Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
30 DECEMBER 2009. - Wet houdende diverse bepalingen betreffende Justitie (II)
Titre
30 DECEMBRE 2009. - Loi portant des dispositions diverses en matière de Justice (II)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (94)
Texte (94)
HOOFDSTUK 1. - Algemene bepaling
CHAPITRE 1er. - Disposition générale
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de grondwet.
Article 1er. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la constitution.
HOOFDSTUK 2. - Wijzigingen van strafrecht en strafprocesrecht
CHAPITRE 2. - Modifications de droit pénal et deprocédure pénale
Afdeling I. - Wijziging van het Strafwetboek
Section Ire. - Modification du Code pénal
Art.2. In artikel 490, tweede lid, 1°, van het Strafwetboek, vervangen bij de wet van 8 augustus 1997, worden de woorden " het inschrijvingsnummer in het handelsregister " vervangen door de woorden " het ondernemingsnummer ".
Art.2. Dans l'article 490, alinéa 2, 1°, du Code pénal, remplacé par la loi du 8 août 1997, les mots " d'immatriculation au registre du commerce " sont remplacés par les mots " d'entreprise ".
Afdeling II. - Wijzigingen van het Wetboek van strafvordering
Section II. - Modifications du Code d'instruction criminelle
Art.3. In artikel 112ter van het Wetboek van strafvordering, ingevoegd bij de wet van 2 augustus 2002, wordt paragraaf 4 vervangen als volgt :
  " § 4. Onverminderd de toepassing van artikel 47bis, wordt op verzoek van de onderzoeksrechter, van de procureur des Konings, van de gehoorde persoon, of van de partijen die in het geding betrokken zijn, overgegaan tot de volledige en letterlijke overschrijving van de bijkomende gedeelten van het verhoor die zij aanduiden. De overschrijving wordt zo spoedig mogelijk bij het dossier gevoegd. ".
Art.3. Dans l'article 112ter du Code d'instruction criminelle, inséré par la loi du 2 août 2002, le paragraphe 4 est remplacé par ce qui suit :
  " § 4. Sans préjudice de l'application de l'article 47bis, il est procédé, à la demande du juge d'instruction, du procureur du Roi, de la personne entendue ou des parties au procès, à la retranscription intégrale et littérale des parties additionnelles de l'audition qu'ils désignent. Elle est versée au dossier dans les plus brefs délais. ".
Art.4. Artikel 136ter, § 2, van hetzelfde Wetboek ingevoegd bij de wet van 31 mei 2005, wordt vervangen als volgt :
  " § 2. Op verzoek van de inverdenkinggestelde, aanhangig gemaakt door een op de griffie van het hof van beroep neergelegd verzoekschrift, neemt de kamer van inbeschuldigingstelling kennis van de bij artikel 22, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis bedoelde zaken waarin de inverdenkinggestelde zich in voorlopige hechtenis bevindt en waarover de raadkamer, wat de regeling van de rechtspleging betreft, geen uitspraak heeft gedaan binnen zes maanden te rekenen van het verlenen van het bevel tot aanhouding. ".
Art.4. L'article 136ter, § 2, du même Code, inséré par la loi du 31 mai 2005, est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. A la demande de l'inculpé, par une requête déposée au greffe de la cour d'appel, la chambre des mises en accusation connaît des affaires visées à l'article 22, alinéa 2, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, dans lesquelles l'inculpé se trouve en détention préventive et sur lesquelles la chambre du conseil n'aurait point statué, en ce qui concerne le règlement de la procédure, dans les six mois à compter de la délivrance du mandat d'arrêt. ".
Art.5. In artikel 146 van hetzelfde Wetboek vervangen door de wet van 27 februari 1956 en gewijzigd bij de wet van 10 oktober 1967, wordt tussen het tweede en het derde lid een lid ingevoegd, luidende :
  " Wanneer de verdachte of een van de verdachten zich in voorlopige hechtenis bevindt, kunnen de termijnen worden verkort en de partijen gedagvaard om te verschijnen binnen een termijn die niet korter mag zijn dan drie dagen. ".
Art.5. Dans l'article 146 du même Code, remplacé par la loi du 27 février 1956 et modifié par la loi du 10 octobre 1967, un alinéa rédigé comme suit est inséré entre les alinéas 2 et 3 :
  " Lorsque l'inculpé ou l'un des inculpés est détenu préventivement, les délais pourront être abrégés et les parties citées à comparaître dans un délai qui ne pourra être inférieur à trois jours. ".
Art.6. Artikel 182, eerste lid, van hetzelfde Wetboek gewijzigd bij de wetten van 10 juli 1967, 11 juli 1994 en 28 maart 2000, wordt aangevuld met de volgende zin :
  " Partijen kunnen eveneens vrijwillig en op een eenvoudige oproeping verschijnen, zonder dat een dagvaarding nodig is. ".
Art.6. L'article 182, alinéa 1er, du même Code, modifié par les lois des 10 juillet 1967, 11 juillet 1994 et 28 mars 2000, est complété par la phrase suivante :
  " Les parties peuvent également comparaître volontairement et sur un simple avertissement sans qu'il soit besoin de citation. ".
Art.7. In artikel 187 van hetzelfde Wetboek wordt het tweede lid, gewijzigd bij de wet van 15 juni 1981, vervangen als volgt :
  " Is de betekening van het vonnis niet aan de beklaagde in persoon gedaan, dan kan deze, wat de veroordelingen tot straf betreft, in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij van de betekening kennis heeft gekregen. Indien hij hiervan kennis heeft gekregen door de betekening van een Europees aanhoudingsbevel of een uitleveringsverzoek of indien de lopende termijn van vijftien dagen nog niet verstreken was op het ogenblik van zijn aanhouding in het buitenland, kan hij in verzet komen binnen een termijn van vijftien dagen na de dag waarop hij werd overgeleverd of in het buitenland terug in vrijheid werd gesteld. Indien het niet blijkt dat hij kennis heeft gekregen van de betekening, kan de beklaagde in verzet komen totdat de termijnen van verjaring van de straf verstreken zijn. Wat de burgerrechtelijke veroordelingen betreft, kan hij in verzet komen tot de tenuitvoerlegging van het vonnis. ".
Art.7. Dans l'article 187 du même Code, l'alinéa 2, modifié par la loi du 15 juin 1981, est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsque la signification du jugement n'a pas été faite à sa personne, le prévenu pourra faire opposition, quant aux condamnations pénales, dans les quinze jours qui suivent celui où il aura connu la signification. S'il en a eu connaissance par la signification d'un mandat d'arrêt européen ou d'une demande d'extradition ou que le délai en cours de quinze jours n'a pas encore expiré au moment de son arrestation à l'étranger, il pourra faire opposition dans les quinze jours qui suivent celui de sa remise ou de sa remise en liberté à l'étranger. S'il n'est pas établi qu'il a eu connaissance de la signification, le prévenu pourra faire opposition jusqu'à l'expiration des délais de prescription de la peine. Il pourra faire opposition, quant aux condamnations civiles, jusqu'à l'exécution du jugement. ".
Afdeling III. - Wijziging van artikel 28, § 1, van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis
Section III. - Modification de l'article 28, § 1er, de la loi du 13 mars 1973 relative à l'indemnité en cas de détention préventive inopérante
Art.8. In artikel 28, § 1, van de wet van 13 maart 1973 betreffende de vergoeding voor onwerkzame voorlopige hechtenis, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de bepaling onder b) wordt vervangen als volgt :
  " b) indien hij een beschikking of een arrest van buitenvervolgingstelling heeft bekomen; ";
  2° de bepaling onder d) wordt opgeheven.
Art.8. A l'article 28, § 1er, de la loi du 13 mars 1973 relative à l'indemnité en cas de détention préventive inopérante, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le b) est remplacé par ce qui suit :
  " b) si elle a bénéficié d'une ordonnance ou d'un arrêt de non-lieu; ";
  2° le d) est abrogé.
Afdeling IV. - Financiële hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en aan de occasionele redders
Section IV. - L'aide financière aux victimes d'actes intentionnels de violence et aux sauveteurs occasionnels
Art.9. In artikel 31 van de wet van 1 augustus 1985 houdende fiscale en andere bepalingen, vervangen bij de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd bij de wetten van 27 december 2004 en 27 december 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 2° wordt vervangen als volgt :
  " 2° erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die overleden is als rechtstreeks gevolg van een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de overledene; "
  b) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
  " 3° ouders van een slachtoffer dat minderjarig is op het ogenblik van een opzettelijke gewelddaad en dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 31,1°, of personen die op dat ogenblik voorzagen in het onderhoud van de minderjarige; ";
  c) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  " 4° erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad van een persoon die sinds meer dan een jaar vermist is indien deze vermissing naar alle waarschijnlijkheid te wijten is aan een opzettelijke gewelddaad of personen die in duurzaam gezinsverband samenleefden met de vermiste persoon; ";
  d) in het 5°, worden de woorden " , hun verwanten tot de tweede graad of personen die in duurzaam gezinsverband met hen samenleefden " vervangen door de woorden " van de occasionele redder, zijn erfgerechtigden, in de zin van artikel 731 van het Burgerlijk Wetboek, tot en met de tweede graad of personen die in duurzaam gezinsverband met hem samenleefden. ";
  e) het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De commissie kan aan de onder 2°, 4° en 5° van het eerste lid bedoelde erfgerechtigden hulp toekennen ongeacht of ze geërfd hebben of niet van het overleden of vermiste slachtoffer of van de occasionele redder krachtens het in dit geval toepasselijk erfstelsel of krachtens de door hem genomen laatste wilsbeschikkingen. ".
Art.9. A l'article 31 de la loi du 1er août 1985 portant des mesures fiscales et autres, remplacé par la loi du 26 mars 2003 et modifié par les lois des 27 décembre 2004 et 27 décembre 2006, les modifications suivantes sont apportées :
  a) le 2° est remplacé par ce qui suit :
  " 2° aux successibles au sens de l'article 731 du Code civil, jusqu'au deuxième degré inclus, d'une personne dont le décès est la suite directe d'un acte intentionnel de violence, ou aux personnes qui vivaient dans un rapport familial durable avec elle; "
  b) le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° aux père et mère d'une victime mineure d'âge au moment d'un acte intentionnel et qui remplit les conditions de l'article 31,1°, ou aux personnes qui avaient ce mineur à leur charge à ce moment; ";
  c) le 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° aux successibles au sens de l'article 731 du Code civil, jusqu'au deuxième degré inclus, d'une personne disparue depuis plus d'un an, lorsque cette disparition est due selon toute probabilité à un acte intentionnel de violence, ou aux personnes qui vivaient dans un rapport familial durable avec elle; ";
  d) au 5°, les mots " , à leurs parents jusqu'au deuxième degré ou aux personnes qui vivaient avec eux dans un rapport familial durable " sont remplacés par les mots " du sauveteur occasionnel, à ses successibles au sens de l'article 731 du Code civil, jusqu'au deuxième degré, ou aux personnes qui vivaient dans un rapport familial durable avec lui. ";
  e) l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " La commission peut accorder une aide aux successibles visées aux 2°, 4° et 5° de l'alinéa 1er indépendamment du fait qu'ils aient hérité ou non de la victime décédée ou disparue ou du sauveteur occasionnel en vertu du régime successoral applicable en l'espèce ou en vertu des dispositions de dernière volonté prises par le défunt. ".
Art.10. In artikel 31bis, § 1, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 26 maart 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) de bepaling onder 2° wordt opgeheven;
  b) de bepaling onder 3° wordt vervangen als volgt :
  " 3° Indien de dader onbekend is, moet de verzoeker klacht hebben ingediend, de hoedanigheid van benadeelde partij hebben aangenomen of zich burgerlijke partij hebben gesteld.
  Indien het strafdossier geseponeerd wordt wegens die reden is het indienen van een klacht of het aannemen van de hoedanigheid van benadeelde persoon voldoende.
  Het verzoek is binnen drie jaar ingediend. De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag van de eerste beslissing tot seponering wegens onbekende dader of vanaf de dag waarop een onderzoeksgerecht een beslissing tot buitenvervolgingstelling wegens onbekende daders uitgesproken heeft die kracht van gewijsde heeft bekomen.
  Met een beslissing tot buitenvervolgingstelling wegens onbekende daders wordt gelijkgesteld, de beslissing van een burgerlijk of strafrechterlijk gerecht die de verdachte of de verweerder van de schuld van een opzettelijke gewelddaad, of van de verantwoordelijkheid van de nadelige gevolgen daarvan, ontlast, voor zover deze beslissing de werkelijkheid van de opzettellijke gewelddaad en van de gevolgen ervan onbetwijfelbaar vaststelt, zonder aan enig persoon de verantwoordelijkheid daarvan toe te schrijven.
  De hulp kan ook worden toegekend indien er meer dan een jaar verstreken is sinds het indienen van een klacht, het aannemen van de hoedanigheid van benadeelde persoon of de datum van de burgerlijke partijstelling en de dader onbekend blijft. ";
  c) de bepaling onder 4° wordt vervangen als volgt :
  " 4° Indien de dader bekend is, moet de verzoeker schadevergoeding nastreven door middel van een burgerlijke partijstelling, een rechtstreekse dagvaarding of een vordering voor een burgerlijke rechtbank.
  Het verzoek kan slechts worden ingediend, naargelang het geval, na een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de strafvordering of na een in kracht van gewijsde gegane beslissing van de burgerlijke rechtbank over de toerekening van of over de vergoeding van de schade.
  Het verzoek is binnen drie jaar ingediend.
  De termijn loopt, naargelang het geval, vanaf de dag waarop er definitief uitspraak is gedaan over de strafvordering bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing door een onderzoeks- of vonnisgerecht, de dag waarop een strafrechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing uitspraak heeft gedaan over de burgerlijke belangen na de beslissing over de strafvordering, of de dag waarop uitspraak is gedaan door een burgerlijke rechtbank bij een in kracht van gewijsde gegane beslissing over de toerekening van of over de vergoeding van de schade. ";
  d) paragraaf 1 wordt aangevuld met een punt 6°, luidende :
  " 6° Wanneer de verzoeker door omstandigheden volledig buiten zijn wil om geen klacht kon indienen, de hoedanigheid van benadeelde partij niet kon aannemen, zich geen burgerlijke partij kon stellen, geen vordering kon instellen of geen vonnis kon bekomen of wanneer het instellen van een vordering of het bekomen van een vonnis gelet op de insolvabiliteit van de dader kennelijk onredelijk lijkt, kan de commissie oordelen dat de door de verzoeker aangehaalde redenen voldoende zijn om hem te ontslaan van de in 3° en 4° voorziene voorwaarden. ".
Art.10. A l'article 31bis, § 1er, de la même loi, inséré par la loi du 26 mars 2003 et modifié par la loi du 27 décembre 2004, sont apportées les modifications suivantes :
  a) le 2° est abrogé;
  b) le 3° est remplacé par ce qui suit :
  " 3° Lorsque l'auteur est demeuré inconnu, le requérant doit avoir porté plainte, acquis la qualité de personne lésée ou s'être constitué partie civile.
  Lorsque le dossier pénal a été classé sans suite pour ce motif, le dépôt de plainte ou l'acquisition de la qualité de personne lésée par le requérant est suffisant.
  La demande est introduite dans un délai de trois ans. Le délai prend cours, selon le cas, à partir du jour de la première décision de classement sans suite pour auteurs inconnus, ou du jour où une décision de non-lieu pour auteurs inconnus, qui a acquis force de chose jugée, a été prononcée par une juridiction d'instruction.
  Est assimilée à une décision de non-lieu pour auteurs inconnus, la décision d'une juridiction civile ou répressive, déchargeant le prévenu ou le défendeur de la culpabilité d'un acte intentionnel de violence ou de la responsabilité des conséquences dommageables de celui-ci, pour autant que la décision établisse de façon indubitable la réalité de l'acte intentionnel de violence et de ses conséquences, sans en imputer à quiconque la responsabilité.
  L'aide peut également être octroyée lorsqu'un délai de plus d'un an s'est écoulé depuis le dépôt de plainte, l'acquisition de la qualité de personne lésée ou la date de constitution de partie civile et que l'auteur demeure inconnu. ";
  c) le 4° est remplacé par ce qui suit :
  " 4° Lorsque l'auteur est connu, le requérant doit tenter d'obtenir réparation de son préjudice en s'étant constitué partie civile, en ayant procédé à une citation directe ou en ayant intenté une procédure devant un tribunal civil.
  La requête ne pourra toutefois être introduite, selon le cas, qu'après qu'il aura été statué sur l'action publique par une décision judiciaire passée en force de chose jugée ou qu'après une décision du tribunal civil passée en force de chose jugée sur l'imputabilité ou l'indemnisation du dommage.
  La demande est introduite dans un délai de trois ans.
  Le délai prend cours, selon le cas, à partir du jour où il a été statué définitivement sur l'action publique par une décision coulée en force de chose jugée, prononcée par une juridiction d'instruction ou de jugement, du jour où une décision sur les intérêts civils, coulée en force de chose jugée, a été prononcée par la juridiction répressive postérieurement à la décision sur l'action publique, ou du jour où une décision, coulée en force de chose jugée, sur l'imputabilité ou l'indemnisation du dommage, a été prononcée par un tribunal civil. ";
  d) le paragraphe 1er est complété par un point 6° rédigé comme suit :
  " 6° Lorsque le requérant, suite à des circonstances absolument indépendantes de sa volonté n'a pas pu porter plainte, n'a pas pu acquérir la qualité de personne lésée, n'a pas pu se constituer partie civile, n'a pas pu introduire une action ou n'a pas pu obtenir un jugement ou lorsque l'introduction d'une action ou l'obtention d'un jugement apparaît comme manifestement déraisonnable compte tenu de l'insolvabilité de l'auteur, la commission peut estimer que les raisons invoquées par le requérant sont suffisantes pour le dispenser des conditions prévues aux 3° et 4°. ".
Art.11. In artikel 33, § 1, van dezelfde wet, vervangen bij de wet 26 maart 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste streepje worden de woorden " van de verzoeker indien deze " vervangen door de woorden " van de verzoeker of van het slachtoffer indien dit gedrag ";
  2° in het tweede streepje worden de woorden " of het slachtoffer " ingevoegd tussen de woorden " de verzoeken " en de woorden " en de dader ".
Art.11. A l'article 33, § 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 26 mars 2003, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au premier tiret les mots " du requérant lorsque celui-ci " sont remplacés par les mots " du requérant ou de la victime lorsque ce comportement ";
  2° au deuxième tiret les mots " ou la victime " sont insérés entre les mots " le requérant " et les mots " et l'auteur ".
Art.12. In artikel 34, vierde lid, eerste streepje, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 22 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° de woorden " de klacht, " worden ingevoegd tussen de woorden " naargelang het geval, " en de woorden " de beslissing tot seponering ";
  2° de woorden " en de eventuele beslissing over de burgerlijke belangen " worden vervangen door de woorden " , de latere beslissing van de strafrechter over de burgerlijke belangen en de eventuele beslissing van de burgerlijke rechtbank; ".
Art.12. A l'article 34, alinéa 4, premier tiret, de la même loi, remplacé par la loi du 22 avril 2003 et modifié par la loi du 27 décembre 2004, les modifications suivantes sont apportées :
  1° les mots " de la plainte, " sont insérés entre les mots " selon le cas, " et les mots " de la décision de classement sans suite ";
  2° les mots " et, le cas échéant, de la décision statuant sur les intérêts civils " sont remplacés par les mots " , de la décision postérieure du juge répressif statuant sur les intérêts civils et, le cas échéant, de la décision du tribunal civil; ".
Afdeling V. - Wijzigingen van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis
Section V. - Modifications de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive
Art.13. Artikel 22bis, eerste lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, ingevoegd bij de wet van 31 mei 2005, wordt vervangen als volgt :
  " Wanneer een beschikking tot handhaving van de voorlopige hechtenis is genomen met toepassing van artikel 22, tweede lid, of met toepassing van artikel 136ter, § 4, van het Wetboek van strafvordering, kan de invrijheidsstelling worden verleend door de raadkamer, op een verzoekschrift dat de inverdenkinggestelde neerlegt op de griffie van de raadkamer. ".
Art.13. L'article 22bis, alinéa 1er, de la loi du 20 juillet 1990 relative à la détention préventive, inséré par la loi du 31 mai 2005, est remplacé par ce qui suit :
  " Lorsqu'une ordonnance de maintien en détention préventive est prise en application de l'article 22, alinéa 2, ou en application de l'article 136ter, § 4, du Code d'instruction criminelle, la mise en liberté peut être accordée par la chambre du conseil sur requête déposée par l'inculpé au greffe de la chambre du conseil. ".
Art.14. In artikel 35, § 4, vijfde lid, van dezelfde wet wordt de zin : " In geval echter van buitenvervolgingstelling, vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging of voorwaardelijke veroordeling, beveelt het vonnis of het arrest de teruggave, onder afhouding van de buitengewone kosten waartoe de niet-verschijning aanleiding mocht hebben gegeven. ", vervangen als volgt :
  " In geval echter van buitenvervolgingstelling, vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, voorwaardelijke veroordeling of verjaring van de strafvordering, beveelt het vonnis of het arrest de teruggave, onder voorbehoud van de buitengewone kosten waartoe de niet-verschijning aanleiding mocht hebben gegeven. ".
Art.14. Dans l'article 35, § 4, alinéa 5, de la même loi, la phrase " Néanmoins, en cas de renvoi des poursuites, d'acquittement, d'absolution ou de condamnation conditionnelle, le jugement ou l'arrêt en ordonne la restitution, sauf prélèvement des frais extraordinaires auxquels le défaut de se présenter aura pu donner lieu. " est remplacé par la phrase :
  " Néanmoins, en cas de renvoi des poursuites, d'acquittement, d'absolution, de condamnation conditionnelle ou de prescription de l'action publique, le jugement ou l'arrêt en ordonne la restitution, sauf prélèvement des frais extraordinaires auxquels le défaut de se présenter aura pu donner lieu. ".
HOOFDSTUK 3. - Wijzigingen van burgerlijk recht en internationaal privaatrecht
CHAPITRE 3. - Modifications de droit civil et de droit international privé
Afdeling I. - Wijziging van artikel 1426, § 3, van het Burgerlijk Wetboek
Section Ire. - Modification de l'article 1426, § 3, du Code civil
Art.15. In artikel 1426, § 3, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 14 juli 1976, worden de woorden " het centrale handelsregister " vervangen door de woorden " de Kruispuntbank van Ondernemingen ".
Art.15. Dans l'article 1426, § 3, du Code civil, remplacé par la loi du 14 juillet 1976, les mots " le registre central du commerce " sont remplacés par les mots " la Banque-Carrefour des Entreprises ".
Afdeling II. - Wijzigingen van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht met het oog op haar aanpassing aan de Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (" Rome II ")
Section II. - Modifications de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé, en vue de l'adapter au règlement (CE) n° 864/2007 du Parlement européen et du Conseil du 11 juillet 2007 sur la loi applicable aux obligations non contractuelles (" Rome II ")
Art.16. In artikel 98 van de wet van 16 juli 2004 houdende het Wetboek van internationaal privaatrecht worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het opschrift van het artikel wordt vervangen als volgt : " Toepassing van internationale instrumenten inzake verbintenissen ";
  2° het artikel wordt aangevuld met de paragrafen 4 en 5, luidende :
  " § 4. Het recht toepasselijk op de niet-contractuele verbintenissen wordt vastgesteld door Verordening (EG) nr. 864/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende het recht dat van toepassing is op niet-contractuele verbintenissen (" Rome II ").
  Niet-contractuele verbintenissen die van het toepassingsgebied van de verordening zijn uitgesloten, worden beheerst door het recht dat krachtens deze wet toepasselijk is.
  § 5. Het recht toepasselijk op de verkeersongevallen op de weg wordt vastgesteld door het Verdrag inzake de wet van toepassing op verkeersongevallen op de weg, gesloten te Den Haag op 4 mei 1971. ".
Art.16. A l'article 98 de la loi du 16 juillet 2004 portant le Code de droit international privé, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'intitulé de l'article est remplacé par ce qui suit : " Application des instruments internationaux en matière d'obligations ";
  2° l'article est complété par les paragraphes 4 et 5 rédigés comme suit :
  " § 4. Le droit applicable aux obligations non contractuelles est déterminé par le règlement (CE) n° 864/2007 du Parlement européen et du Conseil du 11 juillet 2007 sur la loi applicable aux obligations non contractuelles (" Rome II ").
  Les obligations non contractuelles que ce règlement exclut de son domaine d'application sont régies par le droit applicable en vertu de la présente loi.
  § 5. Le droit applicable aux accidents de la circulation routière est déterminé par la Convention sur la loi applicable aux accidents de la circulation routière, conclue à La Haye le 4 mai 1971. ".
Art.17. In artikel 99 van dezelfde wet wordt paragraaf 2 vervangen als volgt :
  " § 2. Verbintenissen voortvloeiend uit eerroof of schending van de persoonlijke levenssfeer of van persoonlijkheidsrechten worden evenwel beheerst door, naar keuze van de eiser, het recht van de Staat op wiens grondgebied de schadelijke handeling of de schade zich heeft voorgedaan of dreigt zich te zullen voordoen, tenzij de aansprakelijke persoon aantoont dat hij niet kon voorzien dat de schade zich in die Staat zou voordoen. ".
Art.17. Dans l'article 99 de la même loi, le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Toutefois, l'obligation dérivant d'un acte de diffamation ou d'une atteinte à la vie privée ou aux droits de la personnalité est régie par le droit de l'Etat sur le territoire duquel le fait générateur ou le dommage est survenu ou menace de survenir, au choix du demandeur, à moins que la personne responsable n'établisse qu'elle ne pouvait pas prévoir que le dommage surviendrait dans cet Etat. ".
Afdeling III. - Afstamming
Section III. - Filiation
Art.18. Artikel 25 van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, gewijzigd bij de wet van 27 december 2006, wordt aangevuld met een paragraaf 6, luidende :
  " § 6. Het oude artikel 319bis van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op de erkenningen die plaats hebben gehad vóór de inwerkingtreding van deze wet.
  De erkenner kan evenwel ook een nieuwe erkenning doen overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik van de erkenning. ".
Art.18. L'article 25 de la loi du 1er juillet 2006 modifiant des dispositions du Code civil relatives à l'établissement de la filiation et aux effets de celle-ci, modifié par la loi du 27 décembre 2006, est complété par un paragraphe 6, rédigé comme suit :
  " § 6. L'ancien article 319bis du Code civil, tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de la présente loi, reste applicable aux reconnaissances qui ont été effectuées avant l'entrée en vigueur de la présente loi.
  L'auteur de la reconnaissance peut toutefois faire une nouvelle reconnaissance conformément aux dispositions en vigueur au moment de la reconnaissance. ".
Art.19. Niettegenstaande artikel 25, § 6, eerste lid, van de wet van 1 juli 2006 tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan, blijven de erkenningen, die plaats hadden vóór de inwerkingtreding van de wet van 1 juli 2006 en die niet werden gehomologeerd, overeenkomstig het oude artikel 319bis van het Burgerlijk Wetboek, definitief :
  1° wanneer zij, vóór de inwerkingtreding van deze wet, bij toepassing van het nieuwe artikel 319bis van hetzelfde Wetboek, zoals vervangen bij de wet van 1 juli 2006, als definitief werden beschouwd en een inschrijving in die zin gebeurde in de rand van de akte van erkenning of geboorte;
  2° wanneer vóór de inwerkingtreding van deze wet bij gerechtelijke beslissing werd geoordeeld dat de vordering tot homologatie onontvankelijk of zonder voorwerp was ingevolge de inwerkingtreding van het nieuwe artikel 319bis van hetzelfde Wetboek.
Art.19. Nobstant l'article 25, § 6, de la loi du 1er juillet 2006 modifiant des dispositions du Code civil relatives à l'établissement de la filiation et aux effets de celle-ci, les reconnaissances faites avant l'entrée en vigueur de la loi du 1er juillet 2006 et qui n'ont pas été homologuées, conformément à l'ancien article 319bis du Code civil, restent définitives :
  1° lorsqu'avant l'entrée en vigueur de la présente loi, elles étaient considérées comme définitives en application du nouvel article 319bis du même Code, tel que remplacé par la loi du 1er juillet 2006, et qu'une mention en ce sens a été inscrite en marge de l'acte de reconnaissance ou de naissance;
  2° lorsqu'avant l'entrée en vigueur de la présente loi, il a été jugé par décision judiciaire que la demande d'homologation était irrecevable ou sans objet suite à l'entrée en vigueur du nouvel article 319bis du même Code.
HOOFDSTUK 4. - Wijzigingen van gerechtelijk recht en handelsrecht
CHAPITRE 4. - Modifications de droit judiciaire et de droit commercial
Afdeling I. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek betreffende het deskundigenonderzoek
Section Ire. - Modifications du Code judiciaire concernant l'expertise judiciaire
Art.20. In artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 15 mei 2007, worden tussen het eerste en het tweede lid, twee leden ingevoegd, luidende :
  " De rechter kan daarbij de deskundigen aanwijzen waarover partijen het eens zijn. Hij kan van de keuze van de partijen slechts afwijken bij een met redenen omklede beslissing.
  Behoudens overeenstemming tussen de partijen, geven de deskundigen alleen advies over de in het vonnis bepaalde opdracht. ".
Art.20. Dans l'article 962 du Code judiciaire, modifié par la loi du 15 mai 2007, deux alinéas rédigés comme suit sont insérés entre les alinéas 1er et 2 :
  " Le juge peut désigner les experts sur lesquels les parties marquent leur accord. Il ne peut déroger au choix des parties que par une décision motivée.
  A défaut d'accord entre les parties, les experts donnent uniquement un avis sur la mission prévue dans le jugement. ".
Art.21. Het artikel 963 van hetzelfde Wetboek, opgeheven bij de wet van 15 mei 2007, wordt hersteld als volgt :
  " Art. 963. § 1. Met uitzondering van de beslissingen genomen met toepassing van de artikelen 971, 979, 987, eerste lid, en 991, zijn de belissingen die het verloop van de procedure van het deskundigenonderzoek regelen niet vatbaar voor verzet of hoger beroep.
  § 2. De beslissingen die het onderwerp kunnen zijn van een gewoon rechtsmiddel in de zin van § 1 zijn uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande verzet of hoger beroep. In afwijking van artikel 1068, eerste lid, maakt het hoger beroep tegen deze beslissingen de andere aspecten van het geschil zelf niet aanhangig bij de rechter in hoger beroep. ".
Art.21. L'article 963 du même Code, abrogé par la loi du 15 mai 2007, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 963. § 1. A l'exception des décisions prises en application des articles 971, 979, 987, alinéa 1er, et 991, les décisions réglant le déroulement de la procédure d'expertise ne sont susceptibles ni d'opposition ni d'appel.
  § 2. Les décisions qui restent susceptibles d'un recours ordinaire en vertu du § 1er sont exécutoires par provision, nonobstant opposition ou appel. Par dérogation à l'article 1068, alinéa 1er, l'appel formé contre ces décisions ne saisit pas du fond du litige le juge d'appel. ".
Art.22. In artikel 971 van hetzelfde Wetboek worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het vierde lid wordt opgeheven;
  2° het vijfde lid wordt vervangen als volgt :
  " In het geval van het tweede lid en het derde lid, in fine, wijst de rechter ambtshalve de nieuwe deskundige aan, tenzij de partijen op het ogenblik van het vonnis overeengekomen zijn over de keuze van een deskundige. De rechter kan evenwel van de keuze van de partijen afwijken bij een met redenen omklede beslissing. ".
Art.22. A l'article 971 du même Code les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 4 est abrogé;
  2° l'alinéa 5 est remplacé par ce qui suit :
  " Dans le cas de l'alinéa 2 et de l'alinéa 3, in fine, le juge nomme d'office le nouvel expert, à moins que, lors du jugement, les parties ne soient convenues de ce choix. Le juge peut cependant déroger au choix des parties par une décision motivée. ".
Art.23. In artikel 972, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 :
  a) in het eerste lid wordt in de bepaling onder het derde streepje het woord " nauwkeurig " vervangen door het woord " nauwkeurige ";
  b) in het eerste lid wordt de bepaling onder het vierde streepje opgeheven;
  c) het tweede lid wordt aangevuld met de woorden " , tenzij alle partijen die verschenen zijn om een opschorting van de kennisgeving hebben verzocht, voor de beslissing waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen, is genomen. In het geval van een opschorting kan elke partij op elk ogenblik om een kennisgeving van de beslissing verzoeken ";
  d) het derde en het vierde lid worden vervangen als volgt :
  " Na de kennisgeving beschikt de deskundige over acht dagen om desgewenst de opdracht met behoorlijk omklede redenen te weigeren. De deskundige geeft hiervan kennis bij een ter post aangetekende brief aan de partijen die verstek laten gaan en bij gewone brief, per fax of elektronische post aan de verschenen partijen en hun raadslieden evenals aan de rechter. In dat geval maken de partijen binnen de acht dagen bij gewone brief hun eventuele opmerkingen over aan de rechter die daarna een nieuwe deskundige aanwijst. Van deze beslissing wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, vijfde lid.
  Indien er geen installatievergadering werd bepaald, beschikt de deskundige na de kennisgeving overeenkomstig het tweede lid of, in voorkomend geval, na kennisgeving van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987, over vijftien dagen teneinde de plaats, de dag en het uur van de aanvang van zijn werkzaamheden mee te delen. De deskundige geeft hiervan kennis bij een ter post aangetekende brief aan de partijen en bij gewone brief aan de rechter en de raadslieden. ".
  2° paragraaf 2 wordt vervangen als volgt :
  " § 2. In de beslissing waarbij het deskundigenonderzoek wordt bevolen, bepaalt de rechter een installatievergadering als hij het noodzakelijk acht of indien alle verschijnende partijen het hebben gevraagd.
  De rechter bepaalt de plaats, de dag en het uur van de installatievergadering na samenspraak met de deskundige, en rekening houdend met artikel 972bis, § 1, tweede lid.
  De installatievergadering vindt plaats in de raadkamer, of in enige andere plaats die de rechter naar gelang van de aard van het geschil aanwijst.
  De aanwezigheid van de deskundige op de installatievergadering is vereist, tenzij de rechter dit niet nodig acht en een telefonisch contact of een contact via enig ander telecommunicatiemiddel volstaat.
  In het geval van een niet toegestane afwezigheid in de zin van het vierde lid, oordeelt de rechter onmiddellijk over zijn vervanging overeenkomstig artikel 979. Bij een vervanging wordt onverwijld een nieuwe installatievergadering georganiseerd zoals bepaald in het tweede lid. Van deze beslissing wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, vijfde lid.
  De rechter die het deskundigenonderzoek heeft bevolen of met de controle ervan is belast, zit de installatievergadering voor.
  De na afloop van de installatievergadering genomen beslissing vermeldt :
  1° de eventuele aanpassing van de opdracht, ingeval partijen het daarover eens zijn;
  2° de plaats, de dag, en het uur van de verdere werkzaamheden van de deskundige;
  3° de noodzaak voor de deskundige om al dan niet een beroep te doen op technische raadgevers;
  4° de raming van de algemene kostprijs van het deskundigenonderzoek, of tenminste de manier waarop de kosten en het ereloon van de deskundige en de eventuele technische raadgevers zullen berekend worden;
  5° in voorkomend geval, het bedrag van het voorschot dat moet worden geconsigneerd, de partij of partijen die daartoe gehouden zijn en de termijn waarbinnen de consignatie dient te gebeuren;
  6° het redelijk deel van het voorschot dat kan worden vrijgegeven aan de deskundige, de partij of partijen die daartoe gehouden zijn en de termijn waarbinnen de vrijgave van het voorschot dient te gebeuren;
  7° de termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen kunnen laten gelden aangaande het voorlopig advies van de deskundige;
  8° de termijn voor het neerleggen van het eindverslag.
  Bij gebreke van een installatievergadering vermeldt de rechter in zijn beslissing waarbij hij het deskundigenonderzoek beveelt, ten minste de elementen bepaald in 3°, 4°, 5°, 6° en 8°. Hij kan de andere elementen vermelden. De rechter neemt voor de elementen waartoe hij dit nodig acht en voorafgaand aan zijn beslissing contact op met de aan te wijzen deskundige.
  De kennisgeving van deze beslissing door de griffier gebeurt overeenkomstig artikel 973, § 2, derde lid. ".
Art.23. A l'article 972, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° au paragraphe 1er :
  a) dans le texte néerlandais, à l'alinéa 1er, dans la disposition sous le troisième tiret, le mot " nauwkeurig " est remplacé par le mot " nauwkeurige ";
  b) à l'alinéa 1er, la disposition sous le quatrième tiret est abrogée;
  c) l'alinéa 2 est complété par les mots " , sauf si toutes les parties qui ont comparu ont demandé, avant que la décision ordonnant l'expertise ne soit prise, une suspension de la notification. En cas de suspension, chaque partie peut à tout moment demander la notification de la décision ";
  d) les alinéas 3 et 4 sont remplacés par ce qui suit :
  " Après la notification, l'expert dispose de huit jours pour refuser la mission, s'il le souhaite, en motivant dûment sa décision. L'expert en avise les parties qui ont fait défaut par lettre recommandée à la poste et les parties qui ont comparu, leurs conseils ainsi que le juge par lettre missive, par télécopie ou par courrier électronique. Dans ce cas, les parties communiquent dans les huit jours par simple lettre leurs observations éventuelles au juge qui désigne ensuite un nouvel expert. Cette décision est notifiée conformément à l'article 973, § 2, alinéa 5.
  Si aucune réunion d'installation n'a été prévue, l'expert dispose de quinze jours à compter de la notification faite conformément à l'alinéa 2 ou, le cas échéant, de la notification de la consignation de la provision conformément à l'article 987, pour communiquer les lieu, jour et heure du début de ses travaux. L'expert en avise les parties par lettre recommandée à la poste et le juge et les conseils par lettre missive. ".
  2° le paragraphe 2 est remplacé par ce qui suit :
  " § 2. Dans la décision ordonnant l'expertise, le juge fixe une réunion d'installation s'il l'estime nécessaire ou si toutes les parties comparantes en font la demande.
  Le juge fixe les lieu, jour et heure de la réunion d'installation en concertation avec l'expert et en tenant compte de l'article 972bis, § 1er, alinéa 2.
  La réunion d'installation a lieu en chambre du conseil, ou dans tout autre endroit désigné par le juge en fonction de la nature du litige.
  La présence de l'expert à la réunion d'installation est requise, sauf si le juge estime qu'elle n'est pas nécessaire et qu'un contact par téléphone ou par tout autre moyen de télécommunication est suffisant.
  En cas d'absence de l'expert non justifiée conformément à l'alinéa 4, le juge statue immédiatement sur son remplacement conformément à l'article 979. En cas de remplacement, une nouvelle réunion d'installation est organisée sans délai selon les modalités prévues à l'alinéa 2. Cette décision est notifiée conformément à l'article 973, § 2, alinéa 5.
  Le juge qui a ordonné l'expertise ou qui est chargé de son contrôle préside la réunion d'installation.
  La décision prise à l'issue de la réunion d'installation précise :
  1° l'adaptation éventuelle de la mission, si les parties s'accordent sur ce point;
  2° les lieu, jour et heure des travaux ultérieurs de l'expert;
  3° la nécessité pour l'expert de faire appel ou non à des conseillers techniques;
  4° l'estimation du coût global de l'expertise ou, à tout le moins, le mode de calcul des frais et honoraires de l'expert et des éventuels conseillers techniques;
  5° le cas échéant, le montant de la provision qui doit être consignée, la ou les parties tenues d'y procéder et le délai dans lequel la consignation doit avoir lieu;
  6° la partie raisonnable de la provision pouvant être libérée au profit de l'expert, la ou les parties tenues d'y procéder et le délai dans lequel la libération de la provision doit avoir lieu;
  7° le délai dans lequel les parties pourront faire valoir leurs observations à l'égard de l'avis provisoire de l'expert;
  8° le délai pour le dépôt du rapport final.
  A défaut d'une réunion d'installation, le juge mentionne dans sa décision par laquelle il ordonne l'expertise judiciaire au moins les éléments visés au 3°, 4°, 5°, 6° et 8°. Il peut mentionner les autres éléments. Pour les éléments vis-à-vis desquels il l'estime nécessaire et préalablement à sa décision, le juge prend contact avec l'expert désigné.
  La notification de cette décision par le greffier a lieu conformément à l'article 973, § 2, alinéa 3. ".
Art.24. In artikel 972bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2007, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  " De partijen overhandigen ten minste acht dagen voor de installatievergadering en, bij gebreke daarvan, bij de aanvang van de werkzaamheden, een geïnventariseerd dossier met alle relevante stukken aan de deskundige. ".
Art.24. Dans l'article 972bis, § 1, du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2007, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Au moins huit jours avant la réunion d'installation et, à défaut, au début des travaux, les parties remettent à l'expert un dossier inventorié rassemblant tous les documents pertinents. ".
Art.25. In artikel 973, § 2, vijfde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, worden de woorden " , weigering van de opdracht door de deskundige of ongewettigde afwezigheid van de deskundige tijdens de installatievergadering " ingevoegd tussen de woorden " verzoek tot vervanging " en de woorden " , gebeurt de kennisgeving ".
Art.25. Dans l'article 973, § 2, alinéa 5, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, les mots " , de refus de l'expert d'accomplir la mission ou d'absence injustifiée de l'expert lors de la réunion d'installation " sont insérés entre les mots " demande de remplacement " et les mots " , la décision est notifiée ".
Art.26. In artikel 974, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  " Alleen de rechter mag de termijn voor het indienen van het eindverslag verlengen. De deskundige kan zich daartoe vóór het verstrijken van die termijn tot de rechter wenden met opgave van de redenen waarom de termijn zou moeten worden verlengd. Van dit verzoek wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, derde lid, behalve aan de verzoekende deskundige. De partijen bezorgen binnen de acht dagen hun eventuele opmerkingen. De rechter kan overeenkomstig artikel 973, § 2, de verschijning van de partijen en de deskundigen gelasten. ".
Art.26. Dans l'article 974, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Seul le juge peut prolonger le délai pour le dépôt du rapport final. à cet effet, l'expert peut s'adresser au juge avant l'expiration de ce délai, en indiquant les raisons pour lesquelles le délai devrait être prolongé. Cette demande est notifiée conformément à l'article 973, § 2, alinéa 3, sauf à l'expert requérant. Les parties communiquent dans les huit jours leurs observations éventuelles. Le juge peut ordonner la comparution des parties et des experts conformément à l'article 973, § 2. ".
Art.27. Artikel 976 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 976. Na afloop van zijn werkzaamheden stuurt de deskundige zijn bevindingen, waarbij hij reeds een voorlopig advies voegt, ter lezing aan de rechter, aan de partijen en aan hun raadslieden. Tenzij de rechter vooraf een termijn heeft vastgesteld, bepaalt de deskundige, rekening houdende met de aard van het geschil, een redelijke termijn waarbinnen de partijen hun opmerkingen moeten maken. Behoudens andersluidende beslissing van de rechter of door de deskundige in zijn voorlopig advies bedoelde bijzondere omstandigheden, bedraagt die termijn ten minste vijftien dagen.
  De deskundige ontvangt de opmerkingen van de partijen en van hun technische raadgevers voor het verstrijken van deze termijn. De deskundige houdt geen rekening met de opmerkingen die hij te laat ontvangt. De rechter kan deze ambtshalve uit de debatten weren.
  Wanneer de deskundige na ontvangst van de opmerkingen van de partijen nieuwe verrichtingen onontbeerlijk acht, verzoekt hij de rechter daarvoor om toestemming overeenkomstig artikel 973, § 2. ".
Art.27. L'article 976 du Code judiciaire, remplacé par la loi du 15 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 976. A la fin de ses travaux, l'expert envoie pour lecture au juge, aux parties et à leurs conseils, ses constatations, auxquelles il joint déjà un avis provisoire. à moins qu'il n'ait été antérieurement déterminé par le juge. L'expert fixe un délai raisonnable, compte tenu de la nature du litige, dans lequel les parties doivent formuler leurs observations. Sauf décision contraire du juge ou circonstances particulières visées par l'expert en son avis provisoire, ce délai est d'au moins quinze jours.
  L'expert reçoit les observations des parties et de leurs conseillers techniques avant l'expiration de ce délai. L'expert ne tient aucun compte des observations qu'il reçoit tardivement. Ces observations peuvent être écartées d'office des débats par le juge.
  Lorsqu'après réception des observations des parties, l'expert estime que de nouveaux travaux sont indispensables, il en sollicite l'autorisation auprès du juge conformément à l'article 973, § 2. ".
Art.28. In artikel 977 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in paragraaf 1 wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  " Indien de partijen zich verzoenen, wordt hun overeenkomst schriftelijk vastgelegd. De partijen kunnen handelen overeenkomstig artikel 1043. ";
  2° in paragraaf 2, eerste lid, worden de woorden " ,de stukken en nota's van de partijen " opgeheven;
  3° paragraaf 2 wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De originele stukken die de partijen aan de deskundige bezorgden, worden hen terugbezorgd. ".
Art.28. A l'article 977, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans le paragraphe 1er, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Si les parties se concilient, leur accord est constaté, par écrit. Les parties peuvent agir conformément à l'article 1043. ";
  2° dans le paragraphe 2, alinéa 1er, les mots " , les pièces et notes des parties " sont abrogés;
  3° le paragraphe 2 est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Les pièces originales communiquées à l'expert par les parties leur sont restituées. ".
Art.29. In artikel 978, § 2, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid worden de woorden " ,de stukken en nota's van de partijen " opgeheven;
  2° de paragraaf wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De originele stukken die de partijen aan de deskundige bezorgden, worden hen terugbezorgd. ".
Art.29. A l'article 978, § 2, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 1er, les mots " , les documents et notes des parties " sont abrogés;
  2° le paragraphe est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Les pièces originales communiquées à l'expert par les parties leur sont restituées. ".
Art.30. In artikel 979, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, wordt het tweede lid vervangen als volgt :
  " Indien de partijen hier gezamenlijk en gemotiveerd om verzoeken, moet de rechter de deskundige vervangen. Dit verzoek wordt aan de rechter gericht bij gewone brief en deze doet uitspraak binnen de acht dagen zonder oproeping of verschijning van partijen. De rechter kan daarbij de deskundigen aanwijzen waarover de partijen het eens zijn. Hij kan van de keuze van de partijen enkel afwijken op een met redenen omklede wijze. Van deze beslissing van de rechter wordt kennis gegeven overeenkomstig artikel 973, § 2, vijfde lid. ".
Art.30. Dans l'article 979, § 1er, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, l'alinéa 2 est remplacé par ce qui suit :
  " Si les parties en font conjointement la demande de manière motivée, le juge doit remplacer l'expert. Cette demande est adressée par lettre missive au juge, lequel statue dans les huit jours sans convocation ou comparution de parties. A cet égard, le juge peut désigner les experts sur lesquels les parties marquent leur accord. Il ne peut déroger au choix des parties que de manière motivée. La décision prise par le juge est notifiée conformément à l'article 973, § 2, alinéa 5. ".
Art.31. Artikel 985 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 985. De rechter kan de deskundige ter zitting horen. De deskundige, de partijen en hun raadslieden worden ter zitting opgeroepen overeenkomstig artikel 973, § 2, derde lid.
  De deskundige mag zich bij het verhoor van stukken bedienen. Indien de deskundige dit nuttig acht, kan hij de partijen of hun raadslieden voor het verhoor een kopie van die documenten bezorgen, of ze ter griffie neerleggen. Deze stukken worden door de deskundige uiterlijk na het verhoor ter griffie neergelegd. De partijen of hun raadslieden kunnen de ter griffie neergelegde stukken raadplegen.
  Alvorens hij wordt gehoord, legt de deskundige mondeling de eed af in de volgende bewoordingen :
  " Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk verslag zal doen. ";
  of
  " Je jure de faire mon rapport en honneur et conscience, avec exactitude et probité. ";
  of
  " Ich schwöre mein Gutachten auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich abzugeben. "
  De verklaringen van de deskundige worden vermeld in een proces-verbaal dat de rechter, de griffier en hijzelf ondertekenen na lezing en eventuele opmerkingen.
  Het ereloon en de kosten van de deskundige worden door de rechter onmiddellijk begroot onderaan het proces-verbaal met bevel tot tenuitvoerlegging ten laste van de partij of partijen die hij aanwijst en in de verhouding die hij bepaalt. Deze bedragen zullen in de eindbeslissing als gerechtskosten worden begroot.
  Op verzoek van de deskundige of van de partijen kan de rechter hun technische raadgevers horen. Dit gebeurt onder dezelfde voorwaarden zoals bepaald in het eerste, tweede en vierde lid. ".
Art.31. L'article 985 du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 985. Le juge peut entendre l'expert à l'audience. L'expert, les parties et leurs conseils sont convoqués à l'audience conformément à l'article 973, § 2, alinéa 3.
  L'expert peut s'aider de documents lors de l'audition. Si l'expert le juge opportun, il peut transmettre aux parties ou à leurs conseils une copie de ces documents ou les déposer au greffe préalablement à son audition. Ces documents sont, au plus tard, déposés au greffe par l'expert, immédiatement après son audition. Les documents déposés au greffe peuvent être consultés par les parties ou leurs conseils.
  L'expert prête, avant d'être entendu, le serment dans les termes suivants :
  " Je jure de faire mon rapport en honneur et conscience, avec exactitude et probité. ";
  Ou
  " Ik zweer dat ik in eer en geweten, nauwgezet en eerlijk verslag zal doen. ";
  Ou
  " Ich schwöre mein Gutachten auf Ehre und Gewissen, genau und ehrlich abzugeben. ".
  Les déclarations de l'expert sont actées dans un procès-verbal signé par le juge, par le greffier et par lui-même après lecture et observations s'il y a lieu.
  Le juge taxe immédiatement les frais et honoraires de l'expert au bas du procès-verbal et il en est délivré exécutoire contre la partie ou les parties qu'il désigne et dans la proportion qu'il détermine. Dans la décision finale, ces montants seront taxés comme frais de justice.
  A la demande de l'expert ou des parties, le juge peut entendre leurs conseillers techniques. Leur audition intervient sous les mêmes conditions que celles fixées aux alinéas 1er, 2 et 4. ".
Art.32. In artikel 986 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " De rechter kan een deskundige aanwijzen die aanwezig moet zijn bij een onderzoeksmaatregel die hij heeft bevolen om technische toelichting te verstrekken. De rechter kan eveneens een deskundige aanwijzen om mondeling verslag te doen op de daartoe vastgestelde zitting. De rechter kan deze deskundigen gelasten tijdens hun verhoor stukken over te leggen die dienstig zijn voor de oplossing van het geschil. ";
  2° het tweede lid wordt aangevuld met de volgende zinnen :
  " Deze stukken worden na de tussenkomst van de deskundige ter griffie neergelegd. De partijen of hun raadslieden kunnen hiervan kennis nemen. ".
Art.32. A l'article 986 du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Le juge peut désigner un expert afin qu'il soit présent lors d'une mesure d'instruction qu'il a ordonnée pour fournir des explications techniques. Le juge peut également désigner un expert pour faire rapport oralement à l'audience fixée à cet effet. Le juge peut enjoindre à ces experts de produire pendant leur audition des documents utiles à la solution du litige. ";
  2° l'alinéa 2 est complété par les phrases suivantes :
  " Ces documents sont déposés au greffe après l'intervention de l'expert. Les parties ou leurs conseils peuvent en prendre connaissance. ".
Art.33. Artikel 987 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 987. De rechter kan het voorschot bepalen dat elke partij moet consigneren ter griffie of bij de kredietinstelling die de partijen gezamenlijk hebben gekozen, en de termijn waarbinnen zij aan deze verplichting moet voldoen. De rechter kan deze verplichting niet opleggen aan de partij die overeenkomstig artikel 1017, tweede lid of krachtens een overeenkomst tussen partijen zoals bepaald in artikel 1017, eerste lid, niet in de kosten kan worden verwezen. De Koning kan bij een in Ministerraad overlegd besluit de nadere regels van de consignatie bepalen.
  Ingeval de aangestelde partij niet tot uitvoering overgaat, kan de meest gerede partij het voorschot in consignatie geven.
  De rechter kan het redelijk deel van het voorschot bepalen dat wordt vrijgegeven teneinde de kosten van de deskundige te dekken. De deskundige die btw-plichtig is, meldt dit aan de rechter die uitdrukkelijk bepaalt of het vrijgegeven bedrag al dan niet vermeerderd moet worden met de btw.
  Zodra het voorschot in consignatie werd gegeven, brengt de door de rechter tot betalen aangewezen partij de deskundige hiervan op de hoogte. De betalende partij bezorgt de deskundige een bewijs van betaling.
  Ingeval de aangestelde partij niet tot uitvoering overgaat, kan de meest gerede partij de deskundige op de hoogte brengen.
  In voorkomend geval stort de griffie of de kredietinstelling het vrijgegeven deel door naar de deskundige. ".
Art.33. L'article 987 du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 987. Le juge peut fixer la provision que chaque partie est tenue de consigner au greffe ou auprès de l'établissement de crédit dont les parties ont convenu, ainsi que le délai dans lequel elle doit satisfaire à cette obligation. Le juge ne peut imposer cette obligation à la partie qui, conformément à l'article 1017, alinéa 2, ou en vertu d'un accord entre les parties conformément à l'article 1017, alinéa 1er, ne peut être condamnée aux dépens. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, fixer les modalités de la consignation.
  A défaut d'exécution par la partie désignée, la partie la plus diligente peut consigner la provision.
  Le juge peut déterminer la partie raisonnable de la provision à libérer en vue de couvrir les frais de l'expert. L'expert assujetti à la TVA en informe le juge qui précise expressément si le montant libéré doit ou non être majoré de la TVA.
  Dès que la provision est consignée, la partie désignée par le juge pour le paiement en informe l'expert. La partie qui effectue le paiement remet une preuve de paiement à l'expert.
  A défaut d'exécution par la partie désignée, la partie la plus diligente peut informer l'expert.
  Le cas échéant, le greffe ou l'établissement de crédit verse la partie libérée à l'expert. ".
Art.34. In artikel 988, derde lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, wordt het woord " omkleedt " vervangen door het woord " omkleed ".
Art.34. Dans le texte néerlandais de l'article 988, alinéa 3, du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, le mot " omkleedt " est remplacé par le mot " omkleed ".
Art.35. In artikel 989 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het artikel wordt vóór het eerste lid een lid toegevoegd, luidende :
  " Indien een partij niet binnen de termijn consigneert, kan de rechter op verzoek van de meest gerede partij een bevel tot tenuitvoerlegging geven ten belope van het bedrag dat hij vaststelt. ";
  2° het artikel wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " De deskundigen kunnen desgevallend de vervulling van hun opdracht schorsen of uitstellen totdat zij op de hoogte zijn gebracht van de consignatie van het voorschot overeenkomstig artikel 987, vierde lid. ".
Art.35. A l'article 989 du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'article, un alinéa rédigé comme suit est inséré avant l'alinéa 1er :
  " Si une partie ne procède pas à la consignation dans le délai imparti, le juge peut en délivrer exécutoire à la demande de la partie la plus diligente à hauteur du montant qu'il fixe. ";
  2° l'article est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Les experts peuvent, le cas échéant, suspendre ou reporter l'exécution de leur mission jusqu'à ce qu'ils soient informés de la consignation de la provision conformément à l'article 987, alinéa 4. ".
Art.36. In artikel 991 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 15 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° paragraaf 1 wordt vervangen als volgt :
  " §1. Indien de partijen niet binnen dertig dagen na de neerlegging ter griffie van de gedetailleerde staat overeenkomstig § 2 aan de rechter hebben meegedeeld dat zij het bedrag van het ereloon en de kosten die door de deskundige worden aangerekend, betwisten, wordt dat bedrag door de rechter begroot onderaan op de minuut van de staat en wordt daarvan een bevel tot tenuitvoerlegging gegeven overeenkomstig het akkoord dat de partijen gesloten hebben of tegen de partij of partijen, zoals bepaald voor de consignatie van het voorschot. ";
  2° paragraaf 2, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " Indien één of meer partijen binnen de in § 1 bedoelde termijn niet akkoord gaan met de staat van kosten en ereloon en hun standpunt met redenen omkleden, gelast de rechter, overeenkomstig artikel 973, § 2, de oproeping van de partijen teneinde het bedrag van de kosten en het ereloon te begroten. ";
  3° paragraaf 2, derde lid, wordt aangevuld met de volgende zin :
  " Hij kan daarbij ook rekening houden met de moeilijkheid en duur van het geleverde werk, de hoedanigheid van de deskundige en de waarde van het geschil. ".
Art.36. A l'article 991 du même Code, remplacé par la loi du 15 mai 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  1° le paragraphe 1er est remplacé par ce qui suit :
  " § 1er. Si, dans les trente jours du dépôt de l'état détaillé au greffe, les parties n'ont pas, conformément au § 2, informé le juge qu'elles contestent le montant des honoraires, et des frais réclamés par l'expert, celui-ci est taxé par le juge au bas de la minute de l'état et il en est délivré exécutoire conformément à l'accord intervenu entre les parties ou contre la ou les parties, ainsi qu'il est prévu pour la consignation de la provision. ";
  " 2° le paragraphe 2, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " Si, dans le délai visé au § 1er, une ou plusieurs parties ont exprimé leur désaccord de manière motivée sur l'état des frais et honoraires, le juge ordonne la comparution des parties conformément à l'article 973, § 2, afin de procéder à la taxation de frais et honoraires. ";
  3° le paragraphe 2, alinéa 3, est complété par la phrase suivante :
  " Il peut en outre tenir compte de la difficulté et de la durée du travail fourni, de la qualité de l'expert et de la valeur du litige. ".
Art.37. In artikel 991bis van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 15 mei 2007, wordt het eerste lid vervangen als volgt :
  " Na de definitieve begroting nemen de deskundigen het voorschot op ten belope van de hun verschuldigde som, in voorkomend geval na voorlegging van de begroting aan de kredietinstelling. Het eventuele saldo wordt door de griffier ambtshalve of door de kredietinstelling na voorlegging van de begroting aan de partijen terugbetaald in verhouding tot de bedragen die zij in consignatie moesten geven en die zij ook daadwerkelijk hebben geconsigneerd. ".
Art.37. Dans l'article 991bis du même Code, inséré par la loi du 15 mai 2007, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Après la taxation définitive, la provision est retirée par les experts à concurrence de la somme qui leur est due, le cas échéant après présentation de la taxation à l'établissement de crédit. Ensuite, le reliquat éventuel est d'office remboursé aux parties par le greffier ou par l'établissement de crédit au prorata des montants qu'ils étaient tenus de consigner et qu'ils ont effectivement consignés. ".
Afdeling II. - Aanpassing van wettelijke bepalingen in uitvoering van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemersloketten en houdende diverse bepalingen
Section II. - Adaptation de dispositions légales en exécution de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce et création des guichets d'entreprises agréés, et portant diverses dispositions
Onderafdeling 1. - Wijziging van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het gebruik gedane leveringen
Sous-section 1re. - Modification de la loi du 25 octobre 1919 sur la mise en gage du fonds de commerce, l'escompte et le gage de la facture, ainsi que l'agréation et l'expertise des fournitures faites directement à la consommation
Art.38. In artikel 4, van de wet van 25 oktober 1919 betreffende het in pand geven van de handelszaak, het disconto en het in pand geven van de factuur, alsmede de aanvaarding en de keuring van de rechtstreeks voor het gebruik gedane leveringen, vervangen bij het koninklijk besluit van 30 maart 1936 en gewijzigd bij de wet van 9 februari 1995, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het derde lid, in de bepaling onder 3°, worden de woorden " nummer van inschrijving in het handelsregister " vervangen door het woord " ondernemingsnummer ";
  2° in het vijfde lid, worden de woorden " nummer van inschrijving in het handelsregister " vervangen door het woord " ondernemingsnummer ".
Art.38. A l'article 4, de la loi du 25 octobre 1919 sur la mise en gage du fonds de commerce, l'escompte et le gage de la facture, ainsi que l'agréation et l'expertise des fournitures faites directement à la consommation, remplacé par l'arrêté royal du 30 mars 1936 et modifié par la loi du 9 février 1995, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 3, 3°, les mots " d'immatriculation au registre du commerce " sont remplacés par les mots " d'entreprise ";
  2° dans l'alinéa 5, les mots " d'immatriculation au registre du commerce " sont remplacés par les mots " d'entreprise ".
Onderafdeling 2. - Wijzigingen van de wet van 12 juli 1989 houdende verscheidene maatregelen tot toepassing van de verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden
Sous-section 2. - Modifications de la loi du 12 juillet 1989 portant diverses mesures d'application du Règlement (CEE) n° 2137/85 du Conseil du 25 juillet 1985 relatif à l'institution d'un groupement européen d'intérêt économique
Art.39. In artikel 4, eerste lid, van de wet van 12 juli 1989 houdende verscheidene maatregelen tot toepassing van de verordening (EEG) nr. 2137/85 van de Raad van 25 juli 1985 tot instelling van Europese economische samenwerkingsverbanden worden de woorden " in het register dat wordt aangelegd op de griffie van de rechtbank van koophandel " vervangen door de woorden " in het register van rechtspersonen ".
Art.39. Dans l'article 4, alinéa 1er, de la loi du 12 juillet 1989 portant diverses mesures d'application du Règlement (CEE) n° 2137/85 du Conseil du 25 juillet 1985 relatif à l'institution d'un groupement européen d'intérêt économique les mots " au registre ouvert au greffe du tribunal de commerce " sont remplacés par les mots " au registre des personnes morales ".
Onderafdeling 3. - Wijzigingen van de faillissementswet van 8 augustus 1997
Sous-section 3. - Modifications de la loi du 8 août 1997 sur les faillites
Art.40. In artikel 8, zesde lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 worden de woorden " artikel 25 van de wetten betreffende het handelsregister, gecoördineerd op 20 juli 1964 " vervangen door de woorden " artikel 23 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen ".
Art.40. Dans l'article 8, alinéa 6, de la loi du 8 août 1997 sur les faillites les mots " l'article 25 des lois relatives au registre du commerce, coordonnées le 20 juillet 1964 " sont remplacés par les mots " l'article 23 de la loi du 16 janvier 2003 portant création d'une Banque-Carrefour des Entreprises, modernisation du registre de commerce, création de guichets-entreprises agréés et portant diverses dispositions ".
Art.41. In artikel 9, derde lid, van dezelfde wet worden de woorden " het handelsregister " vervangen door de woorden " in de Kruispuntbank van Ondernemingen, in de hoedanigheid van handelaar ".
Art.41. Dans l'article 9, alinéa 3, de la même loi les mots " au registre de commerce " sont remplacés par les mots " à la Banque-Carrefour des Entreprises, en qualité de commerçant ".
Art.42. In artikel 38, tweede lid, 1°, van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de eerste zin worden de woorden " inschrijvingsnummer van de gefailleerde in het handelsregister alsook zijn inschrijvingsnummer voor de belasting over de toegevoegde waarde " vervangen door de woorden " ondernemingsnummer van de gefailleerde ";
  2° in de tweede zin worden de woorden " inschrijvingsnummer van de rechtspersoon in het handelsregister, alsook zijn inschrijvingsnummer voor de belasting over de toegevoegde waarde " vervangen door de woorden " ondernemingsnummer van de rechtspersoon ".
Art.42. A l'article 38, alinéa 2, 1°, de la même loi, les modifications suivantes sont apportées :
  1° à la 1ère phrase, les mots " d'immatriculation du failli au registre du commerce ainsi que le numéro d'immatriculation qui lui a été attribué pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée " sont remplacés par les mots " d'entreprise du failli ";
  2° à la 2ème phrase, les mots " d'immatriculation de la personne morale au registre du commerce ainsi que le numéro d'immatriculation qui lui a été attribué pour l'application de la taxe sur la valeur ajoutée " sont remplacés par les mots " d'entreprise de la personne morale ".
Onderafdeling 4. - Wijzigingen van het Wetboek van Vennootschappen
Sous-section 4. - Modifications du Code des sociétés
Art.43. In artikel 70, 3°, van het Wetboek van Vennootschappen worden de woorden " het nummer van inschrijving in het handelsregister " vervangen door de woorden " het ondernemingsnummer ".
Art.43. Dans l'article 70, 3°, du Code des sociétés les mots " d'immatriculation au registre du commerce " sont remplacés par les mots " d'entreprise ".
Art.44. In artikel 84, § 1, tweede lid, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " van het handelsregister " vervangen door de woorden "van het rechtspersonenregister ".
Art.44. Dans l'article 84, § 1er, alinéa 2, du même Code les mots " du registre de commerce " sont remplacés par les mots " du registre des personnes morales ".
Art.45. In artikel 113, § 3, 2°, van hetzelfde Wetboek worden de woorden " btw-nummer of het nationale identificatienummer " vervangen door het woord " ondernemingsnummer ".
Art.45. Dans l'article 113, § 3, 2°, du même Code les mots " de TVA ou le numéro national d'identification de la société " sont remplacés par les mots " d'entreprise ".
Art.46. Artikel 670 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  " Naar analogie is artikel 770 echter van toepassing op elke, al dan niet bij dit Wetboek bedoelde rechtspersoon die expliciet kiest voor de toepassing ervan in de bij dit artikel bedoelde vormen. "
Art.46. L'article 670 du même Code est complété par un alinéa 2, rédigé comme suit :
  " Toutefois, l'article 770 s'applique par analogie à toute personne morale, visée ou non par le présent Code, qui opte expressément pour son application dans les formes prévues par cet article. ".
Art.47. In artikel 770 van hetzelfde Wetboek wordt het derde lid aangevuld met de woorden " en derden kunnen de bij artikel 769 ingestelde niet-tegenwerpelijkheid doen gelden ".
Art.47. Dans l'article 770 du même Code l'alinéa 3 est complété par les mots : " et les tiers peuvent se prévaloir de l'inopposabilité organisée par l'article 769 ".
Onderafdeling 5. - Wijziging van de wet van 29 mei 2000 houdende oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag,delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling, alsook tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek
Sous-section 5. - Modification de la loi du 29 mai 2000 portant création d'un fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession et de règlement collectif de dettes et modifiant certaines dispositions du Code judiciaire
Art.48. In artikel 2 van de wet van 29 mei 2000 houdende oprichting van een centraal bestand van berichten van beslag, delegatie, overdracht en collectieve schuldenregeling, alsook tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wetten van 27 maart 2003 en 13 december 2005, worden de woorden " inschrijvingsnummer bij de btw " telkens vervangen door het woord " ondernemingsnummer ".
Art.48. Dans l'article 2 de la loi du 29 mai 2000 portant création d'un fichier central des avis de saisie, de délégation, de cession et de règlement collectif de dettes et modifiant certaines dispositions du Code judiciaire, modifié par les lois des 27 mars 2003 et 13 décembre 2005, les mots " d'immatriculation à la TVA " sont, chaque fois, remplacés par les mots " d'entreprise ".
Afdeling III. - Wijzigingen van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen
Section III. - Modifications de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations
Art.49. In artikel 17 van de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, laatst gewijzigd bij de wet van 23 maart 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 3, eerste lid, 1°, wordt tussen het woord " werknemers " en het woord " ingeschreven " de volgende tekst ingevoegd :
  " ,zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, die zijn ";
  b) paragraaf 5, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " De verenigingen moeten één of meer commissarissen belasten met de controle van de financiële toestand, van de jaarrekening en van de regelmatigheid in het licht van de wet en van de statuten, van de verrichtingen die in de jaarrekening moeten worden vastgesteld wanneer het aantal tewerkgestelde werknemers, gemiddeld over het jaar, het equivalent van 100 voltijdse werknemers zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ingeschreven in het personeelsregister dat wordt gehouden overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, te boven gaat.
  De verplichting van het vorige lid geldt ook wanneer de vereniging bij de afsluiting van het boekjaar met betrekking tot ten minste twee van de volgende criteria de onderstaande cijfers te boven gaat :
  1° het equivalent, gemiddeld over het jaar, van 50 voltijdse werknemers zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ingeschreven in het personeelsregister dat wordt gehouden overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten;
  2° in totaal 6 250 000 euro aan andere dan uitzonderlijke ontvangsten, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde;
  3° een balanstotaal van 3 125 000 euro. ";
  c) in paragraaf 7, worden de woorden " 134, §§ 1 en 3 " door de woorden " 134, §§ 1, 2, 3 en 6 " en de woorden " artikel 144, eerste lid, 4° en 5° " door de woorden " artikel 144, eerste lid, 6° en 7° " vervangen;
  d) paragraaf 8, wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  " De werkingskosten van de Commissie voor boekhoudkundige normen worden gedragen door de verenigingen zonder winstoogmerk die, overeenkomstig § 6, hun jaarrekening openbaar moeten maken door neerlegging bij de Nationale Bank van België. De Koning bepaalt het bedrag van deze bijdrage, die echter niet hoger mag zijn dan 3 euro en 72 cent, geïndexeerd volgens dezelfde regels als deze die werden vastgesteld voor de indexering van de wedden en lonen in de overheidsdiensten. De Nationale Bank van België int deze bijdrage samen met de kosten voor de openbaarmaking van de jaarrekening en maakt haar over aan de Commissie. ".
Art.49. A l'article 17 de la loi du 27 juin 1921 sur les associations sans but lucratif, les associations internationales sans but lucratif et les fondations, modifié en dernier lieu par la loi du 23 mars 2007, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 3, alinéa 1er, 1°, il est inséré entre les mots " temps-plein " et le mot " inscrits " le texte suivant :
  " , dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont ";
  b) le paragraphe 5, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " Les associations sont tenues de confier à un ou plusieurs commissaires le contrôle de la situation financière, des comptes annuels et de la régularité au regard de la loi et des statuts, des opérations à constater dans les comptes annuels lorsque le nombre moyen annuel de travailleurs occupés dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont inscrits au registre du personnel tenu en vertu de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue de documents sociaux et exprimés en équivalents temps-plein, dépasse 100.
  L'obligation prévue à l'alinéa précédent s'applique également lorsque l'association dépasse à la clôture de l'exercice social les chiffres ci-dessous fixés pour au moins deux des trois critères suivants :
  1° 50 travailleurs, en moyenne annuelle, exprimés en équivalents temps-plein dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont inscrits au registre du personnel tenu en vertu de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux;
  2° 6 250 000 euros pour le total des recettes autres qu'exceptionnelles, hors taxe sur la valeur ajoutée;
  3° 3 125 000 euros pour le total du bilan. ";
  c) dans le paragraphe 7 les mots " 134, §§ 1er et 3 " sont remplacés par les mots " 134, §§ 1er, 2, 3 et 6 " et les mots " l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5° " sont remplacés par les mots " l'article 144, alinéa 1er, 6° et 7° ";
  d) le paragraphe 8, est complété par un deuxième alinéa rédigé comme suit :
  " Les frais de fonctionnement de la Commission des normes comptables sont supportés par les associations sans but lucratif tenues de publier leurs comptes annuels par dépôt à la Banque nationale de Belgique, conformément au § 6. Le Roi fixe le montant de cette contribution qui ne peut être supérieur à 3 euros 72 cents, indexé selon les mêmes règles que celles fixées pour l'indexation des traitements et salaires de la fonction publique. Celle-ci est perçue par la Banque nationale de Belgique en même temps que les frais de publicité des comptes annuels et versée par elle à la Commission. ".
Art.50. In artikel 37 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 3, wordt in de bepaling onder 1°, tussen de woorden " equivalenten " en " ingeschreven " de volgende tekst ingevoegd :
  " zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ";
  b) paragraaf 5, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " De stichtingen moeten de controle op hun financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid ten aanzien van de wet en de statuten van de in de jaarrekening weer te geven verrichtingen, aan één of meer commissarissen opdragen indien het jaargemiddelde van het personeelsbestand meer dan 100 bedraagt, uitgedrukt in voltijdse equivalenten zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ingeschreven in het personeelsregister dat wordt gehouden overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, te boven gaat.
  De verplichting van het vorige lid geldt ook wanneer de stichting bij de afsluiting van het boekjaar met betrekking tot ten minste twee van de volgende criteria de onderstaande cijfers te boven gaat :
  1° het equivalent, gemiddeld over het jaar, van 50 voltijdse werknemers zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ingeschreven in het personeelsregister dat wordt gehouden overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten;
  2° totale ontvangsten van 6 250 000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, met uitzondering van buitengewone ontvangsten;
  3° een balanstotaal van 3 125 000 euro. ";
  c) in paragraaf 7 worden de woorden > "134, §§ 1 en 3 " door de woorden " 134, §§ 1, 2, 3 en 6 " en de woorden " artikel 144, eerste lid, 4° en 5° " door de woorden " artikel 144, eerste lid, 6° en 7° " vervangen;
  d) paragraaf 8 wordt aangevuld met een tweede lid, luidende :
  " De werkingskosten van de Commissie voor boekhoudkundige normen worden gedragen door de stichtingen die, overeenkomstig § 6, hun jaarrekening openbaar moeten maken door neerlegging bij de Nationale Bank van België. De Koning bepaalt het bedrag van deze bijdrage, die echter niet hoger mag zijn dan 3 euro en 72 cent, geïndexeerd volgens dezelfde regels als deze die werden vastgesteld voor de indexering van de wedden en lonen in de overheidsdiensten. De Nationale Bank van België int deze bijdrage samen met de kosten voor de openbaarmaking van de jaarrekening en maakt haar over aan de Commissie. ".
Art.50. A l'article 37 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 27 décembre 2004, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 3, au 1°, il est inséré entre les mots " temps-plein, " et " inscrits " le texte suivant :
  " dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont ";
  b) le paragraphe 5, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " Les fondations sont tenues de confier à un ou plusieurs commissaires le contrôle de leur situation financière, des comptes annuels et de la régularité au regard de la loi et des statuts, des opérations à constater dans les comptes annuels lorsque le nombre moyen annuel de travailleurs occupés dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont inscrits au registre du personnel tenu en vertu de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue de documents sociaux et exprimés en équivalents temps-plein, dépasse 100.
  L'obligation prévue à l'alinéa précédent s'applique également lorsque la fondation dépasse à la clôture de l'exercice social les chiffres ci-dessous fixés pour au moins deux des trois critères suivants :
  1° 50 travailleurs, en moyenne annuelle, exprimés en équivalents temps-plein dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont inscrits au registre du personnel tenu en vertu de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux;
  2° 6 250 000 euros pour le total des recettes autres qu'exceptionnelles, hors taxe sur la valeur ajoutée;
  3° 3 125 000 euros pour le total du bilan. ";
  c) dans le paragraphe 7, les mots " 134, §§ 1er et 3 " sont remplacés par les mots " 134, §§ 1er, 2, 3 et 6 " et les mots " l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5° " sont remplacés par les mots " l'article 144, alinéa 1er, 6° et 7° ";
  d) le paragraphe 8 est complété par un deuxième alinéa, rédigé comme suit :
  " Les frais de fonctionnement de la Commission des normes comptables sont supportés par les fondations tenues de publier leurs comptes annuels par dépôt à la Banque nationale de Belgique, conformément au § 6. Le Roi fixe le montant de cette contribution qui ne peut être supérieur à 3 euros 72 cents, indexé selon les mêmes règles que celles fixées pour l'indexation des traitements et salaires de la fonction publique. Celle-ci est perçue par la Banque nationale de Belgique en même temps que les frais de publicité des comptes annuels et versée par elle à la Commission. ".
Art.51. In artikel 53 van dezelfde wet, laatst gewijzigd bij de programmawet van 27 december 2004, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in paragraaf 3, wordt in de bepaling onder 1°, tussen de woorden " equivalenten " en " ingeschreven " de volgende tekst ingevoegd :
  " zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ";
  b) paragraaf 5, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " De internationale verenigingen zonder winstoogmerk moeten de controle op hun financiële toestand, op de jaarrekening en op de regelmatigheid ten aanzien van de wet en de statuten, van de in de jaarrekening weer te geven verrichtingen, aan één of meer commissarissen opdragen indien het jaargemiddelde 100 werknemers uitgedrukt in voltijdse equivalenten zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ingeschreven in het personeelsregister dat wordt gehouden overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten, te boven gaat.
  De verplichting van het vorige lid geldt ook wanneer de vereniging bij de afsluiting van het boekjaar met betrekking tot ten minste twee van de volgende criteria de onderstaande cijfers te boven gaat :
  1° het equivalent, gemiddeld over het jaar, van 50 voltijdse werknemers zoals door de werkgever meegedeeld krachtens het koninklijk besluit van 5 november 2002 tot invoering van een onmiddellijke aangifte van tewerkstelling, met toepassing van artikel 38 van de wet van 26 juli 1996 tot modernisering van de sociale zekerheid en tot vrijwaring van de leefbaarheid van de wettelijke pensioenstelsels, of voor de werknemers die uitgesloten worden uit het toepassingsgebied van voornoemd koninklijk besluit, ingeschreven in het personeelsregister dat wordt gehouden overeenkomstig het koninklijk besluit nr. 5 van 23 oktober 1978 betreffende het bijhouden van sociale documenten;
  2° totale ontvangsten van 6 250 000 euro, exclusief de belasting over de toegevoegde waarde, met uitzondering van buitengewone ontvangsten;
  3° een balanstotaal van 3 125 000 euro. ";
  c) in paragraaf 6, worden de woorden " 134, §§ 1 en 3 " door de woorden " 134, §§ 1, 2, 3 en 6 " en de woorden " artikel 144, eerste lid, 4° en 5° " door de woorden " artikel 144, eerste lid, 6° en 7° " vervangen.
Art.51. A l'article 53 de la même loi, modifié en dernier lieu par la loi-programme du 27 décembre 2004, les modifications suivantes sont apportées :
  a) dans le paragraphe 3, au 1°, il est inséré entre les mots " temps-plein, " et " inscrits " le texte suivant :
  " dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont ";
  b) le paragraphe 5, alinéa 1er, est remplacé par ce qui suit :
  " Les associations internationales sans but lucratif sont tenues de confier à un ou plusieurs commissaires le contrôle de leur situation financière, des comptes annuels et de la régularité au regard de la loi et des statuts, des opérations à constater dans les comptes annuels lorsque le nombre moyen annuel de travailleurs occupés dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont inscrits au registre du personnel tenu en vertu de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue de documents sociaux et exprimés en équivalents temps-plein, dépasse 100.
  L'obligation prévue à l'alinéa précédent s'applique également lorsque l'association dépasse à la clôture de l'exercice social les chiffres ci-dessous fixés pour au moins deux des trois critères suivants :
  1° 50 travailleurs, en moyenne annuelle, exprimés en équivalents temps-plein dont les données ont été communiquées par l'employeur conformément à l'arrêté royal du 5 novembre 2002 instaurant une déclaration immédiate de l'emploi, en application de l'article 38 de la loi du 26 juillet 1996 portant modernisation de la sécurité sociale et assurant la viabilité des régimes légaux des pensions, ou, pour les travailleurs exclus du champ d'application de l'arrêté royal précité, qui sont inscrits au registre du personnel tenu en vertu de l'arrêté royal n° 5 du 23 octobre 1978 relatif à la tenue des documents sociaux;
  2° 6 250 000 euros pour le total des recettes autres qu'exceptionnelles, hors taxe sur la valeur ajoutée;
  3° 3 125 000 euros pour le total du bilan. ";
  c) dans le paragraphe 6, les mots " 134, §§ 1er et 3 " sont remplacés par les mots " 134, §§ 1er, 2, 3 et 6 " et les mots " l'article 144, alinéa 1er, 4° et 5° " sont remplacés par les mots " l'article 144, alinéa 1er, 6° et 7° ".
Art.52. In dezelfde wet, op de plaats van het bij de wet van 27 december 2004 opgeheven artikel 58, wordt een Titel IIIbis, met als opschrift " Inbreng om niet van een algemeenheid of van een bedrijfstak ", ingevoegd, die artikel 58 omvat, luidende :
  " Art. 58. Ingeval een beroep wordt gedaan op de mogelijkheid vervat in artikel 670, tweede lid, van het Wetboek van vennootschappen, zijn artikel 770 van hetzelfde Wetboek en de artikelen waarnaar het verwijst, op overeenkomstige wijze van toepassing op de inbreng om niet van een algemeenheid of van een bedrijfstak, door een vereniging zonder winstoogmerk, een stichting van openbaar nut, een private stichting, een internationale vereniging zonder winstoogmerk of een van de instellingen of verenigingen als bedoeld in artikel 61, tweede lid, ten voordele van een rechtspersoon die tot een van de voormelde categorieën behoort.
  Voor deze toepassing op overeenkomstige wijze, moeten in de voormelde artikelen van hetzelfde Wetboek de volgende wijzigingen worden doorgevoerd :
  1° het woord " vennootschap " of het woord " vennootschappen " wordt telkens vervangen door het woord " rechtspersoon " of het woord " rechtspersonen ";
  2° in artikel 760, § 2, 1°, worden de woorden " het doel " vervangen door de woorden " het doel of de doelstellingen ", en worden de bepalingen onder 2° en 4° opgeheven;
  3° in artikel 760, § 3, worden tussen de woorden " de algemene vergadering " en de woorden " van de inbrengende vennootschap " de woorden " of, voor de rechtspersonen die geen algemene vergadering hebben, voor de raad van bestuur " ingevoegd;
  4° in artikel 761, § 1, worden na de woorden " die de inbreng doet, " de woorden " of, voor de rechtspersonen die geen algemene vergadering hebben, de raad van bestuur, " ingevoegd;
  5° in artikel 761, § 2, eerste lid, worden na de woorden " vanuit een juridisch en economisch oogpunt, " de woorden " alsook in het licht van het doel of de doelstellingen van de betrokken rechtspersonen ", ingevoegd;
  6° in artikel 761, § 2, tweede lid, wordt de eerste zin vervangen als volgt :
  " Wanneer een rechtspersoon leden heeft, wordt hen ten minste één maand voor de algemene vergadering een kopie van het voorstel en van dat verslag bezorgd. ";
  7° artikel 761, § 3, eerste lid, wordt vervangen als volgt :
  " Indien de beslissing om de inbreng te doen, wordt genomen door de algemene vergadering, gebeurt zulks onder de voorwaarden inzake aanwezigheid en meerderheid vastgelegd in artikel 8, eerste, tweede en vierde lid, van de wet van 27 juni 1921, tenzij de statuten strengere regels bevatten, dan wel in de statuten, met toepassing van artikel 48, 7°, van diezelfde wet. ";
  8° artikel 762 wordt vervangen als volgt :
  " De akte tot vaststelling van de inbreng van een algemeenheid of van een bedrijfstak wordt in authentieke vorm opgesteld.
  De akte wordt neergelegd bij uittreksel overeenkomstig de artikelen 26novies, 31 of 51 van de wet van 27 juni 1921. Hij wordt bij uittreksel bekendgemaakt overeenkomstig diezelfde artikelen die te dezen op overeenkomstige wijze van toepassing zijn verklaard op de in artikel 61, tweede lid, van dezelfde wet bedoelde rechtspersonen. ";
  9° artikel 765 wordt vervangen als volgt :
  " De inbreng kan aan derden worden tegengeworpen onder de voorwaarden bepaald bij de artikelen 26novies, § 3, 31, § 6, en 51, § 5, van de wet van 27 juni 1921, die te dezen op overeenkomstige wijze van toepassing zijn verklaard op de in artikel 61, tweede lid, van dezelfde wet bedoelde rechtspersonen. ".
  10° in artikel 766, derde lid, worden de woorden " rechtbank van koophandel " vervangen door de woorden " rechtbank van eerste aanleg ".
Art.52. Dans la même loi, à la place de l'article 58 abrogé par la loi 27 décembre 2004, il est inséré un titre IIIbis comportant l'article 58, rédigé comme suit : " Titre IIIbis. Apports à titre gratuit d'universalité ou de branche d'activité " est inséré, comprenant un article unique rédigé comme suit :
  " Art. 58. En cas de recours à la faculté prévue par l'article 670, alinéa 2 du Code des sociétés, l'article 770 de ce Code et les articles auxquels il renvoie sont applicables par analogie aux apports à titre gratuit d'universalité ou de branche d'activité effectués par une association sans but lucratif, une fondation d'utilité publique, une fondation privée, une association internationale sans but lucratif ou une des institutions ou associations visées à l'article 61, alinéa 2 au profit d'une personne morale appartenant à l'une des catégories précitées.
  Pour les besoins de cette application par analogie, les articles précités du Code des sociétés doivent s'entendre avec les modifications suivantes :
  1° le mot " société " ou le mot " sociétés " sont remplacés partout par les mots " personne morale " ou les mots " personnes morales ";
  2° dans l'article 760, § 2, le mot " objet " est remplacé, au 1°, par les mots " le ou les buts " et les 2° et 4° sont abrogés;
  3° au § 3 de l'article 760 les mots " ou, pour les personnes morales qui n'ont pas d'assemblée générale, du conseil d'administration " sont insérés entre les mots " assemblée générale " et les mots " de la société apporteuse appelée "; ce dernier mot est lui-même remplacé par le mot " appelé ";
  4° à la fin du § 1er de l'article 761 est ajoutée la phrase suivante : " ou, pour les personnes morales qui n'ont pas d'assemblée générale, par le conseil d'administration ";
  5° dans l'article 761, § 2, 1er alinéa, les mots " ainsi qu'au regard du ou des buts poursuivis par les personnes morales concernées " sont insérés entre le mot " économique " et le mot " l'opportunité ";
  6° dans l'article 761, § 2, alinéa 2, la première phrase est remplacée par la phrase suivante :
  " Lorsqu'une personne morale compte des membres, une copie du projet et de ce rapport leur est adressée un mois au moins avant la réunion de l'assemblée générale. ";
  7° dans l'article 761, § 3, l'alinéa 1er est remplacé par ce qui suit :
  " Si la décision de procéder à l'apport est prise par l'assemblée générale, cette décision est prise aux conditions de présence et de majorité fixées, soit par l'article 8, alinéas 1er, 2 et 4 de la loi du 27 juin 1921, sous réserve de dispositions statutaires plus rigoureuses, soit par les statuts en application de l'article 48, 7° de cette même loi ";
  8° l'article 762 est remplacé par ce qui suit :
  " L'acte constatant l'apport d'une universalité ou l'apport d'une branche d'activité est établi en la forme authentique.
  Il est déposé par extraits conformément aux articles 26novies, 31 ou 51 de la loi du 27 juin 1921. Il est publié par extraits conformément aux mêmes articles rendus, en l'espèce, applicables par analogie aux personnes morales visées à l'alinéa 2 de l'article 61 de cette même loi. ";
  9° l'article 765 est remplacé par ce qui suit :
  " L'apport est opposable aux tiers aux conditions prévues aux articles 26novies, § 3, 31, § 6 et 51, § 5 de la loi du 27 juin 1921, rendus, en l'espèce, applicables par analogie aux personnes morales visées à l'alinéa 2 de l'article 61 de cette même loi ".
  10° dans l'article 766, les mots " tribunal de commerce " sont remplacés par les mots " tribunal de première instance ".
Afdeling IV. - Wijzigingen ingevolge de gewijzigde derde en zesde vennootschapsrichtlijnen
Section IV. - Modifications suite aux modifications des troisième et sixième directives société
Art.53. Deze afdeling zet de Richtlijn 2007/63/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 november 2007 tot wijziging van Richtlijn 78/855/EEG van de Raad en Richtlijn 82/891/EEG van de Raad om, wat betreft de verplichte opstelling van een verslag van een onafhankelijke deskundige bij fusies of splitsingen van naamloze vennootschappen.
Art.53. La présente section transpose la directive 2007/63/CE du Parlement européen et du Conseil du 13 novembre 2007 modifiant les directives 78/855/CEE et 82/891/CEE du Conseil pour ce qui est de l'exigence d'un rapport d'expert indépendant à réaliser à l'occasion des fusions ou des scissions des sociétés anonymes.
Art.54. Artikel 695 van het Wetboek van Vennootschappen, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 november 2006, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Indien alle aandeelhouders en houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden van alle vennootschappen die aan de fusie deelnemen hiermee hebben ingestemd, is noch een verklaring over het fusievoorstel, noch een verslag van de commissaris, de aangewezen bedrijfsrevisor of externe accountant vereist. ".
Art.54. L'article 695 du Code des sociétés, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 28 novembre 2006, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Ni une déclaration sur le projet de fusion, ni un rapport du commissaire, du réviseur d'entreprises ou de l'expert-comptable externe désigné ne sont requis si tous les actionnaires et les porteurs des autres titres conférant un droit de vote de chacune des sociétés participant à la fusion en ont décidé ainsi. ".
Art.55. Artikel 708 van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Indien alle aandeelhouders en houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden van alle vennootschappen die aan de fusie deelnemen hiermee hebben ingestemd, is noch een verklaring over het fusievoorstel, noch een verslag van de commissaris, de aangewezen bedrijfsrevisor of externe accountant vereist. ".
Art.55. L'article 708 du même Code est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Ni une déclaration sur le projet de fusion, ni un rapport du commissaire, du réviseur d'entreprises ou de l'expert-comptable externe désigné ne sont requis si tous les actionnaires et les porteurs des autres titres conférant un droit de vote de chacune des sociétés participant à la fusion en ont décidé ainsi. ".
Art.56. Artikel 731 van hetzelfde wetboek, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 november 2006, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Indien alle aandeelhouders en houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden van alle vennootschappen die aan de splitsing deelnemen hiermee hebben ingestemd, is noch een verklaring over het splitsingsvoorstel, noch een verslag van de commissaris, de aangewezen bedrijfsrevisor of externe accountant vereist. ".
Art.56. L'article 731 du même Code, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 28 novembre 2006, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Ni une déclaration sur le projet de scission, ni un rapport du commissaire, du réviseur d'entreprises ou de l'expert-comptable externe désigné ne sont requis si tous les actionnaires et porteurs des autres titres conférant un droit de vote de chacune des sociétés participant à la scission en ont décidé ainsi. ".
Art.57. Artikel 746 van hetzelfde Wetboek, laatst gewijzigd bij het koninklijk besluit van 28 november 2006, wordt aangevuld met een lid, luidende :
  " Indien alle aandeelhouders en houders van andere effecten waaraan stemrecht is verbonden van alle vennootschappen die aan de splitsing deelnemen hiermee hebben ingestemd, is noch een verklaring over het splitsingsvoorstel, noch een verslag van de commissaris, de aangewezen bedrijfsrevisor of externe accountant vereist. ".
Art.57. L'article 746 du même Code, modifié en dernier lieu par l'arrêté royal du 28 novembre 2006, est complété par un alinéa rédigé comme suit :
  " Ni une déclaration sur le projet de scission, ni un rapport du commissaire, du réviseur d'entreprises ou de l'expert-comptable externe désigné ne sont requis si tous les actionnaires et porteurs des autres titres conférant un droit de vote de chacune des sociétés participant à la scission en ont décidé ainsi. ".
HOOFDSTUK 5. - Wijzigingen inzake adoptie
CHAPITRE 5. - Modifications en matière d'adoption
Afdeling I. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de procedure houdende vaststelling van de geschiktheid om te adopteren
Section Ire. - Modifications du Code judiciaire concernant la procédure en constatation de l'aptitude à adopter
Art.58. In artikel 1231-31 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 28 oktober 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het derde lid worden de woorden " drie jaar " vervangen door de woorden " vier jaar "; "
  2° het vierde en het vijfde lid worden opgeheven.
Art.58. A l'article 1231-31 du Code judiciaire, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 28 octobre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 3, les mots " trois ans " sont remplacés par les mots " quatre ans ";
  2° les alinéas 4 et 5 sont abrogés.
Art.59. In deel IV, boek IV, hoofdstuk VIIIbis, afdeling 3, van hetzelfde Wetboek, wordt een onderafdeling 1bis ingevoegd, die de artikelen 1231-33/1 tot 1231-33/7 omvat, luidende :
  " Onderafdeling 1bis : Procedure tot verlenging van de termijn van geschiktheid om te adopteren
  Art. 1231-33/1. De adoptant of de adoptanten kunnen bij eenzijdig verzoekschrift een aanvraag tot verlenging van de termijn van hun geschiktheid om te adopteren indienen bij de jeugdrechtbank die het oorspronkelijke geschiktheidsvonnis heeft uitgesproken. Het verzoekschrift wordt neergelegd ter griffie ten vroegste vijf maanden voor het verstrijken van de geldigheidsduur van het geschiktheidsvonnis en ten laatste op de laatste dag van de geldigheidsduur van het geschiktheidsvonnis. Het verzoekschrift wordt ondertekend door de adoptant of de adoptanten of door hun advocaat en in het verzoekschrift is bepaald dat de adoptant of de adoptanten een interlandelijke adoptieprocedure wensen verder te zetten.
  De adoptant of de adoptanten bezorgen de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap een afschrift van het verzoekschrift.
  Art. 1231-33/2. Om ontvankelijk te zijn, worden bij het verzoekschrift de in artikel 1231-28 bedoelde documenten als bijlage gevoegd.
  Bovendien wordt de tussen de adoptant of de adoptanten en een erkende instelling getekende overeenkomst of de instemming van de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap met de voorgenomen adoptie als bijlage bijgevoegd.
  Art. 1231-33/3. Na ontvangst van het verzoekschrift bezorgt de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap, op verzoek van de griffie, onverwijld een actualisering van het verslag van het maatschappelijk onderzoek opgesteld in het kader van de procedure houdende vaststelling van de geschiktheid om te adopteren.
  De actualisatie gebeurt door de instanties die bevoegd zijn voor het opstellen van het verslag van het maatschappelijk onderzoek.
  De actualisering van het verslag van het maatschappelijk onderzoek kan ten vroegste worden uitgevoerd binnen de vijf maanden voor het verstrijken van de geldigheid van het geschiktheidsvonnis.
  De actualisering bevat een evaluatie van de huidige situatie van de adoptant of de adoptanten die een impact kunnen hebben op de geschiktheid om te adopteren.
  Art. 1231-33/4. Binnen drie dagen na de neerlegging ter griffie van de actualisering van het verslag van het maatschappelijk onderzoek worden de adoptant of de adoptanten opgeroepen bij gerechtsbrief, teneinde :
  1° kennis te nemen van het verslag; daartoe beschikt hij over een termijn van acht dagen;
  2° in persoon te verschijnen voor de rechtbank binnen de vijftien dagen die volgen op het verstrijken van de termijn bedoeld in 1°.
  Art. 1231-33/5. Binnen vijftien dagen na de zitting doet de rechtbank uitspraak over de verlenging van de termijn van geschiktheid van de adoptant of de adoptanten om over te gaan tot een interlandelijke adoptie. Het vonnis wordt met redenen omkleed. In geval van een positief vonnis wordt daarin opgave gedaan van het aantal kinderen dat de adoptant of de adoptanten kunnen adopteren, alsook van de eventuele beperkingen van hun geschiktheid. Het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid om te adopteren mag slechts in een enkele procedure tot adoptie van een of meerdere kinderen aangewend worden.
  De geldigheid van het vonnis verstrijkt twee jaar na het uitspreken ervan. Wanneer op het tijdstip van de zitting echter een kind werd voorgesteld en aanvaard, kan de rechtbank bepalen dat de geldigheid van het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid wordt behouden tot aan de uitspraak van de adoptie.
  Het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid om te adopteren heeft uitwerking op de dag waarop de geldigheid van het voorgaande geschiktheidsvonnis verstrijkt.
  De adoptant of de adoptanten kunnen opeenvolgende verzoeken tot verlenging van de termijn van hun geschiktheid om te adopteren indienen, zulks in het kader van dezelfde adoptieprocedure.
  Art. 1231-33/6. Wanneer het vonnis de termijn van geschiktheid van de adoptant of van de adoptanten verlengt en het vonnis de in het vorige geschiktheidsvonnis bepaalde voorwaarden wijzigt, stelt het openbaar ministerie een verslag op. In dat geval wordt de in de artikelen 1231-32 en 1231-33 bepaalde procedure toegepast. Het verslag van het openbaar ministerie heeft echter enkel betrekking op de nieuwe voorwaarden van het vonnis tot verlenging van de termijn van geschiktheid van de adoptant of de adoptanten.
  Art. 1231-33/7. De griffier bezorgt een afschrift van het vonnis en van het eventuele verslag aan de federale centrale autoriteit binnen drie dagen na ontvangst van het verslag of, ingeval geen verslag vereist is, binnen drie dagen na de uitspraak van het vonnis. Hij stelt de adoptant of de adoptanten hiervan in kennis. ".
Art.59. Dans la Quatrième Partie, Livre IV, Chapitre VIIIbis, section 3, du même Code, il est inséré une sous-section 1rebis comportant les articles 1231-33/1 à 1231-33/7, rédigée comme suit :
  " Sous-section 1rebis : De la procédure en prolongation du délai d'aptitude à adopter
  Art. 1231-33/1. L'adoptant ou les adoptants peuvent introduire une demande en prolongation du délai de leur aptitude à adopter par voie de requête unilatérale devant le tribunal de la jeunesse qui a prononcé le jugement d'aptitude initial. La requête est déposée au greffe au plus tôt cinq mois avant l'expiration de la validité du jugement d'aptitude et au plus tard le dernier jour de la validité du jugement d'aptitude. La requête est signée soit par l'adoptant ou les adoptants, soit par leur avocat et elle précise que le ou les adoptants souhaitent poursuivre une procédure d'adoption internationale.
  L'adoptant ou les adoptants transmettent une copie de la requête à l'autorité centrale communautaire compétente.
  Art. 1231-33/2. Pour que la requête soit recevable, y sont annexés les documents prévus à l'article 1231-28.
  En outre, y est annexée, la convention signée entre l'adoptant ou les adoptants et un organisme agréé ou l'accord de l'autorité centrale communautaire compétente donné sur le projet d'adoption.
  Art. 1231-33/3. Dès réception de la requête, le greffe s'adresse sans délai à l'autorité centrale communautaire compétente qui lui transmet une actualisation du rapport de l'enquête sociale établi dans le cadre de la procédure en constatation de l'aptitude à adopter.
  L'actualisation est réalisée par les instances compétentes pour établir le rapport de l'enquête sociale.
  L'actualisation du rapport de l'enquête sociale doit être réalisée au plus tôt dans les cinq mois qui précèdent l'expiration de la validité du jugement d'aptitude.
  Elle comprend une évaluation de la situation actuelle de l'adoptant ou des adoptants et décrit les éventuels éléments susceptibles d'avoir une incidence sur l'aptitude à adopter.
  Art. 1231-33/4. Dans les trois jours du dépôt au greffe de l'actualisation du rapport de l'enquête sociale, l'adoptant ou les adoptants sont convoqués par pli judiciaire :
  1° pour prendre connaissance du rapport; ils disposent à cette fin d'un délai de huit jours;
  2° à comparaître en personne devant le tribunal dans les quinze jours qui suivent l'expiration du délai prévu au 1°.
  Art. 1231-33/5. Le tribunal se prononce dans les quinze jours de l'audience sur la prolongation du délai d'aptitude de l'adoptant ou des adoptants à procéder à une adoption internationale. Le jugement est motivé. S'il est positif, il mentionne le nombre d'enfants que l'adoptant ou les adoptants seraient aptes à adopter, ainsi que les éventuelles restrictions à leur aptitude. Le jugement en prolongation du délai d'aptitude à adopter ne peut servir que pour une procédure en adoption d'un ou de plusieurs enfants.
  Sa validité expire deux ans après son prononcé. Toutefois, si au moment de l'audience, un enfant a été proposé et accepté, le tribunal peut prévoir que la validité du jugement de renouvellement de l'aptitude est maintenue jusqu'au prononcé de l'adoption.
  Le jugement en prolongation du délai d'aptitude à adopter produit ses effets au jour de l'expiration du précédent jugement d'aptitude.
  L'adoptant ou les adoptants peuvent introduire des demandes successives de prolongation du délai de leur aptitude à adopter, dans le cadre de la même procédure en adoption.
  Art. 1231-33/6. Si le jugement prolonge le délai d'aptitude de l'adoptant ou des adoptants et qu'il modifie les conditions définies dans le précédent jugement d'aptitude, le ministère public établit un rapport. La procédure prévue aux articles 1231-32 et 1231-33 trouve alors à s'appliquer. Toutefois, le rapport du ministère public ne porte que sur les nouvelles conditions du jugement prolongeant le délai d'aptitude de l'adoptant ou des adoptants.
  Art. 1231-33/7. Le greffier adresse copie du jugement et de l'éventuel rapport à l'autorité centrale fédérale dans les trois jours de la réception du rapport ou, au cas où un rapport n'est pas requis, dans les trois jours du prononcé du jugement. Il en avise l'adoptant ou les adoptants. ".
Afdeling II. - Wijzigingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de totstandkoming van de adoptie
Section II. - Modifications du Code judiciaire concernant l'établissement de l'adoption
Art.60. In artikel 1231-41 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 28 oktober 2008, wordt de bepaling onder 1° vervangen als volgt :
  " 1° binnen de in de artikelen 1231-31 en 1231-33/5 bedoelde termijnen of binnen vier jaar na afgifte van een attest uitgereikt door de inzake adoptie bevoegde autoriteit van de andere Staat waarin de adoptant zijn gewone verblijfplaats heeft of de adoptanten hun gewone verblijfplaats hebben, waarin bevestigd wordt dat zij bekwaam en geschikt zijn om een interlandelijke adoptie aan te gaan; en ".
Art.60. Dans l'article 1231-41 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 28 octobre 2008, le 1° est remplacé par ce qui suit :
  " 1° dans les délais visés aux articles 1231-31 et 1231-33/5 ou dans les quatre ans de la délivrance d'une attestation émanant de l'autorité compétente en matière d'adoption de l'Etat étranger dans lequel l'adoptant ou les adoptants résident habituellement, les déclarants qualifiés et aptes à adopter et à assumer une adoption internationales; et ".
Art.61. In artikel 1231-42, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003 en gewijzigd bij de wet van 28 oktober 2008, wordt de bepaling onder 1°/1 opgeheven.
Art.61. Dans l'article 1231-42, alinéa 1er, du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003 et modifié par la loi du 28 octobre 2008, le 1°/1 est abrogé.
Afdeling III. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de totstandkoming van een adoptie die de interlandelijke overbrenging onderstelt van een kind dat zijn gewone verblijfplaats in een ander land heeft
Section III. - Modifications du Code civil concernant l'établissement d'une adoption impliquant le déplacement international d'un enfant résidant habituellement dans un Etat étranger
Art.62. Artikel 361-1 van het Burgerlijk Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt aangevuld met een nieuw lid, luidende :
  " De voorbereiding moet niet worden hernieuwd in het kader van de procedure tot verlenging van de geschiktheid om te adopteren ".
Art.62. L'article 361-1 du Code civil, inséré par la loi du 24 avril 2003, est complété par l'alinéa suivant :
  " La préparation ne doit pas être renouvelée dans le cadre de la procédure de renouvellement de l'aptitude à adopter ".
Art.63. Artikel 361-2 van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 24 april 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 361/2. Wanneer het vonnis betreffende de geschiktheid van de adoptant of van de adoptanten, het vonnis tot verlenging van de geschiktheid om te adopteren en het verslag bedoeld in artikel 1231-32 of 1231-33/6 van het Gerechtelijk Wetboek door de griffier van de jeugdrechtbank in afschrift aan de federale centrale autoriteit is toegestuurd, bezorgt deze laatste ze onverwijld aan de bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap. ".
Art.63. L'article 361-2 du même Code, inséré par la loi du 24 avril 2003, est remplacé par ce qui suit :
  " Art. 361/2. Lorsque le jugement sur l'aptitude de l'adoptant ou des adoptants, le jugement renouvelant l'aptitude à adopter et le rapport visé à l'article 1231-32 ou 1231-33/6 du Code judiciaire lui ont été transmis en copie par le greffier du tribunal de la jeunesse, l'autorité centrale fédérale les adresse, sans délai, à l'autorité centrale communautaire compétente. ".
Afdeling IV. - Wijziging van de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie
Section IV. - Modification de la loi du 24 avril 2003 réformant l'adoption
Art.64. In artikel 24bis van de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie, ingevoegd bij de programmawet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 6 december 2005 en bij de wet van 28 oktober 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het tweede lid worden de woorden " drie jaar " vervangen door de woorden " vier jaar ";
  2° het derde en het vierde lid worden opgeheven.
Art.64. Dans l'article 24bis de la loi du 24 avril 2003 réformant l'adoption, inséré par la loi-programme du 27 décembre 2004, modifié par la loi du 6 décembre 2005 et par la loi du 28 octobre 2008, les modifications suivantes sont apportées :
  1° dans l'alinéa 2, les mots " trois ans " sont remplacés par les mots " quatre ans ";
  2° les alinéas 3 et 4 sont abrogés. ".
Afdeling V. - Overgangsbepaling
Section V. - Disposition transitoire
Art.65. De geldigheid van de geschiktheidsvonnissen en van de in artikel 24bis, tweede lid, van de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie bedoelde attesten, die vanaf 15 november 2009 vervallen, wordt van ambtswege verlengd tot 31 mei 2010.
  De in artikel 1231-31 van het Gerechtelijk Wetboek aangebrachte wijziging om de geldigheidsduur van het geschiktheidsvonnis van drie jaar naar vier jaar te brengen, wordt met terugwerkende kracht toegepast op de geschiktheidsvonnissen uitgesproken binnen drie jaar vóór de inwerkingtreding van voorliggende wet als ze niet het voorwerp zijn geweest van een procedure tot verlenging voor de federale centrale autoriteit.
  Deze wet is van toepassing op de in artikel 24bis, tweede lid, van de wet van 24 april 2003 tot hervorming van de adoptie bedoelde attesten. Het verzoek wordt ingediend bij de jeugdrechtbank die bevoegd is om de geschiktheid om te adopteren vast te stellen. De bevoegde centrale autoriteit van de gemeenschap bezorgt de griffie het verslag van het maatschappelijk onderzoek, samen met de actualisering van dit verslag.
  Het door de federale centrale autoriteit afgeleverde attest van verlenging van de geschiktheid blijft van kracht tot aan het verstrijken ervan.
Art.65. La validité des jugements d'aptitude et des certificats visés à l'article 24bis, alinéa 2 de la loi du 24 avril 2003 réformant l'adoption qui expirent à partir du 15 novembre 2009 est prolongée d'office jusqu'au 31 mai 2010.
  La modification apportée à l'article 1231-31 du Code judiciaire visant à faire passer la durée de validité du jugement d'aptitude de trois à quatre ans s'applique rétroactivement aux jugements d'aptitude rendus dans les trois années qui précèdent l'entrée en vigueur de la présente loi s'ils n'ont pas fait l'objet d'une procédure de prolongation devant l'autorité centrale fédérale.
  La présente loi s'applique aux certificats visés à l'article 24bis, alinéa 2 de la loi du 24 avril 2003 réformant l'adoption. La demande est introduite devant le tribunal de la jeunesse compétent pour constater l'aptitude à adopter. L'autorité centrale communautaire compétente transmet au greffe le rapport de l'enquête sociale en même temps que l'actualisation de ce rapport.
  L'attestation de prolongation de l'aptitude délivrée par l'Autorité centrale fédérale continue à produire ses effets jusqu'à son expiration.
Afdeling VI. - Inwerkingtreding
Section VI. - Entrée en vigueur
Art. 66. Dit hoofdstuk treedt in werking de dag nadat het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Châteauneuf-de-Grasse, 30 december 2009.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Minister van Justitie,
  S. DE CLERCK
  Met 's Lands zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  S. DECLERCK
Art. 66. Le présent chapitre entre en vigueur le lendemain du jour de sa publication au Moniteur belge.
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Châteauneuf-de-Grasse, le 30 décembre 2009.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Ministre de la Justice,
  S. DE CLERCK
  Scellé du sceau de l'Etat :
  Le Ministre de la Justice,
  S. DE CLERCK