Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
8 JANUARI 2012. - Koninklijk besluit tot vaststelling van het bijzonder reglement voor de rechtbank van eerste aanleg te Doornik. (NOTA : opgeheven met ingang op een onbepaalde datum bij KB2016-06-12/04, art. 1, Inwerkingtreding : onbepaald )
Titre
8 JANVIER 2012. - Arrêté royal fixant le règlement particulier du tribunal de première instance de Tournai. (NOTE : abrogé avec effet à une date indéterminée par AR2016-06-12/04, art. 1, En vigueur : indéterminée )
Informations sur le document
Info du document
Tekst (14)
Texte (14)
Artikel 1. Naast de bevoegdheden van de voorzitter, de beslagrechters, de rechters in de jeugdrechtbank, de onderzoeksrechters, de raadkamer zetelend in correctionele zaken en het bureau voor rechtsbijstand, bestaat de rechtbank van eerste aanleg te Doornik uit drieëntwintig kamers, waarvan twaalf burgerlijke kamers, namelijk de eerste, tweede, derde, vierde, vijfde, zesde, zevende, achtste, negende, tiende, elfde en twaalfde kamer, die de afdeling genaamd " burgerlijke rechtbank " vormen, acht correctionele kamers, namelijk de dertiende, veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende, achttiende, negentiende en twintigste kamer, die de afdeling genaamd " correctionele rechtbank " vormen, en drie jeugdkamers, namelijk de eenentwintigste, tweeëntwintigste en drieëntwintigste kamer, die de afdeling " jeugdrechtbank " vormen.
Article 1er. Outre la juridiction présidentielle, la juridiction des saisies, des juges au tribunal de la jeunesse, des juges d'instruction, la chambre du conseil siégeant en matière correctionnelle et le bureau d'assistance judiciaire, le tribunal de première instance de Tournai comprend vingt-trois chambres, dont douze chambres civiles, à savoir les première, deuxième, troisième, quatrième, cinquième, sixième, septième, huitième, neuvième, dixième, onzième et douzième chambres, qui composent la section dénommée " tribunal civil ", huit chambres correctionnelles, à savoir les treizième, quatorzième, quinzième, seizième, dix-septième, dix-huitième, dix-neuvième et vingtième chambres, qui composent la section dénommée " tribunal correctionnel " et trois chambres de la jeunesse, à savoir les vingt-et-unième, vingt-deuxième et vingt-troisième chambres, qui composent la section dénommée " tribunal de la jeunesse ".
Art. 2. Zijn toegewezen :
a) aan de eerste, vierde, achtste, negende, tiende, elfde en twaalfde kamer, alle burgerlijke zaken die niet tot de taken of de bevoegdheid van een andere kamer of een andere rechter behoren.
Naast de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit, neemt de tiende kamer inzonderheid kennis van de burgerlijke zaken die niet tot de taken of de bevoegdheid van een andere kamer of rechter behoren wanneer deze zaken in raadkamer behandeld moeten worden, alsook van de procedures of vorderingen betreffende het verkrijgen van een Europese executoriale titel;
b) aan de tweede en vijfde kamer, de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit;
Naast de vorderingen betreffende echtscheiding en scheiding van tafel en bed, worden de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit evenwel toegewezen aan de zesde kamer wanneer deze zaken in raadkamer behandeld moeten worden;
c) aan de derde en zevende kamer, het beroep tegen vonnissen gewezen in eerste aanleg door de vrederechter en, in de door artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde gevallen, door de politierechtbank;
d) aan de dertiende, veertiende, vijftiende en zeventiende kamer, de strafzaken betreffende misdrijven die niet tot de taken van de zestiende, achttiende, negentiende en twintigste kamer behoren;
De veertiende kamer neemt inzonderheid kennis van de procedures van onmiddellijke verschijning en van oproeping bij proces-verbaal.
De vijftiende kamer neemt inzonderheid kennis van de gedingen inzake fiscaal strafrecht;
e) aan de zestiende en negentiende kamer de inbreuken op de wetten en regelgevingen betreffende een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en, in geval van samenloop of samenhang, van bedoelde inbreuken samen met één of meer inbreuken die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten;
f) aan de achttiende kamer, de strafzaken betreffende misdrijven bedoeld in titel VII en titel VIII, hoofdstuk III, boek II, van het Strafwetboek, met uitzondering van de misdrijven bedoeld in de artikelen 391bis, 391ter, 431 en 432 van hetzelfde wetboek, evenals de strafzaken wanneer het openbaar ministerie in de dagvaarding of de oproeping aangegeven heeft dat zij vastgesteld zijn voor een kamer met drie rechters of wanneer de verwijzing naar een kamer met drie rechters bevolen is conform artikel 91, derde, vijfde of zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
g) aan de twintigste kamer, het beroep tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbank, behalve de in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde gevallen;
h) aan de eenentwintigste kamer, de zaken bedoeld in titel II, hoofdstuk III van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, alsook de zaken die onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank vallen betreffende de hulpverlening aan de jeugd (decreet van 4 maart 1991 van de Raad van de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd);
i) aan de tweeëntwintigste kamer, de burgerlijke zaken die onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank vallen (aangelegenheden bedoeld in artikel 45, 1, van de voornoemde wet van 8 april 1965);
j) aan de drieëntwintigste kamer, de vervolging ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uit handen geven is genomen overeenkomstig de voornoemde wet van 8 april 1965, in het kader van een wanbedrijf en/of een correctionaliseerbare misdaad.
a) aan de eerste, vierde, achtste, negende, tiende, elfde en twaalfde kamer, alle burgerlijke zaken die niet tot de taken of de bevoegdheid van een andere kamer of een andere rechter behoren.
Naast de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit, neemt de tiende kamer inzonderheid kennis van de burgerlijke zaken die niet tot de taken of de bevoegdheid van een andere kamer of rechter behoren wanneer deze zaken in raadkamer behandeld moeten worden, alsook van de procedures of vorderingen betreffende het verkrijgen van een Europese executoriale titel;
b) aan de tweede en vijfde kamer, de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit;
Naast de vorderingen betreffende echtscheiding en scheiding van tafel en bed, worden de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit evenwel toegewezen aan de zesde kamer wanneer deze zaken in raadkamer behandeld moeten worden;
c) aan de derde en zevende kamer, het beroep tegen vonnissen gewezen in eerste aanleg door de vrederechter en, in de door artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde gevallen, door de politierechtbank;
d) aan de dertiende, veertiende, vijftiende en zeventiende kamer, de strafzaken betreffende misdrijven die niet tot de taken van de zestiende, achttiende, negentiende en twintigste kamer behoren;
De veertiende kamer neemt inzonderheid kennis van de procedures van onmiddellijke verschijning en van oproeping bij proces-verbaal.
De vijftiende kamer neemt inzonderheid kennis van de gedingen inzake fiscaal strafrecht;
e) aan de zestiende en negentiende kamer de inbreuken op de wetten en regelgevingen betreffende een van de aangelegenheden die behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten en, in geval van samenloop of samenhang, van bedoelde inbreuken samen met één of meer inbreuken die niet behoren tot de bevoegdheid van de arbeidsgerechten;
f) aan de achttiende kamer, de strafzaken betreffende misdrijven bedoeld in titel VII en titel VIII, hoofdstuk III, boek II, van het Strafwetboek, met uitzondering van de misdrijven bedoeld in de artikelen 391bis, 391ter, 431 en 432 van hetzelfde wetboek, evenals de strafzaken wanneer het openbaar ministerie in de dagvaarding of de oproeping aangegeven heeft dat zij vastgesteld zijn voor een kamer met drie rechters of wanneer de verwijzing naar een kamer met drie rechters bevolen is conform artikel 91, derde, vijfde of zevende lid, van het Gerechtelijk Wetboek;
g) aan de twintigste kamer, het beroep tegen de vonnissen gewezen door de politierechtbank, behalve de in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde gevallen;
h) aan de eenentwintigste kamer, de zaken bedoeld in titel II, hoofdstuk III van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade, alsook de zaken die onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank vallen betreffende de hulpverlening aan de jeugd (decreet van 4 maart 1991 van de Raad van de Franse Gemeenschap inzake hulpverlening aan de jeugd);
i) aan de tweeëntwintigste kamer, de burgerlijke zaken die onder de bevoegdheid van de jeugdrechtbank vallen (aangelegenheden bedoeld in artikel 45, 1, van de voornoemde wet van 8 april 1965);
j) aan de drieëntwintigste kamer, de vervolging ingesteld tegen personen ten aanzien van wie een beslissing tot uit handen geven is genomen overeenkomstig de voornoemde wet van 8 april 1965, in het kader van een wanbedrijf en/of een correctionaliseerbare misdaad.
Art. 2. Sont attribués :
a) aux première, quatrième, huitième, neuvième, dixième, onzième et douzième chambres, toutes les affaires civiles qui ne relèvent pas des attributions ou de la compétence d'une autre chambre ou d'un autre juge.
La dixième chambre connaît notamment, hormis les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité, des affaires civiles qui ne relèvent pas des attributions ou de la compétence d'une autre chambre ou d'un autre juge, lorsque ces affaires doivent être instruites en chambre du conseil ainsi que des procédures ou des demandes tendant à l'obtention d'un titre exécutoire européen;
b) aux deuxième et cinquième chambres, les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité;
Toutefois, hormis les demandes en matière de divorce et de séparation de corps, les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité sont attribuées à la sixième chambre lorsqu'elles doivent être instruites en chambre du conseil;
c) aux troisième et septième chambres, l'appel des jugements rendus en premier ressort par le juge de paix et, dans les cas prévus à l'article 601bis du Code judiciaire, par le tribunal de police;
d) aux treizième, quatorzième, quinzième et dix-septième chambres, les affaires en matière répressive qui ne relèvent pas des attributions des seizième, dix-huitième, dix-neuvième et vingtième chambres;
La quatorzième chambre connaît notamment des procédures de comparution immédiate et de convocation par procès-verbal.
La quinzième chambre connaît notamment des causes en matière de droit pénal fiscal;
e) aux seizième et dix-neuvième chambres, les infractions aux lois et règlements relatifs à une des matières qui relèvent de la compétence des juridictions du travail et, en cas de concours ou de connexité, des infractions citées avec une ou plusieurs infractions qui ne sont pas de la compétence des juridictions du travail;
f) à la dix-huitième chambre, les affaires en matière répressive relatives aux infractions visées au titre VII et au titre VIII, chapitre III, du livre II, du Code pénal, à l'exception des infractions visées aux articles 391bis, 391ter, 431 et 432 du même code, ainsi que les affaires en matière répressive lorsque le ministère public a indiqué dans la citation ou la convocation qu'elles sont fixées devant une chambre à trois juges ou lorsque le renvoi devant une chambre à trois juges a été ordonné conformément à l'article 91, alinéas 3, 5 ou 7, du Code judiciaire;
g) à la vingtième chambre, l'appel des jugements rendus par le tribunal de police, hormis les cas prévus à l'article 601bis du Code judiciaire;
h) à la vingt et unième chambre, les matières prévues au titre II, chapitre III de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, ainsi que les matières qui relèvent des compétences du tribunal de la jeunesse relatives à l'aide à la jeunesse (décret du Conseil de la Communauté française du 4 mars 1991 relatif à l'aide à la jeunesse);
i) à la vingt-deuxième chambre, les affaires civiles qui relèvent des compétences du tribunal de la jeunesse (matières visées à l'article 45, 1, de la loi du 8 avril 1965, précitée);
j) à la vingt-troisième chambre, les poursuites contre les personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965, précitée, dans le cadre d'un délit et/ou d'un crime correctionnalisable.
a) aux première, quatrième, huitième, neuvième, dixième, onzième et douzième chambres, toutes les affaires civiles qui ne relèvent pas des attributions ou de la compétence d'une autre chambre ou d'un autre juge.
La dixième chambre connaît notamment, hormis les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité, des affaires civiles qui ne relèvent pas des attributions ou de la compétence d'une autre chambre ou d'un autre juge, lorsque ces affaires doivent être instruites en chambre du conseil ainsi que des procédures ou des demandes tendant à l'obtention d'un titre exécutoire européen;
b) aux deuxième et cinquième chambres, les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité;
Toutefois, hormis les demandes en matière de divorce et de séparation de corps, les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité sont attribuées à la sixième chambre lorsqu'elles doivent être instruites en chambre du conseil;
c) aux troisième et septième chambres, l'appel des jugements rendus en premier ressort par le juge de paix et, dans les cas prévus à l'article 601bis du Code judiciaire, par le tribunal de police;
d) aux treizième, quatorzième, quinzième et dix-septième chambres, les affaires en matière répressive qui ne relèvent pas des attributions des seizième, dix-huitième, dix-neuvième et vingtième chambres;
La quatorzième chambre connaît notamment des procédures de comparution immédiate et de convocation par procès-verbal.
La quinzième chambre connaît notamment des causes en matière de droit pénal fiscal;
e) aux seizième et dix-neuvième chambres, les infractions aux lois et règlements relatifs à une des matières qui relèvent de la compétence des juridictions du travail et, en cas de concours ou de connexité, des infractions citées avec une ou plusieurs infractions qui ne sont pas de la compétence des juridictions du travail;
f) à la dix-huitième chambre, les affaires en matière répressive relatives aux infractions visées au titre VII et au titre VIII, chapitre III, du livre II, du Code pénal, à l'exception des infractions visées aux articles 391bis, 391ter, 431 et 432 du même code, ainsi que les affaires en matière répressive lorsque le ministère public a indiqué dans la citation ou la convocation qu'elles sont fixées devant une chambre à trois juges ou lorsque le renvoi devant une chambre à trois juges a été ordonné conformément à l'article 91, alinéas 3, 5 ou 7, du Code judiciaire;
g) à la vingtième chambre, l'appel des jugements rendus par le tribunal de police, hormis les cas prévus à l'article 601bis du Code judiciaire;
h) à la vingt et unième chambre, les matières prévues au titre II, chapitre III de la loi du 8 avril 1965 relative à la protection de la jeunesse, à la prise en charge des mineurs ayant commis un fait qualifié infraction et à la réparation du dommage causé par ce fait, ainsi que les matières qui relèvent des compétences du tribunal de la jeunesse relatives à l'aide à la jeunesse (décret du Conseil de la Communauté française du 4 mars 1991 relatif à l'aide à la jeunesse);
i) à la vingt-deuxième chambre, les affaires civiles qui relèvent des compétences du tribunal de la jeunesse (matières visées à l'article 45, 1, de la loi du 8 avril 1965, précitée);
j) à la vingt-troisième chambre, les poursuites contre les personnes ayant fait l'objet d'une décision de dessaisissement en application de la loi du 8 avril 1965, précitée, dans le cadre d'un délit et/ou d'un crime correctionnalisable.
Art. 3. § 1. De eerste, tweede, zesde, achtste, negende, tiende, elfde, twaalfde, dertiende, veertiende, vijftiende, zestiende, zeventiende, eenentwintigste en tweeëntwintigste kamer zijn normaliter samengesteld uit één rechter.
§ 2. De derde, vierde, vijfde, zevende, achttiende, negentiende, twintigste en drieëntwintigste kamer zijn samengesteld uit drie rechters, alsook, indien daartoe grond bestaat, de zesde en tiende kamer.
§ 2. De derde, vierde, vijfde, zevende, achttiende, negentiende, twintigste en drieëntwintigste kamer zijn samengesteld uit drie rechters, alsook, indien daartoe grond bestaat, de zesde en tiende kamer.
Art. 3. § 1er. Sont, en règle, composées d'un seul juge, les première, deuxième, sixième, huitième, neuvième, dixième, onzième, douzième, treizième, quatorzième, quinzième, seizième, dix-septième, vingt-et-unième et vingt-deuxième chambres.
§ 2. Sont composées de trois juges, les troisième, quatrième, cinquième, septième, dix-huitième, dix-neuvième, vingtième et vingt-troisième chambres, ainsi que les sixième et dixième chambres s'il y a lieu.
§ 2. Sont composées de trois juges, les troisième, quatrième, cinquième, septième, dix-huitième, dix-neuvième, vingtième et vingt-troisième chambres, ainsi que les sixième et dixième chambres s'il y a lieu.
Art. 4. § 1. De kamers houden hun zittingen als volgt :
a) de eerste en vierde kamer, op woensdagochtend;
b) de tweede en vijfde kamer, op maandagochtend;
c) de derde kamer, op dinsdagochtend;
d) de zesde kamer, op donderdagnamiddag;
e) de zevende kamer, op maandagnamiddag;
f) de achtste kamer, op maandagochtend;
g) de negende kamer, op maandagnamiddag;
h) de tiende kamer, op woensdagnamiddag;
i) de elfde kamer, op donderdagochtend;
j) de twaalfde kamer, op donderdagnamiddag;
k) de dertiende kamer, op maandagnamiddag;
l) de veertiende kamer, op dinsdagochtend;
m) de vijftiende en zestiende kamer, op dinsdagnamiddag;
n) de zeventiende kamer, op woensdagochtend;
o) de achttiende, negentiende en drieëntwintigste kamer, op donderdagochtend;
p) de twintigste kamer op vrijdagochtend;
q) de eenentwintigste kamer, op dinsdagnamiddag;
r) de tweeëntwintigste kamer, op maandagnamiddag en op woensdagnamiddag.
§ 2. De voorzitter van de rechtbank of de rechter die hem vervangt, bij wie de zaak aanhangig gemaakt is in kort geding of krachtens de vormvoorschriften van het kort geding, zetelt op woensdagochtend en op vrijdagochtend.
§ 3. De verschijningen voor de voorzitter van de rechtbank of de rechter die hem vervangt, inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed met wederzijdse instemming, hebben plaats op dinsdagnamiddag.
§ 4. De beslagrechter houdt zitting op vrijdagochtend.
De poging tot minnelijke schikking inzake uitvoerend onroerend beslag heeft plaats op woensdagochtend.
§ 5. De poging tot minnelijke schikking bedoeld in artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek heeft plaats op woensdagochtend.
§ 6. De uitvoering van en het toezicht op de onderzoeksmaatregelen in burgerlijke zaken gebeuren op de dag en het uur vastgelegd door de rechter die ze heeft bevolen of door de daartoe aangestelde rechter.
§ 7. De raadkamer in correctionele zaken houdt haar gewone zittingen op dinsdag- en vrijdagochtend.
§ 8. De arrondissementsrechtbank zetelt op maandagochtend.
a) de eerste en vierde kamer, op woensdagochtend;
b) de tweede en vijfde kamer, op maandagochtend;
c) de derde kamer, op dinsdagochtend;
d) de zesde kamer, op donderdagnamiddag;
e) de zevende kamer, op maandagnamiddag;
f) de achtste kamer, op maandagochtend;
g) de negende kamer, op maandagnamiddag;
h) de tiende kamer, op woensdagnamiddag;
i) de elfde kamer, op donderdagochtend;
j) de twaalfde kamer, op donderdagnamiddag;
k) de dertiende kamer, op maandagnamiddag;
l) de veertiende kamer, op dinsdagochtend;
m) de vijftiende en zestiende kamer, op dinsdagnamiddag;
n) de zeventiende kamer, op woensdagochtend;
o) de achttiende, negentiende en drieëntwintigste kamer, op donderdagochtend;
p) de twintigste kamer op vrijdagochtend;
q) de eenentwintigste kamer, op dinsdagnamiddag;
r) de tweeëntwintigste kamer, op maandagnamiddag en op woensdagnamiddag.
§ 2. De voorzitter van de rechtbank of de rechter die hem vervangt, bij wie de zaak aanhangig gemaakt is in kort geding of krachtens de vormvoorschriften van het kort geding, zetelt op woensdagochtend en op vrijdagochtend.
§ 3. De verschijningen voor de voorzitter van de rechtbank of de rechter die hem vervangt, inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed met wederzijdse instemming, hebben plaats op dinsdagnamiddag.
§ 4. De beslagrechter houdt zitting op vrijdagochtend.
De poging tot minnelijke schikking inzake uitvoerend onroerend beslag heeft plaats op woensdagochtend.
§ 5. De poging tot minnelijke schikking bedoeld in artikel 731 van het Gerechtelijk Wetboek heeft plaats op woensdagochtend.
§ 6. De uitvoering van en het toezicht op de onderzoeksmaatregelen in burgerlijke zaken gebeuren op de dag en het uur vastgelegd door de rechter die ze heeft bevolen of door de daartoe aangestelde rechter.
§ 7. De raadkamer in correctionele zaken houdt haar gewone zittingen op dinsdag- en vrijdagochtend.
§ 8. De arrondissementsrechtbank zetelt op maandagochtend.
Art. 4. § 1er. Les chambres tiennent leurs audiences comme suit :
a) les première et quatrième chambres, le mercredi matin;
b) les deuxième et cinquième chambres, le lundi matin;
c) la troisième chambre, le mardi matin;
d) la sixième chambre, le jeudi après-midi;
e) la septième chambre, le lundi après-midi;
f) la huitième chambre, le lundi matin;
g) la neuvième chambre, le lundi après-midi;
h) la dixième chambre, le mercredi après-midi;
i) la onzième chambre, le jeudi matin;
j) la douzième chambre, le jeudi après-midi;
k) la treizième chambre, le lundi après-midi;
l) la quatorzième chambre, le mardi matin;
m) les quinzième et seizième chambres, le mardi après-midi;
n) la dix-septième chambre, le mercredi matin;
o) les dix-huitième, dix-neuvième et vingt-troisième chambres, le jeudi matin;
p) la vingtième chambre, le vendredi matin;
q) la vingt et unième chambre, le mardi après-midi;
r) la vingt-deuxième chambre, le lundi après-midi et le mercredi après-midi.
§ 2. Le président du tribunal ou le juge qui le remplace, saisi par voie de référé ou selon les formes du référé, siège le mercredi matin et le vendredi matin.
§ 3. Les comparutions devant le président du tribunal ou le juge qui le remplace, en matière de divorce et de séparation de corps par consentement mutuel, ont lieu le mardi après-midi.
§ 4. Le juge des saisies tient ses audiences le vendredi matin.
Le préliminaire de conciliation en matière de saisie exécution immobilière a lieu le mercredi matin.
§ 5. Le préliminaire de conciliation prévu à l'article 731 du Code judiciaire a lieu le mercredi matin.
§ 6. L'exécution et le suivi du déroulement des mesures d'instruction en matière civile ont lieu aux jour et heure fixés par le juge qui les a ordonnées ou par le juge commis à cet effet.
§ 7. La chambre du conseil en matière correctionnelle tient ses audiences ordinaires le mardi matin et le vendredi matin.
§ 8. Le tribunal d'arrondissement siège le lundi matin.
a) les première et quatrième chambres, le mercredi matin;
b) les deuxième et cinquième chambres, le lundi matin;
c) la troisième chambre, le mardi matin;
d) la sixième chambre, le jeudi après-midi;
e) la septième chambre, le lundi après-midi;
f) la huitième chambre, le lundi matin;
g) la neuvième chambre, le lundi après-midi;
h) la dixième chambre, le mercredi après-midi;
i) la onzième chambre, le jeudi matin;
j) la douzième chambre, le jeudi après-midi;
k) la treizième chambre, le lundi après-midi;
l) la quatorzième chambre, le mardi matin;
m) les quinzième et seizième chambres, le mardi après-midi;
n) la dix-septième chambre, le mercredi matin;
o) les dix-huitième, dix-neuvième et vingt-troisième chambres, le jeudi matin;
p) la vingtième chambre, le vendredi matin;
q) la vingt et unième chambre, le mardi après-midi;
r) la vingt-deuxième chambre, le lundi après-midi et le mercredi après-midi.
§ 2. Le président du tribunal ou le juge qui le remplace, saisi par voie de référé ou selon les formes du référé, siège le mercredi matin et le vendredi matin.
§ 3. Les comparutions devant le président du tribunal ou le juge qui le remplace, en matière de divorce et de séparation de corps par consentement mutuel, ont lieu le mardi après-midi.
§ 4. Le juge des saisies tient ses audiences le vendredi matin.
Le préliminaire de conciliation en matière de saisie exécution immobilière a lieu le mercredi matin.
§ 5. Le préliminaire de conciliation prévu à l'article 731 du Code judiciaire a lieu le mercredi matin.
§ 6. L'exécution et le suivi du déroulement des mesures d'instruction en matière civile ont lieu aux jour et heure fixés par le juge qui les a ordonnées ou par le juge commis à cet effet.
§ 7. La chambre du conseil en matière correctionnelle tient ses audiences ordinaires le mardi matin et le vendredi matin.
§ 8. Le tribunal d'arrondissement siège le lundi matin.
Art. 5. § 1. De inleidingen vinden plaats :
a) voor de burgerlijke rechtbank, op de zitting van de eerste kamer (samengesteld uit een rechter), of, in voorkomend geval, op de zitting van de vierde kamer (samengesteld uit drie rechters), op woensdagochtend, behalve betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit, waar ze plaatsvinden voor de vijfde kamer (samengesteld uit drie rechters), op maandagochtend, en betreffende beroep tegen vonnissen gewezen door de vrederechter, en, in de gevallen bedoeld in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, door de politierechtbank, waar ze plaatsvinden voor de derde kamer, op dinsdagochtend.
Naast de vorderingen betreffende echtscheiding en scheiding van tafel en bed, worden de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit evenwel ingeleid voor de zesde kamer ingeval zij voor de raadkamer moeten worden behandeld;
b) voor de jeugdrechtbank, in burgerlijke zaken, op de zitting van de tweeëntwintigste kamer, op woensdagnamiddag, en in andere zaken, op de zitting van de eenentwintigste kamer, op dinsdagnamiddag;
c) voor de voorzitter van de rechtbank, bij wie de zaak aanhangig gemaakt is in kort geding of krachtens de vormvereisten van het kort geding (" als in kort geding "), op de zitting van woensdagochtend.
Wanneer de zaak evenwel aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld, gebeuren de inleidingen op vrijdagochtend.
d) voor de beslagrechter, op de zitting van vrijdagochtend.
Wanneer een zaak op de rol is geplaatst van een inleidingskamer en op de inleidende zitting niet aangehouden wordt of niet tot een bepaalde datum verdaagd wordt om te worden behandeld en berecht, wordt zij, indien daartoe grond bestaat, aan een andere kamer toegewezen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die vernoemde inleidingkamer voorzit en daartoe de functie van voorzitter van de rechtbank uitoefent.
§ 2. In strafzaken :
a) de rechtstreekse dagvaardingen door een burgerlijke partij worden voor de dertiende, veertiende, vijftiende, zestiende of zeventiende kamer gebracht wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit een rechter, en voor de achttiende of negentiende kamer wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit drie rechters.
De rechtstreekse dagvaardingen door een vervolgende administratie worden voor de vijftiende kamer gebracht wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit een rechter en voor de achttiende kamer wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit drie rechters.
Wanneer er sprake is van samenhang met een zaak die reeds aanhangig is voor een correctionele kamer, kan de dagvaarding evenwel voor deze kamer gebracht worden. Het openbaar ministerie wordt door de dagvaardende partij in kennis gesteld en krijgt inzage van de stukken, ten minste drie dagen voor de oproeping van de zaak;
b) het verzet wordt ingeleid voor de kamer die het verstekvonnis gewezen heeft.
a) voor de burgerlijke rechtbank, op de zitting van de eerste kamer (samengesteld uit een rechter), of, in voorkomend geval, op de zitting van de vierde kamer (samengesteld uit drie rechters), op woensdagochtend, behalve betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit, waar ze plaatsvinden voor de vijfde kamer (samengesteld uit drie rechters), op maandagochtend, en betreffende beroep tegen vonnissen gewezen door de vrederechter, en, in de gevallen bedoeld in artikel 601bis van het Gerechtelijk Wetboek, door de politierechtbank, waar ze plaatsvinden voor de derde kamer, op dinsdagochtend.
Naast de vorderingen betreffende echtscheiding en scheiding van tafel en bed, worden de vorderingen betreffende de staat van personen, de burgerlijke stand, de bekwaamheid en de nationaliteit evenwel ingeleid voor de zesde kamer ingeval zij voor de raadkamer moeten worden behandeld;
b) voor de jeugdrechtbank, in burgerlijke zaken, op de zitting van de tweeëntwintigste kamer, op woensdagnamiddag, en in andere zaken, op de zitting van de eenentwintigste kamer, op dinsdagnamiddag;
c) voor de voorzitter van de rechtbank, bij wie de zaak aanhangig gemaakt is in kort geding of krachtens de vormvereisten van het kort geding (" als in kort geding "), op de zitting van woensdagochtend.
Wanneer de zaak evenwel aan het openbaar ministerie wordt meegedeeld, gebeuren de inleidingen op vrijdagochtend.
d) voor de beslagrechter, op de zitting van vrijdagochtend.
Wanneer een zaak op de rol is geplaatst van een inleidingskamer en op de inleidende zitting niet aangehouden wordt of niet tot een bepaalde datum verdaagd wordt om te worden behandeld en berecht, wordt zij, indien daartoe grond bestaat, aan een andere kamer toegewezen door de voorzitter van de rechtbank of door de rechter die vernoemde inleidingkamer voorzit en daartoe de functie van voorzitter van de rechtbank uitoefent.
§ 2. In strafzaken :
a) de rechtstreekse dagvaardingen door een burgerlijke partij worden voor de dertiende, veertiende, vijftiende, zestiende of zeventiende kamer gebracht wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit een rechter, en voor de achttiende of negentiende kamer wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit drie rechters.
De rechtstreekse dagvaardingen door een vervolgende administratie worden voor de vijftiende kamer gebracht wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit een rechter en voor de achttiende kamer wanneer de zaak is toegewezen aan een kamer samengesteld uit drie rechters.
Wanneer er sprake is van samenhang met een zaak die reeds aanhangig is voor een correctionele kamer, kan de dagvaarding evenwel voor deze kamer gebracht worden. Het openbaar ministerie wordt door de dagvaardende partij in kennis gesteld en krijgt inzage van de stukken, ten minste drie dagen voor de oproeping van de zaak;
b) het verzet wordt ingeleid voor de kamer die het verstekvonnis gewezen heeft.
Art. 5. § 1er. Les introductions ont lieu :
a) devant le tribunal civil, à l'audience de la première chambre (composée d'un juge) ou, le cas échéant, à l'audience de la quatrième chambre (composée de trois juges), le mercredi matin, sauf en matière d'état des personnes, d'état civil, de capacité et de nationalité, où elles se font devant la deuxième chambre (composée d'un juge) ou, le cas échéant, devant la cinquième chambre (composée de trois juges), le lundi matin, et en matière d'appel des jugements rendus par le juge de paix et, dans les cas prévus à l'article 601bis du Code judiciaire, par le tribunal de police, où elles se font à l'audience de la troisième chambre, le mardi matin.
Toutefois, hormis les demandes en matière de divorce et de séparation de corps, les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité sont introduites devant la sixième chambre lorsqu'elles doivent être instruites en chambre du conseil;
b) devant le tribunal de la jeunesse, en matière civile, à l'audience de la vingt-deuxième chambre, le mercredi après-midi, et dans les autres matières, à l'audience de la vingtième-et-unième chambre, le mardi après-midi;
c) devant le président du tribunal saisi par voie de référé ou selon les formes du référé (" comme en référé "), à l'audience du mercredi matin.
Toutefois, lorsque la cause est communicable au ministère public, les introductions se font à l'audience du vendredi matin.
d) devant le juge des saisies, à l'audience du vendredi matin.
Lorsqu'une affaire a été portée au rôle d'une chambre d'introduction et n'a été ni retenue à l'audience d'introduction, ni remise à une date déterminée pour y être instruite et jugée, elle est distribuée, s'il y a lieu, à une autre chambre, par le président du tribunal ou par le juge qui préside ladite chambre d'introduction, lequel exerce à cette fin les fonctions du président du tribunal.
§ 2. En matière répressive :
a) les citations directes par une partie civile sont portées devant la treizième, la quatorzième, la quinzième, la seizième ou la dix-septième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée d'un juge, et devant la dix-huitième ou la dix-neuvième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée de trois juges.
Les citations directes par une administration poursuivante sont portées devant la quinzième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée d'un juge, et devant la dix-huitième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée de trois juges.
En cas de connexité avec une cause déjà pendante devant une chambre correctionnelle, la citation peut toutefois être portée devant cette chambre. Le ministère public est avisé par la partie citante et reçoit communication des pièces trois jours au moins avant l'appel de la cause;
b) le recours en opposition est introduit devant la chambre qui a rendu la décision par défaut.
a) devant le tribunal civil, à l'audience de la première chambre (composée d'un juge) ou, le cas échéant, à l'audience de la quatrième chambre (composée de trois juges), le mercredi matin, sauf en matière d'état des personnes, d'état civil, de capacité et de nationalité, où elles se font devant la deuxième chambre (composée d'un juge) ou, le cas échéant, devant la cinquième chambre (composée de trois juges), le lundi matin, et en matière d'appel des jugements rendus par le juge de paix et, dans les cas prévus à l'article 601bis du Code judiciaire, par le tribunal de police, où elles se font à l'audience de la troisième chambre, le mardi matin.
Toutefois, hormis les demandes en matière de divorce et de séparation de corps, les demandes relatives à l'état des personnes, à l'état civil, à la capacité et à la nationalité sont introduites devant la sixième chambre lorsqu'elles doivent être instruites en chambre du conseil;
b) devant le tribunal de la jeunesse, en matière civile, à l'audience de la vingt-deuxième chambre, le mercredi après-midi, et dans les autres matières, à l'audience de la vingtième-et-unième chambre, le mardi après-midi;
c) devant le président du tribunal saisi par voie de référé ou selon les formes du référé (" comme en référé "), à l'audience du mercredi matin.
Toutefois, lorsque la cause est communicable au ministère public, les introductions se font à l'audience du vendredi matin.
d) devant le juge des saisies, à l'audience du vendredi matin.
Lorsqu'une affaire a été portée au rôle d'une chambre d'introduction et n'a été ni retenue à l'audience d'introduction, ni remise à une date déterminée pour y être instruite et jugée, elle est distribuée, s'il y a lieu, à une autre chambre, par le président du tribunal ou par le juge qui préside ladite chambre d'introduction, lequel exerce à cette fin les fonctions du président du tribunal.
§ 2. En matière répressive :
a) les citations directes par une partie civile sont portées devant la treizième, la quatorzième, la quinzième, la seizième ou la dix-septième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée d'un juge, et devant la dix-huitième ou la dix-neuvième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée de trois juges.
Les citations directes par une administration poursuivante sont portées devant la quinzième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée d'un juge, et devant la dix-huitième chambre lorsque l'affaire est attribuée à une chambre composée de trois juges.
En cas de connexité avec une cause déjà pendante devant une chambre correctionnelle, la citation peut toutefois être portée devant cette chambre. Le ministère public est avisé par la partie citante et reçoit communication des pièces trois jours au moins avant l'appel de la cause;
b) le recours en opposition est introduit devant la chambre qui a rendu la décision par défaut.
Art. 6. De gewone zittingen vatten aan om 9 uur 's ochtends en om 14 uur 's middags.
Tenzij de rol uitgeput is, duren de zittingen minstens drie uur, beroep, rolregeling en ondertekening en uitspraak van de vonnissen niet inbegrepen.
Tenzij de rol uitgeput is, duren de zittingen minstens drie uur, beroep, rolregeling en ondertekening en uitspraak van de vonnissen niet inbegrepen.
Art. 6. Les audiences ordinaires commencent à 9 h, le matin, et à 14 h, l'après-midi.
La durée des audiences est, sauf épuisement du rôle, de trois heures au moins, non compris l'appel des causes et le règlement du rôle ainsi que la signature et la prononciation des jugements.
La durée des audiences est, sauf épuisement du rôle, de trois heures au moins, non compris l'appel des causes et le règlement du rôle ainsi que la signature et la prononciation des jugements.
Art. 7. De strafzaken worden verdeeld door de voorzitter van de rechtbank, op voorstel van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, ieder wat hem betreft.
Art. 7. Les affaires pénales sont distribuées par le président du tribunal, sur proposition du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, chacun en ce qui le concerne.
Art. 8. De zaken worden toegewezen aan de onderzoeksrechter die dienst heeft op de dag van de vordering van de procureur des Konings of op de datum van de neerlegging van de klacht met burgerlijke partijstelling, tenzij samenhangende feiten reeds bij een andere onderzoeksrechter aanhangig zijn gemaakt. In dit geval kan de zaak bij deze rechter aanhangig gemaakt worden, zelfs als hij geen dienst heeft.
De vorderingen van het openbaar ministerie gebaseerd op artikel 28septies van het Wetboek van Strafvordering worden voor de onderzoeksrechter gebracht die van dienst is op de dag van de vordering van de procureur des Konings. Latere vorderingen gebaseerd op artikel 28septies en betreffende dezelfde zaak, worden voor dezelfde onderzoeksrechter gebracht zelfs als deze geen dienst heeft.
De voorzitter van de rechtbank of zijn gemachtigde, te weten de onderzoeksrechter met de meeste dienstjaren, bepaalt, als deken, de dienstregeling van de onderzoeksrechters.
De voorzitter van de rechtbank kan afwijken van de dienstregeling van de onderzoeksrechters, of een onderzoeksrechter een zaak toewijzen die reeds bij een andere onderzoeksrechter aanhangig was gemaakt, als de behoeften van de dienst of een goede rechtsbedeling dit verantwoorden.
De vorderingen van het openbaar ministerie gebaseerd op artikel 28septies van het Wetboek van Strafvordering worden voor de onderzoeksrechter gebracht die van dienst is op de dag van de vordering van de procureur des Konings. Latere vorderingen gebaseerd op artikel 28septies en betreffende dezelfde zaak, worden voor dezelfde onderzoeksrechter gebracht zelfs als deze geen dienst heeft.
De voorzitter van de rechtbank of zijn gemachtigde, te weten de onderzoeksrechter met de meeste dienstjaren, bepaalt, als deken, de dienstregeling van de onderzoeksrechters.
De voorzitter van de rechtbank kan afwijken van de dienstregeling van de onderzoeksrechters, of een onderzoeksrechter een zaak toewijzen die reeds bij een andere onderzoeksrechter aanhangig was gemaakt, als de behoeften van de dienst of een goede rechtsbedeling dit verantwoorden.
Art. 8. Les affaires sont distribuées au juge d'instruction qui est de service à la date du réquisitoire du procureur du Roi ou à la date du dépôt de plainte avec constitution de partie civile, sauf si un autre juge d'instruction a déjà été saisi de faits connexes, auquel cas ce juge peut être saisi même s'il n'est pas de service.
Les réquisitions du ministère public fondées sur l'article 28septies du Code d'instruction criminelle sont portées devant le juge d'instruction qui est de service à la date du réquisitoire du procureur du Roi. Les réquisitions ultérieures fondées sur l'article 28septies et concernant la même affaire, sont portées devant le même juge d'instruction même si celui-ci n'est pas de service.
Le président du tribunal ou son délégué, étant le juge d'instruction le plus ancien, agissant en tant que doyen, arrête l'ordre de service des juges d'instruction.
Lorsque les besoins du service ou la bonne administration de la justice le justifient, le président du tribunal peut déroger à l'ordre de service des juges d'instruction, ou distribuer à un juge d'instruction une affaire dont un autre juge d'instruction est saisi.
Les réquisitions du ministère public fondées sur l'article 28septies du Code d'instruction criminelle sont portées devant le juge d'instruction qui est de service à la date du réquisitoire du procureur du Roi. Les réquisitions ultérieures fondées sur l'article 28septies et concernant la même affaire, sont portées devant le même juge d'instruction même si celui-ci n'est pas de service.
Le président du tribunal ou son délégué, étant le juge d'instruction le plus ancien, agissant en tant que doyen, arrête l'ordre de service des juges d'instruction.
Lorsque les besoins du service ou la bonne administration de la justice le justifient, le président du tribunal peut déroger à l'ordre de service des juges d'instruction, ou distribuer à un juge d'instruction une affaire dont un autre juge d'instruction est saisi.
Art. 9. De leidinggevende jeugdrechter verdeelt de zaken onder de jeugdrechters, en organiseert de dienst, na het advies van de voorzitter van de rechtbank en de procureur des Konings te hebben ingewonnen.
Art. 9. Le juge de la jeunesse dirigeant répartit les affaires entre les juges de la jeunesse et, après avoir pris l'avis du président du tribunal et du procureur du Roi, organise le service.
Art. 10. § 1. Wanneer de behoeften van de dienst zulks verantwoorden, stelt de voorzitter van de rechtbank, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, ieder wat hem betreft, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, een of meer tijdelijke kamers samen.
Onder dezelfde omstandigheden kan hij eveneens het aantal kamers en de hieraan toegewezen bevoegdheden tijdelijk wijzigen.
§ 2. Wanneer de behoeften van de dienst zulks verantwoorden, kan de voorzitter van de rechtbank, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, ieder wat hem betreft, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, door een of meer kamers bijkomende zittingen laten houden, waarvan hij dag en uur vastlegt.
§ 3. Naargelang van de noden van de dienst, kunnen de kamers buitengewone zittingen houden, waarvan ze zelf dag en uur vastleggen, met de instemming van de voorzitter van de rechtbank, die vooraf het advies van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur inwint, ieder wat hem betreft.
Onder dezelfde omstandigheden kan hij eveneens het aantal kamers en de hieraan toegewezen bevoegdheden tijdelijk wijzigen.
§ 2. Wanneer de behoeften van de dienst zulks verantwoorden, kan de voorzitter van de rechtbank, na het advies van de procureur des Konings of van de arbeidsauditeur, ieder wat hem betreft, en van de hoofdgriffier te hebben ingewonnen, door een of meer kamers bijkomende zittingen laten houden, waarvan hij dag en uur vastlegt.
§ 3. Naargelang van de noden van de dienst, kunnen de kamers buitengewone zittingen houden, waarvan ze zelf dag en uur vastleggen, met de instemming van de voorzitter van de rechtbank, die vooraf het advies van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur inwint, ieder wat hem betreft.
Art. 10. § 1er. Lorsque les nécessités du service le justifient, le président du tribunal, après avoir pris l'avis du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, chacun en ce qui le concerne, et du greffier en chef, constitue une ou plusieurs chambres temporaires.
Il peut également, dans les mêmes conditions, modifier temporairement le nombre et les attributions des chambres.
§ 2. Lorsque les nécessités du service le justifient, le président du tribunal peut, après avoir pris l'avis du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, chacun en ce qui le concerne, et du greffier en chef, faire tenir par une ou plusieurs chambres, des audiences supplémentaires dont il fixe les jour et heure.
§ 3. Les chambres peuvent, suivant les nécessités du service, tenir des audiences extraordinaires dont elles fixent elles-mêmes les jour et heure, avec l'accord du président du tribunal, lequel prend au préalable l'avis du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, chacun en ce qui le concerne.
Il peut également, dans les mêmes conditions, modifier temporairement le nombre et les attributions des chambres.
§ 2. Lorsque les nécessités du service le justifient, le président du tribunal peut, après avoir pris l'avis du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, chacun en ce qui le concerne, et du greffier en chef, faire tenir par une ou plusieurs chambres, des audiences supplémentaires dont il fixe les jour et heure.
§ 3. Les chambres peuvent, suivant les nécessités du service, tenir des audiences extraordinaires dont elles fixent elles-mêmes les jour et heure, avec l'accord du président du tribunal, lequel prend au préalable l'avis du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, chacun en ce qui le concerne.
Art. 11. De voorzitter van de rechtbank bepaalt, na het advies te hebben ingewonnen van de procureur des Konings of de arbeidsauditeur, ieder wat hem betreft, dag en uur van de vakantiezittingen.
Hij maakt daarnaast de lijst op van de magistraten die er zitting zullen houden.
De voorzitter van de rechtbank kan die dienstregeling te allen tijde wijzigen met het oog op de behoeften van de dienst.
Hij maakt daarnaast de lijst op van de magistraten die er zitting zullen houden.
De voorzitter van de rechtbank kan die dienstregeling te allen tijde wijzigen met het oog op de behoeften van de dienst.
Art. 11. Le président du tribunal établit, après avoir pris l'avis du procureur du Roi ou de l'auditeur du travail, chacun en ce qui le concerne, les jours et heures des audiences de vacations.
Il détermine en outre la liste des magistrats qui y siégeront.
Le président du tribunal peut en tout temps modifier ce tableau en raison des nécessités du service.
Il détermine en outre la liste des magistrats qui y siégeront.
Le président du tribunal peut en tout temps modifier ce tableau en raison des nécessités du service.
Art. 12. Het koninklijk besluit van 17 avril 1986 tot vaststelling van het bijzonder reglement van de rechtbank van eerste aanleg te Doornik, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 14 januari 1994, wordt opgeheven.
Art. 12. L'arrêté royal du 17 avril 1986 fixant le règlement particulier du tribunal de première instance de Tournai, modifié par l'arrêté royal du 14 janvier 1994, est abrogé.
Art. 13. Dit besluit treedt in werking op 1 maart 2012.
Art. 13. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er mars 2012.
Art. 14. De Minister bevoegd voor Justitie is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 14. Le Ministre qui a la Justice dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
Gegeven te Brussel, 8 januari 2012.
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
ALBERT
Van Koningswege :
De Minister van Justitie,
Mevr. A. TURTELBOOM
Donné à Bruxelles, le 8 janvier 2012.
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme A. TURTELBOOM
ALBERT
Par le Roi :
La Ministre de la Justice,
Mme A. TURTELBOOM