Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
15 MEI 2012. - Wet betreffende het tijdelijk huisverbod in geval van huiselijk geweld(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-10-2012 en tekstbijwerking tot 24-05-2019)
Titre
15 MAI 2012. - Loi relative à l'interdiction temporaire de résidence en cas de violence domestique(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-10-2012 et mise à jour au 24-05-2019)
Informations sur le document
Numac: 2012009239
Datum: 2012-05-15
Info du document
Numac: 2012009239
Date: 2012-05-15
Table des matières
Tekst (12)
Texte (12)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK 2. - Het huisverbod
CHAPITRE 2. - L'interdiction de résidence
Art.2. Onder " uithuisgeplaatste " wordt in de zin van deze wet verstaan de persoon aan wie een huisverbod is opgelegd.
Art.2. Au sens de la présente loi, on entend par " personne éloignée " la personne à laquelle une interdiction de résidence a été imposée.
Art.3. § 1. Indien uit feiten of omstandigheden blijkt dat de aanwezigheid van een meerderjarige persoon in de verblijfplaats een ernstig en onmiddellijk gevaar oplevert voor de veiligheid van één of meer personen die dezelfde verblijfplaats betrekken, kan de procureur des Konings ten aanzien van deze persoon een huisverbod bevelen.
§ 2. Het huisverbod omvat voor de uithuisgeplaatste de plicht om onmiddellijk de gemeenschappelijke verblijfplaats te verlaten en het verbod tot het betreden van, zich op te houden bij of aanwezig te zijn in die verblijfplaats evenals het verbod om contact op te nemen met de in § 4, 3°, bedoelde personen die met hem deze verblijfplaats betrekken.
§ 3. Het huisverbod geldt gedurende maximaal [1 veertien dagen]1, te rekenen vanaf de kennisgeving ervan aan de betrokken persoon.
§ 4. [1 De beslissing van de Procureur des Konings wordt mondeling meegedeeld aan de uithuisgeplaatste. Binnen de kortst mogelijke termijn wordt via het meest geschikte communicatiemiddel aan de uithuisgeplaatste en aan degenen die dezelfde verblijfplaats betrekken, een afschrift meegedeeld van dit op schrift gesteld bevel, dat inzonderheid bevat :]1
1° een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor de maatregel geldt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot het in § 1 bedoelde huisverbod;
3° de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen, geldt;
4° de sancties die de niet-naleving van het verbod tot gevolg kunnen hebben.
§ 5. [1 ...]1. Een afschrift van deze beslissing wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen de verblijfplaats waarop het huisverbod betrekking heeft gelegen is.
[1 De procureur des Konings deelt zijn beslissing tot tijdelijk huisverbod onverwijld mee aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen opdat deze de personen die met de uithuisgeplaatste dezelfde verblijfplaats betrekken zou bijstaan en voorlichten.]1
[2 De procureur des Konings deelt zijn beslissing tot tijdelijk huisverbod eveneens onverwijld mee aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, krachtens artikel 5, § 1, III, tweede lid, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, opdat deze de uithuisgeplaatste zou bijstaan en opvolgen tijdens het tijdelijk huisverbod.]2
§ 6. De uithuisgeplaatste deelt ten laatste binnen vierentwintig uur na de kennisgeving van het bevel, aan de procureur des Konings de plaats mee waar en op welke wijze hij gedurende de duur van het verbod bereikbaar is.
§ 7. De procureur des Konings kan het huisverbod te allen tijde opheffen, wanneer hij van oordeel is dat het in § 1 bedoelde gevaar geweken is of, indien de omstandigheden dit rechtvaardigen, de invulling van deze maatregel wijzigen. Hij handelt hierbij overeenkomstig §§ 4 en 5.
§ 2. Het huisverbod omvat voor de uithuisgeplaatste de plicht om onmiddellijk de gemeenschappelijke verblijfplaats te verlaten en het verbod tot het betreden van, zich op te houden bij of aanwezig te zijn in die verblijfplaats evenals het verbod om contact op te nemen met de in § 4, 3°, bedoelde personen die met hem deze verblijfplaats betrekken.
§ 3. Het huisverbod geldt gedurende maximaal [1 veertien dagen]1, te rekenen vanaf de kennisgeving ervan aan de betrokken persoon.
§ 4. [1 De beslissing van de Procureur des Konings wordt mondeling meegedeeld aan de uithuisgeplaatste. Binnen de kortst mogelijke termijn wordt via het meest geschikte communicatiemiddel aan de uithuisgeplaatste en aan degenen die dezelfde verblijfplaats betrekken, een afschrift meegedeeld van dit op schrift gesteld bevel, dat inzonderheid bevat :]1
1° een omschrijving van de plaats en de duur waarvoor de maatregel geldt;
2° de feiten en omstandigheden die aanleiding gegeven hebben tot het in § 1 bedoelde huisverbod;
3° de namen van de personen ten aanzien van wie het verbod om contact op te nemen, geldt;
4° de sancties die de niet-naleving van het verbod tot gevolg kunnen hebben.
§ 5. [1 ...]1. Een afschrift van deze beslissing wordt via het meest geschikte communicatiemiddel meegedeeld aan de korpschef van de lokale politie van de politiezone waarbinnen de verblijfplaats waarop het huisverbod betrekking heeft gelegen is.
[1 De procureur des Konings deelt zijn beslissing tot tijdelijk huisverbod onverwijld mee aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen opdat deze de personen die met de uithuisgeplaatste dezelfde verblijfplaats betrekken zou bijstaan en voorlichten.]1
[2 De procureur des Konings deelt zijn beslissing tot tijdelijk huisverbod eveneens onverwijld mee aan de bevoegde dienst van de Gemeenschappen, krachtens artikel 5, § 1, III, tweede lid, van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, opdat deze de uithuisgeplaatste zou bijstaan en opvolgen tijdens het tijdelijk huisverbod.]2
§ 6. De uithuisgeplaatste deelt ten laatste binnen vierentwintig uur na de kennisgeving van het bevel, aan de procureur des Konings de plaats mee waar en op welke wijze hij gedurende de duur van het verbod bereikbaar is.
§ 7. De procureur des Konings kan het huisverbod te allen tijde opheffen, wanneer hij van oordeel is dat het in § 1 bedoelde gevaar geweken is of, indien de omstandigheden dit rechtvaardigen, de invulling van deze maatregel wijzigen. Hij handelt hierbij overeenkomstig §§ 4 en 5.
Art.3. § 1er. S'il ressort de faits ou de circonstances que la présence d'une personne majeure à la résidence représente une menace grave et immédiate pour la sécurité d'une ou de plusieurs personnes qui occupent la même résidence, le procureur du Roi peut ordonner une interdiction de résidence à l'égard de cette personne.
§ 2. L'interdiction de résidence entraîne, pour la personne éloignée, l'obligation de quitter immédiatement la résidence commune et l'interdiction d'y pénétrer, de s'y arrêter ou d'y être présente et l'interdiction d'entrer en contact avec les personnes visées au § 4, 3°, qui occupent cette résidence avec elle.
§ 3. L'interdiction de résidence s'applique pendant [1 quatorze jours]1 maximum à compter de sa notification à la personne concernée.
§ 4. [1 La décision du procureur du Roi est communiquée verbalement à la personne éloignée. Dans les plus brefs délais et par le moyen de communication le plus approprié, il est notifié à la personne éloignée et aux personnes qui occupent la même résidence qu'elle, une copie de cette ordonnance consignée par écrit contenant entre autres :]1
1° une description du lieu et la durée d'application de la mesure;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l'interdiction de résidence, visée au § 1er;
3° les noms des personnes avec lesquelles la personne éloignée ne peut plus entrer en contact;
4° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de l'interdiction.
§ 5. [1 ...]1. Une copie de sa décision est notifiée par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police dans le ressort de laquelle se situe la résidence concernée par l'interdiction de résidence.
[1 Le procureur du Roi communique immédiatement sa décision d'interdiction temporaire de résidence au service compétent des communautés afin qu'il assiste et informe les personnes qui occupent la même résidence que la personne éloignée.]1
[2 Le procureur du Roi communique également immédiatement sa décision d'interdiction temporaire de résidence au service compétent des communautés, en vertu de l'article 5, § 1er, III, alinéa 2, de la loi spéciale de réformes institutionnelles, afin qu'il assiste et assure le suivi de la personne éloignée durant l'interdiction temporaire de résidence.]2
§ 6. Au plus tard dans les vingt-quatre heures de la notification de l'ordonnance, la personne éloignée fait savoir au procureur du Roi à quel endroit elle est joignable pendant la durée de l'interdiction, et de quelle manière.
§ 7. Le procureur du Roi peut à tout moment lever l'interdiction de résidence s'il estime que la menace visée au § 1er est écartée ou, si les circonstances le justifient, modifier les modalités de cette mesure. A cet égard, il agit conformément aux §§ 4 et 5.
§ 2. L'interdiction de résidence entraîne, pour la personne éloignée, l'obligation de quitter immédiatement la résidence commune et l'interdiction d'y pénétrer, de s'y arrêter ou d'y être présente et l'interdiction d'entrer en contact avec les personnes visées au § 4, 3°, qui occupent cette résidence avec elle.
§ 3. L'interdiction de résidence s'applique pendant [1 quatorze jours]1 maximum à compter de sa notification à la personne concernée.
§ 4. [1 La décision du procureur du Roi est communiquée verbalement à la personne éloignée. Dans les plus brefs délais et par le moyen de communication le plus approprié, il est notifié à la personne éloignée et aux personnes qui occupent la même résidence qu'elle, une copie de cette ordonnance consignée par écrit contenant entre autres :]1
1° une description du lieu et la durée d'application de la mesure;
2° les faits et circonstances qui ont donné lieu à l'interdiction de résidence, visée au § 1er;
3° les noms des personnes avec lesquelles la personne éloignée ne peut plus entrer en contact;
4° les sanctions qui pourront être imposées en cas de non-respect de l'interdiction.
§ 5. [1 ...]1. Une copie de sa décision est notifiée par le moyen de communication le plus approprié au chef de corps de la police locale de la zone de police dans le ressort de laquelle se situe la résidence concernée par l'interdiction de résidence.
[1 Le procureur du Roi communique immédiatement sa décision d'interdiction temporaire de résidence au service compétent des communautés afin qu'il assiste et informe les personnes qui occupent la même résidence que la personne éloignée.]1
[2 Le procureur du Roi communique également immédiatement sa décision d'interdiction temporaire de résidence au service compétent des communautés, en vertu de l'article 5, § 1er, III, alinéa 2, de la loi spéciale de réformes institutionnelles, afin qu'il assiste et assure le suivi de la personne éloignée durant l'interdiction temporaire de résidence.]2
§ 6. Au plus tard dans les vingt-quatre heures de la notification de l'ordonnance, la personne éloignée fait savoir au procureur du Roi à quel endroit elle est joignable pendant la durée de l'interdiction, et de quelle manière.
§ 7. Le procureur du Roi peut à tout moment lever l'interdiction de résidence s'il estime que la menace visée au § 1er est écartée ou, si les circonstances le justifient, modifier les modalités de cette mesure. A cet égard, il agit conformément aux §§ 4 et 5.
Art.4. § 1. Ten laatste op de eerste dag waarop de griffie geopend is volgend op de dag van het bevel tot huisverbod, deelt de procureur des Konings het bevel mee aan de [1 familierechtbank van het arrondissement waarin de betrokken verblijfplaats gelegen is, onverminderd artikel 629bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek]1.
De procureur des Konings doet eveneens mededeling aan de [1 familierechtbank]1 en de partijen van de processen-verbaal die aanleiding hebben gegeven tot het huisverbod en, in voorkomend geval, van zijn beslissing om het huisverbod op te heffen of de invulling ervan te wijzigen, alsook van de processen-verbaal houdende inbreuken op het huisverbod.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na de mededeling van het bevel bepaalt de [1 familierechtbank]1 de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting vindt plaats binnen de in artikel 3, § 3, bedoelde termijn.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier aan de in het bevel van de procureur des Konings, vermelde partijen, kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting en nodigt hen, in voorkomend geval, uit een verzoek te richten tot dringende voorlopige maatregelen of voorlopige maatregelen betreffende de gemeenschappelijke verblijfplaats.
Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het huisverbod bevolen heeft.
De procureur des Konings doet eveneens mededeling aan de [1 familierechtbank]1 en de partijen van de processen-verbaal die aanleiding hebben gegeven tot het huisverbod en, in voorkomend geval, van zijn beslissing om het huisverbod op te heffen of de invulling ervan te wijzigen, alsook van de processen-verbaal houdende inbreuken op het huisverbod.
§ 2. Binnen vierentwintig uur na de mededeling van het bevel bepaalt de [1 familierechtbank]1 de dag en het uur van de zitting waarop de zaak kan worden behandeld. De zitting vindt plaats binnen de in artikel 3, § 3, bedoelde termijn.
Bij gerechtsbrief geeft de griffier aan de in het bevel van de procureur des Konings, vermelde partijen, kennis van de plaats, de dag en het uur van de zitting en nodigt hen, in voorkomend geval, uit een verzoek te richten tot dringende voorlopige maatregelen of voorlopige maatregelen betreffende de gemeenschappelijke verblijfplaats.
Hij deelt eveneens de dag en het uur van de zitting mee aan de procureur des Konings die het huisverbod bevolen heeft.
Art.4. § 1er. Au plus tard le premier jour d'ouverture du greffe suivant la date de l'ordonnance d'interdiction de résidence, le procureur du Roi la communique au [1 tribunal de la famille de l'arrondissement dans lequel est située la résidence concernée, sous réserve de l'article 629bis, § 1er, du Code judiciaire]1.
Le procureur du Roi communique également au [1 tribunal de la famille]1 et aux parties les procès-verbaux ayant donné lieu à l'interdiction de résidence et, le cas échéant, sa décision de lever l'interdiction ou d'en modifier les modalités, ainsi que les procès-verbaux constatant des infractions à l'interdiction.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures de la communication de l'ordonnance, le [1 tribunal de la famille]1 fixe les date et heure de l'audience au cours de laquelle la cause peut être instruite. L'audience a lieu dans le délai visé à l'article 3, § 3.
Par pli judiciaire, le greffier notifie aux parties mentionnées dans l'ordonnance du procureur du Roi, les lieu, date et heure de l'audience et, le cas échéant, les invite à introduire une demande de mesures urgentes et provisoires ou de mesures provisoires relatives à la résidence commune.
Il communique également les jour et heure de l'audience au procureur du Roi qui a ordonné l'interdiction de résidence.
Le procureur du Roi communique également au [1 tribunal de la famille]1 et aux parties les procès-verbaux ayant donné lieu à l'interdiction de résidence et, le cas échéant, sa décision de lever l'interdiction ou d'en modifier les modalités, ainsi que les procès-verbaux constatant des infractions à l'interdiction.
§ 2. Dans les vingt-quatre heures de la communication de l'ordonnance, le [1 tribunal de la famille]1 fixe les date et heure de l'audience au cours de laquelle la cause peut être instruite. L'audience a lieu dans le délai visé à l'article 3, § 3.
Par pli judiciaire, le greffier notifie aux parties mentionnées dans l'ordonnance du procureur du Roi, les lieu, date et heure de l'audience et, le cas échéant, les invite à introduire une demande de mesures urgentes et provisoires ou de mesures provisoires relatives à la résidence commune.
Il communique également les jour et heure de l'audience au procureur du Roi qui a ordonné l'interdiction de résidence.
Art.5. § 1. Indien de partijen of de procureur des Konings daar schriftelijk of mondeling ter zitting om verzoeken, behandelt de [1 familierechtbank]1 de zaak en hoort [1 zij]1 de aanwezige partijen.
Deze zaak wordt behandeld in raadkamer. De [1 familierechtbank]1 kan evenwel in elke stand van het geding, naargelang van de omstandigheden, de openbaarheid van de debatten bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op vraag van het openbaar ministerie of van een partij in het geding.
§ 2. De [1 familierechtbank]1 doet tijdens deze zitting, op verzoek, uitspraak over de naleving van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde voorwaarden.
[1 Zij]1 kan het huisverbod opheffen of, bij een met redenen omkleed vonnis, verlengen met ten hoogste drie maanden te rekenen vanaf het vonnis indien en voor zover de in artikel 3, § 1, bedoelde feiten of omstandigheden dit op het tijdstip van het vonnis rechtvaardigen.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.
§ 3. De griffier geeft aan de partijen bij gerechtsbrief kennis van het vonnis, alsmede van de rechtsmiddelen waarover zij beschikken. [1 Zij]1 deelt het vonnis eveneens mee aan de procureur des Konings.
§ 4. De [1 familierechtbank]1 kan te allen tijde, op verzoek van een van de partijen of de procureur des Konings bij een met redenen omkleed vonnis de invulling van de maatregel van het huisverbod wijzigen of het huisverbod opheffen indien de omstandigheden van de zaak dit vereisen.
§ 5. De zaak blijft ingeschreven op de rol van [1 de familierechtbank]1 totdat het huisverbod eindigt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor de [1 familierechtbank]1 worden gebracht bij conclusie of bij schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of is gericht aan de griffie. Artikel 730, § 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op deze zaken.
§ 6. De partijen kunnen tijdens de duur van het huisverbod een verzoek om dringende voorlopige maatregelen neerleggen bij conclusie of bij schriftelijk verzoek dat wordt ingediend bij of gericht is aan de griffie.
§ 7. Indien de [1 familierechtbank]1 binnen de in artikel 3, § 3, bedoelde termijn, geen beslissing heeft genomen, vervalt het huisverbod. Het huisverbod vervalt van rechtswege ingeval er een rechterlijke beslissing werd getroffen die verband houdt met de gemeenschappelijke verblijfplaats.
Deze zaak wordt behandeld in raadkamer. De [1 familierechtbank]1 kan evenwel in elke stand van het geding, naargelang van de omstandigheden, de openbaarheid van de debatten bevelen, hetzij ambtshalve, hetzij op vraag van het openbaar ministerie of van een partij in het geding.
§ 2. De [1 familierechtbank]1 doet tijdens deze zitting, op verzoek, uitspraak over de naleving van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde voorwaarden.
[1 Zij]1 kan het huisverbod opheffen of, bij een met redenen omkleed vonnis, verlengen met ten hoogste drie maanden te rekenen vanaf het vonnis indien en voor zover de in artikel 3, § 1, bedoelde feiten of omstandigheden dit op het tijdstip van het vonnis rechtvaardigen.
De uitspraak is uitvoerbaar bij voorraad.
§ 3. De griffier geeft aan de partijen bij gerechtsbrief kennis van het vonnis, alsmede van de rechtsmiddelen waarover zij beschikken. [1 Zij]1 deelt het vonnis eveneens mee aan de procureur des Konings.
§ 4. De [1 familierechtbank]1 kan te allen tijde, op verzoek van een van de partijen of de procureur des Konings bij een met redenen omkleed vonnis de invulling van de maatregel van het huisverbod wijzigen of het huisverbod opheffen indien de omstandigheden van de zaak dit vereisen.
§ 5. De zaak blijft ingeschreven op de rol van [1 de familierechtbank]1 totdat het huisverbod eindigt. In geval van nieuwe elementen, kan de zaak opnieuw voor de [1 familierechtbank]1 worden gebracht bij conclusie of bij schriftelijk verzoek dat wordt neergelegd bij of is gericht aan de griffie. Artikel 730, § 2, a), van het Gerechtelijk Wetboek is niet van toepassing op deze zaken.
§ 6. De partijen kunnen tijdens de duur van het huisverbod een verzoek om dringende voorlopige maatregelen neerleggen bij conclusie of bij schriftelijk verzoek dat wordt ingediend bij of gericht is aan de griffie.
§ 7. Indien de [1 familierechtbank]1 binnen de in artikel 3, § 3, bedoelde termijn, geen beslissing heeft genomen, vervalt het huisverbod. Het huisverbod vervalt van rechtswege ingeval er een rechterlijke beslissing werd getroffen die verband houdt met de gemeenschappelijke verblijfplaats.
Art.5. § 1er. Si les parties ou le procureur du Roi en font la demande par écrit ou oralement à l'audience, [1 tribunal de la famille]1 instruit la cause et entend les parties présentes.
La cause est instruite en chambre du conseil. Toutefois, le [1 tribunal de la famille]1 peut, en tout état de cause, en fonction des circonstances, ordonner la publicité des débats soit d'office, soit à la demande du ministère public ou d'une partie à la cause.
§ 2. Au cours de cette audience, le [1 tribunal de la famille]1 statue, sur requête, sur le respect des conditions visées aux articles 3 et 4.
Il peut lever l'interdiction de résidence ou la prolonger, par jugement motivé, de trois mois maximum à compter du jugement, si et pour autant que les faits ou circonstances visés à l'article 3, § 1er, le justifient à la date du jugement.
La décision est exécutoire par provision.
§ 3. Par pli judiciaire, le greffier notifie le jugement aux parties et les informe des voies de recours dont elles disposent. Il communique également le jugement au procureur du Roi.
§ 4. Le [1 tribunal de la famille]1 peut à tout moment, à la requête d'une des parties ou du procureur du Roi et par jugement motivé, modifier les modalités de la mesure d'interdiction de résidence ou lever l'interdiction de résidence si les circonstances de la cause le requièrent.
§ 5. La cause reste inscrite au rôle [1 du tribunal de la famille]1 jusqu'à ce que l'interdiction de résidence prenne fin. En cas d'éléments nouveaux, elle peut être ramenée devant le [1 tribunal de la famille]1 par conclusions ou par demande écrite, déposées ou adressées au greffe. L'article 730, § 2, a), du Code judiciaire n'est pas applicable à ces causes.
§ 6. Pendant la durée de l'interdiction de résidence, les parties peuvent introduire une demande de mesures urgentes et provisoires par conclusions ou par demande écrite, déposées ou adressées au greffe.
§ 7. L'interdiction de résidence prend fin si le [1 tribunal de la famille]1 n'a pas statué dans le délai visé à l'article 3, § 3. L'interdiction de résidence prend fin de plein droit si la résidence commune a fait l'objet d'une décision judiciaire.
La cause est instruite en chambre du conseil. Toutefois, le [1 tribunal de la famille]1 peut, en tout état de cause, en fonction des circonstances, ordonner la publicité des débats soit d'office, soit à la demande du ministère public ou d'une partie à la cause.
§ 2. Au cours de cette audience, le [1 tribunal de la famille]1 statue, sur requête, sur le respect des conditions visées aux articles 3 et 4.
Il peut lever l'interdiction de résidence ou la prolonger, par jugement motivé, de trois mois maximum à compter du jugement, si et pour autant que les faits ou circonstances visés à l'article 3, § 1er, le justifient à la date du jugement.
La décision est exécutoire par provision.
§ 3. Par pli judiciaire, le greffier notifie le jugement aux parties et les informe des voies de recours dont elles disposent. Il communique également le jugement au procureur du Roi.
§ 4. Le [1 tribunal de la famille]1 peut à tout moment, à la requête d'une des parties ou du procureur du Roi et par jugement motivé, modifier les modalités de la mesure d'interdiction de résidence ou lever l'interdiction de résidence si les circonstances de la cause le requièrent.
§ 5. La cause reste inscrite au rôle [1 du tribunal de la famille]1 jusqu'à ce que l'interdiction de résidence prenne fin. En cas d'éléments nouveaux, elle peut être ramenée devant le [1 tribunal de la famille]1 par conclusions ou par demande écrite, déposées ou adressées au greffe. L'article 730, § 2, a), du Code judiciaire n'est pas applicable à ces causes.
§ 6. Pendant la durée de l'interdiction de résidence, les parties peuvent introduire une demande de mesures urgentes et provisoires par conclusions ou par demande écrite, déposées ou adressées au greffe.
§ 7. L'interdiction de résidence prend fin si le [1 tribunal de la famille]1 n'a pas statué dans le délai visé à l'article 3, § 3. L'interdiction de résidence prend fin de plein droit si la résidence commune a fait l'objet d'une décision judiciaire.
HOOFDSTUK 2/1. [1 - Bestraffing van de overtreding van het huisverbod]1
CHAPITRE 2/1. [1 - Répression du non-respect de l'interdiction de résidence]1
Art. 5/1. [1 De uithuisgeplaatste, bedoeld in artikel 2, die het ten aanzien van zijn persoon door de procureur des Konings opgelegde bevel overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een geldboete van 26 euro tot 100 euro of met een van die straffen alleen.]1
Art. 5/1. [1 La personne éloignée, visée à l'article 2, qui enfreint l'ordonnance imposée par le procureur du Roi à son égard sera punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de 26 euros à 100 euros ou d'une de ces peines seulement.]1
Modifications
Art. 5/2. [1 De uithuisgeplaatste, bedoeld in artikel 2, die het ten aanzien van zijn persoon door de familierechtbank verlengde bevel overtreedt, wordt gestraft met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en een geldboete van 26 euro tot 100 euro of met een van die straffen alleen.]1
Art. 5/2. [1 La personne éloignée, visée à l'article 2, qui enfreint l'ordonnance prolongée par le tribunal de la famille à son égard sera punie d'un emprisonnement de huit jours à un an et d'une amende de 26 euros à 100 euros ou d'une de ces peines seulement.]1
Modifications
HOOFDSTUK 3. - Inwerkingtreding
CHAPITRE 3. - Entrée en vigueur
Art. 6. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de derde maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 6. La présente loi entre en vigueur le premier jour du troisième mois qui suit celui de sa publication au Moniteur belge.