Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
19 NOVEMBER 2010. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu (VLAREL)(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 01-02-2011 en tekstbijwerking tot 07-05-2025)
Titre
19 NOVEMBRE 2010. - Arrêté du Gouvernement flamand établissant le règlement flamand en matière d'agréments relatifs à l'environnement (VLAREL)(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 01-02-2011 et mise à jour au 07-05-2025)
Informations sur le document
Info du document
Table des matières
HOOFDSTUK 1. - Definities en toepassingsgebied HOOFDSTUK 2. - [1 Het referentielaboratorium va... HOOFDSTUK 3. - Categorieën van erkenningen HOOFDSTUK 4. - Erkenningsvoorwaarden Afdeling 1. - Algemene bepalingen erkenningsvoo... Afdeling 2. - Algemene erkenningsvoorwaarden Afdeling 3. - Bijzondere erkenningsvoorwaarden Onderafdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden voor d... Onderafdeling 2. - Erkenningsvoorwaarden voor t... Onderafdeling 3. - Erkenningsvoorwaarden voor m... Onderafdeling 4. - Erkenningsvoorwaarden voor o... Onderafdeling 5. - Erkenningsvoorwaarden voor l... Onderafdeling 6. [1 - Erkenningsvoorwaarden voo... Onderafdeling 7. [1 - Erkenningsvoorwaarden voo... Onderafdeling 8. [1 - Erkenningsvoorwaarden voo... HOOFDSTUK 5. - Aanvraag, behandeling, beslissin... Afdeling 1. - Algemene bepalingen aanvraag, beh... Afdeling 2. - De aanvraag Afdeling 3. - Behandeling van de aanvraag Afdeling 4. - De beslissing Afdeling 5. - Bekendmaking van de beslissing HOOFDSTUK 6. - Gelijkwaardigheid van titels ten... HOOFDSTUK 7. - Erkenningen van rechtswege HOOFDSTUK 8. - Gebruikseisen voor erkenningen Afdeling 1. - Algemene bepalingen gebruikseisen... Afdeling 2. - Algemene gebruikseisen Afdeling 3. - Bijzondere gebruikseisen Onderafdeling 1. - Gebruikseisen voor deskundigen Onderafdeling 2. - Gebruikseisen voor technici Onderafdeling 3. - Gebruikseisen voor milieucoö... Onderafdeling 4. - Gebruikseisen voor opleiding... Onderafdeling 5. - Gebruikseisen voor laboratoria Onderafdeling 6. [1 - Gebruikseisen voor bodems... Onderafdeling 7. [1 - Gebruikseisen voor [2 bed... Onderafdeling 8. [1 - Gebruikseisen voor keurin... HOOFDSTUK 9. - Schorsing en opheffing van de er... HOOFDSTUK 9/1. [1 - Retributie]1 HOOFDSTUK 10. [1 - Verval en schorsing van rech... HOOFDSTUK 11. - Openbaarheid van informatie HOOFDSTUK 11/1. [1 - Verwerking van persoonsgeg... HOOFDSTUK 12. - Bijzondere bepaling over tijdel... HOOFDSTUK 13. - Toezicht, bestuurlijke handhavi... HOOFDSTUK 13/1. [1 - Periodieke evaluatie van e... HOOFDSTUK 13/2. [1 - Keuringsinstelling]1 HOOFDSTUK 13/3. [1 - Registratie van een monste... HOOFDSTUK 14. - Wijzigingsbepalingen Afdeling 1. - Wijzigingen in titel II van het V... Afdeling 2. - Wijzigingen in het besluit van de... Afdeling 3. - Wijziging in het besluit van de V... Afdeling 4. - Wijzigingen in het besluit van de... Afdeling 5. - Wijziging in het besluit van de V... HOOFDSTUK 15. - Slotbepalingen Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen Afdeling 2. - Overgangsbepalingen BIJLAGEN.
Table des matières
CHAPITRE 1er. - Définitions et champ d'application CHAPITRE 2. - [1 Le laboratoire de référence de... CHAPITRE 3. - Catégories d'agréments CHAPITRE 4. - Conditions d'agrément Section 1re. - Dispositions générales relatives... Section 2. - Conditions générales d'agrément Section 3. - Conditions particulières d'agrément Sous-section 1re. - Conditions d'agrément pour ... Sous-section 2. - Conditions d'agrément pour te... Sous-section 3. - Conditions d'agrément pour co... Sous-section 4. - Conditions d'agrément pour ce... Sous-section 5. - Conditions d'agrément pour la... Sous-section 6. [1 - Conditions d'agrément pour... Sous-section 7. [1 - Conditions d'agrément pour... Sous-section 8. [1 - Conditions d'agrément pour... CHAPITRE 5. - Demande, traitement, décision et ... Section 1re. - Dispositions générales relatives... Section 2. - La demande Section 3. - Traitement de la demande Section 4. - La décision Section 5 - Publication de la décision CHAPITRE 6. - Equivalence de titres à l'égard d... CHAPITRE 7. - Agréments d'office CHAPITRE 8. - Conditions d'usage des agréments Section 1re. - Dispositions générales des condi... Section 2. - Conditions générales d'usage Section 3. - Conditions particulières d'usage Sous-section 1re. - Conditions d'usage pour exp... Sous-section 2. - Conditions d'usage pour techn... Sous-section 3. - Conditions d'usage pour coord... Sous-section 4. - Conditions d'usage pour les c... Sous-section 5. - Conditions d'usage pour labor... Sous-section 6. [1 - Exigences d'utilisation po... Sous-section 7. [1 - Exigences d'utilisation po... Sous-section 8. [1 - Exigences d'usage pour org... CHAPITRE 9. - Suspension et abrogation de l'agr... CHAPITRE 9/1. [1 - Rétribution]1 CHAPITRE 10. [1 Extinction et suspension de ple... CHAPITRE 11. - Publicité de l'information CHAPITRE 11/1. [1 - Traitement des données à ca... CHAPITRE 12. - Position particulière relative à... CHAPITRE 13 - Trôle, maintien administratif et ... CHAPITRE 13/1. [1 - Evaluation périodique des t... CHAPITRE 13/2. [1 - Organisme de contrôle]1 CHAPITRE 13/3. [1 - Enregistrement d'un échanti... CHAPITRE 14. - Positions modificatives Section 1re. - Modifications au titre II du VLAREM Section 2. - Modifications à l'arrêté du Gouver... Section 3. - Modification de l'arrêté du Gouver... Section 4. - Modifications à l'arrêté du Gouver... Section 5. - Modifications à l'arrêté du Gouver... CHAPITRE 15. - Dispositions finales Section 1re. - Dispositions abrogatoires Section 2. - Dispositions transitoires ANNEXES.
Tekst (253)
Texte (253)
HOOFDSTUK 1. - Definities en toepassingsgebied
CHAPITRE 1er. - Définitions et champ d'application
Artikel 1. Dit besluit voorziet in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt, in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van [1 beroepskwalificaties, in]1 de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad [1 en in de gedeeltelijke omzetting van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking)]1.
  
Article 1er. Le présent arrêté prévoit la transposition partielle de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur, la transposition partielle de la Directive 2005/36/CE du Parlement européen et du Conseil du 7 septembre 2005 relative à la reconnaissance [1 des qualifications professionnelles,]1 la transposition partielle de la Directive 2009/90/CE de la Commission du 31 juillet 2009 établissant des spécifications techniques pour l'analyse chimique et la surveillance de l'état des eaux en vertu de la Directive 2000/60/CE du Parlement européen et du Conseil [1 et la transposition partielle de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte)]1.
  
Art.2. De bepalingen van dit besluit zijn van toepassing op de erkenningen, vermeld in artikel 6, die bij wet, decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden ingesteld voor het uitoefenen van bepaalde functies, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses door rechtspersonen of natuurlijke personen.
Art.2. Les dispositions du présent arrêté s'appliquent aux agréments visés à l'article 6, instaurés par loi, décret et leurs arrêtés d'exécution pour l'exercice de certaines fonctions, la dispensation de formations, la prise d'échantillons et la mise en oeuvre de mesures, essais et analyses par des personnes morales ou physiques.
Art.3. De minister kan de bijlagen bij dit besluit wijzigen, met uitzondering van bijlage 11.
Art.3. Le Ministre peut modifier les annexes au présent arrêté, à l'exception de l'annexe 11.
Art.4. [1 § 1.]1 Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° wet Geluidshinder : de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder;
  2° decreet Milieubeleid : het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  3° [10 ...]10
  4° titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne;
  5° besluit inzake het onderhoud en nazicht van stooktoestellen : het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van [1 centrale]1 stooktoestellen voor verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater;
  6° [7 het departement: het Departement Omgeving;]7
  7° [7 ...]7
  8° [7 ...]7
  9° [7 ...]7
  10° [7 ...]7
  11° [7 ...]7
  12° [7 ...]7
  13° [7 ...]7
  14° [7 ...]7
  15° het één-loket : het [10 ondernemingsloket]10, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 11 december 2009 tot gedeeltelijke omzetting van artikel 6 en 8 van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt;
  16° de minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu [1 en het waterbeleid]1;
  17° gebruik van de erkenning : [3 het uitvoeren van bepaalde werkzaamheden of keuringen, het uitoefenen van bepaalde functies]3, het verstrekken van opleidingen, het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses waarvoor de erkenning geldt;
  18° referentielaboratorium : geaccrediteerde organisatie of internationaal of nationaal erkende organisatie die voldoet aan de eisen van ISO/IEC 17043 en die programma's van geschiktheidsbeproeving organiseert voor de laboratoria, [1 vermeld in artikel 6, 5°, voor een gedeelte van een pakket of een volledig pakket als vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd,]1 in voorkomend geval op concentratieniveaus die door de minister vastgelegd kunnen worden;
  19° drinkwater : water, bestemd voor menselijke consumptie, als vermeld in [8 het artikel 2.1.2. van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018]8;
  20° compendium : bundel met methoden voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses, die Europese (EN), internationale (ISO) of andere genormeerde methoden of methoden die door [1 het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest]1 werden gevalideerd in opdracht van de Vlaamse overheid, omvatten [10 , in voorkomend geval met inbegrip van de validatie- en kwaliteitseisen voor die methoden]10. [10 ...]10 ;
  21° code van goede praktijk : door de [1 bevoegde]1 afdeling aanvaarde en voor het publiek toegankelijke geschreven regels met betrekking tot de activiteiten en maatregelen, vermeld in dit besluit;
  22° deeldomein afvalwater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot de emissiegrenswaarden voor afvalwater, vermeld in titel II van het VLAREM. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden;
  23° deeldomein oppervlaktewater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot de milieukwaliteitsnormen voor oppervlaktewater, vermeld in titel II van het VLAREM. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden;
  24° deeldomein grondwater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot de milieukwaliteitsnormen voor grondwater, vermeld in titel II van het VLAREM. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden;
  25° deeldomein drinkwater : water waarbij de te meten parameters concentratieniveaus bestrijken die representatief zijn met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie. Die concentratieniveaus kunnen door de minister vastgelegd worden;
  [1 26° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
   27° Bodemdecreet : het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
   28° VLAREBO : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
   29° OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij;
   30° de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer : de afdeling Afval- en Materialenbeheer van de OVAM;
   31° afdeling, bevoegd voor bodembeheer : de afdeling Bodembeheer van de OVAM;
   32° Mestbank : de afdeling Mestbank van de Vlaamse Landmaatschappij;
   33° Mestdecreet : het Mestdecreet van 22 december 2006;
   34° gps-datalogger : systeem dat plaats en tijdstip van een monsterneming ondubbelzinnig registreert op basis van global positioning;
   35° het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet : het methodenboek met bemonsterings- en analysemethodes voor meststoffen, bodem en diervoeders in het kader van het Mestdecreet, vermeld in artikel [2 61, § 8, eerste lid]2, van het Mestdecreet;
   36° het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest : de Vlaamse Instelling voor Technologisch Onderzoek;
   37° VMM : Vlaamse Milieumaatschappij;
   38° [12 ...]1
2
   39° [12 ...]12
   40° [12 ...]12
   41° [11 ...]11;
   42° agentschap Onroerend Erfgoed : het agentschap Onroerend Erfgoed van [7 het beleidsdomein Omgeving]7;
   43° bevoegde afdeling :
   a) [16 ) voor de erkenning, vermeld in artikel 6, 1°, a) tot en met e), en g), 2°, d), 3°, 4°, a) en e), en 5°, a) en b): de afdeling van het departement, bevoegd voor erkenningen]16;
   b) [11 voor de erkenning, vermeld in artikel 6, 1°, f), 2°, a) tot en met c) en e) tot en met i), 4°, b) tot en met d), f), en h) tot en met l), 7°, b) en c), en 8° : het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap]11;
   c) voor de [10 ...]10 erkenning, vermeld in artikel [16 artikel 6, 5°, c) en d]16 : de Mestbank;
   d) voor de [10 ...]10 erkenning, vermeld in artikel 6, 5°, e) : de afdeling, bevoegd voor afval- en materialenbeheer;
   e) voor de [10 ...]10 erkenning, vermeld in artikel 6, 4°, g), 5°, f), en 6° : de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   f) voor de [10 ...]10 erkenning, [3 vermeld in artikel 6, 7°, a)]3 : [12 de entiteit binnen de VMM die bevoegd is voor de erkenning van boorbedrijven]12.]1
  [10 g) [16 voor de registratie als monsternemer in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid of de registratie als monsternemer in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan: de Mestbank.]16;]10
  [16 ...]16
  [13 i) voor de erkenning, vermeld in artikel 6, 1°, h): de entiteit binnen de VMM die bevoegd is voor de erkenning van deskundigen overstromingsattest;]13
  [5 44° [7 ...]7]5
  [3 45° titel III van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties;
   46° verordening nr. 1005/2009 : verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen;
   47° verordening nr. 517/2014 : verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van verordening (EG) nr. 842/2006;
   48° verordening nr. 2015/2066 : uitvoeringsverordening (EU) 2015/2066 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen die gefluoreerde broeikasgassen bevattende elektrische schakelinrichtingen installeren, servicen, onderhouden, repareren of buiten dienst stellen of gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit stationaire elektrische schakelinrichtingen;
   49° verordening nr. 2015/2067 : uitvoeringsverordening (EU) 2015/2067 van de Commissie van 17 november 2015 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning voor de certificering van natuurlijke personen betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur en koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, en voor de certificering van bedrijven betreffende stationaire koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen bevat;
   50° verordening nr. 304/2008 : verordening (EG) nr. 304/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
   51° verordening nr. 306/2008 : verordening (EG) nr. 306/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van personeel voor de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen uit apparatuur;
   52° verordening nr. 307/2008 : verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma's en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen;
   53° gefluoreerde broeikasgassen : fluorkoolwaterstoffen, perfluorkoolstoffen, zwavelhexafluoride en andere broeikasgassen die fluor bevatten als vermeld in bijlage I van verordening nr. 517/2014, afzonderlijk of in een mengsel;
   54° ozonlaagafbrekende stoffen : de stoffen die zijn opgenomen in bijlage I van verordening nr. 1005/2009, met inbegrip van de isomeren ervan, afzonderlijk of in een mengsel, ongeacht of het nieuw geproduceerde, teruggewonnen, gerecycleerde of geregenereerde stoffen betreft;
   55° koelinstallatie : het geheel van de onderdelen en apparaten die nodig zijn voor de werking van een koelsysteem. Het gaat hier ook om luchtconditioneringsinstallaties en warmtepompen die een koelsysteem bevatten;
   56° ton CO2-equivalent : een hoeveelheid broeikasgassen, uitgedrukt als het product van het gewicht van de broeikasgassen in metrische ton en het aardopwarmingsvermogen ervan;
   57° aardopwarmingsvermogen : het klimaatopwarmingsvermogen van een broeikasgas in verhouding tot dat van CO2, berekend in termen van het opwarmingsvermogen in een periode van honderd jaar van één kilogram van een broeikasgas in verhouding tot één kilogram CO2, als opgenomen in bijlage I, II en IV van verordening nr. 517/2014 of, voor mengsels, berekend volgens de methode, vermeld in bijlage IV van verordening nr. 517/2014;
   58° brandbeveiligingsapparatuur : de apparatuur en de systemen die worden gebruikt bij brandbeveiligings- en brandblustoepassingen. Brandblussers maken hier ook deel van uit;
   59° instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt : een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt zoals bepaald in de collectieve arbeidsovereenkomsten van de sectoren voor het Garagebedrijf (P.C. 112), het Koetswerk (P.s.C. 149.02), de Metaalhandel (P.s.C. 149.04) en de Terugwinning van metalen (P.s.C. 142.01);
   60° klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen : de apparatuur die hoofdzakelijk bedoeld is om de luchttemperatuur en de vochtigheid in de passagiersruimte van een voertuig te regelen;
   61° elektrische schakelinrichtingen : schakeltoestellen en combinaties daarvan met de bijbehorende controle-, meet-, beschermings- en reguleringsapparatuur, en samenstellingen van dergelijke toestellen en apparatuur met de bijbehorende koppelingen, accessoires, behuizingen en ondersteunende structuren, die bedoeld zijn voor gebruik in verband met het opwekken, het overbrengen, de distributie en de omzetting van elektrische energie;
   62° installatie : het samenvoegen van twee of meer delen van apparatuur of circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, om een systeem te monteren op de plaats waar het zal worden geëxploiteerd, dat met zich meebrengt dat gastransporterende geleiders van een systeem worden samengevoegd om een circuit te voltooien, ongeacht of het systeem na montage moet worden gevuld of niet;
   63° onderhoud : alle activiteiten, met uitsluiting van terugwinning en controles op lekken als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 en artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 die met zich brengen dat de circuits die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of daartoe ontworpen zijn, worden geopend, namelijk het toevoegen aan het systeem van gefluoreerde broeikasgassen, het verwijderen van een of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, het opnieuw monteren van twee of meer onderdelen van het circuit of de apparatuur, alsook het repareren van lekkages;
   64° reparatie : het herstel van beschadigde of lekkende producten of apparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevatten of nodig hebben voor de werking ervan, en waarvan een onderdeel zulke gassen bevat dan wel daartoe ontworpen is;
   65° buitendienststelling : het definitieve stilleggen en buiten werking of gebruik stellen van een product of deel van de apparatuur dat gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat;
   66° terugwinning : het verzamelen en opslaan van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit producten, waaronder houders, en apparatuur gedurende het onderhoud, dan wel voorafgaand aan de verwijdering van de producten of de apparatuur;]3

  [4 67° koelwagen: een motorvoertuig met een gewicht van meer dan 3,5 ton dat primair bestemd en gebouwd is om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust;
   68° koelaanhangwagen: een voertuig dat bestemd en gebouwd is om door een vrachtwagen of een trekker te worden gesleept, primair om goederen te vervoeren en dat met een koeleenheid is uitgerust.]4

  [14 69° VLAREMA: het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.]14
  [1 § 2. [3 Voor de toepassing van [9 artikel 25/1, 25/2 en 53/3, § 1, 10°]9 wordt verstaan onder beschikken over : ofwel zelf beschikken over, ofwel op continue basis ter beschikking hebben via :
   1° een werknemer die zich via arbeidsovereenkomst ertoe verbindt om tegen loon en onder het gezag van de bodemsaneringsdeskundige arbeid te verrichten;
   2° een zelfstandige op voorwaarde dat hij zijn dienstverlening met betrekking tot die kennis of ervaring maximaal aan drie bodemsaneringsdeskundigen ter beschikking stelt.]3
]1

  
Art.4. [1 § 1er.]1 Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° loi relative à la lutte contre le bruit : la loi du 18 juillet 1973 relative à la lutte contre le bruit;
  2° décret relatif à la politique de l'environnement : le décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement;
  3° [10 ...]10
  4° titre II du VLAREM : l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement;
  5° arrêté relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage : l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage [1 central]1 pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire;
  6° [7 le département : le Département de l'Environnement;]7
  7° [7 ...]7
  8° [7 ...]7
  9° [7 ...]7
  10° [7 ...]7
  11° [7 ...]7
  12° [7 ...]7
  13° l[7 ...]7
  14° [7 ...]7
  15° le guichet unique : le guichet d'entreprises visé à l'arrêté du Gouvernement flamand du 11 décembre 2009 portant transposition partielle des articles 6 et 8 de la Directive 2006/123/CE du Parlement européen et du Conseil du 12 décembre 2006 relative aux services dans le marché intérieur;
  16° le Ministre : le Ministre flamand compétent pour l'environnement [1 et la politique des eaux]1;
  17° l'usage de l'agrément : [3 l'exécution de certains travaux ou inspections, l'exercice de certaines fonctions]3, la dispensation de formations, la prise d'échantillons et la mise en oeuvre de mesures, essais et analyses auxquels l'agrément s'applique;
  18° laboratoire de référence : L'organisation accréditée ou l'organisation reconnue internationalement ou nationalement, qui répond aux critères de l'ISO/IEC 17043 et qui organise des programmes d'essai d'aptitude pour les laboratoires [1 visés à l'article 6, 5°, pour une partie d'un paquet ou pour un paquet complet tel que visé à l'annexe 3, jointe au présent arrêté,]1 le cas échéant sur des niveaux de concentration qui peuvent être définis par le Ministre;
  19° eau potable : eau destinée à la consommation humaine, telle que visée [8 à l'article 2.1.2 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018]8;
  20° compendium : recueil de méthodes pour le prélèvement d'échantillons et l'exécution de mesures et analyses, comprenant des méthodes européennes (EN), internationales (ISO) ou d'autres méthodes normées ou des méthodes validées [1 par le laboratoire de référence de la Région flamande sur]1 l'ordre de l'Autorité flamande [10 , le cas échéant, à l'inclusion des exigences de validation et de qualité pour ces méthode]10. [10 ...]10.
  21° code de bonne pratique : les règles écrites relatives aux activités et mesures visées au présent arrêté, acceptées [1 par la division compétente]1 et accessibles au public;
  22° sous-domaine des eaux usées : eaux pour lesquelles les paramètres faisant l'objet des mesures représentent des niveaux de concentration atteignant les valeurs limites d'émission pour eaux usées, visées au titre II du VLAREM. Ces niveaux de concentration peuvent être fixés par le Ministre;
  23° sous-domaine des eaux de surface : eaux pour lesquelles les paramètres faisant l'objet des mesures représentent des niveaux de concentration atteignant les normes de qualité environnementale pour eaux de surface, visées au titre II du VLAREM. Ces niveaux de concentration peuvent être fixés par le Ministre;
  24° sous-domaine des eaux souterraines : eaux pour lesquelles les paramètres faisant l'objet des mesures représentent des niveaux de concentration atteignant les normes de qualité environnementale pour eaux souterraines, visées au titre II du VLAREM. Ces niveaux de concentration peuvent être fixés par le Ministre;
  25° sous-domaine de l'eau potable : eaux pour lesquelles les paramètres faisant l'objet des mesures représentent des niveaux de concentration établis à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 décembre 2002 portant réglementation relative à la qualité et la fourniture des eaux destinées à la consommation humaine. Ces niveaux de concentration peuvent être fixés par le Ministre;
  [1 26° Décret sur les Matériaux : le décret du 23 décembre 2011 relatif à la gestion durable des cycles de matériaux et des déchets;
   27° Décret relatif au sol : le décret du 27 octobre 2006 relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol;
   28° VLAREBO : l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 décembre 2007 fixant le règlement flamand relatif à l'assainissement du sol et à la protection du sol;
   29° OVAM : Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (Société publique des Déchets pour la Région flamande);
   30° la division, compétente pour la gestion des déchets et des matériaux : la division de la gestion des Déchets et des Matériaux de l'OVAM;
   31° division, compétente pour la gestion du sol : la division de la Gestion du Sol de l'OVAM;
   32° Mestbank : la division Mestbank de la Société terrienne flamande;
   33° Décret sur les engrais : le Décret sur les engrais du 22 décembre 2006;
   34° enregistreur de données GPS : un système qui enregistre incontestablement la date et le lieu d'un échantillonnage sur la base du système de positionnement global;
   35° le compendium des méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais : le livre des méthodes reprenant les procédures d'échantillonnage et d'analyse des engrais, sols et aliments pour animaux dans le cadre du décret sur les engrais, visé à [2 l'article 61, § 8, alinéa 1er]2 du décret sur les engrais;
   36° le laboratoire de référence de la Région flamande : l'Institut flamand de recherche technologique;
   37° VMM : la Société flamande de l'Environnement;
   38° [12 ...]1
2
   39° [12 ...]12
   40° [12 ...]12
   41° [11 ...]11;
   42° agence du Patrimoine immobilier : l'agence du Patrimoine immobilier du [7 domaine politique de l'Environnement]7;
   43° division compétente :
   a) [11 [16 a) pour l'agrément visé à l'article 6, 1°, a) à e) et g), 2°, d), 3°, 4°, a) et e) et 5°, a) et b) : la division du département compétente pour les agréments]16]15]11;
   b) [11 pour l'agrément visé à l'article 6, 1°, f), 2°, a) à c) et e) à i), 4°, b) à d), f), et h) à l), 7°, b) et c), et 8° : l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat]11;
   c) pour [10 l'agrément visé]10 [16 à l'article 6, 5°, c) et d)]16) : la Mestbank;
   d) pour [10 l'agrément visé]10 à l'article 6, 5°, e) : la division, compétente pour la gestion des déchets et des matériaux;
   e) pour [10 l'agrément visé]10 à l'article 6, 4°, g), 5°, f), et 6° : la division, compétente pour la gestion du sol;
   f) pour [10 l'agrément visé]10 à l'article 6, 7°, a)]3 : [12 l'entité au sein de la VMM, compétente pour l'agrément des entreprises de forage]12.]1
  [10 g) [16 g) pour l'enregistrement en tant qu'échantillonneur dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune ou l'enregistrement en tant qu'échantillonneur dans le cadre du décret sur les engrais et ses arrêtés d'exécution : la Mestbank.]16;]10
  [1 0 h) [16 ...]16
  [13 i) pour l'agrément visé à l'article 6, 1°, h) : l'entité au sein de la VMM compétente pour l'agrément des experts en attestation d'inondation;]13
  [5 44° [7 ...]7]5
  [3 45° titre III du VLAREM : l'arrêté du Gouvernement flamand du 16 mai 2014 fixant des conditions environnementales générales et sectorielles supplémentaires pour les installations IPPC ;
   46° règlement n° 1005/2009 : le règlement (CE) n° 1005/2009 du Parlement européen et du Conseil du 16 septembre 2009 relatif à des substances qui appauvrissent la couche d'ozone ;
   47° le règlement n° 517/2014 : le règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil du 16 avril 2014 relatif aux gaz à effet de serre fluorés et abrogeant le règlement (CE) n° 842/2006 ;
   48° règlement n° 2015/2066 : règlement d'exécution (UE) 2015/2066 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions applicables à la reconnaissance mutuelle de la certification des personnes physiques intervenant dans l'installation, l'entretien, la maintenance, la réparation ou la mise hors service des appareils de commutation électrique contenant des gaz à effet de serre fluorés ou la récupération des gaz à effet de serre fluorés provenant des appareils de commutation électrique fixes ;
   49° règlement n° 2015/2067 : règlement d'exécution (UE) 2015/2067 de la Commission du 17 novembre 2015 établissant, conformément au règlement (UE) n° 517/2014 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions applicables à la reconnaissance mutuelle de la certification des personnes physiques en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur, et les unités de réfrigération de camions et remorques frigorifiques contenant des gaz à effet de serre fluorés, ainsi qu'à la certification des entreprises en ce qui concerne les équipements fixes de réfrigération, de climatisation et de pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés ;
   50° règlement n° 304/2008 : règlement (CE) n° 304/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) n° 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales ainsi que des conditions pour une reconnaissance mutuelle aux fins de la certification des entreprises et du personnel en ce qui concerne les systèmes de protection contre l'incendie et les extincteurs contenant certains gaz à effet de serre fluorés ;
   51° règlement n° 306/2008 : règlement (CE) no 306/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) no 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales et les conditions pour une reconnaissance mutuelle de la certification du personnel chargé de récupérer certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés contenus dans des équipements ;
   52° règlement n° 307/2008 : règlement (CE) no 307/2008 de la Commission du 2 avril 2008 établissant, conformément au règlement (CE) no 842/2006 du Parlement européen et du Conseil, des prescriptions minimales pour les programmes de formation ainsi que les conditions pour une reconnaissance mutuelle des attestations de formation à l'intention du personnel en ce qui concerne les systèmes de climatisation contenant certains gaz à effet de serre fluorés dans certains véhicules à moteur ;
   53° gaz à effet de serre fluorés : les hydrofluorocarbones, les hydrocarbures perfluorés, l'hexafluorure de soufre et d'autres gaz à effet de serre contenant du fluor énumérés à l'annexe I du règlement no 517/2014, seuls ou en mélange ;
   54° substances qui appauvrissent la couche d'ozone : les substances, visées à l'annexe Ire du règlement n° 1005/2009, y compris leurs isomères, séparés ou dans un mélange, qu'il s'agit de substances vierges, récupérées, recyclées ou régénérées ;
   55° installation frigorifique : l'ensemble des pièces et équipements nécessaires au fonctionnement d'un système frigorifique. Il s'agit également d'installations de conditionnement d'air et de pompes à chaleur contenant un système frigorifique ;
   56° tonne d'équivalent de CO2 : une quantité de gaz à effet de serre, exprimée comme le produit du poids des gaz à effet de serre en tonnes métriques et leur potentiel de réchauffement planétaire ;
   57° potentiel de réchauffement planétaire : le potentiel de réchauffement climatique d'un gaz à effet de serre par rapport à celui du dioxyde de carbone (CO2), calculé comme le potentiel de réchauffement sur un siècle d'un kilogramme d'un gaz à effet de serre par rapport à un kilogramme de CO2, comme énoncé aux annexes I, II et IV du règlement no 517/2014 ou, pour les mélanges, calculé conformément à la méthode figurant à l'annexe IV du règlement n° 517/2014 ;
   58° équipements de protection contre l'incendie : l'équipement et les systèmes utilisés dans les applications de prévention des incendies ou de lutte contre l'incendie. Les extincteurs d'incendie en font également partie ;
   59° instance soutenant la politique des formations sectorielles : une instance soutenant la politique des formations sectorielles, telle que définie dans les conventions collectives de travail des secteurs des Entreprises du garage (C.P 112), de la Carrosserie (S.c. P. 149.02), des Entreprises commerciales du Métal (S.c.P. 149.04) et de la Récupération des métaux (S.c.P. 142.01) ;
   60° système de climatisation dans certains véhicules à moteur : l'équipement principalement destiné à régler la température de l'air et l'humidité de l'habitacle d'un véhicule ;
   61° appareils de commutation électrique : des dispositifs de commutation et des combinaisons de ceux-ci et les équipements de contrôle, de mesure, de protection et de régulation auxquels ils sont associés, ainsi que les assemblages de ces dispositifs et équipements avec les interconnexions, accessoires, enceintes et structures de support qui les accompagnent, destinés à être utilisés à des fins de production, de transmission, de distribution et de conversion d'énergie électrique ;
   62° "installation : l'assemblage d'au moins deux pièces d'équipement ou de circuits contenant ou conçus pour contenir des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, en vue de monter un système sur le lieu même de son utilisation future, et qui implique de connecter les conduites de gaz d'un système pour compléter un circuit, qu'il faille ou non recharger le système après l'assemblage ;
   63° entretien : toutes les activités, à l'exclusion de la récupération et des contrôles d'étanchéité au sens de l'article 4 du règlement no 517/2014 et de l'article 23 du règlement no 1005/2009 qui impliquent que les circuits contenant ou conçus pour contenir des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone, sont accédés, notamment l'ajout au système de gaz à effet de serre fluorés, l'enlèvement d'une ou de plusieurs pièces du circuit ou de l'équipement, le ré-assemblage de deux ou de plusieurs pièces du circuit ou de l'équipement de même que la réparation de fuites ;
   64° réparation : la réparation de produits ou d'équipements contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ou qui en sont tributaires, qui sont endommagés ou présentent une fuite et dont une partie contient ou est conçue pour contenir de tels gaz ;
   65° mise hors service : l'arrêt définitif d'un produit ou d'une pièce d'équipement contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone et son retrait du service ou la fin de son utilisation ;
   66° récupération : la collecte et le stockage des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone contenus dans des produits, y compris les conteneurs, et des équipements lors de la maintenance ou de l'entretien de ces produits ou équipements ou préalablement à leur élimination;]3

  [4 67° camion frigorifique : un véhicule à moteur de masse supérieure à 3,5 tonnes, conçu et construit principalement pour le transport de marchandises et qui est équipé d'une unité de réfrigération ;
   68° remorque frigorifique : un véhicule conçu et construit pour être remorqué par un camion ou tracteur, destiné principalement au transport de marchandises et qui est équipé d'une unité de réfrigération.]4

  [14 69° VLAREMA : l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2012 fixant le règlement flamand relatif à la gestion durable de cycles de matériaux et de déchets.]14
  [1 § 2.[3 Pour l'application [9 des articles 25/1, 25/2 et 53/3, § 1er, 10°]9, on entend par disposer de : avoir soi-même à sa disposition ou avoir à sa disposition permanente à travers :
   1° un travailleur qui s'engage, via un contrat de travail, à travailler contre rémunération et sous l'autorité de l'expert en assainissement du sol ;
   2° une personne indépendante, à condition qu'elle mette ses services relatifs à ces connaissances ou cette expérience à disposition de trois experts en assainissement du sol au maximum.]3
]1

  
HOOFDSTUK 2. - [1 Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest]1
CHAPITRE 2. - [1 Le laboratoire de référence de la Région flamande]1
Art.5. [1 Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest publiceert op zijn website :
   1° de beoordelingscriteria van ringtesten en technische proeven, vermeld in bijlage 10, die bij dit besluit is gevoegd, per pakket;
   2° de voorwaarden waaraan ringtesten moeten voldoen, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd;
   3° welke ringtesten of technische proeven het organiseert.
   Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest brengt een laboratorium schriftelijk per brief of per e-mail op de hoogte van de beoordelingscriteria, voorafgaand aan de deelname aan een ringtest of technische proef, als die georganiseerd wordt door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
   Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest wordt geacht erkend te zijn als laboratorium in de verschillende disciplines en deeldomeinen als vermeld in artikel 6, 5°.]1

  
Art.5. [1 Le laboratoire de référence de la Région flamande publie sur son site web :
   1° les critères d'évaluation d'épreuves de l'anneau et d'épreuves techniques, visées à l'annexe 10, jointe au présent arrêté, par paquet;
   2° les conditions auxquelles doivent répondre des épreuves de l'anneau, visées à l'annexe 10/1, jointe au présent arrêté;
   3° quelles épreuves de l'anneau ou épreuves techniques il organise.
   Le laboratoire de référence de la Région flamande informe un laboratoire par écrit, par courrier ou par voie électronique, des critères d'évaluation, préalablement à la participation à une épreuve de l'anneau ou épreuve technique, lorsqu'elle est organisée par le laboratoire de référence de la Région flamande.
   Le laboratoire de référence de la Région flamande est censé être agréé comme laboratoire dans les différentes disciplines et sous-domaines tels que visés à l'article 6, 5°.]1

  
HOOFDSTUK 3. - Categorieën van erkenningen
CHAPITRE 3. - Catégories d'agréments
Art.6. De erkenningen worden ingedeeld in de volgende categorieën :
  1° deskundigen :
  a) milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 1.3.1.1, § 1, van titel II van het VLAREM, met betrekking tot een of meer van de domeinen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd;
  b) milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 1.3.1.1, § 1, van titel II van het VLAREM;
  c) milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 1.3.1.1, § 2, van titel II van het VLAREM, met betrekking tot een van de deeldomeinen of voor beide :
  1) geluid, voor :
  a. het uitvoeren van akoestische onderzoeken, het opstellen en begeleiden van saneringsplannen volgens de bijlagen 4.5.2 en 4.5.3 van titel II van het VLAREM en het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die lawaai kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om het lawaai te meten of de hinder ervan te verhelpen;
  b. optioneel, het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die bestemd zijn om het lawaai te dempen of op te slorpen;
  2) trillingen, voor het uitvoeren van trillingsmetingen, het opstellen en begeleiden van saneringsplannen en het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die trillingen kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om trillingen te meten of de hinder ervan te verhelpen [15 en beperkt tot een diepte van minder dan 500 meter onder het maaiveld]15;
  d) MER-deskundige : deskundige voor het opstellen van milieueffectrapporten als vermeld in titel IV van het decreet Milieubeleid, met betrekking tot een of meer van de volgende disciplines en deeldomeinen :
  1) mens : [7 gezondheid]7, mobiliteit en ruimtelijke aspecten [15 , met inbegrip van proefbemalingen als vermeld in rubriek 53.1, 1°, van de indelingslijst, die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM]15;
  2) [6 biodiversiteit]6;
  3) bodem : pedologie en geologie;
  4) water : geohydrologie, oppervlakte- en afvalwater, en mariene waters;
  5) lucht : geur en luchtverontreiniging;
  6) [7 ...]7;
  7) geluid en trillingen : geluid en trillingen;
  8) klimaat;
  9) landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie : landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie;
  e) VR-deskundige : deskundige voor het opstellen van omgevings- en ruimtelijke veiligheidsrapporten als vermeld in titel IV van het decreet Milieubeleid;
  [1 f) [10 airco-energiedeskundige: deskundige voor het uitvoeren van keuringen aan airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, eerste lid, 4°, van titel II van het VLAREM;]10]1
  [9 g) MER-coördinator: deskundige die het opstellen van milieueffectrapporten als vermeld in titel IV van het decreet Milieubeleid coördineert;]9
  [11 h) deskundige overstromingsattest: deskundige voor het opstellen van een overstromingsattest als vermeld in artikel 8/2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;]11
  2° technici :
  a) technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van [4 centrale stooktoestellen]4;
  b) technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van [4 centrale stooktoestellen]4;
  c) [13 ...]13]4;
  d) stookolietechnicus : de erkende technicus als vermeld in artikel 6.5.6.3 van titel II van het VLAREM;
  [2 e) [3 koeltechnicus van categorie I, II, III of IV als vermeld in artikel 4.4.8.4, artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, [9 ...]9 artikel 6.8.1.1 of artikel 6.8.6.1 van titel II van het VLAREM;]3
   f) technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;
   g) technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 4.4.8.2 of artikel 6.8.3.1 van titel II van het VLAREM;
   h) technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 4.4.8.3 of artikel 6.8.4.1 van titel II van het VLAREM;
   i) technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 5.15.0.8, [9 ...]9 of artikel 6.8.5.1 van titel II van het VLAREM of artikel 5.2.4.4 van het [12 VLAREMA]12;]2

  3° milieucoördinatoren en milieuverificateurs, belast met de validatie van de decretale milieuaudit :
  a) milieucoördinatoren als vermeld in artikel 4.1.9.1.2, § 2, 2°, d), van titel II van het VLAREM;
  b) milieuverificateurs, belast met de validatie van de decretaal verplichte milieuaudit als vermeld in artikel 4.1.9.2.5, § 3, van titel II van het VLAREM;
  4° opleidingscentra :
  a) voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 4.1.9.1.2, § 3, van titel II van het VLAREM;
  b) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van [4 centrale stooktoestellen]4;
  c) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 2 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van [4 centrale stooktoestellen]4;
  d) [13 ...]13]4;
  e) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6.5.6.4 van titel II van het VLAREM;
  [1 f) [10 voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing voor de keuring van airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, eerste lid, 4°, van titel II van het VLAREM;]10
   g) voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 8 van het Bodemdecreet;]1
  [2 h) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, [9 ...]9 of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM;
   i) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;
   j) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 4.4.8.2 of artikel 6.8.3.1 van titel II van het VLAREM;
   k) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 4.4.8.3 of artikel 6.8.4.1 van titel II van het VLAREM;
   l) voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid [12 en bijscholing]12 voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 5.15.0.8, [9 ...]9 of artikel 6.8.5.1 van titel II van het VLAREM of artikel 5.2.4.4 van het [12 VLAREMA]12;]2

  5° laboratoria :
  a) [1 laboratorium in de discipline water voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses op afvalwater, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater in het kader van de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van de oppervlaktewateren tegen verontreiniging, het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer en het decreet van 24 mei 2002 betreffende water bestemd voor menselijke aanwending, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en [2 titel [9 ...]9 II en III van het VLAREM]2, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd.]1
  Een laboratorium in de discipline water kan erkend worden voor een of meer van de volgende deeldomeinen :
  1) afvalwater;
  2) oppervlaktewater;
  3) grondwater;
  4) drinkwater;
  [4 De minister kan de deeldomeinen voor een pakket vastleggen.]4
  b) laboratorium in de discipline lucht voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses [1 in het kader van de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, en de uitvoeringsbesluiten ervan, en [2 titel [9 ...]9 II en III van het VLAREM]2]1, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
  c) [16 laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses in het kader van de bodembescherming, vermeld in artikel 54 en artikel 57, § 2 van het besluit van de Vlaamse Regering 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor het pakket, vermeld in bijlage 3, 3°, die bij dit besluit is gevoegd.]16
  [1 d) laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bemesting, de discipline mest en de discipline diervoeder, voor het nemen van monsters en het uitvoeren van analyses op bodem, meststoffen en diervoeders in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
   e) laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses ter uitvoering van [2 titel [9 ...]9 II en III van het VLAREM]2 en het Materialendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd;
   f) [8 laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, voor het uitvoeren van analyses op bodem ter uitvoering van het Bodemdecreet en [14 zijn uitvoeringsbesluiten]1
4 en de toepassing van die analyses ter uitvoering van titel II en III van het VLAREM, voor een of meer van de pakketten, vermeld in bijlage 3, 6°, die bij dit besluit is gevoegd;]8]1
  [1 6° bodemsaneringsdeskundigen : bodemsaneringsdeskundigen als vermeld in het Bodemdecreet, van type 1 of type 2 :
   Een bodemsaneringsdeskundige van type 1 kan de volgende taken uitvoeren in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan :
   a) het leiden van de uitvoering van een oriënterend bodemonderzoek;
   b) het voorstellen en het leiden van de uitvoering van voorzorgsmaatregelen en veiligheidsmaatregelen, voor zover die maatregelen geen grondwateronttrekkingen omvatten;
   c) het leiden van het opstellen van een technisch verslag;
   d) het leiden van het opstellen van een studie van de ontvangende grond;
   e) het opstellen van een evaluatierapport als vermeld in artikel 78 van het Bodemdecreet.
   Een bodemsaneringsdeskundige van type 2 kan alle taken uitvoeren die in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan aan een bodemsaneringsdeskundige zijn toegewezen;
   7° [2 bedrijven :
   a) boorbedrijf met betrekking tot een of meer van de volgende disciplines, waarbij de boringen die uitgevoerd worden in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, funderingsboringen, [9 draineringen,]9 handboringen en horizontale boringen voor zover die niet vergunningsplichtig zijn, worden uitgesloten van het toepassingsgebied van deze disciplines :
   1) [5 [9 bemalingen]9]5
   2) andere grondwaterwinningen : andere grondwaterwinningen dan de grondwaterwinningen, vermeld in punt 1);
   3) stabiliteitsboringen en geotechnische boringen, [5 met uitzondering van stabiliteitsboringen en geotechnische boringen als vermeld in rubriek 55.2 en 55.3 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet Milieubeleid;]5;
   4) [9 [15 verticale boringen:
   a) verticale boringen als vermeld in rubriek 55.1 van de indelingslijst die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3);
   b) boringen die vallen onder de uitzondering, vermeld in rubriek 55.1 van de indelingslijst die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3)]1
5;]9
   5) andere boringen : andere boringen dan de boringen, vermeld in punt 1) tot en met 4);
  [9 De houders van een erkenning in een van de disciplines, vermeld in het eerste lid, 7°, a), zijn ook erkend voor de aanleg, wijziging en verbouwing van peilputten.]9
   b) [9 b) koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 1bis, of artikel 6.8.1.1 van titel II van het VLAREM;]9
   c) bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 4.4.8.1 of artikel 6.8.2.1 van titel II van het VLAREM;]2]1
  [2 8° keuringsinstelling voor het keuren van een koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 25/4, 4°.]2
  
Art.6. Les agréments peuvent être subdivisés en les catégories suivantes :
  1° experts :
  a) expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 1.3.1.1, § 1er du titre II du VLAREM, en matière d'un ou de plusieurs domaines, visés à l'annexe 4, jointe au présent arrêté [15 , y compris les exhaures d'essai visées à la rubrique 53.1, 1°, de la liste de classification, reprise à l'annexe 1re du titre II du VLAREM ;]15
  b) expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol, visé à l'article 1.3.1.1, § 1er du titre II du VLAREM;
  c)[13 ...]13 :
  1) en ce qui concerne le sous-domaine du bruit, pour :
  la mise en oeuvre d'examens acoustiques, l'établissement et l'accompagnement de plans d'assainissement conformément aux annexes 4.5.2 et 4.5.3 du titre II du VLAREM et l'épreuve ou le contrôle d'appareils et d'installations susceptibles de provoquer du bruit, destinés à mesurer le bruit ou à en réduire la nuisance;
  b. optionnellement, l'épreuve ou le contrôle d'appareils et d'installations destinés à amortir ou à absorber le bruit;
  2) en ce qui concerne le sous-domaine des vibrations, pour la mise en oeuvre de mesures de vibrations, l'établissement et l'accompagnement de plans d'assainissement et l'épreuve ou le contrôle d'appareils et d'installations susceptibles de provoquer des vibrations, destinés à mesurer des vibrations ou à en réduire la nuisance;
  d) expert MER : expert en matière de l'établissement des rapports d'évaluation des incidences sur l'environnement, visés au titre IV du décret relatif à la Politique de l'Environnement, en ce qui concerne un(e) ou plusieurs des disciplines et sous-domaines suivants :
  1) discipline de l'homme : sous-domaines de la [7 santé]7, de la mobilité et des aspects spatiaux;
  2) discipline de la [6 biodiversité]6;
  3) discipline du sol : sisous-domaines de la pédologie et de la géologie;
  4) discipline de l'eau : sous-domaines de la géohydrologie, des eaux usées et de surface et des eaux marines;
  5) discipline de l'air : sous-domaines de l'odeur et de la pollution de l'air;
  6) [7 ...]7
  7) discipline du bruit et des vibrations : sous-domaines du bruit et des vibrations;
  8) discipline du climat;
  9) discipline du paysage, du patrimoine architectural et de l'archéologie : sous-domaines du paysage, du patrimoine architectural et de l'archéologie;
  e) expert en matière de rapports de sécurité : expert pour l'établissement des rapports sur la sécurité environnementale et sur la sécurité spatiale, visés au titre IV du décret relatif à la Politique de l'Environnement;
  [1 f) [10 expert énergie-climatisation : expert pour effectuer des contrôles de systèmes de climatisation ou de systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale supérieure à 12 kW, tel que visé à l'article 5.16.3.3, § 3, alinéa 1er, 4°, du titre II du VLAREM ;]10]1
  [9 g) coordinateur EIE : expert qui coordonne la rédaction d'évaluations des incidences sur l'environnement tels que visés au titre IV du décret concernant la politique de l'environnement ;]9
  [11 h) expert en attestation d'inondation : expert en établissement d'une attestation d'inondation telle que visée à l'article 8/2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;]11
  2° techniciens :
  a) technicien en combustibles liquides, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle [4 d'appareils de chauffage central]4;
  b) technicien en combustibles gazeux, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle [4 d'appareils de chauffage central]4;
  c) technicien en matière d'audit de chauffage, tel que visé à l'article 2 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle [4 d'appareils de chauffage central]4;
  d) technicien en mazout : le technicien agréé, tel que visé à l'article 6.5.6.3 du titre II du VLAREM;
  [2 e) [3 technicien frigoriste des catégories I, II, III, ou IV tel que visé à l'article 4.4.8.4, l'article 5.2.2.5.2, § 9, l'article 5.16.3.3, § 1bis, [9 ...]9 l'article 6.8.1.1 ou l'article 6.8.6.1 du titre II du VLAREM ;]3
   f) technicien en dispositifs de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 4.4.8.1 ou à l'article 6.8.2.1 du titre II du VLAREM ;
   g) technicien en dispositifs de commutation, tel que visé à l'article 4.4.8.2 ou à l'article 6.8.3.1 du titre II du VLAREM ;
   h) technicien pour les équipements contenant des solvants, tel que visé à l'article 4.4.8.3 ou à l'article 6.8.4.1 du titre II du VLAREM ;
   i) technicien pour systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur comme indiqué à l'article 5.15.0.8, à [9 ...]9 ou à l'article 6.8.5.1 du titre II du VLAREM ou à l'article 5.2.4.4 [12 du VLAREMA]12 ;]2

  3° coordinateurs et vérificateurs environnementaux, chargés de la validation de l'audit environnemental décrétal :
  a) coordinateurs environnementaux, tels que visés à l'article 4.1.9.1.2, § 2, 2°, d) du titre II du VLAREM;
  b) vérificateurs environnementaux, chargés de la validation de l'audit environnemental exigé par décret, tel que visé à l'article 4.1.9.2.5, § 3, du titre II du VLAREM;
  4° centres de formation :
  a) pour la dispensation de la formation complémentaire au bénéfice de coordinateurs environnementaux visés à l'article 4.1.9.1.2, § 3 du titre II du VLAREM;
  b) pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 2 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle [4 d'appareils de chauffage central]4;
  c) pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 2 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle [4 d'appareils de chauffage central]4;
  d) [13 ...]13]4;
  e) pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6.5.6.4 du titre II du VLAREM;
  [1 f) [10 pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de systèmes de climatisation ou de systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale supérieure à 12 kW, tel que visé à l'article 5.16.3.3, § 3, alinéa 1er, 4°, du titre II du VLAREM ;]10
   g) pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visés à l'article 8 du décret relatif au sol;]1
  [2 h) pour la délivrance du certificat d'aptitude en matière de technique frigorifique de la catégorie I, II, III ou IV et pour l'examen de mise à jour, visé à l'article 5.2.2.5.2, § 9, à l'article 5.16.3.3, § 1bis, [9 ...]9 et à l'article 6.8.1.1 du titre II du VLAREM ;
   i) pour la délivrance du certificat d'aptitude d'équipements de protection contre l 'incendie visé à l'article 4.4.8.1 ou à l'article 6.8.2.1 du titre II du VLAREM ;
   j) pour la délivrance du certificat d'aptitude de commutations électriques, visé à l'article 4.4.8.2 ou à l'article 6.8.3.1 du titre II du VLAREM ;
   k) pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, visé à l'article 4.4.8.3 ou à l'article 6.8.4.1 du titre II du VLAREM ;
   l) pour la délivrance du certificat d'aptitude [12 et de perfectionnement ]12 pour des systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 5.15.0.8 [9 ...]9 ou à l'article 6.8.5.1 du titre II du VLAREM ou à l'article 5.2.4.4 [12 du VLAREMA]12 ;]2

  5° laboratoires :
  a) [1 laboratoire dans la discipline de l'eau pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses appliqués sur des eaux usées, des eaux de surface et des eaux souterraines dans le cadre de la loi du 26 mars 1971 sur la protection des eaux de surface contre la pollution, du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines et du décret du 24 mai 2002 relatif aux eaux destinées à l'utilisation humaine, et de ses arrêtés d'exécution, et des [2 titre [9 ...]9 II et III du VLAREM]2, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 1°, jointe au présent arrêté.]1
  Les laboratoires dans la discipline de l'eau peuvent être agréés pour un ou plusieurs des sous-domaines suivants :
  1) eaux usées;
  2) eaux de surface;
  3) eaux souterraines;
  4) eau potable;
  [4 Le ministre peut déterminer les sous-domaines pour un paquet;]4
  b) laboratoire dans la discipline de l'air pour le prélèvement d'échantillons et la mise en oeuvre de mesures, essais et analyses [1 dans le cadre de la loi du 28 décembre 1964 relative à la lutte contre la pollution atmosphérique, et de ses arrêtés d'exécution, et des [2 titre [9 ...]9 II et III du VLAREM]2]1, pour un ou plusieurs des paquets visés à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté;
  c) [16 c) laboratoire dans la discipline du sol, dans le sous-domaine de la protection du sol, pour le prélèvement d'échantillons et la mise en oeuvre de mesures et d'analyses dans le cadre de la protection du sol, visé à l'article 54 et article 57, § 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune pour le paquet, visé à l'annexe 3, 3°, jointe au présent arrêté.]16.
  [1 d) laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, la discipline des engrais et la discipline des aliments pour animaux, pour la prise d'échantillons et l'exécution d'analyses sur le sol, des engrais et des aliments pour animaux dans le cadre du décret sur les engrais et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 4°, jointe au présent arrêté;
   e) laboratoire dans la discipline des déchets et d'autres matériaux pour la prise d'échantillons et l'exécution de mesures, d'essais et d'analyses en exécution des [2 titre [9 ...]9 II et III du VLAREM]2 et du décret sur les matériaux et ses arrêtés d'exécution, pour un paquet ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 5°, jointe au présent arrêté;
   f) [8 laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, pour l'exécution d'analyses sur des sols en exécution du décret relatif au sol et [14 de ses arrêtés d'exécution ]1
4 et pour l'application de ces analyses en exécution des titres II et III du VLAREM, pour un ou plusieurs des paquets, visés à l'annexe 3, 6°, jointe au présent arrêté ;]8]1
  [1 6° experts en assainissement du sol : experts en assainissement du sol, tel que visés au décret relatif au sol, du type 1 ou 2 :
   Un expert en assainissement du sol du type 1 peut exécuter les tâches suivantes dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution :
   a) diriger l'exécution d'une reconnaissance d'orientation du sol;
   b) proposer et diriger l'exécution de mesures de précaution et de sécurité, pour autant que ces mesures ne comportent pas le captage d'eau souterraine;
   c) diriger l'établissement d'un rapport technique;
   d) diriger l'établissement d'une étude du terrain receveur;
   e) établir un rapport d'évaluation tel que visé à l'article 78 du décret relatif au sol.
   Un expert en assainissement du sol du type 2 peut exécuter toutes les tâches qui sont assignées à un expert en assainissement du sol dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution;
   7° [2 entreprises :
   a) entreprises de forage relatives à une ou plusieurs des disciplines suivantes, où les forages exécutés dans le cadre du décret relatif au sol et de ses arrêtés d'exécution, les forages de fondation, [9 les drainages]9 les forages manuels et les forages horizontaux sont exclus du champ d'application de des disciplines suivantes, pour autant qu'ils ne sont pas soumis à autorisation [15 , y compris les exhaures d'essai visées à la rubrique 53.1, 1°, de la liste de classification, reprise à l'annexe 1re du titre II du VLAREM ]1
5 :
   1) [5 [9 épuisements]9]5
   2) autres captages d`eaux souterraines : des captages d`eaux souterraines autres que les captages d`eaux souterraines, visés au point 1) [15 et ayant une profondeur de moins de 500 mètres sous le niveau du sol ]15;
   3) forages de stabilité et forages géotechniques, [5 à l'exception des forages de stabilité et forages géotechniques tels que visés aux rubriques 55.2 en 55.3 de la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret concernant la politique de l'environnement;]5 ;
   4) [15 4) forages verticaux :
   a) forages verticaux tels que visés à la rubrique 55.1 de la liste de classification, reprise à l'annexe 1re du titre II du VLAREM, à l'exception des forages visés au point 3) ;
   b) forages relevant de l'exception visée à la rubrique 55.1 de la liste de classification reprise à l'annexe 1re du titre II du VLAREM, à l'exception des forages visés au point 3)]15

   5) autres forages : les forages autres que les forages, visés aux points 1) à 4) inclus ;
  [9 Les titulaires d'un agrément dans l'une des disciplines visées à l'alinéa 1er, 7°, a), sont également agréés pour l'aménagement, la modification et la transformation de trous de sondage.]9
   b) [9 entreprise en technique du froid telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 1erbis, ou à l'article 6.8.1.1 du titre II du VLAREM ;]9
   c) entreprise en dispositifs de protection contre l'incendie, telle que visée à l'article 4.4.8.1 ou à l'article 6.8.2.1 du titre II du VLAREM ;]2]1
  [2 8° organisme de contrôle pour le contrôle d'une entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 25/4, 4°.]2
  
HOOFDSTUK 4. - Erkenningsvoorwaarden
CHAPITRE 4. - Conditions d'agrément
Afdeling 1. - Algemene bepalingen erkenningsvoorwaarden
Section 1re. - Dispositions générales relatives aux conditions d'agrément
Art.7. Met behoud van de toepassing van de bepalingen inzake erkenning van rechtswege wordt de erkenning verleend als de aanvrager het bewijs levert dat hij voldoet aan de algemene en bijzondere erkenningsvoorwaarden die overeenkomstig hoofdstuk 4 van toepassing zijn op de aangevraagde erkenning.
  Bij het onderzoek en de beslissing over de erkenningsaanvraag wordt rekening gehouden met de gelijkwaardige erkenningsvoorwaarden waaraan de aanvrager al in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte heeft voldaan.
Art.7. Sans préjudice de l'application des dispositions en matière d'agrément de plein droit, l'agrément est octroyé si le demandeur fournit la preuve qu'il satisfait aux conditions générales et particulières d'agrément qui, conformément au chapitre 4, s'appliquent à l'agrément sollicité.
  Au moment de l'examen et de la décision relative à la demande d'agrément, il est tenu compte des conditions équivalentes d'agrément que le demandeur aurait déjà remplies dans une autre région en Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen.
Afdeling 2. - Algemene erkenningsvoorwaarden
Section 2. - Conditions générales d'agrément
Art.8. [1 De volgende algemene erkenningsvoorwaarden gelden voor alle erkenningen, vermeld in artikel 6 :
  1° de aanvrager van de erkenning en, in voorkomend geval, de natuurlijke personen waarvan de identiteit moet worden vermeld in de aanvraag, hebben in de periode van drie jaar die de erkenningsaanvraag voorafgaat, in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor overtredingen van de milieuwetgeving die verband houden met het gebruik van de erkenning;
  2° in de periode van twee jaar die de erkenningsaanvraag voorafgaat, werd geen erkenning van de aanvrager met hetzelfde voorwerp opgeheven met toepassing van artikel 54, § 1, 2°, wegens de schending van een of meer van de algemene of bijzondere gebruikseisen van de erkenning.]1

  
Art.8. [1 Les conditions générales d'agrément citées ci-après s'appliquent à tous les agréments visés à l'article 6 :
  1° le demandeur de l'agrément et, le cas échéant, les personnes physiques dont l'identité doit étre mentionnée dans la demande, n'ont pas encouru de condamnation pénale pour des infractions de la législation environnementale associées à l'usage de l'agrément dans un Etat-membre de l'Espace économique européen dans une période de trois ans précédant la demande d'agrément;
  2° dans la période de deux ans précédant la demande d'agrément, aucune reconnaissance du demandeur ayant le même objet n'a été abrogée en application de l'article 54, § 1er, 2°, en raison de la violation d'une ou plusieurs des exigences générales ou particulières d'utilisation de la reconnaissance.]1

  
Afdeling 3. - Bijzondere erkenningsvoorwaarden
Section 3. - Conditions particulières d'agrément
Onderafdeling 1. - Erkenningsvoorwaarden voor deskundigen
Sous-section 1re. - Conditions d'agrément pour experts
Art.9. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° a) hetzij minstens de graad van bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald, en minstens één jaar praktische ervaring in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hebben verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  b) hetzij minstens de opleiding secundaire of secundaire technische leergangen hebben genoten of een gelijkwaardig getuigschrift of certificaat hebben behaald, en een praktische ervaring van minstens vijf jaar in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen hebben verworven binnen tien jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.
  [1 3° als de erkenning wordt aangevraagd voor het domein E, over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken die niet ouder is dan één jaar, gegeven op basis van de werkwijze en gebruikte meetapparatuur bij de meting van de damp-benzineverhouding door de aanvrager.]1
  
Art.9. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux experts environnementaux dans la discipline des récipients pour gaz ou substances dangereuses, visés à l'article 6, 1°, a) :
  1° être une personne physique;
  2° a) avoir obtenu au minimum, soit le grade de bachelor d'une orientation diplômante ou formation, visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, soit un grade équivalent et avoir acquis au minimum un an d'expérience pratique dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses dans les cinq ans précédant la demande d'agrément;
  b) avoir suivi au minimum la formation des cours secondaires ou des cours secondaires techniques ou avoir obtenu une attestation ou certificat équivalents et avoir acquis une expérience pratique d'au moins cinq ans dans la discipline de récipients pour gaz ou des substances dangereuses dans les dix ans précédant la demande d'agrément.
  [1 3° lorsque l'agrément est demandé pour le domaine E, disposer d'une évaluation positive ne remontant pas à plus d'un an, délivrée par le laboratoire de référence de la Région flamande sur la base de la méthode et des instruments de mesure utilisés pour la mesure du rapport vapeur-essence par le demandeur.]1
  
Art.10. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° a) hetzij minstens de graad van bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald, en minstens één jaar praktische ervaring in de discipline bodemcorrosie hebben verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  b) hetzij minstens de opleiding secundaire of secundaire technische leergangen hebben genoten of een gelijkwaardig getuigschrift of certificaat hebben behaald, en minstens vijf jaar praktische ervaring in de discipline bodemcorrosie, hebben verworven binnen tien jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.
Art.10. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux experts environnementaux dans la discipline de la corrosion du sol, visés à l'article 6, 1°, b) :
  1° être une personne physique;
  2° a) avoir obtenu au minimum, soit le grade de bachelor d'une orientation diplômante ou formation, visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, soit un grade équivalent et avoir acquis au minimum un an d'expérience pratique dans la discipline de la corrosion du sol dans les cinq ans précédant la demande d'agrément;
  b) avoir suivi au minimum la formation des cours secondaires ou des cours secondaires techniques ou avoir obtenu une attestation ou certificat équivalents et avoir acquis une expérience pratique d'au moins cinq ans dans la discipline de la corrosion du sol dans les dix ans précédant la demande d'agrément.
Art.11. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, [1 vermeld in artikel 6, 1°, c)]1 :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° a) hetzij minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens drie jaar praktische ervaring hebben met het uitvoeren van opdrachten in het kader van de erkenning, verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  b) hetzij minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens vijf jaar praktische ervaring hebben met het uitvoeren van opdrachten in het kader van de erkenning, verworven binnen zeven jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  3° met gunstig gevolg een opleiding hebben genoten waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.
  
Art.11. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux experts environnementaux dans la discipline du bruit et des vibrations, [1 visés à l'article 6, 1°, c)]1 :
  1° être une personne physique;
  2° a) avoir obtenu au minimum le grade de master ou un grade équivalent et avoir au minimum trois ans d'expérience pratique dans l'exécution de tâches dans le cadre de l'agrément, acquise dans les cinq ans précédant la demande d'agrément;
  b) avoir obtenu au minimum le grade de bachelor ou un grade équivalent et avoir au minimum cinq ans d'expérience pratique dans l'exécution de tâches dans le cadre de l'agrément, acquise dans les sept ans précédant la demande d'agrément;
  3° avoir suivi avec fruit une formation au cours de laquelle au minimum les matières, visées à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, ont été abordées.
  
Art.12. § 1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de MER-deskundigen, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° a) hetzij minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens drie jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies in de aangevraagde disciplines en deeldomeinen, verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  b) hetzij minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens vijf jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies in de aangevraagde disciplines en deeldomeinen, verworven binnen zeven jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  3° met gunstig gevolg een opleiding hebben genoten per deeldomein of als er geen deeldomeinen zijn, per discipline, waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.
  § 2. Met behoud van de toepassing van paragraaf 1, 1°, 2° en 3° gelden de hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden voor de MER-deskundigen in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, d), 7) :
  1° als de erkenning wordt aangevraagd als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, in het bezit zijn van een erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1);
  2° als de erkenning wordt aangevraagd als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen, in het bezit zijn van een erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 2).
Art.12. § 1er. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux experts MER, visés à l'article 6, 1°, d) :
  1° être une personne physique;
  2° a) avoir obtenu au minimum le grade de master ou un grade équivalent et avoir au minimum trois ans d'expérience pratique dans la coopération à l'établissement d' études d'évaluation des incidences sur l'environnement dans les disciplines et sous-domaines demandés dans les cinq ans précédant la demande d'agrément;
  b) avoir obtenu au minimum le grade de bachelor ou un grade équivalent et avoir au minimum cinq ans d'expérience pratique dans la coopération à l'établissement d' études d'évaluation des incidences sur l'environnement dans les disciplines et sous-domaines demandés, acquise dans les sept ans précédant la demande d'agrément;
  3° avoir suivi avec fruit une formation par sous-domaine, ou à défaut de sous-domaines, par discipline, au cours de laquelle au minimum les matières, visées à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, ont été abordées.
  § 2. Sans préjudice de l'application du paragraphe 1er, 1°, 2° et 3°, les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux experts MER dans la discipline du bruit et des vibrations, visés à l'article 6, 1°, d), 7) :
  1° lorsque l'agrément comme expert MER est demandé pour la discipline du bruit et des vibrations, dans le sous-domaine du bruit, être en possession d'un agrément en tant qu'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, dan le sous-domaine du bruit, visé à l'article 6, 1°, c), 1);
  2° lorsque l'agrément comme expert MER est demandé pour la discipline du bruit et des vibrations, dans le sous-domaine des vibrations, être en possession d'un agrément en tant qu'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, dans le sous-domaine des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 2).
Art.13. De hierna vermelde bijzondere [1 erkenningsvoorwaarden]1 gelden voor de VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° a) hetzij minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens drie jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van veiligheidsrapporten en het uitvoeren van kwantitatieve risicoanalyses, risico-inventarisaties en risico-evaluaties met betrekking tot risico's, voor mens en milieu, bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  b) hetzij minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald en minstens vijf jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan het opstellen van veiligheidsrapporten en het uitvoeren van kwantitatieve risicoanalyses, risico-inventarisaties en risico-evaluaties met betrekking tot risico's, voor mens en milieu, bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, verworven binnen zeven jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
  3° met gunstig gevolg een opleiding hebben genoten waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.
  
Art.13. Les [1 conditions particulières d'agrément]1 citées ci-après s'appliquent à l'expert en matière de rapports de sécurité, visé à l'article 6, 1°, e) :
  1° être une personne physique;
  2° a) avoir obtenu au minimum le grade de master ou un grade équivalent et avoir au moins trois ans d'expérience pratique dans la coopération à l'établissement de rapports de sécurité et à la mise en oeuvre d'analyses des risques quantitatives, d'inventarisations et d'évaluations des risques affectant l'homme et l'environnement, en cas d'accidents industriels dégageant des substances dangereuses, acquise dans les cinq ans précédant la demande d'agrément.
  b) avoir obtenu au minimum le grade de bachelor ou un grade équivalent et avoir au moins cinq ans d'expérience pratique dans la coopération à l'établissement de rapports de sécurité et à la mise en oeuvre d'analyses des risques quantitatives, d'inventarisations et d'évaluations des risques affectant l'homme et l'environnement, en cas d'accidents industriels dégageant des substances dangereuses, acquise dans les sept ans précédant la demande d'agrément.
  3° avoir suivi avec fruit une formation au cours de laquelle au minimum les matières, visées à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, ont été abordées.
  
Art. 13/1. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
   3° in het bezit zijn van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van [4 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]4 van meer dan 12 kW, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 2, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f). [5 ...]5 ;
   4° [3 ...]3
  
Art. 13/1. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
   1° être une personne physique;
   2° répondre à au moins une des conditions, visées à l'annexe 13, jointe au présent arrêté;
   3° être en possession du certificat d'aptitude en matière de contrôle de [4 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]4 qui est supérieure à 12 kW, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, § 2, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f). [5 ...]5 ;
   4° [3 ...]3]1

  
Art. 13/2. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de MER-coördinator, vermeld in artikel 6, 1°, g):
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° minstens de graad van master, bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad hebben behaald;
   3° minstens drie jaar praktische ervaring hebben met het meewerken aan de coördinatie van milieueffectrapporten, verworven binnen vijf jaar voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   4° met gunstig gevolg een opleiding hebben gevolgd waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd.]1

  
Art. 13/2. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent au coordinateur EIE visé à l'article 6, 1°, g) :
   1° être une personne physique ;
   2° avoir obtenu au moins le grade de master, de bachelier ou un grade y assimilé ;
   3° posséder une expérience pratique de la collaboration à la coordination d'évaluations des incidences sur l'environnement de trois ans minimum, acquise au cours des cinq années qui précèdent la demande d'agrément ;
   4° avoir suivi avec fruit une formation au cours de laquelle ont été abordées au moins les matières visées à l'annexe 9, jointe au présent arrêté.]1

  
Art. 13/3. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° minstens een jaar erkend zijn als keurder en minstens honderd keuringen uitgevoerd hebben ter uitvoering van artikel 12/1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 april 2011 houdende bepalingen van rechten en plichten van de exploitanten van een openbaar waterdistributienetwerk en hun klanten met betrekking tot de levering van water bestemd voor menselijke consumptie, de uitvoering van de saneringsverplichting voor de niet-aangesloten binneninstallatie en installaties voor tweedecircuitwater in onroerende goederen die niet aangesloten zijn of worden op het openbaar waterdistributienetwerk, en het algemeen waterverkoopreglement;
   3° met gunstig gevolg een opleiding hebben genoten waarin minstens de onderwerpen aan bod zijn gekomen, vermeld in bijlage 25, die bij dit besluit is gevoegd.]1

  
Art. 13/3. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à l'expert en attestation d'inondation, visé à l'article 6, 1°, h) :
   1° être une personne physique ;
   2° être agréé depuis au moins un an en tant que contrôleur et avoir effectué un minimum de cent contrôles en application de l'article 12/1 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 avril 2011 portant définition des droits et obligations des exploitants des réseaux publics de distribution d'eau et de leurs clients relatifs à la fourniture d'eau destinée à la consommation humaine, la mise en oeuvre de l'obligation d'assainissement, à l'installation intérieure non raccordée et aux installations d'eau de deuxième circuit dans des biens immobiliers non raccordés au réseau public de distribution d'eau, et au règlement général de la vente d'eau ;
   3° avoir suivi avec fruit une formation au cours de laquelle au minimum les matières, visées à l'annexe 25, jointe au présent arrêté, ont été abordées.]1

  
Onderafdeling 2. - Erkenningsvoorwaarden voor technici
Sous-section 2. - Conditions d'agrément pour techniciens
Art.14. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, a) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° [1 in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b) [4 ...]4 ;]1
  3° [1 [3 ...]3]1
  
Art.14. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens en combustibles liquides, visés à l'article 6, 2°, a) :
  1° être une personne physique;
  2° [1 être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen, visé à l'article 43, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b)[4 ...]4 ;]1
  3° [1 [3 ...]3]1
  
Art.15. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° [1 in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/1, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c) [4 ...]4 ;]1
  3° [1 [3 ...]3]1
  
Art.15. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens en combustibles gazeux, visés à l'article 6, 2°, b) :
  1° être une personne physique;
  2° [1 être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen, visé à l'article 43/1, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c)[4 ...]4 ;]1
  3° [1 [3 ...]3]1
  
Art.17. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een stookolietechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, d) :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° [1 in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1. Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, moet hij een bewijs voorleggen dat hij een bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 40, eerste lid, 3°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e) [4 ...]4 ;]1
  [1 [3 ...]3]1
  
Art.17. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens en mazout, visés à l'article 6, 2°, d) :
  1° être une personne physique;
  2° [1 être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/3, § 1er. Lorsque le certificat d'aptitude a plus de cinq ans après la date de réussite à l'examen, il doit présenter une preuve d'avoir suivi un perfectionnement et d'avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'article 40, alinéa premier, 3°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e) [4 ]4;]1
  [1 [3 ...]3]1
  
Art. 17/1. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e) :
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/6, § 1.
  [4 Als het certificaat van bekwaamheid ouder is dan vijf jaar na de datum van het slagen voor het examen, legt de koeltechnicus een bewijs voor dat hij geslaagd is voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), of voor een gelijkwaardig examen als vermeld in artikel 40/1, 4°]4 ;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/1. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e) :
   1° être une personne physique ;
   2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de technique frigorifique de catégorie I, II, III ou IV, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, h), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/6, § 1er.
  [4 Si le certificat d'aptitude a plus de cinq ans à compter de la date de réussite de l'examen, le frigoriste soumet une preuve de réussite de l'examen de mise à jour dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, h), ou d'un examen équivalent tel que visé à l'article 40/1, 4°]4 ;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/2. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f) :
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, i), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/7, § 1;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/2. [1 Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens en appareils de protection contre l'incendie, tels que visés à l'article 6, 2°, f) :
   1° être une personne physique ;
   2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de dispositifs de protection contre l'incendie, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, i), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/7, § 1er ;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/3. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g) :
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, j), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/8, § 1;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/3. [1 Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens pour commutations électriques, tels que visés à l'article 6, 2°, g) :
   1° être une personne physique ;
   2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de commutations électriques, délivré par un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, j), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/8, § 1er ;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/4. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h) :
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, k), nadat de persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in artikel 43/9, § 1;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/4. [1 Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens pour équipements contenant des solvants, tels que visés à l'article 6, 2°, h) :
   1° être une personne physique ;
   2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière d'équipements contenant des solvants, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, k), après que la personne a réussi l'examen, visé à l'article 43/9, § 1er.
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/5. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i) :
   1° een natuurlijke persoon zijn;
   2° in het bezit zijn van een certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, dat uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, l), nadat de persoon de opleiding gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/10, § 1;
   3° [3 ...]3]1

  
Art. 17/5. [1 Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux techniciens en systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, visés à l'article 6, 2°, i) :
   1° être une personne physique ;
   2° être en possession d'un certificat d'aptitude en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, l), après que la personne a suivi la formation et a réussi l'examen y afférent, visé à l'article 43/10, § 1er.
   3° [3 ...]3]1

  
Onderafdeling 3. - Erkenningsvoorwaarden voor milieucoördinatoren en verificateurs
Sous-section 3. - Conditions d'agrément pour coordinateurs et vérificateurs environnementaux
Art.18. § 1. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), voor het uitoefenen van de functie bij inrichtingen, aangeduid met de kenletter A in de vijfde kolom van de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen, [1 vastgesteld in de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]1 :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
  3° in het bezit zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of van het overgangsniveau dat, nadat de persoon het vastgelegde onderricht heeft gevolgd en geslaagd is voor het examen, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, a) ;
  [2 ...]2
  § 2. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), voor het uitoefenen van de functie bij inrichtingen, aangeduid met de kenletter B in de vijfde kolom van de lijst van de als hinderlijk beschouwde inrichtingen, [1 vastgesteld in de indelingslijst vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid]1 :
  1° een natuurlijke persoon zijn;
  2° minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
  3° in het bezit zijn van een getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau dat, nadat de persoon het vastgelegde onderricht heeft gevolgd en geslaagd is voor het examen, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd, uitgereikt is door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, a) ;
  4° [2 ...]2
  
Art.18. § 1er. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux coordinateurs environnementaux visés à l'article 6, 3°, a), pour l'exercice de la fonction auprès des établissements désignés par la lettre A dans la cinquième colonne de la liste des établissements considérés incommodes, [1 établie dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]1 :
  1° être une personne physique;
  2° être détenteur du grade de master ou d'un grade équivalent;
  3° être détenteur d'un certificat de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux du niveau 1er ou du niveau de transition, délivré par un centre de formation agréé, visé à l'article 6, 4°, a) à la personne concernée, après qu'elle a suivi la formation requise et passé l'examen, visé à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, avec succès;
  4° [2 ...]2
  § 2. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux coordinateurs environnementaux visés à l'article 6, 3°, a), pour l'exercice de la fonction auprès des établissements désignés par la lettre B dans la cinquième colonne de la liste des établissements considérés incommodes, [1 établie dans la liste de classification visée à l'article 5.2.1, § 1er, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement]1 :
  1° être une personne physique;
  2° être détenteur d'au minimum le grade de bachelor ou d'un grade équivalent;
  3° être détenteur d'un certificat de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux du niveau 2, délivré par un centre de formation agréé, visé à l'article 6, 4°, a) à la personne concernée, après qu'elle a suivi la formation requise et passé l'examen, visé à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, avec succès;
  [2 ...]2
  
Art.19. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor de milieuverificateur die belast is met de validatie van de decretale milieuaudit, vermeld in artikel 6, 3°, b) :
   1° houder zijn van de titel van milieuverificateur, vermeld in Verordening nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (EMAS), tot intrekking van Verordening (EG) nr. 761/2001 en van de Beschikkingen 2001/681/EG en 2006/193/EG van de Commissie;
   2° [4 ...]4]1

  
Art.19. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent au vérificateur environnemental chargé de la validation de l'audit environnemental décrétal, visé à l'article 6, 3°, b) :
   1° être titulaire du titre de vérificateur environnemental, visé au Règlement n° 1221/2009 du Parlement européen et du Conseil du 25 novembre 2009 concernant la participation volontaire des organisations à un système communautaire de management environnemental et d'audit (EMAS), abrogeant le Règlement (CE) n° 761/2001 et les décisions de la Commission 2001/681/CE et 2006/193/CE;
   2° [4 ...]4]1

  
Onderafdeling 4. - Erkenningsvoorwaarden voor opleidingscentra
Sous-section 4. - Conditions d'agrément pour centres de formation
Art.20. De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  1° naargelang de gewenste erkenning de cursussen van het eerste, het tweede of het overgangsniveau, met inbegrip van de examens, organiseren, waarvan de programma's minstens beantwoorden aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd;
  2° over in de materie onderlegde docenten beschikken die de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, of die meer dan drie jaar ervaring hebben in het lesdomein in kwestie;
  3° over een opvolgingscommissie beschikken die de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen bewaakt. [1 ...]1
  
Art.20. Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent aux centres de formation pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visés à l'article 6, 4°, a) :
  1° organiser, en fonction de l'agrément envisagé, les cours des premier et deuxième niveaux ou du niveau de transition, y compris leurs examens, dont les programmes répondent au minimum aux conditions visées à l'annexe 2, jointe au présent arrêté;
  2° compter parmi leurs effectifs des chargés de cours experts en la matière, détenteurs du grade de master ou d'un grade équivalent ou ayant acquis plus de trois ans d'expérience dans la matière concernée;
  3° être munis d'une commission de suivi veillant à l'organisation et au contenu du programme des cours. [1 ...]1
  
Art.21. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b) :
   1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake vloeibare brandstof met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43, § 1, te organiseren;
   2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
   3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus vloeibare brandstof en die actief is in het vak;
   b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 1°. Het certificaat van bekwaamheid inzake vloeibare brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
   c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus vloeibare brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.]1

  
Art.21. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b) :
   1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de combustibles liquides et l'examen y afférent, visés à l'article 43, § 1er;
   2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en combustibles liquides tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
   3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
   a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en combustibles liquides et qui est active dans le métier;
   b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en combustibles liquides tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles liquides a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
   c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en combustibles liquides qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.]1

  
Art.22. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c) :
   1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake gasvormige brandstof module [2 GI of de modules GI en GII]2 met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/1, § 1 en § 2, te organiseren;
   2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
   3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als technicus gasvormige brandstof en die actief is in het vak;
   b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 2°. Het certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
   c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende technicus gasvormige brandstof die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.]1

  
Art.22. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c) :
   1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux module [2 GI ou les modules GI et GII]2, et l'examen y afférent, visés à l'article 43/1, § 1er et § 2;
   2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 2°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
   3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
   a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en combustibles gazeux et qui est active dans le métier;
   b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 2°. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
   c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en combustibles gazeux qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.]1

  
Art.24. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e) :
   1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding of de opleiding en de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/3, § 1, te organiseren;
   2° beschikken over bevoegd technisch personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht. Het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
   3° een examenjury samenstellen, waarbij ten minste aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de jury bestaat uit minstens drie specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een master of een bachelor uit een afstudeerrichting of opleiding als vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, of een persoon met minstens tien jaar ervaring in de materie die erkend is als stookolietechnicus en die actief is in het vak;
   b) minstens twee juryleden beschikken over een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°. Het certificaat van bekwaamheid inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
   c) minstens een van de leden van de examenjury is een erkende stookolietechnicus die extern is aan het opleidingscentrum en die actief is in de verwarmingswereld.]1

  
Art.24. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e) :
   1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation ou la formation et le perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout et l'examen y afférent, visés à l'article 43/3, § 1er;
   2° disposer de personnel technique compétent chargé de l'enseignement théorique et pratique. Le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme technicien en mazout tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 4°. Le certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne;
   3° composer un jury d'examen, où il est au moins satisfait aux conditions suivantes :
   a) le jury comprend au moins trois spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un master ou un bachelor d'une orientation en dernière année ou formation telle que visée à l'annexe 5, jointe au présent arrêté, ou par une personne ayant au moins dix années d'expérience en la matière, qui est agréée comme technicien en mazout et qui est active dans le métier;
   b) au moins deux membres du jury disposent d'un agrément comme technicien en mazout tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 4°. Le certificat d'aptitude en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury;
   c) au moins un des membres du jury d'examen est un technicien agréé en mazout qui n'est pas lié au centre de formation et qui est actif dans le domaine du chauffage.]1

  
Art. 24/1. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van [3 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]3 van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 6, 4°, f) :
   1° beschikken over degelijke procedures om de opleiding en de bijscholing met het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, § 1 en § 2, te organiseren, waarbij alleen de personen tot de opleiding worden toegelaten die voldoen aan minstens een van de voorwaarden, vermeld in bijlage 13, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° het personeel dat belast wordt met het onderricht, beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6° ;
   3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) [2 de examenjury bestaat uit minstens twee specialisten in de onderwezen vakken en staat onder het voorzitterschap van een]2 master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector;
   b) minstens één examenjurylid beschikt over een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°.]1

  
Art. 24/1. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de [3 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]3 qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 6, 4°, f) :
   1° disposer de procédures de bonne qualité afin d'organiser la formation et le perfectionnement ainsi que l'examen y afférent, visés à l'article 43/4, § 1er et § 2, où seulement les personnes qui répondent à au moins une des conditions, visées à l'annexe 13, jointe au présent arrêté, sont admises à la formation;
   2° le personnel chargé de l'enseignement dispose d'un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6° ;
   3° composer un jury d'examen, où il est satisfait aux conditions suivantes :
   a) [2 le jury d'examen est composé d'au moins deux spécialistes dans les matières enseignées et est présidé par un]2 est master en sciences de l'ingénieur, master en bioingénieur, master en sciences industrielles, bachelor en électromécanique avec orientation climatisation en dernière année ou une personne ayant au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur frigorifique;
   b) au moins un membre du jury d'examen dispose d'un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6°.]1

  
Art. 24/2. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
   1° de cursussen en de examens organiseren, waarvan het programma minstens beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° over in de materie onderlegde docenten beschikken die de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten, of die meer dan vijf jaar ervaring hebben in het lesdomein in kwestie;
   3° over een opvolgingscommissie beschikken die de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen bewaakt.]1

  
Art. 24/2. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visés à l'article 6, 4°, g) :
   1° organiser les cours et les examens, dont le programme répond au moins aux conditions, visées à l'annexe 17, jointe au présent arrêté;
   2° disposer de chargés de cours instruits en la matière, titulaires du grade de masterou d'un grade y assimilé, ou ayant plus de cinq années d'expérience dans la matière en question;
   3° disposer d'une commission de suivi veillant à l'organisation et au contenu du programme des cours.]1

  
Art. 24/3. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h) :
   1° beschikken over degelijke procedures om het examen in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV, vermeld in artikel 43/6, § 1, en het actualisatie-examen, vermeld in artikel 43/6, § 2, te organiseren;
   2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen, bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering, of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over koeltechniek;
   b) minstens drie juryleden, respectievelijk twee juryleden, beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, in geval van een examen van categorie I, II of III, respectievelijk categorie IV of actualisatie-examen. Het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
   c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het opleidingscentrum en actief in de koelsector. Deze voorwaarde is niet van toepassing in geval van een actualisatie-examen.]1

  
Art. 24/3. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude en technique du froid de la catégorie I, II, III ou IV et pour l'examen de mise à jour, tels que visés à l'article 6, 4°, h) :
   1° disposer de procédures efficaces pour organiser l'examen en technique du froid de la catégorie I, II, III ou IV, visé à l'article 43/6, § 1er, et l'examen de mise à jour, visé à l'article 43/6, § 2 ;
   2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
   a) le président du jury d'examen est diplômé 'master in de ingenieurswetenschappen', 'master in de bio-ingenieurswetenschappen', 'master in de industriële wetenschappen', 'bachelor in de elektromechanica met afstudeerrichting klimatisering' ou a au moins trois ans d'expérience démontrable en matière d'organisation d'examens sur la technique frigorifique ;
   b) d'au moins trois membres du jury, respectivement, deux membres du jury possèdent une reconnaissance en tant que technicien frigoriste visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7°, en cas de concours de catégorie I, II ou III ou catégorie IV actualisatie-examen respectivement. Le certificat d'aptitude en matière de combustibles gazeux a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury ;
   c) au moins un des membres du jury d'examen est externe au centre d'examen et est actif dans le secteur frigorifique. Cette condition ne s'applique pas dans le cas d'une actualisatie-examen.]1

  
Art. 24/4. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i) :
   1° beschikken over degelijke procedures om het examen, vermeld in artikel 43/7, § 1, te organiseren;
   2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over brandbeveiligingsapparatuur;
   b) minstens twee leden van de examenjury zijn specialisten in de materie over brandbeveiligingsapparatuur;
   c) minstens een van de leden van de examenjury is extern aan het opleidingscentrum en actief in de brandbeveiligingsapparatuursector.]1

  
Art. 24/4. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
   1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation de la formation et des examens, visés à l'article 7, § 1er;
   2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
   a) le président du jury d'examen est diplômé 'master in de ingenieurswetenschappen', 'master in de bio-ingenieurswetenschappen', 'master in de industriële wetenschappen', ou a au moins trois ans d'expérience démontrable en matière d'organisation d'examens sur les systèmes de protection contre l'incendie;
   b) au moins deux membres du examenjury sont des spécialistes en la matière sur les équipements de protection contre l'incendie;
   c) au moins un des membres du jury d'examen est externe au centre d'examen et est actif dans le secteur frigorifique.]1

  
Art. 24/5. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j) :
   1° beschikken over degelijke procedures om het examen, vermeld in artikel 43/8, § 1, te organiseren;
   2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de jury bestaat uit minstens twee personen van wie een wordt aangewezen als voorzitter;
   b) de juryleden voldoen ten minste aan een van de volgende voorwaarden :
   1) in het bezit zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
   2) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
   3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
   c) de persoon die de jury bijstaat tijdens het praktijkgedeelte van het examen, heeft praktijkervaring met de toestellen waarop het examen plaatsvindt.]1

  
Art. 24/5. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
   1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation de la formation et des examens, visés à l'article 8, § 1er;
   2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
   a) le jury est composé d'au moins deux personnes, dont une est désignée comme président;
   b) à cet effet, les membres du jury doivent remplir au moins l'une des conditions suivantes :
   1) in het bezit zijn van een diploma van master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
   2) disposer d'au moins trois ans d'expérience justifiable en examens en une ou plusieurs aptitudes ou connaissances telles que visées à l'annexe du Règlement de la Commission;
   3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2066;
   c) la personne qui assiste le jury pendant la partie pratique de l'examen a une expérience pratique avec les appareils utilisés lors de l'examen.]1

  
Art. 24/6. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k) :
   1° beschikken over degelijke procedures om [2 ...]2 het examen, vermeld in artikel 43/9, § 1, te organiseren;
   2° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) de voorzitter van de examenjury is master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen, master in de industriële wetenschappen of een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens met betrekking tot de terugwinning van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
   b) minstens twee leden van de examenjury zijn specialisten in de materie over het terugwinnen van bepaalde oplosmiddelen op basis van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uit apparatuur.]1

  
Art. 24/6. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage, visé à l'article 6, 4°, d) :
   1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation [2 ...]2 des examens, visés à l'article 43, § 1er;
   2° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
   a) le président du jury d'examen est titulaire d'un master ingénieur, d'un master en sciences bio-ingénieur, d'un master en sciences industrielles ou est une personne ayant au moins trois ans d'expérience démontrable en tant qu'examinateur en matière de récupération de certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   b) au moins deux membres du jury d'examen sont spécialistes en matière de récupération de certains solvants à base de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone contenus dans des équipements.]1

  
Art. 24/7. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid [2 en bijscholing]2 voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l) :
   1° beschikken over degelijke procedures om [2 de opleiding en het bijhorende examen, de bijscholing en het bijscholingsexamen of het bijscholingsexamen]2, vermeld in artikel 43/10, § 1, te organiseren;
   2° het personeel dat belast wordt met het theoretische en praktische onderricht, beschikt over een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 11°, en staat onder leiding van een persoon die in het bezit is van een bachelor in de autotechnologie, een master in de ingenieurswetenschappen, een master in de industriële wetenschappen of een master in de bio-ingenieurswetenschappen, of van een persoon met minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het geven van opleidingen in die materie. Het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar het personeelslid onderricht geeft;
   3° een examenjury samenstellen, waarbij aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :
   a) er is altijd minstens één jurylid aanwezig per vier cursisten die het praktisch onderdeel van het examen gelijktijdig afleggen;
   b) er wordt altijd een jurylid aangewezen als voorzitter;
   c) de juryleden voldoen ten minste aan een van de volgende voorwaarden :
   1) in het bezit zijn van een bachelor in de autotechnologie, master in de ingenieurswetenschappen, master in de bio-ingenieurswetenschappen of master in de industriële wetenschappen;
   2) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in het afnemen van examens over een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008;
   3) beschikken over minstens drie jaar aantoonbare ervaring in een of meer vaardigheden of onderwerpen als vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008;
   d) minstens de helft van de juryleden beschikt over een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 11°. Het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen werd behaald in een ander opleidingscentrum dan waar ze jureren;
   e) minstens één jurylid heeft praktijkervaring met de toestellen die worden gebruikt bij het examen.]1

  
Art. 24/7. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude [2 ]2 en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, visés à l'article 6, 4°, l) :
   1° disposer de procédures appropriées en vue de l'organisation de [2 la formation et de l'examen y afférent, du perfectionnement et de l'examen de perfectionnement ou de l'examen de perfectionnement]2, visés à l'article 43/0, § 1er ;
   2° le personnel chargé de l'enseignement théorique et pratique dispose d'un agrément en tant que technicien en systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 11° et agit sous la direction d'une personne qui est titulaire d'un baccalauréat en technologie automobile, d'un master ingénieur, d'un master en sciences industrielles ou d'un master en sciences bio-ingénieur, ou d'une personne ayant au moins trois ans d'expérience démontrable en ce qui concerne les cours donnés en cette matière. Le certificat d'aptitude en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où le membre du personnel enseigne ;
   3° composer un jury d'examen répondant aux conditions suivantes :
   a) au moins un membre du jury est toujours présent par quatre cursistes présentant la partie pratique de l'examen en même temps ;
   b) un membre du jury est toujours désigné comme président ;
   c) les membres du jury répondent au minimum à une des conditions suivantes :
   1) être bachelier en technologie automobile, master ingénieur, master en sciences bio-ingénieur ou en sciences industrielles ;
   2) disposer d'au moins trois ans d'expérience démontrable en tant qu'examinateur en matière d'une ou de plusieurs aptitudes ou matières, telles que visées à l'annexe au règlement n° 307/2008 ;
   3) disposer d'au moins trois ans d'expérience démontrable dans une ou plusieurs aptitudes ou matières, telles que visées à l'annexe au règlement n° 307/2008 ;
   d) au moins la moitié des membres du jury dispose d'un agrément comme technicien en systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 11°. Le certificat d'aptitude en matière de systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur a été obtenu dans un autre centre de formation que celui où ils sont membres du jury ;
   e) au moins un membre du jury a de l'expérience pratique en ce qui concerne les appareils utilisés lors de l'examen.]1

  
Onderafdeling 5. - Erkenningsvoorwaarden voor laboratoria
Sous-section 5. - Conditions d'agrément pour laboratoires
Art.25. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5° :
   1° voor de aangevraagde pakketten over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest beschikken, gegeven op basis van de evaluatie van beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen die door een referentielaboratorium ter beschikking gesteld zijn en die door de aanvrager uitgevoerd zijn, of op basis van de evaluatie van een technische proef. De beproevingen, monsternemingen, metingen en analyses op typemonsters van referentiestalen of reële stalen of de technische proef zijn uitgevoerd volgens de methoden, vermeld in artikel 45. Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld :
   a) in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd. Alleen de resultaten van ringtesten die georganiseerd zijn conform de voorwaarden, vermeld in bijlage 10/1, die bij dit besluit is gevoegd, komen in aanmerking voor evaluatie;
   b) in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het laboratorium de erkenning aanvraagt, over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikken voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Als het laboratorium over een ISO/IEC 17025-accreditatie beschikt voor een parameter waarvoor het al een erkenning heeft verkregen en die deel uitmaakt van dezelfde discipline als de parameter waarvoor het de erkenning aanvraagt, wordt deze erkenningsvoorwaarde als vervuld beschouwd;
   3° voor de overige parameters die het voorwerp uitmaken van de erkenningsaanvraag, beschikken over :
   a) hetzij een ISO/IEC 17025-accreditatie voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45;
   b) hetzij een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45.
   In de volgende gevallen is het laboratorium vrijgesteld van de erkenningsvoorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2° en 3°, a), op voorwaarde dat het beschikt over een gunstige beoordeling van het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest over de toepassing van ISO/IEC 17025 voor de te volgen methoden, vermeld in artikel 45 :
   1° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), dat alleen erkend wil worden voor het pakket W.1, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend wil worden voor het pakket [3 L.11.1, L.11.2, L.11.3 of L.18]3, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
   3° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), dat alleen erkend wil worden voor het pakket M-M1 [2 , M-M3, M-M5 of M-M6]2, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
   4° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), dat alleen erkend wil worden voor het pakket MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 of MA.7.2, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd.
   De gunstige beoordeling, vermeld in het eerste lid, 1°, en 3°, b), en het tweede lid, mag niet ouder zijn dan één jaar, voorafgaand aan de datum van de indiening van de volledige erkenningsaanvraag.
   Een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f), kan maximaal 10 % van de parameters van een pakket uitbesteden aan andere laboratoria, op voorwaarde dat het pakket tien of meer parameters bevat. De laboratoria waaraan de parameters worden uitbesteed, moeten erkend zijn voor de analyse van de desbetreffende parameters en moeten de analyses zelf uitvoeren.]1

  
Art.25. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5° :
   1° disposer, pour les paquets demandés, d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande, rendue sur la base de l'évaluation d'essais, d'échantillonnages, de mesures et d'analyses sur des échantillons type d'échantillons de référence ou sur la base d'échantillons réels qui ont été mis à disposition par un laboratoire de référence et qui ont été exécutés par le demandeur, ou sur la base de l'évaluation d'un essai technique. Les échantillonnages, essais, mesures et analyses sur des échantillons type d'échantillons de référence ou sur des échantillons réels ou sur la base de l'essai technique sont effectués conformément aux méthodes visées à l'article 45. Une partie d'un paquet ou un paquet complet est évalué :
   a) en cas d'une épreuve de l'anneau sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 1er, jointe au présent arrêté. Seuls les résultats d'épreuves de l'anneau organisées conformément aux conditions, visées à l'annexe 10/1, jointe au présent arrêté, sont éligibles à l'évaluation ;
   b) en cas d'une épreuve technique sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 2, jointe au présent arrêté ;
   2° disposer, pour au moins un paramètre par discipline pour laquelle le laboratoire demande l'agrément, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Lorsque le laboratoire dispose d'une accréditation ISO/IEC 17025 pour un paramètre pour lequel il a déjà obtenu un agrément et qui fait partie de la même discipline que celle du paramètre pour lequel il demande l'agrément, cette condition d'agrément est considérée comme étant remplie ;
   3° disposer, pour les autres paramètres faisant l'objet de la demande d'agrément :
   a) soit d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45 ;
   b) soit d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application d'ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visée à l'article 45.
   Dans les cas suivants, le laboratoire est exempté de la condition d'agrément, visé au premier alinéa, 2° et 3°, a) pour autant qu'il dispose d'une évaluation favorable du laboratoire de référence de la Région flamande en ce qui concerne l'application de la norme ISO/IEC 17025 pour les méthodes à suivre, visées à l'article 45 :
   1° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, a), qui souhaite n'être agréé que pour le paquet W.1, visé à l'annexe 3, 1° du présent arrêté ;
   2° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, b), qui ne souhaite être agréé que pour le paquet [3 L.11.1, L.11.2, L.11.3 ou L.18]3, visés à l'annexe 3, 2°, du présent arrêté ;
   3° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, d), qui souhaite n'être agréé que pour le paquet M-M1 [2 , M-M3, M-M5 ou M-M6]2, visés à l'annexe 3, 4°, du présent arrêté ;
   4° un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, e), qui souhaite n'être agréé que pour le paquet MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5 MA.6, MA.7.1 ou MA.7.2, visés à l'annexe 3, 5° du présent arrêté.
   L'évaluation favorable, visée à l'alinéa premier, 1° et 3°, b), et à l'alinéa deux ne peut pas remonter à plus d'un an, précédant la date d'introduction de la demande complète d'agrément.
   Un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f), peut sous-traiter au maximum 10 % des paramètres d'un paquet à d'autres laboratoires, à condition que le paquet comprend dix paramètres ou plus. Les laboratoires auxquels les paramètres sont sous-traitées, doivent être agréés pour l'analyse des paramètres concernés et doivent exécuter les analyses eux-mêmes.]1

  
Onderafdeling 6. [1 - Erkenningsvoorwaarden voor bodemsaneringsdeskundigen]1
Sous-section 6. [1 - Conditions d'agrément pour experts en assainissement du sol]1
Art. 25/1. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 1 als vermeld in artikel 6, 6° :
   1° beschikken over :
   a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt;
   b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   2° beschikken over :
   a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen;
   b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   3° beschikken over minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   4° beschikken over een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.]1

  [2 5° beschikken over een kwaliteitsverantwoordelijke met minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar voorafgaand aan de aanvraag, die bij de bodemsaneringsdeskundige de taken, vermeld in artikel 53/3, § 1, 8°, uitvoert.]2
  
Art. 25/1. [1 Les conditions particulières d'agrément suivantes s'appliquent à un expert en assainissement du sol du type 1 tel que visé à l'article 6, 6° :
   1° disposer de :
   a) soit au moins le grade de master ou d'un diplôme équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de chimie fait partie du cursus ;
   b) soit au moins le grade de bachelier ou d'un grade équivalent dans une formation similaire et d'au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise au cours des dix années précédant sa demande d'agrément ;
   2° disposer de :
   a) soit au moins le grade de master ou d'un diplôme équivalent dans une formation dans laquelle les disciplines de géologie et de pédologie font partie du cursus ;
   b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
   3° disposer d'au moins trois ans d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinent pour la recherche en matière de la pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément ;
   4° disposer d'un certificat d'une formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté.]1

  [2 5° disposer d'un responsable de la qualité ayant au moins trois ans d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinent pour la recherche en matière de la pollution du sol, acquise dans un délai de six ans précédant la demande, qui exécute les tâches visées à l'article 53/3, § 1er, 8°, auprès de l'expert en assainissement du sol. ]2
  
Art. 25/2. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bodemsaneringsdeskundige van type 2 als vermeld in artikel 6, 6° :
   1° beschikken over :
   a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline biologie aan bod komt;
   b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   2° beschikken over :
   a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline microbiologie aan bod komt;
   b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   3° beschikken over :
   a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de discipline scheikunde aan bod komt;
   b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   4° beschikken over :
   a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines geologie en bodemkunde aan bod komen;
   b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar praktische ervaring hebben in het uitvoeren van bodemonderzoeken en bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   5° beschikken over :
   a) ofwel minstens de graad van master of een daarmee gelijkgeschakelde graad in een opleiding waarin de disciplines bouwkunde en grondmechanica aan bod komen;
   b) ofwel minstens de graad van bachelor of een daarmee gelijkgestelde graad in een dergelijke opleiding en minstens zes jaar ervaring hebben in het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   6° beschikken over minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is zowel voor het uitvoeren van bodemonderzoeken als voor het onderzoek inzake risico's van bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   7° beschikken over minstens vijf jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het leiden van de bodemsanering, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   8° beschikken over minstens vijf jaar praktische ervaring in werfopvolging, verworven binnen tien jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   9° beschikken over een getuigschrift van aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2, dat door een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, g), is uitgereikt met toepassing van de bepalingen van bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd;
   10° beschikken over minstens één natuurlijk persoon die met gunstig gevolg een opleiding heeft genoten waarin minstens de volgende onderwerpen aan bod zijn gekomen : de Vlaamse reglementeringen inzake de [2 omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit]2, het grondwaterbeheer en de stedenbouw en ruimtelijke ordening;
   11° beschikken over minstens één natuurlijk persoon of minstens één natuurlijk persoon contractueel ter beschikking hebben met de nodige ervaring om een mathematisch grondwatermodel te hanteren en de resultaten ervan correct te interpreteren.]1

  [3 12° beschikken over een kwaliteitsverantwoordelijke met minstens drie jaar praktische ervaring in een milieusector die relevant is voor het onderzoek inzake bodemverontreiniging, verworven binnen zes jaar voorafgaand aan de aanvraag, die bij de bodemsaneringsdeskundige de taken, vermeld in artikel 53/3, § 1, 8°, uitvoert. ]3
  
Art. 25/2. [1 Les conditions particulières d'agrément suivantes s'appliquent à un expert en assainissement du sol du type 2, tel que visé à l'article 6, 6° :
   1° disposer de :
   a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de la biologie fait partie du cursus ;
   b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
   2° disposer de :
   a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de la microbiologie fait partie du cursus ;
   b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
   3° disposer de :
   a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle la discipline de la chimie fait partie du cursus ;
   b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol et de l'assainissement du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
   4° disposer de :
   a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle les disciplines de la géologie et de la pédologie font partie du cursus ;
   b) soit au moins le grade de bachelier ou un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience pratique dans la réalisation d'études du sol et de l'assainissement du sol, acquise endéans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
   5° disposer de :
   a) soit au moins le grade de master ou d'un grade équivalent dans une formation dans laquelle les disciplines de la construction et de la mécanique des sols font partie du cursus ;
   b) soit au moins le grade de bachelier ou d'un grade équivalent dans une formation similaire et avoir au moins six ans d'expérience dans la direction de l'assainissement du sol, acquise au cours des dix années précédant la demande d'agrément ;
   6° disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans un secteur environnemental pertinent tant pour l'exécution d'études du sol que pour la recherche en matière de risques de pollution du sol, acquise dans un délai de six ans, précédant la demande d'agrément ;
   7° disposer d'au moins cinq années d'expérience pratique dans un secteur de l'environnement pertinent pour la direction de l'assainissement du sol, acquise dans un délai de dix ans, précédant la demande d'agrément ;
   8° disposer d'au moins cinq ans d'expérience pratique dans le suivi de chantiers, acquise dans les dix ans précédant la demande d'agrément ;
   9° disposer d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 2, délivré par un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, g), en application des dispositions de l'annexe 17, jointe au présent arrêté ;
   10° disposer d'au moins une personne physique qui a réussi une formation dans laquelle au moins les matières suivantes ont été abordées : les règlements flamands en matière de [2 ]2
, la gestion des eaux souterraines et l'urbanisme et l'aménagement du territoire ;
   11° disposer d'au moins une personne physique ou avoir au moins une personne physique sous contrat ayant l'expérience nécessaire pour utiliser un modèle mathématique des eaux souterraines et pour en interpréter les résultats correctement.]1
  [3 12° disposer d'un responsable de la qualité ayant au moins trois ans d'expérience pratique dans un secteur environnemental qui est pertinent pour la recherche en matière de la pollution du sol, acquise dans un délai de six ans précédant la demande, qui exécute les tâches visées à l'article 53/3, § 1er, 8°, auprès de l'expert en assainissement du sol. ]3
  
Onderafdeling 7. [1 - Erkenningsvoorwaarden voor bedrijven]1
Sous-section 7. [1 - Conditions d'agrément pour entreprises]1
Art. 25/3. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarde geldt voor een boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a) :
   1° voor elk operationeel boortoestel voor het uitvoeren van de werken in het kader van de gewenste erkenning een natuurlijke persoon in dienst hebben die aan minstens een van de volgende voorwaarden voldoet :
   a) over minstens drie jaar praktische ervaring beschikken in het uitvoeren van werken in het kader van de gewenste erkenning, verworven binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag;
   b) over een attest beschikken dat een algemene opleiding als vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg werd gevolgd binnen vijf jaar, voorafgaand aan de erkenningsaanvraag.]1

  
Art. 25/3. [1 es conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à une entreprise de forage, telle que visée à l'article 6, 7°, a) :
   1° employer, pour chaque appareil de forage pour l'exécution des travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, une personne physique qui répond au moins à une des conditions suivantes :
   a) disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément souhaité, acquise dans un délai de cinq ans, précédant la demande d'agrément ;
   b) disposer d'une attestation de réussite à une formation générale telle que visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, qui a été suivie dans un délai de cinq ans précédant la demande d'agrément.]1

  
Art. 25/4. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b) :
   1° minstens één erkende koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, in dienst hebben;
   2° voldoende erkende koeltechnici als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, in dienst hebben om het verwachte activiteitenvolume te halen;
   3° het bewijs leveren dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor de erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7° ;
   4° met goed gevolg gekeurd zijn door een erkende keuringsinstelling als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 14°, waarbij de voorwaarden, vermeld in punt 1° tot en met 3°, nagegaan worden.]1

  
Art. 25/4. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à une entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 6, 7°, b) :
   1° employer au moins un technicien en froid agréé, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7° ;
   2° employer suffisamment de techniciens en froid, tels que visés à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7°, afin d'atteindre le volume d'activité escompté ;
   3° fournir la preuve que les instruments et procédures nécessaires sont disponibilités pour le technicien frigoriste agréé, visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7° ;
   4° avoir été contrôlé avec succès par un organisme de contrôle agréé, tel que visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 14°, lors duquel contrôle les conditions visées aux points 1° à 3° sont évalués.]1

  
Art. 25/5. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarden gelden voor een bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c) :
   1° minstens één erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8°, in dienst hebben;
   2° voldoende erkende technici voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8°, in dienst hebben om het verwachte activiteitenvolume te halen;
   3° het bewijs leveren dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor de erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8°.]1

  
Art. 25/5. [1 Les conditions particulières d'agrément citées ci-après s'appliquent à une entreprise pour appareils de protection contre les incendies, telle que visée à l'article 6, 7°, c) :
   1° employer au moins un technicien agréé pour équipements de protection contre l 'incendie, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 8° ;
   2° employer suffisamment de techniciens agréés en équipements de protection contre l 'incendie, tels que visés à l'article 32, § 2, alinéa premier, 8°, pour atteindre le volume d'activité escompté ;
   3° fournir la preuve que les instruments et procédures nécessaires sont disponibles pour le technicien agréé en systèmes de protection contre les incendies, visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 8°.]1

  
Onderafdeling 8. [1 - Erkenningsvoorwaarden voor keuringsinstellingen]1
Sous-section 8. [1 - Conditions d'agrément pour organismes de contrôle]1
Art. 25/6. [1 De hierna vermelde bijzondere erkenningsvoorwaarde geldt voor een keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8° :
   1° ofwel geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, ofwel geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 en een bewijs leveren dat een aanvraag voor de accreditatie als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem.]1

  
Art. 25/6. [1 Les conditions particulières d'agrément visées ci-après s'appliquent à un organisme de contrôle, tel que visé à l'article 6, 8° :
   1° être accrédité comme organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 pour le contrôle visé à l'article 25/4, 4°, ou être accrédité comme organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 et fournir une preuve qu'une demande d'accréditation comme organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 a été acceptée par le système d'accréditation BELAC ou par un système d'accréditation équivalent pour le contrôle visé à l'article 25/4, 4°.]1

  
HOOFDSTUK 5. - Aanvraag, behandeling, beslissing en bekendmaking
CHAPITRE 5. - Demande, traitement, décision et publication
Afdeling 1. - Algemene bepalingen aanvraag, behandeling, beslissing en bekendmaking
Section 1re. - Dispositions générales relatives à la demande, au traitement, à la décision et à la publication
Art.26. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op erkenningen van rechtswege.
Art.26. Le présent chapitre ne s'applique pas aux agréments d'office.
Afdeling 2. - De aanvraag
Section 2. - La demande
Art.27. § 1. De aanvraag tot erkenning wordt aangetekend, tegen afgifte van ontvangstbewijs of elektronisch via het één-loket ingediend bij de [1 bevoegde]1 afdeling.
  § 2. [1 De aanvraag bevat minstens :
   1° het aanvraagformulier, waarvan het model wordt vastgesteld door de bevoegde afdeling, dat minstens de volgende gegevens omvat :
   a) [2 de identificatiegegevens van de aanvrager, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd;]2
   b) een omschrijving van het voorwerp van de erkenning die wordt aangevraagd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, a), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 1°, c) en d), wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de deeldomeinen, vermeld in de respectieve artikels. Als een erkenning als vermeld in artikel 6, 5°, wordt aangevraagd, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van de pakketten, vermeld in bijlage 3, die bij dit besluit is gevoegd, en, in voorkomend geval, op basis van een of meer van de deeldomeinen, vermeld in artikel 6, 5°, a). Als een erkenning als vermeld [2 in artikel 6, 7°, a), wordt aangevraagd]2, wordt het voorwerp van de aanvraag gespecificeerd op basis van een of meer van de disciplines, vermeld in [2 artikel 6, 7°, a)]2 ;
   c) de gegevens en verklaringen die bewijzen dat voldaan is aan de van toepassing zijnde erkenningsvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 4;
   2° een ondertekende verklaring van de aanvrager dat alle gegevens naar waarheid zijn ingevuld;
   3° in voorkomend geval, een kopie van de diploma's en getuigschriften, alsook de andere bewijsstukken, vermeld in de erkenningsvoorwaarden;
   4° in voorkomend geval, als een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), geen volledig pakket ontleedt en gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in [2 artikel 25, vierde lid]2 : alle schriftelijke overeenkomsten met erkende laboratoria waaraan parameters worden uitbesteed met vermelding van welke parameters worden uitbesteed;
   5° in voorkomend geval, het bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 1.]1

  
Art.27. § 1er. La demande d'agrément est [1 introduite auprès de la division compétente]1 par lettre recommandée ou remise contre récépissé ou par voie électronique via le guichet unique.
  § 2. [1 La demande comprend au moins :
   1° le formulaire de demande, dont le modèle est fixé par la division compétente, comprenant au moins les données suivantes :
   a) [2 les données d'identification du demandeur, visé à l'annexe 19, jointe au présent arrêté ;]2
   b) une description de l'objet de l'agrément demandé. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 1°, a), est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des sous-domaines, visés à l'annexe 4, jointe au présent arrêté. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 1°, c) et d), est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des sous-domaines, visés aux articles respectifs. Lorsqu'un agrément, tel que visé à l'article 6, 5°, est demandé, l'objet de la demande est spécifié sur la base des paquets, visés à l'annexe 3, jointe au présent arrêté, et, le cas échéant, sur la base d'un ou de plusieurs des sous-domaines, visés à l'article 6, 5°, a). Lorsqu'un agrément, tel que visé [2 à l'article 6, 7°, a), est demandé]2, l'objet de la demande est spécifié sur la base d'un ou de plusieurs des disciplines, visées [2 à l'article 6, 7°, a)]2 ;
   c) les données et déclarations qui prouvent qu'il a été satisfait aux conditions d'agrément applicables, visées au chapitre 4;
   2° une déclaration signée du demandeur attestant la véridicité de toutes les données remplies;
   3° le cas échéant, une copie des diplômes et des certificats, ainsi que des autres pièces justificatives, visés aux conditions d'agrément;
   4° le cas échéant, lorsqu'un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), n'analyse pas un paquet complet et utilise la possibilité, visée à [2 l'article 25, alinéa quatre]2 : tous les accords écrits avec des laboratoires agréés auxquels des paramètres sont sous-traités mentionnant quels paramètres sont sous-traités;
   5° le cas échéant, la preuve de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 1er.]1

  
Afdeling 3. - Behandeling van de aanvraag
Section 3. - Traitement de la demande
Art.28. § 1. [1 De bevoegde afdeling]1 of het één-loket, als de aanvraag elektronisch wordt ingediend, stuurt een ontvangstbevestiging naar de aanvrager binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de indiening van de [12 aanvankelijke]12 aanvraag. De ontvangstbevestiging bevat :
  1° de datum waarop de aanvraag is ontvangen;
  2° [12 voor de aanvragen tot erkenning als MER-deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, d), van dit besluit, wordt voor de volgende disciplines een advies gevraagd aan:
   a) mens, deeldomeinen:
   1) gezondheid: het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg;
   2) mobiliteit: de afdeling Beleid, Mobiliteit en Verkeersveiligheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken, vermeld in artikel 28, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
   3) ruimtelijke aspecten: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het gebied van ruimtelijke ordening;
   b) biodiversiteit: het Agentschap voor Natuur en Bos, vermeld in artikel 29, § 1, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie;
   c) bodem: deeldomeinen:
   1) pedologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van bodembescherming, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   2) geologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van natuurlijke rijkdommen, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   d) water, deeldomeinen:
   1) geohydrologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van natuurlijke rijkdommen, de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van grondwaterhydrologie, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   2) oppervlakte- en afvalwater: de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van oppervlaktewaterbeheer, en de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van oppervlaktewaterverontreiniging;
   3) mariene waters: de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van oppervlaktewaterverontreiniging;
   e) lucht, deeldomeinen:
   1) geur: de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging;
   2) luchtverontreiniging: de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging;
   f) geluid en trillingen: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van geluidshinder;
   g) klimaat: de personeelsleden van het Vlaams Energie- en Klimaatagentschap, vermeld in artikel 29, § 1, 3° van het besluit van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005 met betrekking tot de organisatie van de Vlaamse administratie, die deskundig zijn op het vlak van klimaat;
   h) landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie: het agentschap Onroerend Erfgoed]12
;
  3° de termijn waarbinnen de beslissing genomen moet worden;
  4° in voorkomend geval, de vermelding dat de termijn, vermeld in 3°, pas begint te lopen op het moment dat alle ontbrekende documenten zijn ingediend;
  5° de vermelding van de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te respecteren formaliteiten en termijnen.
  [3 Een aanvraag die onvolledig bevonden wordt en waaraan door de aanvrager binnen een termijn van negentig dagen, te rekenen vanaf de dag na de indiening van de aanvraag, geen gegevens of documenten worden toegevoegd opdat de aanvraag volledig zou zijn, wordt definitief onvolledig geacht. De bevoegde afdeling brengt de aanvrager daarvan op de hoogte.]3
  § 2. [5 De bevoegde afdeling onderzoekt de aanvraag tot erkenning. De bevoegde afdeling vraagt advies aan de volgende overheidsorganen:
   1° voor de aanvragen tot erkenning als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c): aan de personeelsleden van [9 de Vlaamse Milieumaatschappij]9 die deskundig zijn op het vlak van geluidshinder en aan de personeelsleden van [9 de Vlaamse Milieumaatschappij]9 die deskundig zijn op het vlak van milieueffectrapportage;
   2° voor de aanvragen tot erkenning als MER-deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, d): aan de personeelsleden van [9 de Vlaamse Milieumaatschappij]9 die deskundig zijn op het vlak van milieueffectrapportage.
   Voor de volgende disciplines wordt een aanvullend advies gevraagd aan:
   a) mens, deeldomeinen:
   1) [7 gezondheid]7 : [11 het Departement Zorg, vermeld in artikel 2, eerste lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2023 over het Departement Zorg]11;
   2) [7 ...]7
   3) mobiliteit: de afdeling Beleid, Mobiliteit en Verkeersveiligheid van het Departement Mobiliteit en Openbare Werken;
   4) ruimtelijke aspecten: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het gebied van ruimtelijke ordening;
   b) [6 biodiversiteit]6 : het Agentschap voor Natuur en Bos;
   c) bodem: deeldomeinen:
   1) pedologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van bodembescherming, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   2) geologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van natuurlijke rijkdommen, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   d) [10 water, deeldomeinen:
   1) geohydrologie: de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van natuurlijke rijkdommen, de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van grondwaterhydrologie, en aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   2) oppervlakte- en afvalwater: de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van oppervlaktewaterbeheer, en de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van oppervlaktewaterverontreiniging;
   3) mariene waters: de personeelsleden van de VMM die deskundig zijn op het vlak van oppervlaktewaterverontreiniging;]10

   e) lucht, deeldomeinen:
   1) geur: de personeelsleden van [9 de Vlaamse Milieumaatschappij]9 die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging;
   2) luchtverontreiniging: de personeelsleden van [9 de Vlaamse Milieumaatschappij]9 die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging [9 ...]9;
   f) [7 ...]7
   g) geluid en trillingen: de personeelsleden van [9 de Vlaamse Milieumaatschappij]9 die deskundig zijn op het vlak van geluidshinder;
   h) klimaat: de personeelsleden van [9 de Vlaamse Milieumaatschappij]9 die deskundig zijn op het vlak van luchtverontreiniging;
   i) landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie: het agentschap Onroerend Erfgoed;
   3°[12 ...]12
   4° voor de aanvragen tot erkenning als laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c): aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van bodembescherming;
   5° voor de aanvragen tot erkenning als boorbedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, a), voor de disciplines, vermeld in artikel 6, 7°, a), 3) tot en met 5): aan de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van de natuurlijke rijkdommen.
  [8 6° voor de aanvragen tot erkenning als MER-coördinator als vermeld in artikel 6, 1°, g): de personeelsleden van het departement die deskundig zijn op het vlak van milieueffectrapportage.]8
   De bevoegde afdeling vraagt voor de aanvragen tot erkenning als opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), advies aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt als het opleidingscentrum zich daarmee akkoord heeft verklaard in zijn erkenningsaanvraag. Die instantie keurt dan, samen met de bevoegde afdeling, de opleidingscentra voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4°, l), in het Vlaamse Gewest.
   De leidend ambtenaar van het departement wijst de personeelsleden, vermeld in het eerste lid, aan.]5

  § 3. Als het advies, vermeld in paragraaf 2, niet wordt verleend binnen een termijn van dertig dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van het verzenden van het verzoek om advies, wordt het advies geacht gunstig te zijn.
  § 4. [2 De bevoegde afdeling]2 kan aanvullende adviezen of inlichtingen van andere overheden en organisaties inwinnen als ze dat nodig acht.
  § 5. Als de aanvrager vraagt om gehoord te worden of [2 de bevoegde afdeling]2 het nuttig acht, organiseert [2 de bevoegde afdeling]2 een hoorzitting waarop de aanvrager wordt uitgenodigd.
  § 6. [3 Voor de aanvraag tot erkenning als vermeld in [8 artikel 6, 1°, a) tot en met e) en g),]8 3°, a), 4°, a) tot en met f) en h) tot en met l), 5°, a) tot en met d), en 7°, a) en c), geeft de bevoegde afdeling een gemotiveerd eindadvies en maakt ze een voorstel van beslissing.]3
  
Art.28. § 1er. [2 La division compétente]2 ou le guichet unique, au cas où la demande serait introduite par voie électronique, envoie un accusé de réception au demandeur dans un délai de trente jours, à compter du jour suivant la date de l'introduction de la demande. L'accusé de réception comprend :
  1° la date à laquelle la demande a été reçue;
  2° le cas échéant, les données et documents que le demandeur doit ajouter au dossier pour qu'il soit complet;
  3° le délai endéans lequel la décision doit être prise;
  4° le cas échéant, la mention que le délai, visé au 3°, ne prend cours qu'au moment où tous les documents manquants ont été rentrés;
  5° la mention des moyens de droit disponibles, des instances compétentes qui en prennent connaissance de même que des formalités et délais à respecter.
  [3 Une demande qui est jugée incomplète et auquel le demandeur n'ajoute pas de données ni de documents pour qu'elle soit jugée complète dans un délai de quatre-vingt-dix jours à compter du jour suivant la date d'introduction de la demande [12 initiale ]12, est considérée comme étant incomplète à titre définitif. La division compétente en informe le demandeur.]3
  § 2. [5 La division compétente examine la demande d'agrément. La division compétente sollicite l'avis des organes publics suivants :
   1° [12 ...]12
   2° [12 pour les demandes d'agrément comme expert RIE, tel que visé à l'article 6, 1°, d), du présent arrêté, un avis est demandé pour les disciplines suivantes :
   a) discipline de l'homme, sous-domaines :
   1) santé : au Département Soins (" Departement Zorg "), visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins ;
   2) mobilité : à la division de la Politique, de la Mobilité et de la Sécurité routière du département de la Mobilité et des Travaux publics, visé à l'article 28, § 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
   3) aspects spatiaux : aux membres du personnel du département experts en matière d'aménagement du territoire ;
   b) discipline de la biodiversité : à l'Agence de la Nature et des Forêts (" Agentschap voor Natuur en Bos "), visée à l'article 29, § 1er, 4°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande ;
   c) discipline du sol : sous-domaines :
   1) pédologie : aux membres du personnel du département experts en matière de protection du sol et à la division compétente pour la gestion des sols ;
   2) géologie : aux membres du personnel du département experts en matière de ressources naturelles et à la division compétente pour la gestion des sols ;
   d) discipline de l'eau, sous-domaines :
   1) géohydrologie : aux membres du personnel du département experts en matière de ressources naturelles, aux membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement experts en matière d'hydrologie des eaux souterraines et à la division compétente pour la gestion des sols ;
   2) eaux de surface et eaux usées : aux membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement experts en matière de gestion des eaux de surface et aux membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement experts en matière de pollution des eaux de surface ;
   3) eaux marines : aux membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement experts en matière de pollution des eaux de surface ;
   e) discipline de l'air, sous-domaines :
   1) odeur : aux membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement experts en matière de pollution atmosphérique ;
   2) pollution atmosphérique : aux membres du personnel de la Société flamande de l'Environnement experts en matière de pollution atmosphérique ;
   f) discipline du bruit et des vibrations : aux membres du personnel du département experts en matière de nuisances sonores ;
   g) discipline du climat : aux membres du personnel de l'Agence flamande pour l'Energie et le Climat (" Vlaams Energie- en Klimaatagentschap ") visée à l'article 29, § 1er, 3°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 3 juin 2005 relatif à l'organisation de l'Administration flamande experts en matière de climat ;
   h) discipline du paysage, du patrimoine architectural et de l'archéologie : à l'agence du Patrimoine de Flandre (" Agentschap Onroerend Erfgoed ") ; ]12
.
   Pour les disciplines suivantes, un avis complémentaire est demandé :
   a) discipline de l'homme, sous-domaines :
   1) [7 santé]7 : [11 au Département Soins, visé à l'article 2, alinéa 1er, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 mai 2023 relatif au Département Soins]11 ;
   2) [7 ...]7
   3) mobilité : à la division de la Politique, de la Mobilité et de la Sécurité routière du département de la Mobilité et des Travaux publics ;
   4) aspects spatiaux : aux membres du personnel du département experts en matière d'aménagement du territoire ;
   b) discipline de la [6 biodiversité]6 : à l'Agence de la Nature et des Forêts ;
   c) discipline du sol : sous-domaines :
   1) pédologie : aux membres du personnel du département experts en matière de protection du sol et à la division compétente pour la gestion du sol ;
   2) géologie: aux membres du personnel du département experts en matière de richesses naturelles et à la division compétente pour la gestion du sol ;
   d) [10 discipline de l'eau, sous-domaines :
   1) géohydrologie : aux membres du personnel du département, experts en matière de ressources naturelles, aux membres du personnel de la VMM, experts en matière d'hydrologie des eaux souterraines, et à la division compétente pour la gestion des sols ;
   2) eaux de surface et eaux usées : aux membres du personnel de la VMM, experts en matière de gestion des eaux de surface et aux membres du personnel de la VMM, experts en matière de pollution des eaux de surface ;
   3) eaux marines : aux membres du personnel de la VMM, experts en matière de pollution des eaux de surface ;]10

   e) discipline de l'air, sous-domaines :
   1) odeur : aux membres du personnel [9 de la Société flamande de l'Environnement]9 experts en matière de pollution atmosphérique ;
   2) pollution atmosphérique : aux membres du personnel [9 de la Société flamande de l'Environnement]9 experts en matière de pollution atmosphérique [9 ...]9 ;
   f) [7 ...]7
   g) discipline du bruit et des vibrations : aux membres du personnel du département experts en matière de nuisances sonores ;
   h) discipline du climat : aux membres du personnel [9 de la Société flamande de l'Environnement]9 experts en matière de pollution atmosphérique ;
   i) discipline du paysage, du patrimoine architectural et de l'archéologie : à l'agence du Patrimoine immobilier ;
   3° [12 ...]12
   4° pour les demandes d'agrément comme laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, e) : aux membres du personnel du département experts en matière d'établissement de protection du sol ;
   5° pour les demandes d'agrément comme entreprise de forage, tel que visé à l'article 6, 7°, a), pour les disciplines visées à l'article 6, 7°, a), 3) à 5) : aux membres du personnel du département experts en matière de richesses naturelles.
  [8 6° pour les demandes d'agrément comme coordinateur EIE, tel que visé à l'article 6, 1°, g) : les membres du personnel du département experts en matière d'évaluation des incidences sur l'environnement ;]8
   Pour les demandes d'agrément comme centre de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, visé à l'article 6, 4°, l), la division compétente demande l'avis d'une instance qui soutient la politique de formation sectorielle si le centre de formation y a donné son accord dans sa demande d'agrément. Conjointement avec la division compétente, cette instance contrôle alors les centres de formation pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur visé à l'article 6, 4°, l), en Région flamande.
   Le fonctionnaire dirigeant du département désigne les membres du personnel visés à l'alinéa 1er.]5

  § 3. Lorsque l'avis, visé au paragraphe 2, n'est pas rendu dans un délai de trente jours à compter du jour suivant la date de l'envoi de la sollicitation d'avis, l'avis est présumé favorable.
  § 4. [2 La division compétente]2 peut demander des avis ou renseignements complémentaires d'autres autorités et organisations si elle le juge nécessaire.
  § 5. Lorsque le demandeur demande d'être entendu ou que [2 la division compétente]2 le juge utile, celle-ci organise une audition à laquelle le demandeur est invité.
  § 6. [3 Pour la demande d'un agrément tel que visé [8 à l'article 6, 1°, a) à e) et g),]8 3°, a), 4°, a) à f), et h) à l), 5°, a) à d), et 7°, a) et c), la division compétente rend un avis final motivé et formule une proposition de décision.]3
  
Afdeling 4. - De beslissing
Section 4. - La décision
Art.29. § 1. [1 De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort [2 of zijn afgevaardigde]2, neemt]1 een beslissing tot het volledig of gedeeltelijk weigeren of verlenen van de erkenning binnen een termijn van negentig dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de indiening van het volledige dossier door de aanvrager.
  § 2. [1 De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort [2 of zijn afgevaardigde]2,]1 kan indien noodzakelijk de termijn, vermeld in paragraaf 1, met maximaal dertig dagen verlengen. [1 De bevoegde afdeling]1, als de aanvraag elektronisch werd ingediend het één-loket, brengt de aanvrager op de hoogte van de beslissing tot termijnverlenging voor de normale beslissingstermijn is verstreken.
  § 3. De beslissingstermijnen, [1 vermeld in paragraaf 1 en 2]1, worden voor de toepassing van dit besluit geacht termijnen van orde te zijn.
  § 4. De erkenning wordt verleend voor onbepaalde termijn.
  
Art.29. § 1er. [1 Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente [2 ou son délégué]2 prend une décision]1 quant au refus complet ou partiel ou à l'octroi de l'agrément dans un délai de nonante jours, à compter du jour suivant la date à laquelle le demandeur a rentré le dossier complet.
  § 2. Si nécessaire, [1 le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente]1 [2 ou son délégué]2 peut prolonger le délai visé au § 1er, d'au maximum trente jours. [1 La division compétente]1 ou, lorsque la demande a été rentrée par voie électronique, le guichet unique, notifient la décision quant au prolongement du délai au demandeur avant que le délai normal de décision ne soit échu.
  § 3. Pour l'application du présent arrêté les délais de décision [1 visés aux paragraphes 1er et 2]1 sont présumés êtres des délais d'ordre.
  § 4. L'agrément est octroyé pour une durée indéterminée.
  
Afdeling 5. - Bekendmaking van de beslissing
Section 5 - Publication de la décision
Art.30. De beslissing wordt binnen een termijn van veertien dagen, te rekenen vanaf de dag na de datum van de ondertekening van de beslissing, betekend door [1 de bevoegde afdeling]1 met een aangetekende brief of, als de aanvraag elektronisch werd ingediend, met een elektronisch bericht van het één-loket. [1 Bij de betekening van de beslissing worden ook de beschikbare rechtsmiddelen, de bevoegde instanties die er kennis van nemen, alsook de te respecteren formaliteiten en termijnen vermeld.]1
  
Art.30. [1 La division compétente]1 notifie la décision dans un délai de quatorze jours, à compter du jour suivant la date de signature de la décision, par lettre recommandée ou, au cas où la demande a été introduite par voie électronique, par un avis électronique du guichet unique. [1 Lors de la notification de la décision, les moyens de droit disponibles, les instances compétentes qui en prennent connaissance, ainsi que les formalités à respecter et les délais sont également mentionnés.]1
  
HOOFDSTUK 6. - Gelijkwaardigheid van titels ten aanzien van erkenningen
CHAPITRE 6. - Equivalence de titres à l'égard d'agréments
Art.31. § 1. De aanvraag van gelijkwaardigheid van een niet door de Vlaamse overheid of een door haar erkende organisatie verleende titel met een erkenning als vermeld in artikel 6, wordt ingediend bij [1 de bevoegde afdeling]1. De aanvraag bevat alle bewijsstukken die aantonen dat de titel gelijkwaardig is aan de erkenning, vermeld in artikel 6.
  § 2. [1 De bevoegde afdeling]1 kan in het kader van het onderzoek dat ze voert naar aanleiding van de aanvraag, aanvullende adviezen of inlichtingen van andere overheden en organisaties inwinnen.
  § 3. [1 De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort [2 of zijn afgevaardigde]2, beslist]1 over de volledige of gedeeltelijke gelijkwaardigheid van de titel.
  § 4. De beslissing over de gelijkwaardigheid wordt binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de datum van de ontvangst van de aanvraag, door [1 de bevoegde afdeling]1 meegedeeld aan de aanvrager.
  § 5. De gelijkwaardigheid van een bepaalde titel ten aanzien van een erkenning geldt voor alle andere identieke titels.
  § 6. De titel die gelijkwaardig wordt bevonden aan een erkenning als vermeld in artikel 6, wordt opgenomen in de lijst van gelijkwaardige titels die wordt gepubliceerd op de website van [1 de bevoegde afdeling]1.
  
Art.31. § 1er. La demande d'équivalence d'un titre qui n'a pas été octroyé par l'Autorité flamande ou par une organisation agréée par celle-ci, à un agrément tel que visé à l'article 6, est introduite auprès de [1 la division compétente]1. La demande comprend toutes les pièces justificatives démontrant que le titre est équivalent à l'agrément visé à l'article 6.
  § 2. Dans le cadre de l'examen qu'elle mène à l'occasion de la demande, [1 la division compétente]1 peut solliciter des avis ou renseignements complémentaires d'autres autorités et organisations.
  § 3. [1 Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente [2 ou son délégué]2 décide de l'équivalence complète ou partielle du titre]1.
  § 4. [1 la division compétente]1 notifie la décision quant à l'équivalence au demandeur dans un délai de soixante jours à compter de la date de réception de la demande.
  § 5. L'équivalence d'un titre spécifique à l'égard d'un agrément vaut pour tous les autres titres identiques.
  § 6. Le titre qui a été jugé équivalent à un agrément, tel que visé à l'article 6, est repris à la liste de titres équivalents, publiée au site web de [1 la division compétente]1.
  
HOOFDSTUK 7. - Erkenningen van rechtswege
CHAPITRE 7. - Agréments d'office
Art.32. § 1. Personen die houder zijn van een titel die krachtens artikel 31 gelijkwaardig is bevonden aan een erkenning als vermeld in artikel 6, zijn voor die laatste erkenning van rechtswege erkend.
  [1 De erkenning gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan de bevoegde afdeling [2 , de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan de bevoegde afdeling]2 [6 ...]6]1
  § 2. De volgende personen zijn van rechtswege erkend als :
  1° technicus vloeibare brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, a) : de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 14;
  2° technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b) : de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 15;
  3° [9 ...]9;
  4° stookolietechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, d) : de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17;
  5° milieuverificateurs, belast met de validatie van de decretaal verplichte milieuaudit, vermeld in artikel 6, 3°, b) : de personen die voldoen aan de bijzondere [1 erkenningsvoorwaarden]1, vermeld in artikel 19;
  [1 6° airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f) : de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 13/1;]1
  [2 7° koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e) :
   a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/1;
   b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 4 van verordening nr. 2015/2067 een geldig certificaat hebben behaald;
   8° technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f) :
   a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/2;
   b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 5 van verordening nr. 304/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
   9° technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g) :
   a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/3;
   b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 2015/2066 een geldig certificaat hebben behaald;
   10° technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h) :
   a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/4;
   b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 306/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
   11° technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i) :
   a) de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 17/5;
   b) de personen die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 3 van verordening nr. 307/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
   12° koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b) :
   a) de bedrijven die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 25/4;
   b) de bedrijven die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 6 van verordening nr. 2015/2067 een geldig certificaat hebben behaald;
   13° bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c) : de bedrijven die in een ander gewest in België of in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte conform artikel 8 van verordening nr. 304/2008 een geldig certificaat hebben behaald;
   14° keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8° : de instellingen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 25/6.]2

  [10 15° milieucoördinator als vermeld in artikel 6, 3°, a), van dit besluit: de personen die voldoen aan de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18 van dit besluit.]10
  [8 ...]8
  [2 [8 De erkenning, vermeld in het eerste lid, gaat in op de datum]8 waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan [8 de bevoegde afdeling en de identificatiegegevens]8, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5, [6 ...]6. De persoon of het bedrijf, vermeld in het eerste lid, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b), en 13°, beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven, en legt zijn certificaat en, in voorkomend geval, de vertaling ervan voor aan [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5, bij de melding van het gebruik van de erkenning.
   De erkenning, vermeld in het eerste lid, 14°, gaat in op de datum waarop het gebruik van de erkenning wordt gemeld aan [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5, en de identificatiegegevens, vermeld in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd, worden bezorgd aan [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5.]2
[10 De persoon, vermeld in het eerste lid, 15°, legt zijn getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste, het tweede of overgangsniveau voor aan de bevoegde afdeling, bij melding van het gebruik van de erkenning.]10
  § 3. De erkenning van rechtswege, vermeld in paragraaf 1 en 2, is niet van toepassing op personen die niet voldoen aan de algemene [3 erkenningsvoorwaarden]3, vermeld in artikel 8.
  
Art.32. § 1er. Les personnes détentrices d'un titre qui, conformément à l'article 31, a été jugé équivalent à un agrément tel que visé à l'article 6, sont agréées d'office pour cet agrément spécifique.
  [1 L'agrément prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée à la division compétente [2 les données d'identification, visées à l'annexe 19, jointe au présent arrêté]2 [6 ...]6.]1
  § 2. Les personnes suivantes sont agréées d'office comme :
  1° technicien en combustibles liquides, tel que visé à l'article 6, 2°, a) : les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 14;
  2° technicien en combustibles gazeux, tel que visé à l'article 6, 2°, b) : les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 15;
  3° [9 ...]9;
  4° technicien en mazout, tel que visé à l'article 6, 2°, d) : les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17;
  5° vérificateurs environnementaux chargés de la validation de l'audit environnemental décrétal, visés à l'article 6, 3°, b) : les personnes répondant [1 aux conditions particulières d'agrément, visées]1 à l'article 19;
  [1 6° expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 6, 1°, f) : les personnes qui répondent aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 13/1.]1
  [2 7° technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e) :
   a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/1 ;
   b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 4 du règlement no 2015/2067 ;
   8° technicien en équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 6, 2°, f) :
   a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/2 ;
   b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 5 du règlement no 304/2008 ;
   9° technicien en commutations électriques, tel que visé à l'article 6, 2°, g) :
   a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/3 ;
   b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 3 du règlement no 2015/2066 ;
   10° technicien spécialisé dans les équipements contenant des solvants, tel que visé à l'article 6, 2°, h) :
   a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/4 ;
   b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 3 du règlement no 306/2008 ;
   11° technicien en systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 2°, i) :
   a) les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 17/5 ;
   b) les personnes qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 3 du règlement no 307/2008 ;
   12° entreprise en technique du froid, telle que visée à l'article 6, 7°, b) :
   a) les entreprises répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 25/4 ;
   b) les entreprises qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 6 du règlement no 2015/2067 ;
   13° entreprise pour équipements de protection contre l'incendie, telle que visée à l'article 6, 7°, c) : les entreprises qui ont obtenu un certificat valide dans une autre région de Belgique ou dans un autre Etat membre de l'Espace économique européen, conformément à l'article 8 du règlement no 304/2008 ;
   14° organisme de contrôle, tel que visé à l'article 6, 8° : les organismes qui répondent aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 25/6.]2

  [10 15° coordinateur environnemental tel que visé à l'article 6, 3°, a), du présent arrêté : les personnes répondant aux conditions particulières d'agrément, visées à l'article 18 du présent arrêté. ]10
  [8 ...]8
  [2 [8 L'agrément visé à l'alinéa 1er prend cours à la date]8 à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée [8 à la division compétente et les données d'identification]8, visées à l'annexe 19, jointe au présent arrêté, sont transmises [5 [7 à la division compétente]7]5 [6 ...]6. La personne ou l'entreprise, visée à l'alinéa premier, 7°, b), 8°, b), 9°, b), 10°, b), 11°, b), 12°, b), 13°, dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais lorsque le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci et présente son certificat et, le cas échéant, la traduction de celui-ci [5 à la division compétente]5, lors de la notification de l'utilisation de l'agrément.
   L'agrément, visé à l'alinéa premier, 14°, prend cours à la date à laquelle l'utilisation de l'agrément est notifiée [5 [7 à la division compétente]7]5, et à laquelle les données d'identification, visées à l'annexe 19, jointe au présent arrêté, sont présentées [5 [7 à la division compétente]7]5.]2
[10 La personne, visée à l'alinéa 1er, 15°, présente son certificat de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux du premier niveau, du deuxième niveau ou du niveau transitoire à la division compétente, lors de la notification de l'utilisation de l'agrément. ]10
  § 3. L'agrément d'office, visé aux §§ 1er et 2, ne s'applique pas aux personnes qui ne répondent pas [3 aux conditions générales d'agrément]3, visées à l'article 8.
  
HOOFDSTUK 8. - Gebruikseisen voor erkenningen
CHAPITRE 8. - Conditions d'usage des agréments
Afdeling 1. - Algemene bepalingen gebruikseisen voor erkenningen
Section 1re. - Dispositions générales des conditions d'usage des agréments
Art.33. § 1. Het gebruik van de erkenning, met inbegrip van de erkenning van rechtswege, is onderworpen aan de naleving van de algemene en bijzondere gebruikseisen.
  § 2. De eisen die gesteld worden aan het gebruik van uitrusting en materiaal zijn niet van toepassing op dienstverrichters die gevestigd zijn in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een ander gewest in België, als de goede kwaliteit van de uit te voeren taken daardoor niet in het gedrang wordt gebracht.
Art.33. § 1er. L'usage de l'agrément, y compris de l'agrément d'office, est soumis au respect des conditions générales et particulières d'usage.
  § 2. Les exigences relatives à l'utilisation d'équipement et de matériel ne s'appliquent pas aux prestataires de services établis dans un autre état-membre de l'Espace économique européen ou dans une autre région en Belgique, si la bonne qualité des tâches à effectuer ne s'en trouve pas entravée.
Afdeling 2. - Algemene gebruikseisen
Section 2. - Conditions générales d'usage
Art.34. § 1. [2 Het gebruik van de erkenning verloopt op een kwalitatief goede wijze.
   De erkende persoon neemt daarbij een objectieve en onafhankelijke houding aan.]2

  § 2. De erkende persoon past de normen en codes van goede praktijk toe die voor het gebruik van de erkenning in het Vlaamse Gewest van toepassing zijn.
  § 3. De erkende persoon beschikt over een verzekering tot dekking van de burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief de beroepsaansprakelijkheid, ten gevolge van het gebruik van de erkenning. In afwijking hiervan zijn de opleidingscentra verzekerd voor de ongevallen, schade en de burgerrechtelijke aansprakelijkheid van leraren en studenten.
  § 4. De attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten die door een erkende persoon worden afgeleverd, zijn voldoende duidelijk en uitgebreid zodat het uit de lezing ervan mogelijk is om na te gaan of aan de reglementaire voorschriften is voldaan. Die attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.
  § 5. De erkende persoon deelt elke wijziging in de identificatiegegevens, elke wijziging van de gegevens [3 ...]3 waardoor hij niet meer voldoet aan de erkenningsvoorwaarden [3 of de gebruikseisen]3, of de definitieve stopzetting van het gebruik van de erkenning onverwijld mee aan [1 de bevoegde afdeling]1.
  De erkende persoon stelt aan de afdeling alle inlichtingen en documenten ter beschikking waar ze om vraagt met betrekking tot de erkenning en richt zich naar de instructies die door [1 de bevoegde afdeling]1 en de toezichthouders worden gegeven.
  § 6. Het is de erkende persoon, zelfs na het beëindigen van zijn functie, verboden vertrouwelijke gegevens kenbaar te maken, waarvan hij ten gevolge van zijn opdrachten kennis heeft gekregen.
  § 7. [3 Overheidspersoneel kan zijn erkenning niet gebruiken als het]3 met betrekking tot de erkenning of de taken van de erkenninghouder een adviserende, toezichthoudende of beslissende functie [3 uitoefent]3.
  § 8. De erkende persoon verleent zijn medewerking aan periodieke evaluaties die door [1 de bevoegde afdeling]1 worden opgezet.
  [1 § 9. De erkende persoon legt [3 jaarlijks en dit ten laatste op 31 mei van het betreffende jaar]3 een bewijs van betaling van de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, voor aan de bevoegde afdeling [2 [3 ...]3]2.]1
  [4 § 10. De erkende natuurlijke persoon toont op verzoek van de klant een geldig identiteitsbewijs.]4
  
Art.34. § 1er. [2 L'utilisation de l'agrément s'effectue de façon qualitative.
   Dans ce contexte, la personne agréée adopte une attitude objective et indépendante.]2

  § 2. La personne agréée applique les normes et codes de bonnes pratiques applicables à l'usage de l'agrément en Région flamande.
  § 3. La personne agréée a souscrit à une assurance en couverture de la responsabilité civile, incluant la responsabilité professionnelle découlant de l'usage de l'agrément. Par dérogation à cette disposition, les centres de formation sont assurés contre des accidents, dommages et la responsabilité civile de leurs enseignants et étudiants.
  § 4. Les attestations, constatations, rapports et autres documents délivrés par une personne agréée, sont suffisamment claires et détaillés que leur lecture permet de vérifier s'il a été répondu aux prescriptions réglementaires. Ces attestations, constatations, rapports et autres documents sont signés par la personne agréée.
  § 5. La personne agréée communique à [1 la division compétente]1 toute modification dans ses données d'identification, toute modification des données [3 telle qu'il ne satisfait plus]3 aux conditions d'agrément, [3 ou aux conditions d'usage]3 ou l'arrêt définitif de l'usage de l'agrément.
  La personne agréée met tous les renseignements et documents relatifs à l'agrément et demandés par la division à la disposition de celle-ci et s'accommode aux instructions données par la division et les superviseurs.
  § 6. Il est défendu à la personne agréée, même au terme de sa fonction, de divulguer des données confidentielles, dont il a reçu connaissance en raison de ses tâches.
  § 7. [3 Le personnel de la fonction publique ne peut pas utiliser son agrément s'il exerce]3 une fonction consultative, surveillante ou décisive en matière de l'agrément ou des tâches du titulaire de l'agrément.
  § 8. La personne agréée prête son concours aux évaluations périodiques organisées par [1 la division compétente]1.
  [1 § 9. La personne agréée présente [3 chaque année, au plus tard le 31 mai de l'année concernée, ]3 une preuve valable de paiement de la rétribution, visée à l'article 54/1, § 2, à la division compétente [2 [3 ...]3 ]2.]1
  [4 § 10. A la demande du client, la personne physique agréée exhibe une pièce d'identité valable.]4
  
Afdeling 3. - Bijzondere gebruikseisen
Section 3. - Conditions particulières d'usage
Onderafdeling 1. - Gebruikseisen voor deskundigen
Sous-section 1re. - Conditions d'usage pour experts
Art.35. De erkende milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen, vermeld in artikel 6, 1°, a) :
  1° beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen;
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning.
  [1 3° bezorgt uiterlijk één maand na het opstellen van het attest van prototypekeuring van een houder, een permanent lekdetectiesysteem of een overvulbeveiliging als vermeld in respectievelijk bijlage 5.17.2, bijlage 5.17.3 en bijlage 5.17.7 van titel II van het VLAREM, een kopie van het attest of verslag dat hij opmaakt naar aanleiding van de prototypekeuring aan [2 het departement]2;
   4° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.]1

  
Art.35. L'expert environnemental agréé dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses, visé à l'article 6, 1°, a) :
  1° dispose du matériel dûment entretenu, répondant à toutes les exigences réglementaires et nécessaire à l'exécution des tâches pour lesquelles l'agrément a été obtenu;
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données techniques nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément;
  [1 3° remet [2 au département]2, au plus tard dans un délai d'un mois à compter de l'établissement de l'attestation de l'inspection du prototype d'un réservoir, d'un système de détection permanente de fuites ou d'un dispositif antidébordement, telle que visée à respectivement l'annexe 5.17.2, l'annexe 5.17.3 et l'annexe 5.17.7 du titre II du VLAREM, une copie de l'attestation ou du rapport qu'il établit à la suite de l'inspection du prototype ;
   4° ne peut pas utiliser son agrément :
   a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
   b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
   c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
   d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
   e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre.]1

  
Art.36. De erkende milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, vermeld in artikel 6, 1°, b) :
  1° beschikt over het behoorlijk onderhouden materiaal dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning werd verkregen;
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
  [1 3° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.]1

  
Art.36. L'expert environnemental agréé dans la discipline de la corrosion du sol, visé à l'article 6, 1°; b) :
  1° dispose du matériel dûment entretenu, répondant à toutes les exigences réglementaires et nécessaire à l'exécution des tâches pour lesquelles l'agrément a été obtenu;
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données techniques nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément;
  [1 3° ne peut pas utiliser son agrément :
   a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
   b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
   c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
   d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
   e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre.]1

  
Art.37. De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2) :
  1° beschikt minstens over de apparatuur, [1 vermeld in bijlage 8, die bij dit besluit is gevoegd]1;
  2° [2 kan de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;]2
  3° houdt een kwaliteitshandboek bij dat minstens de inhoud, vermeld in bijlage 7, [1 die bij dit besluit is gevoegd,]1 bevat;
  4° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
  5° [1 blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de discipline geluid en trillingen door jaarlijks een bijscholing van minstens acht uur te volgen;]1
  6° keurt de sonometers die door de overheden, belast met de controle op de toepassing van de wet Geluidshinder en de uitvoeringsbesluiten ervan, worden aangeboden, en levert daarvan een attest af dat de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid van de apparatuur waarborgt voor een periode van twaalf maanden;
  7° heeft geen rechtstreeks belang in een bedrijf dat [3 apparaten, toestellen of andere akoestische producten]3 die met geluidsmeting of lawaaibestrijding te maken hebben, fabriceert of verhandelt;
  [1 8° houdt de logboeken en de procedures, vermeld in bijlage 7/1, die bij dit besluit is gevoegd, ten minste vijf jaar bij;
   9° kalibreert de meetapparatuur op de tijdstippen die hieronder aangegeven worden, en houdt de resultaten daarvan bij in een logboek :
   a) eerstelijnskalibratie : ijking van meetapparatuur voor en na elke meting;
   b) tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking van meetapparatuur met behulp van een extern gekalibreerd referentiemeetapparaat;
   c) derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse externe ijking van een referentiemeetapparaat;
   10° houdt de meetgegevens van onderzoeken in het kader van de erkenning ten minste vijf jaar bij.]1

  [2 11° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.]2

  
Art.37. L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2) :
  1° dispose au minimum du matériel, visé [1 à l'annexe 8, jointe au présent arrêté]1;
  2° [2 sait se servir des logiciels pour l'exécution de ses tâches et sait en interpréter les résultats correctement ;]2
  3° tient un manuel de qualité comprenant au moins le contenu visé [1 à l'annexe 7, jointe au présent arrêté]1;
  4° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément.
  5° [1 reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de la discipline du bruit et des vibrations en suivant annuellement un perfectionnement annuel d'au moins huit heures;]1
  6° contrôle les sonomètres offerts par les autorités, chargées du contrôle de l'application de la Loi relative à la lutte contre le bruit et ses arrêtés d'exécution et délivre des attestations garantissant la solidité et la précision des appareils pendant une période de douze mois;
  7° n'a pas d'intérêts directs dans une entreprise fabriquant ou vendant [3 des appareils, dispositifs ou autres produits acoustiques]3 afférents au mesurage du son ou à la lutte contre les nuisances sonores;
  [1 8° tient les livres de bord et les procédures, visés à l'annexe 7/1, jointe au présent arrêté, pendant au moins cinq ans;
   9° étalonne les appareils de mesure aux moments indiqués ci-dessous, et en tient les résultats dans un livre de bord :
   a) étalonnage primaire : étalonnage d'appareils de mesure avant et après chaque mesure;
   b) étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque d'appareils de mesure à l'aide d'un appareil de mesure de référence externe étalonné;
   c) étalonnage tertiaire : étalonnage externe biennal d'un appareil de mesure de référence;
   10° tient les données de mesure de recherches dans le cadre de l'agrément pendant au moins cinq ans;]1

  [2 11° ne peut pas utiliser son agrément :
   a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
   b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
   c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
   d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
   e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre.]2

  
Art.38. De erkende MER-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, d) :
  1° beschikt over de nodige [1 software]1 voor het voorspellen van effecten van plannen en projecten op mens en milieu en kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
  3° [2 blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving over de discipline waarvoor hij erkend is, door jaarlijks acht bijscholingspunten te verzamelen als vermeld in bijlage 26, die bij dit besluit is gevoegd]2;
  [1 4° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.]1

  
Art.38. L'expert MER agréé, visé à l'article 6, 1°, d) :
  1° dispose des logiciels nécessaires pour donner des prévisions quant aux effets de plans et de projets sur l'homme et l'environnement et sait se servir de ceux-ci et en interpréter les résultats correctement.
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément.
  3° [2 reste au courant des évolutions et de la législation les plus récentes dans la discipline pour laquelle il a été agréé en accumulant annuellement huit points de recyclage tel que visé à l'annexe 26 jointe au présent arrêté ;]2
  [1 4° ne peut pas utiliser son agrément :
   a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
   b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
   c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
   d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
   e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre.]1

  
Art.39. De erkende VR-deskundige, vermeld in artikel 6, 1°, e) :
  1° beschikt over de nodige [1 software]1 voor het berekenen van risico's voor mens en milieu bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, en kan die hanteren en de resultaten ervan correct interpreteren;
  2° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
  3° [2 blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving over veiligheidsrapportage door jaarlijks acht bijscholingspunten te verzamelen als vermeld in bijlage 26, die bij dit besluit is gevoegd;]2;
  [1 4° mag zijn erkenning niet gebruiken als :
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.]1

  
Art.39. L'expert en matière de rapports de sécurité agréé, visé à l'article 6, 1°, e) :
  1° dispose des logiciels nécessaires pour le calcul des risques pour l'homme et l'environnement en cas d'accidents industriels dégageant des substances dangereuses et sait se servir de ceux-ci et en interpréter les résultats correctement.
  2° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément.
  3° [2 reste au courant des évolutions et de la législation les plus récentes en matière de rapports de sécurité en accumulant annuellement huit points de recyclage tel que vise à l'annexe 26 jointe au présent arrêté ]2;
  [1 4° ne peut pas utiliser son agrément :
   a) lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de fait ou de droit ;
   b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée, de droit ou de fait ;
   c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, du donneur d'ordre ;
   d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
   e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou dirigé par le donneur d'ordre.]1

  
Art. 39/1. [1 De erkende airco-energiedeskundige, vermeld in artikel 6, 1°, f) :
   1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
   2° voert de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°,[3 ...]3, van titel II van het VLAREM correct uit en interpreteert de resultaten correct;
   3° bezorgt na iedere keuring van [6 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]6 van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, [3 ...]3 van titel II van het VLAREM, een verslag van de keuring aan de exploitant van het gebouw met het airconditioningsysteem. Het keuringsverslag bevat het resultaat van de keuring, alsook aanbevelingen voor een kostenefficiënte verbetering van de energieprestatie van het gekeurde systeem en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige keuring werden geformuleerd;
   4° houdt alle gegevens van de keuring op dusdanige wijze bij dat een controle op het verloop van de keuring mogelijk is. Die gegevens en het keuringsverslag worden gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van [2 [5 de bevoegde afdeling]5]2, en de keuringsinstelling, vermeld in artikel 58/2;
   5° houdt een overzichtslijst bij van alle keuringen als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, [3 ...]3 van titel II van het VLAREM, die hij in het voorbije kalenderjaar uitgevoerd heeft;
   6° volgt vijfjaarlijks de bijscholing en slaagt voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 43/4, 2°, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, f).
   [4 Als het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van [6 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]6 van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 13/1, 3°, ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat,]4 moet de airco-energiedeskundige de bijscholing gevolgd hebben en voor het bijhorende examen geslaagd zijn, vermeld in het eerste lid, van dit artikel, voor hij de erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, kan gebruiken.]1

  
Art. 39/1. [1 L'expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, visé à l'article 6, 1°, f) :
   1° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément;
   2° exécute correctement le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, [3 ...]3 du titre II du VLAREM et interprète les résultats correctement;
   3° transmet après chaque contrôle de [6 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]6 qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, [3 ...]3 du titre II du VLAREM, un rapport du contrôle à l'exploitant du bâtiment disposant du système de climatisation. Le rapport de contrôle comprend le résultat du contrôle, ainsi que des recommandations pour une amélioration rentable de la performance énergétique du système contrôlé et, le cas échéant, l'évaluation des recommandations qui ont été formulées lors du contrôle précédent;
   4° tient toutes les données du contrôle d'une telle manière qu'un contrôle du déroulement du contrôle soit possible. Ces données et le rapport de contrôle sont conservés pendant au moins trois ans et sont tenus à la disposition [2 [5 de la division compétente]5]2, et de l'organisme de contrôle, visé à l'article 58/2;
   5° tient une liste récapitulative de tous les contrôles tels que visés à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, [3 ...]3 du titre II du VLAREM, qu'il a exécutés au cours de l'année calendaire écoulée;
   6° suit tous les cinq ans le perfectionnement et réussit l'examen y afférent, visé à l'article 43/4, 2°, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, f).
   [4 Si la date de délivrance mentionnée sur le certificat d'aptitude en matière de contrôle de [6 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]6 supérieure à 12 kW, visé à l'article 13/1, 3°, remonte à plus de cinq ans,]4 l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation doit avoir suivi le perfectionnement et doit avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'alinéa premier, du présent article, avant de pouvoir utiliser l'agrément de plein droit, visé à l'article 32, § 2, alinéa premier.]1

  
Art. 39/2. [1 De erkende MER-coördinator, vermeld in artikel 6, 1°, g):
   1° beschikt over de nodige vakliteratuur en gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
   2° [2 blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving over milieueffectrapportage door jaarlijks acht bijscholingspunten te verzamelen als vermeld in bijlage 26, die bij dit besluit is gevoegd]2;
   3°[2 mag zijn erkenning niet gebruiken als:
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever]2
.
  [2 ...]2
  
Art. 39/2. [1 Le coordinateur EIE agréé, visé à l'article 6, 1°, g) :
   1° dispose de la littérature spécialisée et des données nécessaires relatives aux tâches à exécuter concernant l'agrément ;
   2° [2 reste au courant des évolutions et de la législation les plus récentes en matière d'évaluation des incidences sur l'environnement en accumulant annuellement huit points de recyclage tel que vise à l'annexe 26 jointe au présent arrêté ]2 ;
   3° [2 ne peut pas utiliser son agrément :
   a) s'il assume des mandats d'administrateur ou exerce des fonctions d'administrateur, en droit ou en fait, auprès du donneur d'ordre ;
   b) si le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats d'administrateur ou exerce des fonctions d'administrateur, en droit ou en fait, auprès de la personne agréée ;
   c) s'il est parent ou allié en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré avec le donneur d'ordre ;
   d) s'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
   e) s'il est, directement ou indirectement, totalement ou partiellement, contrôlé ou géré par le donneur d'ordre ]2
.
  [2 ...]2
  
Art. 39/3. [1 De erkende deskundige overstromingsattest, vermeld in artikel 6, 1°, h):
   1° volgt bij de uitvoering van de taken de bepalingen van het ministerieel besluit met de richtlijnen voor het actualiseren van de G-score en de P-score, vermeld in artikel 8/2, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 juli 2006 tot vaststelling van nadere regels voor de toepassing van de watertoets, tot aanwijzing van de adviesinstanties en tot vaststelling van nadere regels voor de adviesprocedure bij de watertoets, vermeld in artikel 1.3.1.1 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018;
   2° beschikt over het noodzakelijke materiaal voor de uitvoering van de taken waarvoor de erkenning is verkregen, dat behoorlijk onderhouden is en voldoet aan alle reglementaire eisen;
   3° beschikt over de nodige vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren taken met betrekking tot de erkenning;
   4° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen met betrekking tot overstromingsbescherming door tweejaarlijks een geattesteerde bijscholing van ten minste twee uur te volgen;
   5° heeft geen rechtstreeks belang in een bedrijf dat apparaten, toestellen of andere middelen aanlevert om gebouwen beter te beschermen tegen overstromingen;
   6° bezorgt na iedere attestering het overstromingsattest aan de eigenaar van het gebouw. Het overstromingsattest bevat het resultaat van de attestering, alsook, indien van toepassing, de bijkomende maatregelen die nodig zijn om een actualisatie van de P-score of G-score te verkrijgen en, in voorkomend geval, de evaluatie van de aanbevelingen die bij de vorige attestering zijn geformuleerd;
   7° mag zijn erkenning niet gebruiken als:
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever of het bureau dat gelast is met de verkoop van het vastgoed;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon of het bureau dat gelast is met de verkoop van het vastgoed;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever of het bureau dat gelast is met de verkoop van het vastgoed;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever of het bureau dat gelast is met de verkoop van het vastgoed;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever of het bureau dat gelast is met de verkoop van het vastgoed.]1

  
Art. 39/3. [1 L'expert en attestation d'inondation agréé, visé à l'article 6, 1°, h) :
   1° suit dans le cadre de l'exécution des tâches les dispositions de l'arrêté ministériel contenant les directives relatives à l'actualisation du score G et du score P, visée à l'article 8/2, alinéa 2, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 20 juillet 2006 fixant les modalités d'application de l'évaluation aquatique, portant désignation des instances consultatives et définissant les modalités de la procédure d'avis pour l'évaluation aquatique, visée à l'article 1.3.1.1 du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018 ;
   2° dispose du matériel nécessaire pour effectuer les tâches pour lesquelles l'agrément a été obtenu. Ce matériel est correctement entretenu et répond à toutes les exigences réglementaires ;
   3° dispose de la littérature spécialisée et des données techniques nécessaires relatives aux tâches faisant l'objet de l'agrément ;
   4° se tient informé des derniers développements dans le domaine de la protection contre les inondations en suivant un recyclage agréé d'au moins deux heures tous les deux ans ;
   5° n'a pas d'intérêt direct dans une entreprise qui fournit des dispositifs, des appareils ou d'autres moyens permettant de mieux protéger les bâtiments contre les inondations ;
   6° remet après chaque visite l'attestation d'inondation au propriétaire du bâtiment. L'attestation d'inondation contient le résultat de la visite, ainsi que, le cas échéant, les mesures supplémentaires requises pour obtenir l'actualisation du score P ou du score G et, le cas échéant, l'évaluation des recommandations formulées lors de la visite précédente ;
   7° ne peut pas utiliser son agrément :
   a) lorsqu'il assume, de droit ou de fait, des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre ou de l'agence chargée de la vente du bien immobilier ;
   b) lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume, de droit ou de fait, des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée ou de l'agence chargée de la vente du bien immobilier ;
   c) lorsqu'il est parent en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré, avec le donneur d'ordre ou l'agence chargée de la vente du bien immobilier ;
   d) lorsqu'il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ou l'agence chargée de la vente du bien immobilier ;
   e) lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou géré par le donneur d'ordre ou l'agence chargée de la vente du bien immobilier.]1

  
Onderafdeling 2. - Gebruikseisen voor technici
Sous-section 2. - Conditions d'usage pour techniciens
Art.40. De erkende technicus, [2 vermeld in artikel 6, 2°,[5 a), b) en d)]5]2 :
  1° toont, op eenvoudig verzoek, het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de taken met betrekking tot de verleende erkenning;
  2° maakt uitsluitend gebruik van apparatuur die voldoet aan alle reglementaire eisen, vermeld in bijlage 6, die bij dit besluit is gevoegd;
  3° volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 3, die bij dit besluit is gevoegd, en slaagt voor de bijhorende proef. Die bijscholing wordt gevolgd in een daartoe erkend opleidingscentrum;
  [1 4° voert de keuring, onderhoudsbeurt [5 vermeld in artikel 12 en 13 van het besluit]5 inzake het onderhoud en nazicht van [3 centrale stooktoestellen]3, correct uit;
   5° levert de attesten en rapporten af en houdt die ter beschikking, zoals bepaald in artikel 15 van het besluit inzake het onderhoud en nazicht van [3 centrale stooktoestellen]3.]1

  [1 [4 Als het certificaat van bekwaamheid, vermeld in artikel 14, 2°, artikel 15, 2°[5 ...]5, of artikel 17, 2°, ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat,]4 moet de technicus de bijscholing, vermeld in het eerste lid, 3°, gevolgd hebben, en voor het bijhorende examen, vermeld in het eerste lid, 3°, geslaagd zijn voor hij de desbetreffende erkenning van rechtswege, vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, [5 ...]5, kan gebruiken.]1
  
Art.40. Le technicien agréé, [2 visé à l'article 6, 2°, [5 a), b) et d) ]5]2 :
  1° produit, sur simple demande, le matériel qu'il utilise lors de la mise en oeuvre des tâches relatives à l'agrément octroyé;
  2° n'utilise que des appareils répondant à toutes les exigences réglementaires visées à l'annexe 6, jointe au présent arrêté;
  3° suit le perfectionnement quinquennal, visé à l'annexe 1re, chapitre 3, jointe au présent arrêté et passe l'épreuve y afférente avec fruit. Il suit ce perfectionnement dans un centre de formation agréé à cet effet;
  [1 4° exécute correctement le contrôle, l'entretien [5 , visé aux articles 12 et 13 de l'arrêté]5 relatif à l'entretien et au contrôle [3 d'appareils de chauffage central]3;
   5° délivre les attestations et rapports et les tient à disposition, tel que fixé à l'article 15 de l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle [3 d'appareils de chauffage central]3.]1

  [1 [4 Si la date de délivrance mentionnée sur le certificat d'aptitude visé à l'article 14, 2°, à l'article 15, 2°, à[5 ...]5°, ou à l'article 17, 2°, remonte à plus de cinq ans,]4 le technicien doit avoir suivi le perfectionnement, visé à l'alinéa premier, 3°, et doit avoir réussi l'examen y afférent, visé à l'alinéa premier, 3°, avant de pouvoir utiliser l'agrément concerné de plein droit, visé à l'article 32, § 2, alinéa premier,[5 1°, 2° et 4°]5]1
  
Art. 40/1. [1 De erkende koeltechnicus, vermeld in artikel 6, 2°, e) :
   1° die in het bezit is van een certificaat van categorie I, II, III of IV mag de volgende werkzaamheden uitvoeren aan stationaire koelinstallaties [6 of warmtepompen]6 met zowel gefluoreerde broeikasgassen als ozonlaagafbrekende stoffen [2 of aan koeleenheden op koelwagens en koelaanhangwagens die gefluoreerde broeikasgassen bevatten]2 :
   a) in geval van categorie I : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, a), van verordening nr. 2015/2067;
   b) in geval van categorie II : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, b), van verordening nr. 2015/2067;
   c) in geval van categorie III : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, c), van verordening nr. 2015/2067;
   d) in geval van categorie IV : de werkzaamheden, vermeld in artikel 3, lid 2, d), van verordening nr. 2015/2067;
   2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie [6 of de warmtepomp]6 die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert ze, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
   a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de [6 installatie]6 waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
   1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
   2) het type koelmiddel;
   3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
   4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de [6 installatie]6 uitgevoerd heeft;
   5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
   b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
   1) het type koelmiddel;
   2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
   3) de datum van bijvulling of aftapping;
   4) de reden van bijvulling of aftapping;
   5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
   6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
   7) na elke bijvulling voor een [6 installatie]6 als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
   c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
   1) de datum van de lekkagecontrole;
   2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
   d) de nominale koelmiddelinhoud van de [6 installatie]6, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
   e) bij een buitendienststelling :
   1) de datum van de buitendienststelling;
   2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
   4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
   3° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
   4° slaagt vijfjaarlijks voor het actualisatie-examen in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h), of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de [3 [5 de bevoegde afdeling]5]3. Als het certificaat van bekwaamheid als vermeld in artikel 17/1, 2°, of artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, slaagt hij voor het actualisatie-examen of voor een gelijkwaardig examen vóór hij de erkenning kan gebruiken. De examens die gelijkwaardig worden bevonden, worden gepubliceerd op de website van [3 [5 de bevoegde afdeling]5]3. [4 ...]4
   5° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
   6° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
   7° beschikt over een vertaling van zijn certificaat van categorie I, II, III of IV naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven;]1

  [2 8° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de koelwagen of koelaanhangwagen die een koeleenheid met gefluoreerde broeikasgassen bevat:
   a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de koeleenheid waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt:
   1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid en eveneens in ton CO2-equivalent;
   2) het type koelmiddel;
   3) indien bij de koeleenheid gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden: de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
   4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de koeleenheid uitgevoerd heeft;
   b) als gefluoreerde broeikasgassen werden bijgevuld of afgetapt:
   1) het type koelmiddel;
   2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
   3) de datum van bijvulling of aftapping;
   4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
   c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 uitgevoerd worden:
   1) de datum van de lekkagecontrole;
   2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
   d) de nominale koelmiddelinhoud van de koelinstallatie, uitgedrukt in metrische eenheid, en eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
   e) bij een buitendienststelling:
   1) de datum van de buitendienststelling;
   2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen terug te winnen en te verwijderen;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
   9° houdt de registraties als vermeld in punt 8° ten minste vijf jaar bij.]2

  
Art. 40/1. [1 Le technicien en froid agréé, visé à l'article 6, 2°, e) :
   1° qui est en possession d'un certificat de catégorie I, II, III ou IV [6 peut exercer les activités suivantes sur des installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur]6 contenant à la fois des gaz à effet de serre fluorés et des substances appauvrissant la couche d'ozone [2 ou aux installations frigorifiques aux camions frigorifiques et remorques frigorifiques contenant des gaz à effet de serre fluorés]2 :
   a) dans le cas de la catégorie I : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, a) du règlement no 2015/2067 ;
   b) dans le cas de la catégorie II : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, b), du règlement no 2015/2067 ;
   c) dans le cas de la catégorie III : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, c), du règlement no 2015/2067 ;
   d) dans le cas de la catégorie IV : les activités visées à l'article 3, alinéa 2, d), du règlement no 2015/2067 ;
   2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire [6 de l'installation de réfrigération fixe ou de la pompe à chaleur contenant]6 des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone et les consigne, le cas échéant, au livre de bord de l'installation :
   a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation de [6 l'installation]6 modifiant le contenu nominal en liquide réfrigérant ou le type de liquide réfrigérant :
   1) la capacité nominale de liquide réfrigérant, exprimé en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
   2) le type de liquide réfrigérant ;
   3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
   4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué l'installation initiale ou l'ajustement de [6 l'installation]6 ;
   5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
   b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
   1) le type de liquide réfrigérant ;
   2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
   3) la date de recharge ou de vidange ;
   4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
   5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué la recharge ou la vidange ;
   6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
   7) après chaque recharge pour une [6 installation]6, telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5 du VLAREM : les pertes relatives par fuite ;
   c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
   1) la date du contrôle d'étanchéité ;
   2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
   d) la capacité nominale de liquide réfrigérant de l'[6 installation]6, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
   e) dans le cas d'une mise hors service :
   1) la date de la mise hors service ;
   2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a mis l'installation hors service ;
   4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
   3° présente le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des activités liées à l'agrément, sur demande ;
   4° réussit à l'examen de mise à jour qu'il présente tous les cinq ans dans un centre de formation agréé, tel que visé à l'article 6, 4°, h), ou à un examen équivalent qui est accepté [3 par [5 la division compétente]5]3. Si le certificat d'aptitude visé à l'article 17/1, 2°, ou à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, b), remonte à plus de cinq ans après la date de délivrance, indiquée sur le certificat, il réussit à l'examen de mise en oeuvre ou à un examen équivalent avant qu'il soit autorisé à utiliser l'agrément. Les examens qui sont reconnus équivalents, sont publiés sur le site internet [3 [5 de la division compétente]5]3. [4 ...]4;
   5° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de substances appauvrissant la couche d'ozone ou de gaz à effet de serre fluorés ;
   6° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
   7° dispose d'une traduction de son certificat de catégorie I, II, III ou IV en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais lorsque le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci;]1

  [2 8° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire du camion frigorifique ou de la remorque frigorifique contenant une unité de réfrigération aux gaz à effet de serre fluorés :
   a) lors de l'installation initiale ou d'une modification de l'unité de réfrigération qui change la capacité nominale d'agent réfrigérant ou le type d'agent réfrigérant :
   1) la capacité nominale d'agent réfrigérant, exprimée en unités métriques, et également en tonnes d'équivalent CO2 ;
   2) le type d'agent réfrigérant ;
   3) si des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation ainsi que du nom et de l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
   4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation de l'unité de réfrigération ;
   b) si les gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été remplis ou vidangés :
   1) le type d'agent réfrigérant ;
   2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
   3) la date de remplissage ou de vidange ;
   4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a effectué le remplissage ou le vidange ;
   c) si des contrôles d'étanchéité tels que visés à l'article 4 du Règlement no 517/2014 sont effectués :
   1) la date du contrôle d'étanchéité ;
   2) une description et les résultats des contrôles effectués ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste ayant effectué le contrôle d'étanchéité ;
   d) la capacité nominale d'agent réfrigérant de l'installation frigorifique, exprimée en unités métriques et également en tonnes d'équivalent CO2, si elle n'est pas connue ;
   e) en cas de mise hors service :
   1) la date de la mise hors service ;
   2) les mesures prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien frigoriste qui a mis l'installation hors service ;
   9° tient les enregistrements tels que visés au point 8° pendant au moins cinq ans.]2

  
Art. 40/2. [1 De erkende technicus voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 2°, f) :
   1° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
   a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
   1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
   2) het type blusmiddel;
   3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
   4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur uitgevoerd heeft;
   5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
   b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
   1) het type blusmiddel;
   2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
   3) de datum van bijvulling of aftapping;
   4) de reden van bijvulling of aftapping;
   5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
   6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
   c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
   1) de datum van de lekkagecontrole;
   2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
   d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
   e) bij een buitendienststelling :
   1) de datum van de buitendienststelling;
   2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
   4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
   2° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
   3° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
   4° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
   5° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.]1

  
Art. 40/2. [1 Le technicien agréé en équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 2°, f) :
   1° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
   a) lors de l'installation initiale ou lors d'une adaptation des équipements de protection contre les incendies modifiant la capacité nominale de l'agent extincteur ou le type d'agent extincteur :
   1) la capacité nominale, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
   2) le type d'agent extincteur ;
   3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
   4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre les incendies qui a effectué l'installation initiale ou l'adaptation des équipements de protection contre l'incendie ;
   5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
   b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
   1) le type d'agent extincteur ;
   2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
   3) la date de recharge ou de vidange ;
   4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
   5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre les incendies, qui a procédé à la vidange ;
   6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
   c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
   1) la date du contrôle d'étanchéité ;
   2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre l'incendie qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
   d) la capacité nominale des équipements de protection contre l 'incendie, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
   e) dans le cas d'une mise hors service :
   1) la date de la mise hors service ;
   2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien de systèmes de protection contre les incendies, qui a mis l'installation hors service ;
   4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise d'équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
   2° présente le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des activités liées à l'agrément sur demande ;
   3° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de substances appauvrissant la couche d'ozone ou de gaz à effet de serre fluorés ;
   4° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
   5° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.]1

  
Art. 40/3. [2 § 1.]2 [1 De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2°, g) tot en met i) :
   1° toont op verzoek het materiaal dat hij gebruikt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
   2° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
   3° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
   4° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.]1

  [2 Ї 2. De erkende technicus, vermeld in artikel 6, 2А, i), die werkt in een centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen als vermeld in artikel 5.2.4.4, 3А, van het VLAREMA, volgt vijfjaarlijks de bijscholing, vermeld in artikel 43/10, Ї 1, in een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4А, l), of een gelijkwaardige bijscholing die aanvaard is door de bevoegde afdeling, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, Ї 3, van het VLAREMA, en slaagt voor het bijscholingsexamen of voor een gelijkwaardig examen dat aanvaard is door de bevoegde afdeling. Als het certificaat van bekwaamheid, vermeld in artikel 17/5, 2А, of artikel 32, Ї 2, eerste lid, 11А, b), ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, vermeld op het certificaat, of als het meest recente certificaat van bijscholing ouder is dan vijf jaar na de afgiftedatum, moet de technicus de bijscholing gevolgd hebben, tenzij aan het erkende centrum voor minstens drie van de vijf afgelopen jaren een opvolgingskeuring is opgelegd zoals vermeld in artikel 5.2.4.7, Ї 3, van het VLAREMA, en voor het bijscholingsexamen geslaagd zijn voor hij de erkenning kan gebruiken. De bijscholingen en examens die als gelijkwaardig worden beschouwd, worden gepubliceerd op de website van de bevoegde afdeling.]2
  
Art. 40/3. [2 § 1.]2[1 Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, g) à i) :
   1° présente le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des activités liées à l'agrément sur demande ;
   2° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de substances appauvrissant la couche d'ozone ou de gaz à effet de serre fluorés ;
   3° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
   4° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.]1

  [2 § 2. Le technicien agréé, visé à l'article 6, 2°, i), qui travaille dans un centre pour la dépollution, le démantèlement et la destruction de véhicules mis au rebut tels que visés à l'article 5.2.4.4, 3°, du VLAREMA, suit tous les cinq ans le perfectionnement visé à l'article 43/10, § 1er, dans un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, l), ou un perfectionnement équivalent accepté par la division compétente, à moins qu'un contrôle technique de suivi tel que visé à l'article 5.2.4.7, § 3, du VLAREMA n'ait été imposé au centre agréé pour au moins trois des cinq dernières années, et réussit l'examen de perfectionnement ou un examen équivalent accepté par la division compétente. Si la date de délivrance mentionnée sur le certificat d'aptitude visé à l'article 17/5, 2°, ou à l'article 32, § 2, alinéa 1er, 11°, b), remonte à plus de cinq ans, ou si la date de délivrance du certificat de perfectionnement le plus récent remonte à plus de cinq ans, le technicien doit avoir suivi le perfectionnement, à moins qu'un contrôle technique de suivi tel que visé à l'article 5.2.4.7, § 3, du VLAREMA n'ait été imposé au centre agréé pour au moins trois des cinq dernières années, et avoir réussi l'examen de perfectionnement avant de pouvoir utiliser l'agrément. Les perfectionnements et les examens considérés comme équivalents sont publiés sur le site web de la division compétente.]2
  
Onderafdeling 3. - Gebruikseisen voor milieucoördinatoren
Sous-section 3. - Conditions d'usage pour coordinateurs environnementaux
Art.41. § 1. De erkende milieucoördinator, vermeld in artikel 6, 3°, a), schoolt zich permanent bij inzake milieuwetenschappen, inclusief milieutechnologie en recht, alsook inzake de taken, vermeld in het decreet Milieubeleid door cursussen, seminaries, studiedagen, en dergelijke te volgen. Seminaries, studiedagen en dergelijke komen alleen in aanmerking als de inhoud van de bijscholing betrekking heeft op de leefmilieuproblematiek in het algemeen.
  De bijscholing van de milieucoördinator bedraagt ten minste dertig uur per kalenderjaar.
  § 2. De milieucoördinator is evenwel vrijgesteld van het volgen van de bijscholing in een bepaald kalenderjaar voor het aantal uren dat hij in datzelfde kalenderjaar de aanvullende vorming volgt, als vermeld in bijlage 2, die bij dit besluit is gevoegd.
  [1 § 3. De erkende milieucoördinator mag zijn erkenning niet gebruiken als :
   1° hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   2° de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   3° hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   4° er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   5° hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.]1

  
Art.41. § 1er. Le coordinateur environnemental agréé, visé à l'article 6, 3°, a) se perfectionne sur une base permanente en matière des sciences environnementales, y compris la technologie environnementale et le droit, de même qu'en matière des tâches visées au décret relatif à la Politique de l'Environnement en suivant des cours, séminaires, journées d'études et cetera. Seuls ces séminaires, journées d'études et cetera dont le contenu a trait à la problématique de l'environnement en général entrent en ligne de compte.
  Le coordinateur environnemental suit un perfectionnement d'au moins trente heures par année calendaire.
  § 2. Le coordinateur environnemental est toutefois dispensé de suivre le perfectionnement dans une année calendaire particulière à raison du nombre d'heures pendant lesquelles il suit la formation complémentaire, visée à l'annexe 2, jointe au présent arrêté, au cours de cette même année.
  [1 § 3. Le coordinateur environnemental ne peut pas utiliser son agrément :
   1° lorsqu'il assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès du donneur d'ordre, de droit ou de fait ;
   2° lorsque le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, de droit ou de fait, assume des mandats de direction ou exerce des fonctions de direction auprès de la personne agréée ;
   3° lorsqu'il est parent de ou allié en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré avec le donneur d'ordre ;
   4° lorsqu'il existe des liens financiers entre elle et le donneur d'ordre ;
   5° lorsqu'il est, directement ou indirectement, complètement ou partiellement, contrôlé ou géré par le donneur d'ordre.]1

  
Onderafdeling 4. - Gebruikseisen voor opleidingscentra
Sous-section 4. - Conditions d'usage pour les centres de formation
Art.42. Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren, vermeld in artikel 6, 4°, a) :
  1° beschikt over de nodige infrastructuur (leslokalen, didactisch materiaal, bibliotheek) om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de milieucoördinator;
  2° aanvaardt alleen cursisten die voldoen aan de volgende toelatingsvoorwaarden :
  a) voor de aanvullende vorming van het eerste niveau : de graad van bachelor of een daarmee gelijkgeschakelde graad bezitten;
  b) voor de aanvullende vorming van het tweede niveau : het diploma van secundair onderwijs of gelijkwaardige getuigschriften of certificaten bezitten;
  c) voor de overgangscursussen van het tweede niveau naar het eerste niveau : het getuigschrift van aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau [2 bezitten]2;
  3° kan op basis van de opleiding die ze tot dan toe al hebben genoten, de cursisten vrijstelling verlenen van het volgen van bepaalde onderdelen van de aanvullende vorming. De vrijstelling geldt niet voor het maken van een eindwerk;
  4° [1 brengt [4 [5 de bevoegde afdeling]5]4, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens en van de bespreking van de eindwerken. Een lijst met de vermelding van de titels van de eindwerken wordt gelijktijdig met de lijst van voormelde data aan [4 de bevoegde afdeling]4, bezorgd. [4 [5 De bevoegde afdeling]5]4, kan zetelen in de examen- of eindwerkjury;]1
  5° [1 stelt ten minste tweemaal per jaar een verslag op over de inhoudelijke werking van de opvolgingscommissie die waakt over de organisatie en de programma-inhoud van de cursussen. Dit verslag omvat minimaal een beschrijving van de vergadering en activiteiten, en wordt aan [4 [5 de bevoegde afdeling]5]4;]1
  [1 6° nodigt [4 [5 de bevoegde afdeling]5]4, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van [4 [5 de bevoegde afdeling]5]4 of zijn afgevaardigde maken van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie;
   7° moet, als daarom wordt verzocht door [4 [5 de bevoegde afdeling]5]4 [2 personeelsleden]2 de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen;]1

  [6 8° verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]6
  
Art.42. Le centre de formation agréé pour la dispensation de la formation complémentaire destinée aux coordinateurs environnementaux, visé à l'article 6, 4°, a) :
  1° dispose de l'infrastructure nécessaire (classes, matériel didactique, bibliothèque) afin de permettre au participant d'acquérir la connaissance et les compétences nécessaires pour accomplir les tâches du coordinateur environnemental;
  2° n'admet que des participants qui répondent aux conditions d'admission suivantes :
  a) pour la formation complémentaire du niveau 1er : les titulaires du grade de bachelor ou d'un grade équivalent;
  b) pour la formation complémentaire du niveau deux : les titulaires d'un diplôme de l'enseignement secondaire ou d'attestations ou de certificats équivalents;
  c) pour les cours de transition du niveau deux au niveau premier : les titulaires d'un certificat de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux du niveau deux;
  3° peut dispenser les participants de suivre certaines parties de la formation complémentaire, en fonction de la formation qu'ils ont suivie jusque-là. La dispense ne s'applique pas à la rédaction d'un mémoire;
  4° [1 informe [4 [5 la division compétente]5]4, au moins un mois au préalable, de la date des examens et de la discussion des mémoires. Une liste mentionnant les titres des mémoires est transmise à [3 division Environnement compétente pour le permis d'environnement]3, en même temps que la liste des dates précitées. [4 La division compétente]4, peut siéger dans le jury d'examen ou le jury de mémoire;]1
  5° [1 établit au moins deux fois par an un rapport sur le fonctionnement de fond de la commission de suivi qui veille sur l'organisation et le contenu du programme des cours. Ce rapport comprend au minimum une description de la réunion et des activités, et est transmis [4 [5 à la division compétente]5]4;]1
  [1 6° invite [4 [5 la division compétente]5]4, à chaque réunion de la commission de suivi. Le chef de division [4 [5 de la division compétente]5]4, ou son mandataire, fait partie de la commission de suivi de plein droit;
   7° doit, lorsque [4 [5 la division compétente]5]4, le demande, offrir aux [2 membres du personnel]2 la possibilité d'assister aux formations et aux examens;]1

  [6 8° vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]6
  
Art.43. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, b), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake vloeibare brandstof, waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 1, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
   Het bijhorende examen bestaat uit [9 vier]9 onderdelen :
   1° een schriftelijk theoretisch deel;
   2° een praktische proef;
   3° een mondeling theoretisch deel;
   4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
   5°[9 ...]9.
  [9 ...]9]4.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
   1° voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
   2° [9 ...]9.
  [8 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]8
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt [2 binnen een maand na een examen]2 een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake vloeibare brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5. [8 ...]8 [8 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]8.
  [8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]8
   § 3. [8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]8.
   § 4. [6 ...]6
   § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 1, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5, [3 personeelsleden]3 de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. [5 [7 De bevoegde afdeling]7]5, kan zetelen in de examenjury.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5.]1

  
Art.43. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles liquides, visé à l'article 6, 4°, b), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles liquides, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 1re, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
   L'examen y afférent se compose de [9 quatre]9 parties :
   1° une partie théorique écrite;
   2° une épreuve pratique;
   3° une partie théorique orale;
   4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise;
   5°[9 ...]9.
  [9 ...]9]4.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
   1° obtenir pour la partie théorique écrite, l'épreuve pratique, la partie théorique orale et la partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise chaque fois au moins cinquante pour cent des points et obtenir au total pour ces quatre parties au moins soixante pour cent des points;
   2° [9 ...]9.
  [8 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]8
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre [2 dans un délai d'un mois après un examen]2 un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles liquides après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [5 [7 de la division compétente]7]5. [8 ...]8 [8 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur]8.
   Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.
   § 3. [8 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]8.
   § 4. [6 ...]6
   § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 1re, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [5 leu département]5s, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque [5 [7 la division compétente]7]5, le demande, offrir aux [3 membres du personnel]3 la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. [5 [7 La division compétente]7]5, peut siéger dans le jury d'examen.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par [5 [7 la division compétente]7]5.]1

  
Art. 43/1. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof, vermeld in artikel 6, 4°, c), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 1 tot en met 5, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake gasvormige brandstof waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 2, onderafdeling 6, die bij dit besluit is gevoegd.
   [4 De opleiding en bijscholing gasvormige brandstof bestaan telkens uit twee modules: een basismodule GI over algemeenheden met betrekking tot het verwarmen met gasvormige brandstof en over gasketels met niet-premix brander en met premix brander, en een uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander. Na elke module volgt een examen.]4
   Het bijhorende examen van de [4 module GI]4 bestaat uit [9 vier]9 onderdelen :
   1° een schriftelijk theoretisch deel;
   2° een praktische proef;
   3° een mondeling theoretisch deel;
   4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie;
   5° [9 ...]9.
   [9 ...]9]4.
   Een persoon is geslaagd voor het examen [4 module GI]4 als hij voldoet aan de volgende voorwaarden :
   1° voor het schriftelijke theoretische deel, de praktische proef, het mondelinge theoretische deel en het onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie telkens minstens vijftig procent van de punten behalen en voor die vier onderdelen in totaal minstens zestig procent van de punten behalen;
   2°[9 ...]9.
   [4 ...]4
   [4 ...]4
   Het bijhorende examen van de [4 module GII]4 bestaat uit drie onderdelen :
   1° een schriftelijk theoretisch deel;
   2° een praktische proef;
   3° een mondeling theoretisch deel.
   Een persoon is geslaagd voor het examen [4 module GII]4 als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
  [8 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]8
   § 2. [4 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, past de volgende voorwaarde voor toelating tot het bijhorende examen van de betreffende module toe: aan het examen met betrekking tot de uitbreidingsmodule GII over gasketels met ventilatorbrander kan alleen deelgenomen worden door een technicus met een certificaat van bekwaamheid inzake gasvormige brandstof niveau GI, die geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.]4
   § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt [2 binnen een maand na een examen]2 een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake gasvormige brandstof uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5. [8 ...]8. [8 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]8.
  [8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]8
   § 4. [8 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]8.
   § 5. [6 ...]6
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 2, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5, [3 personeelsleden]3 de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. [5 [7 De bevoegde afdeling]7]5, kan zetelen in de examenjury.
   § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5.]1

  
Art. 43/1. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de combustibles gazeux, visé à l'article 6, 4°, c), organise la formation et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-sections 1re à 5 inclus, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de combustibles gazeux, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 2, sous-section 6, jointe au présent arrêté.
   [4 La formation et le perfectionnement en matière de combustibles gazeux comprennent chaque fois deux modules : un module de base GI ayant trait aux généralités relatives au chauffage aux combustibles gazeux et aux chaudières à gaz avec brûleurs non premix et avec brûleur premix et un module d'extension GII sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé. Chaque module est suivi d'un examen.]4
   L'examen afférent au [4 module GI]4 se compose de [9 quatre]9 parties :
   1° une partie théorique écrite;
   2° une épreuve pratique;
   3° une partie théorique orale;
   4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise;
   5° [9 ...]9.
  [9 ...]9]4.
   Une personne réussit l'examen du [4 module GI]4 lorsqu'elle répond aux conditions suivantes :
   1° obtenir pour la partie théorique écrite, l'épreuve pratique, la partie théorique orale et la partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise chaque fois au moins cinquante pour cent des points et obtenir au total pour ces quatre parties au moins soixante pour cent des points;
   2° obtenir pour l'épreuve sur l'audit de chauffage au moins soixante pour cent des points.
  [4 ...]4
  [4 ...]4
   L'examen afférent au [4 module GII]4 se compose de trois parties :
   1° une partie théorique écrite;
   2° [9 ...]9;
   3° une partie théorique orale.
   Une personne réussit l'examen du [4 module GII]4 lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
  [8 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]8
   § 2. [4 Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, applique la condition suivante d'admission à l'examen afférent du module concerné' seulement un technicien ayant un certificat d'aptitude en combustibles gazeux du niveau GI, qui a réussi une épreuve préalable en électricité, peut participer à l'examen ayant trait au module d'extension GII sur les chaudières à gaz à brûleur à air pulsé.]4
   § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre [2 dans un délai d'un mois après un examen]2 un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de combustibles gazeux après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [5 [7 de la division compétente]7]5. [8 ...]8 [8 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur]8.
  [8 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]8
   § 4. [8 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]8.
   § 5. [6 ...]6
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 2, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [5 [7 la division compétente]7]5, au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque [5 [7 la division compétente]7]5, le demande, offrir aux [3 membres du personnel]3 la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. [5 [7 La division compétente]7]5, peut siéger dans le jury d'examen.
   § 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par [5 [7 la division compétente]7]5.]1

  
Art. 43/3. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, vermeld in artikel 6, 4°, e), organiseert de opleiding met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de opleiding worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 1 en 2, die bij dit besluit is gevoegd, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing met het bijhorende examen inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks, waarvan de inhoud en de minimale duur van de bijscholing worden vastgelegd in bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 5, onderafdeling 3, die bij dit besluit is gevoegd.
   Het bijhorende examen bestaat uit vier onderdelen :
   1° een schriftelijk theoretisch deel;
   2° een praktische proef;
   3° een mondeling theoretisch deel;
   4° een onderdeel over de kennis van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie.
   De praktische proef wordt afgesloten met het invullen van het bijhorende certificaat van de gecontroleerde opslaghouder.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens vijftig procent van de punten behaalt en in totaal minstens zestig procent van de punten behaalt.
  [7 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]7
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt [2 binnen een maand na een examen]2 een certificaat van bekwaamheid of, in voorkomend geval, van bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in paragraaf 1.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [4 [6 de bevoegde afdeling]6]4. [7 ...]7 [7 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]7.
  [7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]7
   § 3. [7 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]7.
   § 4. [5 ...]5
   § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de infrastructuur en het materiaal, vermeld in bijlage 1, hoofdstuk 1, afdeling 4, die bij dit besluit is gevoegd, om de opleiding, theoretische en praktische oefeningen, examens en, in voorkomend geval, de bijscholing te organiseren. De infrastructuur biedt elke leerling de mogelijkheid om zelf proefnemingen uit te voeren.
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [4 [6 de bevoegde afdeling]6]4, minstens een maand voor een opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of, in voorkomend geval, van de bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [4 [6 de bevoegde afdeling]6]4, [3 personeelsleden]3 de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. [4 [6 De bevoegde afdeling]6]4 kan zetelen in de examenjury.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [4 [6 de bevoegde afdeling]6]4.]1

  
Art. 43/3. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, visé à l'article 6, 4°, e), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale de la formation sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-sections 1re et 2, jointe au présent arrêté, et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout, dont le contenu et la durée minimale du perfectionnement sont fixés dans l'annexe 1re, chapitre 3, section 5, sous-section 3, jointe au présent arrêté.
   L'examen y afférent se compose de quatre parties :
   1° une partie théorique écrite;
   2° une épreuve pratique;
   3° une partie théorique orale;
   4° une partie sur la connaissance de la législation flamande et la terminologie y reprise.
   L'épreuve pratique se termine par le fait de remplir le certificat afférent de l'installation de stockage contrôlée.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins cinquante pour cent des points et au total au moins soixante pour cent des points.
  [7 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]7
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre [2 dans un délai d'un mois après un examen]2 un certificat d'aptitude ou, le cas échéant, de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au paragraphe 1er.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [4 [6 de la division compétente]6]4. [7 ...]7. [7 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur]7.
  [7 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]7
   § 3. [7 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]7.
   § 4. [5 ...]5
   § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure et du matériel, visés à l'annexe 1re, chapitre 1er, section 4, jointe au présent arrêté, afin d'organiser la formation, les exercices théoriques et pratiques, les examens et, le cas échéant, le perfectionnement. L'infrastructure donne l'opportunité à chaque participant d'effectuer lui-même des essais.
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [4 [6 la division compétente]6]4 au moins un mois avant le début d'une formation ou, le cas échéant, du perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou, le cas échéant, du perfectionnement et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque [4 [6 la division compétente]6]4 le demande, offrir aux [3 membres du personnel]3 la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. [4 [6 La division compétente]6]4, peut siéger dans le jury d'examen.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par [4 [6 la division compétente]6]4.]1

  
Art. 43/4. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de keuring van [8 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]8 van meer dan 12 kW, vermeld in artikel 6, 4°, f), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor de keuring van [8 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]8 van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de opleiding en de minimale duur van de opleiding en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 1°, die bij dit besluit is gevoegd.
   De opleiding bestaat uit drie modules :
   1° module 1 : wetgeving;
   2° module 2 : energetische aspecten;
   3° module 3 : de correcte uitvoering van de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, [5 ...]5 van titel II van het VLAREM.
   Het bijhorende examen bestaat uit twee onderdelen :
   1° een theorieonderdeel over de onderwerpen die in de opleiding aan bod zijn gekomen;
   2° een oefening over de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, [5 ...]5 van titel II van het VLAREM.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens zeventig procent van de punten behaalt.
  [9 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]9
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert de bijscholing met het bijhorende examen voor de keuring van [8 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]8 van meer dan 12 kW waarvan de inhoud van de bijscholing en de minimale duur van de bijscholing en het bijhorende examen worden vastgelegd in bijlage 12, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.
   Het bijhorende examen bestaat uit een oefening met betrekking tot de keuring, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 3, 4°, [5 ...]5 van titel II van het VLAREM.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij minstens zeventig procent van de punten behaalt.
  [9 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]9
   § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt [2 binnen een maand na een examen]2 een certificaat van bekwaamheid of van bijscholing inzake de keuring van [8 airconditioningsystemen of gecombineerde airconditioning- en ventilatiesystemen met een nominaal vermogen]8 van meer dan 12 kW uit nadat een persoon de opleiding of, in voorkomend geval, de bijscholing, gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, vermeld in § 1, respectievelijk § 2.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [4 [7 de bevoegde afdeling]7]4. [9 ...]9 [9 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]9.
  [9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]9
   § 4. [9 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]9.
   § 5. [6 ...]6
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur en apparatuur om de opleiding, bijscholing en examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [4 [7 de bevoegde afdeling]7]4, minstens een maand voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding of bijscholing en het bijhorende examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [4 [7 de bevoegde afdeling]7]4, [3 personeelsleden]3 de mogelijkheid bieden om de opleidingen, bijscholingen en examens bij te wonen. [4 [7 De bevoegde afdeling]7]4, kan zetelen in de examenjury.
   § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [4 [7 de bevoegde afdeling]7]4.]1

  
Art. 43/4. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement en matière de contrôle de [8 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]8 qui est supérieure à 12 kW, visé à l'article 6, 4°, f), organise la formation et l'examen y afférent en matière de contrôle de [8 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]8 qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu de la formation et la durée minimale de la formation et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 1°, jointe au présent arrêté.
   La formation se compose de trois modules :
   1° module 1 : législation;
   2° module 2 : aspects énergétiques;
   3° module 3 : l'exécution correcte du contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, [5 ...]5 du titre II du VLAREM.
   L'examen y afférent se compose de deux parties :
   1° une partie théorique sur les sujets qui ont été abordés lors de la formation;
   2° un exercice sur le contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, [5 ...]5 du titre II du VLAREM.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient pour chaque partie au moins soixante-dix pour cent des points.
  [9 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]9
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise le perfectionnement et l'examen y afférent en matière de contrôle de [8 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]8 qui est supérieure à 12 kW, dont le contenu du perfectionnement et la durée minimale du perfectionnement et l'examen y afférent sont fixés dans l'annexe 12, 2°, jointe au présent arrêté.
   L'examen afférent se compose d'un exercice relatif au contrôle, visé à l'article 5.16.3.3, § 3, 4°, [5 ...]5 du titre II du VLAREM.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante-dix pour cent des points.
  [9 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]9
   § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre [2 dans un délai d'un mois après un examen]2 un certificat d'aptitude ou de perfectionnement en matière de contrôle de [8 systèmes de climatisation ou systèmes de climatisation et de ventilation combinés, ayant une puissance nominale]8 qui est supérieure à 12 kW après qu'une personne a suivi la formation ou, le cas échéant, le perfectionnement et a réussi l'examen y afférent, visé au § 1er, respectivement au § 2.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions de [4 [7 la division compétente]7]4. [9 ...]9 [9 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur]9.
  [9 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]9
   § 4. [9 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]9.
   § 5. [6 ...]6
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure nécessaire et des appareils afin d'organiser la formation, le perfectionnement et les examens, visés aux paragraphes 1er et 2.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre des résultat des examens des cinq dernières années.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [4 [7 la division compétente]7]4, au moins un mois avant le début d'une formation ou d'un perfectionnement, du lieu et de l'heure de la formation prévue ou du perfectionnement prévu et de l'examen y afférent. Le centre de formation agréé doit, lorsque [4 [7 la division compétente]7]4, le demande, offrir aux [3 membres du personnel]3 la possibilité d'assister aux formations, aux perfectionnements et aux examens. [4 [7 La division compétente]7]4, peut siéger dans le jury d'examen.
   § 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine des plaintes, introduites par [4 [7 la division compétente]7]4.]1

  
Art. 43/5. [1 Het erkende opleidingscentrum voor het verstrekken van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, vermeld in artikel 6, 4°, g) :
   1° beschikt over de nodige infrastructuur om de cursist in staat te stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van de taken van de bodemsaneringsdeskundige;
   2° brengt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, minstens één maand vooraf op de hoogte van de datum van de examens. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, kan zetelen in de examenjury;
   3° moet, als daarom wordt verzocht door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, [2 personeelsleden]2 de mogelijkheid bieden om de opleidingen en examens bij te wonen;
   4° nodigt de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, uit op elke vergadering van de opvolgingscommissie. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, of zijn afgevaardigde maakt van rechtswege deel uit van de opvolgingscommissie. De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, wordt ook in het bezit gesteld van het verslag van de vergadering van de opvolgingscommissie;]1

  [3 5° verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]3
  
Art. 43/5. [1 Le centre de formation agréé pour dispenser la formation complémentaire destinée aux experts en assainissement du sol, visé à l'article 6, 4°, g) :
   1° dispose de l'infrastructure nécessaire afin de permettre au participant d'acquérir les connaissances nécessaires et les aptitudes pour accomplir les tâches de l'expert en assainissement du sol;
   2° informe la division, compétente pour la gestion du sol, au moins un mois au préalable, de la date des examens. La division, compétente pour la gestion du sol, peut siéger dans le jury d'examen;
   3° doit, lorsque la division, compétente pour la gestion du sol, le demande, offrir aux [2 membres du personnel]2 la possibilité d'assister aux formations et aux examens;
   4° invite la division, compétente pour la gestion du sol, à chaque réunion de la commission de suivi. Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, ou son mandataire, fait partie de la commission de suivi de plein droit. La division, compétente pour la gestion du sol, est également mise en possession du rapport de la réunion de la commission de suivi;]1

  [3 5° vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]3
  
Art. 43/6. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III en IV en van het actualisatie-examen, vermeld in artikel 6, 4°, h), organiseert een opleiding en specifieke examens voor personen die een certificaat van categorie I, II, III of IV willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in bijlage 1 van verordening nr. 2015/2067.
   Het examen bestaat uit vier onderdelen :
   1° een theoretisch onderdeel met betrekking tot koeltechniek;
   2° een theoretisch onderdeel met betrekking tot de kennis van de wetgeving inzake koeltechniek;
   3° een praktisch onderdeel met betrekking tot handelingen met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen;
   4° een praktisch onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.
   Een persoon die een certificaat van categorie III of IV wil behalen, is vrijgesteld van het praktische onderdeel met betrekking tot een hardsoldeerproef.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor ieder onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  [5 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]5
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, organiseert een actualisatie-examen voor categorie I, II, III of IV.
   Het actualisatie-examen bestaat uit een theoretisch onderdeel met betrekking tot de relevante milieuwetgeving en technologie inzake koeltechniek.
   Een persoon is geslaagd voor het actualisatie-examen als hij minstens zestig procent van de punten behaalt.
  [5 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]5
   § 3. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid in de koeltechniek van categorie I, II, III of IV of van het actualisatie-examen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1, respectievelijk paragraaf 2.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2. [5 ...]5 [5 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
  [5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]5
   § 4. [5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
   § 5. [3 ...]3
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om de examens, vermeld in paragraaf 1 en 2, te organiseren. Voor het praktische gedeelte zijn de apparatuur, instrumenten en materialen, vermeld in bijlage 20, die bij dit besluit is gevoegd, minimaal aanwezig.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. [2 [4 De bevoegde afdeling]4]2, kan zetelen in de examenjury.
   § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2.
   § 10. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.]1

  
Art. 43/6. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude en technique du froid des catégories I, II, III et IV et pour l'examen de mise à jour, visé à l'article 6, 4°, h), organise une formation et des examens spécifiques pour les personnes désireuses d'obtenir un certificat de catégorie I, II, III ou IV. Le contenu de l'examen répond aux exigences, indiquées dans l'annexe 1ère du règlement no 2015/2067.
   L'examen consiste en quatre parties :
   1° une partie théorique relative à la technique frigorifique ;
   2° une partie théorique ayant trait à la connaissance de la législation en matière de la technique du froid ;
   3° une partie pratique relative aux opérations impliquant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   4° une partie pratique relative à une épreuve de brasage fort.
   Une personne désireuse d'obtenir un certificat de catégorie III ou IV est dispensée de la partie pratique relative à l'épreuve de brasage fort.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour chaque partie.
  [5 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]5
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, organise un examen de mise à jour pour les catégories I, II, III ou IV.
   L'examen de mise à jour comprend une partie théorique relative à la législation environnementale pertinente et relative à la technologie en matière de technique du froid.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante-dix pour cent des points.
  [5 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]5
   § 3. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre un certificat d'aptitude en technique du froid de catégorie I, II, III ou IV ou de l'examen de mise à jour, dans un délai d'un mois suivant un examen, après qu'une personne a réussi l'examen, visé au paragraphe 1er ou au paragraphe 2 respectivement.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [2 [4 de la division compétente]4]2. [5 ...]5 [5 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur.]5
  [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]5
   § 4.[5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]5.
   § 5. [3 ...]3
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser les examens, visés aux paragraphes 1er et 2. Pour la partie pratique, les équipements, les instruments et les matériels, visés à l'annexe 20, jointe au présent arrêté, sont au minimum disponibles.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre, contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [2 [4 la division compétente]4]2, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque [2 [4 la division compétente]4]2 le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. [2 [4 La division compétente]4]2 peut siéger dans le jury d'examen.
   § 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par [2 [4 la division compétente]4]2.
   § 10. 4° Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.]1

  
Art. 43/7. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 4°, i), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 304/2008.
   Het examen bestaat uit twee onderdelen :
   1° een theoretisch onderdeel;
   2° een praktisch onderdeel.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij voor het theoretische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt en voor het praktijkonderdeel minstens zeventig procent van de punten.
  [5 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]5
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor brandbeveiligingsapparatuur uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2. [5 ...]5 [5 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
  [5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]5
   § 3.[5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. [2 [4 De bevoegde afdeling]4]2, kan zetelen in de examenjury.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2.
   § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.]1

  
Art. 43/7. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie, visé à l'article 6, 4°, i), organise une formation et l'examen pour des personnes désireuses d'obtenir le certificat d'aptitude pour équipements de protection contre l'incendie. Le contenu de l'examen répond aux exigences, visées à l'annexe au règlement no 304/2008.
   L'examen consiste en deux parties :
   1° une partie théorique ;
   2° une partie pratique.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique et au au moins septante pour cent des points pour la partie pratique.
  [5 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]5
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre, dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude pour systèmes de protection contre l' incendie, après que la personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [2 [4 de la division compétente]4]2. [5 ...]5 [5 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur.]5
  [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]5
   § 3.[5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre, contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [2 [4 la division compétente]4]2, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque [2 [4 la division compétente]4]2 le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. [2 [4 La division compétente]4]2 peut siéger dans le jury d'examen.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes, introduites par [2 [4 la division compétente]4]2.
   § 9. 4° Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.]1

  
Art. 43/8. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen, vermeld in artikel 6, 4°, j), organiseert een opleiding en het examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 2015/2066.
   Het examen bestaat uit twee onderdelen :
   1° een theoretisch onderdeel;
   2° een praktisch onderdeel.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  [5 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]5
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor elektrische schakelinrichtingen uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2. [5 ...]5 [5 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
  [5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]5
   § 3.[5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. [2 [4 De bevoegde afdeling]4]2, kan zetelen in de examenjury.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2.
   § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.]1

  
Art. 43/8. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour commutations électriques, visé à l'article 6, 4°, j), organise une formation et l'examen pour les personnes désireuses d'obtenir le certificat d'aptitude pour commutations électriques. Le contenu de l'examen répond aux exigences, visées à l'annexe au règlement no 2015/2066.
   L'examen consiste en deux parties :
   1° une partie théorique ;
   2° une partie pratique.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique aussi bien que la partie pratique.
  [5 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]5
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude pour commutations électriques, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [2 [4 de la division compétente]4]2. [5 ...]5 [5 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur.]5
  [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]5
   § 3. [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre, contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [2 [4 la division compétente]4]2, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque [2 [4 la division compétente]4]2 le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. [2 [4 La division compétente]4]2 peut siéger dans le jury d'examen.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par [2 [4 la division compétente]4]2.
   § 9. 4° Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.]1

  
Art. 43/9. [1 § 1. Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat, vermeld in artikel 6, 4°, k), organiseert een opleiding en het examen voor personen die een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat willen behalen. De inhoud van het examen voldoet aan de eisen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 306/2008.
   Het examen bestaat uit twee onderdelen :
   1° een theoretisch onderdeel;
   2° een praktisch onderdeel.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  [5 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]5
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid voor apparatuur die oplosmiddelen bevat uit nadat een persoon geslaagd is voor het examen, vermeld in paragraaf 1.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2. [5 ...]5 [5 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
  [5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]5
   § 3.[5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om het examen, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, minstens een maand voor een examen plaatsvindt, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van het examen. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de examens bij te wonen. [2 [4 De bevoegde afdeling]4]2, kan zetelen in de examenjury.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2.
   § 9. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, zorgt ervoor dat de examenjuryleden goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten.]1

  
Art. 43/9. [1 § 1er. Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, visé à l'article 6, 4°, k), organise une formation et l'examen pour les personnes désireuses d'obtenir un certificat d'aptitude professionnelle pour équipements contenant des solvants. Le contenu de l'examen répond aux exigences, visées à l'annexe au règlement no 306/2008.
   L'examen consiste en deux parties :
   1° une partie théorique ;
   2° une partie pratique.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique aussi bien que pour la partie pratique.
  [5 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]5
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude pour les équipements contenant des solvants, après qu'une personne a réussi l'examen visé au paragraphe 1er.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [2 [4 de la division compétente]4]2. [5 ...]5 [5 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur]5.
  [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]5
   § 3. [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser l'examen, visé au paragraphe 1er.
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [2 [4 la division compétente]4]2, du lieu et de la date de l'examen au moins un mois au préalable. Le centre de formation agréé doit, lorsque [2 [4 la division compétente]4]2 le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux examens. [2 [4 La division compétente]4]2 peut siéger dans le jury d'examen.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par [2 [4 la division compétente]4]2.
   § 9. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, veille à ce que les membres du jury d'examen soient bien au courant des méthodes et des documents d'examen pertinents.]1

  
Art. 43/10. [1 § 1.[6 Het erkende opleidingscentrum voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen, vermeld in artikel 6, 4А, l), organiseert de opleiding met het bijhorende examen voor personen die het certificaat van bekwaamheid voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen, en organiseert, in voorkomend geval, de bijscholing en het bijscholingsexamen of, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen voor personen die het certificaat van bijscholing voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen willen behalen. Het erkende opleidingscentrum bepaalt de inhoud van de opleiding en de bijscholing en het examen aan de hand van de onderwerpen, vermeld in de bijlage bij verordening nr. 307/2008.]6.
   Het erkende opleidingscentrum kan gebruikmaken van de opleidings- en examenpakketten die door de instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt, ter beschikking worden gesteld, op voorwaarde dat [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, de pakketten heeft goedgekeurd.
   Het examen bestaat uit twee onderdelen :
   1° een theoretisch onderdeel;
   2° een praktisch onderdeel.
   Een persoon is geslaagd voor het examen als hij zowel voor het theoretische als het praktische onderdeel minstens zestig procent van de punten behaalt.
  [5 Het erkende opleidingscentrum verifieert de identiteit van de deelnemer bij het examen aan de hand van een geldig identiteitsbewijs.]5
   § 2. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, reikt binnen een maand na een examen een certificaat van bekwaamheid [6 of, in voorkomend geval, van bijscholing]6 voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen uit nadat een persoon de opleiding [6 of, in voorkomend geval, de bijscholing]6 gevolgd heeft en geslaagd is voor het bijhorende examen, [6 of, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen]6 vermeld in paragraaf 1.
   Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 14, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt het opleidingscentrum de instructies van [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2. [5 ...]5 [5 Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
  [5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, registreert binnen de maand na elk examen het certificaat via de elektronische weg die de bevoegde afdeling vastlegt, waarbij minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, 5° en 10°, die bij dit besluit is gevoegd, aan de bevoegde afdeling worden bezorgd.]5
   § 3. [5 Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, stelt binnen de maand na elk examen een verslag van de examenzitting op. Dat verslag wordt ondertekend door de aanwezige examenjuryleden en bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 15, die bij dit besluit is gevoegd. Het verslag wordt gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en de toezichthouder]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, beschikt over de nodige infrastructuur, apparatuur, instrumenten en materialen om [6 de opleiding, de bijscholing en de examens]6, vermeld in paragraaf 1, te organiseren.
   § 6. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, houdt een register bij met de resultaten van de examens van de voorbije vijf jaar.
   § 7. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, brengt [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, minstens een maand [6 voor een opleiding of bijscholing van start gaat, op de hoogte van de plaats en het tijdstip van de geplande opleiding en het bijhorend examen, bijscholing en het bijscholingsexamen of, in voorkomend geval, het bijscholingsexamen]6. Het erkende opleidingscentrum moet, als daarom wordt verzocht door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de opleidingen [6 , bijscholingen]6 en examens bij te wonen. [2 [4 De bevoegde afdeling]4]2, kan zetelen in de examenjury.
   § 8. Het erkende opleidingscentrum, vermeld in paragraaf 1, behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2.
   § 9. [5 ...]5]1

  
Art. 43/10. [1 § 1er.[6 Le centre de formation agréé pour la délivrance du certificat d'aptitude et de perfectionnement pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur, visé à l'article 6, 4°, l), organise la formation et l'examen y afférent pour les personnes désireuses d'obtenir le certificat d'aptitude pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur et organise, le cas échéant, le perfectionnement et l'examen de perfectionnement ou, le cas échéant, l'examen de perfectionnement pour les personnes désireuses d'obtenir le certificat de perfectionnement pour les systèmes de climatisation de certains véhicules à moteur. Le centre de formation agréé détermine le contenu de la formation, du perfectionnement et de l'examen à l'aide des thèmes visés dans l'annexe au règlement no 307/2008.]6.
   Le centre de formation agréé peut utiliser les paquets de formation et d'examen mis à sa disposition par l'instance encadrant la politique de formation sectorielle, à condition que [2 [4 la division compétente]4]2 a approuvé les paquets.
   L'examen consiste en deux parties :
   1° une partie théorique ;
   2° une partie pratique.
   Une personne réussit l'examen lorsqu'elle obtient au moins soixante pour cent des points pour la partie théorique aussi bien que pour la partie pratique.
  [5 Le centre de formation agréé vérifie l'identité du participant à l'examen sur la base d'une pièce d'identité valable.]5
   § 2. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, délivre dans un délai d'un mois après un examen, un certificat d'aptitude [6 ou, le cas échéant, de perfectionnement ]6 pour systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, après que la personne a suivi la formation [6 ou, le cas échéant, le recyclage]6 et a réussi[6 l'examen y afférent ou, le cas échéant, l'examen de perfectionnement visé]6 au paragraphe 1er.
   Le certificat comprend au moins les données, visées à l'annexe 14, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, le centre de formation suit les instructions [2 [4 de la division compétente]4]2. [5 ...]5 [5 Une copie du certificat délivré est conservée pendant cinq ans au moins et tenue à la disposition de la division compétente et du contrôleur]5.
  [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er enregistre le certificat par la voie électronique que détermine la division compétente, étant entendu qu'au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté, sont transmises à la division compétente.]5
   § 3. [5 Dans le mois qui suit chaque examen, le centre de formation agréé visé au paragraphe 1er rédige un rapport de la session d'examen. Ce rapport est signé par les membres du jury d'examen présents et contient au minimum les données visées à l'annexe 15, 5° et 10°, jointe au présent arrêté. Le rapport est conservé pendant cinq ans au moins et tenu à la disposition de la division compétente et du contrôleur]5.
   § 4. [3 ...]3
   § 5. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, dispose de l'infrastructure, de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pour organiser [6 la formation, le perfectionnement et les examens visés]6 au paragraphe 1er.
   § 6. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, tient un registre contenant les résultats des examens des cinq dernières années.
   § 7. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, informe [2 [4 la division compétente]4]2, [6 au moins un mois avant le début d'une formation ou d'un perfectionnement, du lieu et de la date de la formation prévue et de l'examen y afférent, du perfectionnement et de l'examen de perfectionnement ou, le cas échéant, de l'examen de perfectionnement ]6. Le centre de formation agréé doit, lorsque [2 [4 la division compétente]4]2 le demande, offrir aux membres du personnel la possibilité d'assister aux formations [6 , aux perfectionnements]6et aux examens. [2 [4 La division compétente]4]2 peut siéger dans le jury d'examen.
   § 8. Le centre de formation agréé, visé au paragraphe 1er, traite et examine les plaintes introduites par [2 [4 la division compétente]4]2.
   § 9.[5 ...]5]1

  
Onderafdeling 5. - Gebruikseisen voor laboratoria
Sous-section 5. - Conditions d'usage pour laboratoires
Art.44. Het erkende laboratorium neemt [1 ...]1 deel aan de door [1 de bevoegde afdeling]1 georganiseerde controle op de kwaliteit van de beproevingen en monsternemingen, metingen en analyses [1 ...]1 waarvoor het laboratorium erkend is. Die controle kan er in bestaan deel te nemen aan het maken van vergelijkingen tussen de laboratoria, proefmonsters te analyseren en gebruik te maken van standaarden of referentiemateriaal.
  [1 De bevoegde afdeling]1 kan zich voor die controle laten bijstaan [1 door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest]1 die het beoordelingsverslag opstelt. De kosten voor de controle worden voor de helft gedragen door het Vlaamse Gewest. De andere helft komt voor rekening van de deelnemende laboratoria. [1 Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest]1 zorgt voor de facturatie en de inning van de kosten die niet door het Vlaamse Gewest worden gedragen.
  [1 ...]1
  [1 Een gedeelte van een pakket of een volledig pakket wordt beoordeeld :
   1° in geval van een ringtest op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 1, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° in geval van een technische proef op basis van de evaluatie van de criteria, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, die bij dit besluit is gevoegd.]1

  [1 [3 ...]3
   Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het beoordelingsverslag en legt, in voorkomend geval, een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het [2 goedgekeurde]2 plan van aanpak.]1

  
Art.44. Le laboratoire agréé participe [1 ...]1 au contrôle de la qualité des essais et échantillonnages, mesures et analyses, organisé par [1 la division compétente]1, [1 ...]1 pour lequel le laboratoire a été agréé. Ce contrôle peut consister en la participation à l'établissement de comparaisons entre les laboratoires, en l'analyse d'échantillons d'essai et en l'utilisation de standards ou de matériel de référence.
  Pour ce contrôle, [1 la division compétente]1 peut se faire assister [1 par le laboratoire de référence de la Région flamande]1, qui établira le rapport d'évaluation. La moitié des coûts du contrôle sont à la charge de la Région flamande; l'autre moitié est prise en compte par les laboratoires participants. [1 Le laboratoire de référence de la Région flamande]1 se charge de la facturation et du recouvrement des coûts non portés par la Région flamande.
  [1 ...]1
  [1 Une partie d'un paquet ou un paquet complet est évalué :
   1° en cas d'une épreuve de l'anneau sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 1er, jointe au présent arrêté;
   2° en cas d'une épreuve technique sur la base de l'évaluation des critères, visés à l'annexe 10, chapitre 2, jointe au présent arrêté.]1

   [1 [3 ...]3
   Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'évaluation et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande. Le plan d'approche doit être approuvé par la division compétente. Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche [2 approuvé.]2]1

  
Art.45. [1 § 1. Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, de volgende methoden toe :
   1° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van water, afgekort WAC;
   2° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse van lucht, afgekort LUC;
   3° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c) : het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming, afgekort BOC;
   4° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d) : het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, afgekort BAM;
   5° een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) en f) : het compendium voor de monsterneming en analyse in het kader van het Materialendecreet en het Bodemdecreet, afgekort CMA [3 , en het WAC ]3.
  [2 Het compendium wordt op voorstel van de bevoegde afdeling goedgekeurd bij ministerieel besluit en de inhoudstafel wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.]2
   § 2. Het erkende laboratorium past voor de monsternemingen, beproevingen, metingen en analyses waarvoor het erkend is, en waarvoor in de compendia, vermeld onder paragraaf 1, geen methoden opgenomen zijn, de volgende methoden toe :
   1° de methoden, vermeld in de toepasselijke bepalingen in de wetten, decreten en besluiten die van toepassing zijn in het Vlaamse Gewest;
   2° de methoden, vermeld in Belgische normen die uitgegeven zijn door het NBN;
   3° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door het Comité Européen de Normalisation (CEN);
   4° de methoden, vermeld in normen die uitgegeven zijn door de International Organisation for Standardization (ISO);
   5° de methoden van een in die materie onderlegde instelling of erkend laboratorium, die door het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest en de bevoegde afdeling geschikt bevonden zijn.
   De volgorde, vermeld in het eerste lid, is bepalend. De minister kan de methoden als vermeld in punt 3° en 4° bepalen.]1

  
Art.45. [1 § 1er. Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé :
   1° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, a) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'eau, " WAC " en abrégé;
   2° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, b) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse de l'air, " LUC " en abrégé;
   3° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c) : le compendium pour l'échantillonnage, la mesure et l'analyse dans le cadre de la protection du sol, " BOC " en abrégé;
   4° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, d) : le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, " BAM " en abrégé;
   5° un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) et f) : le compendium pour l'échantillonnage et l'analyse dans le cadre du décret sur les matériaux et du décret relatif au sol, " CMA " en abrégé [3 , et le WAC]3.
  [2 Le compendium est approuvé par arrêté ministériel, sur proposition de la division compétente, et sa table des matières est publiée par extrait au Moniteur belge.]2
   § 2. Le laboratoire agréé adopte les méthodes suivantes pour les échantillonnages, les essais, les mesures et les analyses pour lesquels il est agréé et pour lesquels aucune méthode n'a été reprise dans les compendiums, visés au paragraphe 1er :
   1° les méthodes, visées aux dispositions applicables dans les lois, décrets et arrêtés qui s'appliquent en Région flamande;
   2° les méthodes, visées aux normes belges publiées par le NBN;
   3° les méthodes, visées aux normes publiées par le Comité européen de Normalisation (CEN);
   4° les méthodes, visées aux normes publiées par l'Organisation internationale de normalisation (ISO);
   5° les méthodes d'un organisme instruit en la matière ou d'un laboratoire agréé, qui sont jugées appropriées par le laboratoire de référence de la Région flamande et la division compétente.
   L'ordre, visé à l'alinéa premier, est déterminant. Le Ministre peut fixer les méthodes telles que visées aux points 3° et 4°.]1

  
Art.46. § 1. Het erkende laboratorium verleent zijn medewerking aan [1 de bevoegde afdeling]1 en [1 ...]1 [1 het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest]1 voor audits die door [1 de bevoegde afdeling]1 in het laboratorium of op de meetlocatie worden georganiseerd.
  § 2. Het erkende laboratorium stelt aan de bevoegde personeelsleden van [1 het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest]1 alle inlichtingen en documenten ter beschikking die ze vragen [1 in het kader van de audit]1.
  [1 § 3. Het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest stelt het verslag op van de uitgevoerde audit. Het erkende laboratorium geeft op verzoek van de bevoegde afdeling het nodige gevolg aan het auditverslag en legt in voorkomend geval een plan van aanpak met corrigerende maatregelen en termijnen van uitvoering voor aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest. Het plan van aanpak moet door de bevoegde afdeling goedgekeurd worden. Het erkende laboratorium voert de corrigerende maatregelen uit binnen de termijn die is opgenomen in het [2 goedgekeurde]2 plan van aanpak.]1
  
Art.46. § 1er. Le laboratoire agréé prête son concours à [1 la division compétente]1 et [1 ...]1 [1 au laboratoire de référence de la Région flamande]1 en ce qui concerne les audits que [1 la division compétente]1 organise au laboratoire ou au site de mesure.
  § 2. Le laboratoire agréé met à la disposition des membres du personnel compétents [1 du laboratoire de référence de la Région flamande]1 tous les informations et documents qu'ils demandent [1 dans le cadre de l'audit]1.
  [1 § 3. Le laboratoire de référence de la Région flamande établit le rapport de l'audit exécuté. Sur la demande de la division compétente, le laboratoire agréé donne la suite nécessaire au rapport d'audit et présente, le cas échéant, un plan d'approche avec des mesures de correction et des délais d'exécution à la division compétente et au laboratoire de référence de la Région flamande. Le plan d'approche doit être approuvé par la division compétente. Le laboratoire agréé exécute les mesures de correction dans le délai qui est repris dans le plan d'approche [2 approuvé]2.]1
  
Art.47. Het erkende laboratorium verleent op elk moment toegang tot het laboratorium aan [1 de bevoegde afdeling]1 en de bevoegde personeelsleden van [1 het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest]1. [1 Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), verleent bovendien op elk moment toegang tot het laboratorium aan [2 de subentiteit van het Departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming]2.]1
  
Art.47. Le laboratoire agréé donne accès au laboratoire à [1 la division compétente]1 et aux membres du personnel compétents [1 du laboratoire de référence de la Région flamande]1 à quelconque moment. [1 En outre, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), donne accès au laboratoire à [2 la sous-entité du Département de l'Environnement, compétente pour la protection du sol]2, à tout moment.]1
  
Art.48. [1 Het erkende laboratorium beschikt voor ten minste één parameter per discipline waarvoor het erkend is, over een ISO/IEC 17025-accreditatie met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45. Voor de overige parameters waarvoor het laboratorium erkend is, wordt ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toegepast.
   In de volgende gevallen is het laboratorium vrijgesteld van de gebruikseis, vermeld in het eerste lid, op voorwaarde dat het ISO/IEC 17025 met betrekking tot de te volgen methoden, vermeld in artikel 45, toepast :
   1° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), dat alleen erkend is voor het pakket W.1, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), dat alleen erkend is voor het pakket [3 L.11.1, L.11.2, L.11.3 of L.18]3, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd;
   3° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), dat alleen erkend is voor het pakket M-M1 [2 , M-M3, M-M5 of M-M6]2, vermeld in bijlage 3, 4°, die bij dit besluit is gevoegd;
   4° een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e), dat alleen erkend is voor het pakket MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 of MA.7.2, vermeld in bijlage 3, 5°, die bij dit besluit is gevoegd.]1

  
Art.48. [1 Le laboratoire agréé dispose, pour au moins un paramètre par discipline pour lequel il est agréé, d'une accréditation ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45. Pour les autres paramètres pour lesquels le laboratoire est agréé, la norme ISO/IEC 17025 relative aux méthodes à suivre, visées à l'article 45, est appliquée.
   Dans les cas suivants, le laboratoire est dispensé de l'exigence, stipulée à l'alinéa premier, à condition qu'il applique la norme ISO/CEI 17025 relative aux méthodes à suivre, mentionnées à l'article 45 :
   1° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, a), qui est uniquement agréé pour le paquet W.1, visé à l'annexe 3, 1°, jointe au présent arrêté ;
   2° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, b), qui est uniquement agréé pour le paquet [3 L.11.1, L.11.2, L.11.3 ou L.18]3, visés à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté ;
   3° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, d) qui est uniquement agréé pour le paquet M-M1 [2 , M-M3, M-M5 ou M-M6]2, visés à l'annexe 3, 4°, jointe au présent arrêté ;
   4° un laboratoire visé à l'article 6, 5°, e), qui est uniquement agréé pour les paquets MA.1, MA.2, MA.3, MA.4, MA.5, MA.6, MA.7.1 ou MA.7.2, visés à l'annexe 3, 5°, jointe au présent arrêté.]1

  
Art.49. [1 Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt een erkenningslogo aangebracht en wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet. Het erkenningslogo kan door de minister vastgesteld worden [3 in de compendia, vermeld in artikel 45, § 1]3.]1 [2 De verslagen en andere documenten worden gedurende ten minste vijf jaar bewaard en ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.]2
  
Art.49. [1 Un logo d'agrément est appliqué et il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas. Le logo d'agrément peut être fixé par le Ministre]1 [3 aux compendiums visés à l'article 45, § 1.]3 [2 Les rapports et autres documents sont conservés pendant cinq ans au moins et tenus à la disposition de la division compétente et du laboratoire de référence de la Région flamande.]2
  
Art.50. [1 § 1. Alle gegevens van de monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses die nuttig kunnen zijn, worden bijgehouden en blijven op dusdanige wijze bewaard dat een controle mogelijk is, zowel op het verloop van de verrichtingen als op de wijze waarop de resultaten verkregen zijn. Die gegevens blijven gedurende ten minste drie jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
   § 2. Het erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :
   1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft, de volledige identificatie van de monsters en de datum [2 van de monsterneming]2;
   2° het resultaat van de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de monsternemingsmethode, de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.
   Als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), analyses heeft uitbesteed aan andere erkende laboratoria, vermeldt het analyseverslag dat wordt opgesteld door het erkende laboratorium, waaraan de desbetreffende parameters zijn uitbesteed, de gebruikte methoden en de gedetailleerde verwijzing naar het monster. Dat analyseverslag wordt gevoegd bij het analyseverslag van de parameters die niet zijn uitbesteed.]1

  
Art.50. [1 § 1er. Toutes les données des échantillonnages, mesures, essais et analyses pouvant être utiles, sont conservées et stockées d'une telle manière qu'un contrôle soit possible, tant du déroulement des opérations que du mode d'obtention des résultats. Ces données sont conservées pendant au moins trois ans et sont tenues à la disposition de la division compétente et du laboratoire de référence de la Région flamande.
   § 2. Le laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
   1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons, l'identification complète des échantillons et la date [2 de l'échantillonnage]2;
   2° le résultat des échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, avec mention de la méthode utilisée, des conditions de mesure et d'analyse et, le cas échéant, les dérogations à la méthode d'échantillonnage, de mesure et d'analyse, et le motif.
   Lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), a sous-traité des analyses à d'autres laboratoires agréés, le rapport d'analyse qui est établi par le laboratoire agréé, auquel les paramètres concernés ont été sous-traités, mentionne les méthodes utilisées et la référence détaillée à l'échantillon. Ce rapport d'analyse est joint au rapport d'analyse des paramètres qui n'ont pas été sous-traités.]1

  
Art.51. [1 Het erkende laboratorium moet beschikken over :
   1° procedures die garanderen dat directie en personeel gevrijwaard zijn van ongepaste interne en externe commerciële, financiële en andere verplichtingen en invloeden die de kwaliteit van hun werk nadelig kunnen beïnvloeden;
   2° beleid en procedures die betrokkenheid uitsluiten bij activiteiten die het vertrouwen in zijn bekwaamheid, onpartijdigheid, oordeelkundigheid of operationele integriteit zouden kunnen schaden.
   Indien de objectiviteit en onafhankelijkheid door het erkende laboratorium niet kunnen gegarandeerd worden, mag de erkenning niet gebruikt worden.]1

  
Art.51. [1 Le laboratoire agréé doit disposer :
   1° de procédures garantissant que la direction et le personnel sont à l'abri d'obligations commerciales et financières internes et externes et d'autres obligations et influences susceptibles d'impacter la qualité de son travail négativement ;
   2° d'une politique et de procédures qui excluent l'implication dans des activités susceptibles de nuire à la confiance en son aptitude, en son jugement ou en son intégrité opérationnelle.
   Si l'objectivité et l'indépendance ne peuvent pas être garanties par le laboratoire agréé, l'agrément ne peut pas être utilisé.]1

  
Art.52. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), stelt de adviezen met betrekking tot [1 het besluit van de Vlaamse Regering van [2 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid]2 op, conform de Code van goede praktijk bodembescherming.
  
Art.52. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), établit les avis relatifs à [1 l'arrêté du Gouvernement flamand du [2 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune]2]1, conformément au Code de bonne pratique de la protection du sol.
  
Art.53. [1 Het erkende laboratorium voert de opdrachten met betrekking tot de erkenning zelf uit, tenzij in een van de volgende gevallen :
   1° bij tijdelijke en onvoorziene omstandigheden, waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een laboratorium dat erkend is voor het pakket inzake de uitvoering van de opdracht;
   2° als een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) of f), gebruikmaakt van de mogelijkheid, vermeld in artikel 25, vierde lid;
   3° bij monsterneming inzake een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), c), d) en e) waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een derde die niet erkend is voor de betreffende monsterneming;
   4° bij dataverwerking waarbij de opdracht uitbesteed wordt aan een derde die niet erkend is voor de betreffende meting, beproeving of analyse en mits voorafgaande goedkeuring door de bevoegde afdeling.
   Voor de gevallen, vermeld in punt 1° en 2°, moet het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteedt, kunnen aantonen dat dit besluit voor de desbetreffende uitbesteding nageleefd wordt. Het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteedt, is verantwoordelijk voor de correcte overdracht van de monsters naar of vanuit het andere erkende laboratorium en voor de rapportage, inclusief de correcte vermelding in het verslag van de resultaten en gegevens, verstrekt door het andere erkende laboratorium. Het erkende laboratorium dat de opdracht uitvoert, is voor het overige deel van de opdracht verantwoordelijk. De uitbesteding moet vermeld worden op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door het erkende laboratorium dat de opdracht uitbesteed heeft.
   Voor de gevallen, vermeld in punt 3° en 4°, is het erkende laboratorium verantwoordelijk voor de correcte uitvoering van de gehele opdracht. Het erkende laboratorium moet kunnen aantonen dat dit besluit voor de desbetreffende uitbesteding nageleefd wordt.]1

  
Art.53. [1 Le laboratoire agréé exécute lui-même les tâches faisant l'objet de l'agrément, sauf dans les cas suivants :
   1° dans des circonstances imprévues et temporaires, dans lesquelles e marché est confié à un laboratoire agréé pour le paquet relatif à l'exécution du marché ;
   2° lorsqu'un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, e) ou f), utilise la possibilité, visée à l'article 25, alinéa quatre ;
   3° dans le cas d'un échantillonnage pour le compte d'un laboratoire agréé, tel que visé à l'article 6, 5°, a), c), d) et e), pour lequel le marché est confié à un tiers qui n'est pas agréé pour l'échantillonnage concerné ;
   4° dans le cas de traitement de données confié à un tiers qui n'est pas agréé pour les mesurages, essais ou analyses et sous réserve de l'approbation préalable par la division compétente.
   Pour les cas visés aux points 1° et 2°, le laboratoire agréé doit pouvoir démontrer que le présent arrêté est respecté dans le cadre de la sous-traitance concernée. Le laboratoire agréé qui sous-traite le marché, est responsable du transfert correct des échantillons vers ou depuis un autre laboratoire agréé et pour les rapports, y compris la mention correcte des résultats et des données fournis par l'autre laboratoire agréé dans ces rapports. Le laboratoire agréé exécutant le marché, est responsable du reste du marché. La sous-traitance doit être mentionnée sur les rapports et autres documents délivrés par le laboratoire agréé qui a sous-traité le marché.
   Pour les cas visés au points 3° et 4°, le laboratoire agréé est responsable de la bonne exécution de l'intégralité du contrat. Le laboratoire agréé doit être à même de démontrer que le présent arrêté est respecté pour la sous-traitance concernée.]1

  
Art. 53/1. [1 § 1. Voor bepaalde door de minister vastgestelde monsternemingen en analyses die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet [3 of de uitvoeringsbesluiten ervan]3, wordt een aanmelding gedaan door het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), aan de Mestbank via een webapplicatie die de Mestbank ter beschikking stelt. De minister bepaalt de nadere regels voor de aanmelding en de webapplicatie [4 in het BAM]4. Alleen de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de Mestbank, kunnen gebruikt worden om bepaalde rechten te verkrijgen in het kader van het Mestdecreet of om te voldoen aan bepaalde verplichtingen in het kader van het Mestdecreet.
   § 2. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bezorgt van elke aangemelde monsterneming de analyseresultaten aan de Mestbank. De minister bepaalt de procedure voor die gegevensoverdracht [4 in het BAM]4.
   § 3. [3 Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), zorgt dat er een gps-datalogger gebruikt wordt bij de monsternemingen.
   Voor bepaalde door de minister vastgestelde monsternemingen worden de dataloggegevens in gps exchange format (gpx) bezorgd aan de Mestbank via een webapplicatie die de Mestbank ter beschikking stelt. De minister bepaalt de nadere regels voor het gebruik van de gps-datalogger en de procedure voor de overdracht van het gpx-bestand met de dataloggegevens [4 in het BAM]4.]3
]1

  [3 § 4. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bewaart de resultaten van de kwaliteitscontrole als vermeld in het BAM gedurende ten minste vijf jaar en houdt ze ter beschikking van de Mestbank en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
   § 5. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), bewaart het gpx-bestand met de dataloggegevens en het monsternameformulier die de monsternemer aanlevert gedurende ten minste vijf jaar en houdt dat bestand en formulier ter beschikking van de Mestbank en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
   § 6. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), organiseert een opleiding voor een monsternemer die geregistreerd wil worden. De onderdelen van de inhoud van de opleiding zijn opgenomen in bijlage 23, die bij dit besluit is gevoegd.
   Het erkende laboratorium reikt een bevoegdheidsverklaring uit aan een monsternemer nadat hij de opleiding gevolgd heeft en voldoet aan de eisen die het laboratorium vastgelegd heeft in de procedure voor de opleiding die in het kwaliteitssysteem van het erkende laboratorium opgenomen is.
   Als het erkende laboratorium een monsternemer die het geregistreerd heeft, niet langer bevoegd acht, meldt het laboratorium dat onmiddellijk aan de Mestbank, met opgave van de reden waarom het de bevoegdheidsverklaring heeft ingetrokken.
   § 7. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), zorgt dat de monsternemingen van de bodem uitgevoerd worden door een monsternemer die het geregistreerd heeft als vermeld in artikel 58/3, met toepassing van de gebruikseisen, vermeld in artikel 58/4.
   § 8. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), zorgt dat bij de monsternemingen van de bodem de geregistreerde monsternemer conform het kwaliteitssysteem van het erkende laboratorium en het BAM werkt.
   § 9. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, d), zorgt dat de geregistreerde monsternemer gedurende de monsternemingen over het nodige materiaal, vermeld in het BAM, beschikt.]3

  
Art. 53/1. [1 § 1er. Pour certaines échantillonnages et analyses fixés par le Ministre qui sont exécutés dans le cadre du décret sur les engrais [3 ou de ses arrêtés d'exécution]3, une notification est faite par le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), à la Mestbank via une application web, mise à disposition par la Mestbank. Le Ministre fixe les modalités de la notification et de l'application web [4 au BAM]4. Seulement les résultats d'analyse des échantillonnages qui sont notifiés au préalable à la Mestbank, peuvent être utilisés pour obtenir certains droits dans le cadre du décret sur les engrais ou pour satisfaire à certaines obligations dans le cadre du décret sur les engrais.
   § 2. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), transmet les résultats d'analyse de chaque échantillonnage notifié à la Mestbank. Le Ministre fixe la procédure de ce transfert de données [4 au BAM]4.
   § 3. [3 Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), veille à ce qu'un enregistreur de données GPS soit utilisé lors des prélèvements d'échantillons.
   Pour certains prélèvements d'échantillons fixés par le ministre, les données de l'enregistreur de données sont transmises à la Mestbank au format GPS exchange (GPX) via une application web mise à disposition par la Mestbank. Le ministre fixe les modalités de l'utilisation de l'enregistreur de données GPS et la procédure du transfert du fichier GPX contenant les données de l'enregistreur de données [4 au BAM]4.]3
]1

  [3 § 4. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), conserve les résultats du contrôle de qualité visé dans le BAM pendant cinq ans au moins et les tient à la disposition de la Mestbank et du laboratoire de référence de la Région flamande.
   § 5. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), conserve le fichier GPX contenant les données de l'enregistreur de données et le formulaire d'échantillonnage remis par l'échantillonneur pendant cinq ans au moins et les tient à la disposition de la Mestbank et du laboratoire de référence de la Région flamande.
   § 6. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), organise une formation pour l'échantillonneur qui désire être enregistré. Les éléments de la formation sont repris à l'annexe 23 jointe au présent arrêté.
   Le laboratoire agréé délivre une habilitation à l'échantillonneur qui a suivi la formation et satisfait aux exigences fixées par le laboratoire dans la procédure pour la formation reprise dans le système de qualité du laboratoire agréé.
   Si le laboratoire agréé considère qu'un échantillonneur qu'il a enregistré n'est plus compétent, il en avise aussitôt la Mestbank, en indiquant le motif du retrait de l'habilitation.
   § 7. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), veille à ce que les prélèvements d'échantillons du sol soient effectués par un échantillonneur qu'il a enregistré tel que visé à l'article 58/3, en appliquant les conditions d'usage visées à l'article 58/4.
   § 8. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), veille à ce que, lors des prélèvements d'échantillons du sol, l'échantillonneur enregistré travaille conformément au système de qualité du laboratoire agréé et au BAM.
   § 9. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, d), veille à ce que l'échantillonneur enregistré dispose, durant les prélèvements d'échantillons, du matériel nécessaire visé dans le BAM.]3

  
Art. 53/2. [1 [4 § 1. Voor alle monsternemingen die uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van 24 oktober 2014 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid doet het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), een aanmelding bij de subentiteit van het departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming. De aanmelding wordt gedaan via een webapplicatie. De minister bepaalt de nadere regels voor de aanmelding en de webapplicatie [5 in het BOC]5. Alleen de analyseresultaten van de monsternemingen die voorafgaand zijn aangemeld bij de subentiteit van het departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming, kunnen gebruikt worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van [6 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid" ]6.
   § 2. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), zorgt dat er een gps-datalogger gebruikt wordt bij de monsternemingen.
   Het gpx-bestand met de dataloggegevens wordt bezorgd aan de subentiteit van het departement Omgeving, bevoegd voor bodembescherming, via een webapplicatie. De minister bepaalt de nadere regels voor het gebruik van de gps-datalogger en de procedure voor de overdracht van het gpx-bestand met de dataloggegevens [5 in het BOC]5.
   § 3. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), bewaart de resultaten van de kwaliteitscontrole als vermeld in het BOC gedurende ten minste vijf jaar en houdt ze ter beschikking van het departement en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
   § 4. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), bewaart het gpx-bestand met de dataloggegevens en het monsternameformulier die de monsternemer aanlevert, en het advies als vermeld in de Code van goede praktijk bodembescherming gedurende ten minste vijf jaar en houdt dat bestand, formulier en advies ter beschikking van het departement en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest.
   § 5. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), organiseert een opleiding voor een monsternemer die geregistreerd wil worden. De onderdelen van de inhoud van de opleiding zijn opgenomen in bijlage 23, die bij dit besluit is gevoegd.
   Het erkende laboratorium reikt een bevoegdheidsverklaring uit aan een monsternemer nadat hij de opleiding gevolgd heeft en voldoet aan de eisen die het laboratorium vastgelegd heeft in de procedure voor de opleiding die in het kwaliteitssysteem van het erkende laboratorium opgenomen is.
   Als het erkende laboratorium een monsternemer die het geregistreerd heeft, niet langer bevoegd acht, meldt het laboratorium dat onmiddellijk aan de Mestbank, met opgave van de reden waarom het de bevoegdheidsverklaring heeft ingetrokken.]4
]1

  [4 § 6. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), zorgt dat de monsternemingen van de bodem uitgevoerd worden door een monsternemer die het geregistreerd heeft als vermeld in artikel 58/3, met toepassing van de gebruikseisen, vermeld in artikel 58/4.
   § 7. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), zorgt dat bij de monsternemingen van de bodem de geregistreerde monsternemer conform het kwaliteitssysteem van het erkende laboratorium en het BOC werkt.
   § 8. Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), zorgt ervoor dat de geregistreerde monsternemer gedurende de monsternemingen over het nodige materiaal, vermeld in het BOC, beschikt.]4

  
Art. 53/2. [1 § 1er. Pour tous les prélèvements d'échantillons exécutés dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du 24 octobre 2014 fixant les règles relatives aux paiements directs en faveur des agriculteurs au titre des régimes de soutien relevant de la politique agricole commune, le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), fait une notification auprès de la sous-entité du Département de l'Environnement, compétente pour la protection du sol. La notification est faite via une application web. Le ministre fixe les modalités de la notification et de l'application web [2 au BOC]2. Seuls les résultats d'analyse des prélèvements d'échantillons qui ont été préalablement notifiés auprès de la sous-entité du Département de l'Environnement, compétente pour la protection du sol, peuvent être utilisés dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du [3 1 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune]3.
   § 2. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), veille à ce qu'un enregistreur de données GPS soit utilisé lors des prélèvements d'échantillons.
   Le fichier GPX contenant les données de l'enregistreur de données est transmis à la sous-entité du Département de l'Environnement, compétente pour la protection du sol via une application web. Le ministre fixe les modalités de l'utilisation de l'enregistreur de données GPS et la procédure du transfert du fichier GPX contenant les données de l'enregistreur de données [2 au BOC]2.
   § 3. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), conserve les résultats du contrôle de qualité visé dans le BOC pendant cinq ans au moins et les tient à la disposition du département et du laboratoire de référence de la Région flamande.
   § 4. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), conserve le fichier GPX contenant les données de l'enregistreur de données et le formulaire d'échantillonnage remis par l'échantillonneur ainsi que l'avis visé dans le code de bonne pratique de protection du sol pendant cinq ans au moins et les tient à la disposition du département et du laboratoire de référence de la Région flamande.
   § 5. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), organise une formation pour l'échantillonneur qui désire être enregistré. Les éléments de la formation sont repris à l'annexe 23 jointe au présent arrêté.
   Le laboratoire agréé délivre une habilitation à l'échantillonneur qui a suivi la formation et satisfait aux exigences fixées par le laboratoire dans la procédure pour la formation reprise dans le système de qualité du laboratoire agréé.
   Si le laboratoire agréé considère qu'un échantillonneur qu'il a enregistré n'est plus compétent, il en avise aussitôt la Mestbank, en indiquant le motif du retrait de l'habilitation.]1

  [1 § 6. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), veille à ce que les prélèvements d'échantillons du sol soient effectués par un échantillonneur qu'il a enregistré tel que visé à l'article 58/3, en appliquant les conditions d'usage visées à l'article 58/4.
   § 7. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), veille à ce que, lors des prélèvements d'échantillons du sol, l'échantillonneur enregistré travaille conformément au système de qualité du laboratoire agréé et au BOC.
   § 8. Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), veille à ce que l'échantillonneur enregistré dispose, durant les prélèvements d'échantillons, du matériel nécessaire visé dans le BOC.]1

  
Onderafdeling 6. [1 - Gebruikseisen voor bodemsaneringsdeskundigen]1
Sous-section 6. [1 - Exigences d'utilisation pour experts en assainissement du sol]1
Art. 53/3. [1 § 1. De erkende bodemsaneringsdeskundige, vermeld in artikel 6, 6° :
   1° ziet erop toe dat alle monsters die genomen zijn in het kader van het Bodemdecreet, geanalyseerd worden overeenkomstig het CMA [4 en het WAC]4, door een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f);
   2° voert het veldwerk uit of ziet erop toe dat het veldwerk wordt uitgevoerd overeenkomstig het CMA [4 en het WAC]4;
   3° deelt op eenvoudig verzoek onmiddellijk aan de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, mee waar veldwerk in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan wordt gepland in de periode die is aangegeven in het verzoek van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer;
   4° voert de taken, vermeld in artikel 6, 6°, uit in overeenstemming met de standaardprocedures of de codes van goede praktijk, vermeld in het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
   5° houdt een klachtenregister bij dat ter inzage ligt voor de toezichthoudende overheid;
   6° [3 beschikt zelf over een model voor risicoanalyse van bodemverontreiniging dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, als het om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 gaat;]3
   7° [3 ...]3
   8° [3 beschikt over een kwaliteitshandboek, en past de inhoud ervan toe bij de uitvoering van taken in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan. Het kwaliteitshandboek wordt opgesteld conform een code van goede praktijk;]3 [4 Het kwaliteitshandboek bevat ook de omschrijving van de taken van de kwaliteitsverantwoordelijke, vermeld in artikel 25/1, 5°, en artikel 25/2, 12°.
   De kwaliteitsverantwoordelijke heeft minstens de volgende taken bij de bodemsaneringsdeskundige:
   a) optreden als algemeen aanspreekpunt over de kwaliteit van de uitvoering van de taken van de bodemsaneringsdeskundige in het kader van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten;
   b) uitvoeren van interne kwaliteitscontroles;
   c) opvolgen van relevante wetgeving;
   d) opvolgen van audits;
   e) opvolgen en inventariseren van klachten;]4

   9° [2 schoolt zich of de personen die bij hem in dienst zijn, permanent bij wat betreft het milieucompartiment bodem, inclusief milieutechnologie en milieuwetgeving in verband met bodem, door cursussen, seminaries, studiedagen en dergelijke te volgen. De duur van de bijscholing van de bodemsaneringsdeskundige per kalenderjaar is als volgt :
   a) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2. Als er meer dan twee personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 15 uur bedraagt;
   b) in geval van een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : de duur van de bijscholing bedraagt minstens 7,5 uur per persoon die voor de bodemsaneringsdeskundige beschikt over een handtekeningsbevoegdheid module 1 of 2, met een minimum van 20 uur als de totale duur van de bijscholing. Als er meer dan acht personen beschikken over de voormelde handtekeningsbevoegdheid voor de bodemsaneringsdeskundige, is voldaan aan de bijscholingsvereiste als de totale duur van de bijscholing minstens 60 uur bedraagt.]2

  [3 10° beschikt over :
   a) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
   b) als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid;
   11° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte materiaal beschikt dat in goede staat is, voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de bemonstering van het vaste deel van de aarde en van het grondwater;
   12° zorgt ervoor dat het personeel dat het veldwerk in het kader van de erkenning uitvoert, opgeleid is om monsters te nemen en veldmetingen uit te voeren;
   13° voert de auditverplichtingen, opgelegd bij of krachtens artikel 8bis van het Bodemdecreet, uit.]3

   § 2. De erkende bodemsaneringsdeskundige van type 2 beschikt bovendien over een mathematisch grondwatermodel dat aanvaard wordt door de afdeling, bevoegd voor bodembeheer.]1

  
Art. 53/3. [1 § 1er. L'expert en assainissement du sol agréé, visé à l'article 6, 6° :
   1° veille à ce que tous les échantillons prélevés dans le cadre du décret relatif au sol soient analysés conformément au CMA [4 et au WAC]4, par un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, f);
   2° exécute le travail sur le terrain ou veille à ce que le travail sur le terrain soit exécuté conformément au CMA [4 et au WAC]4;
   3° communique, sur simple demande, immédiatement à la division, compétente pour la gestion du sol, où du travail sur le terrain dans le cadre du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution est prévu dans la période indiquée dans la demande de la division, compétente pour la gestion du sol;
   4° exécute les tâches, visées à l'article 6, 6°, conformément aux procédures standard ou aux codes de bonne pratique, visés au décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution;
   5° tient un registre des plaintes qui peut être consulté par l'autorité de contrôle;
   6° [3 dispose lui-même d'un modèle d'analyse des risques de pollution du sol qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol, dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 ;]3
   7° [3 ...]3
   8° [3 dispose d'un manuel de qualité et applique son contenu lors de la mise en oeuvre de tâches dans le cadre du décret relatif au sol et de ses arrêtés d'exécution. Le manuel de qualité est rédigé selon un code de bonne pratique. [4 Le manuel de qualité contient également la description des tâches du responsable de la qualité visé à l'article 25/1, 5°, et article 25/2, 12°.
   Le responsable de la qualité a au moins les tâches suivantes auprès de l'expert en assainissement du sol :
   a) agir en tant que point de contact général en matière de la qualité de l'exécution des tâches de l'expert en assainissement du sol dans le cadre du Décret relatif au sol et de ses arrêtés d'exécution ;
   b) effectuer des contrôles de qualité internes ;
   c) assurer le suivi de la législation pertinente ;
   d) assurer le suivi des audits ;
   e) assurer le suivi et inventorier des plaintes ;]4

   9° [2 se perfectionne ou perfectionne les personnes qu'il emploie en permanence en ce qui concerne le compartiment écologique du sol, y compris la technologie environnementale et la législation environnementale concernant le sol, en suivant des cours, des séminaires, des journées d'étude et cetera. La durée de la formation professionnelle continue de l'expert en assainissement du sol par année civile, est la suivante :
   a) pour un expert en assainissement du sol de type 1 : la durée de la formation continue est de 7,5 heures au minimum par personne disposant d'une délégation de signature module 1 ou 2 au nom de l'expert en assainissement du sol. Si plus de deux personnes disposent de la délégation de signature précitée au nom de l'expert en assainissement du sol, l'exigence du perfectionnement a été satisfaite lorsque la durée totale du perfectionnement est d'au moins 15 heures ;
   b) pour un expert en assainissement du sol de type 2 : la durée de la formation continue est de 7,5 heures au minimum par personne disposant d'une délégation de signature module 1 ou 2 au nom de l'expert en assainissement du sol, avec un minimum de 20 heures comme durée totale de la formation continue. Si plus de huit personnes disposent de la délégation de signature précitée au nom de l'expert en assainissement du sol, l'exigence du perfectionnement a été satisfaite lorsque la durée totale du perfectionnement est d'au moins 60 heures.]2

  [3 10° disposer de :
   a) dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 1 : au moins une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa premier ;
   b) dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 : au moins d'une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa deux ;
   11° assure que le personnel qui exécute les travaux dans le cadre de l'agrément, dispose du matériel le plus approprié et en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour la mise en oeuvre de l'échantillonnage de la partie fixe des terres et des eaux souterraines ;
   12° assure que le personnel qui exécute le travail sur le terrain dans le cadre de l'agrément, a été formé pour prendre des échantillons et de réaliser des mesures sur le terrain ;
   13° réalise les obligations d'audit imposées par ou en vertu de l'article 8bis du décret relatif au sol.]3

   § 2. En outre, l'expert en assainissement du sol agréé du type 2 dispose d'un modèle mathématique des eaux souterraines qui est accepté par la division, compétente pour la gestion du sol.]1

  
Art. 53/4. [1 § 1. [2 De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 1, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, a).
   De verslagen en rapporten, opgesteld in het kader van de taken van de bodemsaneringsdeskundige van type 2, worden ondertekend door minstens één persoon als vermeld in artikel 53/3, § 1, 10°, b).]2

   § 2. Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen en rapporten van de bodemsaneringsdeskundige te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 1.
   Het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, verleent op aanvraag de bevoegdheid om verslagen, rapporten en projecten te ondertekenen aan de personen die in het bezit zijn van een getuigschrift van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen, module 2.
   § 3. Naar aanleiding van de vaststelling van een ernstige fout of van herhaalde fouten in de verslagen, rapporten of projecten van de erkende bodemsaneringsdeskundige, opgesteld in het kader van de taken, vermeld in artikel 6, 6°, kan het afdelingshoofd van de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, de persoon met de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die de verslagen, rapporten of projecten heeft ondertekend, de verplichting opleggen om binnen een termijn van één jaar, te rekenen vanaf de datum van die beslissing, deel te nemen aan het examen van de aanvullende vorming voor de overeenstemmende module, vermeld in bijlage 17, die bij dit besluit is gevoegd.
   Als die persoon niet slaagt voor dat examen of binnen die termijn niet deelneemt aan dat examen, vervalt van rechtswege de individuele handtekeningsbevoegdheid, vermeld in paragraaf 2, die aan hem toegekend is.
   De afdeling, bevoegd voor bodembeheer, betekent de beslissing aan de bodemsaneringsdeskundige en aan de houder van de individuele handtekeningsbevoegdheid, per adres van de bodemsaneringsdeskundige.]1

  
Art. 53/4. [1 § 1er. [2 Les procès-verbaux et rapports établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol de type 1, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, a).
   Les procès-verbaux et rapports établis dans le cadre des tâches de l'expert en assainissement du sol de type 2, sont signés par au moins une personne, telle que visée à l'article 53/3, § 1er, 10°, b).]2

   § 2. Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, octroie, sur demande, la compétence de signer des rapports de l'expert en assainissement du sol aux personnes qui sont en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 1.
   Le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, octroie, sur demande, la compétence de signer des rapports et des projets aux personnes qui sont en possession d'un certificat de formation complémentaire pour experts en assainissement du sol, module 2.
   § 3. A l'occasion de la constatation d'une faute grave ou de fautes répétées dans les rapports ou projets de l'expert en assainissement du sol agréé, établis dans le cadre des tâches, visées à l'article 6, 6°, le chef de division de la division, compétente pour la gestion du sol, peut imposer à la personne disposant du pouvoir de signature individuelle, visée au paragraphe 2, qui a signé les rapports ou projets, l'obligation de participer, dans un délai d'un an, à compter de la date de cette décision, à l'examen de la formation complémentaire pour le module correspondant, visé à l'annexe 17, jointe au présent arrêté.
   Lorsque cette personne ne réussit pas cet examen ou ne participe pas à cet examen dans ce délai, le pouvoir de signature individuelle, visé au paragraphe 2, qui lui est octroyé, échoit de plein droit.
   La division, compétente pour la gestion du sol, notifie la décision à l'expert en assainissement du sol et au titulaire du pouvoir de signature individuelle, à l'attention de l'expert en assainissement du sol.]1

  
Art. 53/5. [1 § 1. De erkende bodemsaneringsdeskundige garandeert een kwaliteitsvolle uitvoering van de werkzaamheden, die ook de objectieve en onafhankelijke uitvoering van de dienstverlening omvat.
   De bodemsaneringsdeskundige kan geen gebruik maken van zijn erkenning als de objectieve en onafhankelijke uitvoering van de dienstverlening ten aanzien van de opdrachtgever of de uitvoerder van de bodemsaneringswerken [2 of de uitvoerder van de andere maatregelen, vermeld in titel II, hoofdstuk VI, van titel III van het Bodemdecreet]2 niet kan worden gewaarborgd. De beoordeling of de objectieve en onafhankelijke uitvoering van een dienstverlening kan worden gewaarborgd, gebeurt door de bodemsaneringsdeskundige volgens de werkwijze, opgenomen in de standaardprocedures, vermeld in titel III, hoofdstuk IV tot en met VI, XII en XIII, van het Bodemdecreet.
   De voormelde standaardprocedures bevatten een niet-limitatieve opsomming van de gevallen waarin, tot het bewijs van het tegendeel, wordt vermoed dat de erkende bodemsaneringsdeskundige zich conform het tweede lid in een situatie van onverenigbaarheid bevindt.".
   § 2. In afwijking van paragraaf 1, tweede lid, kan de bodemsaneringsdeskundige toch gebruik maken van zijn erkenning als hij in het kader van de betrokken dienstverlening toepassing maakt van de beheersmaatregelen, opgenomen in de standaardprocedures, vermeld in paragraaf 1, tweede lid.]1

  
Art. 53/5. [1 § 1er. L'expert en assainissement du sol agréé assure une mise en oeuvre de qualité des travaux, qui comprend également la mise en oeuvre objective et indépendante des services.
   L'expert en assainissement du sol ne peut pas utiliser son agrément lorsque la mise en oeuvre objective et indépendante des services à l'égard du maître d'ouvrage ou de l'exécutant des travaux d'assainissement du sol [2 ou de l'exécutant des autres mesures visées au titre II, chapitre VI, du titre II du Décret relatif au sol]2 ne peut pas être assurée. L'expert en assainissement du sol évalue si la mise en oeuvre objective et indépendante d'un service peut être assurée, selon les modalités, telles que visées dans les procédures standard, visées au titre III, chapitres IV au VI, XII et XIII du décret relatif au sol.
   Les procédures standard précitées contiennent une énumération non exhaustive des cas dans lesquels l'expert en assainissement du sol est supposé se trouver jusqu'à preuve du contraire dans une situation d'incompatibilité, conformément à l'alinéa deux.
   § 2. Par dérogation au paragraphe 1er, alinéa deux, l'expert en assainissement du sol peut toutefois utiliser son agrément si, dans le cadre du service concerné, il applique les mesures de gestion, reprises dans les procédures standard, visées au paragraphe 1er, alinéa deux.]1

  
Onderafdeling 7. [1 - Gebruikseisen voor [2 bedrijven]2]1
Sous-section 7. [1 - Exigences d'utilisation pour des [2 entreprises]2]1
Art. 53/6. [1 Het erkende boorbedrijf, vermeld in [2 artikel 6, 7°, a)]2 :
   1° beschikt over de nodige actuele vakliteratuur en technische gegevens over de uit te voeren werken met betrekking tot de erkenning;
   2° zorgt ervoor dat een van de volgende voorwaarden vervuld is :
   a) ieder boortoestel wordt bediend door, of de bediening staat onder het directe toezicht van een verantwoordelijke die over minstens drie jaar praktische ervaring beschikt in het uitvoeren van werken in het kader van de erkenning;
   b) ieder boortoestel wordt bediend door een werknemer die beschikt over een attest dat hij de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, met gunstig gevolg heeft gevolgd;
   3° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, vijfjaarlijks een opleiding met gunstig gevolg volgt. Die opleiding bestaat uit de algemene opleiding, vermeld in bijlage 16, die bij dit besluit is gevoegd, of uit een bijscholing als vermeld in dezelfde bijlage, voor het personeel dat de algemene opleiding al met gunstig gevolg heeft gevolgd;
   4° zorgt ervoor dat het personeel dat de werken in het kader van de erkenning uitvoert, over het meest geschikte en in goede staat verkerende materieel beschikt dat voldoet aan alle reglementaire eisen en dat noodzakelijk is voor de uitvoering van de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
   5° zorgt ervoor dat het personeel de nodige notities neemt tijdens de werken in het kader van de erkenning en, in voorkomend geval, een volledig boorverslag als vermeld in bijlage 5.53.1 van titel II van het VLAREM, opstelt;
   6° blijft op de hoogte van de recentste ontwikkelingen en wetgeving inzake de werken waarvoor de erkenning werd verkregen;
   7° [5 [8 verticale boringen:
   a) verticale boringen als vermeld in rubriek 55.1 van de indelingslijst die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3);
   b) boringen die vallen onder de uitzondering, vermeld in rubriek 55.1 van de indelingslijst die is opgenomen in bijlage 1 bij titel II van het VLAREM, met uitzondering van de boringen, vermeld in punt 3)]8
;]5

   8° houdt een inventaris ter beschikking van de toezichthouders van alle werken die de laatste vijf jaar zijn uitgevoerd, met telkens de unieke code die verkregen is bij de Databank Ondergrond Vlaanderen, een boorverslag en de datum van de vergunning of aktename dan wel een verklaring dat het werken betrof voor een niet-ingedeelde inrichting;
   9° bezorgt minimaal tweemaandelijks via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen een inventaris van de werken die de voorbije periode zijn uitgevoerd, waarbij de boorverslagen in het formaat, vastgesteld door de Databank Ondergrond Vlaanderen, digitaal worden bezorgd.]1

  [6 10° informeert de klant voor de start van de boorwerkzaamheden schriftelijk, al dan niet digitaal, ten minste over de verplichtingen die verband houden met de geldende milieuvoorwaarden, de heffingsplicht grondwater en de heffingsplicht waterverontreiniging. Voor inrichtingen opgenomen in bijlage 1 van titel II van het VLAREM betreft het op zijn minst informatie over, wanneer dit van toepassing is, hoofdstukken 4.1, 5.53 en 5.55 van titel II van het VLAREM en hoofdstuk 2 van titel IV van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018. Voor inrichtingen die niet ingedeeld zijn, betreft het op zijn minst informatie over afdeling 6.9.1 van titel II van het VLAREM en, wanneer dit van toepassing is, hoofdstuk 2 van titel IV van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018. De minister kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de invulling van deze informatieplicht;]6
  [7 11° voert alleen werken uit met materieel waarvan de essentiële motorisch aangedreven onderdelen voorzien zijn van een gps-volgsysteem dat autonoom, draadloos en ogenblikkelijk informatie doorstuurt naar de Databank Ondergrond Vlaanderen. De minister kan nadere regels vastleggen met betrekking tot de goede werking van het gps-volgsysteem. De minister kan eveneens nadere regels vastleggen met betrekking tot het met een gps-volgsysteem uit te rusten materieel, de informatie over de positie, het type activiteit en de werking van het materieel, die doorgestuurd moet worden en de wijze waarop.]7
  [8 bezorgt de gegevens, vermeld in artikel 5.53.6.1.2, § 2, van titel II van het VLAREM, binnen de vastgestelde termijnen via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.
   13° bezorgt het rapport, vermeld in artikel 5.53.6.6.1, vierde lid, van titel II van het VLAREM, binnen twee maanden via een webapplicatie van de Databank Ondergrond Vlaanderen.]8

  
Art. 53/6. [1 L'entreprise de forage agréée, visé à l' [2 article 6, 7°, a)]2 :
   1° dispose de la littérature spécialisée actuelle et des données techniques nécessaires en ce qui concerne les travaux à exécuter relatives à l'agrément;
   2° veille à ce qu'une des conditions suivantes soit remplie :
   a) chaque appareil de forage est opéré par, ou la commande est placée sous le contrôle direct d'un responsable disposant d'au moins trois ans d'expérience pratique dans l'exécution de travaux dans le cadre de l'agrément;
   b) chaque appareil de forage est opéré par un travailleur qui dispose d'une attestation qu'il a passé avec succès la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté;
   3° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément passe tous les cinq ans une formation avec succès. Cette formation comprend la formation générale, visée à l'annexe 16, jointe au présent arrêté, ou un perfectionnement tel que visé à la même annexe, pour le personnel qui a déjà passé la formation générale avec succès;
   4° veille à ce que le personnel exécutant les travaux dans le cadre de l'agrément dispose du matériel le plus approprié et se trouvant en bon état, qui répond à toutes les exigences réglementaires et qui est nécessaire pour l'exécution des travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu;
   5° veille à ce que le personnel prenne les notes nécessaires lors des travaux dans le cadre de l'agrément et, le cas échéant, établisse un rapport de forage complet tel que visé à l'annexe 5.53.1 du titre II du VLAREM;
   6° reste au courant des développements les plus récents et de la législation en matière de travaux pour lesquels l'agrément a été obtenu;
   7° [5 [6 n'effectue des travaux sur des établissements classés que si l'autorisation ou la prise d'acte nécessaire est disponible, et notifie préalablement le commencement de tous les travaux de forage et de remplissage par le biais d'une application web de la Banque de données Sous-sol Flandre, à la division compétente et au département, et respecte les conditions environnementales en vigueur]6;]5
   8° tient un inventaire à disposition des surveillants de tous les travaux qui ont été exécutés au cours des cinq dernières années, avec chaque fois le code unique que a été obtenu auprès de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " (banque de données du sous-sol de la Flandre), un rapport de forage et la date de l'autorisation ou de la prise d'acte soit une déclaration qu'il s'agissait de travaux pour un établissement non classé;
   9° transmet au moins tous les deux mois via une application web de la " Databank Ondergrond Vlaanderen " un inventaire des travaux qui ont été exécutés pendant la période écoulée, où les rapports de forage sont transmis par voie numérique dans le format, fixé par la " Databank Ondergrond Vlaanderen ".]1

  [5 10° informe le client par écrit, par voie numérique ou non, avant le début des travaux de forage, au moins des obligations en rapport avec les conditions environnementales en vigueur, de l'obligation de redevance sur les eaux souterraines et de l'obligation de redevance sur la pollution des eaux. Pour les établissements figurant à l'annexe 1 du titre II du VLAREM, il s'agit au minimum d'informations concernant, le cas échéant, les chapitres 4.1, 5.53 et 5.55 du titre II du VLAREM et le chapitre 2 du titre IV du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018. Pour les établissements non classés, il s'agit au minimum d'informations concernant la section 6.9.1 du titre II du VLAREM et, le cas échéant, le chapitre 2 du titre IV du décret du 18 juillet 2003 relatif à la politique intégrée de l'eau, coordonné le 15 juin 2018. Le ministre peut préciser les modalités de mise en oeuvre de ce devoir d'information;]5
  [5 11° n'effectue des travaux qu'avec du matériel dont les composants essentiels à moteur sont équipés d'un système de localisation GPS qui transmet de manière autonome, sans fil et instantanément des informations à la Base de données Service Sous-sol Flandre. Le ministre peut préciser les règles concernant le bon fonctionnement du système de localisation GPS. Le ministre peut également fixer d'autres règles concernant le matériel à équiper d'un système de localisation GPS, les informations relatives à la localisation, au type d'activité et au fonctionnement du matériel qui doivent être transférées et la façon dont elles doivent l'être.]5
  [6 12° fournit les données visées à l'article 5.53.6.1.2, § 2, du titre II du VLAREM, dans les délais fixés, via une application web de la Banque de données Sous-sol Flandre.
   13° fournit dans les deux mois le rapport visé à l'article 5.53.6.6.1, alinéa 4, du titre II du VLAREM, via une application web de la Banque de données Sous-sol Flandre.]6

  
Art. 53/7. [1 Het erkende koeltechnisch bedrijf, vermeld in artikel 6, 7°, b) :
   1° zorgt ervoor dat erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties [3 of warmtepompen]3 met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitgevoerd worden door personeel dat beschikt over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7° ;
   2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de stationaire koelinstallatie [3 of de warmtepomp]3 die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat en noteert dit, als dat van toepassing is, in het installatiegebonden logboek :
   a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de [3 installatie]3 waardoor de nominale koelmiddelinhoud of het type koelmiddel wijzigt :
   1) de nominale koelmiddelinhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
   2) het type koelmiddel;
   3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
   4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de initiële installatie of de aanpassing van de [3 installatie]3 uitgevoerd heeft;
   5) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
   b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
   1) het type koelmiddel;
   2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
   3) de datum van bijvulling of aftapping;
   4) de reden van bijvulling of aftapping;
   5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
   6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
   7) na elke bijvulling voor een [3 installatie]3 als vermeld in artikel 5.16.3.3, § 5, van titel II van het VLAREM : het relatief lekverlies;
   c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
   1) de datum van de lekkagecontrole;
   2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
   d) de nominale koelmiddelinhoud van de [3 installatie]3, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
   e) bij een buitendienststelling :
   1) de datum van de buitendienststelling;
   2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de koeltechnicus die de [3 installatie]3 buiten dienst gesteld heeft;
   4) de naam en het erkenningsnummer van het koeltechnisch bedrijf waar de technicus werkt;
   3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
   a) per exploitant [3 of warmtepomp]3 en per koelinstallatie : de registraties, vermeld in punt 2° ;
   b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
   c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die koelmiddelen;
  [2 d) de schriftelijke meldingen over het overschrijden van het maximaal relatief lekverlies als vermeld in punt 4° ;]2
   4° gaat na iedere bijvulling na of het maximaal relatief lekverlies, vermeld in artikel 5.16.3.3, § 6, [2 ...]2 en artikel 6.8.1.2 van titel II van het VLAREM, niet overschreden werd. Als blijkt dat het maximaal relatief lekverlies overschreden is en maatregelen moeten worden getroffen, brengt het koeltechnisch bedrijf ten minste de eigenaar of beheerder schriftelijk op de hoogte van de vastgestelde lekkage en formuleert het een voorstel van te nemen maatregelen;
   5° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
   6° zorgt ervoor dat de koeltechnicus gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire koelinstallaties [3 of warmtepompen]3 over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt. Die apparatuur bevat gekalibreerde meetapparatuur en ten minste het materiaal, vermeld in bijlage 21, die bij dit besluit is gevoegd;
   7° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
   8° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
   9° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot koelinstallaties [3 en warmtepompen]3;
   10° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.]1

  
Art. 53/7. [1 L'entreprise agréée en technique du froid, visée à l'article 6, 7°, b) :
   1° [3 veille à ce que les activités soumises à agrément sur des installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone soient exercées]3 par du personnel disposant d'un agrément de technicien frigoriste, tel que visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7° ;
   2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire [3 de l'installation de réfrigération fixe ou de la pompe à chaleur contenant]3 des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone et les consigne, si d'application, dans le journal accompagnant l'installation :
   a) lors de l'installation initiale ou d'une adaptation de [3 l'installation]3 modifiant le contenu nominal en liquide réfrigérant ou le type de liquide réfrigérant :
   1) la capacité nominale de liquide réfrigérant, exprimé en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
   2) le type de liquide réfrigérant ;
   3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
   4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué l'installation initiale ou l'ajustement de [3 l'installation]3 ;
   5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise de technique du froid où le technicien travaille ;
   b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
   1) le type de liquide réfrigérant ;
   2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
   3) la date de recharge ou de vidange ;
   4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
   5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué la recharge ou la vidange ;
   6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
   7) après chaque recharge pour une [3 installation]3, telle que visée à l'article 5.16.3.3, § 5 du titre II du VLAREM : les pertes relatives par fuite ;
   c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
   1) la date du contrôle d'étanchéité ;
   2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
   d) la capacité nominale de liquide réfrigérant de l'[3 installation]3, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
   e) dans le cas d'une mise hors service :
   1) la date de la mise hors service ;
   2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien en froid qui a mis l'[3 installation]3 hors service ;
   4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise en technique du froid où le technicien travaille ;
   3° conserve les choses suivantes pendant au moins cinq ans :
   a) par exploitant et par installation frigorifique : les enregistrements visés au point 2° ;
   b) la quantité de gaz à effet de serre qui ont été achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
   c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués avec indication de la date d'évacuation, du nom du transporteur et de la destination de ces réfrigérants ;
  [2 d) les notifications écrites du dépassement des pertes maximales relatives par fuites visées au point 4° ;]2
   4° vérifie après chaque recharge si les pertes maximales relatives par fuites, visées à l'article 5.16.3.3, § 6, [2 ...]2 et à l'article 6.8.1.2 du titre II du VLAREM, ne sont pas dépassées. S'il s'avère que les pertes maximales relatives par fuite ont été dépassées et que des mesures doivent être prises, l'entreprise en technique du froid informe au moins le propriétaire ou le gestionnaire de la fuite constatée par écrit et formule une proposition des mesures à prendre ;
   5° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
   6° veille à ce que le technicien en froid dispose de l'équipement, des instruments et des matériels nécessaires pendant [3 les activités soumises à agrément sur des installations de réfrigération fixes ou pompes à chaleur]3. Ces appareils comprennent l'appareillage de mesure calibré et au moins le matériel visé à l'annexe 21 au présent arrêté ;
   7° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   8° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
   9° informe le personnel concerné sur les nouvelles technologies et la nouvelle législation en matière d'environnement portant [3 sur les installations de réfrigération et pompes à chaleur]3 ;
   10° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.]1

  
Art. 53/8. [1 Het erkende bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur, vermeld in artikel 6, 7°, c) :
   1° zorgt ervoor dat de erkenningsplichtige werkzaamheden aan stationaire brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen uitgevoerd worden door personeel dat beschikt over een erkenning als technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 8° ;
   2° bezorgt een afschrift van de volgende registraties aan de eigenaar of beheerder van de brandbeveiligingsapparatuur die gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen bevat :
   a) bij de initiële installatie of een aanpassing van de brandbeveiligingsapparatuur waardoor de nominale inhoud aan blusmiddel of het type blusmiddel wijzigt :
   1) de nominale inhoud, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent;
   2) het type blusmiddel;
   3) indien bij de installatie gerecycleerde of geregenereerde gefluoreerde broeikasgassen gebruikt worden : de vermelding hiervan en de naam en het adres van het recyclage- of regeneratiebedrijf;
   4) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de initiële installatie of de aanpassing uitgevoerd heeft;
   5) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
   b) als gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden bijgevuld of afgetapt :
   1) het type blusmiddel;
   2) de hoeveelheid, uitgedrukt in metrische eenheid;
   3) de datum van bijvulling of aftapping;
   4) de reden van bijvulling of aftapping;
   5) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de bijvulling of aftapping uitgevoerd heeft;
   6) als dat van toepassing is : de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
   c) als lekkagecontroles als vermeld in artikel 4 van verordening nr. 517/2014 of artikel 23 van verordening nr. 1005/2009 uitgevoerd worden :
   1) de datum van de lekkagecontrole;
   2) een beschrijving en de resultaten van de uitgevoerde controles;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de lekkagecontrole uitgevoerd heeft;
   d) de nominale inhoud van de brandbeveiligingsapparatuur, uitgedrukt in metrische eenheid, en, in geval van gefluoreerde broeikasgassen, eveneens in ton CO2-equivalent, als die niet gekend is;
   e) bij een buitendienststelling :
   1) de datum van de buitendienststelling;
   2) de maatregelen die genomen zijn om de gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen terug te winnen en te verwijderen;
   3) de voor- en achternaam en het erkenningsnummer van de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur die de installatie buiten dienst gesteld heeft;
   4) de naam en het erkenningsnummer van het bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur waar de technicus werkt;
   3° houdt de volgende zaken ten minste vijf jaar bij :
   a) per exploitant en per brandbeveiligingsapparatuur : de registraties, vermeld in punt 2° ;
   b) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen die werden aangekocht met vermelding van de datum van aankoop en de naam van de leverancier;
   c) de hoeveelheid gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen die werden afgevoerd met vermelding van de datum van afvoer, de naam van de vervoerder en de bestemming van die blusmiddelen;
   4° toont op verzoek het materiaal dat gebruikt wordt bij de uitvoering van de werkzaamheden met betrekking tot de erkenning;
   5° zorgt ervoor dat de technicus voor brandbeveiligingsapparatuur gedurende de erkenningsplichtige werkzaamheden aan brandbeveiligingsapparatuur over de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikt;
   6° doet al het mogelijke om lekkage van gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen te voorkomen of tot een minimum te beperken;
   7° doet al het nodige voor de recycling, regeneratie of vernietiging van gefluoreerde broeikasgassen als een cilinder met dat broeikasgas verwijderd moet worden;
   8° licht het betrokken personeel in over nieuwe technologieën en nieuwe relevante milieuwetgeving met betrekking tot brandbeveiligingsapparatuur;
   9° beschikt over een vertaling van zijn certificaat naar het Nederlands, Frans, Duits of Engels als het certificaat in een andere taal dan in een van die talen werd afgegeven.]1

  
Art. 53/8. [1 L'entreprise agréée en équipements de protection contre l'incendie, visée à l'article 6, 7°, c) :
   1° assure que les travaux assujettis à l'obligation d'agrément effectués aux équipements fixes de protection contre l'incendie contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone sont effectués par du personnel disposant d'un agrément comme technicien pour équipements de protection contre l'incendie, tel que visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 8° ;
   2° remet une copie des enregistrements suivants au propriétaire ou au gestionnaire des équipements de protection contre l'incendie contenant des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone :
   a) lors de l'installation initiale ou lors d'une adaptation des équipements de protection contre les incendies modifiant la capacité nominale de l'agent extincteur ou le type d'agent extincteur :
   1) la capacité nominale, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2 ;
   2) le type d'agent extincteur ;
   3) au cas où des gaz à effet de serre fluorés recyclés ou régénérés sont utilisés lors de l'installation : la mention de cette utilisation et le nom et l'adresse de l'entreprise de recyclage ou de régénération ;
   4) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour équipements de protection contre l'incendie qui a effectué l'installation initiale ou l'ajustement ;
   5) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise pour équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
   b) au cas où des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été rechargés ou vidangés :
   1) le type d'agent extincteur ;
   2) la quantité, exprimée en unités métriques ;
   3) la date de recharge ou de vidange ;
   4) les raisons de la recharge ou de la vidange ;
   5) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour systèmes de protection contre les incendies, qui a procédé à la la recharge ou à la vidange ;
   6) si d'application : le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise pour équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
   c) si des contrôles d'étanchéité, tels que visés à l'article 4 du règlement no 517/2014 ou à l'article 23 du règlement no 1005/2009 sont mis en oeuvre :
   1) la date du contrôle d'étanchéité ;
   2) une description et les résultats des contrôles exécutés ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour équipements de protection contre l'incendie, qui a effectué le contrôle d'étanchéité ;
   d) la capacité nominale des équipements de protection contre l 'incendie, exprimée en unité métrique, et, dans le cas des gaz fluorés à effet de serre, également en tonnes d'équivalent CO2, si pas disponible ;
   e) dans le cas d'une mise hors service :
   1) la date de la mise hors service ;
   2) les mesures qui ont été prises pour récupérer et éliminer les gaz à effet de serre fluorés ou les substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   3) les nom et prénom et le numéro d'agrément du technicien pour systèmes de protection contre les incendies, qui a mis l'installation hors service ;
   4) le nom et le numéro d'agrément de l'entreprise pour équipements de protection contre l'incendie où le technicien travaille ;
   3° conserve les choses suivantes pendant au moins cinq ans :
   a) par exploitant et par équipement de protection controle l'incendie : les enregistrements visés au point 2° ;
   b) la quantité de gaz à effet de serre fluorés qui ont été achetés, avec mention de la date d'achat et du nom du fournisseur ;
   c) la quantité de gaz à effet de serre fluorés et de substances appauvrissant la couche d'ozone qui ont été évacués avec indication de la date d'évacuation, du nom du transporteur et de la destination de ces moyens d'extinction ;
   4° montre, sur demande, le matériel qu'il utilise lors de l'exécution des travaux relatifs à l'agrément ;
   5° veille à ce que le technicien en équipement de protection contre l'incendie dispose des appareils, instruments et matériels nécessaires pendant les travaux assujettis à l'obligation d'agrément effectués aux équipements de protection contre l'incendie ;
   6° met tout en oeuvre pour prévenir ou réduire au minimum les fuites de gaz à effet de serre fluorés ou de substances appauvrissant la couche d'ozone ;
   7° prend toutes les mesures appropriées pour le recyclage, la régénération ou la destruction des gaz à effet de serre fluorés lors de l'enlèvement d'un cylindre contenant ce gaz à effet de serre ;
   8° informe le personnel concerné sur les nouvelles technologies et la nouvelle législation en matière d'environnement pertinente relative aux systèmes de protection contre l'incendie ;
   9° dispose d'une traduction de son certificat, en néerlandais, en français, en allemand ou en anglais si le certificat a été délivré dans une autre langue que celles-ci.]1

  
Onderafdeling 8. [1 - Gebruikseisen voor keuringsinstellingen]1
Sous-section 8. [1 - Exigences d'usage pour organismes de contrôle]1
Art. 53/9. [1 De erkende keuringsinstelling, vermeld in artikel 6, 8° :
   1° is geaccrediteerd als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020 voor de keuring, vermeld in artikel 25/4, 4°, of behaalt die accreditatie binnen een termijn van een jaar, te rekenen vanaf de dag nadat de erkenning verkregen is;
   2° wijst een of meer keurders aan die beschikken over een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, van categorie I of die over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector beschikken;
   3° reikt binnen een maand nadat een bedrijf met goed gevolg gekeurd werd als vermeld in artikel 25/4, 4°, een certificaat uit. Het certificaat bevat minstens de gegevens, vermeld in [3 bijlage 24]3, die bij dit besluit is gevoegd. Voor de opmaak van het certificaat volgt de keuringsinstelling de instructies van [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2. Het model van het certificaat wordt ter goedkeuring voorgelegd aan [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2. Een kopie van het uitgereikte certificaat wordt bezorgd aan [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2;
   4° bezorgt maandelijks aan [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, een overzicht van de bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn. Dat overzicht bevat minstens de gegevens, vermeld in bijlage 22, die bij dit besluit is gevoegd;
   5° behandelt en onderzoekt klachten, ingediend door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2;
   6° moet, als daarom wordt verzocht door [2 [4 de bevoegde afdeling]4]2, personeelsleden de mogelijkheid bieden om de keuring bij te wonen;
   7° bewaart de keuringsrapporten minstens vijf jaar.]1

  
Art. 53/9. [1 L'organisme de contrôle agréé, visé à l'article 6, 8° :
   1° a été accrédité en tant qu'organisme de contrôle du type A, sur la base des critères de la norme ISO/CEI 17020 pour le contrôle visé à l'article 25/4, 4°, ou obtient cette accréditation dans un délai d'un an, à compter du jour après que l'agrément a été obtenu ;
   2° désigne un ou plusieurs inspecteurs disposant d'un agrément en tant que technicien frigoriste visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 7°, de la catégorie I ou ayant au moins trois ans d'expérience dans le secteur du froid ;
   3° remet un certificat, dans un délai d'un mois après que l'entreprise a été contrôlée avec succès, conformément à l'article 25/4, 4°. Le certificat comprend au moins les données, visées à [3 l'annexe 24]3, jointe au présent arrêté. Pour l'établissement du certificat, l'organisme de contrôle suit les instructions [2 [4 de la division compétente]4]2. Le modèle du certificat est soumis à l'approbation [2 [4 de la division compétente]4]2. Une copie du certificat délivré est remise [2 [4 à la division compétente]4]2 ;
   4° fournit chaque mois [2 [4 à la division compétente]4]2, un aperçu des entreprises qui ont fait l'objet d'un contrôle favorable. Cet aperçu comprend au moins les données, visées à l'annexe 22, jointe au présent arrêté ;
   5° traite et examine des plaintes, introduites par [2 [4 la division compétente]4]2 ;
   6° doit, lorsque [2 [4 la division compétente]4]2 le demande, offrir la possibilité aux membres du personnel d'assister au contrôle ;
   7° conserve les procès-verbaux des contrôles pendant au moins cinq ans.]1

  
HOOFDSTUK 9. - Schorsing en opheffing van de erkenning
CHAPITRE 9. - Suspension et abrogation de l'agrément
Art.54. § 1. [1 De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort [2 of zijn afgevaardigde]2,]1 kan de erkenning geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen in een of meer van de volgende gevallen :
  1° er is niet meer voldaan aan een of meer van de algemene of bijzondere erkenningsvoorwaarden;
  2° een of meer van de algemene of bijzondere gebruikseisen van de erkenning wordt geschonden;
  3° bij een controle worden foutieve resultaten vastgesteld bij de monsternemingen, metingen, beproevingen of analyses;
  [1 4° geen enkele werknemer die geslaagd is voor de ringtest met betrekking tot het pakket voor een erkend laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c), of voor de technische proef, vermeld in bijlage 10, hoofdstuk 2, 8°, die bij dit besluit is gevoegd, werkt nog bij het erkende laboratorium;
   5° [2 ...]2]1

  § 2. [1 De bevoegde afdeling]1 brengt de erkende persoon met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de erkenning volledig of gedeeltelijk te schorsen of op te heffen, met vermelding van de redenen, en nodigt hem tegelijkertijd uit zijn verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een hoorzitting.
  § 3. [1 De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort [2 of zijn afgevaardigde]2, neemt]1 een beslissing over de volledige of gedeeltelijke schorsing of opheffing van de erkenning, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten en meegedeelde verweermiddelen.
  § 4. Als de erkenning volledig of gedeeltelijk wordt geschorst of opgeheven, betekent [1 de bevoegde afdeling]1 de beslissing met een aangetekende brief aan de persoon in kwestie.
  § 5. Als de procedure tot volledige of gedeeltelijke schorsing of opheffing van de erkenning wordt stopgezet, wordt de erkende persoon daarvan op de hoogte gebracht.
  [3 Bij een schorsing of opheffing van de erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), technicus voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 2°, f), technicus voor elektrische schakelinrichtingen als vermeld in artikel 6, 2°, g), of technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat als vermeld in artikel 6, 2°, h), wordt ook het certificaat van bekwaamheid, uitgereikt door een opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, h) tot en met k), van rechtswege geschorst, respectievelijk opgeheven.
  Bij een schorsing of opheffing van de erkenning als koeltechnisch bedrijf als vermeld in artikel 6, 7°, b), of bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur als vermeld in artikel 6, 7°, c), wordt ook het certificaat, uitgereikt door een keuringsinstelling als vermeld in artikel 6, 8°, of de leidinggevende ambtenaar van het agentschap of het departement waartoe de bevoegde afdeling behoort of zijn afgevaardigde, van rechtswege geschorst, respectievelijk opgeheven.]3

  
Art.54. § 1er. [1 Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente]1 [2 ou son délégué]2 peut suspendre ou abroger l'agrément en tout ou en partie dans les cas suivants :
  1° il n'est plus satisfait à une ou plusieurs des conditions générales ou particulières d'agrément;
  2° une ou plusieurs des conditions générales ou particulières d'usage relatives à l'agrément n'ont pas été respectées;
  3° un contrôle a révélé des résultats erronés obtenus à travers les échantillonnages, mesures, essais ou analyses;
  [1 4° aucun employé qui a réussi l'épreuve de l'anneau relatif au paquet pour un laboratoire agréé tel que visé à l'article 6, 5°, c), ou l'épreuve technique, visée à l'annexe 10, chapitre 2, 8°, jointe au présent arrêté, ne travaille encore auprès du laboratoire agréé;
   5° [2 ...]2]1

  § 2. [1 La division compétente]1 envoie une lettre recommandée à la personne agréée communiquant son intention de suspendre l'agrément en tout ou en partie ou de l'abroger, avec mention du motif pour la suspension ou abrogation et l'invite en même temps à transmettre ses moyens de défense et à assister à une audition.
  § 3. [1 Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département auquel appartient la division compétente [2 ou son délégué]2 prend une décision]1 sur la suspension complète ou partielle ou l'abrogation de l'agrément, tenant compte des éventuelles formalités accomplies ou des éventuels moyens de défense transmis.
  § 4. Lorsque l'agrément est complètement ou partiellement suspendu ou abrogé, [1 la division compétente]1 en notifie la décision à la personne concernée par lettre recommandée.
  § 5. Si la procédure de la suspension complète ou partielle ou de l'abrogation de l'agrément est arrêtée, la personne agréée en est mise au courant.
  [3 § 6. En cas de suspension ou d'abrogation de l'agrément en tant que frigoriste tel que visé à l'article 6, 2°, e), technicien en équipements de protection contre l'incendie tel que visé à l'article 6, 2°, f), technicien en appareils de commutation électrique tel que visé à l'article 6, 2°, g), ou technicien en équipements contenant des solvants tel que visé à l'article 6, 2°, h), le certificat d'aptitude délivré par un centre de formation tel que visé à l'article 6, 4°, h) à k), est également suspendu ou abrogé de plein droit.
  En cas de suspension ou d'abrogation de l'agrément en tant qu'entreprise en technique du froid telle que visée à l'article 6, 7°, b), ou entreprise d'équipements de protection contre l'incendie telle que visée à l'article 6, 7°, c), le certificat délivré par un organisme de contrôle tel que visé à l'article 6, 8°, ou par le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département dont relève la division compétente ou son délégué est également suspendu ou abrogé de plein droit.]3

  
HOOFDSTUK 9/1. [1 - Retributie]1
CHAPITRE 9/1. [1 - Rétribution]1
Art. 54/1. [1 § 1. Voor de behandeling van een aanvraag tot erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een aanvraag tot erkenning als vermeld in artikel 6, indient.
   De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, A, die bij dit besluit is gevoegd.
   § 2. Voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning wordt een retributie geheven, waarvan de opbrengst rechtstreeks en integraal in het Fonds voor de behandeling van de erkenningsaanvragen en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu wordt gestort, ten laste van elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het bezit is van een erkenning als vermeld in artikel 6. Die retributie is op de volgende tijdstippen verschuldigd :
   1° [2 [7 in geval van personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32, § 2, eerste lid, 1° tot en met 10°, 12°, b), [9 13° en 15°]9, of van personen die met toepassing van artikel 32, § 1, op basis van een gelijkwaardige titel van rechtswege erkend zijn als technicus als vermeld in artikel 6, 2° : jaarlijks, te beginnen vanaf het jaar nadat het erkenningsbewijs verkregen is, uiterlijk op 31 mei van het betreffende jaar;]7]2
   2° [2 [7 in geval van een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming of bemesting: jaarlijks, te beginnen vanaf het jaar nadat de registratie van de monsternemer verkregen is, uiterlijk op 31 mei van het betreffende jaar;]7]2
  [2 [7 in alle andere gevallen dan de gevallen, vermeld in punt 1° en 2° : jaarlijks, te beginnen vanaf het jaar nadat de erkenning verleend is, uiterlijk op 31 mei van het betreffende jaar.]7]2
   De bedragen van die retributie worden vastgesteld in bijlage 18, B, die bij dit besluit is gevoegd.
   § 3. [5 De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden niet voor de volgende categorieën van erkenningen:
   1° de opleidingscentra, vermeld in artikel 6, 4° ;
   2° de keuringsinstellingen, vermeld in artikel 6, 8°. ]5

   § 4. De retributies, vermeld in paragraaf 1 en 2, gelden ook niet in de volgende gevallen :
   1° bij een uitbreiding van de erkenning van een milieudeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, a) en c), in de discipline waarvoor de milieudeskundige erkend is;
   2° bij een uitbreiding van de erkenning van een MER-deskundige in de discipline waarvoor de MER-deskundige erkend is;
   3° bij de erkenning als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, d), 7);
   4° bij een uitbreiding van de erkenning van een technicus gasvormige brandstof als vermeld in artikel 6, 2°, b), [3 met de module GII]3;
  [2 5° bij een uitbreiding van de erkenning van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), met een andere categorie.]2
  [8 6° bij de erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i);]8
  [6 7° bij de erkenning als laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), b), d), met betrekking tot de discipline diervoeder, e) en f);
   8° bij de erkenning als laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), met betrekking tot de discipline mest tenzij het laboratorium alleen erkend is voor het pakket M-M6 als vermeld in bijlage 3, 4°. ]6

   § 5. [6 De retributie, vermeld in paragraaf 1, is niet van toepassing:
   1° op de personen die van rechtswege erkend zijn conform artikel 32;
   2° voor de eerste aanvraag tot erkenning als laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, d), met betrekking tot de discipline mest voor het pakket M-M6 als vermeld in bijlage 3, 4°.]6

   § 6. In uitzonderlijke gevallen kan het afdelingshoofd van de bevoegde afdeling of diens plaatsvervanger op basis van een gemotiveerde aanvraag beslissen een persoon geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van een verschuldigde retributie, vermeld in paragraaf 2.]1

  
Art. 54/1. [1 § 1er. Pour le traitement d'une demande d'agrément, une rétribution est levée, dont le produit est versé directement et intégralement dans le Fonds pour le traitement des demandes d'agrément et l'exercice du contrôle des agréments relatifs à l'environnement, à charge de chaque personne physique ou morale qui introduit une demande d'agrément telle que visée à l'article 6.
   Les montants de cette rétribution sont fixés dans l'annexe 18, A, jointe au présent arrêté.
   § 2. Pour l'exercice du contrôle sur l'agrément, une rétribution est levée, dont le produit est versé directement et intégralement dans le Fonds pour le traitement des demandes d'agrément et l'exercice du contrôle des agréments relatifs à l'environnement, à charge de chaque personne physique ou morale en possession d'un agrément tel que visé à l'article 6. Cette rétribution est due aux moments suivants :
   1° [2 [7 dans le cas de personnes qui ont été agréées de plein droit conformément à l'article 32, § 2, alinéa 1er, 1° à 10°, 12°, b), [9 13° et 15°]9, ou de personnes qui, en application de l'article 32, § 1er, ont été agréées de plein droit comme technicien tel que visé à l'article 6, 2° en vertu d'un titre équivalent : annuellement, à commencer à partir de l'année qui suit l'obtention du certificat d'agrément, au plus tard le 31 mai de l'année en question ;]7]2
   2° [2 [7 dans le cas d'un laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la protection du sol ou de la fertilisation : annuellement, à commencer à partir de l'année qui suit l'obtention de l'enregistrement de l'échantillonneur, au plus tard le 31 mai de l'année en question ;]7]2
  [2 [7 dans tous les autres cas que ceux visés aux points 1° et 2° : annuellement, à commencer à partir de l'année qui suit l'octroi de l'agrément, au plus tard le 31 mai de l'année en question. ]7.]2
   Les montants de cette rétribution sont fixés dans l'annexe 18, B, jointe au présent arrêté.
   § 3. [5 Les rétributions visées aux paragraphes 1er et 2 ne s'appliquent pas aux catégories d'agréments suivantes :
   1° les centres de formation, visés à l'article 6, 4° ;
   2° les organismes de contrôle, visés à l'article 6, 8°.]5

   § 4. Les rétributions, visées au paragraphe 1er et 2, ne s'appliquent pas non plus dans les cas suivants :
   1° lors d'une extension de l'agrément d'un expert environnemental tel que visé à l'article 6, 1°, a) et c), dans la discipline pour laquelle l'expert environnemental est agréé;
   2° lors d'une extension de l'agrément d'un expert MER dans la discipline pour laquelle l'expert MER est agréé;
   3° lors de l'agrément comme expert MER dans la discipline du bruit et des vibrations telle que visée à l'article 6, 1°, d), 7);
   4° lors d'une extension de l'agrément d'un technicien en combustibles gazeux tel que visé à l'article 6, 2°, b), [3 avec le modules GII]3;
  [2 5° lors d'une extension de l'agrément d'un technicien en froid, tel que visé à l'article 6, 2°, e), avec une autre catégorie.]2
  [8 6° lors de l'agrément comme technicien pour les systèmes de climatisation dans certains véhicules à moteur, tel que visé à l'article 6, 2°, i) ;]8
  [6 7° lors de l'agrément comme laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, a), b), d), concernant la discipline des aliments pour animaux, e) et f) ;
   8° lors de l'agrément comme laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, d), concernant la discipline des engrais, à moins que le laboratoire ne soit agréé que pour le paquet M-M6 tel que visé à l'annexe 3, 4°. ]6

   § 5. [6 La rétribution, visée au paragraphe 1er, ne s'applique pas :
   1° aux personnes qui ont été agréées de plein droit conformément à l'article 32 ;
   2° pour la première demande d'agrément comme laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, d), concernant la discipline des engrais, pour le paquet M-M6 tel que visé à l'annexe 3, 4°.]6

   § 6. Dans des cas exceptionnels, le chef de division de la division compétente ou son suppléant peut décider, sur la base d'une demande motivée, d'exempter une personne entièrement ou partiellement d'une rétribution due, visée au paragraphe 2.]1

  
Art. 54/2. [1 § 1. De retributiebedragen, vermeld in bijlage 18, A, en 18, B, worden jaarlijks aangepast aan de schommelingen van de gezondheidsindex op basis van de volgende formule :
   retributiebedrag x het nieuwe indexcijfer / het basisindexcijfer.
   Het nieuwe indexcijfer is de gezondheidsindex van de maand oktober van het voorgaande jaar, en het basisindexcijfer is de gezondheidsindex van oktober 2010, namelijk 113,46 met het jaar 2004 als basisjaar. De retributiebedragen worden afgerond op een geheel getal.
   § 2. De geïndexeerde retributiebedragen worden jaarlijks gepubliceerd op de website van de bevoegde afdeling, uiterlijk vijftien dagen voorafgaand aan het jaar waarvoor de retributiebedragen gelden.]1

  
Art. 54/2. [1 § 1er. Les montants de la rétribution, visés aux annexes 18, A et 18, B, sont adaptés annuellement aux fluctuations de l'indice santé sur la base de la formule suivante :
  montant de la rétribution x le nouvel indice / l'indice de base.
   Le nouvel indice est l'indice santé du mois d'octobre de l'année précédente, et l'indice de base est l'indice santé du mois d'octobre 2010, notamment 113,46, l'année 2004 étant l'année de base. Les montants de la rétribution sont arrondis au nombre entier.
   § 2. Les montants indexés de la rétribution sont publiés annuellement sur le site web de la division compétente, au plus tard quinze jours précédant l'année à laquelle les montants de la rétribution s'appliquent.]1

  
HOOFDSTUK 10. [1 - Verval en schorsing van rechtswege van de erkenning]1
CHAPITRE 10. [1 Extinction et suspension de plein droit de l'agrément]1
Art.55. § 1. De erkenning vervalt van rechtswege op de dag dat de erkenninghouder aan [1 de bevoegde afdeling]1 de stopzetting van het gebruik van de erkenning meedeelt.
  [3 § 1/1. De erkenning als laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), voor een deeldomein van een pakket vervalt van rechtswege als het deeldomein niet meer vastgelegd is door de minister.]3
  § 2. [1 De erkenning van een airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 6, 1°, f), of een technicus als [2 vermeld in artikel 6, 2°, [10 a, b) en d)]10]2 vervalt ook in een van de volgende gevallen :
   1° als hij de bijscholing niet heeft gevolgd;
   2° als de erkende persoon niet tijdig slaagt voor de proef inzake de bijscholing.
   In dat geval moet, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, de airco-energiedeskundige of de technicus de bijscholing volgen en slagen voor het bijhorende examen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 6°, respectievelijk artikel 40, eerste lid, 3°.]1
  [1 § 2/1. De erkenning van een deskundige als vermeld in [5 artikel 6, 1°, c), d), e) of g),]5 of een milieucoördinator als vermeld in artikel 6, 3°, a), vervalt ook als hij gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren het totale aantal te volgen uren van de bijscholing niet gevolgd heeft.
   In dat geval moet hij, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, het resterende aantal nog te volgen uren van de bijscholing volgen.
   Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 2°, of § 2, 2°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2016, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.
   Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 3°, of § 2, 3°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2000, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.]1

  [7 § 2/2. Een erkenning is van rechtswege geschorst als de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, na ingebrekestelling van de erkende persoon niet wordt betaald. De schorsing van de erkenning gaat in dertig dagen na de datum van de verzending van de ingebrekestelling en duurt tot de dag waarop de retributie betaald wordt. De erkenning vervalt van rechtswege als de retributie nog altijd niet betaald is dertig dagen na de datum van de aanvang van de schorsing van de erkenning.
   Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 2°, of § 2, 2°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2016, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.
   Met behoud van de toepassing van hoofdstuk 9 en 13 van dit besluit zijn de bijzondere erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 18, § 1, 3°, of § 2, 3°, niet van toepassing voor milieucoördinatoren die erkend zijn op basis van een aanvraag die is ingediend voor 1 januari 2000, en die opnieuw een erkenning willen verkrijgen nadat hun erkenning van rechtswege is vervallen.]7

  [6 § 2/3. De erkenning van een koeltechnicus als vermeld in artikel 6, 2°, e), vervalt ook als hij niet tijdig slaagt voor het actualisatie-examen.
   In het geval, vermeld in het eerste lid, moet de koeltechnicus slagen voor het actualisatie-examen, vermeld in artikel 40/1, 4°, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend.]6

  [9 § 2/4. De erkenning van een deskundige overstromingsattest als vermeld in artikel 6, 1°, h), vervalt van rechtswege in de volgende gevallen:
   1° als de deskundige de bijscholing niet heeft gevolgd. In dat geval toont de deskundige, voor de erkenning opnieuw kan worden verleend, aan dat hij de bijscholing, vermeld in artikel 39/3, 4°, gevolgd heeft.
   2° als de deskundige niet meer over de erkenning als keurder, vermeld in artikel 13/3, 2°, beschikt.]9

  § 3. [9 In afwijking van paragraaf 2, 2/1, 2/3 en 2/4, 1°]9 vervalt de erkenning niet van rechtswege als [1 de bevoegde afdeling]1 beslist, op basis van de door de erkende persoon voor te leggen bewijzen, dat hij om redenen van overmacht niet in staat was de bijscholing te volgen of de proef af te leggen. Als [1 de bevoegde afdeling]1 tot die beslissing komt, zal ze de erkende persoon een nieuwe termijn opleggen waarbinnen die de bijscholing moet volgen of met gunstig gevolg de proef moet afleggen, opdat zijn erkenning niet van rechtswege zou vervallen.
  [11 § 3/0. In afwijking van paragraaf 2, 2/1 en 2/3 vervallen de erkenningen voor deskundigen en technici, vermeld in artikel 6, 1°, f) en 2°, a), b), d), e) en f) niet van rechtswege als de bevoegde afdeling beslist dat geen van de erkende personen om redenen van overmacht in staat is de bijscholing te volgen of de proef af te leggen. Als de bevoegde afdeling tot die beslissing komt, zal ze die erkende personen een nieuwe termijn opleggen waarbinnen de bijscholing wordt gevolgd of met gunstig gevolg de proef wordt afgelegd, opdat de erkenning niet van rechtswege vervalt.]11
  [4 § 3/1. De erkenning van een bodemsaneringsdeskundige als vermeld in artikel 6, 6°, vervalt van rechtswege in de volgende gevallen :
   1° als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 1 : hij beschikt gedurende een periode van negentig opeenvolgende dagen niet over minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid;
   2° als het gaat om een bodemsaneringsdeskundige van type 2 : hij beschikt gedurende een periode van negentig opeenvolgende dagen niet over minstens één persoon met een individuele handtekeningsbevoegdheid als vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid.]4

  § 4. [1 De bevoegde afdeling]1 brengt de persoon op de hoogte van [8 de schorsing of]8 het verval van rechtswege van zijn erkenning.
  
Art.55. § 1er. L'agrément échoit d'office le jour auquel le détenteur de l'agrément communique l'arrêt de l'usage de l'agrément à [1 la division compétente]1.
  [3 § 1/1. L'agrément en tant que laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, a), pour un sous-domaine d'un paquet devient caduque de plein droit si le sous-domaine n'est plus défini par le ministre.]3
  § 2. [1 L'agrément d'un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, tel que visé à l'article 6, 1°, f), ou d'un technicien tel que [2 visé à l'article 6, 2°,[10 a), b) et d)]10]2, échoit également dans un des cas suivants :
   1° lorsqu'il n'a pas suivi le perfectionnement;
   2° lorsque la personne agréée ne réussit pas l'épreuve en matière de perfectionnement à temps.
   Dans ce cas, l'expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation ou le technicien doit, avant que l'agrément puisse à nouveau être octroyé, suivre le perfectionnement et réussir l'examen y afférent, visé à l'article 39/1, alinéa premier, 6°, respectivement à l'article 40, alinéa premier, 3°.]1
  [1 § 2/1. L'agrément d'un expert tel que visé à [5 l'article 6, 1°, c), d) e) ou g),]5 ou d'un coordinateur environnemental tel que visé à l'article 6, 3°, a), échoit également lorsqu'il n'a pas suivi le nombre total des heures à suivre du perfectionnement pendant deux années calendaires consécutives.
   Dans ce cas, il doit suivre le nombre d'heures restantes du perfectionnement avant que l'agrément puisse à nouveau être octroyé.
   Sans préjudice de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément, visées à l'article 18, § 1er, 2°, ou § 2, 2°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux agréés sur la base d'une demande qui est introduite avant le 1er janvier 2016, et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après que leur agrément est échu de plein droit.
   Sans préjudice de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément, visées à l'article 18, § 1er, 3°, ou § 2, 3°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux agréés sur la base d'une demande qui est introduite avant le 1er janvier 2000, et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après que leur agrément est échu de plein droit.]1

  [7 § 2/2. Un agrément est suspendu de plein droit si la rétribution visée à l'article 54/1, § 2, n'est pas payée après mise en demeure de la personne agréée. La suspension de l'agrément prend cours trente jours après la date de l'envoi de la mise en demeure et dure jusqu'au jour où la rétribution est payée. L'agrément s'éteint de plein droit si la rétribution n'a toujours pas été payée trente jours après la date de prise d'effet de la suspension de l'agrément.
   Sous réserve de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément visées à l'article 18, § 1er, 2°, ou § 2, 2°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux qui ont été agréés sur la base d'une demande introduite avant le 1er janvier 2016 et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après l'extinction de plein droit de leur agrément.
   Sous réserve de l'application des chapitres 9 et 13 du présent arrêté, les conditions particulières d'agrément visées à l'article 18, § 1er, 3°, ou § 2, 3°, ne s'appliquent pas aux coordinateurs environnementaux qui ont été agréés sur la base d'une demande introduite avant le 1er janvier 2020 et qui souhaitent à nouveau obtenir un agrément après l'extinction de plein droit de leur agrément.]7

  [6 § 2/3. L'agrément d'un frigoriste tel que visé à l'article 6, 2°, e), s'éteint également s'il ne réussit pas à temps l'examen de mise à jour.
   Dans le cas visé à l'alinéa 1er, le frigoriste doit réussir l'examen de mise à jour visé à l'article 40/1, 4°, avant que l'agrément ne puisse à nouveau être accordé.]6

  [9 § 2/4. L'agrément d'un expert en attestation d'inondation tel que visé à l'article 6, 1°, h), est annulé de plein droit dans les cas suivants :
   1° lorsque l'expert n'a pas suivi le recyclage. Dans ce cas, avant que l'agrément ne puisse à nouveau être accordé, l'expert est tenu de démontrer qu'il a suivi le recyclage visé à l'article 39/3, 4°.
   2° lorsque l'expert ne dispose plus de l'agrément de contrôleur, visé à l'article 13/3, 2°.]9

  § 3. [9 Par dérogation aux paragraphes 2, 2/1, 2/3 et 2/4, 1°]9, l'agrément n'échoit pas d'office lorsque [1 la division compétente]1 décide que la personne agréée n'était pas en état de suivre le perfectionnement ou de passer l'épreuve, se basant sur les preuves à produire par la personne agréée. Lorsque la division décide de la sorte, elle imposera un nouveau délai endéans lequel la personne agréée doit suivre le perfectionnement ou passer l'épreuve avec fruit pour éviter que son agrément n'échoira d'office.
  [11 § 3/0. Par dérogation aux paragraphes 2, 2/1 et 2/3, les agréments pour des experts et techniciens visés à l'article 6, 1°, f) et 2°, a), b), d), e) et f) n'échoient pas de plein droit lorsque la division compétente décide qu'aucune des personnes agréées n'est en état de suivre le perfectionnement ou de passer l'épreuve pour des raisons de force majeure. Lorsque la division compétente décide de la sorte, elle imposera un nouveau délai endéans lequel les personnes agréées doivent suivre le perfectionnement ou passer l'épreuve avec fruit pour que l'agrément ne soit pas échu de plein droit. ]11
  [4 § 3/1. L'agrément d'un expert en assainissement du sol, tel que visé à l'article 6, 6°, échoit de plein droit dans les cas suivants :
   1° dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 1 : il ne dispose pendant une période de nonante jours consécutifs d'au moins une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa premier ;
   2° dans le cas d'un expert en assainissement du sol de type 2 : il ne dispose pendant une période de nonante jours consécutifs d'au moins une personne ayant une délégation de signature individuelle, telle que visée à l'article 53/4, § 2, alinéa deux.]4

  § 4. [1 La division compétente]1 met la personne au courant [8 de l'extinction ou de la suspension de plein droit]8e son agrément.
  
HOOFDSTUK 11. - Openbaarheid van informatie
CHAPITRE 11. - Publicité de l'information
Art.56. [1 § 1. De bevoegde afdeling publiceert op haar website de voorwaarden, de modaliteiten die moeten zijn vervuld bij de indiening van de erkenningsaanvraag, de procedure en de lijsten van de erkende personen. Op vraag van de erkenninghouder kunnen gegevens van de erkende persoon niet gepubliceerd worden op de website van de bevoegde afdeling.
   § 2. De bevoegde afdeling verschaft op eenvoudig verzoek alle algemene informatie over de procedure tot erkenning en de toepassing van de erkenningsvoorwaarden.]1

  
Art.56. [1 § 1er. La division compétente publie sur son site web les conditions, les modalités qui doivent être remplies lors de l'introduction de la demande d'agrément, la procédure et les listes des personnes agréées. Sur la demande du titulaire de l'agrément, des données de la personne agréée peuvent ne pas être publiées sur le site web de la division compétente.
   § 2. Sur simple demande, la division compétente fournit toutes les informations générales sur la procédure d'agrément et l'application des conditions d'agrément.]1

  
HOOFDSTUK 11/1. [1 - Verwerking van persoonsgegevens]1
CHAPITRE 11/1. [1 - Traitement des données à caractère personnel]1
Art. 56/1. [1 § 1. De bevoegde afdeling verwerkt de persoonsgegevens die ze ontvangt volgens artikel 27, § 2, artikel 32, artikel 34, § 5, artikel 43, § 2, artikel 43/1, § 3, artikel 43/2, § 2, artikel 43/3, § 2, artikel 43/4, § 3, artikel 43/6, § 3, artikel 43/7, § 2, artikel 43/8, § 2, artikel 43/9, § 2, artikel 43/10, § 2, artikel 53/9, 4°, of artikel 58/3, § 1, voor de volgende doeleinden:
  1° in het geval van een natuurlijk persoon: de identificatie van een gecertificeerd of erkend persoon, of een geregistreerd monsternemer;
  2° in het geval van een rechtspersoon: de identificatie van de zaakvoerder en andere personen die van belang zijn voor de erkenning van de rechtspersoon;
  3° de opvolging van de algemene en bijzondere erkenningsvoorwaarden en gebruikseisen;
  4° een controle of sanctie volgens dit besluit of het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
  5° de betaling van de retributie als vermeld in artikel 54/1;
  6° de publicatie van de lijsten met erkende personen als vermeld in artikel 56 of geregistreerde monsternemers als vermeld in artikel 58/3.
  De bevoegde afdeling bezorgt voor de technici, vermeld in artikel 6, 2°, i), het erkenningsnummer, de startdatum van de erkenning en de gegevens, vermeld in bijlage 15, 10°, die bij dit besluit is gevoegd, en vermeld in bijlage 19, 1°, a) en c), die bij dit besluit is gevoegd, aan een instantie die het sectorale opleidingsbeleid ondersteunt.
  § 2. De entiteit waartoe de bevoegde afdeling behoort, is voor de ontvangen persoonsgegevens als vermeld in paragraaf 1 de verwerkingsverantwoordelijke als vermeld in artikel 4, 7), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG, uitgezonderd voor de registratie als monsternemer in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van [2 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid]2 waarvoor de Mestbank voor de verzameling en beoordeling de verwerkingsverantwoordelijke is en het departement voor de overige verwerkingen de verwerkingsverantwoordelijke is.]1

  
Art. 56/1. [1 § 1er. La division compétente traite les données à caractère personnel qu'elle reçoit selon l'article 27, § 2, l'article 32, l'article 34, § 5, l'article 43, § 2, l'article 43/1, § 3, l'article 43/2, § 2, l'article 43/3, § 2, l'article 43/4, § 3, l'article 43/6, § 3, l'article 43/7, § 2, l'article 43/8, § 2, l'article 43/9, § 2, l'article 43/10, § 2, l'article 53/9, 4°, ou l'article 58/3, § 1, aux fins suivantes :
  1° dans le cas d'une personne physique : l'identification d'une personne certifié ou agréée ou d'un échantillonneur enregistré ;
  2° dans le cas d'une personne morale : l'identification du gérant et d'autres personnes qui ont une importance pour l'agrément de la personne morale ;
  3° le suivi des conditions générales et particulières d'agrément et des exigences d'utilisation ;
  4° un contrôle ou une sanction selon le présent arrêté ou l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement ;
  5° le paiement de la rétribution visée à l'article 54/1 ;
  6° la publication des listes des personnes agréées telles que visées à l'article 56, ou de la liste des échantillonneurs enregistrés telle que visée à l'article 58/3.
  La division compétente transmet, pour les techniciens visés l'article 6, 2°, i), le numéro d'agrément, la date de début de l'agrément et les données visées à l'annexe 15, 10°, jointe au présent arrêté, et visées à l'annexe 19, 1°, a) et c), jointe au présent arrêté, à une instance qui soutient la politique de formation sectorielle.
  § 2. En ce qui concerne les données à caractère personnel reçues, telles que visées dans le paragraphe 1er, l'entité à laquelle la division compétente appartient est le responsable du traitement tel que visé à l'article 4, 7), du règlement (UE) 2016/679 du Parlement européen et du Conseil du 27 avril 2016 relatif à la protection des personnes physiques à l'égard du traitement des données à caractère personnel et à la libre circulation de ces données, et abrogeant la directive 95/46/CE, sauf en ce qui concerne l'enregistrement en tant qu'échantillonneur dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du [2 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune ]2 pour lequel la Mestbank est le responsable du traitement pour ce qui est de la collecte et de l'évaluation et le département est le responsable du traitement pour ce qui est des autres opérations de traitement.]1

  
HOOFDSTUK 12. - Bijzondere bepaling over tijdelijke en incidentele uitoefening van diensten
CHAPITRE 12. - Position particulière relative à l'exercice temporaire et occasionnel de services
Art.57. § 1. Dienstverrichters die zijn gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte of in een ander gewest in België, en die over een aantoonbare beroepskwalificatie beschikken die in hun lidstaat of gewest toegang geeft tot het uitoefenen van het beroep van technicus, vermeld in artikel 6, 2°, zijn voor de tijdelijke en incidentele uitoefening van dat beroep vrijgesteld van het verkrijgen van een voorafgaande erkenning.
  § 2. De personen, vermeld in paragraaf 1, brengen [1 de bevoegde afdeling]1 door middel van een schriftelijke verklaring, met daarin de gegevens over de verzekeringsdekking of soortgelijke individuele of collectieve vormen van bescherming inzake beroepsaansprakelijkheid, vooraf op de hoogte van het feit dat ze de vermelde diensten gaan verrichten in het Vlaamse Gewest. Overeenkomstig artikel 7 van de EU-Richtlijn 2005/36/EG worden bij die verklaring van de volgende documenten gevoegd :
  1° een bewijs van de nationaliteit van de dienstverrichter;
  2° een attest dat de houder ervan rechtmatig in een lidstaat gevestigd is om er de werkzaamheden in kwestie uit te oefenen, en dat hem op het moment van afgifte van het attest geen beroepsuitoefeningsverbod is opgelegd, ook niet tijdelijk;
  3° een bewijs van beroepskwalificaties.
  
Art.57. § 1er. Les prestataires de services établis dans un autre état-membre de l'Espace économique européen ou dans une autre région en Belgique et qui disposent d'une qualification professionnelle démontrable, donnant accès dans leur état-membre ou région à l'exercice de la profession de technicien, visé à l'article 6, 2°, sont exemptés de l'obtention d'un agrément préalable pour l'exercice temporaire et occasionnel de cette profession.
  § 2. Les personnes, visées au § 1er, notifient leur projet de rendre les services susmentionnés en Région flamande au préalable à [1 l'entité compétente]1 au moyen d'une déclaration écrite reprenant les données de la couverture d'assurance ou de formes individuelles ou collectives de protection relative à la responsabilité professionnelle. Conformément à l'article 7 de la Directive de l'UE 2005/36/CE, les documents suivants sont joints à cette déclaration :
  1° une preuve de la nationalité du prestataire de services;
  2° un certificat attestant que son détenteur est établi légitimement dans un Etat membre pour y exercer les activités concernées et qu'au moment de la délivrance du certificat aucune interdiction d'exercer la profession ne lui a été imposée, même pas temporairement.
  3° une preuve de qualifications professionnelles
  
HOOFDSTUK 13. - Toezicht, bestuurlijke handhaving en veiligheidsmaatregelen
CHAPITRE 13 - Trôle, maintien administratif et mesures de sécurité
Art.58. Voor dit besluit worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels, vermeld in de hoofdstukken III, IV en VII van titel XVI van het decreet Milieubeleid.
Art.58. Pour le présent arrêté, le contrôle et le maintien administratif sont exercés et les mesures de sécurité sont prises conformément aux règles fixées aux chapitres III, IV et VII du titre XVI du décret relatif à la politique de l'environnement.
HOOFDSTUK 13/1. [1 - Periodieke evaluatie van erkende technici, deskundigen en bedrijven]1
CHAPITRE 13/1. [1 - Evaluation périodique des techniciens experts et entreprises agréés]1
Art. 58/1. [1 § 1. [5 [7 De bevoegde afdeling]7]5 kan een [4 centraal stooktoestel]4 dat [4 door een erkende technicus gekeurd is vóór de eerste ingebruikname, onderhouden is]4 [9 ...]9 als vermeld in het besluit inzake het onderhoud en nazicht van [4 centrale stooktoestellen]4, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5.
   Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle attesten van de onderhoudsbeurten [9 ...]9 die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.
   § 2. [5 [7 De bevoegde afdeling]7]5 kan de keuringen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 2°, of de keuringsverslagen, vermeld in artikel 39/1, eerste lid, 3°, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5.
   Een willekeurige selectie van ten minste een statistisch relevant percentage van alle keuringsverslagen die jaarlijks worden verstrekt, wordt aan een controle onderworpen.]1

  [4 [5 [7 De bevoegde afdeling]7]5 kan een stookolietank die door een erkende stookolietechnicus gecontroleerd, onderhouden of buiten gebruik gesteld is als vermeld in afdeling 5.17.2, 5.17.3, 6.5.4 en 6.5.5 van titel II van het VLAREM, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door [5 [7 de bevoegde afdeling]7.]5]4
  [2 § 4. [5 [7 De bevoegde afdeling]7]5 kan een koelinstallatie [8 , een warmtepomp]8 [3 of een koeleenheid op koelwagens en koelaanhangwagens]3 die door een erkende koeltechnicus of een erkend koeltechnisch bedrijf geïnstalleerd, onderhouden, gerepareerd of buiten dienst gesteld werd, die door een erkende koeltechnicus gecontroleerd werd op lekkage of waaruit gefluoreerde broeikasgassen of ozonlaagafbrekende stoffen werden teruggewonnen door een erkende koeltechnicus als vermeld in [3 artikel 4.4.8.4, artikel 5.2.2.5.2, § 9, artikel 5.16.3.3, § 1bis, [6 ...]6 artikel 6.8.1.1 of artikel 6.8.6.1]3 van titel II van het VLAREM, op ieder moment onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5. Bovendien kan [7 de bevoegde afdeling]7 het gebruik van de erkenning als koeltechnicus of als koeltechnisch bedrijf onderwerpen aan een controle door een keuringsinstelling die aangewezen is door [5 [7 de bevoegde afdeling]7]5.]2
  
Art. 58/1. [1 § 1er. [5 [7 La division compétente]7]5, peut, à chaque moment, soumettre un [4 appareil de chauffage central]4 [4 qui est inspecté par un technicien agréé avant la première mise en service]4 [9 ...]9 tel que visé à l'arrêté relatif à l'entretien et au contrôle [4 d'appareils de chauffage central]4 à un contrôle par un organisme de contrôle qui est désigné par [5 [7 la division compétente]7]5.
   Une sélection au hasard d'au moins un pourcentage statistiquement pertinent de toutes les attestations des entretiens [9 ...]9 qui sont fournis annuellement est soumise à un contrôle.
   § 2. [5 [7 La division compétente]7]5 peut, à chaque moment, soumettre les contrôles, visés à l'article 39/1, alinéa premier, 2°, ou les rapports de contrôle, visés à l'article 39/1, alinéa premier, 3°, à un contrôle par un organisme de contrôle qui est désigné par [5 [7 la division compétente]7]5.
   Une sélection au hasard d'au moins un pourcentage statistiquement pertinent de tous les rapports de contrôle qui sont fournis annuellement est soumise à un contrôle.]1

  [4 § 3. [5 [7 La division compétente]7]5 peut soumettre à tout moment à un contrôle par un organisme de contrôle désigné par [5 [7 la division compétente]7]5 une cuve de mazout qui a été contrôlée, entretenue ou mise hors service par un technicien chauffagiste agréé, comme indiqué aux sections 5.17.2, 517.3, 6.5.4 et 6.5.5 du titre II du VLAREM.]4
  [2 § 4. [5 [7 La division compétente]7]5 peut à tout moment soumettre [8 une installation de réfrigération, une pompe à chaleur ou une unité de réfrigération des]8 camions et remorques frigorifiques qui a été installée, entretenue, réparée ou mise hors service par un technicien en froid agréé ou une entreprise en froid agréée ou qui a été contrôlée sur la présence de fuites par un technicien en froid agréé ou dans laquelle des gaz à effet de serre fluorés ou des substances appauvrissant la couche d'ozone ont été récupérés par un technicien en froid agréé, tel que visé à [3 l'article 4.4.8.4, l'article 5.2.2.5.2, § 9, l'article 5.16.3.3, § 1bis, [6 ...]6 l'article 6.8.1.1 ou l'article 6.8.6.1]3 du titre II du VLAREM, à un contrôle par un organisme de contrôle désigné par [5 [7 la division compétente]7]5. [5 [7 La division compétente]7]5 peut en outre soumettre l'utilisation de l'agrément comme technicien en froid ou comme entreprise en froid à un contrôle par un organisme de contrôle désigné par [5 [7 la division compétente]7]5.]2
  
HOOFDSTUK 13/2. [1 - Keuringsinstelling]1
CHAPITRE 13/2. [1 - Organisme de contrôle]1
Art. 58/2. [1 Om aangewezen te worden als keuringsinstelling, moet een instelling aan de volgende voorwaarden voldoen :
   1° een [2 rechtspersoon]2 zijn;
   2° een of meer keurders aanwijzen die aan de volgende voorwaarden voldoen :
   a) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1 : een erkenning als technicus vloeibare brandstof, [6 of gasvormige brandstof als vermeld in artikel 32, Ї 2, eerste lid, 1А, of 2А,]6, bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de verwarmingssector;
   b) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2 : een erkenning als airco-energiedeskundige als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, bezitten;
  [3 c) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 3: een erkenning als stookolietechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 4°, of een erkenning als milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen als vermeld in artikel 6, 1°, a), bezitten;]3
  [2 d) in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 4 : een erkenning als koeltechnicus als vermeld in artikel 32, § 2, eerste lid, 7°, van categorie I bezitten en beschikken over minstens drie jaar praktijkervaring in de koelsector;]2
   3° in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 1, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 1, eerste lid, of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 2, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 2, eerste lid, [2 of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 3, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, §3,]2 [2 of in geval van een keuringsinstelling als vermeld in artikel 58/1, § 4, voor de activiteiten, vermeld in artikel 58/1, § 4,]2 geaccrediteerd zijn als keuringsinstelling van het type A op basis van de criteria van de norm ISO/IEC 17020, hetzij een bewijs leveren dat een aanvraag om die accreditatie te verkrijgen, aanvaard is door BELAC of een gelijkwaardig accreditatiesysteem.
   [4 [5 De bevoegde afdeling]5]4 wijst een keuringsinstelling aan voor een periode van maximaal vier jaar.]1

  
Art. 58/2. [1 Afin d'être désigné comme organisme de contrôle, un organisme doit remplir les conditions suivantes :
   1° être une personne morale;
   2° désigner un ou plusieurs contrôleurs qui répondent aux conditions suivantes :
   a) en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 1er : posséder un agrément comme technicien [6 ou en combustibles gazeux tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°,]6 tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 1°, 2°, et 3°, et disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur du chauffage;
   b) en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 2 : posséder un agrément comme expert en matière d'énergie et de systèmes de climatisation tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6° ;
  [3 c) dans [e cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 3 : posséder un agrément en tant que technicien chauffagiste tel que visé à l'article 32, § 2, premier alinéa, 4°, ou un agrément en tant qu'expert environnemental dans la discipline réservoirs à gaz ou à substances dangereuses tel que visé à l'article 6, 1°, a);]3
  [2 d) dans le cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 4 : avoir un agrément comme technicien en froid, tel que visé à l'article 32, § 2, alinéa premier, 7°, de catégorie I et disposer d'au moins trois années d'expérience pratique dans le secteur du froid ;]2
   3° en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 1er, pour les activités, visées à l'article 58/1, § 1er, alinéa premier, ou en cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 2, pour les activités, visées à l'article 58/1, § 2, alinéa premier, ou, dans le cas d'un organisme de contrôle tel que visé à l'article 58/1, § 3, pour les activités visées à l'article 58/1, § 3, [2 ou, dans le cas d'un organisme de contrôle, visé à l'article 58/1 § 4, pour les activités visées à l'article 58/1 § 4]2 être accrédité comme organisme de contrôle du type A sur la base des critères de la norme ISO/IEC 17020, soit fournir une preuve qu'une demande afin d'obtenir cette accréditation est acceptée par BELAC ou un système d'accréditation équivalent.
   [4 [5 La division compétente]5]4, désigne un organisme de contrôle pour une période de quatre ans au maximum.]1

  
HOOFDSTUK 13/3. [1 - Registratie van een monsternemer]1
CHAPITRE 13/3. [1 - Enregistrement d'un échantillonneur]1
Art. 58/3. [1 § 1. Een natuurlijk persoon die door een erkend laboratorium geregistreerd wil worden als monsternemer van bodemmonsters in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van [2 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid]2 of in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten beschikt over een bevoegdheidsverklaring die het erkende laboratorium uitgereikt heeft met toepassing van artikel 53/1, § 6, of artikel 53/2, § 6.
   Het erkende laboratorium dat een natuurlijke persoon wil registreren, bezorgt aan de Mestbank:
   1° het registratieformulier, ondertekend door de monsternemer, waarvan het model is vastgesteld door de Mestbank, met de identificatiegegevens, opgenomen in bijlage 19, die bij dit besluit is gevoegd;
   2° de bevoegdheidsverklaring van de monsternemer die het erkende laboratorium uitgereikt heeft met toepassing van artikel 53/1, § 6, of artikel 53/2, § 6.
   De registratie wordt geweigerd in een van de volgende gevallen:
   1° de monsternemer heeft in de periode van drie jaar die voorafgaat aan de aanvraag tot registratie in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte een strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor overtredingen van de milieuwetgeving die verband houden met het gebruik van de registratie;
   2° in de periode van twee jaar die aan de aanvraag tot registratie voorafgaat, is een eerdere registratie van de monsternemer opgeheven met toepassing van artikel 58/5, § 1, 1°, 2° of 5°, of § 2, ongeacht het erkende laboratorium waarvoor de monsternemer geregistreerd was;
   3° een eerdere registratie van de monsternemer is geschorst met toepassing van artikel 58/5, § 1, 1° of 2°, of § 2, ongeacht het erkende laboratorium waarvoor de monsternemer geregistreerd is, zolang die schorsing niet stopgezet wordt.
   De Mestbank brengt het erkende laboratorium binnen dertig dagen nadat alle stukken, vermeld in het tweede lid, ingediend zijn op de hoogte van de datum waarop de registratie ingaat of van de weigering van de registratie.
   De Mestbank bezorgt de gegevens van de geregistreerde monsternemers voor de erkende laboratoria, vermeld in artikel 6, 5°, c), aan het departement.
   § 2. De bevoegde afdeling publiceert op haar website de lijst van geregistreerde monsternemers met de erkende laboratoria waarvoor de monsternemers geregistreerd zijn. Op vraag van de geregistreerde monsternemer kunnen gegevens van de monsternemer niet gepubliceerd worden op de website van de bevoegde afdeling.]1

  
Art. 58/3. [1 § 1er. Une personne physique qui désire être enregistrée par un laboratoire agréé comme échantillonneur d'échantillons de sol dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du [2 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune ]2 ou dans le cadre du décret relatif aux engrais et de ses arrêtés d'exécution dispose d'une habilitation délivrée par le laboratoire agréé en application de l'article 53/1, § 6, ou de l'article 53/2, § 6.
   Le laboratoire agréé qui désire enregistrer une personne physique transmet à la Mestbank :
   1° le formulaire d'enregistrement signé par l'échantillonneur, dont le modèle a été arrêté par la Mestbank, avec les données d'identification reprises à l'annexe 19 jointe au présent arrêté ;
   2° l'habilitation de l'échantillonneur délivrée par le laboratoire agréé en application de l'article 53/1, § 6, ou de l'article 53/2, § 6.
   L'enregistrement est refusé dans l'un des cas suivants :
   1° durant la période de trois ans précédant la demande d'enregistrement, l'échantillonneur a encouru, dans un Etat de l'Espace économique européen, une condamnation pénale du chef d'infractions à la législation environnementale en rapport avec l'utilisation de l'enregistrement ;
   2° durant la période de deux ans précédant la demande d'enregistrement, un enregistrement antérieur de l'échantillonneur a été abrogé en application de l'article 58/5, § 1er, 1°, 2° ou 5°, ou § 2, quel que soit le laboratoire agréé pour lequel l'échantillonneur était enregistré ;
   3° un enregistrement antérieur de l'échantillonneur a été suspendu en application de l'article 58/5, § 1er, 1° ou 2°, ou § 2, quel que soit le laboratoire agréé pour lequel l'échantillonneur a été enregistré, tant qu'il n'est pas mis fin à cette suspension.
   Dans les trente jours suivant l'introduction de toutes les pièces visées à l'alinéa 2, la Mestbank informe le laboratoire agréé de la date à laquelle l'enregistrement prend cours ou du refus de l'enregistrement.
   La Mestbank transmet au département les données des échantillonneurs enregistrés pour les laboratoires agréés, visés à l'article 6, 5°, c).
   § 2. La division compétente publie sur son site web la liste des échantillonneurs enregistrés avec les laboratoires agréés pour lesquels les échantillonneurs été enregistrés. A la demande de l'échantillonneur enregistré, les données de l'échantillonneur ne peuvent pas être publiées sur le site web de la division compétente.]1

  
Art. 58/4. [1 Een geregistreerde monsternemer moet voldoen aan de volgende gebruikseisen:
   1° alleen de monsternemingen uitvoeren in opdracht van het erkende laboratorium waarvoor hij geregistreerd is en werken conform het kwaliteitssysteem van het erkende laboratorium;
   2° het BOC toepassen bij de monsternemingen van de bodem die uitgevoerd worden in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van [3 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid"]3;
   3° het BAM toepassen bij de monsternemingen van de bodem die uitgevoerd worden in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan;
   4° beschikken over het nodige materiaal, vermeld in het BOC of BAM, om de monsternemingen correct uit te voeren;
   5° gebruikmaken van een gps-datalogger voor alle monsternemingen die uitgevoerd worden. De minister bepaalt de nadere regels voor het gebruik van de gps-datalogger [2 in het BAM of het BOC]2;
   6° het bodemmonster, het bestand met de dataloggegevens en het monsternameformulier bezorgen aan het erkende laboratorium in opdracht waarvan hij de monstername uitgevoerd heeft;
   7° elke wijziging in de identificatiegegevens, elke wijziging van de gegevens waardoor hij niet meer voldoet aan de gebruikseisen, of de definitieve stopzetting van het gebruik van de registratie onverwijld meedelen aan de Mestbank;
   8° aan de bevoegde afdeling en het referentielaboratorium van het Vlaamse Gewest alle inlichtingen en documenten ter beschikking stellen waar ze met betrekking tot de monstername om verzoeken en zich richten naar de instructies die de bevoegde afdeling en de toezichthouders geven;
   9° zijn medewerking verlenen aan periodieke evaluaties die de bevoegde afdeling opzet;
   10° een objectieve en onafhankelijke houding aannemen bij de uitvoering van een monstername. Hij mag geen monsternames uitvoeren als:
   a) hij, in rechte of in feite, bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de opdrachtgever;
   b) de opdrachtgever, zelf of met een tussenpersoon, in rechte of in feite bestuursmandaten opneemt of bestuursfuncties uitoefent bij de erkende persoon;
   c) hij bloed- of aanverwant in de rechte lijn tot en met de derde graad en in de zijlijn tot en met de vierde graad is met de opdrachtgever;
   d) er financiële banden zijn tussen hem en de opdrachtgever;
   e) hij rechtstreeks of onrechtstreeks, geheel of gedeeltelijk, gecontroleerd of beheerd wordt door de opdrachtgever.
   Voor de toepassing van het eerste lid, 10°, wordt onder opdrachtgever niet het erkende laboratorium verstaan in opdracht waarvan de geregistreerde monsternemer de monstername uitvoert, maar wel de persoon in opdracht van wie de monstername en bijhorende analyse worden uitgevoerd, alsook de gebruikers van de percelen waarop de bemonsteringen uitgevoerd worden.]1

  
Art. 58/4. [1 Un échantillonneur agréé doit satisfaire aux conditions d'usage suivantes :
   1° n'effectuer les prélèvements d'échantillons que pour le compte du laboratoire agréé pour lequel il a été enregistré et travailler conformément au système de qualité du laboratoire agréé ;
   2° appliquer le BOC lors des prélèvements d'échantillons de sol effectués dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du [3 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune]3 ;
   3° appliquer le BAM lors des prélèvements d'échantillons de sol effectués dans le cadre du décret relatif aux engrais et de ses arrêtés d'exécution ;
   4° disposer du matériel nécessaire visé dans le BOC ou le BAM pour effectuer correctement les prélèvements d'échantillons ;
   5° utiliser un enregistreur de données GPS pour tous les prélèvements d'échantillons effectués. Le ministre fixe les modalités de l'utilisation de l'enregistreur de données GPS [2 au BAM ou au BOC]2 ;
   6° transmettre l'échantillon de sol, le fichier contenant les données de l'enregistreur de données et le formulaire d'échantillonnage au laboratoire agréé pour le compte duquel il a exécuté l'échantillonnage ;
   7° communiquer sans délai à la Mestbank toute modification de ses données d'identification, toute modification des données telle qu'il ne satisfait plus aux conditions d'usage, ou l'arrêt définitif de l'usage de l'enregistrement ;
   8° mettre à la disposition de la division compétente et du laboratoire de référence de la Région flamande tous les renseignements et documents qu'ils demandent concernant l'échantillonnage et se conformer aux instructions données par la division compétente et les contrôleurs ;
   9° prêter son concours aux évaluations périodiques organisées par la division compétente ;
   10° adopter une attitude objective et indépendante lors de l'exécution d'un échantillonnage. Il ne peut pas effectuer d'échantillonnages si :
   a) il assume des mandats d'administrateur ou exerce des fonctions d'administrateur, en droit ou en fait, auprès du donneur d'ordre ;
   b) le donneur d'ordre, lui-même ou par un intermédiaire, assume des mandats d'administrateur ou exerce des fonctions d'administrateur, en droit ou en fait, auprès de la personne agréée ;
   c) s'il est parent ou allié en ligne directe jusqu'au troisième degré et en ligne collatérale jusqu'au quatrième degré avec le donneur d'ordre ;
   d) il existe des liens financiers entre lui et le donneur d'ordre ;
   e) il est, directement ou indirectement, totalement ou partiellement, contrôlé ou géré par le donneur d'ordre.
   Aux fins de l'application de l'alinéa 1er, 10°, le donneur d'ordre ne s'entend pas du laboratoire agréé pour le compte duquel l'échantillonneur enregistré effectue l'échantillonnage, mais bien de la personne pour le compte de laquelle l'échantillonnage et l'analyse correspondante sont effectués ainsi que des usagers des parcelles sur lesquelles les échantillonnages sont réalisés.]1

  
Art. 58/5. [1 § 1. De bevoegde afdeling kan de registratie van een monsternemer geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen in een of meer van de volgende gevallen:
   1° er is niet meer voldaan aan een of meer van de gebruikseisen, vermeld in artikel 58/4;
   2° bij een controle worden foutieve handelingen vastgesteld bij de monsterneming;
   3° de retributie, vermeld in artikel 54/1, § 2, wordt niet betaald;
   4° de monsternemer beschikt niet meer over een bevoegdheidsverklaring als vermeld in artikel 58/3, § 1;
   5° het erkende laboratorium in opdracht waarvan de geregistreerde monsternemer werkt, heeft gemeld dat bij de uitvoering van kwaliteitscontroles als vermeld in het BOC of het BAM, de resultaten van een monsterneming die uitgevoerd is door de betrokken geregistreerde monsternemer, als afwijkend aangemerkt werden;
   6° de monsternemer heeft in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte een strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor overtredingen van de milieuwetgeving die verband houden met het gebruik van de registratie.
   § 2. Naast de gevallen, vermeld in paragraaf 1, kan de leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, de registratie van een monsternemer als vermeld in artikel 58/3, § 1, geheel of gedeeltelijk schorsen of opheffen als er twee keer in hetzelfde jaar bij een controlebemonstering resultaten worden vastgesteld die niet in overeenstemming gebracht kunnen worden met de resultaten van de monsterneming die de geregistreerde monsternemer heeft uitgevoerd. De resultaten van de controlebemonstering kunnen niet in overeenstemming gebracht worden met de resultaten van de monsterneming die de geregistreerde monsternemer heeft uitgevoerd, als de analyseresultaten van beide bemonsteringen voor een of meer parameters meer verschillen dan de toegestane afwijking van de bemonstering en analyse van de parameter in kwestie, vermeld in het BOC of het BAM.
   De minister kan in het BOC of in het BAM voor een of meer parameters de toegestane afwijking, vermeld in het eerste lid, vastleggen.
   § 3. De bevoegde afdeling brengt de geregistreerde monsternemer met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de registratie te schorsen of op te heffen, met vermelding van de redenen, en nodigt hem tegelijkertijd uit zijn verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een hoorzitting.
   § 4. De leidinggevende ambtenaar van het agentschap of departement waartoe de bevoegde afdeling behoort, neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de registratie, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten en meegedeelde verweermiddelen.
   § 5. Als de registratie wordt geschorst of opgeheven, betekent de bevoegde afdeling de beslissing met een aangetekende brief aan de persoon in kwestie en aan het erkende laboratorium waarvoor de monsternemer geregistreerd is.
   De schorsing of opheffing van de registratie geldt zowel voor de registratie als monsternemer van bodemmonsters in het kader van het besluit van de Vlaamse Regering van [2 21 april 2023 tot vaststelling van de voorschriften voor de rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid"]2 als voor de registratie als monsternemer van bodemmonsters in het kader van het Mestdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan.
   § 6. Als de procedure tot schorsing of opheffing van de registratie wordt stopgezet, worden de monsternemer en het erkende laboratorium waarvoor de monsternemer geregistreerd is, daarvan op de hoogte gebracht.]1

  
Art. 58/5. [1 § 1er. La division compétente peut suspendre ou abroger, en tout ou en partie, l'enregistrement d'un échantillonneur dans un ou plusieurs des cas suivants :
   1° une ou plusieurs des conditions d'usage visées à l'article 58/4 ne sont plus remplies ;
   2° un contrôle a révélé des actes fautifs dans le prélèvement d'échantillons ;
   3° la rétribution visée à l'article 54/1, § 2, n'est pas payée ;
   4° l'échantillonneur ne dispose plus de l'habilitation visée à l'article 58/3, § 1er ;
   5° le laboratoire agréé pour le compte duquel l'échantillonneur enregistré travaille a notifié que, lors de l'exécution de contrôles de qualité tels que visés dans le BOC ou le BAM, les résultats d'un prélèvement d'échantillons réalisé par l'échantillonneur enregistré ont été qualifiés de non conformes ;
   6° l'échantillonneur a encouru, dans un Etat de l'Espace économique européen, une condamnation pénale du chef d'infractions à la législation environnementale en rapport avec l'utilisation de l'enregistrement.
   § 2. Outre les cas visés au paragraphe 1er, le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département dont relève la division compétente peut suspendre ou abroger, en tout ou en partie, l'enregistrement d'un échantillonneur tel que visé à l'article 58/3, § 1er, si, à deux reprises au cours de la même année, un échantillonnage de contrôle révèle des résultats qui ne peuvent pas être mis en concordance avec les résultats du prélèvement d'échantillons réalisé par l'échantillonneur enregistré. Les résultats de l'échantillonnage de contrôle ne peuvent pas être mis en concordance avec les résultats du prélèvement d'échantillons réalisé par l'échantillonneur enregistré si les résultats d'analyse des deux échantillonnages présentent, pour un ou plusieurs paramètres, des écarts plus importants plus que l'écart autorisé de l'échantillonnage et de l'analyse du paramètre en question, visé dans le BOC ou le BAM.
   Le ministre peut déterminer, dans le BOC ou dans le BAM, l'écart autorisé, visé à l'alinéa 1er, pour un ou plusieurs paramètres.
   § 3. La division compétente informe l'échantillonneur enregistré par lettre recommandée de son intention de suspendre ou d'abroger l'enregistrement, en en précisant les motifs, et l'invite en même temps à présenter ses moyens de défense et à assister à une audition.
   § 4. Le fonctionnaire dirigeant de l'agence ou du département dont relève la division compétente prend une décision au sujet de la suspension ou de l'abrogation de l'enregistrement en tenant compte des éventuelles formalités accomplies et des moyens de défense communiqués.
   § 5. Si l'enregistrement est suspendu ou abrogé, la division compétente signifie la décision à la personne concernée et au laboratoire agréé pour lequel l'échantillonneur a été enregistré par lettre recommandée.
   La suspension ou l'abrogation de l'enregistrement vaut tant pour l'enregistrement comme échantillonneur d'échantillons de sol dans le cadre de l'arrêté du Gouvernement flamand du [2 21 avril 2023 établissant des prescriptions pour le paiement direct aux agriculteurs dans le cadre de la Politique Agricole Commune ]2 que pour l'enregistrement comme échantillonneur d'échantillons de sol dans le cadre du décret relatif aux engrais et de ses arrêtés d'exécution.
   § 6. S'il est mis fin à la procédure de suspension ou d'abrogation de l'enregistrement, l'échantillonneur et le laboratoire agréé pour lequel l'échantillonneur a été enregistré en sont informés.]1

  
Art. 58/6. [1 De registratie van een monsternemer vervalt van rechtswege op de dag dat de geregistreerde monsternemer of het erkende laboratorium in opdracht waarvan de geregistreerde monsternemer monsternames uitvoert, aan de Mestbank de stopzetting van het gebruik van de registratie meedeelt. De Mestbank brengt de monsternemer en het erkende laboratorium waarvoor de monsternemer geregistreerd is, op de hoogte van het verval van rechtswege van de registratie van de monsternemer.]1
  
Art. 58/6. [1 L'enregistrement d'un échantillonneur s'éteint de plein droit le jour où l'échantillonneur enregistré ou le laboratoire agréé pour le compte duquel l'échantillonneur enregistré réalise des échantillonnages communique à la Mestbank l'arrêt de l'usage de l'enregistrement. La Mestbank informe l'échantillonneur et le laboratoire agréé pour lequel l'échantillonneur a été enregistré de l'extinction de plein droit de l'enregistrement de l'échantillonneur.]1
  
HOOFDSTUK 14. - Wijzigingsbepalingen
CHAPITRE 14. - Positions modificatives
Afdeling 1. - Wijzigingen in titel II van het VLAREM
Section 1re. - Modifications au titre II du VLAREM
Art.59. In artikel 1.1.2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 21 mei 2010, worden onder " afvalwatercontroles " in de definitie " referentiemeetmethode " de woorden " Naast de meetmethoden in het compendium kunnen ook andere meetmethoden worden gebruikt die door de afdeling bevoegd voor erkenningen gelijkwaardig zijn verklaard aan het betrokken laboratorium. Als het laboratorium andere analysemethoden wil gebruiken dan opgenomen in het compendium, moet het de gelijkwaardigheid aantonen. De resultaten van het gelijkwaardigheidsonderzoek worden aan de afdeling bevoegd voor erkenningen en de VITO bezorgd. De afdeling bevoegd voor erkenningen beslist na advies van de VITO of de analysemethode al dan niet gelijkwaardig is en deelt de beslissing mee met een aangetekende brief aan het laboratorium. " opgeheven.
Art.59. Dans l'article 1.1.2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 1er juin 1995 fixant les dispositions générales et sectorielles en matière d'hygiène de l'environnement, modifié dernièrement par l'arrêté du Gouvernement flamand du 21 mai 2010, les mots suivants sont abrogés sous la section " contrôles des eaux usées " dans la définition de " méthode de mesurage de référence " : " Outre les méthodes de mesurage répertoriées dans le compendium, d'autres méthodes de mesurage, dont le laboratoire concerné a eu la confirmation de la division compétente pour les agréments quant à leur équivalence, peuvent aussi être utilisées. Lorsque le laboratoire veut utiliser d'autres méthodes d'analyse que celles reprises au compendium, il doit en démontrer l'équivalence. Les résultats de l'examen d'équivalence sont transmis à la division compétente pour les agréments et à la VITO. Après l'avis de la VITO, la division compétente pour les agréments décide si la méthode d'analyse est équivalente ou non, et communique la décision au laboratoire par lettre recommandée. "
Art.60. Artikel 1.3.1.1 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 1.3.1.1. § 1. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen, beproevingen en analyses, als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt verstaan onder :
  1° een milieudeskundige in de discipline grondwater : een laboratorium in de discipline water, deeldomein grondwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van grondwater;
  2° een milieudeskundige in de discipline oppervlaktewater :
  a) een laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot dit besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van afvalwater;
  b) een laboratorium in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, dat met betrekking tot het besluit de bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses uitvoert van oppervlaktewater;
  3° een milieudeskundige in de discipline lucht : een laboratorium in de discipline lucht, erkend voor de uitvoering van die bemonsteringen, metingen, beproevingen of analyses met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
  4° een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie : een milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie, erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu;
  5° een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen : een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen erkend voor de uitvoering van die beproevingen met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu of gevaarlijke stoffen.
  Niemand mag die monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses uitvoeren zonder daarvoor in het bezit te zijn van een erkenning, in voorkomend geval als vermeld in :
  1° in bijlage 3, 1°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline water;
  2° in bijlage 3, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een laboratorium in de discipline lucht;
  3° in bijlage 4, van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu voor een milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen.
  § 2. Voor het uitvoeren van akoestische onderzoeken en het opstellen en het begeleiden van saneringsplannen als vermeld in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen, wordt met een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen bedoeld : een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.
  § 3. Voor het nemen van monsters en het uitvoeren van metingen en analyses als vermeld bepaald in de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en in de bijzondere vergunningsvoorwaarden van bepaalde inrichtingen of onderdelen van inrichtingen wordt met een milieudeskundige in de disciplines bodem of afval bedoeld : een laboratorium, erkend volgens hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer.
  § 4. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° milieudeskundige in de discipline elektrische installaties : erkend orgaan als vermeld in artikel 275 van het AREI;
  2° milieudeskundige in de discipline toestellen onder druk : instanties als vermeld in het koninklijk besluit van 31 maart 1995 betreffende de erkenning van de instanties die aangemeld worden bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen voor de toepassing van bepaalde conformiteitsbeoordelingsprocedures van machines, drukvaten van eenvoudige vorm, liften en persoonlijke beschermingsmiddelen;
  3° milieudeskundige in de discipline recipiënten voor samengeperst, vloeibaar gemaakt, of opgelost gas : erkende externe dienst voor technische controles op de werkplaats als vermeld in het koninklijk besluit van 29 april 1999 betreffende de erkenning van externe diensten voor technische controles op de werkplaats. " .
Art.60. L'article 1.3.1.1 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 1.3.1.1. § 1er. Pour l'échantillonnage et les mesures, essais et analyses, visés aux conditions environnementales générales et sectorielles et aux conditions d'autorisation particulières de certains établissements ou parties d'établissements, on entend par :
  1° expert environnemental dans la discipline des eaux souterraines : un laboratoire dans le sous-domaine des eaux souterraines de la discipline de l'eau, agréé pour la mise en oeuvre de ces échantillonnages, mesures, essais ou analyses en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, effectuant les échantillonnages, mesures, essais ou analyses d'eaux souterraines relatifs à l'arrêté;
  2° expert environnemental dans la discipline des eaux de surface :
  a) un laboratoire dans le sous-domaine des eaux souterraines de la discipline de l'eau, agréé pour la mise en oeuvre de ces échantillonnages, mesures, essais ou analyses en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, effectuant les échantillonnages, mesures, essais ou analyses d'eaux souterraines relatifs à l'arrêté;
  b) un laboratoire dans le sous-domaine des eaux de surface de la discipline de l'eau, agréé pour la mise en oeuvre de ces échantillonnages, mesures, essais ou analyses en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, effectuant les échantillonnages, mesures, essais ou analyses d'eaux souterraines relatifs à l'arrêté;
  3° expert environnemental dans la discipline de l'air : un laboratoire dans la discipline de l'air, agréé pour la mise en oeuvre de ces échantillonnages, mesures, essais ou analyses en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement;
  4° expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol : un expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol, agréé pour la mise en oeuvre de ces essais en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement;
  5° expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses : un expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz, agréé pour la mise en oeuvre de ces essais en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ou des substances dangereuses.
  Personne n'est autorisé à effectuer ces échantillonnages, mesures, essais et analyses sans en détenir l'agrément, visé, le cas échéant en :
  1° l'annexe 3, 1° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour un laboratoire dans la discipline de l'eau;
  2° l'annexe 3, 2° de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour un laboratoire dans la discipline de l'air;
  3° l'annexe 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement pour un expert environnemental dans la discipline de récipients pour gaz ou substances dangereuses.
  § 2. Pour la mise en oeuvre d'examens acoustiques et l'établissement et l'accompagnement de plans d'assainissement, visés aux conditions environnementales générales et sectorielles et aux conditions d'autorisation particulières de certains établissements ou parties d'établissements, on entend par expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations : un expert environnemental dans le sous-domaine du bruit de la discipline du bruit et des vibrations, agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement.
  § 3. Pour les échantillonnages et la mise en oeuvre de mesures et analyses, visés aux conditions environnementales générales et sectorielles et aux conditions d'autorisation particulières de certains établissements ou parties d'établissements, on entend par expert environnemental dans les disciplines du sol ou des déchets : un laboratoire, visé au chapitre VII de l'arrêté du Gouvernement flamand du 5 décembre 2003 fixant le règlement flamand relatif à la prévention et à la gestion des déchets.
  § 4. Pour l'application du présent arrêté, on entend par :
  1° expert environnemental dans la discipline des installations électriques : organisme agréé, tel que visé à l'article 275 de l'AREI;
  2° expert environnemental dans la discipline d'appareils à pression : des organismes tels que visés à l'arrêté royal du 31 mars 1995 concernant l'agrément des organismes qui sont notifiés à la Commission des Communautés européennes pour l'application de certaines procédures d'évaluation de conformité de machines, de récipients à pression simples, d'ascenseurs, d'équipements sous pression ou d'équipements de protection individuelle;
  3° expert environnemental dans la discipline de récipients pour gaz comprimés, liquéfiés ou dissolus : service externe agréé pour contrôles techniques sur le lieu de travail, tel que visé à l'Arrêté royal du 29 avril 1999 concernant l'agrément de services externes pour les contrôles techniques sur le lieu de travail. ".
Art.61. In hetzelfde besluit worden afdeling 1.3.2, die bestaat uit artikel 1.3.2.1, 1.3.2.2 en 1.3.2.3, afdeling 1.3.3, die bestaat uit artikel 1.3.3.1 en 1.3.3.2, en bijlage 1.3.2.2 opgeheven.
Art.61. Au même arrêté, la section 1.3.2, comprenant les articles 1.3.2.1., 1.3.2.2 et 1.3.2.3 et la section 1.3.3, comprenant les articles 1.3.3.1 et 1.3.3.2 et l'annexe 1.3.2.2, sont abrogées.
Art.62. In artikel 1.3.4.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " afdeling Meetnetten en Onderzoek " worden vervangen door de woorden " afdeling Lucht, Milieu en Communicatie ";
  2° de afkorting " BTX " wordt telkens vervangen door de afkorting " BTEX ";
  3° in punt 1° worden de woorden " totaal koolwaterstoffen, bemonstering en analyse zwarte rook volgens de OESO-methode, " opgeheven;
  4° in punt 6° worden de woorden " regenmeetnet en meetnet natuurgebieden " vervangen door de woorden " depositienet verzuring ".
Art.62. A l'article 1.3.4.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " Le département des " Réseaux de mesurage et étude " sont remplacés par les mots " La afdeling Lucht, Milieu en Communicatie ";
  2° l'abréviation " BTX " est chaque fois remplacée par l'abréviation " BTEX ";
  3° au point 1° les mots " hydrocarbures totaux, échantillonnage et analyse de la fumée noire suivant la méthode OESO " sont abrogés;
  4° au point 6° les mots " réseau de pluviométrie et réseau de mesurage des zones naturelles " sont remplacés par les mots " réseau de dépôt d'acidification ".;
Art.63. Artikel 1.3.4.3 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en 20 november 2009, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 1.3.4.3. Als referentiestandaard voor immissiemetingen als vermeld in artikel 1.3.4.1, gelden de ijkbank van de Vlaamse Milieumaatschappij en de Intergewestelijke Cel voor Leefmilieu (IRCEL). " .
Art.63. L'article 1.3.4.3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008 et du 20 novembre 2009, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 1.3.4.3. Le banc d'étalonnage de la " Vlaamse Milieumaatschappij " et la Cellule interrégionale pour l'Environnement (IRCEL) valent comme normes de référence retenue pour le mesurage des immissions visé à l'article 1.3.4.1. ".
Art.64. In artikel 4.1.9.1.1 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° aan paragraaf 3 wordt een lid toegevoegd, dat luidt als volgt :
  " Als verschillende inrichtingen samen naar het oordeel van de vergunningverlenende overheid een milieutechnische eenheid vormen, kan ze de aanstelling van een gezamenlijke milieucoördinator verplicht stellen. Het feit dat verschillende inrichtingen een verschillend eigendomsstatuut hebben, belet niet dat ze een milieutechnische eenheid vormen. ";
  2° paragraaf 4 wordt vervangen door wat volgt :
  " § 4. Een milieucoördinator kan voor twee of meer inrichtingen samen worden aangesteld. Voor tot de gezamenlijke aanstelling wordt overgegaan, moet de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, haar instemming daarmee verlenen aan de exploitant.
  Die instemming is echter niet vereist als :
  1° het een gezamenlijke aanstelling van een erkende milieucoördinator betreft. In dat geval wordt de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, door de exploitant met een aangetekende brief onmiddellijk op de hoogte gebracht van de aanstelling van de erkende milieucoördinator;
  2° het een gezamenlijke aanstelling betreft voor verschillende inrichtingen, die samen een bedrijfslocatie vormen en onder controle staan van een natuurlijke persoon of rechtspersoon. ".;
  3° er worden een paragraaf 5 tot en met 11 toegevoegd, die luiden als volgt :
  " § 5. De aanvraag tot instemming wordt met een aangetekende brief ingediend bij de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen. De aanvraag bevat de documenten waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de voorwaarden om als milieucoördinator te kunnen worden aangesteld.
  De exploitant kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, vragen om gehoord te worden.
  § 6. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over het verzoek tot instemming met de gezamenlijke aanstelling en deelt die beslissing binnen een termijn van zestig dagen, te rekenen vanaf de eerste dag na het verzenden van de aanvraag, mee aan de aanvrager.
  § 7. Het verlenen van de instemming houdt in dat is voldaan aan de bepalingen van artikel 4.1.9.1.4, § 2.
  § 8. Als de milieucoördinator niet meer voldoet aan de voorwaarden om tot de functie te worden toegelaten of als de milieucoördinator de taken, vermeld in dit reglement, niet naar behoren uitvoert, kan de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de instemming schorsen of opheffen.
  § 9. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, brengt de exploitant en de milieucoördinator met een aangetekende brief op de hoogte van het voornemen om de instemming te schorsen of op te heffen, en van de motieven die daartoe aanleiding geven, en nodigt hen tegelijkertijd uit om hun verweermiddelen in te dienen en aanwezig te zijn op een geplande hoorzitting.
  § 10. De afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, neemt een beslissing over de schorsing of opheffing van de instemming, rekening houdend met de vervulde formaliteiten en de meegedeelde verweermiddelen.
  § 11. Als de instemming wordt geschorst of opgeheven, betekent de afdeling, bevoegd voor milieuvergunningen, de beslissing met een aangetekende brief aan de exploitant en de milieucoördinator.
  Als de procedure tot schorsing of opheffing van de instemming wordt stopgezet, worden de exploitant en de milieucoördinator daarvan op de hoogte gebracht. ".
Art.64. A l'article 4.1.9.1.1 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 3, il est ajouté un alinéa, rédigé comme suit :
  " Lorsque, d'après le jugement de l'autorité délivrante, différents établissements forment une unité écotechnique, celle-ci peut imposer la désignation d'un coordinateur environnemental commun. Le fait que différents établissements ont un différent statut de propriété ne les empêche pas de former une unité écotechnique. ";
  2° le § 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Un coordinateur environnemental peut être désigné pour deux ou plusieurs établissements à la fois. Avant de procéder à la désignation commune, la division, compétente pour les autorisations écologiques, doit y consentir et le communiquer à l'exploitant.
  Ce consentement n'est toutefois pas exigé lorsqu'il :
  1° s'agit d'une désignation commune d'un coordinateur environnemental agréé. Dans ce cas, l'exploitant met la division compétente pour les autorisations écologiques immédiatement au courant de la désignation du coordinateur environnemental agréé par lettre recommandée;
  2° s'agit d'une désignation commune pour différents établissements, qui ensemble forment un lieu d'exploitation et sont sous le contrôle d'une personne physique ou d'une personne morale. ";
  3° il est ajouté des paragraphes 5 à 11 inclus, rédigés comme suit :
  " § 5. La demande de consentement est remise à la division compétente pour les autorisations écologiques par lettre recommandée. La demande contient les documents dont il ressort qu'il est satisfait aux conditions de la désignation comme coordinateur environnemental.
  L'exploitant peut demander à la division, compétente pour les autorisations écologiques, d'être entendu.
  § 6. La division, compétente pour les autorisations écologiques, prend une décision quant à la demande de consentement à la désignation commune et la notifie au demandeur dans un délai de soixante jours, à compter du premier jour après l'envoi de la demande.
  § 7. Le consentement implique qu'il a été satisfait aux dispositions de l'article 4.1.9.1.4, § 2.
  § 8. Lorsque le coordinateur environnemental ne satisfait plus aux conditions d'admission à la fonction ou que le coordinateur environnemental néglige d'effectuer les tâches visées dans le présent règlement, convenablement, la division, compétente des autorisations écologiques, peut suspendre ou abroger le consentement.
  § 9. La division, compétente des autorisations écologiques, notifie son projet de suspendre ou d'abroger le consentement et les motifs qui y ont abouti, à l'exploitant et au coordinateur environnemental par voie de lettre recommandée et les invite par le même courrier à introduire leurs moyens de défense et à assister à une audition spécifique.
  § 10. La division, compétente pour les autorisations écologiques, prend une décision quant à la suspension ou l'abrogation du consentement, tout en tenant compte des formalités remplies et des moyens de défense communiqués.
  § 11. Lorsque le consentement est suspendu ou abrogé, la division, compétente des autorisations écologiques, notifie la décision à l'exploitant et au coordinateur environnemental par lettre recommandée.
  Lorsque la procédure de suspension ou d'abrogation du consentement est arrêtée, l'exploitant et le coordinateur environnemental en sont mis au courant. ".
Art.65. In artikel 4.1.9.1.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 2, 2°, wordt punt a) vervangen door wat volgt :
  " a) in de periode van drie jaar voorafgaand aan de aanvraag tot instemming in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte geen strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor overtredingen die verband houden met de uitvoering van de taken van de milieucoördinator; ";
  2° in paragraaf 2, 2°, b), wordt de zinsnede " , niet bezoldigd zijn door het Rijk, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de gemeenten, een vereniging van gemeenten of een daaronder ressorterende instelling of bestuur ", vervangen door de zinsnede " : met betrekking tot de erkenning van de milieucoördinator en zijn taken, in de hoedanigheid van ambtenaar, geen adviserende, toezichthoudende of beslissende functie uitoefenen; ";
  3° in paragraaf 2, 2°, wordt punt c) vervangen door wat volgt :
  " c) als de milieucoördinator een werknemer is van de exploitant, moet die voor de uitvoering van zijn taken over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid beschikken. De exploitant neemt de kosten van de verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid voor zijn rekening. Als de milieucoördinator geen werknemer is van de exploitant, moet deze over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid beschikken. Aan de eis dat hij over een verzekering burgerrechtelijke aansprakelijkheid, inclusief beroepsaansprakelijkheid, moet beschikken, moet uiterlijk op 1 januari 2012 zijn voldaan; ";
  4° in paragraaf 2, 2°, wordt punt d) vervangen door wat volgt :
  " d) personen die geen werknemer zijn van de exploitant en voor twee of meer inrichtingen als milieucoördinator worden aangesteld die samen geen milieutechnische eenheid vormen, moeten met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu als milieucoördinator zijn erkend. ";
  5° in paragraaf 3 worden 1° en 2° vervangen door wat volgt :
  " 1° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter " A " zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat : met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het eerste niveau of een overgangscursus van het tweede naar het eerste niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu; ";
  2° voor inrichtingen die in de lijst van bijlage 1 bij titel I van het VLAREM onder de vijfde kolom met de letter " B " zijn aangeduid, alsook voor de milieutechnische eenheid of voor een groep van inrichtingen die een dergelijke inrichting omvat : ten minste met vrucht een door een opleidingscentrum, erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, verstrekte cursus aanvullende vorming voor milieucoördinatoren van het tweede niveau hebben afgerond. De inhoud van de cursus wordt bepaald in bijlage 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu. ".
Art.65. A l'article 4.1.9.1.2 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au § 2, 2°, le point a) est remplacé par ce qui suit :
  " a) ne pas avoir encouru de condamnation pénale pour des infractions associées à l'exécution des tâches du coordinateur environnemental dans un état-membre de l'Espace économique européen dans une période de trois ans précédant la demande de consentement; ";
  2° au § 2, 2°, b), la proposition " , non rémunéré par le Royaume, les Communautés, les Régions, les provinces, les communes, une association de communes ou une institution ou administration y ressortissant ", est remplacée par la proposition " : " ne pas exercer de fonction consultative, surveillante ou décisive afférente à l'agrément du coordinateur environnemental et ses tâches, en sa qualité de fonctionnaire; ";
  3° au § 2, 2°, le point c) est remplacé par ce qui suit :
  " c) lorsque le coordinateur environnemental est un employé de l'exploitant, celui-ci doit disposer d'une assurance de responsabilité civile dans le cadre de l'exécution de ses tâches. L'exploitant prend les coûts de l'assurance de responsabilité civile à sa charge. Lorsque le coordinateur environnemental n'est pas un employé de l'exploitant, celui-ci doit disposer d'une assurance de responsabilité civile, incluant la responsabilité professionnelle Il doit être satisfait à l'exigence de disposer d'une assurance de responsabilité civile, incluant la responsabilité professionnelle, le 1er janvier 2012 au plus tard; ";
  4° au § 2, 2°, le point d) est remplacé par ce qui suit :
  " d) les personnes qui ne sont pas employées par l'exploitant et qui sont désignées en tant que coordinateur environnemental de deux ou plusieurs établissements ne constituant pas une unité écotechnique, doivent être agréées comme coordinateur environnemental en application du règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement.
  5° au § 3, les points 1° et 2° sont remplacés par ce qui suit :
  " 1° pour les établissements figurant dans la liste de l'annexe 1re jointe au titre Ier du VLAREM, désignés par la lettre A sous la cinquième colonne de même que pour l'unité écotechnique ou pour un groupe d'établissements comprenant un tel établissement : avoir complété avec fruit un cours de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux de niveau premier ou un cours de transition du deuxième au premier niveau, organisé par un centre de formation, agréé en application du règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement. Le contenu du cours est défini en l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement,
  2° pour les établissements figurant dans la liste de l'annexe 1re jointe au titre Ier du VLAREM, désignés par la lettre B sous la cinquième colonne de même que pour l'unité écotechnique ou pour un groupe d'établissements comprenant un tel établissement : avoir complété au minimum avec fruit un cours de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux de niveau deux, organisé par un centre de formation, agréé en application du règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement. Le contenu du cours est défini en l'annexe 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement. ".
Art.66. Artikel 4.1.9.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, 7 maart 2008 en 19 september 2008, wordt opgeheven.
Art.66. L'article 4.1.9.1.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 19 janvier 1999, 7 mars 2008 et 19 septembre 2008, est abrogé.
Art.67. In artikel 4.1.9.2.5, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996, wordt de zinsnede " zoals bedoeld sub 5 van artikel 4.1.9.2.3. " vervangen door de zinsnede " erkend met toepassing van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu. ".
Art.67. A l'article 4.1.9.2.5, § 3 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996, la proposition " tel que visé sous 5 de l'article 4.1.9.2.3 " est remplacée par la proposition " agréé en application du règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement. ".
Art.68. Bijlage 4.1.9.1.6 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 26 juni 1996 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, wordt opgeheven.
Art.68. L'article 4.1.9.1.6 du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 26 juin 1996 et modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, est abrogé.
Art.69. In artikel 5.2.5.5.2, § 1, tweede lid, 4° van hetzelfde besluit worden de woorden " een milieudeskundige erkend in de discipline grondwater of bodem " vervangen door de woorden " een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, of in de discipline bodem, deeldomeinen pedologie of geologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ".
Art.69. A l'article 5.2.5.5.2, § 1er, alinéa deux, 4° du même arrêté les mots " un expert environnemental agréé dans la discipline des eaux souterraines ou du sol " sont remplacés par les mots " un expert MER dans la discipline de l'eau, dans le sous-domaine de la géohydrologie ou dans la discipline du sol, le sous-domaine de la pédologie ou la géologie, agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ".
Art.70. In artikel 5.53.4.1, § 2, tweede lid van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999, worden de woorden " met een milieudeskundige, erkend in de discipline grondwater " vervangen door de woorden " met een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein geohydrologie, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ".
Art.70. A l'article 5.53.4.1, § 2, alinéa deux du même arrêté, inséré par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 janvier 1999, les mots " avec un expert environnemental agréé dans la discipline des eaux souterraines " sont remplacés par les mots " avec un expert MER dans la discipline de l'eau, notamment le sous-domaine de la géohydrologie, agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ".
Art.71. Artikel 6.5.6.2 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt opgeheven.
Art.71. L'article 6.5.6.2 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est abrogé.
Art.72. Artikel 6.5.6.3 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 6.5.6.3. De erkende stookolietechnicus is een natuurlijke persoon die erkend wordt volgens artikel 17 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.
  Alleen de technici die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming " stookolietechnicus, in het bezit van het certificaat van bekwaamheid of bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks " voeren en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen. ".
Art.72. L'article 6.5.6.3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 6.5.6.3. Le technicien en mazout agréé est une personne physique agréée conformément à l'article 17 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement.
  Seuls les techniciens qui ont été agréés conformément aux dispositions du présent règlement, peuvent porter le titre de " technicien en mazout, détenteur du certificat de compétence ou de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves à mazout " et effectuer les tâches qui leur sont assignées en vertu du présent règlement. ".
Art.73. Artikel 6.5.6.4 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt vervangen door wat volgt :
  " Art. 6.5.6.4. De inrichtingen die de opleiding aanbieden, worden erkend met toepassing van artikel 24 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu.
  Alleen de inrichtingen die krachtens de bepalingen van dit reglement zijn erkend, mogen de benaming " erkende inrichting voor het organiseren van de opleiding en het afleveren van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks " dragen en de taken uitvoeren die door dit reglement aan hen worden toegewezen. ".
Art.73. L'article 6.5.6.4 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, est remplacé par les dispositions suivantes :
  " Art. 6.5.6.4. Les établissements qui organisent la formation sont agréés en application de l'article 24 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement.
  Seuls les établissements qui ont été agréés conformément aux dispositions du présent règlement, peuvent porter le titre d' " établissement agréé pour l'organisation de la formation et la délivrance du certificat de compétence et de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves à mazout " et effectuer les tâches qui leur sont assignées en vertu du présent règlement. ".
Art.74. Artikel 6.5.6.5 en 6.5.6.6 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden opgeheven.
Art.74. Les articles 6.5.6.5 et 6.5.6.6 du même arrêté, remplacés par l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 septembre 2008, sont abrogés.
Afdeling 2. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water, bestemd voor menselijke consumptie
Section 2. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 décembre 2002 portant réglementation relative à la qualité et la fourniture des eaux destinées à la consommation humaine
Art.75. In artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 13 december 2002 houdende reglementering inzake de kwaliteit en levering van water bestemd voor menselijke consumptie worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° In paragraaf 2 worden de woorden " door een laboratorium erkend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse " vervangen door de woorden " door een laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, erkend voor de analyse van de desbetreffende parameters met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ";
  2° In paragraaf 3, vierde lid worden de woorden " het besluit van de Vlaamse regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse " vervangen door de woorden " het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ".
Art.75. A l'article 10 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 13 décembre 2002 portant réglementation relative à la qualité et la fourniture des eaux destinées à la consommation humaine, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 2, les mots " par un laboratoire agréé en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 1994 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses d'eau " sont remplacés par les mots " par un laboratoire dans la discipline de l'eau, notamment le sous-domaine de l'eau potable, agréé pour l'analyse des paramètres concernés en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ";
  2° au § 3, alinéa quatre, les mots " l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 1994 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses d'eau " sont remplacés par les mots " l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ".
Art.76. In artikel 12 van hetzelfde besluit, worden de woorden " laboratorium dat erkend is volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse " vervangen door de woorden " laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, erkend voor de desbetreffende monsternemingen volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ".
Art.76. A l'article 12 du même arrêté, les mots " laboratoire agréé selon l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 1994 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses d'eau " sont remplacés par les mots " laboratoire dans la discipline de l'eau, à savoir le sous-domaine de l'eau potable, agréé pour les échantillonnages concernés en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ".
Art.77. In bijlage 3 van hetzelfde besluit worden de woorden " volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse " vervangen door de woorden " als laboratorium in de discipline water, deeldomein drinkwater, voor de analyse van de desbetreffende parameters volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ".
Art.77. En l'annexe 3 du même arrêté, les mots " selon l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 1994 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses d'eau " sont remplacés par les mots " comme laboratoire dans la discipline de l'eau, notamment le sous-domaine de l'eau potable, pour l'analyse des paramètres concernés en application de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ".
Afdeling 3. - Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden
Section 3. - Modification de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité
Art.78. In artikel 9, § 4 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden worden de woorden " de analyses uitgevoerd worden door een erkend laboratorium dat vermeld wordt op de lijst die opgesteld is door de administratie, bevoegd voor bodembescherming, van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap " vervangen door de woorden " de monsternemingen, analyses en het opstellen van een landbouwkundig advies uitgevoerd worden door een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, erkend voor de desbetreffende monsternemingen en analyses volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ".
Art.78. A l'article 9, § 4 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, les mots " les analyses doivent être effectuées par un laboratoire agréé qui figure sur la liste établie par l'administration compétente pour la protection du sol du Ministère de la Communauté flamande " sont remplacés par les mots " les échantillonnages, analyses et la rédaction d'un avis agricole doivent être effectués par un laboratoire dans la discipline du sol, notamment le sous-domaine de la protection du sol, agréé pour les échantillonnages et analyses concernés conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ".
Afdeling 4. - Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater
Section 4. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire
Art.79. In artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 8 december 2006 betreffende het onderhoud en het nazicht van stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de definities 26° tot en met 31° vervangen door wat volgt :
  " 26° erkende technicus vloeibare brandstof : een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof;
  27° erkend opleidingscentrum vloeibare brandstof : een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake vloeibare brandstof;
  28° erkende technicus gasvormige brandstof : een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor verbrandingscontrole en onderhoud van centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof;
  29° erkend opleidingscentrum gasvormige brandstof : een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake gasvormige brandstof;
  30° erkende technicus verwarmingsaudit : een technicus erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitvoeren van een verwarmingsaudit;
  31° erkend opleidingscentrum verwarmingsaudit : een opleidingscentrum erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement van 19 november 2010 inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, voor het uitreiken van het certificaat van bekwaamheid en bijscholing inzake de verwarmingsaudit; ".
Art.79. A l'article 2 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 décembre 2006 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage pour le chauffage de bâtiments ou pour la production d'eau chaude utilitaire, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 septembre 2008, les définitions 26° à 31° incluses sont remplacées par ce qui suit :
  " 26° technicien agréé en combustibles liquides : un technicien agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour le contrôle de la combustion et l'entretien d'appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides;
  27° centre de formation agréé en combustibles liquides : un centre de formation agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour la délivrance du certificat de compétence et de perfectionnement en matière de combustibles liquides;
  28° technicien agréé en combustibles gazeux : un technicien agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour le contrôle de la combustion et l'entretien d'appareils de chauffage central, alimentés en combustibles gazeux;
  29° centre de formation en combustibles gazeux agréé : un centre de formation agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour la délivrance du certificat de compétence et de perfectionnement en matière de combustibles liquides;
  30° technicien agréé en matière d'audit de chauffage : un technicien agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour la mise en oeuvre de l'audit de chauffage;
  31° centre de formation agréé en matière d'audit de chauffage : un centre de formation agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, pour la délivrance du certificat de compétence et de perfectionnement en matière d'audit de chauffage; ".
Art.80. Hoofdstuk V en VI en bijlage IV, V en VI van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden opgeheven.
Art.80. Les chapitres V et VI et les annexes IV, V et VI du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 septembre 2008, sont abrogés.
Art.81. In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 september 2008, worden de woorden " hoofdstuk III van bijlage VI " vervangen door de woorden " bijlage 1, hoofdstuk 3, afdeling 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ".
Art.81. A l'article 34 du même arrêté, modifié par l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 septembre 2008, les mots " chapitre III de l'annexe VI " sont remplacés par les mots " annexe 1re, chapitre 3, section 3 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ".
Art.82. Artikel 40 van hetzelfde besluit wordt gewijzigd als volgt :
  1° in paragraaf 1 worden de woorden " die een aanvraag indient met het oog op het verkrijgen van een erkenning overeenkomstig de bepalingen van dit besluit " vervangen door de woorden " die een erkenning wenst te verkrijgen overeenkomstig de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu ";
  2° in paragraaf 2 wordt de eerste zin geschrapt;
  3° de paragrafen 3 en 4 worden geschrapt.
Art.82. L'article 40 du même arrêté est modifié comme suit :
  1° au § 1er les mots " qui introduit une demande en vue de l'obtention d'un agrément conformément aux dispositions du présent arrêté " sont remplacés par les mots " qui souhaite obtenir un agrément conformément aux dispositions de l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement ";
  2° au § 2, la première phrase est supprimée;
  3° les §§ 3 et 4 sont supprimés.
Afdeling 5. - Wijziging in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
Section 5. - Modifications à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
Art.83. In artikel 22 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid worden de woorden " artikel 3.2.3 van het decreet " vervangen door wat volgt :
  " 1° hoofdstuk IIIbis - Erkenningen van het Milieuvergunningendecreet en de uitvoeringsbepalingen ervan, voor wat betreft de verplichtingen inzake erkenning als milieucoördinator en als opleidingscentrum voor milieucoördinatoren, en het gebruik van die erkenningen;
  2° hoofdstuk II - Milieucoördinatoren als vermeld titel III van het decreet. ".
Art.83. A l'article 22 de l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement, les mots " de l'article 3.2.3 du décret " sont remplacés par ce qui suit :
  " 1° du chapitre IIIbis - Agréments découlant du décret relatif à l'Autorisation écologique et de ses modalités d'application, en ce qui concerne les obligations en matière d'agrément en tant que coordinateur environnemental et en tant que centre de formation pour coordinateurs environnementaux, et de l'usage de ces agréments;
  2° du chapitre II - Coordinateurs environnementaux tels que visés au titre III du décret. ".
Art.84. In artikel 23 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van 30 april en 4 september 2009, worden de woorden " de opleiding, de beroepservaring, de overige voorwaarden en verplichtingen waaraan de erkenninghouder moet voldoen " vervangen door de woorden " de verplichtingen inzake erkenning van personen en het gebruik van de erkenning, met uitzondering van de verplichtingen, vermeld in artikel 22. ".
Art.84. A l'article 23 du même arrêté, modifié par les arrêtés des 30 avril et 4 septembre 2009, les mots " la formation, l'expérience professionnelle et les autres conditions et obligations auxquelles doit répondre le titulaire de l'agrément " sont remplacés par les mots " les obligations en matière de l'agrément de personnes et de l'usage de l'agrément, à l'exception des obligations visées à l'article 22. ".
Art. 85. Bijlage IV, V, VI en de regel met de woorden " artikel 1.3.3.1, 3° " en de woorden " De erkende milieudeskundige moet verder over een kwaliteitshandboek beschikken " van bijlage VII van hetzelfde besluit worden opgeheven.
  De regels met de volgende woorden van bijlage IX van hetzelfde besluit worden opgeheven :
Art. 85. Les annexes IV, V, VI et la ligne contenant les mots " 1.3.3.1, 3° " et les mots " L'expert en environnement agréé doit en outre disposer dun manuel de qualité. " de l'annexe VII du même arrêté sont abrogés.
  Les lignes de l'annexe IX du même arrêté, contenant les mots suivants, sont abrogées :

  
  
19, derde zinDe technicus is ertoe gehouden binnen de 14 kalenderdagen na datum van de beslissing tot intrekking van de erkenning het origineel van zijn erkenningsbewijs ervan aan de afdeling te bezorgen.
  
20, § 1Verplichtingen van een erkende technicus
  § 1. De erkende technicus verstrekt aan de afdeling of aan de toezichthoudende ambtenaar alle inlichtingen en documenten die gevraagd worden, en toont het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de keuring, de onderhoudsbeurt of de verwarmingsaudit.
  
20, § 2Verplichtingen van een erkende technicus
  § 2. De erkende technicus stelt de afdeling binnen een maand per aangetekend schrijven in kennis van elke wijziging in de gegevens die verband houden met zijn erkenning.
  
21, § 1, tweede zinHet certificaat wordt opgemaakt volgens het model in bijlage V bij dit besluit.
  
27, § 1Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum
  § 1. Het erkende opleidingscentrum meldt tijdens de erkenningsperiode zonder verwijl elke wijziging in de gegevens die tot de erkenning geleid hebben aan de afdeling.
  
27, § 2Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum
  § 2. Het erkende opleidingscentrum licht de afdeling vooraf en tijdig in over de geplande lessen en examens.
  
27, § 3Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum
  § 3. Het erkende opleidingscentrum deelt de afdeling al de inlichtingen mee en stelt aan de afdeling alle documenten ter beschikking waar ze om vraagt.

  
  
19, troisième phraseLe technicien est tenu de transmettre l'orignal de son attestation d'agrément à la division dans les 14 jours civils après la date de la décision du retrait de l'agrément.
  
20, § 1erObligations d'un technicien agréé
  § 1er. Le technicien agréé fournit toutes les informations et tous les documents demandés à la division et montre le matériel qu'il utilise lors de l'exécution de l'inspection, de l'entretien ou de l'audit de chauffage.
  
20, § 2Obligations d'un technicien agréé
  § 2. Le technicien informe la division dans le mois par lettre recommandée de toute modification ayant trait à son agrément.
  
21, § 1er, deuxième phraseLe certificat est rédigé suivant le modèle figurant à l'annexe V au présent arrêté.
  
27, § 1erObligations d'un centre de formation agréé
  § 1er. Pendant la période d'agrément, le centre de formation agréé communique sans délai toute modification des données ayant mené à l'agrément à la division.
  
27, § 2Obligations d'un centre de formation agréé
  § 2. Le centre de formation agréé informe préalablement et en temps voulu la division des cours et examens envisagés.
  
27, § 3Obligations d'un centre de formation agréé
  § 3. Le centre de formation agréé communique toutes les informations à la division et met tous les documents à sa disposition sur la demande de la division.
19, derde zinDe technicus is ertoe gehouden binnen de 14 kalenderdagen na datum van de beslissing tot intrekking van de erkenning het origineel van zijn erkenningsbewijs ervan aan de afdeling te bezorgen.
20, § 1Verplichtingen van een erkende technicus
  § 1. De erkende technicus verstrekt aan de afdeling of aan de toezichthoudende ambtenaar alle inlichtingen en documenten die gevraagd worden, en toont het materiaal dat hij gebruikt bij het uitvoeren van de keuring, de onderhoudsbeurt of de verwarmingsaudit.
20, § 2Verplichtingen van een erkende technicus
  § 2. De erkende technicus stelt de afdeling binnen een maand per aangetekend schrijven in kennis van elke wijziging in de gegevens die verband houden met zijn erkenning.
21, § 1, tweede zinHet certificaat wordt opgemaakt volgens het model in bijlage V bij dit besluit.
27, § 1Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum
  § 1. Het erkende opleidingscentrum meldt tijdens de erkenningsperiode zonder verwijl elke wijziging in de gegevens die tot de erkenning geleid hebben aan de afdeling.
27, § 2Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum
  § 2. Het erkende opleidingscentrum licht de afdeling vooraf en tijdig in over de geplande lessen en examens.
27, § 3Verplichtingen van een erkend opleidingscentrum
  § 3. Het erkende opleidingscentrum deelt de afdeling al de inlichtingen mee en stelt aan de afdeling alle documenten ter beschikking waar ze om vraagt.
19, troisième phraseLe technicien est tenu de transmettre l'orignal de son attestation d'agrément à la division dans les 14 jours civils après la date de la décision du retrait de l'agrément.
20, § 1erObligations d'un technicien agréé
  § 1er. Le technicien agréé fournit toutes les informations et tous les documents demandés à la division et montre le matériel qu'il utilise lors de l'exécution de l'inspection, de l'entretien ou de l'audit de chauffage.
20, § 2Obligations d'un technicien agréé
  § 2. Le technicien informe la division dans le mois par lettre recommandée de toute modification ayant trait à son agrément.
21, § 1er, deuxième phraseLe certificat est rédigé suivant le modèle figurant à l'annexe V au présent arrêté.
27, § 1erObligations d'un centre de formation agréé
  § 1er. Pendant la période d'agrément, le centre de formation agréé communique sans délai toute modification des données ayant mené à l'agrément à la division.
27, § 2Obligations d'un centre de formation agréé
  § 2. Le centre de formation agréé informe préalablement et en temps voulu la division des cours et examens envisagés.
27, § 3Obligations d'un centre de formation agréé
  § 3. Le centre de formation agréé communique toutes les informations à la division et met tous les documents à sa disposition sur la demande de la division.
Art.86. Aan hetzelfde besluit wordt een bijlage XXII toegevoegd, die als bijlage 11 bij dit besluit is gevoegd.
Art.86. Au même arrêté, il est ajouté une annexe XXII jointe comme annexe 11 au présent arrêté.
HOOFDSTUK 15. - Slotbepalingen
CHAPITRE 15. - Dispositions finales
Afdeling 1. - Opheffingsbepalingen
Section 1re. - Dispositions abrogatoires
Art.87. De volgende regelingen worden opgeheven :
  1° het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 15 april 1977 en de besluiten van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 en 29 mei 2009;
  2° het besluit van de Vlaamse Regering van 22 maart 1984 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria ter uitvoering van het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 januari 1992, 29 juni 1994 en 29 mei 2009;
  3° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende organisatie van de milieueffectbeoordeling van bepaalde categorieën van hinderlijke inrichtingen, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 27 april 1994, 25 januari 1995, 24 mei 1995, 4 februari 1997, 10 maart 1998, 23 april 2004, 10 december 2004, 7 maart 2008 en 4 december 2009;
  4° het besluit van de Vlaamse Regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieueffectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 25 januari 1995, 4 februari 1997, 10 maart 1998, 10 december 2004, 7 maart 2008 en 4 december 2009;
  5° het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 23 april 2004 en 7 maart 2008.
Art.87. Les réglementations suivantes sont abrogées :
  1° l'arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d'agréation des laboratoires et organismes chargés de l'essai et du contrôle d'appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit, modifié par l'arrêté royal du 15 avril 1977 et les arrêtés du Gouvernement flamand des 12 décembre 2008 et 29 mai 2009;
  2° l'arrêté du Gouvernement flamand du 22 mars 1984 fixant les conditions d'agrément des laboratoires en exécution du décret du 24 janvier 1984 portant des mesures en matière de gestion des eaux souterraines, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 7 janvier 1992, 29 juin 1994 et 29 mai 2009;
  3° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 1989 portant organisation de l'évaluation des incidences sur l'environnement de certaines catégories d'établissements incommodants, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 27 avril 1994, 25 janvier 1995, 24 mai 1995, 4 février 1997, 10 mars 1998, 23 avril 200, 10 décembre 2004, 7 mars 2008 et 4 décembre 2009;
  4° l'arrêté du Gouvernement flamand du 23 mars 1989 fixant pour la Région flamande les catégories de travaux et d'actes autres que des établissements incommodants pour lesquels un rapport d'évaluation des incidences sur l'environnement est requis pour que la demande de permis de bâtir soit complète, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 25 janvier 1995, 4 février 1997, 10 mars 1998, 10 décembre 2004, 7 mars 2008 et 4 décembre 2009;
  5° l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 1994 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses d'eau, modifié par les arrêtés du Gouvernement flamand des 23 avril 2004 et 7 mars 2008.
Afdeling 2. - Overgangsbepalingen
Section 2. - Dispositions transitoires
Art.88. Overeenkomstig artikel 13, eerste lid van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, worden de aanvragen tot erkenning die werden ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, behandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend.
  De erkenningen worden verleend of geweigerd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
Art.88. Conformément à l'article 13, alinéa premier du décret du 27 mars 2009 modifiant le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution, en ce qui concerne le complément avec des règles en matière d'agréments et modifiant divers autres lois et décrets, les demandes d'agrément rentrées avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont traitées conformément aux dispositions en vigueur au moment de l'introduction de la demande.
  Les agréments sont octroyés ou refusés conformément aux dispositions légales et réglementaires en vigueur avant la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art.89. § 1. Overeenkomstig artikel 14, § 1 van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, blijven de erkenningen die werden of worden verleend op grond van de bepalingen die van toepassing zijn voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, geldig voor de vastgestelde duur van [1 de erkenning. Erkenningen]1 die voor een onbepaalde erkenningstermijn werden verleend, blijven voor de toekomst hun geldigheid behouden.
  § 2. De regeling, vermeld in paragraaf 1, laat de bepalingen van hoofdstuk 9 en 10 onverkort van toepassing.
  
Art.89. § 1er. Conformément à l'article 14, § 1er du décret du 27 mars 2009 modifiant le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution, en ce qui concerne le complément avec des règles en matière d'agréments et modifiant divers autres lois et décrets, les agréments qui ont été ou qui sont octroyés en vertu des dispositions applicables avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, restent valables pour la durée initiale de l'agrément. Les agréments octroyés pour une durée d'agrément indéterminée gardent leur validité à l'avenir.
  § 2. La réglementation, visée au § 1er, ne déroge aucunement aux dispositions des chapitres 9 et 10.
  
Art.90. In afwijking van respectievelijk artikel 9, 2°, en artikel 10, 2°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon respectievelijk als milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en de discipline bodemcorrosie worden erkend als hij op het vlak van toepasbare materie over een praktijkervaring van minstens vijf jaar beschikt.
Art.90. Par dérogation à respectivement l'article 9, 2° et l'article 10, 2°, une personne peut être agréée comme expert environnemental dans respectivement la discipline de récipients pour gaz ou substances dangereuses et la discipline de la corrosion du sol, sur la base d'une demande qui doit être introduite dans un délai de cinq ans, à compter de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, lorsqu'il dispose d'une expérience pratique d'au moins cinq ans dans la matière concernée.
Art.91. [1 § 1. In afwijking van artikel 11, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen in de van toepassing zijnde deeldomeinen worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met de uitvoering van opdrachten in het kader van de erkenning.
   In afwijking van artikel 11, 3°, moet die milieudeskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 1°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning.]1

  § 2. De lichamen, erkend met toepassing van het koninklijk besluit van 2 april 1974 houdende de voorwaarden en modaliteiten voor de erkenning van de laboratoria en lichamen die, in het kader van de bestrijding van de geluidshinder, belast zijn met het beproeven van en de controle op apparaten en inrichtingen, zijn binnen de perken van hun erkenning erkend binnen het deeldomein geluid voor het beproeven en controleren van apparaten en inrichtingen die lawaai kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om het lawaai te dempen, op te slorpen, te meten of de hinder ervan te verhelpen. Die erkenning geldt niet voor het opstellen en begeleiden van saneringsplannen als vermeld bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM.
  
Art.91. [1 § 1er. Par dérogation à l'article 11, 3°, une personne qui n'a pas suivi les sujets, visés à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, peut être agréée comme expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, dans les sous-domaines applicables, sur la base d'une demande qui doit être introduite dans un délai de cinq ans, à compter de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément.
   Par dérogation à l'article 11, 3°, cet expert environnemental dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 1°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément.]1

  § 2. Les organismes agréés en application de l'arrêté royal du 2 avril 1974 relatif aux conditions et modalités d'agréation des laboratoires et organismes chargés de l'essai et du contrôle d'appareils et de dispositifs dans le cadre de la lutte contre le bruit, sont, dans les limites de leur agrément, agréés dans le sous-domaine du bruit pour l'essai et le contrôle d'appareils et de dispositifs susceptibles de produire du bruit, destinés à réduire le bruit, à l'absorber, à le mesurer ou à remédier à ses inconvénients. Cet agrément n'est pas valable pour l'établissement et l'accompagnement de plans d'assainissement, visés à l'annexe 4.5.3 du titre II du VLAREM.
  
Art.92. In afwijking van artikel 12, § 1, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als MER-deskundige in de van toepassing zijnde disciplines en deeldomeinen worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met het opstellen van milieueffectstudies.
  [1 In afwijking van artikel 12, § 1, 3°, moet die MER-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 2° of 3°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning.]1
  
Art.92. Par dérogation à l'article 12, § 1er, 3°, une personne qui n'a pas suivi les matières, visées à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, peut être agréée comme expert MER dans les disciplines et sous-domaines applicables, sur la base d'une demande qui doit être introduite dans un délai de cinq ans, à compter de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, lorsqu'il dispose d'une expérience d'au moins cinq ans dans l'établissement d'études d'évaluation des incidences sur l'environnement.
  [1 Par dérogation à l'article 12, § 1er, 3°, cet expert MER dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 2° ou 3°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément.]1
  
Art. 92/1. [1 In afwijking van artikel 13/2, 4°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend vóór 1 januari 2020 een persoon die de onderwerpen, opgenomen in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als MER-coördinator worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de coördinatie van milieueffectrapporten.
   In afwijking van artikel 13/2, 4°, moet die MER-coördinator van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud is opgenomen in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning.]1

  
Art. 92/1. [1 Par dérogation à l'article 13/2, 4°, une personne qui n'a pas suivi les matières visées à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, peut être agréée comme coordinateur EIE, sur la base d'une demande qui doit être introduite avant le 1er janvier 2020, si elle possède au moins cinq ans d'expérience de la coordination d'évaluations des incidences sur l'environnement.
   Par dérogation à l'article 13/2, 4°, ce coordinateur EIE, dont l'agrément s'est éteint de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est repris à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, s'il possède au moins cinq ans d'expérience de l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément.]1

  
Art.93. In afwijking van artikel 13, 3°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon die de onderwerpen, vermeld in bijlage 9, die bij dit besluit is gevoegd, niet heeft gevolgd, als VR-deskundige worden erkend als hij minstens vijf jaar ervaring heeft met de uitvoering van opdrachten in het kader van de erkenning.
  [1 In afwijking van artikel 13, 3°, moet die VR-deskundige van wie de erkenning van rechtswege is vervallen en die zijn erkenning opnieuw aanvraagt, de opleiding, waarvan de inhoud wordt beschreven in bijlage 9, 4°, niet volgen als hij minstens vijf jaar ervaring heeft in de uitvoering van de opdrachten in het kader van de erkenning.]1
  
Art.93. Par dérogation à l'article 13, 3°, une personne qui n'a pas suivi les matières, visées à l'annexe 9, jointe au présent arrêté, peut être agréée comme expert en matière de rapports de sécurité, sur la base d'une demande qui doit être introduite dans un délai de cinq ans, à compter de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, lorsqu'il dispose d'une expérience d'au moins cinq ans dans l'exécution de tâches dans le cadre de l'agrément.
  [1 Par dérogation à l'article 13, 3°, cet expert en matière de rapports de sécurité dont l'agrément est échu de plein droit et qui demande à nouveau son agrément, ne doit pas suivre la formation, dont le contenu est décrit à l'annexe 9, 4°, lorsqu'il dispose d'au moins cinq années d'expérience dans l'exécution de missions dans le cadre de l'agrément.]1
  
Art.94. In afwijking van artikel 18, § 1, 2°, en § 2, 2°, kan op basis van een aanvraag die moet worden ingediend binnen een termijn van vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van de inwerkingtreding van dit besluit, een persoon als milieucoördinator worden erkend als hij op het vlak van bedrijfsinterne milieuzorg over een praktijkervaring van minstens vijf jaar respectievelijk minstens drie jaar beschikt.
Art.94. Par dérogation à l'article 18, § 1er, 2° et § 2, 2°, une personne peut être agréée comme coordinateur environnemental, sur la base d'une demande qui doit être introduite dans un délai de cinq ans, à compter de la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, lorsqu'il dispose d'une expérience pratique d'au moins cinq ans ou trois ans respectivement dans le domaine de la protection de l'environnement au sein des entreprises.
Art.95. De diploma's, getuigschriften en attesten die werden afgeleverd of nog zullen worden afgeleverd op grond van een erkenning, verleend met toepassing van de voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit geldende regelgeving, zijn binnen de voorwaarden waaronder ze werden afgeleverd, geldig voor de toekomst en gelijkwaardig aan die welke door de krachtens dit besluit erkende personen worden afgeleverd.
Art.95. Les diplômes, certificats et attestations délivrés ou à délivrer sur la base d'un agrément, octroyé en application de la réglementation en vigueur avant la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, sont valables à l'avenir dans les conditions sous lesquelles ils ont été délivrés et équivalents à ceux délivrés par les personnes agréées en vertu du présent arrêté.
Art.96. Overeenkomstig artikel 13, tweede lid van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, worden de aanvragen tot instemming met de gezamenlijke aanstelling als milieucoördinator die werden ingediend voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, behandeld overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik dat de aanvraag wordt ingediend. Die instemmingen worden verleend of geweigerd overeenkomstig de wettelijke en reglementaire bepalingen die van kracht waren voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit.
Art.96. Conformément à l'article 13, alinéa deux du décret du 27 mars 2009 modifiant le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution, en ce qui concerne le complément avec des règles en matière d'agréments et modifiant divers autres lois et décrets, les demandes de consentement à la désignation commune comme coordinateur environnemental introduites avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, sont traitées conformément aux dispositions en vigueur au moment de l'introduction de la demande. Ces consentements sont octroyés ou refusés conformément aux dispositions légales et réglementaires en vigueur avant la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté.
Art.97. Overeenkomstig artikel 14, § 2 van het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, blijven de instemmingen die werden of worden verleend met toepassing van de bepalingen die gelden voor de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, geldig als de milieucoördinator niet is erkend. Als de milieucoördinator erkend is, geldt de instemming als de melding, vermeld in artikel 4.1.9.1.1, § 4, 1°, van titel II van het VLAREM.
Art.97. Conformément à l'article 14, § 2 du décret du 27 mars 2009 modifiant le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution, en ce qui concerne le complément avec des règles en matière d'agréments et modifiant divers autres lois et décrets, les consentements accordés en application des dispositions applicables avant la date de l'entrée en vigueur du présent décret, restent d'application lorsque le coordinateur environnemental n'a pas été agréé. Lorsque le coordinateur environnemental est agréé, le consentement fait office de la mention, visée à l'article 4.1.9.1.1, § 4, 1° du titre II du VLAREM.
Art.98. De toegangsvoorwaarden voor de cursussen aanvullende vorming voor milieucoördinatoren zijn die welke van kracht waren op de datum van de inschrijving van de cursisten. Als het een cursus betreft die retroactief werd erkend met toepassing van het tot voor de datum van de inwerkingtreding van dit besluit bestaande artikel 4.1.9.1.6, § 6, van titel I van het VLAREM, gelden de toegangsvoorwaarden die op de datum van die erkenning van toepassing waren.
Art.98. Comme conditions d'admission aux cours de formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux valent celles en vigueur à la date de l'inscription des participants. S'il s'agit d'un cours agréé rétroactivement en application de l'article 4.1.9.1.6, § 6 du titre Ier du VLAREM, en vigueur jusqu'à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, les conditions d'admission applicables à la date de l'agrément sont valables.
Art.99. Als voor het gebruik van een bepaalde erkenning tot de datum van de inwerkingtreding van dit besluit geen verzekering of een verzekering met beperktere waarborg was vereist, wordt in afwijking van artikel 34, § 3, aan die gebruikseis uiterlijk voldaan binnen een termijn van een jaar na die datum.
Art.99. Lorsque, jusqu'à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, l'usage d'un agrément spécifique ne requérait pas d'assurance ou une assurance à garantie plus limitée, il doit être répondu à cette condition d'usage dans un délai d'un an après cette date au plus tard, par dérogation à l'article 34, § 3.
Art.100. Het erkende laboratorium in de discipline water, in de discipline lucht of in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming voldoet uiterlijk twee jaar na de datum van de inwerkingtreding van dit besluit aan de erkenningsvoorwaarde, [1 vermeld in artikel 25, eerste lid, 3°]1.
  
Art.100. Le laboratoire agréé dans la discipline de l'eau, dans la discipline de l'air ou la discipline du sol, à savoir le sous-domaine de la protection du sol, répond à la condition d'agrément [1 visée à l'article 25, alinéa premier, 3°,]1 dans un délai de deux ans après la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté au plus tard.
  
Art. 100/1. [1 Het erkende laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, in de discipline bodem, deeldomein bodemsanering, in de discipline bodem, deeldomein bemesting, in de discipline mest of in de discipline diervoeder voldoet uiterlijk op 1 juli 2014 aan de erkenningsvoorwaarde, vermeld in artikel 25, eerste lid, 3°.]1
  
Art. 100/1. [1 Le laboratoire agréé dans la discipline des déchets et autres matériaux, dans la discipline du sol, sous-domaine de l'assainissement du sol, dans la discipline du sol, sous-domaine de la fertilisation, dans la discipline des engrais ou dans la discipline des aliments pour animaux, répond au plus tard le 1er juillet 2014 à la condition d'agrément, visée à l'article 25, alinéa premier, 3°.]1
  
Art. 100/2. [1 In afwachting van de goedkeuring door de minister van het BAM ter uitvoering van artikel 4, § 1, 20°, van dit besluit, geldt als BAM het compendium bemonsterings- en analysemethodes in het kader van het Mestdecreet, dat als bijlage 2 is gevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 14 januari 2011 betreffende de erkenning van laboratoria in het kader van het Mestdecreet.]1
  
Art. 100/2. [1 Dans l'attente de l'approbation par le Ministre de la BAM en exécution de l'article 4, § 1er, 20°, du présent arrêté, le compendium pour les méthodes d'échantillonnage et d'analyse dans le cadre du décret sur les engrais, joint en annexe 2 à l'arrêté du Gouvernement flamand du 14 janvier 2011 relatif à l'agrément de laboratoires dans le cadre du décret sur les engrais, fait office de BAM.]1
  
Art.101. Een milieudeskundige in de discipline oppervlaktewater en grondwater, erkend volgens titel II van het VLAREM, of een laboratorium voor wateranalyse, erkend volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse kan een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen met het oog op de aanpassing van de pakketten overeenkomstig de pakketten, vermeld in bijlage 3, 1°, die bij dit besluit is gevoegd, en de deeldomeinen, vermeld in artikel 6, 5°, a).
Art.101. Un expert environnemental dans la discipline des eaux de surface et des eaux souterraines, agréé conformément au titre II du VLAREM ou un laboratoire pour les analyses d'eau, agréé conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 1994 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses d'eau, peut introduire une nouvelle demande d'agrément en vue de l'adaptation des paquets, conformément aux paquets, visés à l'annexe 3, 1°, jointe au présent arrêté, et des sous-domaines, visés à l'article 6, 5°, a).
Art.102. Een milieudeskundige in de discipline lucht, erkend volgens titel II van het VLAREM kan een nieuwe aanvraag tot erkenning indienen met het oog op de aanpassing van de pakketten overeenkomstig de pakketten, vermeld in bijlage 3, 2°, die bij dit besluit is gevoegd.
Art.102. Un expert environnemental dans la discipline de l'air, agréé conformément au titre II du VLAREM, peut introduire une nouvelle demande d'agrément en vue de l'adaptation des paquets conformément aux paquets visés à l'annexe 3, 2°, jointe au présent arrêté.
Art.103. § 1. Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline monumenten en landschappen en materiële goederen in het algemeen of in de discipline onroerend erfgoed en materiële goederen in het algemeen, is met toepassing van dit besluit erkend in de discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie waarbij de erkenning voor de deeldomeinen cultureel erfgoed en materiële goederen in het algemeen nu geldt als erkenning voor de deeldomeinen bouwkundig erfgoed en archeologie en de erkenning voor het deeldomein onroerend erfgoed nu geldt als erkenning voor het deeldomein bouwkundig erfgoed.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline water, deeldomein oppervlaktewater, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater.
  § 4. Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline lucht is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline lucht, deeldomeinen geur en luchtverontreiniging.
  [1 § 4/1. Een MER-deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als MER-deskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen.]1
  § 5. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline oppervlakte- en grondwater of een laboratorium voor wateranalyse, dat op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is volgens het besluit van de Vlaamse Regering van 29 juni 1994 tot vaststelling van de voorwaarden voor de erkenning van laboratoria voor wateranalyse, is met toepassing van dit besluit erkend als een laboratorium in de discipline water, deeldomeinen afvalwater, oppervlaktewater, grondwater en drinkwater.
  § 6. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline lucht is met toepassing van dit besluit erkend als een laboratorium in de discipline lucht.
  § 7. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming, is met toepassing van dit besluit erkend als een laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming.
  [1 § 8. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is in de discipline geluid en trillingen, is met toepassing van dit besluit erkend als milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen voor de deeldomeinen geluid en trillingen.
   § 9. Een milieudeskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is voor de code 1), a, mag met toepassing van dit besluit ook geluidsplannen als vermeld in artikel 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b), van titel II van het VLAREM, opmaken.
   § 10. Een deskundige die op de datum van de inwerkingtreding van dit besluit erkend is als deskundige voor het opstellen van omgevingsveiligheidsrapporten, is met toepassing van dit besluit erkend als VR-deskundige voor het opstellen van omgevings- en ruimtelijke veiligheidsrapporten.]1

  
Art.103. § 1er. Un expert MER agréé, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, dans la discipline des monuments et paysages et biens matériels en général ou dans la discipline du patrimoine immobilier et biens matériels en général, est agréé dans la discipline du paysage, du patrimoine architectural et de l'archéologie, en application du présent arrêté, l'agrément pour les sous-domaines du patrimoine culturel et biens matériels en général faisant office d'agrément pour les sous-domaines du patrimoine architectural et de l'archéologie et l'agrément pour le sous-domaine du patrimoine immobilier faisant office d'agrément pour le sous-domaine du patrimoine architectural.
  § 2. [2 ...]2
  § 3. Un expert MER agréé, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, dans la discipline de l'eau, à savoir le sous-domaine des eaux de surface, est agréé comme expert MER dans la discipline de l'eau, à savoir le sous-domaine des eaux usées et des eaux de surface, en application du présent arrêté.
  § 4. Un expert MER agréé, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, dans la discipline de l'air, est agréé comme expert MER dans la discipline de l'air, à savoir les sous-domaines de l'odeur et de la pollution de l'air, en application du présent arrêté.
  [1 § 4/1. Un expert MER qui est agréé dans la discipline des bruits et des vibrations à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté est, en application du présent arrêté, agréé comme expert MER dans la discipline des bruits et des vibrations pour les sous-domaines des bruits et des vibrations.]1
  § 5. Un expert environnemental agréé, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, dans la discipline des eaux de surface et des eaux souterraines ou un laboratoire chargé des analyses de l'eau, agréé, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, conformément à l'arrêté du Gouvernement flamand du 29 juin 1994 fixant les conditions d'agrément des laboratoires chargés des analyses d'eau, est agréé comme laboratoire dans la discipline de l'eau, à savoir les sous-domaines des eaux usées, des eaux de surface, des eaux souterraines et de l'eau potable., en application du présent arrêté.
  § 6. Un expert environnemental agréé, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, dans la discipline de l'air, est agréé en tant que laboratoire dans la discipline de l'air, en application du présent arrêté.
  § 7. Un expert environnemental agréé, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, dans la discipline du sol, à savoir le sous-domaine de la protection du sol, est agréé en tant que laboratoire dans la discipline du sol, à savoir le sous-domaine de la protection du sol, en application du présent arrêté.
  [1 § 8. Un expert environnemental qui est agréé dans la discipline des bruits et des vibrations à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté est, en application du présent arrêté, agréé comme expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations pour les sous-domaines des bruits et des vibrations.
   § 9. Un expert environnemental qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé pour le code 1), a, peut, en application du présent arrêté, également établir des plans sonores tels que visés à l'article 5.32.2.2bis, § 2, 4°, b), du titre II du VLAREM.
   § 10. Un expert qui, à la date de l'entrée en vigueur du présent arrêté, est agréé comme expert pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale radiations, est agréé, en application du présent arrêté, comme expert en matière de rapports de sécurité pour l'établissement de rapports de sécurité environnementale et spatiale.]1

  
Art. 103/1. [1 In afwijking van artikel 32, § 2, eerste lid, 6°, wordt [2 tot uiterlijk 1 januari 2016]2 een persoon die minstens aan een van de volgende voorwaarden voldoet, beschouwd als een erkende airco-energiedeskundige :
   1° een certificaat als vermeld in artikel 14, § 1, 1° en 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van koeltechnische bedrijven en hun koeltechnici, behaald hebben;
   2° een bachelor in de elektromechanica, afstudeerrichting klimatisering behaald hebben;
   3° een diploma van het secundair onderwijs in koel- en warmtetechnieken, industriële koeltechnieken of koeltechnische installaties behaald hebben;
   4° een van de volgende getuigschriften behaald hebben die erkend zijn door de Vlaamse overheid :
   a) een getuigschrift van technicus klimaatbeheersing - airconditioning;
   b) een getuigschrift van installateur airco- en warmtepompen;
   c) een getuigschrift van koeltechnicus;
   d) een modulegetuigschrift airco;
   5° in het volwassenenonderwijs het diploma van koeltechnicus, het certificaat van aircotechnicus of het certificaat van koeltechnicus behaald hebben;
   6° onderdaan zijn van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte en in het bezit zijn van de kwalificatie of erkenning die in het andere gewest of in de andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte verplicht is voor de keuring van airconditioningsystemen als vermeld in artikel 15 van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (herschikking);
   7° minstens drie jaar aantoonbare ervaring hebben in onderhoud en afregelaspecten van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW.
   De persoon is vrijgesteld van de retributie, vermeld in artikel 34, § 9.]1

  
Art. 103/1. [1 Par dérogation à l'article 32, § 2, alinéa premier, 6°, une personne qui répond au moins à une des conditions suivantes est considérée comme un expert agréé en matière d'énergie et de systèmes de climatisation, [2 jusqu'au 1er janvier 2016 au plus tard]2 :
   1° avoir obtenu un certificat tel que visé à l'article 14, § 1er, 1° et 2°, de l'arrêté du Gouvernement flamand du 4 septembre 2009 en matière de certification d'entreprises frigorifiques et de leurs frigoristes;
   2° avoir obtenu un bachelor en électromécanique, orientation climatisation en dernière année;
   3° avoir obtenu un diplôme de l'enseignement secondaire en techniques frigorifiques et calorifiques, techniques frigorifiques industrielles ou installations frigorifiques;
   4° avoir obtenu une des attestations suivantes qui sont agréées par les autorités flamandes :
   a) une attestation de technicien conditionnement de l'air - climatisation;
   b) une attestation d'installateur de pompes de climatisation et de pompes à chaleur;
   c) une attestation de frigoriste;
   d) une attestation du module climatisation;
   5° avoir obtenu dans l'éducation des adultes le diplôme de frigoriste, le certificat de technicien en climatisation ou le certificat de frigoriste;
   6° être ressortissant d'un Etat membre de l'Espace économique européen et être en possession de la qualification ou de l'agrément qui est obligatoire dans l'autre région ou dans l'autre Etat membre de l'Espace économique européen pour le contrôle de systèmes de climatisation tels que visés à l'article 15 de la Directive 2010/31/UE du Parlement européen et du Conseil du 19 mai 2010 sur la performance énergétique des bâtiments (refonte);
   7° avoir au moins trois années d'expérience démontrable en matière d'entretien et d'aspects de réglage de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW.
   La personne est exemptée de la rétribution, visée à l'article 34, § 9.]1

  
Art. 103/2. [1 De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste grondige kennis van het Bodemdecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, eerste lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit.]1
  
Art. 103/2. [1 Les personnes à qui la division, compétente pour la gestion du sol, a octroyée le pouvoir de signature, dans le cadre de l'article 36, 6°, du VLAREBO, pour la connaissance approfondie requise du décret relatif au sol et ses arrêtés d'exécution et pour les trois années d'expérience requises dans l'exécution de reconnaissances du sol, reçoivent de plein droit le pouvoir de signature, visé à l'article 53/4, § 2, alinéa premier, du présent arrêté, sans préjudice de l'application de l'article 53/4, § 3, du présent arrêté, jusqu'au 31 décembre 2017 au plus tard.
  
Art. 103/3. [1 De personen aan wie de afdeling, bevoegd voor bodembeheer, in het kader van artikel 36, 6°, van het VLAREBO handtekeningsbevoegdheid heeft verleend voor de vereiste vijf jaar ervaring in het leiden van de bodemsanering en voor de vereiste drie jaar ervaring in het uitvoeren van bodemonderzoeken, krijgen van rechtswege uiterlijk tot 31 december 2017 de handtekeningsbevoegdheid, vermeld in artikel 53/4, § 2, tweede lid, van dit besluit, met behoud van de toepassing van artikel 53/4, § 3, van dit besluit.]1
  
Art. 103/3. [1 Les personnes à qui la division, compétente pour la gestion du sol, a octroyée le pouvoir de signature, dans le cadre de l'article 36, 6°, du VLAREBO, pour les cinq années d'expérience requises dans la direction de l'assainissement du sol et pour les trois années d'expérience requises dans l'exécution de reconnaissances du sol, reçoivent de plein droit le pouvoir de signature, visé à l'article 53/4, § 2, alinéa deux, du présent arrêté, sans préjudice de l'application de l'article 53/4, § 3, du présent arrêté, jusqu'au 31 décembre 2017 au plus tard.]1
  
Art. 103/4. [1 Een MER-deskundige die op de datum van 23 februari 2017 erkend is in de discipline fauna en flora, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline biodiversiteit.]1
  
Art. 103/4. [1 Un expert RIE agréé dans la discipline de la faune et de la flore à la date du 23 février 2017 est agréé, en application du présent arrêté, comme expert RIE dans la discipline de la biodiversité.]1
  
Art. 103/5. [1 § 1. De bestaande erkenningen voor MER-deskundigen op grond van artikel 6, 1°, d), 6), van dit besluit houden op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad.
   § 2. Een MER-deskundige die zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in zowel de discipline mens, deeldomein toxicologie, als de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, is met toepassing van dit besluit erkend als een MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid.
   Een MER-deskundige die zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad erkend is in ofwel de discipline mens, deeldomein toxicologie, ofwel de discipline mens, deeldomein psychosomatische aspecten, kan in afwijking van artikel 12, § 1, 2° en 3°, op basis van een aanvraag die ingediend is vóór die datum, erkend worden als MER-deskundige in de discipline mens, deeldomein gezondheid, op voorwaarde dat hij met gunstig gevolg een opleiding genoten heeft van minstens dertig uur over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie of minstens vijf jaar praktische ervaring heeft met het meewerken aan het opstellen van milieueffectstudies over respectievelijk psychosomatische aspecten en toxicologie. De bestaande erkenning als MER-deskundige in de discipline mens voor respectievelijk het deeldomein toxicologie en het deeldomein psychosomatische aspecten houdt op uitwerking te hebben vanaf zes maanden na de datum van bekendmaking van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2017 betreffende nadere regels voor de milieueffectrapportage over projecten en voor de omgevingsveiligheidsrapportage in het Belgisch Staatsblad.]1

  
Art. 103/5. [1 § 1er. Les agréments existants pour les experts RIE en vertu de l'article 6, 1°, d), 6), du présent arrêté cessent de produire leurs effets à partir de six mois suivant la date de la publication au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2017 relatif aux modalités de l'évaluation des incidences de projets sur l'environnement et du rapport de sécurité environnementale.
   § 2. Un expert RIE qui, six mois après la date de la publication au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2017 relatif aux modalités de l'évaluation des incidences de projets sur l'environnement et du rapport de sécurité environnementale, est agréé tant dans la discipline de l'homme, sous-domaine de la toxicologie, que dans la discipline de l'homme, sous-domaine des aspects psychosomatiques, est agréé, en application du présent arrêté, comme expert RIE dans la discipline de l'homme, sous-domaine de la santé.
   Un expert RIE qui, six mois après la date de la publication au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2017 relatif aux modalités de l'évaluation des incidences de projets sur l'environnement et du rapport de sécurité environnementale, est agréé soit dans la discipline de l'homme, sous-domaine de la toxicologie, soit dans la discipline de l'homme, sous-domaine des aspects psychosomatiques, peut être agréé, par dérogation à l'article 12, § 1er, 2° et 3°, comme expert RIE dans la discipline de l'homme, sous-domaine de la santé, sur la base d'une demande introduite avant cette date, à condition d'avoir suivi avec fruit une formation de trente heures au moins consacrée respectivement aux aspects psychosomatiques et à la toxicologie ou de pouvoir faire valoir au minimum cinq ans d'expérience pratique dans la participation à l'élaboration d'études d'incidences sur l'environnement consacrées respectivement aux aspects psychosomatiques et à la toxicologie. L'agrément existant comme expert RIE dans la discipline de l'homme, pour le sous-domaine de la toxicologie et pour le sous-domaine des aspects psychosomatiques respectivement, cesse de produire ses effets à partir de six mois suivant la date de la publication au Moniteur belge de l'arrêté du Gouvernement flamand du 17 février 2017 relatif aux modalités de l'évaluation des incidences de projets sur l'environnement et du rapport de sécurité environnementale.]1

  
Art.104. Het decreet van 27 maart 2009 houdende wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, wat betreft de aanvulling met een regeling inzake erkenningen, en houdende wijziging van diverse andere wetten en decreten, treedt in werking op 1 januari 2011, behalve artikel 9.
Art.104. Le décret du 27 mars 2009 modifiant le décret du 28 juin 1985 relatif à l'autorisation anti-pollution, en ce qui concerne le complément avec des règles en matière d'agréments et modifiant divers autres lois et décrets, entre en vigueur le 1er janvier 2011, à l'exception de l'article 9.
Art.105. Dit besluit treedt in werking op 1 januari 2011 [1 ...]1.
  
Art.105. Le présent arrêté entre en vigueur le 1er janvier 2011 [1 ...]1.
  
Art.106. Dit besluit wordt aangehaald als het VLAREL.
Art.106. Le présent arrêté est dénommé arrêté VLAREL.
Art.107. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid is belast met de uitvoering van dit besluit.
Art.107. Le Ministre flamand qui a l'environnement et la politique de l'eau dans ses attributions est chargé de l'exécution du présent arrêté.
BIJLAGEN.
ANNEXES.
Art. N1. Bijlage 1. - Vereisten voor de erkenning als opleidingscentrum voor technici
  HOOFDSTUK 1. - Lijst van de technische toestellen en de didactische uitrusting
  Afdeling 1. - [1 Voor een opleidingscentrum vloeibare brandstof]1
  [2 Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, b),]2 heeft in zijn werkplaats minstens de volgende toestellen, apparaten en didactische hulpmiddelen :
  1° operationele stookketel-brandercombinaties, representatief voor de markt, die voldoende variatie ieden en de volgende kenmerken hebben :
  a) verschillende merken en types;
  b) verschillende bouwjaren;
  c) verschillende stookketelvermogens en branderdebieten;
  d) branders met en zonder olievoorverwarming;
  e) mogelijkheid tot regeling van de trek in de schoorsteen;
  f) mogelijkheid tot voeding van de brander via een eenpijps- en een tweepijpssysteem, en met verschillende soorten vloeibare brandstof.
  Het aantal combinaties is in overeenstemming met het aantal leerlingen, op voorwaarde dat per groep van drie leerlingen die tegelijkertijd de opleiding beginnen, er minstens één combinatie is;
  2° didactische panelen regeltechniek, met inbegrip van een weersafhankelijke regeling;
  3° een didactisch paneel simulatie branderwerking;
  4° een testbank voor sproeiers, met mogelijkheid tot het verwisselen van de sproeier en het regelen van de oliedruk;
  5° een testbank voor transformatoren en ontsteking;
  6° een testbank voor pompen;
  7° een simulatiepaneel of de didactische uitvoering van een volledige centraleverwarmingsinstallatie met stookketel/brander, aquastaat, voorziening voor sanitair warm water, ruimteverwarming, kamerthermostaat, buitenvoeler, drie- en/of vierwegmengkraan;
  8° doorsneden van stookketels en branders;
  9° doorsneden van pompen;
  10° doorsneden van sproeiers;
  11° didactische panelen kachelonderdelen (onder meer olieniveauregelaar);
  12° minstens één elektronische rookgasontleder per drie cursisten;
  13° een voldoende aantal klassieke meetkoffers.
  Afdeling 2. - [3 Voor een opleidingscentrum gasvormige brandstof]3
  [4 Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, c),]4 heeft in zijn werkplaats minstens de volgende toestellen, apparaten en didactische hulpmiddelen :
  1° een voor de huidige markt representatieve verzameling van gastoestellen :
  a) een atmosferische vloerketel met thermokoppel;
  b) een atmosferische vloerketel met ionisatiebeveiliging;
  c) een atmosferische wandketel met thermokoppel;
  d) een atmosferische wandketel met ionisatiebeveiliging;
  e) [26 een gasunit]26;
  f) [26 enkele gasketels met ventilatorbrander (module GII)]26 : eentraps, tweetraps glijdend;
  2° didactische panelen regeltechniek, met inbegrip van een weersafhankelijke regeling;
  3° een didactisch paneel branderwerking;
  4° een didactisch paneel onderdelen gasstraat;
  5° onderdelen gasstraat;
  6° meetapparatuur voor controle van de verbranding : minstens één elektronisch rookgasanalysetoestel per drie cursisten;
  7° meetapparatuur voor drukmetingen : gasmanometers;
  8° apparatuur voor controle van de gaslekdichtheid;
  9° een simulatiepaneel of de didactische uitvoering van een volledige centraleverwarmingsinstallatie met stookketel/brander, aquastaat, voorziening voor sanitair warm water, ruimteverwarming, kamerthermostaat, buitenvoeler, vierwegmengkraan;
  10° doorsneden van stookketels en branders.
  Afdeling 3. - [5[29 ...]29.
  Afdeling 4. - [8 Voor een opleidingscentrum inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks]8
  [9 Een erkend opleidingscentrum als vermeld in artikel 6, 4°, e),]9 heeft in zijn werkplaats minstens de volgende toestellen, apparaten en didactische hulpmiddelen, representatief voor de markt :
  1° minstens één bovengrondse, goedgekeurde (metalen) dubbelwandige tank op ware grootte waarop alle toebehoren aanwezig zijn, met mogelijkheid tot leksimulatie, voor de uitvoering van praktische proeven (onder andere werking overvulbeveiliging - dichtheidsbeproeving - lekdetectie - peilmeting);
  2° een doorsnede op ware grootte van een (dubbelwandige) tank met mangat, met alle toebehoren erop gemonteerd;
  3° een didactische tank voor simulatiedoeleinden;
  4° een polyethyleentank (PE), GTK-tank enzovoort;
  5° verschillende systemen voor overvulbeveiliging (waarschuwingssysteem en beveiligingssysteem (bijvoorbeeld alarmfluitje, elektronische sonde, maximelder)
  6° allerlei materiaal, nodig voor het uitvoeren van praktische oefeningen (bijvoorbeeld afpersen, monstername water en slib, ultrasone lekdetectie, kathodische beschermingsmethoden);
  7° peilmeters;
  8° referentie-elektrode, millivoltmeter, anode;
  9° stalen van constructiematerialen;
  10° pH-meter, elektrische geleidbaarheidsmeter;
  11° allerlei didactisch materiaal;
  12° demo-opstelling van een kathodische bescherming (galvanische anoden of opgedrukte stroom);
  13° documentatiemateriaal over tanks en toebehoren.
  HOOFDSTUK 2. [10 ...]10
  HOOFDSTUK 3. - Opleidingsprogramma's
  Afdeling 1. - Opleiding vloeibare brandstof : minimumprogramma van de algemene opleiding en van de bijscholing
  Onderafdeling 1. - Het programma van de technische opleiding vloeibare brandstof
  [11 De technische opleiding vloeibare brandstof omvat 24 uur theorie en 44 uur praktijk met betrekking tot de centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, waarbij het totale aantal te besteden lesuren als richtwaarde geldt.]11
  Het programma omvat minstens de volgende leerstof :
  1° de kenmerken van de stookoliën;
  2° toegepaste elektriciteit voor verwarmingstechnieken;
  3° de technologie en de uitrusting van stookketels;
  4° de verschillende types van oliebranders;
  5° de onderdelen van een oliebrander;
  6° de compatibiliteit stookketel-brander;
  7° de regelings- en de veiligheidsapparatuur;
  8° de afstelling van de oliebrander;
  9° de reparatie en het ontstoren van stookketels, branders;
  10° het reinigen van stookketels en branders;
  11° de verbranding van stookolie;
  12° de warmtetransmissie;
  13° de verbrandingscontrole;
  14° de schoorsteen;
  15° het nazicht en het vegen van de schoorsteen;
  16° de inrichting en de verluchting van het stooklokaal;
  17° de werking, het gebruik, de controle en het onderhoud van de meetapparatuur, vereist voor het uitvoeren van de controleproeven met betrekking tot de goede werking;
  18° de rol van de erkende technicus vloeibare brandstof;
  19° het invullen van het reinigingsattest en het verbrandingsattest;
  20° het opmaken/invullen van een keuringsrapport;
  21° de reglementering over het opslaan van de brandstof;
  22° elementen van rationeel energiegebruik en energiebesparing bij verwarming met vloeibare brandstof;
  23° milieuaspecten, verbonden aan verwarming met vloeibare brandstof;
  24°[29 ...]29.
  [11 25° de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico's van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest.]11
  Onderafdeling 2. - Programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake vloeibare brandstof centrale verwarming
  Het programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake vloeibare brandstof centrale verwarming (minstens 2 uur) omvat :
  1° de relevante wetgeving over de bestrijding van de luchtverontreiniging die veroorzaakt wordt [28 door stookolietanks, vermeld in titel II van het VLAREM]28;
  2° de overzichtslijst van de meest gangbare termen en begrippen met betrekking tot de ketel/branderinstallaties, die de taakuitvoering en de dienstverlening van de technicus aan de klant ten goede zullen komen.
  Onderafdeling 3. - Programma van de bijscholing vloeibare brandstof centrale verwarming
  [13 Het programma van de bijscholing vloeibare brandstof bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot het verwarmen met een centrale verwarming, gevoegd met vloeibare brandstof]13 : de eigenschappen van de brandstof, de verbranding van de brandstof, het rendement, de verbrandingscontrole en het onderhoud, het afstellen van een brander en het belang van een goede afstelling, de meetprocedures en de meetapparatuur (controleproeven met betrekking tot de goede staat van werking), de vigerende wetgeving, [13 de rol van een erkende technicus vloeibare brandstof]13 en het invullen van de verschillende attesten. Verder wordt ingegaan op de nieuwste technologische ontwikkelingen op het vlak van de ketels en branders, de regelingen en de meetapparatuur. Daarnaast wordt informatie verstrekt over bestaande steunmaatregelen door de overheid of derden met het oog op de vervanging van oudere, slechtwerkende toestellen en energieverspillende installaties door energiezuinigere en CO2-vriendelijkere verwarming. Die bijscholing duurt minstens 8 uur, [13 proeven]13 inbegrepen.
  Afdeling 2. - Opleiding gasvormige brandstof : minimumprogramma van de algemene opleiding en van de bijscholing
  Onderafdeling 1. - Inleiding
  [26 De opleiding van een technicus gasvormige brandstof wordt modulair georganiseerd. Ze bestaat uit twee modules: een module GI en uitbreidingsmodule GII. Elke module heeft betrekking op een categorie van gastoestellen. Er kan pas deelgenomen worden aan het examen over module GII nadat module GI met vrucht is afgerond en nadat de persoon geslaagd is voor een voorafgaande test over elektriciteit.
  Daardoor worden twee niveaus van technici gasvormige brandstof gecreëerd :
  1° technicus niveau GI met certificaat niveau GI : onderhoud en nazicht van gastoestellen aangesloten als type B en C;
  2° technicus niveau GII met certificaat niveau GII : onderhoud en nazicht van gastoestellen aangesloten als type B of type C en gasketels met ventilatorbrander.]26

  Onderafdeling 2. - Programma van de technische opleiding gasvormige brandstof, [26 module GI]26
  [15 De technische opleiding gasvormige brandstof, [26 module GI, omvat 96 uur met betrekking tot gastoestellen aangesloten als type B of type C,]26 waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren per programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) :]15
  1° inleiding - doelstelling;
  2° eenheden, grootheden en symbolen (4 uur) :
  a) druk, temperatuur, dichtheid, debiet;
  b) k.o.w., k.b.w., verbrandingswaarde;
  c) wobbe-index;
  d) dauwpunt, kookpunt;
  e) dampspanning;
  3° reglementering [26 (5 uur)]26 :
  a) Europese normen;
  b) Belgische normen (NBN D51-003, NBN B61-001 en PR NBN B61-002);
  c) rol van de erkende technicus gasvormige brandstof [26 niveau GI]26;
  d) veiligheidsvoorschriften;
  4° technologie ([26 34 uur]26) :
  a) kennis van de gassoorten;
  b) de verbranding van gas - verbrandingsproducten - milieubelastende rookgassen;
  c) het verbrandingsrendement;
  d) bouw en werking van atmosferische gastoestellen;
  [26 e) bouw en werking van gasunits;
  f) branderautomaten;
  g) gas- en luchtdrukmetingen;
  h) verhoudingsregelaar gas/lucht;]26

  5° inrichting van de stookplaats : 8 uur :
  a) verluchting van de stookplaats;
  b) afvoer van de rookgassen.
  [15 c) de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen : wat is asbest, de gezondheidsrisico's van asbest, het voorkomen in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, hoe herkennen, wat te doen bij aantreffen, de noodzaak van bewerken en afbraak van asbesthoudend materiaal in en rond stookketels en rond verwarmingsbuizen, persoonlijke beschermingsmiddelen en nuttige websites met betrekking tot asbest;]15
  6° toestelleer (6 uur) :
  a) toegestane materialen;
  b) toegestane gassen;
  c) dichtheid van een gastoestel;
  d) aflezen van het gasdebiet;
  e) meten van de gasdruk;
  7° regelingen (4 uur) :
  a) thermostaten;
  b) ketelapparatuur;
  c) thermische terugslagbeveiliging;
  d) atmosferische beveiliging;
  e) ionisatiebeveiliging;
  f) pressostaten;
  8° toegepaste elektriciteit ([26 16 uur]26) :
  a) opzoeken van fouten;
  b) lezen van een elektrisch schema;
  c) meten van een spanning;
  d) meten van een weerstand;
  9° onderhoud, nazicht en ontstoring van het gastoestel ([26 11 uur]26) :
  a) onderhoud en nazicht van de brander [26 en de warmtewisselaar]26;
  b) onderhoud en nazicht van de [26 onderdelen]26;
  c) opsporen en verhelpen van storingen;
  d) controle van het toestel na onderhoud en ontstoring;
  e) uitvoeren van de controleproeven;
  f) het verbrandingsrendement;
  g) invullen van de verschillende attesten;
  10° [29 ...]29
  Onderafdeling 3. [25 ...]25
  Onderafdeling 4. - Programma van de technische opleiding gasvormige brandstof, [25 module GII]25.
  [17 De technische opleiding gasvormige brandstof, module G3, omvat 56 uur met betrekking tot gasketels met ventilatorbrander, waarbij het totale aantal te besteden lesuren en, in voorkomend geval, het aantal te besteden lesuren als programmaonderdeel als richtwaarden gelden. Het programma bestaat uit de volgende onderdelen (niet limitatief) :]17
  1° technologie (14 uur) :
  a) aangeblazen gasbranders : bouw, werking;
  b) gaskleppen;
  c) eentrapsbranders, tweetrapsbranders, modulerende branders;
  d) servo motoren;
  2° branderautomaten en toegepaste elektriciteit (14 uur) :
  a) ionisatiebeveiliging;
  b) UV-beveiliging;
  c) bescherming van de fasen;
  d) aarding;
  3° gasverbranding (8 uur) :
  a) techniek van de gasverbranding;
  b) low NOx-techniek;
  c) CO-vorming;
  4° onderhoud, nazicht en ontstoring van het gastoestel (19 uur) :
  a) onderhoud en nazicht van de verschillende onderdelen;
  b) opsporen en verhelpen van storingen;
  c) afstellen van de brander;
  d) bepaling van het gasdebiet;
  e) meten van de druk;
  f) controle van het toestel na onderhoud en ontstoring;
  g) controle van de veiligheden;
  h) uitvoeren van de controleproeven;
  i) bepaling van het verbrandingsrendement;
  j) meten van de trek;
  k) meten van de luchttoevoer;
  l) invullen van de verschillende attesten;
  5° reglementering (1 uur) :
  a) rol van de erkende technicus gasvormige brandstof [26 niveau GII]26.
  [17 ...]17
  [17 ...]17
  Onderafdeling 5. - Programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake gasvormige brandstof
  Het programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake gasvormige brandstof centrale verwarming [18 (minstens 2 uur)]18 omvat :
  1° de relevante wetgeving over de bestrijding van de luchtverontreiniging die veroorzaakt wordt door centrale stooktoestellen, gevoed met gasvormige brandstof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering [18 van 8 december 2006]18 betreffende het onderhoud en het nazicht van [18 centrale]18 stooktoestellen voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater;
  2° de overzichtslijst van de meest gangbare termen en begrippen met betrekking tot de ketel/branderinstallaties, die de taakuitvoering en de dienstverlening van de technicus aan de klant ten goede zullen komen.
  Onderafdeling 6. - Programma van de bijscholing gasvormige brandstof
  Het programma van de bijscholing bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten van de verwarming met gasvormige brandstof : de eigenschappen van de gassen, de verbranding van gas, het onderhoud en het [26 nazicht van de centrale stooktoestellen]26, gevoed met gasvormige brandstof, het uitvoeren van de controleproeven met betrekking tot de goede staat van werking, de meetprocedures en de meetapparatuur, de vigerende wetgeving, de rol van een erkende technicus gasvormige brandstof en het invullen van de verschillende attesten. Verder wordt ingegaan op de nieuwste technologische ontwikkelingen [25 op het vlak van centrale stooktoestellen]25, gevoed met gasvormige brandstof, de regelingen en de meetapparatuur. Daarnaast wordt informatie verstrekt over bestaande steunmaatregelen door de overheid of derden met het oog op de vervanging van oudere, slechtwerkende toestellen en energieverspillende installaties door energiezuinigere en CO2-vriendelijkere verwarming. Het programma van de bijscholing omvat voor de erkende technicus gasvormige brandstof niveau GI [19 minstens]19 6 uur opleiding [26 gevolgd door proeven]26, en voor de erkende technicus niveau GI+GII [19 minstens]19 8 uur opleiding, gevolgd door [19 proeven]19.
  Afdeling 3. [20 ...]20
  Afdeling 4. -[29 ...]29]27
  Afdeling 5. - Opleiding stookolietechnicus : minimumprogramma van de algemene opleiding en van de bijscholing
  Onderafdeling 1. - Het programma van de technische opleiding stookolietechnicus
  De technische opleiding stookolietechnicus omvat minstens 14 uur theorielessen en minstens 10 uur praktijk. Het programma omvat minstens de volgende leerstof :
  1° kenmerken, classificering en eigenschappen van stookoliën :
  a) viscositeit, stolpunt, densiteit, vlampunt, enzovoort;
  b) impact van stookolie op een tank;
  2° codes van goede praktijk en de regels van goed vakmanschap in verband met de bouw, het transport en de plaatsing van opslaginstallaties voor brandstof (inkuipingen inbegrepen) :
  a) bouw van stookolietanks :
  1) materialen (metaal, gewapende thermohardende kunststof, andere), met inbegrip van de brandweerstand en de weerstand tegen de inwerking van stookolie;
  2) enkelwandige, dubbelwandige opslaghouders;
  3) prototypekeuring en stukkeuring;
  b) types en materialen en manieren van opslag van een installatie :
  1) het plaatsen van de stookolietank (codes van goede praktijk) en de wijze van opslag;
  2) metaal, kunststof (thermohardend, thermoplastisch, GTK, PE,...);
  3) prefab betonnen tanks;
  4) afstandsregels;
  5) rechtstreeks ingegraven tanks;
  6) inkuiping;
  7) groeve (+ vulmaterialen);
  8) aanvulmaterialen;
  9) controle bij de plaatsing;
  c) toebehoren bij de houder :
  1) vulleiding, ontluchtingsleiding;
  2) aanzuigleiding, terugloopleiding;
  3) overvulbeveiligingssystemen en -technieken (fluitje, elektronisch, maximelders,...);
  4) peilmeting;
  5) inhoudsbepaling van de houder;
  d) transport van een stookolietank :
  1) elementaire begrippen;
  2) codes van goede praktijk;
  3° codes van goede praktijk en de regels van goed vakmanschap in verband met. de bescherming tegen corrosie en de bepaling van de [23 corrosiviteit]23 van de bodem :
  a) corrosiebegrippen en soorten :
  1) definitie van corrosie;
  2) soorten corrosie;
  b) beïnvloedende factoren en bescherming van de tank :
  1) corrosieonderzoek;
  2) beïnvloedende factoren;
  3) bescherming : elementaire begrippen (verven, bekleding,...);
  4) kathodische bescherming (hoe, welke mogelijkheden en wanneer...?);
  4° codes van goede praktijk en de regels van goed vakmanschap in verband met de controle van opslaginstallaties en dichtheidsbeproevingen;
  1) verificatie vorig onderhoudsattest (+ attest van plaatsing);
  2) visuele inspectie van de gehele opslaginstallatie;
  3) controle op aanwezigheid van stookolie buiten de tank;
  4) controle op de aanwezigheid van water en slib in de tank;
  5) systemen en technieken van peilmeting (mechanisch, pneumatisch, elektropneumatisch, elektronisch);
  6) inhoudsberekeningen van de opslaghouder;
  7) controle van de vulleiding, ontluchtingsleiding, aanzuigleiding, terugloopleiding;
  8) controle van het overvulbeveiligingssysteem;
  9) lekdetectie - controle van het lekdetectiesyteem;
  10) controle van het peilmeetsysteem;
  11) controle van het mangat en de aansluitingen;
  12) afpersen/dichtheidsbeproevingen (tank, leidingen);
  13) controle van de bekleding van de tank;
  14) meten van het potentiaalverschil tussen (metalen tank) en de omhulling;
  15) definitieve buitengebruikstelling van de houder;
  5° methodes en systemen voor lekdetectie :
  1) organoleptisch;
  2) door overdruk of onderdruk;
  3) ultrasoon;
  4) (andere) systemen en principes (permanente en niet permanente);
  6° basiskennis brandertechniek (4 uur) :
  1) werking brander;
  2) types stookolieaanvoer;
  3) soorten stookoliefilters;
  4) ontluchten stookolieleiding;
  5) interpreteren van pompdruk en vacuümmeting.
  Onderafdeling 2. - Programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks
  Het programma van de opleiding van de Vlaamse wetgeving en de daarin opgenomen terminologie inzake stookolietanks omvat minstens 3 uur :
  1° de relevante wetgeving over de bestrijding van de luchtverontreiniging die veroorzaakt wordt door centrale stooktoestellen, gevoed met vloeibare brandstof, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering betreffende het onderhoud en het [26 nazicht van centrale stooktoestellen]26 voor de verwarming van gebouwen of voor de aanmaak van warm verbruikswater :
  a) definitie waterwingebieden/beschermingszones;
  b) particuliere stookolietanks < 5000 [25 kg]25 (hoofdstuk 6.5 van titel II van het VLAREM);
  c) ingedeelde eindopslag van stookolie voor verwarming (hoofdstuk [28 5.6 en]28 5.17 van titel II van het VLAREM, voor wat betreft de toegestane taken voor de stookolietechnicus);
  d) toegestane wijzen van opslag;
  e) controle bij de plaatsing;
  f) periodieke controles : wanneer, welke, wat, hoe en door wie;
  g) buitengebruikstellen van tanks : wanneer en hoe;
  h) reglementering nieuwe tanks/bestaande tanks (overgangsbepalingen);
  i) rol van de erkende technicus;
  j) het meldingsformulier;
  k) het conformiteitsattest (= onderhoudsattest);
  l) het merken van tanks (rood - oranje - groen);
  m) domein van de stookolietechnicus versus dit van de milieudeskundige;
  2° de overzichtslijst van de meest gangbare termen en begrippen met betrekking tot de controle en het onderhoud van stookolietanks, die de taakuitvoering en de dienstverlening van de technicus aan de klant ten goede zullen komen.
  Onderafdeling 3. - Programma van de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks.
  Het programma van de bijscholing inzake de controle en het onderhoud van stookolietanks bestaat uit een herhaling van de belangrijkste aspecten met betrekking tot de controle en het onderhoud van stookolietanks, de vigerende wetgeving, naast de rol en verplichtingen van een erkende stookolietechnicus. Het programma omvat minstens 4 uur [24 en wordt gevolgd door proeven]24.
  

Modifications

Art. N1. Annexe 1. - Exigences relatives à l'agrément en tant que centre de formation de techniciens
  CHAPITRE 1er. - Liste des appareils techniques et de l'équipement didactique
  Section 1re. - [1 Pour un centre de formation en combustibles liquides]1
  [2 Un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, b),]2 dispose dans ses ateliers au moins des machines, des appareils et des outils didactiques suivants :
  1° des combinaisons chaudière-brûleur, représentatives du marché, offrant suffisamment de variation et ayant les caractéristiques suivants :
  a) différents types et marques;
  b) différentes années de construction;
  c) différentes puissances de chaudière et différents débits de brûleur;
  d) brûleurs avec et sans préchauffe d'huile;
  e) possibilité de réglage du tirage d'une cheminée;
  f) possibilité d'alimentation du brûleur par un système à un conduit ou à double conduit, et par différentes sortes de combustibles liquides.
  Le nombre de combinaisons est en rapport avec le nombre d'élèves, à condition qu'au moins une combinaison soit disponible par groupe de trois élèves commençant simultanément la formation;
  2° des panneaux didactiques de techniques de réglage, y compris un réglage dépendant des conditions atmosphériques;
  3° un panneau didactique simulant le fonctionnement du brûleur;
  4° un banc d'essai pour gicleurs offrant la possibilité de remplacer le gicleur et de régler la pression d'huile;
  5° un banc d'essai pour les transformateurs et l'allumage;
  6° un banc d'essai pour les pompes;
  7° un panneau de simulation ou la version didactique d'une installation de chauffage central complète, avec chaudière/brûleur, aquastat, installation pour eau chaude sanitaire, chauffage d'espaces, thermostat d'ambiance, sonde extérieure, robinet mélangeur à trois et/ou quatre voies;
  8° des coupes de chaudières et de brûleurs;
  9° des coupes de pompes;
  10° des coupes de gicleurs;
  11° des panneaux didactiques d'éléments de poêle (entre autres du régulateur du niveau d'huile);
  12° au moins un analyseur électronique de gaz de fumée par trois élèves;
  13° un nombre suffisant de coffrets classiques de mesurage.
  Section 2. - [3 Pour un centre de formation en combustibles gazeux]3
  [4 Un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, c),]4 dispose dans ses ateliers au moins des machines, des appareils et des outils didactiques suivants :
  1° une collection d'appareils à gaz représentative du marché actuel :
  a) une chaudière au sol atmosphérique avec thermocouple;
  b) une chaudière au sol atmosphérique avec sécurité à ionisation;
  c) une chaudière murale atmosphérique avec thermocouple;
  d) une chaudière murale atmosphérique avec sécurité à ionisation;
  e) [25 une unité à gaz]25;
  f) [25 quelques chaudières à gaz munies d'un brûleur ventilé (module GII)]25 : progressive, à une ou deux allures;
  2° des panneaux didactiques de techniques de réglage, y compris un réglage dépendant des conditions atmosphériques;
  3° un panneau didactique simulant le fonctionnement du brûleur;
  4° un panneau didactique sur les éléments du train de gaz;
  5° les éléments du train de gaz;
  6° des appareils de mesurage visant le contrôle de la combustion : au moins un analyseur électronique de gaz de fumée par trois élèves;
  7° des appareils de mesurage de la pression : des manomètres de pression du gaz;
  8° des appareils de contrôle de l'étanchéité des conduits de gaz;
  9° un panneau de simulation ou la version didactique d'une installation de chauffage central complète, avec chaudière/brûleur, aquastat, installation pour eau chaude sanitaire, chauffage d'espaces, thermostat d'ambiance, sonde extérieure, robinet mélangeur à quatre voies;
  10° des coupes de chaudières et de brûleurs.
  Section 3. - [5[28 ...]28.
  Section 4. - [8 Pour un centre de formation en matière de contrôle et d'entretien de cuves de mazout]8
  [9 Un centre de formation agréé tel que visé à l'article 6, 4°, e),]9 dispose dans son atelier au moins des machines, des appareils et des outils didactiques suivants, représentatifs du marché :
  1° au moins une cuve (métallique) à paroi double, approuvée, en surface, grandeur nature, complètement équipée, avec la possibilité de simuler une fuite, pour l'exécution d'épreuves pratiques (entre autres le fonctionnement de la sonde de sécurité de remplissage - l'épreuve d'étanchéité - détection de fuites - jauge);
  2° une coupe grandeur nature d'une cuve (à double paroi) avec trappe de visite, complètement équipée et avec tous les accessoires installés;
  3° une cuve didactique pour des objectifs de simulation;
  4° une cuve en polyéthylène (PE), une cuve en plastique thermodurcissable renforcé, et cetera;
  5° différents systèmes de sécurité de remplissage (système d'alerte et système de sécurité) (par exemple : sifflet d'alarme, jauge électronique, maximelder);
  6° toutes sortes de matériaux, nécessaires à l'exécution d'exercices pratiques (par exemple : adaptation de la pression, échantillonnage d'eau et de boues, détection ultrasonique de fuites, méthodes de protection cathodiques);
  7° jauges;
  8° électrode de référence, millivolt-mètre, anode;
  9° des échantillons de matériaux de construction;
  10° pH-mètre, mètre de conductivité électrique;
  11° toutes sortes de matériaux didactiques;
  12° dispositif de démonstration d'une protection cathodique (anodes galvaniques ou à courant imposé);
  13° des matériaux de documentation sur les cuves et leurs accessoires.
  CHAPITRE 2. [10 ...]10
  CHAPITRE 3. - Programmes de formation
  Section 1re. - Formation en combustibles liquides : programme minimal de la formation générale et de la formation de perfectionnement
  Sous-section 1re. - Le programme de la formation technique en combustibles liquides
  [11 La formation technique en combustibles liquides comprend au moins 24 heures de théorie et au moins 44 heures de pratique relatives aux appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides. " est remplacée par la phrase " La formation technique en combustibles liquides comprend 24 heures de théorie et 44 heures de pratique relatives aux appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides, où le nombre d'heures de cours à y consacrer est une valeur guide.]11
  Le programme comporte au moins les éléments suivants :
  1° les caractéristiques d'huiles combustibles;
  2° électricité appliquée pour techniques de chauffage;
  3° la technologie et l'équipement de chaudières;
  4° les différents types de brûleurs à huile;
  5° les composants d'un brûleur à huile;
  6° la compatibilité chaudière-brûleur;
  7° les appareils de réglage et de sécurité;
  8° le réglage d'un brûleur à huile;
  9° la réparation et le déparasitage de chaudières, brûleurs;
  10° le nettoyage de chaudières et de brûleurs;
  11° la combustion de mazout;
  12° la transmission de chaleur;
  13° le contrôle de la combustion;
  14° la cheminée;
  15° le contrôle et le ramonage de la cheminée;
  16° l'aménagement et l'aération du local de chauffe;
  17° le fonctionnement, l'utilisation, le contrôle et l'entretien des appareils de mesurage, requis pour l'exécution des essais de contrôle relatifs au bon fonctionnement;
  18° le rôle du technicien agréé en combustibles liquides;
  19° le remplissage de l'attestation de nettoyage et l'attestation de combustion;
  20° l'établissement/le remplissage d'un rapport d'inspection;
  21° la règlementation en matière de stockage de combustibles;
  22° les éléments d'utilisation et d'économie rationnelle d'énergie en cas de chauffage aux combustibles liquides;
  23° les aspects écologiques, liés au chauffage aux combustibles liquides;
  24° [28 ...]28;
  [11 25° la présence de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage : qu'est-ce que l'amiante, les risques pour la santé associés à l'amiante, la prévention dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, comment le reconnaitre, que faire en cas de découverte, la nécessité du traitement et de la destruction de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, équipements de protection individuelle et sites web utiles relatifs à l'amiante.]11
  Sous-section 2. - Programme de la formation relative à la législation flamande et à la terminologie y reprise en matière de chauffage central à combustibles liquides
  Le programme de la formation relative à la législation flamande et à la terminologie y reprise en matière de chauffage central à combustibles liquides (au moins 2 heures) comprend :
  1° la législation pertinente en matière de lutte contre la pollution de l'air causée par les appareils de chauffage central, alimentés en combustibles liquides, visée à l'arrêté du Gouvernement flamand [12 du 8 décembre 2006]12 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage [12 central]12 pour le chauffage de bâtiments ou pour le chauffage d'eau chaude utilitaire;
  2° la liste récapitulative des notions et des termes les plus courants relatifs aux installations de chaudières/brûleurs, qui bénéficieront à l'exécution des tâches du technicien et à son service au client.
  Sous-section 3. - Programme de la formation de perfectionnement en matière d'installations de chauffage central à combustibles liquides
  [13 Le programme du perfectionnement en matière de combustibles liquides comprend une récapitulation des aspects les plus importants relatifs au chauffage par une installation de chauffage central, alimentée en combustibles liquides]13 : les caractéristiques des combustibles, la combustion des combustibles, le rendement, le contrôle de la combustion et l'entretien, le réglage d'un brûleur et l'importance d'un bon réglage, les procédures de mesurage et les appareils de mesurage (essais de contrôle en matière du bon état de fonctionnement), la législation en vigueur, [13 le rôle d'un technicien agréé en combustibles liquides]13 et le remplissage des différentes attestations. En outre, il sera prêté attention aux développements technologiques les plus récents dans le domaine des chaudières et des brûleurs, des réglages et des appareils de mesurage. Des informations seront également fournies sur les mesures d'aide existantes de l'autorité ou de tiers visant le remplacement d'appareils plus anciens fonctionnant mal et d'installations gaspillant l'énergie par des installations de chauffage économisant plus d'énergie et produisant moins de CO2. La présente formation de perfectionnement dure au moins 8 heures, y compris [13 les épreuves]13.
  Section 2. - Formation en combustibles gazeux : programme minimal de la formation générale et de la formation de perfectionnement
  Sous-section 1re. - Introduction
  [25 La formation d'un technicien en combustibles gazeux est organisée en modules. Elle comporte daux modules : un module GI et un module de perfectionnement GII. Chaque module a trait à une catégorie d'appareils à gaz. On ne peut participer à l'examen sur le module GII qu'après avoir suivi le module GI avec succès et après que la personne a réussi une épreuve préalabie en éiectricité.
  Par conséquent, deux niveaux de techniciens en combustibles gazeux sont créés:
  1° technicien du niveau GI, titulaire d'un certificat du niveau GI : entretien et contrôle d'appareils raccordés comme type B et C;
  2° technicien du niveau GII, titulaire d'un certificat du niveau GII : entretien et contrôle d'appareils à gaz raccordés comme B ou type C et chaudières à gaz munies d'un brûleur vantilé.]25

  Sous-section 2. - [25 Programme de la formation technique en combustibles gazeux, module GI]25
  [15 [25 La formation technique en combustibles gazeux, module GI, comprend 96 heures en matière d'appareils à gaz du type B ou du type C,]25 où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer par partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) :]15
  1° introduction - objectif;
  2° unités, grandeurs et symboles (4 heures) :
  a) pression, température, densité, débit;
  b) coefficient de partage octan-1-ol/eau), pouvoir calorifique supérieur, valeur de combustion;
  c) indice de Wobbe;
  d) point de rosée, point d'ébullition;
  e) pression de vapeur;
  3° réglementation ([25 5 heures]25) :
  a) normes européennes;
  b) normes belges (NBN D51-003, NBN B61-001 et PR NBN B61-002);
  c) rôle du technicien agréé en combustibles gazeux [25 niveau GI]25;
  d) prescriptions de sécurité;
  4° technologie ([25 34 heures]25) :
  a) connaissance des différents gaz;
  b) la combustion de gaz - les produits de combustion - les gaz de fumée provoquant une pression environnementale;
  c) le rendement de combustion;
  d) construction et fonctionnement d'appareils à gaz atmosphériques;
  [25 e) construction et fonctionnement d'unités à gaz;
  f) brûleurs automatiques;
  g) mesures de la pression de gaz et d'air;
  h) régulateur du rapport gaz/air;]25

  5° aménagement du local de chauffe : 8 heures :
  a) aération du local de chauffe;
  b) évacuation des gaz de fumée;
  [15 c) la présence de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage : qu'est-ce que l'amiante, les risques pour la santé associés à l'amiante, la prévention dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, comment le reconnaître, que faire en cas de découverte, la nécessité du traitement et de la destruction de matériaux contenant de l'amiante dans et autour des chaudières et autour des tuyaux de chauffage, équipements de protection individuelle et sites web utiles relatifs à l'amiante;]15
  6° théorie des appareils (6 heures) :
  a) matériaux autorisés;
  b) gaz autorisés;
  c) étanchéité d'un appareil à gaz;
  d) lecture du débit de gaz;
  e) mesurage de la pression de gaz;
  7° réglages (4 heures) :
  a) thermostats;
  b) appareillage de chaudières;
  c) sécurité thermique de retour;
  d) sécurité atmosphérique;
  e) sécurité à ionisation;
  f) pressostats;
  8° électricité appliquée ([25 16 heures]25) :
  a) repérage de défauts;
  b) lecture d'un schéma électrique;
  c) mesurage d'une tension;
  d) mesurage d'une résistance;
  9° entretien, contrôle et déparasitage de l'appareil à gaz ([25 11 heures]25) :
  a) entretien et contrôle du brûleur [25 et l'échangeur de chaleur]25;
  b) entretien et contrôle de [25 composants]25;
  c) repérage et réparation d'anomalies;
  d) contrôle de l'appareil après l'entretien et le déparasitage;
  e) exécution des essais de contrôle;
  f) le rendement de combustion;
  g) remplissage des différentes attestations;
  10° [28 ...]28.
  Sous-section 3.[24 ...]24
  Sous-section 4. - Programme de la formation technique en combustibles gazeux, [24 module GII]24
  [17 La formation technique en combustibles gazeux, [25 module GII]25, comprend 56 heures en matière de chaudières à gaz à brûleur à air pulsé, où le nombre total d'heures de cours à y consacrer et, le cas échéant, le nombre d'heures de cours à y consacrer comme partie de programme sont des valeurs guides. Le programme comprend les parties suivantes (non limitatif) :]17
  1° technologie (14 heures) :
  a) brûleurs gaz à air soufflé : construction, fonctionnement;
  b) clapets de gaz;
  c) brûleurs à une allure, brûleurs à deux allures, brûleurs modulants;
  d) servomoteurs;
  2° brûleurs automatiques et électricité appliquée (14 heures) :
  a) sécurité à ionisation;
  b) protection contre la lumière UV;
  c) protection des phases;
  d) mise à la terre;
  3° combustion de gaz (8 heures) :
  a) technique de la combustion de gaz;
  b) technique Low NOx;
  c) production de CO;
  4° entretien, contrôle et déparasitage de l'appareil à gaz (19 heures) :
  a) entretien et contrôle des différents composants;
  b) repérage et réparation d'anomalies;
  c) réglage du brûleur;
  d) détermination du débit de gaz;
  e) mesurage de la pression;
  f) contrôle de l'appareil après l'entretien et le déparasitage;
  g) contrôle des sécurités;
  h) exécution des essais de contrôle;
  i) détermination du rendement de combustion;
  j) mesurage du tirage;
  k) mesurage de l'amenée d'air;
  l) remplissage des différentes attestations;
  5° réglementation (1 heure) :
  a) rôle du technicien agréé en combustibles gazeux de [25 niveau GII]25.
  [17 ...]17
  [17 ...]17
  Sous-section 5. - Programme de formation relative à la législation flamande et à la terminologie y reprise en matière de combustibles gazeux
  Le programme de la formation relative à la législation flamande et à la terminologie y reprise en matière de chauffage central à combustibles gazeux [18 (au moins 2 heures)]18 comporte :
  1° la législation pertinente en matière de lutte contre la pollution de l'air causée par les appareils de chauffage central, alimentés en combustibles gazeux, visée à l'arrêté du Gouvernement flamand [18 du 8 décembre 2006]18 relatif à l'entretien et au contrôle d'appareils de chauffage [18 central]18 pour le chauffage de bâtiments ou pour le chauffage d'eau chaude utilitaire;
  2° la liste récapitulative des notions et des termes les plus courants relatifs aux installations de chaudières/brûleurs, qui bénéficieront à l'exécution des tâches du technicien et à son service au client.
  Sous-section 6. - Programme de la formation de perfectionnement en combustibles gazeux
  Le programme de la formation de perfectionnement consiste en une récapitulation des aspects les plus importants relatifs aux installations de chauffage à combustibles gazeux : les caractéristiques des gaz, la combustion de gaz, l'entretien et le contrôle des chaudières, alimentées en combustibles gazeux, l'exécution des essais de contrôle en matière du bon état de fonctionnement, les procédures et appareils de mesurage, la législation en vigueur, le rôle d'un technicien agréé en combustibles gazeux et le remplissage des différentes attestations. Il sera en outre prêté attention aux développements les plus récents [24 dans le domaine des chaudières centrales]24 alimentés en combustibles gazeux, des réglages et des appareils de mesurage. Des informations seront également fournies sur les mesures d'aide existantes de l'autorité ou de tiers visant le remplacement d'appareils plus anciens fonctionnant mal et d'installations gaspillant l'énergie par des installations de chauffage économisant plus d'énergie et produisant moins de CO2. Le programme de la formation de perfectionnement comporte, pour le technicien agréé en combustibles gazeux de niveau G1 (chaudières à gaz atmosphériques), [19 au moins]19 4 heures de formation; pour le technicien agréé en combustibles gazeux de [24 niveau GI + GII]24 (chaudières à gaz atmosphériques et unités à gaz), [19 au moins]19 6 heures de formation; et pour le technicien agréé de niveau G3 (chaudières à gaz atmosphériques, unités à gaz et chaudières à gaz [19 à brûleur à air pulsé, au moins]19 ), 8 heures de formation, suivi par [19 les épreuves]19.
  Section 3. [20 ...]20
  Section 4. - [28 ...]28
  Sous-section 1re. - Le programme de la formation technique en matière d'audit de chauffage
  La formation technique en matière d'audit de chauffage (installations avec une puissance nominale totale installée supérieure à 100 kW, ou installations comprenant plusieurs chaudières) comprend au moins 24 heures (cours de théorie et de pratique). Le programme comporte au moins les éléments suivants :
  1° la réglementation;
  2° le contenu du logiciel;
  3° les composants d'une installation de chauffage central :
  a) les unités de production;
  b) l'hydraulique;
  c) la production d'eau chaude sanitaire;
  d) les réglages;
  e) les composants généraux;
  f) l'aération des chaufferies;
  g) l'isolation des conduites;
  4° les composants dans un immeuble : la ventilation et l'influence sur l'aération de la chaufferie;
  5° les primes et les mesures fiscales;
  6° la visite de la chaufferie;
  7° des exercices.
  [21 ...]21
  [21 ...]21
  [26 Sous-section 2 - Le programme de formation continue en audit de chauffage
   § 1. Le programme de la formation continue technique en audit de chauffage (installations d'une capacité nominale globale installée supérieure à 100 kW ou installations composées de plusieurs chaudières) comprend au moins 8 heures (cours théoriques et pratiques). Le programme consiste en une répétition des principaux aspects de l'audit de chauffage :
   1° la réglementation ;
   2° le contenu et l'utilisation correcte du logiciel ;
   3° la consommation d'énergie ;
   4° les composantes d'une installation de chauffage central, les connaissances générales en technique et en régulation, dont au minimum :
   a) les unités de production ;
   b) l'hydraulique ;
   c) la production d'eau chaude sanitaire ;
   d) les réglementations ;
   e) les composantes générales ;
   f) l'aération des foyers ;
   g) l'isolation des canalisations ;
   5° les composantes d'un bâtiment : la ventilation et l'influence sur l'aération du foyer ;
   6° l'interprétation des résultats et la formulation des conseils.
   § 2. La formation continue en audit de chauffage est suivie d'épreuves qui se composent :
   1° d'une épreuve écrite où la connaissance théorique du technicien est évaluée à l'aide de questions à choix multiple ;
   2° une épreuve orale où le technicien doit défendre un audit de chauffage réel exécuté par ses soins.
   La durée des épreuves est de maximum 4 heures.]26

  Section 5. - Formation de technicien en mazout : programme minimal de la formation générale et de la formation de perfectionnement
  Sous-section 1re. - Le programme de la formation technique de technicien en mazout
  La formation technique de technicien en mazout comprend au moins 14 heures de cours de théorie et au moins 10 heurs de pratique. Le programme comporte au moins les éléments suivants :
  1° caractéristiques, classification et propriétés de mazouts :
  a) viscosité, point de solidification, densité, point d'inflammation, et cetera;
  b) impact du mazout sur une cuve;
  2° les codes de bonne pratique et les règles du bon artisanat relatifs à la construction, le transport et l'installation d'installations de stockage pour combustibles (y compris les encuvements) :
  a) construction de cuves de mazout :
  1) matériaux (métal, matière synthétique thermodurcissable renforcée, autres), y compris la résistance au feu et la résistance contre la corrosion de mazout;
  2) cuves à paroi simple ou double;
  3) contrôle de prototype et contrôle de pièce;
  b) types et matériaux et manières de stockage d'une installation :
  1) l'installation de la cuve de mazout (codes de bonne pratique) et la manière de stockage;
  2) métal, matière synthétique (thermodurcissable, thermoplastique, plastique thermodurcissable renforcé, polyéthylène,...);
  3) des cuves en béton préfabriquées;
  4) des règles de distance;
  5) des cuves directement enfouis;
  6) encuvement;
  7) fosse (+ matériaux de remblayage);
  8) matériaux de remblayage;
  9) contrôle lors de l'installation;
  c) accessoires du détenteur :
  1) conduite de remplissage, conduite de désaération;
  2) conduite d'aspiration, conduite de retour;
  3) systèmes et techniques de sécurité anti-débordement (sifflet, électronique, maximelder,...);
  4) jauge;
  5) détermination du volume contenu de la cuve;
  d) transport d'une cuve à mazout :
  1) notions élémentaires;
  2) codes de bonne pratique;
  3° codes de bonne pratique et les règles du bon artisanat relatifs à la protection contre la corrosion et la détermination de la corrosivité du sol :
  a) notions en matière de corrosion et sortes :
  1) définition de corrosion;
  2) sortes de corrosion;
  b) facteurs d'influence et protection de la cuve :
  1) recherche en matière de corrosion;
  2) facteurs d'influence;
  3) protection : notions élémentaires (peintures, revêtement,...);
  4) protection cathodique (comment, quelles possibilités et quand...?);
  4° codes de bonne pratique et les règles du bon artisanat relatifs au contrôle d'installations de stockage et aux épreuves d'étanchéité;
  1) vérification de l'attestation d'entretien précédente (+ de l'attestation d'installation);
  2) inspection visuelle de toute l'installation de stockage;
  3) contrôle sur la présence de mazout hors de la cuve;
  4) contrôle sur la présence d'eau et de boues dans la cuve;
  5) systèmes et techniques de jauge (mécanique, pneumatique, électropneumatique, électronique);
  6) jaugeage de l'installation de stockage;
  7) contrôle de la conduite de remplissage, de la conduite de désaération, de la conduite d'aspiration, de la conduite de retour;
  8) contrôle du système de sécurité anti-débordement;
  9) détection de fuites - contrôle du système de détection de fuites;
  10) contrôle du système de jaugeage;
  11) contrôle de la trappe de visite et des raccordements;
  12) adaptation de la pression/épreuve d'étanchéité (cuve, conduites);
  13) contrôle du revêtement de la cuve;
  14) mesurage de la différence de potentiel entre la cuve (en métal) et l'enrobage;
  15) mise hors service définitive de l'installation;
  5° méthodes et systèmes de détection de fuites :
  1) organoleptique;
  2) par surpression ou dépression;
  3) ultrasonique;
  4) (autres) systèmes et principes (permanents et non permanents);
  6° connaissances de base en technique de brûleurs (4 heures) :
  1) fonctionnement d'un brûleur;
  2) types d'alimentation de mazout;
  3) sortes de filtres de mazout;
  4) désaération de la conduite de mazout;
  5) interprétation de la pression de la pompe et du vacuomètre.
  Sous-section 2. Programme de la formation relative à la législation flamande et à la terminologie y reprise en matière de contrôle et d'entretien de cuves à mazout
  Le programme de la formation relative à la législation flamande et à la terminologie y reprise en matière de cuves à mazout comprend au moins 3 heures :
  1° la législation pertinente en matière de la lutte contre la pollution de l'air, causée [27 par des cuves à mazout visées au titre II du VLAREM ]27 :
  a) définition des zones de captage d'eau/zones de protection;
  b) cuve à mazout privée < 5000 [24 kg]24 (chapitre 6.5 du titre II du VLAREM);
  c) classification du stockage final de mazout pour le chauffage (chapitre [27 5.6 et]27 5.17 du titre II du VLAREM, pour ce qui concerne les tâches autorisées du technicien en mazout);
  d) conditions de stockage autorisées;
  e) contrôle lors de l'installation;
  f) contrôles périodiques : quand, quels, quoi, comment et par qui;
  g) la mise hors service de cuves : quand et comment;
  h) réglementation de nouvelles cuves/cuves existantes (dispositions transitoires);
  i) rôle du technicien agréé;
  j) le formulaire d'avis;
  k) l'attestation de conformité (= attestation d'entretien);
  l) le marquage des cuves (rouge - orange - vert);
  m) Le domaine du technicien en mazout par opposition à celui de l'expert environnemental;
  2° l'aperçu des notions et des termes les plus courants en matière de contrôle et d'entretien de cuves à mazout, lesquels bénéficieront à l'exécution des tâches du technicien et à ses services vis-à-vis de ses clients.
  Sous-section 3. Programme de la formation de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves à mazout
  Le programme de la formation de perfectionnement en matière de contrôle et d'entretien de cuves à mazout consiste en une récapitulation des aspects les plus importants en matière de contrôle et d'entretien de cuves à mazout, de la législation en vigueur, outre le rôle et les obligations d'un technicien en mazout agréé. Le programme comprend au moins 4 heures [23 et est suivi par des épreuves]23.
  

Modifications

----------
Art. N2. Bijlage 2. - Programma's van de cursussen van aanvullende vorming voor milieucoördinator
  1° De programma's van de cursussen van aanvullende vorming beantwoorden tenminste aan de volgende voorwaarden :
  a) ze zijn zo opgevat dat ze de kandidaat in staat stellen de nodige kennis en bekwaamheid te verwerven voor het vervullen van het geheel van decretale en reglementaire taken, opgelegd aan de milieucoördinator;
  b) ze omvatten ten minste :
  - 250 uur voor de cursussen van aanvullende vorming van het eerste niveau;
  - 150 uur voor de cursussen van aanvullende vorming van het tweede niveau.
  De overgangscursussen van het tweede niveau naar het eerste niveau zijn zo opgevat dat zij minimaal zowel het inhoudelijke verschil tussen de beide programma's als hun verschil in aantal lesuren omvatten.
  2° De programma-inhoud wordt opgesplitst in de volgende drie modules :
Art. N2. Annexe 2. - Programmes des cours de formation complémentaire de coordinateur environnemental
  1° Les programmes des cours de formation complémentaire remplissent au moins les conditions suivantes :
  a) ils sont conçus de manière à permettre au candidat d'acquérir les connaissances et compétences nécessaires pour accomplir l'ensemble des tâches décrétales et réglementaires, imposées au coordinateur environnemental;
  b) ils comprennent au moins :
  - 250 heures pour les cours de formation complémentaire du premier niveau;
  - 150 heures pour les cours de formation complémentaire du deuxième niveau;
  Les cours de passage du deuxième au premier niveau sont conçus de manière à ce qu'ils comprennent au moins tant la différence de fond entre les deux programmes que leur différence en matière de nombre d'heures de cours.
  2° Le contenu du programme est subdivisé en les trois modules suivants :
PROGRAMMA-INHOUDA
  Eerste niveau
B
  Tweede niveau
  
Module 1. [1 Uitgangspunten, achtergronden]150 uur30 uur
  
1.1. [1 Grondslagen van milieuwetenschappen]1 
  
Probleemanalyse en structurering van de milieuproblematiek, relaties tussen activiteiten en milieueffecten, ecologie, milieuhygiëne en menselijke gezondheid, kenmerkende grootheden en basisdefinities, milieubeschouwingen bij het ontwerp en de exploitatie van industriële installaties. Problematiek van de klimaatveranderingen. Basis ecotoxicologie. 
  
1.2. Milieubeleidsvorming en instrumenten van het milieubeleid van de overheid 
  
Beginselen van overheidsbeleid, [1 onder]1 andere overheidsorganisatie.
  Inhoudelijke facetten en achtergronden bij het hanteren van milieu-instrumenten : fysieke regulering economische instrumenten, beslissingsondersteunende instrumenten [1 (MER, VR, audit, LCA), convenanten]1 en milieubeleidsplanning op de verschillende niveaus (onder meer Europees en regionaal).
  Gebruik en optimalisatie van gegevensanalysetechnieken en modellen als basis voor het opstellen van monitoringsstrategieën, milieubeoordelingsmethoden en gerelateerde doelstellingen.
  Het selecteren van duurzame preventie- en hersteltechnieken in het kader van een dynamische beleidscontext (bijvoorbeeld praktische implementatie Europese richtlijnen).
  Simulatie en analyse van impact van milieubeleidsinstrumenten. Milieurisico-evaluatie/normstelling.
 
  
1.3. Milieurecht en de formulering van [1 milieueisen]1 
  
Structuur en opbouw van de milieuwetgeving.
  Aansprakelijkheid. Kader van de Europese milieurichtlijnen en van de Vlaamse milieuwetgeving.
  .[2 Procedures inzake de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten]2. Relatie tot de [2 omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen]2. De concrete formulering van [1 milieu-eisen]1. Doelvoorschriften versus middelvoorschriften. Het voldoen aan de algemene preventiebeginselen (BBT). Gebruik van codes van goede praktijk en van normen en standaarden. Definities en correcte interpretatie van technologische eisen, [1 emissienormen]1 en milieukwaliteitsnormen.
 
  
Module 2. Milieubeheerssystemen in de bedrijven en de functionele taken van de milieucoördinator.60 uur35 uur
  
2.1. De integratie van milieuzorg in het bedrijfsbeheer 
  
Basiscomponenten van de bedrijfsinterne milieuzorg en afbakening van verantwoordelijkheden. Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Interacties en samenhang met de arbeidsveiligheid en de integrale kwaliteitszorg. Achtergronden op het vlak van de Europese EMAS-verordening, het decreet Bedrijfsinterne Milieuzorg en de ISO-14000-normenreeks. 
  
2.2. Het opstarten van een milieuzorgsysteem in de onderneming 
  
Milieubeleidsverklaring. Het uitvoeren van een milieuanalyse (organisatorisch, juridisch-bestuurlijk en technisch). Het opstellen van een milieuprogramma met prioriteitsstelling. Opleiding en vorming. Rapportages. Controle-instrumenten met indicatoren en criteria ([1 Environmental]1 performance indicators). 
  
2.3. Controle en handhaving van milieuvoorwaarden, met [1 inbegrip]1 van administratieve en procedurele aspecten 
  
2.3.1. Monitoring van emissies en afvalstromen met ingebrip van industriële meetaspecten. Het opstellen van een emissiejaarverslag 
  
2.3.2. Het opstellen van een [2 aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit]2. De identificatie en interpretatie van milieuvoorwaarden. Het berekenen van milieuheffingen (afvalwater, afvalstoffen). Subsidiemogelijkheden (steun voor R&D-activiteiten en economische expansiesteun). 
  
Module 3. Operationalisering en uitdieping van de taakstelling van een milieucoördinator140 uur85 uur
  
3.1. Technologische facetten 
  
3.1.1. Procesgeïntegreerde of structureel preventieve milieuverbeteringen ter vermijding van emissies en afvalstromen. Bedrijfsinterne en -externe recyclage en hergebruik. Het opzetten van preventieprojecten bij industriële processen. Productontwerp vanuit een milieuvisie, met inbegrip van integraal ketenbeheer. 
  
3.1.2. Preventieve maatregelen ter voorkoming van [1 bodem-, (grond)water- en luchtverontreiniging]1 
  
3.1.3. Preventieve maatregelen vanuit het oogpunt van de interne en externe veiligheid 
  
3.1.4. Beheersingstechnieken (afvalwater- en afvalluchtbehandeling) 
  
3.1.5. Saneringstechnologie (bodemsanering) 
  
3.1.6. Beheersingstechnieken geluid 
  
3.1.7. Beheersingstechnieken voor afval (kennis van afvalverwerkingstechnieken : fysische, biologische, chemisch-thermische processen; gescheiden inzameling van afval in bedrijven) 
  
3.1.8. Technologieën vanuit het oogpunt van 'cradle to cradle', specifiek gericht op hergebruik, eco-efficiëntie, integraal ketenbeheer, stofstroomanalyse, productontwikkeling en ecodesign, energie-efficiëntie en energiebeheer 
  
3.2. Bedrijfseconomische en beheersfacetten 
  
3.2.1. Kostenberekeningen en investeringsanalyses kosten-baten en kosten-effectiviteitsanalyses vanuit milieuperspectief. Keuze en prioriteitsstelling van milieuverbeteringsprojecten. De milieudimensie van het verzekeringsbeheer 
  
3.2.2. De meting van milieuschade : waarderingspunten van milieuschade of -effecten 
  
3.2.3. Projectbeheer. Management van technologische innovaties en van R&D-activiteiten vanuit een anticiperend milieuperspectief 
  
3.2.4. Optimalisatietechnieken voor bedrijfsbeheer en het behalen van milieudoelstellingen 
  
3.3. Sociale en communicatieve facetten 
  
3.3.1. Interne en externe communicatie en rapportage over milieu-aangelegenheden. Overleg binnen het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk. Samenwerking en afstemming tussen de milieucoördinator en de veiligheidschef. Externe communicatie en conflictbehandeling. 
  
3.2.2. [1 Het stimuleren van preventieve gedragsveranderinge]1 en van '' good housekeeping ''-praktijken in organisaties. Het organiseren van opleidings- en vormingsactiviteiten voor het personeel. 
  
3.4. Methodologische facetten 
  
3.4.1. Milieueffectrapportage. Methodes en technieken voor milieueffectbeoordeling. 
  
3.4.2. [1 Veiligheidsrapportering en risico-analysetechnieken vanuit]1 het perspectief van de interne en externe veiligheid 
  
3.4.3. Methodes en strategieën voor milieu-auditing 
  
3.4.4. Het raadplegen van gegevensbestanden en informatiebronnen over industrieel milieubeheer  
(1)<BVR 2013-03-01/22, art. 167, 003; Inwerkingtreding : 03-05-2013>
(2)<BVR 2015-11-27/29, art. 692, 008; Inwerkingtreding : 23-02-2017>
PROGRAMMA-INHOUDA
  Eerste niveauB
  Tweede niveau
Module 1. [1 Uitgangspunten, achtergronden]150 uur30 uur
1.1. [1 Grondslagen van milieuwetenschappen]1
Probleemanalyse en structurering van de milieuproblematiek, relaties tussen activiteiten en milieueffecten, ecologie, milieuhygiëne en menselijke gezondheid, kenmerkende grootheden en basisdefinities, milieubeschouwingen bij het ontwerp en de exploitatie van industriële installaties. Problematiek van de klimaatveranderingen. Basis ecotoxicologie.
1.2. Milieubeleidsvorming en instrumenten van het milieubeleid van de overheid
Beginselen van overheidsbeleid, [1 onder]1 andere overheidsorganisatie.
  Inhoudelijke facetten en achtergronden bij het hanteren van milieu-instrumenten : fysieke regulering economische instrumenten, beslissingsondersteunende instrumenten [1 (MER, VR, audit, LCA), convenanten]1 en milieubeleidsplanning op de verschillende niveaus (onder meer Europees en regionaal).
  Gebruik en optimalisatie van gegevensanalysetechnieken en modellen als basis voor het opstellen van monitoringsstrategieën, milieubeoordelingsmethoden en gerelateerde doelstellingen.
  Het selecteren van duurzame preventie- en hersteltechnieken in het kader van een dynamische beleidscontext (bijvoorbeeld praktische implementatie Europese richtlijnen).
  Simulatie en analyse van impact van milieubeleidsinstrumenten. Milieurisico-evaluatie/normstelling.
1.3. Milieurecht en de formulering van [1 milieueisen]1
Structuur en opbouw van de milieuwetgeving.
  Aansprakelijkheid. Kader van de Europese milieurichtlijnen en van de Vlaamse milieuwetgeving.
  .[2 Procedures inzake de omgevingsvergunningen voor de exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten]2. Relatie tot de [2 omgevingsvergunning voor de uitvoering van stedenbouwkundige handelingen]2. De concrete formulering van [1 milieu-eisen]1. Doelvoorschriften versus middelvoorschriften. Het voldoen aan de algemene preventiebeginselen (BBT). Gebruik van codes van goede praktijk en van normen en standaarden. Definities en correcte interpretatie van technologische eisen, [1 emissienormen]1 en milieukwaliteitsnormen.
Module 2. Milieubeheerssystemen in de bedrijven en de functionele taken van de milieucoördinator.60 uur35 uur
2.1. De integratie van milieuzorg in het bedrijfsbeheer
Basiscomponenten van de bedrijfsinterne milieuzorg en afbakening van verantwoordelijkheden. Duurzaam en maatschappelijk verantwoord ondernemen. Interacties en samenhang met de arbeidsveiligheid en de integrale kwaliteitszorg. Achtergronden op het vlak van de Europese EMAS-verordening, het decreet Bedrijfsinterne Milieuzorg en de ISO-14000-normenreeks.
2.2. Het opstarten van een milieuzorgsysteem in de onderneming
Milieubeleidsverklaring. Het uitvoeren van een milieuanalyse (organisatorisch, juridisch-bestuurlijk en technisch). Het opstellen van een milieuprogramma met prioriteitsstelling. Opleiding en vorming. Rapportages. Controle-instrumenten met indicatoren en criteria ([1 Environmental]1 performance indicators).
2.3. Controle en handhaving van milieuvoorwaarden, met [1 inbegrip]1 van administratieve en procedurele aspecten
2.3.1. Monitoring van emissies en afvalstromen met ingebrip van industriële meetaspecten. Het opstellen van een emissiejaarverslag
2.3.2. Het opstellen van een [2 aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit]2. De identificatie en interpretatie van milieuvoorwaarden. Het berekenen van milieuheffingen (afvalwater, afvalstoffen). Subsidiemogelijkheden (steun voor R&D-activiteiten en economische expansiesteun).
Module 3. Operationalisering en uitdieping van de taakstelling van een milieucoördinator140 uur85 uur
3.1. Technologische facetten
3.1.1. Procesgeïntegreerde of structureel preventieve milieuverbeteringen ter vermijding van emissies en afvalstromen. Bedrijfsinterne en -externe recyclage en hergebruik. Het opzetten van preventieprojecten bij industriële processen. Productontwerp vanuit een milieuvisie, met inbegrip van integraal ketenbeheer.
3.1.2. Preventieve maatregelen ter voorkoming van [1 bodem-, (grond)water- en luchtverontreiniging]1
3.1.3. Preventieve maatregelen vanuit het oogpunt van de interne en externe veiligheid
3.1.4. Beheersingstechnieken (afvalwater- en afvalluchtbehandeling)
3.1.5. Saneringstechnologie (bodemsanering)
3.1.6. Beheersingstechnieken geluid
3.1.7. Beheersingstechnieken voor afval (kennis van afvalverwerkingstechnieken : fysische, biologische, chemisch-thermische processen; gescheiden inzameling van afval in bedrijven)
3.1.8. Technologieën vanuit het oogpunt van 'cradle to cradle', specifiek gericht op hergebruik, eco-efficiëntie, integraal ketenbeheer, stofstroomanalyse, productontwikkeling en ecodesign, energie-efficiëntie en energiebeheer
3.2. Bedrijfseconomische en beheersfacetten
3.2.1. Kostenberekeningen en investeringsanalyses kosten-baten en kosten-effectiviteitsanalyses vanuit milieuperspectief. Keuze en prioriteitsstelling van milieuverbeteringsprojecten. De milieudimensie van het verzekeringsbeheer
3.2.2. De meting van milieuschade : waarderingspunten van milieuschade of -effecten
3.2.3. Projectbeheer. Management van technologische innovaties en van R&D-activiteiten vanuit een anticiperend milieuperspectief
3.2.4. Optimalisatietechnieken voor bedrijfsbeheer en het behalen van milieudoelstellingen
3.3. Sociale en communicatieve facetten
3.3.1. Interne en externe communicatie en rapportage over milieu-aangelegenheden. Overleg binnen het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk. Samenwerking en afstemming tussen de milieucoördinator en de veiligheidschef. Externe communicatie en conflictbehandeling.
3.2.2. [1 Het stimuleren van preventieve gedragsveranderinge]1 en van '' good housekeeping ''-praktijken in organisaties. Het organiseren van opleidings- en vormingsactiviteiten voor het personeel.
3.4. Methodologische facetten
3.4.1. Milieueffectrapportage. Methodes en technieken voor milieueffectbeoordeling.
3.4.2. [1 Veiligheidsrapportering en risico-analysetechnieken vanuit]1 het perspectief van de interne en externe veiligheid
3.4.3. Methodes en strategieën voor milieu-auditing
3.4.4. Het raadplegen van gegevensbestanden en informatiebronnen over industrieel milieubeheer(1)(2)
CONTENU DU PROGRAMMEA
  Premier niveau
B
  Deuxième niveau
  
Module 1re. Points de départ, contextes et notions de base50 heures30 heures
  
1.1. Fondements des sciences environnementales 
  
Analyse des problèmes et structuration de la problématique environnementale, relations entre activités et effets environnementaux, écologie, hygiène environnementale et santé humaine, grandeurs caractéristiques et définitions de base, considérations environnementales lors du projet et de l'exploitation d'installations industrielles. Problématique des changements climatiques. Base d'écotoxicologie. 
  
1.2. Elaboration de la politique environnementale et instruments de la politique environnementale publique 
  
Principes de la politique publique, entre autres l'organisation publique.
  Aspects de fond et contextes lors de l'utilisation d'instruments environnementaux : régulation physique d'instruments économiques, instruments d'appui de décisions (évaluation des incidences sur l'environnement, GF, audit, ACV), accords et planification de la politique environnementale aux différents niveaux (entre autres européen et régional).
  Utilisation et optimisation de techniques d'analyse de données et de modèles en tant que base pour l'élaboration de stratégies de monitoring, de méthodes d'évaluation environnementale et d'objectifs y liés.
  La sélection de techniques durables de prévention et de restauration dans le cadre d'un contexte politique dynamique (par exemple l'implémentation pratique de Directives européennes).
  Simulation et analyse de l'impact d'instruments politiques. Evaluation du risque environnemental/normalisation.
 
  
1.3. Droit environnemental et la formulation d'exigences environnementales 
  
Structure et agencement de la législation environnementale
  Responsabilité. Cadre des Directives environnementales européennes et de la législation environnementale flamande.
  [1 Procédures relatives aux permis d'environnement pour l'exploitation d'établissements ou d'activités classés]1. Rapport [1 au permis d'environnement pour l'exécution d'actes urbanistique]1. La formulation concrète d'exigences environnementales. Les prescriptions d'objectif par opposition aux prescriptions de moyen. Répondre aux principes de prévention généraux (MTD). L'utilisation de codes de bonne pratique et de normes et de critères. Définitions et interprétations correctes d'exigences technologiques, de normes d'émission et de normes de qualité environnementale.
 
  
Module 2. Systèmes de gestion environnementale dans les entreprises et les tâches fonctionnelles du coordinateur environnemental.60 heures35 heures
  
2.1. L'intégration de la protection de l'environnement dans la gestion d'entreprise 
  
Composants de base de la protection de l'environnement au sein des entreprises et délimitation des responsabilités. L'entrepreneuriat durable et socialement responsable. Interactions et cohérence avec la sécurité du travail et la gestion totale de la qualité. Contextes dans le domaine du Règlement européen EMAS, du décret sur la Protection de l'Environnement au sein des Entreprises et de la série des normes ISO 14000. 
  
2.2. Initier un système de protection de l'environnement au sein de l'entreprise. 
  
Déclaration de gestion environnementale. L'exécution d'une analyse environnementale (organisationnelle, juridico-administrative et technique). L'établissement d'un programme environnemental avec fixation de priorités. Education et formation. Rapportages. Instruments de contrôle avec indicateurs et critères (Indicateurs de Performance environnementale). 
  
2.3. Contrôle et maintien de conditions environnementales, y compris les aspects administratifs et procéduraux 
  
2.3.1. Monitoring d'émissions et de flux de déchets, y compris d'aspects de mesurage industriels. L'établissement d'un plan annuel des émissions 
  
2.3.2. L'établissement d'une [1 demande en vue d'obtenir un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée]1. L'identification et l'interprétation de conditions environnementales. Le calcul de taxes environnementales (eaux usées, déchets). Possibilités de subventionnement (aide octroyée aux activités de recherche et de développement et à l'expansion économique). niveauniveauniveauniveauniveau
  
Module 3. Opérationnalisation et approfondissement des missions d'un coordinateur environnemental140 heures85 heures
  
3.1. Aspects technologiques 
  
3.1.1. Améliorations environnementales intégrées dans le processus ou structurelles préventives visant à éviter des émissions et des flux de déchets. Recyclage au sein et hors de l'entreprise et réutilisation. L'organisation de projets de prévention lors de processus industriels. Le projet d'un produit à partir d'une vision environnementale, y compris la gestion intégrale de la chaîne. 
  
3.1.2. Mesures préventives visant à prévenir la pollution du sol, de l'eau (souterraine) et de l'air 
  
3.1.3. Mesures préventives du point de vue de la sécurité interne et externe niveau
  
3.1.4. Techniques de gestion (traitement d'eaux usées et d'air pollué) niveau
  
3.1.5. Technologie d'assainissement (assainissement du sol) 
  
3.1.6. Techniques de gestion du bruit 
  
3.1.7. Techniques de gestion de déchets (connaissance de techniques de traitement de déchets : processus physiques, biologiques, chimio-thermiques; collecte séparée de déchets dans les entreprises) 
  
3.1.8. Technologies du point de vue de '' cradle to cradle '', visant spécifiquement la réutilisation, l'efficacité écologique, la gestion intégrale de la chaîne, l'analyse des flux de matières, le développement de produits et le design écologique, l'efficacité énergétique et la gestion d'énergie 
  
3.2. Aspects économiques et gestionnaires de l'entreprise 
  
3.2.1. Calcul des frais et analyses d'investissements coûts-bénéfices et analyses coûts-effectivité du point de vue environnemental. Choix et fixation de priorités de projets visant l'amélioration environnementale. La dimension environnementale de la gestion des assurances 
  
3.2.2. Mesurer les dommages environnementaux : points d'appréciation de dommages ou d'effets environnementaux 
  
3.2.3. Gestion de projet. Management d'innovations technologiques et d'activités de recherche et de développement d'un point de vue environnemental anticipé 
  
3.2.4. Techniques d'optimisation de la gestion d'entreprise et de l'obtention d'objectifs environnementaux 
  
3.3. Aspects sociaux et communicatifs 
  
3.3.1. Communication et rapportage interne et externe de matières environnementales. Concertation au sein du Comité pour la Prévention et la Protection au Travail. Coopération et harmonisation entre le coordinateur environnemental et le chef de sécurité. Communication externe et traitement de conflits. 
  
3.3.2. Stimulation de changements de comportement préventifs et de pratiques de '' good housekeeping '' au sein d'organisations. L'organisation d'activités d'éducation et de prévention pour le personnel. 
  
3.4. Aspects méthodologiques 
  
3.4.1. Evaluation des incidences sur l'environnement. Méthodes et techniques concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement. 
  
3.4.2. Rapportage de sécurité et techniques d'analyse des risques du point de vue de la sécurité interne et externe 
  
3.4.3. Méthodes et stratégies pour l'audit environnemental 
  
3.4.4. La consultation de fichiers de données et de sources d'information sur la gestion environnementale industrielle  
(1)<AGF 2015-11-27/29, art. 692, 008; En vigueur : 23-02-2017>
CONTENU DU PROGRAMMEA
  Premier niveauB
  Deuxième niveau
Module 1re. Points de départ, contextes et notions de base50 heures30 heures
1.1. Fondements des sciences environnementales
Analyse des problèmes et structuration de la problématique environnementale, relations entre activités et effets environnementaux, écologie, hygiène environnementale et santé humaine, grandeurs caractéristiques et définitions de base, considérations environnementales lors du projet et de l'exploitation d'installations industrielles. Problématique des changements climatiques. Base d'écotoxicologie.
1.2. Elaboration de la politique environnementale et instruments de la politique environnementale publique
Principes de la politique publique, entre autres l'organisation publique.
  Aspects de fond et contextes lors de l'utilisation d'instruments environnementaux : régulation physique d'instruments économiques, instruments d'appui de décisions (évaluation des incidences sur l'environnement, GF, audit, ACV), accords et planification de la politique environnementale aux différents niveaux (entre autres européen et régional).
  Utilisation et optimisation de techniques d'analyse de données et de modèles en tant que base pour l'élaboration de stratégies de monitoring, de méthodes d'évaluation environnementale et d'objectifs y liés.
  La sélection de techniques durables de prévention et de restauration dans le cadre d'un contexte politique dynamique (par exemple l'implémentation pratique de Directives européennes).
  Simulation et analyse de l'impact d'instruments politiques. Evaluation du risque environnemental/normalisation.
1.3. Droit environnemental et la formulation d'exigences environnementales
Structure et agencement de la législation environnementale
  Responsabilité. Cadre des Directives environnementales européennes et de la législation environnementale flamande.
  [1 Procédures relatives aux permis d'environnement pour l'exploitation d'établissements ou d'activités classés]1. Rapport [1 au permis d'environnement pour l'exécution d'actes urbanistique]1. La formulation concrète d'exigences environnementales. Les prescriptions d'objectif par opposition aux prescriptions de moyen. Répondre aux principes de prévention généraux (MTD). L'utilisation de codes de bonne pratique et de normes et de critères. Définitions et interprétations correctes d'exigences technologiques, de normes d'émission et de normes de qualité environnementale.
Module 2. Systèmes de gestion environnementale dans les entreprises et les tâches fonctionnelles du coordinateur environnemental.60 heures35 heures
2.1. L'intégration de la protection de l'environnement dans la gestion d'entreprise
Composants de base de la protection de l'environnement au sein des entreprises et délimitation des responsabilités. L'entrepreneuriat durable et socialement responsable. Interactions et cohérence avec la sécurité du travail et la gestion totale de la qualité. Contextes dans le domaine du Règlement européen EMAS, du décret sur la Protection de l'Environnement au sein des Entreprises et de la série des normes ISO 14000.
2.2. Initier un système de protection de l'environnement au sein de l'entreprise.
Déclaration de gestion environnementale. L'exécution d'une analyse environnementale (organisationnelle, juridico-administrative et technique). L'établissement d'un programme environnemental avec fixation de priorités. Education et formation. Rapportages. Instruments de contrôle avec indicateurs et critères (Indicateurs de Performance environnementale).
2.3. Contrôle et maintien de conditions environnementales, y compris les aspects administratifs et procéduraux
2.3.1. Monitoring d'émissions et de flux de déchets, y compris d'aspects de mesurage industriels. L'établissement d'un plan annuel des émissions
2.3.2. L'établissement d'une [1 demande en vue d'obtenir un permis d'environnement pour l'exploitation de l'établissement classé ou de l'activité classée]1. L'identification et l'interprétation de conditions environnementales. Le calcul de taxes environnementales (eaux usées, déchets). Possibilités de subventionnement (aide octroyée aux activités de recherche et de développement et à l'expansion économique).niveauniveauniveauniveauniveau
Module 3. Opérationnalisation et approfondissement des missions d'un coordinateur environnemental140 heures85 heures
3.1. Aspects technologiques
3.1.1. Améliorations environnementales intégrées dans le processus ou structurelles préventives visant à éviter des émissions et des flux de déchets. Recyclage au sein et hors de l'entreprise et réutilisation. L'organisation de projets de prévention lors de processus industriels. Le projet d'un produit à partir d'une vision environnementale, y compris la gestion intégrale de la chaîne.
3.1.2. Mesures préventives visant à prévenir la pollution du sol, de l'eau (souterraine) et de l'air
3.1.3. Mesures préventives du point de vue de la sécurité interne et externeniveau
3.1.4. Techniques de gestion (traitement d'eaux usées et d'air pollué)niveau
3.1.5. Technologie d'assainissement (assainissement du sol)
3.1.6. Techniques de gestion du bruit
3.1.7. Techniques de gestion de déchets (connaissance de techniques de traitement de déchets : processus physiques, biologiques, chimio-thermiques; collecte séparée de déchets dans les entreprises)
3.1.8. Technologies du point de vue de '' cradle to cradle '', visant spécifiquement la réutilisation, l'efficacité écologique, la gestion intégrale de la chaîne, l'analyse des flux de matières, le développement de produits et le design écologique, l'efficacité énergétique et la gestion d'énergie
3.2. Aspects économiques et gestionnaires de l'entreprise
3.2.1. Calcul des frais et analyses d'investissements coûts-bénéfices et analyses coûts-effectivité du point de vue environnemental. Choix et fixation de priorités de projets visant l'amélioration environnementale. La dimension environnementale de la gestion des assurances
3.2.2. Mesurer les dommages environnementaux : points d'appréciation de dommages ou d'effets environnementaux
3.2.3. Gestion de projet. Management d'innovations technologiques et d'activités de recherche et de développement d'un point de vue environnemental anticipé
3.2.4. Techniques d'optimisation de la gestion d'entreprise et de l'obtention d'objectifs environnementaux
3.3. Aspects sociaux et communicatifs
3.3.1. Communication et rapportage interne et externe de matières environnementales. Concertation au sein du Comité pour la Prévention et la Protection au Travail. Coopération et harmonisation entre le coordinateur environnemental et le chef de sécurité. Communication externe et traitement de conflits.
3.3.2. Stimulation de changements de comportement préventifs et de pratiques de '' good housekeeping '' au sein d'organisations. L'organisation d'activités d'éducation et de prévention pour le personnel.
3.4. Aspects méthodologiques
3.4.1. Evaluation des incidences sur l'environnement. Méthodes et techniques concernant l'évaluation des incidences sur l'environnement.
3.4.2. Rapportage de sécurité et techniques d'analyse des risques du point de vue de la sécurité interne et externe
3.4.3. Méthodes et stratégies pour l'audit environnemental
3.4.4. La consultation de fichiers de données et de sources d'information sur la gestion environnementale industrielle(1)
  3° De cursus wordt afgesloten met een examen en met een eindwerk binnen het programma van de opleiding. [1 Een persoon die slaagt voor de aanvullende vorming, krijgt een getuigschrift van de aanvullende vorming voor milieucoördinatoren voor het overeenstemmende niveau.]1
  
  3° Le cours est sanctionné par un examen et par un mémoire qui cadre dans le programme de la formation. [1 Une personne qui réussit la formation complémentaire, reçoit une attestation de la formation complémentaire pour coordinateurs environnementaux pour le niveau correspondant.]1
  
Art. N3. Bijlage 3. - Lijst met pakketten voor de laboratoria, vermeld in artikel 6, 5°, van dit besluit
  1° Lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a) :
  W.1. monsternemingen, inclusief conservering, transport en metingen ter plaatse
  W.1.1. ogenblikkelijke staalname (aan kraan) van water
  W.1.1.1. voor chemische analyses
  W.1.1.2. voor bacteriologische analyses
  W.1.2. [17 ogenblikkelijke staalname (schepstaal) van water:
   W.1.2.1 voor chemische analyses
   W.1.2.2 voor bacteriologische analyses]17

  W.1.3. [17 tijds- en/of debietsgebonden staalname (verzamelmonster)]17
  [9 W.1.4 staalname van water uit peilbuizen:
   W.1.4.1 [12 met ondiepe (< 30m)]12 waterstand
   W.1.4.2 met diepe (≥ 30 m) waterstand
   De pakketten onder W.1.4 zijn telkens een uitbreiding van pakket W.1.5.1 en W.1.5.2.]9

  W.1.5. [17 meting ter plaatse van de volgende parameters:
   W.1.5.1 temperatuur
   W.1.5.2 zuurtegraad
   W.1.5.3 elektrische geleidbaarheid]17

  W.1.6. meting ter plaatse van opgeloste zuurstof
  W.1.7. meting ter plaatse van vrije chloor en gebonden chloor
  W.1.8. [1 afmeting zwevende stoffen]1
  [1 ...]1
  [9 W.2 organoleptische parameters in water, bestemd voor menselijke consumptie:
   W.2.1 kleur, troebelingsgraad en de kwalitatieve bepaling van reuk en smaak
   W.2.2 de kwantitatieve bepaling van reuk en smaak]9

  W.3. anorganische fysicochemische parameters
  W.3.1. chloride, sulfaat, nitraat, nitriet, [17 ...]17 orthofosfaat, [17 ...]17 fluoride en ammonium
  W.3.2. natrium, calcium, kalium, magnesium en totale hardheid
  W.3.3. temperatuur, pH en elektrische geleidbaarheid
  W.3.4. droogrest
  W.3.5. asrest
  [9 W.3.6 alkaliniteit]9
  W.3.7. [17 ...]17
  [9 W.3.8. saturatie-index]9
  W.4. metalen
  [9 W.4.1 standaardreeks:
   W.4.1.1 kwik
   W.4.1.2 cadmium, lood, arseen, chroom, nikkel, koper, zink, antimoon, seleen, mangaan, ijzer en aluminium]9

  W.4.2. aanvullende elementen :
  W.4.2.1. Ag
  W.4.2.2. V
  W.4.2.3. Ba
  W.4.2.4. Mo
  W.4.2.5. Sn
  W.4.2.6. Ti
  W.4.2.7. Co
  W.4.2.8. B
  W.4.2.9. Si
  [2 W.4.2.9 tin inclusief tindioxide
   W.4.2.10 titanium inclusief titaniumdioxide]2

  [9 W.4.2.11 cerium
   W.4.2.12 aluminium inclusief dialuminiumtrioxide
   W.4.2.13 cerium inclusief ceriumdioxide]9

  [17 W.4.2.14 uranium]17
  W.5. algemene verontreinigingsparameters
  W.5.1. BZV, CZV, Kjeldahl-stikstof, bezinkbare stoffen, zwevende stoffen,(totaal) fosfor en totaal stikstof
  W.5.2. gaschromatografische bepaling van minerale olie (met vlamionisatie-detectie)
  W.5.3. infraroodspectrometrische bepaling van oliën, vetten en minerale olie
  (perchloorethyleenextraheerbare stoffen en perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen)
  W.5.4. gravimetrische bepaling van oliën en vetten (> 50 mg/l) na extractie met petroleumether
  W.5.5. [17 ...]17
  W.5.6. [17 ...]17
  W.5.7. [17 TOC]17
  W.5.8. totaal cyanide
  W.5.9. vrije cyanide
  W.5.10. [17 sulfide]17
  W.5.11. fenolindex
  W.5.12. chroom (VI)
  W.5.13. [3 ...]3
  W.5.14. [9 ...]9
  W.5.15. [3 ...]3
  W.5.16. oxideerbaarheid
  W.5.17. ureum
  W.5.18. bromaat
  W.5.19. kleur van afvalwater
  [17 W.5.20 chloraat en chloriet
   W.5.21 perchloraat]17

  [4 W.6 organische groepsparameters :
   W.6.1 extraheerbare organische halogeenverbindingen (EOX)
   W.6.2 adsorbeerbare organische halogeenverbindingen (AOX)
   W.6.3 purgeerbare organische halogeenverbindingen (POX)]4

  W.7. specifieke organische stoffen
  W.7.1. vluchtige organische halogeenverbindingen, monocyclische aromatische koolwaterstoffen
  W.7.2. matig vluchtige organische halogeenverbindingen
  W.7.3. fenolen
  W.7.4. wateroplosbare solventen
  W.7.5. polychloorbifenylen
  W.7.6. polycyclische aromatische koolwaterstoffen
  W.7.7. polychloordibenzodioxines en polychloordibenzofuranen
  W.7.8. gebromeerde brandvertragers
  W.7.9. [16 organofluorverbindingen:
  W.7.9.1 standaardreeks per- en polyfluoralkylverbindingen (WAC/IV/A/025)
   W.7.9.2 [17 ultrakorte keten per- en polyfluoralkylverbindingen (WAC/IV/A/026)]17]16

  W.7.10. organotinverbindingen
  W.7.11. organochloorpesticiden
  W.7.12. organofosforpesticiden
  W.7.13. triazine-type herbiciden
  W.7.14. uronen (fenylurea), carbamaten en anilides
  W.7.15. zure herbiciden
  W.7.16. glyfosaat en AMPA
  W.7.17. polaire pesticiden via LC-MS multiresidumethode
  W.7.18. gaschromatografeerbare pesticiden via GC-MS multiresidumethode
  W.7.19. [9 ...]9
  [9 W.7.20 ftalaten]9
  W.8. bacteriologische parameters
  [9 W.8.1 totaal kiemgetal (22 ° C, 36 ° C), coliformen, Escherichia coli en enterokokken]9
  W.8.2. Salmonella
  W.8.3. Legionella pneumophila en Legionella species
  W.8.4. coagulase positieve stafylokokken
  [17 W.8.7 somatische colifagen]17
  W.9. hydrobiologische parameters
  [9 W.9.1 biodiversiteitsindexen: Belgische biotische index (BBI) en multimetrische macro-invertebratenindex Vlaanderen (MMIF)]9
  W.9.2. ecotoxiciteitstesten
  W.9.2.1. overlevingstest op watervlo
  W.9.2.2. [12 W.9.2.2 acute toxiciteit voor vissen:
  W.9.2.2.1 test met regenboogforel Oncorhynchus mykiss
  W.9.2.2.2 test met embryo's van zebravis Danio rerio]12

  W.9.2.3. remmingstest voor algen
  W.9.2.4. bioluminescentie van bacteriën (Vibrio fischeri )
  [9 W.9.2.5 [17 elimineerbaarheid via de Zahn-Wellenstest
   Pakket W.9.2.5 is een uitbreiding van de pakketten W.5.7, W.9.2.1, W.9.2.2.1, W.9.2.2.2, W.9.2.3 en W.9.2.4.]17
]9

  [5 W.10 andere monsternemingen, analyses, metingen of beproevingen :
   W.10.1 chlorofyl A
   W.10.2 kwalitatieve karakterisatie van minerale olie met GC-MS]5

  [9 W.10.3 oppervlakteactieve stoffen
   W.10.3.1 kationische oppervlakteactieve stoffen
   W.10.3.2 anionische oppervlakteactieve stoffen
   W.10.3.3 niet-ionogene oppervlakteactieve stoffen]9

  2° Lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b) :
  L.1. monsterneming en analyse met testbuisjes van afgassen (emissie) en omgevingslucht (immissie) in daartoe geëigende situaties
  L.2. emissiemetingen - basispakket : rookgastemperatuur, druk, watergehalte, gassnelheid, gasdebiet, stofgehalte in een gaskanaal en een continue meting van zwaveldioxide, stikstofoxide, zuurstof, koolstofdioxide, koolstofmonoxide en vluchtige organische componenten als totaal organisch koolstof
  L.3. emissiemetingen - stookinstallaties tot 10 MW : rookgastemperatuur, watergehalte, gassnelheid, gasdebiet, stofgehalte in een gaskanaal en een continue meting van zwaveldioxide, stikstofoxide, zuurstof, koolstofdioxide en koolstofmonoxide
  L.4. emissiemetingen - monsterneming en analyse van zware metalen
  L.4.1. Cd, Tl, As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V, Se, Sn en Hg als totaal gehalte (als som van stof- en gasvormig) en als gehalte stofvormig
  L.4.2. andere metalen, als totaal gehalte (als som van stof- en gasvormig)
  L.4.2.1. Be
  L.4.2.2 Ti
  L.4.2.3. In
  L.4.2.4. Mo
  L 4.3 Pt (gehalte stofvormig)
  L.4.4. specifieke metaalverbindingen
  L.4.4.1. arseenwaterstof
  L.4.4.2. Cr (VI)-verbindingen zoals calciumchromaat
  L.4.4.3. Cr (III)-chromaat, zinkchromaat en strontiumchromaat
  L.4.4.4. arseentrioxide en arseenpentoxide
  L.4.4.5. arseenzuren en hun zouten
  L.5. emissiemetingen - monsterneming en analyse van anorganische stoffen
  L.5.1. [6 gasvormige anorganische chloorverbindingen als HCl]6
  L.5.2. natchemische bepaling van zwaveloxiden SO2 en SO3
  L.5.3. chloor
  L.5.4. NH3O
  L.5.5. waterstofsulfide
  L.5.6. broom en zijn damp- of gasvormige verbindingen uitgedrukt als HBr
  L.5.7. cyaanwaterstof
  L.5.8. N2O
  L.5.9. bemonstering van stofdeeltjes met specifieke grootte (PM 10 en PM 2,5)
  L.5.10. chloorcyaan
  L.5.11. fosgeen
  L.5.12. fosforwaterstof
  L.5.13. hydrazine
  [9 L.5.14 natchemische bepaling van zwaveltrioxide SO3:
   L.5.14.1: voor procesemissies
   L.5.14.2: voor verbrandingsgassen]9

  [6 L.5.15 gasvormige anorganische fluorverbindingen als HF]6
  L.6. emissiemetingen - monsterneming en analyse van vluchtige organische stoffen (VOS) - basispakket VOS : aromatische koolwaterstoffen, paraffinische koolwaterstoffen, alifatische halogeenkoolwaterstoffen, esters, ketonen, alcoholen en ethers
  L.7. emissiemetingen - monsterneming en analyse van organische stoffen
  L.7.1. olefinische koolwaterstoffen
  L.7.2. glycolethers
  L.7.3. chloorbenzenen en chloortoluenen
  L.7.4. methylmethacrylaat
  L.7.5. naftaleen
  L.7.6. dimethylformamide
  L.7.7. pinenen
  L.7.8. N-methylpyrrolidon
  L.8. emissiemetingen - monsterneming en analyse van zeer vluchtige organische stoffen (ZVOS)
  L.8.1. C1-C5 koolwaterstoffen en vluchtige derivaten met halogenen, stikstof en zuurstof
  L.8.2. methaan
  L.8.3. ethyleenoxide
  L.8.4. vinylchloride
  L.9. emissiemetingen - monsterneming en analyse van weinig vluchtige organische stoffen
  L.9.1. dioxines (PCDD's en PCDF's)
  L.9.2. dioxineachtige PCB's
  L.9.3. PCB's
  L.9.4. polyaromatische koolwaterstoffen (PAK's)
  L.10. emissiemetingen - monsterneming en analyse van reactieve organische stoffen
  L.10.1. formaldehyde
  L.10.2. andere aldehydes dan formaldehyde
  L.10.3. fenol
  L.10.4. alifatische amines
  L.10.5. zwavelkoolstof
  L.10.6. carbonzuren
  L.10.7. isocyanaten
  L.10.8. maleïnezuuranhydride
  L.10.9. thio-alcoholen (mercaptanen) en thio-ethers
  L.11. bepaling van niet-geleide emissies
  L.11.1. uitvoeren van lekdetectieprogramma's (LDAR) en emissiebepaling
  L.11.2. meting van andere diffuse bronnen : te specificeren
  [9 L.11.3 gebruik van Optical Gas Imaging bij lekdetectie]9
  L.12. immissiemetingen
  L.12.1. de continue meting van zwaveldioxide, stikstofoxiden, koolstofmonoxide, ozon en zwevend stof met specifieke groottekarakteristiek PM 10 en PM 2,5
  L.12.2. bepaling van neervallend stof
  L.12.3. [14 bepaling van de metalen Cd, Tl, As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V, Se, Sn en Hg:
   L.12.3.1 in zwevend stof
   L.12.3.2 in neervallend stof;]14

  L.12.4. bepaling van gasvormig kwik in omgevingslucht
  L.13. immissiemetingen - monsterneming en analyse van vluchtige en zeer vluchtige stoffen ((Z)VOS) in omgevingslucht
  L.13.1. benzeen
  L.13.2. vinylchloride
  L.14. immissiemetingen - monsterneming en analyse van organische stoffen en andere stoffen
  L.14.1. vluchtige polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) naftaleen, acenafteen, acenaftyleen, fenantheen, anthraceen en fluoreen
  L.14.2. niet-vluchtige polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK's) : fluorantheen, pyreen, benzo(a)anthraceen, chryseen, benzo(b)fluorantheen, benzo(k)fluorantheen, benzo(a)pyreen, benzo(g,h,i)peryleen, indeno(1,2,3,c,d)pyreen en dibenzo(a,h)anthraceen
  L.14.3. dioxines (PCDD's en PCDF's)
  L.14.3.1. gesuspendeerd in omgevingslucht of als gas
  L.14.3.2. als depositie in neerslagkruik
  L.14.4. [14 PCB's met uitzondering van dioxineachtige PCB's:
   L.14.4.1 gesuspendeerd in omgevingslucht of als gas
   L.14.4.2 als depositie in een neerslagkruik]14

  L.14.5. [14 dioxineachtige PCB's:
   L.14.5.1 gesuspendeerd in omgevingslucht of als gas
   L.14.5.2 als depositie in een neerslagkruik]14

  L.14.6. BTEX : veldmeting met automatische monitoren
  L.14.7. HF en HCl
  L.14.8. SO2, NO2, O3 en BTEX door middel van passieve samplers en analyse
  L.14.9. NH3
  L.15. bepaling van de belasting aan asbestvezels en andere vezels in omgevingslucht met behulp van elektronenmicroscopie
  L.16. keuring en kalibratie van vast opgestelde apparatuur voor volgende metingen en bemonsteringen in emissies
  L.16.1. anorganische gasvormige componenten
  L.16.2. stof
  L.16.3. organische gasvormige componenten
  L.16.4. lange termijnbemonstering van dioxines en PCB's
  L.17. nemen van geurmonsters en uitvoeren van geuranalyses door middel van olfactometrie
  L.18. bepaling van geurverspreiding door middel van snuffelploegmetingen
  L.19. bepaling van emissies van NH3 uit veestallen voor de certificatie van ammoniakemissiearme stalsystemen
  L.19.1. meting van het rendement van gaswassers voor NH3
  L.19.2. bepaling van de stalemissies van NH3
  [7 L.20 monsterneming en analyse van trichlooramine in zwembadlucht]7
  [9 L.21 monsterneming en analyse van tetrachlooretheen in de lucht van textielreinigingsmachines die gebruikmaken van tetrachlooretheen als reinigingsmiddel
   L.22 [10 bepaling van het geurverwijderingsrendement van gaswassers en biofilters bij stallen. Het pakket L.22 is een uitbreiding van het pakket L.17.]10]9

  [14 L.23 emissiemetingen - monsterneming en analyse van per- en polyfluoralkylverbindingen (PFAS):
   L.23.1 per- en polyfluoralkylverbindingen, vermeld in het toepassingsgebied van LUC/VI/003".]14

  3° Pakket voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c) : uitvoering van de volgende monsternemingen en bodemanalyses :
  a) monsterneming en analyse van het organische koolstofgehalte (% OC) van de bodem
  b) monsterneming en analyse van de zuurtegraad (pH) van de bodem
  c) bepaling van de bodemtextuur :
  1) hetzij volgens de handmatige bepaling
  2) hetzij volgens de granulometrische bepaling
  3) hetzij volgens de handmatige en granulometrische bepaling
  4°
  [9 M-M1 pakket meststoffen - voor het nemen van monsters met het oog op de analyse van anorganische parameters, van volgende meststoffen:
   a) vloeibare mest uit mestkelders;
   b) vloeibare mest bij simulatie van mesttransport;
   c) vaste mest.]9

  [9 M-M5 pakket meststoffen - voor het nemen van monsters met het oog op de analyse van anorganische parameters, van volgende meststoffen:
   a) behandelde mest;
   b) vloeibare mest uit een mestopslag andere dan een mestkelder.
   M-M6 pakket meststoffen - voor het nemen van monsters met het oog op de analyse van anorganische parameters, van vloeibare mest bij mesttransport.]9

  [8 5° lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, e) :
   MA. monsternemingen van afvalstoffen en andere materialen en monstervoorbehandeling ter plaatse
   MA.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel
   MA.3 gebruik als bouwstof - vaste stoffen
   MA.4 verbranden
   MA.5 storten
   MA.6 eindproducten bij de verwerking van dierlijke bijproducten
   MA.7 asbest
   MA.7.1 asbest in hopen
   MA.7.2 asbest in lagen
   A.2 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel
   A.2.1 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - anorganische parameters :
   zuurtegraad, droogrest/vocht, organische stof, totale stikstof, difosforpentoxide, nitraatstikstof en ammoniakale stikstof, geleidbaarheid
   metalen (totaalconcentratie) :
   arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel en zink
   A.2.2 [12 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - organische parameters:
  chloorkoolwaterstoffen: som van 1,2,3,5-tetrachloorbenzeen en 1,2,4,5-tetrachloorbenzeen, 1,2,3,4-tetrachloorbenzeen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen
  polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK): naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, acenafteen, acenaftyleen, antraceen, dibenzo(a,h)antraceen, fluoreen, pyreen
  minerale olie: fractie C10-C20 en fractie C20-C40
  polychloorbifenylen (PCB): PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180]12

   A.2.3 gebruik als meststof/bodemverbeterend middel - specifieke parameters :
   steentjes, groter dan 5 mm
   graad van verontreiniging (glas, metaal, kunststoffen) groter dan 2 mm
   kiem krachtige zaden
   [12 ...]12
  rijpheidsgraad
   stabiliteit met gesloten respirometer
  [13 A.2.4 PFAS in meststof/bodemverbeterend middel
   Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket A.2.2.perfluor-n-butaanzuur (PFBA) -n-butaanzuur (PFBA)
   perfluor-n-pentaanzuur (PFPeA)
   perfluor-n-hexaanzuur (PFHxA)
   perfluor-n-heptaanzuur (PFHpA)
   perfluor-n-octaanzuur (PFOA)
   perfluor-n-nonaanzuur (PFNA)
   perfluor-n-decaanzuur (PFDA)
   perfluor-n-undecaanzuur (PFUnDA)
   perfluor-n-dodecaanzuur (PFDoDA)
   perfluor-n-tridecaanzuur (PFTrDA)
   perfluor-n-tetradecaanzuur (PFTeDA)
   perfluor-n-hexadecaanzuur (PFHxDA)
   perfluor-n-butaansulfonzuur (PFBS)
   perfluor-n-pentaansulfonzuur (PFPeS)
   perfluor-n-hexaansulfonzuur (PFHxS)
   perfluor-n-heptaansulfonzuur (PFHpS)
   perfluor-n-octaansulfonzuur (PFOS)
   perfluor-n-nonaansulfonzuur (PFNS)
   perfluor-n-octaansulfonamide (PFOSA)
   N-methylperfluor-n-octaansulfonamide (MePFOSA)
   4:2 fluortelomeersulfonzuur (4:2 FTS)
   6:2 fluortelomeersulfonzuur (6:2 FTS)
   8:2 fluortelomeersulfonzuur (8:2 FTS)
   4,8-dioxa-3H-perfluornonaanzuur (DONA)
   perfluor-4-ethylcyclohexaansulfonzuur (PFECHS)
   perfluor-n-hexaansulfonamide (PFHxSA)
   perfluor-n-octadecaanzuur (PFODA)
   perfluor-n-decaansulfonzuur (PFDS)
   perfluor-n-dodecaansulfonzuur (PFDoDS)
   10:2 fluortelomeersulfonzuur (10:2 FTS)
   perfluor-2-propoxypropaanzuur (HFPO-DA)
   6:2 fluortelomeerfosfaat diester (6:2 diPAP)
   8:2 fluortelomeerfosfaat diester (8:2 diPAP)
   6:2/8:2 fluortelomeerfosfaat diester (6:2/8:2 diPAP)
   perfluor-n-butaansulfonamide (PFBSA)
   N-methylperfluor-n-butaansulfonamide (MePFBSA)
   N-methylperfluor-n-butaansulfonylamide azijnzuur (MePFBSAA)
   N-ethylperfluor-n-octaansulfonamide (EtPFOSA)
   N-methylperfluor-noctaansulfonamidoazijnzuur (MePFOSAA)
   N-ethylperfluor-n-octaansulfonamidoazijnzuur (EtPFOSAA)
   perfluor-n-undecaansulfonzuur (PFUnDS)
   perfluor-n-trisdecaansulfonzuur (PFTrDS)]13

   A.3 gebruik als bouwstof
   A.3.1 [12 [13 ...]13]12
   A.3.2 [13 ...]13
   A.3.3 fysische verontreinigingen :
   vlottende verontreinigingen, niet-vlottende verontreinigingen en glas
  [13 A.3.4 gebruik als bouwstof
   droogrest
   metalen (totaalconcentratie en uitloogbare fractie via de kolomtest): arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink, antimoon, barium, molybdeen, vanadium, kobalt, seleen, tin
   anionen (uitloogbare fractie via de kolomtest): bromide, chloride, fluoride en sulfaat
   BTEXS: benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen en styreen
   alkanen: hexaan, heptaan en octaan
   polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK): naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, acenafteen, acenaftyleen, antraceen, dibenzo(a,h)antraceen, fluoreen en pyreen
   minerale olie
   polychloorbifenylen (PCB): PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   cyanides: vrij cyanide, niet-chlooroxideerbare cyanides]13

  [13 A.3.5 PFAS in bouwstof
   Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket A.3.1 of A.3.4.
   perfluoro-n-butaanzuur (PFBA)
   perfluor-n-pentaanzuur (PFPeA)
   perfluor-n-hexaanzuur (PFHxA)
   perfluor-n-heptaanzuur (PFHpA)
   perfluor-n-octaanzuur (PFOA)
   perfluor-n-nonaanzuur (PFNA)
   perfluor-n-decaanzuur (PFDA)
   perfluor-n-undecaanzuur (PFUnDA)
   perfluor-n-dodecaanzuur (PFDoDA)
   perfluor-n-tridecaanzuur (PFTrDA)
   perfluor-n-tetradecaanzuur (PFTeDA)
   perfluor-n-hexadecaanzuur (PFHxDA)
   perfluor-n-butaansulfonzuur (PFBS)
   Perfluor-n-pentaansulfonzuur (PFPeS)
   perfluor-n-hexaansulfonzuur (PFHxS)
   perfluor-n-heptaansulfonzuur (PFHpS)
   perfluor-n-octaansulfonzuur (PFOS)
   perfluor-n-nonaansulfonzuur (PFNS)
   perfluor-1-decaansulfonzuur (PFDS)
   perfluor-1-octaansulfonamide (PFOSA)
   N-methylperfluoroctaansulfonamide (MePFOSA)
   N-ethylperfluoroctaansulfonamide (EtPFOSA)
   N-methylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur (MePFOSAA)
   N-ethylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur (EtPFOSAA)
   4:2 fluortelomeersulfonzuur (4:2 FTS)
   6:2 fluortelomeersulfonzuur (6:2 FTS)
   8:2 fluortelomeersulfonzuur (8:2 FTS)
   8:2 fluortelomeerfosfaat diester (8:2 diPAP)
   perfluor-2-propoxypropaanzuur (HFPO-DA)
   4,8-dioxa-3H-perfluornonaanzuur (DONA)
   perfluor-4-ethylcyclohexaansulfonzuur (PFECHS)
   perfluor-n-butaansulfonamide (PFBSA)
   N-methylperfluor-n-butaansulfonamide (MePFBSA)
   perfluor-n-hexaansulfonamide (PFHxSA)
   perfluor-n-octadecaanzuur (PFODA)
   perfluor-n-dodecaansulfonzuur (PFDoDS)
   6:2 fluortelomeerfosfaat diester (6:2 diPAP)
   6:2/8:2 fluortelomeerfosfaat diester (6:2/8:2 diPAP)
   10:2 fluortelomeersulfonzuur (10:2 FTS)
   N-methylperfluor-n-butaansulfonylamide azijnzuur (MePFBSAA)]13

  A.4 verbranden
   droogrest, vlampunt, gloeiverlies, totaal organische koolstof (TOC), calorische waarde, pentachloorfenol (PCP), benzo(a)pyreen, chloriden, fluoriden, zwavel, extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)
   metalen (totaalconcentratie) : cadmium, thallium, kwik, antimoon, arseen, lood, chroom, kobalt, koper, mangaan, nikkel, vanadium en tin
   polychloorbifenylen (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   A.5 storten
   A.5.1 storten - algemene parameters :
   droogrest, minerale olie met GC-FID, extraheerbare apolaire koolwaterstoffen met IR, gloeiverlies, totaal organische koolstof (TOC), totaal oplosmiddelen (aspecifiek), totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX), steekvastheid (afschuifspanning)
   metalen (totaalconcentratie) : arseen, thallium, kwik, cadmium, beryllium, barium, lood, chroom, koper, nikkel, zink, molybdeen, antimoon en seleen
   vrije cyaniden
   fluoriden
   1-stapsschudproef met bepaling in eluaat van : pH, arseen, barium, lood, cadmium, chroom totaal, chroom VI, koper, nikkel, kwik, zink, molybdeen, antimoon, seleen, fluoride, cyanide (totaal), ammonium, nitriet, chloride, sulfaat, totaal opgeloste vaste stoffen (TOS), opgeloste organische koolstof (DOC), fenolindex
   A.5.2 storten - specifieke organische parameters :
   monocyclische aromatische koolwaterstoffen (BTEXS) :benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
   polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :naftaleen, benzo(a)pyreen, fenantreen, fluoranteen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(ghi)peryleen, indeno(1,2,3-cd)pyreen
   polychloorbifenylen (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   A.6 microbiologische bepalingen op de eindproducten bij de verwerking van dierlijke bijproducten :
   Salmonella
   Enterobacteriaceae
   Clostridium perfringens
   A.7 asbest
   6° lijst met pakketten voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, f) :
   B.1 bodem - vast deel
   klei
   organisch materiaal (TOC)
   metalen (totaalconcentratie) :
   arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink
   cyaniden :
   vrije cyaniden, niet-chlooroxideerbare cyaniden
   monocyclische aromatische koolwaterstoffen :
   benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
   1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen
   alkanen :
   hexaan, heptaan en octaan
   chloorkoolwaterstoffen :
   dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, vinylchloride, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen, monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3-dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen
   chloorfenolen :
   2-chloorfenol, 2,4-dichloorfenol, 2,4,5-trichloorfenol, 2,4,6-trichloorfenol, 2,3,4,6-tetrachloorfenol, pentachloorfenol
   methyltertiairbutylether
   minerale olie
   polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :
   naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen
   pH (KCl)
   B.4 asbest in bodem
   Dit pakket is geen uitbreidingspakket.
   B.5 waterbodem
   droogrest
   klei
   organisch materiaal (TOC)
   metalen (totaalconcentratie) :
   arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink
   cyaniden :
   vrije cyaniden, niet-chlooroxideerbare cyaniden
   monocyclische aromatische koolwaterstoffen :
   benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
   alkanen :
   hexaan, heptaan en octaan
   minerale olie
   organochloorpesticiden (OCP) :
   aldrin, dieldrin, chloordaan (α en {gamma}- isomeer), DDT, DDE, DDD, hexachloorcyclohexaan (α, {beta}- en {gamma}- isomeer), endosulfan (α, {beta} en sulfaat)
   polychloorbifenylen (PCB) :
   PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :
   naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen
   pH (KCl)
   B.6 gebruik van bodemmaterialen
   Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket B.1 of het volledige pakket B.5.
   polychloorbifenylen (PCB) :
   PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   stenen
   bodemvreemde materialen
   schudtest met bepaling in eluaat van :
   arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink, pH en geleidbaarheid
   B.7 storten van bodemmaterialen
   Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket B.1 of het volledige pakket B.5.
   extraheerbare apolaire koolwaterstoffen met IR
   gloeiverlies
   totaal oplosmiddelen (aspecifiek)
   totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX)
   steekvastheid (afschuifspanning)
   1-stapsschudproef (CMA/2/II/A12) met bepaling in eluaat van :
   pH, arseen, barium, lood, cadmium, chroom totaal, chroom VI, koper, nikkel, kwik, zink,
   molybdeen, antimoon, seleen, fluoride, cyanide, ammonium, nitriet, chloride, sulfaat, totaal opgeloste vaste stoffen (TDS), opgeloste organische koolstof (DOC), fenolindex
  [11 B.8 PFAS in bodem of waterbodem
   Dit pakket is een uitbreiding van het volledige pakket B.1 of het volledige pakket B.5.
   perfluor-n-butaanzuur (PFBA);
   perfluor-n-pentaanzuur (PFPeA);
   perfluor-n-hexaanzuur (PFHxA);
   perfluor-n-heptaanzuur (PFHpA);
   perfluor-n-octaanzuur (PFOA);
   perfluor-n-nonaanzuur (PFNA);
   perfluor-n-decaanzuur (PFDA);
   perfluor-n-undecaanzuur (PFUnDA);
   perfluor-n-dodecaanzuur (PFDoDA);
   perfluor-n-tridecaanzuur (PFTrDA);
   perfluor-n-tetradecaanzuur (PFTeDA);
   perfluor-n-hexadecaanzuur (PFHxDA);
   perfluor-n-butaansulfonzuur (PFBS);
   perfluor-n-pentaansulfonzuur (PFPeS);
   perfluor-n-hexaansulfonzuur (PFHxS);
   perfluor-n-heptaansulfonzuur (PFHpS);
   perfluor-n-octaansulfonzuur (PFOS);
   perfluor-n-nonaansulfonzuur (PFNS);
   perfluor-1-decaansulfonzuur (PFDS);
   perfluor-1-octaansulfonamide (PFOSA);
   N-methylperfluoroctaansulfonamide (MePFOSA);
   N-ethylperfluoroctaansulfonamide (EtPFOSA);
   N-methylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur (MePFOSAA);
   N-ethylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur (EtPFOSAA);
   4:2 fluortelomeersulfonzuur (4:2 FTS);
   6:2 fluortelomeersulfonzuur (6:2 FTS);
   8:2 fluortelomeersulfonzuur (8:2 FTS);
   8:2 fluortelomeerfosfaat diester (8:2 diPAP),
   hexafluorpropyleenoxidedimeerzuur (HFPO-DA);
   4,8-dioxa-3H-perfluornonaanzuur (ADONA);
   perfluor-4-ethylcyclohexaansulfonzuur (PFECHS)]11

   G.1 grondwater
   metalen (totaalconcentratie) :
   arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, lood, nikkel, zink
   chroom VI
   cyaniden :
   totaal cyaniden
   monocyclische aromatische koolwaterstoffen :
   benzeen, tolueen, ethylbenzeen, som xylenen, styreen
   1,2,3-trimethylbenzeen, 1,2,4-trimethylbenzeen, 1,3,5-trimethylbenzeen
   chloorkoolwaterstoffen :
   dichloormethaan, trichloormethaan, tetrachloormethaan, vinylchloride, 1,1-dichloorethaan, 1,2-dichloorethaan, cis+trans-1,2-dichlooretheen, 1,1,1-trichloorethaan, 1,1,2-trichloorethaan, trichlooretheen, tetrachlooretheen, monochloorbenzeen, 1,2-dichloorbenzeen, 1,3-dichloorbenzeen, 1,4-dichloorbenzeen, som trichloorbenzenen, som tetrachloorbenzenen, pentachloorbenzeen en hexachloorbenzeen
   chloorfenolen :
   2-chloorfenol, 2,4-dichloorfenol, 2,4,5-trichloorfenol, 2,4,6-trichloorfenol, 2,3,4,6-tetrachloorfenol, pentachloorfenol
   methyltertiairbutylether
   minerale olie
   polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) :
   naftaleen, acenaftyleen, acenafteen, fluoreen, fenantreen, antraceen, fluoranteen, pyreen, benzo(a)antraceen, chryseen, benzo(b)fluoranteen, benzo(k)fluoranteen, benzo(a)pyreen, indeno(1,2,3-cd)pyreen, dibenzo(a,h)antraceen, benzo(ghi)peryleen
   organochloorpesticiden (OCP) :
   aldrin, dieldrin, chloordaan (cis+trans), DDT, DDE, DDD, hexachloorcyclohexaan (α, {beta}- en {gamma}-isomeer), endosulfan (α, {beta} en sulfaat)
  [11 G.2 PFAS in grondwater
   Dit pakket is een uitbreiding op het volledige pakket G.1.
   perfluor-n-butaanzuur (PFBA);
   perfluor-n-pentaanzuur (PFPeA);
   perfluor-n-hexaanzuur (PFHxA);
   perfluor-n-heptaanzuur (PFHpA);
   perfluor-n-octaanzuur (PFOA);
   perfluor-n-nonaanzuur (PFNA);
   perfluor-n-decaanzuur (PFDA);
   perfluor-n-undecaanzuur (PFUnDA);
   perfluor-n-dodecaanzuur (PFDoDA);
   perfluor-n-tetradecaanzuur (PFTeDA);
   perfluor-n-hexadecaanzuur (PFHxDA);
   perfluor-n-butaansulfonzuur (PFBS);
   perfluor-n-pentaansulfonzuur (PFPeS);
   perfluor-n-hexaansulfonzuur (PFHxS);
   perfluor-n-heptaansulfonzuur (PFHpS);
   perfluor-n-octaansulfonzuur (PFOS);
   perfluor-n-nonaansulfonzuur (PFNS);
   perfluor-1-decaansulfonzuur (PFDS);
   perfluor-1-octaansulfonamide (PFOSA);
   N-methylperfluoroctaansulfonamide (MeFOSA);
   N-ethylperfluoroctaansulfonamide (EtFOSA);
   N-methylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur (MePFOSAA);
   N-ethylperfluoroctaansulfonamidoazijnzuur (EtPFOSAA);
   4:2 fluortelomeersulfonzuur (4:2 FTS);
   6:2 fluortelomeersulfonzuur (6:2 FTS);
   8:2 fluortelomeersulfonzuur (8:2 FTS);
   8:2 fluortelomeerfosfaat diester (8:2 diPAP);
   hexafluorpropyleenoxidedimeerzuur (HFPO-DA);
   4,8-dioxa-3H-perfluornonaanzuur (ADONA);
   perfluor-4-ethylcyclohexaansulfonzuur (PFECHS)]11

  [11 ...]11]8

  
Art. N3. Annexe 3. - Liste des paquets pour les laboratoires, visés à l'article 6, 5°, du présent arrêté
  1° Liste des paquets pour un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, a) :
  W.1. échantillonnages, y compris la conservation, le transport et les mesurages sur les lieux
  W.1.1. échantillonnage immédiat (au robinet) d'eau
  W.1.1.1. pour des analyses chimiques
  W.1.1.1. pour des analyses bactériologiques
  W.1.2. échantillonnage immédiat (prélèvement passif) d'eau
  W.1.3. échantillonnage lié au temps et/ou au débit
  [9 W.1.4 échantillonnage d'eau de tubes piézométriques :
   W.1.4.1 avec un niveau d'eau peu profond (< 30 m)
   W.1.4.2 avec un niveau d'eau profond (≥ 30 m)
   Les paquets sous W.1.4 sont chaque fois une extension des paquets W.1.5.1 et W.1.5.2. ]9

  W.1.5. mesurage sur les lieux de la température, du pH et de conductibilité électrique
  W.1.6. mesurage sur les lieux d'oxygène dissous
  W.1.7. mesurage sur les lieux du chlore libre et du chlore lié
  W.1.8. contrôle sur appareillage de mesure fixe pour le mesurage du débit, du pH, de la conductibilité, de la température et de l'oxygène dissous
  [1 W.1.8 calibre des matières en suspension]1
  [9 W.2 paramètres organoleptiques dans les eaux destinées à la consommation humaine :
   W.2.1 couleur, degré de turbidité et détermination qualitative de l'odeur et du goût
   W.2.2 la détermination quantitative de l'odeur et du goût ]9

  W.3. paramètres physicochimiques inorganiques
  W.3.1. chlorure, sulfate, nitrate, nitrite, total d'orthophosphate, fluorure et ammonium dissous
  W.3.2. sodium, calcium, potassium, magnésium et dureté totale
  W.3.3. température, pH et conductibilité électrique
  W.3.4. résidu sec
  W.3.5. résidu de cendres
  [9 W.3.6 alcalinité ;]9
  W.3.7. fluorure lié inorganique total
  [9 W.3.8. indice de saturation]9
  W.4. métaux
  [9 W.4.1 série standard :
   W.4.1.1 mercure
   W.4.1.2 cadmium, plomb, arsenic, chrome, nickel, cuivre, zinc, antimoine, sélénium, manganèse, fer et aluminium ]9

  W.4.2. éléments complémentaires :
  W.4.2.1. Ag
  W.4.2.2. V
  W.4.2.3. Ba
  W.4.2.4. Mo
  W.4.2.5. Sn
  W.4.2.6. Ti
  W.4.2.7. Co
  W.4.2.8. B
  W.4.2.9. Si
  [2 W.4.2.9 étain, y compris l'oxyde d'étain
   W.4.2.10 titane, y compris le dioxyde de titane]2

  [9 W.4.2.11 cérium
   W.4.2.12 aluminium, y compris le trioxyde de dialuminium
   W.4.2.13 cérium, y compris le dioxyde de cérium]9

  W.5. paramètres généraux des polluants
  W.5.1. DBO, DCO, azote Kjeldahl, substances décantables, substances en suspension, (total de) phosphore et total d'azote
  W.5.2. détermination par chromatographie gazeuse d'huiles minérales (détection par ionisation à la flamme)
  W.5.3. détermination spectrométrique infrarouge d'huiles, de graisses et d'huile minérale
  (substances extractibles au perchloroéthylène et substances extractibles au perchloroéthylène apolaires)
  W.5.4. détermination gravimétrique d'huiles et de graisses (> 50 mg/l) après extraction à l'éther de pétrole
  W.5.5. COT en tant que mesure de la différence (COT = CT - CIT)
  W.5.6. COT en tant que mesure de la somme (COT = COP + CONP)
  W.5.7. CONP
  W.5.8. total cyanure
  W.5.9. cyanure libre
  W.5.10. sulfure dissous et sulfure soluble en milieu acide
  W.5.11. indice phénol
  W.5.12. chrome (VI)
  [3 ...]3
  [9 ...]9
  [3 ...]3
  W.5.16. oxydabilité
  W.5.17. urée
  W.5.18. bromate
  W.5.19. couleur des eaux usées
  [4 W.6. paramètres de groupe organiques :
   W.6.1 Composés organohalogénés extractibles (EOX)
   W.6.2 composés organohalogénés absorbables (AOX)
   W.6.3 Composés organohalogénés purgeables (POX)]4

  W.7. substances organiques spécifiques
  W.7.1. composés organohalogénés volatils, hydrocarbures aromatiques monocycliques
  W.7.2. composés organohalogénés modérément volatils
  W.7.3. phénols
  W.7.4. solvants solubles dans l'eau
  W.7.5. polychlorobiphényles
  W.7.6. hydrocarbures aromatiques polycycliques
  W.7.7. polychlorodibenzodioxines et polychlorodibenzofuranes
  W.7.8. retardateurs de flammes bromés
  W.7.9. composés organo-fluorés
  W.7.10. composés organo-étain
  W.7.11. pesticides organo-chlorés
  W.7.12. pesticides organo-phosphorés
  W.7.13. herbicides du type triazine
  W.7.14. urons (phénylurea) et anilides
  W.7.15. herbicides acides
  W.7.16. glyphosate et AMPA
  W.7.17. pesticides polaires au moyen de la méthode multirésidu CL-SM
  W.7.18. pesticides polaires qui peuvent être déterminés par chromatographie gazeuse au moyen de la méthode multirésidu CL-SM
  [9 ...]9
  [9 W.7.20 phtalates]9
  W.8. paramètres bactériologiques
  [9 W.8.1 nombre total de germes (22 ° C, 36 ° C), coliformes, Escherichia coli et entérocoques ]9
  W.8.2. salmonelle
  W.8.3. espèce Legionella pneumophila et Legionella
  W.8.4. staphylocoques à coagulase positive
  W.9. paramètres hydrobiologiques
  [9 W.9.1 indices de biodiversité : indice biotique belge (IBB) et indice multimétrique pour les macro-invertébrés Flandre (MMIF)]9
  W.9.2. tests d'écotoxicité
  W.9.2.1. test de survie avec la puce d'eau
  W.9.2.2. [12 toxicité aiguë chez les poissons :
  W.9.2.2.1 essai sur la truite arc-en-ciel Oncorhynchus mykiss
  W.9.2.2.2 essai sur des embryons de poisson-zèbre Danio rerio]12

  W.9.2.3. test d'inhibition de la croissance avec l'algue
  W.9.2.4. bioluminescence de bactéries (Vibrio fischeri )
  [9 W.9.2.5 biodégradabilité intrinsèque via l'essai de Zahn-Wellens]9
  [5 W.10 autres échantillonnages, analyses, essais ou mesures :
   W.10.1. chlorophylle A
   W.10.2. caractérisation qualitative d'huile minérale au moyen de la méthode CL-SM]5

  [9 W.10.3 agents de surface
   W.10.3.1 agents de surface cationiques
   W.10.3.2 agents de surface anioniques
   W.10.3.3 agents de surface non ioniques]9

  2° Liste des paquets pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, b) :
  L.1. échantillonnage et analyse au moyen d'éprouvettes avec des gaz émis (émissions) et de l'air ambiant (immission) dans des situations appropriées
  L.2. mesures des émissions - paquet de base : température des gaz de fumée, pression, teneur en eau, vitesse de gaz, débit de gaz, taux de poussière dans un canal à gaz et un mesurage continu de dioxyde de soufre, d'oxyde d'azote, d'oxygène, de dioxyde de carbone, de monoxyde de carbone et de composants organiques volatils tels que le carbone organique total
  L.3. mesures des émissions - installations de chauffage jusqu'à 10 MW : température des gaz de fumée, teneur en eau, vitesse de gaz, débit de gaz, taux de poussière dans un canal à gaz et un mesurage continu de dioxyde de soufre, d'oxyde d'azote, d'oxygène, de dioxyde de carbone et de monoxyde de carbone
  L.4. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de métaux lourds
  L.4.1. Cd, Tl, As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V, Se, Sn et Hg comme teneur totale (en tant que la somme de poussières et de gazeux) et comme teneur en poussières
  L.4.2. autres métaux, comme teneur totale (en tant que la somme de poussières et de gazeux)
  L.4.2.1. Be
  L.4.2.2 Ti
  L.4.2.3. In
  L.4.2.4. Mo
  L 4.3 Pt (teneur en poussières)
  L.4.4. composés spécifiques de métaux
  L.4.4.1. trihydrure d'arsenic
  L.4.4.2. des composés Cr (VI), tels que le chromate de calcium
  L.4.4.3. chromate Cr (III), chromate de zinc et chromate de strontium
  L.4.4.4. trioxyde d'arsenic et pentoxyde d'arsenic
  L.4.4.5. acides d'arsenic et leurs sels
  L.5. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de substances anorganiques
  L.5.1. [6 composés chlorés anorganiques tels que HCl]6
  L.5.2. détermination par la voie de chimie humide des oxydes de soufre SO2 et SO3
  L.5.3. chlore
  L.5.4. NH3
  L.5.5. sulfure d'hydrogène
  L.5.6. brome et ses composés vaporeux ou gazeux, exprimés comme HBr
  L.5.7. cyanure d'hydrogène
  L.5.8. N2O
  L.5.9. échantillonnage de particules fines d'une grandeur spécifique (PM 10 et PM 2,5)
  L.5.10. cyanure de chlore
  L.5.11. phosgène
  L.5.12. hydrure de phosphore
  L.5.13. hydrazine
  [9 L.5.14 détermination du trioxyde de soufre SO3 par voie chimique humide :
   L.5.14.1 : pour les émissions de procédé
   L.5.14.2 : pour les gaz de combustion ]9

  [6 L.5.15. Composés fluorés gazeux anorganiques tels que HF]6
  L.6. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de substances organiques volatiles (SOV) - paquet de base SOV : hydrocarbures aromatiques, hydrocarbures paraffiniques, hydrocarbures halogénés aliphatiques, esters, cétones, alcools et éthers
  L.7. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de substances organiques
  L.7.1. hydrocarbures oléfiniques
  L.7.2. glycoléthers
  L.7.3. chlorobenzènes et chlorotoluènes
  L.7.4. méthacrylate de méthyle
  L.7.5. naphtalène
  L.7.6. diméthylformamide
  L.7.7. pinènes
  L.7.8. N-méthyl-2-pyrrolidone
  L.8. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de substances organiques très volatiles (SOTV)
  L.8.1. hydrocarbures C1-C5 et leurs dérivés volatiles halogénés, azotés et oxygénés
  L.8.2. méthane
  L.8.3. oxyde d'éthylène
  L.8.4. chlorure de vinyle
  L.9. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de substances organiques peu volatiles
  L.9.1. dioxines (PCDD et PCDF)
  L.9.2. les PCB de type dioxine
  L.9.3. les PCB
  L.9.4. hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP)
  L.10. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de substances organiques réactives
  L.10.1. formaldéhyde
  L.10.2. autres aldéhydes que le formaldéhyde
  L.10.3. phénol
  L.10.4. amines aliphatiques
  L.10.5. disulfure de carbone
  L.10.6. acides carbolyxiques
  L.10.7. isocyanates
  L.10.8. anhydride maléique
  L.10.9. thio-alcools (mercaptans) et thio-éthers
  L.11. détermination d'émissions fugitives
  L.11.1. exécution de programmes de détection de fuites (LDAR) et détermination des émissions
  L.11.2. mesure d'autres sources diffuses : à spécifier
  [9 L.11.3 utilisation de l'imagerie optique des gaz pour la détection de fuites ]9
  L.12. mesures d'immission
  L.12.1. le mesurage continu de dioxyde de soufre, d'oxyde d'azote, de monoxyde de carbone, d'ozone et de particules en suspension ayant les caractéristiques spécifiques de grandeur PM 10 et PM 2,5
  L.12.2. détermination des particules fines qui se déposent
  L.12.3. détermination des métaux suivants dans les particules en suspension et qui se déposent : Cd, Tl, As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V, Se, Sn et Hg
  L.12.4. détermination de mercure gazeux dans l'air ambiant
  L.13. mesures des émissions - échantillonnage et analyse de substances volatiles et très volatiles (SO(T)V) dans l'air ambiant
  L.13.1. benzène
  L.13.2. chlorure de vinyle
  L.14. mesures des immissions - échantillonnage et analyse de substances organiques et d'autres substances
  L.14.1. hydrocarbures aromatiques polycycliques volatils (HAP) naphtalène, acénaphtène, acénaphtylène, phénanthrène, anthracène et fluorène
  L.14.2. hydrocarbures aromatiques polycycliques non volatils (HAP) : fluoranthène, pyrène, benzo(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluoranthène, benzo(k)fluoranthène, benzo(a)pyrène, benzo (g,h,i)pérylène, indéno(1,2,3,c,d)pyrène et dibenzo(a,h)anthracène
  L.14.3. dioxines (PCDD et PCDF)
  L.14.3.1. en suspension dans l'air ambiant ou comme gaz
  L.14.3.2. comme dépôt dans une jauge de dépôt
  L.14.4. les PCB
  L.14.5. les PCB de type dioxine
  L.14.6. BTEX : mesures sur le terrain à l'aide de moniteurs automatiques
  L.14.7. HF et HCl
  L.14.8. SO2, NO2, O3 et BTEX au moyen d'échantillonneurs passifs et d'analyse
  L.14.9. NH3
  L.15. détermination du taux de fibres d'amiante et d'autres fibres dans l'air ambiant à l'aide de microscopie électronique
  L.16. contrôle et calibrage du matériel fixe pour des mesures et des échantillonnages ultérieurs dans des émissions
  L.16.1. composants anorganiques gazeux
  L.16.2. poussière
  L.16.1. composants organiques gazeux
  L.16.4. échantillonnage à long terme de dioxines et de PCB
  L.17. échantillonnage d'odeurs et exécution d'analyses d'odeurs à l'aide de l'olfactométrie
  L.18. détermination de la diffusion d'odeurs au moyen de mesures par des équipes de renifleurs
  L.19. détermination des émissions de NH3 provenant d'étables pour la certification de systèmes d'étables pauvres en émissions ammoniacales
  L.19.1. mesure du rendement d'absorbeurs-neutraliseurs pour le NH3O
  L.19.2. détermination des émissions des étables de NH3
  [7 L.20 échantillonnage et analyse de trichlooramine dans l'air dans les piscines]7
  [9 L.21 échantillonnage et analyse du perchloréthylène dans l'air en provenance de nettoyeurs à sec utilisant du perchloréthylène comme agent de nettoyage
   L.22 [10 détermination de l'efficacité de l'élimination des odeurs des laveurs de gaz et des biofiltres dans les étables. Le paquet L.22 est une extension du paquet L.17.]10]9

  3° Paquet pour un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, c) : exécution des échantillonnages et analyses du sol suivants :
  a) échantillonnage et analyse de la teneur en carbone organique (% CO) du sol
  b) échantillonnage et analyse du degré d'acidité (pH) du sol
  c) détermination de la texture du sol :
  1) soit par détermination manuelle
  2) soit par détermination granulométrique
  3) soit par détermination manuelle et granulométrique
  4°
  M-M1 paquet engrais - pour le prélèvement d'échantillons, en vue de l'analyse de paramètres inorganiques, des engrais suivants :
   a) lisier de fosses à lisier ;
   b) lisier pour simulation de transport de fumier ;
   c) fumier solide.
  [9 M-M5 paquet engrais - pour le prélèvement d'échantillons, en vue de l'analyse de paramètres inorganiques, des engrais suivants :
   a) fumier traité ;
   b) lisier provenant d'un stockage de fumier autre qu'une fosse à lisier.
   M-M6 paquet engrais - pour le prélèvement d'échantillons, en vue de l'analyse de paramètres inorganiques, de lisier lors du transport de fumier.]9

  [8 5° liste des paquets pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, e) :
   MA. Echantillonnages de déchets et d'autres matériaux et prétraitement d'échantillons sur place
   MA.2. utilisation comme engrais/améliorant de sol
   MA.3 utilisation comme matériau de construction - substances solides
   MA.4 incinération
   MA.5 déversement
   MA.6 produits finaux lors de la transformation de sous-produits animaux
   MA.7 amiante
   MA.7.1 amiante en tas
   MA.7.2 amiante en couches
   A.2 utilisation comme engrais/améliorant de sol
   A.2.1 utilisation comme engrais/améliorant de sol - paramètres inorganiques :
   degré d'acidité, résidu sec/liquide, substance organique, total en azote, pentaoxyde de diphosphore, azote contenu dans les nitrates et azote ammoniacal, conductibilité
   métaux (concentration totale) :
   arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel et zinc
   A.2.2 [12 A.2.2 utilisation comme engrais/amendement du sol - paramètres organiques :
  hydrocarbures chlorés : somme de 1,2,3,5-tétrachlorobenzène et de 1,2,4,5-tétrachlorobenzène, 1,2,3,4-tétrachlorobenzène, pentachlorobenzène et hexachlorobenzène
  hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphthalène, benzo(a)pyrène, phénanthrène, fluoranthène, benzo(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluoranthène, benzo(k)fluoranthène, benzo(ghi)pérylène, indéno(1,2,3-cd)pyrène, acénaphtène, acénaphtylène, anthracène, dibenzo(a,h)anthracène, fluorène, pyrène
  huile minérale : fraction C10-C20 et fraction C20-C40
  polychlorobiphényles (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180]12

   A.2.3 utilisation comme engrais/améliorant de sol - paramètres spécifiques :
   petites pierres, d'une taille de plus de 5 mm
   degré de pollution (verre, métal, matières synthétiques) d'une taille de plus de 2 mm
   graines viables
   [12 ...]12
   degré de maturité
   stabilité mesurée avec respiromètre fermé
  [13 A.2.4 PFAS dans les engrais/amendements du sol
   Ce paquet est un élargissement du paquet complet A.2.2.acide perfluoro-n-butanoïque (PFBA) -n-butanoïque (PFBA)
   acide perfluoro-n-pentanoïque (PFPeA)
   acide perfluoro-n-hexanoïque (PFHxA)
   acide perfluoro-n-heptanoïque (PFHpA)
   acide perfluoro-n-octanoïque (PFOA)
   acide perfluoro-n-nonanoïque (PFNA)
   acide perfluoro-n-décanoïque (PFDA)
   acide perfluoro-n-undécanoïque (PFUnDA)
   acide perfluoro-n-dodécanoïque (PFDoDA)
   acide perfluoro-n-tridécanoïque (PFTrDA)
   acide perfluoro-n-tétradécanoïque (PFTeDA)
   acide perfluoro-n-hexadécanoïque (PFHxDA)
   acide perfluoro-n-butanesulfonique (PFBS)
   acide perfluoro-n-pentanesulfonique (PFPeS)
   acide perfluoro-n-hexanesulfonique (PFHxS)
   acide perfluoro-n-heptanesulfonique (PFHpS)
   acide perfluoro-n-octanesulfonique (PFOS)
   acide perfluoro-n-nonanesulfonique (PFNS)
   perfluoro-n-octane sulfonamide (PFOSA)
   N-méthylperfluoro-n-octane sulfonamide (MePFOSA)
   acide fluorotélomère sulfonique 4:2 (4:2 FTS)
   acide fluorotélomère sulfonique 6:2 (6:2 FTS)
   acide fluorotélomère sulfonique 8:2 (8:2 FTS)
   acide 4,8-dioxa-3H-perfluoronanique (DONA)
   acide perfluoro-4-éthylcyclohexanesulfonique (PFECHS)
   perfluoro-n-hexane sulfonamide (PFHxSA)
   acide perfluoro-n-octadécanoïque (PFODA)
   acide perfluoro-n-décane sulfonique (PFDS)
   acide perfluoro-n-dodécane sulfonique (PFDoDS)
   acide fluorotélomère sulfonique 10:2 (10:2 FTS)
   acide perfluoro-2-propoxypropanoïque (HFPO-DA)
   diester de phosphate de télomère fluoré 6:2 (6:2 diPAP)
   diester de phosphate de télomère fluoré 8:2 (8:2 diPAP)
   diester de phosphate de télomère fluoré 6:2/8:2 (6:2/8:2 diPAP)
   perfluoro-n-butane sulfonamide (PFBSA)
   N-méthyl-perfluoro-n-butane sulfonamide (MePFBSA)
   acide N-méthyl-perfluoro-n-butane sulfonylamide acétique (MePFBSAA)
   N-éthylperfluoro-n-octane sulfonamide (EtPFOSA)
   acide N-méthylperfluoro-n-octane sulfonamidoacétique (MePFOSAA)
   acide N-éthylperfluoro-n-octane sulfonamidoacétique (EtPFOSAA)
   acide perfluoro-n-undécane sulfonique (PFUnDS)
   acide perfluoro-n-tridécane sulfonique (PFTrDS)]13

   A.3 utilisation comme matériau de construction
   A.3.1. [12 [13 ...]13]12
   A.3.2 [13 ...]13
   A.3.3 pollutions physiques :
   pollutions flottantes, pollutions non-flottantes et verre
  [13 A.3.4 utilisation comme matériau de construction
   résidu sec
   métaux (concentration totale et fraction lixiviable au moyen de l'essai de percolation en colonne) : arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc, antimoine, baryum, molybdène, vanadium, cobalt, sélénium, étain
   anions (fraction lixiviable au moyen de l'essai de percolation en colonne) : bromure, chlorure, fluorure et sulfate
   BTEXS : benzène, toluène, éthylbenzène, somme des xylènes et styrène
   alcanes : hexane, heptane et octane
   hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphthalène, benzo(a)pyrène, phénanthrène, fluoranthène, benzo(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluoranthène, benzo(k)fluoranthène, benzo(ghi)pérylène, indéno(1,2,3-cd)pyrène, acénaphtène, acénaphtylène, anthracène, dibenzo(a,h)anthracène, fluorène et pyrène
   huile minérale
   polychlorobiphényles (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   cyanures : cyanure libre, cyanures non oxydables au chlore]13

  [13 A.3.5 PFAS dans les matériaux de construction
   Ce paquet est un élargissement du paquet complet A.3.1 ou A.3.4.
   acide perfluoro-n-butanoïque (PFBA)
   acide perfluoro-n-pentanoïque (PFPeA)
   acide perfluoro-n-hexanoïque (PFHxA)
   acide perfluoro-n-heptanoïque (PFHpA)
   acide perfluoro-n-octanoïque (PFOA)
   acide perfluoro-n-nonanoïque (PFNA)
   acide perfluoro-n-décanoïque (PFDA)
   acide perfluoro-n-undécanoïque (PFUnDA)
   acide perfluoro-n-dodécanoïque (PFDoDA)
   acide perfluoro-n-tridécanoïque (PFTrDA)
   acide perfluoro-n-tétradécanoïque (PFTeDA)
   acide perfluoro-n-hexadécanoïque (PFHxDA)
   acide perfluoro-n-butanesulfonique (PFBS)
   acide perfluoro-n-pentanesulfonique (PFPeS)
   acide perfluoro-n-hexanesulfonique (PFHxS)
   acide perfluoro-n-heptanesulfonique (PFHpS)
   acide perfluoro-n-octanesulfonique (PFOS)
   acide perfluoro-n-nonanesulfonique (PFNS)
   acide perfluoro-1-décane sulfonique (PFDS)
   perfluoro-1-octane sulfonamide (PFOSA)
   N-méthylperfluorooctane sulfonamide (MePFOSA)
   N-éthylperfluorooctane sulfonamide (EtPFOSA)
   acide N-méthylperfluorooctane sulfonamidoacétique (MePFOSAA)
   acide N-éthylperfluorooctane sulfonamidoacétique (EtPFOSAA)
   acide fluorotélomère sulfonique 4:2 (4:2 FTS)
   acide fluorotélomère sulfonique 6:2 (6:2 FTS)
   acide fluorotélomère sulfonique 8:2 (8:2 FTS)
   diester de phosphate de télomère fluoré 8:2 (8:2 diPAP)
   acide perfluoro-2-propoxypropanoïque (HFPO-DA)
   acide 4,8-dioxa-3H-perfluoronanique (DONA)
   acide perfluoro-4-éthylcyclohexanesulfonique (PFECHS)
   perfluoro-n-butane sulfonamide (PFBSA)
   N-méthyl-perfluoro-n-butane sulfonamide (MePFBSA)
   perfluoro-n-hexane sulfonamide (PFHxSA)
   acide perfluoro-n-octadécanoïque (PFODA)
   acide perfluoro-n-dodécane sulfonique (PFDoDS)
   diester de phosphate de télomère fluoré 6:2 (6:2 diPAP)
   diester de phosphate de télomère fluoré 6:2/8:2 (6:2/8:2 diPAP)
   acide fluorotélomère sulfonique 10:2 (10:2 FTS)
   acide N-méthyl-perfluoro-n-butane sulfonylamide acétique (MePFBSAA) ]13

   A.4 incinération
   résidu sec, point d'éclair, perte d'incandescence, total de carbone organique (TCO), valeur calorique, pentachlorophénol (PCP), benzo(a)pyrène, chlorides, fluorides, soufre, composés organiques halogénés extractibles (EOX)
   métaux (concentration totale) : cadmium, thallium, mercure, antimoine, arsenic, plomb, chrome, cobalt, cuivre, manganèse, nickel, vanadium et étain
   polychlorobiphényls (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   A.5 décharges
   A.5.1 décharges - paramètres généraux :
   résidu sec, huile minérale à GC-FID, hydrocarbures apolaires extractibles à IR, perte d'incandescence, total en carbone organique (TOC), total en solvants (aspécifiques), total de composés organiques halogénés extractibles (EOX), solidité des boues (solidité)
   Métaux (concentration totale) : arsenic; thallium, mercure, cadmium, béryllium, baryum, plomb, chrome, cuivre, nickel, zinc, molybdène, antimoine et sélénium
   cyanures libres
   fluorures
   essai de percolation à 1 seule étape dans des éluats de : pH, arsenic, baryum, plomb, cadmium, chrome total, chrome VI, cuivre, nickel, mercure, zinc, molybdène, antimoine, sélénium, fluorure, cyanures (total), ammonium, nitrite, chlorure, sulphate, total de substances solides dissolues (TOS), carbone organique dissolu (DOC), indice phénol
   A.5.2 décharges - paramètres organiques spécifiques :
   hydrocarbures aromatiques monocycliques (BTEXS) : benzène, toluène, éthylbenzène, addition de xylène et de styrène
   hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) : naphtalène, benzo(a)pyrène, fenantrène, fluoranthène, benzo(a)antracène, chrysène, benzo(b)fluorantène, benzo(k)fluoranthène, benzo(ghi)pérylène, indeno(1,2,3-cd)pyrène
   polychlorobiphényls (PCB) : PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   A.6 mesurages microbiologiques sur les produits finaux au cours de la transformation de sous-produits animaux :
   Salmonella
   Enterobacteriaceae
   Clostridium perfringens
   A.7 amiante
   6° liste de paquets pour un laboratoire, tel que visé à l'article 6, 5°, f) :
   B.1 sol - partie solide
   argile
   matériel organique (TOC)
   métaux (concentration totale) :
   arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc
   cyanures :
   cyanures libres, cyanures non oxydables au chlore
   hydrocarbures aromatiques monocycliques :
   benzène, toluène, éthylbenzène, addition de xylène et de styrène
   1,2,3-triméthylbenzène, 1,2,4-triméthylbenzène, 1,3,5-triméthylbenzène
   Alcanes :
   hexane, heptane et octane
   hydrocarbures chloriques :
   Dichlorométhane, trichlorométhane, tétrachlorométhane, vinylchloride, 1,1-dichloroéthane, 1,2-dichloroéthane, cis+trans-1,2-dichloroéhane, 1,1,1-trichloroéthane, 1,1,2-trichloroéthane, trichloroéthène, tétrachloroéthène, monochlorobenzène, 1,2-dichlorobenzène, 1,3-dichlorobenzène, 1,4-dichlorobenène, somme trichlorobenzènes, somme tétrachlorobenzènes, pentachlorobenzène et hexachhlorobenzène
   Chlorophénols :
   2-chlorophénol, 2,4-dichlorophénol, 2,4,5-trichlorophénol, 2,4,6-trichlorophénol, 2,3,4,6-tétrachlororphénol, pentachlorophénol
   méthyl tertio butyl éther
   huile minérale
   hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) :
   naphtalène, acénaphtylène, fluorène, fenantrène, antracène, fluoranthène, pyrène, benz(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluorantène, benzo(k)fluorantène, benzo(a)pyrène, indeno(1,2,3-cd)pyrène, dibenzo(a,h)antracène, benzo(ghi)pérylène
   pH(KCl)
   B.4 amiante dans le sol
   Ce paquet n'est pas un paquet d'élargissement.
   B.5 lit de cours d'eau
   résidu sec
   argile
   matériel organique (TOC)
   métaux (concentration totale) :
   arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc
   cyanures :
   cyanures libres, cyanures non oxydables au chlore
   hydrocarbures aromatiques monocycliques :
   benzène, toluène, éthylbenzène, addition de xylène et de styrène
   Alcanes :
   hexane, heptane et octane
   huile minérale
   pesticides organochlorés (POC) :
   aldrine, dieldrine, chlordane (isomère α et {gamma}), DDT, DDE, DDD, hexachlorocyclohexane (isomère α, {beta} et {gamma}), endosulfane(α, {beta} et sulphate)
   polychlorobiphényls (PCB) :
   PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) :
   naphtalène, acénaphtylène, acénaphtène, fluorène, fenantrène, antracène, fluoranthène, pyrène, benz(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluorantène, benzo(k)fluorantène, benzo(a)pyrène, indeno(1,2,3-cd)pyrène, dibenzo(a,h)antracène, benzo(ghi)pérylène
   pH(KCl)
   B.6 utilisation de matériaux de sol
   Ce paquet est un élargissement du paquet global B.1 ou du paquet global B.5.
   polychlorobiphényls (PCB) :
   PCB 28, PCB 52, PCB 101, PCB 118, PCB 138, PCB 153, PCB 180
   briques
   Matériaux étrangers au sol
   Essai en colonne d'agitation avec mesurage dans l'éluate de :
   Arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc, pH et conductibilité
   B.7 décharges de matériaux de construction
   Ce paquet est un élargissement du paquet global B.1 ou du paquet global B.5.
   hydrocarbures apolaires extractibles à IR
   perte d'incandescence
   Total solvants (aspécifique)
   total composés organohalogénés extractibles (EOX)
   solidité des boues (solidité)
   essai de percolation à 1 seule étape avec mesurage dans des éluats de :
   pH, arsenic, baryum, plomb, cadmium, total chrome, chrome VI, cuivre, nickel, mercure, zinc,
   Molybdène, antimoine, sélénium, fluorure, cyanure, ammonium, nitrite, chlorure, sulphate, total de substances solides dissolues (TDS), carbone organique dissolu (DOC), ndice phénol
  [11 B.8 PFAS dans le sol ou le lit de cours d'eau
   Ce paquet est un élargissement du paquet global B.1 ou du paquet global B.5.
   acide perfluoro-n-butanoïque (PFBA) ;
   acide perfluoro-n-pentanoïque (PFPeA) ;
   acide perfluoro-n-hexanoïque (PFHxA) ;
   acide perfluoro-n-heptanoïque (PFHpA) ;
   acide perfluoro-n-octanoïque (PFOA) ;
   acide perfluoro-n-nonanoïque (PFNA) ;
   acide perfluoro-n-décanoïque (PFDA) ;
   acide perfluoro-n-undécanoïque (PFUnDA) ;
   acide perfluoro-n-dodécanoïque (PFDoDA) ;
   acide perfluoro-n-tridécanoïque (PFTrDA) ;
   acide perfluoro-n-tétradécanoïque (PFTeDA) ;
   acide perfluoro-n-hexadécanoïque (PFHxDA) ;
   acide perfluoro-n-butanesulfonique (PFBS) ;
   acide perfluoro-n-pentanesulfonique (PFPeS) ;
   acide perfluoro-n-hexanesulfonique (PFHxS) ;
   acide perfluoro-n-heptanesulfonique (PFHpS) :
   acide perfluoro-n-octanesulfonique (PFOS) ;
   acide perfluoro-n-nonanesulfonique (PFNS) ;
   acide perfluoro-1-décane sulfonique (PFDS) ;
   perfluoro-1-octane sulfonamide (PFOSA) ;
   N-méthylperfluorooctane sulfonamide (MePFOSA) ;
   N-éthyl perfluorooctane sulfonamide (EtPFOSA) ;
   acide N-méthylperfluorooctane sulfonamidoacétique (MePFOSAA) ;
   acide N-éthyl perfluorooctane sulfonamidoacétique (EtPFOSAA) ;
   acide fluorotélomère sulfonique 4:2 (4:2 FTS) ;
   acide fluorotélomère sulfonique 6:2 (6:2 FTS) ;
   acide fluorotélomère sulfonique 8:2 (8:2 FTS) ;
   diester de phosphate de télomère fluoré 8:2 (8:2 diPAP) ;
   acide hexafluoropropylène oxyde diacide (HFPO-DA) ;
   acide 4,8-dioxa-3H-perfluoronanique (ADONA) ;
   acide perfluoro-4-éthylcyclohexanesulfonique (PFECHS)]11

   G.1 eaux souterraines
   métaux (concentration totale) :
   arsenic, cadmium, chrome, cuivre, mercure, plomb, nickel, zinc
   chrome VI
   cyanures :
   total cyaniden
   hydrocarbures aromatiques monocycliques :
   benzène, toluène, éthylbenzène, addition de xylène et de styrène
   1,2,3-triméthylbenzène, 1,2,4-triméthylbenzène, 1,3,5-triméthylbenzène
   hydrocarbures chloriques :
   Dichlorométhane, trichlorométhane, tétrachlorométhane, vinylchloride, 1,1-dichloroéthane, 1,2-dichloroéthane, cis+trans-1,2-dichloroéhane, 1,1,1-trichloroéthane, 1,1,2-trichloroéthane, trichloroéthène, tétrachloroéthène, monochlorobenzène, 1,2-dichlorobenzène, 1,3-dichlorobenzène, 1,4-dichlorobenène, somme trichlorobenzènes, somme tétrachlorobenzènes, pentachlorobenzène et hexachhlorobenzène
   Chlorophénols :
   2-chlorophénol, 2,4-dichlorophénol, 2,4,5-trichlorophénol, 2,4,6-trichlorophénol, 2,3,4,6-tétrachlororphénol, pentachlorophénol
   méthyl tertio butyl éther
   huile minérale
   hydrocarbures aromatiques polycycliques (HAP) :
   naphtalène, acénaphtylène, fluorène, fenantrène, antracène, fluoranthène, pyrène, benz(a)anthracène, chrysène, benzo(b)fluorantène, benzo(k)fluorantène, benzo(a)pyrène, indeno(1,2,3-cd)pyrène, dibenzo(a,h)antracène, benzo(ghi) pérylène
   pesticides organochlorés (POC) :
   Aldrine, dieldrine, chlordane (cis + trans), DDT, DDE, DDD, hexachlorocyclohexane (isomère α, {beta} et {gamma}), endosulfan (α, {beta} et sulphate)
  [11 G.2 PFAS dans les eaux souterraines
   Ce paquet est un élargissement du paquet complet G.1.
   acide perfluoro-n-butanoïque (PFBA) ;
   acide perfluoro-n-pentanoïque (PFPeA) ;
   acide perfluoro-n-hexanoïque (PFHxA) ;
   acide perfluoro-n-heptanoïque (PFHpA) ;
   acide perfluoro-n-octanoïque (PFOA) ;
   acide perfluoro-n-nonanoïque (PFNA) ;
   acide perfluoro-n-décanoïque (PFDA) ;
   acide perfluoro-n-undécanoïque (PFUnDA) ;
   acide perfluoro-n-dodécanoïque (PFD0DA) ;
   acide perfluoro-n-tétradécanoïque (PFTeDA) ;
   acide perfluoro-n-hexadécanoïque (PFHxDA) ;
   acide perfluoro-n-butanesulfonique (PFBS) ;
   acide perfluoro-n-pentanesulfonique (PFPeS) ;
   acide perfluoro-n-hexanesulfonique (PFHxS) ;
   acide perfluoro-n-heptanesulfonique (PFHpS) :
   acide perfluoro-n-octanesulfonique (PFOS) ;
   acide perfluoro-n-nonanesulfonique (PFNS) ;
   acide perfluoro-1-décane sulfonique (PFDS) ;
   perfluoro-1-octane sulfonamide (PFOSA) ;
   N-méthylperfluorooctane sulfonamide (MeFOSA) ;
   N-éthyl perfluorooctane sulfonamide (EtFOSA) ;
   acide N-méthylperfluorooctane sulfonamidoacétique (MePFOSAA) ;
   acide N-éthyl perfluorooctane sulfonamidoacétique (EtPFOSAA) ;
   acide fluorotélomère sulfonique 4:2 (4:2 FTS) ;
   acide fluorotélomère sulfonique 6:2 (6:2 FTS) ;
   acide fluorotélomère sulfonique 8:2 (8:2 FTS) ;
   diester de phosphate de télomère fluoré 8:2 (8:2 diPAP) ;
   acide hexafluoropropylène oxyde diacide (HFPO-DA) ;
   acide 4,8-dioxa-3H-perfluoronanique (ADONA) ;
   acide perfluoro-4-éthylcyclohexanesulfonique (PFECHS)]11

  [11 ...]11]8

  
Art. N4. [1 Bijlage 4 - Erkenning milieudeskundigen houders voor gassen of gevaarlijke stoffen (deel)domeinen]
  De aanvraag om een erkenning als deskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen als vermeld in artikel 6, 1°, a), kan worden ingediend voor een of meer van de volgende domeinen en deeldomeinen:
  A. attestaties (hoofdstukken 5.6, 5.16 en 5.17 van titel II van het VLAREM):
  A1. attestatie houders: prototypekeuringen van in serie gebouwde houders;
  individuele keuringen van andere; aanvaarding van gelijkwaardige systemen voor opslag
  A2. attestatie overvulbeveiligingssystemen
  A3. attestatie lekdetectiesystemen
  A4. attestatie gelijkwaardige alternatieven voor niet toegankelijke leidingen
  B. controle bij plaatsing van nieuwe houders:
  B1. controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van houders van brandbare vloeistoffen (hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM)
  B2.1. controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van houders van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en groep 2 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  B2.2. controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van houders van gevaarlijke vloeistoffen van groep 3 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  B3. controle vóór de plaatsing en vóór de ingebruikname van vaste houders van gevaarlijke gassen (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  C. uitvoeren van periodieke onderzoeken van houders:
  C1. uitvoeren van de periodieke onderzoeken van ondergrondse en bovengrondse houders van brandbare vloeistoffen (hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM)
  C2.1. uitvoeren van de periodieke onderzoeken van ondergrondse en bovengrondse houders van gevaarlijke vloeistoffen van groep 1 en groep 2 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  C2.2. uitvoeren van de periodieke onderzoeken van ondergrondse en bovengrondse houders van vloeistoffen van groep 3 (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  C3. uitvoeren van de periodieke onderzoeken van vaste houders voor opslag van gevaarlijke gassen (hoofdstuk 5.17 van titel II van het VLAREM)
  D. uitvoeren van de controles en periodieke onderzoeken van installaties voor het behandelen van gassen (hoofdstuk 5.16 van titel II van het VLAREM):
  E. uitvoeren van de controles en periodieke onderzoeken van damprecuperatiesystemen (hoofdstuk 5.6 van titel II van het VLAREM)]1

  
Art. N4. Annexe 4. (non reprise)
  (NOTE : remplacée par )Art. N5. Annexe 5. - Grades tels que visés aux articles 9 et 10 (expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses et la discipline corrosion du sol) et aux articles 21 à 24 inclus (président du jury lors de la formation de technicien en combustibles liquides, en combustibles gazeux [1 ...]1 ou de technicien en mazout)
  1.1. Les formations à orientation académique et les grades y afférents dans ou sur les disciplines ou parties de disciplines suivantes :
  1.1.1. sciences, pour lesquelles les grades de bachelor et de master peuvent être conférés;
  1.1.2. sciences appliquées, pour lesquelles les grades de bachelor et de master peuvent être conférés;
  1.1.3. sciences biologiques appliquées, pour lesquelles les grades de bachelor et de master peuvent être conférés.
  1.2. Les formations et les grades y afférents dans les disciplines suivantes :
  1.2.1. sciences industrielles et technologie, pour lesquelles :
  a) le grade de bachelor peut être conféré dans l'enseignement supérieur professionnel;
  b) les grades de bachelor et de master peuvent être conférés au sein d'une association dans l'enseignement académique.
  
Art. N5. Bijlage 5. - Graden als bedoeld in artikel 9 en 10 (milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen en de discipline bodemcorrosie) en artikel 21 tot en met 24 (juryvoorzitter van de examencommissie bij de opleiding als technicus vloeibare brandstof, gasvormige brandstof [1 ...]1 of stookolietechnicus)
  1.1. De academisch gerichte opleidingen en de daarop betrekking hebbende graden in of over de volgende studiegebieden of delen van studiegebieden :
  1.1.1. wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
  1.1.2. toegepaste wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend;
  1.1.3. toegepaste biologische wetenschappen, waarvoor de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.
  1.2. De opleidingen en de daarop betrekking hebbende graden in de volgende studiegebieden :
  1.2.1. Industriële wetenschappen en technologie, waarvoor :
  a) in het hoger professioneel onderwijs de graad van bachelor kan worden verleend;
  b) binnen een associatie in het academisch onderwijs de graden van bachelor en master kunnen worden verleend.
  
Art. N6. Annexe 6. - Exigences techniques auxquelles les appareils de mesurage du technicien en combustibles liquides ou en combustibles gazeux doit répondre, telles que [1 visées à l'article 40, alinéa premier, 2°]1
  Pour le mesurage des différents paramètres, seuls des appareils de mesurage répondant aux spécifications techniques minimales suivantes sont utilisés :
-
ParamètreAppareilRésolutionErreur absolue
indice de fuméepompe d'indice de fumée étanche, papier-filtre, échelle de référence 1
oxygène (O2)analyseur d'oxygène0,1 %+ 0,3 %
dioxyde de carbone (CO2)analyseur de dioxyde de carbone0,1 %+ 0,3 %
monoxyde de carbone (CO)analyseur de monoxyde de carbone1 ppm+ 20 ppm
température des gaz de fumée température ambiantethermomètre1 °C+ 3 °C
dépression/tiragemètre de dépression1 Pa+ 2 Pa

  Les différents appareils de mesurage se trouvent toujours en bon état de fonctionnement et d'entretien.
  Avant chaque mesurage, l'appareil de mesurage est contrôlé (bon fonctionnement, étanchéité) et calibré (mise à zéro) suivant les prescriptions du fabricant. [2 ...]2
  Les appareils électroniques sont contrôlés et étalonnés au moins une fois tous les deux ans par le fabricant ou l'importateur. [2 ...]2
  
Art. N6. Bijlage 6. - Technische vereisten waaraan de meetapparatuur van de technicus vloeibare brandstof of gasvormige brandstof moet voldoen als [1 vermeld in artikel 40, eerste lid, 2°]1
  Voor het opmeten van de verschillende parameters worden uitsluitend meettoestellen gebruikt die voldoen aan de volgende minimale technische specificaties :
Art. N7. Annexe 7. - Aperçu du contenu minimal du manuel de qualité pour les experts environnementaux agréés dans la discipline des bruits et des vibrations
  LISTE DE CONTROLE MINIMALE POUR LE MANUEL DE QUALITE
  Ci-dessous est repris un aperçu des éléments qui doivent constituer le manuel de qualité.
  CHAPITRE Ier. - Organisation
  I.1. Identité
  I.2. Objectif de la politique de qualité
  I.3. Déclaration d'indépendance et d'intégrité
  I.4. Structure organisationnelle
  I.4.a. Schéma organisationnel : établissement de l'organigramme
  I.4.b. Descriptions de fonction
  I.5. Recrutement et sélection : que faire par exemple lorsque quelqu'un part
  I.6. Formation du personnel + propre formation en tant qu'expert environnemental
  CHAPITRE II. - Opérationalité
  II.1. Espaces et environs
  II.1.a. Situation, disposition des locaux
  II.2. Equipement du laboratoire
  II.2.a. Gestion des appareils
  [1 II.2.b. Etalonnage et entretien des appareils
   1° étalonnage primaire : étalonnage avant et après chaque mesure
   2° étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque par rapport à un appareil de référence qui est étalonné tous les deux ans par le fabricant
   3° étalonnage tertiaire : étalonnage biennal par le fabricant.]1

  II.3. L'exécution d'une étude acoustique complète suivant le titre II du VLAREM
  II.3.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.3.b. Exécution des mesures du bruit
  II.3.c. Analyses des résultats des mesures
  II.3.d. Rapportage
  1° titre : Etude acoustique complète
  2° nom et adresse du laboratoire et du lieu de l'étude
  3° une identification unique du rapport sur chaque page, mentionnant le nombre total de pages
  4° le nom et l'adresse du client
  5° la mention univoque de la méthode appliquée
  6° une description de, la condition de, et une identification univoque du sujet ou de l'objet à étudier, y compris des dessins à l'échelle, des esquisses et éventuellement des photos
  7° date des mesures et/ou date de réception des objets contrôlés ou étalonnés
  8° des références aux procédures utilisées
  9° la description des résultats, y compris des unités
  10° les noms, les fonctions et les signatures ou l'identification équivalente de la personne qui a ou des personnes qui ont autorisé le rapport d'essai ou le certificat de calibrage
  11° pour autant que cela soit pertinent, une déclaration que les résultats n'ont trait qu'aux objets essayés ou calibrés
  12° une déclaration que le rapport ou le certificat de calibrage ne peut être reproduit que dans son intégralité, à moins que la permission écrite du laboratoire soit obtenue au préalable
  13° pour l'interprétation des résultats de l'essai, les dérogations, les compléments ou les exceptions à la méthode d'essai, ainsi que l'information sur les conditions spécifiques de l'essai, telles que les conditions ambiantes, doivent être repris
  14° pour autant que cela soit pertinent, une déclaration de répondre/de ne pas répondre aux exigences et/ou aux spécifications
  15° pour autant que cela soit d'application, une déclaration et de l'information sur l'incertitude de mesure estimée
  16° pour autant que cela soit convenable et requis, des opinions et des interprétations
  17° des informations supplémentaires qui peuvent être demandées par des méthodes spécifiques, des clients ou des groupes de clients
  II.4. [2 Exécution d'une mesure du bruit delon le chapitre 6.7 du titre II du VLAREM]2
  II.4.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.4.b. Exécution des mesures du bruit
  II.4.c. Analyses des résultats des mesures
  II.4.d. Rapportage
  II.5. Etablissement d'un plan d'assainissement
  II.5.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.5.b. Prévisions
  II.5.c. Analyses des prévisions
  II.5.d. Rapportage
  II.6. L'essai ou le contrôle d'appareils et de dispositifs susceptibles de produire du bruit, destinés à réduire le bruit, à l'absorber, à le mesurer ou à remédier à ses inconvénients
  II.6.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.6.b. Exécution des mesures
  II.6.c. Analyses des résultats des mesures
  II.6.d. Rapportage
  II.7. L'accompagnement d'assainissements suivant le titre II du VLAREM
  II.7.a. Général : comment procéder lorsqu'on reçoit une mission de suivre un plan d'assainissement
  II.7.b. Rapportage
  II.8. L'établissement de rapports des incidences sur l'environnement dans la discipline des bruits et des vibrations
  II.8.a. Général : il est fait référence au manuel de directives de LNE (le Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie) pour une EIE bruit et toutes les parties pertinentes déjà mentionnées, y compris l'annexe 4.5.3 du titre II du VLAREM
  CHAPITRE III. - Contrôle de la qualité
  III.1. Fonctionnement du laboratoire
  III.2. Traitement de plaintes
  III.3. Mesures de correction
  III.4. Contrôles des documents
  CHAPITRE IV. - Archivage
  IV.1. Archivage
  [1 ...]1
  
ParameterToestelResolutieAbsolute fout
rookindexlekdichte rookindexpomp, filterpapier, referentieschaal 1
zuurstof (O2)zuurstofanalysator0,1 %+ 0,3 %
koolstofdioxide (CO2)koolstofdioxide analysator0,1 %+ 0,3 %
koolstofmonoxide (CO)koolstofmonoxide-analysator1 ppm+ 20 ppm
rookgastemperatuur omgevingstemperatuurthermometer1 °C+ 3 °C
onderdruk/trekonderdrukmeter1 Pa+ 2 Pa
ParameterToestelResolutieAbsolute foutrookindexlekdichte rookindexpomp, filterpapier, referentieschaal1zuurstof (O2)zuurstofanalysator0,1 %+ 0,3 %koolstofdioxide (CO2)koolstofdioxide analysator0,1 %+ 0,3 %koolstofmonoxide (CO)koolstofmonoxide-analysator1 ppm+ 20 ppmrookgastemperatuur omgevingstemperatuurthermometer1 °C+ 3 °Conderdruk/trekonderdrukmeter1 Pa+ 2 Pa
-
  De verschillende meettoestellen bevinden zich steeds in goede staat van werking en onderhoud.
  Vóór elke meting wordt het meettoestel gecontroleerd (goede werking, lekdichtheid) en gekalibreerd (nulpuntinstelling) volgens de voorschriften van de fabrikant. [2 ...]2
  Elektronische meetapparatuur wordt minstens eenmaal om de twee jaar door de fabrikant of invoerder ervan nagekeken en geijkt. [2 ...]2
  
-
Art. N7. Bijlage 7. - Overzicht van de minimuminhoud van het kwaliteitshandboek voor erkende milieudeskundigen in de discipline geluid en trillingen
  MINIMUMCHECKLIST VOOR HET KWALITEITSHANDBOEK
  Hieronder volgt een overzicht van hoe het kwaliteitshandboek er moet uitzien.
  HOOFDSTUK I. - Organisatie
  I.1. Identiteit
  I.2. Doelstelling van het kwaliteitsbeleid
  I.3. Verklaring onafhankelijkheid en integriteit
  I.4. Organisatiestructuur
  I.4.a. Organisatieschema : organogram opstellen
  I.4.b. Functiebeschrijvingen
  I.5. Aanwerving en selectie : bijvoorbeeld wat te doen als iemand vertrekt
  I.6. Opleiding personeel + eigen opleiding als milieudeskundige
  HOOFDSTUK II. - Operationaliteit
  II.1. Ruimten en omgeving
  II.1.a. Ligging, indeling van de lokalen
  II.2. Uitrusting van het laboratorium
  II.2.a. Beheer apparatuur
  [1 II.2.b. Kalibratie en onderhoud apparatuur
  1° eerstelijnskalibratie : ijking voor en na elke meting
   2° tweedelijnskalibratie : jaarlijkse reciproque ijking ten opzichte van referentietoestel dat tweejaarlijks wordt geijkt door de fabrikant
   3° derdelijnskalibratie : tweejaarlijkse ijking door de fabrikant ]1

  II.3. Uitvoering van een volledig akoestisch onderzoek volgens titel II van het VLAREM
  II.3.a. Algemeen : er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.3.b. Uitvoering van de geluidsmetingen
  II.3.c. Analyses van de meetresultaten
  II.3.d. Rapportage
  1° titel : Volledig akoestisch onderzoek
  2° naam en adres van het laboratorium en van de plaats van onderzoek
  3° een unieke identificatie van het rapport op elke pagina, met vermelding van het totaal aantal pagina's
  4° naam en adres van de klant
  5° eenduidige vermelding van de toegepaste methode
  6° een beschrijving van, de conditie van en een ondubbelzinnige identificatie van het te onderzoeken onderwerp of object, inclusief tekeningen op schaal, schetsen en eventueel foto's
  7° datum van de metingen en/of datum van ontvangst van de beproefde of geijkte objecten
  8° verwijzing naar de gebruikte procedures
  9° beschrijving van de resultaten met inbegrip van de eenheden
  10° namen, functies en handtekeningen of gelijkwaardige identificatie van de persoon of personen die het beproevingsrapport of kalibratiecertificaat hebben vrijgegeven
  11° voor zover dat relevant is, een verklaring dat de resultaten alleen betrekking hebben op de beproefde of gekalibreerde objecten
  12° een verklaring dat het rapport of het kalibratiecertificaat alleen in zijn geheel mag worden gereproduceerd, tenzij vooraf schriftelijke toestemming van het laboratorium wordt verkregen
  13° voor de interpretatie van de beproevingsresultaten, moeten de afwijkingen van, aanvullingen op of uitzonderingen op de beproevingsmethode, alsook informatie over de specifieke beproevingsomstandigheden, zoals omgevingsomstandigheden worden opgenomen
  14° voor zover dat relevant is, een verklaring van het voldoen/niet voldoen aan de eisen en/of specificaties
  15° voor zover dat van toepassing is, een verklaring en informatie over de geschatte meetonzekerheid
  16° voor zover dat passend en vereist is, opinies en interpretaties
  17° aanvullende informatie die door specifieke methoden, klanten of groepen klanten kan worden vereist
  II.4. [2 Uitvoering van een geluidsmeting volgens hoofdstuk 6.7 van titel II van het VLAREM]2
  II.4.a. Algemeen : er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.4.b. Uitvoering van de geluidsmetingen
  II.4.c. Analyses van de meetresultaten
  II.4.d. Rapportage
  II.5. Opstellen van een saneringsplan
  II.5.a. Algemeen : er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.5.b. Voorspellingen
  II.5.c. Analyses van de voorspellingen
  II.5.d. Rapportage
  II.6. Het beproeven of controleren van apparaten en inrichtingen die lawaai kunnen veroorzaken, die bestemd zijn om lawaai te dempen, op te slorpen, te meten of hinder ervan te verhelpen
  II.6.a. Algemeen : er wordt verwezen naar de procedure die op zich naar de geldende wetgeving verwijst
  II.6.b. Uitvoering van de metingen
  II.6.c. Analyses van de meetresultaten
  II.6.d. Rapportage
  II.7. Het begeleiden van saneringen volgens titel II van het VLAREM
  II7.a. Algemeen : hoe gaat men te werk als men een opdracht krijgt om een saneringsplan op te volgen
  II7.b. Rapportage
  II.8. Het opstellen van milieueffectrapporten in de discipline geluid en trillingen
  II8.a. Algemeen : er wordt verwezen naar het richtlijnenhandboek van LNE voor een MER geluid en al de reeds vermelde relevante delen, inclusief bijlage 4.5.3 van titel II van het VLAREM
  HOOFDSTUK III. - Kwaliteitsbeheersing
  III.1. Werking van het laboratorium
  III.2. Behandeling van klachten
  III.3. Corrigerende maatregelen
  III.4. Documentcontrole
  HOOFDSTUK IV. - Archivering
  IV.1. Archivering
  [1 ...]1
  
Art. N7. Annexe 7. - Aperçu du contenu minimal du manuel de qualité pour les experts environnementaux agréés dans la discipline des bruits et des vibrations
  LISTE DE CONTROLE MINIMALE POUR LE MANUEL DE QUALITE
  Ci-dessous est repris un aperçu des éléments qui doivent constituer le manuel de qualité.
  CHAPITRE Ier. - Organisation
  I.1. Identité
  I.2. Objectif de la politique de qualité
  I.3. Déclaration d'indépendance et d'intégrité
  I.4. Structure organisationnelle
  I.4.a. Schéma organisationnel : établissement de l'organigramme
  I.4.b. Descriptions de fonction
  I.5. Recrutement et sélection : que faire par exemple lorsque quelqu'un part
  I.6. Formation du personnel + propre formation en tant qu'expert environnemental
  CHAPITRE II. - Opérationalité
  II.1. Espaces et environs
  II.1.a. Situation, disposition des locaux
  II.2. Equipement du laboratoire
  II.2.a. Gestion des appareils
  [1 II.2.b. Etalonnage et entretien des appareils
   1° étalonnage primaire : étalonnage avant et après chaque mesure
   2° étalonnage secondaire : étalonnage annuel réciproque par rapport à un appareil de référence qui est étalonné tous les deux ans par le fabricant
   3° étalonnage tertiaire : étalonnage biennal par le fabricant.]1

  II.3. L'exécution d'une étude acoustique complète suivant le titre II du VLAREM
  II.3.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.3.b. Exécution des mesures du bruit
  II.3.c. Analyses des résultats des mesures
  II.3.d. Rapportage
  1° titre : Etude acoustique complète
  2° nom et adresse du laboratoire et du lieu de l'étude
  3° une identification unique du rapport sur chaque page, mentionnant le nombre total de pages
  4° le nom et l'adresse du client
  5° la mention univoque de la méthode appliquée
  6° une description de, la condition de, et une identification univoque du sujet ou de l'objet à étudier, y compris des dessins à l'échelle, des esquisses et éventuellement des photos
  7° date des mesures et/ou date de réception des objets contrôlés ou étalonnés
  8° des références aux procédures utilisées
  9° la description des résultats, y compris des unités
  10° les noms, les fonctions et les signatures ou l'identification équivalente de la personne qui a ou des personnes qui ont autorisé le rapport d'essai ou le certificat de calibrage
  11° pour autant que cela soit pertinent, une déclaration que les résultats n'ont trait qu'aux objets essayés ou calibrés
  12° une déclaration que le rapport ou le certificat de calibrage ne peut être reproduit que dans son intégralité, à moins que la permission écrite du laboratoire soit obtenue au préalable
  13° pour l'interprétation des résultats de l'essai, les dérogations, les compléments ou les exceptions à la méthode d'essai, ainsi que l'information sur les conditions spécifiques de l'essai, telles que les conditions ambiantes, doivent être repris
  14° pour autant que cela soit pertinent, une déclaration de répondre/de ne pas répondre aux exigences et/ou aux spécifications
  15° pour autant que cela soit d'application, une déclaration et de l'information sur l'incertitude de mesure estimée
  16° pour autant que cela soit convenable et requis, des opinions et des interprétations
  17° des informations supplémentaires qui peuvent être demandées par des méthodes spécifiques, des clients ou des groupes de clients
  II.4. [2 Exécution d'une mesure du bruit delon le chapitre 6.7 du titre II du VLAREM]2
  II.4.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.4.b. Exécution des mesures du bruit
  II.4.c. Analyses des résultats des mesures
  II.4.d. Rapportage
  II.5. Etablissement d'un plan d'assainissement
  II.5.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.5.b. Prévisions
  II.5.c. Analyses des prévisions
  II.5.d. Rapportage
  II.6. L'essai ou le contrôle d'appareils et de dispositifs susceptibles de produire du bruit, destinés à réduire le bruit, à l'absorber, à le mesurer ou à remédier à ses inconvénients
  II.6.a. Général : il est fait référence à la procédure qui réfère elle-même à la législation en vigueur
  II.6.b. Exécution des mesures
  II.6.c. Analyses des résultats des mesures
  II.6.d. Rapportage
  II.7. L'accompagnement d'assainissements suivant le titre II du VLAREM
  II.7.a. Général : comment procéder lorsqu'on reçoit une mission de suivre un plan d'assainissement
  II.7.b. Rapportage
  II.8. L'établissement de rapports des incidences sur l'environnement dans la discipline des bruits et des vibrations
  II.8.a. Général : il est fait référence au manuel de directives de LNE (le Département de l'Environnement, de la Nature et de l'Energie) pour une EIE bruit et toutes les parties pertinentes déjà mentionnées, y compris l'annexe 4.5.3 du titre II du VLAREM
  CHAPITRE III. - Contrôle de la qualité
  III.1. Fonctionnement du laboratoire
  III.2. Traitement de plaintes
  III.3. Mesures de correction
  III.4. Contrôles des documents
  CHAPITRE IV. - Archivage
  IV.1. Archivage
  [1 ...]1
  
Art. N7 /1. [1 Bijlage 7/1. - De logboeken en de procedures voor erkende milieudeskundigen in de discipline geluid en trillingen
  (Bijlage niet niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 23-04-2013, p. 24536-24537)]1

  
Art. N8. Annexe 8. - Exigences concernant les experts en matière d'appareils
  1° Un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, appartenant au sous-domaine du bruit, tel que [1 visé à l'article 6, 1°, c), 1), a]1 dispose au moins :
  a) d'un sonomètre classe 1, conformément [3 à la norme IEC 61672]3;
  b) d'un [3 calibrateur de classe 1, conformément à la norme IEC 60942;]3;
  c) d'un anémomètre;
  d) d'une espace de mesure à champ acoustique diffus;
  e) d'une source de bruit générant du bruit rose dont le spectre, mesuré en bandes tierces de 100 Hz à 5 kHz, est plat dans une zone de 10dB;
  f) [2 les logiciels nécessaires à l'accomplissement de ses tâches.]2
  2° Un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, appartenant au sous-domaine du bruit, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 1), b, répond à une des conditions suivantes :
  a) disposer d'une chambre anéchoïque;
  b) disposer d'une chambre réverbérante
  c) disposer du tube de Kundt;
  d) pouvoir démontrer qu'il travaille en coopération avec une institution qui est en possession de l'infrastructure visée au point a), b) ou c).
  3° Un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, appartenant au sous-domaine des vibrations, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 2), dispose au moins d'un appareil de mesure des vibrations, conformément à la norme DIN 45669-1.
  
Art. N8. Bijlage 8. - Apparatuurvereisten deskundigen
  1° Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, [1 vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), a.]1 beschikt over minstens :
  a) een klasse 1 sonometer, conform [3 de norm IEC 61672]3;
  b) [3 een klasse 1 kalibrator, conform de norm IEC 60942]3
  c) een anemometer;
  d) een meetruimte met een diffuus geluidsveld;
  e) een ruisbron die een roze ruis genereert waarvan het spectrum, gemeten in tertsbanden van 100 Hz tot 5 kHz, vlak is binnen een zone van 10dB;
  f) [2 f) de nodige software voor het uitvoeren van zijn taken.]2
  2° Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), b. voldoet aan een van de volgende voorwaarden :
  a) beschikken over een dode kamer;
  b) beschikken over een nagalmkamer;
  c) beschikken over de buis van Kundt;
  d) kunnen aantonen dat hij samenwerkt met een instelling die in het bezit is van de infrastructuur, vermeld in punt a), b) of c).
  3° Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 2), beschikt over minstens een toestel voor het meten van trillingen, conform de norm DIN 45669-1.
  
Art. N9. Annexe 9. - Sujets de la formation de l'expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, [6 de l'expert EIE, de l'expert RS et du coordinateur EIE, visés aux articles 11, 12, 13 et 13/2 du présent arrêté]6
  1° [1 a) Un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des bruits, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 1), a réussi une formation d'[2 au moins 60 heures]2 pendant laquelle les sujets suivants ont été abordés :
   1) notions physiques élémentaires relatives à l'acoustique;
   2) grandeurs et notions acoustiques;
   3) principes fondamentaux en matière de bruits;
   4) audition, surdité, effets du bruit, nuisances acoustiques;
   5) contrôle acoustique;
   6) techniques et appareils de mesure;
   7) calcul des niveaux d'émission et d'immission;
   8) sources de bruit;
  [2 9) réduction de nuisances sonores ;]2
   b) un expert environnemental dans la discipline des bruits et des vibrations, sous-domaine des vibrations, tel que visé à l'article 6, 1°, c), 2), a réussi une formation d'[2 au moins 24 heures]2 pendant laquelle les sujets suivants ont été abordés :
   1) notions physiques élémentaires relatives à la science des vibrations;
   2) paramètres et notions de vibrations;
   3) principes fondamentaux de vibrations;
   4) effets de vibrations, nuisances vibratoires;
   5) contrôle de vibrations;
   6) techniques et appareils de mesure;
   7) calcul des niveaux d'émission et d'immission;
   8) sources de vibrations;]1

  [2 9) réduction des vibrations ;]2
  2° La formation de l'expert EIE, visée à l'article 12, § 1er, 3°, comprend au moins 60 heures par sous-domaine ou, lorsqu'il n'y a pas de sous-domaines, par discipline, à l'exception [4 ...]4 du sous-domaine odeur, dont la formation comprend au moins 25 heures. Les sujets de la formation par sous-domaine ou, lorsqu'il n'y a pas de sous-domaines, par discipline, sont les suivants :
  a) discipline de l'homme :
  1)[4 ous-domaine de la santé :
   1.1. épidémiologie : notions, méthodes et techniques d'étude épidémiologique ;
   1.2. (éco)toxicologie, y compris évaluation de l'exposition et des effets, toxicocinétique et toxicodynamique (également pour les populations sensibles) ;
   1.3. analyse des risques (de (l'exposition aux) substances chimiques, physiques et biologiques sur la santé de l'homme) ;
   1.4. étude toxicologique et définition de normes, différence normes/valeurs guides ;
   1.5. biosurveillance ;
   1.6. médecine environnementale ;
   1.7. effets psychosomatiques et psychosociaux d'expositions environnementales et exposition environnementale perçue ; effets pour le bien-être mental et social et effets physiques ;
   1.8. notions élémentaires de la lumière, de l'optique et étude des ondes électromagnétiques ;
   1.9. relation entre climat et santé humaine ;
   1.10. mesures d'atténuation pour le sous-domaine homme-santé (tant pour la toxicologie, les aspects psychosomatiques que les effets résultant de la lumière et des ondes électromagnétiques) ;]4

  2) [4 ...]4
  3) sous-domaine de la mobilité :
  3.1. ingénierie de la circulation;
  3.2. technologie et aménagement de la circulation;
  3.3. mesures atténuantes relatives au sous-domaine de la mobilité;
  [2 3.4. modélisation de l'impact.]2
  4) sous-domaine des aspects spatiaux :
  4.1. urbanisme;
  4.2. planification spatiale : schémas de structures d'aménagement[5 , plans de politique spatiale]5, plans d'exécution spatiaux, dommages résultant de la planification spatiale, bénéfices résultant de la planification spatiale;
  4.3. aménagement du territoire;
  4.4. mesures atténuantes relatives au sous-domaine des aspects spatiaux;
  [2 4.5 système d'information géographique.]2
  b) discipline de la [3 biodiversité]3 :
  1) principes et concepts de formes organisationnelles vivantes de complexité différente d'individu à communauté;
  2) interactions réciproques entre organismes et entre organismes et leurs environs non vivants;
  3) travailler avec des clés de détermination;
  4) biologie végétale;
  5) biologie animale;
  6) biodiversité;
  7) mesures atténuantes relatives à la discipline de la faune et de la flore.
  c) discipline du sol :
  1) sous-domaine de la pédologie :
  1.1 composition du sol, caractéristiques du sol, horizons du sol, structure et texture du sol, procès génétiques du sol et classification du sol;
  1.2 chimie du sol;
  1.3 pollution du sol;
  1.4 techniques d'assainissement du sol.
  2) sous-domaine de la géologie :
  2.1 composition du sol, caractéristiques du sol, horizons du sol, structure et texture du sol, procès génétiques du sol et classification du sol;
  2.2 chimie du sol;
  2.3 procès géologiques, structures géologiques et histoire géologique;
  2.4 cartes géologiques;
  2.5 répartition, composition et caractéristiques de minéraux et de roches;
  2.6 pollution du sol;
  2.7 techniques d'assainissement du sol.
  d) discipline de l'eau :
  1) sous-domaine de la géohydrologie :
  1.1 porosité, distribution verticale de l'eau souterraine, la loi de Darcy, écoulements des eaux souterraines et captage d'eaux souterraines;
  1.2 connaissance de base en hydrologie et en hydrochimie;
  1.3 qualité de l'eau, écologie de l'eau et pollution de l'eau;
  1.4 modélisation de l'impact;
  1.5 techniques d'épuration de l'eau.
  2) sous-domaine des eaux usées et des eaux de surface :
  2.1 connaissance de base en hydrologie et en hydrochimie;
  2.2 qualité de l'eau, écologie de l'eau et pollution de l'eau;
  2.3 modélisation de l'impact;
  2.4 économie d'eau et récupération d'eau;
  2.5 techniques d'épuration de l'eau.
  3) sous-domaine des eaux marines :
  3.1 connaissance de base en hydrologie et en hydrochimie;
  3.2 qualité de l'eau, écologie de l'eau et pollution de l'eau;
  3.3 techniques d'épuration de l'eau.
  e) discipline de l'air :
  1) sous-domaine de l'odeur :
  2.1 notions de base émission, immission et unité d'odeur;
  2.2 nuisances olfactives;
  2.3 olfactométrie et mesures par reniflage;
  2.4 modélisation de l'impact;
  2.5 techniques de lutte contre les odeurs.
  2) sous-domaine de la pollution de l'air
  2.1 notions de base émission, immission, partie par million, microgramme par m;, émissions conduites et émissions non conduites;
  2.2 transport de polluants : dispersion et déposition atmosphérique;
  2.3 diminution de la couche d'ozone, effet de serre, pollution atmosphérique photochimique, acidification, particules fines et substances dangereuses;
  2.4 modélisation de l'impact;
  2.5 techniques d'épuration de l'air.
  f) [4 ...]4
  g) discipline du climat :
  1) procès climatologiques et leurs relations réciproques;
  2) climatologie régionale;
  3) changement climatique global;
  4) mesures atténuantes relatives à la discipline du climat.
  h) discipline du paysage, du patrimoine architectural et de l'archéologie :
  1) sous-domaine du paysage
  1.1 écologie du paysage;
  1.2 genèse du paysage;
  1.3 gestion du paysage;
  1.4 développement du paysage et protection du paysage
  1.5 mesures atténuantes relatives au sous-domaine du paysage;
  [2 1.6 systèmes d'information géographique.]2
  2) sous-domaine du patrimoine architectural
  2.1 protection des monuments;
  2.2 patrimoine;
  2.3 mesures atténuantes relatives au sous-domaine du patrimoine architectural.
  3) sous-domaine de l'archéologie
  3.1 introduction à l'archéologie;
  3.2 mesures atténuantes relatives au sous-domaine de l'archéologie.
  3° [6 Un coordinateur EIE tel que visé à l'article 6, 1°, g), a suivi avec fruit une formation d'au moins 140 heures au cours de laquelle les matières et compétences suivantes ont été abordées :
   a) compétences (au moins 40 heures) :
   1) direction ;
   2) planification et organisation ;
   3) collaboration ;
   4) capacités de communication et de participation ;
   5) coaching ;
   6) force de persuasion ;
   7) capacités de rédaction ;
   b) connaissance de base de toutes les disciplines couvertes par une évaluation des incidences sur l'environnement (au moins 100 heures).]6

  4° Un expert RS tel que visé à l'article 6, 1°, e), a suivi avec fruit une formation d'au moins 60 heures, [1 où les sujets suivants]1 ont été abordés :
  a) substances dangereuses et leurs caractéristiques et comportement;
  b) l'inventorisation, l'analyse et l'évaluation de risques pour l'homme et l'environnement, concernant des accidents industriels impliquant des substances dangereuses;
  c) l'utilisation de méthodes pour le calcul des effets physiques suite au dégagement de substances dangereuses et pour le calcul des dommages et des risques;
  d) l'exécution de calculs des dommages et des risques;
  e) l'aménagement spatial et la planification spatiale.
  
Art. N9. Bijlage 9. - Onderwerpen van de opleiding voor de milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, [6 de MER-deskundige, de VR-deskundige en de MER-coördinator, vermeld in artikel 11, 12, 13 en 13/2 van dit besluit]6
  1° [1 a) Een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein geluid als vermeld in artikel 6, 1°, c), 1), heeft met gunstig gevolg een opleiding van [2 minstens 60 uur]2 gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
   1) elementaire fysische begrippen in verband met de geluidsleer;
   2) geluidsgrootheden en -begrippen;
   3) grondbeginselen geluid;
   4) gehoor, gehoorschade, effecten van lawaai, geluidshinder;
   5) lawaaibeheersing;
   6) meettechnieken en -apparatuur;
   7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
   8) bronnen van lawaai;
  [2 9) beperken van geluidshinder;]2
   b) een milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, deeldomein trillingen als vermeld in artikel 6, 1°, c), 2), heeft met gunstig gevolg een opleiding van [2 minstens 24 uur]2 gevolgd, waarin de volgende onderwerpen aan bod kwamen :
   1) elementaire fysische begrippen in verband met de trillingsleer;
   2) trillingsparameters en -begrippen;
   3) grondbeginselen trillingen;
   4) effecten van trillingen, trillingshinder;
   5) trillingsbeheersing;
   6) meettechnieken en -apparatuur;
   7) berekenen van emissie- en immissieniveaus;
   8) bronnen van trillingen;]1

  [2 9) beperken van trillingshinder;]2
  2° De opleiding voor de MER-deskundige, vermeld in artikel 12, § 1, 3° bestaat uit minstens 60 uur per deeldomein of als er geen deeldomeinen zijn, per discipline, uitgezonderd voor [4 ...]4 het deeldomein geur, waarvoor de opleiding uit minstens 25 uur bestaat. De onderwerpen van de opleiding per deeldomein of, als er geen deeldomeinen zijn, per discipline zijn de volgende :
  a) discipline mens :
  1) [4 deeldomein gezondheid:
   1.1. epidemiologie: begrippen, methoden en technieken van epidemiologisch onderzoek;
   1.2. (eco)toxicologie, inclusief evaluatie van blootstelling en effecten, toxicokinetiek en -dynamiek (ook voor gevoelige populaties);
   1.3. risicoanalyse (van (blootstelling aan) chemische, fysische, biologische stoffen op de gezondheid van de mens);
   1.4. toxicologisch onderzoek en normstelling, verschil normen/gezondheidskundige advieswaarden;
   1.5. biomonitoring;
   1.6. milieugezondheidskunde;
   1.7. psychosomatische en psychosociale gevolgen van milieublootstellingen en gepercipieerde milieublootstelling; gevolgen voor mentaal en sociaal welzijn en lichamelijke effecten;
   1.8. elementaire begrippen over licht, optica en studie van elektromagnetische golven;
   1.9. relatie tussen klimaat en menselijke gezondheid;
   1.10. milderende maatregelen voor het deeldomein mens-gezondheid (zowel voor toxicologie, psychosomatische aspecten als effecten ten gevolge van licht en elektromagnetische golven);]4

  2) [4 ...]4
  3) deeldomein mobiliteit :
  3.1. verkeerskunde;
  3.2. verkeerstechnologie en -planologie;
  3.3. milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein mobiliteit;
  [2 3.4. impactmodellering.]2
  4) deeldomein ruimtelijke aspecten :
  4.1. stedenbouwkunde :
  4.2. ruimtelijke planning : ruimtelijke structuurplannen[5 , ruimtelijke beleidsplannen]5, ruimtelijke uitvoeringsplannen, planschade, planbaten;
  4.3. ruimtelijke ordening en planologie;
  4.4. milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein ruimtelijke aspecten;
  [2 4.5. geografische informatiesystemen.]2
  b) discipline [3 biodiversiteit]3 :
  1) principes en concepten van levende organisatievormen van verschillende complexiteit van individu tot gemeenschap;
  2) interacties tussen organismen onderling en tussen organismen en hun niet-levende omgeving;
  3) werken met determinatiesleutels;
  4) plantenkunde;
  5) dierkunde;
  6) biodiversiteit;
  7) milderende maatregelen met betrekking tot de discipline fauna en flora.
  c) discipline bodem :
  1) deeldomein pedologie :
  1.1 samenstelling van de bodem, bodemeigenschappen, bodemhorizonten, bodemstructuur en -textuur, bodemgenetische processen en bodemclassificatie;
  1.2 bodemchemie;
  1.3 bodemverontreiniging;
  1.4 bodemsaneringstechnieken.
  2) deeldomein geologie :
  2.1 samenstelling van de bodem, bodemeigenschappen, bodemhorizonten, bodemstructuur en -textuur, bodemgenetische processen en bodemclassificatie;
  2.2 bodemchemie;
  2.3 geologische processen, geologische structuren en geologische geschiedenis;
  2.4 geologische kaarten;
  2.5 indeling, samenstelling en eigenschappen van mineralen en gesteenten;
  2.6 bodemverontreiniging;
  2.7 bodemsaneringstechnieken.
  d) discipline water :
  1) deeldomein geohydrologie :
  1.1 porositeit, verticale verdeling van grondwater, wet van Darcy, grondwaterstromingen en grondwateronttrekking;
  1.2 basiskennis hydrologie en hydrochemie;
  1.3 waterkwaliteit, waterecologie en waterverontreiniging;
  1.4 impactmodellering;
  1.5 waterzuiveringstechnieken.
  2) deeldomein oppervlakte- en afvalwater :
  2.1 basiskennis hydrologie en hydrochemie;
  2.2 waterkwaliteit, waterecologie en waterverontreiniging;
  2.3 impactmodellering;
  2.4 waterbesparing en waterrecuperatie;
  2.5 waterzuiveringstechnieken.
  3) deeldomein mariene waters :
  3.1 basiskennis hydrologie en hydrochemie;
  3.2 waterkwaliteit, waterecologie en waterverontreiniging;
  3.3 waterzuiveringstechnieken.
  e) discipline lucht :
  1) deeldomein geur :
  2.1 basisbegrippen emissie, immissie en eenheid van geur;
  2.2 geurhinder;
  2.3 olfactometrie en snuffelmetingen;
  2.4 impactmodellering;
  2.5 technieken voor geurbestrijding.
  2) deeldomein luchtverontreiniging
  2.1 basisbegrippen emissie, immissie, parts per million, microgram per m3, geleide emissies en niet-geleide emissies;
  2.2 transport van polluenten : atmosferische dispersie en depositie;
  2.3 aantasting ozonlaag, broeikaseffect, fotochemische luchtverontreiniging, verzuring, fijn stof en gevaarlijke stoffen;
  2.4 impactmodellering;
  2.5 luchtzuiveringstechnieken.
  f) [4 ...]4
  g) discipline klimaat :
  1) klimatologische processen en hun onderlinge verbanden;
  2) regionale klimatologie;
  3) globale klimaatsverandering
  4) milderende maatregelen met betrekking tot de discipline klimaat.
  h) discipline landschap, bouwkundig erfgoed en archeologie :
  1) deeldomein landschap
  1.1 landschapsecologie;
  1.2 landschapsgenese;
  1.3 landschapsbeheer;
  1.4 landschapsontwikkeling en landschapszorg
  1.5 milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein landschap;
  [2 1.6. geografische informatiesystemen.]2
  2) deeldomein bouwkundig erfgoed
  2.1 monumentenzorg;
  2.2 erfgoed;
  2.3 milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein bouwkundig erfgoed.
  3) deeldomein archeologie
  3.1 inleiding tot archeologie;
  3.2 milderende maatregelen met betrekking tot het deeldomein archeologie.
  3° [6 Een MER-coördinator als vermeld in artikel 6, 1°, g), heeft met gunstig gevolg een opleiding gevolgd van minstens 140 uur, waarin de volgende onderwerpen en competenties aan bod kwamen:
   a) competenties (minstens 40 uur):
   1) leidinggeven;
   2) plannen en organiseren;
   3) samenwerken;
   4) communicatieve en participatieve vaardigheden;
   5) coachen;
   6) overtuigingskracht;
   7) redactionele vaardigheden;
   b) basiskennis met betrekking tot alle disciplines die aan bod komen in een milieueffectrapport (minstens 100 uur).]6

  4° Een VR-deskundige als vermeld in artikel 6, 1°, e), heeft met gunstig gevolg een opleiding gevolgd van minstens 60 uur, [1 waarin de volgende onderwerpen]1 aan bod kwamen :
  a) gevaarlijke stoffen en hun eigenschappen en gedrag;
  b) het inventariseren, analyseren en evalueren van risico's voor mens en milieu, bij industriële ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn;
  c) het gebruiken van methoden om fysische effecten ten gevolge van de vrijzetting van gevaarlijke stoffen te berekenen en aan schadeberekening en risicoberekening te doen;
  d) het uitvoeren van schade- en risicoberekeningen;
  e) ruimtelijke ordening en ruimtelijke planning.
  
Art. N10. Annexe 10. - Critères pour l'évaluation favorable des paquets, visés aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), et 44, alinéa quatre, 2°, pour les laboratoires tels que visés à l'article 6, 5°
  1° Les critères pour l'évaluation favorable des paquets, visés aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), et 44, alinéa quatre, 2°, pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, a), sont les suivants :
  Le laboratoire doit réussir une épreuve pratique. L'épreuve pratique consiste en la participation à l'exécution d'un échantillonnage, d'une mesure, d'un essai ou d'une analyse typique à laquelle se rapporte la demande ou l'agrément. Il est demandé au laboratoire de présenter des aspects spécifiques de l'exécution ou de prélever des échantillons de contrôle supplémentaires lors de la série d'essai, de mesure ou d'analyse.
  Un laboratoire réussit une épreuve pratique lorsque les défauts constatés ont été éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent être approuvées par un laboratoire de référence.
  Pour le paquet W.1.8., une vérification documentaire supplémentaire a lieu du contenu des rapports concernant les contrôles et de l'incertitude de mesure des appareils utilisés par le laboratoire. Les défauts constatés doivent être éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent être approuvées par un laboratoire de référence.
  Pour le paquet W.3.2., une vérification documentaire supplémentaire a lieu du mode de calcul. Les défauts constatés doivent être éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent être approuvées par un laboratoire de référence.
  2° Les critères pour l'évaluation favorable des paquets, visés aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), 2), et 44, alinéa quatre, 2°, b), pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, b), sont les suivants :
  L.1. : réussir une épreuve pratique, présentant l'utilisation correcte des appareils. Dans le cas de gaz résiduaires, une disposition est requise garantissant un volume aspiré correct, également en cas de dépression ou de surpression, dans le canal à gaz.
  L.2. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant le poids des poussières;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations de SO2, NOx, O2, CO2, CO et COT;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz.
  Un laboratoire a réussi lorsque :
  1) la divergence de mesure de la concentration de composants gazeux s'élève au maximum à 15% par rapport à la concentration offerte;
  2) la divergence de mesure de la teneur en eau s'élève au maximum à 15% par rapport à la teneur offerte;
  3) la divergence de mesure de la température des gaz de fumée s'élève au maximum à 2 °C par rapport à la température des gaz de fumée offerte;
  4) la divergence de mesure du volume s'élève au maximum à 8% par rapport au volume offert;
  5) la divergence de mesure de la vitesse de gaz maximale s'élève au maximum à (12,5 % - 0,53 x la vitesse de gaz offerte);
  6) la divergence de mesure du poids des poussières s'élève au maximum à 15 % au niveau bas (< 20 mg/Nm3) et au maximum à 10% au niveau haut (=> 20 mg/Nm3);
  7) la divergence absolue d'O2 s'élève au maximum à 0,3 %.
  L.3. : réussir :
  1) une épreuve pratique sur le poids des poussières;
  2) une épreuve pratique sur la mesure des concentrations d'O2, de CO, CO2, NOx et de SO2;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz.
  Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.2.
  L.4. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant le poids des poussières;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  4) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations de Hg gazeux;
  5) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon de cendres volantes dans lequel se trouvent un certain nombre de métaux lourds d'une certaine concentration.
  Les critères de réussite pour 1) à 3) inclus sont identiques à ceux de L.2. Pour ce qui concerne 4), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration de Hg gazeux s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Pour ce qui concerne 5), un laboratoire réussit lorsque la divergence des résultats s'élèvent au maximum à 20 % par rapport à la valeur de référence, à l'exception des résultats pour les métaux Tl, Se, Be, Sn et As, pour lesquels une divergence s'élevant au maximum à 30 % est permise. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  Pour un paramètre tel que visé aux paquets L.4.2., L.4.3. et L.4.4., une agrémentation pour L.4.1. est requise.
  L.5. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément.
  Les critères de réussite pour 1) à 2) inclus sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 3), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  Pour le paquet L.5.9., un laboratoire doit également réussir une épreuve pratique concernant le poids des poussières. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure du poids des poussières s'élève au maximum à 15 % au niveau bas (< 20 mg/Nm3) et au maximum à 10 % au niveau haut (=> 20 mg/Nm3).
  L.6. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure continue de la teneur en hydrocarbure totale (COT) par FID;
  4) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'hydrocarbures aromatiques, d'hydrocarbures paraffiniques, d'hydrocarbures halogénés aliphatiques, d'esters, de cétones, d'alcools ou d'éthers.
  Les critères de réussite pour 1) à 3) inclus sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 4), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration d'hydrocarbures aromatiques, d'hydrocarbures paraffiniques, d'hydrocarbures halogénés aliphatiques, d'esters, de cétones, d'alcools ou d'éthers s'élève au maximum à 20% par rapport à la concentration offerte.
  L.7. :
  1) être agréé pour le paquet L.6.;
  2) réussir une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.8. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en hydrocarbure totale (COT) par FID continue;
  4) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément.
  Les critères de réussite pour 1) à 3) inclus sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 4), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.9. :
  1) être agréé pour le paquet L.2.;
  2) réussir une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte (dans un échantillon de test solide ou liquide).
  L.10. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément.
  Les critères de réussite pour 1) et 2) sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 3), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.11. :
  L.11.1. : réussir :
  1) un examen à choix multiple sur la législation VLAREM pertinente et les termes et notions, le code de bonne pratique applicable en Région flamande, la norme NBN-EN 15446, et les parties spécifiques applicables de l'EPA Méthode 21, du Protocole EPA 453/R-95-017, et d'ISO 17025;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations : deux concentrations, soit de propane et de butanol, soit de méthane, doivent être mesurées correctement par le laboratoire en utilisant un appareil portable calibré. Le calibrage de cet appareil doit être présenté sur les lieux;
  3) une épreuve pratique concernant LDAR (la détection et réparation de fuites) : deux scénarios doivent être mesurés à l'aide d'une disposition limitée composée d'appareils qui ont des fuites maîtrisables, laissant échapper du propane pure ou un autre gaz dont la composition est communiquée. Dans les deux scénarios, il existe à chaque fois un certain nombre inconnu de grosses et de petites fuites à certains endroits. Le calcul de l'émission en kg/h ou kg/an doit être effectué selon l'EPA Correlation Approach du Protocole EPA 453/R-95-017.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70% de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30% de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses;
  2) la divergence de mesure de la concentration soit de propane et de butanol, soit de méthane, s'élève au maximum à 50% par rapport à la concentration offerte;
  3) pour ce qui concerne l'épreuve pratique en matière de LDAR, toutes les fuites présentes ont été localisées correctement et lorsque la divergence de l'émission annuelle calculée diverge au maximum d'un facteur 2 (entre 50 et 200 %) de l'émission réelle pour chaque scénario.
  L.11.2. :
  1) être agréé pour l'analyse du paramètre à déterminer grâce au paquet L.4., L.5., L.6., L.7., L.8., L.9., L.10., L.15. ou L.17.;
  2) réussir l'épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, se composant de la mesure à une source de surface du débit, de la concentration et du flux de masse d'un composant à déterminer. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de l'émission diffuse mesurée s'élève au maximum à 50 % par rapport à l'émission offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.12. : réussir :
  1) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon;
  2) un examen à choix multiple sur la législation pertinente relative à la qualité de l'air et sur les normes pertinentes relatives à la méthode de mesure.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) pour l'épreuve pratique, la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée;
  2) au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70 % de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30 % de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses.
  L.13. : réussir :
  1) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon;
  2) un examen à choix multiple sur la législation pertinente relative à la qualité de l'air et sur les normes pertinentes relatives à la méthode de mesure.
  Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.12.
  L.14. : réussir :
  1) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon;
  2) un examen à choix multiple sur la législation pertinente relative à la qualité de l'air et sur les normes pertinentes relatives à la méthode de mesure.
  Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.12.
  L.15. : participer à un test de l'anneau et obtenir une évaluation favorable.
  L.16. :
  1) être agréé pour le paquet L.2.;
  2) être agréé pour la mesure du paramètre demandé. Pour ce qui concerne les paquets L.16.1., L.16.2. et L.16.3., la divergence de mesure lors d'une épreuve pratique pour le paquet demandé s'élève au maximum à 10 % par rapport à la concentration offerte, à l'exception des substances pour lesquelles la divergence de mesure s'élève au maximum à 7,5 % pour les teneurs basses (< 20 mg/Nm3) et au maximum à 5 % pour les teneurs hautes (=> 20 mg/Nm3);
  3) réussir un examen à choix multiple sur le code de bonne pratique applicable en Région flamande, EN 14181 et CEN/TR 15983.
  Un laboratoire réussit lorsqu'au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70 % de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30 % de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses.
  L.17. :
  1) réussir une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, la vitesse de gaz et le débit de gaz. Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.2.
  2) réussir une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'échantillons pour lesquels la divergence de mesure s'élève au maximum à 50 %, ou participer à un test de l'anneau et obtenir une évaluation favorable.
  L.18. :
  1) un examen à choix multiple sur le code de bonne pratique applicable en Région flamande;
  2) un test pratique mettant à l'épreuve la sensibilité des renifleurs au moyen d'un olfactomètre et du butanol.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70 % de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30 % de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses;
  2) le seuil olfactif individuel du butanol s'élève entre 20 et 80 ppb;
  3) la preuve de la sensibilité des renifleurs peut être fournie suivant les conditions d'EN 13725.
  L.19. :
  L.19.1. :
  1) disposer de la méthode par chimie humide pour déterminer le taux d'ammoniaque dans l'air;
  2) disposer d'une procédure pour mesurer le taux d'ammoniaque dans des émissions conduites et d'une procédure pour mesurer le taux d'ammoniaque et pour déterminer le rendement, spécifique pour les absorbeurs-neutralisateurs (émissions non conduites);
  3) réussir :
  a) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, la vitesse de gaz et le débit de gaz;
  b) une épreuve pratique concernant la mesure d'ammoniaque gazeux;
  c) une épreuve pratique concernant la mesure d'ammoniaque et de sulfate dans les eaux de lessivage.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) la divergence de mesure de la teneur en eau s'élève au maximum à 15 % par rapport à la teneur offerte;
  2) la divergence de mesure de la température des gaz de fumée s'élève au maximum à 2 °C par rapport à la température des gaz de fumée offerte;
  3) la divergence de mesure de la vitesse de gaz s'élève au maximum à (12,5 % - 0,53 x la vitesse de gaz offerte);
  4) la divergence de mesure de la concentration d'ammoniaque gazeux s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte;
  5) la divergence de mesure de la concentration d'ammoniaque et de sulfate dans les eaux de lessivage s'élève au maximum à 20% par rapport à la concentration offerte.
  L.19.2. : réussir une épreuve pratique pour mesurer le taux d'ammoniaque gazeux. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration d'ammoniaque s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte.
  3° Les critères pour l'évaluation favorable du paquet, visé aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), 3), et 44, alinéa quatre, 2°, c), pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, c), sont les suivants :
  1) réussir une épreuve pratique d'échantillonnage suivant le compendium d'échantillonnage, de mesure et d'analyse dans le cadre de la protection du sol. Il est demandé au laboratoire de présenter les aspects spécifiques de l'échantillonnage. Les défauts constatés ont été éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent avoir été approuvées par un laboratoire de référence;
  2) lors de la détermination de la texture du sol par détermination manuelle :
  a) réussir une épreuve pratique pour la détermination manuelle de la texture du sol. Une personne réussit lorsque la texture du sol a été déterminée correctement pour au moins six des sept échantillons présentés;
  b) lors d'une demande d'agrément initiale ou lors de l'extension de l'agrément d'une ou de plusieurs personnes, tous les participants qui ne sont pas encore agréés doivent réussir le test.
  Lors d'un contrôle tel que visé à l'article 44, toutes les personnes agréées sont obligées de participer. Lorsqu'elles ne réussissent pas, les défauts constatés doivent être éliminés. Les mesures de correction prises à cet effet doivent être approuvées par un laboratoire de référence;
  c) l'agrément pour la détermination manuelle de la texture du sol est liée à une personne physique. Au moins une personne physique agréée pour la détermination manuelle de la texture du sol doit travailler au laboratoire. Lorsqu'une personne agréée ne réussit pas l'épreuve pratique à deux reprises consécutives lors d'un contrôle tel que visé à l'article 44, son agrément est supprimé.
-
(NOTE : Modifiée par AGF 2013-03-01/22, art. 178, 003; Entrée en vigueur : 03-05-2013; non reprise pour des raisons techniques)
-
  Modifié par:
-
  
  
  
Art. N10. Bijlage 10. - Criteria voor een gunstige beoordeling van de pakketten, vermeld in artikel 25, 2°, tweede lid, b), en artikel 44, vierde lid, 2°, voor laboratoria als vermeld in artikel 6, 5°
  1° De criteria voor een gunstige beoordeling van de pakketten, vermeld in artikel 25, 2°, tweede lid, b), 1), en artikel 44, vierde lid, 2°, a), voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, a), zijn de volgende :
  Het laboratorium moet slagen voor een praktische proef. De praktische proef bestaat in het bijwonen van de uitvoering van een typische monsterneming, meting, beproeving of analyse waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft. Aan het laboratorium wordt gevraagd om specifieke aspecten van de uitvoering te demonstreren of bijkomende controlemonsters op te nemen in de beproevings-, meet- of analysereeks.
  Een laboratorium is geslaagd voor een praktische proef als de vastgestelde tekortkomingen door het laboratorium werden weggewerkt. De corrigerende maatregelen moeten door een referentielaboratorium zijn goedgekeurd.
  Voor pakket W.1.8. gebeurt bijkomend een documentair nazicht van de inhoud van de rapporten in verband met de controles en van de meetonzekerheid van de door het laboratorium gehanteerde apparatuur. De vastgestelde tekortkomingen moeten door het laboratorium worden weggewerkt. De corrigerende maatregelen moeten door een referentielaboratorium zijn goedgekeurd.
  Voor pakket W.3.2. gebeurt bijkomend een documentair nazicht van de berekeningswijze. De vastgestelde tekortkomingen moeten door het laboratorium worden weggewerkt. De corrigerende maatregelen moeten door een referentielaboratorium zijn goedgekeurd.
  2° De criteria voor een gunstige beoordeling van de pakketten, vermeld in artikel 25, 2°, tweede lid, b), 2), en artikel 44, vierde lid, 2°, b), voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, b), zijn de volgende :
  L.1. : slagen voor een praktische proef waarbij het correcte gebruik van de apparatuur wordt gedemonstreerd. In het geval van afgassen is een opstelling vereist die ook bij onderdruk of overdruk in het gaskanaal een correct aangezogen volume garandeert.
  L.2. : slagen voor :
  1) een praktische proef over stofweging;
  2) een praktische proef over het meten van concentraties van SO2, NOx, O2, CO2, CO en TOC;
  3) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, het volume en de gassnelheid.
  Een laboratorium is geslaagd als :
  1) de meetafwijking van de concentratie van gasvormige componenten maximaal 15 % bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie;
  2) de meetafwijking van het watergehalte maximaal 15 % bedraagt ten opzichte van het aangeboden gehalte;
  3) de meetafwijking van de rookgastemperatuur maximaal 2 °C bedraagt ten opzichte van de aangeboden rookgastemperatuur;
  4) de meetafwijking van het volume maximaal 8 % bedraagt ten opzichte van het aangeboden volume;
  5) de meetafwijking van de gassnelheid maximaal (12,5 % - 0,53 x aangeboden gassnelheid) bedraagt;
  6) de meetafwijking van stofweging op laag niveau (< 20 mg/Nm3) maximaal 15 % en op hoog niveau (=> 20 mg/Nm3) maximaal 10 % bedraagt;
  7) de absolute afwijking van O2 maximaal 0,3 % bedraagt.
  L.3. : slagen voor :
  1) een praktische proef over stofweging;
  2) een praktische proef over het meten van concentraties van O2, CO, CO2, NOx en SO2;
  3) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, het volume en de gassnelheid.
  De slagingscriteria zijn identiek aan die van pakket L.2.
  L.4. : slagen voor :
  1) een praktische proef over stofweging;
  2) een praktische proef over het meten van concentraties van O2 en CO2;
  3) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, het volume en de gassnelheid;
  4) een praktische proef, als die beschikbaar is, over het meten van concentraties van gasvormig Hg;
  5) een praktische proef, als die beschikbaar is, over de analyse van een vliegasstaal waarin zich een aantal zware metalen bevinden met een bepaalde concentratie.
  De slagingscriteria voor 1) tot en met 3) zijn identiek aan die van L.2. Voor 4) is een laboratorium geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van gasvormig Hg maximaal 20 % bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie. Voor 5) is een laboratorium geslaagd als de resultaten maximaal 20% van de referentiewaarde afwijken, met uitzondering van de resultaten voor de metalen Tl, Se, Be, Sn en As, waarbij een afwijking van maximaal 30% is toegestaan. Als er geen praktische proef beschikbaar is, wordt de validatie van de methode gecontroleerd.
  Voor een parameter als vermeld in pakket L.4.2., L.4.3. en L.4.4. is een erkenning nodig voor L.4.1.
  L.5. : slagen voor :
  1) een praktische proef over het meten van concentraties van O2 en CO2;
  2) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, het volume en de gassnelheid;
  3) een praktische proef, als die beschikbaar is, over het meten van de concentraties van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft.
  De slagingscriteria voor 1) tot en met 2) zijn identiek aan die van pakket L.2. Voor 3) is een laboratorium geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft, maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie. Als er geen praktische proef beschikbaar is, wordt de validatie van de methode gecontroleerd.
  Voor het pakket L.5.9. moet een laboratorium eveneens slagen voor een praktische proef over stofweging. Een laboratorium is geslaagd als de meetafwijking van stofweging op laag niveau (< 20 mg/Nm3) maximaal 15% en op hoog niveau (=> 20 mg/Nm3) maximaal 10% bedraagt.
  L.6. : slagen voor :
  1) een praktische proef over het meten van concentraties van O2 en CO2;
  2) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, het volume en de gassnelheid;
  3) een praktische proef over het continu meten van het totale koolwaterstofgehalte (TOC) met FID;
  4) een praktische proef over het meten van de concentraties van aromatische koolwaterstoffen, paraffinische koolwaterstoffen, alifatische halogeenkoolwaterstoffen, esters, ketonen, alcoholen of ethers.
  De slagingscriteria voor 1) tot en met 3) zijn identiek aan die van pakket L.2. Voor 4) is een laboratorium geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van aromatische koolwaterstoffen, paraffinische koolwaterstoffen, alifatische halogeenkoolwaterstoffen, esters of ketonen, alcoholen of ethers maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie.
  L.7. :
  1) erkend zijn voor het pakket L.6.;
  2) slagen voor een praktische proef, als die beschikbaar is, over het meten van de concentraties van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft. Een laboratorium is geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft, maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie. Als er geen praktische proef beschikbaar is, wordt de validatie van de methode gecontroleerd.
  L.8. : slagen voor :
  1) een praktische proef over het meten van concentraties van O2 en CO2;
  2) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, het volume en de gassnelheid;
  3) een praktische proef over het meten van het totale koolwaterstofgehalte (TOC) met continue FID;
  4) een praktische proef, als die beschikbaar is, voor het meten van de concentraties van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft.
  De slagingscriteria voor 1) tot en met 3) zijn identiek aan die van pakket L.2. Voor 4) is een laboratorium geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van de parameter maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie. Als er geen praktische proef beschikbaar is, wordt de validatie van de methode gecontroleerd.
  L.9. :
  1) erkend zijn voor het pakket L.2.;
  2) slagen voor een praktische proef over het meten van de concentraties van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft. Een laboratorium is geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft, maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie (in een vast of vloeibaar testmonster).
  L.10. : slagen voor :
  1) een praktische proef over het meten van concentraties van O2 en CO2;
  2) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, het volume en de gassnelheid;
  3) een praktische proef, als die beschikbaar is, over het meten van de concentraties van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft.
  De slagingscriteria voor 1) en 2) zijn identiek aan die van pakket L.2. Voor 3) is een laboratorium geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft, maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie. Als er geen praktische proef beschikbaar is, wordt de validatie van de methode gecontroleerd.
  L.11. :
  L.11.1. : slagen voor :
  1) een multiplechoice-examen over de relevante VLAREM-wetgeving en de termen en begrippen, de code van goede praktijk die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, de norm NBN-EN 15446, en de specifieke delen die van toepassing zijn uit de EPA Method 21 en Protocol EPA 453/R-95-017, en ISO 17025;
  2) een praktische proef in verband met concentratiemeting : twee concentraties van hetzij propaan en butanol, hetzij methaan moeten door het laboratorium met een gekalibreerd draagbaar toestel correct gemeten worden. De kalibratie van dit toestel moet ter plaatse gedemonstreerd worden;
  3) een praktische proef in verband met LDAR : twee scenario's moeten worden doorgemeten op een kleine opstelling met aanstuurbare lekkende apparaten waaruit zuiver propaan of een ander gas waarvan de samenstelling wordt meegedeeld, stroomt. Een onbekend aantal grote en kleine lekken zijn telkens aanwezig op verschillende punten in de beide scenario's. De berekening van de uitstoot in kg/h of kg/jaar moet gebeuren volgens de EPA Correlation Approach van Protocol EPA 453/R-95-017.
  Een laboratorium is geslaagd als :
  1) minimaal één persoon van het laboratorium slaagt voor het multiplechoice-examen door minimaal 70% correcte antwoorden, maximaal 20% slechte antwoorden, en maximaal 30% ontbrekende antwoorden te geven, berekend op het aantal goede antwoorden;
  2) de meetafwijking van de concentratie van hetzij propaan en butanol, hetzij methaan, maximaal 50% bedraagt ten opzicht van de aangeboden concentratie;
  3) voor de praktische proef in verband met LDAR al de aangeboden lekken correct gelokaliseerd werden en als de afwijking van de berekende jaarlijkse emissie maximaal een factor 2 (tussen 50 en 200%) verschilt van de werkelijke emissie voor elk scenario.
  L.11.2. :
  1) erkend zijn voor de analyse van de te bepalen parameter via het pakket L.4., L.5., L.6., L.7., L.8., L.9., L.10., L.15. of L.17.;
  2) slagen voor een praktische proef, als die beschikbaar is, bestaande uit het meten van het debiet, de concentratie en massaflux van een te bepalen component aan een oppervlaktebron. Een laboratorium is geslaagd als de afwijking op de gemeten diffuse emissie maximaal 50% bedraagt ten opzichte van de aangeboden emissie. Als er geen praktische proef beschikbaar is, wordt de validatie van de methode gecontroleerd.
  L.12. : slagen voor :
  1) een praktische proef, als die beschikbaar is, over de analyse van een staal;
  2) een multiplechoice-examen over de relevante wetgeving in verband met luchtkwaliteit en relevante normen over de meetmethode.
  Een laboratorium is geslaagd als :
  1) voor de praktische proef de concentratie van de parameter waarop de aanvraag of erkenning betrekking heeft, maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie. Als er geen praktische proef beschikbaar is, wordt de validatie van de methode gecontroleerd;
  2) minimaal één persoon van het laboratorium slaagt voor het multiplechoice-examen door minimaal 70% correcte antwoorden, maximaal 20% slechte antwoorden, en maximaal 30% ontbrekende antwoorden te geven, berekend op het aantal goede antwoorden.
  L.13. : slagen voor :
  1) een praktische proef, als die beschikbaar is, over de analyse van een staal;
  2) een multiplechoice-examen over de relevante wetgeving in verband met luchtkwaliteit en relevante normen over de meetmethode.
  De slagingscriteria zijn identiek aan die van pakket L.12.
  L.14. : slagen voor :
  1) een praktische proef, als die beschikbaar is, over de analyse van een staal;
  2) een multiplechoice-examen over de relevante wetgeving in verband met luchtkwaliteit en relevante normen over de meetmethode.
  De slagingscriteria zijn identiek aan die van pakket L.12.
  L.15. : deelname aan een ringtest met een gunstige beoordeling.
  L.16. :
  1) erkend zijn voor het pakket L.2.;
  2) erkend zijn voor het meten van de aangevraagde parameter. Voor de pakketten L.16.1., L.16.2. en L.16.3. geldt dat de maximale meetafwijking bij een praktische proef voor het aangevraagde pakket maximaal 10% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie, uitgezonderd voor stof waarbij de maximale meetafwijking maximaal 7,5% voor de lage gehaltes (< 20 mg/Nm3) en maximaal 5% voor de hoge gehaltes (=> 20 mg/Nm3) bedraagt;
  3) slagen voor een multiplechoice-examen over de code van goede praktijk die van toepassing is in het Vlaamse Gewest, EN 14181 en CEN/TR 15983.
  Een laboratorium is geslaagd als minimaal één persoon van het laboratorium slaagt voor het multiplechoice-examen door minimaal 70% correcte antwoorden, maximaal 20% slechte antwoorden, en maximaal 30% ontbrekende antwoorden te geven, berekend op het aantal goede antwoorden.
  L.17. :
  1) slagen voor een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, de gassnelheid en gasdebiet. De slagingscriteria zijn identiek aan die van pakket L.2.
  2) slagen voor een praktische proef, als die beschikbaar is, over de analyse van stalen waarbij de maximale meetafwijking 50% bedraagt, of deelname aan een ringtest met een gunstige beoordeling.
  L.18. :
  1) een multiplechoice-examen over de code van goede praktijk die van toepassing is in het Vlaamse Gewest;
  2) een praktische test waarbij de gevoeligheid van de snuffelaars wordt getest via een olfactometer met butanol.
  Een laboratoruim is geslaagd als :
  1) minimaal 1 persoon van het laboratorium slaagt voor het multiplechoice-examen door minimaal 70% correcte antwoorden, maximaal 20% slechte antwoorden, en maximaal 30% ontbrekende antwoorden te geven, berekend op het aantal goede antwoorden;
  2) de individuele geurdrempel voor butanol tussen 20 en 80 ppb ligt;
  3) het bewijs van de gevoeligheid van de snuffelaars volgens de voorwaarden van de EN 13725 geleverd kan worden.
  L.19. :
  L.19.1. :
  1) beschikken over de natchemische methode voor de bepaling van ammoniak in lucht;
  2) beschikken over een procedure voor ammoniakmeting in geleide emissies en een procedure voor ammoniakmeting en rendementsbepaling, specifiek op gaswassers (niet-geleide emissies);
  3) slagen voor :
  a) een praktische proef over het meten van het watergehalte, de rookgastemperatuur, de gassnelheid en het gasdebiet;
  b) een praktische proef over het meten van gasvorming ammoniak;
  c) een praktische proef over het meten van ammoniak en sulfaat in waswater.
  Een laboratorium is geslaagd als :
  1) de meetafwijking van het watergehalte maximaal 15% bedraagt ten opzichte van het aangeboden gehalte;
  2) de meetafwijking van de rookgastemperatuur maximaal 2° C bedraagt ten opzichte van de aangeboden rookgastemperatuur;
  3) de meetafwijking van de gassnelheid maximaal (12,5% - 0,53 x aangeboden gassnelheid) bedraagt;
  4) de meetafwijking van de concentratie gasvormig ammoniak maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie;
  5) de meetafwijking van de concentratie ammoniak en sulfaat in waswater maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie.
  L.19.2. : slagen voor een praktische proef voor de meting van gasvorming ammoniak. Een laboratorium is geslaagd als de meetafwijking van de concentratie van ammoniak maximaal 20% bedraagt ten opzichte van de aangeboden concentratie.
  3° De criteria voor een gunstige beoordeling van het pakket, vermeld in artikel 25, 2°, tweede lid, b), 3), en artikel 44, vierde lid, 2°, c), voor een laboratorium als vermeld in artikel 6, 5°, c), zijn de volgende :
  1) slagen voor een praktische proef voor monsterneming volgens het compendium voor de monsterneming, meting en analyse in het kader van bodembescherming. Aan het laboratorium wordt gevraagd om specifieke aspecten van de monsterneming te demonstreren. De vastgestelde tekortkomingen werden door het laboratorium weggewerkt. De corrigerende maatregelen moeten door een referentielaboratorium zijn goedgekeurd;
  2) bij de bepaling van de bodemtextuur volgens de handmatige bepaling :
  a) slagen voor een praktische proef voor de handmatige bodemtextuurbepaling. Een persoon is geslaagd als de bodemtextuur voor minimaal zes van de zeven aangeboden monsters correct bepaald werd;
  b) bij een initiële erkenningsaanvraag of bij een uitbreiding van de erkenning met één of meerdere personen moeten alle deelnemers die nog niet erkend zijn, slagen voor de test.
  Bij een controle als vermeld in artikel 44 moeten alle erkende personen verplicht deelnemen. Als ze niet slagen, moeten de vastgestelde tekortkomingen weggewerkt worden. De daarvoor genomen corrigerende maatregelen moeten door een referentielaboratorium worden goedgekeurd;
  c) de erkenning voor de handmatige bodemtextuurbepaling is gebonden aan een natuurlijk persoon. Minimaal één natuurlijke persoon die erkend is voor de handmatige bodemtextuurbepaling, moet werkzaam zijn bij het laboratorium. Als een erkende persoon tweemaal op rij niet slaagt voor de praktische proef bij een controle als vermeld in artikel 44, wordt zijn erkenning opgeheven.
Art. N10. Annexe 10. - Critères pour l'évaluation favorable des paquets, visés aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), et 44, alinéa quatre, 2°, pour les laboratoires tels que visés à l'article 6, 5°
  1° Les critères pour l'évaluation favorable des paquets, visés aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), et 44, alinéa quatre, 2°, pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, a), sont les suivants :
  Le laboratoire doit réussir une épreuve pratique. L'épreuve pratique consiste en la participation à l'exécution d'un échantillonnage, d'une mesure, d'un essai ou d'une analyse typique à laquelle se rapporte la demande ou l'agrément. Il est demandé au laboratoire de présenter des aspects spécifiques de l'exécution ou de prélever des échantillons de contrôle supplémentaires lors de la série d'essai, de mesure ou d'analyse.
  Un laboratoire réussit une épreuve pratique lorsque les défauts constatés ont été éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent être approuvées par un laboratoire de référence.
  Pour le paquet W.1.8., une vérification documentaire supplémentaire a lieu du contenu des rapports concernant les contrôles et de l'incertitude de mesure des appareils utilisés par le laboratoire. Les défauts constatés doivent être éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent être approuvées par un laboratoire de référence.
  Pour le paquet W.3.2., une vérification documentaire supplémentaire a lieu du mode de calcul. Les défauts constatés doivent être éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent être approuvées par un laboratoire de référence.
  2° Les critères pour l'évaluation favorable des paquets, visés aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), 2), et 44, alinéa quatre, 2°, b), pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, b), sont les suivants :
  L.1. : réussir une épreuve pratique, présentant l'utilisation correcte des appareils. Dans le cas de gaz résiduaires, une disposition est requise garantissant un volume aspiré correct, également en cas de dépression ou de surpression, dans le canal à gaz.
  L.2. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant le poids des poussières;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations de SO2, NOx, O2, CO2, CO et COT;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz.
  Un laboratoire a réussi lorsque :
  1) la divergence de mesure de la concentration de composants gazeux s'élève au maximum à 15% par rapport à la concentration offerte;
  2) la divergence de mesure de la teneur en eau s'élève au maximum à 15% par rapport à la teneur offerte;
  3) la divergence de mesure de la température des gaz de fumée s'élève au maximum à 2 °C par rapport à la température des gaz de fumée offerte;
  4) la divergence de mesure du volume s'élève au maximum à 8% par rapport au volume offert;
  5) la divergence de mesure de la vitesse de gaz maximale s'élève au maximum à (12,5 % - 0,53 x la vitesse de gaz offerte);
  6) la divergence de mesure du poids des poussières s'élève au maximum à 15 % au niveau bas (< 20 mg/Nm3) et au maximum à 10% au niveau haut (=> 20 mg/Nm3);
  7) la divergence absolue d'O2 s'élève au maximum à 0,3 %.
  L.3. : réussir :
  1) une épreuve pratique sur le poids des poussières;
  2) une épreuve pratique sur la mesure des concentrations d'O2, de CO, CO2, NOx et de SO2;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz.
  Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.2.
  L.4. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant le poids des poussières;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  4) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations de Hg gazeux;
  5) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon de cendres volantes dans lequel se trouvent un certain nombre de métaux lourds d'une certaine concentration.
  Les critères de réussite pour 1) à 3) inclus sont identiques à ceux de L.2. Pour ce qui concerne 4), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration de Hg gazeux s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Pour ce qui concerne 5), un laboratoire réussit lorsque la divergence des résultats s'élèvent au maximum à 20 % par rapport à la valeur de référence, à l'exception des résultats pour les métaux Tl, Se, Be, Sn et As, pour lesquels une divergence s'élevant au maximum à 30 % est permise. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  Pour un paramètre tel que visé aux paquets L.4.2., L.4.3. et L.4.4., une agrémentation pour L.4.1. est requise.
  L.5. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément.
  Les critères de réussite pour 1) à 2) inclus sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 3), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  Pour le paquet L.5.9., un laboratoire doit également réussir une épreuve pratique concernant le poids des poussières. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure du poids des poussières s'élève au maximum à 15 % au niveau bas (< 20 mg/Nm3) et au maximum à 10 % au niveau haut (=> 20 mg/Nm3).
  L.6. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure continue de la teneur en hydrocarbure totale (COT) par FID;
  4) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'hydrocarbures aromatiques, d'hydrocarbures paraffiniques, d'hydrocarbures halogénés aliphatiques, d'esters, de cétones, d'alcools ou d'éthers.
  Les critères de réussite pour 1) à 3) inclus sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 4), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration d'hydrocarbures aromatiques, d'hydrocarbures paraffiniques, d'hydrocarbures halogénés aliphatiques, d'esters, de cétones, d'alcools ou d'éthers s'élève au maximum à 20% par rapport à la concentration offerte.
  L.7. :
  1) être agréé pour le paquet L.6.;
  2) réussir une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.8. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en hydrocarbure totale (COT) par FID continue;
  4) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément.
  Les critères de réussite pour 1) à 3) inclus sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 4), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.9. :
  1) être agréé pour le paquet L.2.;
  2) réussir une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte (dans un échantillon de test solide ou liquide).
  L.10. : réussir :
  1) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations d'O2 et de CO2;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, le volume et la vitesse de gaz;
  3) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant la mesure des concentrations du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément.
  Les critères de réussite pour 1) et 2) sont identiques à ceux du paquet L.2. Pour ce qui concerne 3), un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.11. :
  L.11.1. : réussir :
  1) un examen à choix multiple sur la législation VLAREM pertinente et les termes et notions, le code de bonne pratique applicable en Région flamande, la norme NBN-EN 15446, et les parties spécifiques applicables de l'EPA Méthode 21, du Protocole EPA 453/R-95-017, et d'ISO 17025;
  2) une épreuve pratique concernant la mesure des concentrations : deux concentrations, soit de propane et de butanol, soit de méthane, doivent être mesurées correctement par le laboratoire en utilisant un appareil portable calibré. Le calibrage de cet appareil doit être présenté sur les lieux;
  3) une épreuve pratique concernant LDAR (la détection et réparation de fuites) : deux scénarios doivent être mesurés à l'aide d'une disposition limitée composée d'appareils qui ont des fuites maîtrisables, laissant échapper du propane pure ou un autre gaz dont la composition est communiquée. Dans les deux scénarios, il existe à chaque fois un certain nombre inconnu de grosses et de petites fuites à certains endroits. Le calcul de l'émission en kg/h ou kg/an doit être effectué selon l'EPA Correlation Approach du Protocole EPA 453/R-95-017.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70% de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30% de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses;
  2) la divergence de mesure de la concentration soit de propane et de butanol, soit de méthane, s'élève au maximum à 50% par rapport à la concentration offerte;
  3) pour ce qui concerne l'épreuve pratique en matière de LDAR, toutes les fuites présentes ont été localisées correctement et lorsque la divergence de l'émission annuelle calculée diverge au maximum d'un facteur 2 (entre 50 et 200 %) de l'émission réelle pour chaque scénario.
  L.11.2. :
  1) être agréé pour l'analyse du paramètre à déterminer grâce au paquet L.4., L.5., L.6., L.7., L.8., L.9., L.10., L.15. ou L.17.;
  2) réussir l'épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, se composant de la mesure à une source de surface du débit, de la concentration et du flux de masse d'un composant à déterminer. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de l'émission diffuse mesurée s'élève au maximum à 50 % par rapport à l'émission offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée.
  L.12. : réussir :
  1) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon;
  2) un examen à choix multiple sur la législation pertinente relative à la qualité de l'air et sur les normes pertinentes relatives à la méthode de mesure.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) pour l'épreuve pratique, la concentration du paramètre auquel se rapporte la demande ou l'agrément s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte. Lorsqu'une épreuve pratique n'est pas disponible, la validation de la méthode est contrôlée;
  2) au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70 % de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30 % de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses.
  L.13. : réussir :
  1) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon;
  2) un examen à choix multiple sur la législation pertinente relative à la qualité de l'air et sur les normes pertinentes relatives à la méthode de mesure.
  Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.12.
  L.14. : réussir :
  1) une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'un échantillon;
  2) un examen à choix multiple sur la législation pertinente relative à la qualité de l'air et sur les normes pertinentes relatives à la méthode de mesure.
  Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.12.
  L.15. : participer à un test de l'anneau et obtenir une évaluation favorable.
  L.16. :
  1) être agréé pour le paquet L.2.;
  2) être agréé pour la mesure du paramètre demandé. Pour ce qui concerne les paquets L.16.1., L.16.2. et L.16.3., la divergence de mesure lors d'une épreuve pratique pour le paquet demandé s'élève au maximum à 10 % par rapport à la concentration offerte, à l'exception des substances pour lesquelles la divergence de mesure s'élève au maximum à 7,5 % pour les teneurs basses (< 20 mg/Nm3) et au maximum à 5 % pour les teneurs hautes (=> 20 mg/Nm3);
  3) réussir un examen à choix multiple sur le code de bonne pratique applicable en Région flamande, EN 14181 et CEN/TR 15983.
  Un laboratoire réussit lorsqu'au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70 % de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30 % de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses.
  L.17. :
  1) réussir une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, la vitesse de gaz et le débit de gaz. Les critères de réussite sont identiques à ceux du paquet L.2.
  2) réussir une épreuve pratique, lorsqu'elle est disponible, concernant l'analyse d'échantillons pour lesquels la divergence de mesure s'élève au maximum à 50 %, ou participer à un test de l'anneau et obtenir une évaluation favorable.
  L.18. :
  1) un examen à choix multiple sur le code de bonne pratique applicable en Région flamande;
  2) un test pratique mettant à l'épreuve la sensibilité des renifleurs au moyen d'un olfactomètre et du butanol.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) au moins une personne du laboratoire réussit l'examen à choix multiple en donnant au minimum 70 % de réponses correctes, au maximum 20 % de réponses incorrectes et au maximum 30 % de réponses vides, calculées par rapport au nombre de bonnes réponses;
  2) le seuil olfactif individuel du butanol s'élève entre 20 et 80 ppb;
  3) la preuve de la sensibilité des renifleurs peut être fournie suivant les conditions d'EN 13725.
  L.19. :
  L.19.1. :
  1) disposer de la méthode par chimie humide pour déterminer le taux d'ammoniaque dans l'air;
  2) disposer d'une procédure pour mesurer le taux d'ammoniaque dans des émissions conduites et d'une procédure pour mesurer le taux d'ammoniaque et pour déterminer le rendement, spécifique pour les absorbeurs-neutralisateurs (émissions non conduites);
  3) réussir :
  a) une épreuve pratique concernant la mesure de la teneur en eau, la température des gaz de fumée, la vitesse de gaz et le débit de gaz;
  b) une épreuve pratique concernant la mesure d'ammoniaque gazeux;
  c) une épreuve pratique concernant la mesure d'ammoniaque et de sulfate dans les eaux de lessivage.
  Un laboratoire réussit lorsque :
  1) la divergence de mesure de la teneur en eau s'élève au maximum à 15 % par rapport à la teneur offerte;
  2) la divergence de mesure de la température des gaz de fumée s'élève au maximum à 2 °C par rapport à la température des gaz de fumée offerte;
  3) la divergence de mesure de la vitesse de gaz s'élève au maximum à (12,5 % - 0,53 x la vitesse de gaz offerte);
  4) la divergence de mesure de la concentration d'ammoniaque gazeux s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte;
  5) la divergence de mesure de la concentration d'ammoniaque et de sulfate dans les eaux de lessivage s'élève au maximum à 20% par rapport à la concentration offerte.
  L.19.2. : réussir une épreuve pratique pour mesurer le taux d'ammoniaque gazeux. Un laboratoire réussit lorsque la divergence de mesure de la concentration d'ammoniaque s'élève au maximum à 20 % par rapport à la concentration offerte.
  3° Les critères pour l'évaluation favorable du paquet, visé aux articles 25, 2°, alinéa deux, b), 3), et 44, alinéa quatre, 2°, c), pour un laboratoire tel que visé à l'article 6, 5°, c), sont les suivants :
  1) réussir une épreuve pratique d'échantillonnage suivant le compendium d'échantillonnage, de mesure et d'analyse dans le cadre de la protection du sol. Il est demandé au laboratoire de présenter les aspects spécifiques de l'échantillonnage. Les défauts constatés ont été éliminés par le laboratoire. Les mesures de correction doivent avoir été approuvées par un laboratoire de référence;
  2) lors de la détermination de la texture du sol par détermination manuelle :
  a) réussir une épreuve pratique pour la détermination manuelle de la texture du sol. Une personne réussit lorsque la texture du sol a été déterminée correctement pour au moins six des sept échantillons présentés;
  b) lors d'une demande d'agrément initiale ou lors de l'extension de l'agrément d'une ou de plusieurs personnes, tous les participants qui ne sont pas encore agréés doivent réussir le test.
  Lors d'un contrôle tel que visé à l'article 44, toutes les personnes agréées sont obligées de participer. Lorsqu'elles ne réussissent pas, les défauts constatés doivent être éliminés. Les mesures de correction prises à cet effet doivent être approuvées par un laboratoire de référence;
  c) l'agrément pour la détermination manuelle de la texture du sol est liée à une personne physique. Au moins une personne physique agréée pour la détermination manuelle de la texture du sol doit travailler au laboratoire. Lorsqu'une personne agréée ne réussit pas l'épreuve pratique à deux reprises consécutives lors d'un contrôle tel que visé à l'article 44, son agrément est supprimé.
(NOTE : Modifiée par AGF 2013-03-01/22, art. 178, 003; Entrée en vigueur : 03-05-2013; non reprise pour des raisons techniques)
  Gewijzigd bij:
  Modifié par:
  
  
  
  
  
  
Art. N10 /1. [1 Bijlage 10/1. - Voorwaarden voor acceptatie van ringtesten
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-04-2013, p. 24546-24547)]1

  
Art. N11. Annexe 11. - Annexe insérant l'annexe XXII à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement,
  " Annexe XXII
  Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, est considéré comme une infraction environnementale.
-

  
ArticleObligation légale
  
Art. 34, § 4, phrase deuxCes attestations, constatations, rapports et autres documents sont signés par la personne agréée.
  
Art. 37, 3°L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2), tient un manuel de qualité comprenant au moins le contenu visé à l'annexe 7.
  
Art. 46, § 2Le laboratoire agréé met tous les informations et documents, qu'ils demandent concernant l'agrément, à la disposition des membres du personnel compétents du VITO.
  
Art. 49Il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas. Les résultats de mesures et d'analyses sont exprimés de telle façon qu'il est possible de les comparer immédiatement à la valeur limite d'émission ou à la norme.
  
Art. 50, phrase deuxCes données sont conservées pendant au moins cinq ans et restent à disposition de la division et du VITO.
  
Art. 50, dernière phraseLe laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
  1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons et qui les a confiés au laboratoire, et l'identification complète des échantillons lorsque l'échantillonnage a été exécuté par le laboratoire agréé, ou le nom de tiers et l'identification complète des échantillons;
  2° le rapport de l'analyse, avec mention de la méthode utilisée, des circonstances de mesure et d'analyse, des résultats des mesures et, le cas échéant, des dérogations à la méthode de mesure et d'analyse et le motif.
  
Art. 52Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), établit les avis relatifs à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, conformément au Code de bonne pratique de la protection du sol.
  
Art. 53, 1°, phrase deuxLorsque le laboratoire fait exécuter des échantillonnages, des mesures, des essais et des analyses dans un autre laboratoire agréé à cet effet, la sous-traitance en question doit être mentionnée explicitement sur les rapports et les autres documents délivrés par le laboratoire agréé;

  ".
Art. N11. Bijlage 11. - Bijlage ter toevoeging van bijlage XXII aan het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  " Bijlage XXII
  Lijst van de milieu-inbreuken, ter uitvoering van artikel 16.1.2, 1°, f), en artikel 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid
  Enig artikel. Het niet-voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake erkenningen met betrekking tot het leefmilieu, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk.
Art. N11. Annexe 11. - Annexe insérant l'annexe XXII à l'arrêté du Gouvernement flamand du 12 décembre 2008 portant exécution du titre XVI du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement,
  " Annexe XXII
  Liste des infractions environnementales, en exécution de l'article 16.1.2, 1°, f), et de l'article 16.4.27, alinéa trois, du décret du 5 avril 1995 contenant des dispositions générales concernant la politique de l'environnement
  Article unique. Le non-respect des obligations légales suivantes, visées à l'arrêté du Gouvernement flamand du 19 novembre 2010 fixant le règlement flamand relatif aux agréments en matière de l'environnement, est considéré comme une infraction environnementale.

  
ArtikelWettelijke verplichting
  
Art. 34, § 4, tweede zinDie attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.
  
Art. 37, 3°De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2), houdt een kwaliteitshandboek bij dat minstens de inhoud, vermeld in bijlage 7, bevat.
  
Art. 46, § 2Het erkende laboratorium stelt aan de bevoegde personeelsleden van de VITO alle inlichtingen en documenten ter beschikking die ze vragen met betrekking tot de erkenning.
  
Art. 49Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet. De meet- en analyseresultaten worden zodanig uitgedrukt dat toetsing aan de emissiegrenswaarde of norm onmiddellijk mogelijk is.
  
Art. 50, tweede zinDie gegevens blijven gedurende ten minste vijf jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de afdeling en de VITO.
  
Art. 50, laatste zinHet erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :
  1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft en ze aan het laboratorium heeft toevertrouwd, en de volledige identificatie van de monsters als de monsterneming door het erkende laboratorium werd uitgevoerd, of de naam van derden en de volledige identificatie van de monsters;
  2° het verslag van de analyse, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden, de resultaten van de metingen en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.
  
Art. 52Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), stelt de adviezen met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden op conform de Code van goede praktijk bodembescherming.
  
Art. 53, 1°, tweede zinAls het laboratorium monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses laat uitvoeren in een ander daartoe erkend laboratorium, moet de uitbesteding in kwestie expliciet vermeld worden op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door het erkende laboratorium.

ArtikelWettelijke verplichting
Art. 34, § 4, tweede zinDie attesten, vaststellingen, verslagen en andere documenten worden ondertekend door de erkende persoon.
Art. 37, 3°De erkende milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen, vermeld in artikel 6, 1°, c), 1) en 2), houdt een kwaliteitshandboek bij dat minstens de inhoud, vermeld in bijlage 7, bevat.
Art. 46, § 2Het erkende laboratorium stelt aan de bevoegde personeelsleden van de VITO alle inlichtingen en documenten ter beschikking die ze vragen met betrekking tot de erkenning.
Art. 49Op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door een erkend laboratorium, wordt duidelijk vermeld voor welke uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses het laboratorium erkend is en voor welke niet. De meet- en analyseresultaten worden zodanig uitgedrukt dat toetsing aan de emissiegrenswaarde of norm onmiddellijk mogelijk is.
Art. 50, tweede zinDie gegevens blijven gedurende ten minste vijf jaar bewaard en worden ter beschikking gehouden van de afdeling en de VITO.
Art. 50, laatste zinHet erkende laboratorium stelt over de uitgevoerde monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses telkens een verslag op dat op zijn minst de volgende gegevens bevat :
  1° de naam en hoedanigheid van de persoon die de monsters genomen heeft en ze aan het laboratorium heeft toevertrouwd, en de volledige identificatie van de monsters als de monsterneming door het erkende laboratorium werd uitgevoerd, of de naam van derden en de volledige identificatie van de monsters;
  2° het verslag van de analyse, met vermelding van de gebruikte methode, de meet- en analyseomstandigheden, de resultaten van de metingen en, in voorkomend geval, de afwijkingen van de meet- en analysemethode en de reden daarvoor.
Art. 52Het erkende laboratorium, vermeld in artikel 6, 5°, c), stelt de adviezen met betrekking tot het besluit van de Vlaamse Regering van 8 juli 2005 tot instelling van een bedrijfstoeslagregeling en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers en tot toepassing van de randvoorwaarden op conform de Code van goede praktijk bodembescherming.
Art. 53, 1°, tweede zinAls het laboratorium monsternemingen, metingen, beproevingen en analyses laat uitvoeren in een ander daartoe erkend laboratorium, moet de uitbesteding in kwestie expliciet vermeld worden op de verslagen en andere documenten die afgeleverd worden door het erkende laboratorium.

  
ArticleObligation légale
  
Art. 34, § 4, phrase deuxCes attestations, constatations, rapports et autres documents sont signés par la personne agréée.
  
Art. 37, 3°L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2), tient un manuel de qualité comprenant au moins le contenu visé à l'annexe 7.
  
Art. 46, § 2Le laboratoire agréé met tous les informations et documents, qu'ils demandent concernant l'agrément, à la disposition des membres du personnel compétents du VITO.
  
Art. 49Il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas. Les résultats de mesures et d'analyses sont exprimés de telle façon qu'il est possible de les comparer immédiatement à la valeur limite d'émission ou à la norme.
  
Art. 50, phrase deuxCes données sont conservées pendant au moins cinq ans et restent à disposition de la division et du VITO.
  
Art. 50, dernière phraseLe laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
  1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons et qui les a confiés au laboratoire, et l'identification complète des échantillons lorsque l'échantillonnage a été exécuté par le laboratoire agréé, ou le nom de tiers et l'identification complète des échantillons;
  2° le rapport de l'analyse, avec mention de la méthode utilisée, des circonstances de mesure et d'analyse, des résultats des mesures et, le cas échéant, des dérogations à la méthode de mesure et d'analyse et le motif.
  
Art. 52Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), établit les avis relatifs à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, conformément au Code de bonne pratique de la protection du sol.
  
Art. 53, 1°, phrase deuxLorsque le laboratoire fait exécuter des échantillonnages, des mesures, des essais et des analyses dans un autre laboratoire agréé à cet effet, la sous-traitance en question doit être mentionnée explicitement sur les rapports et les autres documents délivrés par le laboratoire agréé;

ArticleObligation légale
Art. 34, § 4, phrase deuxCes attestations, constatations, rapports et autres documents sont signés par la personne agréée.
Art. 37, 3°L'expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations, visé à l'article 6, 1°, c), 1) et 2), tient un manuel de qualité comprenant au moins le contenu visé à l'annexe 7.
Art. 46, § 2Le laboratoire agréé met tous les informations et documents, qu'ils demandent concernant l'agrément, à la disposition des membres du personnel compétents du VITO.
Art. 49Il est clairement mentionné sur les rapports et les autres documents délivrés par un laboratoire agréé pour quels échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés le laboratoire est agréé et pour lesquels il ne l'est pas. Les résultats de mesures et d'analyses sont exprimés de telle façon qu'il est possible de les comparer immédiatement à la valeur limite d'émission ou à la norme.
Art. 50, phrase deuxCes données sont conservées pendant au moins cinq ans et restent à disposition de la division et du VITO.
Art. 50, dernière phraseLe laboratoire agréé établit à chaque fois un rapport sur les échantillonnages, mesures, essais et analyses exécutés, comprenant au moins les données suivantes :
  1° le nom et la qualité de la personne ayant prélevé les échantillons et qui les a confiés au laboratoire, et l'identification complète des échantillons lorsque l'échantillonnage a été exécuté par le laboratoire agréé, ou le nom de tiers et l'identification complète des échantillons;
  2° le rapport de l'analyse, avec mention de la méthode utilisée, des circonstances de mesure et d'analyse, des résultats des mesures et, le cas échéant, des dérogations à la méthode de mesure et d'analyse et le motif.
Art. 52Le laboratoire agréé, visé à l'article 6, 5°, c), établit les avis relatifs à l'arrêté du Gouvernement flamand du 8 juillet 2005 instaurant un régime de paiement unique et établissant certains régimes d'aide pour agriculteurs et portant application de la conditionnalité, conformément au Code de bonne pratique de la protection du sol.
Art. 53, 1°, phrase deuxLorsque le laboratoire fait exécuter des échantillonnages, des mesures, des essais et des analyses dans un autre laboratoire agréé à cet effet, la sous-traitance en question doit être mentionnée explicitement sur les rapports et les autres documents délivrés par le laboratoire agréé;
  ".
  ".
Art. N12. [1 Bijlage 12. - Opleiding en bijscholing met bijhorend examen als vermeld in artikel 43/4, 1° en 2°
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-04-2013, p. 24548-24549)]1
Art. N13. [1 Annexe 13. - Condition particulière d'agrément, telle que visée à l'article 13/1, 2° et conditions d'admission à la formation aboutissant au certificat d'aptitude en matière de contrôle de systèmes de climatisation ayant une puissance frigorifique nominale qui est supérieure à 12 kW tels que visés à l'article 24/1, 1°
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 23-04-2013, p. 24640-24641)]1
Art. N13. [1 Bijlage 13. - Bijzondere erkenningsvoorwaarde als vermeld in artikel 13/1, 2°, en toelatingsvoorwaarden voor de opleiding voor het behalen van het certificaat van bekwaamheid inzake de keuring van airconditioningsystemen met een nominaal koelvermogen van meer dan 12 kW als vermeld in artikel 24/1, 1°
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-04-2013, p. 24550-24551)]1
Art. N14. [1 Annexe 14. - Liste contenant les données minimales du certificat, visées à l'article 43, § 2, l'article 43/1, § 3, l'article 43/2, § 2, l'[2 article 43/3, § 2, article 43/4, § 3, article 43/6, § 3, article 43/7, § 2, article 43/8, § 2, article 43/9, § 2, article 43/10, § 2, et article 53/9, 3°]2
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 23-04-2013, p. 24644)]1
  Modifié par:
Art. N14. [1 Bijlage 14. - Lijst met minimumgegevens van het certificaat als vermeld in artikel 43, §2, artikel 43/1, §3, artikel 43/2, §2, [2 artikel 43/3, § 2, artikel 43/4, § 3, artikel 43/6, § 3, artikel 43/7, § 2, artikel 43/8, § 2, artikel 43/9, § 2, artikel 43/10, § 2, en artikel 53/9, 3°]2
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-04-2013, p. 24552-24553)]1
Art. N14. [1 Annexe 14. - Liste contenant les données minimales du certificat, visées à l'article 43, § 2, l'article 43/1, § 3, l'article 43/2, § 2, l'[2 article 43/3, § 2, article 43/4, § 3, article 43/6, § 3, article 43/7, § 2, article 43/8, § 2, article 43/9, § 2, article 43/10, § 2, et article 53/9, 3°]2
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 23-04-2013, p. 24644)]1
  Gewijzigd bij:
  Modifié par:
Art. N15. [1 Bijlage 15. - Lijst met minimumgegevens voor het verslag als vermeld in artikel 43, §3, artikel 43/1, §4, artikel 43/2, §3, [2 artikel 43/3, § 3, artikel 43/4, § 4, artikel 43/6, § 4, artikel 43/7, § 3, artikel 43/8, § 3, artikel 43/9, § 3, en artikel 43/10, § 3]2
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-04-2013, p. 24553)]1
Art. N15. [1 Annexe 15. - Liste contenant les données minimales pour le rapport, visé à l'article 43, § 3, l'article 43/1, § 4, l'article 43/2, § 3, [2 l'article 43/3, § 3, l'article 43/4, § 4, l'article 43/6, § 4, l' article 43/7, § 3, l'article 43/8, § 3, l'article 43/9, § 3, et l'article 43/10, § 3]2
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 23-04-2013, p. 24645)]1
  Gewijzigd bij:
  Modifié par:
Art. N16. [1 Bijlage 16. - Inhoud van de algemene opleiding en bijscholing, vermeld in artikel 25/3, 2°, b), en artikel 53/6, 2° en 3°
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-04-2013, p. 24554-24555)]1
Art. N17. [1 Annexe 17. - Programme de la formation complémentaire pour experts en assainissement du sol
  (Annexe non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. 23-04-2013, p. 24648-24650)]1
  Gewijzigd bij:
  Modifié par:
-
catégorie d'agrémentmontant
experts 
- expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses500 euros
- expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol500 euros
- expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations500 euros
[1 - expert MER 
a) pour une première discipline si non agréé comme coordinateur EIE500 euros
b) pour une première discipline si agréé comme coordinateur EIE125 euros
b) par discipline supplémentaire125 euros]1
- expert en matière de rapports de sécurité500 euros
[1 coordinateur EIE 
a) si non agréé comme expert EIE500 euros
b) si agréé comme expert EIE125 euros]1
[2 - expert en attestation d'inondation500 euros]2
[.... 
.......]
experts en matière d'assainissement du sol 
a) type 1250 euros
b) type 2500 euros
entreprises 
- entreprise de forage 
a) pour une première discipline500 euros
b) par discipline supplémentaire125 euros
- entreprise d'équipements de protection contre l'incendie500 euros
(1)<AGF 2019-05-03/56, art. 11, 016; En vigueur : 01-10-2019>
(2)<AGF 2022-11-25/07, art. 29, 023; En vigueur : 01-01-2023>
B. Rétribution pour l'exercice du contrôle sur l'agrément
-
[1 catégorie d'agrémentmontant
experts
  - expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou substances dangereuses
  - expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol
  - expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations
  - expert MER
  a) pour une première discipline
  b) par discipline supplémentaire
  - expert en matière de rapports de sécurité
  - expert énergie-climatisation
  - coordinateur EIE
  a) si non agréé comme expert EIE
  b) si agréé comme expert EIE
100 euros 100 euros
  100 euros
  100 euros
  25 euros
  100 euros
  25 euros
  100 euros
  25 euros
[2 - expert en attestation d'inondation100 euros]2
techniciens
  - technicien en combustibles liquides
  - technicien en combustibles gazeux
  -[3...]3
  - technicien en citernes à mazout
  - frigoriste
  - technicien en équipements de protection contre l'incendie
  - technicien en dispositifs de commutation électrique
  - technicien pour les équipements contenant des solvants
25 euros
  25 euros
  25 euros
  [3...]3
   25 euros
  25 euros
  25 euros
  25 euros
[........]
laboratoires
  - laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la protection du sol ou de la fertilisation : par échantillonneur enregistré
  - laboratoire dans la discipline des engrais, pour le paquet M-M6
50 euros
  100 euros
experts en assainissement du sol
  a) type 1
  b) type 2
50 euros
  100 euros
entreprises
  - entreprise de forage
  a) pour une première discipline
  b) par discipline supplémentaire
  - entreprise en technique du froid
  - entreprise en équipements de protection contre l'incendie
100 euros
  25 euros
  100 euros
  100 euros]1
(1)<AGF 2019-05-03/56, art. 279, 016; En vigueur : 01-10-2019>
(2)<AGF 2022-11-25/07, art. 29, 023; En vigueur : 01-01-2023>
  (3)<AGF 2024-05-03/42, art. 98, 026; En vigueur : 01-07-2024>
  
(3)<AGF 2025-01-31/17, art. 17, 031; En vigueur : 02-03-2025>
]1
  
Art. N17. [1 Bijlage 17. - Programma van de aanvullende vorming voor bodemsaneringsdeskundigen
  (Bijlage niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. 23-04-2013, p. 24556-24558)]1
Art. N19. [1 Annexe 19 au VLAREL - Données d'identification [2 telles que visées à l'article 27, § 2, 1°, a), à l'article 32 [3 , à l'article 56/1, § 1er]3 et à l'article 58/3, § 1er]2
   1° en cas d'une personne physique :
   a) les prénom et nom ;
   b) [3 ...]3
   c) [2 le numéro de registre national ou [3 le numéro BIS]3 si l'on ne dispose pas d'un numéro de registre national ;]2
   d) le cas échéant, le nom, la forme juridique, le numéro d'entreprise [3 ou le numéro de TVA si l'on ne dispose pas d'un numéro d'entreprise]3 et l'adresse de l'employeur ;
   e) les données de contact du demandeur ;
   f) le numéro d'entreprise, lorsque la demande d'agrément émane d'une personne physique exerçant une profession indépendante ;
   2° en cas d'une personne morale :
   a) le nom ;
   b) la forme juridique de la personne morale qui introduit la demande ou au nom de laquelle la demande est introduite ;
   c) l'adresse du siège social ;
   d) le numéro d'entreprise [3 ou le numéro de TVA si la personne morale ne dispose pas d'un numéro d'entreprise et, le cas échéant, l'adresse du siège d'exploitation et le numéro de l'unité d'établissement]3 ;
   e) les données d'identification des membres du personnel et leurs agréments ou qualifications professionnelles ;
   f) les données d'identification des administrateurs.]1

  
  Gewijzigd bij:
-
Art. N18. [1 Bijlage 18 bij het VLAREL. - Retributies voor de behandeling van de aanvraag en de uitoefening van het toezicht op de erkenningen met betrekking tot het leefmilieu
   A. Retributie voor de behandeling van de aanvraag tot erkenning
Art. N18. [1 Annexe 18 jointe au VLAREL - Rétributions pour le traitement de la demande et l'exercice du contrôle des agréments concernant l'environnement
   A. Rétribution pour le traitement de la demande d'agrément
categorie erkenningbedrag
deskundigen 
- milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen500 euro
- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie500 euro
- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen500 euro
[1 - MER-deskundige 
a) voor een eerste discipline indien niet erkend als MER-coördinator500 euro
b) voor een eerste discipline indien erkend als MER-coördinator125 euros
b) per bijkomende discipline125 euro]1
- VR-deskundige500 euro
[1 - MER-coördinator 
a) indien niet erkend als MER-deskundige500 euro
b) indien erkend als MER-deskundige125 euro]1
[2 - deskundige overstromingsattest500 euro]2
milieucoördinatoren en milieuverificateurs 
- milieucoördinatoren250 euro
bodemsaneringsdeskundigen 
a) type 1250 euro
b) type 2500 euro
bedrijven 
- boorbedrijf 
a) voor een eerste discipline500 euro
b) per bijkomende discipline125 euro
- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur500 euro
(1)<BVR 2019-05-03/56, art. 279, 016; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
(2)<BVR 2022-11-25/07, art. 29, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
categorie erkenningbedragdeskundigen- milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen500 euro- milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie500 euro- milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen500 euro[1 - MER-deskundigea) voor een eerste discipline indien niet erkend als MER-coördinator500 eurob) voor een eerste discipline indien erkend als MER-coördinator125 eurosb) per bijkomende discipline125 euro]1- VR-deskundige500 euro[1 - MER-coördinatora) indien niet erkend als MER-deskundige500 eurob) indien erkend als MER-deskundige125 euro]1[2 - deskundige overstromingsattest500 euro]2milieucoördinatoren en milieuverificateurs- milieucoördinatoren250 eurobodemsaneringsdeskundigena) type 1250 eurob) type 2500 eurobedrijven- boorbedrijfa) voor een eerste discipline500 eurob) per bijkomende discipline125 euro- bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur500 euro(1)(2)
B. Retributie voor de uitoefening van het toezicht op de erkenning
catégorie d'agrémentmontant
experts 
- expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses500 euros
- expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol500 euros
- expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations500 euros
[1 - expert MER 
a) pour une première discipline si non agréé comme coordinateur EIE500 euros
b) pour une première discipline si agréé comme coordinateur EIE125 euros
b) par discipline supplémentaire125 euros]1
- expert en matière de rapports de sécurité500 euros
[1 coordinateur EIE 
a) si non agréé comme expert EIE500 euros
b) si agréé comme expert EIE125 euros]1
[2 - expert en attestation d'inondation500 euros]2
[.... 
.......]
experts en matière d'assainissement du sol 
a) type 1250 euros
b) type 2500 euros
entreprises 
- entreprise de forage 
a) pour une première discipline500 euros
b) par discipline supplémentaire125 euros
- entreprise d'équipements de protection contre l'incendie500 euros
(1)<AGF 2019-05-03/56, art. 11, 016; En vigueur : 01-10-2019>
(2)<AGF 2022-11-25/07, art. 29, 023; En vigueur : 01-01-2023>
catégorie d'agrémentmontantexperts- expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou des substances dangereuses500 euros- expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol500 euros- expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations500 euros[1 - expert MERa) pour une première discipline si non agréé comme coordinateur EIE500 eurosb) pour une première discipline si agréé comme coordinateur EIE125 eurosb) par discipline supplémentaire125 euros]1- expert en matière de rapports de sécurité500 euros[1 coordinateur EIEa) si non agréé comme expert EIE500 eurosb) si agréé comme expert EIE125 euros]1[2 - expert en attestation d'inondation500 euros]2[...........]experts en matière d'assainissement du sola) type 1250 eurosb) type 2500 eurosentreprises- entreprise de foragea) pour une première discipline500 eurosb) par discipline supplémentaire125 euros- entreprise d'équipements de protection contre l'incendie500 euros(1)(2)
B. Rétribution pour l'exercice du contrôle sur l'agrément
[1 categorie erkenningbedrag
deskundigen
  - milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen
  - milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie
  - milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen
  - MER-deskundige
  a) voor een eerste discipline
  b) per bijkomende discipline
  - VR-deskundige
  - airco-energiedeskundige
  - MER-coördinator
  a) indien niet erkend als MER-deskundige
  b) indien erkend als MER-deskundige
100 euro 100 euro
  100 euro
  100 euro
  25 euro
  100 euro
  25 euro
  100 euro
  25 euro
[2 - deskundige overstromingsattest100 euro]2
technici
  - technicus vloeibare brandstof
  - technicus gasvormige brandstof
  -[1...]1
  - technicus stookolietanks
  - koeltechnicus
  - technicus voor brandbeveiligingsapparatuur
  - technicus voor elektrische schakelinrichtingen
  - technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat
25 euro
  25 euro
  25 euro
  [1...]1
   25 euro
  25 euro
  25 euro
  25 euro
[........]
laboratoria
  - laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming of bemesting: per geregistreerd monsternemer
  - laboratorium in de discipline mest voor het pakket M-M6
50 euro
  100 euro
bodemsaneringsdeskundigen
  a) type 1
  b) type 2
50 euro
  100 euro
bedrijven
  - boorbedrijf
  a) voor een eerste discipline
  b) per bijkomende discipline
  - koeltechnisch bedrijf
  - bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur
100 euro
  25 euro
  100 euro
  100 euro]1
(1)<BVR 2019-05-03/56, art. 279, 016; Inwerkingtreding : 01-10-2019>
(2)<BVR 2022-11-25/07, art. 29, 023; Inwerkingtreding : 01-01-2023>
[1 categorie erkenningbedragdeskundigen
  - milieudeskundige in de discipline houders voor gassen of gevaarlijke stoffen
  - milieudeskundige in de discipline bodemcorrosie
  - milieudeskundige in de discipline geluid en trillingen
  - MER-deskundige
  a) voor een eerste discipline
  b) per bijkomende discipline
  - VR-deskundige
  - airco-energiedeskundige
  - MER-coördinator
  a) indien niet erkend als MER-deskundige
  b) indien erkend als MER-deskundige100 euro 100 euro
  100 euro
  100 euro
  25 euro
  100 euro
  25 euro
  100 euro
  25 euro[2 - deskundige overstromingsattest100 euro]2technici
  - technicus vloeibare brandstof
  - technicus gasvormige brandstof
  -[1...]1

  - technicus stookolietanks
  - koeltechnicus
  - technicus voor brandbeveiligingsapparatuur
  - technicus voor elektrische schakelinrichtingen
  - technicus voor apparatuur die oplosmiddelen bevat25 euro
  25 euro
  25 euro
  [1 ...]1
   25 euro
  25 euro
  25 euro
  25 euro[........]laboratoria
  - laboratorium in de discipline bodem, deeldomein bodembescherming of bemesting: per geregistreerd monsternemer
  - laboratorium in de discipline mest voor het pakket M-M650 euro
  100 eurobodemsaneringsdeskundigen
  a) type 1
  b) type 250 euro
  100 eurobedrijven
  - boorbedrijf
  a) voor een eerste discipline
  b) per bijkomende discipline
  - koeltechnisch bedrijf
  - bedrijf voor brandbeveiligingsapparatuur100 euro
  25 euro
  100 euro
  100 euro]1(1)(2)
]1
  (1)
  
[1 catégorie d'agrémentmontant
experts
  - expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou substances dangereuses
  - expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol
  - expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations
  - expert MER
  a) pour une première discipline
  b) par discipline supplémentaire
  - expert en matière de rapports de sécurité
  - expert énergie-climatisation
  - coordinateur EIE
  a) si non agréé comme expert EIE
  b) si agréé comme expert EIE
100 euros 100 euros
  100 euros
  100 euros
  25 euros
  100 euros
  25 euros
  100 euros
  25 euros
[2 - expert en attestation d'inondation100 euros]2
techniciens
  - technicien en combustibles liquides
  - technicien en combustibles gazeux
  -[3...]3
  - technicien en citernes à mazout
  - frigoriste
  - technicien en équipements de protection contre l'incendie
  - technicien en dispositifs de commutation électrique
  - technicien pour les équipements contenant des solvants
25 euros
  25 euros
  25 euros
  [3...]3
   25 euros
  25 euros
  25 euros
  25 euros
[........]
laboratoires
  - laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la protection du sol ou de la fertilisation : par échantillonneur enregistré
  - laboratoire dans la discipline des engrais, pour le paquet M-M6
50 euros
  100 euros
experts en assainissement du sol
  a) type 1
  b) type 2
50 euros
  100 euros
entreprises
  - entreprise de forage
  a) pour une première discipline
  b) par discipline supplémentaire
  - entreprise en technique du froid
  - entreprise en équipements de protection contre l'incendie
100 euros
  25 euros
  100 euros
  100 euros]1
(1)<AGF 2019-05-03/56, art. 279, 016; En vigueur : 01-10-2019>
(2)<AGF 2022-11-25/07, art. 29, 023; En vigueur : 01-01-2023>
  (3)<AGF 2024-05-03/42, art. 98, 026; En vigueur : 01-07-2024>
  
(3)<AGF 2025-01-31/17, art. 17, 031; En vigueur : 02-03-2025>
[1 catégorie d'agrémentmontantexperts
  - expert environnemental dans la discipline des récipients pour gaz ou substances dangereuses
  - expert environnemental dans la discipline de la corrosion du sol
  - expert environnemental dans la discipline du bruit et des vibrations
  - expert MER
  a) pour une première discipline
  b) par discipline supplémentaire
  - expert en matière de rapports de sécurité
  - expert énergie-climatisation
  - coordinateur EIE
  a) si non agréé comme expert EIE
  b) si agréé comme expert EIE100 euros 100 euros
  100 euros
  100 euros
  25 euros
  100 euros
  25 euros
  100 euros
  25 euros[2 - expert en attestation d'inondation100 euros]2techniciens
  - technicien en combustibles liquides
  - technicien en combustibles gazeux
  -[3 ...]3
  - technicien en citernes à mazout
  - frigoriste
  - technicien en équipements de protection contre l'incendie
  - technicien en dispositifs de commutation électrique
  - technicien pour les équipements contenant des solvants25 euros
  25 euros
  25 euros
  [3 ...]3
   25 euros
  25 euros
  25 euros
  25 euros[........]laboratoires
  - laboratoire dans la discipline du sol, sous-domaine de la protection du sol ou de la fertilisation : par échantillonneur enregistré
  - laboratoire dans la discipline des engrais, pour le paquet M-M650 euros
  100 eurosexperts en assainissement du sol
  a) type 1
  b) type 250 euros
  100 eurosentreprises
  - entreprise de forage
  a) pour une première discipline
  b) par discipline supplémentaire
  - entreprise en technique du froid
  - entreprise en équipements de protection contre l'incendie100 euros
  25 euros
  100 euros
  100 euros]1
(1)(2)
  (3)
(3)
]1
  
Art. N19. [1 Bijlage 19 bij het VLAREL. - Identificatiegegevens [2 als vermeld in artikel 27, § 2, 1°, a), artikel 32 [3 ,artikel 56/1, § 1]3 en artikel 58/3, § 1]2
   1° in geval van een natuurlijke persoon :
   a) de voor- en achternaam;
   b) [3 ...]3
   c) [2 het rijksregisternummer of [3 het BIS-nummer]3 als men niet over een rijksregisternummer beschikt;]2
   d) in voorkomend geval, de naam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer [3 of het btw-nummer als men niet over een ondernemingsnummer beschikt]3 en het adres van de werkgever;
   e) de contactgegevens van de aanvrager;
   f) als de erkenningsaanvraag uitgaat van een natuurlijke persoon die een zelfstandig beroep uitoefent : het ondernemingsnummer;
   2° in geval van een rechtspersoon :
   a) de naam;
   b) de rechtsvorm van de rechtspersoon die de aanvraag indient of namens wie ze wordt ingediend;
   c) het adres van de maatschappelijke zetel;
   d) het ondernemingsnummer [3 of het btw-nummer als de rechtspersoon niet over een ondernemingsnummer beschikt en in voorkomend geval het adres van de exploitatiezetel en het vestigingseenheidsnummer]3;
   e) de identificatiegegevens van de personeelsleden en de erkenningen of beroepskwalificaties die ze bezitten;
   f) de identificatiegegevens van de bestuurders.]1

  
Art. N21. [1 Annexe 21 au VLAREL - Equipement technique minimal tel que visé à [2 l'article 53/7, 6°]2
-
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
manifold et raccords souples X X X  
groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X  
cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X  
pompe à vide à deux étages X X   
balance avec précision d'indication d'au moins 0,01 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de moins de 30 kg, avec précision d'indication d'au moins 0,1 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de plus de 30 kg, et avec précision d'indication d'au moins 0,3% du contenu en agents réfrigérants du cylindre pour agents réfrigérants pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu à partir de 300 kg X X X  
vacumètre X X   
détecteur électronique de fuites ayant une sensibilité de détection de fuites d'au moins 5 g/an X X  X
solution savonneuse ou produit similaire X X   
cylindre à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre) X X   
thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X   
installation de brasage fort avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène et conduites, pourvue de clapets antiretour X X   
multimètre électrique X X   
ampèremètre X X  
]1
  
Art. N20. [1 Bijlage 20 bij het VLAREL. - Lijst van de apparatuur, instrumenten en materialen die ten minste aanwezig zijn voor het afnemen van het praktische examen, vermeld in artikel 43/6, § 6
Art. N20. [1 Annexe 20 au VLAREL - Liste de l'appareillage, des instruments et du matériel qui sont au moins présents pour l'organisation de l'examen pratique, visé à l'article 43/6, § 6
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
onderdelen van de koelinstallatie :
   - compressor
   - condensor
   - koelmiddelreservoir
   - filter of droger
   - elektromagnetisch ventiel
   - thermostatisch expansieventiel
   - verdamper
   - afsluitklep
   - veiligheids-, meet- en regelapparatuur : manometers, pressostaten en thermostaten
X X X X
- manifold en soepele verbindingen X X X  
- recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X  
- koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X  
- tweetrapsvacuümpomp X X   
weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 10 g X X X  
- vacuümmeter X X   
- elektronische lekdetector met een detectiegrens van ten minste 5 g/jaar X X  X
- zeepoplossing of een vergelijkbaar product X X  X
- cilinder of een netwerk met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van een reduceerventiel en een debietregelaar X X   
- verbindingselementen, leidingen en dichtingen X X   
- snijgereedschap voor koperleidingen X X   
- ontbramer X X   
- buigapparaat of -tang X X   
- hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen en soepele verbindingen X X   
- aanhechtingsmateriaal voor hardsolderen X X   
- fosforbevattend aanhechtingsmateriaal met 5% zilver X X   
- beitsmiddel of reinigingsproduct X X   
- handgereedschap : sleutels, schroevendraaiers en tangen X X X  
- digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVonderdelen van de koelinstallatie :
   - compressor
   - condensor
   - koelmiddelreservoir
   - filter of droger
   - elektromagnetisch ventiel
   - thermostatisch expansieventiel
   - verdamper
   - afsluitklep
   - veiligheids-, meet- en regelapparatuur : manometers, pressostaten en thermostaten X X X X- manifold en soepele verbindingen X X X - recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X - koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X - tweetrapsvacuümpomp X X weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 10 g X X X - vacuümmeter X X - elektronische lekdetector met een detectiegrens van ten minste 5 g/jaar X X X- zeepoplossing of een vergelijkbaar product X X X- cilinder of een netwerk met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van een reduceerventiel en een debietregelaar X X - verbindingselementen, leidingen en dichtingen X X - snijgereedschap voor koperleidingen X X - ontbramer X X - buigapparaat of -tang X X - hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen en soepele verbindingen X X - aanhechtingsmateriaal voor hardsolderen X X - fosforbevattend aanhechtingsmateriaal met 5% zilver X X - beitsmiddel of reinigingsproduct X X - handgereedschap : sleutels, schroevendraaiers en tangen X X X - digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X
]1
  
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
éléments de l'installation de réfrigération :
   - compresseur
   - condenseur
   - réservoir d'agents réfrigérants
   - filtre ou séchoir
   - soupape électromagnétique
   - soupape d'expansion thermostatique
   - évaporateur
   - soupape d'obturation
   - appareils de sécurité, de mesurage et de réglage : manomètres, pressostats et thermostats
X X X X
-- manifold et raccords souples X X X  
-- groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X  
-- cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X  
-- pompe à vide à deux étages X X   
-- balance avec précision d'indication d'au moins 10 g X X X  
-- vacumètre X X   
-- détecteur électronique de fuites ayant une limite de détection d'au moins 5 g/an X X  X
-- solution savonneuse ou produit similaire X X  X
-- cylindre ou réseau à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre X X   
-- éléments de raccordement, conduites et joints X X   
-- outils pour couper des conduites en cuivre X X   
-- ébarbeur X X   
-- appareil ou pince de pliage X X   
-- installation de brasage avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène, conduites pourvue de soupapes de non-retour et raccords souples X X   
-- matériaux d'adhésion pour brasage X X   
-- matériaux d'adhésion au phosphore avec 5% d'argent X X   
-- décapant ou produit de nettoyage X X   
-- outillage à main : clefs, tournevis et pinces X X X  
-- thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVéléments de l'installation de réfrigération :
   - compresseur
   - condenseur
   - réservoir d'agents réfrigérants
   - filtre ou séchoir
   - soupape électromagnétique
   - soupape d'expansion thermostatique
   - évaporateur
   - soupape d'obturation
   - appareils de sécurité, de mesurage et de réglage : manomètres, pressostats et thermostats X X X X-- manifold et raccords souples X X X -- groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X -- cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X -- pompe à vide à deux étages X X -- balance avec précision d'indication d'au moins 10 g X X X -- vacumètre X X -- détecteur électronique de fuites ayant une limite de détection d'au moins 5 g/an X X X-- solution savonneuse ou produit similaire X X X-- cylindre ou réseau à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre X X -- éléments de raccordement, conduites et joints X X -- outils pour couper des conduites en cuivre X X -- ébarbeur X X -- appareil ou pince de pliage X X -- installation de brasage avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène, conduites pourvue de soupapes de non-retour et raccords souples X X -- matériaux d'adhésion pour brasage X X -- matériaux d'adhésion au phosphore avec 5% d'argent X X -- décapant ou produit de nettoyage X X -- outillage à main : clefs, tournevis et pinces X X X -- thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X
]1
  
Art. N21. [1 Bijlage 21 bij het VLAREL. - Minimale technische uitrusting als vermeld in [2 artikel 53/7, 6°]2
Art. N21. [1 Annexe 21 au VLAREL - Equipement technique minimal tel que visé à [2 l'article 53/7, 6°]2
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
manifold met soepele verbindingen X X X  
recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X  
koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X  
tweetrapsvacuümpomp X X   
weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,01 kg voor koelmiddelcilinders met een inhoud aan koelmiddel die kleiner is dan 30 kg, met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,1 kg voor koelmiddelcilinders met een koelmiddelinhoud die groter is dan of gelijk is aan 30 kg, en met een minimale aanwijsnauwkeurigheid van 0,3% van de koelmiddelinhoud van de koelmiddelcilinder voor koelmiddelcilinders met een inhoud vanaf 300 kg X X X  
vacuümmeter X X   
elektronische lekdetector met een lekdetectiegevoeligheid van ten minste 5 g/jaar X X  X
zeepoplossing of een vergelijkbaar product X X   
cilinder met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van reduceerventiel en debietmeter X X   
digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X   
hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen X X   
elektrische multimeter X X   
ampèremeter X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVmanifold met soepele verbindingen X X X recuperatiegroep voor koelmiddelen waarbij na het overpompen een druk van 0,5 bar absoluut wordt bereikt X X X koelmiddelcilinder (nieuw of gerecycleerd) met geldige keuring voor het benodigde gas + lege koelmiddelcilinder met geldige keuring en met dubbele afsluiters, geschikt voor de recuperatie en afvalophaling van koelgassen X X X tweetrapsvacuümpomp X X weegschaal met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,01 kg voor koelmiddelcilinders met een inhoud aan koelmiddel die kleiner is dan 30 kg, met een aanwijsnauwkeurigheid van minimaal 0,1 kg voor koelmiddelcilinders met een koelmiddelinhoud die groter is dan of gelijk is aan 30 kg, en met een minimale aanwijsnauwkeurigheid van 0,3% van de koelmiddelinhoud van de koelmiddelcilinder voor koelmiddelcilinders met een inhoud vanaf 300 kg X X X vacuümmeter X X elektronische lekdetector met een lekdetectiegevoeligheid van ten minste 5 g/jaar X X Xzeepoplossing of een vergelijkbaar product X X cilinder met een inert gas (droge stikstof, argon of helium), voorzien van reduceerventiel en debietmeter X X digitale thermometer met contactsonde of infraroodthermometer X X hardsoldeerinstallatie met gasdrukregelaar en zuurstofdrukregelaar en leidingen, voorzien van terugslagkleppen X X elektrische multimeter X X ampèremeter X X
]1
  
 cat. I cat. II cat. III cat. IV
manifold et raccords souples X X X  
groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X  
cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X  
pompe à vide à deux étages X X   
balance avec précision d'indication d'au moins 0,01 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de moins de 30 kg, avec précision d'indication d'au moins 0,1 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de plus de 30 kg, et avec précision d'indication d'au moins 0,3% du contenu en agents réfrigérants du cylindre pour agents réfrigérants pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu à partir de 300 kg X X X  
vacumètre X X   
détecteur électronique de fuites ayant une sensibilité de détection de fuites d'au moins 5 g/an X X  X
solution savonneuse ou produit similaire X X   
cylindre à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre) X X   
thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X   
installation de brasage fort avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène et conduites, pourvue de clapets antiretour X X   
multimètre électrique X X   
ampèremètre X X  
cat. I cat. II cat. III cat. IVmanifold et raccords souples X X X groupe de récupération pour agents réfrigérants, atteignant une pression absolue de 0,5 bar après le pompage X X X cylindre pour agents réfrigérants (nouveau ou recyclé) avec contrôle valable pour le gaz nécessité + cylindre vide pour agents réfrigérants avec contrôle valable et avec double obturateurs, adapté à la récupération et à la collecte de gaz réfrigérants usés X X X pompe à vide à deux étages X X balance avec précision d'indication d'au moins 0,01 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de moins de 30 kg, avec précision d'indication d'au moins 0,1 kg pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu de plus de 30 kg, et avec précision d'indication d'au moins 0,3% du contenu en agents réfrigérants du cylindre pour agents réfrigérants pour les cylindres pour agents réfrigérants ayant un contenu à partir de 300 kg X X X vacumètre X X détecteur électronique de fuites ayant une sensibilité de détection de fuites d'au moins 5 g/an X X Xsolution savonneuse ou produit similaire X X cylindre à gaz inerte (azote sec, argon, hélium) pourvu d'une soupape de réduction et d'un débitmètre) X X thermomètre digital avec sonde de contact ou thermomètre infrarouge X X installation de brasage fort avec régulateur de pression du gaz et de pression d'oxygène et conduites, pourvue de clapets antiretour X X multimètre électrique X X ampèremètre X X
]1
  
Art. N22. [1 Bijlage 22 bij het VLAREL - Lijst met minimumgegevens voor het overzicht van de koeltechnische bedrijven die met gunstig gevolg gekeurd zijn als vermeld in artikel 53/9, 4°
   1° de naam van het bedrijf;
   2° de rechtsvorm van het bedrijf;
   3° het adres van de maatschappelijke zetel [2 ...]2;
   4° het ondernemingsnummer [2 ...]2 [3 of het btw-nummer als de rechtspersoon niet over een ondernemingsnummer beschikt]3;
   5° het telefoonnummer van het bedrijf;
   6° het e-mailadres van het bedrijf;
   7° de voor- en achternaam van de directeur van het bedrijf;
   8° [2 de voor- en achternaam en het certificaatnummer van de koeltechnici;]2
   9° het erkenningsnummer dat toegekend wordt aan het bedrijf en de aanvangsdatum van de erkenning.]1

  
Art. N22. [1 Annexe 22 au VLAREL - Liste des informations minimales pour l'aperçu des entreprises frigorifiques qui ont fait l'objet d'un contrôle satisfaisant tel que visé à l'article 53/9, 4°
   1° nom de l'entreprise ;
   2° la forme juridique de l'entreprise ;
   3° l'adresse du siège social [2 ...]2 ;
   4° le numéro d'entreprise [2 ...]2 [3 ou le numéro de TVA si la personne morale ne dispose pas d'un numéro d'entreprise]3 ;
   5° le numéro de téléphone de l'entreprise ;
   6° l'adresse e-mail de l'entreprise ;
   7° les prénom et nom du directeur de l'entreprise ;
   8° [2 les prénoms et noms et le numéro de certificat des frigoristes ;]2
   9° le numéro d'agrément attribué à l'entreprise et la date de début de l'agrément.]1

  
Art. N23. [1 Bijlage 23. Onderdelen van de opleiding voor de monsternemer, vermeld in artikel 53/1, §6, en 53/2, §6
Art. N23. [1 Annexe 23. Eléments de la formation de l'échantillonneur visée à l'article 53/1, §6, et à l'article 53/2, §6.
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-09-2019, p. 88895)]1
  
   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-09-2019, p. 89051)]1
  Modifié par:
  
  
  
-
Art. N24. [1 Bijlage 24. Lijst met minimumgegevens van het certificaat als vermeld in artikel 53/9, 3°
Art. N24. [1 Annexe 23. Liste contenant les données minimales du certificat visé à l'article 53/9, 3°
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 26-09-2019, p. 88895)]1
  
   (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 26-09-2019, p. 89051)]1
  
Art. N25. [1 Bijlage 25]1
Art. N25. [1 Annexe 25]1
  (Beeld niet opgenomen om technische redenen, zie B.St. van 20-12-2022, p. 98146)
  
  (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 20-12-2022, p. 98163)
  
Art. N26 [
Art. N26. [1 (Image non reprise pour des raisons techniques, voir M.B. du 20-02-2025, p. 31130) ]1