Nederlands (NL)
Français (FR)
Titre
10 JUNI 2006. - Wet tot oprichting van een [Belgische Mededingingsautoriteit]. <W2013-04-03/18, art. 20, L1, 002; Inwerkingtreding : 06-09-2013 (KB2013-08-30/14, art. 1)> (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-06-2006 en tekstbijwerking tot 05-09-2018)
Titre
10 JUIN 2006. - Loi instituant un [Autorité belge de la concurrence]. <L2013-04-03/18, art. 20, 002; En vigueur : 06-09-2013 (AR2013-08-30/14, art. 1)>(NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-06-2006 et mise à jour au 05-09-2018)
Informations sur le document
Numac: 2006011270
Datum: 2006-06-10
Info du document
Numac: 2006011270
Date: 2006-06-10
Table des matières
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
HOOFDSTUK II. - De [1 Belgische Mededingingsaut...
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Afdeling II. - Raadsleden van de [1 Belgische M...
Afdeling III. De algemene vergadering van de [1...
Afdeling IV. - Het Auditoraat.
Afdeling V. - Tucht.
Afdeling VI. - De griffie.
HOOFDSTUK III. - Prejudiciële vragen gesteld aa...
HOOFDSTUK IV. - Hoger Beroep.
HOOFDSTUK V. - Beroep tegen de beslissingen van...
HOOFDSTUK VI. - Voorzieningen in cassatie tegen...
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot wijziging van h...
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepaling.
Table des matières
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
CHAPITRE II. - [1 L'Autorité belge de la concur...
Section Ire. - Disposition générale.
Section II. - Des conseillers de [1 l'Autorité ...
Section III. - De l'assemblée générale de [1 l'...
Section IV. - De l'Auditorat.
Section V. - De la discipline.
Section VI. - Du greffe.
CHAPITRE III. - Questions préjudicielles posées...
CHAPITRE IV. - Recours.
CHAPITRE V. - Des recours contre les décisions ...
CHAPITRE VI. - Des pourvois en cassation des dé...
CHAPITRE VII. - Dispositions modifiant le Code ...
CHAPITRE VIII. - Disposition finale.
Tekst (52)
Texte (52)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 77 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
CHAPITRE II. - [1 L'Autorité belge de la concurrence]1.
Afdeling I. - Algemene bepaling.
Section Ire. - Disposition générale.
Art.2. § 1. Er wordt een [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 opgericht. Deze Raad is een administratief rechtscollege dat de bevoegdheid van beslissing heeft, alsmede de andere bevoegdheden die hem door deze wet en door de wet van 10 juni 2006 tot bescherming van de economische mededinging worden toegekend.
§ 2. De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 is samengesteld uit :
1° de algemene vergadering van de Raad;
2° het Auditoraat;
3° de griffie.
§ 3. De Raad heeft de bevoegdheid om mededelingen vast te stellen met betrekking tot de toepassing van deze wet of van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
§ 4. De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 zendt jaarlijks een verslag over de toepassing van deze wet en van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 aan de minister die de Economie onder zijn bevoegdheid heeft, hierna " de minister " genoemd, en aan de Wetgevende Kamers. De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 publiceert dit verslag.
De beslissingen en voorstellen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, de arresten van het Hof van beroep te Brussel en van het Hof van Cassatie en de beslissingen van de Ministerraad worden bij dit verslag gevoegd.
§ 2. De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 is samengesteld uit :
1° de algemene vergadering van de Raad;
2° het Auditoraat;
3° de griffie.
§ 3. De Raad heeft de bevoegdheid om mededelingen vast te stellen met betrekking tot de toepassing van deze wet of van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
§ 4. De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 zendt jaarlijks een verslag over de toepassing van deze wet en van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 aan de minister die de Economie onder zijn bevoegdheid heeft, hierna " de minister " genoemd, en aan de Wetgevende Kamers. De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 publiceert dit verslag.
De beslissingen en voorstellen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, de arresten van het Hof van beroep te Brussel en van het Hof van Cassatie en de beslissingen van de Ministerraad worden bij dit verslag gevoegd.
Art.2. § 1er. Il est institué un [1 Autorité belge de la concurrence]1. Ce Conseil est une juridiction administrative qui a la compétence de décision et les autres pouvoirs que la présente loi et la loi du 10 juin 2006 sur la protection de la concurrence économique lui confèrent.
§ 2. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 est composé :
1° de l'assemblée générale du Conseil;
2° de l'Auditorat;
3° du greffe.
§ 3. Le Conseil a la compétence d'établir des communications relatives à l'application de la présente loi ou de la loi du 10 juin 2006 précitée.
§ 4. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 transmet annuellement au ministre qui a l'Economie, dénommé ci-après le " ministre ", dans ses attributions et aux Chambres législatives un rapport sur l'application de la présente loi et de la loi du 10 juin 2006 précitée. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 publie ce rapport.
Les décisions et propositions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, les arrêts de la Cour d'appel de Bruxelles et de la Cour de cassation et les décisions du Conseil des ministres sont annexés à ce rapport.
§ 2. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 est composé :
1° de l'assemblée générale du Conseil;
2° de l'Auditorat;
3° du greffe.
§ 3. Le Conseil a la compétence d'établir des communications relatives à l'application de la présente loi ou de la loi du 10 juin 2006 précitée.
§ 4. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 transmet annuellement au ministre qui a l'Economie, dénommé ci-après le " ministre ", dans ses attributions et aux Chambres législatives un rapport sur l'application de la présente loi et de la loi du 10 juin 2006 précitée. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 publie ce rapport.
Les décisions et propositions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, les arrêts de la Cour d'appel de Bruxelles et de la Cour de cassation et les décisions du Conseil des ministres sont annexés à ce rapport.
Afdeling II. - Raadsleden van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
Section II. - Des conseillers de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Art.3. § 1. De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit twaalf raadsleden. De voorzitter, de ondervoorzitter en vier raadsleden oefenen hun ambt voltijds uit.
§ 2. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het aantal raadsleden verhogen.
§ 2. De Koning kan bij een besluit, vastgesteld na overleg in de Ministerraad, het aantal raadsleden verhogen.
Art.3. § 1er. L'assemblée générale du Conseil est composée de douze conseillers. Le président, le vice-président et quatre conseillers exercent leurs fonctions à temps plein.
§ 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter le nombre de conseillers.
§ 2. Le Roi peut, par arrêté délibéré en Conseil des Ministres, augmenter le nombre de conseillers.
Art.4. De voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden van de Raad worden benoemd door de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Hun mandaat heeft een duur van zes jaar, met dien verstande dat na drie jaar de voorzitter en de ondervoorzitter onderling van functie wisselen. Het is hernieuwbaar.
De voorzitter en de ondervoorzitter bewijzen hun kennis van de Nederlandse en Franse taal.
De raadsleden blijven hun mandaat uitoefenen zolang niet voorzien is in hun vervanging, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 9, § 3.
De voorzitter en de ondervoorzitter bewijzen hun kennis van de Nederlandse en Franse taal.
De raadsleden blijven hun mandaat uitoefenen zolang niet voorzien is in hun vervanging, met uitzondering van de gevallen bedoeld in artikel 9, § 3.
Art.4. Le président, le vice-président et les conseillers du Conseil sont nommés par le Roi par arrêté délibéré en Conseil des Ministres. Leur mandat est de six ans, étant entendu qu'après trois ans, le président et le vice-président intervertissent leur fonction. Il est renouvelable.
Le président et le vice-président justifient de leur connaissance de la langue néerlandaise et de la langue française.
Les conseillers continuent à exercer leur mandat tant qu'il n'a pas été pourvu à leur remplacement, hors les cas prévus à l'article 9, § 3.
Le président et le vice-président justifient de leur connaissance de la langue néerlandaise et de la langue française.
Les conseillers continuent à exercer leur mandat tant qu'il n'a pas été pourvu à leur remplacement, hors les cas prévus à l'article 9, § 3.
Art.5. Niemand kan tot raadslid worden benoemd indien hij geen houder is van een diploma van master.
Art.5. Nul ne peut être nommé conseiller s'il n'est porteur d'un diplôme de master.
Art.6. § 1. De voorzitter en de ondervoorzitter zijn houder van een diploma de ene in de Franse taal en de andere in de Nederlandse taal.
De helft van de raadsleden zijn houder van een diploma in de Franse taal en de andere helft in de Nederlandse taal.
De voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden bewijzen hun functionele kennis van de Engelse taal.
Ten minste een raadslid bewijst zijn functionele kennis van de Duitse taal.
Ten hoogste drie vierde van de raadsleden mogen drager zijn van een diploma van eenzelfde studiegebied.
§ 2. Magistraten kunnen benoemd worden in de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, met inachtneming van artikel 323bis van het Gerechtelijk Wetboek.
De helft van de raadsleden zijn houder van een diploma in de Franse taal en de andere helft in de Nederlandse taal.
De voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden bewijzen hun functionele kennis van de Engelse taal.
Ten minste een raadslid bewijst zijn functionele kennis van de Duitse taal.
Ten hoogste drie vierde van de raadsleden mogen drager zijn van een diploma van eenzelfde studiegebied.
§ 2. Magistraten kunnen benoemd worden in de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, met inachtneming van artikel 323bis van het Gerechtelijk Wetboek.
Art.6. § 1er. Le président et le vice-président sont titulaires d'un diplôme en langue française pour l'un des deux et néerlandaise pour l'autre.
La moitié des conseillers sont titulaires d'un diplôme en langue française et l'autre moitié en langue néerlandaise.
Le président, le vice-président et les conseillers justifient de la connaissance fonctionnelle de la langue anglaise.
Un conseiller au moins justifie d'une connaissance fonctionnelle de la langue allemande.
Trois quarts au maximum des conseillers peuvent posséder un diplôme de la même discipline.
§ 2. Les magistrats peuvent être nommés à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, dans le respect de l'article 323bis du Code judiciaire.
La moitié des conseillers sont titulaires d'un diplôme en langue française et l'autre moitié en langue néerlandaise.
Le président, le vice-président et les conseillers justifient de la connaissance fonctionnelle de la langue anglaise.
Un conseiller au moins justifie d'une connaissance fonctionnelle de la langue allemande.
Trois quarts au maximum des conseillers peuvent posséder un diplôme de la même discipline.
§ 2. Les magistrats peuvent être nommés à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, dans le respect de l'article 323bis du Code judiciaire.
Art.7. Om tot voorzitter, ondervoorzitter of raadslid in de zin van artikel 3, § 1, te kunnen worden benoemd, is de kandidaat geslaagd voor het examen inzake beroepsbekwaamheid. Dat examen is bedoeld om de maturiteit te evalueren, alsmede de capaciteiten die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het betrokken ambt. De nadere regels en het programma van het examen worden door de Koning bepaald. Hij brengt bovendien het bewijs aan van een nuttige ervaring voor de uitoefening van de functie.
Art.7. Pour pouvoir être nommé président, vice-président ou conseiller au sens de l'article 3, § 1er, le candidat a réussi l'examen d'aptitude professionnelle visant à évaluer la maturité et la capacité nécessaires à l'exercice de la fonction concernée, dont les modalités et le programme sont fixés par le Roi. Il apporte, en outre, la preuve de l'expérience utile pour l'exercice de la fonction.
Art.8. De wedde van de raadsleden wordt als volgt bepaald :
1° De voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad ontvangen een wedde die gelijk is aan 90 % van de wedde van de eerste voorzitter van de Raad van State; zij ontvangen tevens de verhogingen en de voordelen die eraan verbonden zijn.
2° De andere voltijdse raadsleden ontvangen een wedde die gelijk is aan 90 % van de wedde van een staatsraad; zij ontvangen tevens de verhogingen en de voordelen die eraan verbonden zijn.
3° De raadsleden die hun mandaat niet voltijds uitoefenen, ontvangen een wedde die gelijk is aan de wedde bedoeld in 2° naar rato van de verrichte prestaties, maar die niet hoger mag zijn dan 50 % van het bedrag bedoeld in 2°.
De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het burgerlijk rijkspersoneel en voor hun rechtverkrijgenden zijn ook van toepassing op de leden van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 die niet het statuut van magistraat of rijksambtenaar hebben en die hun functie voltijds uitoefenen.
1° De voorzitter en de ondervoorzitter van de Raad ontvangen een wedde die gelijk is aan 90 % van de wedde van de eerste voorzitter van de Raad van State; zij ontvangen tevens de verhogingen en de voordelen die eraan verbonden zijn.
2° De andere voltijdse raadsleden ontvangen een wedde die gelijk is aan 90 % van de wedde van een staatsraad; zij ontvangen tevens de verhogingen en de voordelen die eraan verbonden zijn.
3° De raadsleden die hun mandaat niet voltijds uitoefenen, ontvangen een wedde die gelijk is aan de wedde bedoeld in 2° naar rato van de verrichte prestaties, maar die niet hoger mag zijn dan 50 % van het bedrag bedoeld in 2°.
De wetten op de pensioenregeling voor de leden van het burgerlijk rijkspersoneel en voor hun rechtverkrijgenden zijn ook van toepassing op de leden van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 die niet het statuut van magistraat of rijksambtenaar hebben en die hun functie voltijds uitoefenen.
Art.8. Le traitement des conseillers est fixé comme suit :
1° Le président et le vice-président du Conseil perçoivent un traitement égal à 90 pour cent du traitement du premier président du Conseil d'Etat; ils perçoivent également les augmentations et avantages y afférents.
2° Les autres conseillers à temps plein perçoivent un traitement égal à 90 pour cent du traitement d'un conseiller d'Etat; ils perçoivent également les augmentations et avantages y afférents.
3° Les conseillers qui n'exercent pas leur mandat à temps plein perçoivent un traitement égal à celui visé au 2° au prorata des prestations effectuées, sans toutefois que celui-ci puisse excéder 50 pour cent du montant visé au 2°.
Les lois relatives au régime de pension des membres du personnel civil de l'Etat et de leurs ayants droit sont également applicables aux membres de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 qui n'ont pas le statut de magistrat ou d'agent de l'Etat et qui exercent leur fonction à temps plein.
1° Le président et le vice-président du Conseil perçoivent un traitement égal à 90 pour cent du traitement du premier président du Conseil d'Etat; ils perçoivent également les augmentations et avantages y afférents.
2° Les autres conseillers à temps plein perçoivent un traitement égal à 90 pour cent du traitement d'un conseiller d'Etat; ils perçoivent également les augmentations et avantages y afférents.
3° Les conseillers qui n'exercent pas leur mandat à temps plein perçoivent un traitement égal à celui visé au 2° au prorata des prestations effectuées, sans toutefois que celui-ci puisse excéder 50 pour cent du montant visé au 2°.
Les lois relatives au régime de pension des membres du personnel civil de l'Etat et de leurs ayants droit sont également applicables aux membres de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 qui n'ont pas le statut de magistrat ou d'agent de l'Etat et qui exercent leur fonction à temps plein.
Art.9. § 1. Elk raadslid licht de voorzitter in over de belangen die hij heeft of verwerft en over de functies die hij uitgeoefend heeft of uitoefent in het kader van een economische activiteit.
§ 2. De raadsleden kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
Elk raadslid dat weet dat er een wrakingsgrond tegen zijn persoon is, onthoudt zich.
De vordering tot wraking wordt ingeleid door middel van een met redenen omkleed verzoekschrift dat bij de griffie wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de partij of door haar bijzondere gemachtigde en de bijzondere volmacht is bij het verzoekschrift gevoegd.
Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door de griffier aan het gewraakte raadslid overhandigd.
Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen.
Indien de wraking betwist wordt, doet de algemene vergadering van de Raad uitspraak erover in afwezigheid van het betrokken raadslid. De eisende partij en het betrokken raadslid worden gehoord.
In dat geval is de beslissing van de algemene vergadering van de Raad niet vatbaar voor beroep.
§ 3. De Koning gaat over tot vervanging van een raadslid wanneer deze :
1° aangetast is door fysieke of mentale ongeschiktheid;
2° een openbaar mandaat toegekend door verkiezing uitoefent;
3° ontslag neemt of dient te nemen ten gevolge van een onverenigbaarheid.
§ 2. De raadsleden kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
Elk raadslid dat weet dat er een wrakingsgrond tegen zijn persoon is, onthoudt zich.
De vordering tot wraking wordt ingeleid door middel van een met redenen omkleed verzoekschrift dat bij de griffie wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de partij of door haar bijzondere gemachtigde en de bijzondere volmacht is bij het verzoekschrift gevoegd.
Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door de griffier aan het gewraakte raadslid overhandigd.
Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen.
Indien de wraking betwist wordt, doet de algemene vergadering van de Raad uitspraak erover in afwezigheid van het betrokken raadslid. De eisende partij en het betrokken raadslid worden gehoord.
In dat geval is de beslissing van de algemene vergadering van de Raad niet vatbaar voor beroep.
§ 3. De Koning gaat over tot vervanging van een raadslid wanneer deze :
1° aangetast is door fysieke of mentale ongeschiktheid;
2° een openbaar mandaat toegekend door verkiezing uitoefent;
3° ontslag neemt of dient te nemen ten gevolge van een onverenigbaarheid.
Art.9. § 1er. Tout conseiller informe le président des intérêts qu'il détient ou vient à acquérir et des fonctions qu'il a exercées ou exerce dans le cadre d'une activité économique.
§ 2. Les conseillers peuvent être récusés pour les causes énoncées à l'article 828 du Code judiciaire.
Tout conseiller qui sait cause de récusation en sa personne s'abstient.
La demande en récusation est introduite par requête motivée déposée au greffe. Elle contient les moyens et elle est signée par la partie ou par son mandataire ayant une procuration spéciale, laquelle est annexée à la requête.
La requête en récusation est remise dans les vingt-quatre heures par le greffier au conseiller récusé.
Celui-ci donne au bas de la requête, dans les deux jours, sa déclaration écrite portant ou son acquiescement à la récusation, ou son refus de s'abstenir, avec ses réponses aux moyens de récusation.
Si la récusation est contestée, l'assemblée générale du Conseil statue sur celle-ci en l'absence du conseiller en cause. La partie demanderesse et le conseiller en cause sont entendus.
Dans ce cas, la décision de l'assemblée générale du Conseil n'est pas susceptible de recours.
§ 3. Le Roi procède au remplacement d'un conseiller si ce dernier :
1° est atteint d'incapacité physique ou mentale;
2° exerce un mandat public conféré par élection;
3° démissionne ou doit démissionner à la suite d'une incompatibilité.
§ 2. Les conseillers peuvent être récusés pour les causes énoncées à l'article 828 du Code judiciaire.
Tout conseiller qui sait cause de récusation en sa personne s'abstient.
La demande en récusation est introduite par requête motivée déposée au greffe. Elle contient les moyens et elle est signée par la partie ou par son mandataire ayant une procuration spéciale, laquelle est annexée à la requête.
La requête en récusation est remise dans les vingt-quatre heures par le greffier au conseiller récusé.
Celui-ci donne au bas de la requête, dans les deux jours, sa déclaration écrite portant ou son acquiescement à la récusation, ou son refus de s'abstenir, avec ses réponses aux moyens de récusation.
Si la récusation est contestée, l'assemblée générale du Conseil statue sur celle-ci en l'absence du conseiller en cause. La partie demanderesse et le conseiller en cause sont entendus.
Dans ce cas, la décision de l'assemblée générale du Conseil n'est pas susceptible de recours.
§ 3. Le Roi procède au remplacement d'un conseiller si ce dernier :
1° est atteint d'incapacité physique ou mentale;
2° exerce un mandat public conféré par élection;
3° démissionne ou doit démissionner à la suite d'une incompatibilité.
Art.10. De Raad wordt ingedeeld in kamers, elk bestaande uit drie raadsleden. De algemene vergadering van de Raad legt jaarlijks de samenstelling van de kamers vast en kiest daaruit de voorzitters.
De voorzitter van de raad wijst de zaken toe aan de kamers.
De voorzitter van de raad wijst de zaken toe aan de kamers.
Art.10. Le Conseil est divisé en chambres, composées chacune de trois conseillers. L'assemblée générale du Conseil fixe annuellement la composition des chambres et en choisit les présidents en leur sein.
Le président du Conseil distribue les affaires entre les chambres.
Le président du Conseil distribue les affaires entre les chambres.
Art.11. Elke kamer van de Raad en de voorzitter of het raadslid dat hij aanwijst in geval van voorlopige maatregelen doen bij met redenen omklede beslissing uitspraak over alle zaken waarmede zij belast worden, na de belanghebbenden in hun middelen gehoord te hebben, alsook, op hun verzoek, de eventuele klagers of de raadsman van hun keuze.
Art.11. Chaque chambre du Conseil et le président ou le conseiller qu'il délègue en cas de mesures provisoires statuent par voie de décision motivée sur toutes les affaires dont ils sont saisis, après avoir entendu en leurs moyens les intéressés ainsi que, à leur demande, les éventuels plaignants, ou le conseil de leur choix.
Art.12. De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 neemt deel aan de vergaderingen tussen rechterlijke autoriteiten. Voor deelname aan andere Europese en internationale vergaderingen is de voorafgaande toestemming van de minister vereist.
Art.12. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 participe aux réunions entre autorités juridictionnelles. La participation aux autres réunions européennes et internationales est soumise à l'autorisation préalable du ministre.
Afdeling III. De algemene vergadering van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
Section III. - De l'assemblée générale de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Art.13. De algemene vergadering van de Raad is samengesteld uit de voorzitter, de ondervoorzitter en de raadsleden. Zij wordt voorgezeten door de voorzitter, of bij diens ontstentenis, door de ondervoorzitter, of indien beide afwezig zijn, door de aanwezige kamervoorzitter, of desgevallend door het aanwezige raadslid, met de meeste anciënniteit of, bij gelijke anciënniteit, de oudste in jaren.
De auditeur-generaal wordt opgeroepen op elke algemene vergadering. Hij wordt er gehoord op zijn verzoek.
De algemene vergadering van de Raad kan slechts rechtsgeldig vergaderen wanneer tenminste de helft van de Nederlandstalige en de helft van de Franstalige leden aanwezig zijn. Wanneer het quorum niet bereikt is, wordt een nieuwe vergadering bijeengeroepen met dezelfde punten op de agenda. Over die punten kan deze tweede vergadering rechtsgeldig beslissen ongeacht het aantal aanwezige leden.
De algemene vergadering van de Raad beslist bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de vergadering doorslaggevend.
De auditeur-generaal wordt opgeroepen op elke algemene vergadering. Hij wordt er gehoord op zijn verzoek.
De algemene vergadering van de Raad kan slechts rechtsgeldig vergaderen wanneer tenminste de helft van de Nederlandstalige en de helft van de Franstalige leden aanwezig zijn. Wanneer het quorum niet bereikt is, wordt een nieuwe vergadering bijeengeroepen met dezelfde punten op de agenda. Over die punten kan deze tweede vergadering rechtsgeldig beslissen ongeacht het aantal aanwezige leden.
De algemene vergadering van de Raad beslist bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Bij staking van stemmen is de stem van de voorzitter van de vergadering doorslaggevend.
Art.13. L'assemblée générale du Conseil se compose du président, du vice-président et des conseillers. Elle est présidée par le président ou, à défaut, par le vice-président ou, à défaut, par le plus ancien ou, à égalité d'ancienneté, par le plus âgé des présidents de chambre ou, le cas échéant, des conseillers présents.
L'auditeur général est convoqué à toutes les assemblées générales. Il y est entendu à sa demande.
L'assemblée générale du Conseil ne peut siéger régulièrement que lorsque la moitié au moins des membres du rôle linguistique néerlandophone et la moitié des membres du rôle linguistique francophone sont présents. Lorsque le quorum n'est pas atteint, une nouvelle assemblée est convoquée avec les mêmes points à l'ordre du jour. Cette deuxième assemblée peut décider régulièrement sur ces points indépendamment du nombre de membres présents.
L'assemblée générale du Conseil décide à la majorité simple des voix exprimées. En cas de partage des voix, la voix du président de l'assemblée est prépondérante.
L'auditeur général est convoqué à toutes les assemblées générales. Il y est entendu à sa demande.
L'assemblée générale du Conseil ne peut siéger régulièrement que lorsque la moitié au moins des membres du rôle linguistique néerlandophone et la moitié des membres du rôle linguistique francophone sont présents. Lorsque le quorum n'est pas atteint, une nouvelle assemblée est convoquée avec les mêmes points à l'ordre du jour. Cette deuxième assemblée peut décider régulièrement sur ces points indépendamment du nombre de membres présents.
L'assemblée générale du Conseil décide à la majorité simple des voix exprimées. En cas de partage des voix, la voix du président de l'assemblée est prépondérante.
Art.14. Wanneer de voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 oordeelt dat een zaak in algemene vergadering dient te worden behandeld teneinde de eenheid van rechtspraak te verzekeren, beveelt hij de verzending naar deze vergadering.
Art.14. Lorsque le président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 estime que pour assurer l'unité de la jurisprudence, une affaire doit être traitée en assemblée générale, il ordonne le renvoi à cette assemblée.
Art.15. Het huishoudelijk reglement wordt vastgelegd door de algemene vergadering na de auditeur-generaal te hebben gehoord. Het wordt goedgekeurd door de Koning.
Art.15. Le règlement d'ordre intérieur est arrêté par l'assemblée générale, l'auditeur général étant entendu. Il est approuvé par le Roi.
Afdeling IV. - Het Auditoraat.
Section IV. - De l'Auditorat.
Art.16. Een Auditoraat, samengesteld uit minimum zes en maximum tien leden, die auditeur-generaal, auditeur of adjunct-auditeur zijn, wordt opgericht bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
De auditeur-generaal, de auditeurs en de adjunct-auditeurs oefenen collegiaal de bevoegdheden van het Auditoraat uit, en elk van hen kan de bevoegdheden van de auditeurs, omschreven in deze wet en in de bovenvermelde wet van 10 juni 2006, uitoefenen.
De adjunct-auditeurs worden benoemd door de Koning, onder de geslaagden voor een vergelijkend examen inzake beroepsbekwaamheid waarvan de nadere regels en het programma door de Koning worden bepaald.
Zij moeten houder zijn van een diploma van master en hun functionele kennis van het Frans, het Nederlands en het Engels bewijzen.
Ten hoogste drie vierde van de leden van het Auditoraat mogen drager zijn van een diploma in hetzelfde studiegebied.
De helft van de leden van het Auditoraat zijn houder van een diploma van master in de Franse taal en de andere helft bezit dat diploma in de Nederlandse taal.
Ten minste één lid van het Auditoraat bewijst de functionele kennis van de Duitse taal.
De auditeur-generaal, de auditeurs en de adjunct-auditeurs oefenen collegiaal de bevoegdheden van het Auditoraat uit, en elk van hen kan de bevoegdheden van de auditeurs, omschreven in deze wet en in de bovenvermelde wet van 10 juni 2006, uitoefenen.
De adjunct-auditeurs worden benoemd door de Koning, onder de geslaagden voor een vergelijkend examen inzake beroepsbekwaamheid waarvan de nadere regels en het programma door de Koning worden bepaald.
Zij moeten houder zijn van een diploma van master en hun functionele kennis van het Frans, het Nederlands en het Engels bewijzen.
Ten hoogste drie vierde van de leden van het Auditoraat mogen drager zijn van een diploma in hetzelfde studiegebied.
De helft van de leden van het Auditoraat zijn houder van een diploma van master in de Franse taal en de andere helft bezit dat diploma in de Nederlandse taal.
Ten minste één lid van het Auditoraat bewijst de functionele kennis van de Duitse taal.
Art.16. Un Auditorat, composé de minimum six et de maximum dix membres, étant l'auditeur général et les auditeurs ou auditeurs adjoints, est institué auprès de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
L'auditeur général, les auditeurs et les auditeurs adjoints exercent en collège les compétences de l'Auditorat et chacun d'eux peut exercer les compétences des auditeurs définies dans la présente loi et dans la loi du 10 juin 2006 précitée.
Les auditeurs adjoints sont nommés par le Roi parmi les lauréats d'un concours d'aptitude professionnelle dont les modalités et le programme sont fixés par le Roi.
Ils doivent être porteurs d'un diplôme de master et justifier d'une connaissance fonctionnelle du français, du néerlandais et de l'anglais.
Trois quarts au maximum des membres de l'Auditorat peuvent posséder un diplôme de la même discipline.
La moitié des membres de l'Auditorat sont titulaires d'un diplôme de master en langue française et l'autre moitié en langue néerlandaise.
Un membre de l'Auditorat au moins fournit la preuve de la connaissance fonctionnelle de la langue allemande.
L'auditeur général, les auditeurs et les auditeurs adjoints exercent en collège les compétences de l'Auditorat et chacun d'eux peut exercer les compétences des auditeurs définies dans la présente loi et dans la loi du 10 juin 2006 précitée.
Les auditeurs adjoints sont nommés par le Roi parmi les lauréats d'un concours d'aptitude professionnelle dont les modalités et le programme sont fixés par le Roi.
Ils doivent être porteurs d'un diplôme de master et justifier d'une connaissance fonctionnelle du français, du néerlandais et de l'anglais.
Trois quarts au maximum des membres de l'Auditorat peuvent posséder un diplôme de la même discipline.
La moitié des membres de l'Auditorat sont titulaires d'un diplôme de master en langue française et l'autre moitié en langue néerlandaise.
Un membre de l'Auditorat au moins fournit la preuve de la connaissance fonctionnelle de la langue allemande.
Art.17. De Koning benoemt de auditeur-generaal onder de auditeurs, of bij gebreke onder de adjunct-auditeurs voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, op advies van de algemene vergadering van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
De auditeurs worden door de Koning benoemd onder de adjunct-auditeurs die zes jaar dienstanciënniteit tellen bij het Auditoraat.
De auditeurs worden door de Koning benoemd onder de adjunct-auditeurs die zes jaar dienstanciënniteit tellen bij het Auditoraat.
Art.17. Le Roi nomme l'auditeur général parmi les auditeurs ou à défaut, parmi les auditeurs adjoints, pour un terme renouvelable de six ans, sur avis de l'assemblée générale de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Les auditeurs sont nommés par le Roi parmi les auditeurs adjoints qui comptent six ans de fonction à l'Auditorat.
Les auditeurs sont nommés par le Roi parmi les auditeurs adjoints qui comptent six ans de fonction à l'Auditorat.
Art. 17/1. [1 Voor zijn wijziging door de wet van 3 april 2013 wordt artikel 17 van deze wet aldus uitgelegd dat de auditeur die door de Koning benoemd werd tot auditeur-generaal bij de Raad voor de Mededinging voor een hernieuwbare termijn van zes jaar, geacht wordt deze functie als een hogere functie in een statutaire betrekking van auditeur te hebben uitgeoefend.]1
Art. 17/1. [1 Avant sa modification par la loi du 3 avril 2013, l'article 17 de la présente loi est interprété en ce sens que l'auditeur qui a été nommé par le Roi en tant qu'auditeur général du Conseil de la concurrence pour un terme renouvelable de six ans, est réputé avoir exercé cette fonction comme une fonction supérieure dans un emploi statuaire d'auditeur.]1
Modifications
Art.18. De auditeur-generaal verdeelt de zaken onder de leden van het Auditoraat en leidt hun werkzaamheden.
De leden van het auditoraat staan onder het hiërarchisch gezag van de auditeur-generaal.
De leden van het auditoraat staan onder het hiërarchisch gezag van de auditeur-generaal.
Art.18. L'auditeur général répartit les affaires entre les membres de l'Auditorat et dirige leurs travaux.
Les membres de l'Auditorat sont placés sous l'autorité hiérarchique de l'auditeur général.
Les membres de l'Auditorat sont placés sous l'autorité hiérarchique de l'auditeur général.
Art.19. De wedde van de leden van het Auditoraat wordt als volgt bepaald :
1° auditeur-generaal : de geldelijke regeling die van toepassing is op de eerste auditeurs-afdelingshoofden van de Raad van State;
2° auditeur : de geldelijke regeling die van toepassing is op de auditeurs van de Raad van State;
3° adjunct-auditeur : de geldelijke regeling die van toepassing is op de adjunct-auditeurs van de Raad van State.
De leden van het Auditoraat zijn onderworpen aan de reglementering die van toepassing is op de rijksambtenaren, behoudens indien deze wet daarvan uitdrukkelijk afwijkt.
1° auditeur-generaal : de geldelijke regeling die van toepassing is op de eerste auditeurs-afdelingshoofden van de Raad van State;
2° auditeur : de geldelijke regeling die van toepassing is op de auditeurs van de Raad van State;
3° adjunct-auditeur : de geldelijke regeling die van toepassing is op de adjunct-auditeurs van de Raad van State.
De leden van het Auditoraat zijn onderworpen aan de reglementering die van toepassing is op de rijksambtenaren, behoudens indien deze wet daarvan uitdrukkelijk afwijkt.
Art.19. Le traitement des membres de l'Auditorat est fixé comme suit :
1° auditeur général : le régime pécuniaire applicable aux premiers auditeurs chefs de section du Conseil d'Etat;
2° auditeur : le régime pécuniaire applicable aux auditeurs du Conseil d'Etat;
3° auditeur adjoint : le régime pécuniaire applicable aux auditeurs adjoints du Conseil d'Etat.
Les membres de l'Auditorat sont soumis à la réglementation applicable aux agents de l'Etat, sauf si la présente loi y déroge expressément.
1° auditeur général : le régime pécuniaire applicable aux premiers auditeurs chefs de section du Conseil d'Etat;
2° auditeur : le régime pécuniaire applicable aux auditeurs du Conseil d'Etat;
3° auditeur adjoint : le régime pécuniaire applicable aux auditeurs adjoints du Conseil d'Etat.
Les membres de l'Auditorat sont soumis à la réglementation applicable aux agents de l'Etat, sauf si la présente loi y déroge expressément.
Art.20. § 1. De auditeurs zijn belast met :
1° het ontvangen van de klachten en de verzoeken om voorlopige maatregelen betreffende de restrictieve mededingingspraktijken, evenals van de aanmeldingen van concentraties;
2° het leiden en organiseren van het onderzoek en toezien op de uitvoering van de door de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 genomen beslissingen;
3° het afgeven van de opdrachtbevelen aan de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, met inbegrip van de opdrachtbevelen bedoeld in artikel 22, § 3, achtste lid, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006;
4° het opstellen en het indienen van het gemotiveerd verslag bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1;
5° het seponeren van klachten en verzoeken om voorlopige maatregelen;
6° het zich uitspreken op verzoek van de belanghebbende natuurlijke of rechtspersoon of op eigen initiatief, over het vertrouwelijk karakter van de gegevens die in de loop van de procedure aan de Dienst voor de Mededinging of aan het Auditoraat zijn overgezonden;
7° het vragen van de verwijzing van een concentratie naar de in artikel 2, 4°, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 bedoelde Belgische mededingingsautoriteit en het verwijzen van een concentratie naar de Europese Commissie met toepassing van de artikelen 4 en 9, enerzijds, en van artikel 22, anderzijds, van de verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, anderzijds;
8° de toepassing van artikel 39 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
De auditeur-generaal zit de vergaderingen van het Auditoraat voor, met uitzondering van de vergaderingen die tot doel hebben de prioriteiten van het implementatiebeleid van de wet te bepalen en de volgorde van behandeling van de dossiers die ingediend werden op grond van artikel 22 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 vast te leggen. Deze laatste vergaderingen worden voorgezeten door de leidende ambtenaar van de Dienst voor de Mededinging. In geval van afwezigheid of verhindering wordt de auditeur-generaal vervangen door de auditeur met de meeste dienstjaren of, in geval van gelijke anciënniteit, door de oudste in jaren.
§ 2. De auditeurs kunnen alle handelingen verrichten ter volbrenging van hun opdracht, behalve wanneer de wet deze handelingen aan het Auditoraat voorbehoudt. In dit geval beraadslaagt het Auditoraat bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen; bij staking van stemmen is de stem van de auditeur-generaal doorslaggevend.
Zonder afbreuk te doen aan artikel 18, mogen de auditeurs geen enkel uitdrukkelijk bevel vragen of aanvaarden in verband met de behandeling van de op grond van artikel 22, § 1, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006, ingediende dossiers of met hun standpuntbepaling in de vergaderingen van het Auditoraat die tot doel hebben de prioriteiten van het implementatiebeleid van de wet te bepalen en de volgorde van behandeling van de dossiers vast te leggen.
§ 3. Wanneer het Auditoraat beslist een onderzoek te openen op grond van artikel 22, § 1, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 wijst de leidende ambtenaar van de Dienst voor de Mededinging, in overleg met de auditeur-generaal, de ambtenaren van deze dienst aan die het team samenstellen dat met het onderzoek is belast.
De ambtenaren die bij een onderzoeksteam zijn ingedeeld, kunnen enkel uitdrukkelijke bevelen ontvangen van de auditeur die dat onderzoek leidt.
§ 4. Het Auditoraat stelt zijn huishoudelijk reglement op dat, na advies van de algemene vergadering van de Raad, door de Koning wordt goedgekeurd.
1° het ontvangen van de klachten en de verzoeken om voorlopige maatregelen betreffende de restrictieve mededingingspraktijken, evenals van de aanmeldingen van concentraties;
2° het leiden en organiseren van het onderzoek en toezien op de uitvoering van de door de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 genomen beslissingen;
3° het afgeven van de opdrachtbevelen aan de ambtenaren van de Dienst voor de Mededinging, met inbegrip van de opdrachtbevelen bedoeld in artikel 22, § 3, achtste lid, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006;
4° het opstellen en het indienen van het gemotiveerd verslag bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1;
5° het seponeren van klachten en verzoeken om voorlopige maatregelen;
6° het zich uitspreken op verzoek van de belanghebbende natuurlijke of rechtspersoon of op eigen initiatief, over het vertrouwelijk karakter van de gegevens die in de loop van de procedure aan de Dienst voor de Mededinging of aan het Auditoraat zijn overgezonden;
7° het vragen van de verwijzing van een concentratie naar de in artikel 2, 4°, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 bedoelde Belgische mededingingsautoriteit en het verwijzen van een concentratie naar de Europese Commissie met toepassing van de artikelen 4 en 9, enerzijds, en van artikel 22, anderzijds, van de verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van de Europese Unie van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen, anderzijds;
8° de toepassing van artikel 39 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
De auditeur-generaal zit de vergaderingen van het Auditoraat voor, met uitzondering van de vergaderingen die tot doel hebben de prioriteiten van het implementatiebeleid van de wet te bepalen en de volgorde van behandeling van de dossiers die ingediend werden op grond van artikel 22 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 vast te leggen. Deze laatste vergaderingen worden voorgezeten door de leidende ambtenaar van de Dienst voor de Mededinging. In geval van afwezigheid of verhindering wordt de auditeur-generaal vervangen door de auditeur met de meeste dienstjaren of, in geval van gelijke anciënniteit, door de oudste in jaren.
§ 2. De auditeurs kunnen alle handelingen verrichten ter volbrenging van hun opdracht, behalve wanneer de wet deze handelingen aan het Auditoraat voorbehoudt. In dit geval beraadslaagt het Auditoraat bij gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen; bij staking van stemmen is de stem van de auditeur-generaal doorslaggevend.
Zonder afbreuk te doen aan artikel 18, mogen de auditeurs geen enkel uitdrukkelijk bevel vragen of aanvaarden in verband met de behandeling van de op grond van artikel 22, § 1, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006, ingediende dossiers of met hun standpuntbepaling in de vergaderingen van het Auditoraat die tot doel hebben de prioriteiten van het implementatiebeleid van de wet te bepalen en de volgorde van behandeling van de dossiers vast te leggen.
§ 3. Wanneer het Auditoraat beslist een onderzoek te openen op grond van artikel 22, § 1, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 wijst de leidende ambtenaar van de Dienst voor de Mededinging, in overleg met de auditeur-generaal, de ambtenaren van deze dienst aan die het team samenstellen dat met het onderzoek is belast.
De ambtenaren die bij een onderzoeksteam zijn ingedeeld, kunnen enkel uitdrukkelijke bevelen ontvangen van de auditeur die dat onderzoek leidt.
§ 4. Het Auditoraat stelt zijn huishoudelijk reglement op dat, na advies van de algemene vergadering van de Raad, door de Koning wordt goedgekeurd.
Art.20. § 1er. Les auditeurs sont chargés :
1° de recevoir les plaintes et les demandes de mesures provisoires relatives aux pratiques restrictives de concurrence, ainsi que les notifications de concentrations;
2° de diriger et d'organiser l'instruction et de veiller à l'exécution des décisions prises par [1 l'Autorité belge de la concurrence]1;
3° de délivrer aux fonctionnaires du Service de la concurrence les ordres de mission, y compris ceux visés à l'article 22, § 3, alinéa 8, de la loi du 10 juin 2006 précitée;
4° d'établir et de déposer le rapport motivé à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1;
5° de classer les plaintes et les demandes de mesures provisoires;
6° à la demande de personnes physiques ou morales intéressées ou de leur propre initiative, de se prononcer sur le caractère confidentiel des données fournies au Service de la concurrence ou à l'Auditorat au cours de la procédure;
7° de demander le renvoi d'une concentration à l'Autorité belge de concurrence visée à l'article 2, 4°, de la loi du 10 juin 2006 précitée et de renvoyer une concentration à la Commission européenne en application des articles 4 et 9, d'une part, et de l'article 22, d'autre part, du règlement (CE) n° 139/2004 du Conseil de l'Union européenne du 20 janvier 2004 relatif au contrôle des concentrations entre entreprises;
8° d'appliquer l'article 39 de la loi du 10 juin 2006 précitée.
L'auditeur général préside les réunions de l'Auditorat, à l'exception des réunions qui ont pour objet la détermination des priorités de la politique de mise en oeuvre de la loi et la fixation de l'ordre de traitement des dossiers introduits en vertu de l'article 22 de la loi du 10 juin 2006 précitée. Ces dernières réunions sont présidées par le fonctionnaire dirigeant du Service de la concurrence. En cas d'absence ou d'empêchement, l'auditeur général est remplacé par l'auditeur le plus ancien ou, en cas de parité d'ancienneté, par l'auditeur le plus âgé.
§ 2. Les auditeurs peuvent accomplir tous les actes relatifs à l'accomplissement de leur mission, sauf lorsque la loi réserve ces actes à l'Auditorat. Dans ce cas, l'Auditorat délibère à la majorité simple des voix exprimées; en cas de partage de voix, la voix de l'auditeur général est prépondérante.
Sans préjudice de l'article 18, les auditeurs ne peuvent solliciter ni accepter aucune injonction concernant le traitement des dossiers introduits en vertu de l'article 22, § 1er, de la loi du 10 juin 2006 précitée ou leur prise de position dans les réunions de l'Auditorat qui ont pour objet la détermination des priorités de la politique de mise en oeuvre de la loi et la fixation de l'ordre de traitement des dossiers.
§ 3. Quand l'Auditorat décide d'ouvrir une instruction en vertu de l'article 22, § 1er, de la loi du 10 juin 2006 précitée, le fonctionnaire dirigeant du Service de la concurrence désigne, en concertation avec l'auditeur général, les fonctionnaires de ce Service qui composent l'équipe chargée de l'instruction.
Les fonctionnaires qui sont affectés à une équipe d'instruction ne peuvent recevoir des injonctions que de l'auditeur qui dirige cette instruction.
§ 4. L'Auditorat arrête son règlement d'ordre intérieur, qui, après avis de l'assemblée générale du Conseil, est approuvé par le Roi.
1° de recevoir les plaintes et les demandes de mesures provisoires relatives aux pratiques restrictives de concurrence, ainsi que les notifications de concentrations;
2° de diriger et d'organiser l'instruction et de veiller à l'exécution des décisions prises par [1 l'Autorité belge de la concurrence]1;
3° de délivrer aux fonctionnaires du Service de la concurrence les ordres de mission, y compris ceux visés à l'article 22, § 3, alinéa 8, de la loi du 10 juin 2006 précitée;
4° d'établir et de déposer le rapport motivé à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1;
5° de classer les plaintes et les demandes de mesures provisoires;
6° à la demande de personnes physiques ou morales intéressées ou de leur propre initiative, de se prononcer sur le caractère confidentiel des données fournies au Service de la concurrence ou à l'Auditorat au cours de la procédure;
7° de demander le renvoi d'une concentration à l'Autorité belge de concurrence visée à l'article 2, 4°, de la loi du 10 juin 2006 précitée et de renvoyer une concentration à la Commission européenne en application des articles 4 et 9, d'une part, et de l'article 22, d'autre part, du règlement (CE) n° 139/2004 du Conseil de l'Union européenne du 20 janvier 2004 relatif au contrôle des concentrations entre entreprises;
8° d'appliquer l'article 39 de la loi du 10 juin 2006 précitée.
L'auditeur général préside les réunions de l'Auditorat, à l'exception des réunions qui ont pour objet la détermination des priorités de la politique de mise en oeuvre de la loi et la fixation de l'ordre de traitement des dossiers introduits en vertu de l'article 22 de la loi du 10 juin 2006 précitée. Ces dernières réunions sont présidées par le fonctionnaire dirigeant du Service de la concurrence. En cas d'absence ou d'empêchement, l'auditeur général est remplacé par l'auditeur le plus ancien ou, en cas de parité d'ancienneté, par l'auditeur le plus âgé.
§ 2. Les auditeurs peuvent accomplir tous les actes relatifs à l'accomplissement de leur mission, sauf lorsque la loi réserve ces actes à l'Auditorat. Dans ce cas, l'Auditorat délibère à la majorité simple des voix exprimées; en cas de partage de voix, la voix de l'auditeur général est prépondérante.
Sans préjudice de l'article 18, les auditeurs ne peuvent solliciter ni accepter aucune injonction concernant le traitement des dossiers introduits en vertu de l'article 22, § 1er, de la loi du 10 juin 2006 précitée ou leur prise de position dans les réunions de l'Auditorat qui ont pour objet la détermination des priorités de la politique de mise en oeuvre de la loi et la fixation de l'ordre de traitement des dossiers.
§ 3. Quand l'Auditorat décide d'ouvrir une instruction en vertu de l'article 22, § 1er, de la loi du 10 juin 2006 précitée, le fonctionnaire dirigeant du Service de la concurrence désigne, en concertation avec l'auditeur général, les fonctionnaires de ce Service qui composent l'équipe chargée de l'instruction.
Les fonctionnaires qui sont affectés à une équipe d'instruction ne peuvent recevoir des injonctions que de l'auditeur qui dirige cette instruction.
§ 4. L'Auditorat arrête son règlement d'ordre intérieur, qui, après avis de l'assemblée générale du Conseil, est approuvé par le Roi.
Art.21. § 1. De auditeurs kunnen worden gewraakt om de redenen vermeld in artikel 828 van het Gerechtelijk Wetboek.
Elke auditeur die weet dat er een wrakingsgrond tegen zijn persoon is, onthoudt zich.
De vordering tot wraking wordt ingediend door middel van een met redenen omkleed verzoekschrift dat bij de griffie wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de partij of door haar bijzondere gemachtigde en de bijzondere volmacht is bij het verzoekschrift gevoegd.
Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door de griffier aan de gewraakte auditeur overhandigd.
Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen.
Indien de wraking betwist wordt, doet de algemene vergadering van de Raad uitspraak erover in afwezigheid van de betrokken auditeur. De eisende partij en de betrokken auditeur worden gehoord.
In dit geval is de beslissing van de algemene vergadering van de Raad niet vatbaar voor beroep.
§ 2. De leden van het Auditoraat worden op rust gesteld wanneer zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen of wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt.
Elke auditeur die weet dat er een wrakingsgrond tegen zijn persoon is, onthoudt zich.
De vordering tot wraking wordt ingediend door middel van een met redenen omkleed verzoekschrift dat bij de griffie wordt ingediend. Het bevat de middelen en is ondertekend door de partij of door haar bijzondere gemachtigde en de bijzondere volmacht is bij het verzoekschrift gevoegd.
Het verzoekschrift tot wraking wordt binnen vierentwintig uur door de griffier aan de gewraakte auditeur overhandigd.
Deze laatste geeft binnen twee dagen onderaan het verzoekschrift zijn schriftelijke verklaring met ofwel zijn instemming met de wraking ofwel zijn weigering zich te onthouden, met zijn antwoorden op de wrakingsmiddelen.
Indien de wraking betwist wordt, doet de algemene vergadering van de Raad uitspraak erover in afwezigheid van de betrokken auditeur. De eisende partij en de betrokken auditeur worden gehoord.
In dit geval is de beslissing van de algemene vergadering van de Raad niet vatbaar voor beroep.
§ 2. De leden van het Auditoraat worden op rust gesteld wanneer zij wegens een ernstig en permanent gebrek hun ambt niet meer behoorlijk kunnen uitoefenen of wanneer zij de leeftijd van vijfenzestig jaar hebben bereikt.
Art.21. § 1er. Les auditeurs peuvent être récusés pour les causes énoncées à l'article 828 du Code judiciaire.
Tout auditeur qui sait cause de récusation en sa personne s'abstient.
La demande en récusation est introduite par requête motivée déposée au greffe. Elle contient les moyens et est signée par la partie ou par son mandataire ayant une procuration spéciale, laquelle est annexée à la requête.
La requête en récusation est remise dans les vingt-quatre heures par le greffier à l'auditeur récusé.
Celui-ci donne au bas de la requête, dans les deux jours, sa déclaration écrite portant ou son acquiescement à la récusation, ou son refus de s'abstenir, avec ses réponses aux moyens de récusation.
Si la récusation est contestée, l'assemblée générale du Conseil statue sur celle-ci en l'absence de l'auditeur en cause. La partie demanderesse et l'auditeur en cause sont entendus.
Dans ce cas, la décision de l'assemblée générale du Conseil n'est pas susceptible de recours.
§ 2. Les membres de l'Auditorat sont admis à la retraite lorsqu'une infirmité grave et permanente ne leur permet plus de remplir convenablement leurs fonctions ou lorsqu'ils ont atteint l'âge de soixante-cinq ans.
Tout auditeur qui sait cause de récusation en sa personne s'abstient.
La demande en récusation est introduite par requête motivée déposée au greffe. Elle contient les moyens et est signée par la partie ou par son mandataire ayant une procuration spéciale, laquelle est annexée à la requête.
La requête en récusation est remise dans les vingt-quatre heures par le greffier à l'auditeur récusé.
Celui-ci donne au bas de la requête, dans les deux jours, sa déclaration écrite portant ou son acquiescement à la récusation, ou son refus de s'abstenir, avec ses réponses aux moyens de récusation.
Si la récusation est contestée, l'assemblée générale du Conseil statue sur celle-ci en l'absence de l'auditeur en cause. La partie demanderesse et l'auditeur en cause sont entendus.
Dans ce cas, la décision de l'assemblée générale du Conseil n'est pas susceptible de recours.
§ 2. Les membres de l'Auditorat sont admis à la retraite lorsqu'une infirmité grave et permanente ne leur permet plus de remplir convenablement leurs fonctions ou lorsqu'ils ont atteint l'âge de soixante-cinq ans.
Afdeling V. - Tucht.
Section V. - De la discipline.
Art.22. Elk raadslid bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en elk lid van het Auditoraat bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kan uit zijn ambt vervallen worden verklaard of in zijn ambt worden geschorst overeenkomstig artikel 615, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek.
De voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kan op gemotiveerde wijze aan de raadsleden en de leden van het Auditoraat een terechtwijzing, een blaam of een inhouding van wedde als tuchtrechtelijke sanctie opleggen.
De voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kan op gemotiveerde wijze aan de raadsleden en de leden van het Auditoraat een terechtwijzing, een blaam of een inhouding van wedde als tuchtrechtelijke sanctie opleggen.
Art.22. Tout conseiller à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et tout membre de l'Auditorat près [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 peut être déclaré déchu ou suspendu de ses fonctions conformément à l'article 615, alinéa 2, du Code judiciaire.
Le président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 peut infliger aux conseillers et aux membres de l'Auditorat, de manière motivée, un rappel à l'ordre, un blâme ou une retenue de traitement comme sanction disciplinaire.
Le président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 peut infliger aux conseillers et aux membres de l'Auditorat, de manière motivée, un rappel à l'ordre, un blâme ou une retenue de traitement comme sanction disciplinaire.
Afdeling VI. - De griffie.
Section VI. - Du greffe.
Art.23. Bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 wordt er een griffie opgericht die het secretariaat ervan behartigt.
De griffie wordt onder het functioneel gezag van de griffier geplaatst.
De griffier oefent zijn ambt uit onder de leiding van de voorzitter van de Raad.
De griffier wordt bijgestaan door een adjunct-griffier.
De algemene vergadering van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 stelt het reglement van de griffie op.
De griffie wordt onder het functioneel gezag van de griffier geplaatst.
De griffier oefent zijn ambt uit onder de leiding van de voorzitter van de Raad.
De griffier wordt bijgestaan door een adjunct-griffier.
De algemene vergadering van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 stelt het reglement van de griffie op.
Art.23. Il est institué auprès de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 un greffe qui en assure le secrétariat.
Le greffe est placé sous l'autorité fonctionnelle du greffier.
Le greffier exerce ses fonctions sous la direction du président du Conseil.
Le greffier est assisté par un greffier adjoint.
L'assemblée générale [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 établit le règlement du greffe.
Le greffe est placé sous l'autorité fonctionnelle du greffier.
Le greffier exerce ses fonctions sous la direction du président du Conseil.
Le greffier est assisté par un greffier adjoint.
L'assemblée générale [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 établit le règlement du greffe.
Art.24. De griffier en de adjunct-griffier worden benoemd door de Koning onder de personeelsleden van de federale overheidsdienst Economie, KMO, Middenstand en Energie. Zij zijn houder van het diploma van master behaald in de Franse taal voor de ene en in de Nederlandse taal voor de andere.
De Koning bepaalt het statuut van de griffier en de adjunct-griffier.
De Koning bepaalt het statuut van de griffier en de adjunct-griffier.
Art.24. Le greffier et le greffier adjoint sont nommés par le Roi parmi les membres du personnel du Service public fédéral Economie, PME, Classes moyennes et Energie. Ils sont porteurs du diplôme de master délivré dans la langue française pour l'un et dans la langue néerlandaise pour l'autre.
Le Roi détermine le statut du greffier et du greffier adjoint.
Le Roi détermine le statut du greffier et du greffier adjoint.
HOOFDSTUK III. - Prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Cassatie.
CHAPITRE III. - Questions préjudicielles posées à la Cour de cassation.
Art.25. Het Hof van Cassatie spreekt zich bij wege van prejudicieel arrest uit over de vragen met betrekking tot de interpretatie van deze wet of van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
Art.25. La Cour de cassation statue à titre préjudiciel, par voie d'arrêt, sur les questions relatives à l'interprétation de la présente loi ou de la loi du 10 juin 2006 précitée.
Art.26. § 1. Wanneer de oplossing van een geschil afhangt van de interpretatie van deze wet of van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006, kan het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt, met inbegrip van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, de uitspraak uitstellen en een prejudiciële vraag stellen aan het Hof van Cassatie.
De beslissing om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Cassatie schorst de termijnen en de procedure voor de rechtbank die de vraag stelt vanaf de dag waarop de beslissing werd genomen tot de dag waarop het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt het antwoord van het Hof van Cassatie ontvangt.
Tegen de beslissing van de rechter om een prejudiciële vraag te stellen of een dergelijke vraag niet te stellen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
§ 2. De griffier van het Hof van Cassatie stelt de partijen, de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, de minister en, in het geval van toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Commissie onverwijld in kennis van de prejudiciële vraag.
De griffier van het Hof van Cassatie nodigt de partijen, de minister en de Europese Commissie uit om hun schriftelijke opmerkingen over te zenden, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een maand na de kennisgeving van de prejudiciële vraag.
§ 3. Deze laatsten kunnen elk vragen om gehoord te worden en het proceduredossier ter plaatse raadplegen of vragen dat hen een afschrift wordt toegezonden.
Wanneer de prejudiciële vraag gesteld wordt door de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, wordt de auditeur, die voor de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 de zaak onderzoekt binnen het kader waarvan de vraag wordt gesteld, uitgenodigd door de griffier bij het Hof van Cassatie om zijn opmerkingen in te dienen volgens de nadere regels bedoeld in § 2, tweede lid.
Het Hof kan de prejudiciële vraag herformuleren. Het Hof neemt een met redenen omklede beslissing. Het Hof doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
§ 4. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vragen zijn gesteld, voegen naar het arrest dat het Hof van Cassatie heeft gewezen.
De beslissing om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Cassatie schorst de termijnen en de procedure voor de rechtbank die de vraag stelt vanaf de dag waarop de beslissing werd genomen tot de dag waarop het gerecht waarbij de zaak aanhangig is gemaakt het antwoord van het Hof van Cassatie ontvangt.
Tegen de beslissing van de rechter om een prejudiciële vraag te stellen of een dergelijke vraag niet te stellen kan geen enkel rechtsmiddel worden aangewend.
§ 2. De griffier van het Hof van Cassatie stelt de partijen, de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, de minister en, in het geval van toepassing van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, de Europese Commissie onverwijld in kennis van de prejudiciële vraag.
De griffier van het Hof van Cassatie nodigt de partijen, de minister en de Europese Commissie uit om hun schriftelijke opmerkingen over te zenden, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een maand na de kennisgeving van de prejudiciële vraag.
§ 3. Deze laatsten kunnen elk vragen om gehoord te worden en het proceduredossier ter plaatse raadplegen of vragen dat hen een afschrift wordt toegezonden.
Wanneer de prejudiciële vraag gesteld wordt door de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, wordt de auditeur, die voor de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 de zaak onderzoekt binnen het kader waarvan de vraag wordt gesteld, uitgenodigd door de griffier bij het Hof van Cassatie om zijn opmerkingen in te dienen volgens de nadere regels bedoeld in § 2, tweede lid.
Het Hof kan de prejudiciële vraag herformuleren. Het Hof neemt een met redenen omklede beslissing. Het Hof doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
§ 4. Het rechtscollege dat de prejudiciële vraag heeft gesteld, evenals elk rechtscollege dat in dezelfde zaak uitspraak doet, moeten zich, voor de oplossing van het geschil naar aanleiding waarvan de vragen zijn gesteld, voegen naar het arrest dat het Hof van Cassatie heeft gewezen.
Art.26. § 1er. Lorsque la solution d'un litige dépend de l'interprétation de la présente loi ou de la loi du 10 juin 2006 précitée, la juridiction saisie, dont [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, peut surseoir à statuer et poser une question préjudicielle à la Cour de cassation.
La décision de poser une question préjudicielle à la Cour de cassation suspend les délais et la procédure devant le tribunal qui la pose à partir du jour où la décision a été prise jusqu'au jour où la juridiction saisie reçoit la réponse de la Cour de cassation.
La décision du juge de poser ou de ne pas poser une question préjudicielle n'est susceptible d'aucun recours.
§ 2. Le greffier près la Cour de cassation porte sans délai la question préjudicielle à la connaissance des parties, de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, du ministre et, en cas d'application des articles 81 et 82 du Traité instituant la Communauté européenne, de la Commission européenne.
Le greffier près la Cour de cassation invite les parties, le ministre et la Commission européenne à formuler leurs observations écrites dans le mois de la notification de la question préjudicielle, à peine d'irrecevabilité.
§ 3. Ces derniers peuvent chacun demander à être entendus et consulter le dossier de procédure sans déplacement ou demander qu'une copie leur soit envoyée.
Lorsque la question préjudicielle est posée par [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, l'auditeur qui examine, devant [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, l'affaire dans le cadre de laquelle celle-ci est posée, est invité par le greffier près la Cour de cassation à déposer ses observations selon les modalités prévues au § 2, alinéa 2.
La Cour peut reformuler la question préjudicielle. La Cour rend une décision motivée. La Cour statue toutes affaires cessantes.
§ 4. La juridiction qui a posé la question préjudicielle, ainsi que toute juridiction appelée à statuer dans la même affaire, sont tenues, pour la solution du litige à l'occasion duquel a été posée la question, de se conformer à l'arrêt rendu par la Cour de cassation.
La décision de poser une question préjudicielle à la Cour de cassation suspend les délais et la procédure devant le tribunal qui la pose à partir du jour où la décision a été prise jusqu'au jour où la juridiction saisie reçoit la réponse de la Cour de cassation.
La décision du juge de poser ou de ne pas poser une question préjudicielle n'est susceptible d'aucun recours.
§ 2. Le greffier près la Cour de cassation porte sans délai la question préjudicielle à la connaissance des parties, de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, du ministre et, en cas d'application des articles 81 et 82 du Traité instituant la Communauté européenne, de la Commission européenne.
Le greffier près la Cour de cassation invite les parties, le ministre et la Commission européenne à formuler leurs observations écrites dans le mois de la notification de la question préjudicielle, à peine d'irrecevabilité.
§ 3. Ces derniers peuvent chacun demander à être entendus et consulter le dossier de procédure sans déplacement ou demander qu'une copie leur soit envoyée.
Lorsque la question préjudicielle est posée par [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, l'auditeur qui examine, devant [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, l'affaire dans le cadre de laquelle celle-ci est posée, est invité par le greffier près la Cour de cassation à déposer ses observations selon les modalités prévues au § 2, alinéa 2.
La Cour peut reformuler la question préjudicielle. La Cour rend une décision motivée. La Cour statue toutes affaires cessantes.
§ 4. La juridiction qui a posé la question préjudicielle, ainsi que toute juridiction appelée à statuer dans la même affaire, sont tenues, pour la solution du litige à l'occasion duquel a été posée la question, de se conformer à l'arrêt rendu par la Cour de cassation.
Art.27. Elk door de hoven en rechtbanken gewezen vonnis of arrest waarbij het gaat om het geoorloofde karakter van een mededingingspraktijk als bedoeld in bovenvermelde wet van 10 juni 2006, wordt binnen acht dagen aan de Dienst voor de Mededinging, aan de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1, aan de federale overheidsdienst Kanselarij en, voor zover het gaat om een vonnis of arrest dat een toepassing van het Europees mededingingsrecht bevat, aan de Europese Commissie meegedeeld door toedoen van de griffier van het bevoegde rechtscollege.
Bovendien geeft de griffier zonder verwijl de Dienst voor de Mededinging en de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kennis van de beroepen die zijn ingesteld tegen enig in het voorgaande lid bedoeld vonnis of arrest.
Bovendien geeft de griffier zonder verwijl de Dienst voor de Mededinging en de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kennis van de beroepen die zijn ingesteld tegen enig in het voorgaande lid bedoeld vonnis of arrest.
Art.27. Tout jugement ou arrêt rendu par les cours et tribunaux et relatif à un litige mettant en cause le caractère licite d'une pratique de concurrence au sens de la loi du 10 juin 2006 précitée, est communiqué au Service de la concurrence, à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, au Service public fédéral Chancellerie et, pour autant que le jugement ou arrêt ait trait à l'application du droit européen de la concurrence, à la Commission européenne dans la huitaine et à la diligence du greffier de la juridiction compétente.
En outre, le greffier informe sans délai le Service de la concurrence et [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 des recours introduits contre tout jugement ou arrêt visé à l'alinéa précédent.
En outre, le greffier informe sans délai le Service de la concurrence et [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 des recours introduits contre tout jugement ou arrêt visé à l'alinéa précédent.
HOOFDSTUK IV. - Hoger Beroep.
CHAPITRE IV. - Recours.
Art.28. Tegen de beslissingen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en van de voorzitter, alsmede tegen stilzwijgende beslissingen tot toelating van concentraties door het verstrijken van de in de artikelen 36 en 37 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 bepaalde termijnen kan beroep worden ingesteld bij het Hof van beroep te Brussel, behalve wanneer de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 een beslissing neemt met toepassing van artikel 32.
Het Hof van beroep doet uitspraak met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken zoals bedoeld in de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 en desgevallend inzake de opgelegde sancties evenals inzake de toelaatbaarheid van concentraties. Het Hof van beroep kan de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad in overweging nemen.
Het Hof van beroep kan geldboetes en dwangsommen opleggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in Afdeling VIII van Hoofdstuk V van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
Het Hof van beroep doet uitspraak met volle rechtsmacht inzake de vermeende restrictieve praktijken zoals bedoeld in de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 en desgevallend inzake de opgelegde sancties evenals inzake de toelaatbaarheid van concentraties. Het Hof van beroep kan de ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan sedert de aangevochten beslissing van de Raad in overweging nemen.
Het Hof van beroep kan geldboetes en dwangsommen opleggen volgens de bepalingen zoals bedoeld in Afdeling VIII van Hoofdstuk V van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
Art.28. Les décisions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et de son président ainsi que les décisions tacites d'admissibilité de concentrations par écoulement des délais visés aux articles 36 et 37 de la loi du 10 juin 2006 précitée peuvent faire l'objet d'un recours devant la Cour d'appel de Bruxelles, sauf lorsque [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 statue en application de l'article 32.
La Cour d'appel statue avec un pouvoir de pleine juridiction sur les pratiques restrictives supposées telles que visées dans la loi du 10 juin 2006 précitée et, le cas échéant, sur les sanctions imposées ainsi que sur l'admissibilité des concentrations. La Cour d'appel peut prendre en considération les développements survenus depuis la décision attaquée du Conseil.
La Cour d'appel peut imposer des amendes et des astreintes selon les dispositions visées à la section VIII du Chapitre V de la loi du 10 juin 2006 précitée.
La Cour d'appel statue avec un pouvoir de pleine juridiction sur les pratiques restrictives supposées telles que visées dans la loi du 10 juin 2006 précitée et, le cas échéant, sur les sanctions imposées ainsi que sur l'admissibilité des concentrations. La Cour d'appel peut prendre en considération les développements survenus depuis la décision attaquée du Conseil.
La Cour d'appel peut imposer des amendes et des astreintes selon les dispositions visées à la section VIII du Chapitre V de la loi du 10 juin 2006 précitée.
Art.29. § 1. Tegen beslissingen waarbij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 de zaak terugstuurt naar de auditeur kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld.
§ 2. Het beroep waarin artikel 28 voorziet, kan worden ingesteld door de voor de Raad betrokken partijen, door de indiener van de klacht alsook door elke persoon die overeenkomstig artikel 26, § 2, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 of artikel 35, § 2, van dezelfde wet een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet aantonen en zonder dat hij vertegenwoordigd was voor de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
Het beroep wordt, op straffe van nietigheid die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld door middel van een ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing.
Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;
3° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
4° een lijst van de namen, hoedanigheden en adressen van de partijen aan wie de beslissing ter kennis was gebracht in de zin van artikel 45 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006;
5° de uiteenzetting van de middelen;
6° de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het Hof van beroep;
7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
Binnen vijf dagen na het indienen van het verzoekschrift moet de verzoeker, op straffe van nietigheid van het verzoek, een afschrift van het verzoekschrift bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs toesturen aan de partijen aan wie kennis werd gegeven van de aangevochten beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief bedoeld in artikel 45 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 aan de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 evenals aan de minister indien hij de verzoeker niet is.
Tegenberoep kan worden ingesteld. Het is slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een maand na de ontvangst van de brief waarin het vorige lid voorziet.
Het tegenberoep kan echter niet toegelaten worden indien het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.
Het Hof van beroep te Brussel kan te allen tijde de personen die partij waren voor de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 van rechtswege in de zaak betrekken, als het hoofdberoep of het tegenberoep hun belangen of verplichtingen kan aantasten.
Het Hof kan het Auditoraat bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 verzoeken om een onderzoek in te stellen en hem zijn verslag mee te delen. In dit geval beschikt het Auditoraat over de onderzoeksbevoegdheden zoals bepaald bij Afdeling I van Hoofdstuk V van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten meedelen en ze bij de griffie moeten indienen.
De minister kan zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
§ 3. Binnen vijf dagen na het plaatsen van de zaak op de rol vraagt de griffie van het Hof van beroep te Brussel de griffie van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 om haar het dossier van de procedure over te zenden. De overzending geschiedt binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek. De minister bepaalt de wijze waarop het dossier wordt overgezonden.
§ 4. Het beroep schorst de beslissing van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 of die van zijn voorzitter niet.
Het Hof van beroep kan echter, op verzoek van de belanghebbende en bij beslissing alvorens recht te doen, de tenuitvoerlegging van de beslissing van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 of van die van zijn voorzitter geheel of gedeeltelijk schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest.
De schorsing van de tenuitvoerlegging kan slechts bevolen worden wanneer ernstige middelen worden ingeroepen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing het risico met zich brengt op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
Het Hof van beroep kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten en dwangsommen aan de betrokkene wordt terugbetaald. Het hoeft zich ook niet onmiddellijk uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten of dwangsommen.
§ 5. Het hof van beroep draagt er zorg voor dat de vertrouwelijkheid van het dossier bezorgd door de Raad, wordt bewaard gedurende de hele procedure voor het Hof.
§ 2. Het beroep waarin artikel 28 voorziet, kan worden ingesteld door de voor de Raad betrokken partijen, door de indiener van de klacht alsook door elke persoon die overeenkomstig artikel 26, § 2, van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 of artikel 35, § 2, van dezelfde wet een belang kan doen gelden en die aan de Raad gevraagd heeft te worden gehoord. Het beroep kan eveneens door de minister worden ingesteld zonder dat deze een belang moet aantonen en zonder dat hij vertegenwoordigd was voor de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
Het beroep wordt, op straffe van nietigheid die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld door middel van een ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend ter griffie van het Hof van beroep te Brussel binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing.
Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;
3° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
4° een lijst van de namen, hoedanigheden en adressen van de partijen aan wie de beslissing ter kennis was gebracht in de zin van artikel 45 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006;
5° de uiteenzetting van de middelen;
6° de plaats, de dag en het uur van de verschijning vastgesteld door de griffie van het Hof van beroep;
7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
Binnen vijf dagen na het indienen van het verzoekschrift moet de verzoeker, op straffe van nietigheid van het verzoek, een afschrift van het verzoekschrift bij een ter post aangetekende brief met ontvangstbewijs toesturen aan de partijen aan wie kennis werd gegeven van de aangevochten beslissing zoals blijkt uit de kennisgevingsbrief bedoeld in artikel 45 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006 aan de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 evenals aan de minister indien hij de verzoeker niet is.
Tegenberoep kan worden ingesteld. Het is slechts ontvankelijk indien het is ingesteld binnen een maand na de ontvangst van de brief waarin het vorige lid voorziet.
Het tegenberoep kan echter niet toegelaten worden indien het hoofdberoep nietig of laattijdig wordt verklaard.
Het Hof van beroep te Brussel kan te allen tijde de personen die partij waren voor de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 van rechtswege in de zaak betrekken, als het hoofdberoep of het tegenberoep hun belangen of verplichtingen kan aantasten.
Het Hof kan het Auditoraat bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 verzoeken om een onderzoek in te stellen en hem zijn verslag mee te delen. In dit geval beschikt het Auditoraat over de onderzoeksbevoegdheden zoals bepaald bij Afdeling I van Hoofdstuk V van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006.
Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijn vast waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten meedelen en ze bij de griffie moeten indienen.
De minister kan zijn schriftelijke opmerkingen bij de griffie van het Hof van beroep te Brussel indienen en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen. Het Hof van beroep te Brussel stelt de termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
§ 3. Binnen vijf dagen na het plaatsen van de zaak op de rol vraagt de griffie van het Hof van beroep te Brussel de griffie van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 om haar het dossier van de procedure over te zenden. De overzending geschiedt binnen vijf dagen na ontvangst van het verzoek. De minister bepaalt de wijze waarop het dossier wordt overgezonden.
§ 4. Het beroep schorst de beslissing van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 of die van zijn voorzitter niet.
Het Hof van beroep kan echter, op verzoek van de belanghebbende en bij beslissing alvorens recht te doen, de tenuitvoerlegging van de beslissing van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 of van die van zijn voorzitter geheel of gedeeltelijk schorsen tot op de dag van de uitspraak van het arrest.
De schorsing van de tenuitvoerlegging kan slechts bevolen worden wanneer ernstige middelen worden ingeroepen die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen rechtvaardigen en op voorwaarde dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing het risico met zich brengt op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel.
Het Hof van beroep kan, in voorkomend geval, bevelen dat het betaalde bedrag van de geldboeten en dwangsommen aan de betrokkene wordt terugbetaald. Het hoeft zich ook niet onmiddellijk uit te spreken over de teruggave van de betaalde geldboeten of dwangsommen.
§ 5. Het hof van beroep draagt er zorg voor dat de vertrouwelijkheid van het dossier bezorgd door de Raad, wordt bewaard gedurende de hele procedure voor het Hof.
Art.29. § 1er. Ne peuvent faire l'objet d'un recours distinct, les décisions par lesquelles [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 renvoie l'affaire à l'auditeur.
§ 2. Les recours prévus à l'article 28 peuvent être introduits par les parties en cause devant le Conseil, par le plaignant ainsi que par toute personne justifiant d'un intérêt conformément à l'article 26, § 2, de la loi du 10 juin 2006 précitée ou à l'article 35, § 2, de la même loi et ayant demandé au Conseil d'être entendue. Le recours peut également être introduit par le ministre sans que celui-ci doive justifier d'un intérêt et sans qu'il ait été représenté devant [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Les recours sont formés, à peine de nullité prononcée d'office, par requête signée et déposée au greffe de la Cour d'appel de Bruxelles dans un délai de trente jours à partir de la notification de la décision.
A peine de nullité, la requête contient :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le recours émane du ministre, la dénomination et l'adresse du service qui le représente;
3° la mention de la décision faisant l'objet du recours;
4° une liste des noms, qualités et adresses des parties à qui la décision a été notifiée au sens de l'article 45 de la loi du 10 juin 2006 précitée;
5° l'exposé des moyens;
6° l'indication des lieu, jour et heure de la comparution fixés par le greffe de la Cour d'appel;
7° la signature du requérant ou de son avocat.
Dans les cinq jours qui suivent le dépôt de la requête, le requérant doit, à peine de nullité du recours, adresser une copie de la requête par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, aux parties auxquelles la décision attaquée a été notifiée ainsi qu'il ressort de la lettre de notification prévue à l'article 45 de la loi du 10 juin 2006 précitée, à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 ainsi qu'au ministre, s'il n'est pas le requérant.
Un recours incident peut être formé. Il n'est recevable que s'il est introduit dans le mois de la réception de la lettre prévue à l'alinéa précédent.
Toutefois, l'appel incident ne pourra être admis si l'appel principal est déclaré nul ou tardif.
A tout moment, la Cour d'appel de Bruxelles peut d'office appeler à la cause les personnes qui étaient parties devant [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 lorsque le recours principal ou incident risque d'affecter leurs droits ou leurs charges.
La Cour peut demander à l'Auditorat près [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 de procéder à une instruction et de lui communiquer son rapport. Dans ce cas, l'Auditorat dispose des pouvoirs d'instruction prévus à la section première du Chapitre V de la loi du 10 juin 2006 précitée.
La Cour d'appel de Bruxelles fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et les déposer au greffe.
Le ministre peut déposer ses observations écrites au greffe de la Cour d'appel de Bruxelles et consulter le dossier au greffe sans déplacement. La Cour d'appel de Bruxelles fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
§ 3. Le greffe de la Cour d'appel de Bruxelles demande au greffe de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, dans les cinq jours de l'inscription de la cause au rôle, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les cinq jours de la réception de la demande. Le ministre règle le mode de transmission du dossier.
§ 4. Le recours ne suspend pas les décisions du Conseil, ni celles de son président.
La Cour d'appel peut toutefois, à la demande de l'intéressé et par décision avant dire droit, suspendre, en tout ou en partie, l'exécution de la décision de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 ou de son président et ce, jusqu'au jour du prononcé de l'arrêt.
La suspension de l'exécution ne peut être ordonnée que si des moyens sérieux susceptibles de justifier l'annulation de la décision attaquée sont invoqués et à condition que l'exécution immédiate de la décision risque de causer un préjudice grave difficilement réparable.
La Cour d'appel peut, le cas échéant, ordonner la restitution à l'intéressé du montant versé des amendes et astreintes. Elle peut également ne pas se prononcer immédiatement sur la restitution des amendes ou astreintes payées.
§ 5. La Cour d'appel veille à ce que la confidentialité du dossier transmis par le Conseil soit préservée tout au long de la procédure devant la Cour.
§ 2. Les recours prévus à l'article 28 peuvent être introduits par les parties en cause devant le Conseil, par le plaignant ainsi que par toute personne justifiant d'un intérêt conformément à l'article 26, § 2, de la loi du 10 juin 2006 précitée ou à l'article 35, § 2, de la même loi et ayant demandé au Conseil d'être entendue. Le recours peut également être introduit par le ministre sans que celui-ci doive justifier d'un intérêt et sans qu'il ait été représenté devant [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Les recours sont formés, à peine de nullité prononcée d'office, par requête signée et déposée au greffe de la Cour d'appel de Bruxelles dans un délai de trente jours à partir de la notification de la décision.
A peine de nullité, la requête contient :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le recours émane du ministre, la dénomination et l'adresse du service qui le représente;
3° la mention de la décision faisant l'objet du recours;
4° une liste des noms, qualités et adresses des parties à qui la décision a été notifiée au sens de l'article 45 de la loi du 10 juin 2006 précitée;
5° l'exposé des moyens;
6° l'indication des lieu, jour et heure de la comparution fixés par le greffe de la Cour d'appel;
7° la signature du requérant ou de son avocat.
Dans les cinq jours qui suivent le dépôt de la requête, le requérant doit, à peine de nullité du recours, adresser une copie de la requête par lettre recommandée à la poste avec accusé de réception, aux parties auxquelles la décision attaquée a été notifiée ainsi qu'il ressort de la lettre de notification prévue à l'article 45 de la loi du 10 juin 2006 précitée, à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 ainsi qu'au ministre, s'il n'est pas le requérant.
Un recours incident peut être formé. Il n'est recevable que s'il est introduit dans le mois de la réception de la lettre prévue à l'alinéa précédent.
Toutefois, l'appel incident ne pourra être admis si l'appel principal est déclaré nul ou tardif.
A tout moment, la Cour d'appel de Bruxelles peut d'office appeler à la cause les personnes qui étaient parties devant [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 lorsque le recours principal ou incident risque d'affecter leurs droits ou leurs charges.
La Cour peut demander à l'Auditorat près [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 de procéder à une instruction et de lui communiquer son rapport. Dans ce cas, l'Auditorat dispose des pouvoirs d'instruction prévus à la section première du Chapitre V de la loi du 10 juin 2006 précitée.
La Cour d'appel de Bruxelles fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et les déposer au greffe.
Le ministre peut déposer ses observations écrites au greffe de la Cour d'appel de Bruxelles et consulter le dossier au greffe sans déplacement. La Cour d'appel de Bruxelles fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
§ 3. Le greffe de la Cour d'appel de Bruxelles demande au greffe de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, dans les cinq jours de l'inscription de la cause au rôle, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les cinq jours de la réception de la demande. Le ministre règle le mode de transmission du dossier.
§ 4. Le recours ne suspend pas les décisions du Conseil, ni celles de son président.
La Cour d'appel peut toutefois, à la demande de l'intéressé et par décision avant dire droit, suspendre, en tout ou en partie, l'exécution de la décision de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 ou de son président et ce, jusqu'au jour du prononcé de l'arrêt.
La suspension de l'exécution ne peut être ordonnée que si des moyens sérieux susceptibles de justifier l'annulation de la décision attaquée sont invoqués et à condition que l'exécution immédiate de la décision risque de causer un préjudice grave difficilement réparable.
La Cour d'appel peut, le cas échéant, ordonner la restitution à l'intéressé du montant versé des amendes et astreintes. Elle peut également ne pas se prononcer immédiatement sur la restitution des amendes ou astreintes payées.
§ 5. La Cour d'appel veille à ce que la confidentialité du dossier transmis par le Conseil soit préservée tout au long de la procédure devant la Cour.
Art.30. § 1. Tegen de beslissingen van de Ministerraad inzake concentraties kan bij de Raad van State een beroep tot vernietiging worden ingesteld door de betrokken partijen.
Het beroep wordt door middel van een verzoekschrift ingediend bij de griffie van de Raad van State binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving.
§ 2. Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer;
3° indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer;
4° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
5° in voorkomend geval, de naam, de voornaam, de woonplaats of, bij gebreke daarvan, de verblijfplaats of de benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel van de partijen waaraan de beslissing ter kennis moest worden gebracht;
6° de uiteenzetting van de grieven;
7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
§ 3. Het beroep schorst de beslissingen niet waartegen beroep is ingesteld.
De minister kan, namens de Ministerraad, zijn schriftelijke opmerkingen indienen bij de Raad van State. Hij kan het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen.
De Raad van State doet uitspraak inzake concentraties bij voorrang boven alle andere zaken.
De Raad van State gaat de wettigheid na van de beslissingen waartegen beroep is ingesteld.
In geval van vernietiging van de bestreden beslissing beschikt de Ministerraad over een nieuwe termijn om uitspraak te doen. Die termijn is dezelfde als de termijn bepaald in artikel 38 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006. Hij vangt aan op het ogenblik waarop het vernietigingsarrest van de Raad van State ter kennis wordt gebracht.
Voor het overige zijn de regels betreffende de procedure voor de afdeling administratie van de Raad van State van toepassing. De Koning kan van deze procedureregels afwijken bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Het beroep wordt door middel van een verzoekschrift ingediend bij de griffie van de Raad van State binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving.
§ 2. Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijke persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer;
3° indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer;
4° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
5° in voorkomend geval, de naam, de voornaam, de woonplaats of, bij gebreke daarvan, de verblijfplaats of de benaming, de rechtsvorm en de maatschappelijke zetel van de partijen waaraan de beslissing ter kennis moest worden gebracht;
6° de uiteenzetting van de grieven;
7° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
§ 3. Het beroep schorst de beslissingen niet waartegen beroep is ingesteld.
De minister kan, namens de Ministerraad, zijn schriftelijke opmerkingen indienen bij de Raad van State. Hij kan het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen.
De Raad van State doet uitspraak inzake concentraties bij voorrang boven alle andere zaken.
De Raad van State gaat de wettigheid na van de beslissingen waartegen beroep is ingesteld.
In geval van vernietiging van de bestreden beslissing beschikt de Ministerraad over een nieuwe termijn om uitspraak te doen. Die termijn is dezelfde als de termijn bepaald in artikel 38 van de bovenvermelde wet van 10 juni 2006. Hij vangt aan op het ogenblik waarop het vernietigingsarrest van de Raad van State ter kennis wordt gebracht.
Voor het overige zijn de regels betreffende de procedure voor de afdeling administratie van de Raad van State van toepassing. De Koning kan van deze procedureregels afwijken bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad.
Art.30. § 1er. Les parties concernées peuvent introduire un recours en annulation devant le Conseil d'Etat contre les décisions du Conseil des ministres en matière de concentrations.
Le recours est déposé au greffe du Conseil d'Etat, par requête, dans un délai de trente jours à partir de la notification.
§ 2. La requête contient à peine de nullité :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise;
3° si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise;
4° la mention de la décision contre laquelle le recours est introduit;
5° le cas échéant, les noms, prénoms, domicile ou, à défaut, la résidence ou la dénomination, la forme juridique et le siège social des parties à qui la décision a dû être notifiée;
6° l'énonciation des griefs;
7° la signature du requérant ou de son avocat.
§ 3. Le recours ne suspend pas les décisions qui font l'objet du recours.
Le ministre peut, au nom du Conseil des ministres, déposer ses observations écrites au Conseil d'Etat. Il peut consulter le dossier au greffe, sans déplacement.
Le Conseil d'Etat statue en matière de concentrations toutes affaires cessantes.
Le Conseil d'Etat contrôle la légalité des décisions qui font l'objet du recours.
En cas d'annulation de la décision attaquée, le Conseil des Ministres bénéficie d'un nouveau délai pour statuer. Ce délai est équivalent à celui prévu à l'article 38 de la loi du 10 juin 2006 précitée. Il prend cours à partir de la notification de l'arrêt en annulation du Conseil d'Etat.
Pour le surplus, les règles relatives à la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat sont applicables. Le Roi peut déroger à ces règles de procédure, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Le recours est déposé au greffe du Conseil d'Etat, par requête, dans un délai de trente jours à partir de la notification.
§ 2. La requête contient à peine de nullité :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise;
3° si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise;
4° la mention de la décision contre laquelle le recours est introduit;
5° le cas échéant, les noms, prénoms, domicile ou, à défaut, la résidence ou la dénomination, la forme juridique et le siège social des parties à qui la décision a dû être notifiée;
6° l'énonciation des griefs;
7° la signature du requérant ou de son avocat.
§ 3. Le recours ne suspend pas les décisions qui font l'objet du recours.
Le ministre peut, au nom du Conseil des ministres, déposer ses observations écrites au Conseil d'Etat. Il peut consulter le dossier au greffe, sans déplacement.
Le Conseil d'Etat statue en matière de concentrations toutes affaires cessantes.
Le Conseil d'Etat contrôle la légalité des décisions qui font l'objet du recours.
En cas d'annulation de la décision attaquée, le Conseil des Ministres bénéficie d'un nouveau délai pour statuer. Ce délai est équivalent à celui prévu à l'article 38 de la loi du 10 juin 2006 précitée. Il prend cours à partir de la notification de l'arrêt en annulation du Conseil d'Etat.
Pour le surplus, les règles relatives à la procédure devant la section d'administration du Conseil d'Etat sont applicables. Le Roi peut déroger à ces règles de procédure, par arrêté délibéré en Conseil des ministres.
Art.31. De voorzieningen in cassatie gericht tegen de arresten van het Hof van beroep gewezen met toepassing van dit hoofdstuk kunnen eveneens worden ingeleid door de minister, zonder dat hij een belang moet aantonen en zonder dat hij partij is geweest voor de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 of het Hof van beroep te Brussel.
Art.31. Les pourvois en cassation dirigés contre les arrêts rendus par la Cour d'appel en application du présent chapitre peuvent également être introduits par le ministre, sans que celui-ci doive justifier d'un intérêt et sans qu'il ait été partie devant [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 ou la Cour d'appel de Bruxelles.
HOOFDSTUK V. - Beroep tegen de beslissingen van de sectoriële regulatoren.
CHAPITRE V. - Des recours contre les décisions des autorités sectorielles de régulation.
Art.32. In de gevallen bepaald door de wet neemt de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kennis van de beroepen ingesteld tegen de beslissingen genomen door de sectoriële regulatoren.
Art.32. [1 L'Autorité belge de la concurrence]1 connaît, dans les cas déterminés par la loi, des recours contre les décisions rendues par les autorités sectorielles de régulation.
Art.33. § 1. Het beroep wordt, op straffe van nietigheid die ambtshalve wordt uitgesproken, ingesteld door middel van een ondertekend verzoekschrift dat wordt ingediend ter griffie van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 binnen een termijn van dertig dagen na de kennisgeving van de beslissing, of voor de andere betrokken personen, binnen een termijn van dertig dagen na de publicatie van de beslissing of, bij gebrek aan publicatie, van de kennisname. Het verzoekschrift wordt ingediend ter griffie in zoveel exemplaren als er betrokken partijen zijn.
Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijk persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;
3° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
4° de uiteenzetting van de middelen;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
De griffie van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 geeft kennis van het verzoekschrift, per aangetekende brief, binnen de termijnen en in de vorm bepaald bij artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de partijen aan wie de aangevochten beslissing werd ter kennis gebracht, evenals aan de minister indien hij niet de verzoeker is.
§ 2. Tegenberoep kan worden ingesteld. Het is slechts ontvankelijk indien het wordt ingesteld binnen de maand na de ontvangst van de brief voorzien in § 1, derde lid.
De voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 bepaalt de termijn waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten meedelen en een kopie ervan bij de griffie moeten indienen. Hij bepaalt eveneens de datum van de debatten.
De minister en de minister die bevoegd is voor de betrokken sector kunnen hun schriftelijke opmerkingen indienen bij de griffie van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen of zich een kopie ervan laten afleveren. De voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 stelt termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
§ 3. De griffie van de Raad vraagt binnen vijf dagen na de instelling van het beroep aan de sectoriële regulator om hem het dossier van de procedure over te zenden. De overzending gebeurt binnen vijf dagen na de ontvangst van dit verzoek. De minister bepaalt de wijze waarop het dossier wordt overgezonden.
§ 4. Het beroep schorst de beslissingen van de sectoriële regulator niet.
De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kan echter op verzoek van de betrokkene en bij beslissing alvorens recht te doen, de beslissing van de sectoriële regulator geheel of gedeeltelijk schorsen.
§ 5. De Koning bepaalt de procedureregels voor de Raad.
Het verzoekschrift bevat op straffe van nietigheid :
1° de aanduiding van dag, maand en jaar;
2° indien de verzoeker een natuurlijk persoon is, zijn naam, voornaam, beroep en woonplaats; indien de verzoeker een rechtspersoon is, de benaming, de rechtsvorm, de maatschappelijke zetel en de hoedanigheid van de persoon die of het orgaan dat hem vertegenwoordigt, alsook, in voorkomend geval, zijn ondernemingsnummer; indien het beroep uitgaat van de minister, de benaming en het adres van de dienst die hem vertegenwoordigt;
3° de vermelding van de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld;
4° de uiteenzetting van de middelen;
5° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat.
De griffie van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 geeft kennis van het verzoekschrift, per aangetekende brief, binnen de termijnen en in de vorm bepaald bij artikel 1056 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de partijen aan wie de aangevochten beslissing werd ter kennis gebracht, evenals aan de minister indien hij niet de verzoeker is.
§ 2. Tegenberoep kan worden ingesteld. Het is slechts ontvankelijk indien het wordt ingesteld binnen de maand na de ontvangst van de brief voorzien in § 1, derde lid.
De voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 bepaalt de termijn waarbinnen de partijen elkaar hun schriftelijke opmerkingen moeten meedelen en een kopie ervan bij de griffie moeten indienen. Hij bepaalt eveneens de datum van de debatten.
De minister en de minister die bevoegd is voor de betrokken sector kunnen hun schriftelijke opmerkingen indienen bij de griffie van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en het dossier ter plaatse op de griffie raadplegen of zich een kopie ervan laten afleveren. De voorzitter van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 stelt termijnen vast om deze opmerkingen voor te leggen. De griffie brengt deze opmerkingen ter kennis van de partijen.
§ 3. De griffie van de Raad vraagt binnen vijf dagen na de instelling van het beroep aan de sectoriële regulator om hem het dossier van de procedure over te zenden. De overzending gebeurt binnen vijf dagen na de ontvangst van dit verzoek. De minister bepaalt de wijze waarop het dossier wordt overgezonden.
§ 4. Het beroep schorst de beslissingen van de sectoriële regulator niet.
De [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 kan echter op verzoek van de betrokkene en bij beslissing alvorens recht te doen, de beslissing van de sectoriële regulator geheel of gedeeltelijk schorsen.
§ 5. De Koning bepaalt de procedureregels voor de Raad.
Art.33. § 1er. Les recours sont formés, à peine de nullité prononcée d'office, par requête signée et déposée au greffe de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1, dans un délai de trente jours à partir de la notification de la décision, ou pour les autres personnes intéressées, dans un délai de trente jours à partir de la publication de la décision ou, à défaut de publication, de sa prise de connaissance. La requête est déposée au greffe en autant d'exemplaires qu'il y a de parties en cause.
A peine de nullité, la requête contient :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile; si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le recours émane du ministre, la dénomination et l'adresse du service qui le représente;
3° la mention de la décision faisant l'objet du recours;
4° l'exposé des moyens;
5° la signature du requérant ou de son avocat.
Le greffe de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 procède à la notification de la requête, par lettre recommandée, dans les délais et la forme prévus à l'article 1056 du Code judiciaire aux parties auxquelles la décision attaquée a été notifiée, ainsi qu'au ministre s'il n'est pas le requérant.
§ 2. Un recours incident peut être formé. Il n'est recevable que s'il est introduit dans le mois de la réception de la lettre prévue au § 1er, alinéa 3.
Le président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et en déposer copie au greffe. Il fixe également la date des débats.
Le ministre et le ministre compétent pour le secteur concerné peuvent déposer leurs observations écrites au greffe de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et consulter le dossier au greffe sans déplacement ou s'en faire délivrer copie. Le président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
§ 3. Le greffe du Conseil demande à l'autorité sectorielle de régulation, dans les cinq jours de l'introduction du recours, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les cinq jours de la réception de la demande. Le ministre règle le mode de transmission du dossier.
§ 4. Le recours ne suspend pas les décisions de l'autorité sectorielle de régulation.
[1 L'Autorité belge de la concurrence]1 peut toutefois, à la demande de l'intéressé et par décision avant dire droit, suspendre, en tout ou en partie, la décision de l'autorité sectorielle de régulation.
§ 5. Le Roi fixe les règles de procédure devant le Conseil.
A peine de nullité, la requête contient :
1° l'indication des jour, mois et an;
2° si le demandeur est une personne physique, ses nom, prénoms, profession et domicile; si le demandeur est une personne morale, sa dénomination, sa forme juridique, son siège social et la qualité de la personne ou de l'organe qui la représente, ainsi que, le cas échéant, son numéro d'entreprise; si le recours émane du ministre, la dénomination et l'adresse du service qui le représente;
3° la mention de la décision faisant l'objet du recours;
4° l'exposé des moyens;
5° la signature du requérant ou de son avocat.
Le greffe de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 procède à la notification de la requête, par lettre recommandée, dans les délais et la forme prévus à l'article 1056 du Code judiciaire aux parties auxquelles la décision attaquée a été notifiée, ainsi qu'au ministre s'il n'est pas le requérant.
§ 2. Un recours incident peut être formé. Il n'est recevable que s'il est introduit dans le mois de la réception de la lettre prévue au § 1er, alinéa 3.
Le président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 fixe le délai dans lequel les parties doivent se communiquer leurs observations écrites et en déposer copie au greffe. Il fixe également la date des débats.
Le ministre et le ministre compétent pour le secteur concerné peuvent déposer leurs observations écrites au greffe de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et consulter le dossier au greffe sans déplacement ou s'en faire délivrer copie. Le président de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 fixe les délais de production de ces observations. Elles sont portées par le greffe à la connaissance des parties.
§ 3. Le greffe du Conseil demande à l'autorité sectorielle de régulation, dans les cinq jours de l'introduction du recours, l'envoi du dossier de la procédure. La transmission est effectuée dans les cinq jours de la réception de la demande. Le ministre règle le mode de transmission du dossier.
§ 4. Le recours ne suspend pas les décisions de l'autorité sectorielle de régulation.
[1 L'Autorité belge de la concurrence]1 peut toutefois, à la demande de l'intéressé et par décision avant dire droit, suspendre, en tout ou en partie, la décision de l'autorité sectorielle de régulation.
§ 5. Le Roi fixe les règles de procédure devant le Conseil.
HOOFDSTUK VI. - Voorzieningen in cassatie tegen de beslissingen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1.
CHAPITRE VI. - Des pourvois en cassation des décisions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1.
Art.34. Het Hof van Cassatie doet uitspraak over de voorzieningen in cassatie tegen de beslissingen gewezen door de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 met toepassing van artikel 32.
Wanneer bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 een zaak is aanhangig gemaakt ten gevolge van een verwijzing door het Hof van Cassatie, voegt de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 zich naar het arrest van het Hof van Cassatie omtrent het rechtspunt waarover het heeft geoordeeld.
De voorzieningen worden ingediend volgens de vormen en termijnen van de voorzieningen in cassatie gericht tegen de arresten van de Raad van State.
Wanneer bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 een zaak is aanhangig gemaakt ten gevolge van een verwijzing door het Hof van Cassatie, voegt de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 zich naar het arrest van het Hof van Cassatie omtrent het rechtspunt waarover het heeft geoordeeld.
De voorzieningen worden ingediend volgens de vormen en termijnen van de voorzieningen in cassatie gericht tegen de arresten van de Raad van State.
Art.34. La Cour de cassation statue sur les pourvois en cassation des décisions rendues par [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 en application de l'article 32.
[1 L'Autorité belge de la concurrence]1, saisi par renvoi de la Cour de cassation, se conforme à l'arrêt de la Cour de cassation sur le point de droit qu'elle a jugé.
Les recours sont introduits selon les formes et délais des pourvois en cassation dirigés contre les arrêts du Conseil d'Etat.
[1 L'Autorité belge de la concurrence]1, saisi par renvoi de la Cour de cassation, se conforme à l'arrêt de la Cour de cassation sur le point de droit qu'elle a jugé.
Les recours sont introduits selon les formes et délais des pourvois en cassation dirigés contre les arrêts du Conseil d'Etat.
HOOFDSTUK VII. - Bepalingen tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek.
CHAPITRE VII. - Dispositions modifiant le Code judiciaire.
Art.35. Artikel 609 van het Gerechtelijk Wetboek, gewijzigd bij de wet van 23 december 1986 en bij het koninklijk besluit van 20 juli 2000, wordt aangevuld als volgt :
" 8° tegen de beslissingen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 genomen met toepassing van artikel 32 van de wet van 10 juni 2006 tot oprichting van een [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1. "
" 8° tegen de beslissingen van de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 genomen met toepassing van artikel 32 van de wet van 10 juni 2006 tot oprichting van een [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1. "
Art.35. L'article 609 du Code judiciaire, modifié par la loi du 23 décembre 1986 et par l'arrêté royal du 20 juillet 2000, est complété comme suit :
" 8° des décisions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 rendues en application de l'article 32 de la loi du 10 juin 2006 instituant un [1 Autorité belge de la concurrence]1. "
" 8° des décisions de [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 rendues en application de l'article 32 de la loi du 10 juin 2006 instituant un [1 Autorité belge de la concurrence]1. "
Art.36. Artikel 615 van het Gerechtelijk Wetboek wordt aangevuld met het volgende lid :
" Elk raadslid bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en elk lid van het Auditoraat bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 dat te kort is geschoten in de waardigheid van zijn ambt of in de plichten van zijn status kan, naargelang het geval, van zijn ambt vervallen worden verklaard of in zijn ambt worden geschorst, bij een arrest dat door de eerste kamer van het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal bij dit Hof, wordt uitgesproken. "
" Elk raadslid bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 en elk lid van het Auditoraat bij de [1 Belgische Mededingingsautoriteit]1 dat te kort is geschoten in de waardigheid van zijn ambt of in de plichten van zijn status kan, naargelang het geval, van zijn ambt vervallen worden verklaard of in zijn ambt worden geschorst, bij een arrest dat door de eerste kamer van het Hof van Cassatie, op vordering van de procureur-generaal bij dit Hof, wordt uitgesproken. "
Art.36. L'article 615 du Code judiciaire est complété par l'alinéa suivant :
" Tout conseiller à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et tout membre de l'Auditorat près [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 qui a manqué à la dignité de ses fonctions ou aux devoirs de son état peut, suivant le cas, être déclaré déchu ou suspendu de ses fonctions par arrêt rendu par la première Chambre de la Cour de cassation sur réquisitoire du procureur général près cette Cour. "
" Tout conseiller à [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 et tout membre de l'Auditorat près [1 l'Autorité belge de la concurrence]1 qui a manqué à la dignité de ses fonctions ou aux devoirs de son état peut, suivant le cas, être déclaré déchu ou suspendu de ses fonctions par arrêt rendu par la première Chambre de la Cour de cassation sur réquisitoire du procureur général près cette Cour. "
HOOFDSTUK VIII. - Slotbepaling.
CHAPITRE VIII. - Disposition finale.
Art. 37. Deze wet treedt in werking op de eerste dag van de vierde maand na die waarin zij is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
Art. 37. La présente loi entre en vigueur le premier jour du quatrième mois qui suit celui au cours duquel elle aura été publiée au Moniteur belge.