Aller au contenu principal

Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
2 FEBRUARI 2007. - Decreet tot vaststelling van het statuut van de directeurs [en directrices in het onderwijs]. (Opschrift gewijzigd door DFG2019-03-14/20, art. 102, 027; Inwerkingtreding : 01-09-2019) (VERTALING) (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 15-05-2007 en tekstbijwerking tot 25-08-2025)
Titre
2 FEVRIER 2007. - Décret fixant le statut des directeurs [et directrices dans l'enseignement]. (Intitulé modifié par DCFR2019-03-14/20, art. 102, 027; En vigueur : 01-09-2019) (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 15-05-2007 et mise à jour au 25-08-2025)
Informations sur le document
Numac: 2007201245
Datum: 2007-02-02
Staatsblad: Bekijken
Info du document
Numac: 2007201245
Date: 2007-02-02
Moniteur: Voir
Table des matières
TITEL I. - Algemene bepalingen. TITEL II. - Bepalingen die de directeurs van al... HOOFDSTUK I. [1 Het ambtsprofiel van de directe... Afdeling I. [1 Verantwoordelijkheden van de dir... Afdeling II. [1 Het ambtsprofiel]1 Afdeling III. [1 - [2 Oud Afdeling IV]2 Specifi... HOOFDSTUK II. [1 - Initiële opleiding van direc... Afdeling I. [1 - Doelstellingen van de initiële... Afdeling II. [1 - Organisatie en certificering ... Onderafdeling I. [1 - Algemene bepalingen ]1 Afdeling II. - Organisatie van de opleiding van... Onderafdeling I. - Algemene bepalingen. Onderafdeling II. [1 - Organisatie en bekrachti... Onderafdeling II. - Organisatie en uitreiking v... HOOFDSTUK III. - Opdrachtenblad. HOOFDSTUK IV. [1 - De commissie voor het valori... HOOFDSTUK V. [1 - De oproep tot kandidaturen]1 HOOFDSTUK VI. [1 Oud Hoofdstuk IV]1 - Verloop v... HOOFDSTUK VII. [1 Terbeschikkingstelling van la... TITEL III. - Bepalingen die specifiek zijn voor... HOOFDSTUK I. - Door de Franse Gemeenschap georg... Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toeg... Afdeling Ibis. [1 - Voorwaarden voor de benoemi... Afdeling Iter. [1 - Selectiecommissies van de d... Afdeling II. Afdeling III. [1 Mechanismen voor ondersteuning... Onderafdeling I. [1 Over het mechanisme voor on... Onderafdeling II. [1 Over het evaluatiemechanis... Onderafdeling III [1 - Over de deontologische r... Afdeling IIIbis. [1 - De intrekking van de tijd... Afdeling IV. - Overgang tussen bevorderingsambt... Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen. HOOFDSTUK II. - Het gesubsidieerd officieel ond... Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toeg... Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling in een be... Afdeling III. [1 Mechanismen voor ondersteuning... Onderafdeling 1. [1 Over het mechanisme voor on... Onderafdeling 2. [1 Over het evaluatiemechanisme]1 Onderafdeling 3 [1 - Over de deontologische reg... Afdeling IV. - Overgang tussen de bevorderingsa... Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen. HOOFDSTUK III. - Het gesubsidieerd vrij onderwijs. Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toeg... Afdeling II. - De tijdelijke aanwerving in een ... Afdeling III. - [1 Mechanismen voor ondersteuni... Onderafdeling 1. [1 Over het mechanisme voor on... Onderafdeling 2. [1 Over het evaluatiemechanisme]1 Onderafdeling 3 [1 - Over de deontologische reg... Afdeling IV. - Overgang tussen bevorderingsambt... Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen. TITEL IV. - De toegang tot de selectieambten en... TITEL V. - Specifieke hulpverlening aan de dire... HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities ... HOOFDSTUK II. - Toekenning en aanwending van de... Afdeling I. - Toekenning van middelen. Afdeling II. - Aanwending van de toegekende bed... HOOFDSTUK III. - Beheerscentra. Afdeling I. - Oprichting. Afdeling II. - Criteria voor de oprichting van ... Afdeling III. - Bevoegdheden van het beheerscen... Afdeling IV. - Aanwending van de toegekende mid... TITEL VI. - Wijzigings-, overgangs- en slotbepa... HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen. HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen. HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen. Afdeling I. - Gemeenschappelijke bepalingen. Onderafdeling I. [1 - Overgangsbepalingen voora... Onderafdeling II. [1 - Overgangsbepalingen inge... Afdeling II. - Het onderwijs georganiseerd door... Onderafdeling I. [1 - Overgangsbepalingen voora... Onderafdeling II. [1 - Overgangsbepalingen inge... Afdeling III. - Het gesubsidieerd onderwijs. HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling. BIJLAGE.
Table des matières
TITRE Ier. - Dispositions générales. TITRE II. - Des dispositions communes aux direc... CHAPITRE Ier. [1 Du profil de fonction des dire... Section Ire. [1 - Des responsabilités du direct... Section II. [1 - Du profil de fonction]1 Section III. [1 - [2 Ancienne Section IV]2 Disp... CHAPITRE II. [1 - De la formation initiale des ... Section Ire. [1 - Des objectifs de la formation... Section II. [1 - De l'organisation et de la cer... Sous-section Ire. [1 - Dispositions générales ]1 Section II. - De l'organisation et de la certif... Sous-section Ire. - Dispositions générales. Sous-section II. [1 - De l'organisation et de l... Sous-section II. - De l'organisation et de la c... CHAPITRE III. - De la lettre de mission. CHAPITRE IV. [1 - De la commission de valorisat... CHAPITRE V. [1 - De l'appel à candidatures]1 CHAPITRE VI. [1 Ancien Chapitre IV]1 - Du dérou... CHAPITRE VII. [1 De la mise à disposition d'ord... TITRE III. - Des dispositions spécifiques à cha... CHAPITRE Ier. - De l'enseignement organisé par ... Section Ire. - Conditions générales d'accès et ... Section Ibis. [1 - Conditions de nomination dan... Section Iter. [1 - Des Commissions de sélection... Section II. Section III. [1 Des mécanismes de soutien, de d... Sous-section I. [1 - Du mécanisme de soutien et... Sous-section II. [1 - Du mécanisme d'évaluation]1 Sous-section III. [1 - Des règles de déontologie]1 Section IIIbis. [1 - Du retrait des fonctions s... Section IV. - Des passerelles entre fonctions d... Section V. - Dispositions modificatives. CHAPITRE II. - De l'enseignement officiel subve... Section Ire. - Conditions générales d'accès au ... Section II. - De la désignation à titre tempora... Section III. [1 Des mécanismes de soutien, de d... Sous-section 1. [1 - Du mécanisme de soutien et... Sous-section 2. [1 - Du mécanisme d'évaluation]1 Sous-section 3. [1 - Des règles de déontologie]1 Section IV. - Des passerelles entre fonctions d... Section V. - Dispositions modificatives. CHAPITRE III. - De l'enseignement libre subvent... Section Ire. - Conditions générales d'accès au ... Section II. - De l'engagement à titre temporair... Section III. [1 Des mécanismes de soutien et de... Sous-section 1. [1 - Du mécanisme de soutien et... Sous-section 2. [1 - Du mécanisme d'évaluation]1 Sous-section 3. [1 - Des règles de déontologie]1 Section IV. - Des passerelles entre fonctions d... Section V. - Dispositions modificatives. TITRE IV. - De l'accès aux fonctions de sélecti... TITRE V. - De l'aide spécifique aux directions ... CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définiti... CHAPITRE II. - De l'octroi et de l'utilisation ... Section Ire. - Octroi des moyens. Section II. - Utilisation des montants alloués. CHAPITRE III. - Des centres de gestion. Section Ire. - Création. Section II. - Critères pour la constitution de ... Section III. - Compétences du centre de gestion. Section IV. - De l'utilisation des moyens alloués. TITRE VI. - Dispositions modificatives, transit... CHAPITRE Ier. - Dispositions générales. CHAPITRE II. - Dispositions modificatives. CHAPITRE III. - Dispositions transitoires. Section Ire. - Dispositions communes. Sous-section 1re. [1 - Dispositions transitoire... Sous-section II. [1 -Dispositions transitoires ... Section II. - De l'enseignement organisé par la... Sous-section Ire. [1 Dispositions transitoires ... Sous-section II. [1 Dispositions transitoires i... Section III. - De l'enseignement subventionné. CHAPITRE IV. - Disposition finale. ANNEXE.
Tekst (249)
Texte (249)
TITEL I. - Algemene bepalingen.
TITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Dit decreet is van toepassing op het kleuteronderwijs, het lager onderwijs, het basisonderwijs, het secundair onderwijs, het gewoon onderwijs en het gespecialiseerd onderwijs, het onderwijs met volledig leerplan of het alternerend onderwijs, het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan of het onderwijs voor sociale promotie, georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, met uitzondering van de afdelingen 4 en 5 van de hoofdstukken I, II en III van titel III.
Article 1. Le présent décret s'applique à l'enseignement maternel, primaire, fondamental, secondaire, ordinaire et spécialisé, de plein exercice ou en alternance, secondaire artistique à horaire réduit ou de promotion sociale, organisé ou subventionné par la Communauté française, à l'exception des sections 4 et 5 des Chapitres Ier, II et III du Titre III.
Art. 2. § 1. Voor de toepassing van dit decreet, dient te worden verstaan onder :
  1° " directeur " : [2 het personeelslid dat, in welke hoedanigheid dan ook, titularis is van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur in het lager secundair onderwijs, directeur, directeur van een inrichting voor sociale promotie zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, § 1, 1° en 2°, en § 2, van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten of directeur van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan zoals bedoeld in artikel 50, 2°, van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.]2
  2° " opvoedingsteam " : het geheel van de personeelsleden die het geheel of en deel van hun ambt(en) in éénzelfde inrichting of éénzelfde vestiging uitoefenen, met uitsluiting van het administratief personeel, en van het meesters-, vak- en dienstpersoneel.
  [1 3° " inrichtende macht " : de overheid of de rechtspersoon die de verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie van een school die door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd;]1
  [1 4° "lokale organen voor sociaal overleg : de instanties voor plaatselijk overleg ingesteld krachtens de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven, van het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 13 september 1995 betreffende de oprichting, samenstelling en bevoegdheid van de plaatselijke paritaire commissies in het officieel gesubsidieerd onderwijs, het besluit van de Regering van de Gemeenschap van 27 maart 1996 dat de beslissing van 24 januari 1996 van de Paritaire Commissie voor het vrij confessioneel basisonderwijs, betreffende de oprichting van een plaatselijk overlegorgaan tussen de inrichtende machten en vakbondsafvaardigingen, bindend verklaart en het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 18 juni 1999 waarbij de beslissing van 31 mei 1999 van de Paritaire Commissie voor het niet-confessioneel vrij basisonderwijs betreffende het model-huishoudelijk reglement van de plaatselijke instantie voor overleg tussen de inrichtende machten en de syndicale afvaardigingen verplicht wordt verklaard, inzonderheid :
   a) in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, het basisoverlegcomité;
   b) in het officiële gesubsidieerde onderwijs, de plaatselijke paritaire commissie;
   c) in het vrij gesubsidieerd onderwijs, de ondernemingsraad of, bij gebreke daaraan, het Comité voor de preventie en bescherming op de arbeidsplaats of, bij gebreke daaraan, de plaatselijke overleginstantie of, bij gebreke daaraan, de vakbondsafvaardiging.]1

  [2 5° sturingsplan : het systeem bedoeld in artikel 67, § 2, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren ;]2
  [2 6° : federaties van de inrichtende machten : de vertegenwoordigings- en coördinatieorganen bedoeld in artikel 5 van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.]2
  [2 Het woord " leerling " gebruikt in dit decreet moet verstaan worden als " student " wat betreft het onderwijs voor sociale promotie.]2
  § 2. Het gebruik in dit decreet van de mannelijke namen voor de verschillende titels en ambten is gemeenslachtig met het oog op een betere leesbaarheid van de tekst, niettegenstaande de bepalingen van het decreet van 21 juni 1993 betreffende de vervrouwelijking van de namen van beroep, ambt, graad of titel.
  
Art. 2. § 1er. Pour l'application du présent décret, il y a lieu d'entendre par :
  1° " directeur " : [2 le membre du personnel titulaire, à quelque titre que ce soit, de la fonction de promotion de directeur d'école maternelle, de directeur d'école primaire, de directeur d'école fondamentale, de directeur de l'enseignement secondaire inférieur, de directeur, de directeur d'établissement de promotion sociale telles qu'énumérées aux articles 3 et 4, § 1er, 1° et 2°, et § 2, du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection, ou de directeur de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit tel que prévu à l'article 50, 2°, du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française.]2
  2° " équipe éducative " : l'ensemble des membres du personnel exerçant toute ou partie de leur(s) fonction(s) dans un même établissement ou dans une même implantation, à l'exclusion du personnel administratif, et du personnel de maîtrise, gens de métier et de service.
  [1 3° " pouvoir organisateur " : l'autorité publique ou la personne morale qui assume la responsabilité de l'organisation d'une école organisée ou subventionnée par la Communauté française ;]1
  [1 4° " organes locaux de concertation sociale : les instances de concertation locale instituées en vertu de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités, de la loi du 20 septembre 1948 portant organisation de l'économie, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 13 septembre 1995 relatif à la création, à la composition et aux attributions des commissions paritaires locales dans l'enseignement officiel subventionné, de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 27 mars 1996 rendant obligatoire la décision du 24 janvier 1996 de la Commission paritaire de l'Enseignement fondamental libre confessionnel relative à la création d'une instance de concertation locale entre pouvoirs organisateurs et délégations syndicales et de l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 18 juin 1999 rendant obligatoire la décision du 31 mai 1999 de la Commission paritaire de l'enseignement fondamental libre non confessionnel relative à la création d'une instance de concertation locale entre pouvoirs organisateurs et délégations syndicales, soit :
   a)dans l'enseignement organisé par la Communauté française, le comité de concertation de base ;
   b) dans l'enseignement officiel subventionné, la commission paritaire locale ;
   c) dans l'enseignement libre subventionné, le conseil d'entreprise ou, à défaut, le Comité pour la prévention et protection au travail ou, à défaut, l'instance de concertation locale ou, à défaut, la délégation syndicale.]1

  [2 5° plan de pilotage : le dispositif visé à l'article 67, § 2, du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre;]2
  [2 6° : fédérations de pouvoirs organisateurs : les organes de représentation et de coordination visés à l'article 5 de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement.]2
  [2 Le terme " élève " utilisé dans le présent décret doit s'entendre comme " étudiant " pour ce qui concerne l'enseignement de promotion sociale.]2
  § 2. L'emploi dans le présent décret des noms masculins pour les différents titres et fonctions est épicène en vue d'assurer la lisibilité du texte nonobstant les dispositions du décret du 21 juin 1993 relatif à la féminisation des noms de métier.
  
TITEL II. - Bepalingen die de directeurs van alle netten gemeen zijn.
TITRE II. - Des dispositions communes aux directeurs de tous les réseaux.
HOOFDSTUK I. [1 Het ambtsprofiel van de directeurs]1
CHAPITRE Ier. [1 Du profil de fonction des directeurs]1
Afdeling I. [1 Verantwoordelijkheden van de directeur]1
Section Ire. [1 - Des responsabilités du directeur]1
Art. 3. [1 De directeur heeft de algemene competentie voor het beheer en de organisatie van de ininrichting.
   Hij neemt de verantwoordelijkheden op zich die hem door zijn inrichtende macht zijn toevertrouwd overeenkomstig het kader dat is vastgelegd in het in hoofdstuk III van deze titel bedoelde opdrachtenblad.]1

  
Art. 3. [1 Le directeur a une compétence générale de pilotage et d'organisation de l'établissement.
   Il assume les responsabilités que son pouvoir organisateur lui confie selon le cadre fixé par la lettre de mission visée au chapitre III du présent titre.]1

  
Art. 4. [1 In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs neemt de directeur van een bijgevoegde kleuterschool, lagere of fundamentele school zijn verantwoordelijkheden op zich, onverminderd de verantwoordelijkheden van de directeur van de instelling waaraan zijn school is gehecht.]1
  
Art. 4. [1 Dans l'enseignement organisé par la Communauté française, le directeur d'une école maternelle, primaire ou fondamentale annexée, assume ses responsabilités sans préjudice des responsabilités confiées au directeur de l'établissement auquel son école est annexée.]1
  
Afdeling II. [1 Het ambtsprofiel]1
Section II. [1 - Du profil de fonction]1
Art. 5. [1 1ste. De regering stelt een standaardambtsprofiel van het schoolhoofd op en stelt het ter beschikking van de inrichtende machts, die het kunnen gebruiken om het in § 2 bedoelde ambtsprofiel op te stellen.
   Het standaardambtsprofiel omvat een verantwoordelijkheidskader en een lijst van verwachte gedrags- en technische vaardigheden.
   De verantwoordelijkheden zoals beschreven in het generieke ambtsprofiel zijn gestructureerd in zeven categorieën:
   1° productie van betekenis;
   2° het algemene strategische en operationele beheer van de school;
   3° het beheer van educatieve acties en projecten;
   4° het beheer van de middelen en de menselijke relaties;
   5° interne en externe communicatie;
   6° administratief, financieel en materieel beheer van de instelling;
   7° de planning en het actieve beheer van zijn eigen professionele ontwikkeling.
   De verwachte gedrags- en technische vaardigheden gaan samen controle-indicatoren.
   § 2. Met het oog op een eventuele oproep tot kandidaturen voor het in hoofdstuk V bedoeld ambt van directeur stelt de inrichtende macht een ambtsprofiel op, dat zij bij elke sollicitatieoproep voor het ambt van directeur voegt.
   Het ambtsprofiel definieert:
   1° de belangrijkste verantwoordelijkheden van de directeur;
   2° de gedrags- en technische vaardigheden die nodig zijn voor hun oefening.
   De in het vorige lid bedoelde gedrags- en technische vaardigheden gaan samen met controle-indicatoren.
   de inrichtende macht stelt enerzijds het ambtsprofiel op op basis van het in § 1 bedoelde standaardambtsprofiel en anderzijds rekening houdend met de specifieke behoeften in verband met het educatieve en pedagogische project van de school en met de specifieke kenmerken van de school waarin het ambt van directeur moet worden vervuld.
   Het ambtsprofiel bevat de belangrijkste criteria voor de selectie van de kandidaten en de weging die aan elk van hen wordt toegekend. Het kan aanvullende voorwaarden voor de aanwerving bevatten, hetzij verplicht, hetzij als een troef actief voor de te vervullen betrekking.
   § 3. In het in het vorige lid bedoelde ambtsprofiel zijn de verantwoordelijkheden van de directeur gestructureerd in zeven categorieën, overeenkomstig het standaardambtsprofiel.
   § 4. In de in de vorige paragraaf bedoelde categorieën omvat het ambtsprofiel ten minste de volgende verantwoordelijkheden, zodat de Franse Gemeenschap ervan zeker zou zijn dat alle scholen in het ambtsprofiel de essentiële verantwoordelijkheden van een directeur opnemen:
   1° productie van betekenis:
   de directeur legt de belanghebbenden van de school regelmatig de waarden uit waarop de pedagogische en opvoedende actie ten dienste van de leerlingen is gebaseerd, in het kader van het project van de inrichtende macht, en geeft zo betekenis aan de collectieve actie en de individuele acties, met verwijzing naar deze waarden en naar de prioritaire en specifieke opdrachten van het onderwijsstelsel van de Franse Gemeenschap en de doelstellingen van de sociale promotie-educatie en het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan;
   2° de globale strategische en operationele sturing van de school:
   a) in het kleuter- en verplicht onderwijs staat de directeur borg voor de educatieve en pedagogische projecten van de inrichtende macht, die worden vastgesteld met inachtneming van de prioriteiten, specifieke doelstellingen en opdrachten van het onderwijsstelsel van de Franse Gemeenschap; in het onderwijs voor sociale promotie staat de directeur borg voor het pedagogische project van de inrichtende macht, dat wordt vastgesteld met inachtneming van de doelstellingen van dit onderwijs; in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan staat de directeur borg voor de educatieve en pedagogische projecten van de inrichtende macht en voor het pedagogische en artistieke project van de inrichting, bepaald met inachtneming van de finaliteiten van dit onderwijs.
   b) in het kleuter- en leerplichtonderwijs, als pedagogisch en opvoedend leider, leidt de directeur de gezamenlijke bouw van het inrichtingsproject en het sturingsplan van de school, door de voltooiing van het bijhorende contractvormingsproces en de collectieve uitvoering van de overeenkomst van doelstellingen (of, indien van toepassing, het samenwerkingsprotocol);
   3° het beheer van pedagogische acties en projecten:
   a) de directeur garandeert de ondersteuning en begeleiding van de schoolloopbaan van elke leerling en de positieve oriëntatie daarvan;
   b) de directeur bevordert gedeeld leiderschap in het onderwijs;
   c) de directeur is verantwoordelijk voor de pedagogische leiding van de school;
   4° het beheer van de middelen en de menselijke relaties:
   a) de directeur organiseert de diensten van alle personeelsleden, coördineert hun werkzaamheden, stelt doelstellingen vast in het kader van hun bevoegdheden en de teksten die hun ambt regelen. Hij neemt met name de pedagogische en administratieve verantwoordelijkheid op zich voor de vaststelling van de werktijden en de verantwoordelijkheden van de personeelsleden;
   b) in het kleuter- en verplicht onderwijs ontwikkelt de directeur een collectieve dynamiek met het onderwijsteam en ondersteunt de samenwerking met het onderwijsteam met het oog op de uitwisseling van praktijken en de organisatie van het leren; in het onderwijs voor sociale promotie ondersteunt de directeur het teamwerk met het oog op de uitwisseling van praktijken en de organisatie van het leren;
   c) de directeur werkt samen met de inrichtende macht om een opvoedend en onderwijsteam samen te stellen dat zich op de student richt, zijn of haar ontwikkeling en leren;
   d) De directeur ondersteunt de professionele ontwikkeling van het personeel;
   e) de directeur begeleidt de onderwijsteams bij de innovaties die zij invoeren en de verandering;
   f) de directeur zorgt voor de opvang en integratie van nieuwe personeelsleden en de ondersteuning van personeel in moeilijkheden;
   g) de directeur zorgt in voorkomend geval voor een goede organisatie van de plaatselijke juridische en contractuele sociale overlegorganen;
   h) de directeur is de vertegenwoordiger van de inrichtende macht bij de Regeringsdiensten;
   i) de directeur kan contacten leggen met de plaatselijke economische en sociaal-culturele wereld en met organisaties voor jeugdbescherming, kinderwelzijn en jeugdzorg;
   5° interne en externe communicatie:
   verzamelt en verspreidt de directeur informatie door deze op passende wijze en met gebruikmaking van passende mechanismen te formuleren, respectievelijk ter attentie van de inrichtende macht, de personeelsleden, de leerlingen en, in voorkomend geval, de ouders en het personeel van het Psychomedisch-medisch-sociaal centrum, alsmede, als interface, met externe partners en contacten;
   6° administratief, financieel en materieel beheer van de instelling:
   a) de directeur ziet toe op de naleving van de wet- en regelgeving;
   b) de directeur beheert de begroting waarvoor hij delegatie heeft gekregen, met het oog op de optimale werking van de school en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan;
   7° de planning en het actieve beheer van de eigen professionele ontwikkeling:
   a) de directeur tracht voortdurend nieuwe ideeën, vaardigheden en kennis te verkrijgen;
   b) de directeur voert regelmatig werkingsgesprekken met de inrichtende macht of haar afgevaardigden, onder verwijzing naar het opdrachtenblad en de zelfevaluatie.
   § 5. Om ervoor te zorgen dat alle scholen in de Franse Gemeenschap de essentiële vaardigheden van een directeur opnemen in het ambtsprofiel dat zij opstellen, moet het ambtsprofiel ten minste de volgende gedrags- en technische vaardigheden omvatten:
   1° gedragscompetenties:
   a) coherent zijn in zijn beginselen, waarden en gedrag, een gevoel voor het algemeen belang hebben en de waardigheid van het ambt respecteren;
   b) in staat zijn om teams te verenigen rond gemeenschappelijke projecten en collectieve projecten te beheren;
   c) in staat zijn om verandering te ondersteunen;
   d) in staat zijn beslissingen te nemen en te handhaven na de zaak te hebben gehoord en/of na een participatief proces;
   e) objectief kunnen observeren en het functioneren van hun school kunnen analyseren met het oog op, in voorkomend geval, het vaststellen van alternatieve maatregelen;
   f) een gevoel van luister- en communicatievaardigheden hebben; blijk kunnen geven van empathie, enthousiasme en dankbaarheid;
   2° technische vaardigheden :
   a) in staat zijn een wettekst te lezen en te begrijpen;
   b) beschikken over pedagogische vaardigheden en belangstelling voor onderwijsonderzoek dat is aangepast aan het betrokken onderwijsniveau;
   c) in het secundair artistiek onderwijs met beperkt leerplan over artistieke vaardigheden beschikken;
   d) in staat zijn vergaderingen te beheren;
   e) in staat zijn conflicten te beheren;
   f) in staat zijn de toepassing van digitale technologie in onderwijs- en bestuurssystemen te beheren in het kader van de ontwikkeling van de digitale omgeving van haar instelling en het onderwijs in de Franse Gemeenschap en gebruik kunnen maken van elementaire IT-instrumenten.
   § 6. Het door de inrichtende macht opgestelde ambtsprofiel wordt gebruikt:
   1° bij de aanwerving van een directeur: hij documenteert de kandidaten op de verwachtingen van de inrichtende macht en het onderwijssysteem; hij dient als referentie om de keuze van een van de kandidaten door de inrichtende macht te baseren;
   2° op het moment dat de directeur zijn ambt opneemt en vóór de overeengekomen definitie van zijn opdrachtenblad; het is het onderwerp van een diepgaande uitwisseling tussen de inrichtende macht en de directeur, zodat elke partij duidelijk weet wat ze van de andere partij verwacht; daartoe komen de inrichtende macht en de directeur tot overeenstemming over het begrip van de indicatoren voor het beheersen van de vereiste vaardigheden en de indicatoren voor het bereiken van resultaten die het mogelijk maken om de uitoefening van verantwoordelijkheden te objectiveren.]1

  
Art. 5. [1 § 1er. Le Gouvernement arrête un profil de fonction-type du directeur d'école et le met à la disposition des pouvoirs organisateurs qui peuvent l'utiliser en vue de construire le profil de fonction visé au § 2.
   Le profil de fonction-type comprend un référentiel de responsabilités et une liste des compétences comportementales et techniques attendues.
   Les responsabilités décrites dans le profil de fonction-type sont structurées en sept catégories :
   1° production de sens;
   2° pilotage stratégique et opérationnel global de l'école;
   3° pilotage des actions et des projets pédagogiques;
   4° gestion des ressources et des relations humaines;
   5° communication interne et externe;
   6° gestion administrative, financière et matérielle de l'établissement.;
   7° planification et gestion active de son propre développement professionnel.
   Les compétences comportementales et techniques attendues sont assorties d'indicateurs de maîtrise.
   § 2. En vue de tout appel à candidatures à une fonction de directeur visée au chapitre V, le pouvoir organisateur établit un profil de fonction, qu'il joint à tout appel à candidatures à une fonction de directeur.
   Le profil de fonction définit :
   1° les responsabilités principales du directeur;
   2° les compétences comportementales et techniques nécessaires à leur exercice.
   Les compétences comportementales et techniques visées à l'alinéa précédent sont assorties d'indicateurs de maîtrise.
   Le pouvoir organisateur construit le profil de fonction, d'une part, à partir du profil de fonction-type visé au § 1er et, d'autre part, en tenant compte des besoins spécifiques liés à son projet éducatif et pédagogique ainsi que des caractéristiques propres de l'école dans laquelle le poste de directeur est à pourvoir.
   Le profil de fonction reprend les critères principaux de sélection des candidats et la pondération attribuée à chacun d'eux. Il peut comprendre des conditions de recrutement complémentaires, soit obligatoires, soit constituant un atout pour le poste à pourvoir.
   § 3. Dans le profil de fonction visé au paragraphe précédent, les responsabilités du directeur sont structurées en sept catégories, conformément au profil de fonction-type.
   § 4. Dans les catégories visées au paragraphe précédent, pour que la Communauté française soit assurée que toutes les écoles reprennent dans le profil de fonction qu'elles établissent, les responsabilités essentielles d'un directeur, le profil de fonction reprend, a minima, les responsabilités suivantes :
   1° production de sens :
   le directeur explique régulièrement aux acteurs de l'école quelles sont les valeurs sur lesquelles se fonde l'action pédagogique et éducative, développée au service des élèves, dans le cadre du projet du pouvoir organisateur et donne ainsi du sens à l'action collective et aux actions individuelles, en référence à ces valeurs ainsi qu'aux missions prioritaires et particulières du système éducatif de la Communauté française et aux finalités de l'enseignement de promotion sociale et de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit;
   2° pilotage stratégique et opérationnel global de l'école :
   a) dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire, le directeur est le garant des projets éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur, définis dans le respect des finalités et des missions prioritaires et particulières du système éducatif de la Communauté française; dans l'enseignement de promotion sociale, le directeur est le garant du projet pédagogique du pouvoir organisateur définis dans le respect des finalités de cet enseignement; dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, le directeur est le garant des projets éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur et du projet pédagogique et artistique de l'établissement, définis dans le respect des finalités de cet enseignement;
   b) dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire, en tant que leader pédagogique et éducatif, le directeur pilote la co-construction du projet d'établissement et du plan de pilotage de l'école, en menant à bien le processus de contractualisation y afférent ainsi que la mise en oeuvre collective du contrat d'objectifs (ou le cas échéant, le protocole de collaboration);
   3° pilotage des actions et des projets pédagogiques :
   a) le directeur garantit le soutien et l'accompagnement du parcours scolaire de chacun des élèves et leur orientation positive;
   b) le directeur favorise un leadership pédagogique partagé;
   c) le directeur assure le pilotage pédagogique de l'établissement;
   4° gestion des ressources et des relations humaines :
   a) le directeur organise les services de l'ensemble des membres du personnel, coordonne leur travail, fixe les objectifs dans le cadre de leurs compétences et des textes qui régissent leur fonction. Il assume, en particulier, la responsabilité pédagogique et administrative de décider des horaires et attributions des membres du personnel;
   b) dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire, le directeur développe avec l'équipe éducative une dynamique collective et soutient le travail collaboratif dans une visée de partage de pratiques et d'organisation apprenante; dans l'enseignement de promotion sociale, le directeur soutient le travail en équipe dans une visée de partage de pratiques et d'organisation apprenante;
   c) le directeur collabore avec le pouvoir organisateur pour construire, une équipe éducative et enseignante centrée sur l'élève, son développement et ses apprentissages;
   d) le directeur soutient le développement professionnel des membres du personnel;
   e) le directeur accompagne les équipes éducatives dans les innovations qu'elles mettent en oeuvre et le changement;
   f) le directeur veille à l'accueil et à l'intégration des nouveaux membres du personnel ainsi qu'à l'accompagnement des personnels en difficulté;
   g) le directeur veille, le cas échéant, à la bonne organisation des organes locaux de concertation sociale légaux et conventionnels;
   h) le directeur est le représentant du pouvoir organisateur auprès des Services du Gouvernement;
   i) le directeur peut nouer des contacts avec le monde économique et socioculturel local de même qu'avec des organismes de protection de la jeunesse, d'aide à l'enfance et d'aide à la jeunesse;
   5° communication interne et externe :
   le directeur recueille et fait circuler de l'information en la formulant de manière adaptée et au moyen des dispositifs adéquats à l'attention, respectivement, du Pouvoir organisateur, des membres du personnel, des élèves, et, s'il échet, des parents et des agents du Centre psycho-médico-social, ainsi que, en tant qu'interface, avec les partenaires et interlocuteurs extérieurs;
   6° gestion administrative, financière et matérielle de l'établissement :
   a) le directeur veille au respect des dispositions légales et réglementaires;
   b) le directeur assure la gestion du budget pour lequel il a reçu délégation, en vue de parvenir à un fonctionnement optimal de l'école et à la réalisation de ses objectifs;
   7° planification et gestion active de son propre développement professionnel :
   a) le directeur s'enrichit continûment de nouvelles idées, compétences et connaissances;
   b) le directeur a des entretiens de fonctionnement réguliers avec le pouvoir organisateur ou les délégués de celui-ci, en référence à sa lettre de mission et à son auto-évaluation.
   § 5. Pour que la Communauté française soit assurée que toutes les écoles reprennent dans le profil de fonction qu'elles établissent, les compétences essentielles d'un directeur, le profil de fonction reprend, a minima, les compétences comportementales et les compétences techniques attendues suivantes :
   1° compétences comportementales :
   a) être cohérent dans ses principes, ses valeurs et son comportement, avoir le sens de l'intérêt général et respecter la dignité de la fonction;
   b) être capable de fédérer des équipes autour de projets communs et de gérer des projets collectifs;
   c) être capable d'accompagner le changement;
   d) être capable de prendre des décisions et de s'y tenir après avoir instruit la question à trancher et/ou au terme d'un processus participatif;
   e) avoir une capacité d'observation objective et d'analyse du fonctionnement de son école en vue, le cas échéant, de dégager des pistes d'action alternatives;
   f) avoir le sens de l'écoute et de la communication; être capable de manifester de l'empathie, de l'enthousiasme et de la reconnaissance;
   2° compétences techniques :
   a) avoir la capacité de lire et comprendre un texte juridique;
   b) disposer de compétences pédagogiques et montrer un intérêt pour la recherche en éducation adaptée au niveau d'enseignement concerné;
   c) dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, disposer de compétences artistiques;
   d) être capable de gérer des réunions;
   e) être capable de gérer des conflits;
   f) être capable de piloter l'implémentation du numérique dans les dispositifs d'enseignement et de gouvernance dans le cadre du développement de l'environnement numérique de son établissement et de l'enseignement en Communauté française ainsi que pouvoir utiliser les outils informatiques de base.
   § 6. Le profil de fonction élaboré par le pouvoir organisateur est utilisé :
   1° au moment du recrutement d'un directeur : il documente les candidats sur les attentes du pouvoir organisateur et du système éducatif; il sert de référence pour fonder le choix d'un des candidats par le pouvoir organisateur;
   2° au moment de la prise de fonction du directeur et avant la définition concertée de sa lettre de mission; il fait l'objet d'un échange approfondi entre pouvoir organisateur et directeur, de telle sorte que chaque partie ait une claire connaissance de ce que chacune attend de l'autre; à cette fin, le pouvoir organisateur et le directeur s'accordent sur la compréhension des indicateurs de maîtrise des compétences requises ainsi que sur les indicateurs de réalisation ou de résultats qui permettront d'objectiver l'exercice des responsabilités.]1

  
Afdeling III. [1 - [2 Oud Afdeling IV]2 Specifieke bepalingen inzake personeelsbeheer]1
Section III. [1 - [2 Ancienne Section IV]2 Dispositions spécifiques en matière de gestion des ressources humaines]1
Art. 6. [1 [2 oud artikel 11bis]2 § 1. De algemene organisatiecompetentie bedoeld in artikel 5 omvat het beheer van de human resources van de instelling in overleg met de inrichtende macht, wat inzonderheid inhoudt dat de directeur aan de samenstelling van het opvoedingsteam [3 ...]3 deelneemt.
   § 2. Behoudens in gevallen waarin de inrichtende macht overeenkomstig [2 artikel 26, § 2, [3 lid 2]3]2, een delegatie aan de directeur heeft verleend met betrekking tot aangelegenheden van nieuwaanwerving en / of de samenstelling van haar opvoedingsteam, wordt een overlegvergadering georganiseerd tussen de inrichtende macht of haar afgevaardigde en de directeur over de volgende aangelegenheden :
   1° de organisatie, in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen, van het wervingsbeheer en, voor zover mogelijk, van de ontmoetingen van de kandidaten met de directeur;
   2° het gebruik van de databank bedoeld in artikel 27 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde en gesubsidieerde basis- en secundair onderwijs;
   3° de activering van de verbindingen cursus/ambt waarnaar wordt verwezen in titel I, hoofdstuk III, van het voornoemde decreet van 11 april 2014;
   4° nieuwaanwervingen in de zin van artikel 25 van het bovengenoemde besluit van 11 april 2014;
   5° afwijkingen van de prioriteitstelling van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in de artikelen 31bis, 32 en 33 van voormeld decreet van 11 april 2014;
   6° andere benoemingen, wervingen en wijzigingen van opdracht, in overeenstemming met de toepasselijke statutaire bepalingen.
   In afwijking van het vorige lid, betreft het hoger genoemde overleg bedoeld onder 2 ° tot 5 ° niet het onderwijs voor sociale promotie en het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan.
   § 3. Op het einde van het in paragraaf 2 bedoelde overleg, deelt de inrichtende macht of haar afgevaardigde haar (zijn) voorstel van beslissing aan de directeur mee.
   Na ontvangst van het voorstel van beslissing van de inrichtende macht of haar afgevaardigde, heeft de directeur het recht om een tweede overlegsessie met de inrichtende macht te eisen.
   De termijn waarbinnen de directeur de mogelijkheid heeft om de tweede overlegsessie te eisen, wordt gespecificeerd in het opdrachtenblad, overeenkomstig [2 artikel 26, § 2, derde lid]2, en bedraagt minstens één werkdag.
   Als de directeur niet een nieuwe overlegsessie bedoeld in lid 2 eist,
   a) wordt het in lid 1 bedoelde voorstel definitief zoals verwoord door de inrichtende macht
   b) wordt het in lid 1 bedoelde voorstel aan de inrichtende macht voorgelegd indien het door haar afgevaardigde verwoord werd; als de inrichtende macht het voorstel van haar afgevaardigde niet definitief maakt, biedt ze een tweede overlegsessie met de directeur aan.
   § 4. De uitwisselingen tussen de directeur en de leden of vertegenwoordigers van de inrichtende macht die hebben deelgenomen aan de overlegsessies bedoeld in de §§ 2 en 3 blijven geheim.]1

  
Art. 6. [2 (Ancien article 11bis)]2 [1 § 1er. La compétence générale d'organisation visée à l'article 5 comprend la gestion des ressources humaines de l'établissement en concertation avec le pouvoir organisateur, ce qui implique notamment que le directeur participe à la constitution de l'équipe éducative [3 ...]3.
   § 2. Sauf dans les cas où le pouvoir organisateur a donné, conformément [2 à l'article 26, § 2, [3 alinéa 2]3]2, une délégation au directeur en matière de primo-recrutement et/ou de constitution de son équipe éducative, une concertation est organisée entre le pouvoir organisateur ou son délégué et le directeur sur les matières suivantes :
   1° l'organisation, dans le respect des dispositions statutaires applicables, de la gestion des recrutements et, autant que possible, de la rencontre des candidats par le directeur;
   2° l'utilisation de la base de données visée à l'article 27 du décret du 11 avril 2014 réglementant les titres et fonctions dans l'enseignement fondamental et secondaire organisé et subventionné par la Communauté française;
   3° l'activation des accroches cours-fonction visées au titre Ier, chapitre III, du décret du 11 avril 2014 précité;
   4° les primo-recrutements au sens de l'article 25 du décret du 11 avril 2014 précité;
   5° les dérogations à la priorisation des titres visées aux articles 31bis, 32 et 33 du décret du 11 avril 2014 précité;
   6° les autres désignations, engagements et changements d'affectation, dans le respect des dispositions statutaires applicables.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, la concertation visée aux points 2° à 5° ne vise pas l'enseignement supérieur de promotion sociale et l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit.
   § 3. A l'issue de la concertation visée au paragraphe 2, le pouvoir organisateur ou son délégué communique sa proposition de décision au directeur.
   Après réception de la proposition de décision du pouvoir organisateur ou de son délégué, le directeur a la faculté d'exiger une deuxième concertation avec le pouvoir organisateur.
   Le délai dans lequel le directeur a la faculté d'exiger ladite deuxième concertation est précisé dans la lettre de mission, conformément [2 à l'article 26, § 2, alinéa 3]2, et est, au moins, d'un jour ouvrable.
   Dans le cas où le directeur n'exige pas la concertation visée à l'alinéa 2 :
   a) la proposition visée à l'alinéa 1er devient définitive si elle a été formulée par le pouvoir organisateur;
   b) la proposition visée à l'alinéa 1er est soumise au pouvoir organisateur si elle a été formulée par son délégué ; si le pouvoir organisateur ne rend pas la proposition de son délégué définitive, il propose une deuxième concertation au directeur.
   § 4. Les échanges entre le directeur et les membres ou les représentants du pouvoir organisateur ayant participé aux concertations visées aux §§ 2 et 3 sont secrets.]1

  
HOOFDSTUK II. [1 - Initiële opleiding van directeuren]1
CHAPITRE II. [1 - De la formation initiale des directeurs.]1
Afdeling I. [1 - Doelstellingen van de initiële opleiding van directeuren]1
Section Ire. [1 - Des objectifs de la formation initiale des directeurs]1
Art. 7. [1 De initiële opleiding van de directeur is bedoeld om de directeur in staat te stellen om:
   1°. zich bewust te worden van de werkelijkheid van het beroep van directeur en zich erop voor te bereiden;
   2°. de activiteiten van een directeur te begrijpen in zijn verschillende aspecten (relationeel, pedagogisch, administratief, materieel, financieel, organisatorisch) om het algemene kader van het ambt te specificeren;
   3°. kennis te verwerven, inzonderheid conceptuele en juridische kennis met betrekking tot het onderwijssysteem, alsmede analytische hulpmiddelen;
   4°. de basiscompetenties te ontwikkelen, inzonderheid op het gebied van personeelsbeheer, die nodig zijn voor de uitoefening van de verantwoordelijkheden die zijn beschreven in de ambtsprofielen bedoeld in afdeling II van hoofdstuk I;
   5°. aan de verandering van zijn professionele houding en het vermogen om afstand te nemen tegenover zijn praktijk te werken.]1

  
Art. 7. [1 La formation initiale du directeur a pour objectifs de permettre au directeur :
   1° de prendre conscience de la réalité du métier de directeur et de s'y préparer;
   2° d'appréhender les rôles d'un directeur dans ses différents aspects (relationnel, pédagogique, administratif, matériel, financier, organisationnel) en vue de préciser le cadre global de la fonction;
   3° d'acquérir des connaissances, notamment conceptuelles et légales en lien avec le système éducatif, ainsi que des outils d'analyse;
   4° de développer les compétences de base, notamment en matière de gestion des ressources humaines, nécessaires à l`exercice des responsabilités décrites par les profils de fonction visés à la section II du chapitre Ier;
   5° de travailler le changement de posture professionnelle et la capacité de prendre du recul par rapport à sa pratique.]1

  
Afdeling II. [1 - Organisatie en certificering van de initiële opleiding van directeuren]1
Section II. [1 - De l'organisation et de la certification de la formation initiale des directeurs]1
Onderafdeling I. [1 - Algemene bepalingen ]1
Sous-section Ire. [1 - Dispositions générales ]1
Art. 8. [1 § 1. De initiële opleiding van directeuren bestaat uit twee luiken:
   1°. een netoverschrijdend component, gemeenschappelijk voor alle neten;
   2°. een netcomponent, specifiek voor elk net.
   § 2. Tijdens hun initiële opleiding worden de directeuren uitgenodigd om een professioneel ontwikkelingsbestand ("portfolio") aan te maken.
   De "portfolio" is een opleidingshulpmiddel dat leerbegeleiding en de ontwikkeling van een reflectieve analyse mogelijk maakt. Directeurs kunnen opnemen wat zij vinden dat nuttig en relevant is over het pad van hun professionele ontwikkeling.]1

  [2 Hij onthoudt zich van elke vorm van fysiek of psychisch geweld tegen leerlingen. ]2
  
Art. 8. [1 § 1er. La formation initiale des directeurs comprend deux volets :
   1° un volet " inter-réseaux ", commun à l'ensemble des réseaux;
   2° un volet " réseau ", propre à chaque réseau.
   § 2. Au long de leur formation initiale, les directeurs sont invités à constituer un dossier de développement professionnel (" portfolio ").
   Le " portfolio " est un outil formatif facilitant le soutien aux apprentissages et le développement d'une analyse réflexive. Les directeurs peuvent y consigner les traces qu'ils jugent utiles et pertinentes au sujet du cheminement de leur développement professionnel.]1

  [2 Il s'abstient de toute forme de violence physique ou psychique à l'égard des élèves. ]2
  
Art. 9. [1 De inrichtende machten die niet zijn aangesloten bij een federatie van inrichtende machten zijn, wat hen betreft, verantwoordelijk voor het organiseren van het "net" -onderdeel.
   Zij kunnen met een federatie van inrichtende machten of de inrichtende macht van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap een overeenkomst sluiten die haar de organisatie van dit deel of een deel daarvan toekent.]1

  
Art. 9. [1 Les pouvoirs organisateurs qui ne sont pas affiliés à une fédération de pouvoirs organisateurs sont, pour ce qui les concerne, responsables de l'organisation du volet " réseau ".
   Ils peuvent établir avec une fédération de pouvoirs organisateurs ou le pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française une convention lui confiant l'organisation de tout ou partie de ce volet.]1

  
Art. 10. [1 § 1. De netoverschrijdend opleiding bedoeld in artikel 8, 1 °, richt zich op:
   1°. de inzet en oriëntaties van het onderwijssysteem, en inzonderheid de waarden, finaliteiten, doelstellingen en prioritaire opdrachten van het onderwijssysteem, met het oog op de ontwikkeling bij de directeuren van een pedagogische visie en een sturingsvermogen van hun school in overeenstemming met deze;
   2°. de verantwoordelijkheden en bevoegdheden die alle directeuren gemeen hebben, zoals ontwikkeld in het standaardambtsprofiel als bedoeld in artikel 5, lid 1.
   § 2. De netoverschrijdend opleiding, die in totaal negentig uur omvat, is gestructureerd in twee assen: de "administratieve" as (12 uur) en de "sturingsas" (78 uur).
   § 3. De "administratieve" as wordt ontwikkeld in een module die gericht is op:
   1°. het verwerven van de basiselementen om het juridische en regelgevende kader, de hiërarchie van normen en de algemene rechtsbeginselen te begrijpen en zich eigen te maken;
   2°. de belangrijkste relevante rechtsgrondslagen van het bedoelde niveau te begrijpen en zich eigen te maken;
   3°. het verwerven van een onderzoeksbenadering op juridisch en regelgevingsbasis om eenvoudige praktische gevallen op te kunnen lossen en de kennis van een gegeven probleemstelling bij te werken en te verdiepen.
   Deze module moet worden gevolgd voorafgaand aan het eerste deel van de module "pedagogische benadering en sturing", bedoeld in § 4, lid 2, 1 °, a) van de netoverschrijdend opleiding en de "administratieve, materiële en financiële" module van de "net" -opleiding.
   Hij moet zijn voltooid vóór het einde van het eerste jaar van de stage.
   § 4. De "sturingsas" beoogt de ontwikkeling van:
   1°. een pedagogische visie met betrekking tot de oriëntaties van het onderwijssysteem, waaruit de directeur de pedagogische leiding die hem toebehoort, zal uitoefenen en de sturing van zijn school organiseren;
   2°. relationele, interpersoonlijke en groepsvaardigheden en -competenties, inzonderheid inzake schoolorganisatie, om de prioritaire doelstellingen en opdrachten van het onderwijssysteem te bewerkstelligen.
   Deze as is ontwikkeld in twee modules met elk 39 uur:
   1°. de module "pedagogische visie en sturing", die is verdeeld in twee delen:
   a. een eerste deel van 18 uur richt zich vooral op de ontwikkeling van een pedagogische visie; dit deel wordt gevolgd door de directeurs bij voorkeur voor het begin van hun ambt en in elk geval vóór het einde van het eerste jaar van de opleiding;
   b. een tweede deel van 21 uur, dat niet vóór het eerste gevolgd kan worden, voornamelijk gericht op de sturing.
   2°. de module "Ontwikkeling van relationele, interpersoonlijke en groepsvaardigheden en -competenties en opbouw van een professionele identiteit" is gestructureerd door drie zonen:
   a. bewustwording en analyse van houdingsverandering in relatie tot de professionele identiteit van het ambt van directeur;
   b. schoolleiderschap;
   c. de zelfevaluatie van de werkwijzen in professionele relaties.
   De module waarnaar wordt verwezen in punt 2 ° van het vorige lid is gesplist in twee delen:
   a. een eerste deel van 30 uur is gecentreerd rond drie thema's;
   1°. resource management en menselijke relaties als onderdeel van een schoolorganisatie;
   2°. communicatie inzake schoolorganisatie;
   3°. conflictpreventie en -beheer inzake organisatie;
   b. een tweede deel van 9 uur, stelt de directeurs in staat om een van de drie thema's van het eerste deel te verdiepen, gebaseerd op een zelfevaluatie aan het einde van het eerste deel van het gedrag dat ze als prioriteit moeten ontwikkelen.
   Het eerste deel waarnaar wordt verwezen in punt a) van de voorgaande paragraaf zal worden gevolgd door de directeuren, bij voorkeur voordat zij met hun werkzaamheden beginnen en in elk geval vóór het einde van het eerste opleidingsjaar.
   § 5. Tijdelijke directeurs die voor een initiële periode van minstens één jaar zijn aangesteld of aangeworven, moeten ook de in de §§ 3 en 4, lid 2, 1 °, a), en in lid 3, onder a), bedoelde cursussen volgen.
   De inrichtende macht beëindigt automatisch de opdrachten van de tijdelijke directeur als bedoeld in het vorige lid die deze cursussen niet hebben gevolgd [2 tenzij [3 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]3 certificeert dat de directeur niet in het eerste jaar van zijn mandaat voor deze cursussen kon worden ingeschreven. In dit geval wordt de opleidingsverplichting uitgesteld tot het volgende jaar]2.]1

  
Art. 10. [1 § 1er. La formation " inter-réseaux " visée à l'article 8, 1°, se centre sur :
   1° les enjeux et orientations du système éducatif et notamment sur les valeurs, les finalités, les objectifs et missions prioritaires du système éducatif, en vue de développer chez les directeurs une vision pédagogique et une capacité de pilotage de leur école en cohérence avec ceux-ci;
   2° les responsabilités et compétences communes à tous les directeurs tels que développées dans le profil de fonction-type visé à l'article 5, § 1er.
   § 2. La formation " inter-réseaux ", qui comporte en tout nonante heures, est structurée en deux axes : l'axe " administratif " (12 heures) et l'axe " pilotage " (78 heures).
   § 3. L'axe " administratif " est développé dans un module visant à :
   1° acquérir les éléments de base pour appréhender le cadre légal et réglementaire, la hiérarchie des normes et les principes généraux de droit;
   2° appréhender les principales bases légales pertinentes du niveau concerné;
   3° s'initier à une démarche de recherche dans les bases légales et réglementaires pour pouvoir résoudre des cas pratiques simples et actualiser et approfondir ses connaissances sur une problématique donnée.
   Ce module doit être suivi préalablement à la première partie du module " vision pédagogique et pilotage " visé au § 4, alinéa 2, 1°, a) de la formation " inter-réseaux " et au module " administratif, matériel et financier " de la formation " réseau ".
   Il doit avoir été suivi avant la fin de la 1ère année de stage.
   § 4. L'axe " pilotage " vise à développer :
   1° une vision pédagogique en lien avec les orientations du système éducatif, à partir de laquelle le directeur exercera le leadership pédagogique qui lui revient et organisera le pilotage de son école;
   2° des compétences et aptitudes relationnelles, interpersonnelles et groupales, notamment, en organisation scolaire, en vue d'atteindre les objectifs et missions prioritaires du système éducatif.
   Cet axe est développé dans deux modules comptant chacun 39 heures :
   1° le module " vision pédagogique et pilotage ", qui est scindé lui-même en deux parties :
   a) une première partie de 18 heures est centrée principalement sur le développement d'une vision pédagogique; cette partie est suivie par les directeurs de préférence avant leur entrée en fonction et, en tout cas, avant la fin de la 1re année de stage;
   b) une seconde partie de 21 heures, qui ne peut être suivie avant la première, centrée principalement sur le pilotage.
   2° le module " développement des compétences et aptitudes relationnelles, interpersonnelles et groupales et construction de l'identité professionnelle " est structuré par trois fils conducteurs :
   a) la prise de conscience et l'analyse du changement de posture en lien avec l'identité professionnelle de la fonction de directeur;
   b) le leadership en milieu scolaire;
   c) l'auto-évaluation de ses modes de fonctionnement dans les relations professionnelles.
   Le module visé au point 2° de l'alinéa précédent est scindé en deux parties :
   a) une première partie de 30 heures est centrée sur trois thèmes;
   1° la gestion des ressources et relations humaines dans le cadre d'une organisation scolaire;
   2° la communication en organisation scolaire;
   3° la prévention et gestion des conflits en organisation;
   b) une seconde partie de 9 heures, permet aux directeurs d'approfondir un des trois thèmes de la première partie, en fonction d'une auto-évaluation réalisée à l'issue de la première partie des comportements qu'ils ont à développer prioritairement.
   La première partie visée au point a) de l'alinéa précédent est suivie par les directeurs de préférence avant leur entrée en fonction et en tout cas avant la fin de la 1re année de stage.
   § 5. Les directeurs temporaires désignés ou engagés pour une durée initiale au moins égale à un an sont également tenus de suivre les formations visées aux §§ 3 et 4, alinéa 2, 1°, a), et alinéa 3, a).
   Le pouvoir organisateur met fin d'office aux fonctions du directeur temporaire visé à l'alinéa précédent qui n'a pas suivi ces formations [2 sauf si [3 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]3 atteste que le directeur n'a pu être inscrit dans ces formations au cours de sa première année de fonction. Dans ce cas l'obligation de formation est reportée à l'année suivante]2.]1

  
Art. 11. [1 § 1. De "net" -opleiding bedoeld in artikel 8, § 1, 2 °, richt zich op:
   1°. de specifieke inzet en oriëntaties voor het net, inzonderheid het opvoedende en pedagogische of pedagogische en artistieke project en de organisatiemodellen daarvan;
   2°. specifieke juridische en bestuursrechtelijke bepalingen alsmede materieel en financieel beheer;
   3°. begeleiding voor de professionele integratie van directeurs.
   § 2. De opleiding "net" omvat negentig uur en bestaat uit:
   1°. een basisopleiding van 60 uur, gestructureerd in twee modules (een "administratieve, materiële en financiële" module en een "opvoedende en pedagogische" module;
   2°. integratievorming / begeleiding op het moment van de inschakeling in het beroepsleven.
   § 3. De "administratieve, materiële en financiële" module (30 uur) omvat de studie en toepassing van de wettelijke en regelgevende bepalingen die specifiek zijn voor elk net, inzonderheid het statuut van de personeelsleden, de arbeidsregeling, de plaatselijke organen voor sociaal overleg, evenals het beheer van schoolinfrastructuur en financiële middelen, binnen de grenzen van de verantwoordelijkheden die op dit gebied worden uitgeoefend door de directeuren op basis van hun net.
   De "opvoedende en pedagogische" module (30 uur) is bedoeld om kennis en vaardigheden te ontwikkelen, inzonderheid wat betreft:
   a. de uitoefening van het pedagogische leiderschap;
   b. het beheer van het opvoedende en pedagogische project;
   c. de gezamenlijke opbouw van schoolcultuur;
   d. de gezamenlijke opbouw en uitvoering van het schoolproject;
   e. pedagogisch en artistiek project in kunstonderwijs met beperkt leerplan;
   f. de gezamenlijke opbouw en implementatie van het sturingsplan / follow-up van de doelstellingenovereenkomst in het kleuter- en leerplichtonderwijs;
   g. programma's en pedagogische hulpmiddelen van het net.
   § 4. Integratie-opleiding / begeleiding op het moment van de inschakeling in het beroepsleven (30 uur) is bedoeld om de directeurs te ondersteunen bij hun ambtsbekleding en hen te helpen de leerresultaten van de "netoverschrijdend en net-"opleidingsmodules over te brengen naar hun dagelijks leven.
   Integratie-opleiding / begeleiding bevordert de ontwikkeling van de professionele identiteit van de directeur door zijn rol te verduidelijken, zijn sterke punten en mogelijke verbeteringen te analyseren en zijn behoeften aan professionele ontwikkeling te identificeren.
   Ze ontwikkelt reflexieve analyse, vooral uit alledaagse situaties of door de directeur gerapporteerde kritieke incidenten. Ze kan de directeur in verschillende gebieden die hem vraag stellen ondersteunen: bijvoorbeeld, de mobilisatie van het opvoedingsteam, het tijdsbeheer, prioritering van acties of de praktische toepassing van wet- en regelgeving.
   Ze kan de vorm innemen van intervisiesessies met andere directeuren.
   Als onderdeel van de vorming / begeleiding voert de directeur een persoonlijke zelfevaluatie uit die sterke punten en verbeterpunten aan het einde van de opleiding belicht. De directeur die dit wenst, kan deze gepersonaliseerde evaluatie mobiliseren als onderdeel van de evaluatie van zijn werking met de inrichtende macht. De inrichtende macht heeft alleen toegang tot het geheel of een deel ervan als de directeur ze hem meedeelt.
   Integratievorming / begeleiding is ook een gelegenheid voor een opleidingsevaluatie ter voorbereiding van de evaluatie aan het einde van de stage.
   Integratievorming / begeleiding wordt verzorgd door opleiders / begeleiders zonder hiërarchisch verband met de betrokken directeurs. Ze is gespreid [2 zoveel mogelijk]2 over de drie jaar na de ambtsbekleding van de directeur. Ze is verplicht.]1

  
Art. 11. [1 § 1er. La formation " réseau " visée à l'article 8, § 1er, 2°, se centre sur :
   1° les enjeux et orientations propres au réseau, notamment son projet éducatif et pédagogique ou pédagogique et artistique et ses modèles organisationnels;
   2° les dispositions spécifiques en matière juridique et administrative ainsi qu'en matière de gestion matérielle et financière;
   3° l'accompagnement de l'insertion professionnelle des directeurs.
   § 2. La formation " réseau " comporte nonante heures et est composée :
   1° d'une formation de base de 60 heures structurée en deux modules (un module " administratif, matériel et financier " et un module " éducatif et pédagogique ";
   2° d'une formation/accompagnement d'intégration au moment de l'insertion professionnelle.
   § 3. Le module " administratif, matériel et financier " (30 heures) vise l'étude et l'application des dispositions légales et réglementaires spécifiques à chaque réseau, notamment le statut des membres du personnel, le règlement de travail, les organes locaux de concertation sociale, ainsi que la gestion des infrastructures de l'école et des ressources financières, dans la limite des responsabilités exercées en la matière par les directeurs selon leur réseau.
   Le module " éducatif et pédagogique " (30 heures) vise à développer des connaissances et des compétences notamment en matière de :
   a) exercice du leadership pédagogique;
   b) gestion du projet éducatif et pédagogique;
   c) co-construction de la culture d'école;
   d) co-construction et mise en oeuvre du projet d'établissement;
   e) projet pédagogique et artistique dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit;
   f) co-construction et mise en oeuvre du plan de pilotage/suivi du contrat d'objectifs dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire;
   g) programmes et outils pédagogiques du réseau.
   § 4. La formation/accompagnement d'intégration au moment de l'insertion professionnelle (30 heures) a pour finalité d'accompagner les directeurs lors de leur entrée en fonction et de les aider à transférer dans leur quotidien les acquis des modules de formation " inter-réseaux " et " réseau ".
   La formation/accompagnement d'intégration favorise le développement de l'identité professionnelle du directeur par la clarification de son rôle, l'analyse de ses forces et des améliorations à apporter et l'identification de ses besoins en matière de développement professionnel.
   Elle développe l'analyse réflexive, notamment à partir de situations du quotidien ou d'incidents critiques rapportés par le directeur. Elle peut soutenir le directeur dans différents domaines qui lui posent question : par exemple, la mobilisation de l'équipe éducative, la gestion de son temps, la priorisation de ses actions ou l'application concrète des dispositions légales et réglementaires.
   Elle peut prendre la forme de séances d'intervision avec d'autres directeurs.
   Dans le cadre de la formation/accompagnement, le directeur procède à une auto-évaluation personnalisée qui mette en évidence les forces et les points à améliorer au terme de la formation. Le directeur qui le souhaite peut mobiliser cette évaluation personnalisée dans le cadre de l'évaluation de son fonctionnement avec le pouvoir organisateur. Le pouvoir organisateur ne peut y accéder, en tout ou en partie, que si le directeur la lui communique.
   La formation/accompagnement d'intégration est aussi l'occasion d'une évaluation formative préparatoire à l'évaluation de fin de stage.
   La formation/accompagnement d'intégration est prise en charge par des formateurs/accompagnateurs sans lien hiérarchique avec les directeurs concernés. Elle se déploie [2 , autant que possible,]2 sur les trois années suivant l'entrée en fonction du directeur. Elle est obligatoire.]1

  
Art. 12. [1 Op basis van een voorstel van [2 het Netoverschrijdend instituut voor voortgezette beroepsopleiding]2, bepaalt de Regering een opleidingsplan voor het netoverschrijdend deel van de initiële opleiding van directeurs, waarin, inzonderheid, doelstellingen en inhoud van de verschillende modules bedoeld in artikel 10, §§ 3 en 4, evenals de te ontwikkelen vaardigheden.
   Het opleidingsplan kan worden uitgesplitst naar niveau of type onderwijs.]1

  
Art. 12. [1 Sur la base d'une proposition formulée par [2 l'Institut interréseaux de la Formation professionnelle continue]2, le Gouvernement détermine un plan de formation relatif au volet inter-réseaux de la formation initiale des directeurs, qui fixe, notamment, les objectifs et le contenu des différents modules visés à l'article 10, §§ 3 et 4, ainsi que les compétences à développer.
   Le plan de formation peut être décliné par niveau ou par type d'enseignement.]1

  
Art. 13. [1 De inrichtende macht van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, elke federatie inrichtende machten [2 ...]2 bepalen elk een opleidingsplan voor het onderdeel "netten" van de initiële opleiding van directeurs, waarin:
   a. de doelstellingen en inhoud van de twee modules waarnaar wordt verwezen in artikel 11, lid 3, en de vaardigheden die nog moeten worden ontwikkeld;
   b. een beschrijving van het Integratievormings- / begeleidingssysteem op het ogenblik van de inschakeling in het beroepsleven als bedoeld in artikel 11, lid 4, de nagestreefde specifieke doelstellingen, de voorgestelde methodologie en de ingezette persoonlijke middelen.
  [2 De niet-aangesloten inrichtende machten houden zich aan het opleidingsplan bepaald door één van de federaties van inrichtende machten of door de inrichtende macht voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap.]2
   Het opleidingsplan kan worden uitgesplitst naar niveau of type opleiding.
   Elk opleidingsplan wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Regering.]1

  
Art. 13. [1 Le pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française, chaque fédération de pouvoirs organisateurs [2 ...]2 déterminent chacun un plan de formation relatif au volet " réseaux " de la formation initiale des directeurs, qui fixe notamment :
   a) les objectifs et le contenu des deux modules visés à l'article 11, § 3, ainsi que les compétences à développer;
   b) un descriptif du dispositif de formation/accompagnement d'intégration au moment de l'insertion professionnelle visé à l'article 11, § 4, des objectifs spécifiques poursuivis, de la méthodologie proposée et des moyens humains mobilisés.
  [2 Les pouvoirs organisateurs non affiliés adhèrent au plan de formation déterminé par l'une des fédérations de pouvoirs organisateurs ou par le pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française.]2
   Le plan de formation peut être décliné par niveau ou par type d'enseignement.
   Chaque plan de formation est soumis à l'approbation du Gouvernement.]1

  
Art. 14. [1 De initiële opleiding van directeur is kosteloos. Tenzij dit noodzakelijk is voor de inhoud, worden de netoverschrijdend opleidingsmodules en de modules van de "net"-opleiding als bedoeld in artikel 11, § 3, georganiseerd buiten de normale lestijden van de werking van de scholen. De personeelsleden die een opleiding krijgen, worden geacht in dienst te zijn.]1
  
Art. 14. [1 La formation initiale de directeur est gratuite. Sauf nécessité liée à leur contenu, les modules de formation " inter-réseaux " et les modules de la formation " réseau " visés à l'article 11, § 3, sont organisés en dehors des périodes normales de fonctionnement des établissements scolaires. Les membres du personnel qui suivent une formation sont considérés comme en activité de service.]1
  
Art. 15. [1 § 1. De opleidingsmodules als bedoeld in artikel 10, §§ 3 en 4, en 11, lid 3, eindigen met een test die tot een slaagattest leidt.
   Alle kandidaten die een opleidingsmodule hebben voltooid, ontvangen een attest van deelname. Alleen kandidaten die een attest overleggen waaruit blijkt dat zij minstens 75% van de duur van de module hebben afgelegd, komen in aanmerking voor het voorleggen van de test die deze bekrachtigt. Voor elke test worden de kandidaten ofwel toegelaten ofwel geweigerd. Er wordt geen rangorde vastgesteld.
   Het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan reikt aan de directeurs die hem een attest vragen voor alle krachtens artikel 10, § 3 en artikel 10, § 4 gevolgde cursussen, lid 2, 1 °, a), en lid 3, a), genoemd attest uit.
   De opleiding / begeleiding bedoeld in artikel 11, § 4, wordt niet met een getuigschrift bekrachtigd maar wordt bekrachtigd met een attest voor het volgen van de cursussen, uitgereikt door het net of de inrichtende macht die ze heeft verstrekt.
   § 2. De slaag- of volgattesten bedoeld in § 1, leden 1 en 4, zijn zes jaar geldig vanaf de dag volgend op de datum van uitreiking van het laatste attest .
   In afwijking van lid 1 wordt de geldigheidsduur van de attesten van een personeelslid geschorst tijdens de perioden waarin hij het ambt van directeur uitoefent.
   Om de geldigheidsduur van hun slaagattesten met zes jaar te verlengen, moeten personeelsleden die houder zijn van de vijf slaagattesten als bedoeld in § 1, eerste lid, de vijf modules van de initiële opleiding van directeurs opnieuw voltooien; zij zijn vrijgesteld van de certificeringstoetsen; hun wordt een certificaat van aanwezigheid afgegeven onder de voorwaarden bedoeld in artikel 15, § lid, tweede lid. Deze attesten [2 , voor zover ze bewijzen dat de personeelsleden wel degelijk ten minste 75% van de opleiding hebben gevolgd,]2 verlengen automatisch de geldigheid van eerder verkregen slaagattesten met nog eens zes jaar. De nieuwe termijn neemt een aanvang de dag na de datum van uitreiking van het laatste attest.
   De Regering kan bepalingen goedkeuren waardoor personeelsleden in het vorige lid de prestaties van hun professionele en persoonlijke ervaring en de opleidingen die zij hebben gevolgd, kunnen valideren, zodat ze vrijgesteld kunnen worden om, opnieuw, het geheel of een deel van de initiële opleiding van directeuren te volgen.
   § 3. Vastbenoemde directeurs die in een andere betrekking van directeur zijn benoemd of aangeworven, worden geacht aan de voorwaarde bedoeld bij de artikelen 36bis, lid 1, 2°, 58, 1° en 81, 1° te voldoen.]1

  
Art. 15. [1 § 1er. Les modules de formation visés aux articles 10, §§ 3 et 4, et 11, § 3, se clôturent par une épreuve sanctionnée par une attestation de réussite.
   Tous les candidats qui ont suivi un module de formation reçoivent une attestation de fréquentation. Seuls les candidats qui fournissent une attestation prouvant qu'ils ont effectivement suivi au moins 75 % de la durée du module sont admis à présenter l'épreuve qui le sanctionne. Pour chaque épreuve, les candidats sont soit admis, soit refusés. Aucun classement n'est établi.
   L'Institut de la Formation en cours de carrière délivre aux directeurs qui la lui demandent une attestation de suivi pour l'ensemble des formations visées à l'article 10, § 3, et à l'article 10, § 4, alinéa 2, 1°, a), et alinéa 3, a).
   La formation/accompagnement visée à l'article 11, § 4, n'est pas certifiée mais est sanctionnée par une attestation de suivi délivrée par le réseau ou le pouvoir organisateur qui l'a assurée.
   § 2. Les attestations de réussite ou de suivi visées au § 1er, alinéas 1er et 4, ont une durée de validité de six ans commençant à courir le lendemain de la date de délivrance de la dernière attestation.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la durée de validité des attestations d'un membre du personnel est suspendue pendant les périodes où il exerce la fonction de directeur.
   Pour prolonger de six ans la durée de validité de leurs attestations de réussite, les membres du personnel titulaires des cinq attestations de réussite visées au § 1er, alinéa 1er, sont tenus de suivre à nouveau les cinq modules de la formation initiale des directeurs; ils sont dispensés des épreuves certificatives; une attestation de fréquentation leur est délivrée aux conditions visées à l'article 15, § 1er, alinéa 2. Ces attestations [2 , pour autant qu'elles prouvent que les membres du personnel ont effectivement suivi au moins 75% de la formation,]2 prolongent d'office pour une nouvelle durée de six ans la validité des attestations de réussite obtenues antérieurement. Le nouveau délai de validité débute le lendemain de la date de délivrance de la dernière attestation.
   Le Gouvernement peut arrêter des dispositions permettant aux membres du personnel visés à l'alinéa précédent de valider les acquis de leur expérience professionnelle et personnelle et les formations qu'ils ont suivies, de sorte qu'ils puissent être dispensés de suivre, à nouveau, tout ou partie de la formation initiale des directeurs.
   § 3. Les directeurs définitifs désignés ou engagés dans un autre emploi de directeur sont réputés répondre à la condition visée aux articles 36bis, alinéa 1er, 2°, 58, 1°, et 81, 1°.]1

  
Afdeling II. - Organisatie van de opleiding van de directeurs en uitreiking van de getuigschriften ter bekrachtiging ervan.
Section II. - De l'organisation et de la certification de la formation des directeurs.
Onderafdeling I. - Algemene bepalingen.
Sous-section Ire. - Dispositions générales.
Art. 16. [1 § 1. [2 Niemand kan zich voor een van de opleidingsmodules inschrijven als hij op de datum van indiening van de opleidingsaanvraag geen houder is:
   1. van het bekwaamheidsbewijs waarvan sprake in artikel 35, § 1, lid 3, 1°, en van een van de bekwaamheidsbewijzen waarvan sprake in 2° van hetzelfde artikel, voor het onderwijs ingericht door de Franse gemeenschap;
   2. van het bekwaamheidsbewijs waarvan sprake in artikel 57, lid 1, 1°, en van een van de bekwaamheidsbewijzen waarvan sprake in 2° van hetzelfde artikel, voor het gesubsidieerd officieel onderwijs;
   3. van het bekwaamheidsbewijs waarvan sprake in artikel 80, § 1, lid, 1° en van een van de bekwaamheidsbewijzen waarvan sprake in 2° van hetzelfde artikel, voor het gesubsidieerd vrij onderwijs.]2

   In afwijking van het eerste lid kan een persoon die door de in artikel 29 bedoelde commissie als kandidaat voor het ambt van directeur is verklaard, zich inschrijven voor een van de opleidingsmodules.
   § 2. De opleidingsoperatoren geven voorrang aan de inschrijving van directeurs die het ambt uitvoeren of die binnen zes maanden het ambt zullen bekleden.]1

  
Art. 16. [1 § 1er. [2 Nul ne peut s'inscrire à l'un des modules de formation si, à la date d'introduction de sa demande de formation, il n'est pas titulaire:
   1° du titre de capacité visé à l'article 35, § 1er, alinéa 3, 1°, et d'un des titres de capacité visés au 2° du même article, pour l'enseignement organisé par la Communauté française;
   2° du titre de capacité visé à l'article 57, alinéa 1er, 1°, et d'un des titres de capacité visés au 2° du même article, pour l'enseignement officiel subventionné;
   3° du titre de capacité visé à l'article 80, § 1er, alinéa, 1°, et d'un des titres de capacité visés au 2° du même article, pour l'enseignement libre subventionné.]2

   Par dérogation à l'alinéa 1er, la personne qui a été déclarée éligible comme candidat à la fonction de directeur par la commission visée à l'article 29 peut s'inscrire à l'un des modules de formation.
   § 2. Les opérateurs de formation accordent une priorité à l'inscription aux directeurs en fonction ou dont l'entrée en fonction se fera dans les six mois.]1

  
Onderafdeling II. [1 - Organisatie en bekrachtiging door een getuigschrift]1
Sous-section II. [1 - De l'organisation et de la certification ]1
Art. 17. [1 § 1. [2 De "netoverschrijdende" opleiding wordt, op basis van het in artikel 12 bedoelde opleidingsplan, georganiseerd en gecertificeerd door het Institut de la formation en cours de carrière.
   Het Institut de la formation en cours de carrière kan de organisatie, de certificering en het verstrekken van bepaalde modules of delen van modules aan de volgende organisaties toevertrouwen:
   1° de Universiteiten;
   2° de Hogescholen;
   3° de Onderwijsinstellingen voor sociale promotie die hoger onderwijs organiseren.]2

   § 2. Een personeelslid van een universitaire instelling, een hogeschool of een onderwijsinstelling voor sociale promotie mag niet deelnemen aan de opleiding binnen de laatstgenoemde, tenzij ervan wordt afgeweken door de Regering op een met redenen omkleed verzoek van de betrokken ambtenaar. Als er binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek niet wordt gereageerd, wordt de afwijking verondersteld te zijn verleend.]1

  
Art. 17. [1 § 1er. [2 La formation " inter-réseaux " est organisée et certifiée, sur la base du plan de formation visé à l'article 12, par l'Institut de la formation en cours de carrière.
   L'Institut de la formation en cours de carrière peut confier l'organisation, la certification et la dispense de certains modules ou parties de module aux organismes suivants:
   1° les Universités;
   2° les Hautes Ecoles;
   3° les Etablissements d'enseignement de promotion sociale organisant de l'enseignement supérieur.]2

   § 2. Un membre du personnel d'une institution universitaire, d'une Haute Ecole ou d'un établissement d'enseignement de promotion sociale ne peut suivre de volet de formation au sein de celle-ci/celui-ci, sauf dérogation accordée par le Gouvernement à la suite d'une demande motivée du membre du personnel concerné. A défaut de réponse dans les trois mois suivant la réception de la demande, la dérogation est présumée accordée.]1

  
Art. 18. [1 § 1. De "net" -opleiding en de tests die de opleidingsmodules bekrachtigen, worden georganiseerd op basis van het opleidingsplan als bedoeld in artikel 13:
   a. door de inrichtende macht van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap voor de leden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap;
   b. door federaties van inrichtende machten [2 ...]2 voor de leden van het personeel van het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
  [2 De inrichtende machten die niet zijn aangesloten bij een federatie van inrichtende machten vertrouwen de organisatie en de certificering van deze opleidingen toe aan de federatie van inrichtende machten of aan de inrichtende macht waarmee zij een overeenkomst hebben gesloten overeenkomstig artikel 9.]2
   Elke federatie van inrichtende machten kan haar bevoegdheid van de organisatie en certificatie van de opleiding bedoeld in deze paragraaf aan één of meer inrichtende machten, met haar verbonden, delegeren. In dit geval neemt de betrokken inrichtende macht de verplichtingen op zich van de federaties van inrichtende machten, zoals beschreven in de volgende artikelen.
   § 2. Voor de organisatie van de "net" -opleiding kan de Regering inzonderheid de volgende opleidingsoperators goedkeuren:
   1. de universiteiten;
   2. de hogescholen;
   3. de pedagogische scholen en hogere instituten;
   4. inrichtingen voor onderwijs voor sociale promotie die hoger onderwijs organiseren;
   5. netopleidingscentra.
   § 3. De Regering bepaalt de voorwaarden waaraan de opleidingsoperatoren, vermeld in § 2, punt 5, ook moeten voldoen om hun bekwaamheid om opleidingen te verstrekken na te gaan. Deze voorwaarden hebben inzonderheid betrekking op de ervaring van de operator, de opleidingen die hij al heeft verstrekt, de professionele en financiële waarborgen die hij biedt.
   § 4. Een personeelslid van een universitaire instelling, een hogeschool of een onderwijsinstelling voor sociale promotie mag niet deelnemen aan de opleiding binnen de laatstgenoemde, tenzij ervan wordt afgeweken door de Regering op een met redenen omkleed verzoek van de betrokken ambtenaar. Als er binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek niet wordt gereageerd, wordt de afwijking verondersteld te zijn verleend.]1

  
Art. 18. [1 § 1er. La formation " réseau " et les épreuves qui sanctionnent les modules de formation sont organisés sur la base du plan de formation visé à l'article 13 :
   a) par le pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française pour les membres du personnel de l'enseignement organisé par la Communauté française;
   b) par les fédérations de pouvoirs organisateurs [2 ...]2 pour les membres du personnel de l'enseignement subventionné par la Communauté française.
  [2 Les pouvoirs organisateurs non affiliés à une fédération de pouvoirs organisateurs confient l'organisation et la certification de ces formations à la fédération de pouvoirs organisateurs ou au pouvoir organisateur avec laquelle/lequel ils ont conclu une convention en vertu de l'article 9.]2
   Chaque fédération de pouvoirs organisateurs peut déléguer sa compétence d'organisation et de certification de la formation visée au présent paragraphe à un ou plusieurs pouvoirs organisateurs affiliés auprès de lui. Dans ce cas, le ou les pouvoirs organisateurs concernés assument les obligations des fédérations de pouvoirs organisateurs, telles que décrites aux articles suivants.
   § 2. Pour l'organisation de la formation " réseau ", le Gouvernement peut agréer notamment les opérateurs de formation suivants :
   1° les Universités;
   2° les Hautes Ecoles;
   3° les Ecoles et Instituts supérieurs pédagogiques;
   4° les Etablissements d'enseignement de promotion sociale organisant de l'enseignement supérieur;
   5° les Centres de formation des réseaux.
   § 3. Le Gouvernement fixe les conditions auxquelles doivent en outre répondre les opérateurs de formation visés au § 2, point 5, afin de vérifier leur capacité à dispenser des formations. Ces conditions auront notamment trait à l'expérience de l'opérateur, aux formations qu'il a déjà dispensées, aux garanties professionnelles et financières qu'il présente.
   § 4. Un membre du personnel d'une institution universitaire, d'une Haute Ecole ou d'un établissement d'enseignement de promotion sociale ne peut suivre de volet de formation au sein de celle-ci/celui-ci, sauf dérogation accordée par le Gouvernement à la suite d'une demande motivée du membre du personnel concerné. A défaut de réponse dans les trois mois suivant la réception de la demande, la dérogation est présumée accordée.]1

  
Art. 19. [1 De certificatieproeven van de opleidingsmodules worden minstens één keer in de twee jaar georganiseerd.
   In afwijking van het vorige lid, de certificeringstests van de opleidingen bedoeld in artikel 10, § 3, en artikel 10, § 4, lid 2, 1 °, a), en lid 3, a), worden minstens een keer per jaar georganiseerd.]1

  
Art. 19. [1 Les épreuves de certification des modules de formation sont organisées au moins une fois tous les deux ans.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, les épreuves de certification des formations visées à l'article 10, § 3, et à l'article 10, § 4, alinéa 2, 1°, a), et alinéa 3, a), sont organisées au moins une fois par an.]1

  
Art. 20. [1 Op het gezamenlijk voorstel van het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan, de inrichtende macht van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap en de federaties van de inrichtende machten, kan de Regering voor de vormingsoperatoren de vorm bepalen van de proeven die voor elke opleidingsmodule moeten worden georganiseerd, evenals de evaluatiecriteria.]1
  
Art. 20. [1 Sur proposition conjointe de l'Institut de la Formation en cours de carrière, du pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française et des fédérations de pouvoirs organisateurs, le Gouvernement peut fixer pour les opérateurs de formation la forme des épreuves à organiser pour chaque module de formation ainsi que les critères d'évaluation.]1
  
Art. 21. [1 § 1. Om rekening te houden met de portfolio van competenties van de kandidaten, kunnen de in artikel 17, § 1, bedoelde certificerende instanties hen vrijstellen van het volgen van een of meer modules van de netoverschrijdend component en de bijhorende tests:
   1. als zij houder zijn van een ander brevet met betrekking tot een selectie- of bevorderingsambt;
   2. als zij het bewijs leveren dat zij een gelijkwaardige opleiding hebben gevolgd en in voorkomend geval met succes hebben voltooid.
   § 2. De opleidingsoperatoren bedoeld in artikel 18, § 1, kunnen, onder de voorwaarden vermeld in § 1, kandidaten vrijstellen van het volgen van een of meer module (s) van het "net" -onderdeel en de tests daarmee verbonden.]1

  
Art. 21. [1 § 1er. Pour tenir compte du portefeuille de compétences des candidats, les organes certificateurs visés à l'article 17, § 1er, peuvent les dispenser du suivi d'un ou de plusieurs module(s) du volet " inter-réseaux " et des épreuves y relatives :
   1° soit s'ils sont titulaires d'un autre brevet relatif à une fonction de sélection ou de promotion;
   2° soit s'ils fournissent la preuve qu'ils ont suivi et, le cas échéant, réussi des formations équivalentes.
   § 2. Les opérateurs de formations visés à l'article 18, § 1er, peuvent, selon les conditions fixées au § 1er, dispenser les candidats du suivi d'un ou plusieurs module(s) du volet " réseau " et des épreuves y relatives.]1

  
Onderafdeling II. - Organisatie en uitreiking van getuigschriften.
Sous-section II. - De l'organisation et de la certification.
Art. 22. [1 De rechtsmiddelen die algemeen van toepassing zijn binnen Universiteiten, hogescholen en onderwijsinrichtingen voor Sociale Promotie zijn van toepassing op de beslissingen die door deze instellingen worden genomen in het kader van de certificering van de cursussen die zij verstrekken krachtens deze onderafdeling. Waar toepasselijk, worden de procedures voor het toepassen van deze rechtsmiddelen door de instellingen aangepast aan de specifieke kenmerken van dit decreet.]1
  
Art. 22. [1 Les voies de recours habituellement applicables au sein des Universités, Hautes Ecoles et Etablissements d'enseignement de promotion sociale sont d'application pour ce qui concerne les décisions prises par ces établissements dans le cadre de la certification des formations qu'ils dispensent en vertu de la présente sous-section. Le cas échéant, les modalités d'application de ces voies de recours sont adaptées par les établissements aux spécificités du présent décret.]1
  
Art. 23. [1 De Regeringsdiensten zijn belast met het toezicht, overeenkomstig de door de Regering vastgestelde procedures, op de uitvoering, in overeenstemming met de bepalingen van dit hoofdstuk, van de opleidingsplannen bedoeld in de artikelen 17 en 18.]1
  
Art. 23. [1 Les Services du Gouvernement sont chargés du contrôle, selon les modalités fixées par le Gouvernement, de la mise en oeuvre, dans le respect des dispositions du présent chapitre, des plans de formations visés aux articles 17 et 18.]1
  
Art. 24. [1 Het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan, de andere certificerende instanties bedoeld in artikel 17, § 1, de inrichtende macht van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, elke federatie van inrichtende machten en elke inrichtende macht die niet bij een van deze federaties is aangesloten, leggen, op initiatief of op verzoek van de Regering, adviezen voor over de toepassing van de bepalingen die de opleidingen organiseren en de proeven die hen overeenkomstig dit hoofdstuk bekrachtigen, elk voor zijn/haar eigen deel.]1
  
Art. 24. [1 L'Institut de la formation en cours de carrière, les autres organes certificateurs visés à l'article 17, § 1er, le pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française, chaque fédération de pouvoirs organisateurs et chaque pouvoir organisateur non affilié à une de ces fédérations remettent, d'initiative ou à la demande du Gouvernement, des avis sur l'application des dispositions organisant les formations et les épreuves qui les sanctionnent conformément au présent chapitre, chacun pour ce qui le concerne.]1
  
Art. 25. [1 Minstens om de drie jaar, verzendt het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan, de Vaste Commissie bedoeld in artikel 22 van het decreet van 4 januari 1999, de inrichtende macht van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, elke federatie van inrichtende machten en elke inrichtende macht die niet aangesloten is bij een van deze instanties, elk voor zijn/haar eigen deel, naar de sturingscommissie die is opgericht bij het decreet van 27 maart 2002 betreffende de sturing van het onderwijssysteem van de Franse Gemeenschap, een evaluatieverslag over de organisatie en certificering van de initiële opleiding van directeuren, overeenkomstig dit hoofdstuk.
   De Regering kan een gemeenschappelijk model van evaluatieverslag opstellen. Ze kan een instantie oprichten om haar dit gemeenschappelijke model voor te stellen en met de in het vorige lid genoemde instanties een globaal verslag voor te bereiden ter attentie van de sturingscommissie.
   De sturingscommissie kan in haar jaarverslag adviezen uitbrengen of voorstellen doen aan de Regering over de coherentie van de organisatie en de certificering van de initiële opleiding van directeurs georganiseerd overeenkomstig dit hoofdstuk.]1

  [2 De inrichtende macht voor het onderwijs, georganiseerd door de Franse Gemeenschap, elke federatie van inrichtende machten die overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 28 maart 2019 betreffende de steun- en begeleidingscellen voor het onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, en betreffende het statuut van de steun- en begeleidingsadviseurs, is in dit geval vrijgesteld van de verplichting om het in het eerste lid bedoelde evaluatieverslag op te stellen en in te dienen.]2
  
Art. 25. [1 Tous les trois ans au moins, l'Institut de la formation en cours de carrière, la Commission permanente visée à l'article 22 du décret du 4 janvier 1999, le pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française, chaque fédération de pouvoirs organisateurs et chaque pouvoir organisateur non affilié à un de ces organes, chacun pour ce qui le concerne, transmet à la Commission de pilotage créée par le décret du 27 mars 2002 relatif au pilotage du système éducatif de la Communauté française, un rapport d'évaluation sur l'organisation et la certification de la formation initiale des directeurs, conformément au présent chapitre.
   Le Gouvernement peut fixer un modèle commun de rapport d'évaluation. Il peut créer un organe chargé de lui proposer ce modèle commun et de préparer, avec les organismes visés à l'alinéa précédent, un rapport global à l'attention de la Commission de pilotage.
   La Commission de pilotage peut, dans son rapport annuel, remettre des avis ou formuler des propositions au Gouvernement au sujet de la cohérence de l'organisation et de la certification de la formation initiale des directeurs organisée conformément au présent chapitre.]1

  [2 Le pouvoir organisateur de l'enseignement organisé par la Communauté française, chaque fédération de pouvoirs organisateurs qui serait tenu d'établir un rapport de suivi en application de de l'article 15 du décret du 28 mars 2019 relatif aux Cellules de soutien et d'accompagnement de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française et au statut des Conseillers au soutien et à l'accompagnement est dispensé, dans ce cas, d'établir et de transmettre le rapport d'évaluation visé à l'alinéa 1er.]2
  
HOOFDSTUK III. - Opdrachtenblad.
CHAPITRE III. - De la lettre de mission.
Art. 26. [1 [2 Oud Artikel 30]2 § 1. Zodra de [3 stagedoend directeur]3 zijn ambt bekleedt, verleent hem de inrichtende macht een opdrachtenblad.
   § 2. Erin specificeert de inrichtende macht de opdrachten van de directeur en de aan hem toegewezen prioriteiten, in functie van de behoeften van de inrichting waar de directeur aangesteld is [3 en in overeenstemming met het ambtsprofiel als bedoeld in artikel 5, § 5]3.
   In het opdrachtenblad worden de aard en omvang van de aan de directeur verleende delegaties gespecificeerd, inzonderheid op de volgende gebieden :
   a) de samenstelling van haar pedagogisch team en inzonderheid de nieuwwerving van haar personeelsleden in overeenstemming met de toepasselijke wettelijke bepalingen;
   b) het beheer van het werkliedenpersoneel;
   c) de uitvoering van kleine werken;
   d) het financieel beheer en de aanwending van de werkingskosten.
   Het specificeert ook de termijn waarnaar wordt verwezen [3 in artikel 6, § 3, lid 3]3.
   § 3. Voorafgaand aan het opstellen van het opdrachtenblad raadpleegt de inrichtende macht de lokale sociale overleginstantie.
   Het opdrachtenblad wordt opgesteld na overleg met de directeur.]1

  
Art. 26. [2 Ancien art. 30)]2 [1 § 1er. Dès l'entrée en fonction du [3 directeur stagiaire]3, le pouvoir organisateur lui confie une lettre de mission.
   § 2. Le pouvoir organisateur y spécifie les missions du directeur et les priorités qui lui sont assignées, en fonction des besoins de l'établissement au sein duquel le directeur est affecté [3 et en cohérence avec le profil de fonction visé à l'article 5, § 5]3.
   La lettre de mission précise la nature et l'étendue des délégations données au directeur, notamment dans les domaines suivants :
   a) la constitution de son équipe pédagogique et en particulier [3 , dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire, ]3 le primo-recrutement des membres de son personnel dans le respect des dispositions statutaires applicables ;
   b) la gestion du personnel ouvrier ;
   c) l'exécution de petits travaux ;
   d) la gestion financière et l'utilisation des frais de fonctionnement.
   Elle précise aussi le délai visé [3 à l'article 6, § 3, alinéa 3]3.
   § 3. Préalablement à la rédaction de la lettre de mission, le pouvoir organisateur consulte l'organe local de concertation sociale.
   La lettre de mission est rédigée après concertation avec le directeur.]1

  
Art. 27. [3 Oud Artikel 31]3 § 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt 6 jaar.
  § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan inzonderheid worden gewijzigd, op grond van de evolutie van de werking of van de behoeften van de inrichting vóór het einde van de geldigheidsduur ervan, ten vroegste na twee jaar, door [2 ...]2 de inrichtende macht, ofwel op eigen initiatief, ofwel op aanvraag van de directeur.
  In afwijking van het eerste lid, kan de inhoud van het opdrachtenblad van de stagedoende directeurs ten vroegste na 6 maanden worden gewijzigd.
  In afwijking van hetzelfde lid, kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van zijn geldigheidsduur worden gewijzigd, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en [2 ...]2 de inrichtende macht.
  § 3. Voor elk nieuw opdrachtenblad of elke wijziging ervan, moet de overlegprocedure bedoeld [4 in artikel 26, § 3]4, worden nageleefd.
  [1 § 4. In afwijking van de paragrafen 1 tot en met 3, wanneer een doelstellingenovereenkomst werd gesloten overeenkomstig artikel 67, paragraaf 6, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, of wanneer deze doelstellingenovereenkomst werd gewijzigd met toepassing van de paragrafen 10, 12 en 15, van hetzelfde artikel, kan de inrichtende macht van de school georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap de inhoud van de opdrachtbrief wijzigen om haar coherentie met deze doelstellingenovereenkomst te waarborgen. ".
   In afwijking van de leden 1 tot en met 3 kan de inrichtende macht van de school die door de Franse Gemeenschap wordt georganiseerd of gesubsidieerd, ook de inhoud van de opdrachtbrief wijzigen, indien een samenwerkingsprotocol werd gesloten overeenkomstig artikel 68, § 7, van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, of, wanneer dit protocol overeenkomstig paragraaf 12, van hetzelfde artikel, werd gewijzigd om haar coherentie te waarborgen met dit samenwerkingsprotocol.]1

  [6 In afwijking van de paragrafen 1 tot 3 is de inrichtende macht van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde hoofdschool van een territoriale pool, wanneer een bijlage bij de doelstellingenovereenkomst is opgesteld, overeenkomstig artikel 6.2.4.-1 van het wetboek van basis- en secundair onderwijs, verplicht de inhoud van het opdrachtenblad aan te passen om ervoor te zorgen dat deze coherent is met de uitvoering van de opdrachten van de territoriale pool en de specifieke doelstelling(en) die in deze bijlage zijn opgenomen.]6
  [5 § 5. in afwijking van de paragrafen 1 en 2, wijzigt de inrichtende macht van de door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde school ambtshalve de inhoud van het opdrachtenblad van de directeur die een gedeeltelijk ontslag om persoonlijke redenen vóór het pensioen of een gedeeltelijke onderbreking van de beroepsloopbaan na de leeftijd van 58 jaar geniet.
   In het gewijzigde opdrachtenblad worden, waar nodig, de aard en de omvang van de aan de directeur verleende delegaties vermeld. Het bepaalt de wijze waarop hij zijn pedagogisch leiderschap uitoefent, de opdrachten die hij niet kan delegeren en de eerder uitgeoefende opdrachten die hij delegeert.
   Het stelt de organisatie van zijn diensten vast, alsmede de wijze waarop hij overleg pleegt met het personeelslid of de personeelsleden dat/die hem bijstaat (bijstaan).]5

  
Art. 27. [3 (Ancien art. 31)]3 § 1er. La lettre de mission a une durée de six ans.
  § 2. Le contenu de la lettre de mission peut être modifié notamment en raison de l'évolution du fonctionnement ou des besoins de l'établissement avant son échéance, au plus tôt après deux ans, par [2 ...]2 le pouvoir organisateur, soit d'initiative, soit à la demande du directeur.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le contenu de la lettre de mission des directeurs stagiaires peut être modifié au plus tôt après six mois.
  Par dérogation au même alinéa, le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, de commun accord entre le directeur et [2 ...]2 le pouvoir organisateur.
  § 3. Pour toute nouvelle lettre de mission ou modification de celle-ci, la procédure de consultation visée [4 à l'article 26, § 3]4, doit être respectée.
  [1 § 4. Par dérogation aux paragraphes 1er à 3, lorsque qu'un contrat d'objectifs a été conclu conformément à l'article 67, § 6, du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre ou lorsque ce contrat d'objectifs a été modifié en application des paragraphes 10, 12 et 15, du même article, le pouvoir organisateur de l'école organisée ou subventionnée par la Communauté française peut modifier le contenu de la lettre de mission afin d'en assurer la cohérence avec ce contrat d'objectifs.
   Par dérogation aux paragraphes 1er à 3, le pouvoir organisateur de l'école organisée ou subventionnée par la Communauté française peut également modifier le contenu de la lettre de mission, lorsqu'un protocole de collaboration a été conclu conformément à l'article 68, § 7, du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre ou lorsque ce protocole été modifié en application du paragraphe 12, du même article afin d'en assurer la cohérence avec ce protocole de collaboration.]1

  [6 Par dérogation aux paragraphes 1er à 3, lorsque qu'une annexe au contrat d'objectifs a été établie au sein de l'école siège d'un pôle territorial, conformément à l'article 6.2.4.-1 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire, le pouvoir organisateur de l'école siège organisée ou subventionnée par la Communauté française est tenu de modifier le contenu de la lettre de mission afin d'en assurer la cohérence avec la mise en oeuvre des missions du pôle territorial et le(s) objectif(s) spécifique(s) repris dans cette annexe]6
  [5 § 5. Par dérogation aux paragraphes 1er et 2, le pouvoir organisateur de l'école organisée ou subventionnée par la Communauté française modifie d'office le contenu de la lettre de mission du directeur qui bénéficie d'une mise en disponibilité partielle pour convenances personnelles précédant la pension de retraite ou d'une interruption partielle de la carrière professionnelle après 58 ans.
   La lettre de mission modifiée reprécise, le cas échéant, la nature et l'étendue des délégations données au directeur. Elle précise la manière dont il exerce son leadership pédagogique, les missions qu'il ne peut déléguer ainsi que les missions exercées antérieurement qu'il délègue.
   Elle définit l'organisation de ses prestations et les modalités de concertation avec le ou les membres du personnel appelés à le seconder.]5

  
Art. 28. [3 Oud Artikel 32]3 § 1. [4 ...]4, kan de [2 ...]2 inrichtende macht, als dit nodig is, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat in het ambt van directeur tijdelijk wordt aangesteld.
  De [2 ...]2 inrichtende macht wijst van ambtswege een opdrachtenblad toe aan het personeelslid dat tijdelijk in het ambt van directeur wordt aangesteld voor een duur die gelijk is aan of hoger is dan één jaar, of waanneer de duur van de aanstelling ten minste één jaar bedraagt.
  § 2. Het in dit artikel bedoelde opdrachtenblad kan tot doel hebben het opdrachtenblad van de directeur die wordt vervangen te bevestigen of een nieuw document op te stellen.
  Als de [2 ...]2 inrichtende macht meent dat het niet noodzakelijk is een nieuw opdrachtenblad toe te wijzen aan het personeelslid dat tijdelijk in het ambt van directeur wordt aangesteld voor een duur die korter is dan één jaar, wordt het aan de directeur toegewezen opdrachtenblad als bevestigd geacht.
  § 3. De [4 in artikel 26, § 3]4 bedoelde procedure moet worden nageleefd als er een nieuw opdrachtenblad wordt opgesteld overeenkomstig dit artikel. [5 Artikel 27]5 is van overeenkomstig toepassing op dit laatste.
  
Art. 28. [3 (ancien art. 32)]3 § 1er. [4 ...]4 le [2 ...]2 pouvoir organisateur, si besoin en est, peut confier une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans la fonction de directeur.
  Le [2 ...]2 pouvoir organisateur confie d'office une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans la fonction de directeur pour une durée égale ou supérieure à un an, ou lorsque la durée de la désignation atteint au moins un an.
  § 2. La lettre de mission visée au présent article peut consister dans la confirmation de la lettre de mission du directeur faisant l'objet d'un remplacement ou dans un nouveau document.
  Dans l'hypothèse où le [2 ...]2 pouvoir organisateur n'estime pas nécessaire de confier une nouvelle lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans la fonction de directeur pour une durée inférieure à un an, la lettre de mission confiée au directeur remplacé est alors présumée confirmée.
  § 3. La procédure visée [4 à l'article 26, § 3]4 doit être respectée en cas de rédaction d'une nouvelle lettre de mission conformément au présent article. [5 L'article 27]5 s'applique mutatis mutandis à cette dernière.
  
HOOFDSTUK IV. [1 - De commissie voor het valoriseren van de onderwijservaring]1
CHAPITRE IV. [1 - De la commission de valorisation de l'expérience dans l'enseignement]1
Art. 29. [1 § 1. De Regering richt een commissie voor de valorisatie van onderwijservaring op, hierna "de Commissie".
   De opdracht van de Commissie is om, op basis van een dossier, de onderwijservaring te erkennen van kandidaten die niet voldoen aan alle voorwaarden voor de toegang tot dit ambt, zoals bepaald in artikel 35, lid 1 3, 1 °, 2 ° en 3 °, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in artikel 57, lid 1, 1 °, 2 ° en 3 °, voor het officieel gesubsidieerd onderwijs en artikel 80, lid 1, 1 °, 2 ° en 3 °, voor het gesubsidieerd vrij onderwijs, zodat zij kandidaat kunnen zijn voor het ambt van directeur.
   § 2. De Commissie telt 16 stemgerechtigde leden en is als volgt samengesteld:
   1. de directeur-generaal die belast is met het beheer van de leden van het onderwijzend personeel of zijn afgevaardigde, van minstens rang 10;
   2. een andere afgevaardigde, van minstens rang 10, van de in 1 ° bedoelde directeur-generaal;
   3. de directeur-generaal van het leerplichtonderwijs, of zijn afgevaardigde, van minstens rang 10;
   4. de directeur-generaal van het niet-verplicht onderwijs of zijn afgevaardigde, van minstens rang 10;
   5. twee afgevaardigden van de algemene inspectiedienst;
   6. twee vertegenwoordigers van de Algemene Raad voor Basisonderwijs;
   7. twee vertegenwoordigers van de Algemene Raad voor het secundair onderwijs;
   8. twee vertegenwoordigers van de Algemene Raad voor Onderwijs voor Sociale Promotie;
   9. een vertegenwoordiger van de Algemene Raad voor Secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan;
   10. drie vertegenwoordigers van de representatieve vakbondsorganisaties in de zin van artikel 7 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel.
   Twee Regeringsafgevaardigden nemen deel aan de werkzaamheden van de Commissie; ze zijn niet stemgerechtigd.
   De Commissie kan het advies inwinnen van deskundigen en hen occasioneel betrekken bij haar werkzaamheden.
   § 3. Het voorzitterschap van de Commissie wordt waargenomen door het lid bedoeld in § 2, 1 °.
   Het secretariaat van de Commissie wordt binnen de Algemene Administratie Onderwijs waargenomen door de diensten van de Regering.
   De secretaris van de Commissie houdt de lijst met leden up-to-date. De organisaties die in de Commissie zijn vertegenwoordigd moeten hem de wijzigingen in hun delegatie binnen de Commissie meedelen.
   § 4. Personen die wensen dat hun onderwijservaring, buiten het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, op zodanige wijze wordt gewaardeerd dat hun aanvraag voor een betrekking van directeur / directeur als toelaatbaar wordt erkend, zelfs als ze niet aan alle toegangsvoorwaarden voldoen bedoeld in artikel 30, dienen een dossier in dat getuigt van hun ervaring inzake onderwijs.
   Het dossier bevat:
   1. een brief met een valorisatie-aanvraag;
   2. een nauwkeurig curriculum vitae;
   3. een voor eensluidend verklaard afschrift van de verkregen bekwaamheidsbewijzen;
   4. originele attesten van diensten verleend in het onderwijs in België of in het buitenland, in openbare instellingen of in privé-instellingen;
   5. elk document dat nuttig wordt geacht ter staving van de aanvraag.
   § 5. Het in de vorige paragraaf bedoelde dossier wordt per post en elektronisch gekopieerd naar de Algemene Onderwijsadministratie verzonden.
   Het secretariaat van de Commissie bericht ontvangst ervan aan de aanvrager binnen tien dagen na ontvangst. In dat geval nodigt het de aanvrager uit om het dossier in te vullen. Het informeert de Voorzitter onmiddellijk over de kandidaturen die zijn ingediend.
   § 6. De aanvraagdossiers van valorisatie worden binnen een periode van vier maanden verwerkt. Te dien einde roept de voorzitter de Commissie bijeen wanneer nodig. Bij de agenda is een elektronisch afschrift van het dossier gevoegd.
   Bij wijze van uitzondering kan de voorzitter de leden voorstellen om een elektronische vergadering te houden. De uitvoeringsregels voor het houden van elektronische vergaderingen zijn als volgt:
   1. met het dossier wordt een voorstel voor een besluit per e-mail aan alle leden verzonden; deze worden door genoemde post uitgenodigd om hun opmerkingen binnen de gestelde termijn kenbaar te maken; deze periode kan niet korter zijn dan drie werkdagen;
   2. als er binnen de bepaalde tijdslimiet geen reactie is, wordt het voorstel als geaccepteerd beschouwd;
   3. in geval van goedkeuring volgens voornoemde nadere regels, wordt dit in de notulen opgenomen; dit verslag wordt onverwijld aan de leden meegedeeld;
   4. Bij ontstentenis van een dergelijke goedkeuring of op verzoek van een van de samenstellende organisaties, wordt een "fysieke" vergadering gehouden.
   § 7. De Commissie controleert de ontvankelijkheid van het dossier: alleen de dossiers van houders van een masterdiploma of gelijkwaardig zijn ontvankelijk.
   Ze analyseert de diensten die door de aanvrager in het onderwijs worden aangeboden en bepaalt welke diensten kunnen worden gewaardeerd.
   De Commissie kan besluiten de aanvrager te horen.
   § 8. De Commissie beraadslaagt geldig als minstens de helft van de leden aanwezig is. Beslissingen worden genomen op basis van een consensus of, bij gebrek daaraan, door een tweederde meerderheid van de aanwezige leden, waarbij de onthoudingen niet in aanmerking worden genomen. Bij staking van stemmen is deze van de voorzitter beslissend.
   § 9. De notulen van de vergaderingen vatten de tijdens de vergadering uitgebrachte adviezen samen, de genomen beslissingen en hun motivering.
   Ze worden elektronisch naar de leden gestuurd ter goedkeuring.
   Indien na een periode van vijf werkdagen na verzending geen opmerking is gemaakt aan het secretariaat van de Commissie, worden de notulen als goedgekeurd beschouwd.
   § 10. Indien de gewaardeerde diensten een duur van minstens drie jaar hebben, reikt de Commissie de aanvrager een attest uit waarin de duur van de gevaloriseerde diensten wordt vermeld en waarin wordt verklaard dat hij in aanmerking komt voor een directeursambt.
   Als de Commissie constateert dat de aanvraag niet-ontvankelijk is of als zij de prestaties die gedurende drie jaar in het onderwijs werden verstrekt, niet kan waarderen, informeert zij de aanvrager bij aangetekende brief. Deze laatste heeft dan 15 werkdagen om de Commissie aanvullende informatie te verlenen. Na onderzoek van deze elementen neemt de Commissie een definitief besluit.
   De in de voorgaande leden bedoelde beslissingen worden binnen maximum vier maanden na ontvangst van het aanvraagdossier aan de aanvrager meegedeeld.
   § 11. De Commissie kan de Regering ter goedkeuring een huishoudelijk reglement voorstellen waarin de nadere regels van werking worden gespecificeerd die complementair zijn aan de huidige bepalingen, een modelaanvraagformulier voor de waardering van onderwijservaring alsook een model van het attest bedoeld in paragraaf 10, lid 1.
   Na het advies van de Commissie te hebben genomen, kan de Regering criteria vaststellen voor de erkenning van ervaring in het onderwijs.
   § 12. De in de voorgaande artikelen gestelde termijnen worden opgeschort [2 tussen de dag na de laatste dag van het schooljaar en de dag voor de eerste dag van het volgende schooljaar inbegrepen]2.
   § 13. De werkingskosten van de Commissie komen ten laste van de begroting van de Algemene Onderwijsadministratie.
   § 14. De leden van de Commissie, alsmede de deskundigen die hebben gezeten wier administratieve standplaats niet in Brussel is gevestigd, hebben recht op de wettelijke reiskostenvergoedingen.]1

  
Art. 29. [1 § 1er. Le Gouvernement institue une commission de valorisation de l'expérience dans l'enseignement, ci-après dénommée la Commission.
   La Commission a pour mission de reconnaître, sur base d'un dossier, l'expérience dans l'enseignement des demandeurs qui ne répondent pas à toutes les conditions d'accès à cette fonction, fixées à l'article 35, § 1er, alinéa 3, 1°, 2° et 3°, pour l'enseignement organisé par la Communauté française, à l'article 57, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, pour l'enseignement officiel subventionné et à l'article 80, alinéa 1er, 1°, 2° et 3°, pour l'enseignement libre subventionné, pour qu'ils puissent être candidats à la fonction de directeur.
   § 2. La Commission compte 16 membres ayant voix délibérative et est composée comme suit :
   1° le directeur général ayant la gestion des membres des personnels de l'enseignement dans ses attributions ou son délégué, de rang 10 au moins;
   2° un autre délégué, de rang 10 au moins, du directeur général visé au 1° ;
   3° le directeur général de l'enseignement obligatoire, ou son délégué, de rang 10 au moins;
   4° le directeur général de l'enseignement non obligatoire ou son délégué, de rang 10 au moins;
   5° deux délégués du Service général de l'Inspection;
   6° deux représentants du Conseil général de l'enseignement fondamental;
   7° deux représentants du Conseil général de l'enseignement secondaire;
   8° deux représentants du Conseil général de l'enseignement de promotion sociale;
   9° un représentant du Conseil général de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit;
   10° trois représentants des organisations syndicales représentatives au sens de l'article 7 de la loi du 19 décembre 1974 organisant les relations entre les autorités publiques et les syndicats des agents relevant de ces autorités.
   Deux délégués du Gouvernement participent aux travaux de la Commission; ils n'ont pas voix délibérative.
   La Commission peut solliciter l'avis d'experts et, occasionnellement, associer ceux-ci à ses travaux.
   § 3. La présidence de la Commission est assurée par le membre visé au paragraphe 2, 1°.
   Le secrétariat de la Commission est assuré au sein de l'Administration générale de l'Enseignement par les services du Gouvernement.
   Le secrétaire de la Commission tient à jour la liste des membres. Il appartient aux organismes représentés au sein de la Commission de lui communiquer les modifications de leur délégation au sein de celle-ci.
   § 4. Les personnes qui souhaitent que leur expérience dans l'enseignement, en dehors de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française, soit valorisée de telle sorte que leur candidature à un poste de directeur/directrice soient reconnue éligible, même s'ils ne répondent pas à toutes les conditions d'accès rappelées à l'article 30, introduisent, un dossier attestant de leur expérience dans l'enseignement.
   Le dossier comprend :
   1° une lettre de demande de valorisation;
   2° un curriculum vitae précis;
   3° une copie certifiée conforme des titres de capacités obtenus;
   4° des attestations originales des services rendus dans l'enseignement en Belgique ou à l'étranger, dans des institutions publiques ou dans des institutions privées;
   5° tout document jugé utile à l'appui de la demande.
   § 5. Le dossier visé au paragraphe précédent est envoyé par voie postale avec copie par voie électronique à l'Administration générale de l'Enseignement.
   Le secrétariat de la Commission en accuse réception au demandeur dans les dix jours de sa réception. Le cas échéant, il invite le demandeur à compléter le dossier. Il informe immédiatement le président des demandes qui ont été introduites.
   § 6. Les dossiers de demande de valorisation sont traités dans un délai d'ordre de quatre mois. A cet effet, le président convoque la Commission chaque fois que nécessaire. A l'ordre du jour est jointe une copie électronique du dossier.
   A titre exceptionnel, le président peut proposer aux membres de tenir une réunion électronique. Les modalités d'application relatives à la tenue des réunions électroniques sont les suivantes :
   1° avec le dossier, une proposition de décision est envoyée par courrier électronique à tous les membres; ceux-ci sont invités par ledit courrier à faire connaître leurs remarques dans le délai déterminé; ce délai ne peut pas être inférieur à trois jours ouvrables;
   2° à défaut de réaction dans le délai fixé, la proposition est considérée comme acceptée;
   3° en cas d'approbation selon les modalités précitées, celle-ci est actée au procès-verbal; ce procès-verbal est communiqué aux membres sans délai;
   4° à défaut d'une telle approbation ou à la demande d'une des organisations constituantes, une réunion " physique " doit être tenue.
   § 7. La Commission vérifie la recevabilité du dossier : seuls sont recevables les dossiers des titulaires d'un diplôme de master ou assimilé.
   Elle analyse les services rendus par le demandeur dans l'enseignement et décide quels services peuvent être valorisés.
   La Commission peut décider d'entendre le demandeur.
   § 8. La Commission délibère valablement si la moitié au moins des membres sont présents. Les décisions sont prises sur base d'un consensus ou, à défaut, à la majorité des deux-tiers des voix des membres présents, les abstentions n'étant pas prises en compte. En cas de parité, la voix du président est prépondérante.
   § 9. Les procès-verbaux des réunions reprennent synthétiquement les avis émis en réunion, les décisions prises et leur motivation.
   Ils sont transmis aux membres par voie électronique pour approbation.
   Si après un délai de cinq jours ouvrables après l'envoi, aucune remarque n'a été formulée au secrétariat de la Commission, le procès-verbal est considéré comme approuvé.
   § 10. Si les services valorisés ont une durée d'au moins trois années, la Commission délivre au demandeur une attestation précisant la durée des services valorisés et déclarant qu'il est éligible à une fonction de directeur.
   Si la Commission constate que la demande n'est pas recevable ou si elle ne peut valoriser les services rendus dans l'enseignement à hauteur de trois années, elle en informe le demandeur par voie recommandée. Celui-ci dispose alors d'un délai de quinze jours ouvrables pour donner à la Commission des compléments d'information. Après examen de ces éléments, la Commission prend une décision définitive.
   Les décisions visées aux alinéas précédents sont communiquées au demandeur dans un délai maximal de quatre mois après la réception du dossier de demande.
   § 11. La Commission peut proposer à l'approbation du Gouvernement un règlement d'ordre intérieur précisant des modalités de fonctionnement complémentaires aux présentes dispositions, un modèle de formulaire de demande de valorisation de l'expérience dans l'enseignement ainsi qu'un modèle de l'attestation visée au paragraphe 10, alinéa 1er.
   Après avoir pris l'avis de la Commission, le Gouvernement peut fixer des critères de reconnaissance de l'expérience dans l'enseignement.
   § 12. Les délais prévus aux articles précédents sont suspendus [2 ]2.
   § 13. Les frais de fonctionnement de la Commission sont à charge du budget de l'Administration générale de l'Enseignement.
   § 14. Les membres de la Commission, de même que les experts ayant siégé dont la résidence administrative n'est pas située à Bruxelles, ont droit aux indemnités réglementaires pour les frais de parcours.]1

  
Art. 30. [1 In afwijking van de voorwaarden bepaald in artikel 35, § 1, derde lid, 1 ° tot 3 °, voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in artikel 57, § 1, 1 ° tot 3 °, voor het gesubsidieerd officieel onderwijs en in artikel 80, § 1, 1 ° tot 3 °, voor gesubsidieerd vrij onderwijs, kan iedereen die ervaring heeft inzake onderwijs, in België of in het buitenland, een dossier indienen bij de commissie bedoeld in artikel 29 om te worden erkend als in aanmerking komend voor een ambt van directeur in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.]1
  
Art. 30. [1 Par dérogation aux conditions définies à l'article 35, § 1er, alinéa 3, 1° à 3°, pour l'enseignement organisé par la Communauté française, à l'article 57, § 1er, 1° à 3°, pour l'enseignement officiel subventionné et à l'article 80, § 1er, 1° à 3°, pour l'enseignement libre subventionné, toute personne qui justifie d'une expérience dans l'enseignement, en Belgique ou à l'étranger, peut introduire un dossier auprès de la commission visée à l'article 29 en vue d'être reconnu éligible comme candidat à une fonction de directeur dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française.]1
  
HOOFDSTUK V. [1 - De oproep tot kandidaturen]1
CHAPITRE V. [1 - De l'appel à candidatures]1
Art. 31. [1 Het model van de in de artikelen 35, 56 en 79 bedoelde oproepen tot indienen van kandidaturen wordt door de Regering vastgesteld op basis van het gezamenlijk voorstel van de Vaste Commissie voor de promotie en de selectie van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, van de Centrale paritaire commissie voor het gesubsidieerd officieel onderwijs, de Centrale Paritaire Commissie voor het niet-confessioneel vrij onderwijs en de Centrale Paritaire Commissie voor vrij confessioneel onderwijs
   De Regering kan het initiatief nemen het model vast te stellen in het geval dat de in het vorige lid genoemde Commissies haar geen gezamenlijk voorstel hebben gestuurd binnen de 30 dagen na de goedkeuring van dit decreet.]1

  
Art. 31. [1 Le modèle des appels à candidatures visés aux articles 35, 56 et 79 est fixé par le Gouvernement, sur proposition conjointe de la Commission permanente de la promotion et de la sélection de l'enseignement organisé par la Communauté française, de la Commission paritaire centrale de l'enseignement officiel subventionné, de la Commission paritaire centrale de l'enseignement libre non confessionnel et de la Commission Paritaire Centrale de l'enseignement libre confessionnel.
   Le Gouvernement peut fixer le modèle d'initiative au cas où les Commissions visées à l'alinéa précédent ne lui ont pas adressé de proposition conjointe dans un délai de 30 jours après l'adoption du présent décret.]1

  
Art. 32. [1 De inrichtende macht die een oproep doet tot het indienen van kandidaturen, specificeert de uitbreiding van de geadresseerden aan wie de oproep gericht is, hetzij tot de personeelsleden die hun ambten uitoefenen binnen de inrichtende machten, hetzij tot een persoon die voldoet aan de voorwaarden van toegang tot het ambt.]1
  
Art. 32. [1 Le pouvoir organisateur qui lance un appel à candidatures précise l'extension des destinataires auxquels l'appel s'adresse soit aux seuls membres du personnel exerçant leurs fonctions au sein du pouvoir organisateur, soit à toute personne remplissant les conditions d'accès à la fonction.]1
  
HOOFDSTUK VI. [1 Oud Hoofdstuk IV]1 - Verloop van de stage van de directeurs.
CHAPITRE VI. [1 Ancien Chapitre IV]1 - Du déroulement du stage des directeurs.
Art. 33. § 1. [1 Onverminderd § 2, achtste lid, § 3, vierde lid, en § 4, vijfde lid, duurt de stage van een directeur drie jaar.
   Voor de berekening van de duur van de gedane stage worden enkel in aanmerking genomen de werkelijke diensten verleend gedurende de stage, met inbegrip van het jaarlijks verlof, de verloven bepaald bij de artikelen 5, 5bis [4 , 6,]4 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 tot uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, alsook de verloven met als doel de adoptie en de officieuze voogdij en de moederschapsverloven respectief bedoeld bij hoofdstuk IIbis en bij hoofdstuk XIII van hetzelfde koninklijk besluit.
   De duur van de stage wordt verminderd ten belope van de reeds zonder onderbreking verstrekte tijd, as tijdelijke, door de directeur die dat ambt bezet, ten gevolge van een oproepprocedure. De directeur die aan het eind van zijn stage echter geen anciënniteit van 6 jaar heeft, ziet de stage verlengd totdat hij deze anciënniteit bereikt. [3 Dit lid is niet van toepassing in de toestand bedoeld in de artikelen 56, § 3, B, en 79, § 3, B".]3
   De toelating tot de stage voor het ambt van directeur kan enkel plaatsvinden als de betrekking van het toe te kennen ambt vacant is.
   Gedurende de periode van de stage, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd of aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht. Tenzij anders is bepaald, wordt het tot de stage toegelaten personeelslid gelijkgesteld met een personeelslid dat in vast verband in het ambt van directeur benoemd of aangeworven is.
   Gedurende de periode van zijn stage is de opleidingsverplichting die aan het personeelslid opgelegd wordt krachtens ofwel het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan voor het personeel van de inrichtingen voor gewoon basisonderwijs, ofwel het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan in het gespecialiseerd onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en tot oprichting van een instituut voor opleidingen tijdens de loopbaan, ofwel het decreet van 30 juni 1998 met betrekking tot de bijscholing van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en het opvoedend hulppersoneel in het onderwijs voor sociale promotie, ofwel het decreet van 15 maart 1999 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel en van het onderwijzend hulppersoneel van het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, specifiek gericht op zijn hoedanigheid van stagedoend directeur.
   § 2. Tussen de negende werkelijke maand en het einde van de twaalfde werkelijke maand van het eerste jaar van de stage gaat de inrichtende macht over tot de evaluatie van de stagedoend directeur.
   Nochtans, kan de evaluatie ingericht worden als de stagedoend directeur terugkomt als deze met verlof was met als doel de adoptie en de officieuze voogdij of een moederschapsverlof.
   Bij gebrek aan een evaluatie binnen deze termijn, wordt deze gunstig geacht.
   Voor de toepassing van het eerste lid, kan de inrichtende macht zich door deskundigen laten begeleiden.
   De evaluatie steunt op de uitvoering van het in hoofdstuk III van TITEL II bedoelde opdrachtenblad.
   Voor de evaluatie wordt rekening gehouden met de globale context waarin de stagedoend directeur moet werken en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
   De Regering bepaalt de nadere regels volgens welke de evaluatie verloopt en stelt het model van het evaluatieverslag vast. De evaluatie leidt tot de toekenning van één van de volgende vermeldingen:
   1° " gunstig ";
   2° " met voorbehoud ";
   3° " ongunstig ".
   Wanneer de evaluatie tot de toekenning van de vermelding " met voorbehoud" leidt, is de vermelding die naar aanleiding van de volgende evaluatie wordt toegekend, ofwel " gunstig " ofwel " ongunstig ".
   De stage van de stagedoend directeur wordt van ambtswege beëindigd die de "ongunstige" vermelding kreeg aan het einde van het eerste jaar van de stage of die de in artikel 10, § 3, en in artikel 10, § 4, lid 2, 1 °, a), en lid 3, a), bedoelde opleidingen niet heeft gevolgd, tenzij het Instituut voor de opleiding tijdens de loopbaan certificeert dat de directeur niet voor deze opleidingen kon worden ingeschreven tijdens zijn eerste jaar stage. In dat geval wordt de opleidingsverplichting uitgesteld tot het tweede jaar van de stage.
   § 3. De stagedoend directeur die de vermelding "gunstig" of "met voorbehoud" aan het einde van het eerste jaar van de stage kreeg, wordt opnieuw onderzocht tussen de 9de effectieve maand en het einde van de 12de effectieve maand van het tweede jaar van de stage volgens dezelfde nadere regels als in § 2, paragrafen 4 tot 7.
   De evaluatie kan echter worden georganiseerd na terugkeer van de stagedoend directeur wanneer hij met verlof voor adoptie en niet-officiële voogdij of zwangerschapsverlof is.
   Bij gebrek aan een evaluatie die binnen deze periode wordt uitgevoerd, wordt de evaluatie verondersteld gunstig te zijn.
   De stage van de stagedoend directeur wordt van ambtswege beëindigd op het einde van deze tweede evaluatie die de "ongunstige" vermelding krijgt die de in artikel 10, § 3, en in artikel 10, § 4, lid 2, 1 °, a), en lid 3, a), bedoelde opleidingen niet heeft gevolgd, nadat de verplichting van deze directeur tot opleiding uitgesteld werd overeenkomstig paragraaf 2.
   § 4. De stagedoend directeur die de vermelding "gunstig" of "met voorbehoud" aan het einde van het tweede jaar van de stage kreeg, wordt opnieuw onderzocht tussen de 9de effectieve maand en het einde van de 12e effectieve maand van het derde jaar van de stage volgens dezelfde nadere regels als in § 2, paragrafen 4 tot 6.
   De evaluatie kan echter worden georganiseerd na terugkeer van de stagedoend directeur wanneer hij met verlof voor adoptie en niet-officiële voogdij of zwangerschapsverlof is.
   In afwijking van het eerste lid, kan deze derde evaluatie echter niet tot de "met voorbehoud" vermelding leiden. Bij gebrek aan een evaluatie die binnen deze periode wordt uitgevoerd, wordt de evaluatie verondersteld gunstig te zijn.
   De directeur wordt in vast verband benoemd of aangeworven als hij de vermelding " gunstig " krijgt op het einde van die derde evaluatie.
   Er wordt van ambtswege een einde gesteld aan de stage indien de directeur de vermelding " ongunstig " krijgt op het einde van die derde evaluatie.
   § 5. De vermelding die de stagedoend directeur aan het einde van elke evaluatie ontvangt, wordt ter kennis van de directeur gebracht door middel van een aangetekende brief of door afgifte van hand tot hand van een persoonlijke brief met ontvangstbevestiging.
   § 6. De toekenning van de vermelding " met voorbehoud " gedurende de stage kan de Regering of de inrichtende macht ertoe leiden het opdrachtenblad aan te passen en de directeur opnieuw te wijzen op haar verwachtingen.
   § 7. De stagedoende directeur die een vermelding " ongunstig " toegekend krijgt, kan bij een aangetekend schrijven een bezwaarschrift indienen tegen die vermelding binnen de tien dagen na de kennisgeving ervan, naargelang het geval bij de raad van beroep die respectief werd opgericht door :
   a) hoofdstuk IX, afdeling 2, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen; naar gelang van het geval wordt de stagedoende directeur gehoord door het 5de, 7de, 9de of 14de comité bedoeld in artikel 136 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969;
   b) hoofdstuk X van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs;
   c) hoofdstuk IX, afdeling 3 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs.
   Het personeelslid zendt de inrichtende macht onmiddellijk een kopie van het beroep toe.
   De procedure- en werkingsregels waarin deze bepalingen voorzien, zijn van toepassing op een rechtsmiddel dat krachtens deze paragraaf wordt georganiseerd. Een lid van de raad van beroep mag niet deelnemen aan de werkzaamheden van de raad van beroep voor het onderzoek van een beroep dat is ingesteld door de stagedoend directeur die belast is met het bestuur van de inrichting waar hij is aangesteld. In dit geval wordt hij voor de behandeling van dit beroep vervangen door zijn plaatsvervanger.
   De in lid 1, onder a), b) of c), bedoelde raad van beroep brengt zijn advies uit aan de inrichtende macht binnen maximaal een maand na de datum van ontvangst van het beroep. De inrichtende macht neemt een beslissing en kent de evaluatievermelding toe aan de stagedoend directeur binnen maximaal een maand na de datum van ontvangst van het advies.
   § 8. In het gesubsidieerd vrij onderwijs, geeft de inrichtende macht een "ongunstige" vermelding aan de stagedoend directeur in de zin van artikel 3, § 11, van het voornoemde decreet van 1 februari 1993.
   § 9. Het personeelslid wordt niet vast benoemd of aangeworven als directeur indien hij, uiterlijk aan het einde van zijn stageperiode, de in artikel 15, lid 1, bedoelde slaagattesten en het volgattest bedoeld in artikel 15, § 1, vierde lid niet heeft behaald. In dat geval, indien nodig, herneemt het personeelslid definitief zijn ambt en zijn oorspronkelijke toewijzing.
   Het personeelslid dat aan het einde van zijn stage echter niet over de slaagattesten beschikt bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid, en het volgattest bedoeld in artikel 15, § 1, lid 4, omdat hij de verschillende modules van de opleiding bedoeld in artikel 10, §§ 3 en 4, en 11, § 3 niet kon volgen vanwege een gebrek aan beschikbare plaatsen bevestigd [2 door het "Institut de la Formation en cours de carrière" of door de opleidingsinstelling die belast is met de opleiding "netwerktraining"]2, kan twee verlengingen van zes maanden van zijn stage krijgen. In dat geval wordt de evaluatie tot het einde van het derde jaar van de stage uitgesteld in verhouding daarvan.]1

  [3 Een stagedoend directeur die een of meer modules van de "netoverschrijdende" opleiding niet heeft kunnen volgen omdat zijn inrichtende macht niet is aangesloten bij een federatie van inrichtende machten, kan een verlenging van zijn stage met één jaar krijgen om de hem ontbrekende netmodule(s) te kunnen volgen en te slagen.]3
  
Art. 33. [1 § 1er. Sans préjudice des § 2, alinéa 8, § 3, alinéa 4, et § 4, alinéa 5, le stage de directeur a une durée de trois ans.
   Pour le calcul de la durée du stage accompli, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant la durée du stage, en ce compris les vacances annuelles, les congés prévus aux articles 5, 5bis [4 , 6,]4 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, ainsi que les congés en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse et les congés de maternité prévus respectivement, au chapitre IIbis et au chapitre XIII du même arrêté royal.
   La durée du stage est réduite à concurrence du temps déjà presté sans interruption, à titre temporaire, par le directeur occupant cet emploi, à la suite d'une procédure d'appel. Toutefois, le directeur qui ne compte pas une ancienneté de 6 ans au terme de son stage voit celui-ci prolongé jusqu'à ce qu'il atteigne cette ancienneté. [3 Le présent alinéa ne s'applique pas dans la situation visée aux articles 56 § 3. B) et 79 § 3. B).]3
   L'admission au stage à la fonction de directeur ne peut avoir lieu qu'en cas de vacance d'emploi de la fonction à conférer.
   Pendant la durée du stage, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé ou engagé à titre définitif, le cas échéant auprès de son pouvoir organisateur d'origine. Sauf disposition contraire, le membre du personnel admis au stage est assimilé à un membre du personnel nommé ou engagé à titre définitif dans la fonction de directeur.
   Pendant la durée de son stage, l'obligation de formation qui s'impose au membre du personnel en vertu soit du décret du 11 juillet 2002 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel des établissements d'enseignement fondamental ordinaire soit du décret du 11 juillet 2002 relatif à la formation en cours de carrière dans l'enseignement spécialisé, l'enseignement secondaire ordinaire et les Centres psycho-médico-sociaux et à la création d'un Institut de la formation en cours de carrière soit du décret du 30 juin 1998 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement de promotion sociale, soit du décret du 15 mars 1999 relatif à la formation en cours de carrière des membres du personnel directeur et enseignant et du personnel auxiliaire d'éducation de l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française est centrée spécifiquement sur sa qualité de directeur stagiaire.
   § 2. Entre le 9e mois effectif et la fin du 12e mois effectif de la première année du stage, le pouvoir organisateur procède à l'évaluation du directeur stagiaire.
   Toutefois, l'évaluation peut être organisée au retour du directeur stagiaire lorsque celui-ci est en congé en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse ou en congé de maternité.
   A défaut d'évaluation réalisée dans ce délai, celle-ci est présumée favorable.
   Pour l'application de l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur peut s'entourer d'experts.
   L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée au chapitre III du Titre II.
   Elle tient compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le directeur stagiaire et des moyens qui sont mis à sa disposition.
   Le Gouvernement détermine les modalités selon lesquelles l'évaluation se déroule et fixe le modèle du rapport d'évaluation. L'évaluation aboutit à l'attribution d'une des mentions suivantes :
   1° " favorable ";
   2° " réservée ";
   3° " défavorable ".
   Lorsque l'évaluation aboutit à l'attribution de la mention " réservée ", la mention attribuée lors de l'évaluation suivante, est soit " favorable " soit " défavorable ".
   Il est mis fin d'office au stage du directeur stagiaire qui a obtenu la mention " défavorable " en fin de première année de stage ou qui n'a pas suivi les formations visées à l'article 10, § 3, et à l'article 10, § 4, alinéa 2, 1°, a), et alinéa 3, a), sauf si l'Institut de la Formation en cours de carrière atteste que le directeur n'a pu être inscrit dans ces formations au cours de sa première année de stage. Dans ce cas l'obligation de formation est reportée à la deuxième année de stage.
   § 3. Le directeur stagiaire qui a obtenu la mention " favorable " ou " réservée " en fin de première année de stage, est, à nouveau, évalué entre le 9e mois effectif et la fin du 12e mois effectif de la deuxième année du stage, selon les mêmes modalités qu'au § 2, alinéas 4 à 7.
   Toutefois, l'évaluation peut être organisée au retour du directeur stagiaire lorsque celui-ci est en congé en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse ou en congé de maternité.
   A défaut d'évaluation réalisée dans ce délai, l'évaluation est présumée favorable.
   Il est mis fin d'office au stage si le directeur obtient la mention " défavorable " à l'issue de cette deuxième évaluation ou si ayant vu son obligation de formation reportée conformément au paragraphe 2, il n'a pas suivi les formations visées à l'article 10, § 3, et à l'article 10, § 4, 1°, a), et alinéa 3, a).
   § 4. Le directeur stagiaire qui a obtenu la mention " favorable " ou " réservée ", en fin de deuxième année de stage, est à nouveau évalué entre le 9e mois effectif et la fin du 12e mois effectif de la troisième année du stage, selon les mêmes modalités qu'au § 2, alinéas 4 à 6.
   Toutefois, l'évaluation peut être organisée au retour du directeur stagiaire lorsque celui-ci est en congé en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse ou en congé de maternité.
   Par dérogation à l'alinéa 1er, la troisième évaluation ne peut, toutefois, aboutir à la mention " réservée ". A défaut d'évaluation réalisée dans ce délai, elle est présumée favorable.
   Le directeur est nommé ou engagé à titre définitif s'il obtient la mention " favorable " à l'issue de cette troisième évaluation.
   Il est mis fin d'office au stage si le directeur obtient la mention " défavorable " à l'issue de cette troisième évaluation.
   § 5. La mention obtenue par le directeur stagiaire, au terme de chaque évaluation est portée à la connaissance de ce dernier soit par lettre recommandée, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception.
   § 6. L'attribution d'une mention " réservée " en cours de stage peut conduire le pouvoir organisateur à adapter la lettre de mission et à repréciser ses attentes au directeur.
   § 7. Le directeur stagiaire qui se voit attribuer une mention " défavorable " peut introduire par recommandé une réclamation écrite contre cette mention dans les dix jours de sa notification, selon le cas auprès de la chambre de recours respectivement créée par :
   a) le chapitre IX, section 2 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement, gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, de promotion sociale et artistique de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, selon les cas, le directeur stagiaire est entendu par le 5e, 7e, 9e ou 14e comité visé à l'article 136 de l'arrêté royal du 22 mars 1969;
   b) le chapitre X du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidié de l'enseignement officiel subventionné;
   c) le chapitre IX, section 3 du décret du 1er février 1993 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné.
   Le membre du personnel transmet immédiatement au pouvoir organisateur une copie de son recours.
   Les règles de procédure et de fonctionnement prévues par ces dispositions s'appliquent au recours organisé en vertu du présent paragraphe. Un membre de la Chambre de recours ne peut participer aux travaux de cette dernière pour l'examen d'un recours introduit par le directeur stagiaire chargé de la direction de l'établissement où il est affecté. Il est dans ce cas remplacé, pour l'examen de ce recours, par son suppléant.
   La Chambre de recours visée à l'alinéa 1er, a), b), ou c) remet son avis au pouvoir organisateur dans un délai maximum d'un mois à partir de la date de réception du recours. Le pouvoir organisateur prend sa décision et attribue la mention d'évaluation au directeur stagiaire dans un délai maximum d'un mois à dater de la réception de l'avis.
   § 8. Dans l'enseignement libre subventionné, le pouvoir organisateur motive l'attribution d'une mention " défavorable " au directeur stagiaire au sens de l'article 3, § 11, du décret du 1er février 1993 précité.
   § 9. Le membre du personnel n'est pas nommé ou engagé à titre définitif comme directeur si au plus tard à l'issue de son stage, il n'a pas obtenu les attestations de réussite visées à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, et l'attestation de suivi visée à l'article 15, § 1er, alinéa 4. Dans ce cas s'il échet, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction et son affectation d'origine.
   Toutefois, le membre du personnel qui, au terme de son stage, ne dispose pas des attestations de réussite visées à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, et de l'attestation de suivi visée à l'article 15, § 1er, alinéa 4, parce qu'il n'a pu suivre les différents modules de la formation visés aux articles 10, §§ 3 et 4, et 11, § 3, en raison d'un manque de places disponibles attesté [2 , selon le cas, par l'Institut de la Formation en cours de carrière ou par l'organisme de formation en charge de la formation " réseau ",]2 peut obtenir deux prolongations de six mois de son stage. Dans ce cas, l'évaluation en fin de troisième année du stage est reportée à due concurrence.]1

  [3 Le directeur stagiaire qui n'a pu suivre un/des modules de la formation " réseau " en raison de l'absence d'affiliation de son pouvoir organisateur à une fédération de pouvoirs organisateurs peut obtenir une prolongation de son stage d'un an afin de pouvoir suivre et réussir le/les modules réseaux qui lui manque/nt.]3
  
Art. 34. § 1. In het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, kan ieder personeelslid dat tot de stage wordt toegelaten of tijdelijk wordt aangeworven in een ambt van directeur, overeenkomstig artikel 35 te allen tijde van zijn aanwijzing afzien. In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en zijn oorspronkelijke affectatie definitief opnieuw waar en, behalve in behoorlijk met redenen omklede uitzonderlijke omstandigheden, pas voor een nieuwe affectatie worden aangesteld nadat het geantwoord heeft op een nieuwe oproep gedaan overeenkomstig artikel 35, § 1.
  In het gesubsidieerd onderwijs, kan te allen tijde een einde worden gemaakt aan de stage van de directeur op zijn aanvraag. In dat geval neemt het personeelslid zijn oorspronkelijke ambt en zijn oorspronkelijke affectatie definitief opnieuw waar.
  Indien [2 ...]2 de inrichtende macht binnen de 30 kalenderdagen vanaf de datum van de aanvraag van het personeelslid niet gereageerd heeft, wordt die aanvraag als aanvaard geacht.
  § 2. [3 In het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in geval van verlenging van de stageperiode van een directeur buiten de oorspronkelijk geplande duur van drie jaar om hem in staat te stellen aan de aanstellingsvoorwaarden van artikel 36bis te voldoen, kan de inrichtende macht deze stage beëindigen volgens de voorwaarden uiteengezet in artikel 43.
   In het gesubsidieerd vrij onderwijs kan de stage van de directeur worden beëindigd overeenkomstig de bepalingen van Afdeling III van HOOFDSTUK VIII van het voornoemde decreet van 1 februari 1993.
   In het officiële gesubsidieerde onderwijs kan de stage van de directeur op dezelfde manier worden beëindigd als in artikel 61, § 4.]3

  § 3. [3 De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het bestuursambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet te verstoren, het herstel van het personeelslid in zijn ambt en zijn oorspronkelijke opdracht met 15 weken uitstellen vanaf de aanvraag van het personeelslid of van ambtswege beëindiging van de stage. Gedurende deze periode oefent de stagedoend directeur zijn ambt als directeur voort uit.
   Indien het ambt van directeur na de in het vorige lid bedoelde termijn niet is vervuld, kan de herplaatsing met instemming van de inrichtende macht en het personeelslid met ten hoogste 15 weken worden uitgesteld.]3

  
Art. 34. § 1er. Dans l'enseignement organisé par la Communauté française, tout membre du personnel admis au stage ou désigné à titre temporaire dans une fonction de directeur, conformément à l'article 35 peut renoncer à sa désignation à quelque moment que ce soit. Dans ce cas, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction et son affectation d'origine et, sauf circonstances exceptionnelles dûment motivées, ne pourra être désigné pour une nouvelle affectation qu'après avoir répondu à un nouvel appel lancé conformément à l'article 35, § 1er.
  Dans l'enseignement subventionné, il peut être mis fin au stage du directeur à sa demande à quelque moment que ce soit. Dans ce cas, le membre du personnel réintègre à titre définitif sa fonction et son affectation d'origine.
  En cas d'absence de réaction [2 ...]2 du pouvoir organisateur dans les trente jours calendrier à dater de la demande du membre du personnel, celle-ci est réputée acceptée.
  § 2. [3 Dans l'enseignement organisé par la Communauté française, en cas de prolongation du stage d'un directeur au-delà de la durée de trois ans initialement prévue afin de lui permettre de remplir les conditions de nomination définies à l'article 36bis, le pouvoir organisateur peut mettre fin à ce stage selon les modalités prévues à l'article 43.
   Dans l'enseignement libre subventionné, il peut être mis fin au stage du directeur conformément aux dispositions de la section III du chapitre VIII du décret du 1er février 1993 précité.
   Dans l'enseignement officiel subventionné, il peut être mis fin au stage de directeur selon les mêmes modalités qu'à l'article 61, § 4.]3

  § 3. [3 Le pouvoir organisateur peut, pour assurer la continuité dans la fonction de direction ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction et son affectation d'origine de 15 semaines à dater de la demande du membre du personnel ou de la fin d'office du stage. Durant ce délai, le directeur stagiaire continue à prester ses fonctions de directeur.
   Si, au-delà de la période visée à l'alinéa précédent, le poste de directeur n'a pas pu être pourvu, la réintégration peut encore être reportée de maximum 15 semaines de commun accord entre le pouvoir organisateur et le membre du personnel.]3

  
HOOFDSTUK VII. [1 Terbeschikkingstelling van laptops]1
CHAPITRE VII. [1 De la mise à disposition d'ordinateurs portables]1
Art.34bis. [1 De inrichtingen voor Leerplichtonderwijs, Volwassenenonderwijs en Secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan krijgen om de 5 jaar een laptop verstrekt door het ETNIC, krachtens artikel 3, § 1, 1° van het decreet van 25 oktober 2018 betreffende het "Entreprise publique des Technologies nouvelles de l'Information et de la Communication de la Communauté française (ETNIC)" (Overheidsbedrijf voor Nieuwe Informatie- en Communicatietechnologieën van de Franse Gemeenschap). De laptop wordt ter beschikking gesteld voor professioneel gebruik opdat de persoon die de directiebevoegdheden uitoefent de in hoofdstuk I vastgelegde opdrachten kan vervullen.
   Elk jaar moet een lijst worden opgesteld van de scholen die voor deze uitrol worden beoogd.]1

  
Art 34bis.. . [1 Les établissements d'Enseignement obligatoire, d'Enseignement pour Adultes et d'Enseignement secondaire artistique à horaire réduit reçoivent, tous les 5 ans, un ordinateur portable fourni par l'ETNIC en vertu de l'article 3, § 1er, 1°, du décret du 25 octobre 2018 relatif à l'Entreprise publique des Technologies Numériques de l'Information et de la Communication de la Communauté française (ETNIC). L'ordinateur est mis à la disposition pour un usage professionnel de la personne qui exerce les prérogatives de la direction, afin d'accomplir les missions définies au Chapitre Ier.
   Chaque année, doit être établie la liste des écoles visées par le déploiement.]1

  
TITEL III. - Bepalingen die specifiek zijn voor elk net.
TITRE III. - Des dispositions spécifiques à chaque réseau.
HOOFDSTUK I. - Door de Franse Gemeenschap georganiseerd onderwijs.
CHAPITRE Ier. - De l'enseignement organisé par la Communauté française.
Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toegang tot en de toekenning van de betrekkingen van directeur.
Section Ire. - Conditions générales d'accès et de dévolution des emplois de directeur.
Art. 35. [1 § 1. Wanneer de inrichtende macht een aanwijzing moet doen in een vacature of in een betrekking die niet vacant is, maar waarvan de titularis tijdelijk afwezig is voor een duur van meer dan 15 weken
   1°. bepaalt zij het profiel van het toe te kennen directeursambt overeenkomstig artikel 5, § 2 van dit decreet;
   2°. dient zij een oproep tot het indienen van kandidaturen in overeenkomstig het model bedoeld in artikel 31.
   Alvorens het ambtsprofiel te bepalen, moet de inrichtende macht:
   1°. het basisoverlegcomité raadplegen over het profiel van het toe te kennen ambt van directeur;
   2°. van het personeel alle informatie ontvangen die zij nuttig achten te communiceren.
   Om overeenkomstig lid 1 te worden aangewezen, moeten alle kandidaten
   1. minstens houder zijn van een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2;
   2. een pedagogisch bekwaamheidsbewijs hebben dat een bekwaamheidsbewijs is, zoals gedefinieerd in artikel 17 van het decreet van 11 april 2014 tot regeling van de bekwaamheidsbewijzen en ambten in het basis- en secundair onderwijs georganiseerd en gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
   3. een driejarige dienstanciënniteit hebben in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
   4. de oproep voor kandidaturen hebben beantwoord.
   In afwijking van het vorige lid 1 ° tot en met 3 ° kan een kandidaat een ambt van directeur aanvragen, mits de Commissie als bedoeld in artikel 29 hem erkent als in aanmerking komend voor het ambt van directeur.
   Als de inrichtende macht verklaart dat zij een oproep tot het indienen van kandidaturen heeft gelanceerd en na deze eerste oproep geen geldige aanvraag heeft ontvangen, kan zij een tweede oproep lanceren tot kandidaten die niet over een dienstanciënniteit van drie jaar binnen het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap beschikken.
   Indien de kandidaat voor een aanwijzing krachtens dit artikel, geen ambt uitoefent in het door de Franse Gemeenschap op het tijdstip van zijn aanstelling georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs, wordt hij alleen aangesteld als hij ook aan de volgende voorwaarden beantwoordt:
   1. de politieke en burgerlijke rechten genieten;
   2. aan de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot het taalstelsel voldoen;
   3. van onberispelijk gedrag zijn;
   4. aan de dienstplichtwetten voldoen.
   Kandidaturen ingediend op grond van het eerste lid worden onderzocht door de selectiecommissie als bedoeld in artikel 36ter van dit decreet. Aan het einde van dit onderzoek zendt de selectiecommissie de indeling van de kandidaten door aan de inrichtende macht, met opgave van de gronden waarop de ranglijst is gebaseerd.
   Na toezending van de overeenkomstig het vorige lid vastgestelde classificatie wijst de inrichtende macht een van de kandidaten aan die de oproep heeft beantwoord voor de in lid 1 bedoelde betrekking.
   § 2. Wanneer zij een tijdelijke aanstelling in een niet-vacante post moet doen voor een periode van 15 weken of minder, benoemt de inrichtende macht een personeelslid dat voldoet aan de voorwaarden vermeld in lid 3 of 4 van § 1 zonder de procedure van lid 1 van dezelfde paragraaf toe te passen.
   Deze aanwijzing voor maximaal 15 weken kan worden verlengd mits de totale duur van de aanwijzing niet meer dan 12 maanden bedraagt.
   Indien de afwezigheid van de ambtstitularis wordt verlengd, dient de inrichtende macht uiterlijk op de laatste dag van de aanwijzingsperiode als bedoeld in het vorige lid een oproep tot het indienen van kandidaturen in.
   De in lid 1 bedoelde werving wordt verlengd in de periode tussen de oproep tot het indienen van kandidaturen en de kandidaataanstelling.
   De inrichtende macht wijst een kandidaat aan binnen drie maanden na de oproep tot het indienen van kandidaturen. Bij ontstentenis hiervan wordt aan het einde van deze drie maanden de betrekking niet langer gesubsidieerd, tenzij de inrichtende macht verklaart dat zij als gevolg van deze oproep geen kandidatuur heeft die voldoet aan de criteria van het ambtsprofiel.
   In dat geval wordt, niettegenstaande het vorige lid, een aanvullende periode van niet meer dan 15 weken toegekend aan de inrichtende macht om een directeur te benoemen aan het einde van een nieuwe oproepsprocedure. De initiële aanwijzing waarnaar in het vorige lid wordt verwezen, wordt niet gesubsidieerd na deze tweede oproep.
   § 3. De inrichtende macht kan een oproep tot het indienen van kandidaturen starten in overeenstemming met de regels vermeld in § 1 om over te gaan tot een tijdelijke aanstelling in een niet-vacante baan voor een duur gelijk aan of minder dan vijftien weken, indien zij ervan uitgaat, op het tijdstip van het lanceren van deze oproep dat de baan vacant zal worden.
   § 4. Een lid van het personeel benoemd in een ambt van directeur in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, dat is aangesteld in een ander ambt van directeur van hetzelfde onderwijs na een oproep tot het indienen van kandidaturen als bedoeld in de §§ 1 en 3 wordt een verandering van tijdelijke toewijzing door de inrichtende macht verleend, op voorwaarde evenwel dat het ambt waarin hij is aangesteld vacant is en dat het ambt van directeur waarin hij is aangesteld onder dezelfde inrichtende macht valt.
   In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid pas van opdracht veranderen nadat hij zijn ambt in het ambt dat hij bekleedt gedurende een periode van drie jaar heeft bekleed.
   De aldus aangewezen directeur wordt in stageverlof gesteld voor een periode van één jaar in overeenstemming met artikel 9 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 tot uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
   Na één jaar maakt de inrichtende macht een evaluatie van de op grond van deze paragraaf aangewezen directeur. Deze evaluatie richt zich op de geschiktheid van ambtsprofielelementen die voor de instelling specifiek zijn. Als deze evaluatie gunstig is, neemt het personeelslid ontslag van zijn oorspronkelijke betrekking en wordt hij definitief toegewezen aan de betrekking die hij bekleedt.
   In het geval van een ongunstige evaluatie, wordt zijn opdrachtwijziging beëindigd en bekleedt hij opnieuw het ambt van Directeur waarin hij was aangesteld voorafgaand aan zijn verandering van toewijzing.
   Een personeelslid aan wie op grond van deze paragraaf een wijziging van tijdelijke toewijzing is verleend, bekleedt opnieuw het ambt van directeur dat hij voorafgaand aan zijn verandering van opdracht bekleedde, indien hij daarom aan de inrichtende macht vraagt.
   § 5. Wanneer een vastbenoemd directeur in het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap wordt benoemd, na een oproep tot kandidaturen, in een betrekking van directeur in onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, deze laatste zal hem toelaten tot de cursus als de betrekking is absoluut vacant of wijst hem tijdelijk aan als de betrekking tijdelijk vacant is. Gedurende deze periode blijft de directeur de houder van zijn oorspronkelijke betrekking.
   In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid slechts tot de stageperiode worden toegelaten of tijdelijk worden benoemd nadat hij zijn ambt in het ambt dat hij uitoefent gedurende een periode van drie jaar uitoefent.
   Na een jaar voert de inrichtende macht een evaluatie uit op basis van de gepastheid van de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. In het geval van een ongunstige evaluatie wordt zijn ambt beëindigd en herneemt hij zijn oorspronkelijke betrekking.
   Na twee jaar voert de inrichtende macht een tweede evaluatie uit, gericht op de geschiktheid van de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. Indien deze evaluatie gunstig is, wordt de directeur vast benoemd in het ambt dat hij bekleedt wanneer het definitief vacant is.
   In het geval van een ongunstige evaluatie wordt zijn ambt beëindigd en keert hij terug naar zijn oorspronkelijke baan.
   Bovendien kan het ambt worden beëindigd overeenkomstig de artikelen 33 en 34.]1

  
Art. 35. [1 § 1er. Lorsque le pouvoir organisateur doit procéder à une désignation dans un emploi vacant ou dans un emploi qui n'est pas vacant mais dont le titulaire de la fonction est temporairement absent pour une durée de plus de 15 semaines
   1° il arrête le profil de la fonction de directeur à pourvoir conformément à l'article 5, § 2, du présent décret;
   2° il lance un appel à candidatures selon le modèle visé à l'article 31.
   Avant d'arrêter le profil de fonction, le pouvoir organisateur :
   1° consulte le comité de concertation de base sur le profil de la fonction de directeur à pourvoir;
   2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer.
   Pour être désigné en application de l'alinéa 1er, tout candidat doit
   1° être porteur d'un [2 titre de niveau bachelier]2 au moins;
   2° être porteur d'un titre pédagogique constituant un titre de capacité tel que défini à l'article 17 du décret 11 avril 2014 réglementant les titres et fonctions dans l'enseignement fondamental et secondaire organisé et subventionné par la Communauté française;
   3° compter une ancienneté de service de trois ans au sein de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures.
   Par dérogation à l'alinéa précédent 1° à 3°, un candidat peut introduire sa candidature dans un emploi de directeur à condition que la Commission visée à l'article 29 l'ait reconnu éligible comme candidat à une fonction de directeur.
   Si pouvoir organisateur atteste avoir lancé un appel à candidatures et n'a pas reçu de candidature valable après ce 1er appel, il peut lancer un second appel auquel pourront répondre les candidats ne comptant pas une ancienneté de service de 3 ans au sein de l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française.
   Si le candidat à une désignation en application du présent article n'exerce pas de fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française au moment de sa désignation, il ne sera désigné que s'il rencontre également les conditions suivantes :
   1° jouir des droits civils et politiques;
   2° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
   3° être de conduite irréprochable;
   4° satisfaire aux lois sur la milice.
   Les candidatures introduites dans le cadre de l'alinéa 1er sont examinées par la Commission de sélection visée à l'article 36ter du présent décret. Au terme de cet examen, la Commission de sélection transmet au pouvoir organisateur le classement des candidats en indiquant les motifs qui fondent ce classement.
   Après transmission du classement établi en application de l'alinéa précédent, le pouvoir organisateur désigne un des candidats ayant répondu à l'appel dans l'emploi visé à l'alinéa 1er.
   § 2. Lorsqu'il doit procéder à une désignation temporaire dans un emploi non vacant pour une durée égale ou inférieure à quinze semaines, le pouvoir organisateur désigne un membre du personnel qui répond aux conditions mentionnées à l'alinéa 3 ou 4 du § 1er sans faire application de la procédure prévue à l'alinéa 1er de ce même paragraphe.
   Cette désignation pour 15 semaines maximum peut être renouvelée pour autant que la durée totale de désignation n'excède pas 12 mois.
   Si l'absence du titulaire de la fonction se prolonge, le pouvoir organisateur lance un appel à candidatures au plus tard le dernier jour de la période de désignation visée à l'alinéa précédent.
   L'engagement visé à l'alinéa 1er est prolongé pendant la période entre l'appel à candidatures et la désignation d'un candidat.
   Le Pouvoir organisateur désigne un candidat dans les trois mois qui suivent l'appel à candidatures. A défaut, au terme de ces trois mois, l'emploi n'est plus subventionné sauf si le pouvoir organisateur atteste qu'il n'a pu obtenir, à la suite de cet appel, de candidature qui réponde aux critères du profil de fonction.
   Dans ce cas, par dérogation à l'alinéa précédent, un délai supplémentaire, ne dépassant pas 15 semaines, est octroyé au pouvoir organisateur afin de désigner un directeur au terme d'une nouvelle procédure d'appel. La désignation initiale visée à l'alinéa précédent n'est pas subventionnée au-delà de ce deuxième appel.
   § 3. Le pouvoir organisateur peut lancer un appel à candidatures conformément aux règles mentionnées au § 1er pour procéder à une désignation temporaire dans un emploi non vacant pour une durée égale ou inférieure à quinze semaines s'il présume, au moment de lancer cet appel, que l'emploi deviendra vacant.
   § 4. Un membre du personnel nommé dans un emploi de directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française qui est désigné dans un autre emploi de directeur du même enseignement suite à un appel à candidatures visé au §§ 1er et 3 se voit accorder un changement d'affectation temporaire par le pouvoir organisateur, à condition, toutefois, que l'emploi dans lequel il est désigné soit vacant et que l'emploi de directeur dans lequel il était nommé relève du même pouvoir organisateur.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel ne peut obtenir un changement d'affectation qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans.
   Le directeur ainsi désigné est mis en congé pour stage pour une durée d'un an conformément à l'article 9 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
   Après un an, le pouvoir organisateur effectue une évaluation du directeur désigné en application du présent paragraphe. Cette évaluation est axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifiques à l'établissement. Si cette évaluation est favorable, le membre du personnel démissionne de son emploi d'origine et est affecté définitivement dans l'emploi qu'il occupe.
   En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à son changement d'affectation et il réintègre l'emploi de directeur dans lequel il était nommé avant son changement d'affectation.
   Le membre du personnel qui se voit accorder un changement d'affectation temporaire en application du présent paragraphe réintègre l'emploi de directeur qu'il occupait avant son changement d'affectation s'il en fait la demande auprès du pouvoir organisateur.
   § 5. Lorsqu'un directeur définitif dans l'enseignement subventionné par la Communauté française est désigné, suite à un appel à candidatures, dans un emploi de directeur dans l'enseignement organisé par la Communauté française, ce dernier l'admet au stage si l'emploi est définitivement vacant ou le désigne à titre temporaire si l'emploi est temporairement vacant. Durant cette période, le directeur reste titulaire de son emploi d'origine.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel ne peut être admis au stage ou désigné à titre temporaire qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans.
   Après un an, le pouvoir organisateur effectue une évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son l'emploi d'origine.
   Après deux ans, le pouvoir organisateur effectue une deuxième évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. Si cette évaluation est favorable, le directeur est nommé à titre définitif dans l'emploi qu'il occupe, lorsque celui-ci est définitivement vacant.
   En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son emploi d'origine.
   Il peut, en outre, être mis fin à la fonction conformément aux articles 33 et 34.]1

  
Art. 36. [1 Een lid van het personeel dat is aangewezen in een ambt van directeur krachtens artikel 35, §§ 1 en 3, wordt toegelaten tot de stage in dat ambt, op voorwaarde dat het vacant is.
   De duur van de stage van een lid van het personeel dat in eerste instantie is aangewezen in een niet-vacante betrekking overeenkomstig artikel 35, §§ 1 en 3, wordt verminderd met de tijd tijdens welke hij reeds tijdelijk in dat ambt heeft gewerkt.
   De evaluaties van het personeelslid als bedoeld in het vorige lid gebeuren, mutatis mutandis, in overeenstemming met artikel 33, §§ 2 tot en met 5.
   Het personeelslid dat tijdelijk, met toepassing van artikel 35, §§ 1 en 3, in een niet-vacant ambt is aangesteld, en dit onophoudelijk, sedert minstens drie jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant wordt, wordt in dat ambt benoemd, mits hij aan de aanstellingsvoorwaarden van artikel 36bis voldoet.]1

  
Art. 36. [1 Le membre du personnel désigné dans un emploi de directeur en application de l'article 35, §§ 1er et 3, est admis au stage dans cet emploi à condition qu'il soit vacant.
   La durée du stage d'un membre du personnel qui a été désigné initialement dans un emploi non vacant en application de l'article 35, §§ 1er et 3, est réduite à concurrence du temps déjà presté, à titre temporaire, dans cet emploi.
   Les évaluations du membre du personnel visé à l'alinéa précédent se font, mutatis mutandis, conformément à l'article 33, §§ 2 à 5.
   Le membre du personnel qui a été désigné à titre temporaire en application de l'article 35, §§ 1er et 3, dans un emploi non vacant, et ce de manière ininterrompue, depuis 3 ans au moins à la date à laquelle l'emploi devient vacant, est nommé dans cet emploi, à condition qu'il remplisse les conditions de nomination prévues à l'article 36bis.]1

  
Afdeling Ibis. [1 - Voorwaarden voor de benoeming tot het ambt van directeur]1
Section Ibis. [1 - Conditions de nomination dans la fonction de directeur]1
Art. 36bis. [1 - Om in het ambt van directeur te worden benoemd, moet het personeelslid aan de volgende voorwaarden voldoen:
   1. benoemd zijn in een ambt van directeur overeenkomstig de procedure van artikel 35;
   2. de slaagattesten bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid, en het vervolgattest bedoeld in artikel 15, § 1, vierde lid, hebben behaald;
   3. een dienstanciënniteit hebben van 6 jaar;
   4. drie evaluaties te hebben verkregen, waarvan de laatste in de vermelding "gunstig" resulteerde.
   De dienstanciënniteit opgenomen in punt 3° van het vorige lid wordt berekend volgens de regels bepaald in artikel 3sexies van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 tot uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]1

  
Art. 36bis. [1 Pour être nommé dans la fonction de directeur, le membre du personnel doit remplir les conditions suivantes :
   1° avoir été désigné dans un emploi de directeur en application de la procédure prévue à l'article 35;
   2° avoir obtenu les attestations de réussite visées à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, et l'attestation de suivi visée à l'article à l'article 15, § 1er, alinéa 4;
   3° compter une ancienneté de service de 6 ans;
   4° avoir obtenu trois évaluations dont la dernière a abouti à la mention " favorable ".
   L'ancienneté de service reprise au point 3° de l'alinéa précédent est calculée selon les règles définies à l'article 3sexies de l'arrêté royal du 18 janvier 1974 pris en application de l'article 164 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1

  
Afdeling Iter. [1 - Selectiecommissies van de directeurs]1
Section Iter. [1 - Des Commissions de sélection des directeurs]1
Art. 36ter. [1 § 1. De inrichtende macht richt een of meer selectiecommissies op voor de directeuren. Zij bepaalt er de samenstelling van.
   Binnen de Commissie moet echter minstens één lid worden benoemd met pedagogische expertise en een of meer leden van buiten de inrichtende macht met ervaring op het gebied van human resources en bij de selectie van personeel.
   De samenstelling van de selectiecommissie wordt [2 "aan de diensten van de Regering volgens de nadere regels die zij vaststellen]2.
   § 2. De selectie van kandidaten is gebaseerd op het ambtsprofiel dat door de inrichtende macht is ontwikkeld in overeenstemming met artikel 5, lid 2 en bij de oproep tot het indienen van kandidaturen is gevoegd, en inzonderheid op de evaluatie van technische en gedragscompetenties van de kandidaten, met indicatoren voor beheersing, en hun verenigbaarheid met het pedagogische en opvoedingsproject van de inrichtende macht.
   De selectiecommissie kan de kandidaturen in het dossier onderzoeken en rangschikken en alleen de kandidaten horen die na deze selectie zijn geselecteerd.
   Aan het einde van de hoorzittingen stelt deze een verslag op waarin de kandidaten worden ingedeeld en alle nuttige informatie verstrekt om de classificatie te motiveren.
   Dit verslag wordt verzonden aan de inrichtende macht die op basis hiervan het besluit neemt om de kandidaten al dan niet tot de stage toe te laten treden.
   Op verzoek van een kandidaat, communiceert hem de inrichtende macht de gegevens voor de evaluatie van de technische en gedragscompetenties en de verenigbaarheid van deze bevoegdheden met de door het ambtsprofiel gedefinieerde en gewogen selectiecriteria.]1

  
Art. 36ter. [1 § 1er. Le pouvoir organisateur crée une ou des commissions de sélection des directeurs. Il en fixe la composition.
   Au sein de la Commission, doivent néanmoins être désignés au moins un membre disposant d'une expertise pédagogique et un ou plusieurs membres extérieurs au pouvoir organisateur disposant d'une expérience en ressources humaines et en matière de sélection de personnel.
   La composition de la commission de sélection est communiquée [2 aux services du Gouvernement selon les modalités qu'ils fixent]2.
   § 2. La sélection des candidats se fonde sur le profil de fonction élaboré par le pouvoir organisateur conformément à l'article 5, § 2, et annexé à l'appel à candidatures et, plus particulièrement, sur l'évaluation des compétences techniques et comportementales des candidats, assorties d'indicateurs de maîtrise, et leur compatibilité avec le projet éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur.
   La commission de sélection peut opérer un tri des candidatures sur dossier et n'entendre que les candidats retenus suite à cette sélection.
   Au terme des auditions, celle-ci établit un rapport classant les candidats et fournissant toutes informations utiles pour motiver le classement.
   Ce rapport est adressé au pouvoir organisateur qui, sur cette base, prend la décision d'admission au stage.
   A la demande de tout candidat, le pouvoir organisateur lui communique les informations relatives à l'évaluation de ses compétences techniques et comportementales et à la compatibilité de ces compétences avec les critères de sélection définis et pondérés par le profil de fonction.]1

  
Afdeling II.
Section II.
Afdeling III. [1 Mechanismen voor ondersteuning, ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie.]1
Section III. [1 Des mécanismes de soutien, de développement des compétences professionnelles et d'évaluation]1
Art. 39. [1 Deze afdeling is van toepassing op directeurs die vast zijn benoemd.
   Het is ook van toepassing op personeelsleden die op tijdelijke basis worden aangesteld in het ambt van directeur voor een periode van één jaar of langer. De benaming "directeur" die in deze afdeling wordt gebruikt, heeft ook betrekking op deze personeelsleden.
   De leden van de inrichtende macht die zijn belast met de evaluatie, hebben toegang tot de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel.
   De inrichtende macht kan een beroep doen op deskundigen op het gebied van pedagogie of human resources, om de in onderafdeling II bedoelde gesprekken en/of evaluaties uit te voeren.]1

  
Art. 39. [1 Cette section s'applique aux directeurs nommés à titre définitif.
   Elle s'applique également au membre du personnel désigné à titre temporaire dans la fonction de directeur pour une durée égale ou supérieure à un an. La dénomination " directeur " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
   Les membres du pouvoir organisateur chargés de l'évaluation ont accès à la formation visée à l'article 132 du décret du 20 juillet 2023 relatif au soutien, au développement des compétences professionnelles et à l'évaluation des personnels de l'enseignement.
   Le pouvoir organisateur peut s'entourer d'experts en pédagogie ou en ressources humaines pour procéder aux entretiens et/ou évaluations visés à la sous-section II.]1

  
Onderafdeling I. [1 Over het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties]1
Sous-section I. [1 - Du mécanisme de soutien et de développement des compétences professionnelles]1
Art. 40. [1 - § 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling tussen de directeur en zijn inrichtende macht of haar afgevaardigde en uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. Deze gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de inrichtende macht, maar kunnen ook op elk moment van het jaar worden aangevraagd door de directeur.
   Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek over professionele ontwikkeling.
   Van het gesprek over professionele ontwikkeling moet een rapport worden opgesteld.
   Een gesprek over professionele ontwikkeling moet voor zover mogelijk één keer per jaar plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar. Het gesprek over professionele ontwikkeling heeft betrekking op de uitvoering van de opdrachtbrief bedoeld in hoofdstuk III van Titel 1 en op de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst, indien een dergelijke overeenkomst bestaat.
   In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin de directeur zal werken, en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
   In dit kader houdt de inrichtende macht of haar afgevaardigde rekening met het volgende:
   a) in het kleuteronderwijs en in het leerplichtonderwijs met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht, en met het schoolproject bedoeld in titel 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;
   b) in het onderwijs voor sociale promotie met de bepalingen betreffende het pedagogisch project bedoeld in artikel 36ter van het voornoemde decreet van 16 april 1991.
   § 2. Na het eerste gesprek over professionele ontwikkeling of op verzoek van de inrichtende macht of de directeur wordt een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties opgesteld.
   Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de inrichtende macht of haar afgevaardigde in overleg met de directeur.
   § 3. Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend door de directeur en de inrichtende macht of haar afgevaardigde, zoals bedoeld in artikel 41, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op de directeur, en de middelen die hem ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.
   Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de inrichtende macht of haar afgevaardigde bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden.
   Als de directeur weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties gewoon voortgezet.
   Dit document kan in voorkomend geval worden gebruikt als basis voor het opstellen van het in artikel 42 bedoelde evaluatierapport.
   § 4. De periodiciteit ervan wordt zo aangepast dat de directeur het gegeven advies kan uitvoeren, of de aanbevolen vormingen kan volgen. Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties per schooljaar worden opgesteld.
   Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste "negatieve" evaluatie.
   § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan worden aangepast op initiatief van de inrichtende macht of haar afgevaardigde of op verzoek van de directeur. Deze aanpassingen worden medeondertekend door de directeur en het personeelslid. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet.
   § 6. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats.
   Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de inrichtende macht of haar afgevaardigde.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.
   § 6. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]1

  
Art. 40. [1 § 1. Le mécanisme de soutien et de développement des compétences professionnelles est composé, notamment, d'entretiens de développement professionnel entre le directeur et son pouvoir organisateur ou son délégué et d'un plan de développement des compétences professionnelles et d'un entretien de clôture. Ces entretiens de développement professionnel sont organisés à l'initiative du pouvoir organisateur mais peuvent également être demandés par le directeur à tout moment de l'année.
   Un délai de minimum cinq jours ouvrables doit être garanti entre la convocation à l'entretien de développement professionnel et la date de l'entretien de développement professionnel.
   L'entretien de développement professionnel doit faire l'objet d'un compte-rendu.
   Un entretien de développement professionnel doit avoir lieu dans la mesure du possible une fois par an, et, au minimum, une fois tous les trois ans. L'entretien de développement professionnel porte sur l'exécution de la lettre de mission visée au chapitre III du Titre 1er et sur la mise en oeuvre du contrat d'objectifs, quand celui-ci existe.
   Dans le cadre de l'entretien de développement professionnel, il est tenu compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le directeur et des moyens mis à sa disposition.
   Dans ce cadre, le pouvoir organisateur ou son délégué prend en considération :
   a) dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire, les dispositions relatives aux projets éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur et au projet d'établissement visés au titre 5 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire;
   b) dans l'enseignement de promotion sociale, les dispositions relatives au projet pédagogique visé à l'article 36ter, du décret du 16 avril 1991 précité.
   § 2. A la suite du premier entretien de développement professionnel ou à la demande du pouvoir organisateur ou du directeur, un plan de développement des compétences professionnelles est mis en place.
   Ce plan de développement des compétences professionnelles est élaboré par le pouvoir organisateur ou son délégué en concertation avec le directeur.
   § 3. Ce plan de développement des compétences professionnelles est formalisé dans un document cosigné par le directeur et le pouvoir organisateur ou son délégué, tel que visé à l'article 41 et contient des engagements mutuels des deux parties tels que des objectifs individualisés, spécifiques, réalistes et adaptés au directeur ainsi que les moyens mis à sa disposition pour les atteindre. Un maximum de quatre objectifs peut être fixé.
   L'obligation de co-signature visée à l'alinéa précédent est réputée remplie dès lors que le pouvoir organisateur ou son délégué fait la preuve que la demande de signature pour prise de connaissance a été adressée au membre du personnel.
   En cas de refus de signature du directeur, la procédure suit normalement son cours dans la mise en oeuvre du plan de développement des compétences professionnelles.
   Ce document peut, le cas échéant, servir de base à la rédaction du rapport d'évaluation visé à l'article 42.
   § 4. Sa périodicité est adaptée de manière à permettre au directeur de mettre en place les conseils dispensés ou de suivre les formations recommandées. Ainsi, il ne peut être élaboré plus d'un plan de développement des compétences professionnelles par année scolaire.
   Toutefois, durant une même année scolaire, un membre du personnel faisant l'objet d'un plan de développement des compétences professionnelles peut également être amené à avoir un plan d'accompagnement individualisé élaboré suite à une première évaluation avec mention " défavorable ".
   § 5. Le plan de développement des compétences professionnelles peut faire l'objet d'ajustements à l'initiative du pouvoir organisateur ou son délégué ou à la demande du directeur. Ces ajustements sont cosignés par le directeur et le membre du personnel. En cas de refus de signature du membre du personnel, la procédure de mise en oeuvre du plan de développement des compétences professionnelles se poursuit valablement.
   § 6. Le plan de développement des compétences professionnelles donne lieu à un entretien de clôture. Cet entretien intervient au plus tôt six mois après la mise en place du plan de développement des compétences professionnelles et au plus tard deux ans après celle-ci.
   L'entretien de clôture est mené par le pouvoir organisateur ou son délégué.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu.
   § 6. Pour le calcul des délais de six mois et deux ans précités, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1

  
Art. 41. [1 De regering stelt het model vast van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties dat als basis kan dienen voor de evaluatie bedoeld in onderafdeling II.]1
  
Art. 41. [1 Le gouvernement fixe le modèle de plan de développement des compétences professionnelles pouvant servir de base à l'évaluation visée dans la sous-section II.]1
  
Onderafdeling II. [1 Over het evaluatiemechanisme]1
Sous-section II. [1 - Du mécanisme d'évaluation]1
Art. 42. [1 - § 1. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.
   § 2. Elke eerste evaluatie moet worden voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek zoals bedoeld in onderafdeling I.
   § 3. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties werd meegedeeld aan de directeur, en voor zover het afrondingsgesprek bedoeld in artikel 40, § 6heeft plaatsgevonden, kan de inrichtende macht in geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met de directeur werden bepaald, overgaan tot een evaluatie ervan. Deze periode wordt berekend overeenkomstig artikel 42bis.
   § 4. De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   § 5. De evaluatie resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie. Ze wordt geformaliseerd in het in artikel 42quinquies bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties.
   Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een "positieve" evaluatie te hebben gekregen.
   § 6. In geval van een "negatieve" evaluatie wordt vervolgens een gesprek gepland tussen de directeur en de inrichtende macht of haar afgevaardigde, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen en rekening houdend met het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties. Dit plan bepaalt de doelstellingen die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.
   Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld, voordat een nieuwe evaluatie plaatsvindt.]1

  
Art. 42. [1 - § 1er. Une évaluation ne peut avoir lieu qu'une fois par année scolaire.
   § 2. Toute première évaluation doit être précédée d'un plan de développement des compétences professionnelles et d'un entretien de clôture tels que visés à la sous-section I.
   § 3. Au plus tôt six mois après avoir communiqué ce plan de développement des compétences professionnelles au directeur et pour autant que l'entretien de clôture visé à l'article 40 § 6 ait eu lieu, en cas de mauvaise volonté manifeste en lien avec ledit plan ou de carence manifeste et répétée à atteindre les objectifs identifiés avec le directeur dans le cadre du plan de développement des compétences professionnelles, le Pouvoir organisateur peut procéder à une évaluation de celui-ci. Ce délai est calculé conformément à l'article 42bis.
   § 4. Le directeur doit avoir été entendu préalablement à l'attribution de la mention d'évaluation, par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le directeur peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou retraités de l'enseignement organisé par la Communauté française ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   § 5. L'évaluation débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable ". Elle est formalisée selon le document visé à l'article 42quinquies et notifiée au membre du personnel.
   La mention d'évaluation est motivée sur base du plan de développement des compétences professionnelles.
   En l'absence de rapport d'évaluation, tout membre du personnel est réputé bénéficier de la mention " favorable ".
   § 6. En cas d'évaluation débouchant sur la mention " défavorable ", un entretien entre le directeur et le pouvoir organisateur ou son délégué est, ensuite, fixé afin de mettre en place un plan d'accompagnement individualisé, basé sur les éléments évoqués lors de l'évaluation et prenant en compte le plan de développement des compétences professionnelles. Celui-ci détermine les objectifs que le directeur doit atteindre pour obtenir une mention favorable lors de l'évaluation suivante. Un maximum de quatre objectifs peut être fixé.
   Le plan d'accompagnement individualisé donne lieu à un entretien de clôture.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu, préalablement à toute nouvelle évaluation.]1

  
Art. 42bis. [1 - § 1. Als de directeur zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige negatieve evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden.
   Na een "negatieve" evaluatie moet de volgende evaluatie echter plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.
   Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.
   Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.
   In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in artikel 42ter.
   § 2. Voor de berekening van de in § 1 bedoelde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]1

  
Art.42bis. [1 - § 1er. Après un délai de minimum six mois d'exercice de la fonction entre la communication au directeur du plan d'accompagnement individualisé convenu lors de l'évaluation avec mention défavorable qui précède, une nouvelle évaluation peut avoir lieu.
   Toutefois, après une évaluation avec mention " défavorable ", l'évaluation suivante doit intervenir dans un délai maximum de deux ans suivant la communication du plan d'accompagnement individualisé faisant suite à la précédente évaluation. A défaut, elle est réputée favorable.
   Ce délai doit permettre au directeur de remédier aux carences constatées.
   Une évaluation ne peut avoir lieu qu'une fois par année scolaire.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, l'évaluation suivante peut intervenir dans un délai plus long en cas de prolongation du plan d'accompagnement individualisé telle que visée à l'article 42ter.
   § 2. Pour le calcul des délais de six mois et deux ans visés au § 1er, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1

  
Art. 42ter. [1 - § 1. Het evaluatierapport na een eerste definitieve "negatieve" evaluatie wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de Inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 42quinquies bedoelde document en ter kennis van de directeur gebracht.
   Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal drie maanden en maximaal één jaar.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.
   De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   § 2. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en anderzijds de directeur, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.
   Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.
   § 3. Nadat het individuele begeleidingsplan is verlengd, vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het individuele begeleidingsplan. Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.
   Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.
   § 4. Voor de berekening van de in § 4 bedoelde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
   § 5. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 42quinquies, en wordt ter kennis gebracht van de directeur.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.
   De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan het personeelslid zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie. Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.]1

  
Art.42ter. [1 - § 1er. Le rapport d'évaluation faisant suite à une première évaluation définitive avec mention " défavorable " est rédigé par le pouvoir organisateur. Il débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable " ou, en cas d'un commun accord entre le membre du personnel et le Pouvoir organisateur sur la prolongation du plan d'accompagnement individualisé. Le rapport d'évaluation est formalisé selon le document visé à l'article 42quinquies ainsi que notifié au directeur.
   La prolongation du plan d'accompagnement individualisé est de minimum trois mois et de maximum un an.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base des éléments du plan d'accompagnement individualisé.
   Le directeur doit avoir été entendu préalablement à l'attribution de sa mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le membre du personnel peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement organisé par la Communauté française, en activité de service ou pensionnés, ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   § 2. En cas de prolongation du plan d'accompagnement individualisé, un entretien entre, d'une part, le pouvoir organisateur et, d'autre part, le directeur est fixé afin de mettre en place un plan d'accompagnement individualisé, basé sur les éléments évoqués lors de l'évaluation. Celui-ci reprend les objectifs du plan d'accompagnement individualisé précédent que le directeur doit atteindre pour obtenir une mention favorable lors de l'évaluation suivante. Un maximum de 4 objectifs peut être fixé.
   Le plan d'accompagnement individualisé donne lieu à un entretien de clôture.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu.
   § 3. Après prolongation du plan d'accompagnement individualisé, une nouvelle évaluation a lieu endéans un délai de minimum trois mois et un délai maximum d'un an d'exercice de la fonction à partir de la communication au membre du personnel du plan d'accompagnement individualisé adapté à la suite de la prolongation du plan d'accompagnement individualisé. Ce délai doit permettre au directeur de remédier aux carences constatées.
   A défaut, elle est réputée favorable.
   § 4. Pour le calcul des délais de trois mois et un an visés au § 4, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
   § 5. Le rapport d'évaluation faisant suite à une prolongation du plan d'accompagnement individualisé est rédigé par le pouvoir organisateur. Il débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable " et est formalisé selon le document visé à l'article 42quinquies ainsi que notifié au directeur.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base des éléments du plan d'accompagnement individualisé.
   Le directeur doit avoir été entendu préalablement à l'attribution de sa mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le membre du personnel peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel de l'enseignement organisé par la Communauté française, en activité de service ou pensionnés, ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative. Une évaluation ne peut avoir lieu qu'une fois par année scolaire.]1

  
Art. 42quater. [1 § 1. In geval van een "negatieve" evaluatie kan de directeur binnen de 10 werkdagen beroep instellen overeenkomstig de voorwaarden die worden beschreven in artikelen 121/16 tot 121/24 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, en die mutatis mutandis van toepassing zijn. De directeur die gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend.
   § 2. Er wordt ambtshalve een einde gemaakt aan de dienst van een directeur die twee opeenvolgende "negatieve" evaluaties heeft gekregen over twee verschillende schooljaren overeenkomstig artikel 169, lid 1, 5° van het voornoemde koninklijk besluit van 22 maart 1969, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 121/13 van het voornoemde koninklijk besluit van 22 maart 1969.]1

  
Art.42quater. [1 § 1. En cas d'évaluation avec mention " défavorable ", le directeur peut, dans les 10 jours ouvrables, introduire un recours conformément aux modalités décrites aux articles 121/16 à 121/24 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, de promotion sociale et artistique de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, applicables mutatis mutandis. Le directeur qui fait usage de son droit de recours en notifie immédiatement une copie à son pouvoir organisateur. Ce recours est suspensif.
   § 2. Il est mis fin d'office aux fonctions du directeur qui fait l'objet deux mentions " défavorable " consécutives sur deux années scolaires distinctes conformément à l'article 169, alinéa 1er, 5° de l'arrêté royal du 22 mars 1969 précité, et devenues définitives après épuisement des procédures devant la chambre d'appel, telles que visées à l'article 121/13 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 précité.]1

  
Art. 42quinquies. [1 - De regering legt de modellen vast van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport.]1
  
Art.42quinquies. [1 - Le gouvernement fixe les modèles de plan d'accompagnement individualisé et de rapport d'évaluation.]1
  
Art. 42sexies. [1 - De in deze onderafdeling genoemde kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen gebeuren per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging.]1
  
Art.42sexies. [1 - Toute notification de document, de décision ou de convocation mentionnée dans la présente sous-section se fait par courrier recommandé avec accusé de réception ou par une remise de la main à la main avec accusé de réception.]1
  
Onderafdeling III [1 - Over de deontologische regels]1
Sous-section III. [1 - Des règles de déontologie]1
Art. 42septies. [1 - In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen:
   a) discretie;
   b) wederzijds respect.
   Bovendien moet de beoordelaar:
   a) hun instructies, advies en uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;
   b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;
   c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.]1

  
Art.42septies. [1 - Dans le cadre des entretiens et évaluations visés à la présente section, le membre du personnel et son évaluateur sont tenus au respect des devoirs suivants :
   a) la discrétion ;
   b) le respect mutuel.
   En outre, l'évaluateur est tenu de :
   a) motiver, de manière adéquate et constructive, ses instructions, conseils et échanges avec le membre du personnel ainsi que la mention d'évaluation ;
   b) soutenir le membre du personnel dans l'atteinte de ses objectifs;
   c) respecter les devoirs d'impartialité et d'objectivité.]1

  
Afdeling IIIbis. [1 - De intrekking van de tijdelijke hogere ambten van directeur]1
Section IIIbis. [1 - Du retrait des fonctions supérieures de directeur à titre temporaire]1
Art. 43. [2 Mits een opzegtermijn van vijftien dagen kan de inrichtende macht de aanstelling van een aangewezen ambtenaar op grond van artikel 35 beëindigen.]2
  Voordat de [2 inrichtende macht]2 een beslissing neemt, moet het personeelslid uitgenodigd zijn om zich te laten horen [2 de inrichtende macht of haar afgevaardigde]2.
  Van de oproeping voor de hoorzitting alsook van de redenen waarom de [2 inrichtende macht]2 van plan is om een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst of in ruste gesteld zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.
  De [2 inrichtende macht]2 neemt haar beslissing binnen de tien dagen na de overzending van het proces-verbaal dat opgemaakt is [2 de inrichtende macht of haar afgevaardigde]2.
  
Art. 43. [2 Moyennant un préavis de 15 jours, le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné en application de l'article 35.]2
  Préalablement à toute décision du [2 pouvoir organisateur]2, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par [1 le fonctionnaire général désigné par le [2 pouvoir organisateur]2 ou le délégué dudit fonctionnaire]1.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le [2 pouvoir organisateur]2 envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement organisé par la Communauté française ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement de la Communauté française affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
  Le [2 pouvoir organisateur]2 prend sa décision dans les 10 jours de la transmission du procès-verbal dressé par [1 le fonctionnaire général désigné par le [2 pouvoir organisateur]2 ou le délégué dudit fonctionnaire]1.
  
Afdeling IV. - Overgang tussen bevorderingsambten, selectieambten en wervingsambten.
Section IV. - Des passerelles entre fonctions de promotion, de sélection et de recrutement.
Art. 44. In artikel 14ter, § 1, tweede lid, van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2001, wordt een punt 7° toegevoegd, luidend als volgt :
  " 9° inzake nieuwe affectatie, overeenkomstig artikel 50, § 2, b), § 3 en § 4. ".
Art. 44. Dans l'article 14ter, § 1er, alinéa 2, de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement, gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, de promotion sociale et artistique de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, modifié par le décret du 29 mars 2001, il est ajouté un point 9° libellé comme suit :
  " 9° en matière de nouvelle affectation, conformément à l'article 50, § 2, b), § 3 et § 4. "
Art. 45. In artikel 14quater, § 1, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het decreet van 29 maart 2001, wordt een punt 6° toegevoegd, luidend als volgt :
  " 6° inzake nieuwe affectatie, overeenkomstig artikel 50, § 2, a), § 4 en § 5, a). ".
Art. 45. Dans l'article 14quater, § 1er, alinéa 2, du même arrêté, modifié par le décret du 29 mars 2001, il est ajouté un point 6° libellé comme suit :
  " 6° en matière de nouvelle affectation, conformément à l'article 50, § 2, a), § 4 et § 5, a). "
Art. 46. In artikel 46, § 3 van hetzelfde besluit, vervangen door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993, wordt het volgende lid toegevoegd :
  " Er mag geen nieuwe affectatie in een wervingsambt overeenkomstig artikel 50 worden toegekend in een betrekking die door een prioritaire tijdelijke wordt bekleed. ".
Art. 46. Dans l'article 46, § 3 du même arrêté, remplacé par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 10 juin 1993, est ajouté l'alinéa suivant :
  " Une nouvelle affectation dans une fonction de recrutement conformément à l'article 50, ne peut être accordée dans un emploi occupé par un temporaire prioritaire. "
Art. 47. Artikel 49 van hetzelfde besluit, opgeheven door het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993 en weder ingevoerd bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 4 juli 1994, wordt aangevuld met de volgende woorden : " en op het personeelslid bedoeld in artikel 50, § 5, a) ".
Art. 47. L'article 49 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 10 juin 1993 et rétabli par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 4 juillet 1994 est complété par les termes suivants : " et sur le membre du personnel visé à l'article 50, § 5, a). "
Art. 48. Art. 50 van hetzelfde besluit, opgeheven bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993, wordt weder ingevoerd en ingevoegd in een nieuwe afdeling 3 bis, luidend als volgt :
  " Afdeling 3bis. - Overgang tussen wervingsambten, selectieambten en bevorderingsambten
  Art. 50. § 1. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt kan, op zijn aanvraag, een nieuwe affectatie krijgen in een vacante betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat toegang verleent tot zijn huidige ambt.
  Het personeelslid dat dit stelsel geniet, kan zich niet meer kandidaat stellen voor de uitoefening van het ambt dat het heeft verlaten, behoudens afwijking verantwoord door uitzonderlijke omstandigheden en toegekend door de Regering, gedurende een termijn van 10 jaar te rekenen vanaf de dag waarop zijn in § 2 bepaalde aanvraag wordt ingediend.
  § 2. a) Het personeelslid dat een nieuwe affectatie overeenkomstig § 1 wenst te bekomen in een wervingsambt of een selectieambt, in een inrichting van de zone waarin het geaffecteerd is, dient, bij aangetekend schrijven, een met uitzonderlijke redenen omklede aanvraag in bij de Regering in de loop van de maand januari. Het zendt er een afschrift van aan de voorzitter van de bevoegde zonale affectatiecommissie over.
  De Regering kent de nieuwe affectatie toe indien het personeelslid alle voorwaarden voor de toegang tot het betrokken ambt vervult en na het gunstig advies van voornoemde commissie te hebben ingewonnen. Die nieuwe affectatie is geldig vanaf 1 juli eerstkomende.
  b) Het personeelslid dat een nieuwe affectatie overeenkomstig § 1 wenst te bekomen in een wervingsambt of een selectieambt, in een inrichting van een andere zone, dient, bij aangetekend schrijven, een met uitzonderlijke redenen omklede aanvraag in bij de Regering in de loop van de maand januari. Het zendt er een afschrift van aan de voorzitter van de bevoegde interzonale affectatiecommissie over.
  De Regering kent de nieuwe affectatie toe indien het personeelslid alle voorwaarden voor de toegang tot het betrokken ambt vervult en na het gunstig advies van voornoemde commissie te hebben ingewonnen.
  Die nieuwe affectatie is geldig vanaf 1 juli eerstkomende.
  c) Het bij deze paragraaf bedoelde personeelslid aan wie de Regering een nieuwe affectatie in een wervingsambt overeenkomstig § 1 toekent, wordt in dienst geroepen, alvorens als prioritaire tijdelijke te worden aangesteld, zoals bepaald in artikel 37.
  § 3. Het personeelslid dat overeenkomstig paragraaf 1 een nieuwe affectatie wenst te bekomen in een ander bevorderingsambt dan dat waarin het in vast verband benoemd is in een inrichting van dezelfde zone of van een andere zone, dient, bij aangetekend schrijven, een met uitzonderlijke redenen omklede aanvraag in bij de Regering in de loop van de maand oktober. Het zendt er een afschrift van aan de voorzitter van de bevoegde interzonale affectatiecommissie.
  De Regering kent de nieuwe affectatie toe indien het personeelslid alle voorwaarden voor de toegang tot het betrokken ambt vervult en na het gunstig advies van voornoemde commissie te hebben gekregen.
  Die nieuwe affectatie is geldig vanaf 1 januari eerstkomende.
  Deze paragraaf is niet van toepassing op het personeel van de inspectiedienst.
  § 4. Een nieuwe affectatie overeenkomstig § 1 kan voorlopig worden uitgevoerd in een niet vacante betrekking, indien die betrekking wordt vrijgemaakt voor ten minste één schooljaar.
  De nieuwe affectatie in een niet vacante betrekking wordt uitgevoerd volgens de regels die respectievelijk in § 2 en in § 3 nader bepaald zijn.
  § 5. Het personeelslid dat de toepassing van § 4 heeft genoten, wordt binnen de inrichting definitief geaffecteerd in een vacante betrekking van het ambt :
  a) op 1 september die volgt op de kennisgeving bedoeld in artikel 17bis, voor zover de zonale affectatiecommissie en de interzonale affectatiecommissie vergaderd zijn tussen de datum van voormelde kennisgeving en [1 de eerste dag van het schooljaar]1, indien de nieuwe affectatie in een wervingsambt plaatsvindt;
  b) op de eerste dag van de maand volgend op de kennisgeving bedoeld in artikel 17bis, indien de nieuwe affectatie in een selectieambt of een bevorderingsambt plaatsvindt.
  § 6. De betrekking waarvan een overeenkomstig § 4 geaffecteerd personeelslid titularis was, is vacant, indien dat lid die betrekking niet na twee opeenvolgende schooljaren opnieuw bekleedt. Van de vacantverklaring wordt overeenkomstig artikel 17 bis opnieuw kennis gegeven.
  Artikel 50. Het personeelslid bedoeld in artikel 50 krijgt de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig die bepaling geaffecteerd is.
  Het personeelslid bedoeld in artikel 50, dat gedurende ten minste 10 jaar het selectieambt of het bevorderingsambt dat het verlaat, heeft uitgeoefend, geniet echter een degressief weddeschaalstelsel, om, vanaf het derde jaar, de weddeschaal te genieten van het ambt waarin het overeenkomstig artikel 50 geaffecteerd is, die vastgesteld is als volgt :
  a) in de loop van het eerste jaar volgend op zijn nieuwe affectatie, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het in het ambt dat het heeft verlaten, genoot, en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;
  b) in de loop van het tweede jaar volgend op zijn nieuwe affectatie, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het in het ambt dat het heeft verlaten, genoot, en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is. "
  
Art. 48. L'article 50 du même arrêté, abrogé par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 10 juin 1993, est rétabli et inséré dans une nouvelle Section 3bis libellée comme suit :
  " Section 3bis. - Des passerelles entre fonctions de recrutement, de sélection et de promotion.
  Art. 50. § 1er. Un membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction de sélection ou de promotion peut, à sa demande, obtenir une nouvelle affectation dans un emploi vacant d'une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion qui donne accès à sa fonction actuelle.
  Le membre du personnel qui bénéficie du présent mécanisme ne peut plus se porter candidat à l'exercice de la fonction qu'il a quittée, sauf dérogation justifiée par des circonstances exceptionnelles et accordée par le Gouvernement, durant un délai de dix ans débutant au jour d'introduction de sa demande prévue au § 2.
  § 2. a) Le membre du personnel qui désire obtenir une nouvelle affectation conformément au § 1er dans une fonction de recrutement ou de sélection, dans un établissement de la zone au sein de laquelle il est affecté, introduit, par pli recommandé, une demande motivée par des circonstances exceptionnelles auprès du Gouvernement dans le courant du mois de janvier. Il en adresse copie au président de la commission zonale d'affectation compétente.
  Le Gouvernement accorde la nouvelle affectation si le membre du personnel remplit toutes les conditions d'accès à la fonction concernée et moyennant avis favorable de la commission précitée. Cette nouvelle affectation produit ses effets le 1er juillet suivant.
  b) Le membre du personnel qui désire obtenir une nouvelle affectation conformément au § 1er dans une fonction de recrutement ou de sélection, dans un établissement d'une autre zone introduit, par pli recommandé, une demande motivée par les circonstances exceptionnelles auprès du Gouvernement dans le courant du mois de janvier. Il en adresse copie au président de la commission interzonale d'affectation compétente.
  Le Gouvernement accorde la nouvelle affectation si le membre du personnel remplit toutes les conditions d'accès à la fonction concernée et moyennant avis favorable de la commission précitée.
  Cette nouvelle affectation produit ses effets le 1er juillet suivant.
  c) Le membre du personnel visé au présent paragraphe auquel le Gouvernement accorde une nouvelle affectation dans une fonction de recrutement conformément au § 1er est appelé en service avant toute désignation en qualité de temporaire prioritaire, telle que prévue à l'article 37.
  § 3. Le membre du personnel qui désire obtenir une nouvelle affectation conformément au § 1er dans une fonction de promotion autre que celle dans laquelle il est nommé à titre définitif d'un établissement de la même zone ou d'une autre zone, introduit, par pli recommandé, une demande motivée par les circonstances exceptionnelles auprès du Gouvernement dans le courant du mois d'octobre. Il en adresse copie au président de la commission interzonale d'affectation compétente.
  Le Gouvernement accorde la nouvelle affectation si le membre du personnel remplit toutes les conditions d'accès à la fonction concernée et moyennant avis favorable de la commission précitée.
  Cette nouvelle affectation produit ses effets le 1er janvier suivant.
  Le présent paragraphe ne s'applique pas au personnel du service d'inspection.
  § 4. Une nouvelle affectation conformément au § 1er peut s'opérer provisoirement dans un emploi non vacant, si cet emploi est libéré pour une année scolaire au moins.
  La nouvelle affectation dans un emploi non vacant s'opère selon les modalités définies respectivement au § 2 et au § 3.
  § 5. Le membre du personnel qui a bénéficié de l'application du § 4 est définitivement affecte au sein de l'établissement dans un emploi vacant de la fonction :
  a) le 1er septembre qui suit la notification visée à l'article 17bis, pour autant que la commission zonale d'affectation et la commission interzonale d'affectation se soient réunies entre la date de la notification précitée et le [1 1er septembre]1, si la nouvelle affectation a lieu dans une fonction de recrutement;
  b) le 1er jour du mois qui suit la notification visée à l'article 17bis si la nouvelle affectation a lieu dans une fonction de sélection ou de promotion.
  § 6. L'emploi dont était titulaire un membre du personnel affecté conformément au § 4 est vacant si celui-ci ne réintègre pas cet emploi après deux années scolaires consécutives. La vacance est notifiée conformément à l'article 17bis.
  Article 50. Le membre du personnel vise à l'article 50 se voit attribuer l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté conformément à cette disposition.
  Toutefois, le membre du personnel visé à l'article 50, qui a exercé à titre définitif pendant au moins dix ans la fonction de sélection ou de promotion qu'il quitte, bénéficie d'un mécanisme dégressif d'échelles de traitement pour rejoindre à partir de la 3e année l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté conformément à l'article 50, fixé comme suit :
  a) Au cours de la première année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecte, augmentée d'un montant équivalent à 66 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté;
  b) Au cours de la deuxième année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté, augmentée d'un montant équivalent à 33 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté. "
  
Art. 49. Artikel 78, derde lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgende woorden : " of met toepassing van artikel 50. ".
Art. 49. L'article 78, alinéa 3 du même arrêté est complété par les termes suivants : " ou par application de l'article 50. "
Art. 50. Artikel 92, tweede lid, van hetzelfde besluit wordt aangevuld met de volgend woorden : " of bij toepassing van artikel 50. "
Art. 50. L'article 92, alinéa 2 du même arrêté est complété par les termes suivants : " ou par application de l'article 50. "
Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen.
Section V. - Dispositions modificatives.
Art. 51. In het voormelde koninklijk besluit van 22 maart 1969 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) artikel 78, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1983, bij het besluit van de Executieve van 24 augustus 1992 en bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993, wordt aangevuld met de volgende leden :
  " Mits een opzeggingstermijn van veertien dagen, kan de Regering, ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de tijdelijke aanstelling van een personeelslid dat een selectieambt uitoefent.
  Vóór elke beslissing van de Regering, moet het personeelslid uitgenodigd worden zich te laten horen door de ambtenaar-generaal die door de Regering of zijn afgevaardigde wordt aangewezen, wanneer de beslissing op eigen initiatief wordt genomen, door de directeur, wanneer deze het initiatief voor dat voorstel heeft genomen.
  Van de oproeping voor de hoorzitting, alsook van de redenen waarom de Regering van plan is een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid of waarom de directeur daar een voorstel van aan de Regering wenst te richten, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst zijn of in ruste gesteld zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakvereniging die de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.
  Wanneer het voorstel door de directeur wordt gedaan, wordt het gelijktijdig aan het personeelslid voorgelegd. Het voorstel wordt door dat personeelslid geviseerd en gedateerd. Het bezorgt het op dezelfde dag terug. Als het meent dat het voorstel niet gegrond is, viseert het dat voorstel dienovereenkomstig, dateert het en bezorgt het binnen dezelfde termijn terug. De directeur zendt het voorstel op dezelfde dag aan de Regering over.
  De Regering neemt haar beslissing binnen de 10 dagen na die overzending of na de overzending van het proces-verbaal dat opgemaakt wordt door de administrateur-generaal van Onderwijs en Wetenschappelijk Onderzoek of diens afgevaardigde. "
  b) Het eerste lid van artikel 83, zoals gewijzigd bij het decreet van 3 maart 2004, wordt gewijzigd als volgt :
  1. in 3°bis, worden de woorden " 3 000 dagen " vervangen door de woorden " 1 800 dagen ";
  2. in 4°, worden de woorden " 1 800 dagen " vervangen door de woorden " 600 dagen ".
  c) De artikelen 78 tot 91 van hoofdstuk VII, zoals gewijzigd bij het besluit van de Regering van 10 juni 1993, maken een afdeling uit waarvan het opschrift " Afdeling 1 - Algemene bepalingen " luidt.
  d) Tussen artikel 91 en artikel 92 wordt een afdeling 2, met als opschrift " Afdeling 2. - Opdrachtenblad en evaluatie van sommige selectieambten van het onderwijs voor sociale promotie " ingevoegd, luidend als volgt :
  " Afdeling 2. - Opdrachtenblad en evaluatie van sommige selectieambten van het onderwijs voor sociale promotie.
  Art. 91bis. § 1. Deze afdeling is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt zoals bedoeld in artikel 6 ter, 6°, b, van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  § 2. Voor de toepassing van deze afdeling, dient onder " directeur " te worden verstaan, het personeelslid dat, in welke hoedanigheid ook, titularis is van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie zoals bepaald in artikel 6 ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  Onderafdeling I. - Opdrachtenblad.
  Art. 91ter. Zodra het personeelslid bedoeld in artikel 91 bis van dit besluit in dienst is getreden, wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe, dat door de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs vooraf wordt goedgekeurd.
  De directeur bepaalt er de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 91bis en de prioriteiten die hem worden toegewezen, op grond van de behoeften van de inrichting waarin het wordt geaffecteerd en op grond van de doelstellingen die vervat zijn in het opdrachtenblad dat deze laatste zelf heeft gekregen, overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Art. 91 quater. § 1. Het opdrachtenblad heeft een geldigheidsduur van zes jaar.
  § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan vóór het einde van die termijn, ten vroegste na twee jaar, worden gewijzigd door de directeur, op grond van de evolutie van de behoeften en de werking van de inrichting.
  In afwijking van artikel 1, kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van zijn geldigheidsduur worden gewijzigd, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 91bis.
  Art. 91quinquies. § 1. In afwijking van artikel 91ter, eerste lid, kan de directeur, in voorkomend geval, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 91bis van dit decreet.
  De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad toe aan het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 91bis voor een periode die langer is dan of gelijk is aan één jaar, of waarvan de aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bedragen.
  § 2. Het in dit artikel bedoelde opdrachtenblad kan tot doel hebben het opdrachtenblad te bevestigen van het in artikel 91bis bedoelde personeelslid dat wordt vervangen of een nieuw document op te stellen.
  Onderafdeling II. - Opleidingsevaluatie.
  Art. 91sexies. Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid.
  Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld bij de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 91bis voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of waarvan de aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bedragen. De benaming " personeelslid " bedoeld in deze afdeling geldt ook voor dat personeelslid.
  Art. 91septies. Om de vijf jaar vanaf zijn benoeming in vast verband of zijn aanstelling in tijdelijk verband, wordt ieder personeelslid gezamenlijk geëvalueerd door de directeur en de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Als deze dit nuttig acht, kan hij het personeelslid vroeger evalueren.
  Onverminderd artikel 91octies, kan het personeelslid echter niet meer dan twee keer per periode van tien jaar worden geëvalueerd.
  Art. 91octies. De evaluatie berust op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en, in voorkomend geval, op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de bij dit besluit bedoelde opleidingen.
  Bij die evaluatie wordt rekening gehouden met de globale context waarin het personeelslid moet werken en met de middelen die ter beschikking worden gesteld.
  Art. 91novies. Op grond van die evaluatie beslist de directeur in onderlinge overeenstemming met het personeelslid over de aan te brengen verbeteringen. "
  a) Artikel 92, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 16 februari 1983, bij het besluit van de Executieve van 24 augustus 1992 en bij het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 10 juni 1993 wordt aangevuld als volgt :
  " Mits een opzeggingstermijn van 14 dagen, kan de Regering een einde maken aan de aanstelling van een tijdelijk aangesteld personeelslid dat een bevorderingsambt uitoefent.
  Voordat de Regering een beslissing neemt, moet het personeelslid worden uitgenodigd zich te laten horen door de ambtenaar-generaal die door de Regering of diens afgevaardigde wordt aangesteld.
  Van de oproeping voor de hoorzitting, alsook van de redenen waarom de directeur van plan is een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven, ofwel bij overhandiging van een brief met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst zijn of in ruste gesteld zijn in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakvereniging die de personeelsleden van het onderwijs van de Franse Gemeenschap vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die zitting hebben in de Nationale Arbeidsraad. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.
  De Regering neemt haar beslissing binnen de tien dagen na de overzending van het proces-verbaal dat werd opgesteld door de door de Regering aangestelde ambtenaar-generaal, of diens afgevaardigde. "
  b) In artikel 94, § 1, zoals gewijzigd bij het decreet van 1 januari 2005, wordt een nieuw tweede lid ingevoegd, luidend als volgt :
  " In afwijking van het vorige lid, kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt een verandering van affectatie pas aanvragen nadat het zijn ambt in de betrekking die het bekleedt, gedurende een periode van drie jaar heeft uitgeoefend. "
  c) Artikel 97, zoals gewijzigd bij het decreet van 3 maart 2004, wordt gewijzigd als volgt :
  - in het eerste lid, 3°, worden de woorden " 3 000 dagen " vervangen door de woorden " 2 400 dagen ";
  - in het eerste lid, 8°, worden de woorden " of wat betreft de personeelsleden die in vast dienstverband benoemd werden in het onderwijs met volledig leerplan bedoeld in het derde lid, van het brevet van prefectstudie en van directeur " geschrapt;
  - het derde lid wordt geschrapt.
Art. 51. Dans l'arrêté royal du 22 mars 1969 précité, sont apportées les modifications suivantes :
  a) L'article 78, modifié par l'arrêté royal du 16 février 1983, par l'arrêté de l'Exécutif du 24 août 1992 et par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 10 juin 1993 est complété par les alinéas suivants :
  " Moyennant un préavis de quinze jours, le Gouvernement peut, soit sur proposition du directeur, soit d'initiative, mettre fin à la désignation d'un membre du personnel exerçant une fonction de sélection désigné à titre temporaire.
  Préalablement à toute décision du Gouvernement, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou son délégué lorsque la décision est prise d'initiative, par le directeur lorsque ce dernier est à la base de proposition.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le Gouvernement envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel ou en raison desquels le directeur envisage d'en faire la proposition au Gouvernement, lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement organisé par la Communauté française ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement de la Communauté française affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
  Lorsque la proposition est formulée par le directeur, elle est soumise au membre du personnel au moment où elle est formulée. Ce dernier vise et date la proposition. Il la restitue le jour même. S'il estime que la proposition n'est pas fondée, il la vise en conséquence, la date et la restitue dans le même délai. Le directeur transmet, le jour même, la proposition au Gouvernement.
  Le Gouvernement prend sa décision dans les dix jours de cette transmission ou de la transmission du procès-verbal dressé par l'Administrateur général de l'Enseignement et de la Recherche scientifique ou son délégué ".
  b) L'alinéa 1er de l'article 83, tel que modifié par le décret du 3 mars 2004, est modifie comme suit :
  1. au 3°bis, les termes " 3 000 jours " sont remplacés par les termes " 1 800 jours ";
  2. au 4°, les termes " 1 800 jours " sont remplacés par les termes " 600 jours ".
  c) Les articles 78 à 91 du chapitre VII, tel que modifié par l'arrêté du Gouvernement du 10 juin 1993 forment une section intitulée " Section 1re. - Dispositions générales ".
  d) Une section 2, intitulée " Section 2. - De la lettre de mission et de l'évaluation de certaines fonctions de sélection de l'enseignement de promotion sociale ", rédigée comme suit, est insérée entre l'article 91 et l'article 92 :
  " Section 2. - De la lettre de mission et de l'évaluation de certaines fonctions de sélection de l'enseignement de promotion sociale.
  Art. 91bis. § 1er. La présente section s'applique aux membres du personnel titulaires d'une fonction de sélection telle que visée à l'article 6ter, 6°, b de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  § 2. Pour l'application de la présente section, il faut entendre par " directeur " le membre du personnel titulaire, à quelque titre que ce soit, de la fonction de promotion de directeur d'établissement de promotion sociale telle que prévue à l'article 6ter, 6°, a de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  Sous-section Ire. - De la lettre de mission.
  Art. 91ter. Dès l'entrée en fonction du membre du personnel visé à l'article 91bis du présent arrêté, le directeur lui confie une lettre de mission, approuvée préalablement par la Commission d'évaluation visée à l'article 37 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Le directeur y spécifie les missions du membre du personnel visé à l'article 91bis et les priorités qui lui sont assignées, en fonction des besoins de l'établissement au sein duquel il est affecté et en fonction des objectifs contenus dans la lettre de mission que ce dernier a lui-même reçue, conformément au chapitre III du titre II du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Art. 91quater. § 1er. La lettre de mission a une durée de six ans.
  § 2. Le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, au plus tôt après deux ans, par le directeur, en raison de l'évolution des besoins et du fonctionnement de l'établissement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, de commun accord entre le directeur et le membre du personnel visé à l'article 91bis.
  Art. 91quinquies. § 1er. Par dérogation à l'article 91ter, alinéa 1er, le directeur, si besoin est, peut confier une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 91bis du présent décret.
  Le directeur confie d'office une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 91bis pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an.
  § 2. La lettre de mission visée au présent article peut consister dans la confirmation de la lettre de mission du membre du personnel visé à l'article 91bis faisant l'objet d'un remplacement ou dans un nouveau document.
  Sous-section II. - De l'évaluation formative.
  Art. 91sexies. Cette section s'applique au membre du personnel nommé à titre définitif.
  Elle s'applique également au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 91bis pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an. La dénomination " membre du personnel " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
  Art. 91septies. Tous les cinq ans à dater de sa nomination à titre définitif ou de sa désignation à titre temporaire, chaque membre du personnel fait l'objet d'une évaluation effectuée conjointement par le directeur et la Commission d'évaluation visée à l'article 37 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Si ce dernier le juge utile, il peut procéder, plus tôt, à une évaluation du membre du personnel.
  Toutefois, sans préjudice de l'article 91octies, le membre du personnel ne peut faire l'objet de plus de deux évaluations par période de dix ans.
  Art. 91octies. L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée à la section I du présent chapitre et, le cas échéant, sur la mise en pratique des compétences acquises dans le cadre des formations visées au présent arrêté.
  Elle tient compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le membre du personnel et des moyens qui sont mis à sa disposition.
  Art. 91novies. En fonction de cette évaluation, le directeur convient avec le membre du personnel des améliorations à apporter. "
  a) L'article 92 modifié par l'arrêté royal du 16 février 1983, par l'arrêté de l'Exécutif du 24 août 1992 et par l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 10 juin 1993 est complété comme suit :
  " Moyennant un préavis de quinze jours, le Gouvernement peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel exerçant une fonction de promotion désigné à titre temporaire.
  Préalablement à toute décision du Gouvernement, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou son délégué.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le directeur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement organisé par la Communauté française ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement de la Communauté française affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
  Le Gouvernement prend sa décision dans les dix jours de la transmission du procès-verbal dressé par le fonctionnaire général désigné par le Gouvernement ou son délégué ".
  b) A l'article 94, § 1er, tel que modifié par le décret du 1er juillet 2005, un nouvel alinéa 2, rédigé comme suit, est inséré :
  " Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel titulaire d'une fonction de promotion ne peut demander de changement d'affectation qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans ".
  c) L'article 97, tel que modifié par le décret du 3 mars 2004, est modifié comme suit :
  - à l'alinéa 1er, 3°, les termes " 3 000 jours " sont remplacés par les termes " 2 400 jours ";
  - à l'alinéa 1er, 8°, les termes " ou, en ce qui concerne les membres du personnel nommés à titre définitif dans l'enseignement de plein exercice visés à l'alinéa 3, du brevet de préfet des études et de directeurs " sont supprimés;
  - l'alinéa 3 est supprimé.
Art. 52. In het voormelde decreet van 4 januari 1999 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) artikel 7 wordt opgeheven;
  b) in het eerste lid van artikel 8, worden de woorden " houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het ambt waarvoor het benoemd is " vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt dat toegang verschaft tot het betrokken bevorderingsambt of selectieambt. ";
  c) artikel 8, eerste lid, 1°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 1° een ambt uitoefenen waarin ten minste de helft van het minimum aantal uren zijn begrepen vereist om een ambt met volledige dagtaak te vormen "
  d) artikel 8, eerste lid, 2°, wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " 2° de volgende dienstanciënniteit en ambtsanciënniteit tellen :
  - voor de toegang tot een selectieambt, respectievelijk zes jaar en twee jaar;
  - voor de toegang tot een bevorderingsambt, respectievelijk acht jaar en zes jaar. "
  e) In artikel 10, eerste lid, 2°, worden de woorden " houder zijn van het bekwaamheidsbewijs vereist voor dit wervingsambt " vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een wervingsambt bedoeld in 1° ";
  f) In artikel 11, 2°, worden de woorden " houder zijn van het bekwaamheidsbewijs vereist voor dit wervingsambt " vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een wervingsambt bedoeld in 1° ";
  g) In artikel 12, 2°, worden de woorden " houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt " vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° ";
  h) In artikel 12 bis, 2°, worden de woorden " houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt " vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° ";
  i) In artikel 13, eerste lid, 2°, worden de woorden " houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt " vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° ";
  j) In artikel 13, tweede lid, worden de woorden " van het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs of van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau van de tweede graad " vervangen door de woorden " van een bekwaamheidsbewijs van het hoger niveau ";
  k) In artikel 14, 2°, worden de woorden " houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs vereist voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° ";
  l) In artikel 15, 2°, worden de woorden " houder van het bekwaamheidsbewijs vereist voor het in 1° bedoelde ambt " vervangen door de woorden " houder van een bekwaamheidsbewijs voor de uitoefening van een ambt bedoeld in 1° ";
  m) In artikel 15, 3°, worden de woorden " van de tweede graad of van het bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs " geschrapt;
  n) artikel 18 wordt aangevuld met het volgende lid : " Dit artikel is niet van toepassing op de ambten van directeur zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 1° van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. ".
  o) In artikel 19, eerste lid, worden de woorden " van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool ", " van studieprefect of directeur " en " van directeur in het lager secundair onderwijs " geschrapt.
  p) In artikel 22, wordt een § 5 toegevoegd, luidend als volgt :
  " § 5. De vaste commissie vervult eveneens de functies die haar worden toegewezen overeenkomstig hoofdstuk II van Titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs ".
  q) In artikel 23, wordt het vierde lid vervangen door de volgende bepaling :
  " Ieder personeelslid wordt toegelaten tot de opleiding waarvoor het wenst zich in te schrijven, behalve als de betrokkene, op de datum van de indiening van zijn aanvraag om deelneming, niet of niet meer voldoet aan alle voorwaarden opgesomd in artikel 8, eerste lid, met uitzondering van punt 6°, of in het tweede lid, 1° en 2° van hetzelfde artikel. De in artikel 8, eerste lid, 2° bedoelde dienstanciënniteit vereist voor de toelating tot de opleiding is vier jaar voor de opleidingen die toegang verschaffen tot een selectieambt en 6 jaar voor de opleidingen die toegang verschaffen tot een bevorderingsambt. "
  r) In artikel 24, zesde lid, worden de woorden " van niveau 1 " vervangen door de woorden " van ten minste niveau 2 ";
  s) In artikel 25, worden de eerste en tweede leden geschrapt;
  t) Artikel 26 wordt vervangen door de volgende bepaling :
  " De personeelsleden die voor de drie proeven slagen, zijn houder van het brevet in verband met het ambt ".
  u) In artikel 28, § 1, worden de woorden " bij artikel 27 " vervangen door de woorden " bij de artikelen 9, 13, 15 en 27 ".
  v) Artikel 28, § 1, zesde lid wordt aangevuld als volgt : " De Regering kan, om de continuïteit in het selectieambt of het bevorderingsambt te verzekeren of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, de reïntegratie van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt met hoogstens 6 maanden uitstellen vanaf de datum van de indiening van de aanvraag van het personeelslid. "
  w) Er wordt een hoofdstuk IV bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Hoofdstuk IVbis. - Opdrachtenblad en evaluatie van sommige bevorderingsambten en selectieambten.
  Art. 28bis. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderingsambt of een selectieambt zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van dit decreet alsook in artikel 5, 1° en 2° van dit decreet alsook in artikel 7, c, 12° van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk dient onder " directeur " te worden verstaan, het personeelslid dat, in welke hoedanigheid dan ook, titularis is van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs, of studieprefect, of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van dit decreet.
  § 3. Voor de toepassing van dit hoofdstuk op de bestuurders, dient onder " commissie " te worden verstaan, de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, met uitzondering van artikel 28ter, waarin er, onder directeur, moet worden verstaan, de Regering van de Franse Gemeenschap, op voorstel van de evaluatiecommissie
  Afdeling I. - Opdrachtenblad.
  Art. 28ter. Zodra het personeelslid bedoeld in artikel 28bis van dit decreet in dienst treedt, wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe, vooraf goedgekeurd door de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  De directeur bepaalt er de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 28bis en de prioriteiten die hem worden toegewezen, rekening houdend met de opleidingsprofielen vermeld in het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 4 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden en ambtsprofielen van de titularissen van een bevorderings- en selectieambt bij toepassing van artikel 18 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten volgens de behoeften van de inrichting waarin het aangesteld is en de doelstellingen die vervat zijn in het opdrachtenblad dat het gekregen heeft, overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Art. 28quater. § 1. Het opdrachtenblad heeft een geldigheidsduur van zes jaar.
  § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan vóór het einde van zijn geldigheidsduur, ten vroegste na twee jaar, worden gewijzigd door de directeur op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting.
  In afwijking van het eerste lid, kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van zijn geldigheidsduur, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 28bis, worden gewijzigd.
  Art. 28quinquies. § 1. In afwijking van artikel 28ter, eerste lid, kan de directeur, in voorkomend geval, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 28bis van dit decreet.
  De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad toe aan het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 28bis voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wiens aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bereikt.
  § 2. Het opdrachtenblad bedoeld bij dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het vervangen personeelslid bedoeld in artikel 28bis te bevestigen of een nieuw document op te stellen.
  Afdeling II. - Opleidingsevaluatie.
  Art. 28sexies. Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid.
  Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat in tijdelijk verband wordt aangesteld voor de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 28bis voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wiens aanstellingsduur ten minste één jaar heeft bereikt. De benaming " personeelslid " bedoeld in deze afdeling geldt eveneens voor dat personeelslid.
  Art. 28septies. Om de vijf jaar, te rekenen vanaf de datum van zijn benoeming in vast verband of van zijn tijdelijke aanstelling, wordt ieder personeelslid gezamenlijk geëvalueerd door de directeur en de evaluatiecommissie bedoeld in artikel 37 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Als deze dit nuttig acht, kan hij het personeelslid vroeger evalueren.
  Onverminderd artikel 28 octies kan het personeelslid echter niet meer dan twee keer per periode van tien jaar worden geëvalueerd.
  Art. 28 octies. De evaluatie steunt op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en, in voorkomend geval, op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld bij dit decreet.
  Bij die evaluatie wordt rekening gehouden met de globale context waarin het personeelslid moet werken en met de middelen die ter beschikking worden gesteld.
  Art. 28novies. Op grond van die evaluatie, beslist de directeur in onderlinge overeenstemming met het personeelslid over de aan te brengen verbeteringen. "
  x) Artikel 43 wordt aangevuld als volgt :
  " De personeelsleden die in tijdelijk verband aangesteld of aangeworven zijn op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, in het secundair onderwijs van de lagere graad of in het secundair onderwijs van de hogere graad, in het ambt van werkmeester of in het ambt van werkplaatsleider, worden, op de datum van inwerkingtreding van dit decreet, geacht tijdelijk aangesteld of aangeworven te zijn in het ambt van werkmeester of werkplaatsleider. "
Art. 52. Dans le décret du 4 janvier 1999 précité, sont apportées les modifications suivantes :
  a) L'article 7 est abrogé;
  b) A l'alinéa 1er de l'article 8, les termes " porteur du titre requis pour la fonction à laquelle il est nommé " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction donnant accès à la fonction de promotion ou de sélection considérée ";
  c) L'article 8, alinéa 1er, 1°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 1° exercer une fonction comprenant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes "
  d) L'article 8, alinéa 1er, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° compter l'ancienneté de service et l'ancienneté de fonction suivantes :
  - pour l'accès à une fonction de sélection, respectivement six ans et deux ans;
  - pour l'accès à une fonction de promotion, respectivement huit ans et six ans. "
  e) A l'article 10, alinéa 1er, 2°, les termes " porteur du titre requis pour cette fonction de recrutement " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction de recrutement visée au 1° ";
  f) A l'article 11, 2°, les termes " porteur du titre requis pour cette fonction de recrutement " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction de recrutement visée au 1° ";
  g) A l'article 12, 2°, les termes " porteur du titre requis pour la fonction visée au 1° " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction visée au 1° ";
  h) A l'article 12bis, 2°, les termes " porteur du titre requis pour la fonction visée au 1° " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction visée au 1° ";
  i) A l'article 13, alinéa 1er, 2°, les termes " porteur du titre requis pour la fonction visée au 1° " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction visée au 1° ";
  j) dans l'article 13, alinéa 2, les termes " du titre d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur ou d'un titre du niveau supérieur du deuxième degré " sont remplacés par les termes " d'un titre du niveau supérieur ";
  k) A l'article 14, 2°, les termes " porteur du titre requis pour la fonction visée au 1° " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction visée au 1° ";
  l) A l'article 15, 2°, les termes " porteur du titre requis pour la fonction visée au 1° " sont remplacés par les termes " porteur d'un titre requis pour l'exercice d'une fonction visée au 1° ";
  m) dans l'article 15, 3°, les termes " du deuxième degré ou du titre d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur " sont supprimés;
  n) l'article 18 est complété par l'alinéa suivant : " Le présent article ne s'applique pas aux fonctions de directeur telles que visées à l'article 2, § 1er, 1° du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs. ".
  o) Dans l'article 19, alinéa 1er, les termes " de directeur d'école maternelle, de directeur d'école primaire, de directeur d'école fondamentale ", " de préfet des études ou directeur " et " de directeur dans l'enseignement secondaire inférieur " sont supprimés.
  p) A l'article 22, un § 5 est ajouté, rédigé comme suit :
  " § 5. La Commission permanente remplit également les fonctions qui lui sont attribuées conformément au chapitre II du titre II du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs ".
  q) A l'article 23, l'alinéa 4 est remplacé par la disposition suivante :
  " Tout membre du personnel est admis à la formation à laquelle il désire s'inscrire sauf si, à la date de l'introduction de sa demande de participation, l'intéressé ne satisfait pas ou plus à toutes les conditions énoncées à l'article 8, alinéa 1er, à l'exception du point 6°, ou à l'alinéa 2, 1° et 2° du même article. Toutefois, l'ancienneté de service requise, visée à l'article 8, alinéa 1er, 2° pour l'admission à la formation est de quatre ans pour les formations donnant accès à une fonction de sélection et de 6 ans pour les formations donnant accès à une fonction de promotion. "
  r) Dans l'article 24, alinéa 6, les termes " de niveau 1 " sont remplacés par les termes " de niveau 2 au moins ";
  s) Dans l'article 25, les alinéas 1er et 2 sont supprimés;
  t) L'article 26 est remplacé par la disposition suivante :
  " Les membres du personnel qui satisfont aux trois épreuves sont titulaires du brevet en rapport avec la fonction "
  u) Dans l'article 28, § 1er, les termes " à l'article 27 " sont remplacés par les termes " aux articles 9, 13, 15 et 27 ".
  v) L'article 28, § 1er, alinéa 6 est complété comme suit : " Le Gouvernement peut, pour assurer la continuité dans la fonction de sélection ou de promotion ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel. "
  w) Il est inséré un chapitre IVbis libellé comme suit :
  " CHAPITRE IVbis. - De la lettre de mission et de l'évaluation de certaines fonctions de promotion et de sélection.
  Art. 28bis. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel titulaires d'une fonction de promotion ou de sélection telle que visée à l'article 4, 3° et à l'article 5, 1° et 2° du présent décret ainsi qu'à l'article 7, c, 12° de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  § 2. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " directeur " le membre du personnel titulaire, à quelque titre que ce soit, de la fonction de promotion de directeur d'école maternelle, de directeur d'école primaire, de directeur d'école fondamentale, de directeur de l'enseignement secondaire inférieur ou de préfet des études ou directeur, telles qu'énumérées aux articles 3 et 4, 1° et 2° du présent décret.
  § 3. Pour l'application du présent chapitre aux administrateurs, il faut entendre par " Commission " la Commission d'évaluation visée à l'article 37 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs, à l'exception de l'article 28ter, dans lequel par " directeur " il faut entendre le Gouvernement de la Communauté française, sur proposition de la Commission d'évaluation.
  Section Ire. - De la lettre de mission.
  Art. 28ter. Dès l'entrée en fonction du membre du personnel visé à l'article 28bis du présent décret, le directeur lui confie une lettre de mission, approuvée préalablement par la Commission d'évaluation visée à l'article 37 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Le directeur y spécifie les missions du membre du personnel visé à l'article 28bis et les priorités qui lui sont assignées, en tenant compte des profils de fonction tels que repris à l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 4 juillet 2002 précisant les attributions et définissant les profils de fonction des titulaires d'une fonction de promotion et de sélection en application de l'article 18 du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection en fonction des besoins de l'établissement au sein duquel il est affecté et en fonction des objectifs contenus dans la lettre de mission que ce dernier a lui-même reçue, conformément au chapitre III du titre II du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Art. 28quater. § 1er. La lettre de mission a une durée de six ans.
  § 2. Le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, au plus tôt après deux ans, par le directeur, en raison de l'évolution des besoins et du fonctionnement de l'établissement. Par dérogation à l'alinéa 1er, le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, de commun accord entre le directeur et le membre du personnel visé à l'article 28bis.
  Art. 28quinquies.
  § 1er. Par dérogation à l'article 28ter, alinéa 1er, le directeur, si besoin est, peut confier une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 28bis du présent décret.
  Le directeur confie d'office une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 28bis pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an.
  § 2. La lettre de mission visée au présent article peut consister dans la confirmation de la lettre de mission du membre du personnel visé à l'article 28bis faisant l'objet d'un remplacement ou dans un nouveau document.
  Section II. - De l'évaluation formative.
  Art. 28sexies. Cette section s'applique au membre du personnel nommé à titre définitif.
  Elle s'applique également au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 28bis pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an. La dénomination " membre du personnel " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
  Art. 28septies. Tous les cinq ans à dater de sa nomination à titre définitif ou de sa désignation à titre temporaire, chaque membre du personnel fait l'objet d'une évaluation effectuée conjointement par le directeur et la Commission d'évaluation visée à l'article 37 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Si ce dernier le juge utile, il peut procéder, plus tôt, à une évaluation du membre du personnel.
  Toutefois, sans préjudice de l'article 28octies, le membre du personnel ne peut faire l'objet de plus de deux évaluations par période de dix ans.
  Art. 28octies. L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée à la section Ire du présent chapitre et, le cas échéant, sur la mise en pratique des compétences acquises dans le cadre des formations visées au présent décret.
  Elle tient compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le membre du personnel et des moyens qui sont mis à sa disposition.
  Art. 28novies. En fonction de cette évaluation, le directeur convient avec le membre du personnel des améliorations à apporter. "
  x) L'article 43 est complété comme suit :
  " Les membres du personnel désignés ou engagés à titre temporaire à la date d'entrée en vigueur du présent décret dans l'enseignement secondaire du degré inférieur ou dans l'enseignement secondaire du degré supérieur, à la fonction de chef d'atelier ou à la fonction de chef de travaux d'atelier, sont réputés à la date d'entrée en vigueur du présent décret, être désignés ou engagés à titre temporaire à la fonction de chef d'atelier ou de chef de travaux d'atelier. "
Art. 53. Het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 22 april 1999, genomen ter uitvoering van artikel 8 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten, wordt opgeheven.
Art. 53. L'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 22 avril 1999 pris en application de l'article 8 du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de sélection et de promotion, est abroge.
Art. 54. In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 4 juli 2002 tot bepaling van de bevoegdheden en ambtsprofielen van de titularissen van een bevorderings- en selectieambt bij toepassing van artikel 18 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten, worden de artikelen 1 en 2 alsook de bijlagen 1 en 2 opgeheven.
Art. 54. Dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 4 juillet 2002 précisant les attributions et définissant les profils de fonction des titulaires d'une fonction de promotion et de sélection en application de l'article 18 du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection, les articles 1er et 2, ainsi que les annexes 1re et 2 sont abrogés.
Art. 55. In het besluit van de Regering van de Franse Gemeenschap van 18 juli 2002 houdende organisatie van de vormingen van de verscheidene sessies betreffende de in de artikelen 19, 20 en 21 bedoelde bevorderings- en selectieambten, tot toekenning van vrijstellingen en tot organisatie van de proeven die de vormingen bekrachtigen, bij toepassing van de artikelen 23, 24 en 25 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten en tot oprichting van de verschillende examencommissies belast met het uitreiken van de betrokken brevetten, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) in artikel 1, § 3, eerste lid, worden de woorden " van studieprefect of directeur of directeur in het lager secundair onderwijs " en de woorden " directeur in het kleuter-, lager of basisonderwijs " geschrapt;
  b) in artikel 1, § 3, tweede lid, worden de woorden " van studieprefect of directeur of directeur in het lager secundair onderwijs " en " van directeur in het kleuter-, lager of basisonderwijs " geschrapt :
  c) in artikel 4, § 1, wordt het eerste streepje geschrapt;
  d) in artikel 6, worden de § 3 en § 4, 1° en 2° geschrapt;
  e) in artikel 9, 2°, worden de punten a) en b) geschrapt;
  f) in artikel 10, § 2, worden de punten 1° en 2° geschrapt;
  g) in artikel 13, worden de punten 1 en 5 geschrapt.
Art. 55. Dans l'arrêté du Gouvernement de la Communauté française du 18 juillet 2002 organisant les formations des diverses sessions relatives aux fonctions de promotion et de sélection visées aux articles 19, 20 et 21, accordant des dispenses et organisant les épreuves sanctionnant les formations, en application des articles 23, 24 et 25 du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection et constituant les différents jurys chargés de délivrer les brevets y afférents, les modifications suivantes sont apportées :
  a) à l'article 1er, § 3, alinéa 1er, les termes " de préfet des études ou directeur ou directeur dans l'enseignement secondaire inférieur " et les termes " de directeur d'école maternelle, primaire ou fondamentale " sont supprimés;
  b) à l'article 1er, § 3, alinéa 2, les termes " de préfet des études ou directeur ou directeur dans l'enseignement secondaire inférieur, de directeur d'école maternelle, primaire ou fondamentale " sont supprimés;
  c) à l'article 4, § 1er, le premier tiret est supprimé;
  d) à l'article 6, le § 3 et le § 4, 1° et 2° sont supprimés;
  e) à l'article 9, 2°, les littera a) et b) sont supprimés;
  f) à l'article 10, § 2, le 1° et 2° sont supprimes;
  g) à l'article 13, le 1° et le 5° sont supprimés.
HOOFDSTUK II. - Het gesubsidieerd officieel onderwijs.
CHAPITRE II. - De l'enseignement officiel subventionné.
Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toegang tot de stage en [1 de benoeming in vast verband]1.
Section Ire. - Conditions générales d'accès au stage et de [1 nomination à titre définitif]1.
Art. 56. § 1. De inrichtende macht die tot de stage in het bevorderingsambt van directeur moet toelaten :
  1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen ambt van directeur;
  2° wint van de personeelsleden elke informatie in die volgens deze haar nuttig moeten worden meegedeeld met het oog op de toelating tot de stage.
  § 2. [1 De inrichtende macht, na toepassing van § 1:
   a. bepaalt het ambtsprofiel van de directeur dat moet worden toegekend. Dit ambtsprofiel wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 5, § 2;
   b. start een oproep tot het indienen van kandidaturen overeenkomstig het model bedoeld in artikel 31.]1

  [1 § 3. In afwijking van het vorige lid, wordt een oproep tot het indienen van kandidaturen voor toelating tot de stage niet gestart wanneer het dienstverband permanent vacant wordt, in de volgende twee gevallen:
   a. wanneer het personeelslid tijdelijk is benoemd, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, na een oproep tot het indienen van kandidaturen voor een tijdelijk vacante betrekking op termijn uitgaande op een definitief vacante betrekking en waarvan het model in hoofdstuk V titel II wordt bedoeld.
   In dit geval laat de inrichtende macht tot de stage de tijdelijk aangestelde directeur toe op de datum van de definitieve vacantverklaring van het ambt. De duur van de stage wordt verminderd ten belope van de tijd die al tijdelijk op deze betrekking is verstrekt.
   De evaluaties worden gemaakt, mutatis mutandis, in overeenstemming met artikel 33, § § 2 tot 5;
   b. wanneer het personeelslid tijdelijk is aangesteld in een niet-vacant ambt na een oproep tot kandidaturen, en dit, ononderbroken sedert minstens 3 jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant werd verklaard.
   In dit geval wordt het personeelslid in vast verband benoemd wanneer de betrekking vacant wordt verklaard, indien hij aan de voorwaarden van artikel 58 voldoet.]1

  [2 Indien een directeur die zijn ambt uitoefent binnen een inrichtende macht die niet is aangesloten bij een federatie van inrichtende machten, niet al zijn getuigschriften, bedoeld in artikel 58 1°, heeft behaald op het ogenblik dat het ambt vacant wordt, kan hij zijn inrichtende macht verzoeken een opleiding van één jaar te volgen.]2
  
Art. 56. § 1er. Le pouvoir organisateur qui doit admettre au stage à la fonction de promotion de directeur :
  1° consulte la commission paritaire locale sur le profil de la fonction de directeur à pourvoir;
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de l'admission au stage.
  § 2. [1 Le pouvoir organisateur, après application du § 1er:
   a) arrête le profil de la fonction de directeur à pourvoir. Ce profil de fonction est établi conformément à l'article 5, § 2;
   b) lance un appel à candidatures selon le modèle visé à l'article 31.]1

  [1 § 3. Par dérogation au paragraphe précédent, un appel à candidatures pour l'admission au stage ne doit pas être lancé, lorsque l'emploi devient définitivement vacant, dans les deux cas suivants :
   a) lorsque le membre du personnel a été désigné à titre temporaire, conformément aux dispositions du présent chapitre, à la suite d'un appel à candidatures pour un emploi temporairement vacant débouchant à terme sur un emploi définitivement vacant et dont le modèle est visé au chapitre V du titre II.
   Dans ce cas, le pouvoir organisateur admet au stage le directeur désigné à titre temporaire à la date de la vacance définitive de l'emploi. La durée du stage est réduite à concurrence du temps déjà presté, à titre temporaire, dans cet emploi.
   Les évaluations se font, mutatis mutandis, conformément à l'article 33, §§ 2 à 5;
   b) lorsque le membre du personnel a été désigné à titre temporaire dans un emploi non vacant suite à un appel à candidatures et ce, de manière ininterrompue depuis 3 ans au moins à la date à laquelle l'emploi est devenu vacant.
   Dans ce cas, le membre du personnel est nommé à titre définitif lorsque l'emploi devient vacant, s'il remplit les conditions de l'article 58.]1

  [2 Si un directeur exerçant ses fonctions au sein d'un pouvoir organisateur non affilié à une fédération de pouvoirs organisateurs, n'a pas obtenu toutes ses attestations de réussite, telles que visées à l'article 58 1°, au moment où l'emploi devient vacant, il peut demander à son pouvoir organisateur de suivre un stage d'un an.]2
  
Art. 56bis. [1 § 1. De inrichtende macht zet een selectiecommissie op. Ze is samengesteld uit leden of afgevaardigden van de inrichtende macht.
   Ze omvat minstens één lid met pedagogische expertise en een of meer leden van buiten de inrichtende macht, met ervaring op het gebied van human resources en bij de selectie van personeel.
   De samenstelling van de selectiecommissie wordt aan de Regeringsdiensten meegedeeld op de wijze die ze bepalen.
   § 2. De selectie van kandidaten is gebaseerd op het ambtsprofiel dat door de inrichtende macht is ontwikkeld in overeenstemming met artikel 5, lid 2 en bij de oproep tot het indienen van kandidaturen is gevoegd, en inzonderheid op de evaluatie van de technische en gedragscompetenties verwacht van de kandidaten, met indicatoren voor beheersing, en hun verenigbaarheid met het pedagogische en opvoedingsproject van de inrichtende macht.
   § 3. De selectiecommissie kan de kandidaturen in het dossier onderzoeken en rangschikken en alleen de kandidaten horen die na deze selectie zijn geselecteerd.
   Aan het einde van de hoorzittingen stelt deze een verslag op waarin de kandidaten worden ingedeeld en alle nuttige informatie wordt verstrekt om de classificatie te motiveren.
   Dit verslag wordt verzonden aan de inrichtende macht die op basis hiervan het besluit neemt om de kandidaten tot de stage toe te laten.
   Op verzoek van een kandidaat, communiceert hem de inrichtende macht de gegevens voor de evaluatie van de technische en gedragscompetenties en de verenigbaarheid van deze bevoegdheden met de door het ambtsprofiel gedefinieerde en gewogen selectiecriteria.]1

  
Art. 56bis. [1 § 1er. Le pouvoir organisateur met en place une commission de sélection. Elle est composée de membres ou de délégués du pouvoir organisateur.
   Elle comprend au moins un membre disposant d'une expertise pédagogique et un ou plusieurs membres extérieurs au pouvoir organisateur, disposant d'une expérience en ressources humaines et en matière de sélection de personnel.
   La composition de la commission de sélection est communiquée aux Services du Gouvernement selon les modalités qu'ils fixent.
   § 2. La sélection des candidats se fonde sur le profil de fonction élaboré par le pouvoir organisateur conformément à l'article 5, § 2, et annexé à l'appel à candidatures et, plus particulièrement, sur l'évaluation des compétences techniques et comportementales attendues des candidats, assorties d'indicateurs de maîtrise, et leur compatibilité avec le projet éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur ainsi que, dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, avec le projet pédagogique et artistique de l'établissement.
   § 3. La commission de sélection peut opérer un tri des candidatures sur dossier et n'entendre que les candidats retenus suite à cette sélection.
   Au terme des auditions, celle-ci établit un rapport classant les candidats et fournissant toutes informations utiles pour motiver le classement.
   Ce rapport est adressé au pouvoir organisateur qui, sur cette base, prend la décision d'admission au stage.
   A la demande de tout candidat, le pouvoir organisateur lui communique les informations relatives à l'évaluation de ses compétences techniques et comportementales et à la compatibilité de ces compétences avec les critères de sélection définis et pondérés par le profil de fonction.]1

  
Art. 57. [1 § 1. Niemand kan tot de stage in het ambt van directeur toegelaten worden indien hij, op het ogenblik van de toelating tot de stage, niet aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1°. minstens houder zijn van een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2; in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, kunnen personeelsleden in vakken waarvoor geen niveau-opleiding bestaat met uitreiking van een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2, tot de stage worden toegelaten, op voorwaarde dat zij over een bekwaamheidsbewijs bedoeld in de artikelen 105 tot en met 108, onder a) of b), van het decreet van 2 juni 1998 tot organisatie van secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap beschikken;
   2°. een van de onderwijsbekwaamheidsbewijzen vermeld in artikel 100 bezitten;
   3°. een dienstanciënniteit hebben van 3 jaar in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
   4°. de oproep tot het indienen van kandidaturen als bedoeld in artikel 56 hebben beantwoord.
   Voldoet aan voorwaarden 1 ° en 2 °, de kandidaat die beschikt over een diploma dat tegelijkertijd een pedagogisch bekwaamheidsbewijs en een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2 op zijn minst is.
   De directeur toegelaten tot de stage volgens artikel 30 wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden 1 °, 2 ° en 3 ° van het eerste lid.
   § 2. Een inrichtende macht die certificeert dat zij een oproep tot het indienen van kandidaturen heeft gedaan en geen geldige kandidatuur heeft ontvangen na deze eerste oproep, kan een tweede oproep indienen voor kandidaturen die niet voldoen aan voorwaarde 3 ° bedoeld in § 1.
   Indien de persoon die tot de stage is toegelaten geen ambt uitoefent in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs op het moment van de toelating tot de stage, mag zij alleen in ambt treden als zij ook aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1. de politieke en burgerlijke rechten genieten;
   2. aan de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot het taalstelsel voldoen;
   3. van onberispelijk gedrag zijn;
   4. aan de dienstplichtwetten voldoen.]1

  
Art. 57. [1 § 1er. Nul ne peut être admis au stage dans la fonction de directeur s'il ne répond, au moment de l'admission au stage, aux conditions suivantes :
   1° être porteur d'un [2 titre de niveau bachelier]2 au moins; dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, les membres du personnel enseignant des disciplines pour lesquelles n'existe pas de formation délivrant [2 titre de niveau bachelier]2, peuvent être admis au stage pour autant qu'ils soient porteurs d'un des titres visés aux articles 105 à 108 point a) ou b) du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française;
   2° être porteur d'un des titres pédagogiques listés à l'article 100;
   3° avoir une ancienneté de service de 3 ans dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 56.
   Remplit les conditions 1° et 2°, le candidat qui possède un diplôme constitutif à la fois d'un titre pédagogique et d'un [2 titre de niveau bachelier]2 au moins.
   Le directeur admis au stage en vertu de l'article 30 est réputé remplir les conditions 1°, 2° et 3° de l'alinéa 1er.
   § 2. Un pouvoir organisateur qui atteste avoir lancé un appel à candidatures et n'avoir pas reçu de candidature valable après ce 1er appel, peut lancer un second appel à candidatures ne remplissant pas la condition 3° visée au § 1er.
   Si la personne admise au stage n'exerce pas de fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française au moment de son admission au stage, elle ne pourra entrer en fonction que si elle rencontre également les conditions suivantes :
   1° jouir des droits civils et politiques;
   2° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
   3° être de conduite irréprochable;
   4° satisfaire aux lois sur la milice.]1

  
Art. 58. [1 Een personeelslid kan enkel in het ambt van directeur in vast verband benoemd worden als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1. de slaagattesten zoals bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid, en de verklaring van vervolg als bedoeld in artikel 15, § 1, vierde lid, hebben behaald;
   2. op de oproep tot het indienen van kandidaturen als bedoeld in artikel 56 hebben geantwoord;
   3. een dienstanciënniteit van minstens zes jaar hebben verkregen, berekend overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 34 van voormeld decreet van 6 juni 1994.
   Voor het personeelslid dat niet aan deze voorwaarde voldoet, wordt de stage verlengd totdat hij aan deze voorwaarde voldoet;
   4. drie evaluaties hebben gekregen, waarvan de laatste tot de vermelding "gunstig" heeft geleid.]1

  
Art. 58. [1 Un membre du personnel ne peut être nommé à titre définitif dans la fonction de directeur que s'il remplit les conditions suivantes :
   1° avoir obtenu les attestations de réussite visées à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, et l'attestation de suivi visée à l'article 15, § 1er, alinéa 4;
   2° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 56;
   3° avoir acquis une ancienneté de service de six ans au moins, calculée selon les modalités fixées à l'article 34 du décret du 6 juin 1994 précité.
   Le membre du personnel qui ne remplit pas cette condition voit son stage prolongé jusqu'à ce qu'il remplisse ladite condition;
   4° avoir obtenu trois évaluations dont la dernière a abouti à la mention " favorable ".]1

  
Art. 58bis. [1 § 1. Een inrichtende macht kan enkel tot een vaste benoeming overgaan voor een vacante betrekking van een ambt van directeur, als zij niet vereist is, op grond van de regels van de terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking en van de regels van reaffectatie, die betrekking aan een terbeschikkinggesteld personeelslid toe te wijzen.
   § 2. Benoeming in een ambt van directeur kan alleen plaatsvinden als de betrekking als hoofdambt bezet is.
   § 3. Benoemingen zijn niet toegestaan in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, afdeling, vestiging, graad, cyclus of andere onderverdeling die met toepassing van de regels inzake rationalisering, geleidelijk aan het sluiten is of slechts voor een beperkte periode kan worden gesubsidieerd.]1

  
Art. 58bis. [1 § 1er. Un pouvoir organisateur ne peut procéder à une nomination à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de directeur que s'il n`est pas tenu, en vertu de la réglementation relative à la mise en disponibilité par défaut d'emploi et à la réaffectation, d'attribuer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité.
   § 2. La nomination à une fonction de directeur ne peut intervenir que si l'emploi est occupé en fonction principale.
   § 3. Les nominations ne sont pas permises dans un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré, d'un cycle ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation, est en fermeture progressive ou qui ne peut être subventionné que pour une période limitée.]1

  
Art. 59. [1 § 1. Wanneer een vastbenoemd directeur, na een oproep tot het indienen van kandidaturen, in een andere betrekking van directeur, zoals bepaald in artikel 2, door zijn inrichtende macht wordt benoemd, moet zij hem tot de stage toelaten als de betrekking definitief vacant is of hem tijdelijk aanwijzen als de betrekking tijdelijk vacant is. Gedurende deze periode blijft de directeur titularis van zijn oorspronkelijke betrekking en geniet hij verlof in overeenstemming met de artikelen 9 of 14 van het voormelde koninklijk besluit van 15 januari 1974.
   In afwijking van het vorige lid kan de directeur enkel toegelaten worden tot de stage of tijdelijk benoemd worden, nadat hij zijn ambten in het ambt dat hij bekleedt gedurende een periode van drie jaar heeft uitgeoefend.
   § 2. Na één jaar maakt de inrichtende macht een evaluatie op basis van de aangepastheid aan de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. Indien deze evaluatie gunstig is, wordt de directeur vast benoemd in het ambt dat hij bekleedt wanneer het definitief vacant is.
   In het geval van een ongunstige evaluatie wordt zijn ambt beëindigd en keert hij terug naar zijn oorspronkelijke betrekking.
   Bovendien kan het ambt worden beëindigd overeenkomstig de artikelen 33 en 34.]1

  [2 § 3. In afwijking van §§ 1 en 2 kan de inrichtende overheid, wanneer de betrekking definitief vacant is en zij aan het einde van de beroepsprocedure een van haar definitieve directeurs heeft gekozen, overgaan tot een wijziging van affectatie, overeenkomstig artikel 29, § 2, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van het statuut van het gesubsidieerd personeel in het gesubsidieerd officieel onderwijs of, indien het een ander onderwijsniveau betreft, tot de onmiddellijke benoeming van de directeur in die betrekking.
   Deze procedure is alleen van toepassing als het personeelslid zijn ambt in de betrekking die hij bekleedt gedurende een periode van minstens drie jaar heeft uitgeoefend.]2

  
Art. 59. [1 § 1er. Lorsqu'un directeur définitif est désigné, suite à un appel à candidatures, dans un autre emploi de directeur, tel que défini à l'article 2, par son pouvoir organisateur, celui-ci l'admet au stage si l'emploi est définitivement vacant ou le désigne à titre temporaire si l'emploi est temporairement vacant. Durant cette période, le directeur reste titulaire de son emploi d'origine et bénéficie d'un congé conformément aux articles 9 ou 14 l'arrêté royal du 15 janvier 1974 précité.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, le directeur ne peut être admis au stage ou désigné à titre temporaire qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans.
   § 2. Après un an, le pouvoir organisateur effectue une évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. Si cette évaluation est favorable, le directeur est nommé à titre définitif dans l'emploi qu'il occupe, lorsque celui-ci est définitivement vacant.
   En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son emploi d'origine.
   Il peut en outre être mis fin à la fonction conformément aux articles 33 et 34.]1

  [2 § 3. Par dérogation aux §§ 1 et 2, lorsque l'emploi est définitivement vacant et que le pouvoir organisateur a sélectionné, au terme de la procédure d'appel, l'un de ses directeurs définitifs, il peut procéder à un changement d'affectation, conformément à l'article 29 § 2 du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidié de l'enseignement officiel subventionné ou, s'il s'agit d'un autre niveau d'enseignement, à la nomination immédiate du directeur dans cet emploi.
   Cette procédure n'est applicable que si le membre du personnel a exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans au moins.]2

  
Art. 59bis. [1 § 1. Wanneer een vastbenoemd directeur, na een oproep tot het indienen van kandidaturen, wordt benoemd tot een ander ambt van directeur, zoals gedefinieerd in artikel 2, bij een andere inrichtende macht dan deze waarbij hij vast wordt benoemd, laat deze laatste hem tot de stage toe als de betrekking definitief vacant is of wijst hem tijdelijk aan als de betrekking tijdelijk vacant is. Gedurende deze periode behoudt de directeur zijn oorspronkelijke betrekking en geniet hij verlof in overeenstemming met de artikelen 9 of 14 van het voormelde koninklijk besluit van 15 januari 1974.
   In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid slechts tot de stage worden toegelaten of tijdelijk worden aangewezen nadat hij zijn ambten in het ambt dat hij uitoefent gedurende een periode van drie jaar heeft uitgeoefend.
   § 2. Na één jaar maakt de inrichtende macht een evaluatie op basis van de aangepastheid aan de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. Indien deze evaluatie ongunstig is, wordt een einde gesteld aan zijn ambt en keert hij terug naar zijn oorspronkelijke betrekking.
   Na twee jaar maakt de inrichtende macht een tweede evaluatie op basis van de aangepastheid aan de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. Indien deze evaluatie gunstig is, wordt de directeur vast benoemd in de betrekking die hij bekleedt, wanneer deze definitief vacant is.
   In het geval van een ongunstige evaluatie wordt zijn ambt beëindigd en keert hij terug naar zijn oorspronkelijke betrekking.
   Bovendien kan het ambt worden beëindigd overeenkomstig de artikelen 33 en 34.]1

  
Art. 59bis. [1 § 1er. Lorsqu'un directeur définitif est désigné, suite à un appel à candidatures, dans un autre emploi de directeur, tel que défini à l'article 2, auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il est nommé à titre définitif, ce dernier l'admet au stage si l'emploi est définitivement vacant ou le désigne à titre temporaire si l'emploi est temporairement vacant. Durant cette période, le directeur reste titulaire de son emploi d'origine et bénéficie d'un congé conformément aux articles 9 ou 14 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 précité.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel ne peut être admis au stage ou désigné à titre temporaire qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans.
   § 2. Après un an, le pouvoir organisateur effectue une évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son emploi d'origine.
   Après deux ans, le pouvoir organisateur effectue une deuxième évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. Si cette évaluation est favorable, le directeur est nommé à titre définitif dans l'emploi qu'il occupe, lorsque celui-ci est définitivement vacant.
   En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son emploi d'origine.
   Il peut, en outre, être mis fin à la fonction conformément aux articles 33 et 34.]1

  
Afdeling II. - Tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur.
Section II. - De la désignation à titre temporaire dans un emploi de directeur.
Art. 60. [1 § 1. Het ambt van directeur kan tijdelijk worden toegewezen, na de in de artikelen 56 en 56bis bedoelde beroepsprocedure, mutatis mutandis van toepassing op een personeelslid dat aan alle voorwaarden bedoeld bij artikel 57 voldoet:
   1°. als de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
   2°. in het geval bedoeld in artikel 58bis, § 3.
   Gedurende deze periode blijft het personeelslid titularis van het ambt waarin hij vast is benoemd.
   Hij wordt, mutatis mutandis, beoordeeld overeenkomstig artikel 33, §§ 2 tot en met 5.
   § 2. Voor elke aanstelling met een duur gelijk aan of minder dan 15 weken, is de voorwaarde van artikel 57, § 1, 3 ° [2 en 4°]2, niet verplicht. Bovendien zijn de overheden bedoeld in artikel 27bis van bovengenoemd decreet van 6 juni 1994 gemachtigd om tot dergelijke aanwijzingen over te gaan met een duur van 15 weken of minder.
   Deze aanwijzing voor maximaal 15 weken kan worden verlengd mits de totale duur van de aanwijzing niet meer dan 12 maanden bedraagt.
   De afwezigheid van de ambtstitularis wordt verlengd, dient de inrichtende macht uiterlijk op de laatste dag van de aanwijzingsperiode als bedoeld in het vorige lid een oproep tot het indienen van kandidaturen in.
   In afwijking van lid 2 wordt de aanwijzing verlengd in de periode tussen de oproep tot het indienen van kandidaturen en de voordracht van een kandidaat.
   De inrichtende macht wijst een kandidaat aan binnen drie maanden na de oproep tot het indienen van kandidaturen. Bij ontstentenis hiervan wordt aan het einde van deze drie maanden de opdracht niet langer gesubsidieerd, tenzij de inrichtende macht verklaart dat zij als gevolg van deze oproep geen kandidatuur heeft die voldoet aan de criteria van het ambtsprofiel. .
   In dit geval wordt, in afwijking van de leden 2 en 4, een aanvullende periode van niet meer dan 15 weken toegekend aan de inrichtende macht om een directeur aan te wijzen na een nieuwe oproepsprocedure. De oorspronkelijke aanwijzing bedoeld in de leden 1, 2 en 4 wordt niet gesubsidieerd na deze tweede oproep.]1

  
Art. 60. [1 § 1er. La fonction de directeur peut être confiée temporairement, suite à la procédure d'appel visée aux articles 56 et 56bis, appliquée mutatis mutandis, à un membre du personnel remplissant toutes les conditions visées à l'article 57 :
   1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
   2° dans l'hypothèse visée à l'article 58bis, § 3.
   Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé à titre définitif.
   Il est évalué, mutatis mutandis, conformément à l'article 33, §§ 2 à 5.
   § 2. Pour toute désignation d'une durée égale ou inférieure à 15 semaines, la condition de l'article 57, § 1er, 3° [2 et 4°]2, n'est pas obligatoire. Par ailleurs, les autorités visées à l'article 27bis du décret du 6 juin 1994 précité sont habilitées à effectuer ces désignations d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines.
   Cette désignation pour 15 semaines maximum peut être renouvelée pour autant que la durée totale de désignation n'excède pas 12 mois.
   Si l'absence du titulaire de la fonction se prolonge, le pouvoir organisateur lance un appel à candidatures au plus tard le dernier jour de la période de désignation visée à l'alinéa précédent.
   Par dérogation à l'alinéa 2, la désignation est prolongée pendant la période entre l'appel à candidatures et la désignation d'un candidat.
   Le pouvoir organisateur désigne un candidat dans les trois mois qui suivent l'appel à candidatures. A défaut, au terme de ces trois mois, l'emploi n'est plus subventionné sauf si le pouvoir organisateur atteste qu'il n'a pu obtenir, à la suite de cet appel, de candidature qui réponde aux critères du profil de fonction.
   Dans ce cas, par dérogation aux alinéas 2 et 4, un délai supplémentaire, ne dépassant pas 15 semaines, est octroyé au pouvoir organisateur afin de désigner un directeur au terme d'une nouvelle procédure d'appel. La désignation initiale visée aux alinéas 1, 2 et 4 n'est pas subventionnée au-delà de ce deuxième appel.]1

  
Art. 61. § 1. Elke tijdelijke aanstelling in een ambt van directeur wordt schriftelijk vastgesteld, met vermelding van de bepalingen bedoeld in artikel 21 van het voormelde decreet van 6 juni 1994, met uitzondering van 7°.
  § 2. De inrichtende macht kan geen tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur uitvoeren als zij verplicht wordt, bij de bepalingen in verband met de reaffectatie, die betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking wordt gesteld bij ontstentenis van betrekking.
  § 3. [1 Een tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur eindigt :
   a) in onderlinge overeenstemming;
   b) bij beslissing van de inrichtende macht, als gevolg van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel voor het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is in een ambt van directeur;
   c) of bij toepassing van artikel 22, eerste lid, van het voormelde decreet van 6 juni 1994.]1

  Het einde van het schooljaar heeft geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een betrekking van directeur.
  § 4. Met inachtneming van een opzeggingstermijn van veertien dagen, kan de inrichtende macht de aanstelling van een personeelslid beëindigen dat tijdelijk is aangesteld in een ambt van directeur.
  Vóór de kennisgeving van elke beslissing tot aanstellingsbeëindiging, moet het personeelslid uitgenodigd zijn zich door de inrichtende macht te laten horen.
  Van de oproeping voor de hoorzitting alsook van de redenen waarom de Regering van plan is om een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, wordt hem ten minste vijf werkdagen vóór de hoorzitting kennis gegeven ofwel bij een ter post aangetekend schrijven ofwel door de overhandiging van een schrijven met ontvangstbewijs. Bij de hoorzitting, kan het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen uit de personeelsleden die in actieve dienst of in ruste gesteld zijn in het gesubsidieerd officieel onderwijs of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt en aangesloten is bij organisaties die in de Nationale Arbeidsraad zitting hebben. Van de hoorzitting wordt een proces-verbaal opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het behoorlijk opgeroepen personeelslid zich niet bij de hoorzitting aanmeldt of er niet vertegenwoordigd wordt.
  
Art. 61. § 1er. Toute désignation temporaire dans un emploi de directeur est établie par écrit, en reprenant les mentions visées à l'article 21 du décret du 6 juin 1994 précité, à l'exception du 7°.
  § 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à une désignation temporaire dans un emploi de directeur s'il est tenu, par les dispositions relatives à la réaffectation, de conférer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  § 3. [1 Une désignation temporaire dans un emploi de directeur prend fin :
   a) d'un commun accord;
   b) par décision du pouvoir organisateur, suite à la procédure visée au § 4 du présent article pour le membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de directeur;
   c) ou par application de l'article 22, alinéa 1er du décret du 6 juin 1994 précité.]1

  Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur la désignation temporaire dans un emploi de directeur.
  § 4. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de directeur.
  Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
  
Afdeling III. [1 Mechanismen voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie]1
Section III. [1 Des mécanismes de soutien, de développement des compétences professionnelles et d'évaluation]1
Art. 62. Deze afdeling is van toepassing op de in vast verband benoemde directeurs.
  Ze is eveneens van toepassing op het personeelslid dat in het ambt van directeur tijdelijk wordt aangesteld voor een periode die gelijk is aan of langer is dan één jaar of wiens aanstelling ten minste één jaar heeft geduurd. De bij deze afdeling bedoelde benaming " directeur " geldt ook voor dat personeelslid.
Art. 62. Cette section s'applique aux directeurs nommés à titre définitif.
  Elle s'applique également au membre du personnel désigné à titre temporaire dans la fonction de directeur pour une durée égale ou supérieure à un an ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an. La dénomination " directeur " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
Art. 63. [1 - De leden van de inrichtende macht die verantwoordelijk zijn voor deze evaluatie, worden ondersteund door de federatie van hun inrichtende macht, die hen met name voorziet van eventuele gespecialiseerde technische expertise. Ze hebben bovendien toegang tot de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel.
   De inrichtende macht kan een beroep doen op deskundigen op het gebied van pedagogie of human resources, om de in onderafdeling II bedoelde gesprekken en/of evaluaties uit te voeren.]1

  
Art. 63. [1 - Les membres du pouvoir organisateur chargés de cette évaluation sont soutenus par leur fédération de pouvoir organisateur qui leur apporte notamment, une éventuelle expertise technique spécialisée. Par ailleurs, ils ont accès à la formation visée à l'article 132 du décret du 20 juillet 2023 relatif au soutien, au développement des compétences professionnelles et à l'évaluation des personnels de l'enseignement.
   Le pouvoir organisateur peut s'entourer d'experts en pédagogie ou en ressources humaines pour procéder aux entretiens et/ou évaluations visés à la sous-section II.]1

  
Onderafdeling 1. [1 Over het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties]1
Sous-section 1. [1 - Du mécanisme de soutien et de développement des compétences professionnelles]1
Art. 64. [1 § 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling tussen de directeur en zijn inrichtende macht en uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. Deze gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de inrichtende macht, maar kunnen ook worden aangevraagd door de directeur.
   Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek over professionele ontwikkeling.
   Van het gesprek over professionele ontwikkeling moet een rapport worden opgesteld.
   Een gesprek over professionele ontwikkeling moet voor zover mogelijk één keer per jaar plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar. Het gesprek over professionele ontwikkeling heeft betrekking op de uitvoering van de opdrachtbrief bedoeld in hoofdstuk III van Titel 1 en op de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst, indien een dergelijke overeenkomst bestaat.
   In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin de directeur zal werken, en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
   In dit kader houdt de inrichtende macht rekening met het volgende:
   a) in het kleuteronderwijs en in het leerplichtonderwijs met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht, en met het schoolproject bedoeld in titel 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;
   b) in het onderwijs voor sociale promotie met de bepalingen betreffende het pedagogisch project bedoeld in artikel 36, § 2 van het voornoemde decreet van 16 april 1991;
   c) in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht bedoeld in artikel 1 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, en met de bepalingen betreffende het pedagogisch en artistiek schoolproject bedoeld in artikel 3bis van hetzelfde decreet.
   § 2. Na het eerste gesprek over professionele ontwikkeling of op verzoek van de inrichtende macht of de directeur wordt een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties opgesteld.
   Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de inrichtende macht in overleg met de directeur.
   § 3. Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend, zoals bedoeld in artikel 65, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op de directeur, en de middelen die hem ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.
   Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de inrichtende macht of haar afgevaardigde bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden.
   Als de directeur weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet.
   Dit document kan in voorkomend geval worden gebruikt als basis voor het opstellen van het in artikel 65/1 bedoelde evaluatierapport.
   § 4. De periodiciteit ervan wordt zo aangepast dat de directeur het gegeven advies kan uitvoeren, of de aanbevolen vormingen kan volgen. Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties per schooljaar per personeelslid worden opgesteld.
   Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste "negatieve" evaluatie.
   § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan worden aangepast op initiatief van de inrichtende macht of op verzoek van de directeur. Deze aanpassingen worden medeondertekend door beide partijen. Als het personeelslid weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet.
   § 6. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats.
   Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de inrichtende macht of haar afgevaardigde.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.
   § 6. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]1

  
Art. 64. [1 § 1. Le mécanisme de soutien et de développement des compétences professionnelles est composé, notamment, d'entretiens de développement professionnel entre le directeur et son pouvoir organisateur et d'un plan de développement des compétences professionnelles et d'un entretien de clôture. Ces entretiens de développement professionnel sont organisés à l'initiative du pouvoir organisateur mais peuvent également être demandés par le directeur.
   Un délai de minimum cinq jours ouvrables doit être garanti entre la convocation à l'entretien de développement professionnel et la date de l'entretien de développement professionnel.
   L'entretien de développement professionnel doit faire l'objet d'un compte-rendu.
   Un entretien de développement professionnel doit avoir lieu dans la mesure du possible une fois par an, et, au minimum, une fois tous les trois ans. L'entretien de développement professionnel porte sur l'exécution de la lettre de mission visée au chapitre III du Titre 1er et sur la mise en oeuvre du contrat d'objectifs, quand celui-ci existe.
   Dans le cadre de l'entretien de développement professionnel, il est tenu compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le directeur et des moyens mis à sa disposition.
   Dans ce cadre, le pouvoir organisateur prend en considération :
   a) dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire, les dispositions relatives aux projets éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur et au projet d'établissement visés au titre 5 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire;
   b) dans l'enseignement de promotion sociale, les dispositions relatives au projet pédagogique visé à l'article 36, § 2, du décret du 16 avril 1991 précité;
   c) dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, les dispositions relatives au projet éducatif et au projet pédagogique du pouvoir organisateur visés à l'article 1er du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française et les dispositions relatives au projet pédagogique et artistique d'établissement visé à l'article 3bis du même décret.
   § 2. A la suite du premier entretien de développement professionnel ou à la demande du pouvoir organisateur ou du directeur, un plan de développement des compétences professionnelles est mis en place.
   Ce plan de développement des compétences professionnelles est élaboré par le pouvoir organisateur en concertation avec le directeur.
   § 3. Ce plan de développement des compétences professionnelles est formalisé dans un document cosigné, tel que visé à l'article 65 et contient des engagements mutuels des deux parties tels que des objectifs individualisés, spécifiques, réalistes et adaptés au directeur ainsi que les moyens mis à sa disposition pour les atteindre. Un maximum de quatre objectifs peut être fixé.
   L'obligation de co-signature visée à l'alinéa précédent est réputée remplie dès lors que le pouvoir organisateur ou son délégué fait la preuve que la demande de signature pour prise de connaissance a été adressée au membre du personnel.
   En cas de refus de signature du directeur, la procédure de mise en oeuvre du plan de développement des compétences professionnelles se poursuit valablement.
   Ce document peut, le cas échéant, servir de base à la rédaction du rapport d'évaluation visé à l'article 65/1.
   § 4. Sa périodicité est adaptée de manière à permettre au directeur de mettre en place les conseils dispensés ou de suivre les formations recommandées. Ainsi, il ne peut être élaboré plus d'un plan de développement des compétences professionnelles par année scolaire par membre du personnel.
   Toutefois, durant une même année scolaire, un membre du personnel faisant l'objet d'un plan de développement des compétences professionnelles peut également être amené à avoir un plan d'accompagnement individualisé élaboré suite à une première évaluation avec mention " défavorable ".
   § 5. Le plan de développement des compétences professionnelles peut faire l'objet d'ajustements à l'initiative du pouvoir organisateur ou à la demande du directeur. Ces ajustements sont cosignés par les deux parties. En cas de refus de signature du membre du personnel, la procédure de mise en oeuvre du plan de développement des compétences professionnelles se poursuit valablement.
   § 6. Le plan de développement des compétences professionnelles donne lieu à un entretien de clôture. Cet entretien intervient au plus tôt six mois après la mise en place du plan de développement des compétences professionnelles et au plus tard deux ans après celle-ci.
   L'entretien de clôture est mené par le pouvoir organisateur ou son délégué.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu.
   § 6. Pour le calcul des délais de six mois et deux ans précités, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant deces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1

  
Art. 65. [1 De regering stelt het model vast van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties dat als basis kan dienen voor de evaluatie bedoeld in onderafdeling 2.]1
  
Art. 65. [1 Le Gouvernement fixe le modèle de plan de développement des compétences professionnelles, pouvant servir de base à l'évaluation visée dans la sous-section 2.]1
  
Onderafdeling 2. [1 Over het evaluatiemechanisme]1
Sous-section 2. [1 - Du mécanisme d'évaluation]1
Art. 65/1. [1 § 1. In geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met de directeur werden bepaald, kan door de inrichtende macht een evaluatieprocedure worden gestart.
   De evaluatie wordt voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties.
   § 2. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties werd meegedeeld aan de directeur, en voor zover het afrondingsgesprek bedoeld in artikel 64, § 6 heeft plaatsgevonden, kan de inrichtende macht overgaan tot een evaluatie ervan. Deze periode wordt berekend overeenkomstig artikel 65/2, § 2.
   § 3. De directeur moet worden gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   § 4. De evaluatie resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie. Ze wordt geformaliseerd in het in artikel 65/5 bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties.
   Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een "positieve" evaluatie te hebben gekregen.
   § 5. In geval van een "negatieve" evaluatie wordt vervolgens een gesprek gepland tussen de directeur en de inrichtende macht, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Dit plan bepaalt de doelstellingen die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.
   Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.]1

  
Art.65/1. [1 § 1er. En cas de mauvaise volonté manifeste en lien avec ledit plan ou de carence manifeste et répétée à atteindre les objectifs identifiés avec le directeur dans le cadre du plan de développement des compétences professionnelles, une procédure d'évaluation peut être engagée par le pouvoir organisateur.
   L'évaluation est précédée d'un plan de développement des compétences professionnelles.
   § 2. Au plus tôt six mois après avoir communiqué ce plan de développement des compétences professionnelles au directeur et pour autant que l'entretien de clôture visé à l'article 64 § 6 ait eu lieu, le pouvoir organisateur peut procéder à une évaluation de celui-ci. Ce délai est calculé conformément à l'article 65/2, § 2.
   § 3. Le directeur doit être entendu préalablement à l'attribution de sa mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le directeur peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   § 4. L'évaluation débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable ". Elle est formalisée selon le document visé à l'article 65/5 et notifié au membre du personnel.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base du plan de développement des compétences professionnelles.
   En l'absence de rapport d'évaluation, tout membre du personnel est réputé bénéficier de la mention " favorable ".
   § 5. En cas d'évaluation débouchant sur la mention " défavorable ", un entretien entre le directeur et le pouvoir organisateur est, ensuite, fixé afin de mettre en place un plan d'accompagnement individualisé, basé sur les éléments évoqués lors de l'évaluation. Celui-ci détermine les objectifs que le directeur doit atteindre pour obtenir une mention favorable lors de l'évaluation suivante. Un maximum de 4 objectifs peut être fixé.
   Le plan d'accompagnement individualisé donne lieu à un entretien de clôture.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu.]1

  
Art. 65/2. [1 § 1. Als de directeur zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige "negatieve" evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden.
   Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.
   Na een "negatieve" evaluatie moet de volgende evaluatie echter plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.
   In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in artikel 65/3.
   § 2. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]1

  
Art.65/2. [1 § 1er. Après un délai de minimum six mois d'exercice de la fonction entre la communication au directeur du plan d'accompagnement individualisé convenu lors de l'évaluation avec mention " défavorable " qui précède, une nouvelle évaluation peut avoir lieu.
   Ce délai doit permettre au directeur de remédier aux carences constatées.
   Toutefois, après une évaluation avec mention " défavorable ", l'évaluation suivante doit intervenir dans un délai maximum de deux ans suivant la communication du plan d'accompagnement individualisé faisant suite à la précédente évaluation. A défaut, elle est réputée favorable.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, l'évaluation suivante peut intervenir dans un délai plus long en cas de prolongation du plan d'accompagnement individualisé telle que visée à l'article 65/3.
   § 2. Pour le calcul des délais de six mois et deux ans précités, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1

  
Art. 65/3. [1 § 1. Het evaluatierapport na een eerste definitieve "negatieve" evaluatie wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de Inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 65/5 bedoelde document en ter kennis van de directeur gebracht.
   Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.
   De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   § 2. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en anderzijds de directeur, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.
   Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.
   § 3. Nadat het individuele begeleidingsplan is verlengd, vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het individuele begeleidingsplan.
   Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.
   Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.
   § 4. Voor de berekening van de voornoemde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
   § 5. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 65/5, en wordt ter kennis gebracht van de directeur.
   Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.
   De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd officieel onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.]1

  
Art.65/3. [1 § 1er. Le rapport d'évaluation faisant suite à une première évaluation définitive avec mention " défavorable " est rédigé par le pouvoir organisateur. Il débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable " ou, en cas d'un commun accord entre le membre du personnel et le Pouvoir organisateur sur la prolongation du plan d'accompagnement individualisé. Le rapport d'évaluation est formalisé selon le document visé à l'article 65/5 ainsi que notifié au directeur.
   La prolongation du plan d'accompagnement individualisé est de minimum 3 mois et de maximum un an.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base des éléments du plan d'accompagnement individualisé.
   Le directeur doit avoir été entendu préalablement à l'attribution de sa mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le directeur peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel des établissements d'enseignement officiel subventionné, en activité de service ou pensionnés, ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   § 2. En cas de prolongation du plan d'accompagnement individualisé, un entretien entre, d'une part, le pouvoir organisateur et, d'autre part, le directeur est fixé afin de mettre en place un plan d'accompagnement individualisé, basé sur les éléments évoqués lors de l'évaluation. Celui-ci reprend les objectifs du plan d'accompagnement individualisé précédent que le directeur doit atteindre pour obtenir une mention favorable lors de l'évaluation suivante. Un maximum de 4 objectifs peut être fixé.
   Le plan d'accompagnement individualisé donne lieu à un entretien de clôture.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu.
   § 3. Après une prolongation du plan d'accompagnement individualisé, une nouvelle évaluation a lieu endéans un délai de minimum trois mois et un délai maximum d'un an d'exercice de la fonction à partir de la communication au membre du personnel du plan d'accompagnement individualisé adapté à la suite de la prolongation du plan d'accompagnement individualisé.
   A défaut, elle est réputée favorable.
   Ce délai doit permettre au directeur de remédier aux carences constatées.
   § 4. Pour le calcul des délais de trois mois et un an précités, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
   § 5. Le rapport d'évaluation faisant suite à une prolongation de plan d'accompagnement individualisé est rédigé par le pouvoir organisateur. Il débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable " et est formalisé selon le document visé à l'article 65/5 ainsi que notifié au directeur.
   La prolongation du plan d'accompagnement individualisé est de minimum 3 mois et de maximum un an.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base des éléments du plan d'accompagnement individualisé.
   Le directeur doit avoir été entendu préalablement à l'attribution de sa mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le directeur peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel des établissements d'enseignement officiel subventionné, en activité de service ou pensionnés, ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   Une évaluation ne peut avoir lieu qu'une fois par année scolaire.]1

  
Art. 65/4. [1 § 1. In geval van een "negatieve" evaluatie kan de directeur binnen de 10 werkdagen na ontvangst van het rapport beroep instellen overeenkomstig de voorwaarden die worden beschreven in hoofdstuk Vbis van het decreet van 6 juni 1994 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, en die mutatis mutandis van toepassing zijn. De directeur die gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend.
   § 2. De herhaling van twee opeenvolgende "negatieve" evaluaties over twee verschillende schooljaren, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 52novies/7 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, heeft als gevolg dat de dienst van de directeur ambtshalve wordt beëindigd, overeenkomstig artikel 58 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994.]1

  
Art.65/4. [1 § 1. En cas d'évaluation avec mention " défavorable ", le directeur peut, dans les 10 jours ouvrables qui suivent la réception du rapport, introduire un recours conformément aux modalités décrites au chapitre Vbis du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement officiel subventionné, applicables mutatis mutandis. Le directeur qui fait usage de son droit de recours en notifie immédiatement une copie à son pouvoir organisateur. Ce recours est suspensif.
   § 2. La répétition de deux mentions " défavorable " consécutives sur deux années scolaires distinctes, devenues définitives après épuisement des procédures devant la chambre de recours, telles que visées à l'article 52novies/7 du décret du 6 juin 1994 précité, a pour conséquence de mettre fin d'office aux fonctions du directeur conformément à l'article 58 du décret du 6 juin 1994 précité.]1

  
Art. 65/5. [1 - De regering legt het model vast van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport.]1
  
Art.65/5. [1 Le gouvernement fixe le modèle de plan d'accompagnement individualisé et de rapport d'évaluation.]1
  
Art. 65/6. [1 De in deze onderafdeling genoemde kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen gebeuren per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging.]1
  
Art.65/6. [1 Toute notification de document, de décision ou de convocation mentionnée dans la présente sous-section se fait par courrier recommandé avec accusé de réception ou par une remise de la main à la main avec accusé de réception. ]1
  
Onderafdeling 3 [1 - Over de deontologische regels]1
Sous-section 3. [1 - Des règles de déontologie]1
Art. 65/7. [1 - In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen:
   a) discretie;
   b) wederzijds respect.
   Bovendien moet de beoordelaar:
   a) hun instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;
   b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;
   c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.]1

  
Art.65/7. [1 - Dans le cadre des entretiens et évaluations visés à la présente section, le membre du personnel et son évaluateur sont tenus au respect des devoirs suivants :
   a) la discrétion ;
   b) le respect mutuel.
   En outre, l'évaluateur est tenu de :
   a) motiver, de manière adéquate et constructive, ses instructions/conseils/échanges avec le membre du personnel ainsi que la mention d'évaluation ;
   b) soutenir le membre du personnel dans l'atteinte de ses objectifs;
   c) respecter les devoirs d'impartialité et d'objectivité.]1

  
Afdeling IV. - Overgang tussen de bevorderingsambten, de selectieambten en de wervingsambten.
Section IV. - Des passerelles entre fonctions de promotion, de sélection et de recrutement.
Art. 66. In artikel 22, eerste lid, 2°, van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, worden de punten cbis ) en cter ) toegevoegd, luidend als volgt :
  " cbis ) bij toepassing van artikel 29bis, § 1;
  cter) bij toepassing van artikel 29bis, § 2; ".
Art. 66. Dans l'article 22, alinéa 1er, 2°, du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné, sont ajoutés les points cbis) et cter) libellés comme suit :
  " cbis) par application de l'article 29bis, § 1er;
  cter) par application de l'article 29bis, § 2; ".
Art. 67. In artikel 28 van hetzelfde decreet, wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt :
  " 3° indien zij de betrekking reeds heeft toegekend overeenkomstig de bepalingen bedoeld bij artikel 29bis. "
Art. 67. Dans l'article 28 du même décret, est ajouté un point 3° libellé comme suit :
  " 3° s'il a déjà attribué l'emploi conformément aux dispositions prévues à l'article 29bis. ".
Art. 68. In hetzelfde decreet worden een artikel 29bis en een artikel 29ter ingevoegd, luidend als volgt :
  " Artikel 29bis. § 1. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, als het dit aanvraagt en met de toestemming van de inrichtende macht, in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt in vast verband benoemd worden door een inrichtende macht waarbij het reeds een benoeming in vast verband heeft genoten in een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat toegang verschaft tot zijn huidige ambt.
  De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden.
  De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf worden overigens door de plaatselijke paritaire commissies vastgesteld.
  § 2. Een personeelslid dat in vast verband benoemd is in een selectieambt of een bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, als het dit aanvraagt en met de toestemming van de inrichtende macht, in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt in vast verband benoemd worden door een andere inrichtende macht dan deze die bedoeld zijn in § 1, indien geen lid van deze inrichtende macht prioritair is.
  Het personeelslid dat de toepassing van deze paragraaf geniet, moet ontslag nemen bij de inrichtende macht die het verlaat voor het selectieambt of bevorderingsambt dat het daar uitoefent.
  De overgang van de ene betrekking naar een andere overeenkomstig deze paragraaf moet zonder onderbreking plaatsvinden.
  De nadere regels voor de benoeming krachtens deze paragraaf zijn overigens vastgesteld door de plaatselijke paritaire commissie die opgericht is binnen de inrichtende macht die het personeelslid ontvangt.
  § 3. Voor de toepassing van § 1 en § 2, onverminderd artikel 28, 1°, kan de benoeming in vast verband op ongeacht welke datum plaatsvinden. Ze kan enkel worden toegekend voor zover het personeelslid voldoet aan alle voorwaarden die, naar gelang van het geval, bepaald zijn in :
  a) artikel 30, met uitzondering van 8°, 9°, wat de ambtsanciënniteit betreft, en 10° en 11°;
  b) artikel 40, eerste lid, met uitzondering van 5°;
  c) artikel 49, eerste lid, met uitzondering van 4°;
  d) in artikel 57 van het decreet van 3 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs, met uitzondering van 4°.
  Voor de toepassing van de punten b), c) en d) van het eerste lid, wordt het vereiste inzake opvolging van de opleiding in verband met een bepaald ambt van ambtswege als vervuld geacht indien het personeelslid titularis van dat ambt in vast verband is geweest vóór de uitoefening van zijn huidige ambt.
  Art. 29ter. Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid krijgt de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig die bepaling in vast verband benoemd is.
  Het in artikel 29bis bedoelde personeelslid, dat gedurende ten minste tien jaar in vast verband het selectieambt of het bevorderingsambt dat het verlaat, heeft uitgeoefend, geniet een degressief weddeschaalstelsel, en krijgt vanaf het derde jaar de weddeschaal toegekend van het ambt waarin het overeenkomstig artikel 29bis benoemd is, vastgesteld als volgt :
  a) In de loop van het eerste jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;
  b) In de loop van het tweede jaar dat op zijn nieuwe affectatie volgt, geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verliet, en anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is. "
Art. 68. Un article 29bis et un article 29ter libelles comme suit sont insérés dans le même décret :
  " Article 29bis. § 1er. Un membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction de sélection ou de promotion auprès d'un pouvoir organisateur peut, s'il le demande et avec l'accord du pouvoir organisateur, être nommé à titre définitif dans un emploi définitivement vacant d'une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion par un pouvoir organisateur auprès duquel il a déjà bénéficié d'une nomination à titre définitif dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion qui donne accès à sa fonction actuelle.
  Le passage d'un emploi à l'autre conformément au présent paragraphe doit se faire sans interruption.
  Les modalités de la nomination en vertu du présent paragraphe, sont, pour le surplus, fixées par les commissions paritaires locales.
  § 2. Un membre du personnel nommé à titre définitif dans une fonction de sélection ou de promotion auprès d'un pouvoir organisateur peut, s'il le demande et avec l'accord du pouvoir organisateur être nommé à titre définitif dans un emploi définitivement vacant d'une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion qui donne accès à sa fonction actuelle, par un pouvoir organisateur autre que ceux visés au § 1er, si aucun des membres de ce dernier n'est prioritaire.
  Le membre du personnel qui bénéficie de l'application du présent paragraphe doit démissionner dans le pouvoir organisateur qu'il quitte pour la fonction de sélection ou de promotion qu'il y exerce.
  Le passage d'un emploi à l'autre conformément au présent paragraphe doit se faire sans interruption.
  Les modalités de la nomination en vertu du présent paragraphe sont, pour le surplus, fixées par la commission paritaire locale constituée au sein du pouvoir organisateur qui accueille l'agent.
  § 3. Pour l'application des §§ 1er et 2 et sans préjudice de l'article 28, 1°, la nomination à titre définitif peut avoir lieu quelle que soit la date. Elle ne peut être accordée que pour autant que le membre du personnel remplisse toutes les conditions prévues, selon le cas :
  a) à l'article 30, à l'exception du 8°, du 9° en ce qui concerne l'ancienneté de fonction et des 10° et 11°;
  b) à l'article 40, alinéa 1er, à l'exception du 5°;
  c) à l'article 49, alinéa 1er, à l'exception du 4°;
  d) à l'article 57 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs, à l'exception du 4°.
  Pour l'application des points b), c) et d) de l'alinéa 1er, l'exigence du suivi de la formation relative à une fonction déterminée est d'office réputée remplie si le membre du personnel a été titulaire à titre définitif de cette fonction avant l'exercice de sa fonction actuelle.
  Art. 29ter. Le membre du personnel visé à l'article 29bis se voit attribuer l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est nommé à titre définitif conformément à cette disposition.
  Toutefois, le membre du personnel visé à l'article 29bis, qui a exercé à titre définitif pendant au moins dix ans la fonction de sélection ou de promotion qu'il quitte, bénéficie d'un mécanisme dégressif d'échelles de traitement pour rejoindre à partir de la 3e année l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est nommé à titre définitif conformément à l'article 29bis, fixé comme suit :
  a) Au cours de la première année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté, augmentée d'un montant équivalent à 66 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté;
  b) Au cours de la deuxième année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté, augmentée d'un montant équivalent à 33 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté. "
Art. 69. In artikel 37 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt :
  " 3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis. "
Art. 69. Dans l'article 37 du même décret est ajouté un point 3° libellé comme suit :
  " 3° s'il a déjà attribué l'emploi par application des dispositions prévues à l'article 29bis. "
Art. 70. In artikel 45 van hetzelfde decreet wordt een punt 3° toegevoegd, luidend als volgt :
  " 3° indien ze de betrekking reeds heeft toegewezen bij toepassing van de bepalingen bedoeld in artikel 29bis. "
Art. 70. Dans l'article 45 du même décret est ajouté un point 3° libellé comme suit :
  " 3° s'il a déjà attribué l'emploi par application des dispositions prévues à l'article 29bis. "
Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen.
Section V. - Dispositions modificatives.
Art. 71. In het voornoemde decreet van 6 juni 1994 wordt een artikel 39bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 39bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in een selectieambt in vast verband moet benoemen :
  1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen selectieambt;
  2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de benoeming in vast verband.
  § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 :
  1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt. In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de benoeming in vast verband bedoeld in artikel 40;
  2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie. "
Art. 71. Un article 39bis, rédigé comme suit, est inséré dans le décret du 6 juin 1994 précité :
  " Article 39bis. § 1er. Le pouvoir organisateur qui doit nommer à titre définitif un membre du personnel dans une fonction de sélection :
  1° consulte la commission paritaire locale sur le profil de la fonction de sélection à pourvoir;
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de la nomination à titre définitif.
  § 2. Le pouvoir organisateur après application du § 1er :
  1° arrête le profil de la fonction de sélection à pourvoir. Dans ce cadre, le pouvoir organisateur peut ajouter des critères complémentaires aux conditions de nomination à titre définitif visées à l'article 40;
  2° lance un appel aux candidats selon les formes déterminées par le Gouvernement sur proposition de la commission paritaire centrale. "
Art. 72. In artikel 40 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) onder punt 2° van het eerste lid, worden de woorden " sinds ten minste twee jaar " geschrapt.
  b) punt 3° van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " 3° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestatie te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht; "
  c) punt 4° van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " 4° één of meer ambten, in vast verband, binnen de inrichtende macht uitoefenen, die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs; "
  d) punt 5° van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " 5° gevolg geven aan een oproep waarvan de vorm door de Regering zal worden bepaald, op voorstel van de plaatselijke paritaire commissie. "
  e) het derde lid wordt vervangen als volgt :
  " In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten. "
Art. 72. Dans l'article 40 du décret du 6 juin 1994 précité, sont apportées les modifications suivantes :
  a) au point 2° de l'alinéa 1er, les termes " depuis deux ans au moins " sont supprimés.
  b) le point 3° de l'alinéa 1er, est remplacé par la disposition suivante :
  " 3° être titulaire, à titre définitif, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné; "
  c) le point 4° de l'alinéa 1er est remplacé comme suit :
  " 4° exercer à titre définitif au sein du pouvoir organisateur une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs; "
  d) le point 5° de l'alinéa 1er est remplacé comme suit :
  " 5° répondre à un appel dont la forme sera déterminée par le Gouvernement, sur proposition de la commission paritaire locale. "
  e) le 3e alinéa est remplacé par la disposition suivante :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, la condition de l'exercice d'une fonction comportant au moins une demi-charge est remplie si celle-ci est prestée dans l'enseignement organisé au sein d'un ou de plusieurs pouvoirs organisateurs. "
Art. 73. De artikelen 42 tot 44 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt :
  " Art. 42, § 1. Een selectieambt kan tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwd worden dat aan alle voorwaarden van artikel 40 beantwoordt :
  1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
  2° in de veronderstelling bedoeld in artikel 39. Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van het ambt waarin het in vast verband benoemd is.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling van een duur die gelijk is aan of korter is dan vijftien weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 40, 5° en 6° niet vereist.
  Art. 43. Een selectieambt kan tijdelijk aan een personeelslid toevertrouwd worden dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 40 beantwoordt in afwachting van een benoeming in vast verband.
  Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.
  Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk na een termijn van twee jaar in vast verband benoemd in het selectieambt indien de inrichtende macht hem ervan niet heeft ontlast.
  Art. 44. § 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk aan een personeelslid toe te vertrouwen dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 4 beantwoordt, kan tijdelijk het selectieambt toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat aan de volgende voorwaarden beantwoordt :
  1° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van artikel 40 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of van het derde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het selectieambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.
  Nochtans, indien na de drie dienstjaren bedoeld in het vorige lid, het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van het eerste lid, de voorwaarde bedoeld in artikel 40, eerste lid, 6° nog niet vervult, moet de inrichtende macht elk jaar een oproep doen tot kandidaten voor de vaste benoeming in het selectieambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 42, § 1, 1° en 2°.
  § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40 voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of van het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk en prioritair wordt aangesteld overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of prioritair tijdelijk personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband dat tot een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht behoort en dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° titularis zijn, in vast verband, binnen deze andere inrichtende macht van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht in vast verband benoemd is.
  Het personeelslid dat tijdelijk in een selectieambt is aangesteld overeenkomstig deze paragraaf, wordt in dit bovenvermelde ambt in vast verband benoemd na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarden bedoeld in artikel 40, eerste lid, 5° en 6° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet ontlast heeft.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40 en van § 1 van dit artikel voldoet, en dat ze slechts een personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of van het vierde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het selectieambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 42, § 1, 1° en 2°.
  § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 40, van § 1 en § 2 van dit artikel beantwoordt en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het selectieambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  Art. 44bis, § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het selectieambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen.
  § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking.
  § 3. Een tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking loopt ten einde :
  a) in onderlinge overeenstemming;
  b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of voor wat betreft het personeelslid van het onderwijs met volledig leerplan ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis ;
  c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid.
  Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een selectiebetrekking.
  § 4. Mits een opzeggingstermijn van vijftien dagen kan de inrichtende macht ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een selectieambt.
  Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.
  De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.
  Art. 44ter. Elk personeelslid mag krachtens artikel 40 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het selectieambt. In dit geval re-integreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.
  De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het selectieambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden vanaf de datum van de aanvraag van het personeelslid.
Art. 73. Les articles 42 à 44 du même décret sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Art. 42. § 1er. Une fonction de sélection peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 40 :
  1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
  2° dans l'hypothèse visée à l'article 39. Pendant cette période le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé définitivement.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, pour toute désignation d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines, les conditions visées à l'article 40, 5° et 6°, ne sont pas exigées.
  Art. 43. Une fonction de sélection peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions visées à l'article 40, dans l'attente d'une nomination définitive.
  Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé à titre définitif.
  Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er est nommé à titre définitif dans la fonction de sélection au plus tard au terme d'un délai de deux ans si le pouvoir organisateur ne l'en a pas déchargé.
  Art. 44. § 1er. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel répondant aux conditions visées à l'article 40, peut confier temporairement la fonction de sélection à un membre de son personnel nommé à titre définitif et remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre définitif, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de sélection, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé à titre définitif.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions de l'article 40, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 3 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de sélection au cours des trois exercices qui suivent celui au cours duquel la fonction de sélection a fait l'objet d'une désignation temporaire en application de l'alinéa 1er.
  Toutefois, si au terme des trois exercices visés à l'alinéa précédent, le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement la fonction de sélection en application de l'alinéa 1er ne remplit pas encore la condition visée à l'article 40, alinéa 1er, 6°, le pouvoir organisateur doit procéder chaque année à un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de sélection.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  Les dispositions des alinéas 3 et 4 ne sont pas applicables dans les hypothèses visées à l'article 42, § 1er, 1° et 2°.
  § 2. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel nommé à titre définitif conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre de son personnel temporaire prioritaire, remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre temporaire, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 40 et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 1er, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer chaque année un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de sélection.
  Le membre du personnel temporaire prioritaire désigné conformément au présent article sera réputé remplir la condition exigée à l'article 40, alinéa 1er, 1° et 2°, à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de sélection.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  § 3. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel nommé à titre définitif ou temporaire prioritaire conformément aux dispositions qui précèdent, peut faire appel à un membre du personnel nommé à titre définitif relevant d'un autre pouvoir organisateur officiel subventionné et remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre définitif, au sein de cet autre pouvoir organisateur d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de sélection, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé à titre définitif au sein de son pouvoir organisateur d'origine.
  Le membre du personnel désigné temporairement dans une fonction de sélection en vertu du présent paragraphe est nommé à titre définitif dans ladite fonction au terme d'un délai de six années s'il remplit à ce moment les conditions prescrites par l'article 40, alinéa 1er, 5° et 6°, et si le pouvoir organisateur ne l'en a pas déchargé.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 40 et du § 1er du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 2, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 4 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de sélection au cours des trois exercices qui suivent celui au cours duquel la fonction de sélection a fait l'objet d'une désignation temporaire en application de l'alinéa 1er.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  Les dispositions des alinéas 3 et 4 ne sont pas applicables dans les hypothèses visées à l'article 42, § 1er, 1° et 2°.
  § 4. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre de son personnel temporaire, remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre temporaire, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 40, du § 1er et du § 2 du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 3, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà vises par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer chaque année un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de sélection.
  Le membre du personnel temporaire désigné conformément au présent article sera réputé remplir la condition exigée à l'article 40, alinéa 1er, 1° et 2°, à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de sélection.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  Art. 44bis. § 1er. Toute désignation temporaire dans un emploi de sélection est établie par écrit, en reprenant les mentions visées à l'article 21, à l'exception du 7°.
  § 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à une désignation temporaire dans un emploi de sélection s'il est tenu, par les dispositions relatives à la réaffectation, de conférer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  § 3. Une désignation temporaire dans un emploi de sélection prend fin :
  a) d'un commun accord;
  b) par décision du pouvoir organisateur suite à la procédure visée au § 4 du présent article ou pour ce qui concerne le membre du personnel de l'enseignement de plein exercice suite à l'application des dispositions du chapitre Vbis.
  c) ou par application de l'article 22, alinéa 1er.
  Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur la désignation temporaire dans un emploi de sélection.
  § 4. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur soit sur proposition du directeur, soit d'initiative peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de sélection.
  Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté
  Art. 44ter. Tout membre du personnel peut renoncer à sa nomination en vertu de l'article 40 dans les six cents jours qui suivent sa première entrée en fonction dans une fonction de sélection. Dans ce cas, il réintègre à titre définitif sa fonction d'origine.
  Le pouvoir organisateur peut, pour assurer la continuité dans la fonction de sélection ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel.
Art. 74. In artikel 46 van hetzelfde decreet, wordt een tweede lid toegevoegd, luidend als volgt :
  " In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt slechts een verandering van affectatie aanvragen nadat het zijn ambten uitgeoefend heeft in een betrekking die het tijdens een termijn van drie jaar bekleedt ".
Art. 74. A l'article 46 du même décret, un alinéa 2, rédigé comme suit, est ajouté :
  " Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel titulaire d'une fonction de promotion ne peut demander de changement d'affectation qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans ".
Art. 75. In hetzelfde decreet wordt een artikel 48bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 48bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in een bevorderingsambt in vast verband moet benoemen :
  1° raadpleegt de plaatselijke paritaire commissie over het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt;
  2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de vaste benoeming.
  § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 :
  1° bepaalt het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt. In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 49;
  2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie. "
Art. 75. Un article 48bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même décret :
  " Art. 48bis. § 1er. Le pouvoir organisateur qui doit nommer à titre définitif un membre du personnel dans une fonction de promotion :
  1° consulte la commission paritaire locale sur le profil de la fonction de promotion à pourvoir;
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de la nomination à titre définitif.
  § 2. Le pouvoir organisateur après application du § 1er :
  1° arrête le profil de la fonction de promotion à pourvoir. Dans ce cadre, le pouvoir organisateur peut ajouter des critères complémentaires aux conditions de nomination à titre définitif visées à l'article 49;
  2° lance un appel aux candidats selon les formes déterminées par le Gouvernement sur proposition de la commission paritaire centrale. "
Art. 76. In artikel 49 van hetzelfde decreet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) onder punt 1° van het eerste lid, worden de woorden " zes jaar dienstanciënniteit definitief verworven hebben " vervangen door de woorden " zeven jaar dienstanciënniteit verworven hebben ";
  b) punt 2° van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " 2° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestatie te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht ";
  c) punt 3° van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " 3° één of meer ambten binnen de inrichtende macht uitoefenen, die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. "
  d) punt 4° van het eerste lid wordt vervangen als volgt :
  " 4° gevolg geven aan een oproep waarvan de vorm door de Regering zal worden bepaald, op voorstel van de plaatselijke paritaire commissie. "
  e) het tweede lid wordt vervangen als volgt :
  " In afwijking van het eerste lid, 3°, wordt in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan aan de voorwaarde voor de uitoefening van een ambt naar rata van ten minste een halve opdracht beantwoord als deze vervuld is in het onderwijs georganiseerd binnen één of meer inrichtende machten. "
Art. 76. Dans l'article 49 du même décret, sont apportées les modifications suivantes :
  a) dans le point 1° de l'alinéa 1er, les termes " avoir acquis à titre définitif une ancienneté de service de six ans " sont remplacés par les termes " avoir acquis une ancienneté de service de sept ans "
  b) le point 2° de l'alinéa 1er est remplacé comme suit :
  " 2° être titulaire, à titre définitif, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné "
  c) le point 3° de l'alinéa 1er est remplacé comme suit :
  " 3° exercer au sein du pouvoir organisateur une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité, conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs. "
  d) le point 4° de l'alinéa 1er est remplacé comme suit :
  " 4° répondre à un appel dont la forme sera déterminée par le Gouvernement, sur proposition de la commission paritaire locale. "
  e) l'alinéa 2 est remplacé comme suit :
  " Par dérogation à l'alinéa 1er, 3°, dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, la condition de l'exercice d'une fonction comportant au moins une demi-charge est remplie si celle-ci est prestée dans l'enseignement organisé au sein d'un ou de plusieurs pouvoirs organisateurs. ".
Art. 77. De artikelen 50 tot 52 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt :
  " Art. 50, § 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden van artikel 49 voldoet :
  1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
  2° in het geval bedoeld in artikel 47.
  Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanstelling van een duur die gelijk is aan of korter is dan vijftien weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 49, 4° en 5° niet vereist. De inrichtende macht stelt, na raadpleging van de plaatselijke paritaire commissie, de procedure tot aanstelling vast.
  Art. 51. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat aan alle voorwaarden bedoeld in artikel 49 voldoet, in afwachting van een benoeming in vast verband.
  Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.
  Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt uiterlijk na een termijn van twee jaar in vast verband benoemd in het bevorderingsambt indien de inrichtende macht hem ervan niet heeft ontlast.
  Art. 52. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk aan een personeelslid toe te vertrouwen dat aan de voorwaarden bedoeld in artikel 49 beantwoordt, kan tijdelijk het bevorderingsambt toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat aan de volgende voorwaarden beantwoordt :
  1° titularis zijn, in vast verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het personeelslid tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het titularis van de betrekking waarin het in vast verband benoemd is.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van artikel 49 beantwoordt, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of van het derde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het bevorderingsambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.
  Als na drie dienstjaren bedoeld in het vorige lid, het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van het eerste lid, de voorwaarde bedoeld in artikel 49, eerste lid, 5°, nog niet vervult, moet de inrichtende macht elk jaar een oproep doen tot kandidaten voor de vaste benoeming in het bevorderingsambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  De bepalingen van het derde lid en het vierde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 50, § 1, 1° en 2°.
  § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband benoemd is overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49 voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk en prioritair is aangesteld overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 49, eerste lid, 1°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of aan een prioritair tijdelijk personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband dat tot een andere gesubsidieerde officiële inrichtende macht behoort en dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° titularis zijn, in vast verband, binnen deze andere inrichtende macht van een ambt met ten minste de helft van het minimum aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht in vast verband benoemd is.
  Het personeelslid dat tijdelijk is aangesteld in een bevorderingsambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt in dit bovenvermelde ambt in vast verband benoemd na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarden bedoeld in artikel 49, eerste lid, 4° en 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet ontlast heeft.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49 en van § 1 van dit artikel voldoet en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet ze een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of van het vierde lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt tijdens de drie dienstjaren die volgen op dat waarin het bevorderingsambt het voorwerp was van een tijdelijke aanstelling met toepassing van het eerste lid.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  De bepalingen van het tweede lid en het derde lid zijn niet van toepassing in de gevallen bedoeld in artikel 50, § 1, 1° en 2°.
  § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een tijdelijk personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, van een ambt met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49, van § 1 en van § 2 van dit artikel beantwoordt, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  De toepassing van het eerste lid of het tweede lid ontslaat de inrichtende macht er niet van elk jaar een oproep te doen tot kandidaten voor een vaste benoeming in het bevorderingsambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld is overeenkomstig dit artikel, wordt geacht aan de in artikel 40, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt in een inrichting voor sociale promotie tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° een dienstanciënniteit van zeven jaar binnen de inrichtende macht hebben verworven in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 34 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994;
  2° titularis zijn, in vast verband, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het onderwijs georganiseerd door de betrokken inrichtende macht;
  3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secundair onderwijs en/of in een hogeschool, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat aan de voorwaarden van artikel 49, van § 1 en van § 2 van dit artikel, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden. "
  Art. 52bis, § 1. Elke tijdelijke aanstelling in het bevorderingsambt wordt schriftelijk vastgesteld en worden de vermeldingen zoals bedoeld in artikel 21, met uitzondering van 7°, erin opgenomen.
  § 2. De inrichtende macht mag niet overgaan tot een tijdelijke aanstelling in een betrekking van bevordering als zij, krachtens de bepalingen betreffende de reaffectatie, verplicht is deze betrekking toe te kennen aan een personeelslid dat ter beschikking is gesteld bij ontstentenis van betrekking.
  § 3. Een tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking loopt ten einde :
  a) in onderlinge overeenstemming;
  b) bij beslissing van de inrichtende macht ten gevolge van de procedure bedoeld in § 4 van dit artikel of ten gevolge van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk Vbis ;
  c) of met toepassing van artikel 22, eerste lid.
  Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanstelling in een bevorderingsbetrekking.
  § 4. Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid dat tijdelijk werd aangesteld in een bevorderingsambt.
  Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.
  De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. Er wordt een proces-verbaal van de hoorzitting opgemaakt. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.
  Art. 52ter. Elk personeelslid mag krachtens artikel 49 van zijn benoeming afzien binnen de 600 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het bevorderingsambt. In dit geval re-integreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.
  De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het bevorderingsambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden na de aanvraag van het personeelslid.
  Art. 52quater. De artikelen 49 tot 52ter zijn niet van toepassing op de bevorderingsambten van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, bepaald door het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. "
Art. 77. Les articles 50 à 52 du même décret sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Article 50. § 1er. Une fonction de promotion peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 49 :
  1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
  2° dans l'hypothèse visée à l'article 47;
  Pendant cette période le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé définitivement.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, pour toute désignation d'une durée égale ou inférieure à quinze semaines, les conditions visées à l'article 49, 4° et 5°, ne sont pas exigées. Le Pouvoir organisateur, après consultation de la commission paritaire locale, fixe la procédure de désignation.
  Art. 51. Une fonction de promotion peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions visées à l'article 49, dans l'attente d'une nomination définitive.
  Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé à titre définitif
  Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er est nommé à titre définitif dans la fonction de promotion au plus tard au terme d'un délai de deux ans si le pouvoir organisateur ne l'en a pas déchargé.
  Art. 52. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel remplissant les conditions visées à l'article 49, peut confier temporairement la fonction de promotion à un membre de son personnel nommé à titre définitif et remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre définitif, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de promotion, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé à titre définitif.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions de l'article 49, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 3 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de promotion au cours des trois exercices qui suivent celui au cours duquel la fonction de promotion a fait l'objet d'une désignation temporaire en application de l'alinéa 1er.
  Toutefois, si au terme des trois exercices visés à l'alinéa précédent, le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement la fonction de promotion en application de l'alinéa 1er ne remplit pas encore la condition visée à l'article 49, alinéa 1er, 5°, le pouvoir organisateur doit procéder chaque année à un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de promotion.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  Les dispositions des alinéas 3 et 4 ne sont pas applicables dans les hypothèses visées à l'article 50, § 1er, 1° et 2°.
  § 2. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel nommé à titre définitif conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre de son personnel temporaire prioritaire, remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre temporaire, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 49 et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 1er, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer chaque année un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de promotion.
  Le membre du personnel temporaire prioritaire désigné conformément au présent article sera réputé remplir la condition exigée à l'article 49, alinéa 1er, 1°, à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de promotion.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  § 3. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel nommé titre définitif ou temporaire prioritaire conformément aux dispositions qui précèdent, peut faire appel à un membre du personnel nommé à titre définitif relevant d'un autre pouvoir organisateur officiel subventionné remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre définitif, au sein de cet autre pouvoir organisateur d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de promotion, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est nommé à titre définitif au sein de son pouvoir organisateur d'origine.
  Le membre du personnel désigné temporairement dans une fonction de promotion en vertu du présent paragraphe est nommé à titre définitif dans ladite fonction au terme d'un délai de six années s'il remplit à ce moment les conditions prescrites par l'article 49, alinéa 1er, 4° et 5°, et si le pouvoir organisateur ne l'en a pas déchargé.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 49 et du § 1er du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 2, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 4 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de promotion au cours des trois exercices qui suivent celui au cours duquel la fonction de promotion a fait l'objet d'une désignation temporaire en application de l'alinéa 1er.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  Les dispositions des alinéas 2 et 3 ne sont pas applicables dans les hypothèses visées à l'article 50, § 1er, 1° et 2°.
  § 4. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre de son personnel temporaire, remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire, à titre temporaire, d'une fonction comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 49, du § 1er et du § 2 du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 3, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  L'application de l'alinéa 1er ou de l'alinéa 2 ne dispense pas le pouvoir organisateur de lancer chaque année un appel aux candidats à la nomination définitive à la fonction de promotion.
  Le membre du personnel temporaire désigné conformément au présent article sera réputé remplir la condition exigée à l'article 40, alinéa 1er, 1° et 2°, à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de promotion.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur. "
  § 5. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion dans un établissement de promotion sociale un à un membre du personnel, conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre du personnel remplissant les conditions suivantes :
  1° avoir acquis une ancienneté de service de sept ans au sein du pouvoir organisateur dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion de la catégorie en cause, calculée selon les modalités fixées à l'article 34 du décret du 6 juin 1994 précité;
  2° être titulaire, à titre définitif, d'une fonction ou plusieurs fonctions comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement organisé par le pouvoir organisateur concerné;
  3° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions dans l'enseignement secondaire et/ou dans une Haute Ecole, et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs;
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 49, du § 1er et du § 2 du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 3, peut mettre en concurrence sa candidature avec celles de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel. "
  Art. 52bis. § 1er. Toute désignation temporaire dans un emploi de promotion est établie par écrit, en reprenant les mentions visées à l'article 21, à l'exception du 7°.
  § 2. Le pouvoir organisateur ne peut procéder à une désignation temporaire dans un emploi de promotion s'il est tenu, par les dispositions relatives à la réaffectation, de conférer cet emploi à un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
  § 3. Une désignation temporaire dans un emploi de promotion prend fin :
  a) d'un commun accord;
  b) par décision du pouvoir organisateur suite à la procédure visée au § 4 du présent article ou à la suite de l'application des dispositions du chapitre Vbis ;
  c) ou par application de l'article 22, alinéa 1er.
  Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur la désignation temporaire dans un emploi de promotion.
  § 4. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur peut mettre fin à la désignation d'un membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de promotion.
  Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnes de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. L'audition fait l'objet d'un procès-verbal. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté.
  Art. 52ter. Tout membre du personnel peut renoncer à sa nomination en vertu de l'article 49 dans les six cents jours qui suivent sa première entrée en fonction de promotion. Dans ce cas, il réintègre à titre définitif sa fonction d'origine.
  Le pouvoir organisateur peut, pour assurer la continuité dans la fonction de promotion ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel.
  Art. 52quater. Les articles 49 à 52ter ne s'appliquent pas aux fonctions de promotion de directeur d'école maternelle, directeur d'école primaire, directeur d'école fondamentale, directeur de l'enseignement secondaire inférieur ou de préfet des études ou directeur, régies par le décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs. "
Art. 78. In hetzelfde decreet wordt een Hoofdstuk V bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Hoofdstuk Vbis. - Opdrachtenblad, evaluatie en einde van de uitoefening van sommige bevorderings- en selectieambten.
  Art. 52quinquies. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderingsambt of een selectieambt, zoals bedoeld in de artikelen 4, 3° eb 5, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten in het onderwijs met volledig leerplan, en op artikel 50 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
  Het is ook van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, b) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder " directeur " het personeelslid dat titularis is, in welke hoedanigheid dan ook, van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten of van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  Afdeling I. - Het opdrachtenblad.
  Art. 52sexies. Bij de indiensttreding van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies van dit decreet wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe dat voorafgaandelijk goedgekeurd werd door de inrichtende macht.
  Dit bovenvermelde blad bepaalt de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies en de prioriteiten die hem worden toegewezen, in functie van de behoeften van de inrichting waarin het geaffecteerd wordt en in functie van de doelstellingen opgenomen in het opdrachtenblad dat de directeur zelf heeft gekregen overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Art. 52septies, § 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt zes jaar.
  § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan gewijzigd worden, op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting vóór het einde van de geldigheidsduur ervan ten vroegste na twee jaar door de directeur.
  In afwijking van het eerste lid kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór zijn geldigheidsduur gewijzigd worden, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies.
  Het gewijzigde opdrachtenblad wordt ter goedkeuring aan de inrichtende macht voorgelegd.
  Art. 52octies, § 1. In afwijking van artikel 52sexies, § 1, eerste lid, kan de directeur, indien nodig en mits voorafgaande goedkeuring van de inrichtende macht, een opdrachtenblad toevertrouwen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinqies van dit decreet.
  De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad dat voorafgaandelijk werd goedgekeurd door de inrichtende macht, aan het personeelslid toe dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de duur van de aanstelling ten minste één jaar bedraagt.
  § 2. Het opdrachtenblad bedoeld in dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat vervangen wordt te bevestigen of in een nieuw document op te stellen.
  Afdeling II. - De opleidingsevaluatie.
  Art. 52novies. Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband benoemde personeelslid.
  Ze is ook van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 52quinquies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. De benaming "personeelslid " bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid.
  Art. 52decies. Om de vijf jaar na zijn benoeming in vast verband of zijn tijdelijke aanstelling moet het personeelslid een evaluatie ondergaan die gezamenlijk gebeurt door de inrichtende macht en de directeur.
  Indien deze laatste het nuttig achten, kunnen ze het personeelslid vroeger evalueren.
  Nochtans mag het personeelslid niet meer dan twee keer geëvalueerd worden over een periode van tien jaar.
  Art. 52undecies. De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en op de praktische toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld in artikel 40, 6° van dit decreet wat betreft de selectieambten en in artikel 49, 5° van dit decreet voor de bevorderingsambten.
  Ze houdt rekening met de globale context waarin het personeelslid evolueert en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
  Art. 52duodecies. In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen met het personeelslid over de verbeteringen die moeten aangebracht worden.
  Afdeling 3. - Het einde van de uitoefening van sommige bevorderingsambten en selectieambten door de tijdelijke onderwijzende personeelsleden.
  Art. 52terdecies. Mits een opzeggingstermijn van 15 dagen kan de inrichtende macht, ofwel op voorstel van de directeur, ofwel op eigen initiatief, een einde maken aan de aanstelling van een personeelslid bedoeld in artikel 52quinquies dat tijdelijk werd aangesteld.
  Voorafgaandelijk aan de mededeling van elke beslissing betreffende het einde van de aanstelling moet het personeelslid de gelegenheid gekregen hebben om door de inrichtende macht te worden verhoord.
  De oproeping tot de hoorzitting, alsook de motieven waarom de inrichtende macht overweegt een einde te maken aan de aanstelling van het personeelslid of waarom de directeur overweegt een voorstel ervan te maken aan de inrichtende macht, moeten hem kenbaar worden gemaakt vijf werkdagen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door persoonlijke overhandiging met ontvangstbewijs, die uitwerking heeft met ingang van de datum opgenomen op dit ontvangbewijs. Tijdens de hoorzitting mag het personeelslid zich laten bijstaan of vertegenwoordigen door een advocaat, door een verdediger gekozen onder de personeelsleden, in actieve dienst of gepensioneerd van het gesubsidieerd officieel onderwijs, of door een vertegenwoordiger van een vakorganisatie die de personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs vertegenwoordigt, aangesloten bij de organisaties die zetelen binnen de Nationale Arbeidsraad. De procedure wordt geldig voortgezet wanneer het personeelslid, dat volgens de regels is opgeroepen, niet verschijnt op de hoorzitting of er niet vertegenwoordigd is.
Art. 78. Il est inséré dans le même décret un chapitre Vbis libellé comme suit :
  " CHAPITRE Vbis. - De la lettre de mission, de l'évaluation et de la fin de l'exercice de certaines fonctions de promotion et de sélection.
  Art. 52quinquies. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel titulaires d'une fonction de promotion ou de sélection telle que visée aux articles 4, 3° et 5, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection dans l'enseignement de plein exercice, et à l'article 50 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française.
  Elle s'applique également aux membres du personnel titulaires d'une fonction de sélection telle que visée à l'article 6ter, 6°, b, de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  § 2. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " directeur " le membre du personnel titulaire, à quelque titre que ce soit, de la fonction de promotion de directeur d'école maternelle, de directeur d'école primaire, de directeur d'école fondamentale, de directeur de l'enseignement secondaire inférieur ou de préfet des études ou directeur, telles qu'énumérées aux articles 3 et 4, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection ou de la fonction de promotion de directeur d'établissement de promotion sociale telle que prévue à l'article 6ter, 6°, a de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  Section 1re. - De la lettre de mission.
  Art. 52sexies. Dès l'entrée en fonction du membre du personnel visé à l'article 52quinquies du présent décret, le directeur lui confie une lettre de mission approuvée préalablement par le pouvoir organisateur.
  Celle-ci spécifie les missions du membre du personnel visé à l'article 52quinquies et les priorités qui lui sont assignées, en fonction des besoins de l'établissement au sein duquel il est affecté et en fonction des objectifs contenus dans la lettre de mission que le directeur à lui-même reçue, conformément au chapitre III du titre II du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Art. 52septies. § 1er. La lettre de mission a une durée de six ans.
  § 2. Le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, au plus tôt après deux ans, par le directeur, en raison de l'évolution des besoins et du fonctionnement de l'établissement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, de commun accord entre le directeur et le membre du personnel visé à l'article 52quinquies.
  La lettre de mission modifiée est soumise à l'approbation du pouvoir organisateur.
  Art. 52octies. § 1er. Par dérogation à l'article 52sexies, § 1er, alinéa 1er, le directeur, si besoin est et moyennant approbation préalable du pouvoir organisateur, peut confier une lettre de mission au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 52quinquies du présent décret.
  Le directeur confie d'office une lettre de mission, approuvée préalablement par le pouvoir organisateur, au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 52quinquies pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an.
  § 2. La lettre de mission visée au présent article peut consister dans la confirmation de la lettre de mission du membre du personnel visé à l'article 52quinquies faisant l'objet d'un remplacement ou dans un nouveau document.
  Section 2. - De l'évaluation formative.
  Art. 52novies. Cette section s'applique au membre du personnel nommé à titre définitif.
  Elle s'applique également au membre du personnel désigné à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 52quinquies pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an. La dénomination " membre du personnel " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
  Art. 52decies. Tous les cinq ans à dater de sa nomination à titre définitif ou de sa désignation à titre temporaire, chaque membre du personnel fait l'objet d'une évaluation effectuée conjointement par le pouvoir organisateur et le directeur.
  Si ces derniers le jugent utile, ils peuvent procéder, plus tôt, à une évaluation du membre du personnel.
  Toutefois, le membre du personnel ne peut faire l'objet de plus de deux évaluations par période de dix ans.
  Art. 52undecies. L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée à la section Ire du présent chapitre et sur la mise en pratique des compétences acquises dans le cadre des formations visées par l'article 40, 6° du présent décret en ce qui concerne les fonctions de sélection et à l'article 49, 5° du présent décret pour les fonctions de promotion.
  Elle tient compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le membre du personnel et des moyens qui sont mis à sa disposition.
  Art. 52duodecies. _ En fonction de cette évaluation, le pouvoir organisateur et le directeur conviennent avec le membre du personnel des améliorations à apporter.
  Section 3. - De la fin de l'exercice de certaines fonctions de promotion et de sélection par les membres du personnel enseignant désignés à titre temporaire.
  Art. 52terdecies. Moyennant un préavis de quinze jours, le pouvoir organisateur peut, soit sur proposition du directeur, soit d'initiative, mettre fin à la désignation d'un membre du personnel visé à l'article 52quinquies désigné à titre temporaire.
  Préalablement à la notification de toute décision de fin de désignation, le membre du personnel doit avoir été invité à se faire entendre par le pouvoir organisateur.
  La convocation à l'audition, ainsi que les motifs en raison desquels le pouvoir organisateur envisage de mettre fin à la désignation du membre du personnel ou en raison desquels le directeur envisage d'en faire la proposition au pouvoir organisateur lui sont notifiés cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception portant ses effets à la date figurant sur cet accusé de réception. Lors de l'audition, le membre du personnel peut se faire assister ou représenter par un avocat, par un défenseur choisi parmi les membres du personnel en activité de service ou pensionnés de l'enseignement officiel subventionné ou par un représentant d'une organisation syndicale représentant les membres du personnel de l'enseignement officiel subventionné affiliée à des organisations siégeant au Conseil national du Travail. La procédure se poursuit valablement lorsque le membre du personnel dûment convoqué ne se présente pas à l'audition ou n'y est pas représenté. ".
HOOFDSTUK III. - Het gesubsidieerd vrij onderwijs.
CHAPITRE III. - De l'enseignement libre subventionné.
Afdeling I. - Algemene voorwaarden voor de toegang tot de stage en [1 van de aanwerving in vast verband]1.
Section Ire. - Conditions générales d'accès au stage et [1 d'engagement à titre définitif]1.
Art. 79. § 1. De inrichtende macht die een personeelslid moet toelaten tot de stage in het bevorderingsambt van directeur :
  1° [1 raadpleegt het plaatselijke orgaan voor sociaal overleg, over het profiel van het toe te kennen ambt van directeur; ]1
  2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de toelating tot de stage.
  § 2. [1 De inrichtende macht, na toepassing van lid 1:
   1. bepaalt het profiel van het toe te kennen ambt van directeur. Dit ambtsprofiel wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 5, § 2;
   2. start een oproep tot kandidaturen volgens het model bedoeld in artikel 31.]1

  § 3. [1 In afwijking van de voorgaande paragrafen moet een oproep tot het indienen van kandidaturen voor toelating tot de stage niet worden gestart wanneer de betrekking definitief vacant wordt, in de volgende twee gevallen:
   a. wanneer het personeelslid tijdelijk is aangeworven, overeenkomstig de bepalingen van dit hoofdstuk, na een oproep tot het indienen van kandidaturen voor een tijdelijk vacante betrekking die leidt tot een definitief vacant ambt waarvan het model wordt bedoeld in artikel 31.
   In dit geval laat de inrichtende macht de directeur tot de stage toe, directeur die tijdelijk is aangeworven, op de datum van de definitieve vacantverklaring van de betrekking. De duur van de stage wordt verminderd ten belope van de tijd die al tijdelijk op deze betrekking werd verstrekt.
   De evaluaties worden gemaakt, mutatis mutandis, in overeenstemming met artikel 33, §§ 2 tot 5;
   b. wanneer het personeelslid tijdelijk is aangeworven in een niet-vacante betrekking na een oproep tot het indienen van kandidaturen, en dit, ononderbroken gedurende minstens 3 jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant werd verklaard.
   In dat geval wordt het personeelslid in vast verband aangeworven wanneer de betrekking vacant wordt, indien hij aan de voorwaarden van artikel 81 voldoet.]1

  [2 Indien een directeur die zijn ambt uitoefent binnen een inrichtende macht die niet is aangesloten bij een federatie van inrichtende machten, niet al zijn getuigschriften, bedoeld in artikel 81 1°, heeft behaald op het ogenblik dat het ambt vacant wordt, kan hij zijn inrichtende macht verzoeken een opleiding van één jaar te volgen.]2
  
Art. 79. § 1er. Le pouvoir organisateur qui doit admettre au stage à la fonction de promotion de directeur :
  1° [1 consulte l'organe local de concertation sociale, sur le profil de la fonction de directeur à pourvoir;]1
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de l'admission au stage.
  § 2. [1 Le pouvoir organisateur après application du paragraphe 1er :
   1° arrête le profil de la fonction de directeur à pourvoir. Ce profil de fonction est établi conformément à l'article 5, § 2;
   2° lance un appel à candidatures, selon le modèle visé à l'article 31.]1

  § 3. [1 Par dérogation aux paragraphes précédents, un appel à candidatures pour l'admission au stage ne doit pas être lancé, lorsque l'emploi devient définitivement vacant, dans les deux cas suivants :
   a) lorsque le membre du personnel a été engagé à titre temporaire, conformément aux dispositions du présent chapitre, à la suite d'un appel à candidatures pour un emploi temporairement vacant débouchant à terme sur un emploi définitivement vacant et dont le modèle est visé à l'article 31.
   Dans ce cas, le pouvoir organisateur admet au stage le directeur engagé à titre temporaire à la date de la vacance définitive de l'emploi. La durée du stage est réduite à concurrence du temps déjà presté, à titre temporaire, dans cet emploi.
   Les évaluations se font, mutatis mutandis, conformément à l'article 33, §§ 2 à 5;
   b) lorsque le membre du personnel a été engagé à titre temporaire dans un emploi non vacant, suite à un appel à candidatures, et ce, de manière ininterrompue depuis 3 ans au moins à la date à laquelle l'emploi est devenu vacant.
   Dans ce cas, le membre du personnel est engagé à titre définitif lorsque l'emploi devient vacant, s'il remplit les conditions de l'article 81.]1

  [2 Si un directeur exerçant ses fonctions au sein d'un pouvoir organisateur non affilié à une fédération de pouvoirs organisateurs, n'a pas obtenu toutes ses attestations de réussite, telles que visées à l'article 81 1°, au moment où l'emploi devient vacant, il peut demander à son pouvoir organisateur de suivre un stage d'un an.]2
  
Art. 79bis. [1 § 1. De inrichtende macht zet een selectiecommissie op. Ze is samengesteld uit leden of afgevaardigden van de inrichtende macht.
   Ze omvat minstens één lid met pedagogische expertise en een of meer leden van buiten de inrichtende macht, met ervaring op het gebied van human resources en bij de selectie van personeel.
   De samenstelling van de selectiecommissie wordt aan de Regeringsdiensten meegedeeld op de wijze die ze bepalen.
   § 2. De selectie van kandidaten is gebaseerd op het ambtsprofiel dat door de inrichtende macht is ontwikkeld in overeenstemming met artikel 5, lid 2 en bij de oproep tot het indienen van kandidaturen is gevoegd, en inzonderheid op de evaluatie van de technische en gedragscompetenties verwacht van de kandidaten, met indicatoren voor beheersing, en hun verenigbaarheid met het pedagogische en opvoedingsproject van de inrichtende macht, alsook, in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan, met het pedagogische en kunstproject van de inrichting.
   § 3. De selectiecommissie kan de kandidaturen in het dossier onderzoeken en rangschikken en alleen de kandidaten horen die na deze selectie zijn geselecteerd. Aan het einde van de hoorzittingen stelt deze een verslag op waarin de kandidaten worden ingedeeld en alle nuttige informatie verstrekt om de classificatie te motiveren.
   Dit verslag wordt verzonden aan de inrichtende macht die op basis hiervan het besluit neemt om al dan niet de kandidaten tot de stage toe te laten.
   § 4. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de redenen mee van haar keuze inzake stagedoend directeur met betrekking tot de criteria bepaald in het ambtsprofiel overeenkomstig dit artikel.
   § 5. Op verzoek van een kandidaat, communiceert hem de inrichtende macht de gegevens voor de evaluatie van de technische en gedragscompetenties en de verenigbaarheid van deze bevoegdheden met de door het ambtsprofiel gedefinieerde en gewogen selectiecriteria.]1

  
Art. 79bis. [1 § 1er. Le pouvoir organisateur met en place une commission de sélection. Elle est composée de membres ou de délégués du pouvoir organisateur.
   Elle comprend au moins un membre disposant d'une expertise pédagogique et un ou plusieurs membres extérieurs au pouvoir organisateur, disposant d'une expérience en ressources humaines et en matière de sélection du personnel.
   La composition de la commission de sélection est communiquée aux Services du Gouvernement selon les modalités qu'ils fixent.
   § 2. La sélection des candidats se fonde sur le profil de fonction élaboré par le pouvoir organisateur conformément à l'article 5, § 2, et annexé à l'appel à candidatures et, plus particulièrement, sur l'évaluation des compétences techniques et comportementales des candidats, assorties d'indicateurs de maîtrise, et leur compatibilité avec le projet éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur, ainsi que, dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, avec le projet pédagogique et artistique de l'établissement.
   § 3. La commission de sélection peut opérer un tri des candidatures sur dossier et n'entendre que les candidats retenus suite à cette sélection. Au terme des auditions, celle-ci établit un rapport classant les candidats et fournissant toutes informations utiles pour motiver le classement.
   Ce rapport est adressé au pouvoir organisateur qui, sur cette base, prend la décision d'admission au stage.
   § 4. Le pouvoir organisateur communique aux candidats les motifs de son choix du directeur stagiaire eu égard aux critères fixés dans le profil de la fonction déterminé conformément au présent article.
   § 5. A sa demande, tout candidat recevra communication de la façon dont a été évaluée la correspondance de ses compétences comportementales et techniques avec les critères de sélection définis et pondérés par le profil de fonction.]1

  
Art. 80. [1 § 1. Niemand kan tot de stage in het ambt van directeur toegelaten worden indien hij, op het ogenblik van de toelating tot de stage, niet aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1. minstens houder zijn van een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2; in het kunstsecundair onderwijs met beperkt leerplan, kunnen personeelsleden in vakken waarvoor geen niveau-opleiding bestaat met uitreiking van een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2, worden tot de stage toegelaten, op voorwaarde dat zij over een bekwaamheidsbewijs bedoeld in de artikelen 105 tot en met 108, onder a) of b), van het decreet van 2 juni 1998 tot organisatie van secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap beschikken;
   2. een van de pedagogische bekwaamheidsbewijzen vermeld in artikel 100 bezitten;
   3. een dienstanciënniteit hebben van 3 jaar in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
   4. de oproep tot het indienen van kandidaturen als bedoeld in artikel 56 hebben beantwoord.
   Voldoet aan voorwaarden 1 ° en 2 °, de kandidaat die beschikt over een diploma dat tegelijkertijd een pedagogisch bekwaamheidsbewijs en een [2 bekwaamheidsbewijs van het bachelorsniveau]2 op zijn minst is.
   De directeur toegelaten tot de stage volgens artikel 30 wordt geacht te voldoen aan de voorwaarden 1 °, 2 ° en 3 ° van het eerste lid.
   § 2. Een inrichtende macht die certificeert dat zij een oproep tot het indienen van kandidaturen heeft gedaan en geen geldige kandidatuur heeft ontvangen na deze eerste oproep, kan een tweede oproep indienen voor kandidaturen die niet voldoen aan voorwaarde 3 ° bedoeld in § 1.
   Indien de persoon die tot de stage is toegelaten geen ambt uitoefent in het door de Franse Gemeenschap georganiseerde of gesubsidieerde onderwijs op het moment van de toelating tot de stage, mag zij alleen in ambt treden als zij ook aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1°. de politieke en burgerlijke rechten genieten;
   2°. aan de wettelijke en reglementaire bepalingen met betrekking tot het taalstelsel voldoen;
   3°. van onberispelijk gedrag zijn;
   4°. aan de dienstplichtwetten voldoen.]1

  
Art. 80. [1 § 1er. Nul ne peut être admis au stage dans la fonction de directeur s'il ne répond, au moment de l'admission au stage, aux conditions suivantes :
   1° être porteur d'un [2 titre de niveau bachelier]2 au moins; dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, les membres du personnel enseignant des disciplines pour lesquelles n'existe pas de formation délivrant un [2 titre de niveau bachelier]2, peuvent être admis au stage pour autant qu'ils soient porteurs d'un des titres visés aux articles 105 à 108 point a) ou b) du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française;
   2° être porteur d'un des titres pédagogiques listés à l'article 100;
   3° avoir une ancienneté de service de 3 ans dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française;
   4° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 79.
   Remplit les conditions 1° et 2°, le candidat qui possède un diplôme constitutif à la fois d'un titre pédagogique et d'un [2 titre de niveau bachelier]2 au moins.
   Le directeur admis au stage en vertu de l'article 30 est réputé remplir les conditions 1°, 2° et 3° de l'alinéa 1er.
   § 2. Un pouvoir organisateur qui atteste avoir lancé un appel à candidatures et n'avoir pas reçu de candidature valable après ce 1er appel, peut lancer un second appel à candidatures ne remplissant pas la condition 3° visée au § 1er.
   Si la personne admise au stage n'exerce pas de fonction dans l'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française au moment de son admission au stage, elle ne pourra entrer en fonction que si elle rencontre également les conditions suivantes :
   1° jouir des droits civils et politiques;
   2° satisfaire aux dispositions légales et réglementaires relatives au régime linguistique;
   3° être de conduite irréprochable;
   4° satisfaire aux lois sur la milice.]1

  
Art. 81. [1 Een personeelslid kan enkel in het ambt van directeur in vast verband benoemd worden als hij aan de volgende voorwaarden voldoet:
   1°. de slaagattesten zoals bedoeld in artikel 15, § 1, eerste lid, en het volgattest als bedoeld in artikel 15, § 1, vierde lid, hebben behaald;
   2°. op de oproep tot het indienen van kandidaturen als bedoeld in artikel 79 hebben geantwoord;
   3°. een dienstanciënniteit van minstens zes jaar hebben verkregen, berekend overeenkomstig de nadere regels bepaald in artikel 29bis of 29ter van het voormeld decreet van 1 februari 1993.
   Voor het personeelslid dat niet aan deze voorwaarde voldoet, wordt de stage verlengd totdat hij aan deze voorwaarde voldoet;
   4°. drie evaluaties hebben gekregen, waarvan de laatste tot de vermelding "gunstig" heeft geleid.]1

  
Art. 81. [1 Un membre du personnel ne peut être engagé à titre définitif dans la fonction de promotion de directeur que s'il remplit les conditions suivantes :
   1° avoir obtenu les attestations de réussite visées à l'article 15, § 1er, alinéa 1er, et l'attestation de suivi visée à l'article 15, § 1er, alinéa 4;
   2° avoir répondu à l'appel à candidatures visé à l'article 79;
   3° avoir acquis une ancienneté de service de six ans au moins calculée selon les modalités fixées à l'article 29bis ou 29ter du décret du 1er février 1993 précité.
   Le membre du personnel qui ne remplit pas cette condition voit son stage prolongé jusqu'à ce qu'il remplisse ladite condition;
   4° avoir obtenu 3 évaluations dont la dernière a abouti à la mention " favorable ".]1

  
Art. 81bis. [1 § 1. Een inrichtende macht kan enkel tot een vaste benoeming overgaan voor een vacante betrekking van een ambt van directeur, als zij niet vereist is, op grond van de regels van de terbeschikkingstelling bij ontstentenis van betrekking en van de regels van reaffectatie, die betrekking aan een ter beschikking gesteld personeelslid toe te wijzen.
   § 2. Benoeming in een ambt van directeur kan alleen plaatsvinden als de betrekking als hoofdambt bezet is.
   § 3. Aanwervingen in vast verband zijn niet toegestaan in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting, afdeling, vestiging, graad, cyclus of andere onderverdeling die met toepassing van de regels inzake rationalisering, geleidelijk aan het sluiten is of in een betrekking die deel uitmaakt van een inrichting waarvan de periode voor de toelating tot de subsidies beperkt wordt door een beslissing van de Executieve, beslissing waarvan vooraf aan de inrichtende macht kennis werd gegeven.]1

  
Art. 81bis. [1 § 1er. Un pouvoir organisateur ne peut procéder à un engagement à titre définitif dans un emploi vacant d'une fonction de directeur que s'il n'est pas tenu, par les dispositions en vigueur sur la réaffectation ou la remise au travail, d'engager à cet emploi un membre du personnel mis en disponibilité par défaut d'emploi.
   § 2. L'engagement à une fonction de directeur ne peut intervenir que si l'emploi est occupé en fonction principale.
   § 3. L'engagement à titre définitif, n'est pas permis dans un emploi faisant partie d'un établissement, d'une section, d'une implantation, d'un degré, d'un cycle ou d'une autre subdivision qui, en application des règles de rationalisation est en voie de fermeture progressive ou dans un emploi faisant partie d'un établissement dont la période d'admission aux subventions est limitée par une décision de l'Exécutif préalablement signifiée au pouvoir organisateur.]1

  
Art. 82. [1 § 1. Wanneer een vastbenoemd directeur, na een oproep tot het indienen van kandidaturen, in een andere betrekking van directeur, zoals bepaald in artikel 2, door zijn inrichtende macht wordt aangeworven, moet zij hem tot de stage toelaten als de betrekking definitief vacant is of hem tijdelijk aanwijst als de betrekking tijdelijk vacant is. Gedurende deze periode blijft de directeur titularis van zijn oorspronkelijke betrekking en geniet hij verlof in overeenstemming met de artikelen 9 of 14 van het voormelde koninklijk besluit van 15 januari 1974.
   In afwijking van het vorige lid kan de directeur enkel toegelaten worden tot de stage of tijdelijk aangeworven worden, nadat hij zijn ambten in het ambt dat hij bekleedt gedurende een periode van drie jaar heeft uitgeoefend.
   § 2. Na één jaar maakt de inrichtende macht een evaluatie op basis van de aangepastheid aan de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. Indien deze evaluatie gunstig is, wordt de directeur vast benoemd in het ambt dat hij bekleedt wanneer het definitief vacant is.
   In het geval van een ongunstige evaluatie wordt zijn ambt beëindigd en keert hij terug naar zijn oorspronkelijke betrekking.
   Bovendien kan het ambt worden beëindigd overeenkomstig de artikelen 33 en 34.]1

  
Art. 82. [1 § 1er. Lorsqu'un directeur définitif est engagé, suite à un appel à candidatures, dans un autre emploi de directeur, tel que défini à l'article 2, par son pouvoir organisateur, celui-ci l'admet au stage si l'emploi est définitivement vacant ou l'engage à titre temporaire si l'emploi est temporairement vacant. Durant cette période, le directeur reste titulaire de son emploi d'origine et bénéficie d'un congé conformément aux articles 9 ou 14 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 précité.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, le directeur ne peut être admis au stage ou engagé à titre temporaire qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans.
   § 2. Après un an, le pouvoir organisateur effectue une évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. Si cette évaluation est favorable, le directeur est engagé à titre définitif, lorsque l'emploi est définitivement vacant.
   En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son emploi d'origine.
   Il peut en outre être mis fin à la fonction conformément aux articles 33 et 34.]1

  
Art. 82bis. [1 § 1. Wanneer een vastbenoemd directeur, na een oproep tot het indienen van kandidaturen, wordt aangeworven in een ander ambt van directeur, zoals gedefinieerd in artikel 2, bij een andere inrichtende macht dan deze waarbij hij vast wordt benoemd, laat deze laatste hem tot de stage toe als de betrekking definitief vacant is of wijst hem tijdelijk aan als de betrekking tijdelijk vacant is. Gedurende deze periode behoudt de directeur zijn oorspronkelijke betrekking en geniet hij verlof in overeenstemming met de artikelen 9 of 14 van het voormelde koninklijk besluit van 15 januari 1974.
   In afwijking van het vorige lid kan het personeelslid slechts tot de stage worden toegelaten of tijdelijk worden aangewezen nadat hij zijn ambten in het ambt dat hij uitoefent gedurende een periode van drie jaar heeft uitgeoefend.
   § 2. Na één jaar maakt de inrichtende macht een evaluatie op basis van de aangepastheid aan de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. Indien deze evaluatie ongunstig is, wordt een einde gesteld aan zijn ambt en keert hij terug naar zijn oorspronkelijke betrekking.
   Na twee jaar maakt de inrichtende macht een tweede evaluatie op basis van de aangepastheid aan de elementen van het ambtsprofiel specifiek voor de instelling. Indien deze evaluatie gunstig is, wordt de directeur vast benoemd in de betrekking die hij bekleedt, wanneer deze definitief vacant is.
   In het geval van een ongunstige evaluatie wordt zijn ambt beëindigd en keert hij terug naar zijn oorspronkelijke betrekking.
   Bovendien kan het ambt worden beëindigd overeenkomstig de artikelen 33 en 34]1

  
Art. 82bis. [1 § 1er. Lorsqu'un directeur définitif est engagé, suite à un appel à candidatures, dans un autre emploi de directeur, tel que défini à l'article 2, auprès d'un autre pouvoir organisateur que celui auprès duquel il est engagé à titre définitif, ce dernier l'admet au stage si l'emploi est définitivement vacant ou l'engage à titre temporaire si l'emploi est temporairement vacant. Durant cette période, le directeur reste titulaire de son emploi d'origine et bénéficie d'un congé conformément aux articles 9 ou 14 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 précité.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, le membre du personnel ne peut être admis au stage ou engagé à titre temporaire qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans.
   § 2. Après un an, le pouvoir organisateur effectue une évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son l'emploi d'origine.
   Après deux ans, le pouvoir organisateur effectue une deuxième évaluation axée sur l'adéquation aux éléments du profil de fonction spécifique à l'établissement. Si cette évaluation est favorable, le directeur est engagé à titre définitif dans l'emploi qu'il occupe, lorsque celui-ci est définitivement vacant.
   En cas d'évaluation défavorable, il est mis fin à sa fonction et il réintègre son emploi d'origine.
   Il peut, en outre, être mis fin à la fonction conformément aux articles 33 et 34.]1

  
Afdeling II. - De tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur.
Section II. - De l'engagement à titre temporaire dans un emploi de directeur.
Art. 83. [1 § 1. Het ambt van directeur kan tijdelijk worden toegewezen, na de in de artikelen 79 en 79bis bedoelde beroepsprocedure, mutatis mutandis van toepassing op een personeelslid dat aan alle voorwaarden bedoeld bij artikel 80 voldoet:
   1°. als de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
   2°. in het geval bedoeld in artikel 81bis, § 3.
   Gedurende deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin hij vast is benoemd.
   Hij wordt, mutatis mutandis, beoordeeld overeenkomstig artikel 33, § § 2 tot en met 5.
   § 2. Voor elke aanstelling met een duur gelijk aan of van minder dan 15 weken, is de voorwaarde van artikel 80, § 1, 3 ° [2 en 4°]2, niet verplicht.
   Deze aanwijzing voor maximaal 15 weken kan worden verlengd mits de totale duur van de aanwijzing niet meer dan 12 maanden bedraagt.
   Indien de afwezigheid van de ambtstitularis wordt verlengd, dient de inrichtende macht uiterlijk op de laatste dag van de aanwervingsperiode als bedoeld in het vorige lid een oproep tot het indienen van kandidaturen in.
   In afwijking van lid 2 wordt de aanwerving verlengd in de periode tussen de oproep tot het indienen van kandidaturen en de aanwerving van een kandidaat.
   De inrichtende macht wijst een kandidaat aan binnen drie maanden na de oproep tot het indienen van kandidaturen. Bij ontstentenis hiervan wordt aan het einde van deze drie maanden de opdracht niet langer gesubsidieerd, tenzij de inrichtende macht verklaart dat zij als gevolg van deze oproep geen kandidatuur heeft die voldoet aan de criteria van het ambtsprofiel. .
   In dit geval wordt, in afwijking van lid 2 en 4, wordt een aanvullende periode van niet meer dan 15 weken toegekend aan de inrichtende macht om een directeur aan te wijze na een nieuwe oproepsprocedure. De oorspronkelijke aanwerving bedoeld in de leden 1, 2 en 4 wordt niet gesubsidieerd na deze tweede oproep.]1

  
Art. 83. [1 § 1er. La fonction de directeur peut être confiée temporairement, suite à la procédure d'appel visée aux articles 79 et 79bis, appliquée mutatis mutandis, à un membre du personnel remplissant toutes les conditions visées à l'article 80 :
   1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
   2° dans l'hypothèse visée à l'article 81bis, § 3.
   Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif.
   Il est évalué, mutatis mutandis, conformément à l'article 33, §§ 2 à 5.
   § 2. Pour tout engagement d'une durée égale ou inférieure à 15 semaines, la condition de l'article 80, § 1er, 3° [2 et 4°]2 n'est pas obligatoire.
   Cet engagement pour 15 semaines maximum peut être renouvelé pour autant que la durée totale de désignation n'excède pas 12 mois.
   Si l'absence du titulaire de la fonction se prolonge, le pouvoir organisateur lance un appel à candidatures au plus tard le dernier jour de la période d'engagement visée à l'alinéa précédent.
   Par dérogation à l'alinéa 2, l'engagement est prolongé pendant la période entre l'appel à candidatures et l'engagement d'un candidat.
   Le pouvoir organisateur engage un candidat dans les trois mois qui suivent l'appel à candidatures. A défaut, au terme de ces trois mois, l'emploi n'est plus subventionné sauf si le pouvoir organisateur atteste qu'il n'a pu obtenir, à la suite de cet appel, de candidature qui réponde aux critères du profil de fonction.
   Dans ce cas, par dérogation aux alinéas 2 et 4, un délai supplémentaire, ne dépassant pas 15 semaines, est octroyé au pouvoir organisateur afin d'engager un directeur au terme d'une nouvelle procédure d'appel. L'engagement initial visé aux alinéas 1er, 2 et 4 n'est pas subventionné au-delà de ce deuxième appel.]1

  
Art. 84. § 1. Elke tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, met uitzondering van 8°.
  § 2. De tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 55, 1° van het voornoemde decreet van 1 februari 1993.
  § 3. Een tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur loopt ten einde overeenkomstig artikel 71nonies van het voornoemde decreet van 1 februari 1993.
  Het einde van het schooljaar heeft geen gevolg voor de tijdelijke aanwerving in een betrekking van directeur.
Art. 84. § 1er Tout engagement temporaire dans un emploi de directeur est établi par écrit, conformément aux dispositions de l'article 31 du décret du 1er février 1993 précité, à l'exception du 8°.
  § 2 L'engagement temporaire dans un emploi de directeur n'est possible qu'après application par le pouvoir organisateur de la disposition de l'article 55, 1° du décret du 1er février 1993 précité
  § 3. Un engagement temporaire dans un emploi de directeur prend fin conformément à l'article 71nonies du décret du 1er février 1993 précité.
  La fin de l'année scolaire est sans incidence sur l'engagement temporaire dans un emploi de directeur.
Afdeling III. - [1 Mechanismen voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties en evaluatie.]1
Section III. [1 Des mécanismes de soutien et de développement des compétences professionnelles et d'évaluation]1
Art. 85. Deze afdeling is van toepassing op de in vast verband aangeworven directeurs.
  Ze is ook van toepassing op het personeelslid aan wie een ambt van directeur tijdelijk wordt toevertrouwd voor een duur die gelijk is aan of langer is dan een jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt. De benaming " directeur " bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid.
Art. 85. Cette section s'applique aux directeurs engagés à titre définitif.
  Elle s'applique également au membre du personnel auquel est confiée à titre temporaire une fonction de directeur pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an. La dénomination " directeur " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
Art. 86. [1 - De leden van de inrichtende macht die verantwoordelijk zijn voor deze evaluatie, worden ondersteund door de federatie van hun inrichtende macht, die hen met name voorziet van eventuele gespecialiseerde technische expertise. Ze hebben bovendien toegang tot de vorming bedoeld in artikel 132 van het decreet van XXX betreffende de ondersteuning, de ontwikkeling van de beroepscompetenties en de evaluatie van het onderwijzend personeel.
   De inrichtende macht kan een beroep doen op deskundigen op het gebied van pedagogie of human resources, om de in onderafdeling II bedoelde gesprekken en/of evaluaties uit te voeren.]1

  
Art. 86. [1 - Les membres du pouvoir organisateur chargés de cette évaluation sont soutenus par leur fédération de pouvoir organisateur qui leur apporte notamment, une éventuelle expertise technique spécialisée. Par ailleurs, ils ont accès à la formation visée à l'article 132 du décret du 20 juillet 2023 relatif au soutien, au développement des compétences professionnelles et à l'évaluation des personnels de l'enseignement.
   Le pouvoir organisateur peut s'entourer d'experts en pédagogie ou en ressources humaines pour procéder aux entretiens et/ou évaluations visés à la sous-section II.]1

  
Onderafdeling 1. [1 Over het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties]1
Sous-section 1. [1 - Du mécanisme de soutien et de développement des compétences professionnelles]1
Art. 87. [1 - § 1. Het mechanisme voor ondersteuning en ontwikkeling van beroepscompetenties bestaat met name uit gesprekken over professionele ontwikkeling tussen de directeur en zijn inrichtende macht en uit een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek. Deze gesprekken over professionele ontwikkeling worden georganiseerd op initiatief van de inrichtende macht, maar kunnen ook worden aangevraagd door de directeur.
   Er moeten minimaal vijf werkdagen verstrijken tussen de oproeping voor het gesprek over professionele ontwikkeling en de datum van het gesprek over professionele ontwikkeling.
   Van het gesprek over professionele ontwikkeling moet een rapport worden opgesteld.
   Een gesprek over professionele ontwikkeling moet voor zover mogelijk één keer per jaar plaatsvinden, en minstens één keer om de drie jaar. Het gesprek over professionele ontwikkeling heeft betrekking op de uitvoering van de opdrachtbrief bedoeld in hoofdstuk III van Titel 1 en op de uitvoering van de doelstellingenovereenkomst, indien een dergelijke overeenkomst bestaat.
   In het kader van het gesprek over professionele ontwikkeling wordt rekening gehouden met de algemene context waarin de directeur zal werken, en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
   In dit kader houdt de inrichtende macht rekening met het volgende:
   a) in het kleuteronderwijs en in het leerplichtonderwijs met de bepalingen betreffende het vormings- en het pedagogisch project van de inrichtende macht, en met het schoolproject bedoeld in titel 5 van het Wetboek voor het basis- en secundair onderwijs;
   b) in het onderwijs voor sociale promotie met de bepalingen betreffende het pedagogisch project bedoeld in artikel 36, § 2 van het voornoemde decreet van 16 april 1991;
   c) in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan met de bepalingen betreffende het artistiek en het pedagogisch project van de inrichtende macht bedoeld in artikel 1, 7° en 8° van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, en met de bepalingen betreffende het educatief en artistiek schoolproject bedoeld in artikel 3bis van hetzelfde decreet.
   § 2. Na dit gesprek en op verzoek en inrichtende macht of de directeur wordt een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties opgesteld.
   Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt opgesteld door de inrichtende macht of haar afgevaardigde in overleg met de directeur.
   § 3. Dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties wordt geformaliseerd in een document dat wordt medeondertekend, zoals bedoeld in artikel 88, en bevat wederzijdse verbintenissen van beide partijen, zoals individuele, specifieke en realistische doelstellingen die zijn afgestemd op de directeur, en de middelen die hem ter beschikking worden gesteld om ze te bereiken. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.
   Aan de in het vorige lid bedoelde plicht tot medeondertekening wordt geacht te zijn voldaan indien de inrichtende macht of haar afgevaardigde bewijs levert dat het verzoek om ondertekening ter kennisneming naar het personeelslid is verzonden.
   Als de directeur weigert te ondertekenen, wordt de procedure voor het uitvoeren van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties rechtsgeldig voortgezet.
   § 4. De periodiciteit ervan wordt zo aangepast dat de directeur het gegeven advies kan uitvoeren, of de aanbevolen vormingen kan volgen. Daarom mag er niet meer dan één ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties per schooljaar worden opgesteld.
   Tijdens eenzelfde schooljaar kan er echter ook een individueel begeleidingsplan worden opgesteld voor een personeelslid waarvoor een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties is opgesteld, na een eerste negatieve evaluatie.
   § 5. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties kan worden aangepast op initiatief van de inrichtende macht of op verzoek van de directeur. Deze aanpassingen worden medeondertekend door beide partijen.
   § 6. Het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek. Dit gesprek vindt ten vroegste zes maanden en ten laatste twee jaar na de opstelling van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties plaats.
   Het afrondingsgesprek wordt gevoerd door de inrichtende macht of haar afgevaardigde.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.
   § 7. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]1

  
Art. 87. [1 - § 1. Le mécanisme de soutien et de développement des compétences professionnelles est composé, notamment, d'entretiens de développement professionnel entre le directeur et son pouvoir organisateur et d'un plan de développement des compétences professionnelles et d'un entretien de clôture. Ces entretiens de développement professionnel sont organisés à l'initiative du pouvoir organisateur mais peuvent également être demandés par le directeur.
   Un délai de minimum cinq jours ouvrables doit être garanti entre la convocation à l'entretien de développement professionnel et la date de l'entretien de développement professionnel.
   L'entretien de développement professionnel doit faire l'objet d'un compte-rendu.
   Un entretien de développement professionnel doit avoir lieu dans la mesure du possible une fois par an, et, au minimum, une fois tous les trois ans. L'entretien de développement professionnel porte sur l'exécution de la lettre de mission visée au chapitre III du Titre 1er et sur la mise en oeuvre du contrat d'objectifs, quand celui-ci existe.
   Dans le cadre de l'entretien de développement professionnel, il est tenu compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le directeur et des moyens mis à sa disposition.
   Dans ce cadre, le pouvoir organisateur prend en considération :
   a) dans l'enseignement maternel et dans l'enseignement obligatoire, les dispositions relatives aux projets éducatif et pédagogique du pouvoir organisateur et au projet d'établissement visés au titre 5 du Code de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire;
   b) dans l'enseignement de promotion sociale, les dispositions relatives au projet pédagogique visé à l'article 36, § 2, du décret du 16 avril 1991 précité;
   c) dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit, les dispositions relatives au projet artistique et au projet pédagogique du pouvoir organisateur visés à l'article 1er, 7° et 8° du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française et les dispositions relatives au projet éducatif et artistique d'établissement visé à l'article 3bis du même décret.
   § 2. A la suite de cet entretien et à la demande du pouvoir organisateur ou du directeur, un plan de développement des compétences professionnelles est mis en place.
   Ce plan de développement des compétences professionnelles est élaboré par le pouvoir organisateur ou son délégué en concertation avec le directeur.
   § 3. Ce plan de développement des compétences professionnelles est formalisé dans un document cosigné, tel que visé à l'article 88 et contient des engagements mutuels des deux parties tels que des objectifs individualisés, spécifiques, réalistes et adaptés au directeur ainsi que les moyens mis à sa disposition pour les atteindre. Un maximum de quatre objectifs peut être fixé.
   L'obligation de co-signature visée à l'alinéa précédent est réputée remplie dès lors que le pouvoir organisateur ou son délégué fait la preuve que la demande de signature pour prise de connaissance a été adressée au membre du personnel.
   En cas de refus de signature du directeur, la procédure de mise en oeuvre du plan de développement des compétences professionnelles se poursuit valablement.
   § 4. Sa périodicité est adaptée de manière à permettre au directeur de mettre en place les conseils dispensés ou de suivre les formations recommandées. Ainsi, il ne peut être élaboré plus d'un plan de développement des compétences professionnelles par année scolaire.
   Toutefois, durant une même année scolaire, un membre du personnel faisant l'objet d'un plan de développement des compétences professionnelles peut également être amené à avoir un plan d'accompagnement individualisé élaboré suite à une première évaluation avec mention défavorable.
   § 5. Le plan de développement des compétences professionnelles peut faire l'objet d'ajustements à l'initiative du pouvoir organisateur ou à la demande du directeur. Ils sont cosignés par les deux parties.
   § 6. Le plan de développement des compétences professionnelles donne lieu à un entretien de clôture. Cet entretien intervient au plus tôt six mois après la mise en place du plan de développement des compétences professionnelles et au plus tard deux ans après celle-ci.
   L'entretien de clôture est mené par le pouvoir organisateur ou son délégué.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu.
   § 7. Pour le calcul des délais de six mois et deux ans précités, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1

  
Art. 88. [1 De regering stelt het model vast van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties dat als basis kan dienen voor de evaluatie bedoeld in onderafdeling 2.]1
  
Art. 88. [1 Le gouvernement fixe le modèle de plan de développement des compétences professionnelles, pouvant servir de base à l'évaluation visée dans la sous-section 2.]1
  
Onderafdeling 2. [1 Over het evaluatiemechanisme]1
Sous-section 2. [1 - Du mécanisme d'évaluation]1
Art. 88/1. [1 - § 1. In geval van manifeste onwil ten aanzien van het genoemde plan of van manifest en herhaald onvermogen om de doelstellingen te bereiken die in het kader van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties samen met de directeur werden bepaald, kan door de inrichtende macht een evaluatieprocedure worden gestart.
   Elke eerste evaluatie wordt voorafgegaan door een ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties en een afrondingsgesprek.
   Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.
   § 2. Ten vroegste zes maanden nadat dit ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties werd meegedeeld aan de directeur, en voor zover het afrondingsgesprek bedoeld in artikel 87, § 6 heeft plaatsgevonden, kan de inrichtende macht overgaan tot een evaluatie ervan. Deze periode wordt berekend overeenkomstig artikel 88/2, § 2.
   § 3. De directeur moet worden gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd vrij onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   § 4. De evaluatie resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie. Ze wordt geformaliseerd in het in artikel 88/5 bedoelde document en ter kennis van het personeelslid gebracht.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het ontwikkelingsplan voor beroepscompetenties, voor de eerste evaluatie.
   Als er geen evaluatierapport is, wordt elk personeelslid geacht een "positieve" evaluatie te hebben gekregen.
   § 5. In geval van een "negatieve" evaluatie wordt vervolgens een gesprek gepland tussen de directeur en de inrichtende macht of haar afgevaardigde, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Dit plan bepaalt de doelstellingen die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal 4 doelstellingen worden vastgesteld.]1

  
Art.88/1. [1 - § 1er. En cas de mauvaise volonté manifeste en lien avec ledit plan ou de carence manifeste et répétée à atteindre les objectifs identifiés avec le directeur dans le cadre du plan de développement des compétences professionnelles, une procédure d'évaluation peut être engagée par pouvoir organisateur.
   Toute première évaluation est précédée d'un plan de développement des compétences professionnelles et d'un entretien de clôture.
   Une évaluation ne peut avoir lieu qu'une fois par année scolaire.
   § 2. Au plus tôt six mois après avoir communiqué ce plan de développement des compétences professionnelles au directeur et pour autant que l'entretien de clôture visé à l'article 87 § 6 ait eu lieu, le pouvoir organisateur peut procéder à une évaluation de celui-ci. Ce délai est calculé conformément à l'article 88/2, § 2.
   § 3. Le directeur doit être entendu préalablement à toute attribution d'une mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le directeur peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel des établissements d'enseignement libre subventionné, en activité de service ou pensionnés, ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   § 4. L'évaluation débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable ". Elle est formalisée selon le document visé à l'article 88/5 et notifiée au membre du personnel.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base des éléments du plan de développement des compétences professionnelles, pour la première évaluation.
   En l'absence de rapport d'évaluation, tout membre du personnel est réputé bénéficier de la mention " favorable ".
   § 5. En cas d'évaluation débouchant sur la mention " défavorable ", un entretien entre le directeur et le pouvoir organisateur ou son délégué est, ensuite, fixé afin de mettre en place un plan d'accompagnement individualisé, basé sur les éléments évoqués lors de l'évaluation. Celui-ci détermine les objectifs que le directeur doit atteindre pour obtenir une mention favorable lors de l'évaluation suivante. Un maximum de 4 objectifs peut être fixé.]1

  
Art. 88/2. [1 - § 1. Als de directeur zijn ambt minstens zes maanden heeft kunnen uitoefenen na het individuele begeleidingsplan te hebben ontvangen dat tijdens de vorige "negatieve" evaluatie werd overeengekomen, kan er een nieuwe evaluatie plaatsvinden.
   Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.
   Na een "negatieve" evaluatie moet de volgende evaluatie echter plaatsvinden binnen maximaal twee jaar na de mededeling van het individuele begeleidingsplan dat werd opgesteld naar aanleiding van de vorige evaluatie. Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.
   In afwijking van het vorige lid kan de volgende evaluatie binnen een langere periode plaatsvinden als het individuele begeleidingsplan wordt verlengd zoals bedoeld in artikel 88/3.
   § 2. Voor de berekening van de voornoemde periodes van zes maanden en twee jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.]1

  
Art.88/2. [1 - § 1er. Après un délai de minimum six mois d'exercice de la fonction entre la communication au directeur du plan d'accompagnement individualisé convenu lors de l'évaluation avec mention " défavorable " qui précède, une nouvelle évaluation peut avoir lieu.
   Ce délai doit permettre au directeur de remédier aux carences constatées.
   Toutefois, après une évaluation avec mention " défavorable ", l'évaluation suivante doit intervenir dans un délai maximum de deux ans suivant la communication du plan d'accompagnement individualisé faisant suite à la précédente évaluation. A défaut, elle est réputée favorable.
   Par dérogation à l'alinéa précédent, l'évaluation suivante peut intervenir dans un délai plus long en cas de prolongation du plan d'accompagnement individualisé telle que visée à l'article 88/3.
   § 2. Pour le calcul des délais de six mois et deux ans précités, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.]1

  
Art. 88/3. [1 - § 1. Het evaluatierapport na een eerste definitieve "negatieve" evaluatie wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie of, in geval van onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en de Inrichtende macht, in een verlenging van het individuele begeleidingsplan. Het evaluatierapport wordt geformaliseerd in het in artikel 88/5 bedoelde document en ter kennis van de directeur gebracht.
   Het individuele begeleidingsplan wordt verlengd voor minimaal 3 maanden en maximaal één jaar.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.
   De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd vrij onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   § 3. Ingeval het individuele begeleidingsplan wordt verlengd, wordt een gesprek gepland tussen enerzijds de inrichtende macht en anderzijds de directeur, om een individueel begeleidingsplan op te stellen op basis van de tijdens de evaluatie ter sprake gebrachte elementen. Het bevat de doelstellingen van het vorige individuele begeleidingsplan die de directeur moet bereiken om volgende keer een positieve evaluatie te krijgen. Er kunnen maximaal vier doelstellingen worden vastgesteld.
   Het individuele begeleidingsplan geeft aanleiding tot een afrondingsgesprek.
   Van het afrondingsgesprek wordt een rapport opgesteld.
   § 4. Nadat het individuele begeleidingsplan is verlengd, vindt er een nieuwe evaluatie plaats binnen een periode van minimaal drie maanden en maximaal één jaar waarin het personeelslid zijn ambt uitoefent, vanaf de datum waarop het personeelslid op de hoogte is gebracht van het individuele begeleidingsplan dat werd aangepast naar aanleiding van de verlenging van het individuele begeleidingsplan.
   Als dat niet gebeurt, wordt de evaluatie geacht positief te zijn.
   Deze periode moet de directeur in staat stellen om iets te doen aan het vastgestelde onvermogen.
   § 5. Voor de berekening van de voornoemde periodes van drie maanden en één jaar wordt alleen rekening gehouden met de tijdens de uitoefening van het ambt daadwerkelijk verleende diensten, met inbegrip van:
   - de jaarlijkse vakantie, met uitzondering van de zomervakantie;
   - het verlof dat is voorzien in artikelen 5, 5bis, 6 en 7 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 ter uitvoering van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch, kunst- en normaalonderwijs van de staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen.
   § 6. Het evaluatierapport na een verlenging van het individuele begeleidingsplan wordt opgesteld door de inrichtende macht. Het resulteert in een "positieve" of "negatieve" evaluatie, wordt geformaliseerd in het document bedoeld in artikel 88/5, en wordt ter kennis gebracht van de directeur.
   Of de evaluatie positief of negatief is, wordt gemotiveerd op basis van de elementen van het individuele begeleidingsplan.
   De directeur moet zijn gehoord door de inrichtende macht voordat de inrichtende macht hem positief of negatief evalueert. De oproeping moet ten minste vijf werkdagen vóór het verhoor worden betekend, hetzij via de post per aangetekende brief met ontvangstbevestiging, hetzij door middel van een persoonlijk afgegeven brief met ontvangstbevestiging. Tijdens het evaluatiegesprek kan de directeur zich laten bijstaan door een verdediger die wordt gekozen uit de personeelsleden van de instellingen voor gesubsidieerd vrij onderwijs, in actieve dienst of gepensioneerd, of door een vertegenwoordiger van een representatieve vakbondsorganisatie.
   Een evaluatie kan maar één keer per schooljaar plaatsvinden.]1

  
Art.88/3. [1 - § 1er. Le rapport d'évaluation faisant suite à une première évaluation définitive avec mention " défavorable " est rédigé par le pouvoir organisateur. Il débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable " ou, en cas d'un commun accord entre le membre du personnel et le Pouvoir organisateur sur la prolongation du plan d'accompagnement individualisé. Le rapport d'évaluation est formalisé selon le document visé à l'article 88/5 ainsi que notifié au directeur.
   La prolongation du plan d'accompagnement individualisé est de minimum 3 mois et de maximum un an.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base des éléments du plan d'accompagnement individualisé.
   Le directeur doit avoir été entendu préalablement à l'attribution de sa mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le directeur peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel des établissements d'enseignement libre subventionné, en activité de service ou pensionnés, ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   § 3. En cas de prolongation du plan d'accompagnement individualisé, un entretien entre, d'une part, le pouvoir organisateur et, d'autre part, le directeur est fixé afin de mettre en place un plan d'accompagnement individualisé, basé sur les éléments évoqués lors de l'évaluation. Celui-ci reprend les objectifs du plan d'accompagnement individualisé précédent que le directeur doit atteindre pour obtenir une mention favorable lors de l'évaluation suivante. Un maximum de quatre objectifs peut être fixé.
   Le plan d'accompagnement individualisé donne lieu à un entretien de clôture.
   L'entretien de clôture fait l'objet d'un compte-rendu.
   § 4. Après prolongation du plan d'accompagnement individualisé, une nouvelle évaluation a lieu endéans un délai de minimum trois mois et un délai maximum d'un an d'exercice de la fonction à partir de la communication au membre du personnel du plan d'accompagnement individualisé adapté à la suite de la prolongation du plan d'accompagnement individualisé.
   A défaut, elle est réputée favorable.
   Ce délai doit permettre au directeur de remédier aux carences constatées.
   § 5. Pour le calcul des délais de trois mois et un an précités, sont seuls pris en considération les services effectifs rendus pendant l'exercice de la fonction, en ce compris :
   - les vacances annuelles, à l'exclusion des vacances d'été ;
   - les congés prévus aux articles 5, 5bis, 6 et 7 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécial, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements.
   § 6. Le rapport d'évaluation faisant suite à une prolongation de plan d'accompagnement individualisé est rédigé par le pouvoir organisateur. Il débouche sur une mention " favorable " ou " défavorable " et est formalisé selon le document visé à l'article 88/5 ainsi que notifié au directeur.
   La mention d'évaluation est motivée sur la base des éléments du plan d'accompagnement individualisé.
   Le directeur doit avoir été entendu préalablement à l'attribution de sa mention d'évaluation par le pouvoir organisateur. La convocation doit lui être notifiée cinq jours ouvrables au moins avant l'audition, soit par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, soit par la remise d'une lettre de la main à la main avec accusé de réception. Lors de l'entretien d'évaluation, le directeur peut se faire assister par un défenseur choisi parmi les membres du personnel des établissements d'enseignement libre subventionné, en activité de service ou pensionnés, ou par un représentant d'une organisation syndicale représentative.
   Une évaluation ne peut avoir lieu qu'une fois par année scolaire.]1

  
Art. 88/4. [1 - § 1. In geval van een "negatieve" evaluatie kan de directeur binnen de 10 werkdagen na ontvangst van het rapport beroep instellen overeenkomstig de voorwaarden die worden beschreven in hoofdstuk Vbis van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, en die mutatis mutandis van toepassing zijn. De directeur die gebruik maakt van zijn recht op beroep, stelt zijn inrichtende macht hiervan onmiddellijk in kennis. Dit beroep werkt opschortend.
   § 2. De herhaling van twee opeenvolgende "negatieve" evaluaties over twee verschillende schooljaren, die definitief zijn geworden na uitputting van de procedures vóór de Kamer van beroep, zoals bedoeld in artikel 61decies/6 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, heeft als gevolg dat de dienst van de directeur ambtshalve wordt beëindigd, overeenkomstig artikel 72, § 1, 12° van het voornoemde decreet van 1 februari 1993.]1

  
Art.88/4. [1 - § 1er. En cas d'évaluation avec mention " défavorable ", le directeur peut, dans les 10 jours ouvrables qui suivent la réception du rapport, introduire un recours conformément aux modalités décrites au chapitre Vbis du décret du 1er février 1993 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné, applicables mutatis mutandis. Le directeur qui fait usage de son droit de recours en notifie immédiatement une copie à son pouvoir organisateur. Ce recours est suspensif.
   § 2. La répétition de deux mentions " défavorable " consécutives sur deux années scolaires distinctes, devenues définitives après épuisement des procédures devant la chambre de recours, telles que visées à l'article 61decies/6 du décret du 1er février 1993 précité, a pour conséquence de mettre fin d'office aux fonctions du directeur en application de l'article 72 § 1er, 12° du décret du 1er février 1993 précité.]1

  
Art. 88/5. [1 - De regering legt het model vast van het individuele begeleidingsplan en van het evaluatierapport.]1
  
Art.88/5. [1 - Le Gouvernement fixe le modèle de plan d'accompagnement individualisé et de rapport d'évaluation.]1
  
Art. 88/6. [1 - De in deze onderafdeling genoemde kennisgevingen van documenten, beslissingen of oproepingen gebeuren per aangetekende brief met ontvangstbevestiging of persoonlijk met ontvangstbevestiging. ]1
  
Art.88/6. [1 - Toute notification de document, de décision ou de convocation mentionnée dans la présente sous-section se fait par courrier recommandé avec accusé de réception ou par une remise de la main à la main avec accusé de réception.]1
  
Onderafdeling 3 [1 - Over de deontologische regels]1
Sous-section 3. [1 - Des règles de déontologie]1
Art. 88/7. [1 - In het kader van de in deze afdeling bedoelde gesprekken en evaluaties moeten het personeelslid en zijn beoordelaar de volgende verplichtingen nakomen:
   a) discretie;
   b) wederzijds respect.
   Bovendien moet de beoordelaar:
   a) hun instructies/advies/uitwisselingen met het personeelslid en zijn positieve of negatieve evaluatie op een gepaste en constructieve manier motiveren;
   b) het personeelslid helpen bij het bereiken van zijn doelstellingen;
   c) de plichten tot onpartijdigheid en objectiviteit nakomen.]1

  
Art.88/7. [1 - Dans le cadre des entretiens et évaluations visées à la présente section, le membre du personnel et son évaluateur sont tenus au respect des devoirs suivants :
   a) la discrétion ;
   b) le respect mutuel.
   En outre, l'évaluateur est tenu de :
   a) motiver, de manière adéquate et constructive, ses instructions/conseils/échanges avec le membre du personnel ainsi que la mention d'évaluation ;
   b) soutenir le membre du personnel dans l'atteinte de ses objectifs;
   c) respecter les devoirs d'impartialité et d'objectivité.]1

  
Afdeling IV. - Overgang tussen bevorderingsambten, selectieambten en wervingsambten.
Section IV. - Des passerelles entre fonctions de promotion, de sélection et de recrutement.
Art. 89. Artikel 41ter van het decreet van 1 februari 1993, ingevoegd bij het decreet van 10 april 1995 en gewijzigd bij het decreet van 19 december 2002, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 41ter. Een personeelslid dat definitief aangeworven is in een selectieambt of bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, indien het hierom verzoekt en met de toestemming van de inrichtende macht, definitief aangeworven worden in een definitief vacante betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat aanleiding geeft tot zijn huidige ambt door een inrichtende macht waar het reeds een definitieve aanwerving in een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt heeft genoten, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29quater, 1°.
  Een personeelslid dat definitief aangeworven is in een selectieambt of bevorderingsambt bij een inrichtende macht kan, indien het hierom verzoekt en met de toestemming van de inrichtende macht, definitief aangeworven worden in een definitief vacant geworden betrekking van een wervingsambt, een selectieambt of een bevorderingsambt dat aanleiding geeft tot zijn huidige ambt door een andere inrichtende macht dan deze bedoeld in het eerste lid, overeenkomstig de bepalingen van artikel 29quater, 3°.
  Voor de toepassing van het eerste lid en tweede lid en onverminderd artikel 29quinquies, kan de aanwerving plaatsvinden, ongeacht de datum. Ze kan slechts worden toegewezen als het lid voldoet aan alle voorwaarden bepaald, naar gelang van het geval :
  a) in artikel 42, § 1, met uitzondering van 8° wat betreft de ambtsanciënniteit en van 10° en 12°;
  b) in artikel 51 moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs;
  c) in artikel 59 moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs;
  d) in artikel 80 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van directeurs, moeten de voorwaarden worden vervuld in het gesubsidieerd onderwijs.
  Voor de toepassing van de punten b), c) en d) van het derde lid wordt de eis om de opleiding betreffende een bepaald ambt op te volgen, geacht van ambtswege bereikt te zijn indien het personeelslid titularis in vast verband van dit ambt is geweest vóór de uitoefening van zijn huidige ambt.
  Het personeelslid bedoeld in dit artikel krijgt een weddeschaal van het ambt waarin het in vast verband werd aangeworven overeenkomstig deze bepaling.
  Nochtans geniet het personeelslid bedoeld in dit artikel, dat tijdens ten minste tien jaar het selectieambt of het bevorderingsambt in vast verband, dat het verlaat, uitgeoefend heeft, een degressief weddeschaalstelsel om vanaf het derde jaar de weddeschaal te hebben van het ambt waarin het in vast verband is aangeworven overeenkomstig dit artikel, dat vastgesteld is als volgt :
  a) tijdens het eerste jaar dat volgt op zijn nieuwe affectatie geniet het personeelslid een weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 66 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verlaten heeft en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is;
  b) tijdens het tweede jaar dat volgt op zijn nieuwe affectatie geniet het personeelslid de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 33 % van het verschil tussen, enerzijds, de weddeschaal die het genoot in het ambt dat het verlaten heeft en, anderzijds, de weddeschaal van het ambt waarin het geaffecteerd is. "
Art. 89. L'article 41ter du décret du 1er février 1993, inséré par le décret du 10 avril 1995 et modifié par le décret du 19 décembre 2002, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 41ter. Un membre du personnel engagé à titre définitif dans une fonction de sélection ou de promotion auprès d'un pouvoir organisateur peut, s'il le demande et avec l'accord du pouvoir organisateur, être engagé à titre définitif dans un emploi définitivement vacant d'une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion qui donne accès à sa fonction actuelle par un pouvoir organisateur auprès duquel il a déjà bénéficié d'un engagement à titre définitif dans une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion conformément aux dispositions de l'article 29quater, 1°.
  Un membre du personnel engagé à titre définitif dans une fonction de sélection ou de promotion auprès d'un pouvoir organisateur peut, s'il le demande et avec l'accord du pouvoir organisateur être engagé à titre définitif dans un emploi définitivement vacant d'une fonction de recrutement, de sélection ou de promotion qui donne accès à sa fonction actuelle par un pouvoir organisateur autre que ceux visés à l'alinéa 1er, conformément aux dispositions de l'article 29quater, 3°.
  Pour l'application des alinéas 1er et 2 et sans préjudice de l'article 29quinquies, l'engagement peut avoir lieu quelle que soit la date. Il ne peut être accordé que pour autant que le membre remplisse toutes les conditions prévues selon le cas :
  a) à l'article 42, § 1er, à l'exception du 8° en ce qui concerne l'ancienneté de fonction et des 10° et 12°;
  b) à l'article 51, les conditions devant être remplies dans l'enseignement subventionné;
  c) à l'article 59, les conditions devant être remplies dans l'enseignement subventionné;
  d) à l'article 80 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs, les conditions devant être remplies dans l'enseignement subventionné.
  Pour l'application des points b), c) et d) de l'alinéa 3, l'exigence du suivi de la formation relative à une fonction déterminée est d'office réputée remplie si le membre du personnel a été titulaire à titre définitif de cette fonction avant l'exercice de sa fonction actuelle.
  Le membre du personnel visé au présent article se voit attribuer l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est engagé à titre définitif conformément à cette disposition.
  Toutefois, le membre du personnel visé au présent article, qui a exercé pendant au moins dix ans à titre définitif la fonction de sélection ou de promotion qu'il quitte, bénéficie d'un mécanisme dégressif d'échelles de traitement pour rejoindre à partir de la 3ème année l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est engagé à titre définitif conformément au présent article fixé comme suit :
  a) Au cours de la première année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté, augmentée d'un montant équivalent à 66 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté;
  b) Au cours de la deuxième année qui suit sa nouvelle affectation, le membre du personnel bénéficie de l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté, augmentée d'un montant équivalent à 33 % de la différence entre d'une part l'échelle de traitement dont il bénéficiait dans la fonction qu'il a quittée et d'autre part l'échelle de traitement de la fonction dans laquelle il est affecté. "
Art. 90. Punt 2° van artikel 48 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : " of is aangesteld in deze betrekking overeenkomstig artikel 41ter. "
Art. 90. Le point 2° de l'article 48 du même décret est complété par les termes suivants : " ou est engagé dans cet emploi conformément à l'article 41ter. ".
Art. 91. Punt 2° van artikel 55 van hetzelfde decreet wordt aangevuld als volgt : " of is aangesteld in deze betrekking overeenkomstig artikel 41ter. "
Art. 91. Le point 2° de l'article 55 du même décret est complété par les termes suivants : " ou est engagé dans cet emploi conformément à l'article 41ter. ".
Afdeling V. - Wijzigingsbepalingen.
Section V. - Dispositions modificatives.
Art. 92. In het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt een artikel 50bis toegevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 50bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in vast verband moet aanwerven in een selectieambt :
  1° raadpleegt de directeur van de inrichting alsook, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakvereniging, over het profiel van het toe te kennen selectieambt;
  2° ontvangt van alle personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de vaste benoeming.
  § 2. De inrichtende macht, na toepassing van § 1 :
  1° bepaalt het profiel van het toe te kennen selectieambt. In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 51;
  2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering. "
  § 3. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van het personeelslid dat aangeworven is in vast verband in het selectieambt, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het ambt bepaald overeenkomstig dit artikel. "
Art. 92. Un article 50bis, rédigé comme suit, est ajoute au décret du 1er février 1993 précité :
  " Article 50bis. § 1er. Le pouvoir organisateur qui doit engager à titre définitif un membre du personnel dans une fonction de sélection :
  1° consulte le directeur de l'établissement ainsi que, selon le cas, le conseil d'entreprise, l'instance de concertation locale, ou à défaut, la délégation syndicale sur le profil de la fonction de sélection à pourvoir;
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de l'engagement à titre définitif.
  § 2. Le pouvoir organisateur après application du § 1er :
  1° arrête le profil de la fonction de sélection à pourvoir. Dans ce cadre, le pouvoir organisateur peut ajouter des critères complémentaires aux conditions d'engagement à titre définitif visées à l'article 51;
  2° lance un appel aux candidats selon les formes déterminées par le Gouvernement.
  § 3. Le pouvoir organisateur communique aux candidats les motifs de son choix du membre du personnel engagé à titre définitif dans la fonction de sélection eu égard aux critères fixés dans le profil de la fonction déterminé conformément au présent article ".
Art. 93. Artikel 51 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt vervangen als volgt :
  " Art. 51. Niemand kan in vast verband worden aangeworven in een selectieambt indien hij niet op het ogenblik van de aanwerving aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° een dienstanciënniteit van ten minste zes jaar binnen het gesubsidieerd onderwijs te hebben verworven in één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie, berekend volgens de nadere regels bepaald in artikel 29bis ;
  2° aangeworven zijn, in vast verband, in één van deze ambten in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;
  3° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van één ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;
  4° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;
  5° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd wordt door een getuigschrift dat bewijst dat hij de opleiding heeft gevolgd;
  6° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 50bis ".
Art. 93. L'article 51 du décret du 1er février 1993 précité est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 51. Nul ne peut être engagé à titre définitif dans une fonction de sélection s'il ne répond au moment de l'engagement aux conditions suivantes :
  1° Avoir acquis une ancienneté de service de six ans au sein de l'enseignement subventionné, dans une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion de la catégorie en cause calculée selon les modalités fixées à l'article 29bis ;
  2° Etre engagé à titre définitif dans une de ces fonctions dans l'enseignement libre subventionné du caractère concerné;
  3° Etre titulaire, à titre définitif, avant cet engagement, d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans l'enseignement libre subventionné du caractère concerné;
  4° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs;
  5° avoir suivi au préalable une formation spécifique sanctionnée par un certificat de fréquentation;
  6° avoir répondu à l'appel aux candidats visé à l'article 50bis ".
Art. 94. De artikelen 53 tot 54 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt :
  " Art. 53, § 1. Een selectieambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 51 vervult op het ogenblik van de aanwerving :
  1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
  2° in het geval bedoeld in artikel 50.
  Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, worden de voorwaarden bedoeld in artikel 51, 5° en 6° niet vereist.
  Art. 54. Een selectieambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 51 vervult in afwachting van een aanwerving in vast verband.
  Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.
  Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt in vast verband aangeworven in het selectieambt en dit, uiterlijk na een termijn van twee jaar indien de inrichtende macht hem niet uit zijn selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII.
  Art. 54bis. § 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is het selectieambt tijdelijk toe te vertouwen aan een personeelslid dat alle voorwaarden bedoeld in artikel 51 vervult voor de toegang tot het selectieambt, kan het selectieambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband aangeworven is en dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij zijn oorspronkelijke inrichtende macht.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat zij slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage, die aan de voorwaarden van artikel 51 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan uit dit ambt ontheven worden door de inrichtende macht overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII.
  § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat in vast verband aangeworven is overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de aanwerving van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan één personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51 vervult en dat zij slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid voldoen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid bedoeld in het eerste lid of het derde lid, wordt geacht aan de in artikel 51, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII.
  § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of een prioritair tijdelijke overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid in vast verband in het gesubsidieerd onderwijs en dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51 en van § 1 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één kandidaat heeft voor de toelating tot de stage die aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een selectieambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt in vast verband aangeworven in het bovenvermelde ambt na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 51, 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van Hoofdstuk VIII.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII.
  § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen :
  a) ofwel aan een tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in een inrichtende macht van het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen selectieambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 101 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  b) ofwel aan een personeelslid dat sinds ten minste zes jaar titularis is, in vast verband, van een wervings- of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum en dat houder is van één van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 51, 4°.
  Het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt a), wordt geacht aan de in artikel 51, 1° en 2°, bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het selectieambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een selectieambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII.
  Tijdens de periode waarin het tijdelijk het selectieambt uitoefent, blijft het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt b) titularis van zijn oorspronkelijke betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een selectieambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 51, van § 1 en § 2 van dit artikel vervult, en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een selectieambt overeenkomstig het eerste lid, punt b), wordt in vast verband aangeworven in het bovenvermelde ambt na een termijn van vier jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 51, 5° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit selectieambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII.
  Art. 54ter. Elke tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, met uitzondering van 8°.
  Een tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking loopt ten einde in onderlinge overeenstemming, bij beslissing van de inrichtende macht, of bij toepassing van hoofdstuk VIII. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking.
  De tijdelijke aanwerving in een selectiebetrekking is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 48, 1°.
  Art. 54quater. Elk personeelslid mag krachtens artikel 51 van zijn vaste benoeming afzien binnen de 720 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot een selectieambt. In dit geval re-integreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.
  De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het selectieambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens 6 maanden na de aanvraag van het personeelslid.
Art. 94. Les articles 53 à 54 du même décret sont remplaces par les dispositions suivantes :
  " Art. 53. § 1er. Une fonction de sélection peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 51 au moment de l'engagement :
  1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
  2° dans le cas vise à l'article 50.
  Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif le cas échéant auprès de son pouvoir organisateur d'origine.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, pour tout engagement d'une durée égale ou inférieure à 15 semaines, les conditions visées à l'article 51, 5° et 6°, ne sont pas exigées.
  Art. 54. Une fonction de sélection peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 51 dans l'attente d'un engagement à titre définitif.
  Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif le cas échéant auprès de son pouvoir organisateur d'origine.
  Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er est engagé à titre définitif dans la fonction de sélection au plus tard au terme d'un délai de deux ans si le pouvoir organisateur ne l'a pas licencié de cette fonction de sélection selon les dispositions du chapitre VIII.
  Art. 54bis. § 1er. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement la fonction de sélection à un membre du personnel remplissant toutes les conditions d'accès à la fonction de sélection visées à l'article 51, peut confier temporairement la fonction de sélection à un membre du personnel engagé à titre définitif remplissant les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre définitif, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans un pouvoir organisateur de l'enseignement subventionné du caractère concerné;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de sélection, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif, le cas échéant auprès de son pouvoir organisateur d'origine.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre n'avoir qu'un seul candidat à l'admission au stage répondant aux conditions de l'article 51, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être licencié de ladite fonction par le pouvoir organisateur conformément aux dispositions du chapitre VIII.
  § 2. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre du personnel engagé à titre définitif conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre du personnel temporaire prioritaire de l'enseignement subventionné du caractère concerné remplissant les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre temporaire, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans un pouvoir organisateur de l'enseignement subventionné du caractère concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 51 et n'avoir qu'un seul candidat à l'admission au stage répondant aux conditions du § 1er, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 3 sera réputé remplir la condition exigée à l'article 51, 1° et 2° à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de sélection.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être licencié de ladite fonction par le pouvoir organisateur conformément aux dispositions du chapitre VIII.
  § 3. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre du personnel engagé à titre définitif ou temporaire prioritaire conformément aux dispositions qui précèdent, peut faire appel à un membre du personnel engagé à titre définitif dans l'enseignement subventionné et remplissant, les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre définitif, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans l'enseignement subventionné;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de sélection, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif au sein de son pouvoir organisateur d'origine.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 51 et du § 1er du présent article, et n'avoir qu'un seul candidat à l'admission au stage répondant aux conditions du § 2, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel désigné temporairement dans une fonction de sélection en vertu du présent paragraphe est engagé à titre définitif dans ladite fonction au terme d'un délai de six années s'il remplit à ce moment la condition prescrite par l'article 51, 5°, et si le pouvoir organisateur ne l'a pas licencié de cette fonction de sélection selon les dispositions du chapitre VIII.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être licencié de ladite fonction par le pouvoir organisateur conformément aux dispositions du chapitre VIII.
  § 4. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction :
  a) soit à un membre de son personnel temporaire, remplissant les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre temporaire, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans un pouvoir organisateur de l'enseignement subventionné du caractère concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de sélection à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 101 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  b) soit à un membre du personnel titulaire à titre définitif depuis six ans au moins, d'une fonction de recrutement ou de sélection comportant au moins une demi-charge dans un centre psycho-médico-social subventionné et porteur d'un des titres visés à l'article 51, 4°.
  Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, point a), sera réputé remplir la condition exigée à l'article 51, 1° et 2° à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de sélection.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de sélection en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur conformément aux dispositions du chapitre VIII.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de sélection, le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, point b), reste titulaire de son emploi d'origine dans lequel il est engagé à titre définitif.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de sélection à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 51, du § 1er et du § 2 du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 3, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel désigné temporairement dans une fonction de sélection en vertu de l'alinéa 1er, point b), est engagé à titre définitif dans ladite fonction au terme d'un délai de quatre années s'il remplit à ce moment la condition prescrite par l'article 51, 5°, et si le pouvoir organisateur ne l'a pas licencié de cette fonction de sélection selon les dispositions du chapitre VIII.
  Art. 54ter. Tout engagement temporaire dans un emploi de sélection est établi par écrit, conformément aux dispositions de l'article 31, à l'exception du 8°.
  Un engagement temporaire dans un emploi de sélection prend fin d'un commun accord, par décision du pouvoir organisateur, ou par application du chapitre VIII. Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur l'engagement temporaire dans un emploi de sélection.
  L'engagement temporaire dans une fonction de sélection n'est possible qu'après application par le pouvoir organisateur de la disposition de l'article 48, 1°.
  Art. 54quater. Tout membre du personnel peut renoncer à son engagement à titre définitif en vertu de l'article 51 dans les 720 jours qui suivent sa première entrée en fonction dans une fonction de sélection. Dans ce cas, il réintègre à titre définitif sa fonction d'origine.
  Le pouvoir organisateur peut, pour assurer la continuité dans la fonction de sélection ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum 6 mois à dater de la demande du membre du personnel.
Art. 95. In artikel 56 van hetzelfde decreet, wordt een nieuw derde lid ingevoegd, luidend als volgt :
  " In afwijking van de vorige leden kan het personeelslid dat titularis is van een bevorderingsambt slechts een overplaatsing of een wijziging van affectatie vragen nadat het zijn ambten uitgeoefend heeft in een betrekking die het tijdens een termijn van drie jaar bekleedt ".
Art. 95. A l'article 56 du même décret, un nouvel alinéa 3, rédigé comme suit, est inséré :
  " Par dérogation aux alinéas précédents, le membre du personnel titulaire d'une fonction de promotion ne peut demander de mutation ou de changement d'affectation qu'après avoir exercé ses fonctions dans l'emploi qu'il occupe durant un délai de trois ans ".
Art. 96. In het voornoemde decreet van 1 februari 1993 wordt een artikel 58bis toegevoegd, luidend als volgt :
  " Art. 58bis, § 1. De inrichtende macht die een personeelslid in vast verband moet aanwerven in een bevorderingsambt :
  1° raadpleegt de directeur van de inrichting alsook, volgens het geval, de ondernemingsraad, de plaatselijke overleginstantie, of bij gebreke hiervan, de vakorganisatie over het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt;
  2° ontvangt van de personeelsleden alle informatie die deze nuttig achten (om) hem mee te delen met het oog op de aanwerving in vast verband.
  § 2. De inrichtende macht, na de toepassing van § 1 :
  1° bepaalt het profiel van het toe te kennen bevorderingsambt. In dit kader kan de inrichtende macht bijkomende criteria toevoegen aan de voorwaarden voor de vaste benoeming bedoeld in artikel 59;
  2° doet een oproep tot kandidaten volgens de vormen vastgesteld door de Regering, op voorstel van de centrale paritaire commissie.
  § 3. De inrichtende macht deelt aan de kandidaten de motieven mee van haar keuze van het personeelslid dat in vast verband wordt aangeworven in het bevorderingsambt, gelet op de criteria vastgesteld in het profiel van het bepaalde ambt overeenkomstig dit artikel. "
Art. 96. Un article 58bis, rédigé comme suit, est ajouté au décret du 1er février 1993 précité :
  " Art. 58bis. § 1er. Le pouvoir organisateur qui doit engager à titre définitif un membre du personnel dans une fonction de promotion :
  1° consulte le directeur de l'établissement ainsi que, selon le cas, le conseil d'entreprise, l'instance de concertation locale, ou à défaut, la délégation syndicale sur le profil de la fonction de promotion à pourvoir;
  2° reçoit des membres du personnel toute information que ceux-ci jugent utile de lui communiquer en vue de l'engagement à titre définitif.
  § 2. Le pouvoir organisateur après application du § 1er :
  1° arrête le profil de la fonction de promotion à pourvoir. Dans ce cadre, le pouvoir organisateur peut ajouter des critères complémentaires aux conditions d'engagement à titre définitif visées à l'article 59;
  2° lance un appel aux candidats selon les formes déterminées par le Gouvernement, sur proposition de la commission paritaire centrale.
  § 3. Le pouvoir organisateur communique aux candidats les motifs de son choix du membre du personnel engagé à titre définitif dans la fonction de promotion eu égard aux critères fixés dans le profil de la fonction déterminé conformément au présent article. ".
Art. 97. De artikelen 59 tot 61 van hetzelfde decreet worden vervangen als volgt :
  " Art. 59. Niemand kan in vast verband aangeworven worden in een bevorderingsambt indien hij op het ogenblik van de aanwerving niet aan de volgende voorwaarden voldoet :
  1° titularis zijn, sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervings-, selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie. Deze anciënniteit wordt berekend overeenkomstig artikel 29bis ;
  2° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;
  3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  4° voorafgaandelijk een specifieke opleiding hebben gevolgd die bekrachtigd werd door een attest dat bewijst dat hij die opleiding heeft gevolgd;
  5° gevolg hebben gegeven aan de oproep tot kandidaten bedoeld in artikel 58bis.
  De voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 1°, 2°, 3° voor wat betreft de anciënniteit verworven in vast verband, 4° en 5°, worden niet vereist voor het ambt van werkplaatsleider.
  Art. 60. § 1. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 59 vervult :
  1° indien de titularis van het ambt tijdelijk afwezig is;
  2° in het geval bedoeld in artikel 57.
  Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is.
  § 2. In afwijking van § 1, eerste lid, voor elke aanwerving van een duur die gelijk is aan of korter is dan 15 weken, wordt de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4° en 5° niet vereist.
  Art. 61. Een bevorderingsambt kan tijdelijk toevertrouwd worden aan een personeelslid dat alle voorwaarden van artikel 59 vervult in afwachting van een vaste benoeming.
  Tijdens deze periode blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.
  Het personeelslid bedoeld in het eerste lid wordt in vast verband aangeworven in het bevorderingsambt en dit, uiterlijk na een termijn van twee jaar indien de inrichtende macht hem niet uit dit bevorderingsambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII.
  Art. 61bis. § 1. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat alle voorwaarden vervult voor de toegang tot het bevorderingsambt bedoeld in artikel 59, kan het bevorderingsambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid in vast verband dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is, in voorkomend geval, bij de oorspronkelijke inrichtende macht.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat ze slechts één personeelslid heeft dat de voorwaarden van artikel 59 vervult, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig Hoofdstuk VIII.
  § 2. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een prioritair tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59 vervult en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 1 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid bedoeld in het eerste lid of in het tweede lid wordt geacht aan de in artikel 59, eerste lid, 1° bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII.
  § 3. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid in vast verband of aan een prioritair tijdelijke overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan een beroep doen op een personeelslid dat in vast verband aangeworven is in het gesubsidieerd onderwijs en dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in vast verband, vóór deze aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs;
  2° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Tijdens de periode waarin het het bevorderingsambt tijdelijk uitoefent, blijft het personeelslid titularis van de betrekking waarin het in vast verband aangeworven is binnen zijn oorspronkelijke inrichtende macht.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59 en van § 1 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 2 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een bevorderingsambt overeenkomstig deze paragraaf, wordt aangesteld in vast verband in het bovenvermelde ambt na een termijn van zes jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4° vervult, en indien de inrichtende macht hem niet uit dit ambt ontheven heeft overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden overeenkomstig hoofdstuk VIII.
  § 4. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen :
  a) ofwel aan een tijdelijk personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, in tijdelijk verband, vóór de aanwerving, van een ambt met ten minste een halve opdracht in het gesubsidieerd onderwijs van de betrokken aard;
  2° één of meer ambten, in tijdelijk verband, uitoefenen die toegang geven tot het toe te kennen bevorderingsambt en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  b) ofwel aan een personeelslid dat titularis is in vast verband sinds ten minste zes jaar van een wervings- of selectieambt met ten minste een halve opdracht in een gesubsidieerd psycho-medisch-sociaal centrum en dat houder is van één van de bekwaamheidsbewijzen bedoeld in artikel 59, eerste lid, 3°.
  Het tijdelijk personeelslid dat aangesteld is overeenkomstig het eerste lid, punt a), wordt geacht aan de in artikel 51, eerste lid, 1° en 2° bedoelde voorwaarde te voldoen na het verstrijken van een termijn van zes jaar als tijdelijke in het bevorderingsambt.
  Het personeelslid dat tijdelijk een bevorderingsambt toegewezen kreeg met toepassing van deze paragraaf, kan door de inrichtende macht uit het bovenvermelde ambt ontheven worden.
  Tijdens de periode waarin het het bevorderingsambt tijdelijk uitoefent, blijft het personeelslid bedoeld in het eerste lid, punt b) titularis van zijn oorspronkelijke betrekking waarin het in vast verband is aangeworven.
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59, van § 1 en 2 van dit artikel vervult, en dat ze slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die aan de voorwaarden van het eerste lid beantwoorden, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt in een bevorderingsambt overeenkomstig het eerste lid, punt b), wordt aangesteld in vast verband in het bovenvermelde ambt na een termijn van vier jaar indien het op dat ogenblik de voorwaarde bedoeld in artikel 59, eerste lid, 4°, vervult en indien het niet door de inrichtende macht uit dit bevorderingsambt ontheven wordt overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VIII.
  § 5. Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een ambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid overeenkomstig de bepalingen die voorafgaan, kan het bovenvermelde ambt tijdelijk toevertrouwen aan een personeelslid dat de volgende voorwaarden vervult :
  1° titularis zijn, sinds ten minste zeven jaar in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard, van één van de wervings- selectie- of bevorderingsambten van de betrokken categorie. Deze anciënniteit wordt berekend volgens de nadere regels vastgesteld in artikel 29bis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993;
  2° titularis zijn, in vast verband, vóór de toelating tot de stage, van één of meer ambten met ten minste de helft van het minimaal aantal uren vereist om een ambt met volledige prestaties te vormen in het gesubsidieerd vrij onderwijs van de betrokken aard;
  3° één of meer ambten, in vast verband, uitoefenen in het secondair onderwijs en/of in een hogeschool, en houder zijn van een bekwaamheidsbewijs overeenkomstig artikel 102 van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs;
  Elke inrichtende macht die bewijst dat het onmogelijk is een bevorderingsambt tijdelijk toe te vertrouwen aan een personeelslid dat de voorwaarden van artikel 59, van § 1 en van § 2 van dit artikel vervult, en dat zij slechts één personeelslid heeft dat aan de voorwaarden van § 3 voldoet, kan zijn kandidatuur in concurrentie stellen met deze van de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen. In dit geval doet zij een nieuwe oproep tot kandidaten voor de personeelsleden die de voorwaarden van het eerste lid vervullen, behalve als de oorspronkelijke oproep tot kandidaten al gericht was op de bovenvermelde personeelsleden.
  Art. 61ter. Elke tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking wordt schriftelijk vastgesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 31, met uitzondering van 8°.
  Een tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking loopt ten einde in onderlinge overeenstemming, bij beslissing van de inrichtende macht, of bij toepassing van hoofdstuk VIII. Nochtans heeft het einde van het schooljaar geen gevolg op de tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking.
  De tijdelijke aanwerving in een bevorderingsbetrekking is slechts mogelijk na de toepassing door de inrichtende macht van de bepaling van artikel 55, 1°.
  Art. 61quater. Elk personeelslid kan krachtens artikel 59 van zijn benoeming afzien binnen de 720 dagen die volgen op zijn eerste toetreding tot het selectieambt. In dit geval re-integreert het personeelslid definitief zijn ambt van afkomst.
  De inrichtende macht kan, met het oog op de continuïteit van het bevorderingsambt of om de stabiliteit van de pedagogische teams niet in het gedrang te brengen, het herstellen van het personeelslid in zijn oorspronkelijke ambt uitstellen met hoogstens zes maanden na de aanvraag van het personeelslid.
  Art. 61quinquies. De artikelen 58bis tot 61quater zijn niet van toepassing op de bevorderingsambten van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, bepaald door het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs. "
Art. 97. Les articles 59 à 61 du même décret sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Art. 59. Nul ne peut être engagé à titre définitif dans une fonction de promotion s'il ne répond au moment de l'engagement aux conditions suivantes :
  1° Etre titulaire depuis sept ans au moins au sein de l'enseignement subventionné du caractère concerné, d'une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion de la catégorie en cause. Cette ancienneté est calculée conformément à l'article 29bis ;
  2° Etre titulaire, à titre définitif, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans l'enseignement subventionné du caractère concerné;
  3° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  4° avoir suivi au préalable une formation spécifique sanctionnée par un certificat de fréquentation.
  5° avoir répondu à l'appel aux candidats visé à l'article 58bis.
  Les conditions fixées à l'alinéa 1er, 1°, 2°, 3° pour ce qui concerne l'ancienneté acquise à titre définitif, 4° et 5° ne sont pas requises pour la fonction de chef de travaux d'atelier.
  Art. 60. § 1er. Une fonction de promotion peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 59 :
  1° si le titulaire de la fonction est temporairement absent;
  2° dans le cas visé à l'article 57.
  Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif.
  § 2. Par dérogation au § 1er, alinéa 1er, pour tout engagement d'une durée égale ou inférieure à 15 semaines, la condition visée à l'article 59, alinéa 1er, 4° et 5°, n'est pas exigée.
  Art. 61. Une fonction de promotion peut être confiée temporairement à un membre du personnel remplissant toutes les conditions de l'article 59 dans l'attente d'un engagement à titre définitif.
  Pendant cette période, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif.
  Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er est engagé à titre définitif dans la fonction de promotion au plus tard au terme d'un délai de deux ans si le pouvoir organisateur ne l'a pas licencié de cette fonction de promotion selon les dispositions du chapitre VIII.
  Art. 61bis. § 1er. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre du personnel remplissant toutes les conditions d'accès à la fonction de promotion visées à l'article 59, peut confier temporairement la fonction de promotion à un membre du personnel engagé à titre définitif remplissant les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre définitif, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans l'enseignement subventionné du caractère concerné;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de promotion, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif, le cas échéant auprès de son pouvoir organisateur d'origine.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions de l'article 59, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être licencié de ladite fonction par le pouvoir organisateur en vertu des dispositions du chapitre VIII.
  § 2. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre du personnel engagé à titre définitif conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre du personnel temporaire prioritaire remplissant les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre temporaire, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans l'enseignement subventionné du caractère concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 59 et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 1er, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er ou à l'alinéa 2 sera réputé remplir la condition exigée à l'article 59, alinéa 1er, 1° à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de promotion.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être licencié de ladite fonction par le pouvoir organisateur en vertu des dispositions du chapitre VIII.
  § 3. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre du personnel engagé à titre définitif ou temporaire prioritaire conformément aux dispositions qui précèdent, peut faire appel à un membre du personnel engagé à titre définitif dans l'enseignement subventionné et remplissant les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre définitif, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans l'enseignement subventionné;
  2° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de promotion, le membre du personnel reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif au sein de son pouvoir organisateur d'origine.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 59 et du § 1er du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 2, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel désigne temporairement dans une fonction de promotion en vertu du présent paragraphe est engagé à titre définitif dans ladite fonction au terme d'un délai de six années s'il remplit à ce moment la condition prescrite par l'article 59, alinéa 1er, 4°, et si le pouvoir organisateur ne l'a pas licencié de cette fonction de promotion selon les dispositions du chapitre VIII.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être licencié de ladite fonction par le pouvoir organisateur en vertu des dispositions du chapitre VIII.
  § 4. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction :
  a) soit à un membre de son personnel temporaire, remplissant les conditions suivantes :
  1° Etre titulaire, à titre temporaire, avant cet engagement d'une fonction comportant au moins une demi-charge dans l'enseignement subventionné du caractère concerné;
  2° exercer à titre temporaire une ou plusieurs fonctions donnant accès à la fonction de promotion à conférer et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  b) soit à un membre du personnel titulaire à titre définitif depuis six ans au moins, d'une fonction de recrutement ou de sélection comportant au moins une demi-charge dans un centre psycho-médico-social subventionné et porteur d'un des titres visés à l'article 59, alinéa 1er, 3°.
  Le membre du personnel temporaire désigné conformément à l'alinéa 1er, point a), sera réputé remplir la condition exigée à l'article 51, alinéa 1er, 1° et 2°, à l'expiration d'un délai de six années d'exercice temporaire de la fonction de promotion.
  Le membre du personnel qui s'est vu confier temporairement une fonction de promotion en application du présent paragraphe peut être déchargé de ladite fonction par le pouvoir organisateur.
  Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de promotion, le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, point b), reste titulaire de son emploi d'origine dans lequel il est engagé à titre définitif.
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 59, du § 1er et du § 2 du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 3, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Le membre du personnel désigné temporairement dans une fonction de promotion en vertu de l'alinéa 1er, point b), est engagé à titre définitif dans ladite fonction au terme d'un délai de quatre années, s'il remplit à ce moment la condition prescrite par l'article 59, alinéa 1er, 4°, et si le pouvoir organisateur ne l'a pas licencié de cette fonction de promotion selon les dispositions du chapitre VIII.
  § 5. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de directeur d'un établissement de promotion sociale à un membre du personnel, conformément aux dispositions qui précèdent, peut confier temporairement ladite fonction à un membre du personnel remplissant les conditions suivantes :
  1° être titulaire depuis sept ans au moins au sein de l'enseignement libre subventionné du caractère concerné, d'une des fonctions de recrutement, de sélection ou de promotion de la catégorie en cause. Cette ancienneté est calculée selon les modalités fixées à l'article 29bis du décret du 1er février 1993 précité;
  2° être titulaire, à titre définitif, avant l'admission au stage, d'une ou plusieurs fonctions comportant au moins la moitié du nombre minimum d'heures requis pour former une fonction à prestations complètes dans l'enseignement libre subventionné du caractère concerné;
  3° exercer à titre définitif une ou plusieurs fonctions dans l'enseignement secondaire et/ou dans une Haute Ecole, et être porteur d'un titre de capacité conformément à l'article 102 du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs;
  Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir confier temporairement une fonction de promotion à un membre de son personnel répondant aux conditions de l'article 59, du § 1er et du § 2 du présent article, et n'avoir qu'un seul membre du personnel répondant aux conditions du § 3, peut mettre en concurrence sa candidature avec celle de membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er. Dans ce cas, il lance un nouvel appel aux candidats à destination des membres du personnel répondant aux conditions de l'alinéa 1er, sauf si lesdits membres du personnel étaient déjà visés par l'appel aux candidats originel.
  Art. 61ter. Tout engagement temporaire dans un emploi de promotion est établi par écrit, conformément aux dispositions de l'article 31, à l'exception du 8°.
  Un engagement temporaire dans un emploi de promotion prend fin d'un commun accord, par décision du pouvoir organisateur, ou par application du chapitre VIII. Toutefois, la fin de l'année scolaire est sans incidence sur l'engagement temporaire dans un emploi de promotion.
  L'engagement temporaire dans une fonction de promotion n'est possible qu'après application par le pouvoir organisateur de la disposition de l'article 55, 1°.
  Art. 61quater. Tout membre du personnel peut renoncer à son engagement à titre définitif en vertu de l'article 59 dans les 720 jours qui suivent sa première entrée en fonction de sélection. Dans ce cas, il réintègre à titre définitif sa fonction d'origine.
  Le pouvoir organisateur peut, pour assurer la continuité dans la fonction de promotion ou afin de ne pas perturber la stabilité des équipes pédagogiques, reporter la réintégration du membre du personnel dans sa fonction d'origine de maximum six mois à dater de la demande du membre du personnel.
  Art. 61quinquies. Les articles 58bis à 61quater ne s'appliquent pas aux fonctions de promotion de directeur d'école maternelle, directeur d'école primaire, directeur d'école fondamentale, directeur de l'enseignement secondaire inférieur ou de préfet des études ou directeur, régies par le décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs. "
Art. 98. Er wordt een Hoofdstuk V bis ingevoegd, luidend als volgt :
  " Hoofdstuk Vbis - Het opdrachtenblad en de evaluatie van sommige bevorderingsambten en selectieambten.
  Art. 61sexies. § 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een bevorderings- of selectieambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en artikel 5, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten in het onderwijs met volledig leerplan.
  Het is ook van toepassing op de personeelsleden die titularis zijn van een selectieambt, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, b) van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  § 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt verstaan onder " directeur " het personeelslid dat titularis is, in welke hoedanigheid dan ook, van het bevorderingsambt van directeur van een kleuterschool, directeur van een lagere school, directeur van een basisschool, directeur van het lager secundair onderwijs of van studieprefect of directeur, zoals opgesomd in de artikelen 3 en 4, 1° en 2° van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten of van het bevorderingsambt van directeur van een inrichting voor sociale promotie, zoals bedoeld in artikel 6ter, 6°, a van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 tot vaststelling en rangschikking van de ambten der leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel, van het psychologisch personeel, van het maatschappelijk personeel der inrichtingen voor voorschools, lager, gespecialiseerd, middelbaar, technisch, kunstonderwijs, onderwijs voor sociale promotie en hoger onderwijs buiten de universiteit van de Franse Gemeenschap en de ambten der personeelsleden van de inspectiedienst belast met het toezicht op deze inrichtingen in het onderwijs met volledig leerplan.
  Afdeling I. - Het opdrachtenblad.
  Art. 61septies. Bij de indiensttreding van het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies van dit decreet wijst de directeur hem een opdrachtenblad toe dat voorafgaandelijk goedgekeurd werd door de inrichtende macht.
  Dit bovenvermelde blad bepaalt de opdrachten van het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies en de prioriteiten die hem worden toegewezen, in functie van de behoeften van de inrichting waarin het geaffecteerd wordt en in functie van de doelstellingen opgenomen in het opdrachtenblad dat de directeur zelf heeft gekregen overeenkomstig hoofdstuk III van titel II van het decreet van 2 februari 2007 tot vaststelling van het statuut van de directeurs.
  Art. 61octies, § 1. De duur van het opdrachtenblad bedraagt zes jaar.
  § 2. De inhoud van het opdrachtenblad kan gewijzigd worden, op grond van de evolutie van de behoeften en van de werking van de inrichting, vóór het einde van de geldigheidsduur ervan, ten vroegste na twee jaar, door de directeur.
  In afwijking van het eerste lid kan de inhoud van het opdrachtenblad vóór het einde van de geldigheidsduur gewijzigd worden, in onderlinge overeenstemming tussen de directeur en het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies.
  Het gewijzigde opdrachtenblad wordt ter goedkeuring van de inrichtende macht voorgelegd.
  Art. 61nonies. § 1. In afwijking van artikel 61septies, eerste lid, kan de directeur, indien nodig en mits voorafgaande goedkeuring van de inrichtende macht, een opdrachtenblad toewijzen aan het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 61sexies van dit decreet.
  De directeur wijst van ambtswege een opdrachtenblad dat voorafgaandelijk werd goedgekeurd door de inrichtende macht, aan het personeelslid toe dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 61sexies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar, of wanneer de aanstelling ten minste één jaar bedraagt.
  § 2. Het opdrachtenblad bedoeld in dit artikel kan tot doel hebben het opdrachtenblad van het personeelslid bedoeld in artikel 61sexies dat vervangen wordt te bevestigen of in een nieuw document op te stellen.
  Afdeling II. - De opleidingsevaluatie.
  Art. 61decies. Deze afdeling is van toepassing op het in vast verband aangeworven personeelslid.
  Ze is ook van toepassing op het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld in de uitoefening van een ambt bedoeld in artikel 61sexies voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar. De benaming "personeelslid " bedoeld in deze afdeling heeft ook betrekking op dit personeelslid.
  Art. 61undecies. Om de vijf jaar na zijn aanwerving in vast verband of zijn tijdelijke aanwerving moet het personeelslid een evaluatie ondergaan die gezamenlijk uitgevoerd wordt door de inrichtende macht en de directeur.
  Indien deze laatste het nuttig achten, kunnen ze het personeelslid vroeger evalueren.
  Nochtans, onverminderd artikel 61terdecies, mag het personeelslid niet meer dan twee keer geëvalueerd worden over een periode van tien jaar.
  Art. 61duodecies. De evaluatie baseert zich op de uitvoering van het opdrachtenblad bedoeld in afdeling I van dit hoofdstuk en op de toepassing van de bevoegdheden verworven in het kader van de opleidingen bedoeld in artikel 51, § 1, 5° van dit decreet wat betreft de selectieambten en in artikel 59, § 1, 4° van dit decreet voor de bevorderingsambten.
  Ze houdt rekening met de globale context waarin het personeelslid evolueert en met de middelen die hem ter beschikking worden gesteld.
  De directeur motiveert zijn beslissing in de zin van artikel 3, § 11 van dit decreet.
  Art. 61terdecies. In functie van deze evaluatie komen de inrichtende macht en de directeur overeen met het personeelslid over de verbeteringen die moeten aangebracht worden.
Art. 98. Il est inséré un Chapitre Vbis libellé comme suit :
  " CHAPITRE Vbis. - De la lettre de mission et de l'évaluation de certaines fonctions de promotion et de sélection.
  Art. 61sexies. § 1er. Le présent chapitre s'applique aux membres du personnel titulaires d'une fonction de promotion ou de sélection telle que visée à l'article 4, 3° et à l'article 5, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection dans l'enseignement de plein exercice.
  Elle s'applique également aux membres du personnel titulaires d'une fonction de sélection telle que visée à l'article 6ter, 6°, b) de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice.
  § 2. Pour l'application du présent chapitre, il faut entendre par " directeur " le membre du personnel titulaire, à quelque titre que ce soit, de la fonction de promotion de directeur d'école maternelle, de directeur d'école primaire, de directeur d'école fondamentale, de directeur de l'enseignement secondaire inférieur ou de préfet des études ou directeur, telles qu'énumérées aux articles 3 et 4, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection ou de la fonction de promotion de directeur d'établissement de promotion sociale telle que prévue à l'article 6ter, 6°, a de l'arrête de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 déterminant et classant les fonctions des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical, du personnel psychologique et du personnel social des établissements d'enseignement préscolaire, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique, de promotion sociale et supérieur non universitaire de la Communauté française et les fonctions des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements dans l'enseignement de plein exercice..
  Section Ire. - De la lettre de mission.
  Art. 61septies. Dès l'entrée en fonction du membre du personnel visé à l'article 61sexies du présent décret, le directeur lui confie une lettre de mission approuvée préalablement par le pouvoir organisateur.
  Celle-ci spécifie les missions du membre du personnel vise à l'article 61sexies et les priorités qui lui sont assignées, en fonction des besoins de l'établissement au sein duquel il est affecté et en fonction des objectifs contenus dans la lettre de mission que le directeur a lui-même reçu, conformément au chapitre III du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs.
  Art. 61octies. § 1er. La lettre de mission a une durée de six ans.
  § 2. Le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, au plus tôt après deux ans, par le directeur, en raison de l'évolution des besoins et du fonctionnement de l'établissement.
  Par dérogation à l'alinéa 1er, le contenu de la lettre de mission peut être modifié avant son échéance, de commun accord entre le directeur et le membre du personnel visé à l'article 61sexies.
  La lettre de mission modifiée est soumise à l'approbation du pouvoir organisateur.
  Art. 61nonies. § 1er. Par dérogation à l'article 61septies, alinéa 1er, le directeur, si besoin est et moyennant approbation préalable du pouvoir organisateur, peut confier une lettre de mission au membre du personnel engagé à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 61sexies du présent décret.
  Le directeur confie d'office une lettre de mission approuvée préalablement par le pouvoir organisateur au membre du personnel engagé à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 61sexies pour une durée égale ou supérieure à un an, ou dont la durée de la désignation a atteint au moins un an.
  § 2. La lettre de mission visée au présent article peut consister dans la confirmation de la lettre de mission du membre du personnel visé à l'article 61sexies faisant l'objet d'un remplacement ou dans un nouveau document.
  Section II. - De l'évaluation formative.
  Art. 61decies. Cette section s'applique au membre du personnel engagé à titre définitif.
  Elle s'applique également au membre du personnel engagé à titre temporaire dans l'exercice d'une fonction visée à l'article 61sexies pour une durée égale ou supérieur à un an. La dénomination " membre du personnel " visée à la présente section vise également ce membre du personnel.
  Art. 61undecies. Tous les cinq ans à dater de son engagement à titre définitif ou de son engagement à titre temporaire, chaque membre du personnel fait l'objet d'une évaluation effectuée conjointement par le pouvoir organisateur et le directeur.
  Si ces derniers le jugent utile, ils peuvent procéder, plus tôt, à une évaluation du membre du personnel.
  Toutefois, sans préjudice de l'article 61terdecies, le membre du personnel ne peut faire l'objet de plus de deux évaluations par période de dix ans.
  Art. 61duodecies. L'évaluation se fonde sur l'exécution de la lettre de mission visée à la section I du présent chapitre et sur la mise en pratique des compétences acquises dans le cadre des formations visées par l'article 51, § 1er, 5° du présent décret en ce qui concerne les fonctions de sélection et à l'article 59, § 1er, 4° du présent décret pour les fonctions de promotion.
  Elle tient compte du contexte global dans lequel est amené à évoluer le membre du personnel et des moyens qui sont mis à sa disposition.
  Le directeur motive sa décision au sens de l'article 3, § 11 du présent décret.
  Art. 61terdecies. En fonction de cette évaluation, le pouvoir organisateur et le directeur conviennent avec le membre du personnel des améliorations à apporter.
TITEL IV. - De toegang tot de selectieambten en de bevorderingsambten in het gesubsidieerd onderwijs.
TITRE IV. - De l'accès aux fonctions de sélection et de promotion dans l'enseignement subventionné.
Art. 99. Voor de toepassing van deze titel worden de hierbij vermelde niveaus van bekwaamheidsbewijzen bepaald met verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 22 april 1969 betreffende de bekwaamheidsbewijzen vereist van de leden van het bestuurspersoneel en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel en van het paramedisch personeel der rijksinrichtingen voor kleuteronderwijs, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, kunstonderwijs en normaalonderwijs, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen [1 en krachtens hoofdstuk 4 van het decreet van 11 april 2014]1.
  De bekwaamheidsbewijzen van het hoger niveau van de eerste graad, van kandidaat, van de middelbare technische normaalleergangen, van onderwijzer van het lager onderwijs, van kleuteronderwijzer, van voorschoolse onderwijzer en gespecialiseerd opvoeder bedoeld in artikel 2, punt 3, b), c), e), h), i) en j) van het bovenvermelde besluit komen nochtans slechts in aanmerking voor zover ze specifiek vermeld zijn.
  
Art. 99. Pour l'application du présent titre, les niveaux de titres y mentionnés sont déterminés en référence aux articles 2 et 3 de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 22 avril 1969 fixant les titres requis des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialisé, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat et des internats dépendant de ces établissements [1 et en vertu du chapitre 4 du décret du 11 avril 2014]1.
  Toutefois, les titres du niveau supérieur du premier degré, de candidat, de cours normaux techniques moyens, d'instituteur primaire, d'instituteur gardien, d'instituteur maternel, d'instituteur préscolaire et d'éducateur spécialise visés à l'article 2, point 3, b), c), e), h), i) et j) de l'arrêté susmentionné n'entrent en ligne de compte que pour autant qu'ils soient spécifiquement mentionnés.
  
Art. 100. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder " pedagogisch bekwaamheidsbewijs " de volgende bekwaamheidsbewijzen :
  a) bachelor - voorschoolse onderwijzer of diploma kleuteronderwijzer of voorschoolse onderwijzer;
  b) bachelor - lager onderwijzer of diploma van lager onderwijzer;
  c) bachelor - geaggregeerde van het lager secundair onderwijs (GLSO) of diploma van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs (GLSO);
  d) bachelor - geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO) of diploma van geaggregeerde van het hoger secundair onderwijs (GHSO);
  e) getuigschrift van pedagogische bekwaamheid (GPB);
  f) diploma van pedagogische bekwaamheid of diploma van pedagogische bekwaamheden (DPB);
  g) getuigschrift van middelbare technische normaalleergangen (GMTN);
  h) getuigschrift van normaalleergangen van bekwaamheid voor het gespecialiseerd onderwijs;
  i) getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het hoger onderwijs (GPBHO);
  j) getuigschrift van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs (GPBO);
  k) diploma van pedagogische bekwaamheid voor het onderwijs (DPBO);
  [1 l) getuigschrift van bekwaamheid tot het onderwijzen van de plastische kunsten (C.A.E.A.P.).]1
  [2 m) didactische masteropleiding.]2
  
Art. 100. Pour l'application du présent titre, il y a lieu d'entendre par " titre pédagogique " les titres suivants :
  a) bachelier - instituteur préscolaire ou diplôme d'instituteur gardien ou maternel ou préscolaire;
  b) bachelier - instituteur primaire ou diplôme d'instituteur primaire;
  c) bachelier - agrégé de l'enseignement secondaire inférieur (AESI) ou diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur (AESI);
  d) bachelier - agrégé de l'enseignement secondaire supérieur (AESS) ou diplôme d'agrégé de l'enseignement secondaire supérieur (AESS);
  e) certificat d'aptitude pédagogique (CAP);
  f) diplôme d'aptitude pédagogique ou diplôme d'aptitudes pédagogiques (DAP);
  g) certificat des cours normaux techniques moyens (CNTM);
  h) certificat des cours normaux d'aptitude à l'enseignement spécialisé;
  i) certificat d'aptitude pédagogique approprié à l'enseignement supérieur (CAPAES);
  j) certificat d'aptitude pédagogique à l'enseignement (CAPE);
  k) diplôme d'aptitude pédagogique à l'enseignement (DAPE);
  [1 l) certificat d'aptitude à l'enseignement des arts plastiques (C.A.E.A.P.).]1
  [2 m) master à finalité didactique.]2
  
Art. 101. De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in [2 artikel 42, § 1, 2 ° en 3 °]2 van het decreet van 6 juni 1994 tot vaststelling van de rechtspositie van de gesubsidieerde personeelsleden van het officieel gesubsidieerd onderwijs, voor het selectieambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (tabel I) zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel.
  De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in [2 artikel 53, § 1, 2 ° en 3 °]2 van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, voor het selectieambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (zie tabel I) zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel.
  [1 De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in artikel [2 44quinquies, § 3]2, 4° van het decreet van 6 juni 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd officieel onderwijs, voor het selectieambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (tabel I) zijn deze die in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel naast het bovenvermelde ambt worden vermeld.
   De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in artikel [2 54septies, § 4]2, 4° van het decreet van 1 februari 1993 houdende het statuut van de gesubsidieerde personeelsleden van het gesubsidieerd vrij onderwijs, voor het selectieambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (tabel I) zijn deze die in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel naast het bovenvermelde ambt worden vermeld.]1

  
Art. 101. Les titres de capacité et les fonctions visés à [2 l'article 42, § 1er, 2° et 3°]2 du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidié de l'enseignement officiel subventionné, pour la fonction de sélection reprise à la colonne 1 du tableau qui suit (tableau I) sont ceux et celles figurant en regard de ladite fonction dans les colonnes 2 et 3 du même tableau.
  Les titres de capacité et les fonctions visés à [2 l'article 53, § 1er, 2° et 3°]2 du décret du 1er février 1993 fixant le statut des membres du personnel subsidie de l'enseignement libre subventionné, pour la fonction de sélection reprise à la colonne 1 du tableau qui suit (voir tableau I) sont ceux et celles figurants en regard de ladite fonction dans les colonnes 2 et 3 du même tableau.
  [1 Les titres de capacité et les fonctions visés à l'article [2 44quinquies, § 3]2, 4° du décret du 6 juin 1994 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement officiel subventionné, pour la fonction de sélection reprise à la colonne 1 du tableau qui suit (tableau I) sont ceux et celles figurant en regard de dite fonction dans les colonnes 2 et 3 du même tableau.
   Les titres de capacité et les fonctions visés à l'article [2 54septies, § 4]2, 4° du décret du 1er février 1993 fixant le statut des membres du personnel subsidiés de l'enseignement libre subventionné, pour la fonction de sélection reprise à la colonne 1 du tableau qui suit (tableau I) sont ceux et celles figurant en regard de dite fonction dans les colonnes 2 et 3 du même tableau. ]1

  
Art. 102. De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in [1 artikel 50, § 1, 2 en 3]1 van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, voor het bevorderingsambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (zie tabel II) zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 van dezelfde tabel.
  De bekwaamheidsbewijzen en de ambten bedoeld in [1 artikel 60 § 1, 2 ° en 3]1 van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, voor het bevorderingsambt opgenomen in kolom 1 van de hiernavolgende tabel (zie tabel II), zijn deze die opgenomen zijn naast het bovenvermelde ambt in de kolommen 2 en 3 in dezelfde tabel.
  
Art. 102. Les titres de capacité et les fonctions visés à [1 l'article 50, § 1er, 2° et 3°]1 du décret du 6 juin 1994 précité, pour la fonction de promotion reprise à la colonne 1 du tableau qui suit (voir tableau II) sont ceux et celles figurant en regard de ladite fonction dans les colonnes 2 et 3 du même tableau.
  Les titres de capacité et les fonctions visés [1 l'article 60 § 1er, 2° et 3°]1 du décret du 1er février 1993 précité, pour la fonction de promotion reprise à la colonne 1 du tableau qui suit (voir tableau II), sont ceux et celles figurant en regard de ladite fonction dans les colonnes 2 et 3 du même tableau.
  
Art. 103. In artikel 2 van het koninklijk besluit van 17 maart 1967 tot vaststelling van de bevoegdheidsbewijzen die voldoende geacht werden voor de leden van het personeel der vrije inrichtingen voor middelbaar en normaalonderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) onder punt 1, a), worden de woorden " directeur, onderdirecteur en " geschrapt;
  b) onder punt 3, worden de woorden " directeur, onderdirecteur en " geschrapt.
Art. 103. A l'article 2 de l'arrêté royal du 17 mars 1967 fixant les titres de capacité jugés suffisants pour les membres du personnel des établissements libres d'enseignement moyen et normal, sont apportées les modifications suivantes :
  a) au point 1, a), les mots " directeur, sous-directeur et " sont supprimés;
  b) au point 3, les mots " directeur, sous-directeur et " sont supprimés.
Art. 104. In het koninklijk besluit van 20 juni 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het kleuter- en lager onderwijs, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° De afdeling II van hoofdstuk II wordt geschrapt.
  2° § 1 van artikel 13 wordt vervangen als volgt :
  " De weddesubsidie van het personeelslid dat een bevorderingsambt uitoefent, wordt berekend volgens de nadere regels vastgesteld in deze afdeling. "
  3° § 2 van artikel 13 wordt geschrapt.
Art. 104. A l'arrêté royal du 20 juin 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement gardien et primaire, les modifications suivantes sont apportées :
  1° La section II du chapitre II est supprimée.
  2° Le § 1er de l'article 13 est remplacé comme suit :
  " La subvention-traitement du membre du personnel exerçant une fonction de promotion est calculée d'après les modalités prévues dans la présente section. "
  3° Le § 2 de l'article 13 est supprimé.
Art. 105. De artikelen 12, § 1 en 13, § 1 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie, worden geschrapt.
Art. 105. Les articles 12, § 1er et 13, § 1er de l'arrête royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements d'enseignement subventionnés d'enseignement technique et d'enseignement professionnel secondaire de plein exercice et de promotion sociale sont supprimés.
Art. 106. De artikelen 12, § 1 en 13, § 1 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs georganiseerd in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor middelbaar onderwijs en in de gesubsidieerde officiële inrichtingen voor normaalonderwijs, worden geschrapt.
Art. 106. Les articles 12, § 1er et 13, § 1er de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements d'enseignement moyen ou d'enseignement normal officiels sont supprimés.
Art. 107. De artikelen 12, § 1 en 13, § 1 van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoend geachte bekwaamheidsbewijzen in het secundair onderwijs dat verstrekt wordt in de gesubsidieerde vrije inrichtingen voor middelbaar onderwijs of voor normaalonderwijs, met inbegrip van het postsecundair psycho-pedagogisch jaar, worden geschrapt.
Art. 107. Les articles 12, § 1er et 13, § 1er de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres suffisants dans l'enseignement secondaire dispensé dans les établissements libres d'enseignement moyen ou d'enseignement normal subventionnés, y compris l'année postsecondaire psychopédagogique sont supprimés.
TITEL V. - Specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen van het gewoon en gespecialiseerd onderwijs.
TITRE V. - De l'aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales de l'enseignement ordinaire et spécialisé.
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities van de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen.
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions de l'aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales.
Art. 108. De bepalingen van deze titel zijn van toepassing op het gewoon en gespecialiseerd basisonderwijs georganiseerd en gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap.
Art. 108. Les dispositions du présent titre s'appliquent à l'enseignement fondamental ordinaire et spécialisé organisé et subventionné par la Communauté française.
Art. 109. Voor de toepassing van deze titel wordt verstaan onder :
  1° [1 specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen : elke vorm van administratieve of educatieve ondersteuning inzake personeel, toegepast in het kader van het beheer van een schoolinrichting, met uitzondering van de pedagogische taken bedoeld bij de doelstellingen van het decreet 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren. Die steun inzake personeel wordt bestemd voor de schoolinrichting of, nadat, voor elk schooljaar, het advies van de betrokken directies werd genomen, voor de structuren die verschillende inrichtingen overkoepelen, om die administratieve of educatieve ondersteuning wederzijds te kunnen organiseren.
   Voor de inrichtingen die, gedurende de schooljaren 2017-2018 en 2018-2019, de in artikel 110, § 1bis, bedoelde administratieve hulpverlening niet genieten, wordt onder "specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen" verstaan : elke vorm van ondersteuning in het kader van het beheer van een schoolinrichting, met uitzondering van de pedagogische taken.]1

  2° school in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap : onafhankelijke of verbonden school.
  
Art. 109. Pour l'application du présent titre, on entend par :
  1° [1 aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales : toute forme de soutien administratif ou éducatif en personnel, mise en oeuvre dans le cadre de la gestion d'un établissement scolaire à l'exception des tâches pédagogiques qui s'inscrivent dans les objectifs du décret du 24 juillet 1997 définissant les missions prioritaires de l'enseignement fondamental et de l'enseignement secondaire et organisant les structures propres à les atteindre. Cette aide en personnel est affectée au sein de l'établissement scolaire ou, après avoir pris, pour chaque année scolaire, l'avis des directions concernées, au sein de structures regroupant plusieurs établissements en vue de permettre la mutualisation de cette aide administrative ou éducative.
   Pour les établissements qui, durant les années scolaires 2017-2018 et 2018-2019, ne bénéficient pas de l'aide administrative visée à l'article 110, § 1bis, on entend par " aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales " : toute forme de soutien mise en oeuvre dans le cadre de la gestion d'un établissement scolaire, à l'exception des tâches pédagogiques.]1

  2° école dans l'enseignement organisé par la Communauté française : école autonome ou annexée.
  
HOOFDSTUK II. - Toekenning en aanwending van de middelen toegekend voor de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen [1 ...]1.
CHAPITRE II. - De l'octroi et de l'utilisation des moyens alloués à l'aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales [1 ...]1.
Afdeling I. - Toekenning van middelen.
Section Ire. - Octroi des moyens.
Art. 110. § 1. [9 ...]9
  [6 § 1bis. De Regering kent, voor de organisatie van de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuter-, lagere en basisscholen, een jaarlijks bedrag van 60 euro toe voor elke leerling die op 15 januari van het vorige schooljaar regelmatig ingeschreven is in een inrichting voor gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs die minstens [13 140]13 leerlingen telt, en een jaarlijks bedrag van 95 euro voor elke leerling die op 15 januari van het vorige schooljaar regelmatig ingeschreven was in een inrichting voor gespecialiseerd kleuter-, lager en basisonderwijs dat minstens [13 140]13 leerlingen telt.
   Die specifieke hulpverlening wordt toegekend vanaf het schooljaar voorafgaand aan het schooljaar waarin de inrichting haar sturingsplan opstelt.
   Als een inrichting op [10 de eerste dag van het schooljaar]10 wordt geherstructureerd, wordt de specifieke hulpverlening berekend op grond van de leerlingen die op 15 januari laatstleden ingeschreven waren in de inrichtingen die uit de herstructurering voortvloeien.
   Verschillende inrichtingen voor gewoon of gespecialiseerd kleuter-, lager en basisonderwijs kunnen worden gegroepeerd om het minimumaantal van [13 140]13 leerlingen die op 15 januari van het vorige schooljaar regelmatig ingeschreven waren te bereiken, om de in het eerste lid bedoelde middelen te kunnen genieten.
   Een overeenkomst die de lijst van de verschillende inrichtende machten of van de inrichtingen van de Franse Gemeenschap vermeldt en die de aanwending van de toegekende middelen bepaalt, wordt ter informatie aan de algemene directie leerplichtonderwijs voorgelegd vóór [10 de laatste dag van het schooljaar]10 voorafgaand aan de inwerkingtreding ervan en vóór 21 augustus voor het schooljaar 2017-2018. Die overeenkomst heeft betrekking op één of meer schooljaren.
   De in het eerste lid bedoelde bedragen worden geïndexeerd door toepassing op de bedragen van het vorige burgerlijk jaar van de verhouding tussen het algemeen indexcijfer van de consumptieprijzen van januari van het lopende burgerlijk jaar en het indexcijfer van januari van het vorige burgerlijk jaar.
   Onverminderd het vorige lid, gedurende 18 jaar vanaf 1 september 2018, zal een geïndexeerd bedrag van 0,40 euro per leerling komen bij het forfaitaire bedrag van 60 euro voor het gewoon basisonderwijs, en zal een geïndexeerd bedrag van 0,50 euro elk jaar komen bij het forfaitaire bedrag van 95 euro voor het gespecialiseerd basisonderwijs.
   Die bedragen moeten worden bestemd voor de aanwerving van personeel om de specifieke hulpverlening aan de in artikel 109, eerste lid, 1° bedoelde directies te kunnen bezorgen.
   Indien een bedrag dat lager is dan 5.000 euro overblijft op het einde van de personeelsaanwervingen die konden verwezenlijkt worden op grond van het aantal leerlingen die op 15 januari van het vorige schooljaar regelmatig ingeschreven waren, kan dat bedrag worden aangewend om materieel aan te kopen dat uitsluitend voor de administratieve hulpverlening wordt bestemd, in overeenstemming met de betrokken directie(s).
   Alleen voor de directies met klasse, kan de specifieke hulpverlening aan de directies in het gewoon of gespecialiseerd onderwijs in lestijden volledig worden omgezet indien de inrichtende macht dit aanvraagt bij de administratie vóór 30 juni van het schooljaar voorafgaand aan de toekenning van de specifieke hulpverlening en vóór 21 augustus voor het schooljaar 2017-2018. De omzetting van de gehele specifieke hulpverlening wordt verricht op grond van het jaarlijkse bedrag voor elke leerling die op 15 januari van het vorige schooljaar regelmatig ingeschreven was, gedeeld door de gemiddelde jaarlijkse kostprijs per niveau van een lestijd, volgens het oorspronkelijke ambt van de directeur. Die gemiddelde jaarlijkse kostprijs wordt jaarlijks door de bevoegde Minister bij omzendbrief vastgesteld. De in dat kader toegekende lestijden, tot de lagere eenheid afgerond, worden uitsluitend aangewend om de directeur van zijn klastijd te ontlasten.
  [13 Wanneer de specifieke hulp volledig in lestijden wordt omgezet overeenkomstig het vorige lid, is de norm van 140 leerlingen niet van toepassing.]13]6

  [7 § 1ter. De in de §§ 1 en 1bis bedoelde bedragen kunnen niet worden gecumuleerd.]7
  [11 § 1quater. In afwijking van paragraaf 1bis worden de forfaitaire bedragen per leerling voor het schooljaar 2022-2023 verhoogd met 5 euro in het gewoon kleuter-, lager- en basisonderwijs en met 8 euro in het gespecialiseerd kleuter-, lager- en basisonderwijs.]11
  [12 § 1quinter. In afwijking van paragraaf 1bis, vanaf het schooljaar 2023-2024, worden de forfaitaire bedragen per leerling vermeerderd met 15,97 euro in het gewoon kleuter-, lager en basisonderwijs, en met 23,94 euro in het gespecialiseerd kleuter-, lager en basisonderwijs.]12
  § 2. De middelen bedoeld [8 in de vorige paragrafen]8 kunnen slechts aangewend worden in het kader van artikel 109. Bij gebreke hiervan worden de bedragen die onregelmatig geïnvesteerd worden, door de Franse Gemeenschap teruggevorderd.
  § 3. [9 ...]9
  § 4. [9 ...]9
  § 5. [9 ...]9
  
Art. 110. § 1er. [9 ...]9
  [6 § 1bis. Le Gouvernement alloue, pour l'organisation de l'aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales, un montant annuel de 60 euros par élève régulièrement inscrit au 15 janvier de l'année scolaire précédente dans un établissement d'enseignement maternel, primaire et fondamental ordinaire comptant au moins [13 140]13 élèves et un montant annuel de 95 euros par élève régulièrement inscrit au 15 janvier de l'année scolaire précédente dans un établissement d'enseignement maternel, primaire et fondamental spécialisé comptant au moins [13 140]13 élèves.
   Cette aide spécifique est octroyée à partir de l'année scolaire qui précède celle au cours de laquelle l'établissement élabore son plan de pilotage.
   En cas de restructuration d'établissement au [10 premier jour de l'année scolaire ]10, l'aide spécifique est calculée en prenant en considération les élèves inscrits au 15 janvier précédent dans les établissements issus de la restructuration.
   Plusieurs établissements d'enseignement maternel, primaire et fondamental ordinaire ou spécialisé peuvent se regrouper afin d'atteindre le nombre minimal de [13 140]13 élèves régulièrement inscrits au 15 janvier de l'année scolaire précédente pour pouvoir bénéficier des moyens prévus à l'alinéa 1er.
   Une convention reprenant la liste des différents pouvoirs organisateurs ou des établissements de la Communauté française et envisageant l'utilisation des moyens alloués est transmise pour information à la Direction générale de l'enseignement obligatoire avant le [10 dernier jour de l'année scolaire]10 précédant la date de son entrée en vigueur et avant le 21 août pour l'année scolaire 2017-2018. Cette convention porte sur une ou plusieurs années scolaires.
   Les montants visés à l'alinéa 1er sont indexés en appliquant aux montants de l'année civile précédente le rapport entre l'indice général des prix à la consommation de janvier de l'année civile en cours et l'indice de janvier de l'année civile précédente.
   Sans préjudice de l'alinéa précédent, pendant 18 années à partir du 1er septembre 2018, un montant indexé de 0,40 euro par élève sera ajouté chaque année au forfait de 60 euros pour l'enseignement fondamental ordinaire, et un montant indexé de 0,50 euro sera ajouté chaque année au forfait de 95 euros pour l'enseignement fondamental spécialisé.
   Ces montants sont nécessairement affectés à l'engagement de personnel pour assurer l'aide spécifique aux directions visée à l'article 109, alinéa 1er, 1°.
   Néanmoins, si au terme des engagements en personnel qui ont pu être réalisés en fonction du nombre d'élèves régulièrement inscrit au 15 janvier de l'année scolaire précédente, il subsiste un montant inférieur à 5.000 euros, ce montant peut être utilisé pour acheter du matériel destiné exclusivement à l'aide administrative, en accord avec la ou les directions concernées.
   Uniquement pour les directions avec classe, l'aide spécifique aux directions dans l'enseignement ordinaire ou spécialisé peut être totalement transformée en périodes si le pouvoir organisateur en fait la demande auprès de l'administration avant le 30 juin de l'année scolaire précédant l'attribution de l'aide spécifique et avant le 21 août pour l'année scolaire 2017-2018. La transformation de la totalité de l'aide spécifique est effectuée sur base du montant annuel par élève régulièrement inscrit au 15 janvier de l'année scolaire précédente divisé par le coût annuel moyen par niveau d'une période, selon la fonction d'origine du directeur. Ce coût annuel moyen est fixé chaque année par circulaire par le Ministre compétent. Les périodes octroyées dans ce cadre, arrondies à l'unité inférieure, sont exclusivement utilisées pour décharger le directeur de son temps de classe.
  [13 Lorsque l'aide spécifique est totalement convertie en périodes conformément à l'alinéa précédent, la norme de 140 élèves n'est pas d'application.]13]6

  [7 § 1ter. Les montants visés aux §§ 1 et 1bis ne sont pas cumulables.]7
  [11 § 1quater. Par dérogation au paragraphe 1bis, pour l'année scolaire 2022-2023, les montants forfaitaires par élève sont augmentés de 5 euros dans l'enseignement maternel, primaire et fondamental ordinaire, et de 8 euros dans l'enseignement maternel, primaire et fondamental spécialisé.]11
  [12 § 1quinter. Par dérogation au paragraphe 1bis, à partir de l'année scolaire 2023-2024, les montants forfaitaires par élève sont augmentés de 15,97 euros dans l'enseignement maternel, primaire et fondamental ordinaire, et de 23,94 euros dans l'enseignement maternel, primaire et fondamental spécialisé.]12
  § 2. Les moyens visés par [8 les paragraphes précédents]8 ne peuvent être employés que dans le cadre de l'article 109. A défaut, les montants irrégulièrement investis sont récupérés par la Communauté française.
  § 3. [9 ...]9
  § 4. [9 ...]9
  § 5. [9 ...]9
  
Art. 111. Voor wat betreft het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, worden de middelen bedoeld in [1 artikel 110, §§ 1 en 1bis]1 aan elke inrichting toegekend.
  
Art. 111. Pour ce qui concerne l'enseignement organisé par la Communauté française, les moyens définis à l'[1 article 110, §§ 1er et 1bis]1 sont alloués à chaque établissement.
  
Art. 112. § 1. Voor wat betreft het gesubsidieerd onderwijs worden de middelen bedoeld in [1 artikel 110, §§ 1 en 1bis]1 aan elke inrichtende macht toegekend.
  § 2. Elk vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van de inrichtende machten, elk wat hem betreft, kan solidariteitsmechanismen bepalen tussen de niveaus van het basisonderwijs en het secundair onderwijs om deze middelen aan te vullen.
  Een vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan waarbij geen inrichtende machten aangesloten zijn die de schoolinrichtingen van het secundair onderwijs organiseren, kan met een ander vertegenwoordigings- en coördinatieorgaan van hetzelfde net de nadere regels bepalen voor zulke solidariteitsmechanismen.
  Het komt elke inrichtende macht toe te bepalen of zij tot de ingevoerde solidariteitsmechanismen toetreden.
  
Art. 112. § 1er. Pour ce qui concerne l'enseignement subventionné, les moyens définis à l'[1 article 110, §§ 1er et 1bis]1 sont alloués à chaque pouvoir organisateur.
  § 2. Chaque organe de représentation et de coordination des pouvoirs organisateurs, chacun pour ce qui le concerne, peut définir des mécanismes de solidarité entre les niveaux d'enseignement fondamental et secondaire pour compléter ces moyens.
  Un organe de représentation et de coordination qui n'affilie pas de pouvoirs organisateurs organisant des établissements scolaires d'enseignement secondaire peut déterminer avec un autre organe de représentation et de coordination du même réseau les modalités de tels mécanismes de solidarité.
  Il appartient à chaque pouvoir organisateur de déterminer s'il adhère aux mécanismes de solidarité mis en place.
  
Afdeling II. - Aanwending van de toegekende bedragen.
Section II. - Utilisation des montants alloués.
Art. 113. § 1. Elk inrichtingshoofd voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap en elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, bepalen na de betrokken directies te hebben geraadpleegd, de vorm van de specifieke hulpverlening aan de directies van de kleuterscholen, de lagere scholen en de basisscholen van het gewoon en gespecialiseerd onderwijs.
  § 2. [2 Elke inrichtende macht bepaalt]2 de nadere regels voor de aanwending van de middelen die toegekend worden volgens de vorm die de specifieke hulpverlening aanneemt, zoals bedoeld in § 1.
  § 3. In het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap wordt het basis overlegcomité ingelicht over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld [1 artikel 110, §§ 1 en 1bis]1 binnen de inrichting.
  In het gesubsidieerd officieel onderwijs wordt de plaatselijke paritaire commissie ingelicht over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 110, § 1 binnen de inrichtingen die haar betreffen.
  In het gesubsidieerd vrij onderwijs wordt (worden) de ondernemingsraad of, bij gebreke hieraan, het comité voor preventie en bescherming op het werk of, bij gebreke hieraan, de plaatselijke overleginstantie of, bij gebreke hieraan, de vakverenigingen ingelicht over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 110, § 1 binnen de inrichting(en) die hem/ze betreft (ffen).
  
Art. 113. § 1er. Chaque chef d'établissement pour l'enseignement organisé par la Communauté française et chaque pouvoir organisateur pour l'enseignement subventionné détermine, après avoir consulté les directions concernées, la forme que prend l'aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales de l'enseignement ordinaire et spécialisé.
  § 2. [2 Chaque pouvoir organisateur définit]2 les modalités de l'utilisation des moyens alloués selon la forme que prend l'aide spécifique telle que déterminée au § 1er.
  § 3. Dans l'enseignement organisé par la Communauté française, le comité de concertation de base est informé des modalités d'utilisation des moyens visés à l'[1 article 110, §§ 1er et 1bis]1 au sein de l'établissement.
  Dans l'enseignement officiel subventionné, la commission paritaire locale est informée des modalités d'utilisation des moyens visés à l'article 110, § 1er au sein de l'établissement au sein des établissements qui la concernent.
  Dans l'enseignement libre subventionné, le conseil d'entreprise ou, à défaut, le comité pour la prévention et la protection au travail ou, à défaut, l'instance de concertation locale ou, à défaut, les délégations syndicales est (sont) informé(es) des modalités d'utilisation des moyens visés à l'article 110, § 1er au sein de l'(des)établissement(s) qui le(s) concerne(nt).
  
HOOFDSTUK III. - Beheerscentra.
CHAPITRE III. - Des centres de gestion.
Afdeling I. - Oprichting.
Section Ire. - Création.
Art. 114. § 1. Om de aanwending van de middelen te optimaliseren die toegekend worden aan elke inrichtende macht of aan elke directie van de onafhankelijke of verbonden inrichting georganiseerd door de Franse Gemeenschap in het kader van dit decreet, kan een partnerschap [1 , na raadpleging van de betrokken directies,]1 op vrijwillige basis plaatsvinden tussen de inrichtende machten in het gesubsidieerd onderwijs, of tussen de inrichtingen, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap. Dit partnerschap heeft ten doel de beschikbare middelen op een efficiëntere manier te beheren en voor een beter beheer van de schoolinrichtingen te zorgen.
  § 2. Elke inrichtende macht voor het gesubsidieerd onderwijs, elk inrichtingshoofd voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap beslist [1 , na raadpleging van de betrokken directies,]1 over de toetreding van haar/zijn inrichting(en) tot een beheerscentrum, met dien verstande dat de inrichtingen die behoren tot eenzelfde inrichtende macht of tot eenzelfde inrichtingshoofd verbonden zijn door de beslissing om al dan niet toe te treden tot het beheerscentrum.
  
Art. 114. § 1er. Afin d'optimaliser l'utilisation des moyens alloués à chaque pouvoir organisateur ou à chaque direction d'établissement autonome ou annexé organisé par la Communauté française dans le cadre du présent décret, un partenariat entre pouvoirs organisateurs, dans l'enseignement subventionné, ou entre établissements, dans l'enseignement organisé par la Communauté, peut [1 , après avoir consulté les directions concernées,]1 être créé sur une base volontaire. Ce partenariat a pour but de gérer les moyens disponibles d'une manière plus efficace et d'assurer un meilleur management des établissements scolaires.
  § 2. Chaque pouvoir organisateur pour l'enseignement subventionné, chaque chef d'établissement pour l'enseignement organisé par la Communauté française décide [1 , après avoir consulté les directions concernées,]1 de l'adhésion de son ou de ses établissements à un centre de gestion étant entendu que tous les établissements relevant d'un même pouvoir organisateur ou d'un même chef d'établissement sont liés par la décision d'adhérer ou non au centre de gestion.
  
Art. 115. § 1. Een beheerscentrum wordt opgericht bij overeenkomst :
  1° voor het gesubsidieerd onderwijs, tussen de verschillende inrichtende machten die behoren tot eenzelfde onderwijsnet binnen eenzelfde eenheid, zoals opgericht bij artikel 10 van het decreet van 14 maart 1995 tot bevordering van het welslagen in de basisscholen, met dien verstande dat een beheerscentrum ten minste zowel het kleuteronderwijs als het lager onderwijs omvat;
  2° voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap tussen de verschillende inrichtingshoofden die behoren tot dit onderwijsnet binnen eenzelfde zone, zoals opgericht bij artikel 13 van het voornoemde decreet van 14 maart 1995, met dien verstande dat een beheerscentrum ten minste zowel het kleuteronderwijs als het lager onderwijs omvat;
  § 2. De overeenkomst regelt de organisatie en de werking van het beheerscentrum en bepaalt inzonderheid de inrichtende macht of het inrichtingshoofd belast met de coördinatie van het beheerscentrum.
  § 3. De overeenkomst treedt in werking op 1 september en heeft telkens betrekking op een periode van zes schooljaren. De eerste periode van 6 schooljaren begint op [1 de eerste dag van het schooljaar]1. Elke volgende periode van 6 schooljaren begint 6 jaar of een veelvoud van 6 jaar na 1 september 2007.
  § 4. In afwijking van § 3 lopen de overeenkomsten die tijdens een periode van 6 schooljaren in werking treden, zoals bedoeld in § 3, ten einde na de zes schooljaren in kwestie.
  § 5. De overeenkomst met onder andere de lijst van de verschillende inrichtende machten of de inrichtingen van de Franse Gemeenschap, wordt ter informatie aan het Algemeen Bestuur leerplichtonderwijs vóór 15 juni gestuurd voorafgaandelijk aan de datum van haar inwerkingtreding.
  
Art. 115. § 1er. Un centre de gestion est créé par voie de convention :
  1° pour l'enseignement subventionné, entre des pouvoirs organisateurs différents appartenant au même réseau d'enseignement au sein d'une même entité telle que créée par l'article 10 du décret du 14 mars 1995 relatif à la promotion d'une école de la réussite dans l'enseignement fondamental, étant entendu qu'un centre de gestion comprend, au moins, aussi bien le niveau enseignement maternel que le niveau enseignement primaire;
  2° pour l'enseignement organisé par la Communauté française, entre des chefs établissement différents appartenant à ce réseau d'enseignement au sein d'une même zone telle que créée par l'article 13 du décret du 14 mars 1995 précité, étant entendu qu'un centre de gestion comprend, au moins, aussi bien le niveau enseignement maternel que le niveau enseignement primaire;
  § 2. La convention règle l'organisation et le fonctionnement du centre de gestion et détermine notamment le pouvoir organisateur ou le chef d'établissement chargé d'assurer la coordination du centre de gestion.
  § 3. La convention entre en vigueur le 1er septembre et porte chaque fois sur une période de six années scolaires. La première période de six années scolaires commence au 1er septembre 2007. Chaque période suivante de six années scolaires commence six ans ou un multiple de six ans après le [1 premier jour de l'année scolaire]1.
  § 4. Par dérogation au § 3, les conventions entrant en vigueur au cours d'une période de six années scolaires telle que visée au § 3 prennent fin au terme des six années scolaires en question.
  § 5. La convention reprenant entre autre la liste des différents pouvoirs organisateurs ou des établissements de la Communauté française est transmise pour information à l'Administration générale de l'enseignement obligatoire avant le 15 juin précédant la date de son entrée en vigueur.
  
Art. 116. § 1. Een inrichtende macht of een inrichtingshoofd die/dat niet tot een beheerscentrum is toegetreden, mag tot één van deze toetreden en dit, op elk ogenblik tijdens de periode van 6 jaar waarop de overeenkomst betrekking heeft. Nochtans kan de toetreding van een nieuwe inrichtende macht geen aanleiding geven tot een nieuwe onderhandeling van de overeenkomst.
  In dit geval moet slechts de lijst met de verschillende inrichtende machten of inrichtingen georganiseerd door de Franse Gemeenschap, die bijgewerkt wordt door het toevoegen van de inrichtende macht of de inrichting van de Franse Gemeenschap, aan het Bestuur gestuurd worden en dit, vóór 15 juni van elk jaar.
  § 2. Een inrichtende macht of een directie van de inrichting die tot een beheerscentrum toegetreden is, moet tijdens de periode waarop de overeenkomst slaat, met het centrum solidair blijven.
Art. 116. § 1er. Un pouvoir organisateur ou un chef d'établissement qui n'a pas adhéré à un centre de gestion peut adhérer à un de ceux-ci à tout moment pendant la période de six ans couverte par la convention. Toutefois l'adhésion d'un nouveau pouvoir organisateur ne peut entraîner la renégociation de la convention.
  Dans ce cas, seule la liste reprenant les différents pouvoirs organisateurs ou établissements organisés par la Communauté française actualisée par l'ajout du pouvoir organisateur ou de l'établissement de la Communauté française doit être transmise à l'administration et ce, avant le 15 juin de chaque année.
  § 2. Un pouvoir organisateur ou une direction d'établissement qui a adhéré à un centre de gestion ne peut s'en désolidariser durant la période couverte par la convention.
Afdeling II. - Criteria voor de oprichting van de beheerscentra.
Section II. - Critères pour la constitution de centres de gestion.
Art. 117. § 1. Elk beheerscentrum telt ten minste 1000 leerlingen op 15 januari voorafgaandelijk aan het opstarten van het beheerscentrum, waarbij elke leerling voor een tellingseenheid telt.
  § 2. De telling uitgevoerd om de oprichtingsnorm voor het beheerscentrum te bereiken, geldt voor een periode van zes schooljaren.
  § 3. In afwijking van § 2, wanneer een inrichtende macht of een inrichtingshoofd tot een beheerscentrum toetreedt volgens de nadere regel bedoeld in artikel 116, § 1, wordt het aantal leerlingen van de inrichting(en) van deze inrichtende macht of van de directie van de inrichting, op 15 januari voorafgaandelijk aan de inwerkingtreding van de overeenkomst voor de bepaalde periode, aan dat van het beheerscentrum toegevoegd.
  § 4. In afwijking van § 2 voor wat betreft de overeenkomsten of beslissingen die in werking treden tijdens een periode van 6 schooljaren, zoals bedoeld in artikel 115, § 4, is de telling uitgevoerd voor het bereiken van de norm voor de oprichting van het beheerscentrum geldig tot het einde van de 6 schooljaren.
Art. 117. § 1er. Tout centre de gestion compte au moins 1 000 élèves le 15 janvier précédant le démarrage du centre de gestion, chaque élève comptant pour une unité de comptage.
  § 2. Le comptage effectué pour remplir la norme de création du centre de gestion vaut pour une période de six années scolaires.
  § 3. Par dérogation au § 2, lorsqu'un pouvoir organisateur ou un chef d'établissement adhère à un centre de gestion selon la modalité prévue à l'article 116, § 1er, le nombre d'élèves du ou des établissements de ce pouvoir organisateur ou de la direction d'établissement, au 15 janvier précédant l'entrée en vigueur de la convention pour la période prévue, est ajouté à celui du centre de gestion.
  § 4. Par dérogation au § 2, pour ce qui concerne les conventions ou décisions entrant en vigueur au cours d'une période de six années scolaires, telles que visées à l'article 115, § 4, le comptage effectué pour remplir la norme de création du centre de gestion est valable jusqu'à la fin des six années scolaires.
Art. 118. § 1. In afwijking van artikel 115, § 1, 1° en 2°, indien het niet mogelijk is om een beheerscentrum op te richten van 1 000 leerlingen binnen eenzelfde eenheid voor het gesubsidieerd onderwijs of eenzelfde zone voor het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, kan het beheerscentrum inrichtingen van de inrichtende machten van verschillende eenheden of inrichtingen van de directie van inrichtingen van verschillende zones verenigen.
  § 2. In afwijking van artikel 115, § 1, 1° en 2° kunnen de inrichtende machten van de nabijheidseenheden ook beslissen om samen een beheerscentrum op te richten voor zover het aantal leerlingen dat in aanmerking wordt genomen, niet 10 000 overschrijden, behoudens afwijking goedgekeurd door de Regering.
Art. 118. § 1er. Par dérogation à l'article 115, § 1er, 1° et 2°, s'il n'est pas possible de constituer un centre de gestion de 1 000 élèves au sein d'une même entité pour l'enseignement subventionné ou d'une même zone pour l'enseignement organisé par la Communauté française, le centre de gestion peut réunir des établissements de pouvoirs organisateurs d'entités différentes ou des établissements de direction d'établissement de zones différentes.
  § 2. Par dérogation à l'article 115, § 1er, 1° et 2, des pouvoirs organisateurs d'entités voisines peuvent également décider de constituer ensemble un centre de gestion pour autant que le nombre d'élèves pris en compte ne dépassent pas 10 000, sauf dérogation approuvée par le Gouvernement.
Afdeling III. - Bevoegdheden van het beheerscentrum.
Section III. - Compétences du centre de gestion.
Art. 119. § 1. In afwijking van artikel 113, § 1, wanneer de inrichtende machten of de inrichtingshoofden tot een beheerscentrum zijn toegetreden, bepaalt de overeenkomst de vorm van de specifieke hulpverlening aan de directies van kleuterscholen, lagere scholen en basisscholen.
  § 2. In afwijking van artikel 113, § 2, bepalen [1 de inrichtende macht]1, voor de overeenkomsten van het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, en elke groep van inrichtende machten gebonden door een overeenkomst, voor het onderwijs gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, de nadere regels voor de aanwending van de middelen toegekend volgens de vorm die de specifieke hulpverlening neemt, zoals bedoeld in § 1.
  
Art. 119. § 1er Par dérogation à l'article 113, § 1er, lorsque des pouvoirs organisateurs ou des chefs d'établissement ont adhéré à un centre de gestion, c'est la convention qui détermine la forme que prend l'aide spécifique aux directions d'écoles maternelles, primaires et fondamentales.
  § 2. Par dérogation à l'article 113, § 2, [1 le pouvoir organisateur]1, pour les conventions relevant de l'enseignement organisé par la Communauté française, et chaque groupe de pouvoirs organisateurs liés par une convention, pour l'enseignement subventionné par la Communauté française, définissent les modalités de l'utilisation des moyens alloués selon la forme que prend l'aide spécifique telle que déterminée au § 1er.
  
Art. 120. De inrichtende machten of de inrichtingshoofden die tot een beheerscentrum zijn toegetreden, kunnen hem bijkomende bevoegdheden toekennen, behoudens uitdrukkelijke bepaling. De toegekende bijkomende bevoegdheden zijn opgenomen in de overeenkomst.
Art. 120. Les pouvoirs organisateurs ou les chefs d'établissement ayant adhéré à un centre de gestion peuvent lui attribuer des compétences supplémentaires, sauf disposition contraire. Les compétences supplémentaires attribuées sont reprises dans la convention.
Afdeling IV. - Aanwending van de toegekende middelen.
Section IV. - De l'utilisation des moyens alloués.
Art. 121. In afwijking van de artikelen 112 en 113, wanneer de inrichtende machten of de inrichtingshoofden tot een beheerscentrum zijn toegetreden, worden de middelen toegekend aan de inrichtende macht of aan het inrichtingshoofd belast met de coördinatie van het beheerscentrum met inachtneming van de nadere regels opgenomen in de overeenkomst bedoeld in artikel 115, § 1 van dit decreet.
Art. 121. Par dérogation aux articles 112 et 113, lorsque des pouvoirs organisateurs ou des chefs d'établissement ont adhéré à un centre de gestion, les moyens sont alloués au pouvoir organisateur ou au chef d'établissement qui assure la coordination du centre de gestion qui les gère dans le respect des modalités reprises dans la convention prévue à l'article 115, § 1er du présent décret.
Art. 122. Elk inrichtingshoofd en elke inrichtende macht die tot een beheerscentrum zijn toegetreden, lichten de respectievelijke overlegorganen in over de nadere regels voor de aanwending van de middelen bedoeld in artikel 110 van dit decreet.
Art. 122. Chaque chef d'établissement et chaque pouvoir organisateur, ayant adhéré à un centre de gestion informe les organes de concertation respectifs des modalités d'utilisation des moyens dont question à l'article 110 du présent décret.
TITEL VI. - Wijzigings-, overgangs- en slotbepalingen.
TITRE VI. - Dispositions modificatives, transitoires et finales.
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Art. 123. Het evaluatiemechanisme bedoeld in de artikelen 33, 40, 63 en 86 van dit decreet en 28septies van het voornoemde decreet van 4 januari 1999, 52decies van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 en 61duodecies van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, zal tijdens het vierde jaar dat volgt op de inwerkingtreding van dit decreet geëvalueerd worden.
Art. 123. Le mécanisme évaluation prévu aux articles 33, 40, 63 et 86 du présent décret et 28septies du décret du 4 janvier 1999 précité, 52decies du 6 juin 1994 précité et 61duodecies du 1er février 1993 précité fera l'objet d'une évaluation au cours de la 4ème année qui suit l'entrée en vigueur du présent décret.
Art. 124. [1 In het gesubsidieerd onderwijs, indien de directie van een school in de zin van artikel 2 van dit decreet niet wordt waargenomen door een door een wedde-subsidie gesubsidieerd en bezoldigd personeelslid, stuurt de Regering de inrichtende macht een ingebrekestelling waarbij zij haar verzoekt, binnen een termijn van dertig kalenderdagen vanaf de datum van die ingebrekestelling, zich naar de voormelde bepalingen te schikken en de wettelijke toestand te herstellen. De Regering kan die bevoegdheid aan de functioneel bevoegde minister delegeren.
   Indien de inrichtende macht, binnen de in het eerste lid bedoelde termijn van dertig kalenderdagen, het bewijs niet heeft geleverd dat zij de noodzakelijke maatregelen heeft genomen om de voormelde bepalingen na te leven en om de wettelijke toestand te herstellen, verliest ze, voor een hierna bepaalde duur, het voordeel van 20 % van de subsidies die worden toegekend overeenkomstig artikel 24, § 2, van de wet van 29 mei 1959 tot wijziging van sommige bepalingen van de onderwijswetgeving.
   De in het vorige lid bedoelde periode begint op het einde van de termijn van dertig kalenderdagen, en loopt tot de dag waarop de inrichtende macht het bewijs heeft geleverd dat zij de noodzakelijke maatregelen heeft genomen om zich naar de voormelde bepalingen te schikken en om de wettelijke toestand te herstellen.]1

  
Art. 124. [1 Dans l'enseignement subventionné, si la direction d'une école au sens de l'article 2 du présent décret n'est pas assurée par un membre du personnel subsidié et rémunéré par une subvention-traitement, le Gouvernement adresse au pouvoir organisateur une mise en demeure par laquelle il l'invite dans un délai de trente jours calendrier à dater de cette mise en demeure, à se conformer aux dispositions précitées et à rétablir la légalité. Le Gouvernement peut déléguer cette compétence à la ministre ou au ministre fonctionnellement compétent(e).
   Si, à l'échéance du délai de trente jours calendrier visés à l'alinéa 1er, le pouvoir organisateur n'a pas apporté la preuve qu'il a pris les mesures nécessaires pour se conformer aux dispositions précitées et pour rétablir la légalité, il perd, pour une durée déterminée ci-après, le bénéfice de 20 % des subventions accordées conformément à l'article 24, § 2, de la loi du 29 mai 1959 modifiant certaines dispositions de la législation de l'enseignement.
   La période visée à l'alinéa précédent débute à l'échéance du délai de trente jours calendrier et court jusqu'au jour où le pouvoir organisateur a apporté la preuve qu'il a pris les mesures nécessaires pour se conformer aux dispositions précitées et pour rétablir la légalité.]1

  
HOOFDSTUK II. - Wijzigingsbepalingen.
CHAPITRE II. - Dispositions modificatives.
Art. 125. In artikel 9 van het koninklijk besluit van 15 januari 1974 genomen met toepassing van artikel 160 van het koninklijk besluit van 22 maart 1969 tot vaststelling van het statuut van de leden van het bestuurs- en onderwijzend personeel, van het opvoedend hulppersoneel, van het paramedisch personeel der inrichtingen voor kleuter-, lager, buitengewoon, middelbaar, technisch onderwijs, onderwijs voor sociale promotie en kunstonderwijs van de Staat, alsmede der internaten die van deze inrichtingen afhangen en van de leden van de inspectiedienst die belast is met het toezicht op deze inrichtingen, zoals gewijzigd bij het decreet van 8 mei 2003, wordt littera b) vervangen als volgt :
  " b) om een stage te lopen in een andere betrekking van de Staat, een Gemeenschap, een Gewest, provincies, gemeentes, een gelijkgestelde openbare instelling, een onderwijsinrichting georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap en dit, voor een periode die overeenstemt met de normale duur van de voorgeschreven stage; ".
Art. 125. A l'article 9 de l'arrêté royal du 15 janvier 1974 pris en application de l'article 160 de l'arrêté royal du 22 mars 1969 fixant le statut des membres du personnel directeur et enseignant, du personnel auxiliaire d'éducation, du personnel paramédical des établissements d'enseignement gardien, primaire, spécialise, moyen, technique, artistique et normal de l'Etat, des internats dépendant de ces établissements et des membres du personnel du service d'inspection chargé de la surveillance de ces établissements, tel que modifié par le décret du 8 mai 2003, le littera b) est remplace comme suit :
  " b) pour accomplir un stage dans un autre emploi de l'Etat, d'une Communauté, d'une Région, des provinces, des communes, d'un établissement public assimilé, d'un établissement d'enseignement organisé ou subventionné par la Communauté française et ce, pour une période correspondant à la durée normale du stage prescrit; ".
Art. 126. § 1. In het decreet van 29 juli 1992 houdende organisatie van het secundair onderwijs met volledig leerplan, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in artikel 21quater, ingevoegd bij het decreet van 2 april 1996, en gewijzigd bij de decreten van 24 juli 1997 en van 4 januari 1999, wordt een derde lid ingevoegd, luidend als volgt :
  " De betrekkingen van onderdirecteur kunnen aan twee personeelsleden toevertrouwd worden die elk belast zijn met een halve opdracht, na voorafgaandelijk advies, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, van het basisoverlegcomité, in het officieel onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het vrij onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, de vakvereniging, met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring. "
  2° in artikel 21quinquies, ingevoegd bij het decreet van 4 januari 1999, wordt een § 5 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 5. De betrekkingen van werkleider kunnen aan twee personeelsleden toevertrouwd worden die elk belast zijn met een halve opdracht, na voorafgaandelijk advies, in het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap, van het basisoverlegcomité, in het officieel onderijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het vrij onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, van de vakvereniging, met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring. "
  § 2. In artikel 55 van het decreet van 2 juni 1998 houdende organisatie van het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap, wordt een § 3 ingevoegd, luidend als volgt :
  " § 3. De betrekkingen van onderdirecteur kunnen aan twee personeelsleden toevertrouwd worden die elk belast zijn met een halve opdracht, na voorafgaandelijk advies, in het officieel onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de plaatselijke paritaire commissie, en in het vrij onderwijs dat door de Franse Gemeenschap wordt gesubsidieerd, van de ondernemingsraad of, bij ontstentenis hiervan, van de vakvereniging, met evocatierecht van het verzoeningsbureau bij afkeuring.
Art. 126. § 1er. Dans le décret du 29 juillet 1992 portant organisation de l'enseignement secondaire de plein exercice, sont apportées les modifications suivantes :
  1°) dans l'article 21quater, inséré par le décret du 2 avril 1996, et modifié par les décrets du 24 juillet 1997 et du 4 janvier 1999, est inséré un troisième alinéa 3 nouveau libellé comme suit :
  " Les emplois de sous-directeur peuvent être confiés à deux membres du personnel qui sont chargés chacun d'une demi charge, après avis préalable, dans l'enseignement organisé par la Communauté française, du comité de concertation de base, dans l'enseignement officiel subventionné par la Communauté française, de la commission paritaire locale, et dans l'enseignement libre subventionné par la Communauté française, du conseil d'entreprise ou, à défaut, de la délégation syndicale, avec droit d'évocation du bureau de conciliation en cas de désaccord. "
  2°) dans l'article 21quinquies, inséré par le décret du 4 janvier 1999, est inséré un § 5 nouveau libellé comme suit :
  " § 5. Les emplois de chef d'atelier peuvent être confiés à deux membres du personnel qui sont chargés chacun d'une demi charge, après avis préalable, dans l'enseignement organisé par la Communauté française, du comité de concertation de base, dans l'enseignement officiel subventionné par la Communauté française, de la commission paritaire locale, et dans l'enseignement libre subventionné par la Communauté française, du conseil d'entreprise ou, à défaut, de la délégation syndicale, avec droit d'évocation du bureau de conciliation en cas de désaccord. "
  § 2. A l'article 55 du décret du 2 juin 1998 organisant l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit subventionné par la Communauté française, est inséré un § 3 nouveau, libellé comme suit :
  " § 3. Les emplois de sous-directeur peuvent être confiés à deux membres du personnel qui sont charges chacun d'une demi charge, après avis préalable, dans l'enseignement officiel subventionné par la Communauté française, de la commission paritaire locale, et dans l'enseignement libre subventionné par la Communauté française, du conseil d'entreprise ou, à défaut, de la délégation syndicale, avec droit d'évocation du bureau de conciliation en cas de désaccord.
Art. 127. Het eerste lid van § 1 van artikel 45 van het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde officiële psycho-medisch-sociale centra, wordt vervangen als volgt :
  " Elke inrichtende macht die kan bewijzen dat het onmogelijk is om een kandidaat aan te stellen die alle voorwaarden vervult voor de toegang tot het bevorderingsambt van directeur bedoeld in artikel 42, kan tijdelijk het bevorderingsambt van directeur toevertrouwen aan een technisch personeelslid dat in vast verband benoemd is en dat houder is van het bekwaamheidsbewijs vereist om het wervingsambt van psycho-pedagogische adviseur uit te oefenen ".
Art. 127. L'alinéa 1er du § 1er de l'article 45 du décret du 31 janvier 2002 fixant le statut des membres du personnel technique subsidié des centres psycho-médico-sociaux officiels subventionnés est remplacé par la disposition suivante :
  " Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir désigner un candidat remplissant toutes les conditions d'accès à la fonction de promotion de directeur visées à l'article 42, peut confier temporairement la fonction de promotion de directeur à un membre de son personnel technique nommé à titre définitif et porteur du titre requis pour exercer la fonction de recrutement de conseiller psychopédagogique ".
Art. 128. In het decreet van 31 januari 2002 tot vaststelling van het statuut van de leden van het gesubsidieerd technisch personeel van de gesubsidieerde vrije psycho-medisch-sociale centra, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  a) artikel 47 wordt vervangen als volgt :
  " Art. 47. Elke inrichtende macht die kan bewijzen dat het onmogelijk is om een kandidaat, dat lid is van het technisch personeel, aan te werven, dat de voorwaarden van artikel 43 vervult, kan, op zijn aanvraag, een lid van het technisch personeel van een centrum van dezelfde aard aanwerven die aan de voorwaarden van artikel 43 voldoet, met uitzondering van 8° en 10° ".
  b) het eerste lid van § 1 van artikel 57 wordt vervangen als volgt :
  " Elke inrichtende macht die kan bewijzen dat het onmogelijk is om een kandidaat aan te stellen die alle voorwaarden vervult voor de toegang tot het bevorderingsambt van directeur bedoeld in artikel 54, kan het bevorderingsambt van directeur tijdelijk toevertrouwen aan een lid van het technisch personeel dat in vast verband aangeworven is en dat houder is van het vereiste bekwaamheidsbewijs om het wervingsambt van psycho-pedagogische adviseur uit te oefenen. Tijdens de periode waarin het tijdelijk het bevorderingsambt van directeur uitoefent, blijft het lid van het technisch personeel titularis van de betrekking waarin het in vast verband is aangeworven ".
Art. 128. Dans le décret du 31 janvier 2002 fixant le statut des membres du personnel technique subsidié des centres psycho-médico-sociaux libres subventionnés, les modifications suivantes sont apportées :
  a) L'article 47 est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 47. Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir engager un candidat, membre de son personnel technique, qui satisfait aux conditions de l'article 43, peut engager, à sa demande, un membre du personnel technique d'un centre du même caractère qui satisfait aux conditions de l'article 43, à l'exception des 8° et 10° ".
  b) L'alinéa 1er du § 1er de l'article 57 est remplacé par la disposition suivante :
  " Tout pouvoir organisateur qui démontre l'impossibilité de pouvoir désigner un candidat remplissant toutes les conditions d'accès à la fonction de promotion de directeur visées à l'article 54, peut confier temporairement la fonction de promotion de directeur à un membre de son personnel technique engagé à titre définitif et porteur du titre requis pour exercer la fonction de recrutement de conseiller psychopédagogique. Pendant la période durant laquelle il exerce temporairement la fonction de promotion de directeur, le membre du personnel technique reste titulaire de l'emploi dans lequel il est engagé à titre définitif ".
Art. 129. In artikel 26, § 1 van het decreet van 11 juli 2002 betreffende de opleiding tijdens de loopbaan in het buitengewoon onderwijs, het gewoon secundair onderwijs en de psycho-medisch-sociale centra en tot oprichting van een instituut voor opleidingen tijdens de loopbaan, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  Onder punt 7° worden de volgende woorden toegevoegd " met uitzondering van de ambten van directeur, zoals bedoeld in artikel 2, § 1, 1° van het decreet van 2 februari 2007 betreffende het statuut van de directeurs. "
Art. 129. Dans l'article 26, § 1er du décret du 11 juillet 2002 relatif à la formation en cours de carrière dans l'enseignement spécialisé, l'enseignement secondaire ordinaire et les Centres psycho-médicosociaux et à la création d'un Institut de la formation en cours de carrière, sont apportées les modifications suivantes :
  au point 7°, sont ajoutés les termes " à l'exception des fonctions de directeur telles que visées à l'article 2, § 1er, 1° du décret du 2 février 2007 fixant le statut des directeurs. ";
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions transitoires.
Afdeling I. - Gemeenschappelijke bepalingen.
Section Ire. - Dispositions communes.
Onderafdeling I. [1 - Overgangsbepalingen voorafgaand aan het decreet van 14 maart 2019 tot wijziging van verschillende bepalingen met betrekking tot de ambten van directeur, andere bevorderingsambten en selectieambten]1
Sous-section 1re. [1 - Dispositions transitoires antérieures au décret du 14 mars 2019 modifiant diverses dispositions relatives aux fonctions de directeur et directrice, aux autres fonctions de promotion et aux fonctions de séléction]1
Art. 130. De personeelsleden die in vast verband benoemd of aangeworven zijn in de hoedanigheid van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1° van dit decreet, of in een selectie- of bevorderingsambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van het voornoemde decreet van 4 januari 1999 alsook in artikel 7, c, 12° van het bovenvermelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968, vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden geacht in vast verband benoemd of aangeworven te zijn overeenkomstig de bepalingen opgenomen in dit decreet.
Art. 130. Les membres du personnel nommés ou engagés à titre définitif en qualité de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1° du présent décret, ou dans une fonction de sélection ou de promotion telle que visée à l'article 4, 3° et à l'article 5, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 précité ainsi qu'à l'article 7, c), 12° de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 précité, avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont réputés nommés ou engagés à titre définitif en vertu des dispositions contenues dans le présent décret.
Art. 131. § 1. Voor de directeurs die in vast verband benoemd of aangeworven worden en de personeelsleden die in tijdelijk verband aangesteld of aangeworven worden in een ambt van directeur voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar bij de inwerkingtreding van dit decreet, stelt de [1 ...]1 inrichtende macht een opdrachtenblad op overeenkomstig artikel 30.
  § 2. Voor de personeelsleden die in vast verband benoemd of aangeworven worden in een selectie- of bevorderingsambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van het voornoemde decreet van 4 januari 1999 alsook in artikel 7, c, 12° van het bovenvermelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 en de personeelsleden die tijdelijk worden aangesteld of aangeworven in een selectie- of bevorderingsambt, zoals bedoeld in artikel 4, 3° en in artikel 5, 1° en 2° van het voornoemde decreet van 4 januari 1999 alsook in artikel 7, c, 12° van het bovenvermelde besluit van de Executieve van de Franse Gemeenschap van 2 oktober 1968 voor een duur die gelijk is aan of langer is dan één jaar bij de inwerkingtreding van het decreet, bedoeld in de afdeling I van hoofdstuk IVbis van het voornoemde decreet van 4 januari 1999, in de afdeling I van hoofdstuk Vbis van het voornoemde decreet van 6 juni 1994 en in de afdeling I van hoofdstuk Vbis van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, stelt de directeur een opdrachtenblad op overeenkomstig deze bepalingen. In dit geval wordt het ontwerp van opdrachtenblad ter goedkeuring aan [2 ...]2 de inrichtende macht voorgelegd.
  
Art. 131. § 1er. Pour les directeurs nommés ou engagés à titre définitif et les membres du personnel désignés ou engagés à titre temporaire dans une fonction de directeur pour une durée égale ou supérieure à un an lors de l'entrée en vigueur du présent décret, le [1 ...]1 pouvoir organisateur élabore une lettre de mission conformément à l'article 30.
  § 2. Pour les membres du personnel nommés ou engagés à titre définitif dans une fonction de sélection ou de promotion telle que visée à l'article 4, 3° et à l'article 5, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 précité ainsi qu'à l'article 7, c), 12° de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 précité et les membres du personnel désignés ou engagés à titre temporaire dans une fonction de sélection ou de promotion telle que visée à l'article 4, 3° et à l'article 5, 1° et 2° du décret du 4 janvier 1999 précité ainsi qu'à l'article 7, c), 12° de l'arrêté de l'Exécutif de la Communauté française du 2 octobre 1968 précité pour une durée égale ou supérieure à un an lors de l'entrée en vigueur du présent décret, visés à la section Ire du chapitre IVbis du décret du 4 janvier 1999 précité, à la section Ire du chapitre Vbis du décret du 6 juin 1994 précité et à la section Ire du chapitre Vbis du décret du 1er février 1993 précité, le directeur élabore une lettre de mission conformément à ces dispositions. Dans ce cas, le projet de lettre de mission est soumis pour approbation, [2 ...]2 au pouvoir organisateur.
  
Onderafdeling II. [1 - Overgangsbepalingen ingevoegd bij decreet van 14 maart 2019 tot wijziging van verschillende bepalingen met betrekking tot de ambten van directeur, andere bevorderingsambten en selectieambten]1
Sous-section II. [1 -Dispositions transitoires insérées par le décret du 14 mars 2019 modifiant diverses dispositions relatives aux fonctions de directeur et directrice, aux autres fonctions de promotion et aux fonctions de sélection]1
Art. 131bis. [1 § 1. Voor personeelsleden die uiterlijk op 31 augustus 2019 tot de stage zijn toegelaten, bedraagt de duur van de stage twee jaar.
   Het is de directeur echter toegestaan om een verlenging met één jaar aan te vragen, inzonderheid om al zijn slaagattesten te behalen.
   De directeur wordt beoordeeld overeenkomstig de voorwaarden uiteengezet in artikel 33. De tweede evaluatie mag echter niet leiden tot de vermelding "met voorbehoud". Bij gebrek aan evaluatie binnen deze periode, wordt deze verondersteld gunstig te zijn. De evaluatie kan echter worden georganiseerd na de terugkeer van de stagedoend directeur wanneer hij met verlof wegens adoptie en niet-officiële voogdij of moederschapsverlof is.
   De directeur wordt vast benoemd of aangeworven als hij op het einde van de tweede evaluatie een "gunstige" evaluatie krijgt.
   De stage wordt automatisch beëindigd als de directeur de vermelding "ongunstig" krijgt aan het einde van deze tweede evaluatie.
   § 2. Personeelsleden die zijn tijdelijk aangesteld of aangeworven in een betrekking van directeur die tijdelijk voor meer dan vijftien weken vacant is en die vóór 31 augustus 2019 hun ambt bekleedden, worden vast benoemd of aangeworven, op voorwaarde dat:
   1. ze ononderbroken tijdelijk aangesteld of aangeworven werden gedurende minstens 2 jaar vanaf de datum waarop de betrekking vacant werd;
   2. ze minstens twee evaluaties hebben ondergaan, waarvan de laatste tot de toekenning van de vermelding "gunstig" heeft geleid; dergelijke evaluaties worden uitgevoerd overeenkomstig de regels bedoeld in artikel 33, leden 2 tot en met 5;
   3. ze de slaagattesten hebben verkregen met betrekking tot het slagen [2 ...]2 van de opleidingen bedoeld in artikel 15, § 1;
   4. ze in het gesubsidieerde onderwijs een oproep tot kandidaturen hebben beantwoord.]1

  
Art. 131bis. [1 § 1er. Pour les membres du personnel admis au stage au plus tard le 31 août 2019, la durée du stage est de deux ans.
   Il est, toutefois, loisible au directeur de demander une prolongation de stage d'un an, dans le but, notamment, d'obtenir toutes ses attestations de réussite.
   Le directeur est évalué selon les modalités prévues à l'article 33. La deuxième évaluation ne peut, toutefois, aboutir à la mention " réservée ". A défaut d'évaluation réalisée dans ce délai, elle est présumée favorable. Toutefois, l'évaluation peut être organisée au retour du directeur stagiaire lorsque celui-ci est en congé en vue de l'adoption et de la tutelle officieuse ou en congé de maternité.
   Le directeur est nommé ou engagé à titre définitif s'il obtient la mention " favorable " à l'issue de cette deuxième évaluation.
   Il est mis fin d'office au stage si le directeur obtient la mention " défavorable " à l'issue de cette deuxième évaluation.
   § 2. Les membres du personnel désignés ou engagés à titre temporaire dans un emploi de directeur temporairement vacant pour une durée de plus de quinze semaines et entrés en fonction avant le 31 août 2019 sont nommés ou engagés à titre définitif à condition :
   1° d'avoir été désignés ou engagés à titre temporaire de manière ininterrompue depuis 2 ans au moins à la date à laquelle l'emploi est devenu vacant;
   2° d'avoir fait l'objet d'au moins deux évaluations, dont la dernière a conduit à l'attribution de la mention " favorable "; ces évaluations sont menées selon les règles visées à l'article 33, §§ 2 à 5;
   3° d'avoir obtenu les attestations de réussite [2 ...]2 des formations visées à l'article 15, § 1er;
   4° dans l'enseignement subventionné d'avoir répondu à un appel à candidatures. ".]1

  
Art. 131ter. [1 § 1. Personeelsleden die vóór 31 augustus 2019 de vijf attesten van voltooiing van de initiële opleiding van directeurs hebben behaald, worden geacht de door dit decreet vereiste slaagattesten van prestatie te bezitten voor een periode van 10 jaar vanaf de datum van uitreiking van het attest, zonder mogelijkheid tot verlenging.
  [3 Onverminderd lid 1, kunnen deze personeelsleden, met het oog op het bijwerken van hun kennis, de opleidingsmodules volgen zoals voorzien in artikelen 10, §§ 3 en 4, en 11, §§ 3 en 4.]3
   § 2. Personeelsleden die vóór deze datum niet de vijf slaagattesten hebben behaald waarnaar in § 1 wordt verwezen, zijn, naargelang het geval, onderworpen aan de volgende regels:
   1°. het personeelslid dat in het bezit is van het slaagattest met betrekking tot de administratieve, materiële en financiële as, respectief, van het luik gemeenschappelijk aan alle neten of van het onderdeel dat specifiek is voor een net of een inrichtende macht, wordt vrijgesteld van de opleidingen met betrekking tot de netoverschrijdend administratieve as bedoeld in artikel 10, lid 2, of de module "administratief, materieel en financieel" van de opleiding bedoeld in artikel 11, § 3, lid 1;
   2°. het personeelslid dat in het bezit is van het slaagattest betreffende de pedagogische as van het luik eigen aan een net of een inrichtende macht, is vrijgesteld van de opleidingen met betrekking tot de netpedagogische as als bedoeld in artikel 11, § 3, tweede lid;
   3°. [3 Het personeelslid dat beschikt over het attest van slagen met betrekking tot de pedagogische as van het voor alle netten gemeenschappelijke gedeelte, moet het deel van de module "pedagogische visie en sturing" van 21 uur waarvan sprake in artikel 10, § 4, lid 2, 1°, b. volgen en met goed gevolg afsluiten; vrijgesteld zijn de personen die beschikken over een bewijs van deelname verstrekt door het IFC, dat aantoont dat zij in 2017-2018, 2018-2019 of 2019-2020 ten minste de opleiding van 14 uur hebben gevolgd die volgt op het inleidende college (volume van 3 uur) van de netoverschrijdende opleidingsmodule "Sturingsplan - uitdagingen, verwachtingen en processen"]3
   4°. het personeelslid dat in het bezit is van het slaagattest met betrekking tot de relationele as van het luik dat voor alle neten gemeenschappelijk is, is vrijgesteld van de netoverschrijdend module "ontwikkeling van relationele, interpersoonlijke en groepsvaardigheden en -competenties" bedoeld in artikel 10, § 4, lid 2, 2 ° ;
   5°. onverminderd artikel 15, lid 3, [2 met uitzondering van de personeelsleden bedoeld in artikel 131 bis]2 zijn de personeelsleden die in het ambt van directeur zijn aangesteld verplicht de in artikel 11, § 4, bedoelde opleiding / integratiebegeleiding te volgen. [2 In het gesubsidieerd onderwijs zijn evenwel de directeurs die vóór 1 september 2019 tijdelijk in ambt zijn getreden na een procedure van oproeping, en die na die datum tot de stage werden toegelaten, vrijgesteld van deze opleiding.]2
   § 3. Vanaf [4 de eerste dag van het schooljaar]4 moet al het personeel dat niet in het bezit is van alle slaagattesten alle modules bedoeld in de artikelen 10, §§ 3 en 4, en 11, § 3 volgen en met succes voltooien.]1

  
Art. 131ter. [1 § 1er. Les membres du personnel ayant obtenu les cinq attestations de réussite de la formation initiale des directeurs au plus tard le 31 août 2019 sont réputés détenteurs des attestations de réussite requises par le présent décret pour une période de 10 ans commençant à la date de délivrance de la dernière attestation, sans possibilité de prolongation.
  [3 Sans préjudice de l'alinéa 1er, ces membres du personnel peuvent, en vue d'actualiser leurs connaissances, suivre les modules de formation tels que prévus aux articles 10, §§ 3 et 4, et 11, §§ 3 et 4.]3
   § 2. Les membres du personnel n'ayant pas obtenu les cinq attestations de réussite visées au § 1er avant cette date sont soumis, selon le cas, aux règles qui suivent :
   1° le membre du personnel en possession de l'attestation de réussite relative à l'axe administratif, matériel et financier, respectivement, du volet commun à l'ensemble des réseaux ou du volet propre à un réseau ou à un pouvoir organisateur est dispensé des formations relatives à l'axe administratif inter-réseaux visé à l'article 10, § 2, ou du module " administratif, matériel et financier " de la formation visé à l'article 11, § 3, alinéa 1er;
   2° le membre du personnel en possession de l'attestation de réussite relative à l'axe pédagogique du volet propre à un réseau ou à un pouvoir organisateur est dispensé des formations relatives à l'axe pédagogique réseaux visé à l'article 11, § 3, alinéa 2;
   3° [3 le membre du personnel en possession de l'attestation de réussite relative à l'axe pédagogique du volet commun à l'ensemble des réseaux doit suivre et réussir la partie du module " vision pédagogique et pilotage " de 21h visée à l'article 10, § 4, alinéa 2, 1°, b.; en sont dispensées les personnes qui disposent de l'attestation de fréquentation délivrée par l'IFC démontrant qu'ils ont suivi en 2017-2018, en 2018-2019 ou en 2019-2020 au moins la formation de 14 heures qui suit la conférence introductive (volume de 3 heures) du module de formation inter-réseaux " Plan de pilotage - enjeux, attentes et processus";]3
   4° le membre du personnel en possession de l'attestation de réussite relative à l'axe relationnel du volet commun à l'ensemble des réseaux est dispensé du module inter-réseaux de " développement des compétences et aptitudes relationnelles, interpersonnelles et groupales " visé à l'article 10, § 4, alinéa 2, 2° ;
   5° sans préjudice de l'article 15, § 3, [2 à l'exception des membres du personnel visés par l'article 131bis]2 les membres du personnel désignés à la fonction de directeur sont tenus de suivre la formation/accompagnement d'intégration visée à l'article 11, § 4. [2 Toutefois, dans l'enseignement subventionné, les directeurs entrés en fonction, à titre temporaire suite à une procédure d'appel à candidats, avant le 1er septembre 2019 et admis au stage après cette date sont dispensés de cette formation.]2
   § 3. Dès le [4 premier jour de l'année scolaire]4, tous les membres du personnel qui ne sont pas en possession de l'ensemble des attestations de réussite devront suivre et réussir l'ensemble des modules visés aux articles 10, §§ 3 et 4, et 11, § 3.]1

  
Afdeling II. - Het onderwijs georganiseerd door de Franse Gemeenschap.
Section II. - De l'enseignement organisé par la Communauté française.
Onderafdeling I. [1 - Overgangsbepalingen voorafgaand aan het decreet van 14 maart 2019 tot wijziging van verschillende bepalingen met betrekking tot de ambten van directeur en directrice, andere bevorderingsambten en selectieambten]1
Sous-section Ire. [1 Dispositions transitoires antérieures au décret du 14 mars 2019 modifiant diverses dispositions relatives aux fonctions de directeur et directrice, aux autres fonctions de promotion et aux fonctions de sélection.]1
Art. 132. De personeelsleden die titularis zijn van een brevet in verband met één van de ambten van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, uitgereikt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden geacht houder te zijn van slaagattesten betreffende de vijf opleidingsmodules bedoeld in artikel 20 van dit decreet voor het betrokken ambt.
Art. 132. Les membres du personnel titulaires d'un brevet en rapport avec une des fonctions de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, délivré avant l'entrée en vigueur du présent décret sont réputés détenteurs des attestations de réussite relatives aux cinq modules de formation visés à l'article 20 du présent décret pour la fonction considérée.
Art. 133. [1 § 1. Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt binnen een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1° hetzij bij toepassing van artikel 2, § 1, 1°, hetzij bij toepassing van artikel 28, § 1, 2e lid van voornoemd decreet van 4 januari 1999 voor de inwerkingtreding van dit decreet, ofwel voor een oproep tot kandidaten gebeurd is krachtens artikel 35, § 1, wordt als prioritair beschouwd in de zin van artikel 35, § 2, 3e lid van dit decreet zodra het in het bezit is van de vijf slaagattesten.
   Het in het 1e lid bedoelde personeelslid dat ononderbroken tijdelijk aangesteld wordt sinds minstens twee jaar op 1 september 2008 wordt geacht twee evaluaties te hebben ondergaan waarvan de laatste geleid heeft tot de toekenning van de melding " positief ".
   Het in het 1e lid bedoelde personeelslid dat ononderbroken tijdelijk aangesteld wordt sinds minstens een jaar op 1 september 2008 wordt geacht een evaluatie te hebben ondergaan met als melding " positief ". Het wordt van rechtswege een tweede keer geëvalueerd vóór 1 september 2009.
   Voor het in het 1e lid bedoeld personeelslid, dat ononderbroken tijdelijk aangesteld is sinds minstens een jaar vanaf 1 september 2008 heeft de eerste evaluatie bedoeld in artikel 36, § 2, ten laatste plaats op 1 september 2009.
   De betrekkingen die bezet worden door de directeurs die ononderbroken tijdelijk aangesteld worden sinds minstens twee jaar op 1 september 2008 en op die datum ingeschreven waren voor de drie vormingsmodules bedoeld in artikel 17, § 1 van dit decreet, worden verwijderd van de oproep tot kandidaten die gebeurt overeenkomstig artikel 35, § 1, tot als zij hen gevolgd kunnen hebben en het certificaat voorgesteld kunnen hebben.
   § 2. Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt binnen een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1° in het onderwijs voor sociale promotie, hetzij vóór de inwerkingtreding van dit decreet, hetzij vóór er een oproep tot kandidaten gestart is krachtens artikel 35, § 1, wordt geacht prioritair te zijn in de zin van artikel 35, § 2, 3e lid van dit decreet zodra het in het bezit is van de vijf slaagattesten.
   Het in het 1e lid bedoelde personeelslid dat ononderbroken tijdelijk aangesteld wordt sinds minstens twee jaar op 1 september 2008 wordt geacht twee evaluaties te hebben ondergaan met als melding " positief ". Het wordt van rechtswege een tweede keer geëvalueerd vóór 1 september 2009.
   Voor het in het 1e lid bedoeld personeelslid, dat ononderbroken tijdelijk aangesteld is sinds minstens een jaar vanaf 1 september 2008 heeft de eerste evaluatie bedoeld in artikel 36, § 2, ten laatste plaats op 1 september 2009.
   De betrekkingen die bezet worden door de directeurs die ononderbroken tijdelijk aangesteld worden sinds minstens twee jaar op 1 september 2008 en op die datum ingeschreven waren voor de drie vormingsmodules bedoeld in artikel 17, § 1 van dit decreet, worden verwijderd van de oproep tot kandidaten die gebeurt overeenkomstig artikel 35, § 1, tot als zij hen gevolgd kunnen hebben en het certificaat voorgesteld kunnen hebben.]1
Art. 133. [1 § 1er. Le membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, soit en application de l'article 28, § 1er, alinéa 2 du décret du 4 janvier 1999 précité avant l'entrée en vigueur du présent décret, soit avant qu'un appel aux candidats ait été lancé en vertu de l'article 35, § 1er, est réputé prioritaire au sens de l'article 35, § 2, alinéa 3 du présent décret dès qu'il est en possession des cinq attestations de réussite.
   Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, désigné à titre temporaire de manière ininterrompue depuis deux ans au moins au 1er septembre 2008 est réputé avoir fait l'objet de deux évaluations dont la dernière a conduit à l'attribution de la mention " favorable ". Il est d'office évalué une seconde fois avant le 1er septembre 2009.
   Pour le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, désigné à titre temporaire de manière ininterrompue depuis moins d'un an à dater du 1er septembre 2008, la première évaluation visée à l'article 36, § 2, a lieu au plus tard le 1er septembre 2009.
   Sont soustraits à l'appel aux candidats, effectué conformément à l'article 35, § 1er, les emplois occupés par les directeurs désignés à titre temporaire de manière ininterrompue depuis au moins deux ans au 1er septembre 2008, qui, à cette date étaient inscrits aux trois modules de la formation visée à l'article 17, § 1er du présent décret, jusqu'à ce qu'ils aient pu les suivre et en présenter la certification.
   § 2. Le membre du personnel désigné à titre temporaire dans une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1° dans l'enseignement de promotion sociale, soit avant l'entrée en vigueur du présent décret, soit avant qu'un appel aux candidats ait été lancé en vertu de l'article 35, § 1er, est réputé prioritaire au sens de l'article 35, § 2, alinéa 3 du présent décret dès qu'il est en possession des cinq attestations de réussite.
   Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, désigné à titre temporaire de manière ininterrompue depuis deux ans au moins au 1er septembre 2008 est réputé avoir fait l'objet de deux évaluations dont la dernière a conduit à l'attribution de la mention " favorable ".
   Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, désigné à titre temporaire de manière ininterrompue depuis un an au moins au 1er septembre 2008 est réputé avoir fait l'objet d'une évaluation ayant conduit à la mention " favorable ". Il est d'office évalué une seconde fois avant le 1er septembre 2009.
   Pour le membre du personnel visé à l'alinéa 1er, désigné à titre temporaire de manière ininterrompue depuis moins d'un an à dater du 1er septembre 2008, la première évaluation visée à l'article 36, § 2, a lieu au plus tard le 1er septembre 2009.
   Sont soustraits a l'appel aux candidats, effectué conformément à l'article 35, § 1er, les emplois occupés par les directeurs désignés à titre temporaire de manière ininterrompue depuis au moins deux ans au 1er septembre 2008, qui s'inscrivent aux trois modules de la formation visée à l'article 17, § 1er du présent décret, jusqu'à ce qu'ils aient pu les suivre et en présenter la certification.]1
Onderafdeling II. [1 - Overgangsbepalingen ingevoegd bij decreet van 14 maart 2019 tot wijziging van verschillende bepalingen met betrekking tot de ambten van directeur en directrice, andere bevorderingsambten en selectieambten]1
Sous-section II. [1 Dispositions transitoires insérées par le décret du 14 mars 2019 modifiant diverses dispositions relatives aux fonctions de directeur et directrice, aux autres fonctions de promotion et aux fonctions de sélection]1
Art. 133bis. [1 § 1. Het personeelslid dat is benoemd in het ambt van directeur, uiterlijk op 1 januari 2019, kan op zijn verzoek tot 1 januari 2020 een definitieve verandering van aanwijzing verkrijgen in een andere vacature in zijn ambt.
   Deze verandering van opdracht heeft uitwerking met ingang van de volgende 1 januari, behalve in het onderwijs voor sociale promotie, waar het uitwerking heeft met ingang van 1 september van het volgende jaar.
   § 2. Een personeelslid dat, met toepassing van § 1, een verandering van aanwijzing wenst te verkrijgen in een andere inrichting van dezelfde zone of in een andere zone, dient, in overeenstemming met de nadere regels bepaald door de oproep tot wijziging van opdracht, een verzoek in gemotiveerd door uitzonderlijke omstandigheden bij de inrichtende machten in de loop van oktober en in het onderwijs voor sociale promotie in de maand februari.
   De inrichtende macht verleent de verandering van aanwijzing enkel met het gunstige advies van de interzonale toewijzingscommissie.]1

  
Art. 133bis. [1 § 1er. Le membre du personnel nommé dans la fonction de directeur, au plus tard au 1er janvier 2019, peut, à sa demande, obtenir un changement d'affectation définitif dans un autre emploi vacant de sa fonction jusqu'au 1er janvier 2020.
   Ce changement d'affectation produit ses effets le 1er janvier suivant, sauf dans l'enseignement de promotion sociale où il produit ses effets le 1er septembre suivant.
   § 2. Le membre du personnel qui, en application du § 1er, désire obtenir un changement d'affectation dans un autre établissement de la même zone ou dans une autre zone introduit, selon les modalités fixées par l'appel aux changements d'affectation, une demande motivée par des circonstances exceptionnelles auprès du pouvoir organisateur dans le courant du mois d'octobre, et dans l'enseignement de promotion sociale dans le courant du mois de février.
   Le pouvoir organisateur n'accorde le changement d'affectation que moyennant avis favorable de la commission interzonale d'affectation.]1

  
Afdeling III. - Het gesubsidieerd onderwijs.
Section III. - De l'enseignement subventionné.
Art. 134. De personeelsleden die tijdelijk aangesteld of aangeworven worden in een bevorderings- of selectieambt vóór de inwerkingtreding van dit decreet en die niet in aanmerking komen voor de bepalingen bedoeld in de artikelen 135 en 136, kunnen de uitoefening van hun tijdelijke aanstelling of aanwerving blijven genieten.
Art. 134. Les membres du personnel désignés ou engagés à titre temporaire dans une fonction de promotion ou de sélection avant la date d'entrée en vigueur du présent décret et qui ne peuvent bénéficier des dispositions prévues aux articles 135 et 136 peuvent continuer à bénéficier de l'exercice de leur désignation ou engagement à titre temporaire.
Art. 135. § 1. In afwijking van de bepalingen van dit decreet wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld, vóór de inwerkingtreding van dit decreet, in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dat ambt een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen verworven in het onderwijs met volledig leerplan [1 , in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan]1 en/of in het onderwijs voor sociale promotie op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet telt, benoemd in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
  [2 Het in het 1e lid bedoelde personeelslid kan ook aan de oproepingen tot de kandidaten antwoorden bedoeld in de artikelen 57 tot 60 van dit decreet voor een andere betrekking dan de betrekking dat het lid bezet en binnen die betrekking over de overgangsbepalingen beschikken bedoeld in het 1e lid. In dat kader :
   1° Kan het personeelslid dat tijdelijk benoemd is binnen het ambt van directeur van een kleuterschool of van directeur van een lagere school aan een oproep tot kandidaten antwoorden voor een ambt van directeur van een basisschool
   2° Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt binnen het ambt van directeur van een basisschool kan aan een oproep tot kandidaten antwoorden voor een ambt van directeur van een kleuterschool voor zover hij vóór zijn aanstelling tijdelijk aan de toegangsvoorwaarden beantwoord heeft betreffende zijn ambten vastgesteld in tabel II bedoeld in artikel 102 van dit decreet.]2

  § 2. In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld vóór de inwerkingtreding van dit decreet, in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een selectieambt overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, in de betrekking benoemd die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
  Voor het ambt van werkleider in het onderwijs voor sociale promotie komt het personeelslid bedoeld in het lid dat voorafgaat ook in aanmerking voor deze bepaling indien het aan de voorwaarden van het bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 101 van dit decreet voldoet.
  In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 6 juni 1994, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangesteld vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd officieel onderwijs in een ander bevorderingsambt dan dit van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling voor het betrokken ambt die van kracht waren voór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 600 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, benoemd in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de vaste benoeming vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
  § 3. Het personeelslid dat tijdelijk werd aangesteld in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, in een ander bevorderingsambt of in een selectieambt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, krachtens de artikelen 42, § 6 en 50, § 6 van het decreet van 6 juni 1994, komt in aanmerking voor de bepalingen van de vorige paragrafen en wordt geacht de voorwaarde te vervullen van de artikelen 40, eerste lid of 49, eerste lid, 1° van het bovenvermelde decreet zodra het zes jaar anciënniteit telt in het ambt vanaf zijn tijdelijke aanstelling.
  
Art. 135. § 1er. Par dérogation aux dispositions du présent décret, le membre du personnel désigné à titre temporaire, avant l'entrée en vigueur du présent décret, dans l'enseignement officiel subventionné dans une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, en vertu des conditions de désignation à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, qui compte dans cette dernière une ancienneté de fonction de 600 jours au moins acquise dans l'enseignement de plein exercice [1 , dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit]1 et/ou dans l'enseignement de promotion sociale à la date d'entrée en vigueur du présent décret, est nommé dans l'emploi qu'il occupe dès qu'il remplit les conditions de nomination à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
  [2 Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er peut également répondre aux appels aux candidats visés aux articles 57 à 60 du présent décret pour un autre emploi que celui qu'il occupe et bénéficier dans ce dernier des dispositions transitoires prévues à l'alinéa 1er. Dans ce cadre :
   1° Le membre du personnel désigné à titre temporaire dans la fonction de directeur d'école maternelle ou de directeur d'école primaire peut répondre à un appel aux candidats pour une fonction de directeur d'école fondamentale
   2° Le membre du personnel désigne à titre temporaire dans la fonction de directeur d'école fondamentale peut répondre à un appel aux candidats pour une fonction de directeur d'école primaire ou de directeur d'école maternelle pour peu qu'il ait répondu avant sa désignation à titre temporaire aux conditions d'accès respectives à ces fonctions fixées au tableau II visé à l'article 102 du présent décret.]2

  § 2. Par dérogation aux dispositions du décret du 6 juin 1994 précité, telles que modifiées par le présent décret, le membre du personnel désigné à titre temporaire avant l'entrée en vigueur du présent décret, dans l'enseignement officiel subventionné dans une fonction de sélection en vertu des conditions de désignation à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, qui compte dans cette dernière une ancienneté de fonction de 600 jours au moins à la date d'entrée en vigueur du présent décret, est nommé dans l'emploi qu'il occupe dès qu'il remplit les conditions de nomination à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
   Pour la fonction de chef d'atelier dans l'enseignement de promotion sociale le membre du personnel visé à l'alinéa qui précède bénéficie également de cette disposition s'il répond aux conditions de titre visées à l'article 101 du présent décret.
  Par dérogation aux dispositions du décret du 6 juin 1994 précité, telles que modifiées par le présent décret, le membre du personnel désigné à titre temporaire avant l'entrée en vigueur du présent décret dans l'enseignement officiel subventionné dans une fonction de promotion autre que celle de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, en vertu des conditions de désignation à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant entrée en vigueur du présent décret, qui compte dans cette dernière une ancienneté de fonction de 600 jours au moins à la date d'entrée en vigueur du présent décret, est nommé dans l'emploi qu'il occupe dès qu'il remplit les conditions de nomination à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant entrée en vigueur du présent décret.
  § 3. Le membre du personnel qui a été désigné à titre temporaire dans une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, dans une autre fonction de promotion ou dans une fonction de sélection avant l'entrée en vigueur du présent décret, en vertu de l'article 42, § 6 et 50, § 6 du décret du 6 juin 1994, bénéficie des dispositions des paragraphes précédents et est réputé remplir la condition de l'article 40, alinéa 1er 1° ou 49, alinéa 1er 1°, dudit décret dès qu'il atteint six ans d'ancienneté dans la fonction à dater de sa désignation à titre temporaire.
  
Art. 136. § 1. In afwijking van de bepalingen van dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd vrij onderwijs in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, krachtens de voorwaarden voor de tijdelijke aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 720 dagen telt, verworven in het onderwijs met volledig leerplan [1 , in het secundair kunstonderwijs met beperkt leerplan]1 en/of in het onderwijs voor sociale promotie op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, in vast verband aangeworven in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden voor de aanwerving in vast verband vervult voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
  [2 Het personeelslid bedoeld in het 1e lid kan eveneens antwoorden op de oproepen tot kandidaten bedoeld in de artikelen 80 tot 82 van dit decreet voor een andere betrekking dan de betrekking dat het lid bezet en binnen die betrekking over de overgangsbepalingen beschikken bedoeld in het 1e lid. In dat kader :
   1° Kan het personeelslid dat tijdelijk aangeworven is binnen het ambt van directeur van een kleuterschool of van directeur van een lagere school aan een oproep tot kandidaten antwoorden voor een ambt van directeur van een basisschool
   2° Het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt binnen het ambt van directeur van een basisschool kan aan een oproep tot kandidaten antwoorden voor een ambt van directeur van een kleuterschool voor zover hij vóór zijn aanstelling tijdelijk aan de toegangsvoorwaarden beantwoord heeft betreffende zijn ambten vastgesteld in tabel II bedoeld in artikel 102 van dit decreet.]2

  § 2. In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk wordt aangeworven vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd vrij onderwijs in een selectieambt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 720 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, aangeworven in vast verband in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden vervult voor de vaste aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
  Voor het ambt van werkleider in het onderwijs voor sociale promotie komt het personeelslid bedoeld in het lid dat voorafgaat ook in aanmerking voor deze bepaling indien het de voorwaarden voor het bekwaamheidsbewijs bedoeld in artikel 101 van dit decreet vervult.
  In afwijking van de bepalingen van het voornoemde decreet van 1 februari 1993, zoals gewijzigd bij dit decreet, wordt het personeelslid dat tijdelijk aangesteld wordt vóór de inwerkingtreding van dit decreet in het gesubsidieerd vrij onderwijs in een ander bevorderingsambt dan dit van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, dat in dit laatste een ambtsanciënniteit van ten minste 720 dagen telt op de datum van de inwerkingtreding van dit decreet, in vast verband aangeworven in de betrekking die het bekleedt zodra het de voorwaarden vervult voor de vaste aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet.
  
Art. 136. § 1er. Par dérogation aux dispositions du présent décret, le membre du personnel engagé à titre temporaire avant l'entrée en vigueur du présent décret dans l'enseignement libre subventionné dans une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, en vertu des conditions d'engagement à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, qui compte dans cette dernière une ancienneté de fonction de 720 jours au moins acquise dans l'enseignement de plein exercice [1 , dans l'enseignement secondaire artistique à horaire réduit]1 et/ou dans l'enseignement de promotion sociale à la date d'entrée en vigueur du présent décret, est engagé à titre définitif dans l'emploi qu'il occupe dès qu'il remplit les conditions d'engagement à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
  [2 Le membre du personnel visé à l'alinéa 1er peut également répondre aux appels aux candidats visés aux articles 80 à 82 du présent décret pour un autre emploi que celui qu'il occupe et bénéficier dans ce dernier des dispositions transitoires prévues à l'alinéa 1er. Dans ce cadre :
   1° Le membre du personnel engagé à titre temporaire dans la fonction de directeur d'école maternelle ou de directeur d'école primaire peut répondre à un appel aux candidats pour une fonction de directeur d'école fondamentale
   2° Le membre du personnel engagé à titre temporaire dans la fonction de directeur d'école fondamentale peut répondre à un appel aux candidats pour une fonction de directeur d'école primaire ou de directeur d'école maternelle pour peu qu'il ait répondu avant son engagement à titre temporaire aux conditions d'accès respectives à ces fonctions fixées au tableau II visé à l'article 102 du présent décret.]2

  § 2. Par dérogation aux dispositions du décret du 1er février 1993 précité, telles que modifiées par le présent décret, le membre du personnel engagé à titre temporaire avant l'entrée en vigueur du présent décret dans l'enseignement libre subventionné dans une fonction de sélection avant l'entrée en vigueur du présent décret, en vertu des conditions d'engagement à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, qui compte dans cette dernière une ancienneté de fonction de 720 jours au moins à la date d'entrée en vigueur du présent décret, est engagé à titre définitif dans l'emploi qu'il occupe dès qu'il remplit les conditions d'engagement à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
  Pour la fonction de chef d'atelier dans l'enseignement de promotion sociale le membre du personnel visé à l'alinéa qui précède bénéficie également de cette disposition s'il répond aux conditions de titre visées à l'article 101 du présent décret.
  Par dérogation aux dispositions du décret du 1er février 1993 précité, telles que modifiées par le présent décret, le membre du personnel engagé à titre temporaire avant l'entrée en vigueur du présent décret dans l'enseignement libre subventionné dans une fonction de promotion autre que celle de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, en vertu des conditions d'engagement à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret, qui compte dans cette dernière une ancienneté de fonction de 720 jours au moins à la date d'entrée en vigueur du présent décret, est engagé à titre définitif dans l'emploi qu'il occupe dès qu'il remplit les conditions d'engagement à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.
  
Art. 137. In het gesubsidieerd officieel onderwijs worden de personeelsleden die houder zijn van een attest dat bewijst dat de opleiding werd gevolgd in verband met één van de ambten van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, uitgereikt vóór de inwerkingtreding van dit decreet, geacht, uiterlijk op 2 jaar vanaf het behalen van het bovenvermelde attest, houder te zijn van het slaagattest betreffende de proeven bedoeld in artikel 21, § 1 van dit decreet voor het betrokken ambt.
Art. 137. Dans l'enseignement officiel subventionné, les membres du personnel détenteurs d'une attestation de fréquentation en rapport avec une des fonctions de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, délivrée avant l'entrée en vigueur du présent décret sont réputés, au plus tard 2 ans à dater de l'obtention de ladite attestation de fréquentation, détenteurs de l'attestation de réussite relative aux épreuves visées à l'article 21, § 1er du présent décret pour la fonction considérée.
Art. 138. De personeelsleden die sinds 25 februari 1999 nog tijdelijk aangesteld of aangeworven zouden zijn geweest of die in vast verband benoemd of aangesteld zouden zijn geweest in een vorig selectie- of bevorderingsambt van de categorie van het bestuurs- en onderwijzend personeel in het secundair onderwijs met volledig leerplan of het alternerend onderwijs of het onderwijs voor sociale promotie, op basis van de bepalingen die van toepassing zijn vóór de inwerkingtreding van dit decreet, worden geacht aangesteld of benoemd te zijn geweest in het ambt, bedoeld in de artikelen 4 en 5 van het decreet van 4 januari 1999 betreffende de bevorderingsambten en de selectieambten en overeenstemmende zoals vooruitvloeit uit de artikelen 43 tot 45 van hetzelfde decreet.
Art. 138. Les membres du personnel qui, depuis le 25 février 1999, auraient encore été désignés ou engagés à titre temporaire ou nommés ou engagés à titre définitif, dans une ancienne fonction de sélection ou de promotion de la catégorie du personnel directeur et enseignant dans l'enseignement secondaire de plein exercice ou en alternance ou de promotion sociale, sur la base des dispositions applicables avant la date d'entrée en vigueur du présent décret, sont réputés l'avoir été dans la fonction, définie par les articles 4 et 5 du décret du 4 janvier 1999 relatif aux fonctions de promotion et de sélection, et correspondante ainsi qu'il résulte des articles 43 a 45 du même décret.
Art. 139. De personeelsleden bedoeld in de artikelen 134, 135, 136 en 138 behouden de weddeschaal die ze genoten vóór de inwerkingtreding van dit decreet, behalve als de Regering een nieuwe schaal vaststelt die van toepassing is op de bovenvermelde personeelsleden.
Art. 139. Les membres du personnel visés aux articles 134, 135, 136 et 138 conservent l'échelle de traitement dont ils bénéficiaient avant l'entrée en vigueur du présent décret, sauf si le Gouvernement fixe une nouvelle échelle applicable auxdits membres du personnel.
Art. 140. § 1. Totdat de eerste slaagattesten worden uitgereikt waarbij de toepassing van de artikelen 57, eerste lid, 5° en 80, eerste lid, 4° mogelijk wordt gemaakt, kunnen tot de stage toegelaten worden, of bij gebrek aan een vacante betrekking, kunnen tijdelijk aangesteld of aangeworven worden in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, personeelsleden die beantwoorden aan het geheel van de andere voorwaarden van respectievelijk de artikelen 57 tot 59 en 80 tot 82 van dit decreet.
  Kunnen ook tot de stage worden toegelaten, of bij gebrek aan een vacante betrekking, kunnen tijdelijk aangesteld of aangeworven worden, in een ambt van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, de personeelsleden die tijdelijk een ambt van directeur uitoefenen in de zin van artikel 2, § 1, 1° de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet en die niet in aanmerking kunnen komen voor de bepalingen van respectievelijk de artikelen 135, § 1 en 136, § 1 en die tijdelijk aangesteld of aangeworven werden overeenkomstig de voorwaarden voor de aanstelling of de aanwerving in tijdelijk verband voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet. Deze personeelsleden zullen in vast verband benoemd of aangesteld kunnen worden zodra ze aan het geheel van de voorwaarden beantwoorden voor de benoeming of aanstelling in vast verband voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet en op voorwaarde dat ze de 5 slaagattesten hebben behaald zoals bedoeld in de artikelen 20 en 21 van dit decreet na een stage van [4 3 jaar]4.
  [5 De personeelsleden die houder zijn van een bekwaamheidsbewijs van geaggregeerde van het lager secundair onderwijs die aangesteld zijn in een ambt van directeur in het onderwijs voor sociale promotie krachtens artikel 13, § 1, 4, b), 4° van het koninklijk besluit van 30 juli 1975 betreffende de voldoende geachte bekwaamheidsbewijzen in de gesubsidieerde inrichtingen voor secundair technisch en beroepsonderwijs met volledig leerplan en voor sociale promotie vóór 1 september 2007, kunnen eveneens de bepalingen van het vorige lid genieten.]5
  § 2. Uiterlijk vóór 1 januari [3 2009]3 kunnen tijdelijk aangesteld of aangeworven worden in een selectieambt of in een ander bevorderingsambt dan dat van de directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, personeelsleden die de voorwaarden vervullen van respectievelijk de artikelen 40 tot 44 of 49 tot 52 van het decreet van 6 juni 1994 of de artikelen 50bis tot 54bis of de artikelen 58bis tot 61bis van het decreet van 1 februari 1993, met uitzondering van het eis van het attest dat bewijst dat de opleiding werd gevolgd, dat ze moeten behalen binnen een termijn van hoogstens 2 jaar [2 vanaf de inwerkingtreding van dit decreet]2.
  De personeelsleden die tijdelijk aangesteld of aangeworven zijn in een selectieambt of een ander bevorderingsambt dan dat van directeur in de zin van artikel 2, § 1, 1°, vóór de inwerkingtreding van dit decreet en die niet in aanmerking komen voor de bepalingen respectievelijk van de artikelen 135, § 2 en 136, § 2 en die tijdelijk aangesteld of aangeworven werden overeenkomstig de voorwaarden voor de tijdelijke aanstelling of aanwerving voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet, zullen in vast verband kunnen worden benoemd en aangeworven zodra ze aan het geheel van de voorwaarden beantwoorden voor de benoeming en de aanstelling in vast verband voor het betrokken ambt die van kracht waren vóór de inwerkingtreding van dit decreet en op voorwaarde dat ze het attest dat bewijst dat de opleiding werd gevolgd hebben behaald zoals bedoeld respectievelijk in de artikelen 40 of 49 van het decreet van 6 juni 1994 en in de artikelen 51 en 59 van het decreet van 1 februari 1993 binnen een termijn van 2 jaar [2 vanaf de inwerkingtreding van dit decreet]2.
  [1 § 3. De klassenraad kan beslissen of een leerling die moeilijkheden heeft met het verwerven van vaardigheden die ressorteren onder de vakken bedoeld in artikel 8, 1° tot 3° van dit decreet, buiten de uurregeling bedoeld in § 1 van artikel 7 van dit decreet, één of twee aanvullende remediëringslestijden zal genieten. De ouders of de persoon die het ouderlijk gezag uitoefent, worden ingelicht over de bovenvermelde beslissing.]1
  [4 § 4. De stage van de personeelsleden die tot de stage toegelaten zijn gedurende het schooljaar 2007 - 2008, wordt van rechtswege verlengd, behalve toepassing van artikel 33, §§ 2 tot 6 of van artikel 34 van dit decreet, tot als zij de vormingsmodules kunnen hebben volgen bedoeld in de artikelen 17, § 1 en 18, § 1 en er de certificering ervan voorbrengen. Die verlenging van de stage bedraagt maximaal 1 jaar.]4
  
Art. 140. § 1er. D'ici la délivrance des premières attestations de réussite permettant l'application des articles 57, alinéa 1er, 5° et 80, alinéa 1er, 4°, peuvent être admis au stage, ou en cas de non vacance d'emploi peuvent être désignés ou engagés à titre temporaire, dans une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, des membres du personnel qui répondent à l'ensemble des autres conditions respectivement des articles 57 à 59 et 80 à 82 du présent décret.
  Peuvent également être admis au stage, ou en cas de non vacance d'emploi peuvent être désignés ou engagés à titre temporaire, dans une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, les membres du personnel qui exercent à titre temporaire une fonction de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1° à la veille de l'entrée en vigueur du présent décret et qui ne peuvent bénéficier des dispositions respectivement des articles 135, § 1er et 136, § 1er, et qui ont été désignés ou engagés à titre temporaire en vertu des conditions de désignation ou d'engagement à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret. Ces membres du personnel pourront être nommés ou engagés à titre définitif dès qu'ils rempliront l'ensemble des conditions de nomination ou d'engagement à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret et à condition d'avoir obtenu les 5 attestations de réussite visées aux articles 20 et 21 du présent décret à l'issue de [4 3 ans]4 de stage.
  [5 Les membres du personnel titulaires d'un titre d'agrégé de l'enseignement secondaire inférieur désignés dans une fonction de directeur dans l'enseignement de promotion sociale en vertu de l'article 13, § 1er, 4, b), 4° de l'arrêté royal du 30 juillet 1975 relatif aux titres jugés suffisants dans les établissements subventionnés d'enseignement technique et d'enseignement professionnel secondaire de plein exercice et de promotion sociale avant le 1er septembre 2007, peuvent également bénéficier des dispositions de l'alinéa précédent.]5
  § 2 Au plus tard d'ici le 1er janvier [3 2009]3, peuvent être désignés ou engagés à titre temporaire dans une fonction de sélection ou une autre fonction de promotion que celle de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, des membres du personnel qui répondent aux conditions respectivement des articles 40 à 44 ou 49 à 52 du décret du 6 juin 1994 ou des articles 50bis à 54bis ou des articles 58bis à 61bis du décret du 1er février 1993, à l'exception de l'exigence de certificat de fréquentation, qu'ils doivent détenir dans un délai maximum de deux ans [2 à dater de l'entrée en vigueur du présent décret]2.
  Les membres du personnel désignés ou engagés à titre temporaire dans une fonction de sélection ou une autre fonction de promotion que celle de directeur au sens de l'article 2, § 1er, 1°, avant l'entrée en vigueur du présent décret et qui ne peuvent bénéficier des dispositions respectivement des articles 135, § 2, et 136, § 2, et qui ont été désignés ou engagés à titre temporaire en vertu des conditions de désignation ou d'engagement à titre temporaire pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret pourront être nommés en engagés à titre définitif, dès qu'ils rempliront l'ensemble des conditions de nomination ou d'engagement à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret et à condition d'avoir obtenu le certificat de fréquentation visé respectivement aux articles 40 ou 49 du décret du 6 juin 1994 et aux articles 51 et 59 du décret du 1er février 1993, dans un délai de deux ans [2 à dater de l'entrée en vigueur du présent décret]2.
  [1 § 3. Peuvent être désignés ou engagés à titre temporaire, nommés ou engagés à titre définitif dans une fonction d'éducateur-économe ou de secrétaire de direction, entre le 1er septembre 2007 et le 31 août 2008, les membres du personnel qui répondent respectivement aux conditions de désignation ou d'engagement à titre temporaire, de nomination ou d'engagement à titre définitif pour la fonction considérée qui étaient en vigueur avant l'entrée en vigueur du présent décret.]1
  [4 § 4. Le stage des membres du personnel admis au stage pendant l'année scolaire 2007-2008, est prolongé de plein droit, sauf application de l'article 33, §§ 2 à 6 ou de l'article 34 du présent décret, jusqu'à ce qu'ils aient pu suivre les modules de formation visés aux articles 17, § 1er et 18, § 1er et en présenter la certification. Cette prolongation de stage est de maximum 1 an.]4
  
Art. 140bis. [1 Artikel 124 van dit decreet is niet van toepassing op de school waarvan de leiding, sinds ten minste 6 jaar na de datum van inwerkingtreding van dit decreet, gevoerd wordt door een persoon die noch gesubsidieerd noch bezoldigd wordt door een weddesubsidie.]1
  
Art. 140bis. [1 L'article 124 du présent décret ne trouve pas à s'appliquer à l'école dont la direction est assurée, depuis au moins 6 années à la date d'entrée en vigueur du présent décret, par une personne qui n'est ni subsidiée ni rémunérée par une subvention-traitement.]1
  
HOOFDSTUK IV. - Slotbepaling.
CHAPITRE IV. - Disposition finale.
Art. 141. Dit decreet treedt in werking op 1 september 2007, behalve titel I, de hoofdstukken I en II van titel II, afdeling 2 van hoofdstuk I van titel III, titel V en dit artikel, die in werking treden de dag waarop het in het Belgisch Staatsblad wordt bekendgemaakt.
Art. 141. Le présent décret entre en vigueur le 1er septembre 2007, sauf le titre Ier, les chapitres Ier et II du titre II, la section 2 du chapitre Ier du titre III, le titre V et le présent article, qui entrent en vigueur à la date de la publication.
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N. Tabellen.(Niet opgenomen om technische redenen. Zie B.S. 15-05-2007, p. 26482-26486).
  Gewijzigd bij :
  
  
  
  
  
  )
  
  
  
  
  
  
  
Art. N. Tableaux.(Non repris pour motifs techniques. Voir M.B. 15-05-2007, p. 26437-26441).
  Modifiés par :