Comparaison NL / FR

| Word Word (citation)

Nederlands (NL)

Français (FR)

Titre
1 JULI 2006. - Wet tot wijziging van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het vaststellen van de afstamming en de gevolgen ervan. (NOTA : Raadpleging van vroegere versies vanaf 29-12-2006 en tekstbijwerking tot 31-12-2018)
Titre
1 JUILLET 2006. - Loi modifiant des dispositions du Code civil relatives à l'établissement de la filiation et aux effets de celle-ci. (NOTE : Consultation des versions antérieures à partir du 29-12-2006 et mise à jour au 31-12-2018)
Informations sur le document
Info du document
Tekst (31)
Texte (31)
HOOFDSTUK I. - Algemene bepaling.
CHAPITRE Ier. - Disposition générale.
Artikel 1. Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.
Article 1. La présente loi règle une matière visée à l'article 78 de la Constitution.
HOOFDSTUK II. - Wijzigingen van het Burgerlijk Wetboek.
CHAPITRE Il. - Modifications du Code civil.
Art.2. In artikel 62, § 1, van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  A) In het eerste lid, 3°-, worden de woorden " de §§ 2 tot 4 van artikel 319 " vervangen door de woorden " artikel 329bis ".
  B)In het tweede lid, worden de woorden " § 4 van artikel 319 " vervangen door de woorden " artikel 329bis, § 3 ";
Art.2. A l'article 62, § 1er er, du Code civil, remplacé par la loi du 31 mars 1987, sont apportées les modifications suivantes :
  A) A l'alinéa 1er, 3°-, les mots " l'article 319, §§ 2 à 4, " sont remplacés par les mots " l'article 329bis ".
  B) A l'alinéa 2, les mots " l'article 319, § 4 " sont remplacés par les mots " l'article 329bis, § 3 ".
Art.3. Het tweede lid, 2°, van artikel 80bis van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
  ", of de vader die niet gehuwd is met de moeder en die het verwekt kind erkend heeft overeenkomstig artikel 328. Op zijn vraag en mits toestemming van de moeder kunnen de naam, de voornamen en de woonplaats van de vader die niet gehuwd is met de moeder en die het verwekt kind niet erkend heeft, tevens vermeld worden. ".
Art.3. L'article 80bis, alinéa 2, 2°-, du même Code est complété comme suit :
  ", ou du père non marié à la mère et qui a reconnu l'enfant conçu, conformément à l'article 328. A sa demande et moyennant le consentement de la mère, le nom, les prénoms et le domicile du père non marié à la mère et qui n'a pas reconnu l'enfant conçu peuvent également être mentionnés. ".
Art.4. In artikel 313 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 13 februari 2003, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  A) paragraaf 1 wordt aangevuld als volgt :
  " onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden. ";
  B) paragraaf 2 wordt aangevuld als volgt :
  " tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding. ".
Art.4. A l'article 313 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par la loi du 13 février 2003, sont apportées les modifications suivantes :
  A) le § 1er est complété comme suit :
  " aux conditions fixées par l'article 329bis. ";
  B) le § 2 est complété comme suit :
  " à moins que le mariage qui a fait naître cet empêchement ait été annulé ou dissous par décès ou divorce. ".
Art.5. In artikel 314 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  A) het eerste lid wordt aangevuld als volgt :
  " onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden
  B) het tweede lid wordt aangevuld als volgt :
  " tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding. ".
Art.5. A l'article 314 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, sont apportées les modifications suivantes :
  A) l'alinéa 1er, est complété comme suit :
  " aux conditions fixées par l'article 332quinquies. ";
  B) l'alinéa 2 est complété comme suit :
  " à moins que le mariage qui a fait naître cet empêchement ait été annulé ou dissous par décès ou divorce. ".
Art.6. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 316bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 316bis. Tenzij de echtgenoten op het tijdstip van de aangifte van de geboorte een gemeenschappelijke verklaring afgelegd hebben, is het in artikel 315 bedoelde vermoeden van vaderschap niet meer van toepassing :
  1° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen nadat de rechter de overeenkomst tussen de partijen heeft bekrachtigd in verband met de aan de echtgenoten gegeven machtiging om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken overeenkomstig artikel 1258, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, of na de beschikking van de voorzitter zitting houdend in kort geding die de echtgenoten machtigt om een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, of na neerlegging van het verzoekschrift bedoeld in artikel 1288bis van hetzelfde Wetboek;
  2° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na de datum waarop de echtgenoten, blijkens het bevolkingsregister, het vreemdelingenregister of het wachtregister, op verschillende adressen zijn ingeschreven, voor zover ze nadien niet opnieuw zijn ingeschreven op hetzelfde adres;
  3° wanneer het kind geboren is meer dan 300 dagen na een krachtens artikel 223 door de vrederechter uitgesproken vonnis waarbij de echtgenoten gemachtigd worden een afzonderlijke verblijfplaats te betrekken, en minder dan 180 dagen na de datum waarop deze maatregel verstreken is, of nadat de echtgenoten feitelijk zijn herenigd. ".
Art.6. Un article 316bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
  " Art. 316bis. Sauf déclaration conjointe des époux au moment de la déclaration de naissance, la présomption de paternité visée à l'article 315 n'est pas applicable :
  1° lorsque l'enfant est né plus de 300 jours après que le juge a entériné l'accord des parties concernant l'autorisation donnée aux époux de résider séparément conformément à l'article 1258, § 2, du Code judiciaire, ou après l'ordonnance du président, siégeant en référé, autorisant les époux à résider séparément, ou après le dépôt de la requête visée à l'article 1288bis du même Code;
  2° lorsque l'enfant est né plus de 300 jours après la date d'inscription des époux à des adresses différentes, selon le registre de la population, le registre des étrangers ou le registre d'attente, pour autant qu'ils n'aient pas été réinscrits à la même adresse par la suite;
  3° lorsque l'enfant est né plus de 300 jours après un jugement du juge de paix prononcé en vertu de l'article 223 et autorisant les époux à résider séparément, et moins de 180 jours après que cette mesure a pris fin, ou après la réunion de fait des époux. ".
Art.7. Artikel 318 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 27 december 1994, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 318. § 1. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van de echtgenoot, kan het vermoeden van vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man ten aanzien van wie de afstamming vaststaat en de persoon die het vaderschap van het kind opeist.
  De in het eerste lid bedoelde vordering moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van de geboorte.
  § 2. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt.
  Indien de echtgenoot overleden is zonder in rechte te zijn opgetreden, terwijl de termijn om zulks te doen nog niet verstreken is, kan zijn vaderschap binnen een jaar na zijn overlijden of na de geboorte, worden betwist door zijn bloedverwanten in de opgaande en in de neerdalende lijn.
  Het vaderschap dat vaststaat krachtens artikel 317 kan daarenboven worden betwist door de vorige echtgenoot.
  § 3. Onverminderd het bepaalde in §§ 1 en 2, wordt het vermoeden van vaderschap teniet gedaan indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader is.
  De betwisting van het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot wordt bovendien, behoudens tegenbewijs, gegrond verklaard :
  1° in de gevallen bedoeld in artikel 316bis ;
  2° wanneer de afstamming van moederszijde door erkenning of bij rechterlijke beslissing is vastgesteld;
  3° wanneer de vordering werd ingesteld vooraleer de afstamming van moederszijde is komen vast te staan.
  § 4. De vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap is niet ontvankelijk, als de echtgenoot toestemming heeft gegeven tot kunstmatige inseminatie of tot een andere daad die de voortplanting tot doel had, tenzij de verwekking van het kind hiervan niet het gevolg kan zijn.
  § 5. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen. ".
Art.7. L'article 318 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par la loi du 27 décembre 1994, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 318. § 1er A moins que l'enfant ait la possession d'état à l'égard du mari, la présomption de paternité peut être contestée par la mère, l'enfant, l'homme à l'égard duquel la filiation est établie et par la personne qui revendique la paternité de l'enfant.
  L'action visée à l'alinéa 1 et doit être intentée dans l'année de la découverte de la naissance.
  § 2. L'action du mari doit être intentée dans l'année de la découverte du fait qu'il n'est pas le père de l'enfant, celle de celui qui revendique la paternité de l'enfant doit être intentée dans l'année de la découverte qu'il est le père de l'enfant et celle de l'enfant doit être intentée au plus tôt le jour où il a atteint l'âge de douze ans et au plus tard le jour où il atteint l'âge de vingt-deux ans.
  Si le mari est décédé sans avoir agi, mais étant encore dans le délai utile pour le faire, sa paternité peut être contestée, dans l'année de son décès ou de la naissance, par ses ascendants et par ses descendants.
  La paternité établie en vertu de l'article 317 peut en outre être contestée par le précédent mari.
  § 3. Sans préjudice des §§ 1er et 2, la présomption de paternité du mari est mise à néant s'il est prouvé par toutes voies de droit que l'intéressé n'est pas le père.
  La contestation de la présomption de paternité du mari est en outre déclarée fondée, sauf preuve contraire :
  1° dans les cas visés à l'article 316bis ;
  2° lorsque la filiation maternelle est établie par reconnaissance ou par décision judiciaire;
  3° lorsque l'action est introduite avant que la filiation maternelle ne soit établie.
  § 4. La demande en contestation de la présomption de paternité n'est pas recevable si le mari a consenti à l'insémination artificielle ou à un autre acte ayant la procréation pour but, sauf si la conception de l'enfant ne peut en être la conséquence.
  § 5. La demande en contestation introduite par la personne qui se prétend le père biologique de l'enfant n'est fondée que si sa paternité est établie. La décision faisant droit à cette action en contestation entraîne de plein droit l'établissement de la filiation du demandeur. Le tribunal vérifie que les conditions de l'article 332quinquies sont respectées. A défaut, l'action est rejetée. ".
Art.8. Artikel 319 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 319. Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317, kan de vader het kind erkennen onder de bij artikel 329bis bepaalde voorwaarden. ".
Art.8. L'article 319 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 319. - Lorsque la paternité n'est pas établie en vertu des articles 315 ou 317, le père peut reconnaître l'enfant aux conditions fixées à l'article 329bis. ".
Art.9. Artikel 319bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 13 februari 2003, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 319bis. Wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat is verwekt bij een vrouw van wie hij niet de echtgenoot is, moet die erkenning ter kennis van de echtgenoot of van de echtgenote worden gebracht.
  Te dien einde, indien de akte van erkenning is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt een afschrift van de akte door hem verzonden bij een ter post aangetekende brief. Indien de akte niet is opgemaakt door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand of door een Belgische notaris, wordt ze betekend bij deurwaardersexploot op verzoek van de vader, het kind of diens wettelijke vertegenwoordiger.
  Totdat deze mededeling heeft plaatsgehad, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan de echtgenoot of de echtgenote, aan de kinderen geboren uit diens huwelijk met degene die het kind erkent en aan de kinderen die door de beide echtgenoten geadopteerd zijn. ".
Art.9. L'article 319bis du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par la loi du 13 février 2003, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 319bis. Si le père est marié et reconnaît un enfant conçu par une femme autre que son épouse, la reconnaissance doit être portée à la connaissance de l'époux ou de l'épouse.
  A cet effet, si l'acte de reconnaissance est reçu par un officier de l'état civil belge ou par un notaire belge, une copie de l'acte est envoyée par lettre recommandée à la poste par celui-ci. Si l'acte n'est pas reçu par un officier de l'état civil belge ou par un notaire belge, il est signifié par exploit d'huissier à la requête du père, de l'enfant ou du représentant légal de ce dernier.
  Jusqu'à cette communication, la reconnaissance est inopposable à l'époux ou à l'épouse, aux enfants nés de son mariage avec l'auteur de la reconnaissance et aux enfants adoptés par les deux époux. ".
Art.10. Artikel 321 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt aangevuld als volgt :
  " tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding. ".
Art.10. L'article 321 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est complété comme suit :
  " à moins que le mariage qui a fait naître cet empêchement ait été annulé ou dissous par décès ou divorce. ".
Art.11. Artikel 322, eerste lid, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " Wanneer het vaderschap niet vaststaat krachtens de artikelen 315 of 317, noch op grond van een erkenning, kan het bij vonnis worden vastgesteld onder de bij artikel 332quinquies bepaalde voorwaarden. ".
Art.11. L'article 322, alinéa 1er, du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est remplacé par la disposition suivante :
  " Lorsque la paternité n'est établie, ni en vertu des articles 315 ou 317, ni par une reconnaissance, elle peut l'être par un jugement, aux conditions fixées à l'article 332quinquies. ".
Art.12. Artikel 325 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt aangevuld als volgt :
  " tenzij het huwelijk waardoor dat beletsel is ontstaan, nietig werd verklaard of werd ontbonden door overlijden of door echtscheiding. ".
Art.12. L'article 325 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est complété comme suit :
  " à moins que le mariage qui a fait naître cet empêchement ait été annulé ou dissous par décès ou divorce. ".
Art.13. _ Artikel 328, tweede lid, van hetzelfde Wetboek wordt aangevuld als volgt :
  " In geval van een overleden kind zonder afstammelingen, kan de erkenning slechts geschieden binnen het jaar na de geboorte van het kind ".
Art.13. L'article 328, alinéa 2, du même Code, est complété comme suit :
  " Si l'enfant est décédé sans laisser de postérité, la reconnaissance ne peut être faite que dans l'année qui suit la naissance de l'enfant ".
Art.14. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 328bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 328bis. De vordering bedoeld in artikel 329bis, § 2, derde lid, kan worden ingesteld voor de geboorte. Indien de moeder gehuwd is, wordt het onderzoek van de zaak uitgesteld tot de geboorte ".
Art.14. Un article 328bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
  " Art. 328bis. L'action visée à l'article 329bis, § 2, alinéa 3, peut être intentée avant la naissance. Si la mère est mariée, il est sursis à l'examen de la cause jusqu'à la naissance ".
Art.15. In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 329bis ingevoegd, luidende :
  " Art. 329bis. § 1. De erkenning van het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind is alleen ontvankelijk zo het kind daarin vooraf toestemt.
  § 2. Indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de erkenning alleen ontvankelijk mits de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat of, indien de erkenning voor de geboorte van het kind gebeurt, de moeder, vooraf daarin toestemt.
  Bovendien is de voorafgaande toestemming van het kind vereist, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Deze toestemming is niet vereist indien het kind onbekwaam is verklaard of zich in een staat van verlengde minderjarigheid bevindt, dan wel indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen heeft.
  Bij gebreke van die toestemmingen dagvaardt degene die het kind wil erkennen de personen wier toestemming vereist is voor de rechtbank. De partijen worden in raadkamer gehoord. De rechtbank poogt ze te verzoenen. Indien de rechtbank de partijen tot verzoening brengt, ontvangt zij de nodige toestemmingen. Bij gebreke van verzoening wordt het verzoek verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader of moeder is. Als het verzoek een kind betreft dat op het tijdstip van de indiening van het verzoek een jaar of ouder is, kan de rechtbank bovendien de erkenning weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.
  Indien tegen degene die het kind wil erkennen een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt de in het vierde lid bedoelde termijn van één jaar opgeschort tot de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan. Als degene die het kind wil erkennen op grond daarvan schuldig wordt verklaard, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt het verzoek om toestemming tot erkenning verworpen.
  § 3. Is het kind minderjarig en niet ontvoogd en heeft het geen bekende ouder, of is de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat overleden dan wel in de onmogelijkheid zijn wil te kennen te geven, dan moet de ambtenaar van de burgerlijke stand een letterlijk afschrift van de erkenning ter kennis brengen van de wettelijke vertegenwoordiger van het kind en van het kind zelf, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, tenzij dezen vooraf in de erkenning hebben toegestemd.
  Indien de erkenning niet ontvangen is door een Belgische ambtenaar van de burgerlijke stand, moet zij op verzoek van de erkenner worden betekend aan de in het eerste lid bedoelde personen.
  Binnen zes maanden te rekenen van de betekening of de kennisgeving kunnen de personen aan wie zij is gedaan, bij dagvaarding de vernietiging van de erkenning vorderen van de rechtbank van de woonplaats van het kind.
  De griffier stelt de ambtenaar van de burgerlijke stand of de ministeriële ambtenaar die de akte van erkenning heeft opgemaakt, onmiddellijk in kennis van die vordering.
  Nadat de partijen werden gehoord, doet de rechtbank uitspraak over de vordering tot nietigverklaring. Ze vernietigt de erkenning indien het bewijs wordt geleverd dat de verweerder niet de biologische vader of moeder is. Bovendien vernietigt ze de erkenning als die kennelijk strijdig is met de belangen van het kind, als dat kind op het tijdstip waarop de vordering wordt ingediend één jaar of ouder is.
  Het vierde lid van § 2 is van overeenkomstige toepassing. Totdat de termijn van zes maanden verstreken is of totdat de afwijzende beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, kan de erkenning niet worden tegengeworpen aan het kind en aan zijn wettelijke vertegenwoordiger die er zich niettemin op kunnen beroepen. ".
Art.15. Un article 329bis, rédigé comme suit, est inséré dans le même Code :
  " Art. 329bis. § 1er. La reconnaissance de l'enfant majeur ou mineur émancipé n'est recevable que moyennant son consentement préalable.
  § 2. Si l'enfant est mineur non émancipé, la reconnaissance n'est recevable que moyennant le consentement préalable du parent à l'égard duquel la filiation est établie, ou de la mère si la reconnaissance est faite avant la naissance de l'enfant.
  Est en outre requis, le consentement préalable de l'enfant s'il a douze ans accomplis. Ce consentement n'est pas requis de l'enfant interdit, en état de minorité prolongée ou dont le tribunal estime, en raison d'éléments de fait constatés par procès-verbal motivé, qu'il est privé de discernement.
  A défaut de ces consentements, le candidat à la reconnaissance cite les personnes dont le consentement est requis devant le tribunal. Les parties sont entendues en chambre du conseil. Le tribunal tente de les concilier. S'il concilie les parties, le tribunal reçoit les consentements nécessaires. A défaut de conciliation, la demande est rejetée s'il est prouvé que le demandeur n'est pas le père ou la mère biologique. Lorsque la demande concerne un enfant âgé d'un an ou plus au moment de l'introduction de la demande, le tribunal peut en outre refuser la reconnaissance si elle est manifestement contraire à l'intérêt de l'enfant.
  Si une action publique est intentée contre le candidat à la reconnaissance, du chef d'un fait visé à l'article 375 du Code pénal, commis sur la personne de la mère pendant la période légale de conception, la reconnaissance ne peut avoir lieu et le délai d'un an visé à l'alinéa 4 est suspendu jusqu'à ce que la décision sur l'action publique soit coulée en force de chose jugée. Si le candidat à la reconnaissance est reconnu coupable de ce chef, la reconnaissance ne peut avoir lieu et la demande d'autorisation de reconnaissance est rejetée.
  § 3. Si l'enfant est mineur non émancipé et n'a pas d'auteur connu, ou que celui de ses auteurs à l'égard duquel la filiation est établie est décédé ou dans l'impossibilité de manifester sa volonté, l'officier de l'état civil doit notifier une copie littérale de la reconnaissance au représentant légal de l'enfant et à l'enfant lui-même, s'il a douze ans accomplis, à moins que ceux-ci n'aient préalablement consenti à la reconnaissance.
  Si la reconnaissance n'a pas été reçue par un officier de l'état civil belge, elle doit, à la requête de son auteur, être signifiée aux personnes désignées à l'alinéa 1 er.
  Dans les six mois de la signification ou de la notification, les personnes auxquelles elle a été faite peuvent, par citation, demander au tribunal du domicile de l'enfant d'annuler la reconnaissance.
  Le greffier informe immédiatement de cette demande l'officier de l'état civil ou l'officier ministériel qui a établi l'acte de reconnaissance.
  Les parties entendues, le tribunal statue sur l'action en nullité. II annule la reconnaissance s'il est prouvé que la partie défenderesse n'est pas le père ou la mère biologique. En outre, il annule la reconnaissance si elle est manifestement contraire à l'intérêt de l'enfant lorsque celui-ci est âgé d'un an ou plus au moment de l'introduction de la demande.
  L'alinéa 4 du § 2 est applicable par analogie. Jusqu'à l'expiration du délai de six mois ou jusqu'à ce que la décision de débouté soit passée en force de chose jugée, la reconnaissance est inopposable à l'enfant et à son représentant légal, lesquels pourront néanmoins s'en prévaloir. ".
Art.16. Artikel 330 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 330. § 1. " Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend en de man die het vaderschap van het kind opeist.
  De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde.
  De erkenning kan niet worden betwist door hen die partij zijn geweest bij de beslissing waarbij de erkenning is toegestaan overeenkomstig artikel 329bis, of bij de beslissing waarbij de krachtens dat artikel gevorderde vernietiging is afgewezen.
  De vordering van de vader, de moeder of de persoon die het kind erkend heeft, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de persoon die het kind erkend heeft, niet de vader of de moeder is; die van de persoon die de afstamming opeist moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij of zij de vader of de moeder van het kind is; die van het kind moet op zijn vroegst worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en moet uiterlijk worden ingesteld op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt.
  § 2. Onverminderd het bepaalde in § 1, wordt de erkenning tenietgedaan, indien door alle wettelijke middelen is bewezen dat de betrokkene niet de vader of de moeder is.
  § 3. De vordering tot betwisting die wordt ingesteld door de persoon die beweert de biologische vader of moeder van het kind te zijn, is maar gegrond als diens vaderschap of moederschap is komen vast te staan. De beslissing welke die vordering tot betwisting inwilligt, brengt van rechtswege de vaststelling van de afstammingsband van de verzoeker met zich. De rechtbank gaat na of aan de voorwaarden van artikel 332quinquies is voldaan. In ontkennend geval wordt de vordering afgewezen. ".
Art.16. L'article 330 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 330. § 1er. A moins que l'enfant ait la possession d'état à l'égard de celle qui l'a reconnu, la reconnaissance maternelle peut être contestée par le père, l'enfant, l'auteur de la reconnaissance et la femme qui revendique la maternité. A moins que l'enfant ait la possession d'état à l'égard de celui qui l'a reconnu, la reconnaissance paternelle peut être contestée par la mère, l'enfant, l'auteur de la reconnaissance et l'homme qui revendique la paternité.
  Toutefois, l'auteur de la reconnaissance et ceux qui ont donné les consentements préalables requis ou visés par l'article 329bis ne sont recevables à contester la reconnaissance que s'ils prouvent que leur consentement a été vicié.
  La reconnaissance ne peut être contestée par ceux qui ont été parties à la décision qui l'a autorisée conformément à l'article 329bis ou à celle qui a refusé l'annulation demandée en vertu de cet article.
  L'action du père, de la mère ou de la personne qui a reconnu l'enfant doit être intentée dans l'année de la découverte du fait que la personne qui a reconnu l'enfant n'est pas le père ou la mère; celle de la personne qui revendique la filiation doit être intentée dans l'année de la découverte qu'elle est le père ou la mère de l'enfant; celle de l'enfant doit être intentée au plus tôt le jour où il a atteint l'âge de douze ans et au plus tard le jour où il a atteint l'âge de vingt-deux ans.
  § 2. Sans préjudice du § 1er, la reconnaissance est mise à néant s'il est prouvé par toutes voies de droit que l'intéressé n'est pas le père ou la mère.
  § 3. La demande en contestation introduite par la personne qui se prétend le père ou la mère biologique de l'enfant n'est fondée que si sa paternité ou sa maternité est établie. La décision faisant droit à cette action en contestation entraîne de plein droit l'établissement de la filiation du demandeur. Le tribunal vérifie que les conditions de l'article 332quinquies sont respectées. A défaut, l'action est rejetée. ".
Art.17. Artikel 331ter van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 331ter. Wanneer de wet geen kortere termijn stelt, verjaren de vorderingen betreffende de afstamming door verloop van dertig jaar te rekenen van de dag waarop het bezit van staat geëindigd is, of, bij gebreke van bezit van staat, vanaf de geboorte, of te rekenen van de dag waarop het kind in het bezit van staat is gekomen overeenkomstig de staat die hem werd betwist, waarbij artikel 2252 onverkort van toepassing blijft.
  Artikel 2253 is niet van toepassing.
  De in dit artikel bepaalde verjaringstermijn geldt niet voor de op artikel 329bis gegronde vorderingen. ".
Art.17. L'article 331ter du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est remplacé par la disposition suivante :
  " Article 331ter. Lorsque la loi ne prévoit pas un délai plus court, les actions relatives à la filiation se prescrivent par trente ans à compter du jour où la possession d'état a pris fin ou, à défaut de possession d'état, à partir de la naissance, ou à compter du jour où l'enfant a commencé à jouir d'une possession d'état conforme à l'état qui lui est contesté, sans préjudice de l'article 2252.
  L'article 2253 n'est pas applicable.
  Le délai de prescription prévu par le présent article ne s'applique pas aux actions fondées sur l'article 329bis. ".
Art.18. Artikel 331sexies van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 331sexies. Onverminderd artikel 329bis, § 2, tweede lid, en § 3, eerste lid, en artikel 332quinquies, worden de niet-ontvoogde minderjarige, de onbekwaamverklaarde en de wilsonbekwame, in gedingen betreffende hun afstamming, als eiser of als verweerder vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger en, indien er tegenstrijdigheid van belangen is, door een voogd ad hoc die aangewezen wordt door de voorzitter van de rechtbank op verzoek van elke belanghebbende of van de procureur des Konings. ".
Art.18. L'article 331 sexies du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 331sexies. Sans préjudice de l'article 329bis, § 2, alinéa 2, et § 3, alinéa 1er, et de l'article 332quinquies, le mineur non émancipé, l'interdit et la personne incapable d'exprimer sa volonté sont, dans les actions relatives à leur filiation, représentés, comme demandeurs ou comme défendeurs, par leur représentant légal et, s'il y a opposition d'intérêts, par un tuteur ad hoc désigné par le président du tribunal à la requête de tout intéressé ou du procureur du Roi. ".
Art.19. Artikel 332 bis van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, wordt vervangen als volgt :
  " Art. 332bis. De vorderingen tot betwisting van staat moeten op zodanige wijze worden ingesteld dat het kind of zijn afstammelingen en degene van zijn ouders wiens vaderschap of moederschap niet wordt betwist in het geding worden geroepen, alsook de persoon wiens vaderschap of moederschap wordt betwist. ".
Art.19. L'article 332bis du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, est remplacé par la disposition suivante :
  " Art. 332bis. Les actions en contestation d'état doivent être formées de manière que l'enfant ou ses descendants et celui de ses auteurs dont la paternité ou la maternité n'est pas contestée soient à la cause aussi bien que la personne dont la paternité ou la maternité est contestée. ".
Art.20. In boek I, titel VII, hoofdstuk IV, afdeling II van hetzelfde Wetboek wordt een artikel 332quinquies ingevoegd, luidende :
  " Art. 332quinquies. § 1. De vorderingen tot onderzoek naar het moederschap of het vaderschap zijn onontvankelijk indien het meerderjarige of het ontvoogde minderjarige kind zich daartegen verzet.
  § 2. Indien het verzet uitgaat van een minderjarig kind dat niet ontvoogd is en de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, of van degene van de ouders van het kind ten aanzien van wie de afstamming vaststaat, wijst de rechtbank, zonder afbreuk te doen aan § 3, de vordering slechts af indien ze betrekking heeft op een kind dat minstens één jaar oud is op het ogenblik van de indiening ervan, en de vaststelling van de afstamming kennelijk strijdig is met de belangen van het kind.
  Er wordt geen rekening gehouden met het verzet van het kind dat onbekwaam is verklaard, zich in een staat van verlengde minderjarigheid bevindt, of waarvan de rechtbank, op grond van feitelijke elementen vastgesteld in een met reden omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het geen onderscheidingsvermogen heeft.
  § 3. De rechtbank wijst de vordering hoe dan ook af indien het bewijs wordt geleverd dat degene wiens afstamming wordt onderzocht niet de biologische vader of moeder van het kind is.
  § 4. Indien tegen de man die een vaderschapsonderzoek vordert een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, wordt op verzoek van een van de partijen de uitspraak verdaagd, tot wanneer de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is getreden. Indien de betrokkene hiervoor wordt veroordeeld, zal het verzoek tot toelating van de erkenning op vraag van één van de partijen worden verworpen. ".
Art.20. Un article 332quinquies, rédigé comme suit, est inséré dans le livre premier, titre VII, chapitre IV, section II, du même Code :
  " Art. 332quinquies. § 1er. Les actions en recherche de maternité ou de paternité ne sont pas recevables si l'enfant majeur ou mineur émancipé s'y oppose.
  § 2. Si l'opposition à l'action émane d'un enfant mineur non émancipé qui a douze ans accomplis, ou de celui des auteurs de l'enfant à l'égard duquel la filiation est établie, le tribunal ne rejette la demande, sans préjudice du § 3, que si elle concerne un enfant âgé d'au moins un an au moment de l'introduction de la demande, et si l'établissement de la filiation est manifestement contraire à l'intérêt de l'enfant.
  II n'est pas tenu compte de l'opposition de l'enfant interdit, en état de minorité prolongée ou dont le tribunal estime, en raison d'éléments de fait constatés par procès-verbal motivé, qu'il est privé de discernement.
  § 3. Le tribunal rejette en toute hypothèse la demande s'il est prouvé que celui ou celle dont la filiation est recherchée n'est pas le père ou la mère biologique de l'enfant.
  § 4. Si une action publique est intentée contre l'homme demandeur en recherche de paternité, du chef d'un fait visé à l'article 375 du Code pénal, commis sur la personne de la mère pendant la période légale de conception, il est sursis à statuer, à la demande d'une des parties, jusqu'à ce que la décision sur l'action publique soit coulée en force de chose jugée. Si l'intéressé est reconnu coupable de ce chef, la demande d'autorisation de reconnaissance est rejetée à la demande d'une des parties. ".
Art.21. In artikel 335 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
  A) in § 1 vervallen de woorden ", behalve wanneer de vader gehuwd is en een kind erkent dat tijdens het huwelijk bij een andere vrouw dan zijn echtgenote is verwekt ";
  B) 3, tweede lid, wordt opgeheven;
  C) § 3, derde lid, wordt aangevuld als volgt :
  " De termijn van één jaar begint te lopen op de dag die volgt op de in artikel 319bis, tweede lid, bedoelde kennisgeving of betekening. ";
  D) er wordt een § 4 toegevoegd, luidende : " Indien de afstamming van een kind wordt gewijzigd wanneer het de meerderjarige leeftijd heeft bereikt, mag er zonder zijn akkoord geen enkele verandering aan zijn naam worden aangebracht. ".
Art.21. A l'article 335 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, sont apportées les modifications suivantes :
  A) au § 1er er, les mots ",sauf si le père est marié et reconnaît un enfant conçu pendant le mariage par une autre femme que son épouse " sont supprimés;
  B) le § 3, alinéa 2, est abrogé;
  C) le § 3, alinéa 3, est complété comme suit :
  " Le délai d'un an prend cours le jour suivant la notification ou la signification visées à l'article 319bis, alinéa 2. ";
  D) un § 4 est ajouté, rédigé comme suit : " Si la filiation d'un enfant est modifiée alors que celui-ci a atteint l'âge de la majorité, aucune modification ne pourra être apportée à son nom sans son accord. ".
Art.22. In artikel 337, § 1, van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, vervallen de laatste twee zinnen.
Art.22. A l'article 337, § 1er er, du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, les deux dernières phrases sont supprimées.
HOOFDSTUK III. - Opheffingsbepalingen.
CHAPITRE III. - Dispositions abrogatoires.
Art.23. Artikel 320 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 27 december 1994, wordt opgeheven.
Art.23. L'article 320 du même Code, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par la loi du 27 décembre 1994, est abrogé.
Art.24. De artikelen 323, 332, 334bis, 745quater, § 1, tweede lid, en 837 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, worden opgeheven.
Art.24. Les articles 323, 332, 334bis, 745quater, § le,, alinéa 2, et 837 du même Code, remplacés par la loi du 31 mars 1987, sont abrogés.
HOOFDSTUK IV. - Overgangsbepaling.
CHAPITRE IV. - Disposition transitoire.
Art.25. § 1. In afwijking van artikel 330, § 1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, en van artikel 318, § 1, tweede lid, zoals ingevoegd bij deze wet, kunnen de erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot worden betwist door de persoon die het moederschap of vaderschap van het kind opeist gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, zelfs indien er meer dan een jaar verstreken zou zijn sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind [2 , of binnen een jaar nadat hij of zij kennis heeft genomen van de erkenning, indien deze na de inwerkingtreding van de wet van 21 december 2018 houdende diverse bepalingen betreffende justitie plaatsvindt]2.
  § 2. Gedurende een termijn van één jaar vanaf de inwerkingtreding van deze wet, behoudt elke belanghebbende derde, in de zin van artikel 330, § 1, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek in zijn vorige lezing, de mogelijkheid een erkenning te betwisten, volgens de voorwaarden voorgeschreven door de vroegere wetgeving.
  § 3. De verjaringstermijn van de vordering tot betwisting van de erkenning ingesteld door artikel 330, § 1, vierde lid, zoals gewijzigd bij deze wet, begint te lopen de dag waarop deze wet in werking treedt, tenzij de vordering reeds was verjaard, en zonder dat de totale duur van de verjaringstermijn dertig jaar kan overschrijden.
  § 4. De erkenning en het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot betreffende een kind dat geboren werd voor de inwerkingtreding van deze wet, kunnen worden betwist door de echtgenoot of door degene die het kind erkent, binnen een termijn van één jaar vanaf de datum van de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, zelfs indien er meer dan een jaar zou zijn verstreken sedert de geboorte of het ontdekken van de geboorte van het kind.
  (§ 5. De personen die de rechten bezitten die voortvloeien uit artikel 320 van het Burgerlijk Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987 en gewijzigd bij de wet van 27 december 1994 en uit artikel 323 van hetzelfde Wetboek, vervangen bij de wet van 31 maart 1987, zoals opgeheven bij deze wet, kunnen nog een vordering instellen binnen een termijn van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze wet.) <W 2006-12-27/32, art. 372, 031; Inwerkingtreding : onbepaald , uiterlijk op 01-07-2007>
  [1 § 6. Het oude artikel 319bis van het Burgerlijk Wetboek, zoals van toepassing voor de inwerkingtreding van deze wet, blijft van toepassing op de erkenningen die plaats hebben gehad vóór de inwerkingtreding van deze wet.
   De erkenner kan evenwel ook een nieuwe erkenning doen overeenkomstig de bepalingen die van kracht zijn op het ogenblik van de erkenning.]1

  
Art.25. § 1er. Par dérogation à l'article 330, § 1er, alinéa 4, tel que modifié par la présente loi, et à l'article 318, § 1er, alinéa 2, tel qu'inséré par la présente loi, la reconnaissance et la présomption de paternité du mari pourront être contestées par la personne qui revendique la maternité ou la paternité de l'enfant pendant un délai d'un an prenant cours à l'entrée en vigueur de la présente loi, quand bien même il se serait écoulé plus d'un an depuis la naissance ou la découverte de la naissance de l'enfant [2 , ou dans l'année après qu'il ou elle a appris la reconnaissance, si celle-ci a lieu après l'entrée en vigueur de la loi du 21 décembre 2018 portant des dispositions diverses en matière de justice]2.
  § 2. Pendant un délai d'un an prenant cours à l'entrée en vigueur de la présente loi, tout tiers intéressé au sens de l'article 330, § 1er, alinéa 1er, du Code civil dans sa rédaction antérieure, conserve la faculté de contester une reconnaissance, selon les conditions prescrites par la législation antérieure.
  § 3. Le délai de prescription de l'action en contestation de la reconnaissance institué par l'article 330, § 1re, alinéa 4, tel que modifié par la présente loi, commence à courir le jour de l'entrée en vigueur de celle-ci, à moins que l'action n'était déjà prescrite, et sans que la durée totale du délai de prescription ne puisse dépasser trente ans.
  § 4. La reconnaissance et la présomption de paternité du mari relatives à un enfant né avant l'entrée en vigueur de la présente loi peuvent être contestées par le mari ou par l'auteur de la reconnaissance dans un délai d'un an à dater de la découverte du fait qu'il n'est pas le père de l'enfant, quand bien même il se serait écoulé plus d'un an depuis la naissance ou la découverte de la naissance de l'enfant.
  (§ 5. Les personnes titulaires des droits découlant de l'article 320 du Code civil, remplacé par la loi du 31 mars 1987 et modifié par la loi du 27 décembre 1994 et de l'article 323 du même code, remplacé par la loi du 31 mars 1987, tels qu'abrogés par la présente loi, peuvent encore agir dans un délai d'un an à dater de l'entrée en vigueur de la présente loi.) <L 2006-12-27/32, art. 372, 002; En vigueur : indéterminée et au plus tard le 01-07-2007>
  [1 § 6. L'ancien article 319bis du Code civil, tel qu'applicable avant l'entrée en vigueur de la présente loi, reste applicable aux reconnaissances qui ont été effectuées avant l'entrée en vigueur de la présente loi.
   L'auteur de la reconnaissance peut toutefois faire une nouvelle reconnaissance conformément aux dispositions en vigueur au moment de la reconnaissance.]1

  
HOOFDSTUK V. - Inwerkingtreding.
CHAPITRE V. - Entrée en vigueur.
Art. 26. La présente loi entre en vigueur à la date fixée par le Roi et au plus tard le 1er juillet 2007.
   (NOTE : la date d'entrée en vigueur de la présente loi détermine celle des articles 367 à 373 de la L 2006-12-27/32.)