Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 OKTOBER 2007. - Koninklijk besluit betreffende herstelmaatregelen ingevolge de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu en de terugvordering van de kosten voor de preventieve maatregelen, inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen(NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 09-11-2007 en tekstbijwerking tot 15-02-2023)
Titre
25 OCTOBRE 2007. - Arrêté royal concernant les mesures de réparation à la suite de la détérioration significative du milieu marin et la récupération des coûts des mesures de prévention, des mesures de confinement et des mesures de réparation(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 09-11-2007 et mise à jour au 15-02-2023)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (32)
Texte (32)
HOOFDSTUK I. - Toepassingsgebied en definities.
CHAPITRE Ier. - Champ d'application et définitions.
Artikel 1. Dit besluit beoogt de omzetting in nationaal recht van Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade, voor wat betreft het nemen van herstelmaatregelen ingevolge de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu en de terugvordering van de kosten voor de preventieve maatregelen, inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen.
Article 1. Le présent arrêté vise à transposer en droit national la Directive 2004/35/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 sur la responsabilité environnementale en ce qui concerne la prévention et la réparation des dommages environnementaux, quant à la prise de mesures de réparation d'une détérioration significative du milieu marin et au recouvrement des coûts causés par les mesures de prévention, de confinement et de réparation.
Art.2. Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder :
  1° " de wet " : de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;
  2° " de richtlijn milieuschade " : de Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade;
  3° " primaire herstelmaatregelen " : herstelmaatregelen waardoor het aangetaste mariene milieu tot de referentietoestand teruggebracht wordt;
  4° " complementaire herstelmaatregelen " : herstelmaatregelen om een zelfde niveau van het mariene milieu te scheppen, zo nodig op een andere locatie, als het geval zou zijn geweest wanneer de aangetaste locatie in haar referentietoestand hersteld zou zijn, ter compensatie van het feit dat primaire herstelmaatregelen niet tot volledig herstel van het aangetaste mariene milieu leiden;
  5° " compenserende herstelmaatregelen " : herstelmaatregelen ter compensatie, zo nodig op een andere locatie, van tussentijdse verliezen van het aangetaste mariene milieu die zich voordoen tussen het tijdstip waarop de aantasting is ontstaan en het tijdstip waarop het primair of complementair herstel zijn volledige uitwerking heeft bereikt; met uitzondering van financiële compensatie voor het publiek;
  6° " tussentijdse verliezen " : verliezen die het gevolg zijn van het feit dat het aangetaste mariene milieu zijn ecologische functies niet kan vervullen of geen functies kan vervullen voor andere natuurcomponenten of het publiek totdat de primaire of complementaire herstelmaatregelen hun uitwerking hebben bereikt, zonder dat dit uit financiële compensaties voor het publiek kan bestaan;
  7° " aantasting van het mariene milieu " : elke vorm van aantasting die negatieve effecten heeft of dreigt te hebben op het mariene milieu, en die leidt of mogelijks leidt tot schade of milieuverstoring; waarbij negatieve effecten betreffende soorten en habitats betrekking dienen te hebben op het bereiken of handhaven van de gunstige staat van instandhouding van deze soorten of habitats.
  8° " staat van instandhouding " :
  1) met betrekking tot een habitat, de som van de invloeden die op de betrokken habitat en de daar voorkomende typische soorten inwerken en op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de natuurlijke verspreiding, de structuur en de functies van die habitat of het voortbestaan op lange termijn van de betrokken typische soorten, hetzij op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, hetzij op het Belgische grondgebied, hetzij in het natuurlijke verspreidingsgebied van die habitat.
  De staat van instandhouding van een habitat wordt als " gunstig " beschouwd als :
  a) het natuurlijke verspreidingsgebied van de habitat en de oppervlakte van die habitat binnen dat gebied stabiel zijn of toenemen, en
  b) de voor behoud op lange termijn nodige specifieke structuur en functies bestaan en in de afzienbare toekomst vermoedelijk zullen blijven bestaan, en
  c) de staat van instandhouding van de voor die habitat typische soorten gunstig is als omschreven onder b;
  2) met betrekking tot een soort, de som van de invloeden die op de betrokken soort inwerken en die op lange termijn gevolgen kunnen hebben voor de verspreiding en abundantie van de populaties daarvan, hetzij op het Europese grondgebied van de lidstaten waarop het Verdrag van 25 maart 1957 tot oprichting van de Europese Gemeenschap van toepassing is, hetzij op het Belgische grondgebied, hetzij in het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort.
  De staat van instandhouding van een soort wordt als " gunstig " beschouwd wanneer :
  a) uit populatiedynamische gegevens blijkt dat de betrokken soort nog steeds een levensvatbare component is van de natuurlijke habitats waarin hij voorkomt, en dat vermoedelijk op lange termijn zal blijven, en
  b) het natuurlijke verspreidingsgebied van die soort niet kleiner wordt of binnen afzienbare tijd lijkt te zullen worden, en
  c) er een voldoende grote habitat bestaat en waarschijnlijk zal blijven bestaan om de populaties van die soort op lange termijn in stand te houden;
  9° " regeneratie " : de terugkeer van het aangetaste mariene milieu tot de referentietoestand;
  10° " referentietoestand " : de toestand waarin het aangetaste mariene milieu zich zou hebben bevonden indien zich geen aantasting had voorgedaan, gereconstrueerd op basis van de best beschikbare informatie;
  11° " natuurcomponenten " : componenten van het mariene milieu, ongeacht of deze natuurlijk of door menselijke inbreng deel uitmaken van het mariene milieu;
  12° " DG Leefmilieu " : het Directoraat-generaal Leefmilieu van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu;
  13° " werkplan " : het plan tot vaststelling van de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu, tot bepaling van de gepaste herstelmaatregelen en tot raming van de kosten daarvan;
  14° " coördinator " : de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, met adres in België, die optreedt als gemachtigde voor de scheepseigenaar of de exploitant tijdens de procedure tot het vastleggen van herstelmaatregelen;
  15° " kosten " : de verantwoorde kosten voor het nemen van preventieve maatregelen, inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen, met inbegrip van ramingskosten van de aantasting van het mariene milieu, onmiddellijke dreiging van dergelijke aantasting en alternatieve maatregelen, alsook de administratieve, juridische en handhavingskosten, de kosten van het vergaren van gegevens, de onrechtstreekse kosten en de kosten in verband met monitoring en toezicht.
Art.2. Pour l'application du présent arrêté, l'on entend par :
  1° " la loi " : la loi du 20 janvier 1999 sur la protection du milieu marin dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique;
  2° " directive dommages environnementaux " : la Directive 2004/35/CE du Parlement européen et du Conseil du 21 avril 2004 sur la responsabilité environnementale en ce qui concerne la prévention et la réparation des dommages environnementaux;
  3° " mesures de réparation primaires " : toute mesure de réparation par laquelle le milieu marin détérioré retourne à son état initial;
  4° " mesures de réparation complémentaires " : les mesures de réparation entreprises pour créer, le cas échéant sur un autre site, un milieu marin de niveau équivalent à ce qui aurait été le cas si le site détérioré était retourné à son état initial, afin de compenser le fait que les mesures de réparation primaires n'aboutissent pas à la restauration complète du milieu marin détérioré;
  5° " mesures de réparation compensatoires " : toute action entreprise afin de compenser, le cas échéant sur un autre site, les pertes intermédiaires de milieu marin détérioré qui surviennent entre la date de survenance d'une détérioration et le moment où la réparation primaire ou complémentaire a pleinement produit son effet, à l'exception de la compensation financière pour le public;
  6° " pertes intermédiaires " : des pertes résultant du fait que le milieu marin détérioré n'est pas en mesure de remplir ses fonctions écologiques ou de fournir des services à d'autres composantes naturelles ou au public jusqu'à ce que les mesures de réparation primaires ou complémentaires aient produit leur effet, sans que cela ne donne lieu à une compensation financière accordée au public;
  7° " détérioration du milieu marin " : toute forme de détérioration qui a un effet négatif ou est susceptible d'avoir un tel effet sur le milieu marin et qui donne lieu ou est susceptible de donner lieu à un dommage ou à une perturbation environnementale; ces effets négatifs sur les espèces et les habitats doivent affecter la constitution ou le maintien d'un état de conservation favorable de tels habitats ou espèces;
  8° " état de conservation " :
  1) en ce qui concerne un habitat, l'effet de l'ensemble des influences agissant sur l'habitat concerné ainsi que sur les espèces typiques qu'il abrite, qui peuvent affecter à long terme sa répartition naturelle, sa structure et ses fonctions ainsi que la survie à long terme de ses espèces typiques sur, selon le cas, le territoire européen des Etats membres où le Traité du 25 mars 1957 instituant la Communauté européenne s'applique, ou le territoire de la Belgique, ou l'aire de répartition naturelle de cet habitat.
  L'état de conservation d'un habitat est considéré comme " favorable " lorsque :
  a) son aire de répartition naturelle et les zones couvertes à l'intérieur de cette aire de répartition naturelle sont stables ou en augmentation,
  b) la structure et les fonctions spécifiques nécessaires à son maintien à long terme existent et sont susceptibles de continuer à exister dans un avenir prévisible, et que
  c) l'état de conservation des espèces typiques qu'abrite cet habitat est favorable conformément à la définition sous b ;
  2) en ce qui concerne une espèce, l'effet de l'ensemble des influences qui, agissant sur l'espèce concernée, peuvent affecter à long terme la répartition et l'importance de ses populations sur, selon le cas, le territoire européen des Etats membres où le Traité du 25 mars 1957 instituant la Communauté européenne s'applique, ou le territoire de la Belgique, ou l'aire de répartition naturelle de cette espèce.
  L'état de conservation d'une espèce est considéré comme " favorable " :
  a) lorsque les données relatives à la dynamique des populations de cette espèce indiquent qu'elle se maintient à long terme comme élément viable de son habitat naturel,
  b) lorsque l'aire de répartition naturelle de l'espèce n'est ni en train de diminuer ni susceptible de diminuer dans un avenir prévisible, et
  c) lorsqu'il existe et continuera probablement d'exister un habitat suffisamment grand pour maintenir à long terme les populations qu'il abrite;
  9° " régénération " : le retour du milieu marin détérioré à son état initial;
  10° " état initial " : l'état du milieu marin au moment du dommage, qui aurait existé si le dommage n'était pas survenu, estimé à l'aide des meilleures informations disponibles;
  11° " composantes du milieu naturel " : composantes du milieu marin, qu'elles fassent partie du milieu marin naturellement ou soient la conséquence d'activités humaines;
  12° " DG Environnement " : la Direction générale Environnement du Service public fédéral Santé publique, Sécurité de la Chaîne alimentaire et Environnement;
  13° " plan de travail " : le plan permettant de constater les détériorations significatives du milieu marin, de déterminer les mesures de réparation adéquates et d'en évaluer les coûts;
  14° " coordinateur " : la personne physique ou morale, possédant une adresse en Belgique, mandatée par le propriétaire de navire ou l'exploitant pour intervenir au cours de la procédure de détermination des mesures de réparation;
  15° " coûts " : les coûts justifiés pour la prise de mesures préventives, de mesures de confinement et de mesures de réparation; en ce compris le coût de l'évaluation de la détérioration du milieu marin, de la menace imminente d'une telle détérioration, les options en matière d'action, ainsi que les frais administratifs, judiciaires et d'exécution, les coûts de collecte des données, les coûts indirects et les coûts de la surveillance et du suivi.
Art.3. § 1. Dit besluit is niet van toepassing op de aantasting van het mariene milieu ten gevolge van een incident waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen het toepassingsgebied valt van één van de volgende internationale overeenkomsten, voor zover deze in België van kracht zijn :
  1° het Internationaal Verdrag van 27 november 1992 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door olie;
  2° het Internationaal Verdrag van 27 november 1992 tot oprichting van een internationaal fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie;
  3° het Internationaal Verdrag van 23 maart 2001 inzake de burgerlijke aansprakelijkheid voor schade door verontreiniging door bunkerolie;
  4° [1 het Internationaal Verdrag van 1996 inzake aansprakelijkheid en vergoeding voor schade in samenhang met het vervoer over zee van gevaarlijke en schadelijke stoffen, met Bijlagen, opgemaakt te Londen op 3 mei 1996 en gewijzigd door het Protocol van Londen van 2010, opgemaakt te Londen op 30 april 2010.]1
  § 2. Dit besluit is niet van toepassing op de aantasting van het mariene milieu ten gevolge van een incident of activiteit waarvoor de aansprakelijkheid of schadevergoeding binnen de werkingssfeer valt van één van de volgende internationale overeenkomsten :
  1° het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie;
  2° het Verdrag van Parijs van 29 juli 1960 inzake wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie alsook het complementaire Verdrag van Brussel van 31 januari 1963;
  3° het Verdrag van Wenen van 21 mei 1963 inzake wettelijke aansprakelijkheid voor kernschade;
  4° het Verdrag van 12 september 1997 inzake aanvullende vergoeding voor kernschade;
  5° het Gezamenlijk Protocol van 21 september 1988 betreffende de toepassing van het Verdrag van Wenen en het Verdrag van Parijs;
  6° de Overeenkomst van Brussel van 17 december 1971 inzake de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van het zeevervoer van nucleaire stoffen.
  § 3. Dit besluit doet geen afbreuk aan het recht van de betrokken scheepseigenaar of de exploitant om zijn aansprakelijkheid te beperken overeenkomstig de nationale wetgeving ter uitvoering van het Verdrag inzake beperking van aansprakelijkheid voor maritieme vorderingen (LLMC).
  § 4. Dit besluit is niet van toepassing op de vooraf vastgestelde aantasting van het mariene milieu die volgt uit activiteiten van de betrokken scheepseigenaar of exploitant waarvoor de minister uitdrukkelijk toestemming gegeven heeft in overeenstemming met de bepalingen ter uitvoering van artikel 6, leden 3 en 4, of artikel 16 van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna, dan wel artikel 9 van Richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, inzonderheid :
  1° artikel 6 van het koninklijk besluit van 21 december 2001 betreffende de soortenbescherming in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België;
  2° artikel 6 van het koninklijk besluit van 14 oktober 2005 tot instelling van speciale beschermingszones en speciale zones voor natuurbehoud in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België.
  § 5. Hoofdstuk II is van toepassing op de aantasting van het mariene milieu als gevolg van diffuse verontreiniging voorzover een oorzakelijk verband bestaat tussen de aantasting van het mariene milieu en de activiteiten van de individuele scheepseigenaar of exploitant.
  
Art.3. § 1er. Le présent arrêté ne s'applique pas à la détérioration du milieu marin survenue à la suite d'un incident à l'égard duquel la responsabilité ou l'indemnisation relève du champ d'application de l'une des conventions internationales suivantes, dans la mesure où elles sont en vigueur en Belgique :
  1° la Convention internationale du 27 novembre 1992 sur la responsabilité civile pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures;
  2° la Convention internationale du 27 novembre 1992 portant création d'un Fonds international d'indemnisation pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures;
  3° la Convention internationale du 23 mars 2001 sur la responsabilité civile pour les dommages dus à la pollution par les hydrocarbures de soute;
  4° [1 la Convention internationale de 1996 sur la responsabilité et l'indemnisation pour les dommages liés au transport par mer de substances nocives et potentiellement dangereuses, avec Annexes, faite à Londres le 3 mai 1996 et modifiée par le Protocole de Londres de 2010, fait à Londres le 30 avril 2010.]1
  § 2. Le présent arrêté ne s'applique pas à la détérioration du milieu marin survenue à la suite d'un incident ou une activité à l'égard duquel la responsabilité ou l'indemnisation relève du champ d'application de l'une des conventions internationales suivantes :
  1° le Traité instituant la Communauté européenne de l'Energie atomique;
  2° la Convention de Paris du 29 juillet 1960 sur la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire, et la Convention complémentaire de Bruxelles du 31 janvier 1963;
  3° la Convention de Vienne du 21 mai 1963 sur la responsabilité civile dans le domaine de l'énergie nucléaire;
  4° la Convention du 12 septembre 1997 sur le financement complémentaire en relation avec les dommages nucléaires;
  5° le Protocole conjoint du 21 septembre 1988 concernant l'application de la Convention de Vienne et de la Convention de Paris;
  6° la Convention de Bruxelles du 17 décembre 1971 relative à la responsabilité civile dans le domaine du transport maritime des matières nucléaires.
  § 3. Le présent arrêté ne porte pas préjudice au droit du propriétaire de navire ou de l'exploitant concerné de limiter sa responsabilité, conformément à la législation nationale prise en exécution de la Convention sur la limitation de la responsabilité en matière de créances maritimes (LLCM).
  § 4. Le présent arrêté n'est pas applicable aux détériorations du milieu marin précédemment identifiées qui résultent des activités du propriétaire de navire ou de l'exploitant concerné qui ont été expressément autorisées par le ministre, conformément aux dispositions d'exécution de l'article 6, alinéas 3 et 4, ou de l'article 16 de la Directive 92/43/CEE du Conseil du 21 mai 1992 concernant la conservation des habitats naturels ainsi que de la faune et de la flore sauvages, ou de l'article 9 de la Directive 79/409/CEE du Conseil du 2 avril 1979 concernant la conservation des oiseaux sauvages, notamment :
  1° l'article 6 de l'arrêté royal du 21 décembre 2001 visant la protection des espèces dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique;
  2° l'article 6 de l'arrêté royal du 14 octobre 2005 créant des zones de protection spéciale et des zones de conservation spéciales dans les espaces marins sous juridiction de la Belgique.
  § 5. Le Chapitre II est applicable aux détériorations du milieu marin survenues à la suite d'une pollution diffuse, dans la mesure où il existe un rapport de cause à effet entre la détérioration du milieu marin et les activités du propriétaire de navire individuel ou de l'exploitant individuel.
  
HOOFDSTUK II. - Herstelmaatregelen ingevolge de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu.
CHAPITRE II. - Mesures de réparation en conséquence de la détérioration significative du milieu marin.
Afdeling 1. - Beoordelingsprincipes.
Section 1re. - Principes d'appréciation.
Art.4. § 1. De beoordeling of de aantasting van het mariene milieu aanmerkelijk is of dreigt te worden, gebeurt op basis van meetbare gegevens zoals :
  1° het aantal exemplaren, de populatiedichtheid of de ingenomen oppervlakte van de soort of de habitat;
  2° de rol van de afzonderlijke exemplaren of van de beschadigde oppervlakte in verhouding tot de soorten of de instandhouding van de habitat, de zeldzaamheid van de soort of de habitat, vastgesteld op het plaatselijke, regionale, nationale of internationale niveau, met inbegrip van het Europese niveau;
  3° het voortplantingsvermogen van de soort, volgens de voor die soort of populatie specifieke dynamiek, de levensvatbaarheid ervan of het natuurlijke regeneratievermogen van de habitat volgens de dynamiek die specifiek is voor de karakteristieke soort van de habitat of de populaties van die soort;
  4° het vermogen van de soort of habitat om zich, nadat de verontreiniging is gebeurd binnen een korte periode en zonder ander ingrijpen dan het instellen van striktere beschermingsmaatregelen te herstellen tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand.
  Een aantasting van het mariene milieu die effecten heeft of dreigt te hebben op de menselijke gezondheid wordt beschouwd als aanmerkelijk.
  § 2. Als aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu worden niet beschouwd :
  1° de negatieve schommelingen die kleiner zijn dan de normale gemiddelde schommelingen voor een bepaalde soort of habitat;
  2° de negatieve schommelingen als gevolg van natuurlijke oorzaken of als gevolg van het ingrijpen in verband met het normale beheer van gebieden, zoals vastgelegd in habitatdossiers of in documenten waarin de doelen zijn uiteengezet;
  3° de aantasting van soorten of habitats waarvan bekend is dat zij zich binnen een korte periode en zonder ingrijpen herstellen ofwel tot de referentietoestand ofwel tot een toestand die uitsluitend op basis van de dynamiek van de soort of habitat leidt tot een toestand die gelijkwaardig of beter wordt geacht dan de referentietoestand.
Art.4. § 1er. L'appréciation visant à déterminer si la détérioration du milieu marin est significative ou menace de le devenir se fait sur la base de données mesurables comme :
  1° le nombre d'individus, la densité de population ou la surface couverte par l'espèce ou l'habitat;
  2° le rôle des individus isolés ou de la zone détériorée par rapport aux espèces ou à la conservation de l'habitat, la rareté de l'espèce ou de l'habitat établis à un niveau local, régional, national ou international, y compris au niveau européen;
  3° la capacité reproductive de l'espèce, selon la dynamique spécifique à cette espèce ou population, sa viabilité ou la faculté de régénération naturelle de l'habitat selon la dynamique propre aux espèces qui le caractérisent ou à leurs populations;
  4° la faculté de l'espèce ou de l'habitat de se rétablir, en un temps limité après la survenance de la pollution, sans autre intervention que la prise de mesures de protection plus strictes, en un état conduisant du fait de la seule dynamique de l'espèce ou de l'habitat à un état jugé équivalent à l'état initial ou meilleur.
  Une détérioration du milieu marin qui a une incidence sur la santé humaine ou qui menace d'en avoir est considérée comme significative.
  § 2. Ne sont pas considérés comme une détérioration significative du milieu marin :
  1° les variations négatives inférieures aux fluctuations naturelles considérées comme normales pour l'espèce ou l'habitat concerné;
  2° les variations négatives dues à des causes naturelles ou résultant des interventions liées à la gestion normale des sites telle que définie dans les cahiers d'habitat ou dans les documents exposant les objectifs;
  3° les dommages causés aux espèces ou aux habitats pour lesquels il est établi qu'ils se rétabliront en un temps limité et sans intervention et retrouveront soit l'état initial, soit un état conduisant du fait de la seule dynamique de l'espèce ou de l'habitat à un état jugé équivalent ou supérieur à l'état initial.
Art.5. § 1. Indien de primaire herstelmaatregelen het aangetaste mariene milieu niet in zijn referentietoestand kunnen herstellen, dienen complementaire herstelmaatregelen genomen te worden.
  Compenserende herstelmaatregelen worden bijkomend genomen om de tussentijdse verliezen van het mariene milieu te compenseren in afwachting van regeneratie.
  § 2. Bij de evaluatie van de verschillende herstelopties kan voor primaire herstelmaatregelen gekozen worden die het aangetaste mariene milieu niet volledig terugbrengen tot hun referentietoestand of die referentietoestand minder snel herstellen, voor zover dit gecompenseerd wordt door complementaire of compenserende herstelmaatregelen.
Art.5. § 1er. Si les mesures de réparation primaires ne peuvent pas restaurer le milieu marin détérioré pour qu'il retrouve son état initial, il convient de prendre des mesures de réparation complémentaires.
  Les mesures de réparation compensatoires sont prises à titre complémentaire pour compenser les pertes intermédiaires du milieu marin en attendant la régénération.
  § 2. Lors de l'évaluation des différentes options de réparation, des mesures de réparation primaires qui ne rétablissent pas entièrement l'état initial du milieu marin détérioré, ou qui le rétablissent plus lentement, peuvent être choisies, dans la mesure où cette différence est compensée par des mesures de réparation complémentaires ou compensatoires.
Art.6. Bij de bepaling van primaire herstelmaatregelen wordt gekozen tussen maatregelen die het aangetaste mariene milieu op directe en versnelde wijze of door natuurlijke regeneratie weer in hun referentietoestand brengen.
Art.6. Lors de la définition des mesures de réparation primaires, un choix est opéré entre des mesures qui rendent au milieu marin détérioré son état initial de manière directe et accélérée ou par le biais d'une régénération naturelle.
Art.7. § 1. Bij de bepaling van complementaire herstelmaatregelen dient gestreefd te worden naar natuurcomponenten en ecosysteemfuncties van dezelfde soort, kwaliteit en kwantiteit als die welke zijn aangetast. Indien dit niet mogelijk is, dient in alternatieve natuurcomponenten en ecosysteemfuncties voorzien te worden.
  § 2. Indien de maatregelen zoals bedoeld in paragraaf § 1 niet geschikt zijn, wordt een alternatieve waardebepalingsmethode toegepast, in voorkomend geval een monetaire waardebepaling, teneinde de omvang van de vereiste complementaire en compenserende herstelmaatregelen vast te stellen. Indien een waardebepaling mogelijk is van het verschil tussen het mariene milieu in referentietoestand en het aangetaste mariene milieu, terwijl een dergelijke waardebepaling niet mogelijk is binnen een redelijke termijn of tegen redelijke kosten voor de vervangende natuurcomponenten, kan gekozen worden voor alternatieve complementaire en compenserende herstelmaatregelen waarvan de kosten overeenstemmen met de geraamde geldelijke waarde van het verschil tussen het mariene milieu in referentietoestand en het aangetaste mariene milieu.
  De complementaire en compenserende herstelmaatregelen moeten zodanig opgezet zijn dat de extra natuurlijke rijkdommen en/of ecosysteemfuncties beantwoorden aan de tijdspreferenties en het tijdsschema van de herstelmaatregelen. De omvang van de compenserende herstelmaatregelen dient toe te nemen naargelang het langer duurt voordat de referentietoestand is hersteld wanneer alle andere factoren gelijk blijven.
Art.7. § 1er. Lors de la détermination des mesures de réparation complémentaires, il convient de viser des composantes du milieu naturel et des fonctions de l'écosystème d'un type, d'une qualité et d'une quantité du même genre que celles qui ont été détériorées. Lorsque cela est impossible, d'autres composantes du milieu naturel ou fonctions de l'écosystème doivent être prévues.
  § 2. Lorsque les mesures visées au paragraphe 1er ne conviennent pas, une autre méthode d'estimation est appliquée, le cas échéant, une estimation monétaire, en vue de déterminer l'étendue des mesures de réparation complémentaires et compensatoires requises. S'il est possible de fournir une estimation de la différence entre le milieu marin dans son état initial et le milieu marin détérioré, alors qu'une telle estimation n'est pas possible dans un délai raisonnable ou à un coût raisonnable pour les composantes du milieu naturel de substitution, on pourra opter pour d'autres mesures de réparation complémentaires et compensatoires dont le coût correspond à la valeur pécuniaire estimée de la différence entre le milieu marin dans son état initial et le milieu marin détérioré.
  Les mesures de réparation complémentaires et compensatoires devraient être conçues de manière à ce que les ressources naturelles ou services supplémentaires soient conformes aux préférences en matière de temps et au calendrier des mesures de réparation. L'ampleur des mesures de réparation compensatoires doit croître à mesure que le temps s'écoule avant que l'état initial ne soit restauré, tous les autres facteurs restant identiques.
Art.8. De keuze tussen de verschillende herstelopties gebeurt met gebruikmaking van de beste beschikbare technieken, rekening houdend met :
  1° het effect van elke optie op de menselijke gezondheid en veiligheid;
  2° de kosten van de uitvoering van de verschillende opties;
  3° de kans op succes van elke optie;
  4° de mate waarin elke optie de toekomstige aantasting van het mariene milieu zal voorkomen en waarin bij de uitvoering van de optie onbedoelde aantasting van het mariene milieu kan worden voorkomen;
  5° de mate waarin elke optie ten goede komt aan de verschillende onderdelen van het relevante mariene milieu;
  6° de mate waarin elke optie rekening houdt met relevante sociale, economische en culturele aandachtspunten en andere relevante plaatsgebonden factoren;
  7° de tijd die het zal vergen om het aangetaste mariene milieu effectief te herstellen;
  8° de mate waarin elke optie het herstel van de locatie van het aangetaste mariene milieu verwezenlijkt;
  9° de geografische relatie met de locatie van het aangetaste mariene milieu.
Art.8. Le choix entre les différentes options de réparation se fait à l'aide des meilleures technologies disponibles, compte tenu des éléments suivants :
  1° l'incidence de chaque option sur la santé et la sécurité des personnes;
  2° le coût de la mise en oeuvre des différentes options;
  3° les perspectives de réussite de chaque option;
  4° la mesure dans laquelle chaque option empêchera toute détérioration ultérieure du milieu marin et la mesure dans laquelle la mise en oeuvre de cette option évitera des détériorations collatérales du milieu marin;
  5° la mesure dans laquelle chaque option a des effets favorables pour les différentes composantes du milieu marin pertinent;
  6° la mesure dans laquelle chaque option tient compte des aspects sociaux, économiques et culturels pertinents et des autres facteurs pertinents spécifiques au lieu;
  7° le délai nécessaire à la restauration effective du milieu marin détérioré;
  8° la mesure dans laquelle chaque option permet la remise en état du site du milieu marin détérioré;
  9° le lien géographique avec le site du milieu marin détérioré.
Afdeling 2. - Vaststellen van herstelmaatregelen.
Section 2. - Définition de mesures de réparation.
Art.9. § 1. In geval van verontreiniging beoordeelt het DG Leefmilieu of er gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat een aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu heeft plaatsgevonden of zal plaatsvinden, waarvoor herstelmaatregelen genomen moeten worden.
  § 2. Natuurlijke personen of rechtspersonen die schade lijden of dreigen te lijden, dan wel een voldoende belang hebben bij de besluitvorming inzake de schade, inzonderheid de rechtspersonen in de zin van artikel 2 van de wet van 12 januari 1993 betreffende een vorderingsrecht inzake bescherming van het leefmilieu, kunnen bij het DG Leefmilieu opmerkingen indienen betreffende gevallen van schade waarvan zij kennis hebben en kunnen het DG Leefmilieu verzoeken de betekening zoals bedoeld in artikel 10, § 1 te verrichten, dan wel zelf herstelmaatregelen te nemen.
  Het verzoek om maatregelen gaat vergezeld van de relevante informatie en gegevens ter ondersteuning van de opmerkingen die overeenkomstig vorig lid ingediend worden.
  Indien het verzoek om maatregelen en de bijhorende opmerkingen het aannemelijk maken dat er een aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu is of dreigt voor te vallen, nodigt het DG Leefmilieu de betrokken scheepseigenaar of exploitant uit informatie of uitleg te verschaffen met betrekking tot het verzoek om maatregelen en de bijhorende opmerkingen binnen een termijn van 30 dagen vanaf de datum van de ontvangst van de brief waarin hij uitgenodigd wordt informatie of uitleg te verschaffen.
  Het DG Leefmilieu neemt binnen de 90 dagen te rekenen vanaf de ontvangst van het verzoek om maatregelen een gemotiveerde beslissing inzake het al dan niet nemen van herstelmaatregelen overeenkomstig de bepalingen van dit besluit en stelt de verzoeker, alsook de betrokken scheepseigenaar of exploitant onverwijld in kennis van haar beslissing.
Art.9. § 1er. En cas de pollution, la DG Environnement apprécie s'il existe des raisons fondées permettant de supposer qu'une détérioration significative du milieu marin a eu ou aura lieu, pour laquelle des mesures de réparation doivent être prises.
  § 2. Les personnes physiques ou morales affectées ou risquant d'être affectées par un dommage ou ayant un intérêt suffisant à faire valoir à l'égard du processus décisionnel relatif au dommage, et notamment les personnes morales au sens de l'article 2 de la loi du 12 janvier 1993 concernant un droit d'action en matière de protection de l'environnement, peuvent déposer des observations auprès de la DG Environnement en ce qui concerne des cas de dommage du milieu marin dont elles ont connaissance et peuvent demander à la DG Environnement de procéder à la notification visée à l'article 10, § 1er, ou de prendre elle-même des mesures de réparation.
  La demande de mesures est accompagnée des informations et des données pertinentes pour étayer les observations déposées conformément à l'alinéa précédent.
  S'il résulte de la demande de mesures et des observations y afférentes qu'il est permis de supposer qu'une détérioration significative du milieu marin s'est produite ou menace de se produire, la DG Environnement invite le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné à fournir des informations ou des explications en ce qui concerne la demande de mesures et les observations y afférentes dans un délai de 30 jours à dater de la réception du courrier qui l'invite à fournir des informations ou des explications.
  Dans les 90 jours à compter de la réception de la demande de mesures, la DG Environnement prend une décision motivée en ce qui concerne la prise de mesures ou l'absence de prise de mesures conformément aux dispositions du présent arrêté et informe sans délai de sa décision le demandeur, ainsi que le propriétaire du navire ou l'exploitant concerné.
Art.10. § 1. Indien er gegronde redenen zoals bedoeld in artikel 9, § 1 bestaan, betekent het DG Leefmilieu een verzoek tot het vaststellen van herstelmaatregelen aan de betrokken scheepseigenaar of exploitant.
  De betekening vindt desgevallend plaats nadat de nazorgfase in het kader van het Rampenplan Noordzee is ingesteld of nadat de overheden met bevoegdheid op zee in onderling overleg beslist hebben de interventie tot het nemen van preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen te beëindigen.
  De betekening omvat minstens :
  1° een omstandige motivering van het bestaan van de gegronde redenen zoals bedoeld in artikel 9, § 1;
  2° een beschrijving van de procedure tot het vaststellen en desgevallend opleggen van herstelmaatregelen;
  3° een uitnodiging om een voorstel van werkplan vast te stellen.
  § 2. Het DG Leefmilieu kan zich laten bijstaan door elke publieke of private natuurlijke persoon of rechtspersoon die zij nuttig acht bij de uitvoering van de hem door de wet en dit besluit toegewezen bevoegdheden.
  § 3. Niettegenstaande het bestaan van gegronde redenen zoals bedoeld in artikel 9, § 1, kan het DG Leefmilieu beslissen om de betekening zoals bedoeld in paragraaf § 1 niet onmiddellijk te verrichten, indien zich meerdere gevallen van aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu voorgedaan hebben en een gelijktijdige uitoefening van de door dit besluit ingestelde procedure op deze gevallen niet mogelijk is, op voorwaarde dat de betekening zoals bedoeld in paragraaf § 1 op een later tijdstip verricht kan worden.
  Het DG Leefmilieu bepaalt welk geval van aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu eerst moet hersteld worden en houdt bij het nemen van haar beslissing onder meer rekening met de aard, de omvang en de ernst van de aantasting van het mariene milieu, de mogelijkheid van natuurlijke regeneratie en het mogelijke gevaar voor de menselijke gezondheid.
Art.10. § 1er. En présence de raisons fondées visées à l'article 9, § 1er, la DG Environnement notifie une demande de définition de mesures de réparation au propriétaire de navire ou à l'exploitant concerné.
  Le cas échéant, la notification est faite après le lancement de la phase de suivi dans le cadre du Plan catastrophe de la mer du Nord ou après que les autorités ayant compétence en mer ont décidé, de concert, de mettre un terme à l'intervention consistant à prendre des mesures préventives et des mesures de confinement.
  La notification comprend au moins :
  1° une motivation circonstanciée de l'existence des raisons fondées visées à l'article 9, § 1er;
  2° une description de la procédure définissant et, le cas échéant, imposant des mesures de réparation;
  3° une invitation à arrêter une proposition de plan de travail.
  § 2. La DG Environnement peut se faire assister par toute personne physique ou morale, publique ou privée, qu'elle juge utile à l'application des compétences qui lui sont dévolues par la loi et par le présent arrêté.
  § 3. En dépit de l'existence des raisons fondées visées à l'article 9, § 1er, la DG Environnement peut décider de ne pas procéder immédiatement à la notification visée au § 1er si plusieurs cas de détérioration significative du milieu marin se sont produits et si une application simultanée à ces cas de la procédure instituée par le présent arrêté n'est pas possible, à la condition que la notification visée au paragraphe 1er puisse être faite ultérieurement.
  La DG Environnement détermine quel cas de détérioration significative du milieu marin doit faire l'objet d'une réparation en premier lieu et tient notamment compte, lorsqu'elle prend sa décision, de la nature, de l'ampleur et de la gravité de la détérioration du milieu marin, de la possibilité de régénération naturelle et du danger potentiel pour la santé humaine.
Art.11. § 1. De betrokken scheepseigenaar of exploitant betekent, binnen de 60 dagen na de betekening zoals bedoeld in artikel 10, § 1, een voorstel van werkplan aan het DG Leefmilieu.
  § 2. Elk voorstel van werkplan omvat minstens :
  1° de naam, de voornamen, het beroep, de woonplaats en de nationaliteit van de betrokken scheepseigenaar of exploitant;
  2° de statuten en de stukken tot staving van de volmachten van de ondertekenaars van het voorstel van werkplan, indien de betrokken scheepseigenaar of exploitant een rechtspersoon is;
  3° het bewijs van een adequate bankgarantie verleend door een in België gevestigde bank of een door de overheid ontvankelijk verklaarde adequate garantie getekend door een " Protection and Indemnity Club ";
  4° een omstandige omschrijving van de acties tot het vaststellen van de herstelmaatregelen, met inbegrip van een tijdsschema ten belope van een maximale periode van 6 maand en een begroting van de kosten;
  5° de naam, de voornamen, het beroep en de contactgegevens van de coördinator van het werkplan.
Art.11. § 1er. Dans les 60 jours de la notification visée à l'article 10, § 1er, le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné notifie une proposition de plan de travail à la DG Environnement.
  § 2. Toute proposition de plan de travail comprend au moins :
  1° le nom, les prénoms, la profession, le domicile et la nationalité du propriétaire de navire ou de l'exploitant concerné;
  2° les statuts et les pièces établissant les pouvoirs des signataires de la proposition de plan de travail, si le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné est une personne morale;
  3° la preuve d'une garantie bancaire adéquate accordée par une banque établie en Belgique ou une garantie adéquate déclarée recevable par les autorités et signée par un " Protection and Indemnity Club ";
  4° une description circonstanciée des actions visant la définition des mesures de réparation, en ce compris un plan de travail pour une période maximale de 6 mois et une estimation des coûts;
  5° le nom, les prénoms, la profession et les coordonnées du coordinateur du plan de travail.
Art.12. Het DG Leefmilieu kan de betrokken scheepseigenaar of exploitant verzoeken om bijkomende informatie of uitleg te verschaffen binnen de 15 dagen vanaf de datum van de ontvangst van de brief waarin hij ingelicht wordt over het verzoek om informatie of uitleg.
  Binnen de 60 dagen na de betekening zoals bedoeld in artikel 11, § 1, betekent het DG Leefmilieu een werkplan aan de betrokken scheepseigenaar of exploitant.
  De betrokken scheepseigenaar of exploitant betekent binnen de 15 dagen na de betekening zoals bedoeld in vorig lid de aanvaarding van het werkplan aan het DG Leefmilieu.
Art.12. La DG Environnement peut demander au propriétaire de navire ou à l'exploitant concerné de fournir des explications ou des informations supplémentaires dans les 15 jours à compter de la date de réception du courrier l'informant de la demande d'information ou d'explication.
  Dans les 60 jours de la notification visée à l'article 11, § 1er, la DG Environnement notifie un plan de travail au propriétaire de navire ou à l'exploitant concerné.
  Dans les 15 jours de la notification visée à l'alinéa précédent, le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné notifie à la DG Environnement l'acceptation du plan de travail.
Art.13. Elk werkplan omvat minstens :
  1° een omstandige beschrijving van de acties tot het vaststellen van de herstelmaatregelen;
  2° de instelling van een begeleidingscomité, samengesteld uit een lid of leden van het DG Leefmilieu en eventueel door deze dienst aan te wijzen derden;
  3° een termijn en tijdsschema voor het uitwerken van het voorstel van herstelmaatregelen, dewelke, mits goedkeuring door het DG Leefmilieu, kunnen verlengd worden.
  De uitvoering van het werkplan treedt in werking de eerste dag na de betekening bedoeld in artikel 12, lid 2.
Art.13. Chaque plan de travail comprend au moins :
  1° une description détaillée des actions en vue de définir les mesures de réparation;
  2° la mise en place d'un comité d'accompagnement composé d'un ou de membres de la DG Environnement et éventuellement de tiers à désigner par ce service;
  3° un délai et un calendrier pour élaborer la proposition de mesures de réparation, qui peuvent être prolongés moyennant approbation par la DG Environnement.
  La mise en oeuvre du plan de travail entre en vigueur le premier jour qui suit la notification visée à l'article 12, alinéa 2.
Art.14. Gedurende de uitvoering van het werkplan organiseert de coördinator van het werkplan minstens drie maal een onderling overleg met het begeleidingscomité, teneinde elkaar te informeren over de voortgang van het werkplan en het voorstel van herstelmaatregelen.
  Het DG Leefmilieu kan de coördinator van het werkplan verzoeken binnen een redelijke termijn informatie of uitleg te verschaffen.
  Indien de feitelijke of de wetenschappelijke gronden op basis waarvan het werkplan is vastgesteld, wijzigingen ondergaan, kan het werkplan gewijzigd worden door het DG Leefmilieu, na overleg met de betrokken scheepseigenaar of exploitant.
Art.14. Pendant la mise en oeuvre du plan de travail, le coordinateur du plan de travail organise au moins trois fois une concertation avec le comité d'accompagnement afin d'informer chacun de l'avancement du plan de travail et de la proposition de mesures de réparation.
  La DG Environnement peut demander au coordinateur du plan de travail de fournir des informations ou des explications dans un délai raisonnable.
  Si les motifs réels ou scientifiques sur lesquels repose l'établissement du plan de travail subissent des modifications, la DG Environnement peut, après concertation avec le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné, modifier le plan de travail.
Art.15. Het DG Leefmilieu kan eenzijdig beslissen om de uitvoering van het werkplan stop te zetten en zelf de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu vast te stellen en de nodige herstelmaatregelen te nemen, indien :
  1° de betrokken scheepseigenaar of exploitant de wettelijke of reglementaire voorwaarden of de voorwaarden uit het werkplan niet naleeft;
  2° nieuwe informatie een dringend overheidsoptreden noodzakelijk maakt;
  3° de verdere uitvoering van het werkplan niet zal leiden tot de nodige herstelmaatregelen.
Art.15. La DG Environnement peut décider unilatéralement d'arrêter la mise en oeuvre du plan de travail, voire de constater la détérioration significative du milieu marin et de prendre les mesures de réparation nécessaires si :
  1° le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné ne respecte pas les conditions légales ou réglementaires ou les conditions du plan de travail;
  2° des informations nouvelles requièrent une intervention urgente des autorités;
  3° la poursuite de la mise en oeuvre du plan de travail n'aboutira pas aux mesures de réparation nécessaires.
Art.16. Het voorstel van herstelmaatregelen wordt uitgewerkt onder leiding van de coördinator van het werkplan.
Art.16. La proposition de mesures de réparation est élaborée sous la direction du coordinateur du plan de travail.
Art.17. § 1. Elk voorstel van herstelmaatregelen omvat minstens :
  1° een onderdeel betreffende de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu;
  2° een onderdeel betreffende de potentiële herstelmaatregelen;
  3° een onderdeel betreffende de uitvoering van de potentiële herstelmaatregelen;
  4° een onderdeel betreffende de kostprijs van de potentiële herstelmaatregelen.
  § 2. Het onderdeel betreffende de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu omvat minstens :
  1° een beschrijving van de methode die werd gebruikt voor de bepaling en de waardering van de referentietoestand van het mariene milieu en de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu;
  2° een beschrijving van de referentietoestand van het mariene milieu;
  3° een beschrijving van de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu.
  § 3. Het onderdeel betreffende de potentiële herstelmaatregelen omvat minstens :
  1° een beschrijving van de methodes die werden gebruikt voor de bepalingen en de waardering van de mogelijke herstelmaatregelen;
  2° een beschrijving van de mogelijke herstelmaatregelen;
  3° een toelichting betreffende de conformiteit van het voorstel van herstelmaatregelen met de beoordelingsprincipes, zoals bepaald in hoofdstuk II, afdeling I;
  4° in voorkomend geval, een beschrijving van de herstelmaatregelen die door de betrokken scheepseigenaar of exploitant zelf genomen kunnen worden.
  § 4. Het onderdeel betreffende de uitvoering van de potentiële herstelmaatregelen omvat minstens de juridische, wetenschappelijke en praktische modaliteiten van de uitvoering van de herstelmaatregelen.
  § 5. Het onderdeel betreffende de kostprijs van de potentiële herstelmaatregelen omvat minstens de minimale en maximale kostprijs van de potentiële herstelmaatregelen.
Art.17. § 1er. Chaque proposition de mesures de réparation comporte au moins :
  1° une partie relative à la détérioration significative du milieu marin;
  2° une partie relative aux mesures de réparation potentielles;
  3° une partie relative à la mise en oeuvre des mesures de réparation potentielles;
  4° une partie relative aux coûts des mesures de réparation potentielles.
  § 2. La partie relative à la détérioration significative du milieu marin comprend au moins :
  1° une description de la méthode utilisée pour déterminer et évaluer l'état initial du milieu marin et la détérioration significative de celui-ci;
  2° une description de l'état initial du milieu marin;
  3° une description de la détérioration significative du milieu marin.
  § 3. La partie relative aux mesures de réparation comprend au moins :
  1° une description des méthodes utilisées pour déterminer et évaluer les mesures de réparation potentielles;
  2° une description des mesures de réparation potentielles;
  3° une explication sur la conformité de la proposition de mesures de réparation avec les principes d'évaluation déterminés au chapitre II, section Ire;
  4° le cas échéant, une description des mesures de réparation que le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné peut prendre lui-même.
  § 4. La partie relative à la mise en oeuvre des mesures de réparation potentielles comprend au moins les modalités juridiques, scientifiques et pratiques de la mise en oeuvre des mesures de réparation.
  § 5. La partie relative aux coûts des mesures de réparation potentielles comprend le coût minimum et maximum des mesures de réparation potentielles.
Art.18. De betrokken scheepseigenaar of exploitant betekent het voorstel van herstelmaatregelen aan het DG Leefmilieu binnen de 10 dagen na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 13, eerste lid, 3°.
Art.18. Le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné notifie la proposition de mesures de réparation à la DG Environnement dans les 10 jours qui suivent l'expiration du délai visé à l'article 13, alinéa 1er, 3°.
Art.19. § 1. Het DG Leefmilieu kan de betrokken scheepseigenaar of exploitant verzoeken om bijkomende informatie of uitleg te verschaffen binnen de 15 dagen vanaf de datum van de ontvangst van de brief waarin hij ingelicht wordt over het verzoek om informatie of uitleg.
  § 2. Binnen de 60 dagen na de betekening zoals bedoeld in artikel 18, neemt het DG Leefmilieu een gemotiveerde beslissing betreffende de keuze van herstelmaatregelen en betekent zijn beslissing aan de betrokken scheepseigenaar of exploitant.
  De betekening omvat minstens :
  1° de herstelmaatregelen die het DG Leefmilieu zal nemen, inzonderheid de wijze van uitvoering, de geraamde kostprijs en de verdere mogelijkheden tot samenwerking met de betrokken scheepseigenaar of exploitant;
  2° de precieze gronden waarop de beslissing gebaseerd is;
  3° de rechtsmiddelen, alsmede de termijnen tot uitoefening daarvan, waarover de betrokken scheepseigenaar of exploitant beschikt.
Art.19. § 1er. La DG Environnement peut demander au propriétaire de navire ou à l'exploitant concerné de fournir des informations ou des explications complémentaires dans les 15 jours de la date de réception de la lettre qui l'informe de la demande d'informations ou d'explications.
  § 2. Dans les 60 jours de la notification visée à l'article 18, la DG Environnement prend une décision motivée sur le choix des mesures de réparation et notifie sa décision au propriétaire de navire ou à l'exploitant concerné.
  La notification comprend au moins :
  1° les mesures de réparation que prendra la DG Environnement, en particulier le mode de mise en oeuvre, le coût estimé et les autres possibilités de collaboration avec le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné;
  2° les raisons précises sur lesquelles se fonde la décision;
  3° les voies et délais de recours dont disposent le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné pour exécuter cette décision.
Art.20. In afwijking van artikel 19, kan het DG Leefmilieu besluiten dat er geen verdere herstelmaatregelen genomen moeten worden indien :
  1° de reeds genomen herstelmaatregelen waarborgen dat er geen aanmerkelijk gevaar meer is voor negatieve effecten op het mariene milieu en op de menselijke gezondheid;
  2° de kosten van de te nemen herstelmaatregelen om de referentietoestand of een gelijkwaardig niveau te bereiken niet in verhouding staan tot de voordelen voor het mariene milieu die daarmee verkregen worden.
Art.20. Par dérogation à l'article 19, la DG Environnement peut décider qu'aucune autre mesure de réparation ne doit être prise, si :
  1° les mesures de réparation déjà prises garantissent qu'il ne subsiste aucun risque grave d'incidence négative sur le milieu marin et la santé humaine;
  2° le coût des mesures de réparation à prendre pour rétablir l'état initial ou un niveau équivalent serait disproportionné par rapport aux bénéfices environnementaux escomptés.
Art.21. Het DG Leefmilieu kan eenzijdig beslissen om zelf de aanmerkelijke aantasting van het mariene milieu vast te stellen en de nodige herstelmaatregelen te nemen, indien :
  1° de betrokken scheepseigenaar of exploitant geen, een onvolledig of een onvoldoend voorstel van werkplan betekent binnen de termijn zoals bepaald in artikel 11, § 1;
  2° de betrokken scheepseigenaar of de exploitant niet binnen de 15 dagen na de betekening zoals bedoeld in artikel 12, § 2, de aanvaarding van het door het DG Leefmilieu voorgestelde werkplan betekent aan het DG Leefmilieu;
  3° de betrokken scheepseigenaar of de exploitant niet geïdentificeerd kan worden;
  4° in de gevallen bedoeld in artikel 37, § 2, van de wet.
Art.21. La DG Environnement peut décider unilatéralement de constater elle-même la détérioration significative du milieu marin et de prendre les mesures de réparation nécessaires, si :
  1° le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné ne notifie aucune proposition de plan de travail, en notifie une incomplète ou insuffisante dans les délais fixés à l'article 11, § 1er;
  2° le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné ne notifie pas à la DG Environnement, dans les 15 jours de la notification visée à l'article 12, § 2, l'acceptation du plan de travail proposé par cette dernière;
  3° le propriétaire de navire ou l'exploitant concerné ne peut être identifié;
  4° dans les cas visés à l'article 37, § 2, de la loi.
HOOFDSTUK III. - De terugvordering van de kosten voor preventieve maatregelen, inperkingsmaatregelen en herstelmaatregelen.
CHAPITRE III. - Recouvrement des coûts des mesures de prévention, de confinement et de réparation.
Art.22. De scheepseigenaar of de exploitant die een verontreiniging veroorzaakt of dreigt te veroorzaken, draagt alle kosten van de overeenkomstig de wet en dit besluit genomen herstelmaatregelen, evenals de kosten van de overeenkomstig de wet genomen preventieve maatregelen en inperkingsmaatregelen, ongeacht of voormelde maatregelen in de Belgische zeegebieden of daarbuiten genomen zijn.
Art.22. Le propriétaire de navire ou l'exploitant qui provoque ou menace de provoquer une pollution supporte tous les coûts des mesures de réparation prises conformément à la loi et au présent arrêté, ainsi que les coûts des mesures de prévention et de confinement prises conformément à la loi, peu importe si les mesures précitées ont été prises dans les espaces marins belges ou au-delà.
Art.23. § 1. Elke overheid met bevoegdheid op zee stelt, overeenkomstig de wettelijke of reglementaire verplichtingen eigen aan zijn bevoegdheden, een kostenverslag op met betrekking tot de door deze genomen preventieve maatregelen, inperkingsmaatregelen of herstelmaatregelen.
  § 2. Elk kostenverslag omvat minstens :
  1° de naam en het adres van de betrokken dienst, evenals de contactpersoon binnen de betrokken dienst;
  2° een omschrijving van de uitgevoerde activiteit;
  3° de datum en de tijdsduur van de activiteit;
  4° het ingezette personeel voor de activiteit, inclusief het aantal uren;
  5° het ingezette materieel voor de activiteit, inclusief het aantal uren;
  6° in voorkomend geval, de relevante gegevens met betrekking tot de door derden geleverde prestaties ter uitvoering van de bevoegdheden van de overheid met bevoegdheid op zee;
  7° de kostprijs van het ingezette personeel en materieel, begroot overeenkomstig de bepalingen van de paragrafen 3 tot 7, alsook de kostprijs van de door derden geleverde prestaties.
  § 3. De begroting van de kostprijs van de ingezette menselijke middelen houdt rekening met :
  1° de kwalificatie of het hiërarchisch niveau van het ingezette personeel;
  2° het tarief per manuur, rekening houdend met de aard van de inzet en met verschillende uurcategorieën;
  3° de duur van de inzet per uurcategorie.
  § 4. De begroting van de kostprijs van de ingezette materiële middelen houdt rekening met :
  1° het tarief per uur, rekening houdend met de aard van de inzet;
  2° de duur van de inzet;
  3° de kostprijs van de vervanging of het herstel.
  § 5. Voor de berekening van de bedragen worden de door de overheid met bevoegdheid op zee vastgestelde tarieven gebruikt. Indien geen dergelijke tarieven vastgesteld zijn, wordt een tarief toegepast dat vergelijkbaar is met de marktprijs voor gelijkaardige prestaties rekening houdend met de eventuele kostenverhoging gebonden aan het dringende of buitengewone karakter van bepaalde prestaties.
  § 6. De kostprijs van de onrechtstreekse kosten verbonden met de ingezette materiële en menselijke middelen wordt begroot op maximaal 12,5 % van de op basis van de paragrafen 3 tot 5 begrote kostprijs.
  § 7. De kostprijs om bij voorbaat over de nodige materiële en menselijke middelen te beschikken, komt overeen met een bedrag van 10 % van de op basis van de paragrafen 3 tot 5 begrote kostprijs.
Art.23. § 1er. Chaque autorité ayant compétence en mer établit, conformément aux obligations légales ou réglementaires propres à ses compétences, un rapport sur les coûts des mesures de prévention, de confinement ou de réparation qu'elle a prises.
  § 2. Chaque rapport de coûts comporte au moins :
  1° les nom et adresse du service concerné, ainsi que la personne de contact au sein de ce service;
  2° une description de l'activité effectuée;
  3° la date et la durée de l'activité;
  4° le personnel utilisé pour l'activité, en ce compris le nombre d'heures;
  5° le matériel utilisé pour l'activité, en ce compris le nombre d'heures;
  6° le cas échéant, les données pertinentes en rapport avec les prestations fournies par des tiers en vue de la mise à exécution des compétences de l'autorité ayant compétence en mer;
  7° le coût du personnel et du matériel utilisés, estimé conformément aux dispositions des paragraphes 3 à 7, ainsi que le coût des prestations fournies par des tiers.
  § 3. L'estimation du coût des moyens humains utilisés tient compte :
  1° de la qualification ou du niveau hiérarchique du personnel utilisé;
  2° du tarif horaire, compte tenu de la nature de l'intervention et de différentes catégories horaires;
  3° de la durée de l'intervention par catégorie horaire.
  § 4. L'estimation du coût des moyens matériels utilisés tient compte :
  1° du tarif horaire, compte tenu de la nature de l'intervention;
  2° de la durée de l'intervention;
  3° du coût de remplacement ou de réparation.
  § 5. Les tarifs fixés par l'autorité ayant compétence en mer servent à calculer les montants. Si de tels tarifs n'ont pas été fixés, un tarif est appliqué, qui est comparable au prix du marché pour des prestations similaires compte tenu de la majoration éventuelle des coûts liée au caractère urgent ou exceptionnel de certaines prestations.
  § 6. Les coûts indirectement liés aux moyens matériels et humains utilisés sont estimés à un maximum de 12,5 % du coût estimé sur la base des paragraphes 3 à 5.
  § 7. Le coût pour disposer à l'avance des moyens matériels et humains correspond à un montant de 10 % du coût estimé sur la base des paragraphes 3 à 5.
Art.24. De overheden met bevoegdheid op zee kunnen afzien van de terugvordering van de kosten zoals bedoeld in artikel 22 wanneer de geraamde vorderingskosten groter zijn dan het te vorderen bedrag.
Art.24. Les autorités ayant compétence en mer peuvent renoncer au recouvrement des coûts visés à l'article 22 si les frais de recouvrement estimés sont supérieurs au montant à recouvrer.
Art.25. De overheden met bevoegdheid op zee zenden de vordering betreffende de terugvordering van de kosten zoals bedoeld in artikel 22 aan de betrokken scheepseigenaar of exploitant met het verzoek het gevorderde bedrag op basis van het kostenverslag zoals bedoeld in artikel 23 te storten op een door hen aangeduide rekening.
Art.25. Les autorités ayant compétence en mer transmettent la demande de recouvrement des coûts visés à l'article 22 au propriétaire de navire ou à l'exploitant concerné, en leur demandant de verser sur un compte qu'elles leur indiquent le montant réclamé sur la base du rapport de coûts visé à l'article 23.
HOOFDSTUK IV. - Slotbepalingen.
CHAPITRE IV. - Dispositions finales.
Art. 26. Onze Minister bevoegd voor Binnenlandse Zaken, Onze Minister bevoegd voor Landsverdediging, Onze Minister bevoegd voor Wetenschapsbeleid, Onze Minister bevoegd voor Mobiliteit, Onze Minister bevoegd voor het Mariene Milieu en Onze Minister bevoegd voor Leefmilieu zijn, ieder wat hem betreft, belast met de uitvoering van dit besluit.
Art. 26. Notre Ministre compétent pour l'Intérieur, Notre Ministre compétent pour la Défense nationale, Notre Ministre compétent pour la Politique scientifique, Notre Ministre compétent pour la Mobilité, Notre Ministre compétent pour le Milieu marin et Notre Ministre compétent pour l'Environnement sont, chacun en ce qui le concerne, chargés de l'exécution du présent arrêté.