ................................... (nom du bateau) (numéro officiel) ................................................. (type de bateau-citerne)
   - Informations relatives aux opérations de chargement ou de déchargement
   .............................................................................................. (poste de chargement ou de déchargement) (lieu)
   ............................................................................................... (date) (heure) - Informations relatives à la cargaisonQuantité m3Désignation officielle de transport* * *Numéro d'identification de la matièreDangers*Groupe d'emballage............. ........................................................................................ ....................................................... ........................ ............................................... ....................... ......................................... .................. ..................
- Gegevens met betrekking tot de voorgaande lading**
Officiële vervoersnaamIdentificatienummer van de stofGevaar*Verpakkingsgroep
............................................... ............................................... ....................................................................... ........................ ................................................... ............................ ............................................ ................. .................
- Gegevens met betrekking tot de voorgaande lading**Officiële vervoersnaamIdentificatienummer van de stofGevaar*Verpakkingsgroep............................................... ............................................... ....................................................................... ........................ ................................................... ............................ ............................................ ................. .................
* de relevante gevaren vermeld in kolom (5) van tabel C van het ADN.
   ** alleen in te vullen bij laden.
   * * * de officiële vervoersnaam bepaald in kolom (2) van tabel C van hoofdstuk 3.2 van het ADN aangevuld, in voorkomend geval, met de technische naam tussen haakjes.
- Informations relatives à la cargaison précédente**
Désignation officielle de transport
  
Numéro d'identification de la matièreDangers*Groupe d'emballage
............................................... ............................................... ....................................................................... ........................ ................................................... ............................ ............................................ ................. .................
- Informations relatives à la cargaison précédente**Désignation officielle de transport
Numéro d'identification de la matièreDangers*Groupe d'emballage............................................... ............................................... ....................................................................... ........................ ................................................... ............................ ............................................ ................. .................
* les dangers pertinents indiqués dans la colonne (5) du tableau C [2 de l'ADN]2.
   ** à remplir uniquement lors du chargement.
   * * * la désignation officielle de transport fixée à la colonne (2) du tableau C du chapitre 3.2 [2 de l'ADN]2 complétée, le cas échéant, avec le nom technique entre parenthèse.
2 Laad-/Lossnelheid (niet invullen bij de overslag van gassen)
Officiële vervoersnaam**Ladings-tank
   Nr.
Overeengekomen laad-/lossnelheid
beginmiddeneinde
  
 
  debiet m3/uhoeveelheid m3debiet m3/uHoeveel-heid m3debiet m3/uhoeveelheid m3
  
...........................................................................................
...........................................................................................
...........................................................................................
Op welke wijze wordt de laad-/losleiding vanuit de walinstallatie/vanuit het schip * na het laden of lossen leeg gedrukt resp. leeg gezogen ?
   Gedrukt *
   Gezogen *
   Indien gedrukt, op welke manier ?
   ................................................................................... (bijv. lucht, inertgas, ''pig)
   ................................................................................. kPa (maximaal toelaatbare druk in de ladingstanks)
   ............................................................. liter (geschatte nastroom hoeveelheid)
   Vragen aan de schipper of de door hem met de verantwoording belaste persoon aan boord en aan de verantwoordelijke persoon van de walinstallatie
   Met de overslag mag pas worden aangevangen indien alle hierna volgende vragen van de controlelijst met ''X'' zijn aangekruist, dat wil zeggen met JA zijn beantwoord en de lijst door beide personen is ondertekend.
   Niet van toepassing zijnde vragen moeten worden doorgehaald.
   Indien niet alle van toepassing zijnde vragen met Ja kunnen worden beantwoord is de overslag slechts met toestemming van de bevoegde overheid toegestaan. ___________________ *....schrappen wat niet past ** de officiële vervoersnaam bepaald in kolom (2) van tabel C van hoofdstuk 3.2 van het ADN aangevuld, in voorkomend geval, met de technische naam tussen haakjes.
2 Laad-/Lossnelheid (niet invullen bij de overslag van gassen)Officiële vervoersnaam**Ladings-tank
   Nr.Overeengekomen laad-/lossnelheidbeginmiddeneinde
debiet m3/uhoeveelheid m3debiet m3/uHoeveel-heid m3debiet m3/uhoeveelheid m3
.................................................................................................................................................................................................................................................................................Op welke wijze wordt de laad-/losleiding vanuit de walinstallatie/vanuit het schip * na het laden of lossen leeg gedrukt resp. leeg gezogen ?
   Gedrukt *
   Gezogen *
   Indien gedrukt, op welke manier ?
   ................................................................................... (bijv. lucht, inertgas, ''pig)
   ................................................................................. kPa (maximaal toelaatbare druk in de ladingstanks)
   ............................................................. liter (geschatte nastroom hoeveelheid)
   Vragen aan de schipper of de door hem met de verantwoording belaste persoon aan boord en aan de verantwoordelijke persoon van de walinstallatie
   Met de overslag mag pas worden aangevangen indien alle hierna volgende vragen van de controlelijst met ''X'' zijn aangekruist, dat wil zeggen met JA zijn beantwoord en de lijst door beide personen is ondertekend.
   Niet van toepassing zijnde vragen moeten worden doorgehaald.
   Indien niet alle van toepassing zijnde vragen met Ja kunnen worden beantwoord is de overslag slechts met toestemming van de bevoegde overheid toegestaan. ___________________ *....schrappen wat niet past ** de officiële vervoersnaam bepaald in kolom (2) van tabel C van hoofdstuk 3.2 van het ADN aangevuld, in voorkomend geval, met de technische naam tussen haakjes.
2 Débit de chargement/déchargement (n'est pas à remplir avant le chargement de gaz)
Désignation officielle de transport**Citerne à cargaison N°débit de chargement/déchargement convenu
débutmilieufin
  
 
  débit m3/hquantité m3débit m3/hquantité m3débit m3/hquantité m3
  
...........................................................................................
...........................................................................................
...........................................................................................
La tuyauterie de chargement/déchargement sera-t-elle asséchée après le chargement/déchargement par l'installation à terre/par le bateau* par aspiration (stripping) ou refoulement (purge) ?
   Refoulement*
   Aspiration*
   Si par refoulement, de quelle manière ?
   ................................................................................... (par exemple air, gaz inerte, manchon)
   ................................................................................. kPa (pression maximale admissible dans la citerne à cargaison)
   ............................................................. litres (quantité résiduelle estimée)
   Questions au conducteur ou à la personne qu'il a mandatée et à la personne responsable du poste de chargement et de déchargement
   Le chargement ou le déchargement ne peut commencer que lorsque toutes les questions de la liste de contrôle auront été marquées par ''X'', c'est-à-dire qu'elles auront reçu une réponse positive et que la liste aura été signée par les deux personnes.
   Les questions sans objet doivent être rayées.
   Lorsque les questions ne peuvent pas toutes recevoir une réponse positive le chargement ou le déchargement ne peut commencer qu'avec l'autorisation de l'autorité compétente. ___________________ * rayer la mention inutile ** la désignation officielle de transport fixée à la colonne (2) du tableau C du chapitre 3.2 de l'ADN complétée, le cas échéant, avec le nom technique entre parenthèse.
2 Débit de chargement/déchargement (n'est pas à remplir avant le chargement de gaz)Désignation officielle de transport**Citerne à cargaison N°débit de chargement/déchargement convenudébutmilieufin
débit m3/hquantité m3débit m3/hquantité m3débit m3/hquantité m3
.................................................................................................................................................................................................................................................................................La tuyauterie de chargement/déchargement sera-t-elle asséchée après le chargement/déchargement par l'installation à terre/par le bateau* par aspiration (stripping) ou refoulement (purge) ?
   Refoulement*
   Aspiration*
   Si par refoulement, de quelle manière ?
   ................................................................................... (par exemple air, gaz inerte, manchon)
   ................................................................................. kPa (pression maximale admissible dans la citerne à cargaison)
   ............................................................. litres (quantité résiduelle estimée)
   Questions au conducteur ou à la personne qu'il a mandatée et à la personne responsable du poste de chargement et de déchargement
   Le chargement ou le déchargement ne peut commencer que lorsque toutes les questions de la liste de contrôle auront été marquées par ''X'', c'est-à-dire qu'elles auront reçu une réponse positive et que la liste aura été signée par les deux personnes.
   Les questions sans objet doivent être rayées.
   Lorsque les questions ne peuvent pas toutes recevoir une réponse positive le chargement ou le déchargement ne peut commencer qu'avec l'autorisation de l'autorité compétente. ___________________ * rayer la mention inutile ** la désignation officielle de transport fixée à la colonne (2) du tableau C du chapitre 3.2 de l'ADN complétée, le cas échéant, avec le nom technique entre parenthèse.

  
schip3 Laad- en losplaats
1. Is het schip tot het vervoer van de te beladen stof toegelaten ?
  
O */O */
2. (gereserveerd).  
3. Is het schip, de plaatselijke omstandigheden in aanmerking nemend, goed gemeerd ?
  
O-
4. Zijn zowel in de omgeving van het voor-als het achterschip geschikte middelen aanwezig om het schip te betreden of te verlaten in spoedige gevallen ?
  
OO
5. Is een doeltreffende verlichting van de laad- en losplaats en de vluchtwegen gewaarborgd ?
  
OO
6. Schip-wal verbinding 6.1 Zijn de laad- en losleidingen tussen schip en wal in goede conditie ? Zijn zij op de juiste wijze aangesloten ? 6.2 Zijn alle aansluitflenzen voorzien van de juiste pakkingen ? 6.3 Zijn alle flensbouten aangebracht en aangedraaid ?
   6.4 Zijn de laadarmen in alle werkrichtingen vrij beweegbaar en hebben zij en de slangen voldoende speelruimte ?

   -
   -
   -
   O
   -

   O
   O
   O
   O
   O
7. Zijn alle niet gebruikte aansluitingen van de laad- en losleidingen en van de gasverzamelleiding deugdelijk afgeblind ?OO
8. Zijn onder de gebruikte aansluitingen geschikte voorzieningen aangebracht om gelekte vloeistoffen op te vangen ?
  
OO
9. Zijn de wegneembare delen tussen ballast- en lensleidingen enerzijds en laad- en losleidingen anderzijds verwijderd ?O-
10. Is voor de gehele duur van de overslag een voortdurend en doelmatig toezicht verzekerd ?OO
11. Is de communicatie tussen schip en wal verzekerd ?OO
12.1 Is de gasverzamelleiding van het schip tijdens de belading aan de gasterugvoerleiding aan de wal, indien vereist resp. aanwezig, aangesloten ?
   12.2 Is door de walinstallatie gewaarborgd dat de druk aan het walaansluitpunt de openingsdruk van het snelafblaasventiel niet te boven gaat ? 12.3 Is, indien volgens hoofdstuk 3.2. van het ADN, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, door de walinstallatie gewaarborgd dat in haar gasterugvoer- of gaspendelleiding een vlamkerende inrichting aanwezig is, die het schip tegen een detonatie een vlamdoorslag vanuit de wal beschermd ?
O
   -
   -
O
   O */
   O
13. Zijn de maatregelen m.b.t. ''noodstop'' en ''alarm'' bekend ?OO

  
schip4 Laad- of losplaats
14. Controle van de belangrijkste bedrijfsvoorschriften : - Zijn de voorgeschreven brandblusinrichtingen en apparaten bedrijfsgereed ? - Zijn alle kleppen en afsluiters gecontroleerd op hun juiste stand ? - Is een algeheel rookverbod afgekondigd ? - Zijn de verwarmings-, kook- en koelapparaten met open vlam buiten werking ? - Zijn de vloeibaargasinstallaties door middel van de hoofdkraan afgesloten ? - Staan de radarinstallaties niet onder spanning ? - Zijn alle rood gemerkte elektrische installaties uitgeschakeld ? - Zijn alle ramen en deuren gesloten ?
   O
   O
   O
   O
   O
   O
   O O

   O
   O
   O
   -
   -
   -
   - -
15.1 Is de uitgangsdruk van de lospomp aan boord op de toelaatbare werkdruk van de walinstallatie afgestemd ?15.2 Is de uitgangsdruk van de ladingpomp aan de wal op de toelaatbare werkdruk van de installatie aan boord van het schip afgestemd ?
   O
   -

   -
   O
16. Is de niveaualarminrichting bedrijfsgereed ?O-
17. Is het volgende systeem aangesloten, bedrijfsgereed en beproefd ?
   - Overvulbeveiliging (alleen tijdens het laden van het schip) - Uitschakelen van de pomp aan boord door de walinstallatie (alleen tijdens het lossen van het schip)

   O
   O

   O
   O
18. Slechts invullen bij het laden- of lossen van stoffen waarvoor een gesloten of een met vlamkerende inrichtingen beveiligd schip is voorgeschreven :
   Zijn de tankdeksels, controle-, peil- en monstername-openingen van de ladingtanks gesloten of eventueel door middel van in goede staat verkerende inrichtingen beveiligd ?
O-
Gecontroleerd, ingevuld en ondertekend
   Voor het schip : voor de overslaginstallatie
   .......................................................................................... (naam in hoofdletters) (naam in hoofdletters)
   .......................................................................................... (ondertekening) (ondertekening)
  
 

schip3 Laad- en losplaats1. Is het schip tot het vervoer van de te beladen stof toegelaten ?
O */O */2. (gereserveerd).3. Is het schip, de plaatselijke omstandigheden in aanmerking nemend, goed gemeerd ?
O-4. Zijn zowel in de omgeving van het voor-als het achterschip geschikte middelen aanwezig om het schip te betreden of te verlaten in spoedige gevallen ?
OO5. Is een doeltreffende verlichting van de laad- en losplaats en de vluchtwegen gewaarborgd ?
OO6. Schip-wal verbinding 6.1 Zijn de laad- en losleidingen tussen schip en wal in goede conditie ? Zijn zij op de juiste wijze aangesloten ? 6.2 Zijn alle aansluitflenzen voorzien van de juiste pakkingen ? 6.3 Zijn alle flensbouten aangebracht en aangedraaid ?
   6.4 Zijn de laadarmen in alle werkrichtingen vrij beweegbaar en hebben zij en de slangen voldoende speelruimte ?
   -
   -
   -
   O
   -
   O
   O
   O
   O
   O7. Zijn alle niet gebruikte aansluitingen van de laad- en losleidingen en van de gasverzamelleiding deugdelijk afgeblind ?OO8. Zijn onder de gebruikte aansluitingen geschikte voorzieningen aangebracht om gelekte vloeistoffen op te vangen ?
OO9. Zijn de wegneembare delen tussen ballast- en lensleidingen enerzijds en laad- en losleidingen anderzijds verwijderd ?O-10. Is voor de gehele duur van de overslag een voortdurend en doelmatig toezicht verzekerd ?OO11. Is de communicatie tussen schip en wal verzekerd ?OO12.1 Is de gasverzamelleiding van het schip tijdens de belading aan de gasterugvoerleiding aan de wal, indien vereist resp. aanwezig, aangesloten ?
   12.2 Is door de walinstallatie gewaarborgd dat de druk aan het walaansluitpunt de openingsdruk van het snelafblaasventiel niet te boven gaat ? 12.3 Is, indien volgens hoofdstuk 3.2. van het ADN, tabel C, kolom (17) explosiebescherming is vereist, door de walinstallatie gewaarborgd dat in haar gasterugvoer- of gaspendelleiding een vlamkerende inrichting aanwezig is, die het schip tegen een detonatie een vlamdoorslag vanuit de wal beschermd ?O
   -
   -O
   O */
   O13. Zijn de maatregelen m.b.t. ''noodstop'' en ''alarm'' bekend ?OO
schip4 Laad- of losplaats14. Controle van de belangrijkste bedrijfsvoorschriften : - Zijn de voorgeschreven brandblusinrichtingen en apparaten bedrijfsgereed ? - Zijn alle kleppen en afsluiters gecontroleerd op hun juiste stand ? - Is een algeheel rookverbod afgekondigd ? - Zijn de verwarmings-, kook- en koelapparaten met open vlam buiten werking ? - Zijn de vloeibaargasinstallaties door middel van de hoofdkraan afgesloten ? - Staan de radarinstallaties niet onder spanning ? - Zijn alle rood gemerkte elektrische installaties uitgeschakeld ? - Zijn alle ramen en deuren gesloten ?
   O
   O
   O
   O
   O
   O
   O O
   O
   O
   O
   -
   -
   -
   - -15.1 Is de uitgangsdruk van de lospomp aan boord op de toelaatbare werkdruk van de walinstallatie afgestemd ?15.2 Is de uitgangsdruk van de ladingpomp aan de wal op de toelaatbare werkdruk van de installatie aan boord van het schip afgestemd ?
   O
   -
   -
   O16. Is de niveaualarminrichting bedrijfsgereed ?O-17. Is het volgende systeem aangesloten, bedrijfsgereed en beproefd ?
   - Overvulbeveiliging (alleen tijdens het laden van het schip) - Uitschakelen van de pomp aan boord door de walinstallatie (alleen tijdens het lossen van het schip)
   O
   O
   O
   O18. Slechts invullen bij het laden- of lossen van stoffen waarvoor een gesloten of een met vlamkerende inrichtingen beveiligd schip is voorgeschreven :
   Zijn de tankdeksels, controle-, peil- en monstername-openingen van de ladingtanks gesloten of eventueel door middel van in goede staat verkerende inrichtingen beveiligd ?O-Gecontroleerd, ingevuld en ondertekend
   Voor het schip : voor de overslaginstallatie
   .......................................................................................... (naam in hoofdletters) (naam in hoofdletters)
   .......................................................................................... (ondertekening) (ondertekening)

  
bateau3 poste de chargement ou de déchargement
1. Le bateau est-il admis au transport de la cargaison ?O */O */
2. (Réservé).  
3. Le bateau est-il bien amarré compte tenu des circonstances locales ?O-
4. Y a-t-il des moyens appropriés à l'avant et à l'arrière du bateau permettant d'accéder à bord ou de quitter le bateau également en cas d'urgence ?OO
5. Un éclairage efficace du poste de chargement ou de déchargement et des chemins de repli est-il assuré ?OO
6. Liaison bateau-terre 6.1 Les tuyauteries flexibles de chargement ou de déchargement entre le bateau et la terre sont-elles en bon état ? Sont-elles bien raccordées ? 6.2 Toutes les brides de raccordement sont-elles munies de joints appropriés ? 6.3 Tous les boulons de raccordement sont-ils posés et serrés ? 6.4 Les bras articulés sont-ils libres dans tous les axes de service et les tuyaux ont-ils assez de jeu ?
   -
   -
   -
   O
   -

   O
   O
   O
   O
   O
7. Tous les raccordements non utilisés des tuyauteries de chargement ou de déchargement et du collecteur de gaz sont-ils correctement obturés par des flasques ?OO
8. Des moyens appropriés sont-ils disponibles pour recueillir des fuites sous les raccords utilisés ?OO
9. Les parties démontables entre tuyauteries de ballastage et d'épuisement d'une part et les tuyauteries de chargement et de déchargement d'autre part sont-elles enlevées ?O-
10. Une surveillance appropriée permanente est-elle assurée pour toute la durée de chargement ou du déchargement ?OO
11. La communication entre le bateau et la terre est-elle assurée ?OO
12.1 Pour le chargement du bateau, le collecteur de gaz du bateau est-il relié à la tuyauterie de retour du gaz à terre (si nécessaire ou s'il existe) ?
   12.2 Est-il assuré par l'installation à terre que la pression au point de raccordement ne dépasse pas la pression d'ouverture de la soupape de dégagement à grande vitesse ? 12.3 Lorsque la protection contre les explosions est prescrite à la colonne (17) du tableau C du chapitre 3.2. de l'ADN l'installation à terre assure-t-elle que sa conduite de retour de gaz ou sa conduite d'équilibrage de pression est telle que le bateau est protégé contre les détonations et les passages de flammes provenant de terre ?
O
   -
   -
O
   O */
   O
13. Les mesures concernant l'arrêt d'urgence et l'alarme sont-elles connues ?OO

  
bateau4 poste de chargement ou de déchargement
14. Contrôle des prescriptions de service les plus importantes : - les installations et appareils d'extinction d'incendie sont-ils prêts au fonctionnement ? - toutes les vannes et toutes les soupapes sont-elles contrôlées en position correcte ? - l'interdiction générale de fumer est-elle ordonnée? - tous les appareils de chauffage, de cuisine et de réfrigération à flamme sont-ils hors service ? - les installations à gaz liquéfiés sont-elles coupées par le robinet d'arrêt principal ? - les installations de radar sont-elles hors tension ? - toutes les installations électriques pourvues d'une marque rouge sont-elles coupées ? - toutes les fenêtres et portes sont-elles fermées ?
   O
   O
   O
   O
   O
   O
   O O

   O
   O
   O
   -
   -
   -
   - -
15.1 La pression de début de la pompe de bord pour le déchargement est-elle réglée sur la pression de service admissible de l'installation à terre ? 15.2 La pression de début de la pompe à terre est-elle réglée sur la pression de service admissible de l'installation à bord ?
   O
   -

   -
   O
16. L'avertisseur de niveau est-il prêt à fonctionner ?O-
17. Le système suivant est-il branché, prêt à fonctionner et contrôlé ? - déclenchement de la sécurité contre le surremplissage (uniquement en cas de chargement du bateau) - dispositif d'arrêt de la pompe à bord depuis l'installation à terre (uniquement en cas de déchargement du bateau)
   O
   O

   O
   O
18. A remplir uniquement en cas de chargement ou de déchargement de matières pour le transport desquelles un bateau fermé ou un bateau ouvert avec coupe-flammes est prescrit : Les écoutilles des citernes à cargaison, les orifices d'inspection, de jaugeage et de prise d'échantillons des citernes à cargaison sont-ils fermés ou protégés par des coupe-flammes en bon état ?
   O
  

   -
Contrôlé, rempli et signé
   pour le bateau : pour l'installation de chargement ou de déchargement :
   ........................................ .................................................. (nom en majuscules) (nom en majuscules)
   ........................................ .................................................. (signature) (signature)
  
 

bateau3 poste de chargement ou de déchargement1. Le bateau est-il admis au transport de la cargaison ?O */O */2. (Réservé).3. Le bateau est-il bien amarré compte tenu des circonstances locales ?O-4. Y a-t-il des moyens appropriés à l'avant et à l'arrière du bateau permettant d'accéder à bord ou de quitter le bateau également en cas d'urgence ?OO5. Un éclairage efficace du poste de chargement ou de déchargement et des chemins de repli est-il assuré ?OO6. Liaison bateau-terre 6.1 Les tuyauteries flexibles de chargement ou de déchargement entre le bateau et la terre sont-elles en bon état ? Sont-elles bien raccordées ? 6.2 Toutes les brides de raccordement sont-elles munies de joints appropriés ? 6.3 Tous les boulons de raccordement sont-ils posés et serrés ? 6.4 Les bras articulés sont-ils libres dans tous les axes de service et les tuyaux ont-ils assez de jeu ?
   -
   -
   -
   O
   -
   O
   O
   O
   O
   O7. Tous les raccordements non utilisés des tuyauteries de chargement ou de déchargement et du collecteur de gaz sont-ils correctement obturés par des flasques ?OO8. Des moyens appropriés sont-ils disponibles pour recueillir des fuites sous les raccords utilisés ?OO9. Les parties démontables entre tuyauteries de ballastage et d'épuisement d'une part et les tuyauteries de chargement et de déchargement d'autre part sont-elles enlevées ?O-10. Une surveillance appropriée permanente est-elle assurée pour toute la durée de chargement ou du déchargement ?OO11. La communication entre le bateau et la terre est-elle assurée ?OO12.1 Pour le chargement du bateau, le collecteur de gaz du bateau est-il relié à la tuyauterie de retour du gaz à terre (si nécessaire ou s'il existe) ?
   12.2 Est-il assuré par l'installation à terre que la pression au point de raccordement ne dépasse pas la pression d'ouverture de la soupape de dégagement à grande vitesse ? 12.3 Lorsque la protection contre les explosions est prescrite à la colonne (17) du tableau C du chapitre 3.2. de l'ADN l'installation à terre assure-t-elle que sa conduite de retour de gaz ou sa conduite d'équilibrage de pression est telle que le bateau est protégé contre les détonations et les passages de flammes provenant de terre ?O
   -
   -O
   O */
   O13. Les mesures concernant l'arrêt d'urgence et l'alarme sont-elles connues ?OO
bateau4 poste de chargement ou de déchargement14. Contrôle des prescriptions de service les plus importantes : - les installations et appareils d'extinction d'incendie sont-ils prêts au fonctionnement ? - toutes les vannes et toutes les soupapes sont-elles contrôlées en position correcte ? - l'interdiction générale de fumer est-elle ordonnée? - tous les appareils de chauffage, de cuisine et de réfrigération à flamme sont-ils hors service ? - les installations à gaz liquéfiés sont-elles coupées par le robinet d'arrêt principal ? - les installations de radar sont-elles hors tension ? - toutes les installations électriques pourvues d'une marque rouge sont-elles coupées ? - toutes les fenêtres et portes sont-elles fermées ?
   O
   O
   O
   O
   O
   O
   O O
   O
   O
   O
   -
   -
   -
   - -15.1 La pression de début de la pompe de bord pour le déchargement est-elle réglée sur la pression de service admissible de l'installation à terre ? 15.2 La pression de début de la pompe à terre est-elle réglée sur la pression de service admissible de l'installation à bord ?
   O
   -
   -
   O16. L'avertisseur de niveau est-il prêt à fonctionner ?O-17. Le système suivant est-il branché, prêt à fonctionner et contrôlé ? - déclenchement de la sécurité contre le surremplissage (uniquement en cas de chargement du bateau) - dispositif d'arrêt de la pompe à bord depuis l'installation à terre (uniquement en cas de déchargement du bateau)
   O
   O
   O
   O18. A remplir uniquement en cas de chargement ou de déchargement de matières pour le transport desquelles un bateau fermé ou un bateau ouvert avec coupe-flammes est prescrit : Les écoutilles des citernes à cargaison, les orifices d'inspection, de jaugeage et de prise d'échantillons des citernes à cargaison sont-ils fermés ou protégés par des coupe-flammes en bon état ?
   O
*/ alleen in te vullen voor het laden
   Toelichting
   Vraag 3 :
   Onder "goed gemeerd" wordt verstaan dat het schip op een dusdanige wijze aan de aanleg-cq. overslagsteiger is vastgemaakt dat het zonder abnormale invloed van derden in geen enkele richting kan bewegen waardoor de overslaginrichting overbelast kan raken. Daarbij moet met de plaatselijk aanwezige cq.te verwachten getijden en bijzonderheden rekening worden gehouden
   Vraag 4 :
   Het schip moet te allen tijde op een veilige wijze betreden en verlaten kunnen worden. Is aan de walzijde geen beveiligde vluchtweg of slechts één vluchtweg om het schip in geval van nood snel te verlaten ter beschikking, dan moet aan de zijde van het schip een extra vluchtmiddel aanwezig zijn (bv. een buiten boord gelegde bijboot).
   Vraag 6 :
   Ten behoeve van de laad- en losslangen moet een geldig keuringscertificaat aanwezig zijn. Het materiaal van de slangen moet de te voorziene belastingen kunnen weerstaan en geschikt zijn voor de overslag van de betreffende stoffen. Het begrip "leidingen" omvat zowel de slangen als de laad- losarmen. De overslagleidingen tussen schip en land moeten zodanig zijn aangebracht dat zij onder invloed van de normale scheepsbewegingen tengevolge van waterspiegelveranderingen, voorbijvarende schepen en de laad- en loshandelingen niet kunnen worden beschadigd. Evenzo moeten alle flensverbindingen zijn voorzien van de juiste pakking en van voldoende bouten, zodat lekkage uitgesloten is.
   Vraag 10 :
   De overslag moet zowel aan boord als aan land op een wijze worden uitgevoerd zodat optredende gevaren in de buurt van de overslagleidingen direct opgemerkt kunnen worden. Indien het toezicht met technische hulpmiddelen wordt uitgevoerd, moet tussen de walinstallatie en het schip overeenstemming zijn bereikt op welke wijze het toezicht gewaarborgd is.
   Vraag 11 :
   Voor een goede laad- en losprocedure is een goede communicatie tussen schip en land vereist. Ten behoeve hiervan mogen telefoon- en radioapparatuur slechts worden gebruikt indien zij Ex-beveiligd en in de buurt van de toezicht houdende persoon aangebracht zijn.
   Vraag 13 :
   Voor de aanvang van de laad- en losprocedure moeten de vertegenwoordigers van de walinstallatie en de schipper of de door hem met de verantwoording belaste persoon aan boord het eens zijn over de te volgen procedure. Hierbij moet rekening worden gehouden met de bijzondere eigenschappen van het te beladen ofte lossen schip.]1
  
   -Contrôlé, rempli et signé
   pour le bateau : pour l'installation de chargement ou de déchargement :
   ........................................ .................................................. (nom en majuscules) (nom en majuscules)
   ........................................ .................................................. (signature) (signature)
-
*/ à remplir uniquement avant le chargement
   Explications :
   Question 3 :
   Par "bien amarré" on entend que le bateau est fixé au débarcadère ou au poste de transbordement de telle manière que sans intervention de tiers il ne puisse bouger dans aucun sens pouvant entraver le dispositif de transbordement. Il faut tenir compte des fluctuations locales données et prévisibles du niveau d'eau et particularités.
   Question 4 :
   Le bateau doit pouvoir être accessible et être quitté à tout moment. Si du côté terre il n'y a pas de chemins de repli protégés ou seulement un chemin pour quitter rapidement le bateau en cas d'urgence, il doit y avoir côté bateau un moyen de fuite supplémentaire (par exemple un canot placé à l'eau).
   Question 6 :
   Une attestation de contrôle valable doit être à bord pour les tuyauteries de chargement et de déchargement. Le matériau des tuyaux doit résister aux contraintes prévues et être approprié au transbordement de la matière en cause. Le terme tuyauterie englobe les tuyaux proprement dits et les bras de chargement/déchargement. Les tuyauteries de transbordement entre le bateau et la terre doivent être placés de manière à ne pas être endommagés par des fluctuations du niveau d'eau, le passage de bateaux et le déroulement du chargement/déchargement. Tous les raccordements de brides doivent être munis de joints correspondants et de moyens de fixation suffisants pour que des fuites soient exclues.
   Question 10 :
   Le chargement ou déchargement doit être surveillé à bord et à terre de manière que des dangers susceptibles de se produire dans la zone des tuyaux de liaison puissent être immédiatement reconnus. Lorsque la surveillance est effectuée grâce à des moyens techniques auxiliaires, il doit être convenu entre l'installation à terre et le bateau de quelle manière la surveillance est assurée.
   Question 11 :
   Une bonne communication entre le bateau et la terre est nécessaire au déroulement sûr des opérations de chargement/déchargement. A cet effet les appareils téléphoniques et radiophoniques ne peuvent être utilisés que s'ils sont d'un type protégé contre les explosions et installés à portée de la personne chargée de la surveillance.
   Question 13 :
   Avant le début des opérations de chargement/déchargement les représentants de l'installation à terre et le conducteur ou la personne qu'il a mandatée doivent s'entendre sur les procédures à suivre. Il faut tenir compte des propriétés particulières des matières à charger ou à décharger.]1
  
Art. N2. Bijlage 2. - Meldingsplicht
  A. Algemene informatie
  a) Identificatie van het schip :
  - naam;
  - officieel identificatienummer;
  - draagvermogen.
  b) Haven van bestemming.
  c) Geplande route - Verwachte tijd van aankomst in de haven van bestemming en verwachte tijd van afvaart uit die haven
  d) Totaal aantal opvarenden.
  B. Informatie over de lading
  a) Correcte technische benaming van de gevaarlijke of verontreinigende stoffen (volgens het vervoerdocument) :
  - toegekend VN-nummer, voorafgegaan door de letter NU of het identificatienummer van de stof,
  - officiële vervoersnaam (kolom 2, tabel C, van hoofdstuk 3.2. van [1 het ADN]1)
  - gegevens vermeld in kolom 5, tabel C, van hoofdstuk 3.2. van [1 het ADN]1,
  - in voorkomend geval kan de aan de stof toegekende verpakkingsgroef voorafgegaan worden met de letter VG
  b) Hoeveelheden van dergelijke stoffen en de plaats waar zij zich aan boord bevinden, alsmede, indien zij worden vervoerd in voor vrachtvervoer bestemde transporteenheden, behalve tanks, de identificatienummers daarvan.
  c) Bevestiging dat aan boord een lijst, manifest of passend laadplan aanwezig is dat gedetailleerde gegevens bevat over de gevaarlijke of verontreinigende stoffen die worden vervoerd en over de plaats waar deze zich aan boord bevinden.
  d) Adres waar uitgebreide informatie over de lading kan worden verkregen.
Art. N2. Annexe 2. - Obligation de notification
  A. Informations générales
  a) Identification du bateau :
  - nom;
  - numéro d'identification officiel;
  - port en lourd.
  b) Lieu de destination.
  c) Itinéraire prévu - heure probable d'arrivée au lieu de destination et heure probable d'appareillage.
  d) Nombre total de personnes à bord.
  B. Informations sur la cargaison
  a) Désignation technique exacte des marchandises dangereuses (selon le document de transport) :
  - numéro ONU attribué, précédé des lettres UN, ou le numéro d'identification de la matière,
  - désignation officielle de transport (colonne (2) du tableau C du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1),
  - données figurant à la colonne (5) du tableau C du chapitre 3.2 [1 de l'ADN]1,
  - le cas échéant, le groupe d'emballage attribué à la matière pouvant être précédé des lettres GE.
  b) Quantités de ces marchandises et emplacement à bord et, si elles sont transportées dans des unités de transport de cargaison autres que des citernes, numéros d'identification de celles-ci.
  c) Confirmation de la présence à bord d'une liste, d'un manifeste ou d'un plan de chargement approprié précisant en détail les marchandises dangereuses chargées à bord du bateau et leur emplacement.
  d) Adresse à laquelle des renseignements détaillés sur la cargaison peuvent être obtenus.