Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
25 APRIL 2007. - Wet tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Titre
25 AVRIL 2007. - Loi modifiant la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Informations sur le document
Info du document
Tekst (54)
Texte (54)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepalingen.
CHAPITRE Ier. - Dispositions générales.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
Art.2. Deze wet integreert onder meer de bepalingen inzake de binnenkomst, het verblijf en de verwijdering van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen en van de richtlijn 2004/38/EG van de Raad van de Europese Unie van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, en artikel 11, § 2, d), van de richtlijn 2005/85/EG van de Raad van 1 december 2005 betreffende de minimumnormen voor de procedures in de lidstaten voor de toekenning of intrekking van de vluchtelingenstatus, in de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
Art.2. La présente loi transpose entre autres, des dispositions relatives à l'entrée, au séjour et à l'éloignement de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée et de la directive 2004/38/CE du Conseil de l'Union européenne du 29 avril 2004 relative au droit des citoyens de l'Union et des membres de leurs familles de circuler et de séjourner librement sur le territoire des Etats membres, ainsi que l'article 11, § 2, d), de la directive 2005/85 CE du Conseil du 1er décembre 2005 relative à des normes minimales concernant la procédure d'octroi et de retrait du statut de réfugié dans les Etats membres, dans la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.
CHAPITRE II. - Modifications de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers.
Art.3. In de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen wordt een artikel 4bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 4bis. - § 1. Aan de buitengrenzen in de zin van de internationale overeenkomsten betreffende de overschrijding van de buitengrenzen die België binden of van de Europese regelgeving, dient het binnenkomen en het verlaten van het Rijk plaats te grijpen via een toegelaten doorlaatpost, dit gedurende de vastgestelde openingstijden, zoals aangegeven bij deze doorlaatposten.
  § 2. De vreemdeling is verplicht om zowel bij het binnenkomen als bij het verlaten van het Rijk uit eigen beweging zijn reisdocumenten te tonen.
  § 3. Een administratieve geldboete van 200 euro kan door de minister of zijn gemachtigde worden opgelegd aan de vreemdeling die de verplichting bedoeld in § 1 niet naleeft.
  Indien de schending, van de verplichting, bedoeld in § 1, te wijten is aan een nalatigheid van de vervoerder, is deze hoofdelijk aansprakelijk met de vreemdeling voor het betalen van de opgelegde boete.
  De beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De rechtspersoon is burgerlijk aansprakelijk voor het betalen van de administratieve geldboete die aan zijn bestuurders, zijn leden van het leidinggevend en uitvoerend personeel, zijn aangestelden of lasthebbers wordt opgelegd.
  De administratieve geldboete kan betaald worden door middel van de consignatie van het verschuldigde bedrag bij de Deposito- en Consignatiekas.
  § 4. De vreemdeling of vervoerder die de beslissing van de minister of van diens gemachtigde betwist, stelt binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift, beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg.
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 5. Indien de vreemdeling of vervoerder in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 6. Indien de vreemdeling of de vervoerder of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat. "
Art.3. Un article 4bis, rédigé comme suit, est inséré dans la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers :
  " Article 4bis. - § 1er. Aux frontières extérieures au sens des conventions internationales relatives au franchissement des frontières extérieures liant la Belgique, ou de la réglementation européenne, l'entrée et la sortie du Royaume doivent avoir lieu par un point de passage autorisé, pendant les heures d'ouvertures fixées, telles qu'indiquées par ces points de passage autorisés.
  § 2. L'étranger est tenu de présenter spontanément ses documents de voyage tant à l'entrée qu'à la sortie du Royaume.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros à l'étranger qui ne respecte pas l'obligation prévue au § 1er.
  Si la violation de l'obligation visée au § 1er est due à une négligence du transporteur, celui-ci est solidairement tenu avec l'étranger de payer l'amende infligée.
  La décision imposant l'amende administrative est exécutable immédiatement, nonobstant tout recours.
  La personne morale est civilement responsable du paiement de l'amende administrative imposée à ses dirigeants, à ses membres de la direction et à son personnel exécutif, à ses préposés ou à ses mandataires.
  L'amende administrative peut être payée au moyen de la consignation du montant dû à la Caisse des Dépôts et Consignations.
  § 4. L'étranger ou le transporteur qui conteste la décision du ministre ou de son délégué, introduit dans un délai d'un mois à compter de la notification de la décision, un recours auprès du tribunal de première instance, par une requête.
  Si le tribunal de première instance déclare le recours recevable et fondé, la somme payée ou consignée est remboursée.
  Le tribunal de première instance doit statuer dans un délai d'un mois à compter de l'introduction de la demande écrite visée à l'alinéa 1er.
  Le texte de l'alinéa 1er est repris dans la décision imposant l'amende administrative.
  § 5. Si l'étranger ou le transporteur reste en défaut de paiement de l'amende, la décision de l'agent compétent ou la décision passée en force de chose jugée du tribunal de première instance est portée à la connaissance de l'administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines, en vue du recouvrement du montant de l'amende administrative.
  § 6. Si l'étranger, le transporteur ou son représentant a consigné la somme de l'amende administrative à la Caisse des Dépôts et Consignations et s'il n'a pas introduit de recours auprès du tribunal de première instance dans le délai précité, la consignation donnée revient à l'Etat. ".
Art.4. In artikel 10, § 2, zesde lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 september 2006, vervallen de woorden "punt A van".
Art.4. Dans l'article 10, § 2, alinéa 6, de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006, les mots "au point A de" sont remplacés par le mot "à".
Art.5. In artikel 10bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 28 juni 1984 en vervangen bij de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, in fine, en in § 2, eerste lid, in fine, vervallen telkens de woorden "punt A van";
  2° een § 3 wordt ingevoegd, luidende :
  " § 3. De §§ 1 en 2 zijn ook van toepassing op de gezinsleden bedoeld bij artikel 10, § 1, 4° tot 6°, van een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie, op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, en die gemachtigd is tot verblijf in het Rijk op grond van de bepalingen van titel II, hoofdstuk V, of die deze machtiging aanvraagt.
  Wanneer echter een gezin al is gevormd of opnieuw is gevormd in die andere lidstaat van de Europese Unie, moet de vreemdeling bij wie het gezinslid zich komt voegen, niet het bewijs leveren dat hij beschikt over voldoende huisvesting om het gezinslid of de gezinsleden te ontvangen en zal, wat de voorwaarde betreft van de stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen, ook rekening worden gehouden met het bewijs dat het gezinslid persoonlijk over dergelijke middelen beschikt. Om deze bijzondere regeling te kunnen genieten, moeten de betrokken gezinsleden de EG-verblijfsvergunning van langdurig ingezetene of de verblijfstitel die hun is afgegeven door een lidstaat van de Europese Unie, samen met het bewijs dat zij in deze Staat hebben verbleven als gezinslid van een langdurig ingezetene, voorleggen. "
Art.5. A l'article 10bis de la même loi, inséré par la loi du 28 juin 1984 et remplacé par la loi du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
  1° au § 1er, alinéa 1er, in fine, et au § 2, alinéa 1er, in fine, les mots "au point A de" sont chaque fois remplacés par le mot "à";
  2° il est inséré un § 3, rédigé comme suit :
  " § 3. Les §§ 1er et 2 sont également applicables aux membres de la famille visés à l'article 10, § 1er, 4° à 6°, d'un étranger bénéficiant du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, qui est autorisé à séjourner dans le Royaume sur la base des dispositions du titre II, chapitre V, ou qui demande cette autorisation.
  Toutefois, lorsque la famille est déjà constituée ou reconstituée dans cet autre Etat membre de l'Union européenne, l'étranger rejoint ne doit pas apporter la preuve qu'il dispose d'un logement suffisant pour recevoir le ou les membres de sa famille et, en ce qui concerne la condition de la possession de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants, la preuve que le membre de la famille dispose de tels moyens à titre personnel sera également prise en compte. Afin de pouvoir bénéficier de ce régime particulier, les membres de la famille concernés doivent produire le permis de séjour de résident de longue durée CE ou le titre de séjour qui leur a été délivré par un Etat membre de l'Union européenne ainsi que la preuve qu'ils ont résidé en tant que membre de la famille d'un résident de longue durée dans cet Etat. "
Art.6. In artikel 10ter van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, tweede lid, vervallen de woorden "punt A van";
  2° er wordt een § 2bis ingevoegd, luidende :
  " § 2bis. In afwijking van de §§ 1 en 2 wordt de beslissing over de aanvraag voor een machtiging tot verblijf van de bij artikel 10bis, § 3, bedoelde gezinsleden ten laatste vier maanden na de indiening van de aanvraag genomen.
  Wanneer de vereiste documenten niet zijn voorgelegd of in uitzonderlijke gevallen die verband houden met het complex karakter van het onderzoek van de aanvraag, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn éénmaal met drie maanden verlengen. Dit wordt gedaan door middel van een gemotiveerde beslissing die ter kennis van de aanvrager wordt gebracht.
  Indien geen enkele beslissing getroffen werd na het verstrijken van de termijn van vier maanden, volgend op de datum waarop de aanvraag werd ingediend, die eventueel verlengd werd overeenkomstig het tweede lid, moet de machtiging tot verblijf worden afgegeven wanneer de vereiste documenten zijn voorgelegd. In het andere geval wordt zij geweigerd. ";
  3° in § 3 worden de woorden "heeft gebruikt met het oog op het bekomen van die machtiging" vervangen door de woorden "heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van die machtiging".
Art.6. A l'article 10ter de la même loi, inséré par la loi du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa 2, les mots "au point A de" sont remplacés par le mot "à";
  2° il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
  " § 2bis. Par dérogation aux §§ 1er et 2, la décision relative à la demande d'autorisation de séjour des membres de la famille visés à l'article 10bis, § 3, est prise au plus tard dans les quatre mois suivant l'introduction de la demande.
  Lorsque les documents requis ne sont pas produits ou dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande, le ministre ou son délégué peut prolonger, à une seule reprise, ce délai d'une période de trois mois, par une décision motivée portée à la connaissance du demandeur.
  A l'expiration du délai de quatre mois suivant l'introduction de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 2, si aucune décision n'a été prise, l'autorisation de séjour doit être délivrée lorsque les documents visés ont été produits. Elle est refusée dans le cas contraire. ";
  3° au § 3, les mots "de caractère déterminant" sont insérés entre les mots "d'autres moyens illégaux," et les mots "en vue d'obtenir cette autorisation".
Art.7. In artikel 11 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, eerste lid, 3°, vervallen de woorden "punt A van";
  2° in § 1, eerste lid, 4°, worden de woorden "die van doorslaggevend belang zijn geweest" ingevoegd tussen het woord "gebruikt" en de woorden "om te worden toegelaten tot een verblijf";
  3° in § 2, eerste lid, 4°, worden de woorden "om te worden toegelaten tot een verblijf" vervangen door de woorden "die van doorslaggevend belang zijn geweest voor de erkenning van het recht op verblijf".
Art.7. A l'article 11 de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa 1er, 3°, les mots "au point A de" sont remplacés par le mot "à";
  2° au § 1er, alinéa 1er, 4°, les mots "de caractère déterminant" sont insérés entre les mots "d'autres moyens illégaux," et les mots "afin d'être admis au séjour";
  3° dans le § 2, alinéa 1er, 4°, les mots "afin d'être admis au séjour" sont remplacés par les mots "qui ont été déterminants pour la reconnaissance du droit de séjour".
Art.8. In artikel 12bis, § 2, eerste lid, van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 september 2006, vervallen de woorden "punt A van".
Art.8. Dans l'article 12bis, § 2, alinéa 1er, de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006, les mots "au point A de" sont remplacés par le mot "à".
Art.9. In artikel 13 van dezelfde wet, vervangen door de wet van 15 september 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in § 1, zesde lid, worden de woorden "artikel 10bis, § 1 en § 2" vervangen door de woorden "artikel 10bis, §§ 1 tot 3".
  2° er wordt een § 2bis ingevoegd, luidende :
  " § 2bis. De minister of zijn gemachtigde kan een einde stellen aan het verblijf van de vreemdeling die gemachtigd is in het Rijk te verblijven voor een verblijf van onbeperkte duur wanneer deze valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging tot verblijf. ";
  3° in § 3, 3° en § 4, 5°, worden telkens de woorden "om te worden gemachtigd tot een verblijf" vervangen door de woorden "die van doorslaggevend belang zijn geweest voor het bekomen van de machtiging tot verblijf".
Art.9. A l'article 13 de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans le § 1er, alinéa 6, les mots "l'article 10bis, § 1er et § 2" sont remplacés par les mots "l'article 10bis, §§ 1er à 3";
  2° il est inséré un § 2bis, rédigé comme suit :
  " § 2bis. Le ministre ou son délégué peut mettre fin au séjour de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée illimitée lorsque celui-ci a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, qui ont été déterminants pour obtenir l'autorisation de séjour. ";
  3° dans le § 3, 3°, et dans le § 4, 5°, les mots "afin d'être autorisé au séjour" sont chaque fois remplacés par les mots "qui ont été déterminants pour obtenir l'autorisation de séjour".
Art.10. In titel I, hoofdstuk 4, van dezelfde wet, wordt een artikel 15bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 15bis. - § 1. Behalve indien redenen van openbare orde of nationale veiligheid zich ertegen verzetten, moet de status van langdurig ingezetene worden verleend aan een vreemdeling die geen burger is van de Europese Unie, die voldoet aan de voorwaarden van § 3 en van artikel 14, tweede lid, en die een legaal en ononderbroken verblijf in het Rijk bewijst in de loop van vijf jaar die onmiddellijk voorafgaan aan zijn aanvraag voor het verkrijgen van de status van langdurig ingezetene.
  Bij het berekenen van dit verblijf van vijf jaar wordt geen rekening gehouden met de periode of perioden waarin de vreemdeling gemachtigd of toegelaten werd tot het verblijf voor een beperkte tijd of houder was van een diplomatieke, consulaire of speciale identiteitskaart, overeenkomstig het koninklijk besluit van 30 oktober 1991 betreffende de documenten voor het verblijf in België van bepaalde vreemdelingen.
  In afwijking van het tweede lid zal de periode of zullen de perioden waarin de vreemdeling gemachtigd was tot een verblijf voor een beperkte tijd op grond van artikel 61/7, volledig in aanmerking worden genomen en zal de periode of zullen de perioden van verblijf van de student krachtens artikel 58 of van de vreemdeling die gemachtigd werd om in het Rijk te verblijven om er een beroepsopleiding te volgen voor de helft in aanmerking worden genomen.
  § 2. § 1 is niet van toepassing op de vreemdeling die als vluchteling is erkend of die de subsidiaire bescherming geniet.
  § 3. De vreemdeling, bedoeld bij § 1, moet bewijzen dat hij voor zichzelf en voor zijn gezinsleden die te zijnen laste zijn, beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden, en dat hij een ziektekostenverzekering heeft die de risico's in België dekt.
  De bestaansmiddelen omschreven in het eerste lid moeten ten minste gelijk zijn aan het inkomstenniveau beneden hetwelk sociale bijstand kan worden toegekend. Bij het beoordelen van die bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met hun aard en regelmatigheid.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het minimumbedrag van de vereiste bestaansmiddelen, gelet op de criteria omschreven in het tweede lid.
  § 4. De termijn van vijf jaar vermeld in § 1 wordt niet onderbroken door afwezigheden die niet langer duren dan zes opeenvolgende maanden en die in totaal een duur van tien maanden over de gehele periode van vijf jaar niet overschrijden.
  Deze perioden van afwezigheid worden bovendien meegerekend voor de berekening van de termijn. ".
Art.10. Dans le titre Ier, chapitre 4, de la même loi, est inséré un article 15bis, rédigé comme suit :
  " Art. 15bis. - § 1er. Sauf si des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale s'y opposent, le statut de résident de longue durée doit être accordé à l'étranger non citoyen de l'Union européenne qui répond aux conditions fixées au § 3 et à l'article 14, alinéa 2, et qui justifie d'un séjour légal et ininterrompu dans le Royaume au cours des cinq ans qui précèdent immédiatement la demande d'acquisition du statut de résident de longue durée.
  Dans le calcul de ce séjour de cinq ans, il n'est pas tenu compte de la ou des périodes au cours desquelles l'étranger a été autorisé ou admis au séjour pour une durée limitée ou a été titulaire d'une carte d'identité diplomatique, consulaire ou spéciale, conformément à l'arrêté royal du 30 octobre 1991 relatif aux documents de séjour en Belgique de certains étrangers.
  Par dérogation à l'alinéa 2, la ou les périodes au cours desquelles l'étranger a été autorisé au séjour pour une durée limitée sur la base de l'article 61/7 sera totalement prise en compte et la ou les périodes de séjour de l'étudiant en vertu de l'article 58 ou de l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour y suivre une formation professionnelle, sera prise en compte pour moitié.
  § 2. Le § 1er n'est pas applicable à l'étranger reconnu réfugié ni à l'étranger bénéficiaire de la protection subsidiaire.
  § 3. L'étranger visé au § 1er doit apporter la preuve qu'il dispose, pour lui-même et les membres de sa famille qui sont à sa charge, de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour subvenir à ses propres besoins et à ceux des membres de sa famille afin d'éviter de devenir une charge pour les pouvoirs publics, ainsi que d'une assurance-maladie couvrant les risques en Belgique.
  Les moyens de subsistance visés à l'alinéa 1er doivent au moins correspondre au niveau de ressources en deçà duquel une aide sociale peut être accordée. Dans le cadre de leur évaluation, il est tenu compte de leur nature et leur régularité.
  Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres et compte tenu des critères définis dans l'alinéa 2, le montant minimum des moyens de subsistance requis.
  § 4. Le délai de cinq ans visé au § 1er n'est pas interrompu par des absences inférieures à six mois consécutifs et qui ne dépassent pas au total une durée de dix mois sur le délai total de cinq ans.
  Ces périodes d'absence sont en outre prises en compte dans le calcul du délai. ".
Art.11. Artikel 16 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 16. - § 1. De niet-gevestigde vreemdeling die de voorwaarde van artikel 14, tweede lid, vervult, mag naar keuze de machtiging tot vestiging of de status van langdurig ingezetene aanvragen. De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene geldt als aanvraag van machtiging tot vestiging.
  De gevestigde vreemdeling kan te allen tijde de status van langdurig ingezetene aanvragen.
  De Koning bepaalt het model van de aanvraag van machtiging tot vestiging en van de aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene.
  § 2. De aanvraag van machtiging tot vestiging of verkrijging van de status van langdurig ingezetene wordt gericht tot het gemeentebestuur van de verblijfplaats. Dit gemeentebestuur levert daarvan een ontvangstbewijs af en zendt de aanvraag over aan de minister of zijn gemachtigde, voorzover de vreemdeling voldoet aan de voorwaarde van artikel 14 en hij, als zijn identiteit niet is vastgesteld, een kopie van een geldig paspoort voorlegt.
  De aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene moet vergezeld zijn van de bewijsstukken die aantonen dat de voorwaarden van artikel 15bis, § 3, zijn vervuld.
  De Koning bepaalt de regels inzake de behandeling van de aanvraag van verkrijging van de status van langdurig ingezetene, evenals de gevolgen van de afwezigheid van beslissing bij het verstrijken van de vastgestelde termijn. "
Art.11. L'article 16 de la même loi, remplacé par la loi du 15 septembre 2006, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 16. - § 1er. L'étranger non établi, qui répond à la condition fixée à l'article 14, alinéa 2, peut, à son choix, demander l'autorisation d'établissement ou l'acquisition du statut de résident de longue durée. La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée vaut demande d'autorisation d'établissement.
  L'étranger établi peut à tout moment demander l'acquisition du statut de résident de longue durée.
  Le Roi fixe le modèle de la demande d'autorisation d'établissement et de la demande d'acquisition du statut de résident de longue durée.
  § 2. La demande d'autorisation d'établissement ou d'acquisition du statut de résident de longue durée est adressée à l'administration communale du lieu de résidence, qui en délivre un accusé de réception et la transmet au ministre ou à son délégué, pour autant que l'étranger réponde à la condition visée à l'article 14 et, lorsque son identité n'est pas établie, qu'il produise la copie d'un passeport valable.
  La demande d'acquisition du statut de résident de longue durée doit être accompagnée des preuves attestant de la réunion des conditions fixées à l'article 15bis, § 3.
  Le Roi fixe les règles relatives au traitement de la demande d'acquisition du statut de résident de longue durée ainsi que la conséquence de l'absence de décision à l'expiration du délai fixé. "
Art.12. Artikel 17 van dezelfde wet, waarvan de huidige tekst § 1 zal vormen, wordt aangevuld met een § 2, luidende :
  " § 2. Wanneer aan een vreemdeling die gemachtigd is tot vestiging in het Rijk, gelijktijdig of naderhand de status van langdurig ingezetene wordt verleend, wordt hem een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene afgegeven.
  Bij deze gelegenheid wordt hem een document overhandigd, gesteld in een van de drie landstalen en in het Engels, waarin hij wordt geïnformeerd over zijn rechten en plichten op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.
  De Koning bepaalt het model van de EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene. Deze verblijfstitel vervangt de vestigingsvergunning bedoeld in § 1 en geldt als bewijs van inschrijving in het bevolkingsregister.
  Wanneer de minister of zijn gemachtigde de status van langdurig ingezetene toekent aan de vreemdeling bedoeld in artikel 61/7, brengt hij zijn beslissing ter kennis van de lidstaat van de Europese Unie die aan deze vreemdeling een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene had afgegeven op grond van de bovengenoemde richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie. "
Art.12. A l'article 17 de la même loi, dont le texte actuel formera le § 1er, il est ajouté un § 2, rédigé comme suit :
  " § 2. Lorsque l'étranger autorisé à s'établir dans le Royaume se voit, simultanément ou postérieurement, accorder le statut de résident de longue durée, il lui est délivré un permis de séjour de résident de longue durée-CE.
  Il lui est remis à cette occasion un document, rédigé dans une des trois langues nationales et en anglais, l'informant de ses droits et obligations sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée.
  Le Roi détermine le modèle du permis de séjour de résident de longue durée-CE. Ce titre de séjour remplace le titre d'établissement visé au § 1er et fait foi de l'inscription au registre de la population.
  Lorsque le ministre ou son délégué accorde le statut de résident de longue durée à l'étranger visé à l'article 61/7, il notifie sa décision à l'Etat membre de l'Union européenne qui avait délivré un permis de séjour de résident de longue durée-CE à celui-ci, sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne précitée. "
Art.13. Artikel 18 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 15 juli 1996 en van 15 september 2006, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 18. - § 1. Onder voorbehoud van artikel 19 is de geldigheidsduur van de machtiging tot vestiging en van de status van langdurig ingezetene onbeperkt.
  De Koning bepaalt de geldigheidsduur van het document dat de machtiging tot vestiging vaststelt en van de EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene.
  § 2. De minister of zijn gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die gemachtigd werd zich in het Rijk te vestigen op grond van artikel 14 of die de status van langdurig ingezetene heeft verworven op grond van artikel 15bis, niet meer het recht heeft er te verblijven en/of deze status verliest als hij valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten heeft gebruikt of fraude heeft gepleegd of andere onwettige middelen heeft gebruikt die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van het recht op verblijf of om de machtiging tot verblijf te bekomen, om de machtiging tot vestiging te bekomen of om de status van langdurig ingezetene te verwerven. "
Art.13. L'article 18 de la même loi, modifié par les lois des 15 juillet 1996 et 15 septembre 2006, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 18. - § 1er. Sous réserve des dispositions de l'article 19, la durée de validité de l'autorisation d'établissement et du statut de résident de longue durée est illimitée.
  Le Roi fixe la durée du titre qui constate l'autorisation d'établissement et du permis de séjour de résident de longue durée-CE.
  § 2. Le ministre ou son délégué peut décider que l'étranger qui a été autorisé à s'établir dans le Royaume sur la base de l'article 14 ou qui a acquis le statut de résident de longue durée sur la base de l'article 15bis, n'a plus le droit d'y séjourner et/ou perd ce statut, lorsque cet étranger a utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou a recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, qui ont été déterminants pour la reconnaissance du droit de séjour ou pour obtenir l'autorisation de séjour, pour obtenir l'autorisation d'établissement ou pour l'acquisition du statut de résident de longue durée. "
Art.14. In titel I, hoofdstuk 4, van dezelfde wet, wordt artikel 18bis, opgeheven bij de wet van 22 december 2003, hersteld in de volgende lezing :
  " Art. 18bis. - De vreemdeling aan wie in het Rijk de status van langdurig ingezetene werd toegekend verliest deze status als dezelfde status hem is toegekend in een andere lidstaat van de Europese Unie, krachtens de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen. "
Art.14. Dans le titre Ier, chapitre 4, de la même loi, l'article 18bis, abrogé par la loi du 22 décembre 2003, est rétabli dans la rédaction suivante :
  " Art. 18bis. - L'étranger auquel a été accordé le statut de résident de longue durée dans le Royaume perd ce statut lorsque le même statut lui est accordé dans un autre Etat membre de l'Union européenne, en application de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée. "
Art.15. Artikel 19 van dezelfde wet, gewijzigd bij de wetten van 6 mei 1993 en 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 19. - § 1. Een vreemdeling die houder is van een geldige Belgische verblijfs- of vestigingsvergunning en het land verlaat, heeft gedurende een jaar recht op terugkeer in het Rijk.
  Een vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet op grond van artikel 15bis verliest daarentegen zijn recht op terugkeer in het Rijk enkel wanneer hij gedurende twaalf opeenvolgende maanden het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verlaat of wanneer hij het Rijk sinds ten minste zes jaar heeft verlaten.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de voorwaarden en de gevallen waarin de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet en die gedurende twaalf opeenvolgende maanden het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie verlaten heeft, zijn recht van terugkeer naar het Rijk niet verliest.
  Een vreemdeling die voorziet dat zijn afwezigheid uit het Rijk langer zal duren dan de geldigheidsduur van zijn verblijfstitel, kan een vervroegde verlenging of vernieuwing van deze verblijfstitel verkrijgen.
  De toelating om het Rijk terug binnen te komen mag hem slechts worden geweigerd om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, of indien hij de voorwaarden die aan zijn verblijf zijn gesteld, niet naleeft.
  § 2. De vreemdeling, bedoeld in § 1, eerste lid, die langer dan een jaar uit het Rijk afwezig blijft, kan tot terugkeer in het Rijk worden gemachtigd in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
  De vreemdeling, bedoeld in § 1, tweede lid, die zijn recht op terugkeer is verloren, kan, in de gevallen en onder de voorwaarden bepaald bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de status van langdurig ingezetene herkrijgen.
  § 3. De Koning regelt de voorwaarden voor de geldigheid en de vernieuwing van de verblijfs- en vestigingsvergunningen of van de EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene van de vreemdeling die na een afwezigheid terugkeert in het Rijk.
  § 4. Onder voorbehoud van de toepassing van § 1, tweede lid, is de minister of zijn gemachtigde verplicht tot terugname van een vreemdeling en van zijn gezinsleden, bedoeld bij artikel 10, § 1, die houder is van een Belgische EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene en ten aanzien van wie een verwijderingsmaatregel is uitgevaardigd door de bevoegde overheid van een andere lidstaat van de Europese Unie, als gevolg van een weigering tot verlenging of een intrekking van de verblijfsvergunning afgegeven op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, om redenen van openbare orde of nationale veiligheid, wanneer de voorwaarden voor zijn verblijf niet meer zijn vervuld of wanneer hij niet legaal in de betrokken lidstaat verblijft, zelfs indien de geldigheidsduur van de EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene, uitgereikt in België, is verstreken. "
Art.15. L'article 19 de la même loi, modifié par les lois des 6 mai 1993 et 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 19. - § 1er. L'étranger, qui est porteur d'un titre de séjour ou d'établissement belge valable et quitte le pays, dispose d'un droit de retour dans le Royaume pendant un an.
  L'étranger bénéficiant du statut de résident de longue durée sur la base de l'article 15bis, ne perd par contre son droit de retour dans le Royaume que s'il s'absente des territoires des Etats membres de l'Union européenne pendant douze mois consécutifs ou lorsqu'il a quitté le Royaume depuis six ans au moins.
  Le Roi fixe, par arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, les conditions et les cas dans lesquels l'étranger bénéficiant du statut de résident de longue durée qui était absent des territoires des Etats membres de l'Union européenne pendant douze mois consécutifs, ne perd pas son droit de retour dans le Royaume.
  L'étranger qui prévoit que son absence du Royaume se prolongera au-delà du terme de validité du titre de séjour peut en obtenir la prorogation ou le renouvellement anticipé.
  L'autorisation de rentrer dans le Royaume ne peut lui être refusée que pour raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, ou s'il ne respecte pas les conditions mises à son séjour.
  § 2. L'étranger visé au § 1er, alinéa 1er, dont l'absence du Royaume est supérieure à un an, peut, dans les conditions et les cas fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des ministres, être autorisé à revenir dans le Royaume.
  L'étranger visé au § 1er, alinéa 2, qui a perdu son droit de retour, peut, dans les conditions et les cas fixés par un arrêté royal délibéré en Conseil des Ministres, recouvrer le statut de résident de longue durée.
  § 3. Le Roi règle les conditions de validité et de renouvellement des titres de séjour et d'établissement ou du permis de séjour de résident de longue durée-CE de l'étranger qui, après s'être absenté, revient dans le Royaume.
  § 4. Sous réserve de l'application du § 1er, alinéa 2, lorsqu'un étranger porteur d'un permis de séjour de résident de longue durée-CE belge fait l'objet d'une décision d'éloignement prise par les autorités compétentes d'un autre Etat membre de l'Union européenne, consécutivement au refus de prorogation ou au retrait du titre de séjour délivré sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, pour des raisons d'ordre public ou de sécurité nationale, lorsque les conditions mises à son séjour ne sont plus remplies ou lorsqu'il séjourne de manière illégale dans cet Etat, le ministre ou son délégué est tenu de le reprendre en charge, ainsi que les membres de sa famille visés à l'article 10, § 1er, même si la durée de validité du permis de séjour de résident de longue durée-CE délivré en Belgique est expirée. "
Art.16. In artikel 20, tweede lid, van dezelfde wet, gewijzigd bij de wet van 26 mei 2005, worden de woorden "of de vreemdeling die de status van langdurig ingezetene geniet" ingevoegd tussen de woorden "de in het Rijk gevestigde vreemdeling" en de woorden ", wanneer hij de openbare orde of de veiligheid van het land ernstig heeft geschaad".
Art.16. A l'article 20, alinéa 2 de la même loi, modifié par la loi du 26 mai 2005, les mots "ou bénéficiant du statut de résident de longue durée," sont insérés entre les mots "l'étranger établi" et les mots "dans le Royaume".
Art.17. In artikel 30bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 27 december 2004 en gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, worden de woorden "artikel 40, §§ 3 tot 6" telkens vervangen door de woorden "artikel 40bis of 40ter ".
Art.17. Dans l'article 30bis, § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, de la même loi, inséré par la loi du 27 décembre 2004 et modifié par la loi du 15 septembre 2006, les mots "l'article 40, §§ 3 à 6" sont chaque fois remplacés par les mots "l'article 40bis ou 40ter ".
Art.18. In titel II van dezelfde wet wordt het opschrift van hoofdstuk I, vervangen als volgt :
  " Hoofdstuk I - Vreemdelingen, burgers van de Unie en hun familieleden en vreemdelingen, familieleden van een Belg".
Art.18. Dans le titre II de la même loi, l'intitulé du chapitre premier est remplacé par l'intitulé suivant :
  " Chapitre premier - Etrangers, citoyens de l'Union et membres de leur famille et étrangers, membres de la famille d'un Belge".
Art.19. Artikel 40 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 6 mei 1993, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 40. - § 1. Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in wetten of Europese verordeningen waarop de burger van de Unie zou kunnen aanspraak maken, zijn de hiernavolgende bepalingen op hem van toepassing.
  § 2. Voor de toepassing van deze wet wordt onder burger van de Unie verstaan, een vreemdeling die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezit en verblijft in of zich begeeft naar het Rijk.
  § 3. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende maximaal drie maanden in het Rijk te verblijven zonder andere voorwaarden of formaliteiten te vervullen dan vermeld in artikel 41, eerste lid.
  § 4. Iedere burger van de Unie heeft het recht gedurende meer dan drie maanden in het Rijk te verblijven indien hij de in artikel 41, eerste lid, bedoelde voorwaarde vervult en hij :
  1° hetzij in het Rijk werknemer of zelfstandige is of het Rijk binnenkomt om werk te zoeken, zolang hij kan bewijzen dat hij nog werk zoekt en een reële kans maakt om te worden aangesteld;
  2° hetzij voor zichzelf over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en over een verzekering beschikt die de ziektekosten in het Rijk volledig dekt;
  3° hetzij is ingeschreven aan een georganiseerde, erkende of gesubsidieerde onderwijsinstelling om er als hoofdbezigheid een studie, daaronder begrepen een beroepsopleiding, te volgen en indien hij beschikt over een verzekering die de ziektekosten in het Rijk volledig dekt, en hij door middel van een verklaring of van een gelijkwaardig middel van zijn keuze de zekerheid verschaft dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt om te voorkomen dat hij tijdens zijn verblijf ten laste komt van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk.
  De in het eerste lid, 2° en 3°, bedoelde bestaansmiddelen moeten minstens gelijk zijn aan het inkomstenniveau onder hetwelk sociale bijstand kan worden verleend. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij ondermeer rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.
  De Koning bepaalt de gevallen waarbij de burger van de Unie geacht wordt de voorwaarde van voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in het eerste lid, 2°, te vervullen.
Art.19. L'article 40 de la même loi, remplacé par la loi du 6 mai 1993, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 40. - § 1er. Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans les lois ou les règlements européens dont le citoyen de l'Union pourrait se prévaloir, les dispositions ci-après lui sont applicables.
  § 2. Pour l'application de la présente loi, un citoyen de l'Union est un étranger qui possède la nationalité d'un Etat membre de l'Union européenne et qui séjourne ou se rend dans le Royaume.
  § 3. Tout citoyen de l'Union a le droit de séjourner dans le Royaume pour une période de trois mois au maximum sans autres conditions ou formalités que celles mentionnées à l'article 41, alinéa 1er.
  § 4. Tout citoyen de l'Union a le droit de séjourner dans le Royaume pour une période de plus de trois mois s'il remplit la condition prévue à l'article 41, alinéa 1er et :
  1° s'il est un travailleur salarié ou non salarié dans le Royaume ou s'il entre dans le Royaume pour chercher un emploi, tant qu'il est en mesure de faire la preuve qu'il continue à chercher un emploi et qu'il a des chances réelles d'être engagé;
  2° ou s'il dispose pour lui-même de ressources suffisantes afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour, et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques dans le Royaume;
  3° ou s'il est inscrit dans un établissement d'enseignement organisé, reconnu ou subsidié pour y suivre à titre principal des études, en ce compris une formation professionnelle, et s'il dispose d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques dans le Royaume et assure par déclaration ou par tout autre moyen équivalent de son choix, qu'il dispose de ressources suffisantes afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de son séjour.
  Les ressources suffisantes visées à l'alinéa 1er, 2° et 3°, doivent au moins correspondre au niveau de revenus sous lequel la personne concernée peut bénéficier d'une aide sociale. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle du citoyen de l'Union, qui englobe notamment la nature et la régularité de ses revenus et le nombre de membres de la famille qui sont à sa charge.
  Le Roi fixe les cas dans lesquels le citoyen de l'Union est considéré comme remplissant la condition de ressources suffisantes visée à l'alinéa 1er, 2°.
Art.20. In dezelfde wet wordt een artikel 40bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 40bis. - § 1. Onverminderd de meer voordelige bepalingen vervat in wetten of Europese verordeningen waarop de familieleden van de burger van de Unie zouden kunnen aanspraak maken, zijn de hiernavolgende bepalingen op hen van toepassing.
  § 2. Als familielid van de burger van de Unie worden beschouwd :
  1° de echtgenoot of de vreemdeling waarmee een geregistreerd partnerschap werd gesloten dat beschouwd wordt als zijnde gelijkwaardig met het huwelijk in België, die hem begeleidt of zich bij hem voegt;
  2° de partner, die hem begeleidt of zich bij hem voegt, met wie de burger van de Unie overeenkomstig een wet een geregistreerd partnerschap heeft gesloten, voorzover het gaat om een naar behoren geattesteerde duurzame en stabiele relatie die al minstens een jaar duurt, zij beiden ouder dan 21 jaar en ongehuwd zijn en geen duurzame relatie hebben met een andere persoon;
  3° de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° en 2°, beneden de leeftijd van 21 jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen;
  4° de bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° en 2°, die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen.
  De Koning bepaalt bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de criteria inzake de stabiele relatie tussen de partners, bedoeld in 2°. De minimumleeftijd van de twee partners bedoeld in 2° wordt teruggebracht tot 18 jaar, wanneer zij het bewijs leveren dat zij voor de aankomst in het Rijk van de vreemdeling die vervoegd wordt, reeds tenminste een jaar samengewoond hebben.
  De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de gevallen waarbij een partnerschap dat geregistreerd werd op basis van een vreemde wet, moet beschouwd worden als zijnde gelijkwaardig met een huwelijk in België.
  § 3. De in § 2 bedoelde familieleden die burger van de Unie zijn, hebben het recht de in artikel 40, § 3, bedoelde burger van de Unie te begeleiden of zich bij hem te voegen voorzover zij de in artikel 41, eerste lid, bedoelde voorwaarde vervullen. Indien het familieleden betreft die geen burger van de Unie zijn, moeten zij de in artikel 41, tweede lid, bedoelde voorwaarde vervullen.
  § 4. De in § 2 bedoelde familieleden die burger van de Unie zijn, hebben het recht de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde burger van de Unie te begeleiden of zich bij hem te voegen voor een periode van meer dan drie maanden voor zover zij de in artikel 41, eerste lid, bedoelde voorwaarde vervullen. Indien het familieleden betreft die geen burger van de Unie zijn, moeten zij de in artikel 41, tweede lid, bedoelde voorwaarde vervullen.
  De in artikel 40, § 4, eerste lid, 2°, bedoelde burger van de Unie moet dan tevens het bewijs leveren dat hij over voldoende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat de in § 2 bedoelde familieleden tijdens zijn verblijf ten laste komen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk, en dat hij over een verzekering beschikt die de ziektekosten van zijn familieleden in het Rijk volledig dekt. In het kader van de evaluatie van de bestaansmiddelen wordt rekening gehouden met de persoonlijke situatie van de burger van de Unie, waarbij ondermeer rekening gehouden wordt met de aard en de regelmaat van diens inkomsten en met het aantal familieleden die te zijnen laste zijn.
  De in artikel 40, § 4, eerste lid, 3°, bedoelde burger van de Unie kan zich enkel laten begeleiden of vervoegen door de in § 2, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde familieleden, alsmede door zijn kinderen of door de kinderen van de familieleden bedoeld in 1° en 2° die te zijnen laste zijn, voorzover zij al naargelang het geval voldoen aan de in artikel 41, eerste lid of tweede lid bedoelde voorwaarde. ".
Art.20. Un article 40bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 40bis. - § 1er. Sans préjudice de dispositions plus favorables contenues dans les lois ou les règlements européens dont les membres de famille du citoyen de l'Union pourraient se prévaloir, les dispositions ci-après leur sont applicables.
  § 2. Sont considérés comme membres de famille du citoyen de l'Union :
  1° le conjoint ou l'étranger avec lequel il est lié par un partenariat enregistré considéré comme équivalent à un mariage en Belgique, qui l'accompagne ou le rejoint;
  2° le partenaire auquel le citoyen de l'Union est lié par un partenariat enregistré conformément à une loi, et qui l'accompagne ou le rejoint, pour autant qu'il s'agisse d'une relation durable et stable d'au moins un an dûment établie, qu'ils soient tous deux âgés de plus de 21 ans et célibataires et n'aient pas de relation durable avec une autre personne;
  3° ses descendants et les descendants de son conjoint ou partenaire visé aux 1° ou 2°, âgés de moins de 21 ans ou qui sont à leur charge, qui les accompagnent ou les rejoignent;
  4° ses ascendants et les ascendants de son conjoint ou partenaire visé aux 1° ou 2°, qui sont à leur charge, qui les accompagnent ou les rejoignent.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des ministres, les critères établissant la stabilité de la relation entre les partenaires, visés au 2°. L'âge minimum des deux partenaires fixé au 2° est ramené à 18 ans, lorsqu'ils peuvent apporter la preuve d'une cohabitation d'au moins un an avant l'arrivée de l'étranger rejoint dans le Royaume.
  Le Roi fixe, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, les cas dans lesquels un partenariat enregistré sur la base d'une loi étrangère doit être considéré comme équivalent à un mariage en Belgique.
  § 3. Les membres de famille visés au § 2 qui sont citoyens de l'Union ont le droit d'accompagner ou de rejoindre le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 3, pour autant qu'ils remplissent la condition énoncée à l'article 41, alinéa 1er. Les membres de famille qui ne sont pas citoyens de l'Union doivent remplir la condition fixée à l'article 41, alinéa 2.
  § 4. Les membres de famille visés au § 2 qui sont citoyens de l'Union ont le droit d'accompagner ou de rejoindre le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et 2°, pour une période de plus de trois mois pour autant qu'ils remplissent la condition fixée à l'article 41, alinéa 1er. Les membres de famille qui ne sont pas citoyens de l'Union doivent remplir la condition fixée à l'article 41, alinéa 2.
  Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2°, doit également apporter la preuve qu'il dispose de ressources suffisantes afin que les membres de sa famille visés au § 2 ne deviennent pas une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de leur séjour, et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques pour les membres de sa famille dans le Royaume. Dans le cadre de l'évaluation des ressources, il est tenu compte de la situation personnelle du citoyen de l'Union, qui englobe notamment la nature et la régularité de ses revenus et le nombre de membres de la famille qui sont à sa charge.
  Le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 3°, peut être accompagné ou rejoint uniquement par les membres de famille visés au § 2, alinéa 1er, 1° et 2°, ainsi que par ses enfants ou par les enfants des membres de famille visés aux 1° et 2°, qui sont à sa charge, pour autant qu'ils satisfassent, selon le cas, à la condition de l'article 41, alinéa 1er ou 2. "
Art.21. In dezelfde wet wordt een artikel 40ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 40ter. - De bepalingen van dit hoofdstuk die van toepassing zijn op de familieleden van de burger van de Unie die hem begeleiden of zich bij hem voegen, zijn van toepassing op de familieleden van een Belg die hem begeleiden of zich bij hem voegen.
  Voor wat betreft de in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 4°, bedoelde bloedverwanten in opgaande lijn, moet de Belgische onderdaan aantonen dat hij over stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen beschikt om te voorkomen dat zij tijdens het verblijf in het Rijk ten laste vallen van de openbare overheden en dat hij over een ziektekostenverzekering beschikt die de risico's van de betrokken familieleden in België dekt. "
Art.21. Un article 40ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 40ter. - Les dispositions de ce chapitre qui sont applicables aux membres de la famille du citoyen de l'Union qu'ils accompagnent ou rejoignent, sont applicables aux membres de la famille d'un Belge qu'ils accompagnent ou rejoignent.
  En ce qui concerne les ascendants visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 4°, le Belge doit démontrer qu'il dispose de moyens de subsistance stables, réguliers et suffisants pour qu'ils ne deviennent pas une charge pour les pouvoirs publics pendant leur séjour dans le Royaume, ainsi que d'une assurance maladie couvrant les risques en Belgique pour les membres de la famille visés. "
Art.22. In artikel 41 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste en tweede lid worden vervangen als volgt :
  " Het recht op binnenkomst wordt erkend aan de burger van de Unie op overlegging van een identiteitskaart of van een geldig nationaal paspoort of indien hij op een andere wijze kan laten vaststellen of bewijzen dat hij het recht van vrij verkeer en verblijf geniet.
  De familieleden van de burger van de Unie bedoeld in artikel 40bis, § 2, die geen burger van de Unie zijn, moeten houder zijn van de documenten die krachtens artikel 2 vereist zijn, dan wel op een andere wijze laten vaststellen of bewijzen dat ze het recht van vrij verkeer en verblijf genieten. Indien de betrokken familieleden houder zijn van een verblijfskaart, verstrekt op basis van de richtlijn 2004/38/EG van 29 april 2004, zijn zij vrijgesteld van de visumplicht. ";
  2° het artikel wordt aangevuld als volgt :
  " Indien de burger van de Unie niet in het bezit is van een identiteitskaart of geldig nationaal paspoort of indien de familieleden van de burger van de Unie, die geen burger van de Unie zijn, niet beschikken over de in artikel 2 bedoelde documenten, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies. "
Art.22. A l'article 41 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° les alinéas 1er et 2 sont remplacés par les dispositions suivantes :
  " Le droit d'entrée est reconnu au citoyen de l'Union sur présentation d'une carte d'identité ou d'un passeport national en cours de validité, ou s'il peut faire constater ou prouver d'une autre façon sa qualité de bénéficiaire du droit de circuler et de séjourner librement.
  Les membres de la famille du citoyen de l'Union visé à l'article 40bis, § 2, qui ne sont pas citoyens de l'Union, doivent être porteurs des document requis en vertu de l'article 2, ou faire confirmer ou prouver par d'autres moyens leur qualité de bénéficiaires du droit de circuler et de séjourner librement. Si les membres de la famille concernés sont titulaires d'une carte de séjour délivrée sur la base de la directive 2004/38/CE du 29 avril 2004, ils ne sont pas soumis à l'obligation de visa. " ;
  2° l'article est complété par l'alinéa suivant :
  " Lorsque le citoyen de l'Union n'est pas en possession d'une carte d'identité ou d'un passeport national en cours de validité, ou lorsque les membres de la famille du citoyen de l'Union, qui ne sont pas citoyens de l'Union, ne disposent pas des documents visés à l'article 2, le ministre ou son délégué peut leur infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies. ".
Art.23. Artikel 41bis, van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 41bis. - De burger van de Unie die naar België komt voor een verblijf van ten hoogste drie maanden en zijn familieleden die hem begeleiden of vervoegen, die niet logeren in een logementshuis dat onder- worpen is aan de wetgeving betreffende de controle op de reizigers, moeten hun aanwezigheid op het grondgebied binnen de tien werkdagen nadat zij het Rijk zijn binnengekomen melden bij het gemeentebestuur van de plaats waar zij verblijven, tenzij zij behoren tot één der categorieën van vreemdelingen die de Koning van deze verplichting heeft vrijgesteld.
  De Koning bepaalt het model van attest dat uitgereikt wordt ten bewijze van deze melding van aanwezigheid. Indien de aanwezigheid niet binnen de in het eerste lid voorziene periode gemeld werd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies. ".
Art.23. L'article 41bis de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 41bis. - Le citoyen de l'Union qui vient en Belgique pour un séjour n'excédant pas trois mois et les membres de sa famille qui l'accompagnent ou le rejoignent, qui ne logent pas dans une maison d'hébergement soumise à la législation relative au contrôle des voyageurs, sont tenus de signaler leur présence sur le territoire à l'administration communale du lieu où ils résident dans les dix jours ouvrables de leur entrée dans le Royaume, à moins qu'ils n'appartiennent à l'une des catégories d'étrangers que le Roi a dispensées de cette obligation.
  Le Roi détermine le modèle de l'attestation qui est délivrée en tant que preuve de cette déclaration de présence. Si la présence n'est pas signalée dans le délai prévu à l'alinéa 1er, le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies. "
Art.24. In dezelfde wet wordt een artikel 41ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 41ter. - § 1. Behoudens voor de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, bedoelde burger van de Unie, kan er door de minister of zijn gemachtigde een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie, dat hem erkend werd op grond van artikel 40, § 3, indien hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk.
  § 2. Behoudens voor de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, bedoelde burger van de Unie en zijn familieleden, kan er door de minister of zijn gemachtigde een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie, dat hem erkend werd op grond van artikel 40, § 3, en aan het verblijfsrecht van zijn familieleden, dat hun erkend werd op grond van artikel 40bis, § 3, indien de familieleden van de burger van de Unie een onredelijke belasting vormen voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk. ".
Art.24. Un article 41ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 41ter. - § 1er. Sauf en ce qui concerne le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour du citoyen de l'Union qui lui est reconnu sur la base de l'article 40, § 3, lorsqu'il constitue une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume.
  § 2. Sauf en ce qui concerne le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et les membres de sa famille, le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour du citoyen de l'Union qui lui est reconnu sur la base de l'article 40, § 3, et au droit de séjour des membres de sa famille qui leur est reconnu sur la base de l'article 40bis, § 3, lorsque ceux-ci constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume. "
Art.25. Artikel 42 van dezelfde wet wordt vervangen als volgt :
  " Art. 42. - § 1. Het recht op een verblijf van meer dan drie maanden in het Rijk wordt erkend aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen.
  § 2. Voor de burgers van de Unie wordt het recht op verblijf van meer dan drie maanden geconstateerd door een verklaring van inschrijving. Zij worden al naargelang het geval ingeschreven in het vreemdelingenregister of in het bevolkingsregister.
  § 3. Voor de familieleden van de burger van de Unie die zelf geen burgers van de Unie zijn, wordt het recht op verblijf geconstateerd door een verblijfsvergunning. Zij worden ingeschreven in het vreemdelingenregister. De geldigheidsduur van deze verblijfsvergunning is gelijk aan de voorziene periode van verblijf van de burger van de Unie die zij begeleiden of vervoegen en bedraagt ten hoogste vijf jaar vanaf de datum van afgifte.
  § 4. De verklaring van inschrijving en de verblijfsvergunning worden afgegeven volgens de modaliteiten door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen.
  Zij moeten ten laatste worden aangevraagd bij het verstrijken van een periode van drie maanden na de datum van binnenkomst bij het gemeentebestuur van de plaats waar men verblijft. Indien na het verstrijken van deze periode, geen verklaring van inschrijving of verblijfsvergunning wordt aangevraagd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies. ".
Art.25. L'article 42 de la même loi est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 42. - § 1er. Le droit de séjour de plus de trois mois dans le Royaume est reconnu au citoyen de l'Union et aux membres de sa famille qui sont dans les conditions et pour la durée déterminées par le Roi, conformément aux règlements et directives européens.
  § 2. Le droit de séjour de plus de trois mois des citoyens de l'Union est constaté par une déclaration d'inscription. Ils sont inscrits, selon le cas, dans le registre des étrangers ou dans le registre de la population.
  § 3. Le droit de séjour des membres de famille du citoyen de l'Union, qui ne sont pas eux-mêmes citoyens de l'Union, est constaté par un titre de séjour. Ils sont inscrits au registre des étrangers. La durée de validité du titre de séjour est égale à la durée prévue du séjour du citoyen de l'Union qu'ils accompagnent ou rejoignent, et n'excède pas cinq ans à partir de la date de sa délivrance.
  § 4. La déclaration d'inscription et le titre de séjour sont délivrés selon les modalités fixees par le Roi, conformément aux règlements et directives européens.
  Ils doivent être demandes au plus tard à l'expiration de la période de trois mois suivant la date d'entree, auprès de l'administration communale du lieu de leur résidence. Lorsqu' à l'expiration de cette période, aucune déclaration d'inscription ou aucun titre de séjour n'a été demandé, le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies. ".
Art.26. In dezelfde wet wordt een artikel 42bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 42bis. - § 1. Er kan een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie door de minister of zijn gemachtigde indien hij niet meer voldoet aan de in artikel 40, § 4, en de in artikel 40bis, § 4, tweede lid, bedoelde voorwaarden of, voor de in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen, indien hij een onredelijke belasting vormt voor het sociale bijstandstelsel van het Rijk. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan.
  § 2. Een burger van de Unie behoudt evenwel het verblijfsrecht zoals voorzien in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, in de volgende gevallen :
  1° hij is als gevolg van ziekte of ongeval tijdelijk arbeidsongeschikt;
  2° hij bevindt zich, na ten minste één jaar te hebben gewerkt, in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsbemiddeling ingeschreven;
  3° hij bevindt zich in een toestand van naar behoren vastgestelde onvrijwillige werkloosheid na afloop van een tijdelijke arbeidsovereenkomst van minder dan één jaar of hij is in de eerste twaalf maanden onvrijwillig werkloos geworden en heeft zich als werkzoekende bij de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening ingeschreven. In dit geval blijft het statuut van werknemer ten minste zes maanden behouden;
  4° hij start met een beroepsopleiding. Behalve in geval van onvrijwillige werkloosheid is voor het behoud van het statuut van werknemer in dit geval een verband vereist tussen de voorafgaande beroepsactiviteit en deze opleiding. ".
Art.26. Un article 42bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 42bis. - § 1er. Le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour du citoyen de l'Union lorsqu'il ne satisfait plus aux conditions fixées à l'article 40, § 4, et à l'article 40bis, § 4, alinéa 2, ou, dans les cas visés à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° et 3°, lorsqu'il constitue une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume. Le ministre ou son délégué peut, si nécessaire, vérifier si les conditions pour l'exercice du droit de séjour sont respectées.
  § 2. Un citoyen de l'Union conserve cependant le droit de séjour prévu à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, dans les cas suivants :
  1° s'il a été frappé par une incapacité de travail temporaire résultant d'une maladie ou d'un accident;
  2° s'il se trouve en chômage involontaire dûment constaté après avoir été employé au moins un an et s'est fait enregistrer en qualité de demandeur d'emploi auprès du service de l'emploi compétent;
  3° s'il se trouve en chômage involontaire dûment constaté à la fin de son contrat de travail à durée determinée inférieure à un an ou après avoir été involontairement au chômage pendant les douze premiers mois et s'est fait enregistrer en qualité de demandeur d'emploi auprès du service de l'emploi compétent. Dans ce cas, il conserve le statut de travailleur pendant au moins six mois;
  4° s'il entreprend une formation professionnelle. A moins que l'intéressé ne se trouve en situation de chômage involontaire, le maintien de la qualité de travailleur suppose qu'il existe une relation entre la formation et l'activité professionnelle antérieure. ".
Art.27. In dezelfde wet wordt een artikel 42ter ingevoegd, luidende :
  " Art. 42ter. - § 1. Tenzij de familieleden van een burger van de Unie die zelf burger van de Unie zijn, zelf een verblijfsrecht uitoefenen als bedoeld in artikel 40, § 4, of opnieuw voldoen aan de in artikel 40bis, § 2, bedoelde voorwaarden, kan er gedurende de eerste twee jaar van hun verblijf in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie, een einde gesteld worden aan hun verblijfsrecht door de minister of zijn gemachtigde in de volgende gevallen :
  1° er wordt op basis van artikel 42bis, § 1, een einde gesteld aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben;
  2° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, vertrekt uit het Rijk;
  3° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, overlijdt;
  4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden of nietig verklaard, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;
  5° de familieleden van een burger van de Unie bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, vormen een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk.
  In de loop van het derde jaar van hun verblijf als familielid van de burger van de Unie, vermeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° en 2°, volstaat de motivering gebaseerd op een in het eerste lid bedoeld element enkel indien zij aangevuld wordt met elementen die wijzen op een schijnsituatie. Hetzelfde geldt voor de familieleden van een burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 3°, in de loop van het derde tot het vijfde jaar van hun verblijf.
  § 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen zijn niet van toepassing op kinderen van de burger van de Unie die in het Rijk verblijven en aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven alsmede op de ouder die de bewaring heeft van de kinderen, dit tot hun studie voltooid is.
  § 3. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan.
Art.27. Un article 42ter, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 42ter. - § 1er. A moins que les membres de famille d'un citoyen de l'Union qui sont eux-mêmes citoyens de l'Union, bénéficient eux-mêmes d'un droit de séjour tel que visé a l'article 40, § 4, ou satisfassent à nouveau aux conditions visées à l'article 40bis, § 2, le ministre ou son délégué peut mettre fin à leur droit de sejour durant les deux premières années de leur séjour en tant que membre de la famille du citoyen de l'Union, dans les cas suivants :
  1° il est mis fin au droit de séjour du citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint, sur la base de l'article 42bis, § 1er;
  2° le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint quitte le Royaume;
  3° le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint décède;
  4° leur mariage avec le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint est dissous ou annulé, il est mis fin au partenariat enregistré visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°, ou il n'y a plus d'installation commune;
  5° les membres de la famille d'un citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° ou 3°, constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume.
  Au cours de la troisième année de leur séjour en tant que membre de la famille du citoyen de l'Union, visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et 2°, une motivation basée sur l'élément visé à l'alinéa 1er ne sera suffisante que si cet élément est complété par des éléments indiquant une situation de complaisance. Les memes règles s'appliquent pour les membres de la famille d'un citoyen de l'Union, visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 3°, au cours de la troisième jusqu'à la cinquième année de leur séjour.
  § 2. Les cas visés au § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, ne sont pas applicables aux enfants du citoyen de l'Union qui séjournent dans le Royaume et sont inscrits dans un établissement d'enseignement ni au parent qui a la garde des enfants jusqu'à la fin de leurs etudes.
  § 3. Le ministre ou son délégué peut si nécessaire vérifier si les conditions de l'exercice du droit de séjour sont respectées.
Art.28. In dezelfde wet wordt een artikel 42quater ingevoegd, luidende :
  " Art. 42quater. - § 1. Er kan gedurende de eerste twee jaar van hun verblijf in de hoedanigheid van familielid van de burger van de Unie een einde gesteld worden aan het verblijfsrecht van de familieleden van een burger van de Unie die zelf geen burger van de Unie zijn, door de minister of zijn gemachtigde in de volgende gevallen :
  1° er wordt, op basis van artikel 42bis, § 1, een einde gesteld aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben;
  2° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, vertrekt uit het Rijk;
  3° de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, overlijdt;
  4° het huwelijk met de burger van de Unie die zij begeleid of vervoegd hebben, wordt ontbonden of nietig verklaard, het geregistreerd partnerschap dat aangegaan werd, zoals bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, wordt beëindigd, of er is geen gezamenlijke vestiging meer;
  5° de familieleden van een burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 2° of 3°, vormen een onredelijke belasting voor het sociale bijstandsstelsel van het Rijk.
  In de loop van het derde jaar van hun verblijf als familielid van de burger van de Unie, vermeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° en 2°, volstaat de motivering, gebaseerd op een in het eerste lid bedoeld element, enkel indien zij aangevuld wordt met elementen die wijzen op een schijnsituatie. Hetzelfde geldt voor familieleden van de burger van de Unie, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 3°, in de loop van het derde tot het vijfde jaar van hun verblijf.
  § 2. De in § 1, eerste lid, 2° en 3°, bedoelde gevallen zijn niet van toepassing op kinderen van de burger van de Unie die in het Rijk verblijven en aan een onderwijsinstelling zijn ingeschreven alsmede op de ouder die de bewaring heeft van de kinderen, dit tot hun studie voltooid is.
  § 3. Het in § 1, eerste lid, 3°, bedoelde geval is niet van toepassing op de familieleden die ten minste één jaar in het Rijk verbleven hebben in de hoedanigheid van een familielid van de burger van de Unie, en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen zoals bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en te beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid te zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
  § 4. Onder voorbehoud van het bepaalde in § 5 is het in § 1, eerste lid, 4°, bedoelde geval niet van toepassing indien :
  1° hetzij het huwelijk, het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging bij de aanvang van de gerechtelijke procedure tot ontbinding of nietigverklaring van het huwelijk of bij de beëindiging van het geregistreerd partnerschap of de gezamenlijke vestiging, ten minste drie jaar heeft geduurd, waarvan minstens één jaar in het Rijk;
  2° hetzij het recht van bewaring van de kinderen van de burger van de Unie, die in het Rijk verblijven, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of de partners, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner die geen burger van de Unie is;
  3° hetzij het omgangsrecht met een minderjarig kind, bij overeenkomst tussen de echtgenoten of partners als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° of 2°, dan wel bij gerechtelijke beslissing is toegewezen aan de echtgenoot of partner, bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, die geen burger van de Unie is en de rechter heeft bepaald dat dit recht van bewaring moet uitgeoefend worden in het Rijk en dit zolang het nodig is;
  4° hetzij bijzonder schrijnende situaties dit rechtvaardigen, bijvoorbeeld indien het familielid tijdens het huwelijk of het geregistreerd partnerschap als bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1° en 2°, het slachtoffer is geweest van huiselijk geweld;
  en voor zover betrokkenen aantonen werknemer of zelfstandige te zijn in België, of voor zichzelf en hun familieleden te beschikken over voldoende bestaansmiddelen, bedoeld in artikel 40, § 4, tweede lid, om te voorkomen dat zij tijdens hun verblijf ten laste vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk en beschikken over een ziektekostenverzekering die alle risico's in België dekt, of lid zijn van een in het Rijk gevormde familie van een persoon die aan deze voorwaarden voldoet.
  § 5. De minister of zijn gemachtigde kan zonodig controleren of aan de naleving van de voorwaarden voor de uitoefening van het verblijfsrecht is voldaan. "
Art.28. Un article 42quater, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 42quater. - § 1er. Durant les deux premières années de leur séjour en tant que membre de la famille du citoyen de l'Union, le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour des membres de famille d'un citoyen de l'Union qui ne sont pas eux-mêmes citoyens de l'Union, dans les cas suivants :
  1° il est mis fin au droit de séjour du citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint, sur la base de l'article 42bis, § 1er;
  2° le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint quitte le Royaume;
  3° le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagné ou rejoint décède;
  4° leur mariage avec le citoyen de l'Union qu'ils ont accompagne ou rejoint est dissous ou annulé, il est mis fin au partenariat enregistré visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°, ou il n'y a plus d'installation commune;
  5° les membres de la famille d'un citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 2° ou 3°, constituent une charge déraisonnable pour le système d'aide sociale du Royaume.
  Au cours de la troisième année de leur séjour en tant que membre de la famille du citoyen de l'Union, visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et 2°, une motivation basée sur l'élément visé à l'alinéa 1er ne sera suffisante que si cet élément est complété par des éléments qui indiquent une situation de complaisance. Les mêmes règles s'appliquent pour les membres de la famille d'un citoyen de l'Union, visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 3°, au cours de la troisième jusqu'à la cinquième année de leur séjour.
  § 2. Les cas visés au § 1er, alinéa 1er, 2° et 3°, ne sont pas applicables aux enfants du citoyen de l'Union qui séjournent dans le Royaume et sont inscrits dans un établissement d'enseignement ni au parent qui a la garde des enfants jusqu'à la fin de leurs études.
  § 3. Le cas visé au § 1er, alinéa 1er, 3°, n'est pas applicable aux membres de famille qui ont séjourné au moins un an dans le Royaume, pour autant qu'ils prouvent qu'ils sont travailleurs salariés ou non salariés en Belgique, ou qu'ils disposent pour eux-memes et pour leurs membres de famille de ressources suffisantes telles que fixées à l'article 40, § 4, alinéa 2, afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume, et d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique, ou qu'ils sont membres d'une famille déjà constituée dans le Royaume d'une personne répondant à ces conditions.
  § 4. Sans préjudice du § 5, le cas visé au § 1er, alinéa 1er, 4°, n'est pas applicable :
  1° lorsque le mariage, le partenariat enregistré ou l'installation commune a duré, au début de la procédure judiciaire de dissolution ou d'annulation du mariage ou lors de la cessation du partenariat enregistre ou de l'installation commune, trois ans au moins, dont au moins un an dans le Royaume;
  2° ou lorsque le droit de garde des enfants du citoyen de l'Union qui séjournent dans le Royaume a été accordé au conjoint ou au partenaire qui n'est pas citoyen de l'Union par accord entre les conjoints ou les partenaires visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°, ou par décision judiciaire;
  3° ou lorsque le droit de visite d'un enfant mineur a été accordé au conjoint ou au partenaire visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°, qui n'est pas citoyen de l'Union, par accord entre les conjoints ou les partenaires visés à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°, ou par décision judiciaire, et que le juge a déterminé que ce droit de garde doit être exercé dans le Royaume et cela aussi longtemps que nécessaire;
  4° ou lorsque des situations particulièrement difficiles l'exigent, par exemple, le fait d'avoir été victime de violence domestique dans le cadre du mariage ou du partenariat enregistré visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1° ou 2°;
  et pour autant que les personnes concernées démontrent qu'elles sont travailleurs salariés ou non salariés en Belgique, ou qu'elles disposent de ressources suffisantes visés à l'article 40, § 4, alinéa 2, pour elles-mêmes et pour les membres de leur famille, afin de ne pas devenir une charge pour le système d'aide sociale du Royaume au cours de leur séjour, et qu'elles disposent d'une assurance maladie couvrant l'ensemble des risques en Belgique, ou qu'elles soient membres d'une famille déjà constituée dans le Royaume d'une personne répondant à ces conditions.
  § 5. Le ministre ou son délégué peut si nécessaire vérifier si les conditions du droit de séjour sont respectées. ".
Art.29. In dezelfde wet wordt een artikel 42quinquies ingevoegd, luidende :
  " Art. 42quinquies. - § 1. Onverminderd artikel 42sexies en voorzover er geen procedure hangende is voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig artikel 39/79, wordt een duurzaam recht op verblijf erkend aan de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° en 2°, bedoelde burger van de Unie en zijn familieleden, voorzover zij gedurende een ononderbroken periode van drie jaar in het Rijk verbleven hebben op grond van de bepalingen van onderhavig hoofdstuk.
  Familieleden die geen burger van de Unie zijn, kunnen het in het eerste lid bedoelde duurzaam recht slechts verkrijgen indien zij gedurende deze periode gezamenlijk gevestigd waren met de burger van de Unie. Deze voorwaarde inzake gezamenlijke vestiging geldt niet voor de familieleden die de in artikel 42quater, §§ 3 en 4 bedoelde voorwaarden vervullen, noch voor familieleden die hun verblijf behouden op grond van artikel 42quater, § 1, tweede lid.
  § 2. Voor de in artikel 40, § 4, eerste lid, 3°, bedoelde burger van de Unie en zijn familieleden wordt onder dezelfde voorwaarden als bepaald in § 1 een duurzaam recht op verblijf erkend met dien verstande dat een periode van vijf jaar geldt.
  § 3. Het ononderbroken karakter van het verblijf wordt niet beïnvloed door tijdelijke afwezigheden van niet meer dan zes maanden per jaar, door afwezigheden van langere duur voor de vervulling van militaire verplichtingen, door één afwezigheid van ten hoogste twaalf achtereenvolgende maanden om belangrijke redenen, zoals zwangerschap en bevalling, ernstige ziekte, studie of beroepsopleiding, noch door uitzending om werkzaamheden te verrichten buiten het Rijk.
  § 4. Indien een procedure hangende is voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overeenkomstig artikel 39/79, wordt de erkenning van het duurzaam recht op verblijf geschorst in afwachting van de beslechting van deze procedure en van een definitieve beslissing van de minister of zijn gemachtigde.
  § 5. Op hun verzoek en na verificatie door de minister of zijn gemachtigde van de duur van het verblijf, wordt aan de burgers van de Unie een document uitgereikt ter staving van hun duurzaam recht op verblijf. Dit gebeurt conform de door de Koning bepaalde modaliteiten.
  § 6. Het duurzaam recht op verblijf voor de familieleden die geen burger van de Unie zijn, wordt geconstateerd door de afgifte van een verblijfskaart. Zij worden ingeschreven in het bevolkingsregister.
  Deze verblijfskaart wordt afgegeven volgens de modaliteiten door de Koning bepaald overeenkomstig Europese verordeningen en richtlijnen.
  Zij moet worden aangevraagd voor het verstrijken van de geldigheidsduur van de in artikel 42, § 3, bedoelde verblijfsvergunning. Indien deze verblijfskaart niet tijdig wordt aangevraagd, kan er door de minister of zijn gemachtigde een administratieve geldboete van 200 euro geheven worden. Deze geldboete wordt geïnd overeenkomstig artikel 42octies.
  § 7. Wanneer een duurzaam recht op verblijf werd verkregen, kan het slechts worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het Rijk. ".
Art.29. Un article 42quinquies, rédigé comme suit, est insére dans la même loi :
  " Art. 42quinquies. - § 1er. Sans préjudice de l'article 42sexies et pour autant qu'il n'y ait pas de procédure en cours auprès du Conseil du Contentieux des étrangers conformément a l'article 39/79, un droit de sejour permanent est reconnu au citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° et 2°, et aux membres de sa famille, pour autant qu'ils aient séjourné sur la base des dispositions du présent chapitre dans le Royaume pendant une période ininterrompue de trois ans.
  Le droit de séjour permanent visé à l'alinéa 1er n'est reconnu aux membres de la famille du citoyen de l'Union qui ne sont pas citoyens de l'Union, que pour autant qu'il y ait eu installation commune pendant cette période avec le citoyen de l'Union. Cette condition d'installation commune n'est pas applicable aux membres de la famille qui remplissent les conditions visées à l'article 42quater, §§ 3 et 4, ni aux membres de la famille qui conservent leur séjour sur la base de l'article 42quater, § 1er, alinéa 2.
  § 2. Le droit de séjour permanent est reconnu au citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 3°, et aux membres de sa famille aux mêmes conditions que celles définies au § 1er, etant entendu qu'une période de cinq ans s'applique.
  § 3. La continuité du séjour n'est pas affectée par des absences temporaires ne dépassant pas au total six mois par an, ni par des absences plus longues pour l'accomplissement d'obligations militaires ou par une absence de douze mois consécutifs au maximum pour des raisons importantes, telles qu'une grossesse et un accouchement, une maladie grave, des études ou une formation professionnelle, ou le détachement pour raisons professionnelles hors du Royaume.
  § 4. Lorsqu'une procédure est en cours devant le Conseil du Contentieux des étrangers conformément à l'article 39/79, la reconnaissance du droit de séjour permanent est suspendue en attendant la conclusion de cette procédure et la décision définitive du ministre ou de son délégué.
  § 5. A leur demande et après vérification de la durée de séjour par le ministre ou son délégué, un document attestant leur droit de séjour permanent est délivré aux citoyens de l'Union, selon les modalités fixées par le Roi.
  § 6. Le droit de séjour permanent des membres de familles qui ne sont pas citoyens de l'Union est constaté par la délivrance d'une carte de séjour. Ils sont inscrits dans le registre de la population.
  Cette carte de séjour est délivrée selon les modalités fixées par le Roi conformément aux règlements et directives européens.
  Elle doit être demandée avant l'expiration de la durée de validité du titre de séjour visé à l'article 42, § 3. Lorsque cette carte de séjour n'est pas demandée à temps, le ministre ou son délégué peut infliger une amende administrative de 200 euros. Cette amende est perçue conformément à l'article 42octies.
  § 7. Une fois acquis, le droit de séjour permanent ne se perd que par des absences du Royaume d'une durée supérieure à deux ans consécutifs. ".
Art.30. In dezelfde wet wordt een artikel 42sexies ingevoegd, luidende :
  " Art. 42sexies. - § 1. In afwijking op artikel 42quinquies wordt het duurzaam recht op verblijf alvorens de ononderbroken periode van drie jaar verblijf verstreken is, toegekend aan de volgende categorieën werknemers of zelfstandigen, bedoeld in artikel 40, § 4, eerste lid, 1° :
  1° de werknemer of zelfstandige die zijn werkzaamheid staakt als gevolg van blijvende arbeidsongeschiktheid, mits :
  a) hetzij hij meer dan twee jaar ononderbroken in het Rijk heeft verbleven;
  b) hetzij de arbeidsongeschiktheid het gevolg is van een arbeidsongeval of een beroepsziekte waardoor recht ontstaat op een uitkering die geheel of ten dele ten laste komt van een instelling van het Rijk;
  c) hetzij zijn echtgenoot of partner bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1°, een Belgische onderdaan is;
  2° de werknemer of zelfstandige die op het tijdstip waarop hij zijn werkzaamheid staakt, de wettelijke leeftijd heeft bereikt waarop hij aanspraak kan maken op een ouderdomspensioen, of de werknemer die zijn bezoldigde werkzaamheid staakt ten gevolge van vervroegde uittreding, mits hun echtgenoot of partner bedoeld in artikel 40bis, § 2, eerste lid, 1°, een Belgische onderdaan is.
  De tijdvakken van onvrijwillige werkloosheid, die naar behoren zijn vastgesteld door de bevoegde dienst voor arbeidsvoorziening en waarin de betrokkene wegens een aan hem niet-toerekenbare reden niet heeft gewerkt, of perioden van afwezigheid of onderbreking van de werkzaamheid wegens ziekte of ongeval, worden als tijdvakken van werkzaamheid beschouwd.
  § 2. De familieleden van de in § 1 bedoelde burger van de Unie verkrijgen eveneens een duurzaam recht op verblijf.
  § 3. Wanneer de in artikel 40, § 4, eerste lid, 1°, bedoelde werknemer of zelfstandige overlijdt in de loop van zijn beroepsleven voordat hij op grond van § 1 het recht op duurzaam verblijf verkregen heeft, verwerven de familieleden die bij hem in het Rijk verblijven een duurzaam recht op verblijf indien :
  1° hetzij de werknemer of zelfstandige op het tijdstip van overlijden gedurende twee jaar ononderbroken in het Rijk verbleven heeft;
  2° hetzij het overlijden van de werknemer of zelfstandige het gevolg is geweest van een arbeidsongeval of beroepsziekte. ".
Art.30. Un article 42sexies, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 42sexies. - § 1er. Par dérogation à l'article 42quinquies, le droit de séjour permanent est accordé, avant l'expiration de la période ininterrompue de trois ans, aux catégories suivantes de travailleurs salariés ou non salariés visés à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1° :
  1° le travailleur salarié ou non salarié qui cesse d'exercer son activité à la suite d'une incapacité permanente de travail, à la condition :
  a) qu'il séjourne d'une façon continue dans le Royaume depuis plus de deux ans;
  b) ou que l'incapacité permanente de travail résulte d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle ouvrant le droit à une prestation entièrement ou partiellement à charge d'une institution du Royaume;
  c) ou que son conjoint ou partenaire visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1°, soit Belge;
  2° le travailleur salarié ou non salarié qui, lorsqu'il cesse d'exercer son activité, a atteint l'âge prévu par la législation pour faire valoir ses droits à une pension de vieillesse ou le travailleur qui cesse d'exercer une activité salariée à la suite d'une mise à la retraite anticipée, à condition que son conjoint ou partenaire visé à l'article 40bis, § 2, alinéa 1er, 1°, soit Belge.
  Les périodes de chômage involontaire, dument constatées par le service d'emploi compétent et durant lesquelles l'intéressé n'a pas travaillé pour des raisons qui ne lui sont pas imputables, ou les périodes d'absence ou d'interruption de travail pour maladie ou pour accident, sont considérées comme des périodes d'activité.
  § 2. Les membres de famille du citoyen de l'Union visé au § 1er obtiennent également un droit de séjour permanent.
  § 3. Lorsque le travailleur salarié ou non salarié visé à l'article 40, § 4, alinéa 1er, 1°, décède au cours de sa carrière professionnelle avant d'avoir acquis le droit de séjour permanent sur la base du § 1er, les membres de sa famille séjournant avec lui dans le Royaume acquièrent un droit de séjour permanent à la condition que :
  1° le travailleur salarié ou non salarié ait séjourné dans le Royaume durant deux ans de façon ininterrompue, au moment de son décès;
  2° ou que le décès du travailleur salarié ou non salarié soit la conséquence d'un accident de travail ou d'une maladie professionnelle. ".
Art.31. In dezelfde wet wordt een artikel 42septies ingevoegd, luidende :
  " Art. 42septies. - De minister of zijn gemachtigde kan een einde stellen aan het verblijfsrecht van de burger van de Unie of van zijn familieleden indien deze of dezen valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten hebben gebruikt of fraude gepleegd hebben of ander onwettige middelen gebruikt hebben die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van dit recht. ".
Art.31. Un article 42septies, rédige comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 42septies. - Le ministre ou son délégué peut mettre fin au droit de séjour du citoyen de l'Union ou des membres de sa famille lorsque celui-ci ou ceux-ci ont utilisé des informations fausses ou trompeuses ou des documents faux ou falsifiés, ou ont recouru à la fraude ou à d'autres moyens illégaux, qui ont été déterminants pour la reconnaissance de ce droit. ".
Art.32. In dezelfde wet wordt een artikel 42octies ingevoegd, luidende :
  " Art. 42octies. - § 1. De beslissing waarbij de administratieve geldboete, bedoeld in de artikelen 41, vierde lid, 41bis, tweede lid, 42, § 4, tweede lid, en 42quinquies, § 6, derde lid, wordt opgelegd is onmiddellijk uitvoerbaar, niettegenstaande hoger beroep.
  De administratieve geldboete kan betaald worden door middel van de consignatie van het verschuldigde bedrag bij de Deposito- en Consignatiekas.
  § 2. De burger van de Unie, of in voorkomend geval zijn familielid, die de beslissing van de minister of van diens gemachtigde betwist, stelt op straffe van verval binnen een termijn van één maand te rekenen van de kennisgeving van de beslissing, bij wege van een verzoekschrift beroep in bij de rechtbank van eerste aanleg.
  Indien de rechtbank van eerste aanleg het beroep ontvankelijk en gegrond verklaart, wordt de betaalde of in consignatie gegeven som teruggegeven.
  De rechtbank van eerste aanleg moet uitspraak doen binnen een maand te rekenen van de indiening van het in het eerste lid bedoelde verzoekschrift.
  De tekst van het eerste lid wordt opgenomen in de beslissing waarbij de administratieve geldboete wordt opgelegd.
  § 3. Indien de burger van de Unie of zijn familielid in gebreke blijft de geldboete te betalen, wordt de beslissing van de bevoegde ambtenaar of de in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechtbank van eerste aanleg ter kennis gebracht van de administratie van het Kadaster, Registratie en Domeinen, met het oog op de invordering van het bedrag van de administratieve geldboete.
  § 4. Indien de burger van de Unie of zijn familielid of diens vertegenwoordiger de som van de administratieve geldboete heeft geconsigneerd bij de Deposito- en Consignatiekas en indien hij binnen de hierboven vermelde termijn geen beroep heeft ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg, komt de in consignatie gegeven som ten goede aan de Staat. ".
Art.32. Un article 42octies, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 42octies. - § 1er. La décision imposant l'amende administrative, visée aux articles 41, alinéa 4, 41bis, alinéa 2, 42, § 4, alinéa 2, et 42quinquies, § 6, alinéa 3, est exécutable immédiatement, nonobstant tout recours.
  L'amende administrative peut être payée au moyen de la consignation du montant dû à la Caisse des Dépôts et Consignations.
  § 2. Le citoyen de l'Union, ou, le cas échéant, le membre de sa famille, qui conteste la décision du ministre ou de son délégué, introduit par une demande écrite un recours auprès du tribunal de première instance dans un délai d'un mois à compter de la notification de la décision, sous peine de déchéance.
  Si le tribunal de première instance déclare le recours recevable et fondé, la somme payée ou consignée est remboursée.
  Le tribunal de première instance doit statuer dans un mois à compter de l'introduction de la demande écrite visée à l'alinéa 1er.
  Le texte de l'alinéa 1er est repris dans la décision imposant l'amende administrative.
  § 3. Si le citoyen de l'Union ou le membre de sa famille reste en défaut de paiement de l'amende, la décision de l'agent compétent ou la décision passée en force de chose jugée du tribunal de première instance est portée à la connaissance de l'Administration du Cadastre, de l'Enregistrement et des Domaines, en vue du recouvrement du montant de l'amende administrative.
  § 4. Si le citoyen de l'Union, le membre de sa famille ou son représentant a consigné la somme de l'amende administrative à la Caisse des Dépôts et Consignations et s'il n'a pas introduit de recours auprès du tribunal de première instance dans le délai précité, la consignation donnée revient à l'Etat. ".
Art.33. In artikel 43 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in de inleidende zin van het eerste lid worden de woorden "de EG-vreemdeling" vervangen door de woorden "de burgers van de Unie en hun familieleden" en worden de woorden "openbare veiligheid" vervangen door de woorden "nationale veiligheid";
  2° het eerste lid, 2°, wordt vervangen als volgt :
  " 2° de om redenen van openbare orde of nationale veiligheid genomen maatregelen moeten in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het persoonlijk gedrag van de betrokkene. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregelen. Het gedrag van de betrokkene moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de samenleving vormen. Motiveringen die los staan van het individuele geval of die verband houden met algemene preventieve redenen mogen niet worden aangevoerd;";
  3° het eerste lid, 4°, wordt vervangen als volgt :
  " 4° alleen ziekten vermeld in de bij deze wet gevoegde lijst kunnen een weigering van binnenkomst of het verblijf rechtvaardigen. Het optreden van een ziekte later dan drie maanden na aankomst op het grondgebied kan geen reden voor verwijdering van het grondgebied vormen. " ;
  4° het artikel wordt aangevuld als volgt :
  " Om te beoordelen of de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid kan de minister of zijn gemachtigde bij de afgifte van de verklaring van inschrijving dan wel bij de afgifte van de verblijfskaart, zonodig de lidstaat van oorsprong en eventueel andere lidstaten, verzoeken om mededeling van de gerechtelijke antecedenten betreffende betrokkene en zonodig om een uittreksel uit het strafregister verzoeken.
  Indien ernstige aanwijzingen daartoe aanleiding geven, kan de minister of zijn gemachtigde personen die het verblijfsrecht genieten binnen drie maanden na de datum van binnenkomst zonodig aan een kosteloos medisch onderzoek onderwerpen met het oog op het afgeven van een verklaring dat zij niet lijden aan de in het eerste lid, 4°, bedoelde ziekten. ".
Art.33. A l'article 43 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° dans la phrase introductive de l'alinéa 1er, les mots "aux étrangers CE" sont remplacés par les mots "aux citoyens de l'Union et aux membres de leur famille", et les mots "sécurité publique" sont remplacés par les mots "sécurité nationale";
  2° l'alinéa 1er, 2°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 2° les mesures d'ordre public ou de sécurité nationale doivent respecter le principe de proportionnalité et être fondées exclusivement sur le comportement personnel de l'individu concerné. L'existence de condamnations pénales antérieures ne peut à elle seule motiver de telles mesures. Le comportement de la personne concernée doit représenter une menace réelle, actuelle et suffisamment grave pour un intérêt fondamental de la société. Des justifications non directement liées au cas individuel concerné ou tenant à des raisons de prévention générale ne peuvent être retenues;";
  3° l'alinéa 1er, 4°, est remplacé par la disposition suivante :
  " 4° Seules des maladies figurant dans la liste annexée à la présente loi peuvent justifier un refus d'accès ou de séjour. La survenance d'une maladie apres une période de trois mois suivant l'arrivée sur le territoire ne peut justifier l'éloignement du territoire. " ;
  4° l'article est complété par les alinéas suivants :
  " Afin de juger si l'intéressé représente un danger pour l'ordre public ou la sécurité nationale, le ministre ou son délégué peut, lors de la délivrance de la déclaration d'inscription ou lors de la délivrance de la carte de séjour, demander, si nécessaire, à l'Etat membre d'origine et éventuellement à d'autres Etats membres, la communication des antécédents judiciaires de l'intéressé et, le cas échéant, exiger la production d'un extrait de casier judiciaire.
  Lorsque des indices sérieux le justifient, le ministre ou son delégué peut, si nécessaire, soumettre les bénéficiaires du droit de séjour à un examen medical gratuit, dans les trois mois suivant leur arrivée, afin qu'il soit attesté qu'ils ne souffrent pas des maladies visées à l'alinéa 1er, 4°. ".
Art.34. Artikel 44bis van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996, wordt opgeheven.
Art.34. L'article 44bis de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996, est abrogé.
Art.35. Artikel 45 van dezelfde wet, vervangen bij de wet van 15 juli 1996, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 45. - § 1. Onverminderd de toepassing van artikel 42bis, kunnen de in artikel 40, § 4, bedoelde burger van de Unie en zijn in artikel 40bis, § 2, bedoelde familieleden die een recht op verblijf hebben in het kader van een verblijf voor minstens een jaar, slechts bij koninklijk besluit tot uitzetting en na het advies van de Commissie van advies voor vreedelingen van het grondgebied verwijderd worden.
  § 2. Behalve om ernstige redenen van openbare orde of nationale veiligheid, kunnen een burger van de Unie of zijn familieleden die een duurzaam recht op verblijf hebben verworven overeenkomstig artikel 42quinquies of 42sexies, niet uitgezet worden uit het Rijk.
  § 3. Behalve in geval van ernstige aanslag op de nationale veiligheid, kunnen al naargelang het geval niet uitgezet noch teruggewezen worden uit het Rijk :
  1° de burger van de Unie of zijn familieleden die de laatste tien jaar in het Rijk hebben verbleven;
  2° de burger van de Unie of zijn familieleden die de leeftijd van achttien jaar nog niet bereikt hebben, tenzij de verwijdering noodzakelijk is in het belang van de minderjarige, zoals bepaald in de toepasselijke internationale verdragen. ".
Art.35. L'article 45 de la même loi, remplacé par la loi du 15 juillet 1996, est remplace par la disposition suivante :
  " Art. 45. - § 1er. Sans préjudice de l'application de l'article 42bis, le citoyen de l'Union visé à l'article 40, § 4, et les membres de sa famille visés à l'article 40bis, § 2, qui ont un droit de séjour dans le cadre d'un séjour d'au moins un an, ne peuvent être éloignés du territoire que par arrêté royal d'expulsion, après avis de la Commission consultative des étrangers.
  § 2. Le citoyen de l'Union et les membres de sa famille qui ont obtenu un droit de séjour permanent, conformément à l'article 42quinquies ou 42sexies, ne peuvent être expulsés du Royaume que pour des raisons graves d'ordre public ou de sécurité nationale.
  § 3. Sauf en cas d'atteinte grave à la sécurité nationale, ne peuvent être, selon le cas, ni expulsés ni renvoyés du Royaume :
  1° le citoyen de l'Union ou les membres de sa famille qui ont séjourné dans le Royaume au cours des dix dernières années;
  2° le citoyen de l'Union ou les membres de sa famille qui n'ont pas atteint l'âge de dix-huit ans, sauf si l'éloignement est nécessaire dans l'intérêt de l'enfant mineur, comme prévu dans les conventions internationales applicables. ".
Art.36. In artikel 46 van dezelfde wet worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° het eerste lid wordt § 1;
  2° het tweede lid, dat § 2 wordt, wordt vervangen als volgt :
  " Worden ter kennis gebracht van de betrokkene :
  1° de weigering van verklaring tot inschrijving, zoals bedoeld in artikel 42, § 2 of de weigering tot afgifte van de verblijfsvergunning, bedoeld in artikel 42, § 3;
  2° het verlies van het recht op verblijf op grond van de artikelen 42bis, 42ter, 42quater of van artikel 42septies;
  3° de weigering van de afgifte van het document bedoeld in artikel 42quinquies, § 5, of de weigering tot afgifte van de verblijfskaart zoals bedoeld in artikel 42quinquies, § 6;
  4° het verlies van het recht op duurzaam verblijf op basis van artikel 42quinquies, § 7, of van artikel 42septies;
  3° het derde lid wordt § 3;
  4° het vierde lid, dat § 4 wordt, wordt vervangen als volgt :
  " § 4. Behalve in naar behoren aangetoonde dringende gevallen, mag deze termijn niet korter zijn dan een maand na de datum van kennisgeving. ".
Art.36. A l'article 46 de la même loi, sont apportées les modifications suivantes :
  1° l'alinéa 1er devient le § 1er;
  2° l'alinéa 2, qui devient § 2, est remplacé par la disposition suivante :
  " Sont notifiés à l'intéressé :
  1° le refus de déclaration d'inscription visée à l'article 42, § 2, ou le refus de délivrance du titre de séjour visé à l'article 42, § 3;
  2° la perte du droit de séjour sur la base des articles 42bis, 42ter, 42quater ou de l'article 42septies;
  3° le refus de délivrance du document visé à l'article 42quinquies, § 5, ou le refus de délivrance de la carte de séjour visée à l'article 42quinquies, § 6;
  4° la perte du droit de séjour permanent sur la base de l'article 42quinquies, § 7, ou de l'article 42septies;
  3° l'alinéa 3 devient le § 3;
  4° l'alinéa 4, qui devient le § 4, est remplacé par la disposition suivante :
  " § 4. Sauf dans des cas urgents dûment démontrés, ce délai ne peut pas être inférieur à un mois suivant la date de notification. ".
Art.37. In dezelfde wet wordt een artikel 46bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 46bis. - § 1. De burger van de Unie of zijn familieleden, bedoeld in artikel 40bis, § 2, kunnen ten vroegste na een periode van twee jaar nadat het koninklijk besluit tot uitzetting of het ministerieel besluit tot terugwijzing werd uitgevoerd, onder aanvoering van argumenten om te bewijzen dat er een wijziging in materiële zin is opgetreden in de omstandigheden die het besluit destijds rechtvaardigden, bij de gemachtigde van de minister een aanvraag indienen tot schorsing of opheffing van het betrokken besluit.
  § 2. Een besluit betreffende de bovenvermelde aanvraag wordt ten laatste binnen de zes maanden te rekenen vanaf de indiening van de aanvraag getroffen.
  De betrokken vreemdelingen hebben gedurende de behandeling van deze aanvraag geen recht van toegang of verblijf in het Rijk. ".
Art.37. Un article 46bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art. 46bis. - § 1er. Le citoyen de l'Union ou les membres de sa famille visés à l'article 40bis, § 2, peuvent, au plus tôt après un délai de deux ans suivant l'arrêté royal d'expulsion ou l'arrêté ministériel de renvoi, introduire auprès du délégué du ministre une demande de suspension ou de levée de l'arrêté concerné, en invoquant des moyens tendant à établir un changement matériel des circonstances qui avaient justifié cette décision.
  § 2. Une décision concernant cette demande est prise au plus tard dans les six mois suivant l'introduction de celle-ci.
  Les étrangers concernés n'ont aucun droit d'accès ou de séjour dans le Royaume durant le traitement de cette demande. ".
Art.38. In dezelfde wet wordt een artikel 51/3bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 51/3bis. - De vreemdeling die een asielaanvraag indient kan onderworpen worden aan een veiligheidsfouillering bij de aankomst bij de in artikel 50 bedoelde overheid, om er zich van te vergewissen dat hij geen wapen of enig voorwerp draagt dat gevaarlijk is voor de fysieke integriteit van hemzelf of van derden of voor de openbare orde.
  De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde, alsook door de controle van zijn bagage. Zij mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijke tijd. Zij wordt uitgevoerd door een gemachtigde van de minister van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde.
  De Koning bepaalt de nadere regels die van toepassing zijn op deze veiligheidsfouillering. ".
Art.38. Un article 51/3bis, rédigé comme suit, est inséré dans la même loi :
  " Art 51/3bis. - L'étranger qui introduit une demande d'asile peut être soumis à une fouille de sécurité lors de son arrivée auprès de l'autorité visée à l'article 50, afin de s'assurer qu'il ne porte pas une arme ou un objet dangereux pour sa propre integrité physique ou celle de tiers, ou pour l'ordre public.
  La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée ainsi que par le contrôle de ses bagages. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin. Elle est effectuée par un délégué du ministre du même sexe que la personne fouillée.
  Le Roi détermine les autres règles applicables à cette fouille de sécurité. ".
Art.39. In titel II van dezelfde wet wordt een hoofdstuk V ingevoegd met als opschrift "Hoofdstuk V - Gerechtigden van de status van langdurig ingezetene in een andere lidstaat van de Europese Unie, op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen".
Art.39. Il est inséré dans le titre II de la même loi, un chapitre V, intitulé "Chapitre V - Bénéficiaires du statut de résident de longue durée dans un autre Etat membre de l'Union européenne, sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée".
Art.40. In titel II, hoofdstuk V, van dezelfde wet wordt een artikel 61/6 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/6. - De Staten gebonden door de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, zijn de lidstaten van de Europese Unie, met uitzondering van Denemarken, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. ".
Art.40. Il est inséré dans le titre II, chapitre V, de la même loi, un article 61/6, rédigé comme suit :
  " Art. 61/6. - Les Etats tenus par la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, sont les Etats membres de l'Union européenne, à l'exception du Danemark, de l'Irlande et du Royaume-Uni. ".
Art.41. In titel II, hoofdstuk V, van dezelfde wet wordt een artikel 61/7 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/7. - § 1. Wanneer een vreemdeling die houder is van een geldige EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene, afgegeven door een andere lidstaat van de Europese Unie op grond van de richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen, een aanvraag voor een machtiging tot een verblijf van meer dan drie maanden indient, moet deze worden ingewilligd, voorzover geen enkele reden van openbare orde of nationale veiligheid zich ertegen verzet, de vreemdeling niet is getroffen door een van de ziekten die de volksgezondheid bedreigen vermeld in de bijlage bij deze wet, en hij een van de volgende voorwaarden vervult :
  1° een activiteit als werknemer of als zelfstandige uitoefenen in België;
  2° een studie of een beroepsopleiding volgen in België;
  3° met andere doeleinden naar België komen.
  Het bewijs van de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 1°, is geleverd indien hij bewijst dat hij gemachtigd is om in België te werken of dat hij vrijgesteld is van deze machtiging en dat hij, al naar het geval, een arbeidsovereenkomst, een voorstel voor een arbeidscontract of de documenten die zijn vereist om een activiteit als zelfstandige uit te oefenen bezit, en op grond van deze activiteit stabiele, regelmatige en toereikende inkomsten ontvangt of kan ontvangen om zichzelf en zijn gezinsleden te onderhouden en om te voorkomen dat ze ten laste vallen van de overheden.
  Het bewijs van de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 2°, is geleverd indien hij voldoet aan de voorwaarden bepaald in de artikelen 58 tot 60.
  Het bewijs van de voorwaarde bedoeld in het eerste lid, 3°, is geleverd indien hij bewijst dat hij beschikt over stabiele, regelmatige en toereikende inkomsten om zichzelf en zijn familieleden te onderhouden en om te voorkomen dat zij ten laste vallen van de overheden, en indien hij bewijst dat hij beschikt over een ziektekostenverzekering die de risico's in België dekt.
  De regels bedoeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing als de langdurig ingezetene in het Rijk wenst te verblijven als gedetacheerd werknemer van een dienstverstrekker gevestigd in een andere lidstaat van de Europese Unie in het kader van een grensoverschrijdende dienstverlening of als verlener van grensoverschrijdende diensten.
  § 2. De aanvraag voor de machtiging tot verblijf wordt ingediend op de wijze bepaald bij de artikelen 9 of 9bis.
  Indien de machtiging door de vreemdeling wordt aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft, overhandigt de laatstgenoemde hem, behalve indien hij weigert om de aanvraag in overweging te nemen, een bewijs van ontvangst van de aanvraag en zendt hij deze onverwijld over aan de minister of aan diens gemachtigde.
  § 3. De beslissing over de aanvraag voor de machtiging tot verblijf moet zo snel mogelijk en ten laatste vier maanden na de indiening van de aanvraag worden genomen, indien die in het buitenland wordt ingediend, of na de datum van de overhandiging van het bewijs van ontvangst van de aanvraag, in het in § 2, laatste lid, bedoelde geval.
  Wanneer de vereiste documenten niet zijn voorgelegd of in uitzonderlijke gevallen die verband houden met de complexiteit van het onderzoek van de aanvraag en bij een met redenen omklede beslissing die ter kennis van de aanvrager wordt gebracht, kan de minister of zijn gemachtigde deze termijn één keer met drie maanden verlengen.
  Als na afloop van de termijn van vier maanden volgend op de indiening van de aanvraag, eventueel verlengd overeenkomstig het tweede lid, geen enkele beslissing is genomen, moet de machtiging tot verblijf worden afgegeven wanneer de documenten vermeld in § 1 zijn voorgelegd.
  § 4. De bepalingen van artikel 13, § 1, eerste lid en vijfde lid, en § 2, zijn van toepassing op de machtiging tot verblijf bedoeld in § 1.
  Het inschrijven van de in § 1 bedoelde vreemdeling in het vreemdelingenregister en het afgeven van de verblijfstitel die als bewijs van inschrijving geldt worden gedaan overeenkomstig artikel 12.
  § 5. De minister of zijn gemachtigde deelt de beslissing tot machtiging tot verblijf mee aan de bevoegde overheid van de lidstaat van de Europese Unie die aan de vreemdeling een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven op grond van bovenvermelde richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie.
  § 6. De machtiging tot verblijf van de in § 1, eerste lid, 1° en 3° bedoelde vreemdeling wordt onbeperkt na een periode van vijf jaar volgend op de afgifte van de verblijfstitel. ".
Art.41. Il est inséré dans le titre II, chapitre V, de la même loi, un article 61/7, rédigé comme suit :
  " Art. 61/7. - § 1er. Pour autant qu'aucune raison d'ordre public ou de sécurité nationale ne s'y opposent, et pour autant qu'il ne soit pas atteint d'une des maladies pouvant mettre en danger la santé publique, énumérées dans l'annexe de la présente loi, lorsque l'étranger porteur d'un permis de séjour de résident de longue durée-CE valable, delivré par un autre Etat membre de l'Union européenne sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne du 25 novembre 2003 relative au statut des ressortissants de pays tiers résidents de longue durée, introduit une demande d'autorisation de séjour de plus de trois mois, celle-ci doit être accordée s'il remplit l'une des conditions suivantes :
  1° exercer une activité salariée ou non salariée en Belgique;
  2° poursuivre des études ou une formation professionnelle en Belgique;
  3° venir en Belgique à d'autres fins.
  La preuve de la condition visée à l'alinéa 1er, 1°, est fournie s'il prouve qu'il est autorisé à travailler en Belgique ou qu'il est dispensé de cette autorisation et, selon le cas, qu'il possède un contrat de travail ou une proposition de contrat d'emploi, ou les documents requis pour l'exercice de la profession non salariée, et retire ou peut retirer de cette activité des ressources stables, régulières et suffisantes pour subvenir à ses besoins et à ceux des membres de sa famille afin d'éviter de devenir une charge pour les pouvoirs publics.
  La preuve de la condition visée à l'alinéa 1er, 2° est apportée s'il réunit les conditions fixées aux articles 58 à 60.
  La preuve de la condition visée à l'alinéa 1er, 3°, est apportée s'il prouve qu'il dispose de ressources stables, regulières et suffisantes pour subvenir à ses besoins et à ceux des membres de sa famille afin d'éviter de devenir une charge pour les pouvoirs publics, et s'il prouve qu'il dispose d'une assurance-maladie couvrant les risques en Belgique.
  Les règles visées à l'alinéa 1er ne sont pas applicables lorsque le résident de longue durée souhaite séjourner dans le Royaume en tant que travailleur salarié détaché par un prestataire de services installé dans un Etat membre de l'Union européenne, dans le cadre d'une prestation transfrontalière, ou en tant que prestataire de services transfrontaliers.
  § 2. La demande d'autorisation de séjour est introduite selon les modalités prévues à l'article 9 ou 9bis.
  Lorsque l'autorisation est demandée par l'étranger auprès du bourgmestre de la localité où il séjourne, ce dernier lui remet, sauf lorsqu'il refuse de prendre cette demande en considération, une preuve de réception de celle-ci et la transmet sans délai au ministre ou a son délégué.
  § 3. La décision relative à la demande d'autorisation de séjour est prise dans les plus brefs délais et au plus tard dans les quatre mois suivant la demande, lorsque celle-ci est faite à l'étranger, ou suivant la date de la remise de la preuve de réception de la demande dans le cas visé au § 2, dernier alinéa.
  Lorsque les documents requis ne sont pas produits ou dans des cas exceptionnels liés à la complexité de l'examen de la demande et par une décision motivée portée à la connaissance du demandeur, le ministre ou son délégué peut, à une seule reprise, prolonger ce délai d'une période de trois mois.
  A l'expiration du délai de quatre mois suivant l'introduction de la demande, éventuellement prolongé conformément à l'alinéa 2, si aucune décision n'a été prise, l'autorisation de séjour doit être délivrée lorsque les documents visés au § 1er ont été produits.
  § 4. Les dispositions de l'article 13, § 1er, alinéas 1er et 5, et § 2, sont applicables à l'autorisation de séjour visée au § 1er.
  L'inscription au registre des étrangers de l'étranger visé au § 1er et la délivrance du titre de sejour faisant foi de celle-ci ont lieu conformément aux dispositions de l'article 12.
  § 5. Le ministre ou son délégué informe les autorités compétentes de l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel l'étranger s'est vu délivrer un permis de séjour de résident de longue durée sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne précitée, de la décision d'autorisation de séjour.
  § 6. L'autorisation de séjour de l'étranger visé au § 1er, alinéa 1er, 1° et 3°, devient illimitée à l'expiration d'une période de cinq ans suivant la delivrance du titre de séjour. ".
Art.42. In titel II, hoofdstuk IV, van dezelfde wet wordt een artikel 61/8 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/8. - Wanneer de minister of zijn gemachtigde, overeenkomstig artikel 13, § 2bis, aan een vreemdeling die krachtens artikel 61/7 tot een verblijf van beperkte tijd in het Rijk is gemachtigd het bevel geeft om het grondgebied te verlaten, deelt hij dit mee aan de lidstaat van de Europese Unie die aan de vreemdeling een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven op grond van bovenvermelde richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie. ".
Art.42. Il est inséré dans le titre II, chapitre V, de la même loi, un article 61/8, rédigé comme suit :
  " Art. 61/8.- Lorsque le ministre ou son délégue donne, conformément aux dispositions de l'article 13, § 2bis, l'ordre de quitter le territoire à l'étranger autorisé à séjourner dans le Royaume pour une durée limitée en vertu de l'article 61/7, il en informe l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel l'étranger s'est vu délivrer un permis de séjour de résident de longue durée sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne précitée. ".
Art.43. In titel II, hoofdstuk V, van dezelfde wet wordt een artikel 61/9 ingevoegd, luidende :
  " Art. 61/9. - Wanneer een vreemdeling die tot het verblijf werd gemachtigd op grond van artikel 61/7, § 1, de openbare orde of de nationale veiligheid ernstig heeft geschaad, kan de minister zijn terugwijzing krachtens artikel 20, eerste lid, vergezeld doen gaan van een beslissing tot verwijdering van het grondgebied van de Europese Unie, in akkoord met de overheid van de lidstaat van de Europese Unie die aan de vreemdeling een EG-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetene heeft afgegeven op grond van bovenvermelde richtlijn 2003/109/EG van de Raad van de Europese Unie. ".
Art.43. Il est inséré dans le titre II, chapitre V, de la même loi, un article 61/9, rédigé comme suit :
  " Art. 61/9. - Lorsque l'étranger qui a été autorisé au séjour sur la base de l'article 61/7, § 1er, a gravement porté atteinte à l'ordre public ou à la sécurité nationale, le ministre peut assortir son renvoi en application de l'article 20, alinéa 1er, d'une décision d'éloignement du territoire de l'Union européenne, en accord avec les autorités de l'Etat membre de l'Union européenne dans lequel l'étranger s'est vu délivrer un permis de séjour de résident de longue durée sur la base de la directive 2003/109/CE du Conseil de l'Union européenne précitée. ".
Art.44. Artikel 74/8 van dezelfde wet, ingevoegd bij de wet van 15 juli 1996 en gewijzigd bij de wet van 15 september 2006, wordt aangevuld als volgt :
  " § 5. Een vreemdeling, bedoeld in § 1, kan onderworpen worden aan een veiligheidsfouillering om er zich van te vergewissen dat hij geen wapen of enig voorwerp draagt dat gevaarlijk is voor de fysieke integriteit van hemzelf of van derden of voor de openbare orde, in elk van de volgende gevallen :
  1° bij aankomst van de vreemdeling in een plaats bedoeld in § 1;
  2° nadat de vreemdeling bezoek heeft ontvangen;
  3° voorafgaand aan de overbrenging van de vreemdeling.
  Bij zijn aankomst in een plaats, bedoeld in § 1, kan de bezoeker van een vreemdeling, bedoeld in § 1, eveneens onderworpen worden aan deze veiligheidsfouillering.
  De veiligheidsfouillering gebeurt door het betasten van het lichaam en de kleding van de gefouilleerde, alsook door de controle van zijn bagage. Zij mag niet langer duren dan de daartoe noodzakelijk tijd. Zij wordt uitgevoerd door een gemachtigde van de minister van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde.
  § 6. De gemachtigde van de minister kan dwang gebruiken ten aanzien van de vreemdeling, bedoeld in § 1, en in het kader van zijn overbrenging, bedoeld in § 3.
  Dit gebruik van dwang is onderworpen aan de voorwaarden bepaald bij artikel 37 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
  De Koning bepaalt de regels voor de opleiding in het kader van het gebruik van dwang door de gemachtigde van de minister. ".
Art.44. L'article 74/8 de la même loi, inséré par la loi du 15 juillet 1996 et modifié par la loi du 15 septembre 2006, est complété comme suit :
  " § 5. L'étranger visé au § 1er peut être soumis à une fouille de sécurite afin de s'assurer qu'il ne porte pas une arme ou un objet dangereux pour sa propre intégrité physique ou celle de tiers, ou pour l'ordre public, dans chacun des cas suivants :
  1° lors de son arrivée dans un lieu visé au § 1er;
  2° après qu'il ait reçu une visite;
  3° préalablement à son transfèrement.
  Lors de son arrivée dans un lieu visé au § 1er, la personne rendant visite à un étranger visé au § 1er peut également être soumis à cette fouille de sécurité.
  La fouille de sécurité s'effectue par la palpation du corps et des vêtements de la personne fouillée ainsi que par le contrôle de ses bagages. Elle ne peut durer plus longtemps que le temps nécessaire à cette fin. Elle est effectuée par un délégué du ministre du même sexe que la personne fouillée.
  § 6. Le délégué du ministre peut utiliser la contrainte à l'égard de l'étranger visé au § 1er, et dans le cadre de son transfèrement visé au § 3.
  Ce recours à la contrainte est soumis aux conditions fixées à l'article 37 de la loi du 5 août 1992 sur la fonction de police.
  Le Roi détermine les règles relatives à la formation dans le cadre du recours à la contrainte par le délégué du ministre. ".
Art.45. In artikel 79 van dezelfde wet, gewijzigd door de wetten van 14 juli 1987, 6 mei 1993, 15 juli 1996 en 26 juni 2000, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  1° in het eerste lid, 2°, wordt de verwijzing naar artikel 41bis geschrapt en worden de woorden ", in de artikelen 42, § 2, 42quinquies, § 5," worden ingevoegd tussen de woorden "voorzien in die artikelen" en de woorden "of in artikel 2";
  2° in het tweede lid wordt de verwijzing naar de artikelen "5, 12, 17 of 41bis" vervangen door de verwijzing naar de artikelen "5, 12, 17, 41bis, 42, § 2 of 42quinquies, § 5".
Art.45. A l'article 79 de la même loi, modifié par les lois du 14 juillet 1987, 6 mai 1993, 15 juillet 1996 et 26 juin 2000, sont apportées les modifications suivantes :
  1° à l'alinéa 1er, 2°, la référence à l'article 41bis est supprimée et les mots ", aux articles 42, § 2, 42quinquies, § 5," sont insérés entre les mots "prévus à ces articles" et les mots "ou à l'article 2";
  2° à l'alinéa 2, la référence aux articles "5, 12, 17 ou 41bis" est remplacée par la référence aux articles "5, 12, 17, 41bis, 42, § 2 ou 42quinquies, § 5".
Art.46. De bijlage bij dezelfde wet wordt vervangen door de bijlage die bij deze wet is gevoegd.
Art.46. L'annexe de la même loi est remplacée par l'annexe jointe à la présente loi.
HOOFDSTUK III. - Overgangsbepaling.
CHAPITRE III. - Dispositions transitoires.
Art.47. Vanaf de inwerkingtreding van deze wet zijn alle bepalingen van deze wet van toepassing op de burgers van de Unie, hun familieleden en familieleden van Belgen met dien verstande dat :
  1° de verblijfsvergunningen van de burgers van de Unie geldig blijven tot aan het verstrijken van de geldigheidsduur ervan;
  2° de burgers van de Unie en hun familieleden alsook de familieleden van Belgische onderdanen die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet in het bezit zijn van een verblijfskaart van onderdaan van een lidstaat der Europese Gemeenschappen of van een identiteitskaart voor vreemdeling, waarbij hun verblijfsrecht werd vastgesteld, vanaf dat ogenblik van rechtswege geacht worden te genieten van een recht op verblijf overeenkomstig artikel 42 van de wet van 15 december 1980;
  3° er onder voorbehoud van schijnhuwelijk, rechtsmisbruik of een andere vorm van fraude die van doorslaggevend belang geweest is voor de erkenning van het verblijfsrecht, slechts een einde gesteld kan worden aan het verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden die op het ogenblik van de inwerkingtreding van deze wet, beschikken over een verblijfskaart van onderdaan van een lidstaat van de Europese Gemeenschappen of een identiteitskaart voor vreemdeling, waarbij hun verblijfsrecht werd vastgesteld, conform het door deze wet gewijzigd artikel 45 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
  4° de vreemdeling die op het ogenblik van de inwerkingtreding van artikel 21 van deze wet, met toepassing van de criteria bepaald in de omzendbrief van 30 september 1997 betreffende het verlenen van een verblijfsmachtiging op basis van samenwoonst in het kader van een duurzame relatie, gemachtigd wordt tot een verblijf voor beperkte duur in de hoedanigheid van partner van een burger van de Unie of van een Belgische onderdaan, vanaf dat moment van rechtswege geacht wordt te genieten van een recht op verblijf op grond van artikel 42 van de wet van 15 december 1980.
  Voordat er drie jaren verstreken zijn sedert de afgifte van de eerste verblijfstitel aan de betrokken vreemdeling, kan de minister of zijn gemachtigde een einde stellen aan diens verblijf, al naargelang het geval op grond van artikel 42ter of 42quater van dezelfde wet, met inbegrip van het geval waarbij het samenlevingscontract wordt opgezegd.
  Na het verstrijken van de in het tweede lid bedoelde termijn, geniet de betrokken partner van de burger van de Unie of van de Belgische onderdaan een duurzaam recht op verblijf conform de voorwaarden bedoeld in artikel 42quinquies van dezelfde wet.
Art.47. A partir de l'entrée en vigueur de la présente loi, toutes ses dispositions sont d'application aux citoyens de l'Union, aux membres de leur famille et aux membres de la famille de Belges, etant entendu que :
  1° les titres de séjour des citoyens de l'Union restent valables jusqu'à l'expiration de leur durée de validité;
  2° les citoyens de l'Union et les membres de leur famille qui disposent d'une carte de séjour de ressortissant d'un Etat membre des Communautés européennes ou d'une carte d'identite d'étranger, constatant leur droit de séjour, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, sont à partir de ce moment d'office considérés comme jouissant du droit de séjour conformément a l'article 42 de la loi du 15 décembre 1980;
  3° sous reserve d'un mariage de complaisance, d'un abus de droit ou d'une autre forme de fraude qui a été déterminant pour la reconnaissance du droit de séjour, il ne peut être mis fin au séjour des citoyens de l'Union et des membres de leur famille qui disposent d'une carte de séjour de ressortissant d'un Etat membre des Communautés européennes ou d'une carte d'identité d'étranger, constatant leur droit de séjour, au moment de l'entrée en vigueur de la présente loi, que conformément à l'article 45 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers, modifié par la présente loi;
  4° l'étranger autorisé au séjour pour une durée limitée, en tant que partenaire d'un citoyen de l'Union ou d'un Belge, en application des critères décrits dans la circulaire du 30 septembre 1997 relative à l'octroi d'une autorisation de sejour sur la base de la cohabitation dans le cadre d'une relation durable, au moment de l'entrée en vigueur de l'article 21 de la présente loi, est considéré à partir de ce moment comme jouissant du droit de séjour conformément à l'article 42 de la loi du 15 décembre 1980.
  Pendant le délai restant sur la période de trois ans suivant la délivrance du premier titre de séjour à l'étranger visé, le ministre ou son délégué peut mettre fin au sejour de celui-ci sur la base, selon le cas de l'article 42ter ou 42quater de la même loi, y compris si le contrat de vie commune est dénoncé.
  A l'expiration du délai vise à l'alinéa 2, le partenaire visé du citoyen de l'Union ou d'un Belge a le droit au séjour permanent dans les conditions prévues à l'article 42quinquies de la même loi.
HOOFDSTUK IV. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE IV. - Entrée en vigueur.
Art.48. Met uitzondering van dit artikel, treedt deze wet in werking op de door de Koning te bepalen data en uiterlijk op de eerste dag van de dertiende maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
  Kondigen deze wet af, bevelen dat zij met 's Lands zegel zal worden bekleed en door het Belgisch Staatsblad zal worden bekendgemaakt.
  Gegeven te Brussel, 25 april 2007.
  ALBERT
  Van Koningswege :
  De Vice-Eerste-Minister en Minister van Binnenlandse Zaken,
  P. DEWAEL
  Met 's Lands Zegel gezegeld :
  De Minister van Justitie,
  Mevr. L. ONKELINX
Art.48. A l'exception du présent article, la présente loi entre en vigueur aux dates fixées par le Roi et au plus tard le premier jour du treizième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publié au Moniteur belge.
  Promulguons la présente loi, ordonnons qu'elle soi revêtue du sceau de l'Etat et publiée par le Moniteur belge.
  Donné à Bruxelles, le 25 avril 2007.
  ALBERT
  Par le Roi :
  Le Vice-Premier Ministre et Ministre de l'Intérieur,
  P. DEWAEL
  Scellé du Sceau de l'Etat :
  La Ministre de la Justice,
  Mme L. ONKELINX
BIJLAGE.
ANNEXE.
Art. N.   Ziekten die de volksgezondheid kunnen bedreigen :
  1. tot quarantaine aanleiding gevende ziekten vermeld in het internationaal gezondheidsreglement nr. 2 van 25 mei 1951 van de Wereld Gezondheids Organisatie;
  2. tuberculose van de luchtwegen, in een actief stadium of met ontwikkelingstendensen;
  3. andere besmettelijke door infectie of parasieten veroorzaakte ziekten, voorzover zij in België onder beschermende bepalingen ten aanzien van de inwoners vallen.
Art. N. Maladies pouvant mettre en danger la santé publique :
  1. maladies quarantenaires visées dans le règlement sanitaire international n° 2 du 25 mai 1951, de l'Organisation mondiale de la santé;
  2. tuberculose de l'appareil respiratoire active ou à tendance évolutive;
  3. autres maladies infectieuses ou parasitaires contagieuses pour autant qu'elles fassent, en Belgique, l'objet de dispositions de protection à l'égard des nationaux.